MOZES, hoedende zijne schapen aan den berg Horeb, spreekt:Weidt hier, mijn beestiaal[25]! weidt hier, mijn tierig vee!Golft hier om dit gebergt', mijn witgewolde zee!Scheert hier 't groenhaar'ge loof, spaart kruid, noch bloemkens geurig,'t Lacht hier doch altemaal, zoetrokig[26]en couleurig,Nu wauwelt[27]zoo veel gras, zoo vet en graag bedijt[28],Tot gij van Midian de schoonste kudde zijt:Onnooz'le lammerkens, verstrooit u wijd noch verder,Blijft al omtrent den staf van uwen trouwen herder,De wolf (waar voor ik u zoo dikmaals heb beschermd)Is d'onrust, die doch steeds naar u, mijn vliezen[29], zwermt;Ontwijfelijk hij ligt hier al omtrent gedoken,Want hij terstond den snof heeft van zijn aas geroken;Dus blijft mij al omtrent, en loopt zoo niet verdeeld,Terwijl de Echo hier met mijn gedachten speelt.Och, of met dezen staf mijn jaren henen slipten!Die staf mij waarder dan de scepter van Egypten;Of ik mijn dagen sleet in deze weide schoon,Veel heugelijker als 't gewelf van Memfis troon!Veel liever wilde ik hier een zoeten bloemkrans plukken,Als met de Nijlsche kroon mijn voorhoofd prat omdrukken,Geen purper ruilde ik of koninklijk gesmijd[30],Met mijn omgorden rok, mijn herderlijk habijt[31],Geen wijnen liet ik in een gouden schale gieten,Voor eenen koelen teug geschept uit deze vlieten,Veel grager uit mijn maal smaakt deze spijze grof,Als al de lekkernij van 't koninklijke hof:Al schijnet 's konings hof te zwemmen in wellusten[32],'t Is wederom vermengd met zorgen en onrusten,Nu zal de koning zijn met purper schoon bekleed,En morgen toegerust met wapens dol en wreed,Nu zal zijn waardig hoofd de groote kroon bedwelmen,En morgen 't harde staal en 't blaauw van eender helmen[33],Drukt nu zijn sterke hand den scepter hoog en waard,'t Verandert 's anderdaags ligt in een vlammig zwaard.Zit nu zijn Majesteit in zijn gewelfde zalen,Nu moet hij naar de grens en 't uiterst' van zijn palen.Ik zie niet dan een zwaard aan eene zijden draadSteeds hangen boven 't hoofd den Koninglijken staat.Onz' Vaders hebben dus hun leven laten glijden,En over 't Vee gezocht de zoetste heerschappijen:Abel en Abraham, Izak en Jakob mild[34]Zijn wel d' aanvangers van 't eenvoudig Herder-gild;Geen van hun allen heeft gedreven ander woeker,Als met de geiligheid van 't Vee, hoe langs hoe kloeker;Hun Beesten waren meest hun werking en hun doen,Ik volg hun stappen na, en langs de kusten groen,Dus schuwe ik heel gerust 't gewoel van groote Heeren,Doch meer dwingt mij de nood als[35]hertelijk begeeren.'t Bloed is nog versch en lauw, waar met ik deze wijl[36]Eens laafde 't dorstig zand bij 't stroomen van den Nijl:Mocht ik den Farao zoo lichtelijk begraven,En rukken Jakobs huis uit dit gedurig slaven!Tiran! och, of gij eens begrijpen mocht in 't minst,Dat herderlijk beroep den Koninglijken dienstBeteekent[37]t' eenemaal, gij bleeft niet zoo versteenigd,Zaagt gij den Scepter met den Herder-staf vereenigd:Het Herder-ambt vereischt, dat hij zijn kudde hoedt,De Koning, dat hij 't volk heerscht met een wijs gemoed;De Herder moet zijn kudd' voor des wolfs tanden vrijen,De Koning weren al d' uitheemsche tirannijen,Dat d' Herder-staf geen Lam voor d' ander stoot noch sla,En elk Inwoonder hoort den Scepter even na,D' een vlies voor d' ander komt de weide niet ten goeden,Zoo hoort 't Rijk op[38]te staan, om iegelijk te voeden:Maar Israël, helaas! gaat op een dorre heid',Daar den Egyptenaar in 't grazig groene weidt,D' een is een droeve slaaf, en moet, och arm! ontbeeren,Dat d' ander zal in weelde en overvloed verteeren:De vloer, waarop zich den Egyptenaar verlust,[39]Veel zachter is als 't bed van d' Isralietsche rust:Farao's rijkstaf hun verstrekt maar eenen vlegel,Zijn kroon een lastig juk, dat zonder maat of regel,De Israëlieten drukt: zijn wedersnijdig[40]staalZal den Egyptenaar beschermen t' eenemaal,En al hun vijanden verstrekken eenen prikkel,Maar Jacobs vruchtbaarheid afmaayen als een sikkel.Fy ongerechtigheid! Fy, koninglijke haaf!Waarvan d' een burger is en d' ander eigen slaaf:En of zij schoon[41]met graan al Memfis' zolders vullenHet kaf is alden loon, die zij genieten zullen.Mijn Isralieten, die zoo lange om vrijheid riept!Gij graaft om elke stad een grondelooze diept,Gij bouwt zijn muren op, en gaat den hemel tergenMet torens, die hun kruin tot in 't gesternte bergen,En hoe gij bouwt en slaaft, met truffel, spa, of ploeg,En arbeidt in het zweet uws aanschijns, spade en vroeg,Des morgens, eer de zon met zijne stralen luistert[42],En 't manenzilver[43]met zijn gulden trots verduistert,Tot dat de zwarte nacht beschaduwt berg en dal,En dat 's doods zuster wiegt in slaap den grooten Al:Noch razet[44]den tiran, Egypten leît[45]ten woesten,En zal door ledigheid van dezen zwerm verroesten.Heeft tijd en oudheid dus Josefs weldaden grootUit uw gemoed gewischt? denkt, hoe uit zijnen schootEgypten werd gespijst, toen over zijn limietenZijn horenen den Nijl maar jaarlijks twaalf cubietenIn zeven jaar verhief, en zelf de hemellochtDie weigerden zoo lang haar tranen koel en vocht,Toen u vrouw Ceres, laas! wat zij ook ploegde of zaaide,Met geene zeissen krom in zeven oogsten maaide,Toen t' elken in den oogst den droeven akkermanVervloekte ploeg, en zein[46], dorschvlegel, eg en wan,Toen 't heele Ceresgild[47]schier niet dan stroo en stoppelIn schoven zamenbond, in bondels en gekoppel:Toen loech[48]elk Josef toe, toen was hij 's Konings beeld,Zoolang hij vaderlijk het graan heeft uitgedeeld,Toen hij zoo vriendelijk de stralen van zijn oogenOp iegelijken[49]wierp, en niemand heeft onttogenDe vrucht zijns overvloeds; toen zijne volheid plein,Gelijk de zonneschijn, een ieder was gemein[50].O Josef! al te slecht hebt gij gevoed te veuren[51]De wolven, die nu 't schaap van Israël verscheuren;Uw mild weldadig hart, dat gij hun hebt betoond,Wordt ons met tyrannie al t' onverdiend beloond:Hadt gij ons vaders toch geweigerd deze gaven,En langen tijd met hun vóór onzen tijd begraven!Ofschoon Abrahams zaad in vruchtbarigheid tiert.Als 's Hemels mantel blaauw met loovers is gecierd,Ofschoon Isaaks geslacht in veelheid goederhandigBeklijft, als[52]'t Roode Meer opwerpt zijn baren zandig,Of Jacobs neven zich verspreyen in fatsoen,Als loof groeit uit den schoot van dees valleyen groen:Wat baat het, als hun dus verkeert met tirannijet' Ondraaglijk eeuwig juk van droeve slavernije?O, onzer vadren God! wanneer zal eens 't gesmookVan onz' altaren, als een liefelijken rook,Ten hemel stijgen op? werwaarts, en in wat landenZal u den wierook van ons heilige offerandenBevallen? och! gedenkt aan 't teeken des verbonds,Bezegeld met het woord uws Goddelijken monds,Dat gij den scepter nog zult paarlen in ons handen,Die overheeren zal den trots van u vijanden;Bevestigt uw beloft, onttrekt ons niet zoo lichtDe heilge stralen van uw hemelsch aangezicht:Of zijn wij dus gestraft om onze zwaar misdaden,Wascht ons weer in de borne[53]en vloed uwer genaden!Zoo wijd de morgenstond beschaamt het nachtzeil zwart,Toont dat de gunste strekt van uw vaderlijk hart:Treedt ons met uw gericht niet altijd op de hielen,Werpt uwen bliksem niet op zoo veel duizend zielen:Wij zijn Dijn handen werk.....(GOD verschijnt Mozes in het vlammende bosch.)MOZES.Aanschouwt dat heerlijk licht!Hoe blikt in 't sterflijk oog dit wonderlijk gezicht!'t Bosch schijnt in vuur en vlam te sparken[54]en te gloeyen,Nogtans in 's vuurs gegolf gebloemt en blad'ren bloeyen.Ik wil mij derwaarts spoên.GOD.Zacht, Mozes! Mozes, beidt!MOZES.Hier ben ik.GOD.'t Is hier van mijn tegenwoordigheidEen driemaal heilig land, dus wacht u mij t' ontmoeten,Eert mij en deze plaats, ontschoeit terstond uw voeten.'t Bosch, dat hier branden schijnt[55], en niet en wordt verteerd,Daarmede is Israël naakt af gefigureerd:'t Vuur is een beeldtenis van mijnen Geest, die leerlijkDe kwaaddoender verteert, de goede loutert heerlijk,En, g'lijk men op den toets het edel dierbaar goud,Nadat het is doorvuurd, veel waardiger beschouwt,Zoo zullen ook in 't kruis de twalef Joodsche stammenGroen blijven, als 't geboomt', in 't golven dezer vlammen.Ik ben Abrahams God, de God die 't al bezielt,Waarvoren zich[56]Isak en Jakob heeft geknield[56].MOZES.Amy! waar zal ik vliên, in klippen of in kuilen?GOD.Ik was, Ik ben, Ik blijf.MOZES.Waar zal ik mij verschuilen?GOD.Den hemel is mijn troon, d' aard mijner voeten bank,En 't Helsche keizerrijk 't wit van mijn pijlen strank[57],Dit wonderlijk geheel van hemel en van aarde,Ja, tot mijn evenbeeld, den mensche hoog van waardeIk in zes dagen schiep; de zon is maar een vonkVan mijne heerlijkheid, die voor veel eeuwen blonk:De God, die Abrams zaad in Izak wilde noemen,Zoo vele als 't zand des meers of als de Lentsche bloemen;Ik ben dezelfde God, die Isrels troebelzeeEn groot heerleger met mijn vleugelen bespreê[58],Werpt slechts op mijn beloft den anker van uw hopen,Want over Jakobs huis staan steeds mijn oogen open,Mijn oor beluistert hun gebed van woord tot woord,Ik heb hun leed gezien, en hun geschrei gehoord!Mijn zeisen maait nu eens den draad van hun ellenden,Ik zal nu 't wankel rad van mijn beproeving wenden,Nu zult gij zien wiens hand den Farao ontruktMijn lelie, die zoo lang de doornen heeft gedrukt!Gij zult de leidsman zijn, en brengen hun persoonig[59],Met uwen staf, in 't land dat vloeit in melk en honig;In 't land, daar Abraham zoo dikwijls zag de maanHeur hoornen spieglen in de glazige[60]Jordaan;Daar zijn gehoorzaamheid mij over had gegevenZijn eenig liefste kind, den spiegel van zijn leven,Daar hij niet en ontzag, op Salems hoogte trots,Te storten 't bloed zijns zoons, tot eenen offer Gods;Daar hij te buiten trad de vaderlijke palen,En zag op 't altaar-plat alreê ten hemel stralen,(Met oogen des geloofs, van wil en van gemoed)'t Vuur van zijn offerand', en zijn verkoren bloed;Daar hij, in asch en stof, op 't heilige gesteente,Alreê begraven had zijn vleesch en zijn gebeente;Daar hij zijn wandeling ten einde heeft gebrocht[61],En 't hemelsch burgerschap hier boven heeft gekocht;Daar zijnen zoon Izak en Jakob, beî te gader,Zijn pelgerims geweest, met hunnen ouden vader;In 't land, daar ik de kroon hun drukken zal om 't hoofdDie Abraham, Izak, en Jakob is beloofd.Gaat, boodschapt Farao, wie dat u is verschenen;De weg is al bereid, dus trekt met vreden henen.MOZES.Ik ben een sterflijk mensch, ik ken mij veel te zwak.GOD.Hij maakt u machtig, die[62]nooit sterkheid en ontbrak;En tot een teeken blij, na uw verlossing veilig,Doet mij op dezen berg een offerande heiligVan liefelijken reuk.MOZES.O God gebenedijd!Hoe zal ik Jakob toch betuigen, wie gij zijtDie mij gezonden hebt?GOD.Jehova, God almachtig,Die hun met zijnen arm zal helpen sterk en krachtig:Ik ben, die Ik zal zijn, die u de kroone biedtMet uitgestrekte hand, en gij en grijpt ze niet:Ik ben die 't al vermag, die uwen staf bepeereltDen dans-beleider wijs van d' een en d' ander wereld;Ik ben de Heere zelf.MOZES.De vonk van hun geloofIs zeer na uitgebluscht, in asschen bleek en doof.GOD.Met wonderdaden dan versterkt hun dwaasheid teder;Wat hebt gij in uw hand?MOZES.Een staf.GOD.Wel, werpt hem neder.MOZES.Wat kronkelt hier alreê? hier wemelt, krolt[63]en driltEen slange, die mij in de hielen bijten wilt[64]:O Heere, staat mij bij!GOD.Wel, grijpt den krommen worme.MOZES.Dit 's mijnen zelfden staf, weêr in zijn eerste vorme:O, Heere wonderbaar!GOD.Opdat u niets ontbreekt,Uw rechterhand nu eens in uwen boezem steekt,En trekt ze weder uit.MOZES.Mijn hand is stijf en kromme,Melaatsch, gelijk de sneeuw.GOD.Wel, drukt nu weder ommeUw ongeloovig hart.MOZES.Ze is zuiver, rein en klaar.GOD.Gelooven zij dan niet dees teekens wonderbaar,Met vochtig water sprengt de vloer die gij bewandert[65],'t Wordt in roodverwig bloed door mijne kracht veranderd.MOZES.Om voor den Farao verschijnen ik mij schaam,Want, Heer! mijn tonge lispt, mijn stem is onbekwaam;Kiest elders een gezant.GOD.Zal mij dan iets ontbreken?Die 't alles schiep uit Niet, in d' eerste week der weken,Den Hemel, die om u met zijne lichten wielt[66],En al wat in 't begrijp[67]van nat of drooge krielt,'t Gevogelt' in de locht, dat op de winden zwieret,En 't waterzuchtig aas, dat naar 't vlietwater gieret,'t Viervoetig veldsch[68]gediert', 't geboomte, dat gekromdVan zijne vruchten hangt, de dalen vol geblomt:Wie heeft den mensch toch eerst 't gesuisel en 't gehooreVan eenen zachten wind geblazen in zijn oore?Wie heeft den appel klein van zijn gezicht bepaald,Waarmede hij alsins mijn heerlijkheid bestraalt;Wie heeft toch geconfijt zijn milde tong schoontalig?Waar met den mond ontvloeit zijn rijpe woorden zalig;En of ik schoon uw tong gebrekkelijken lietOm uw hardnekkigheid;—wat dunkt u, kan ik nietGebruiken nevens u, voor Israël en Faron,De zoetvloeyende taal van uwen broeder Aron?MOZES.Of[69]Farao blijft versteend, en drijft met ons den spot?GOD.Leeft met hem zoo gij wilt, tot eenen aardschen GodZijt gij van mij gezalfd.MOZES.En blijft hij onbewogen?GOD.Zoo dreigt hem mijnen toorn, met mijn gespannen bogen;Mijn pijlen hangen reê gescherpt in mijnen tros[70],En naar mijn dreigement, zoo gaan mijn pezen los.MOZES.En of mijn haters mij nog in Egypte vonden?GOD.De dood heeft lang vernield die naar uw leven stonden:Dus spoedt u.MOZES.Op uw woord zal ik mij henenspoên,Mijn vliezen zijn hier vast verstrooid, verspreid in 't groen,Wel op, mijn geilig vee! loopt huiswaarts voor mij henen,Dit 's voor de laatste maal; den tijd die is verschenen,Dat ik een herder ben van Jakobs huis bescheerd[71]:Wat schaadt het, dat ik 't aan dees schaapkens heb geleerd?KORACH, JOZUA, EN KALEB.KORACH.Hoe lang zal Jakob nog betreden deze pleinen?Daar hij zijn oogen maakt tot schreyende fonteinen?Hoe lange zullen nog, in zijne dagen oud,Dees groene velden met zijn tranen zijn bedauwd?Hoe lange zullen nog zijn klagelijke lippenBewegen berg en dal, de rotsen en de klippen?Hoe lange zal hij hier gelijken ongestildEen sneeuwen beeld, dat in de zonneschijn versmilt[72]?Hoe blijft hij dus van God verworpen, droef en smartig?Wien heeft de Hemel ooit geweest zoo onbarmhartig?O, Heere! niet om ons, maar om uw vast verbondEn driemaal heil'gen naam, verstopt den lastermondDer Heidenen, die stout en schimpig durven