Chapter 3

FARAO de koning, TIFUS en SERAX, droombedieders en toovenaars,FARAO.De laatst geleden nacht (wat hoef ik mij te veinzen?)Heeft mij belemmerd zwaar met velerlei gepeinzen,Gelijk de groote kroon gemeenelijk aankleeftDe zorg, die altijd met veel zorgen om ons zweeft,De zorg, die 's konings hoofd met haren zwerm verduizelt[152],En met een sterk geblaas steeds in zijn ooren suizelt.Wanneer de schaduw valt, en dat het sterflijk dal's Nachts vleugelen bespreidt, zoo slaapt den grooten al.[153]De zon in Thetis' schoot, 't gedierte met vermakken[154]In zijne holen rust, 't gevogelt' in de takkenZijn vlerken hangen laat: maar 's konings majesteitToch nimmer rust omhelst, of zoo hij werd verleidDoor eene zachten slaap, en d' oogen komt te sluiten,Zoo waakt zijn zorge nog, en sluit zijn ruste buiten;Als hij in 't bedde zwemt in Lethe's stillen stroom,Zijn zorgen werden ijl[155]verkeerd in eenen droom.Mij dacht in mijnen slaap, ik op den grooten wagenWerd langs het RoodeMeers schuimachtig strand gedragen,In volle wapening en rusting t' eenemaal,Gelijk wanneer de Moor ontziet[156]mijn bloedig staal.De hemel was gevaagd[157]blaauw, helder, en azurig,En Febus zag in zee zijn spiegelstralen vurig,Het weder loech elk toe, men hoorde geen geruisch;Zefyrus nu verblies een golfjen met gedruisch,De schepen lagen stil, dat nu Neptunus' gilden[158]Voor 't windelooze weêr een zeil uitspannen wilden,'t Gespan van mijne koets den breidel gaf gehoor,En telden, zoo het scheen, hun stappen op het spoor,Als op het onverzienst het meer bestond te bruischen,Dat geene kielen zich naar 't roer en lieten kruisen[159],De sture Boreas begon fluks uit de zee't Grijsschuimig baargebergt' te brengen op de ree,De hemel werd bekleed met droeve duist're wolken,En 't voorhoofd van de lucht omstort met zwarte kolken;Een donker nachtzeil blind beschaduwde den dag,Dat 't licht alzins verdween; of, zoo men schijnsel zag,Was 't bliksem-wederlicht, dat met een slinksch[160]geflikkerJupijn van boven wierp, met eiselijk[161]geklikker,De donder dreunde met een dommelig geklak,Dat Sirt, klip, rots, en strand Neptunus' gramschap brak,Die met zijn gaffel[162]scheen den hemel te beklemmen,En weder 't firmament in 't Roode diep te zwemmen;De Tritons trompten[163]op hun groote waterschulp,Dat ieder Palinuur[164]de Goden riep om hulp,De schepen stegen op genade naar de polenEn hadden 't wijscompas en 't roer den wind bevolen.De paarden zagen nu ook d' onweêrs stormen leep[165],De voerman hoefde toom noch breidel, noch de zweep,Zij vlogen even dol een langdurige wijle,Als uit een Schytschen boog de onbedwongen pijle;Veel snelder als de wind, veel sneller als de stroomSchoof op vier raders de beslagen disselboom;Hot, hot, al breideloos de wagen henen glipte,Ontziende noch de kroon, noch scepter van Egypte:Wat 's konings koetser[166]ook gebaarde[167]of luide riep,De redelooze vlucht al even zwijmig liep,Nu bin[168]nu buiten spoor, al zonder weg te peilen[169];Geen schip ons volgen mocht met opgeblazen zeilen.Dus stoof de voortocht vast, als eene watervlietDie van 't gebergte valt, tot daar men Faros zietWeêrhoudeloos verbaasd in hunnen loop, ten vollenGelijk men eenen steen ziet van de klippen rollen:Hoe 't grondelooze diep meer zand en water spoog,Hoe heftiger verschrikt elk ros om 't zeerste vloog,Tot door het storm geblaas een krokodille strandden[170],De grootste, die hier ooit gezien mogt zijn te landen,Dicht aan den boord des strands, in't minst van driemaal vijfKubieten[171], oversterk gewapend op het lijfMet dubbel schelpen hart, 't hoofd zeldzaam om te aanschouwen,Zoo eiselijk en groot dat het elk dede grouwen,Scherptandig in den mond: zoo haast onz' jacht vernamDit zeldzaam monster, 't welk heel heftig naar hen kwam,Zij hunnen loop op nieuw verdubbelden[172]vervolgen,De koetse mocht gezwind haar op het snelste volgen,Als 't koppel honden heet het hert volgt op den hiel,Tot dat een holligheid den wagen wederhiel,Waar door zij uit 't gespan van hun gareelen raakten,En krak, krak! tot tweemaal, de groote wagen kraakte,Die eindelijk verzwakt niet wederhouden mocht,Met mij stak op het strand de beenen in de locht!Hier lag de dissel, ginds het speek, en daar de raden,Tot ik mij 's morregens van Morfeus vond verraden.De droom beduidt wat vreemds (hoe wel hij somtijds liegt,En met zijn Iden[173]als een schaduwe vervliegt);Want onlangs zijn gezien de dreigende komeeten,Verscheiden beeldsels ook van bloedige planeeten,En, tot drie nachten toe, een geestelijk gespookIs voor mijn slaaps gezicht verswenen[174]als de rook:De pyramiden van de koninklijke gravenDriemalen zijn beweegd; een vlucht van zwarte raven't Meer opgeworpen heeft, grafvogels, die graf, graf!Egypte dreigen gruw met de een' of de ander' straf;De grootste zerken van de tomben zijn gereten,En 't nare kerkhof heeft doodsbeenders opgesmeten,Isidis[175]heilig beeld, tot voorspel van ons leed,Heeft eenen regen vocht van bloedig zweet gezweet[176],Osiris naar den Nijl heeft zich gekeerd verbolgen!Ontwijfelijk hierna moet d' een of d' ander[177]volgen:Gij zienders! mij den grond van deze zaak verklaart.TIFUS.De koning zij hier in bekommerd noch bezwaard.SERAX.De droom rijst uit een hart beslommerd met veel zorgen.FARAO.Hij rijz' waar uit hij wil, wat is er in verborgen?TIFUS.Gansch niet[178], grootmogend vorst!FARAO.Nochtans de droom bediedtEn wijst op 't geen daar na gemeenelijk geschiedt.TIFUS.Pilaar van 't grootste rijk, de droomen zijn verscheiden,En eensdeels anders niet dan ijdelheid verbreiden;Ten anderen profeetsch voorloopers, diens[179]gebaarDe komst boodschappen van de zuivre waarheid klaar;Ten derden, twijfelijk en donker in 't aanschouwen,Daar niemand, dan die wil, 't geloove op hoeft te bouwen:Nu, 't beeld van 's konings droom, ten aanzien ongewis,Van ijl en twijfel t' zaam in een versmolten is,Zoodat er niet en waar iets zekers uit te ramen.SERAX.Belangende 't gespook met dees voorteekens t' zamen,Ten deele schijnt het wel tot kwaad te zijn geneigd,En acht[180]wij werden[181]van de Goden dus gedreigd,Omdat wij zuimig[182]zijn, en werden[181]langs[183]hoe slofferIn 't heilige gesmook en dienst van onzen offer,Om de andre Goden straf t' ontslaan[184]en maken kwijtOp den altaren, die den priesters toegewijd,Bevolen zijn van ouds; de koning tot een teeken,Van boet, hun heilig doe het offervuur ontsteken,Opdat de Hemel (die ons dreigen[185]schijnt met wee)Zijn staal mog wederom bekleeden metter scheê,En de offeranden als een zoeten reuk ontvange,Wegnemende de straf, die toornig schijnt te hangenOns allen boven 't hoofd: dat ook de koning weêr[186]Den Godsdienst, die allengs vervallen meer en meerIs in het gansche Rijk, op nieuw mocht wederbaren[187],Geheel op 't oud gebruik van over vele jaren;Dat ook des Heiligdoms hoogtijd bij ieder mochtDevotig zijn gevierd, en alles wederbrocht[188]Werd op den ouden voet—MOZES en AARON tot FARAO.MOZES.Groot koning van de strandenDes Nijls! de Koning, die den scepter voert in handenVan hemel, aarde, en zee, die uwen glans verdooft,Der koningen Monarch, en aller prinsen Hoofd,Heeft ons gezonden hier.FARAO.Wiens scepter of wiens kroon isOntzienelijker[189]als den rijksstaf Faraonis?MOZES.'t Onsterflijk Wezen zelf, de Heere Zebaoth.FARAO.Wie kent er nevens mij een grooter Heer of God?Breidt zich mijn heerlijkheid niet uit aan alle kanten?AARON.Van een almachtig Heer wij beide zijn gezanten,Van God, die zijnen troon op 's Hemels vout[190]pilaart.FARAO.Regeert hij in de lucht, ik heersch hier op der aard.AARON.Hij is, die 's Hemels loop stiert op de hooge polen.FARAO.Ik denk, gelijk de Nijl omdraait de watermolen.AARON.Hij is de Dondergod en 't bliksemende licht.FARAO.De donder is mijn stem, de bliksem mijn gezicht.AARON.Zijn Godd'lijk woord beweegt de blaauwe firmamenten.FARAO.Het aardrijk schudt en beeft van mijne dreigementen:Wat is 't dat, gij verzoekt? Ziet, wien gij rebelleert!AARON.De God van Abraham op Farao begeert,Dat hij van 't juk ontsla en buiten de limietenEgypti[191]trekken laat de slaafsche Israëlieten,Dat zij hem mogen doen een offerande, vrijVan 't heidensche gezicht, die hem behaaglijk zij;Daar Horeb 't voorhoofd bergt ten hemel in de wolken;—Dus oorlooft[192]nu 't vertrek aan al d' Hebreeuwsche volken.FARAO.Genade, o Jupiter[193]! Wie zijt gij die zoo lichtUw hielen tegen mij den grootsten koning licht?Help Isis en Osir! Ik zweer u bij de sikkelSaturni[194], dat gij 't hoofd zult steken aan den prikkel:Wie is er die zich derf opwerpen tegen mij,Dwingvolk[195], kroondrager van de grootste heerschappij!Ik zweer bij 't hoog tooneel van mijn rechtvaardig leven,Gij hebt uw eigen roê mij in de hand gegeven:Als tegen zijnen heer de slave zich opwerpt,Noodzakelijken moet de roede zijn gescherpt,Het lastig juk verzwaard, de hals hem òverwogen,[196]En zijn hardnekkigheid gebroken en gebogen,De stoute hoogmoed van zijn vleugelen gekort;Hoe 't bedde zachter is, hoe hij veel trager wordt,En hoe men hem meer recht en voordeel zal aanbieden,Hoe hem veel meer te kort zal dunken te geschieden:'t Is weelde, die uw jeugd al lang genoeg verschoont,Best dat men u verdrukt en houdt in de oud' gewoont';De roede is van den neers en eerst in 't vuur gesmeten,Nu 't langer niet en smart, de striemen zijn vergeten;Gelijk de gladde hengst, die op den stal verkoelt,Zijns heeren sporen niet in lange en heeft gevoeld,Noch toom, noch breidels dwang, alreede kwaad om temmenTe noô laat zijnen heer weêr op den zadel klemmen[197],Het steigert en het briescht, van weelden ongezond;Nu schort u ook 't gebit van ijzer in den mond,'t Is best, dat men u weêr deez' ziekte doet uitzweeten,En voor een vette sop[198]geeft slagen voor uw eten:Gaat henen in 't gareel, gaat henen, bouwt en slaaft,Ik wil, dat gij den weg van uw vertrek opgraaft[199].AARON.Wij zijn de boden Gods, dus laat u niet verrukken[200],Hoort gij zijn stemme niet, zijn hand die zal u drukken;Daar ligt de roede tot een teeken opter eerd,Ziet, hoe zij in een slang lichamelijk verkeert,Zij kronkelt en zij kruipt: indien bij u ons sprekenNiet eene pluim[201]en weegt, gelooft ons bij dit teeken,En looft Israëls God, die u 't geloof versterkt,En door dees wonderdaad zoo krachtelijken werkt:Geloofdy[202]'t niet om 't eerst, gelooft dan, met den and'ren,Het tweede, als in rood bloed het water zal verand'ren,De visch versterven zal in der rivieren stank,Die God de Heere slaan zal zeven dagen langk.SERAX.En dynen lieven God, vertoont hij zich zoo brave[203],Om dat hij in een slang verandert uwen stave?Is dit zijn hoogste kunst? Loopt met uw meersche[204], loopt,En uwe kramerij al elders duur verkoopt,Bij ons en geldt ze niet; gaat, gaat, vent ze aan de dwazen!TIFUS.Meent gij den koning zoo in de ooren wat te blazen?Meent gij, dat onze prins zoo lichtlijk is getroost?Wij hebben 't al te dik voor oogen hem gebootst[205]:En of gij schoon in bloed verkeert de vlieten stormig,Wij zullen 't water ook couleuren[206]gelijkvormig.AARON.Gij toovert, ik herschep; gij met den schijn bedriegt,Den schijn, wiens wezen als een schaduwe vervliegt,Uw goochelkunst en is maar forma en figure,En 't mijne lijfelijk verandert van nature:Want gij door Satan werkt, en ik door kracht gewisVan Gods almachtigheid, die niets onmooglijk is:Schort[207]dees hardnekkigheid en wilt zijn stemme hooren,Die weder dezen staf maakt als hij was te voren.FARAO.Waar toe dit lang sermoen? preêkt elders al uw best,En Faraonis eer niet door eens anders kwetst:Gaat, boodschapt den Hebreên: mijn hand is veel geringerVoordezen hun geweest dan nu mijn kleinste vinger.Ik voel, ik voel het juk is hunnen last te licht,Dies ik drie dubbel moet verzwaren hun gewicht:Met schorpioenen wil ik hen voortaan kastijden,En alle roeden 't vuur en uwen God toewijdenTot eenen offerand. De koning is verleid,Die de onderzaten meent tot zich met zoetigheidTe trekken meer en meer, en ziet hij niet te veuren[208],Zij zullen zijn gebied van hunnen halze scheuren,En stellen 't rijk in roer[209], en roepen: "tza, wel aan!Laat ons den zwaren last van 's konings kroon ontslaan,Wat roert of gaan ons aan zijn ingestelde wetten?Een ieder breek de boei en schakel van zijn ketten"[210].MOZES.Verheft uw harte niet, want 's Heeren straffe draVolgt u alreê, gelijk de schaduw 't lichaam, na,Der bergen toppen, die zich in de lucht verheffen,Afgrijselijk men ziet de slinksche[211]bliksems treffen:Heer koning! luistert hoe Gods gramschap wederschalt!Verschuilt, verschuilt u, eer de Hemel op u valt,T'wijl u Gods goedheid noodt; zijn straf komt met vertragenNaar den godd'loozen toe, maar komt met zware slagenOp der tirannen kop: dus uit den grootschen tredUws obstinaatheids wijkt, en van uw stout opzetHaalt fluks de zeilen in! gij moogt[212]hem niet ontslippen:Of gij hem schoon ontvlucht, zoo raakt gij op de klippenVan uwen ondergang; en of gij u verschuilt,In 't allerhelschte[213]diep, in 't donkerste gekuilt,Geen duisternissen, daar zijn oog u niet zal merken,Geen schilden mogen u voor zijnen schicht bevlerken[214],Alzins vindt gij u in de kaken opgesperd[215]Van zijn rechtvaardigheid, en in den strik verwerdVan zijnen grimmen toorn, die altijd na der zielen[216]En na het lichaam u zal treden op de hielenVan uw versteend gemoed: wat baat toch kroon of staf,Als Hij uw kroone breekt, die u den scepter gafMet zijnen sterken arm; dus neemt tot geen verschooningUw troetelende[217]macht, die steeds den hoogsten KoningMoet onderworpen zijn; want Gods almogendheidBelacht, helaas! den trots, die u omhelst en vleitMet een vermomd gelaat.FARAO.Waar toe dees lange rollen?SERAX.Heer koning! laat den zot 't hart met zijn tong uitbollen[218].TIFUS.Wat werpt ons Pluto[219]op?AARON.Volgt tijdelijk den raadDes Heeren, die u met onz' stemme wekken laatUit dezen diepen slaap; ontwaakt, eer u te spadeDe held're Zon begeeft, het licht van zijn genade!FARAO.Help aarde! wonder is 't, dat gij u niet en belgt,En dees trotseerders in uw zwarte keel verzwelgt!—Past[220]fluks het groot gewelf van Memfis' hof te ruimen,Eer 's konings gramschap als een zee begint te schuimen;Hij heeft zijn planten[221]zwaar op 't aardrijk neêr gezet,Verstapt hij, elke tred een koninkrijk verplet:Zoo gij den bliksem zoekt, Jupijn is hier te vinden:Dus wacht u wel den leeuw zijn keten te ontbinden.Schuimboeven van mijn rijk! gaat, boodschapt den HebreeuwDat 't glas verloopen is van zijne gulden eeuw;De laatste ure is lang geslagen aan den wijzer,En in Farao's hof is zijne kerfstok ijzer:Gaat henen, maakt hem kond, wien dat uw fijn verstandDen stok om hem te slaan gaf in zijn rechterhand;Gaat, brengt dees blijde maar aan al de uitheemsche slavenDat lang voor hun vertrek de weg is opgegraven:En is 't dat uwen God niet vast en zit geschroefd,Hij doe zijn boodschap zelf, indien hij iets behoeft.(Binnen.)MOZES.Zijn hart is onbeweegd veel grooter[222]dan de rotsen.AARON.Wie dorst den Hemel toch ooit obstinater trotsen?MOZES.'t Hart ligt hem veel te hoog geschoten in den krop.AARON.Hij werpt den steen, die hem zal vallen op den kop.MOZES.Hij heeft God opgewekt met zijn grootmoedig[223]baffen.AARON.Tsa! gaan wij, want door ons zal hem de Heere straffen.Binnen.KOOR.Steenen Farao! wilt zwichten,Want zijn schichtenHaalt de Hemel uit den tros[224]:Pyramiden! wacht uw spitsenVoor zijn flitsen:O, daar gaan zijn pijlen los!Nylus schreit nu, al bedolvenIn zijn golven,Om de vis, die in zijn kruikSterft, om dat de waterbarenAldus varenBloedig over zijn parruik[225].Vorschen, luizen, wormen krielen,Waar zijn hielenDen Egyptenaar verzet:Heptanomis[226]groot gewesteOok met pesteDoodelijken is besmet.'t Vluchtig vogeltjen, met ijlen,Van haar pijlenOnverziens werd achterhaald,Dat zijn vleugels aan de sterrenUit ging sperren,In de baren nederdaalt.'t Lokkig schaapjen sterft in 't bleiten,En de geitenVallen voor den herderstok;Waar de bouwer ploegt al wakker,Ziet hij 't akker-Vee begraven onder 't jok.Nu drukt hun de hand des HeerenWeêr met zeeren,Met onreinig puist gedoornt[227],Menschen ende beesten woelen,En bevoelen's Hemels grimmigheid vertoornd.Nu drukt hun den æther vierig,Al wraakgierig,Met zijn kromme bliksems rood;Nu laat hij Egypte vallenVan kristallenEen diluvie[228]in den schoot.Nu zoo dreigt hij hun afgrijzig,Met een ijzig[229]Donders dommelig geklak;Nu jaagt God met hagels ronden,Om hun zonden,Al d' Egypt'naars onder 't dak.De Eik en schijnet nu de elzenNiet t' omhelzen,De Aarde, droef en onbesproed[230],Mist haar ranken en haar noppen,Mist haar knoppen,En haar groen geschilderd kleed.Nu beschaduwt hij hun banenMet sprinkhanen,Die voorts rooven t' eenegaâr[231]Al de vruchten, die zij zaaidenEn afmaaiden,In den schoot van 't ronde jaar.Nu houdt Febus[232]zich gescholenIn de polen,En vertrekt[233]zijn blonde hoofd;'t Licht van zijnen gulden wagenHij drie dagenHunnen horizon berooft.Noch blijft deze koning trotse,Als een rotse,Die geen golven en ontziet,Als een klippe die gedurigKlieft azurig't Schuimsel van Neptunus' spriet.Want God in zijn stoutheid kriegel,Tot elks spiegel,Heeft verstokt zijn steenig hart;Niet, om met een welbehagenHem te jagenIn 's doods strikken al verward;Maar om straffen zijn voorledenGodd'loosheden,En om Israël bekwaamStof te geven, om te zingenZonderlingenDe Eer van zijnen heil'gen naam.