spreken:Is dit 't verkoren volk, 't welk voert het Godd'lijk teeken?Gij zijt toch onze God, wij kennen anders geen,Wij hebben toch nooit beeld van koper noch van steen,Gesternte, zon noch maan, noch schepsels creatuurlijk,Nog nooit gouden kolos noch zilverbeeld figuurlijk,Afgodisch aangebeèn, noch zichtbaar beeldtenis;In vuur noch in geboomt' wij nooit geheimenisVerblind hebben gezocht, noch uw onsterflijk wezen.Den glans benomen van uw heerlijkheid geprezen;Wij hebben[73]nimmermeer voor Isis onbezield,De Egypter afgodin, devotelijk geknield;Wij kennen Osiris niet met een blinde zotheidVoor iets byzonders, of een drievuldige Godheid.Met uw straffende hand en drukt ons niet altoos,Gij kent onz' zwakheid teêr, en onz' nature broos,Wij zijn toch aarde en stof, wij hebben niet te roemen,Wij zijn niet anders dan vergankelijke bloemen;Als gij het stralig licht uws aanschijns van ons wendt,Zoo zijn wij arm en zwak, vol kommer en ellend'.Ziet, hoe ons Gozen, laas! van droefheid overvloeit[74],Hoe ons Farao heeft geketent en geboeid[74],Wij zijn 't rookende vlas, wij zijn 't gekrookte riet,Een ander eenen vloek, ons zelven een verdriet!Met dat de ronde zon de hemelsche gordijnenVan zijne koetse schuift, en doet den nacht verdwijnen,Met dat de dageraad treedt haar slaapkamer uit,Die van den witten[75]dag den draaiboom open sluit,Met dat zij hare vlucht[76]gaat in den wagen spannen,Zoo spant terstond in 't juk de Israëlietsche mannenDe slaafsche arrebeid, met een gezichtel eep[77],Die steeds ons onvernoegd voortklatert met zijn zweep,Dat elke druppel haars schijnt eenen stroom te zweeten,Wanneer het zoncompas den dag heeft overmeten.Scheldwoorden is het loon van al onz' dienstbaarheid,Ons wordt naauw spijze en drank om[78]leven bij geleid.Och! of de bleeke dood onz' slavernije susten,Wij hebben hier toch niet daar wij op mogen rusten:Kom, aangename dood! en help ons uit dit krijt[79],En overschrijdt het perk, het perk van onzen tijd:Want onze slavernij schijnt eeuwig en gedurig,Gelijk de zee de een' baar op de ander golft azurig,Een ander roept: o dood! keert elders uwen boog,Maar wij: o zoete dood! kom, dwaat[80]ons tranig[81]oog!'t Is onbestendig al: het planten en het zaayenMen weder keeren ziet in plukken en afmaayen,Nu ploegt men de aarde zwart met 't kouter om en om,Nu scheert men weêr de vrucht met eene zeisen krom,Nu bloeit de lieve Lent' met al haar bloempjens verwig,Nu is de Herfst bekroond met gulden aren terwig[82],Nu lacht de Zomer schoon, nu knort de Winter grijs,De een spiegelt zich in 't groen, en de ander in het ijs;Nu rijst de zon in 't Oost', nu daalt zij neêr in 't Westen,Wanneer de bleeke maan klimt uit de watervesten,De mane die heur[83]nu in volle rondte stelt,En weder heuren glans en zilverschijn versmelt;Ja, zelf der sterren loop, de hemel met zijn sferen,Met de elementen steeds veranderen en keeren:Maar onze droeve staat gelijkt een vaste Pool,Die staâg uit een klimaat blijft pinken[84]als een kool.Hetgeen God eens belooft, breekt God dat wederommeDoor wispelturigheid?JOZUA.Neen, God, als een kolommeEn pyramide sterk, blijft altijd vast gegrond.KORACH.Is hij 't niet die hem[83]aan onz' vaderen verbond?JOZUA.Door onz' misdaden is dit zegel weêr gebroken.KORACH.Hij heeft het toch beloofd, hij heeft het zelf gesproken,Ook heeft hij wel voorzien onz' wankelmoedigheid,Een kroon (geen lastig juk) heeft hij ons toegezeîd,Noch geen Egypteland, maar Kanaän vruchtbarig,Noch geen gehoornden[85]Nijl, maar een Jordane barig[86].KALEB.Hij heeft ons deez' beloft' in geenen tijd gesteld.KORACH.En heeft zijns waarheids mond niet Abrams zaad gemeld?KALEB.Dat strekt zich eindeloos op onz' nakomelingen.KORACH.Wat heugenis[87]is 't ons, als onze tijd gaat springen[88]?KALEB.Hij is in zachte rust, die ondertusschen sterft.KORACH.Waartoe is 't dan beloofd, als men de vruchten derft?JOZUA.God heeft het niet beloofd die zijn gebod versmaden.KORACH.Waaruit bewijst gij dat?JOZUA.God bindt hem[83]aan geen kwaden.KORACH.Is zijn belofte niet aan Abrams zaad verklaard?JOZUA.'t Zaad, dat als Abraham oprechte vruchten baart,In liefd', geloof en hoop, en in zachtmoedigheden,In gehoorzamigheid, in ootmoed, en in vreden:Dat God nu zijn belofte in ons niet en vervultDaar zijn wij oorzaak van, om onzer zonden schuld:Onze ongerechtigheid doet zijne liefd' veranderen,De misdaad scheidet God en mensche van malkanderenAls eenen sterken muur: want God is onbevlekt,Hij heeft den hemel heel met wolken overdekt,Hij wendt zijn aangezicht, verstoppende zijne ooren,Ons krachteloos gebed en wil hij niet verhooren.KORACH.Wat staat ons dan te doen?JOZUA.Tot boete zijn bereidVoor hem, die overvloeit rijk van bermhertigheid,Misschien (wij mogen[89]toch zijn wijsheid niet begrijpen),Opdat in ons gemoed vruchtbariger mocht rijpenDe vruchte des geloofs, heeft hij ons dus beproefd;God kent onz' nuttigheid, en wat de mensch behoeftWeet hij te voren wel.KORACH.Behoudens uw propoosten[90],Beproeving, schijnt[91]nochtans, den mensche leidt ten boosten.JOZUA.O neen, de rouwe, die ons God heeft toegeveugd[92],Ontwijfelijk beklimt den steilen berg van vreugd;Dat hij ons van hem[93]werpt geschiedt maar uit ontfermen;Om vaderlijken[94]ons te omhelzen met zijn armen:Wij zijn van oordeel blind, want 's Heeren wil en eischMeer onzer zielen rust zoekt, dan 't gemak des vleisch.KORACH.En schiep hij lijf en ziel niet in den Paradijze?JOZUA.De een tot onsterflijkheid, en 't ander tot een spijzeDer wormen in het graf, waarom hem ook gewisVeel waarder onze ziel als 't sterflijk lichaam is:De ziele keert tot God, maar na dit tijd'lijk slavenWordt 't lichaam weder in zijn zelfde stof begraven,En moet, gelijk het graan in 't aardrijk eerst verrot,Versterven, eer 't verrijst in heerlijkheid tot God:Doch onz' ziele is een beeld zijns heerlijkheids zelfstandig,Die geen tiran en mag verdrukken, hoe vijandig;Gelijk ons teêre lijf, ellendig, naakt en bloot,'t Welk van den menschen boos werd lichtelijk gedood;Maar de edel' ziele staat alleen in 's Heeren handen,Al wordt ze hier bezwaard met veelderleie banden,Terwijl ze in 't aardsche dal ons lichaam 't leven geeft,En in 's lijfs hutte vast heur korte woning heeft:En of ons lichaam schoon[95]in allerlei wellustenEn duizend weelden zwom: wat waar' 't, als niet en rusttenOnz' edel' ziele in God den Heere Sebaoth?Wat baatten[96]ons deez' winst? wanneer wij namaals 't lotEn 't allerhoogste goed, den hemel, moesten derven?'t Wordt hier toch al op 't lest geëindigd met een sterven:Gij ziet, hoe hier het glas van onze tijd verloopt,Geen balling is hij die een burgerschap verhooptHier namaals; zijt getroost, het dient ons al ten besten,Dat wij, als wandelaars, ons herte niet en vestenOp een vergank'lijk rijk; dwaas is hij, die verkiestHet tijd'lijke, en daarvoor het eeuwige verliest.KORACH.Onz' vaders leefden wel voorspoedig en gelukkig,KALEB.God heeft ze ook al gesteld in zijn beproeving drukkig.KORACH.Nooit in zoo harden proef als nu is Jakobs huis.JOZUA.Een ieder dunkt zich 't zijn te zijn het zwaarste kruis.KORACH.Heeft God ons niet op 't strengst getreden op de hielen?JOZUA.Hij heeft een geesel nog, waarmeê hij na der zielen[97]Den mensche harder straft, een onverganklijk wee;Zijn allerscherpste staal steekt nog in zijne scheê.Deez' waarschouwende straf ons ernstelijk te vorenOp een veel grooter wijst, dat niemand ga verloren;Dus laat ons deze roê, waarmede hij ons driegt[98],Waarnemen nog in tijds, eer onze tijd vervliegt:Hij zal ons met zijn gunst en vleugelen bespreyen,Indien wij niet te spade onz' zonden en beschreyen,Gelijk als d' eerste weerld, die Noach al betraand[99]Had zoo veel jaren tot boetvaardigheid vermaand,Zij bleven onbeweegd[100], al zagen zij voor oogenZoo vele wolken zwart, zoo vele regenbogen,Tot 't Goddelijk kompas verloopen was te vroeg,En 's hemels groote klok de laatste ure sloeg;Toen heeft God opgesteld[101]zijn groote waterspuyen[101],En alle sluizen van zijn vochte regenbuyen,De meeren liepen t' zaâm, met alle stroomen droef,Tot eindelijk een zee den aardenkloot[102]begroef.KALEB.Ook toen 't boos wezen hem begonste te verdrietenVan die van Gomorra en stoute Sodomieten,Hij alzins op hun spoog vuurpijlen, damp en smook,Zoo dat er niets van hen bleef over als de rook.JOZUA.Integendeel bleef Loth beschaduwd van de vlerkenVan 's Heeren Engelen, en Noach van der Arken[103]:Dus bouwt uw hope op hem, die deez' twee heil'gen puur[104]D' een vrijdt van 's waters vloed, en d' ander van het vuur.KORACH.'t Is al vergeefs gehoopt.JOZUA.Vertwijfelt niet in hopen.KORACH.Ik zie toch geenen weg tot onz' verlossing open.KALEB.Aan duizend middelen 't hem nimmermeer en schort,Zijn armen reiken wijd, zijn hand is niet verkort:Toen Ammons vader Loth geraakt was in de handenVan Kedor Lamors heir, en schenen niet zijn bandenOnbrekelijk te zijn? Maar God de Heere namTot eenig instrument den ouden Abraham,Die derwaarts henen met zijn knechten is getrokken,Met keyen toegerust, met pijlen en met stokken:Maar God was zijnen schild, de Hemel was zijn vaan,Waar onder hij dan, bij den oorsprong der Jordaan,Zijn vijanden aangreep, die alreê met versagenDe grootste kapitein had in de vlucht geslagen;Wie niet ontvlieden mocht[105], viel in zijn eigen zwaard.Aldus verloste d' een' den andren broeder waard,Die heel verlaten scheen, naar aller menschen oordeel;Want die de Heere helpt, heeft altijd 't grootste voordeel.KORACH.Wij hebben onzen last getrokken zoo veel jaar.JOZUA.Wanneer de tijd verschijnt, zoo is Gods hulpe daar;De Heere Zebaoth mocht[105]wel Loths kommer stelpen,Eer Abram ooit optrok had hij hem kunnen helpen.KORACH.Waarom en deed hij 't niet?JOZUA.Maar[106], vraagt gij den waarom?Van zijn verlossing was de wijzer nog niet om:Want Gods voorzienigheid, die eeuwiglijk zal duren,Heeft haren tijd bestemd[107], haar dagen en haar uren:Gelijk de akkerman 't goed' zaad in d' aarde zaait,Waar van hij t' zijner tijd de rijpe vruchten maait:God is de Bouwer ook, die, tegen ons genoegen,Den akker van ons hart komt door Farao ploegen,Al wat steenachtig is vermorzelt hij geheel,Eer dat hij in ons zaait zijn goede zaden eêl;Het zaad zijns godd'lijk woords daar na begraaft hij wakker,En delvet met zijn eg het zaad in onzen akker;Als nu de troebel zon van boven uit de lochtHaar stralen op ons schiet, op dat te rijker mochtZijn ingezaaide zaad in ons vruchtbarig groeyen,Hij eenen regen laat van tranen ons bevloeyen,Zoo waardig zijn wij hem; daar omme zijt getroost,Gelijk de landman, die op hope van den oogstZoo vele kommers lijdt, zoo dikwijls moet verzuchten:Hij bouwt en slaaft alleen op hope van de vruchtenKORACH.Gij keeret[108]al in 't best.JOZUA.Geeft gij ons geen geloof,Zoo proevet[108]bij u zelv', en achtet geenen roofDat God ons dus beproeft; wij hebben hem te loven,Al zwermen wij, helaas! in droefenis verschoven:Na slaven volgt de rust, na droefheid volgt de vreugd,Wij moeten dankbaar zijn, 't zij wat ons God toeveugt[109].KORACH.Hoe onlangs is 't, dat nog de koning had vermetenOns te verdelgen heel.KALEB.Gelijk als aan een ketenDe leeuw gesloten staat, dien zijne meester viertNiet langer dan hij wil, zoo wordt van God bestierd't Voornemen des tirans, die niet en kan volbrengenDan 'tgene God hem zal toelaten en gehengen;Zijn voornemen heeft God ten uiterste beperkt,Die door veel middelen voorzieniglijken werkt:Den prins van Sinear, den[110]Nemrot, dacht tirannigMet zijnen scepter wel te trotsen wederspannigHet blaauwe firmament, eilasen! maar zijn hertRees, eer het groot gebouw, tot boven in 't gestert'[111],En werd van schaamte rood, toen 't Babylons gestamer[112]Leem, kalk, voor steenen bracht, de truffel voor den hamer;Zijn willen hing aan God, gelijk 't hier merk'lijk bleek.God leidt de koningen gelijk een waterbeek:Niets is er zoo gering van al wat hier mag blikken[113],Hij heerschet[114]t' zamen door zijn wijselijk beschikkenGod is alleen het Roer daar 't heele schip na zeilt,'t Gerechtig Wijscompas dat nimmermeer en feilt!Zoo weinig in een zaak geldt 't koninklijke spreken,En of hij schoon iets bouwt, de Heer zal 't weder brekenZoo 't hem niet en behaagt: hun woorden altemaalZijn krachteloos en ijl, indien zij in de schaalDes Goddelijken wils niet even op en wegen.KORACH.Gij spreekt u zelven en de zuivre waarheid tegen.KALEB.Waarom?KORACH.Het goddeloos bestuur van een tiran(Na uitwijs van uw reên), daar is God oorzaak van.KALEB.Geenszins, in 't minste niet; 't kwaad, dat hij mag verschaffen,Den goede strekt tot heil, den kwade t' zijnder straffen[115].Niemand en is tot kwaad gedwongen, g'lijk men ziet,Dat alle kwaad door Gods toelating maar geschiedt:'t Leed daar ons Farao met[116]pijnigt ongerichtig(Op mijne woorden let, en oordeelt dan voorzichtig),Hem t' zijnder straffe dient: maar ons, indien ons vroed[117]Dees kastijdinge leidt tot rechte ware boet,Die God hier mede eischt, ze is ons zoo nut en zalig,Als zij den koning is verdoemelijk en dwalig[118].KORACH.Gij zegt nochtans—MOZES en AARON.MOZES.Ontluikt, gelijk een lustdal schoon,Dat in den morgenstond zijn bloemen stelt ten toon;AARON.Vervrolijkt u, gelijk de vogelkens met lustenDe Zonne groeten, als zij stijgt uit heurder rusten,Gij die verlaten scheent.KORACH.Wie of met vrolijkheidOns ongewoon begroet?KALEB.'t Zijn Amrans zonen beid'.JOZUA.o Broeders, wellekom!MOZES.Uw voorhoofd wilt vervrooyen[119].KORACH.Waarin? in onzen druk en jammerlijk verstrooyen?MOZES.Verheft uw droef gelaat, o Israël! en steektNu 't hoofd ten hemel op, die al uw banden breekt,De Heer die is met u, die alle uw ellendenEn droevig treurspel komt met vreugd en blijdschap enden:De God van Abraham, Isak, en Jakob zelf,Die zijnen troon pilaart op 't brandende gewelf,Is mij verschenen in een bliksemende klaarheid.KORACH.Ik denk 't is eenen droom.MOZES.Neen, broeders! in der waarheid;Toen ik bij Sinai was hoedende mijn kudd'Met deez' gedoornde mik[120], mijn herderlijke stut[121],Zag ik 't groot Horebs bosch een blikkig[122]vuur omranden,'t Welk heel verteeren[123]scheen en t' zamen te verbranden:Maar even vrolijk loech[124]blaên, bloemen, kruid en loof:Eer deze bliksem nog voor mijn gezicht verstoof,De donder van een stem, o wonderlijk spektakel!Verklaarde mij den zin en eisch van dit mirakel,Op deze wijze: 't bosch, waarin deez' vlamme speelt,Daarmede is Israël naar 't leven afgebeeld,Die in 't vervolgingsvuur zal als dit bosch ontluiken;Ik wil mijn lelie schoon nu uit de doornen pluiken[125].Toen dreunde 't heele bosch, ik stond geheel bedut[126],Driemalen heeft de berg zich bevende verschud:En als ik niet en wist waar henen te vervluchten,Met een borstkloppig[127]hart, en met een zwaar verzuchten,En schier van vreeze lag begraven in het gras,Toen gaf de Heere mij te kennen wie hij was:De GodJEHOVAzelf, de God van onzen vader,De Schepper van het al, alleen des levens ader,De Herder Israëls, die in 't beloofde landOns nu vervoeren wil uit Faraonis[128]hand,Uit al onz' slavernij.KORACH.En deed hij u geen teekenVan zijn' almachtigheid, dat hij ons leed zal wreken,Dat hij ontboeyen zal den zwerm van zoo veel duisd[129]Die onder Farao dus lange zijn gekruist[130]?MOZES.Ja, haddy[131]'t zelf gezien, toen ik ontweek zoo bangeVoor dezen staf, die werd een kronkelende slange,Een serpentijnig dier, in 't wezen, niet in schijn,En spoog alzins op mij haar doodelijk fenijnMet haar gesplitste tong, en lag in 't gras gescholen;Haar oogen vlamden als twee gloeyendige kolen,Azurig luisterde[132]haar vel, en in mijn oogGeleek[133]de slang die onz' voorouderen bedroogIn 't weeldig Paradijs; want waar zij henen zwerfde[134],De groenigheid van 't gras en 't kruid alzins versterfde[134]:Als nu de stemme mij den worm te grijpen hiet[135],Was 't weêr dezelfde stok, gelijk gij zelve ziet:'t En bleef hier nog niet bij, God smette boven dezenMijn hand met lazerij, en heeft ze weêr genezen,En vastelijk beloofd, hoe dat ik 't water reinVerkeeren zal in bloed, door zijne kracht allein:Opdat, als elke daad mijn woorden volgt warachtig,U en Farao maar een sterk geloove krachtigEn schort: deez' boodschap dan breng ik u metter spoed[136],Met mijnen broeder die mij is op weg ontmoet,Dien zelf de stemme Gods beval, tot mijn verschooning,Te spreken nevens mij voor Farao, den koning,En God heeft mij gezalfd een leidsman en een hoofdVan zijn verkoren volk.KALEB.De Heere zij geloofd,Die Jakobs aanschijn nu de tranen wil afwasschen,En in 't beloofde land bedelven[137]eens onze asschenIn ons voorvaders graf.JOZUA.Den Heer zij lof en prijs!KORACH.Wij zullen niet meer zijn der dieren aas en spijs,De wreede Farao zal ons niet meer verheeren,De stamme Juda nu aanvanget te regeeren:Kom, Juda, als een leeuw! klimt nu ten hoogsten staat!Versiert u met een kroon en koninklijk gewaad,Den gulden scepter grijp, want God is onz' Verzorger,Wij zijn geen slaven meer, elk Hebree is een borgerIn 't zoet beloofde land, daar de Jordane stroomt,Daar ik in mijnen slaap zoo dik[138]van heb gedroomd:Ach, lang gewenschte vreugd!KALEB.Ach, heugelijke tijding!Nu straalt de blijde dag, de dag van onz' verblijding.JOZUA.En gij, twaalf-stammig volk! versmoort wel in uw vreugd,Als gij dit hooren zult.KORACH.Hoe zal dan met geneugtDe donder van deez' stem zoet in uw ooren klinken,Als gij alree den glans ziet van uw vrijheid blinken.MOZES.Gaat, boodschapt den Hebreên hun uitkomst; want in 't hofDes konings gaan wij beid' verzoeken ons verlof.KORACH.En zoo hij 't u ontzegt?AARON.'t En mag hem geenszins baten:Want door Gods sterke hand zoo moet hij ons verlaten.(Binnen.)KOOR.Als de zee vast ongestuimigStormt, en werpt haar baren schuimigNaar den hemel al verbaasd,Als de schipper hoort de buyenVan den Noord-wind 't strand doorluyen,Is de stilte eerst allernaast.Zoo ook God, wanneer hij droeveStelt in 't hardste van zijn proeve't Mensch'lijk schepsel t' eenemaal,Is zijn gunste zoo veel nader,En, gelijk een goedig Vader,Zoo verzacht hij al hun kwaal.Na zijn toornigheid ontsteken[139],Zal hij weêr zijn pijlen breken,En na zijn kastijding schier[140],Na zijn straffinge weldadigWerpt hij wederom genadigAl zijn roeden in het vier.Want in droefheid en ellendenZal de mensch tot God zich wenden:Maar in weelde en voorspoed zatZal hij wederom vergeten's Heeren goedheid ongemeten,Wijkende van zijnen pad.Dat ons God dan proeft ten lesten,Dienet al tot onzen besten,Of men 't schoon zoo niet begrijpt:Zal de wijngaard vruchtbaar groeyen,Och! men moet hem wel besnoeyen,Eer zijn gulden vruchte rijpt.Na een bitter sause scheele[141],Zal de honig onze keeleSmaken zoeter en belust,En na 't lang gedurig slavenLigt de moede zacht begravenIn den schoot van stille rust.Die den[142]Hemel meest beminnet,Dien hij allerliefst bezinnet,Meest van droefheid werd bespoeld[143]:'t Moedig paard, dat in den stalleIs uitmuntig boven alle,Meest zijns heeren sporen voelt.Is 't dan vreemd, dat God de Joden,In de tranen van veel nooden,Heeft gewasschen rein en klaar:Nu de tijd ook is verschenen,Keert in blijdschap al hun weenen,Nu is hunnen trooster daar.Want God voor veel jaren Mozen[144],Amrams zone, heeft verkozenTot een trooster Israëls:Ziet eens, hoe hij hem omermde,Hem omhelsde en beschermde,Voor Farao's gramschap hels[145].Toen de afgunstigheid de zonenJakobs, zonder te verschoonen,Zwaard en water overgaf;Toen het moederlijke herteJochebeds zag, met veel smerte,Mozes wieg aan voor zijn graf;Toen de moeder heurs zoons levenMoest de baren overgeven,Als zij had heur kind gekust;Toen de moederlijke zorgenLagen, met heur kind, geborgenIn het kistjen ongerust.Toen zij moest heur zelf verliezen,Van twee kwaden 't beste kiezen,Met een droef adieu, te noô[146],Riep: "ik hope in deze golvenMeer meêdoogen is gedolvenAls in 's konings herte snoô!"God, hoe langs hoe goedertierder,Van dit scheepken was de StierderZelf, met eenen Wester wind,Die het blies hoe langs hoe lochter[147],In den schoot van 's konings dochter,Voor een Engel en geen kind.'t Kind, dat zag men weder dorstenNaar zijn eigen moeders borsten,'t Wies in alle schoonheid op;In zijn voorhoofd stond geletterd,Hoe 't den Farao verpletterdNog vertreden zou den kop.'t Groeide op in manlijkheden[148],En, van harte heel besnedenVoor des hofs wellusten, hijKoos in ballingschap te zwermen,En den Hebree te beschermenIn zijn droeve slavernij.Als hij hierom moest vervluchten,En in Midians gehuchten,Weiden 't herderlijke vee:Als de tijd nu was voor handen,Dat de Heer zijn offerandenEischen zou van den Hebree;Zoo verschijnt hem van den Hemel,Bij Sinaï, 't lichtgeschemel[149]Van des Heeren heerlijkheid;God laat hem zijn stemme hooren,Op dat hij zijn uitverkorenIn het land Kanaan leidt.Op dat zij daar, zonder smetten,Onderhouden zijne wetten,En hem lieflijk met wyrookEenen zoeten reuk toebrengen,En met bokkenbloed besprengenZijn altaren met gesmook[150];Op dat dankbaar, onverholen(Wijder als tusschen de polen,'t Hemellicht den nacht beschaamt)Al zijn groote wonderdaden,En zijn goedheid vol genadenOver al mocht zijn befaamd.Dat de mensche[151]steeds mocht haken,Om hier boven te gerakenDaar 't hem alles looft en prijst.—Acht het aardsch dan veel geringerDan het Hemelsch, daar de vingerVan zijn zoete wet op wijst.
MOZES, hoedende zijne schapen aan den berg Horeb, spreekt:
MOZES, hoedende zijne schapen aan den berg Horeb, spreekt:
Weidt hier, mijn beestiaal[25]! weidt hier, mijn tierig vee!Golft hier om dit gebergt', mijn witgewolde zee!Scheert hier 't groenhaar'ge loof, spaart kruid, noch bloemkens geurig,'t Lacht hier doch altemaal, zoetrokig[26]en couleurig,Nu wauwelt[27]zoo veel gras, zoo vet en graag bedijt[28],Tot gij van Midian de schoonste kudde zijt:Onnooz'le lammerkens, verstrooit u wijd noch verder,Blijft al omtrent den staf van uwen trouwen herder,De wolf (waar voor ik u zoo dikmaals heb beschermd)Is d'onrust, die doch steeds naar u, mijn vliezen[29], zwermt;Ontwijfelijk hij ligt hier al omtrent gedoken,Want hij terstond den snof heeft van zijn aas geroken;Dus blijft mij al omtrent, en loopt zoo niet verdeeld,Terwijl de Echo hier met mijn gedachten speelt.Och, of met dezen staf mijn jaren henen slipten!Die staf mij waarder dan de scepter van Egypten;Of ik mijn dagen sleet in deze weide schoon,Veel heugelijker als 't gewelf van Memfis troon!Veel liever wilde ik hier een zoeten bloemkrans plukken,Als met de Nijlsche kroon mijn voorhoofd prat omdrukken,Geen purper ruilde ik of koninklijk gesmijd[30],Met mijn omgorden rok, mijn herderlijk habijt[31],Geen wijnen liet ik in een gouden schale gieten,Voor eenen koelen teug geschept uit deze vlieten,Veel grager uit mijn maal smaakt deze spijze grof,Als al de lekkernij van 't koninklijke hof:Al schijnet 's konings hof te zwemmen in wellusten[32],'t Is wederom vermengd met zorgen en onrusten,Nu zal de koning zijn met purper schoon bekleed,En morgen toegerust met wapens dol en wreed,Nu zal zijn waardig hoofd de groote kroon bedwelmen,En morgen 't harde staal en 't blaauw van eender helmen[33],Drukt nu zijn sterke hand den scepter hoog en waard,'t Verandert 's anderdaags ligt in een vlammig zwaard.Zit nu zijn Majesteit in zijn gewelfde zalen,Nu moet hij naar de grens en 't uiterst' van zijn palen.Ik zie niet dan een zwaard aan eene zijden draadSteeds hangen boven 't hoofd den Koninglijken staat.Onz' Vaders hebben dus hun leven laten glijden,En over 't Vee gezocht de zoetste heerschappijen:Abel en Abraham, Izak en Jakob mild[34]Zijn wel d' aanvangers van 't eenvoudig Herder-gild;Geen van hun allen heeft gedreven ander woeker,Als met de geiligheid van 't Vee, hoe langs hoe kloeker;Hun Beesten waren meest hun werking en hun doen,Ik volg hun stappen na, en langs de kusten groen,Dus schuwe ik heel gerust 't gewoel van groote Heeren,Doch meer dwingt mij de nood als[35]hertelijk begeeren.'t Bloed is nog versch en lauw, waar met ik deze wijl[36]Eens laafde 't dorstig zand bij 't stroomen van den Nijl:Mocht ik den Farao zoo lichtelijk begraven,En rukken Jakobs huis uit dit gedurig slaven!Tiran! och, of gij eens begrijpen mocht in 't minst,Dat herderlijk beroep den Koninglijken dienstBeteekent[37]t' eenemaal, gij bleeft niet zoo versteenigd,Zaagt gij den Scepter met den Herder-staf vereenigd:Het Herder-ambt vereischt, dat hij zijn kudde hoedt,De Koning, dat hij 't volk heerscht met een wijs gemoed;De Herder moet zijn kudd' voor des wolfs tanden vrijen,De Koning weren al d' uitheemsche tirannijen,Dat d' Herder-staf geen Lam voor d' ander stoot noch sla,En elk Inwoonder hoort den Scepter even na,D' een vlies voor d' ander komt de weide niet ten goeden,Zoo hoort 't Rijk op[38]te staan, om iegelijk te voeden:Maar Israël, helaas! gaat op een dorre heid',Daar den Egyptenaar in 't grazig groene weidt,D' een is een droeve slaaf, en moet, och arm! ontbeeren,Dat d' ander zal in weelde en overvloed verteeren:De vloer, waarop zich den Egyptenaar verlust,[39]Veel zachter is als 't bed van d' Isralietsche rust:Farao's rijkstaf hun verstrekt maar eenen vlegel,Zijn kroon een lastig juk, dat zonder maat of regel,De Israëlieten drukt: zijn wedersnijdig[40]staalZal den Egyptenaar beschermen t' eenemaal,En al hun vijanden verstrekken eenen prikkel,Maar Jacobs vruchtbaarheid afmaayen als een sikkel.Fy ongerechtigheid! Fy, koninglijke haaf!Waarvan d' een burger is en d' ander eigen slaaf:En of zij schoon[41]met graan al Memfis' zolders vullenHet kaf is alden loon, die zij genieten zullen.Mijn Isralieten, die zoo lange om vrijheid riept!Gij graaft om elke stad een grondelooze diept,Gij bouwt zijn muren op, en gaat den hemel tergenMet torens, die hun kruin tot in 't gesternte bergen,En hoe gij bouwt en slaaft, met truffel, spa, of ploeg,En arbeidt in het zweet uws aanschijns, spade en vroeg,Des morgens, eer de zon met zijne stralen luistert[42],En 't manenzilver[43]met zijn gulden trots verduistert,Tot dat de zwarte nacht beschaduwt berg en dal,En dat 's doods zuster wiegt in slaap den grooten Al:Noch razet[44]den tiran, Egypten leît[45]ten woesten,En zal door ledigheid van dezen zwerm verroesten.Heeft tijd en oudheid dus Josefs weldaden grootUit uw gemoed gewischt? denkt, hoe uit zijnen schootEgypten werd gespijst, toen over zijn limietenZijn horenen den Nijl maar jaarlijks twaalf cubietenIn zeven jaar verhief, en zelf de hemellochtDie weigerden zoo lang haar tranen koel en vocht,Toen u vrouw Ceres, laas! wat zij ook ploegde of zaaide,Met geene zeissen krom in zeven oogsten maaide,Toen t' elken in den oogst den droeven akkermanVervloekte ploeg, en zein[46], dorschvlegel, eg en wan,Toen 't heele Ceresgild[47]schier niet dan stroo en stoppelIn schoven zamenbond, in bondels en gekoppel:Toen loech[48]elk Josef toe, toen was hij 's Konings beeld,Zoolang hij vaderlijk het graan heeft uitgedeeld,Toen hij zoo vriendelijk de stralen van zijn oogenOp iegelijken[49]wierp, en niemand heeft onttogenDe vrucht zijns overvloeds; toen zijne volheid plein,Gelijk de zonneschijn, een ieder was gemein[50].O Josef! al te slecht hebt gij gevoed te veuren[51]De wolven, die nu 't schaap van Israël verscheuren;Uw mild weldadig hart, dat gij hun hebt betoond,Wordt ons met tyrannie al t' onverdiend beloond:Hadt gij ons vaders toch geweigerd deze gaven,En langen tijd met hun vóór onzen tijd begraven!Ofschoon Abrahams zaad in vruchtbarigheid tiert.Als 's Hemels mantel blaauw met loovers is gecierd,Ofschoon Isaaks geslacht in veelheid goederhandigBeklijft, als[52]'t Roode Meer opwerpt zijn baren zandig,Of Jacobs neven zich verspreyen in fatsoen,Als loof groeit uit den schoot van dees valleyen groen:Wat baat het, als hun dus verkeert met tirannijet' Ondraaglijk eeuwig juk van droeve slavernije?O, onzer vadren God! wanneer zal eens 't gesmookVan onz' altaren, als een liefelijken rook,Ten hemel stijgen op? werwaarts, en in wat landenZal u den wierook van ons heilige offerandenBevallen? och! gedenkt aan 't teeken des verbonds,Bezegeld met het woord uws Goddelijken monds,Dat gij den scepter nog zult paarlen in ons handen,Die overheeren zal den trots van u vijanden;Bevestigt uw beloft, onttrekt ons niet zoo lichtDe heilge stralen van uw hemelsch aangezicht:Of zijn wij dus gestraft om onze zwaar misdaden,Wascht ons weer in de borne[53]en vloed uwer genaden!Zoo wijd de morgenstond beschaamt het nachtzeil zwart,Toont dat de gunste strekt van uw vaderlijk hart:Treedt ons met uw gericht niet altijd op de hielen,Werpt uwen bliksem niet op zoo veel duizend zielen:Wij zijn Dijn handen werk.....