FARAO de koning, TIFUS en SERAX, droombedieders en toovenaars,

FARAO de koning, TIFUS en SERAX, droombedieders en toovenaars,

FARAO.

FARAO.

De laatst geleden nacht (wat hoef ik mij te veinzen?)Heeft mij belemmerd zwaar met velerlei gepeinzen,Gelijk de groote kroon gemeenelijk aankleeftDe zorg, die altijd met veel zorgen om ons zweeft,De zorg, die 's konings hoofd met haren zwerm verduizelt[152],En met een sterk geblaas steeds in zijn ooren suizelt.Wanneer de schaduw valt, en dat het sterflijk dal's Nachts vleugelen bespreidt, zoo slaapt den grooten al.[153]De zon in Thetis' schoot, 't gedierte met vermakken[154]In zijne holen rust, 't gevogelt' in de takkenZijn vlerken hangen laat: maar 's konings majesteitToch nimmer rust omhelst, of zoo hij werd verleidDoor eene zachten slaap, en d' oogen komt te sluiten,Zoo waakt zijn zorge nog, en sluit zijn ruste buiten;Als hij in 't bedde zwemt in Lethe's stillen stroom,Zijn zorgen werden ijl[155]verkeerd in eenen droom.Mij dacht in mijnen slaap, ik op den grooten wagenWerd langs het RoodeMeers schuimachtig strand gedragen,In volle wapening en rusting t' eenemaal,Gelijk wanneer de Moor ontziet[156]mijn bloedig staal.De hemel was gevaagd[157]blaauw, helder, en azurig,En Febus zag in zee zijn spiegelstralen vurig,Het weder loech elk toe, men hoorde geen geruisch;Zefyrus nu verblies een golfjen met gedruisch,De schepen lagen stil, dat nu Neptunus' gilden[158]Voor 't windelooze weêr een zeil uitspannen wilden,'t Gespan van mijne koets den breidel gaf gehoor,En telden, zoo het scheen, hun stappen op het spoor,Als op het onverzienst het meer bestond te bruischen,Dat geene kielen zich naar 't roer en lieten kruisen[159],De sture Boreas begon fluks uit de zee't Grijsschuimig baargebergt' te brengen op de ree,De hemel werd bekleed met droeve duist're wolken,En 't voorhoofd van de lucht omstort met zwarte kolken;Een donker nachtzeil blind beschaduwde den dag,Dat 't licht alzins verdween; of, zoo men schijnsel zag,Was 't bliksem-wederlicht, dat met een slinksch[160]geflikkerJupijn van boven wierp, met eiselijk[161]geklikker,De donder dreunde met een dommelig geklak,Dat Sirt, klip, rots, en strand Neptunus' gramschap brak,Die met zijn gaffel[162]scheen den hemel te beklemmen,En weder 't firmament in 't Roode diep te zwemmen;De Tritons trompten[163]op hun groote waterschulp,Dat ieder Palinuur[164]de Goden riep om hulp,De schepen stegen op genade naar de polenEn hadden 't wijscompas en 't roer den wind bevolen.De paarden zagen nu ook d' onweêrs stormen leep[165],De voerman hoefde toom noch breidel, noch de zweep,Zij vlogen even dol een langdurige wijle,Als uit een Schytschen boog de onbedwongen pijle;Veel snelder als de wind, veel sneller als de stroomSchoof op vier raders de beslagen disselboom;Hot, hot, al breideloos de wagen henen glipte,Ontziende noch de kroon, noch scepter van Egypte:Wat 's konings koetser[166]ook gebaarde[167]of luide riep,De redelooze vlucht al even zwijmig liep,Nu bin[168]nu buiten spoor, al zonder weg te peilen[169];Geen schip ons volgen mocht met opgeblazen zeilen.Dus stoof de voortocht vast, als eene watervlietDie van 't gebergte valt, tot daar men Faros zietWeêrhoudeloos verbaasd in hunnen loop, ten vollenGelijk men eenen steen ziet van de klippen rollen:Hoe 't grondelooze diep meer zand en water spoog,Hoe heftiger verschrikt elk ros om 't zeerste vloog,Tot door het storm geblaas een krokodille strandden[170],De grootste, die hier ooit gezien mogt zijn te landen,Dicht aan den boord des strands, in't minst van driemaal vijfKubieten[171], oversterk gewapend op het lijfMet dubbel schelpen hart, 't hoofd zeldzaam om te aanschouwen,Zoo eiselijk en groot dat het elk dede grouwen,Scherptandig in den mond: zoo haast onz' jacht vernamDit zeldzaam monster, 't welk heel heftig naar hen kwam,Zij hunnen loop op nieuw verdubbelden[172]vervolgen,De koetse mocht gezwind haar op het snelste volgen,Als 't koppel honden heet het hert volgt op den hiel,Tot dat een holligheid den wagen wederhiel,Waar door zij uit 't gespan van hun gareelen raakten,En krak, krak! tot tweemaal, de groote wagen kraakte,Die eindelijk verzwakt niet wederhouden mocht,Met mij stak op het strand de beenen in de locht!Hier lag de dissel, ginds het speek, en daar de raden,Tot ik mij 's morregens van Morfeus vond verraden.De droom beduidt wat vreemds (hoe wel hij somtijds liegt,En met zijn Iden[173]als een schaduwe vervliegt);Want onlangs zijn gezien de dreigende komeeten,Verscheiden beeldsels ook van bloedige planeeten,En, tot drie nachten toe, een geestelijk gespookIs voor mijn slaaps gezicht verswenen[174]als de rook:De pyramiden van de koninklijke gravenDriemalen zijn beweegd; een vlucht van zwarte raven't Meer opgeworpen heeft, grafvogels, die graf, graf!Egypte dreigen gruw met de een' of de ander' straf;De grootste zerken van de tomben zijn gereten,En 't nare kerkhof heeft doodsbeenders opgesmeten,Isidis[175]heilig beeld, tot voorspel van ons leed,Heeft eenen regen vocht van bloedig zweet gezweet[176],Osiris naar den Nijl heeft zich gekeerd verbolgen!Ontwijfelijk hierna moet d' een of d' ander[177]volgen:Gij zienders! mij den grond van deze zaak verklaart.