Weidt hier, mijn beestiaal[25]! weidt hier, mijn tierig vee!
Golft hier om dit gebergt', mijn witgewolde zee!
Scheert hier 't groenhaar'ge loof, spaart kruid, noch bloemkens geurig,
't Lacht hier doch altemaal, zoetrokig[26]en couleurig,
Nu wauwelt[27]zoo veel gras, zoo vet en graag bedijt[28],
Tot gij van Midian de schoonste kudde zijt:
Onnooz'le lammerkens, verstrooit u wijd noch verder,
Blijft al omtrent den staf van uwen trouwen herder,
De wolf (waar voor ik u zoo dikmaals heb beschermd)
Is d'onrust, die doch steeds naar u, mijn vliezen[29], zwermt;
Ontwijfelijk hij ligt hier al omtrent gedoken,
Want hij terstond den snof heeft van zijn aas geroken;
Dus blijft mij al omtrent, en loopt zoo niet verdeeld,
Terwijl de Echo hier met mijn gedachten speelt.
Och, of met dezen staf mijn jaren henen slipten!
Die staf mij waarder dan de scepter van Egypten;
Of ik mijn dagen sleet in deze weide schoon,
Veel heugelijker als 't gewelf van Memfis troon!
Veel liever wilde ik hier een zoeten bloemkrans plukken,
Als met de Nijlsche kroon mijn voorhoofd prat omdrukken,
Geen purper ruilde ik of koninklijk gesmijd[30],
Met mijn omgorden rok, mijn herderlijk habijt[31],
Geen wijnen liet ik in een gouden schale gieten,
Voor eenen koelen teug geschept uit deze vlieten,
Veel grager uit mijn maal smaakt deze spijze grof,
Als al de lekkernij van 't koninklijke hof:
Al schijnet 's konings hof te zwemmen in wellusten[32],
't Is wederom vermengd met zorgen en onrusten,
Nu zal de koning zijn met purper schoon bekleed,
En morgen toegerust met wapens dol en wreed,
Nu zal zijn waardig hoofd de groote kroon bedwelmen,
En morgen 't harde staal en 't blaauw van eender helmen[33],
Drukt nu zijn sterke hand den scepter hoog en waard,
't Verandert 's anderdaags ligt in een vlammig zwaard.
Zit nu zijn Majesteit in zijn gewelfde zalen,
Nu moet hij naar de grens en 't uiterst' van zijn palen.
Ik zie niet dan een zwaard aan eene zijden draad
Steeds hangen boven 't hoofd den Koninglijken staat.
Onz' Vaders hebben dus hun leven laten glijden,
En over 't Vee gezocht de zoetste heerschappijen:
Abel en Abraham, Izak en Jakob mild[34]
Zijn wel d' aanvangers van 't eenvoudig Herder-gild;
Geen van hun allen heeft gedreven ander woeker,
Als met de geiligheid van 't Vee, hoe langs hoe kloeker;
Hun Beesten waren meest hun werking en hun doen,
Ik volg hun stappen na, en langs de kusten groen,
Dus schuwe ik heel gerust 't gewoel van groote Heeren,
Doch meer dwingt mij de nood als[35]hertelijk begeeren.
't Bloed is nog versch en lauw, waar met ik deze wijl[36]
Eens laafde 't dorstig zand bij 't stroomen van den Nijl:
Mocht ik den Farao zoo lichtelijk begraven,
En rukken Jakobs huis uit dit gedurig slaven!
Tiran! och, of gij eens begrijpen mocht in 't minst,
Dat herderlijk beroep den Koninglijken dienst
Beteekent[37]t' eenemaal, gij bleeft niet zoo versteenigd,
Zaagt gij den Scepter met den Herder-staf vereenigd:
Het Herder-ambt vereischt, dat hij zijn kudde hoedt,
De Koning, dat hij 't volk heerscht met een wijs gemoed;
De Herder moet zijn kudd' voor des wolfs tanden vrijen,
De Koning weren al d' uitheemsche tirannijen,
Dat d' Herder-staf geen Lam voor d' ander stoot noch sla,
En elk Inwoonder hoort den Scepter even na,
D' een vlies voor d' ander komt de weide niet ten goeden,
Zoo hoort 't Rijk op[38]te staan, om iegelijk te voeden:
Maar Israël, helaas! gaat op een dorre heid',
Daar den Egyptenaar in 't grazig groene weidt,
D' een is een droeve slaaf, en moet, och arm! ontbeeren,
Dat d' ander zal in weelde en overvloed verteeren:
De vloer, waarop zich den Egyptenaar verlust,[39]
Veel zachter is als 't bed van d' Isralietsche rust:
Farao's rijkstaf hun verstrekt maar eenen vlegel,
Zijn kroon een lastig juk, dat zonder maat of regel,
De Israëlieten drukt: zijn wedersnijdig[40]staal
Zal den Egyptenaar beschermen t' eenemaal,
En al hun vijanden verstrekken eenen prikkel,
Maar Jacobs vruchtbaarheid afmaayen als een sikkel.
Fy ongerechtigheid! Fy, koninglijke haaf!
Waarvan d' een burger is en d' ander eigen slaaf:
En of zij schoon[41]met graan al Memfis' zolders vullen
Het kaf is alden loon, die zij genieten zullen.
Mijn Isralieten, die zoo lange om vrijheid riept!
Gij graaft om elke stad een grondelooze diept,
Gij bouwt zijn muren op, en gaat den hemel tergen
Met torens, die hun kruin tot in 't gesternte bergen,
En hoe gij bouwt en slaaft, met truffel, spa, of ploeg,
En arbeidt in het zweet uws aanschijns, spade en vroeg,
Des morgens, eer de zon met zijne stralen luistert[42],
En 't manenzilver[43]met zijn gulden trots verduistert,
Tot dat de zwarte nacht beschaduwt berg en dal,
En dat 's doods zuster wiegt in slaap den grooten Al:
Noch razet[44]den tiran, Egypten leît[45]ten woesten,
En zal door ledigheid van dezen zwerm verroesten.
Heeft tijd en oudheid dus Josefs weldaden groot
Uit uw gemoed gewischt? denkt, hoe uit zijnen schoot
Egypten werd gespijst, toen over zijn limieten
Zijn horenen den Nijl maar jaarlijks twaalf cubieten
In zeven jaar verhief, en zelf de hemellocht
Die weigerden zoo lang haar tranen koel en vocht,
Toen u vrouw Ceres, laas! wat zij ook ploegde of zaaide,
Met geene zeissen krom in zeven oogsten maaide,
Toen t' elken in den oogst den droeven akkerman
Vervloekte ploeg, en zein[46], dorschvlegel, eg en wan,
Toen 't heele Ceresgild[47]schier niet dan stroo en stoppel
In schoven zamenbond, in bondels en gekoppel:
Toen loech[48]elk Josef toe, toen was hij 's Konings beeld,
Zoolang hij vaderlijk het graan heeft uitgedeeld,
Toen hij zoo vriendelijk de stralen van zijn oogen
Op iegelijken[49]wierp, en niemand heeft onttogen
De vrucht zijns overvloeds; toen zijne volheid plein,
Gelijk de zonneschijn, een ieder was gemein[50].
O Josef! al te slecht hebt gij gevoed te veuren[51]
De wolven, die nu 't schaap van Israël verscheuren;
Uw mild weldadig hart, dat gij hun hebt betoond,
Wordt ons met tyrannie al t' onverdiend beloond:
Hadt gij ons vaders toch geweigerd deze gaven,
En langen tijd met hun vóór onzen tijd begraven!
Ofschoon Abrahams zaad in vruchtbarigheid tiert.
Als 's Hemels mantel blaauw met loovers is gecierd,
Ofschoon Isaaks geslacht in veelheid goederhandig
Beklijft, als[52]'t Roode Meer opwerpt zijn baren zandig,
Of Jacobs neven zich verspreyen in fatsoen,
Als loof groeit uit den schoot van dees valleyen groen:
Wat baat het, als hun dus verkeert met tirannije
t' Ondraaglijk eeuwig juk van droeve slavernije?
O, onzer vadren God! wanneer zal eens 't gesmook
Van onz' altaren, als een liefelijken rook,
Ten hemel stijgen op? werwaarts, en in wat landen
Zal u den wierook van ons heilige offeranden
Bevallen? och! gedenkt aan 't teeken des verbonds,
Bezegeld met het woord uws Goddelijken monds,
Dat gij den scepter nog zult paarlen in ons handen,
Die overheeren zal den trots van u vijanden;
Bevestigt uw beloft, onttrekt ons niet zoo licht
De heilge stralen van uw hemelsch aangezicht:
Of zijn wij dus gestraft om onze zwaar misdaden,
Wascht ons weer in de borne[53]en vloed uwer genaden!
Zoo wijd de morgenstond beschaamt het nachtzeil zwart,
Toont dat de gunste strekt van uw vaderlijk hart:
Treedt ons met uw gericht niet altijd op de hielen,
Werpt uwen bliksem niet op zoo veel duizend zielen:
Wij zijn Dijn handen werk.....
(GOD verschijnt Mozes in het vlammende bosch.)
(GOD verschijnt Mozes in het vlammende bosch.)
MOZES.
MOZES.
Aanschouwt dat heerlijk licht!Hoe blikt in 't sterflijk oog dit wonderlijk gezicht!'t Bosch schijnt in vuur en vlam te sparken[54]en te gloeyen,Nogtans in 's vuurs gegolf gebloemt en blad'ren bloeyen.Ik wil mij derwaarts spoên.
Aanschouwt dat heerlijk licht!
Hoe blikt in 't sterflijk oog dit wonderlijk gezicht!
't Bosch schijnt in vuur en vlam te sparken[54]en te gloeyen,
Nogtans in 's vuurs gegolf gebloemt en blad'ren bloeyen.
Ik wil mij derwaarts spoên.
GOD.
GOD.
Zacht, Mozes! Mozes, beidt!
Zacht, Mozes! Mozes, beidt!
MOZES.
MOZES.
Hier ben ik.
Hier ben ik.
GOD.
GOD.
't Is hier van mijn tegenwoordigheidEen driemaal heilig land, dus wacht u mij t' ontmoeten,Eert mij en deze plaats, ontschoeit terstond uw voeten.'t Bosch, dat hier branden schijnt[55], en niet en wordt verteerd,Daarmede is Israël naakt af gefigureerd:'t Vuur is een beeldtenis van mijnen Geest, die leerlijkDe kwaaddoender verteert, de goede loutert heerlijk,En, g'lijk men op den toets het edel dierbaar goud,Nadat het is doorvuurd, veel waardiger beschouwt,Zoo zullen ook in 't kruis de twalef Joodsche stammenGroen blijven, als 't geboomt', in 't golven dezer vlammen.Ik ben Abrahams God, de God die 't al bezielt,Waarvoren zich[56]Isak en Jakob heeft geknield[56].
't Is hier van mijn tegenwoordigheid
Een driemaal heilig land, dus wacht u mij t' ontmoeten,
Eert mij en deze plaats, ontschoeit terstond uw voeten.
't Bosch, dat hier branden schijnt[55], en niet en wordt verteerd,
Daarmede is Israël naakt af gefigureerd:
't Vuur is een beeldtenis van mijnen Geest, die leerlijk
De kwaaddoender verteert, de goede loutert heerlijk,
En, g'lijk men op den toets het edel dierbaar goud,
Nadat het is doorvuurd, veel waardiger beschouwt,
Zoo zullen ook in 't kruis de twalef Joodsche stammen
Groen blijven, als 't geboomt', in 't golven dezer vlammen.
Ik ben Abrahams God, de God die 't al bezielt,
Waarvoren zich[56]Isak en Jakob heeft geknield[56].
MOZES.
MOZES.
Amy! waar zal ik vliên, in klippen of in kuilen?
Amy! waar zal ik vliên, in klippen of in kuilen?
GOD.
GOD.
Ik was, Ik ben, Ik blijf.
Ik was, Ik ben, Ik blijf.
MOZES.
MOZES.
Waar zal ik mij verschuilen?
Waar zal ik mij verschuilen?
GOD.
GOD.
Den hemel is mijn troon, d' aard mijner voeten bank,En 't Helsche keizerrijk 't wit van mijn pijlen strank[57],Dit wonderlijk geheel van hemel en van aarde,Ja, tot mijn evenbeeld, den mensche hoog van waardeIk in zes dagen schiep; de zon is maar een vonkVan mijne heerlijkheid, die voor veel eeuwen blonk:De God, die Abrams zaad in Izak wilde noemen,Zoo vele als 't zand des meers of als de Lentsche bloemen;Ik ben dezelfde God, die Isrels troebelzeeEn groot heerleger met mijn vleugelen bespreê[58],Werpt slechts op mijn beloft den anker van uw hopen,Want over Jakobs huis staan steeds mijn oogen open,Mijn oor beluistert hun gebed van woord tot woord,Ik heb hun leed gezien, en hun geschrei gehoord!Mijn zeisen maait nu eens den draad van hun ellenden,Ik zal nu 't wankel rad van mijn beproeving wenden,Nu zult gij zien wiens hand den Farao ontruktMijn lelie, die zoo lang de doornen heeft gedrukt!Gij zult de leidsman zijn, en brengen hun persoonig[59],Met uwen staf, in 't land dat vloeit in melk en honig;In 't land, daar Abraham zoo dikwijls zag de maanHeur hoornen spieglen in de glazige[60]Jordaan;Daar zijn gehoorzaamheid mij over had gegevenZijn eenig liefste kind, den spiegel van zijn leven,Daar hij niet en ontzag, op Salems hoogte trots,Te storten 't bloed zijns zoons, tot eenen offer Gods;Daar hij te buiten trad de vaderlijke palen,En zag op 't altaar-plat alreê ten hemel stralen,(Met oogen des geloofs, van wil en van gemoed)'t Vuur van zijn offerand', en zijn verkoren bloed;Daar hij, in asch en stof, op 't heilige gesteente,Alreê begraven had zijn vleesch en zijn gebeente;Daar hij zijn wandeling ten einde heeft gebrocht[61],En 't hemelsch burgerschap hier boven heeft gekocht;Daar zijnen zoon Izak en Jakob, beî te gader,Zijn pelgerims geweest, met hunnen ouden vader;In 't land, daar ik de kroon hun drukken zal om 't hoofdDie Abraham, Izak, en Jakob is beloofd.Gaat, boodschapt Farao, wie dat u is verschenen;De weg is al bereid, dus trekt met vreden henen.
Den hemel is mijn troon, d' aard mijner voeten bank,
En 't Helsche keizerrijk 't wit van mijn pijlen strank[57],
Dit wonderlijk geheel van hemel en van aarde,
Ja, tot mijn evenbeeld, den mensche hoog van waarde
Ik in zes dagen schiep; de zon is maar een vonk
Van mijne heerlijkheid, die voor veel eeuwen blonk:
De God, die Abrams zaad in Izak wilde noemen,
Zoo vele als 't zand des meers of als de Lentsche bloemen;
Ik ben dezelfde God, die Isrels troebelzee
En groot heerleger met mijn vleugelen bespreê[58],
Werpt slechts op mijn beloft den anker van uw hopen,
Want over Jakobs huis staan steeds mijn oogen open,
Mijn oor beluistert hun gebed van woord tot woord,
Ik heb hun leed gezien, en hun geschrei gehoord!
Mijn zeisen maait nu eens den draad van hun ellenden,
Ik zal nu 't wankel rad van mijn beproeving wenden,
Nu zult gij zien wiens hand den Farao ontrukt
Mijn lelie, die zoo lang de doornen heeft gedrukt!
Gij zult de leidsman zijn, en brengen hun persoonig[59],
Met uwen staf, in 't land dat vloeit in melk en honig;
In 't land, daar Abraham zoo dikwijls zag de maan
Heur hoornen spieglen in de glazige[60]Jordaan;
Daar zijn gehoorzaamheid mij over had gegeven
Zijn eenig liefste kind, den spiegel van zijn leven,
Daar hij niet en ontzag, op Salems hoogte trots,
Te storten 't bloed zijns zoons, tot eenen offer Gods;
Daar hij te buiten trad de vaderlijke palen,
En zag op 't altaar-plat alreê ten hemel stralen,
(Met oogen des geloofs, van wil en van gemoed)
't Vuur van zijn offerand', en zijn verkoren bloed;
Daar hij, in asch en stof, op 't heilige gesteente,
Alreê begraven had zijn vleesch en zijn gebeente;
Daar hij zijn wandeling ten einde heeft gebrocht[61],
En 't hemelsch burgerschap hier boven heeft gekocht;
Daar zijnen zoon Izak en Jakob, beî te gader,
Zijn pelgerims geweest, met hunnen ouden vader;
In 't land, daar ik de kroon hun drukken zal om 't hoofd
Die Abraham, Izak, en Jakob is beloofd.
Gaat, boodschapt Farao, wie dat u is verschenen;
De weg is al bereid, dus trekt met vreden henen.
MOZES.
MOZES.
Ik ben een sterflijk mensch, ik ken mij veel te zwak.
Ik ben een sterflijk mensch, ik ken mij veel te zwak.
GOD.
GOD.
Hij maakt u machtig, die[62]nooit sterkheid en ontbrak;En tot een teeken blij, na uw verlossing veilig,Doet mij op dezen berg een offerande heiligVan liefelijken reuk.
Hij maakt u machtig, die[62]nooit sterkheid en ontbrak;
En tot een teeken blij, na uw verlossing veilig,
Doet mij op dezen berg een offerande heilig
Van liefelijken reuk.
MOZES.
MOZES.
O God gebenedijd!Hoe zal ik Jakob toch betuigen, wie gij zijtDie mij gezonden hebt?
O God gebenedijd!
Hoe zal ik Jakob toch betuigen, wie gij zijt
Die mij gezonden hebt?
GOD.
GOD.
Jehova, God almachtig,Die hun met zijnen arm zal helpen sterk en krachtig:Ik ben, die Ik zal zijn, die u de kroone biedtMet uitgestrekte hand, en gij en grijpt ze niet:Ik ben die 't al vermag, die uwen staf bepeereltDen dans-beleider wijs van d' een en d' ander wereld;Ik ben de Heere zelf.
Jehova, God almachtig,
Die hun met zijnen arm zal helpen sterk en krachtig:
Ik ben, die Ik zal zijn, die u de kroone biedt
Met uitgestrekte hand, en gij en grijpt ze niet:
Ik ben die 't al vermag, die uwen staf bepeerelt
Den dans-beleider wijs van d' een en d' ander wereld;
Ik ben de Heere zelf.
MOZES.
MOZES.
De vonk van hun geloofIs zeer na uitgebluscht, in asschen bleek en doof.
De vonk van hun geloof
Is zeer na uitgebluscht, in asschen bleek en doof.
GOD.
GOD.
Met wonderdaden dan versterkt hun dwaasheid teder;Wat hebt gij in uw hand?
Met wonderdaden dan versterkt hun dwaasheid teder;
Wat hebt gij in uw hand?
MOZES.
MOZES.
Een staf.
Een staf.
GOD.
GOD.
Wel, werpt hem neder.
Wel, werpt hem neder.
MOZES.
MOZES.
Wat kronkelt hier alreê? hier wemelt, krolt[63]en driltEen slange, die mij in de hielen bijten wilt[64]:O Heere, staat mij bij!
Wat kronkelt hier alreê? hier wemelt, krolt[63]en drilt
Een slange, die mij in de hielen bijten wilt[64]:
O Heere, staat mij bij!
GOD.
GOD.
Wel, grijpt den krommen worme.
Wel, grijpt den krommen worme.
MOZES.
MOZES.
Dit 's mijnen zelfden staf, weêr in zijn eerste vorme:O, Heere wonderbaar!
Dit 's mijnen zelfden staf, weêr in zijn eerste vorme:
O, Heere wonderbaar!
GOD.
GOD.
Opdat u niets ontbreekt,Uw rechterhand nu eens in uwen boezem steekt,En trekt ze weder uit.
Opdat u niets ontbreekt,
Uw rechterhand nu eens in uwen boezem steekt,
En trekt ze weder uit.
MOZES.
MOZES.
Mijn hand is stijf en kromme,Melaatsch, gelijk de sneeuw.
Mijn hand is stijf en kromme,
Melaatsch, gelijk de sneeuw.
GOD.
GOD.
Wel, drukt nu weder ommeUw ongeloovig hart.
Wel, drukt nu weder omme
Uw ongeloovig hart.
MOZES.
MOZES.
Ze is zuiver, rein en klaar.
Ze is zuiver, rein en klaar.
GOD.
GOD.
Gelooven zij dan niet dees teekens wonderbaar,Met vochtig water sprengt de vloer die gij bewandert[65],'t Wordt in roodverwig bloed door mijne kracht veranderd.
Gelooven zij dan niet dees teekens wonderbaar,
Met vochtig water sprengt de vloer die gij bewandert[65],
't Wordt in roodverwig bloed door mijne kracht veranderd.
MOZES.
MOZES.
Om voor den Farao verschijnen ik mij schaam,Want, Heer! mijn tonge lispt, mijn stem is onbekwaam;Kiest elders een gezant.
Om voor den Farao verschijnen ik mij schaam,
Want, Heer! mijn tonge lispt, mijn stem is onbekwaam;
Kiest elders een gezant.
GOD.
GOD.
Zal mij dan iets ontbreken?Die 't alles schiep uit Niet, in d' eerste week der weken,Den Hemel, die om u met zijne lichten wielt[66],En al wat in 't begrijp[67]van nat of drooge krielt,'t Gevogelt' in de locht, dat op de winden zwieret,En 't waterzuchtig aas, dat naar 't vlietwater gieret,'t Viervoetig veldsch[68]gediert', 't geboomte, dat gekromdVan zijne vruchten hangt, de dalen vol geblomt:Wie heeft den mensch toch eerst 't gesuisel en 't gehooreVan eenen zachten wind geblazen in zijn oore?Wie heeft den appel klein van zijn gezicht bepaald,Waarmede hij alsins mijn heerlijkheid bestraalt;Wie heeft toch geconfijt zijn milde tong schoontalig?Waar met den mond ontvloeit zijn rijpe woorden zalig;En of ik schoon uw tong gebrekkelijken lietOm uw hardnekkigheid;—wat dunkt u, kan ik nietGebruiken nevens u, voor Israël en Faron,De zoetvloeyende taal van uwen broeder Aron?
Zal mij dan iets ontbreken?
Die 't alles schiep uit Niet, in d' eerste week der weken,
Den Hemel, die om u met zijne lichten wielt[66],
En al wat in 't begrijp[67]van nat of drooge krielt,
't Gevogelt' in de locht, dat op de winden zwieret,
En 't waterzuchtig aas, dat naar 't vlietwater gieret,
't Viervoetig veldsch[68]gediert', 't geboomte, dat gekromd
Van zijne vruchten hangt, de dalen vol geblomt:
Wie heeft den mensch toch eerst 't gesuisel en 't gehoore
Van eenen zachten wind geblazen in zijn oore?
Wie heeft den appel klein van zijn gezicht bepaald,
Waarmede hij alsins mijn heerlijkheid bestraalt;
Wie heeft toch geconfijt zijn milde tong schoontalig?
Waar met den mond ontvloeit zijn rijpe woorden zalig;
En of ik schoon uw tong gebrekkelijken liet
Om uw hardnekkigheid;—wat dunkt u, kan ik niet
Gebruiken nevens u, voor Israël en Faron,
De zoetvloeyende taal van uwen broeder Aron?
MOZES.
MOZES.
Of[69]Farao blijft versteend, en drijft met ons den spot?
Of[69]Farao blijft versteend, en drijft met ons den spot?
GOD.
GOD.
Leeft met hem zoo gij wilt, tot eenen aardschen GodZijt gij van mij gezalfd.
Leeft met hem zoo gij wilt, tot eenen aardschen God
Zijt gij van mij gezalfd.
MOZES.
MOZES.
En blijft hij onbewogen?
En blijft hij onbewogen?
GOD.
GOD.
Zoo dreigt hem mijnen toorn, met mijn gespannen bogen;Mijn pijlen hangen reê gescherpt in mijnen tros[70],En naar mijn dreigement, zoo gaan mijn pezen los.
Zoo dreigt hem mijnen toorn, met mijn gespannen bogen;
Mijn pijlen hangen reê gescherpt in mijnen tros[70],
En naar mijn dreigement, zoo gaan mijn pezen los.
MOZES.
MOZES.
En of mijn haters mij nog in Egypte vonden?
En of mijn haters mij nog in Egypte vonden?
GOD.
GOD.
De dood heeft lang vernield die naar uw leven stonden:Dus spoedt u.
De dood heeft lang vernield die naar uw leven stonden:
Dus spoedt u.
MOZES.
MOZES.
Op uw woord zal ik mij henenspoên,Mijn vliezen zijn hier vast verstrooid, verspreid in 't groen,Wel op, mijn geilig vee! loopt huiswaarts voor mij henen,Dit 's voor de laatste maal; den tijd die is verschenen,Dat ik een herder ben van Jakobs huis bescheerd[71]:Wat schaadt het, dat ik 't aan dees schaapkens heb geleerd?
Op uw woord zal ik mij henenspoên,
Mijn vliezen zijn hier vast verstrooid, verspreid in 't groen,
Wel op, mijn geilig vee! loopt huiswaarts voor mij henen,
Dit 's voor de laatste maal; den tijd die is verschenen,
Dat ik een herder ben van Jakobs huis bescheerd[71]:
Wat schaadt het, dat ik 't aan dees schaapkens heb geleerd?
KORACH, JOZUA, EN KALEB.
KORACH, JOZUA, EN KALEB.
KORACH.
KORACH.
Hoe lang zal Jakob nog betreden deze pleinen?Daar hij zijn oogen maakt tot schreyende fonteinen?Hoe lange zullen nog, in zijne dagen oud,Dees groene velden met zijn tranen zijn bedauwd?Hoe lange zullen nog zijn klagelijke lippenBewegen berg en dal, de rotsen en de klippen?Hoe lange zal hij hier gelijken ongestildEen sneeuwen beeld, dat in de zonneschijn versmilt[72]?Hoe blijft hij dus van God verworpen, droef en smartig?Wien heeft de Hemel ooit geweest zoo onbarmhartig?O, Heere! niet om ons, maar om uw vast verbondEn driemaal heil'gen naam, verstopt den lastermondDer Heidenen, die stout en schimpig durven spreken:Is dit 't verkoren volk, 't welk voert het Godd'lijk teeken?Gij zijt toch onze God, wij kennen anders geen,Wij hebben toch nooit beeld van koper noch van steen,Gesternte, zon noch maan, noch schepsels creatuurlijk,Nog nooit gouden kolos noch zilverbeeld figuurlijk,Afgodisch aangebeèn, noch zichtbaar beeldtenis;In vuur noch in geboomt' wij nooit geheimenisVerblind hebben gezocht, noch uw onsterflijk wezen.Den glans benomen van uw heerlijkheid geprezen;Wij hebben[73]nimmermeer voor Isis onbezield,De Egypter afgodin, devotelijk geknield;Wij kennen Osiris niet met een blinde zotheidVoor iets byzonders, of een drievuldige Godheid.Met uw straffende hand en drukt ons niet altoos,Gij kent onz' zwakheid teêr, en onz' nature broos,Wij zijn toch aarde en stof, wij hebben niet te roemen,Wij zijn niet anders dan vergankelijke bloemen;Als gij het stralig licht uws aanschijns van ons wendt,Zoo zijn wij arm en zwak, vol kommer en ellend'.Ziet, hoe ons Gozen, laas! van droefheid overvloeit[74],Hoe ons Farao heeft geketent en geboeid[74],Wij zijn 't rookende vlas, wij zijn 't gekrookte riet,Een ander eenen vloek, ons zelven een verdriet!Met dat de ronde zon de hemelsche gordijnenVan zijne koetse schuift, en doet den nacht verdwijnen,Met dat de dageraad treedt haar slaapkamer uit,Die van den witten[75]dag den draaiboom open sluit,Met dat zij hare vlucht[76]gaat in den wagen spannen,Zoo spant terstond in 't juk de Israëlietsche mannenDe slaafsche arrebeid, met een gezichtel eep[77],Die steeds ons onvernoegd voortklatert met zijn zweep,Dat elke druppel haars schijnt eenen stroom te zweeten,Wanneer het zoncompas den dag heeft overmeten.Scheldwoorden is het loon van al onz' dienstbaarheid,Ons wordt naauw spijze en drank om[78]leven bij geleid.Och! of de bleeke dood onz' slavernije susten,Wij hebben hier toch niet daar wij op mogen rusten:Kom, aangename dood! en help ons uit dit krijt[79],En overschrijdt het perk, het perk van onzen tijd:Want onze slavernij schijnt eeuwig en gedurig,Gelijk de zee de een' baar op de ander golft azurig,Een ander roept: o dood! keert elders uwen boog,Maar wij: o zoete dood! kom, dwaat[80]ons tranig[81]oog!'t Is onbestendig al: het planten en het zaayenMen weder keeren ziet in plukken en afmaayen,Nu ploegt men de aarde zwart met 't kouter om en om,Nu scheert men weêr de vrucht met eene zeisen krom,Nu bloeit de lieve Lent' met al haar bloempjens verwig,Nu is de Herfst bekroond met gulden aren terwig[82],Nu lacht de Zomer schoon, nu knort de Winter grijs,De een spiegelt zich in 't groen, en de ander in het ijs;Nu rijst de zon in 't Oost', nu daalt zij neêr in 't Westen,Wanneer de bleeke maan klimt uit de watervesten,De mane die heur[83]nu in volle rondte stelt,En weder heuren glans en zilverschijn versmelt;Ja, zelf der sterren loop, de hemel met zijn sferen,Met de elementen steeds veranderen en keeren:Maar onze droeve staat gelijkt een vaste Pool,Die staâg uit een klimaat blijft pinken[84]als een kool.Hetgeen God eens belooft, breekt God dat wederommeDoor wispelturigheid?
Hoe lang zal Jakob nog betreden deze pleinen?
Daar hij zijn oogen maakt tot schreyende fonteinen?
Hoe lange zullen nog, in zijne dagen oud,
Dees groene velden met zijn tranen zijn bedauwd?
Hoe lange zullen nog zijn klagelijke lippen
Bewegen berg en dal, de rotsen en de klippen?
Hoe lange zal hij hier gelijken ongestild
Een sneeuwen beeld, dat in de zonneschijn versmilt[72]?
Hoe blijft hij dus van God verworpen, droef en smartig?