De laatst geleden nacht (wat hoef ik mij te veinzen?)

Heeft mij belemmerd zwaar met velerlei gepeinzen,

Gelijk de groote kroon gemeenelijk aankleeft

De zorg, die altijd met veel zorgen om ons zweeft,

De zorg, die 's konings hoofd met haren zwerm verduizelt[152],

En met een sterk geblaas steeds in zijn ooren suizelt.

Wanneer de schaduw valt, en dat het sterflijk dal

's Nachts vleugelen bespreidt, zoo slaapt den grooten al.[153]

De zon in Thetis' schoot, 't gedierte met vermakken[154]

In zijne holen rust, 't gevogelt' in de takken

Zijn vlerken hangen laat: maar 's konings majesteit

Toch nimmer rust omhelst, of zoo hij werd verleid

Door eene zachten slaap, en d' oogen komt te sluiten,

Zoo waakt zijn zorge nog, en sluit zijn ruste buiten;

Als hij in 't bedde zwemt in Lethe's stillen stroom,

Zijn zorgen werden ijl[155]verkeerd in eenen droom.

Mij dacht in mijnen slaap, ik op den grooten wagen

Werd langs het RoodeMeers schuimachtig strand gedragen,

In volle wapening en rusting t' eenemaal,

Gelijk wanneer de Moor ontziet[156]mijn bloedig staal.

De hemel was gevaagd[157]blaauw, helder, en azurig,

En Febus zag in zee zijn spiegelstralen vurig,

Het weder loech elk toe, men hoorde geen geruisch;

Zefyrus nu verblies een golfjen met gedruisch,

De schepen lagen stil, dat nu Neptunus' gilden[158]

Voor 't windelooze weêr een zeil uitspannen wilden,

't Gespan van mijne koets den breidel gaf gehoor,

En telden, zoo het scheen, hun stappen op het spoor,

Als op het onverzienst het meer bestond te bruischen,

Dat geene kielen zich naar 't roer en lieten kruisen[159],

De sture Boreas begon fluks uit de zee

't Grijsschuimig baargebergt' te brengen op de ree,

De hemel werd bekleed met droeve duist're wolken,

En 't voorhoofd van de lucht omstort met zwarte kolken;

Een donker nachtzeil blind beschaduwde den dag,

Dat 't licht alzins verdween; of, zoo men schijnsel zag,

Was 't bliksem-wederlicht, dat met een slinksch[160]geflikker

Jupijn van boven wierp, met eiselijk[161]geklikker,

De donder dreunde met een dommelig geklak,

Dat Sirt, klip, rots, en strand Neptunus' gramschap brak,

Die met zijn gaffel[162]scheen den hemel te beklemmen,

En weder 't firmament in 't Roode diep te zwemmen;

De Tritons trompten[163]op hun groote waterschulp,

Dat ieder Palinuur[164]de Goden riep om hulp,

De schepen stegen op genade naar de polen

En hadden 't wijscompas en 't roer den wind bevolen.

De paarden zagen nu ook d' onweêrs stormen leep[165],

De voerman hoefde toom noch breidel, noch de zweep,

Zij vlogen even dol een langdurige wijle,

Als uit een Schytschen boog de onbedwongen pijle;

Veel snelder als de wind, veel sneller als de stroom

Schoof op vier raders de beslagen disselboom;

Hot, hot, al breideloos de wagen henen glipte,

Ontziende noch de kroon, noch scepter van Egypte:

Wat 's konings koetser[166]ook gebaarde[167]of luide riep,

De redelooze vlucht al even zwijmig liep,

Nu bin[168]nu buiten spoor, al zonder weg te peilen[169];

Geen schip ons volgen mocht met opgeblazen zeilen.

Dus stoof de voortocht vast, als eene watervliet

Die van 't gebergte valt, tot daar men Faros ziet

Weêrhoudeloos verbaasd in hunnen loop, ten vollen

Gelijk men eenen steen ziet van de klippen rollen:

Hoe 't grondelooze diep meer zand en water spoog,

Hoe heftiger verschrikt elk ros om 't zeerste vloog,

Tot door het storm geblaas een krokodille strandden[170],

De grootste, die hier ooit gezien mogt zijn te landen,

Dicht aan den boord des strands, in't minst van driemaal vijf

Kubieten[171], oversterk gewapend op het lijf

Met dubbel schelpen hart, 't hoofd zeldzaam om te aanschouwen,

Zoo eiselijk en groot dat het elk dede grouwen,

Scherptandig in den mond: zoo haast onz' jacht vernam

Dit zeldzaam monster, 't welk heel heftig naar hen kwam,

Zij hunnen loop op nieuw verdubbelden[172]vervolgen,

De koetse mocht gezwind haar op het snelste volgen,

Als 't koppel honden heet het hert volgt op den hiel,

Tot dat een holligheid den wagen wederhiel,

Waar door zij uit 't gespan van hun gareelen raakten,

En krak, krak! tot tweemaal, de groote wagen kraakte,

Die eindelijk verzwakt niet wederhouden mocht,

Met mij stak op het strand de beenen in de locht!

Hier lag de dissel, ginds het speek, en daar de raden,

Tot ik mij 's morregens van Morfeus vond verraden.

De droom beduidt wat vreemds (hoe wel hij somtijds liegt,

En met zijn Iden[173]als een schaduwe vervliegt);

Want onlangs zijn gezien de dreigende komeeten,

Verscheiden beeldsels ook van bloedige planeeten,

En, tot drie nachten toe, een geestelijk gespook

Is voor mijn slaaps gezicht verswenen[174]als de rook:

De pyramiden van de koninklijke graven

Driemalen zijn beweegd; een vlucht van zwarte raven

't Meer opgeworpen heeft, grafvogels, die graf, graf!

Egypte dreigen gruw met de een' of de ander' straf;

De grootste zerken van de tomben zijn gereten,

En 't nare kerkhof heeft doodsbeenders opgesmeten,

Isidis[175]heilig beeld, tot voorspel van ons leed,

Heeft eenen regen vocht van bloedig zweet gezweet[176],

Osiris naar den Nijl heeft zich gekeerd verbolgen!

Ontwijfelijk hierna moet d' een of d' ander[177]volgen:

Gij zienders! mij den grond van deze zaak verklaart.

TIFUS.

TIFUS.

De koning zij hier in bekommerd noch bezwaard.

De koning zij hier in bekommerd noch bezwaard.

SERAX.

SERAX.

De droom rijst uit een hart beslommerd met veel zorgen.

De droom rijst uit een hart beslommerd met veel zorgen.

FARAO.

FARAO.

Hij rijz' waar uit hij wil, wat is er in verborgen?

Hij rijz' waar uit hij wil, wat is er in verborgen?

TIFUS.

TIFUS.

Gansch niet[178], grootmogend vorst!

Gansch niet[178], grootmogend vorst!

FARAO.

FARAO.

Nochtans de droom bediedtEn wijst op 't geen daar na gemeenelijk geschiedt.

Nochtans de droom bediedt

En wijst op 't geen daar na gemeenelijk geschiedt.

TIFUS.

TIFUS.

Pilaar van 't grootste rijk, de droomen zijn verscheiden,En eensdeels anders niet dan ijdelheid verbreiden;Ten anderen profeetsch voorloopers, diens[179]gebaarDe komst boodschappen van de zuivre waarheid klaar;Ten derden, twijfelijk en donker in 't aanschouwen,Daar niemand, dan die wil, 't geloove op hoeft te bouwen:Nu, 't beeld van 's konings droom, ten aanzien ongewis,Van ijl en twijfel t' zaam in een versmolten is,Zoodat er niet en waar iets zekers uit te ramen.

Pilaar van 't grootste rijk, de droomen zijn verscheiden,

En eensdeels anders niet dan ijdelheid verbreiden;

Ten anderen profeetsch voorloopers, diens[179]gebaar

De komst boodschappen van de zuivre waarheid klaar;

Ten derden, twijfelijk en donker in 't aanschouwen,

Daar niemand, dan die wil, 't geloove op hoeft te bouwen:

Nu, 't beeld van 's konings droom, ten aanzien ongewis,

Van ijl en twijfel t' zaam in een versmolten is,

Zoodat er niet en waar iets zekers uit te ramen.

SERAX.

SERAX.