Wien heeft de Hemel ooit geweest zoo onbarmhartig?
O, Heere! niet om ons, maar om uw vast verbond
En driemaal heil'gen naam, verstopt den lastermond
Der Heidenen, die stout en schimpig durven spreken:
Is dit 't verkoren volk, 't welk voert het Godd'lijk teeken?
Gij zijt toch onze God, wij kennen anders geen,
Wij hebben toch nooit beeld van koper noch van steen,
Gesternte, zon noch maan, noch schepsels creatuurlijk,
Nog nooit gouden kolos noch zilverbeeld figuurlijk,
Afgodisch aangebeèn, noch zichtbaar beeldtenis;
In vuur noch in geboomt' wij nooit geheimenis
Verblind hebben gezocht, noch uw onsterflijk wezen.
Den glans benomen van uw heerlijkheid geprezen;
Wij hebben[73]nimmermeer voor Isis onbezield,
De Egypter afgodin, devotelijk geknield;
Wij kennen Osiris niet met een blinde zotheid
Voor iets byzonders, of een drievuldige Godheid.
Met uw straffende hand en drukt ons niet altoos,
Gij kent onz' zwakheid teêr, en onz' nature broos,
Wij zijn toch aarde en stof, wij hebben niet te roemen,
Wij zijn niet anders dan vergankelijke bloemen;
Als gij het stralig licht uws aanschijns van ons wendt,
Zoo zijn wij arm en zwak, vol kommer en ellend'.
Ziet, hoe ons Gozen, laas! van droefheid overvloeit[74],
Hoe ons Farao heeft geketent en geboeid[74],
Wij zijn 't rookende vlas, wij zijn 't gekrookte riet,
Een ander eenen vloek, ons zelven een verdriet!
Met dat de ronde zon de hemelsche gordijnen
Van zijne koetse schuift, en doet den nacht verdwijnen,
Met dat de dageraad treedt haar slaapkamer uit,
Die van den witten[75]dag den draaiboom open sluit,
Met dat zij hare vlucht[76]gaat in den wagen spannen,
Zoo spant terstond in 't juk de Israëlietsche mannen
De slaafsche arrebeid, met een gezichtel eep[77],
Die steeds ons onvernoegd voortklatert met zijn zweep,
Dat elke druppel haars schijnt eenen stroom te zweeten,
Wanneer het zoncompas den dag heeft overmeten.
Scheldwoorden is het loon van al onz' dienstbaarheid,
Ons wordt naauw spijze en drank om[78]leven bij geleid.
Och! of de bleeke dood onz' slavernije susten,
Wij hebben hier toch niet daar wij op mogen rusten:
Kom, aangename dood! en help ons uit dit krijt[79],
En overschrijdt het perk, het perk van onzen tijd:
Want onze slavernij schijnt eeuwig en gedurig,
Gelijk de zee de een' baar op de ander golft azurig,
Een ander roept: o dood! keert elders uwen boog,
Maar wij: o zoete dood! kom, dwaat[80]ons tranig[81]oog!
't Is onbestendig al: het planten en het zaayen
Men weder keeren ziet in plukken en afmaayen,
Nu ploegt men de aarde zwart met 't kouter om en om,
Nu scheert men weêr de vrucht met eene zeisen krom,
Nu bloeit de lieve Lent' met al haar bloempjens verwig,
Nu is de Herfst bekroond met gulden aren terwig[82],
Nu lacht de Zomer schoon, nu knort de Winter grijs,
De een spiegelt zich in 't groen, en de ander in het ijs;
Nu rijst de zon in 't Oost', nu daalt zij neêr in 't Westen,
Wanneer de bleeke maan klimt uit de watervesten,
De mane die heur[83]nu in volle rondte stelt,
En weder heuren glans en zilverschijn versmelt;
Ja, zelf der sterren loop, de hemel met zijn sferen,
Met de elementen steeds veranderen en keeren:
Maar onze droeve staat gelijkt een vaste Pool,
Die staâg uit een klimaat blijft pinken[84]als een kool.
Hetgeen God eens belooft, breekt God dat wederomme
Door wispelturigheid?
JOZUA.
JOZUA.
Neen, God, als een kolommeEn pyramide sterk, blijft altijd vast gegrond.
Neen, God, als een kolomme
En pyramide sterk, blijft altijd vast gegrond.
KORACH.
KORACH.
Is hij 't niet die hem[83]aan onz' vaderen verbond?
Is hij 't niet die hem[83]aan onz' vaderen verbond?
JOZUA.
JOZUA.
Door onz' misdaden is dit zegel weêr gebroken.
Door onz' misdaden is dit zegel weêr gebroken.
KORACH.
KORACH.
Hij heeft het toch beloofd, hij heeft het zelf gesproken,Ook heeft hij wel voorzien onz' wankelmoedigheid,Een kroon (geen lastig juk) heeft hij ons toegezeîd,Noch geen Egypteland, maar Kanaän vruchtbarig,Noch geen gehoornden[85]Nijl, maar een Jordane barig[86].
Hij heeft het toch beloofd, hij heeft het zelf gesproken,
Ook heeft hij wel voorzien onz' wankelmoedigheid,
Een kroon (geen lastig juk) heeft hij ons toegezeîd,
Noch geen Egypteland, maar Kanaän vruchtbarig,
Noch geen gehoornden[85]Nijl, maar een Jordane barig[86].
KALEB.
KALEB.
Hij heeft ons deez' beloft' in geenen tijd gesteld.
Hij heeft ons deez' beloft' in geenen tijd gesteld.
KORACH.
KORACH.
En heeft zijns waarheids mond niet Abrams zaad gemeld?
En heeft zijns waarheids mond niet Abrams zaad gemeld?
KALEB.
KALEB.
Dat strekt zich eindeloos op onz' nakomelingen.
Dat strekt zich eindeloos op onz' nakomelingen.
KORACH.
KORACH.
Wat heugenis[87]is 't ons, als onze tijd gaat springen[88]?
Wat heugenis[87]is 't ons, als onze tijd gaat springen[88]?
KALEB.
KALEB.
Hij is in zachte rust, die ondertusschen sterft.
Hij is in zachte rust, die ondertusschen sterft.
KORACH.
KORACH.
Waartoe is 't dan beloofd, als men de vruchten derft?
Waartoe is 't dan beloofd, als men de vruchten derft?
JOZUA.
JOZUA.
God heeft het niet beloofd die zijn gebod versmaden.
God heeft het niet beloofd die zijn gebod versmaden.
KORACH.
KORACH.
Waaruit bewijst gij dat?
Waaruit bewijst gij dat?
JOZUA.
JOZUA.
God bindt hem[83]aan geen kwaden.
God bindt hem[83]aan geen kwaden.
KORACH.
KORACH.
Is zijn belofte niet aan Abrams zaad verklaard?
Is zijn belofte niet aan Abrams zaad verklaard?
JOZUA.
JOZUA.
't Zaad, dat als Abraham oprechte vruchten baart,In liefd', geloof en hoop, en in zachtmoedigheden,In gehoorzamigheid, in ootmoed, en in vreden:Dat God nu zijn belofte in ons niet en vervultDaar zijn wij oorzaak van, om onzer zonden schuld:Onze ongerechtigheid doet zijne liefd' veranderen,De misdaad scheidet God en mensche van malkanderenAls eenen sterken muur: want God is onbevlekt,Hij heeft den hemel heel met wolken overdekt,Hij wendt zijn aangezicht, verstoppende zijne ooren,Ons krachteloos gebed en wil hij niet verhooren.
't Zaad, dat als Abraham oprechte vruchten baart,
In liefd', geloof en hoop, en in zachtmoedigheden,
In gehoorzamigheid, in ootmoed, en in vreden:
Dat God nu zijn belofte in ons niet en vervult
Daar zijn wij oorzaak van, om onzer zonden schuld:
Onze ongerechtigheid doet zijne liefd' veranderen,
De misdaad scheidet God en mensche van malkanderen
Als eenen sterken muur: want God is onbevlekt,
Hij heeft den hemel heel met wolken overdekt,
Hij wendt zijn aangezicht, verstoppende zijne ooren,
Ons krachteloos gebed en wil hij niet verhooren.
KORACH.
KORACH.
Wat staat ons dan te doen?
Wat staat ons dan te doen?
JOZUA.
JOZUA.
Tot boete zijn bereidVoor hem, die overvloeit rijk van bermhertigheid,Misschien (wij mogen[89]toch zijn wijsheid niet begrijpen),Opdat in ons gemoed vruchtbariger mocht rijpenDe vruchte des geloofs, heeft hij ons dus beproefd;God kent onz' nuttigheid, en wat de mensch behoeftWeet hij te voren wel.
Tot boete zijn bereid
Voor hem, die overvloeit rijk van bermhertigheid,
Misschien (wij mogen[89]toch zijn wijsheid niet begrijpen),
Opdat in ons gemoed vruchtbariger mocht rijpen
De vruchte des geloofs, heeft hij ons dus beproefd;
God kent onz' nuttigheid, en wat de mensch behoeft
Weet hij te voren wel.
KORACH.
KORACH.
Behoudens uw propoosten[90],Beproeving, schijnt[91]nochtans, den mensche leidt ten boosten.
Behoudens uw propoosten[90],
Beproeving, schijnt[91]nochtans, den mensche leidt ten boosten.
JOZUA.
JOZUA.
O neen, de rouwe, die ons God heeft toegeveugd[92],Ontwijfelijk beklimt den steilen berg van vreugd;Dat hij ons van hem[93]werpt geschiedt maar uit ontfermen;Om vaderlijken[94]ons te omhelzen met zijn armen:Wij zijn van oordeel blind, want 's Heeren wil en eischMeer onzer zielen rust zoekt, dan 't gemak des vleisch.
O neen, de rouwe, die ons God heeft toegeveugd[92],
Ontwijfelijk beklimt den steilen berg van vreugd;
Dat hij ons van hem[93]werpt geschiedt maar uit ontfermen;
Om vaderlijken[94]ons te omhelzen met zijn armen:
Wij zijn van oordeel blind, want 's Heeren wil en eisch
Meer onzer zielen rust zoekt, dan 't gemak des vleisch.
KORACH.
KORACH.
En schiep hij lijf en ziel niet in den Paradijze?
En schiep hij lijf en ziel niet in den Paradijze?
JOZUA.
JOZUA.
De een tot onsterflijkheid, en 't ander tot een spijzeDer wormen in het graf, waarom hem ook gewisVeel waarder onze ziel als 't sterflijk lichaam is:De ziele keert tot God, maar na dit tijd'lijk slavenWordt 't lichaam weder in zijn zelfde stof begraven,En moet, gelijk het graan in 't aardrijk eerst verrot,Versterven, eer 't verrijst in heerlijkheid tot God:Doch onz' ziele is een beeld zijns heerlijkheids zelfstandig,Die geen tiran en mag verdrukken, hoe vijandig;Gelijk ons teêre lijf, ellendig, naakt en bloot,'t Welk van den menschen boos werd lichtelijk gedood;Maar de edel' ziele staat alleen in 's Heeren handen,Al wordt ze hier bezwaard met veelderleie banden,Terwijl ze in 't aardsche dal ons lichaam 't leven geeft,En in 's lijfs hutte vast heur korte woning heeft:En of ons lichaam schoon[95]in allerlei wellustenEn duizend weelden zwom: wat waar' 't, als niet en rusttenOnz' edel' ziele in God den Heere Sebaoth?Wat baatten[96]ons deez' winst? wanneer wij namaals 't lotEn 't allerhoogste goed, den hemel, moesten derven?'t Wordt hier toch al op 't lest geëindigd met een sterven:Gij ziet, hoe hier het glas van onze tijd verloopt,Geen balling is hij die een burgerschap verhooptHier namaals; zijt getroost, het dient ons al ten besten,Dat wij, als wandelaars, ons herte niet en vestenOp een vergank'lijk rijk; dwaas is hij, die verkiestHet tijd'lijke, en daarvoor het eeuwige verliest.
De een tot onsterflijkheid, en 't ander tot een spijze
Der wormen in het graf, waarom hem ook gewis
Veel waarder onze ziel als 't sterflijk lichaam is:
De ziele keert tot God, maar na dit tijd'lijk slaven
Wordt 't lichaam weder in zijn zelfde stof begraven,
En moet, gelijk het graan in 't aardrijk eerst verrot,
Versterven, eer 't verrijst in heerlijkheid tot God:
Doch onz' ziele is een beeld zijns heerlijkheids zelfstandig,
Die geen tiran en mag verdrukken, hoe vijandig;
Gelijk ons teêre lijf, ellendig, naakt en bloot,
't Welk van den menschen boos werd lichtelijk gedood;
Maar de edel' ziele staat alleen in 's Heeren handen,
Al wordt ze hier bezwaard met veelderleie banden,
Terwijl ze in 't aardsche dal ons lichaam 't leven geeft,
En in 's lijfs hutte vast heur korte woning heeft:
En of ons lichaam schoon[95]in allerlei wellusten
En duizend weelden zwom: wat waar' 't, als niet en rustten
Onz' edel' ziele in God den Heere Sebaoth?
Wat baatten[96]ons deez' winst? wanneer wij namaals 't lot
En 't allerhoogste goed, den hemel, moesten derven?
't Wordt hier toch al op 't lest geëindigd met een sterven:
Gij ziet, hoe hier het glas van onze tijd verloopt,
Geen balling is hij die een burgerschap verhoopt
Hier namaals; zijt getroost, het dient ons al ten besten,
Dat wij, als wandelaars, ons herte niet en vesten
Op een vergank'lijk rijk; dwaas is hij, die verkiest
Het tijd'lijke, en daarvoor het eeuwige verliest.
KORACH.
KORACH.
Onz' vaders leefden wel voorspoedig en gelukkig,
Onz' vaders leefden wel voorspoedig en gelukkig,
KALEB.
KALEB.
God heeft ze ook al gesteld in zijn beproeving drukkig.
God heeft ze ook al gesteld in zijn beproeving drukkig.
KORACH.
KORACH.
Nooit in zoo harden proef als nu is Jakobs huis.
Nooit in zoo harden proef als nu is Jakobs huis.
JOZUA.
JOZUA.
Een ieder dunkt zich 't zijn te zijn het zwaarste kruis.
Een ieder dunkt zich 't zijn te zijn het zwaarste kruis.
KORACH.
KORACH.
Heeft God ons niet op 't strengst getreden op de hielen?
Heeft God ons niet op 't strengst getreden op de hielen?
JOZUA.
JOZUA.
Hij heeft een geesel nog, waarmeê hij na der zielen[97]Den mensche harder straft, een onverganklijk wee;Zijn allerscherpste staal steekt nog in zijne scheê.Deez' waarschouwende straf ons ernstelijk te vorenOp een veel grooter wijst, dat niemand ga verloren;Dus laat ons deze roê, waarmede hij ons driegt[98],Waarnemen nog in tijds, eer onze tijd vervliegt:Hij zal ons met zijn gunst en vleugelen bespreyen,Indien wij niet te spade onz' zonden en beschreyen,Gelijk als d' eerste weerld, die Noach al betraand[99]Had zoo veel jaren tot boetvaardigheid vermaand,Zij bleven onbeweegd[100], al zagen zij voor oogenZoo vele wolken zwart, zoo vele regenbogen,Tot 't Goddelijk kompas verloopen was te vroeg,En 's hemels groote klok de laatste ure sloeg;Toen heeft God opgesteld[101]zijn groote waterspuyen[101],En alle sluizen van zijn vochte regenbuyen,De meeren liepen t' zaâm, met alle stroomen droef,Tot eindelijk een zee den aardenkloot[102]begroef.
Hij heeft een geesel nog, waarmeê hij na der zielen[97]
Den mensche harder straft, een onverganklijk wee;
Zijn allerscherpste staal steekt nog in zijne scheê.
Deez' waarschouwende straf ons ernstelijk te voren
Op een veel grooter wijst, dat niemand ga verloren;
Dus laat ons deze roê, waarmede hij ons driegt[98],
Waarnemen nog in tijds, eer onze tijd vervliegt:
Hij zal ons met zijn gunst en vleugelen bespreyen,
Indien wij niet te spade onz' zonden en beschreyen,
Gelijk als d' eerste weerld, die Noach al betraand[99]
Had zoo veel jaren tot boetvaardigheid vermaand,
Zij bleven onbeweegd[100], al zagen zij voor oogen
Zoo vele wolken zwart, zoo vele regenbogen,
Tot 't Goddelijk kompas verloopen was te vroeg,
En 's hemels groote klok de laatste ure sloeg;
Toen heeft God opgesteld[101]zijn groote waterspuyen[101],
En alle sluizen van zijn vochte regenbuyen,
De meeren liepen t' zaâm, met alle stroomen droef,
Tot eindelijk een zee den aardenkloot[102]begroef.