Belangende 't gespook met dees voorteekens t' zamen,Ten deele schijnt het wel tot kwaad te zijn geneigd,En acht[180]wij werden[181]van de Goden dus gedreigd,Omdat wij zuimig[182]zijn, en werden[181]langs[183]hoe slofferIn 't heilige gesmook en dienst van onzen offer,Om de andre Goden straf t' ontslaan[184]en maken kwijtOp den altaren, die den priesters toegewijd,Bevolen zijn van ouds; de koning tot een teeken,Van boet, hun heilig doe het offervuur ontsteken,Opdat de Hemel (die ons dreigen[185]schijnt met wee)Zijn staal mog wederom bekleeden metter scheê,En de offeranden als een zoeten reuk ontvange,Wegnemende de straf, die toornig schijnt te hangenOns allen boven 't hoofd: dat ook de koning weêr[186]Den Godsdienst, die allengs vervallen meer en meerIs in het gansche Rijk, op nieuw mocht wederbaren[187],Geheel op 't oud gebruik van over vele jaren;Dat ook des Heiligdoms hoogtijd bij ieder mochtDevotig zijn gevierd, en alles wederbrocht[188]Werd op den ouden voet—

Belangende 't gespook met dees voorteekens t' zamen,

Ten deele schijnt het wel tot kwaad te zijn geneigd,

En acht[180]wij werden[181]van de Goden dus gedreigd,

Omdat wij zuimig[182]zijn, en werden[181]langs[183]hoe sloffer

In 't heilige gesmook en dienst van onzen offer,

Om de andre Goden straf t' ontslaan[184]en maken kwijt

Op den altaren, die den priesters toegewijd,

Bevolen zijn van ouds; de koning tot een teeken,

Van boet, hun heilig doe het offervuur ontsteken,

Opdat de Hemel (die ons dreigen[185]schijnt met wee)

Zijn staal mog wederom bekleeden metter scheê,

En de offeranden als een zoeten reuk ontvange,

Wegnemende de straf, die toornig schijnt te hangen

Ons allen boven 't hoofd: dat ook de koning weêr[186]

Den Godsdienst, die allengs vervallen meer en meer

Is in het gansche Rijk, op nieuw mocht wederbaren[187],

Geheel op 't oud gebruik van over vele jaren;

Dat ook des Heiligdoms hoogtijd bij ieder mocht

Devotig zijn gevierd, en alles wederbrocht[188]

Werd op den ouden voet—

MOZES en AARON tot FARAO.

MOZES en AARON tot FARAO.

MOZES.

MOZES.

Groot koning van de strandenDes Nijls! de Koning, die den scepter voert in handenVan hemel, aarde, en zee, die uwen glans verdooft,Der koningen Monarch, en aller prinsen Hoofd,Heeft ons gezonden hier.

Groot koning van de stranden

Des Nijls! de Koning, die den scepter voert in handen

Van hemel, aarde, en zee, die uwen glans verdooft,

Der koningen Monarch, en aller prinsen Hoofd,

Heeft ons gezonden hier.

FARAO.

FARAO.

Wiens scepter of wiens kroon isOntzienelijker[189]als den rijksstaf Faraonis?

Wiens scepter of wiens kroon is

Ontzienelijker[189]als den rijksstaf Faraonis?

MOZES.

MOZES.

't Onsterflijk Wezen zelf, de Heere Zebaoth.

't Onsterflijk Wezen zelf, de Heere Zebaoth.

FARAO.

FARAO.

Wie kent er nevens mij een grooter Heer of God?Breidt zich mijn heerlijkheid niet uit aan alle kanten?

Wie kent er nevens mij een grooter Heer of God?

Breidt zich mijn heerlijkheid niet uit aan alle kanten?

AARON.

AARON.

Van een almachtig Heer wij beide zijn gezanten,Van God, die zijnen troon op 's Hemels vout[190]pilaart.

Van een almachtig Heer wij beide zijn gezanten,

Van God, die zijnen troon op 's Hemels vout[190]pilaart.

FARAO.

FARAO.

Regeert hij in de lucht, ik heersch hier op der aard.

Regeert hij in de lucht, ik heersch hier op der aard.

AARON.

AARON.

Hij is, die 's Hemels loop stiert op de hooge polen.

Hij is, die 's Hemels loop stiert op de hooge polen.

FARAO.

FARAO.

Ik denk, gelijk de Nijl omdraait de watermolen.

Ik denk, gelijk de Nijl omdraait de watermolen.

AARON.

AARON.

Hij is de Dondergod en 't bliksemende licht.

Hij is de Dondergod en 't bliksemende licht.

FARAO.

FARAO.

De donder is mijn stem, de bliksem mijn gezicht.

De donder is mijn stem, de bliksem mijn gezicht.

AARON.

AARON.

Zijn Godd'lijk woord beweegt de blaauwe firmamenten.

Zijn Godd'lijk woord beweegt de blaauwe firmamenten.

FARAO.

FARAO.

Het aardrijk schudt en beeft van mijne dreigementen:Wat is 't dat, gij verzoekt? Ziet, wien gij rebelleert!

Het aardrijk schudt en beeft van mijne dreigementen:

Wat is 't dat, gij verzoekt? Ziet, wien gij rebelleert!

AARON.

AARON.

De God van Abraham op Farao begeert,Dat hij van 't juk ontsla en buiten de limietenEgypti[191]trekken laat de slaafsche Israëlieten,Dat zij hem mogen doen een offerande, vrijVan 't heidensche gezicht, die hem behaaglijk zij;Daar Horeb 't voorhoofd bergt ten hemel in de wolken;—Dus oorlooft[192]nu 't vertrek aan al d' Hebreeuwsche volken.

De God van Abraham op Farao begeert,

Dat hij van 't juk ontsla en buiten de limieten

Egypti[191]trekken laat de slaafsche Israëlieten,

Dat zij hem mogen doen een offerande, vrij

Van 't heidensche gezicht, die hem behaaglijk zij;

Daar Horeb 't voorhoofd bergt ten hemel in de wolken;—

Dus oorlooft[192]nu 't vertrek aan al d' Hebreeuwsche volken.

FARAO.

FARAO.

Genade, o Jupiter[193]! Wie zijt gij die zoo lichtUw hielen tegen mij den grootsten koning licht?Help Isis en Osir! Ik zweer u bij de sikkelSaturni[194], dat gij 't hoofd zult steken aan den prikkel:Wie is er die zich derf opwerpen tegen mij,Dwingvolk[195], kroondrager van de grootste heerschappij!Ik zweer bij 't hoog tooneel van mijn rechtvaardig leven,Gij hebt uw eigen roê mij in de hand gegeven:Als tegen zijnen heer de slave zich opwerpt,Noodzakelijken moet de roede zijn gescherpt,Het lastig juk verzwaard, de hals hem òverwogen,[196]En zijn hardnekkigheid gebroken en gebogen,De stoute hoogmoed van zijn vleugelen gekort;Hoe 't bedde zachter is, hoe hij veel trager wordt,En hoe men hem meer recht en voordeel zal aanbieden,Hoe hem veel meer te kort zal dunken te geschieden:'t Is weelde, die uw jeugd al lang genoeg verschoont,Best dat men u verdrukt en houdt in de oud' gewoont';De roede is van den neers en eerst in 't vuur gesmeten,Nu 't langer niet en smart, de striemen zijn vergeten;Gelijk de gladde hengst, die op den stal verkoelt,Zijns heeren sporen niet in lange en heeft gevoeld,Noch toom, noch breidels dwang, alreede kwaad om temmenTe noô laat zijnen heer weêr op den zadel klemmen[197],Het steigert en het briescht, van weelden ongezond;Nu schort u ook 't gebit van ijzer in den mond,'t Is best, dat men u weêr deez' ziekte doet uitzweeten,En voor een vette sop[198]geeft slagen voor uw eten:Gaat henen in 't gareel, gaat henen, bouwt en slaaft,Ik wil, dat gij den weg van uw vertrek opgraaft[199].

Genade, o Jupiter[193]! Wie zijt gij die zoo licht

Uw hielen tegen mij den grootsten koning licht?

Help Isis en Osir! Ik zweer u bij de sikkel

Saturni[194], dat gij 't hoofd zult steken aan den prikkel:

Wie is er die zich derf opwerpen tegen mij,

Dwingvolk[195], kroondrager van de grootste heerschappij!

Ik zweer bij 't hoog tooneel van mijn rechtvaardig leven,

Gij hebt uw eigen roê mij in de hand gegeven:

Als tegen zijnen heer de slave zich opwerpt,

Noodzakelijken moet de roede zijn gescherpt,

Het lastig juk verzwaard, de hals hem òverwogen,[196]

En zijn hardnekkigheid gebroken en gebogen,

De stoute hoogmoed van zijn vleugelen gekort;

Hoe 't bedde zachter is, hoe hij veel trager wordt,

En hoe men hem meer recht en voordeel zal aanbieden,

Hoe hem veel meer te kort zal dunken te geschieden:

't Is weelde, die uw jeugd al lang genoeg verschoont,

Best dat men u verdrukt en houdt in de oud' gewoont';

De roede is van den neers en eerst in 't vuur gesmeten,

Nu 't langer niet en smart, de striemen zijn vergeten;

Gelijk de gladde hengst, die op den stal verkoelt,

Zijns heeren sporen niet in lange en heeft gevoeld,

Noch toom, noch breidels dwang, alreede kwaad om temmen

Te noô laat zijnen heer weêr op den zadel klemmen[197],

Het steigert en het briescht, van weelden ongezond;

Nu schort u ook 't gebit van ijzer in den mond,

't Is best, dat men u weêr deez' ziekte doet uitzweeten,

En voor een vette sop[198]geeft slagen voor uw eten:

Gaat henen in 't gareel, gaat henen, bouwt en slaaft,

Ik wil, dat gij den weg van uw vertrek opgraaft[199].

AARON.

AARON.

Wij zijn de boden Gods, dus laat u niet verrukken[200],Hoort gij zijn stemme niet, zijn hand die zal u drukken;Daar ligt de roede tot een teeken opter eerd,Ziet, hoe zij in een slang lichamelijk verkeert,Zij kronkelt en zij kruipt: indien bij u ons sprekenNiet eene pluim[201]en weegt, gelooft ons bij dit teeken,En looft Israëls God, die u 't geloof versterkt,En door dees wonderdaad zoo krachtelijken werkt:Geloofdy[202]'t niet om 't eerst, gelooft dan, met den and'ren,Het tweede, als in rood bloed het water zal verand'ren,De visch versterven zal in der rivieren stank,Die God de Heere slaan zal zeven dagen langk.

Wij zijn de boden Gods, dus laat u niet verrukken[200],

Hoort gij zijn stemme niet, zijn hand die zal u drukken;

Daar ligt de roede tot een teeken opter eerd,

Ziet, hoe zij in een slang lichamelijk verkeert,

Zij kronkelt en zij kruipt: indien bij u ons spreken

Niet eene pluim[201]en weegt, gelooft ons bij dit teeken,

En looft Israëls God, die u 't geloof versterkt,

En door dees wonderdaad zoo krachtelijken werkt:

Geloofdy[202]'t niet om 't eerst, gelooft dan, met den and'ren,

Het tweede, als in rood bloed het water zal verand'ren,

De visch versterven zal in der rivieren stank,

Die God de Heere slaan zal zeven dagen langk.

SERAX.

SERAX.

En dynen lieven God, vertoont hij zich zoo brave[203],Om dat hij in een slang verandert uwen stave?Is dit zijn hoogste kunst? Loopt met uw meersche[204], loopt,En uwe kramerij al elders duur verkoopt,Bij ons en geldt ze niet; gaat, gaat, vent ze aan de dwazen!

En dynen lieven God, vertoont hij zich zoo brave[203],

Om dat hij in een slang verandert uwen stave?

Is dit zijn hoogste kunst? Loopt met uw meersche[204], loopt,

En uwe kramerij al elders duur verkoopt,

Bij ons en geldt ze niet; gaat, gaat, vent ze aan de dwazen!

TIFUS.

TIFUS.

Meent gij den koning zoo in de ooren wat te blazen?Meent gij, dat onze prins zoo lichtlijk is getroost?Wij hebben 't al te dik voor oogen hem gebootst[205]:En of gij schoon in bloed verkeert de vlieten stormig,Wij zullen 't water ook couleuren[206]gelijkvormig.

Meent gij den koning zoo in de ooren wat te blazen?

Meent gij, dat onze prins zoo lichtlijk is getroost?

Wij hebben 't al te dik voor oogen hem gebootst[205]:

En of gij schoon in bloed verkeert de vlieten stormig,

Wij zullen 't water ook couleuren[206]gelijkvormig.

AARON.

AARON.

Gij toovert, ik herschep; gij met den schijn bedriegt,Den schijn, wiens wezen als een schaduwe vervliegt,Uw goochelkunst en is maar forma en figure,En 't mijne lijfelijk verandert van nature:Want gij door Satan werkt, en ik door kracht gewisVan Gods almachtigheid, die niets onmooglijk is:Schort[207]dees hardnekkigheid en wilt zijn stemme hooren,Die weder dezen staf maakt als hij was te voren.

Gij toovert, ik herschep; gij met den schijn bedriegt,

Den schijn, wiens wezen als een schaduwe vervliegt,

Uw goochelkunst en is maar forma en figure,

En 't mijne lijfelijk verandert van nature:

Want gij door Satan werkt, en ik door kracht gewis

Van Gods almachtigheid, die niets onmooglijk is:

Schort[207]dees hardnekkigheid en wilt zijn stemme hooren,

Die weder dezen staf maakt als hij was te voren.

FARAO.

FARAO.

Waar toe dit lang sermoen? preêkt elders al uw best,En Faraonis eer niet door eens anders kwetst:Gaat, boodschapt den Hebreên: mijn hand is veel geringerVoordezen hun geweest dan nu mijn kleinste vinger.Ik voel, ik voel het juk is hunnen last te licht,Dies ik drie dubbel moet verzwaren hun gewicht:Met schorpioenen wil ik hen voortaan kastijden,En alle roeden 't vuur en uwen God toewijdenTot eenen offerand. De koning is verleid,Die de onderzaten meent tot zich met zoetigheidTe trekken meer en meer, en ziet hij niet te veuren[208],Zij zullen zijn gebied van hunnen halze scheuren,En stellen 't rijk in roer[209], en roepen: "tza, wel aan!Laat ons den zwaren last van 's konings kroon ontslaan,Wat roert of gaan ons aan zijn ingestelde wetten?Een ieder breek de boei en schakel van zijn ketten"[210].

Waar toe dit lang sermoen? preêkt elders al uw best,

En Faraonis eer niet door eens anders kwetst:

Gaat, boodschapt den Hebreên: mijn hand is veel geringer

Voordezen hun geweest dan nu mijn kleinste vinger.

Ik voel, ik voel het juk is hunnen last te licht,

Dies ik drie dubbel moet verzwaren hun gewicht:

Met schorpioenen wil ik hen voortaan kastijden,

En alle roeden 't vuur en uwen God toewijden

Tot eenen offerand. De koning is verleid,

Die de onderzaten meent tot zich met zoetigheid

Te trekken meer en meer, en ziet hij niet te veuren[208],

Zij zullen zijn gebied van hunnen halze scheuren,

En stellen 't rijk in roer[209], en roepen: "tza, wel aan!

Laat ons den zwaren last van 's konings kroon ontslaan,

Wat roert of gaan ons aan zijn ingestelde wetten?

Een ieder breek de boei en schakel van zijn ketten"[210].

MOZES.

MOZES.

Verheft uw harte niet, want 's Heeren straffe draVolgt u alreê, gelijk de schaduw 't lichaam, na,Der bergen toppen, die zich in de lucht verheffen,Afgrijselijk men ziet de slinksche[211]bliksems treffen:Heer koning! luistert hoe Gods gramschap wederschalt!Verschuilt, verschuilt u, eer de Hemel op u valt,T'wijl u Gods goedheid noodt; zijn straf komt met vertragenNaar den godd'loozen toe, maar komt met zware slagenOp der tirannen kop: dus uit den grootschen tredUws obstinaatheids wijkt, en van uw stout opzetHaalt fluks de zeilen in! gij moogt[212]hem niet ontslippen:Of gij hem schoon ontvlucht, zoo raakt gij op de klippenVan uwen ondergang; en of gij u verschuilt,In 't allerhelschte[213]diep, in 't donkerste gekuilt,Geen duisternissen, daar zijn oog u niet zal merken,Geen schilden mogen u voor zijnen schicht bevlerken[214],Alzins vindt gij u in de kaken opgesperd[215]Van zijn rechtvaardigheid, en in den strik verwerdVan zijnen grimmen toorn, die altijd na der zielen[216]En na het lichaam u zal treden op de hielenVan uw versteend gemoed: wat baat toch kroon of staf,Als Hij uw kroone breekt, die u den scepter gafMet zijnen sterken arm; dus neemt tot geen verschooningUw troetelende[217]macht, die steeds den hoogsten KoningMoet onderworpen zijn; want Gods almogendheidBelacht, helaas! den trots, die u omhelst en vleitMet een vermomd gelaat.

Verheft uw harte niet, want 's Heeren straffe dra

Volgt u alreê, gelijk de schaduw 't lichaam, na,

Der bergen toppen, die zich in de lucht verheffen,

Afgrijselijk men ziet de slinksche[211]bliksems treffen:

Heer koning! luistert hoe Gods gramschap wederschalt!

Verschuilt, verschuilt u, eer de Hemel op u valt,

T'wijl u Gods goedheid noodt; zijn straf komt met vertragen

Naar den godd'loozen toe, maar komt met zware slagen

Op der tirannen kop: dus uit den grootschen tred

Uws obstinaatheids wijkt, en van uw stout opzet

Haalt fluks de zeilen in! gij moogt[212]hem niet ontslippen:

Of gij hem schoon ontvlucht, zoo raakt gij op de klippen

Van uwen ondergang; en of gij u verschuilt,

In 't allerhelschte[213]diep, in 't donkerste gekuilt,

Geen duisternissen, daar zijn oog u niet zal merken,

Geen schilden mogen u voor zijnen schicht bevlerken[214],

Alzins vindt gij u in de kaken opgesperd[215]

Van zijn rechtvaardigheid, en in den strik verwerd

Van zijnen grimmen toorn, die altijd na der zielen[216]

En na het lichaam u zal treden op de hielen

Van uw versteend gemoed: wat baat toch kroon of staf,

Als Hij uw kroone breekt, die u den scepter gaf

Met zijnen sterken arm; dus neemt tot geen verschooning

Uw troetelende[217]macht, die steeds den hoogsten Koning

Moet onderworpen zijn; want Gods almogendheid

Belacht, helaas! den trots, die u omhelst en vleit

Met een vermomd gelaat.

FARAO.

FARAO.

Waar toe dees lange rollen?

Waar toe dees lange rollen?

SERAX.

SERAX.

Heer koning! laat den zot 't hart met zijn tong uitbollen[218].

Heer koning! laat den zot 't hart met zijn tong uitbollen[218].

TIFUS.

TIFUS.

Wat werpt ons Pluto[219]op?

Wat werpt ons Pluto[219]op?

AARON.

AARON.

Volgt tijdelijk den raadDes Heeren, die u met onz' stemme wekken laatUit dezen diepen slaap; ontwaakt, eer u te spadeDe held're Zon begeeft, het licht van zijn genade!

Volgt tijdelijk den raad

Des Heeren, die u met onz' stemme wekken laat

Uit dezen diepen slaap; ontwaakt, eer u te spade

De held're Zon begeeft, het licht van zijn genade!

FARAO.

FARAO.

Help aarde! wonder is 't, dat gij u niet en belgt,En dees trotseerders in uw zwarte keel verzwelgt!—Past[220]fluks het groot gewelf van Memfis' hof te ruimen,Eer 's konings gramschap als een zee begint te schuimen;Hij heeft zijn planten[221]zwaar op 't aardrijk neêr gezet,Verstapt hij, elke tred een koninkrijk verplet:Zoo gij den bliksem zoekt, Jupijn is hier te vinden:Dus wacht u wel den leeuw zijn keten te ontbinden.Schuimboeven van mijn rijk! gaat, boodschapt den HebreeuwDat 't glas verloopen is van zijne gulden eeuw;De laatste ure is lang geslagen aan den wijzer,En in Farao's hof is zijne kerfstok ijzer:Gaat henen, maakt hem kond, wien dat uw fijn verstandDen stok om hem te slaan gaf in zijn rechterhand;Gaat, brengt dees blijde maar aan al de uitheemsche slavenDat lang voor hun vertrek de weg is opgegraven:En is 't dat uwen God niet vast en zit geschroefd,Hij doe zijn boodschap zelf, indien hij iets behoeft.(Binnen.)

Help aarde! wonder is 't, dat gij u niet en belgt,

En dees trotseerders in uw zwarte keel verzwelgt!—

Past[220]fluks het groot gewelf van Memfis' hof te ruimen,

Eer 's konings gramschap als een zee begint te schuimen;

Hij heeft zijn planten[221]zwaar op 't aardrijk neêr gezet,

Verstapt hij, elke tred een koninkrijk verplet:

Zoo gij den bliksem zoekt, Jupijn is hier te vinden:

Dus wacht u wel den leeuw zijn keten te ontbinden.

Schuimboeven van mijn rijk! gaat, boodschapt den Hebreeuw

Dat 't glas verloopen is van zijne gulden eeuw;

De laatste ure is lang geslagen aan den wijzer,

En in Farao's hof is zijne kerfstok ijzer:

Gaat henen, maakt hem kond, wien dat uw fijn verstand

Den stok om hem te slaan gaf in zijn rechterhand;

Gaat, brengt dees blijde maar aan al de uitheemsche slaven

Dat lang voor hun vertrek de weg is opgegraven:

En is 't dat uwen God niet vast en zit geschroefd,

Hij doe zijn boodschap zelf, indien hij iets behoeft.

(Binnen.)

MOZES.

MOZES.

Zijn hart is onbeweegd veel grooter[222]dan de rotsen.

Zijn hart is onbeweegd veel grooter[222]dan de rotsen.

AARON.

AARON.

Wie dorst den Hemel toch ooit obstinater trotsen?

Wie dorst den Hemel toch ooit obstinater trotsen?

MOZES.

MOZES.

't Hart ligt hem veel te hoog geschoten in den krop.

't Hart ligt hem veel te hoog geschoten in den krop.

AARON.

AARON.

Hij werpt den steen, die hem zal vallen op den kop.

Hij werpt den steen, die hem zal vallen op den kop.

MOZES.

MOZES.

Hij heeft God opgewekt met zijn grootmoedig[223]baffen.

Hij heeft God opgewekt met zijn grootmoedig[223]baffen.

AARON.

AARON.

Tsa! gaan wij, want door ons zal hem de Heere straffen.Binnen.

Tsa! gaan wij, want door ons zal hem de Heere straffen.

Binnen.

KOOR.

KOOR.

Steenen Farao! wilt zwichten,Want zijn schichtenHaalt de Hemel uit den tros[224]:Pyramiden! wacht uw spitsenVoor zijn flitsen:O, daar gaan zijn pijlen los!

Steenen Farao! wilt zwichten,

Want zijn schichten

Haalt de Hemel uit den tros[224]:

Pyramiden! wacht uw spitsen

Voor zijn flitsen:

O, daar gaan zijn pijlen los!

Nylus schreit nu, al bedolvenIn zijn golven,Om de vis, die in zijn kruikSterft, om dat de waterbarenAldus varenBloedig over zijn parruik[225].

Nylus schreit nu, al bedolven

In zijn golven,

Om de vis, die in zijn kruik

Sterft, om dat de waterbaren

Aldus varen

Bloedig over zijn parruik[225].

Vorschen, luizen, wormen krielen,Waar zijn hielenDen Egyptenaar verzet:Heptanomis[226]groot gewesteOok met pesteDoodelijken is besmet.

Vorschen, luizen, wormen krielen,

Waar zijn hielen

Den Egyptenaar verzet:

Heptanomis[226]groot geweste

Ook met peste

Doodelijken is besmet.

't Vluchtig vogeltjen, met ijlen,Van haar pijlenOnverziens werd achterhaald,Dat zijn vleugels aan de sterrenUit ging sperren,In de baren nederdaalt.

't Vluchtig vogeltjen, met ijlen,

Van haar pijlen

Onverziens werd achterhaald,

Dat zijn vleugels aan de sterren

Uit ging sperren,

In de baren nederdaalt.

't Lokkig schaapjen sterft in 't bleiten,En de geitenVallen voor den herderstok;Waar de bouwer ploegt al wakker,Ziet hij 't akker-Vee begraven onder 't jok.

't Lokkig schaapjen sterft in 't bleiten,

En de geiten

Vallen voor den herderstok;

Waar de bouwer ploegt al wakker,

Ziet hij 't akker-

Vee begraven onder 't jok.