KALEB.
KALEB.
Ook toen 't boos wezen hem begonste te verdrietenVan die van Gomorra en stoute Sodomieten,Hij alzins op hun spoog vuurpijlen, damp en smook,Zoo dat er niets van hen bleef over als de rook.
Ook toen 't boos wezen hem begonste te verdrieten
Van die van Gomorra en stoute Sodomieten,
Hij alzins op hun spoog vuurpijlen, damp en smook,
Zoo dat er niets van hen bleef over als de rook.
JOZUA.
JOZUA.
Integendeel bleef Loth beschaduwd van de vlerkenVan 's Heeren Engelen, en Noach van der Arken[103]:Dus bouwt uw hope op hem, die deez' twee heil'gen puur[104]D' een vrijdt van 's waters vloed, en d' ander van het vuur.
Integendeel bleef Loth beschaduwd van de vlerken
Van 's Heeren Engelen, en Noach van der Arken[103]:
Dus bouwt uw hope op hem, die deez' twee heil'gen puur[104]
D' een vrijdt van 's waters vloed, en d' ander van het vuur.
KORACH.
KORACH.
't Is al vergeefs gehoopt.
't Is al vergeefs gehoopt.
JOZUA.
JOZUA.
Vertwijfelt niet in hopen.
Vertwijfelt niet in hopen.
KORACH.
KORACH.
Ik zie toch geenen weg tot onz' verlossing open.
Ik zie toch geenen weg tot onz' verlossing open.
KALEB.
KALEB.
Aan duizend middelen 't hem nimmermeer en schort,Zijn armen reiken wijd, zijn hand is niet verkort:Toen Ammons vader Loth geraakt was in de handenVan Kedor Lamors heir, en schenen niet zijn bandenOnbrekelijk te zijn? Maar God de Heere namTot eenig instrument den ouden Abraham,Die derwaarts henen met zijn knechten is getrokken,Met keyen toegerust, met pijlen en met stokken:Maar God was zijnen schild, de Hemel was zijn vaan,Waar onder hij dan, bij den oorsprong der Jordaan,Zijn vijanden aangreep, die alreê met versagenDe grootste kapitein had in de vlucht geslagen;Wie niet ontvlieden mocht[105], viel in zijn eigen zwaard.Aldus verloste d' een' den andren broeder waard,Die heel verlaten scheen, naar aller menschen oordeel;Want die de Heere helpt, heeft altijd 't grootste voordeel.
Aan duizend middelen 't hem nimmermeer en schort,
Zijn armen reiken wijd, zijn hand is niet verkort:
Toen Ammons vader Loth geraakt was in de handen
Van Kedor Lamors heir, en schenen niet zijn banden
Onbrekelijk te zijn? Maar God de Heere nam
Tot eenig instrument den ouden Abraham,
Die derwaarts henen met zijn knechten is getrokken,
Met keyen toegerust, met pijlen en met stokken:
Maar God was zijnen schild, de Hemel was zijn vaan,
Waar onder hij dan, bij den oorsprong der Jordaan,
Zijn vijanden aangreep, die alreê met versagen
De grootste kapitein had in de vlucht geslagen;
Wie niet ontvlieden mocht[105], viel in zijn eigen zwaard.
Aldus verloste d' een' den andren broeder waard,
Die heel verlaten scheen, naar aller menschen oordeel;
Want die de Heere helpt, heeft altijd 't grootste voordeel.
KORACH.
KORACH.
Wij hebben onzen last getrokken zoo veel jaar.
Wij hebben onzen last getrokken zoo veel jaar.
JOZUA.
JOZUA.
Wanneer de tijd verschijnt, zoo is Gods hulpe daar;De Heere Zebaoth mocht[105]wel Loths kommer stelpen,Eer Abram ooit optrok had hij hem kunnen helpen.
Wanneer de tijd verschijnt, zoo is Gods hulpe daar;
De Heere Zebaoth mocht[105]wel Loths kommer stelpen,
Eer Abram ooit optrok had hij hem kunnen helpen.
KORACH.
KORACH.
Waarom en deed hij 't niet?
Waarom en deed hij 't niet?
JOZUA.
JOZUA.
Maar[106], vraagt gij den waarom?Van zijn verlossing was de wijzer nog niet om:Want Gods voorzienigheid, die eeuwiglijk zal duren,Heeft haren tijd bestemd[107], haar dagen en haar uren:Gelijk de akkerman 't goed' zaad in d' aarde zaait,Waar van hij t' zijner tijd de rijpe vruchten maait:God is de Bouwer ook, die, tegen ons genoegen,Den akker van ons hart komt door Farao ploegen,Al wat steenachtig is vermorzelt hij geheel,Eer dat hij in ons zaait zijn goede zaden eêl;Het zaad zijns godd'lijk woords daar na begraaft hij wakker,En delvet met zijn eg het zaad in onzen akker;Als nu de troebel zon van boven uit de lochtHaar stralen op ons schiet, op dat te rijker mochtZijn ingezaaide zaad in ons vruchtbarig groeyen,Hij eenen regen laat van tranen ons bevloeyen,Zoo waardig zijn wij hem; daar omme zijt getroost,Gelijk de landman, die op hope van den oogstZoo vele kommers lijdt, zoo dikwijls moet verzuchten:Hij bouwt en slaaft alleen op hope van de vruchten
Maar[106], vraagt gij den waarom?
Van zijn verlossing was de wijzer nog niet om:
Want Gods voorzienigheid, die eeuwiglijk zal duren,
Heeft haren tijd bestemd[107], haar dagen en haar uren:
Gelijk de akkerman 't goed' zaad in d' aarde zaait,
Waar van hij t' zijner tijd de rijpe vruchten maait:
God is de Bouwer ook, die, tegen ons genoegen,
Den akker van ons hart komt door Farao ploegen,
Al wat steenachtig is vermorzelt hij geheel,
Eer dat hij in ons zaait zijn goede zaden eêl;
Het zaad zijns godd'lijk woords daar na begraaft hij wakker,
En delvet met zijn eg het zaad in onzen akker;
Als nu de troebel zon van boven uit de locht
Haar stralen op ons schiet, op dat te rijker mocht
Zijn ingezaaide zaad in ons vruchtbarig groeyen,
Hij eenen regen laat van tranen ons bevloeyen,
Zoo waardig zijn wij hem; daar omme zijt getroost,
Gelijk de landman, die op hope van den oogst
Zoo vele kommers lijdt, zoo dikwijls moet verzuchten:
Hij bouwt en slaaft alleen op hope van de vruchten
KORACH.
KORACH.
Gij keeret[108]al in 't best.
Gij keeret[108]al in 't best.
JOZUA.
JOZUA.
Geeft gij ons geen geloof,Zoo proevet[108]bij u zelv', en achtet geenen roofDat God ons dus beproeft; wij hebben hem te loven,Al zwermen wij, helaas! in droefenis verschoven:Na slaven volgt de rust, na droefheid volgt de vreugd,Wij moeten dankbaar zijn, 't zij wat ons God toeveugt[109].
Geeft gij ons geen geloof,
Zoo proevet[108]bij u zelv', en achtet geenen roof
Dat God ons dus beproeft; wij hebben hem te loven,
Al zwermen wij, helaas! in droefenis verschoven:
Na slaven volgt de rust, na droefheid volgt de vreugd,
Wij moeten dankbaar zijn, 't zij wat ons God toeveugt[109].
KORACH.
KORACH.
Hoe onlangs is 't, dat nog de koning had vermetenOns te verdelgen heel.
Hoe onlangs is 't, dat nog de koning had vermeten
Ons te verdelgen heel.
KALEB.
KALEB.
Gelijk als aan een ketenDe leeuw gesloten staat, dien zijne meester viertNiet langer dan hij wil, zoo wordt van God bestierd't Voornemen des tirans, die niet en kan volbrengenDan 'tgene God hem zal toelaten en gehengen;Zijn voornemen heeft God ten uiterste beperkt,Die door veel middelen voorzieniglijken werkt:Den prins van Sinear, den[110]Nemrot, dacht tirannigMet zijnen scepter wel te trotsen wederspannigHet blaauwe firmament, eilasen! maar zijn hertRees, eer het groot gebouw, tot boven in 't gestert'[111],En werd van schaamte rood, toen 't Babylons gestamer[112]Leem, kalk, voor steenen bracht, de truffel voor den hamer;Zijn willen hing aan God, gelijk 't hier merk'lijk bleek.God leidt de koningen gelijk een waterbeek:Niets is er zoo gering van al wat hier mag blikken[113],Hij heerschet[114]t' zamen door zijn wijselijk beschikkenGod is alleen het Roer daar 't heele schip na zeilt,'t Gerechtig Wijscompas dat nimmermeer en feilt!Zoo weinig in een zaak geldt 't koninklijke spreken,En of hij schoon iets bouwt, de Heer zal 't weder brekenZoo 't hem niet en behaagt: hun woorden altemaalZijn krachteloos en ijl, indien zij in de schaalDes Goddelijken wils niet even op en wegen.
Gelijk als aan een keten
De leeuw gesloten staat, dien zijne meester viert
Niet langer dan hij wil, zoo wordt van God bestierd
't Voornemen des tirans, die niet en kan volbrengen
Dan 'tgene God hem zal toelaten en gehengen;
Zijn voornemen heeft God ten uiterste beperkt,
Die door veel middelen voorzieniglijken werkt:
Den prins van Sinear, den[110]Nemrot, dacht tirannig
Met zijnen scepter wel te trotsen wederspannig
Het blaauwe firmament, eilasen! maar zijn hert
Rees, eer het groot gebouw, tot boven in 't gestert'[111],
En werd van schaamte rood, toen 't Babylons gestamer[112]
Leem, kalk, voor steenen bracht, de truffel voor den hamer;
Zijn willen hing aan God, gelijk 't hier merk'lijk bleek.
God leidt de koningen gelijk een waterbeek:
Niets is er zoo gering van al wat hier mag blikken[113],
Hij heerschet[114]t' zamen door zijn wijselijk beschikken
God is alleen het Roer daar 't heele schip na zeilt,
't Gerechtig Wijscompas dat nimmermeer en feilt!
Zoo weinig in een zaak geldt 't koninklijke spreken,
En of hij schoon iets bouwt, de Heer zal 't weder breken
Zoo 't hem niet en behaagt: hun woorden altemaal
Zijn krachteloos en ijl, indien zij in de schaal
Des Goddelijken wils niet even op en wegen.
KORACH.
KORACH.
Gij spreekt u zelven en de zuivre waarheid tegen.
Gij spreekt u zelven en de zuivre waarheid tegen.
KALEB.
KALEB.
Waarom?
Waarom?
KORACH.
KORACH.
Het goddeloos bestuur van een tiran(Na uitwijs van uw reên), daar is God oorzaak van.
Het goddeloos bestuur van een tiran
(Na uitwijs van uw reên), daar is God oorzaak van.
KALEB.
KALEB.
Geenszins, in 't minste niet; 't kwaad, dat hij mag verschaffen,Den goede strekt tot heil, den kwade t' zijnder straffen[115].Niemand en is tot kwaad gedwongen, g'lijk men ziet,Dat alle kwaad door Gods toelating maar geschiedt:'t Leed daar ons Farao met[116]pijnigt ongerichtig(Op mijne woorden let, en oordeelt dan voorzichtig),Hem t' zijnder straffe dient: maar ons, indien ons vroed[117]Dees kastijdinge leidt tot rechte ware boet,Die God hier mede eischt, ze is ons zoo nut en zalig,Als zij den koning is verdoemelijk en dwalig[118].
Geenszins, in 't minste niet; 't kwaad, dat hij mag verschaffen,
Den goede strekt tot heil, den kwade t' zijnder straffen[115].
Niemand en is tot kwaad gedwongen, g'lijk men ziet,
Dat alle kwaad door Gods toelating maar geschiedt:
't Leed daar ons Farao met[116]pijnigt ongerichtig
(Op mijne woorden let, en oordeelt dan voorzichtig),
Hem t' zijnder straffe dient: maar ons, indien ons vroed[117]
Dees kastijdinge leidt tot rechte ware boet,
Die God hier mede eischt, ze is ons zoo nut en zalig,
Als zij den koning is verdoemelijk en dwalig[118].
KORACH.
KORACH.
Gij zegt nochtans—
Gij zegt nochtans—
MOZES en AARON.
MOZES en AARON.
MOZES.
MOZES.
Ontluikt, gelijk een lustdal schoon,Dat in den morgenstond zijn bloemen stelt ten toon;
Ontluikt, gelijk een lustdal schoon,
Dat in den morgenstond zijn bloemen stelt ten toon;
AARON.
AARON.
Vervrolijkt u, gelijk de vogelkens met lustenDe Zonne groeten, als zij stijgt uit heurder rusten,Gij die verlaten scheent.
Vervrolijkt u, gelijk de vogelkens met lusten
De Zonne groeten, als zij stijgt uit heurder rusten,
Gij die verlaten scheent.
KORACH.
KORACH.
Wie of met vrolijkheidOns ongewoon begroet?
Wie of met vrolijkheid
Ons ongewoon begroet?
KALEB.
KALEB.
't Zijn Amrans zonen beid'.
't Zijn Amrans zonen beid'.
JOZUA.
JOZUA.
o Broeders, wellekom!
o Broeders, wellekom!
MOZES.
MOZES.
Uw voorhoofd wilt vervrooyen[119].
Uw voorhoofd wilt vervrooyen[119].
KORACH.
KORACH.
Waarin? in onzen druk en jammerlijk verstrooyen?
Waarin? in onzen druk en jammerlijk verstrooyen?
MOZES.
MOZES.
Verheft uw droef gelaat, o Israël! en steektNu 't hoofd ten hemel op, die al uw banden breekt,De Heer die is met u, die alle uw ellendenEn droevig treurspel komt met vreugd en blijdschap enden:De God van Abraham, Isak, en Jakob zelf,Die zijnen troon pilaart op 't brandende gewelf,Is mij verschenen in een bliksemende klaarheid.
Verheft uw droef gelaat, o Israël! en steekt
Nu 't hoofd ten hemel op, die al uw banden breekt,
De Heer die is met u, die alle uw ellenden
En droevig treurspel komt met vreugd en blijdschap enden:
De God van Abraham, Isak, en Jakob zelf,
Die zijnen troon pilaart op 't brandende gewelf,
Is mij verschenen in een bliksemende klaarheid.
KORACH.
KORACH.
Ik denk 't is eenen droom.
Ik denk 't is eenen droom.
MOZES.
MOZES.
Neen, broeders! in der waarheid;Toen ik bij Sinai was hoedende mijn kudd'Met deez' gedoornde mik[120], mijn herderlijke stut[121],Zag ik 't groot Horebs bosch een blikkig[122]vuur omranden,'t Welk heel verteeren[123]scheen en t' zamen te verbranden:Maar even vrolijk loech[124]blaên, bloemen, kruid en loof:Eer deze bliksem nog voor mijn gezicht verstoof,De donder van een stem, o wonderlijk spektakel!Verklaarde mij den zin en eisch van dit mirakel,Op deze wijze: 't bosch, waarin deez' vlamme speelt,Daarmede is Israël naar 't leven afgebeeld,Die in 't vervolgingsvuur zal als dit bosch ontluiken;Ik wil mijn lelie schoon nu uit de doornen pluiken[125].Toen dreunde 't heele bosch, ik stond geheel bedut[126],Driemalen heeft de berg zich bevende verschud:En als ik niet en wist waar henen te vervluchten,Met een borstkloppig[127]hart, en met een zwaar verzuchten,En schier van vreeze lag begraven in het gras,Toen gaf de Heere mij te kennen wie hij was:De GodJEHOVAzelf, de God van onzen vader,De Schepper van het al, alleen des levens ader,De Herder Israëls, die in 't beloofde landOns nu vervoeren wil uit Faraonis[128]hand,Uit al onz' slavernij.
Neen, broeders! in der waarheid;
Toen ik bij Sinai was hoedende mijn kudd'
Met deez' gedoornde mik[120], mijn herderlijke stut[121],
Zag ik 't groot Horebs bosch een blikkig[122]vuur omranden,
't Welk heel verteeren[123]scheen en t' zamen te verbranden:
Maar even vrolijk loech[124]blaên, bloemen, kruid en loof:
Eer deze bliksem nog voor mijn gezicht verstoof,
De donder van een stem, o wonderlijk spektakel!