Nu drukt hun de hand des HeerenWeêr met zeeren,Met onreinig puist gedoornt[227],Menschen ende beesten woelen,En bevoelen's Hemels grimmigheid vertoornd.

Nu drukt hun de hand des Heeren

Weêr met zeeren,

Met onreinig puist gedoornt[227],

Menschen ende beesten woelen,

En bevoelen

's Hemels grimmigheid vertoornd.

Nu drukt hun den æther vierig,Al wraakgierig,Met zijn kromme bliksems rood;Nu laat hij Egypte vallenVan kristallenEen diluvie[228]in den schoot.

Nu drukt hun den æther vierig,

Al wraakgierig,

Met zijn kromme bliksems rood;

Nu laat hij Egypte vallen

Van kristallen

Een diluvie[228]in den schoot.

Nu zoo dreigt hij hun afgrijzig,Met een ijzig[229]Donders dommelig geklak;Nu jaagt God met hagels ronden,Om hun zonden,Al d' Egypt'naars onder 't dak.

Nu zoo dreigt hij hun afgrijzig,

Met een ijzig[229]

Donders dommelig geklak;

Nu jaagt God met hagels ronden,

Om hun zonden,

Al d' Egypt'naars onder 't dak.

De Eik en schijnet nu de elzenNiet t' omhelzen,De Aarde, droef en onbesproed[230],Mist haar ranken en haar noppen,Mist haar knoppen,En haar groen geschilderd kleed.

De Eik en schijnet nu de elzen

Niet t' omhelzen,

De Aarde, droef en onbesproed[230],

Mist haar ranken en haar noppen,

Mist haar knoppen,

En haar groen geschilderd kleed.

Nu beschaduwt hij hun banenMet sprinkhanen,Die voorts rooven t' eenegaâr[231]Al de vruchten, die zij zaaidenEn afmaaiden,In den schoot van 't ronde jaar.

Nu beschaduwt hij hun banen

Met sprinkhanen,

Die voorts rooven t' eenegaâr[231]

Al de vruchten, die zij zaaiden

En afmaaiden,

In den schoot van 't ronde jaar.

Nu houdt Febus[232]zich gescholenIn de polen,En vertrekt[233]zijn blonde hoofd;'t Licht van zijnen gulden wagenHij drie dagenHunnen horizon berooft.

Nu houdt Febus[232]zich gescholen

In de polen,

En vertrekt[233]zijn blonde hoofd;

't Licht van zijnen gulden wagen

Hij drie dagen

Hunnen horizon berooft.

Noch blijft deze koning trotse,Als een rotse,Die geen golven en ontziet,Als een klippe die gedurigKlieft azurig't Schuimsel van Neptunus' spriet.

Noch blijft deze koning trotse,

Als een rotse,

Die geen golven en ontziet,

Als een klippe die gedurig

Klieft azurig

't Schuimsel van Neptunus' spriet.

Want God in zijn stoutheid kriegel,Tot elks spiegel,Heeft verstokt zijn steenig hart;Niet, om met een welbehagenHem te jagenIn 's doods strikken al verward;

Want God in zijn stoutheid kriegel,

Tot elks spiegel,

Heeft verstokt zijn steenig hart;

Niet, om met een welbehagen

Hem te jagen

In 's doods strikken al verward;

Maar om straffen zijn voorledenGodd'loosheden,En om Israël bekwaamStof te geven, om te zingenZonderlingenDe Eer van zijnen heil'gen naam.

Maar om straffen zijn voorleden

Godd'loosheden,

En om Israël bekwaam

Stof te geven, om te zingen

Zonderlingen

De Eer van zijnen heil'gen naam.

FARAO, de koning.Een wereld buigen schier met onzen scepter krachtig;Hoe wel onz' gouden kroon blinkt met den diadem,Daar is een grooter Heer, daar is een hooger stem,Daar is een Koning nog, die onzen glans verduistert,En een beperlden staf, die heerelijker luistert[234],Daar is een hemelsch rijk, 't welk 't wereldsch rijk omvangt,Daar alle mogendheid den scepter van ontvangt:'t Is Hij die boven woont, en heerscht ook hier beneden,Die onze zetels doet verschrikken[235]voor zijn treden,Der prinsen overhoofd, der koningen Monarch,Die 't alles overziet van zijnen hoogen berg,Die op 't verhemelt rond gebouwd heeft zijnen troone;De louter sterren zijn maar loovers van zijn kroone;Die met zijn donderstem den sterflijke verschrikt,En met het vurig rood van zijnen bliksem blikt[236].Meer pijlen heeft hij op Egypteland gescherpetDan zand en barig schuim het Roode meer opwerpet,Dan korenaren rijp de vochte Nijl besproeit,Wanneer van zijnen stroom de vlietkruik overvloeit.Wat baat mij nu op 't hoofd de kroone van Afrijken?Of dat ik 't derde deel van al des werelds rijkenOp mijne globe[237]zie? Wat baat dat ik alleenMaak een triumfe van hoovaardige trofeên?Of dat ik op den boord van mijnen vloed doe zwierenDees vendelen gekruist, dees bloedige banieren?Of dat de Arabier of Moore martiaal[238]Ontzie de punten scherp en sneden van mijn staal?Wat baat het (als ik doe mijn oorlogs leger krielen),Dat de and're wereld moet voor dezen scepter knielen?Dat ik van Oost tot West gevreesd worde en geëerd,Als deze groote Mars nog boven mij regeert?O Delta[239], Delta schoon! die met uw graf pilaren,Met uw Mausolen[240]schijnt de uitbreidselen te nâren[241],Daar Faros met zijn kruin de firmamenten doetVerschrikken, en vertreedt het aardrijk met den voet:Wat baat het, of gij kunt met flitsen en met pijlenVerdonkeren de lucht? of in zoo korte wijlenGij een bosschazië maakt van lansen uitgespeerd[242],Of 's werelds aanzicht met uw krijgers eclipseert?Wat baat het, of gij in uw waap'nen voert geschrevenDe teekens van uw deugd en vromigheid verheven?Wat baat, of uwen prins met slavernije strangZoo vele volken drukt? of dat den[243]OndergangZijn roede nederwerpt, en offert voor mijn voeten,Of met zijn kroone mij de Middag[244]komt begroeten?Als heel Egypte dus, door bliksem, wind en storm,Tot eenen chaos kruipt weêr in zijn ouden vorm.Help Jupijn! wie gij zijt, die met uw oorlogswempel[245]Ons boven 't hoofd braveert, komt over uwen drempelIn 't sterfelijk begrijp[246], en laat den Hemel staan,Kom, plant op 't platte veld de stenge van uw vaan!Geen koning is hier toch, die om de beste kanseMet mij kroon tegen kroon durft zetten in balance:Ik waag, om 't Hemelsch rijk, nog op een goede hoopDen ronden cirkel groot van 's werelds ommeloop;En brengt gij mij in 't graf op 't hoogste van mijn dagen,Zoo is 't mij eerst genoeg van u te zijn verslagen:Komt slechts op 't aardsch tooneel, zoo gij tornooyen wilt,Op dat ik proeven mag de deugd van uwen schild;En is 't, dat ik uw zwaard noch speere niet ontvliede,Zoo wensche ik op mijn graf geen schooner piramiede.Of gij al schoon d' Hebreên, die mijne scepter drukt,Van hunnen halze scheurt en Farao ontrukt't Juk van hun dienstbaarheid, werwaarts wilt gij ze brengen,Dat zij de hoornen van uw altaren besprengen?Zij raken elders licht in dieper slavernij,Of onder een gebied van strenger heerschappij.Gansch Lybiën is woest, daar Atlas stijgt om hooge.En 't ingezeten volk geneert[247]zich met den boge,En oorloogt met de spriet gestadig tegen 't wild,Daar ieder tot nooddruft zijn pijlen op verspilt[248].Gaan zij zich bij den Moor of Etiopiër voegen,Die heeft nog 't meeste deel wel van zijn rijk te ploegen;Of hij ze schoon ontvangt, en loopt ze al in 't gemoet,De Uitheemsche als een slaaf zijn akkers bouwen moet.De ruige Barbaros ook binnen zijn limieten.Geen vreemdelingen lijdt, noch Meden, nochte[249]Scyten;Noch over onzen vloed, noch over de JordaanEn zal de Filistijn ook geen Hebreên ontvaân.Den vrekken Arabier (zij passen op hun stukken)Is ook genoeg bekend nog om zijn oude tukken,Hij vilt, besteelt en plukt wie in zijn handen raakt.En dien hij burger zalft, hij eigen slave maakt.Noch daar de Assyriër der koninklijker[250]statenTooneel eerst bouwen dorst, bij 't stroomen der Eufraten,Noch nergens waar het licht de duisternis verdooft,Of de ingezeten is der vreemden overhoofd.Of zoeken zij een land of zoeken zij een woning,Daar ieder burger is, daar ieder is een koning,Daar ieder rechter is, en 't mes trekt uit de scheê,Diens bodem is gelijk de diepte van de zee,Daar alle baargeschuim oprijzet met elkander;Zoo wil een ieder hier ook heerschen boven d' ander,En werden zij dan t' zaâm verdrukt in ongeval,Wat koning is er die hun zake rechten zal?Of trachten ze onder een klimaat zelf te heerschappen[251],Daar sterflijk mensche nooit het spoor van zijne stappenGeprent heeft laten staan, daar zonder arrebeidDe willige natuur het akkerveld bereidt,Zij zullen menigmaal nog om Egypte wenschen,Eer 't tot voldoening strekt voor zoo veel duizend menschen,Die buiten Farao behoeven al ter nood[252]Tot nooddruft eenen opgehoopten vollen schoot.MOZES en AARON tot den koning.MOZES.Monarche Mitzraïms[253]hoe lang zult gij nog konnenDe oogappels sluiten voor de klaarheid eener zonnen?Hoe lange, o Farao! zult gij beletten, datIsraël smoken doet het heilig altaarplatDes driemaal hoogen Gods? Ai, blind, versteenigd vorste!Hoe priemt gij op uw hart, hoe stelt gij op uw borsteZoo menig pijl en schicht, en welft u, stout en trotsch,Hardnekkig over 't hoofd den strengen toorne Gods,Die heel Egypte drukt; 't onsterflijk eeuwig wezenDus met zijn stemme roept: "Ik heb voor 't laatst mijn pezenNog eenmaal uitgerekt, en mijnen krommen boogGespannen; wee, o wee! 't wit van mijn grimmig oogIs Heptanomis' kroon, die, trots mijn Hemelschichten,Heeft negenmaal belet den Israliet te lichtenZijn anker van den Nijl: wee, wee! indien zij stoutNog dit twaalfstammig heir van hun vertrek ophoudt!Van d' oudst geboren af uit Faraonis lenden,Tot d' allerminste toe, die van de Egypter bendenZich d' eerstgeboren roemt van vader-, moeder-lief,Niet een zal zijn, dien niet de dood, gelijk een dief,Zal rukken in het graf; geen hart, dat niet zal voelenMijn koude stralen in zijn heete bloed verkoelen!"Dus loopt nog in 't gemoet des Hemels Koning preutsch[254],Terwijlen hij u dreigt, zoo houdt u buiten scheutsVan mijnen stalen boog, die weder is gespannen;En oorlooft onzen tocht, dat de Israelietsche mannenOp Horeb smooken doen hun altaren bebloed.FARAOGij zingt al[255]eenen zang, gelijk de koekoek doet,En of gij slaven trokt, om uwen God te spijzen,Daar Horeb met zijn spits ten wolken gaat oprijzen,En of mijn Majesteit gedoogde goedertier,Dat gij opstijgen deed 't afgodisch offervierUit der woestijnen schoot, om ik en weet wat GodenVermaken[256], met het bloed des altaars opgezoden,Zoudt gij mij zweeren dier[257]te keeren al met vliet[258]Ter plaatse die gij met verlof te rugge liet:Of veinst gij mij den tocht dien gij hebt voorgenomen?Zegt, werwaarts hij zich strekt.AARON.Waaruit[259]wij zijn gekomen:Het land van Kanaän, recht over de Jordaan,Daar ons voorvadren eerst hun stappen lieten staan,Dat God zelf heeft beloofd, dat God zelf heeft gezworenAan Izak zijnen knecht en Jakob uitverkoren.FARAO.Gij 't land van Kanaän verkrijgen in 't bezit?Uw bogen zijn te slap om schieten na dit wit,Meent gij met lijf en ziel zoo in dit land te treden?Gaat henen, vraagt te deeg naar zijn gelegentheden:Hoort, Idumea! hoort, hoe acht men dy zoo licht,Een ander heeft genoeg en schrikt van uw gezicht,Die rondom afgepaald ligt midden in de bergen,Die met uw muren trots den Hemel schijnt te tergen,Waar voor zoo menig rijk zijn wapens heeft geschorst,En daar de Filistijn uitsteekt zijn hooge borst;Daar elk inwoner stout is eenen giges[260]hooge,En gij, sprinkhanen teêr en musschen in hun ooge!Te wijd zijt gij verdoold! en timmert in de locht,En schildert, op Neptuuns azure golven vocht[261],Dy[262]'t Filistijnsche rijk zoo wonderlijk voor oogen:Help! 't geeft mij wonder, uit wat borsten gij gezogenHebt deez' hoogdragendheid, en hoe gij zoo verruktDees stoute dwaasheid in uw hersens hebt gedrukt:Wat rijk is u beloofd? Mij dunkt, gelijk de muggenGij om de kaarse zwermt, tot dat gij, bedelpluggen[263]!Uw vleugelen verbrandt: ik rade, ik rade u: blaast,Eer gij dit heete moes wilt proeven met der haast:Of wilt gij banken in de Filistijnsche koken[264],Eer hij u heeft genood, of zijnen haard doen smoken,Zoo keert dan onverzaad: gij, kranen[265]! vliegt u mat,Om gasten met[266]den vos, die al in schotels platDe spijze toebereidt, en als gij meent te drabbenIn zijn gestolen vet, zult gij u niet beslabben.Zoekt vrij een ander aas, of zich uw keele belgt,De brok is toch zoo groot, dat gij er aan verzwelgt:Dus slaat dit in de wind, en laat vrij aan der eiken[267]De schilden hangen, die gij niet en moogt bereikenMet uwen lammen arm, al veel te kort en stram,En, voor dien scepter eêl, van dijnen geitschen ramDe kromme hoornen grijpt, 'twelk beter u zal voegen,Of 't kouter, om de borst des akkers te doorploegen,Dan[268]'t Palestijnsche land.MOZES.Israël onbezorgdHeeft God tot eenen Schild en tot een vaste Borgt,Den grootsten Kapitein; dien Hij wil overvallenEn baat geen preuts[269]gebergt' van opgeworpen wallen,Noch diepe vesting van een grondelooze zee,Noch bogen, noch geflits, noch zwaarden uit der scheê,Noch vele wapentuig, noch 's werelds oorlogsheirenIn een slagordening en mochten zich verweerenVoor zijnen sterken arm, die naauw verheven schierOm[270]strijden, al omvlecht[271]is met den lauwerier.FARAO.En of 't land openstond van alle Filistijnen,Hoe raakt gij door de dorre Arabische woestijnen,'t Onvruchtbaar woeste veld, de doornen wildernis,Daar niet min ruig gediert' als wild geboomte en is;Daar is noch vrucht tot spijs, noch vochtigheid om[270]laven,'t Waar pas[272]een kerkhof om u t' zamen te begraven.AARON.Die met zijn waterpas bepaalt de groote zee,En heeft gecompasseerd[273]den boord van ieder reê,Die 's hemels vouten[274]schoon te zamen heeft gewrongen,En 't aardsche centrum[275]zwaar houdt allezins gedrongen,Heeft lang den weg bereid, heeft lang het pad gebaandVoor 't volk van zijn Verbond, die stoutlijk en verwaandGij aan uw opzet boeit, en durft nog 't hoofd opstekenAls of het aan de macht des Hemels zoû gebreken,Te bliksemen den trots van uw hardnekkigheid,Daar u de vinger van Gods hooge MajesteitZoo streng heeft aangetast! eylacen! wordt eens wijzer,En nog de wraak verstompt van zijn rechtvaardig ijzer[276],Waar mede hy u dreigt.FARAO.Rebellen altemaal,Trekt henen, maar ik wil, ik wil uw BeestiaalHier blijf tot roof en buit. Trekt henen uwer straten[277].MOZES.Wij zullen van ons vee geen klaauw hier achter laten.FARAO.Zoo blijft dan die gij zijt! Hoe, zullen dees HebreênOns trotsen? Neen, eer werd den alderleegsten[278]steenMemfidis omgekeerd. Het vee dat zal hier blijven,Trekt met uw kinders heen, uw hoeren en uw wijven!AARON.Waar 't vee blijft, blijven wij, grootmogende monarch!Als wij gekomen zijn bij Sinaï den berg,Wij God een offerand[279]van ossen ofte stierenOp 't heilige gesteent dankbarig moeten vieren,Tot eenen zoeten reuk, en tot een teeken blij,Dat hij ons heeft verlost van al ons slavernij;De palen zijnes wets wy niet en overtreden,Dus oorloft[280]ons vertrek, en hoort zijn stemme heden!FARAO.In geenderlei manier.MOZES.Zoo blijft de straffe handDes Heeren over u, en over 't gansche land:God zoude eer eenen berg of harde rots bewegen.FARAO.Is hij een rustig haan, hij kraai nog eens te degen;Den sleutel van mijn rijk zij u voor 't lest ontzeîd,En welker tijd gij in mijn tegenwoordigheidHier weêr verschijnen dorst, ik zweer bij mijnen Throone,Misraïms edel hof, en bij mijn groote Kroone,Ik zweer bij dezen staf bepereld en verguld,Dat gij van stonden aan uw kerkhof vinden zult.(Binnen.)MOZES.O diamanten hart! o ijzeren nature!AARON.Het ijzer wordt gedweeg int gloeyen van den vure,Den diamant, hoe hard, verzachtet[281]bokkenbloed.Maar dezen blijft verstokt, versteend in zijn gemoed.MOZES.'t Glas van ons slavernij is niettemin verloopen.Ik zie, ik zie den weg tot ons verlossing open,Egypten ziet om hoog, het zweerd is uit der schee,Dies Jacob morgen licht zijn anker van dees reê.Binnen.KOOR.En met heur kromme hoornen naakt[282]Vast eenen halven cirkel maakt,Werd[283]den Hebree van druk ontbonden,En van 't tyrannig jok ontlast:Ziet, hoe elk juicht met blijden geeste,Ziet, hoe zij nu hun Paasschen-feesteMet vrolijkheid bereiden vast,Hun jaar'ge lammerkens zij slachten,Met dat de schaduw zich uitstrektEn 'sHemels oog zijn licht vertrekt[284],Om schuylen inde water-grachten.Ziet, hoe zij, met de roode stralenVan 't zuiver Lams verkoren bloed,De dorpels ende[285]posten vroed[286],Van hare poorten vast bemalen[287]:O heilig klaar ken-teeken! omTe vrijden[288]al uw eerstgeborenVoor d'Engel, die in 's Heeren toorenGaat maayen, met een zeissen krom,Al de eerstelingen vanden Nijle:Al de eersten, die uit 's moeders schootBeschouwden F[oe]bi stralen rood,Door-schicht[289]hij met een hemel-pijle.De Israëlieten rusten twijlen[290]Hun[291]toe naar 's Heeren wil en eisch.Om hun[291]te geven op de reisVan zoo veel stadiën en mijlen:De lammerkens, die nu gedoodZijn, zij gaan voor den vure speten[292]Daarna met bitter sausse op-eten,Met zurig[293]ongeheveld brood,Omgord, geschoeid, den staf in handen,Een ieder vlijtig 't lamken eetAl staande, als wandel-gasten, reed[294]Om scheiden van de Nijlsche stranden."Schoon morgen-rood, begint te blozen!"Zij met verlangen roepen t' zaam;"Komt, werpt uw stralen aangenaam,Eens in ons blijdschap over Gozen!Blaauw hemels licht! doorschijnt de locht,Beschaamt den zilver-schijn der manen[295],En distilleert de pereltranen,Die van ons wangen rollen vocht,Niet meer van droefheid als voorhenen,Maar al van blijdschap en van vreugd,Om dat den Hebree met geneugtZijn zoete vrijheid is verschenen."O zoete vrijheid! wat een kroningDunkt u den genen, die verrukt[296]Nu zoo vele eeuwen heeft gedrukt't Slaafsch jok van een tirannig koning!Ofschoon 't wild vogelken met lustInt korfken tiereliert en fluitertEn inde traly, twijl[297]het tjuitert,Verdient 't gekochte zaad gerust,'t Zou liever inde takskens schieten,En klieven met zijn vlerkskens locht[298]Den blaauwen hemel, zoo het mochtSlechts mager zijnen kost genieten.Waarom versteekt zich inde stoppelsDer bosschen 't hoorn-getakte[299]hert?De ranke hind', waarom zoo hardEn snel vlugt zij voor 's jagers koppels?Waaromme vliedt het schuw konijnEn de achter-lamme[300]bloode hazen,Die als een schaduw weggeblazenZoo fluks in hun zand-holen[300]zijn?De azuren visschen, waarom duikenZij voor 't doorluchtig net zoo ras,Int diepste van het water-glas,Int diepste van Thetydis kruiken[301]?Ach! om hun vrijheid, die zoo naakte[302]Een ieder van naturen wisZijn voorhoofd ingeschreven is,Van dat hij eerst int licht geraakte:O driemaal eedle vrijheidskroon!Die Isak d' hoofd-slapen omvlechtet,Waarom de lieve Hemel vechtet,Die met zijn vleugelen ten toonBeschaduwt de Isralietsche benden,En helpt hen uit 't Egyptisch zand,Int rijke Palestijnen land,Uit al hun droefheid en ellenden.Twijl Jacob dus van vreugden reyet[303],De heldre witte dag aanbreekt,De gulden zonne 't hoofd opsteekt,Die over Nylus golven spreyet[304]Het stralig licht van zijn flambeel[305],Die haast ontdekt, hoe dees ComedieRijst uit de bloedige TragedieVan Delta's[306]schreyende tooneel,Daar de oudst-geboren voor hun magenOp 't bedde liggen koud en stijf,En laten 't graf hun doode lijf,Dies Isr'el werd van 't jok ontslagen.

FARAO, de koning.

FARAO, de koning.