Verklaarde mij den zin en eisch van dit mirakel,
Op deze wijze: 't bosch, waarin deez' vlamme speelt,
Daarmede is Israël naar 't leven afgebeeld,
Die in 't vervolgingsvuur zal als dit bosch ontluiken;
Ik wil mijn lelie schoon nu uit de doornen pluiken[125].
Toen dreunde 't heele bosch, ik stond geheel bedut[126],
Driemalen heeft de berg zich bevende verschud:
En als ik niet en wist waar henen te vervluchten,
Met een borstkloppig[127]hart, en met een zwaar verzuchten,
En schier van vreeze lag begraven in het gras,
Toen gaf de Heere mij te kennen wie hij was:
De GodJEHOVAzelf, de God van onzen vader,
De Schepper van het al, alleen des levens ader,
De Herder Israëls, die in 't beloofde land
Ons nu vervoeren wil uit Faraonis[128]hand,
Uit al onz' slavernij.
KORACH.
KORACH.
En deed hij u geen teekenVan zijn' almachtigheid, dat hij ons leed zal wreken,Dat hij ontboeyen zal den zwerm van zoo veel duisd[129]Die onder Farao dus lange zijn gekruist[130]?
En deed hij u geen teeken
Van zijn' almachtigheid, dat hij ons leed zal wreken,
Dat hij ontboeyen zal den zwerm van zoo veel duisd[129]
Die onder Farao dus lange zijn gekruist[130]?
MOZES.
MOZES.
Ja, haddy[131]'t zelf gezien, toen ik ontweek zoo bangeVoor dezen staf, die werd een kronkelende slange,Een serpentijnig dier, in 't wezen, niet in schijn,En spoog alzins op mij haar doodelijk fenijnMet haar gesplitste tong, en lag in 't gras gescholen;Haar oogen vlamden als twee gloeyendige kolen,Azurig luisterde[132]haar vel, en in mijn oogGeleek[133]de slang die onz' voorouderen bedroogIn 't weeldig Paradijs; want waar zij henen zwerfde[134],De groenigheid van 't gras en 't kruid alzins versterfde[134]:Als nu de stemme mij den worm te grijpen hiet[135],Was 't weêr dezelfde stok, gelijk gij zelve ziet:'t En bleef hier nog niet bij, God smette boven dezenMijn hand met lazerij, en heeft ze weêr genezen,En vastelijk beloofd, hoe dat ik 't water reinVerkeeren zal in bloed, door zijne kracht allein:Opdat, als elke daad mijn woorden volgt warachtig,U en Farao maar een sterk geloove krachtigEn schort: deez' boodschap dan breng ik u metter spoed[136],Met mijnen broeder die mij is op weg ontmoet,Dien zelf de stemme Gods beval, tot mijn verschooning,Te spreken nevens mij voor Farao, den koning,En God heeft mij gezalfd een leidsman en een hoofdVan zijn verkoren volk.
Ja, haddy[131]'t zelf gezien, toen ik ontweek zoo bange
Voor dezen staf, die werd een kronkelende slange,
Een serpentijnig dier, in 't wezen, niet in schijn,
En spoog alzins op mij haar doodelijk fenijn
Met haar gesplitste tong, en lag in 't gras gescholen;
Haar oogen vlamden als twee gloeyendige kolen,
Azurig luisterde[132]haar vel, en in mijn oog
Geleek[133]de slang die onz' voorouderen bedroog
In 't weeldig Paradijs; want waar zij henen zwerfde[134],
De groenigheid van 't gras en 't kruid alzins versterfde[134]:
Als nu de stemme mij den worm te grijpen hiet[135],
Was 't weêr dezelfde stok, gelijk gij zelve ziet:
't En bleef hier nog niet bij, God smette boven dezen
Mijn hand met lazerij, en heeft ze weêr genezen,
En vastelijk beloofd, hoe dat ik 't water rein
Verkeeren zal in bloed, door zijne kracht allein:
Opdat, als elke daad mijn woorden volgt warachtig,
U en Farao maar een sterk geloove krachtig
En schort: deez' boodschap dan breng ik u metter spoed[136],
Met mijnen broeder die mij is op weg ontmoet,
Dien zelf de stemme Gods beval, tot mijn verschooning,
Te spreken nevens mij voor Farao, den koning,
En God heeft mij gezalfd een leidsman en een hoofd
Van zijn verkoren volk.
KALEB.
KALEB.
De Heere zij geloofd,Die Jakobs aanschijn nu de tranen wil afwasschen,En in 't beloofde land bedelven[137]eens onze asschenIn ons voorvaders graf.
De Heere zij geloofd,
Die Jakobs aanschijn nu de tranen wil afwasschen,
En in 't beloofde land bedelven[137]eens onze asschen
In ons voorvaders graf.
JOZUA.
JOZUA.
Den Heer zij lof en prijs!
Den Heer zij lof en prijs!
KORACH.
KORACH.
Wij zullen niet meer zijn der dieren aas en spijs,De wreede Farao zal ons niet meer verheeren,De stamme Juda nu aanvanget te regeeren:Kom, Juda, als een leeuw! klimt nu ten hoogsten staat!Versiert u met een kroon en koninklijk gewaad,Den gulden scepter grijp, want God is onz' Verzorger,Wij zijn geen slaven meer, elk Hebree is een borgerIn 't zoet beloofde land, daar de Jordane stroomt,Daar ik in mijnen slaap zoo dik[138]van heb gedroomd:Ach, lang gewenschte vreugd!
Wij zullen niet meer zijn der dieren aas en spijs,
De wreede Farao zal ons niet meer verheeren,
De stamme Juda nu aanvanget te regeeren:
Kom, Juda, als een leeuw! klimt nu ten hoogsten staat!
Versiert u met een kroon en koninklijk gewaad,
Den gulden scepter grijp, want God is onz' Verzorger,
Wij zijn geen slaven meer, elk Hebree is een borger
In 't zoet beloofde land, daar de Jordane stroomt,
Daar ik in mijnen slaap zoo dik[138]van heb gedroomd:
Ach, lang gewenschte vreugd!
KALEB.
KALEB.
Ach, heugelijke tijding!Nu straalt de blijde dag, de dag van onz' verblijding.
Ach, heugelijke tijding!
Nu straalt de blijde dag, de dag van onz' verblijding.
JOZUA.
JOZUA.
En gij, twaalf-stammig volk! versmoort wel in uw vreugd,Als gij dit hooren zult.
En gij, twaalf-stammig volk! versmoort wel in uw vreugd,
Als gij dit hooren zult.
KORACH.
KORACH.
Hoe zal dan met geneugtDe donder van deez' stem zoet in uw ooren klinken,Als gij alree den glans ziet van uw vrijheid blinken.
Hoe zal dan met geneugt
De donder van deez' stem zoet in uw ooren klinken,
Als gij alree den glans ziet van uw vrijheid blinken.
MOZES.
MOZES.
Gaat, boodschapt den Hebreên hun uitkomst; want in 't hofDes konings gaan wij beid' verzoeken ons verlof.
Gaat, boodschapt den Hebreên hun uitkomst; want in 't hof
Des konings gaan wij beid' verzoeken ons verlof.
KORACH.
KORACH.
En zoo hij 't u ontzegt?
En zoo hij 't u ontzegt?
AARON.
AARON.
't En mag hem geenszins baten:Want door Gods sterke hand zoo moet hij ons verlaten.(Binnen.)
't En mag hem geenszins baten:
Want door Gods sterke hand zoo moet hij ons verlaten.
(Binnen.)
KOOR.
KOOR.
Als de zee vast ongestuimigStormt, en werpt haar baren schuimigNaar den hemel al verbaasd,Als de schipper hoort de buyenVan den Noord-wind 't strand doorluyen,Is de stilte eerst allernaast.
Als de zee vast ongestuimig
Stormt, en werpt haar baren schuimig
Naar den hemel al verbaasd,
Als de schipper hoort de buyen
Van den Noord-wind 't strand doorluyen,
Is de stilte eerst allernaast.
Zoo ook God, wanneer hij droeveStelt in 't hardste van zijn proeve't Mensch'lijk schepsel t' eenemaal,Is zijn gunste zoo veel nader,En, gelijk een goedig Vader,Zoo verzacht hij al hun kwaal.
Zoo ook God, wanneer hij droeve
Stelt in 't hardste van zijn proeve
't Mensch'lijk schepsel t' eenemaal,
Is zijn gunste zoo veel nader,
En, gelijk een goedig Vader,
Zoo verzacht hij al hun kwaal.
Na zijn toornigheid ontsteken[139],Zal hij weêr zijn pijlen breken,En na zijn kastijding schier[140],Na zijn straffinge weldadigWerpt hij wederom genadigAl zijn roeden in het vier.
Na zijn toornigheid ontsteken[139],
Zal hij weêr zijn pijlen breken,
En na zijn kastijding schier[140],
Na zijn straffinge weldadig
Werpt hij wederom genadig
Al zijn roeden in het vier.
Want in droefheid en ellendenZal de mensch tot God zich wenden:Maar in weelde en voorspoed zatZal hij wederom vergeten's Heeren goedheid ongemeten,Wijkende van zijnen pad.
Want in droefheid en ellenden
Zal de mensch tot God zich wenden:
Maar in weelde en voorspoed zat
Zal hij wederom vergeten
's Heeren goedheid ongemeten,
Wijkende van zijnen pad.
Dat ons God dan proeft ten lesten,Dienet al tot onzen besten,Of men 't schoon zoo niet begrijpt:Zal de wijngaard vruchtbaar groeyen,Och! men moet hem wel besnoeyen,Eer zijn gulden vruchte rijpt.
Dat ons God dan proeft ten lesten,
Dienet al tot onzen besten,
Of men 't schoon zoo niet begrijpt:
Zal de wijngaard vruchtbaar groeyen,
Och! men moet hem wel besnoeyen,
Eer zijn gulden vruchte rijpt.
Na een bitter sause scheele[141],Zal de honig onze keeleSmaken zoeter en belust,En na 't lang gedurig slavenLigt de moede zacht begravenIn den schoot van stille rust.
Na een bitter sause scheele[141],
Zal de honig onze keele
Smaken zoeter en belust,
En na 't lang gedurig slaven
Ligt de moede zacht begraven
In den schoot van stille rust.
Die den[142]Hemel meest beminnet,Dien hij allerliefst bezinnet,Meest van droefheid werd bespoeld[143]:'t Moedig paard, dat in den stalleIs uitmuntig boven alle,Meest zijns heeren sporen voelt.
Die den[142]Hemel meest beminnet,
Dien hij allerliefst bezinnet,
Meest van droefheid werd bespoeld[143]:
't Moedig paard, dat in den stalle
Is uitmuntig boven alle,
Meest zijns heeren sporen voelt.
Is 't dan vreemd, dat God de Joden,In de tranen van veel nooden,Heeft gewasschen rein en klaar:Nu de tijd ook is verschenen,Keert in blijdschap al hun weenen,Nu is hunnen trooster daar.
Is 't dan vreemd, dat God de Joden,
In de tranen van veel nooden,
Heeft gewasschen rein en klaar:
Nu de tijd ook is verschenen,
Keert in blijdschap al hun weenen,
Nu is hunnen trooster daar.
Want God voor veel jaren Mozen[144],Amrams zone, heeft verkozenTot een trooster Israëls:Ziet eens, hoe hij hem omermde,Hem omhelsde en beschermde,Voor Farao's gramschap hels[145].
Want God voor veel jaren Mozen[144],
Amrams zone, heeft verkozen
Tot een trooster Israëls:
Ziet eens, hoe hij hem omermde,
Hem omhelsde en beschermde,
Voor Farao's gramschap hels[145].
Toen de afgunstigheid de zonenJakobs, zonder te verschoonen,Zwaard en water overgaf;Toen het moederlijke herteJochebeds zag, met veel smerte,Mozes wieg aan voor zijn graf;
Toen de afgunstigheid de zonen
Jakobs, zonder te verschoonen,
Zwaard en water overgaf;
Toen het moederlijke herte
Jochebeds zag, met veel smerte,
Mozes wieg aan voor zijn graf;
Toen de moeder heurs zoons levenMoest de baren overgeven,Als zij had heur kind gekust;Toen de moederlijke zorgenLagen, met heur kind, geborgenIn het kistjen ongerust.
Toen de moeder heurs zoons leven
Moest de baren overgeven,
Als zij had heur kind gekust;
Toen de moederlijke zorgen
Lagen, met heur kind, geborgen
In het kistjen ongerust.
Toen zij moest heur zelf verliezen,Van twee kwaden 't beste kiezen,Met een droef adieu, te noô[146],Riep: "ik hope in deze golvenMeer meêdoogen is gedolvenAls in 's konings herte snoô!"
Toen zij moest heur zelf verliezen,
Van twee kwaden 't beste kiezen,
Met een droef adieu, te noô[146],
Riep: "ik hope in deze golven
Meer meêdoogen is gedolven
Als in 's konings herte snoô!"
God, hoe langs hoe goedertierder,Van dit scheepken was de StierderZelf, met eenen Wester wind,Die het blies hoe langs hoe lochter[147],In den schoot van 's konings dochter,Voor een Engel en geen kind.
God, hoe langs hoe goedertierder,
Van dit scheepken was de Stierder
Zelf, met eenen Wester wind,
Die het blies hoe langs hoe lochter[147],
In den schoot van 's konings dochter,
Voor een Engel en geen kind.
't Kind, dat zag men weder dorstenNaar zijn eigen moeders borsten,'t Wies in alle schoonheid op;In zijn voorhoofd stond geletterd,Hoe 't den Farao verpletterdNog vertreden zou den kop.
't Kind, dat zag men weder dorsten
Naar zijn eigen moeders borsten,
't Wies in alle schoonheid op;
In zijn voorhoofd stond geletterd,
Hoe 't den Farao verpletterd
Nog vertreden zou den kop.
't Groeide op in manlijkheden[148],En, van harte heel besnedenVoor des hofs wellusten, hijKoos in ballingschap te zwermen,En den Hebree te beschermenIn zijn droeve slavernij.
't Groeide op in manlijkheden[148],
En, van harte heel besneden
Voor des hofs wellusten, hij
Koos in ballingschap te zwermen,
En den Hebree te beschermen
In zijn droeve slavernij.
Als hij hierom moest vervluchten,En in Midians gehuchten,Weiden 't herderlijke vee:Als de tijd nu was voor handen,Dat de Heer zijn offerandenEischen zou van den Hebree;
Als hij hierom moest vervluchten,
En in Midians gehuchten,
Weiden 't herderlijke vee:
Als de tijd nu was voor handen,
Dat de Heer zijn offeranden
Eischen zou van den Hebree;
Zoo verschijnt hem van den Hemel,Bij Sinaï, 't lichtgeschemel[149]Van des Heeren heerlijkheid;God laat hem zijn stemme hooren,Op dat hij zijn uitverkorenIn het land Kanaan leidt.
Zoo verschijnt hem van den Hemel,
Bij Sinaï, 't lichtgeschemel[149]
Van des Heeren heerlijkheid;
God laat hem zijn stemme hooren,
Op dat hij zijn uitverkoren
In het land Kanaan leidt.
Op dat zij daar, zonder smetten,Onderhouden zijne wetten,En hem lieflijk met wyrookEenen zoeten reuk toebrengen,En met bokkenbloed besprengenZijn altaren met gesmook[150];
Op dat zij daar, zonder smetten,
Onderhouden zijne wetten,
En hem lieflijk met wyrook
Eenen zoeten reuk toebrengen,
En met bokkenbloed besprengen
Zijn altaren met gesmook[150];
Op dat dankbaar, onverholen(Wijder als tusschen de polen,'t Hemellicht den nacht beschaamt)Al zijn groote wonderdaden,En zijn goedheid vol genadenOver al mocht zijn befaamd.
Op dat dankbaar, onverholen
(Wijder als tusschen de polen,
't Hemellicht den nacht beschaamt)
Al zijn groote wonderdaden,
En zijn goedheid vol genaden
Over al mocht zijn befaamd.
Dat de mensche[151]steeds mocht haken,Om hier boven te gerakenDaar 't hem alles looft en prijst.—Acht het aardsch dan veel geringerDan het Hemelsch, daar de vingerVan zijn zoete wet op wijst.
Dat de mensche[151]steeds mocht haken,
Om hier boven te geraken
Daar 't hem alles looft en prijst.—
Acht het aardsch dan veel geringer
Dan het Hemelsch, daar de vinger
Van zijn zoete wet op wijst.