Een wereld buigen schier met onzen scepter krachtig;Hoe wel onz' gouden kroon blinkt met den diadem,Daar is een grooter Heer, daar is een hooger stem,Daar is een Koning nog, die onzen glans verduistert,En een beperlden staf, die heerelijker luistert[234],Daar is een hemelsch rijk, 't welk 't wereldsch rijk omvangt,Daar alle mogendheid den scepter van ontvangt:'t Is Hij die boven woont, en heerscht ook hier beneden,Die onze zetels doet verschrikken[235]voor zijn treden,Der prinsen overhoofd, der koningen Monarch,Die 't alles overziet van zijnen hoogen berg,Die op 't verhemelt rond gebouwd heeft zijnen troone;De louter sterren zijn maar loovers van zijn kroone;Die met zijn donderstem den sterflijke verschrikt,En met het vurig rood van zijnen bliksem blikt[236].Meer pijlen heeft hij op Egypteland gescherpetDan zand en barig schuim het Roode meer opwerpet,Dan korenaren rijp de vochte Nijl besproeit,Wanneer van zijnen stroom de vlietkruik overvloeit.Wat baat mij nu op 't hoofd de kroone van Afrijken?Of dat ik 't derde deel van al des werelds rijkenOp mijne globe[237]zie? Wat baat dat ik alleenMaak een triumfe van hoovaardige trofeên?Of dat ik op den boord van mijnen vloed doe zwierenDees vendelen gekruist, dees bloedige banieren?Of dat de Arabier of Moore martiaal[238]Ontzie de punten scherp en sneden van mijn staal?Wat baat het (als ik doe mijn oorlogs leger krielen),Dat de and're wereld moet voor dezen scepter knielen?Dat ik van Oost tot West gevreesd worde en geëerd,Als deze groote Mars nog boven mij regeert?O Delta[239], Delta schoon! die met uw graf pilaren,Met uw Mausolen[240]schijnt de uitbreidselen te nâren[241],Daar Faros met zijn kruin de firmamenten doetVerschrikken, en vertreedt het aardrijk met den voet:Wat baat het, of gij kunt met flitsen en met pijlenVerdonkeren de lucht? of in zoo korte wijlenGij een bosschazië maakt van lansen uitgespeerd[242],Of 's werelds aanzicht met uw krijgers eclipseert?Wat baat het, of gij in uw waap'nen voert geschrevenDe teekens van uw deugd en vromigheid verheven?Wat baat, of uwen prins met slavernije strangZoo vele volken drukt? of dat den[243]OndergangZijn roede nederwerpt, en offert voor mijn voeten,Of met zijn kroone mij de Middag[244]komt begroeten?Als heel Egypte dus, door bliksem, wind en storm,Tot eenen chaos kruipt weêr in zijn ouden vorm.Help Jupijn! wie gij zijt, die met uw oorlogswempel[245]Ons boven 't hoofd braveert, komt over uwen drempelIn 't sterfelijk begrijp[246], en laat den Hemel staan,Kom, plant op 't platte veld de stenge van uw vaan!Geen koning is hier toch, die om de beste kanseMet mij kroon tegen kroon durft zetten in balance:Ik waag, om 't Hemelsch rijk, nog op een goede hoopDen ronden cirkel groot van 's werelds ommeloop;En brengt gij mij in 't graf op 't hoogste van mijn dagen,Zoo is 't mij eerst genoeg van u te zijn verslagen:Komt slechts op 't aardsch tooneel, zoo gij tornooyen wilt,Op dat ik proeven mag de deugd van uwen schild;En is 't, dat ik uw zwaard noch speere niet ontvliede,Zoo wensche ik op mijn graf geen schooner piramiede.Of gij al schoon d' Hebreên, die mijne scepter drukt,Van hunnen halze scheurt en Farao ontrukt't Juk van hun dienstbaarheid, werwaarts wilt gij ze brengen,Dat zij de hoornen van uw altaren besprengen?Zij raken elders licht in dieper slavernij,Of onder een gebied van strenger heerschappij.Gansch Lybiën is woest, daar Atlas stijgt om hooge.En 't ingezeten volk geneert[247]zich met den boge,En oorloogt met de spriet gestadig tegen 't wild,Daar ieder tot nooddruft zijn pijlen op verspilt[248].Gaan zij zich bij den Moor of Etiopiër voegen,Die heeft nog 't meeste deel wel van zijn rijk te ploegen;Of hij ze schoon ontvangt, en loopt ze al in 't gemoet,De Uitheemsche als een slaaf zijn akkers bouwen moet.De ruige Barbaros ook binnen zijn limieten.Geen vreemdelingen lijdt, noch Meden, nochte[249]Scyten;Noch over onzen vloed, noch over de JordaanEn zal de Filistijn ook geen Hebreên ontvaân.Den vrekken Arabier (zij passen op hun stukken)Is ook genoeg bekend nog om zijn oude tukken,Hij vilt, besteelt en plukt wie in zijn handen raakt.En dien hij burger zalft, hij eigen slave maakt.Noch daar de Assyriër der koninklijker[250]statenTooneel eerst bouwen dorst, bij 't stroomen der Eufraten,Noch nergens waar het licht de duisternis verdooft,Of de ingezeten is der vreemden overhoofd.Of zoeken zij een land of zoeken zij een woning,Daar ieder burger is, daar ieder is een koning,Daar ieder rechter is, en 't mes trekt uit de scheê,Diens bodem is gelijk de diepte van de zee,Daar alle baargeschuim oprijzet met elkander;Zoo wil een ieder hier ook heerschen boven d' ander,En werden zij dan t' zaâm verdrukt in ongeval,Wat koning is er die hun zake rechten zal?Of trachten ze onder een klimaat zelf te heerschappen[251],Daar sterflijk mensche nooit het spoor van zijne stappenGeprent heeft laten staan, daar zonder arrebeidDe willige natuur het akkerveld bereidt,Zij zullen menigmaal nog om Egypte wenschen,Eer 't tot voldoening strekt voor zoo veel duizend menschen,Die buiten Farao behoeven al ter nood[252]Tot nooddruft eenen opgehoopten vollen schoot.

Een wereld buigen schier met onzen scepter krachtig;

Hoe wel onz' gouden kroon blinkt met den diadem,

Daar is een grooter Heer, daar is een hooger stem,

Daar is een Koning nog, die onzen glans verduistert,

En een beperlden staf, die heerelijker luistert[234],

Daar is een hemelsch rijk, 't welk 't wereldsch rijk omvangt,

Daar alle mogendheid den scepter van ontvangt:

't Is Hij die boven woont, en heerscht ook hier beneden,

Die onze zetels doet verschrikken[235]voor zijn treden,

Der prinsen overhoofd, der koningen Monarch,

Die 't alles overziet van zijnen hoogen berg,

Die op 't verhemelt rond gebouwd heeft zijnen troone;

De louter sterren zijn maar loovers van zijn kroone;

Die met zijn donderstem den sterflijke verschrikt,

En met het vurig rood van zijnen bliksem blikt[236].

Meer pijlen heeft hij op Egypteland gescherpet

Dan zand en barig schuim het Roode meer opwerpet,

Dan korenaren rijp de vochte Nijl besproeit,

Wanneer van zijnen stroom de vlietkruik overvloeit.

Wat baat mij nu op 't hoofd de kroone van Afrijken?

Of dat ik 't derde deel van al des werelds rijken

Op mijne globe[237]zie? Wat baat dat ik alleen

Maak een triumfe van hoovaardige trofeên?

Of dat ik op den boord van mijnen vloed doe zwieren

Dees vendelen gekruist, dees bloedige banieren?

Of dat de Arabier of Moore martiaal[238]

Ontzie de punten scherp en sneden van mijn staal?

Wat baat het (als ik doe mijn oorlogs leger krielen),

Dat de and're wereld moet voor dezen scepter knielen?

Dat ik van Oost tot West gevreesd worde en geëerd,

Als deze groote Mars nog boven mij regeert?

O Delta[239], Delta schoon! die met uw graf pilaren,

Met uw Mausolen[240]schijnt de uitbreidselen te nâren[241],

Daar Faros met zijn kruin de firmamenten doet

Verschrikken, en vertreedt het aardrijk met den voet:

Wat baat het, of gij kunt met flitsen en met pijlen

Verdonkeren de lucht? of in zoo korte wijlen

Gij een bosschazië maakt van lansen uitgespeerd[242],

Of 's werelds aanzicht met uw krijgers eclipseert?

Wat baat het, of gij in uw waap'nen voert geschreven

De teekens van uw deugd en vromigheid verheven?

Wat baat, of uwen prins met slavernije strang

Zoo vele volken drukt? of dat den[243]Ondergang

Zijn roede nederwerpt, en offert voor mijn voeten,

Of met zijn kroone mij de Middag[244]komt begroeten?

Als heel Egypte dus, door bliksem, wind en storm,

Tot eenen chaos kruipt weêr in zijn ouden vorm.

Help Jupijn! wie gij zijt, die met uw oorlogswempel[245]

Ons boven 't hoofd braveert, komt over uwen drempel

In 't sterfelijk begrijp[246], en laat den Hemel staan,

Kom, plant op 't platte veld de stenge van uw vaan!

Geen koning is hier toch, die om de beste kanse

Met mij kroon tegen kroon durft zetten in balance:

Ik waag, om 't Hemelsch rijk, nog op een goede hoop

Den ronden cirkel groot van 's werelds ommeloop;

En brengt gij mij in 't graf op 't hoogste van mijn dagen,

Zoo is 't mij eerst genoeg van u te zijn verslagen:

Komt slechts op 't aardsch tooneel, zoo gij tornooyen wilt,

Op dat ik proeven mag de deugd van uwen schild;

En is 't, dat ik uw zwaard noch speere niet ontvliede,

Zoo wensche ik op mijn graf geen schooner piramiede.

Of gij al schoon d' Hebreên, die mijne scepter drukt,

Van hunnen halze scheurt en Farao ontrukt

't Juk van hun dienstbaarheid, werwaarts wilt gij ze brengen,

Dat zij de hoornen van uw altaren besprengen?

Zij raken elders licht in dieper slavernij,

Of onder een gebied van strenger heerschappij.

Gansch Lybiën is woest, daar Atlas stijgt om hooge.

En 't ingezeten volk geneert[247]zich met den boge,

En oorloogt met de spriet gestadig tegen 't wild,

Daar ieder tot nooddruft zijn pijlen op verspilt[248].

Gaan zij zich bij den Moor of Etiopiër voegen,

Die heeft nog 't meeste deel wel van zijn rijk te ploegen;

Of hij ze schoon ontvangt, en loopt ze al in 't gemoet,

De Uitheemsche als een slaaf zijn akkers bouwen moet.

De ruige Barbaros ook binnen zijn limieten.

Geen vreemdelingen lijdt, noch Meden, nochte[249]Scyten;

Noch over onzen vloed, noch over de Jordaan

En zal de Filistijn ook geen Hebreên ontvaân.

Den vrekken Arabier (zij passen op hun stukken)

Is ook genoeg bekend nog om zijn oude tukken,

Hij vilt, besteelt en plukt wie in zijn handen raakt.

En dien hij burger zalft, hij eigen slave maakt.

Noch daar de Assyriër der koninklijker[250]staten

Tooneel eerst bouwen dorst, bij 't stroomen der Eufraten,

Noch nergens waar het licht de duisternis verdooft,

Of de ingezeten is der vreemden overhoofd.

Of zoeken zij een land of zoeken zij een woning,

Daar ieder burger is, daar ieder is een koning,

Daar ieder rechter is, en 't mes trekt uit de scheê,

Diens bodem is gelijk de diepte van de zee,

Daar alle baargeschuim oprijzet met elkander;

Zoo wil een ieder hier ook heerschen boven d' ander,

En werden zij dan t' zaâm verdrukt in ongeval,

Wat koning is er die hun zake rechten zal?

Of trachten ze onder een klimaat zelf te heerschappen[251],

Daar sterflijk mensche nooit het spoor van zijne stappen

Geprent heeft laten staan, daar zonder arrebeid

De willige natuur het akkerveld bereidt,

Zij zullen menigmaal nog om Egypte wenschen,

Eer 't tot voldoening strekt voor zoo veel duizend menschen,

Die buiten Farao behoeven al ter nood[252]

Tot nooddruft eenen opgehoopten vollen schoot.

MOZES en AARON tot den koning.

MOZES en AARON tot den koning.

MOZES.

MOZES.

Monarche Mitzraïms[253]hoe lang zult gij nog konnenDe oogappels sluiten voor de klaarheid eener zonnen?Hoe lange, o Farao! zult gij beletten, datIsraël smoken doet het heilig altaarplatDes driemaal hoogen Gods? Ai, blind, versteenigd vorste!Hoe priemt gij op uw hart, hoe stelt gij op uw borsteZoo menig pijl en schicht, en welft u, stout en trotsch,Hardnekkig over 't hoofd den strengen toorne Gods,Die heel Egypte drukt; 't onsterflijk eeuwig wezenDus met zijn stemme roept: "Ik heb voor 't laatst mijn pezenNog eenmaal uitgerekt, en mijnen krommen boogGespannen; wee, o wee! 't wit van mijn grimmig oogIs Heptanomis' kroon, die, trots mijn Hemelschichten,Heeft negenmaal belet den Israliet te lichtenZijn anker van den Nijl: wee, wee! indien zij stoutNog dit twaalfstammig heir van hun vertrek ophoudt!Van d' oudst geboren af uit Faraonis lenden,Tot d' allerminste toe, die van de Egypter bendenZich d' eerstgeboren roemt van vader-, moeder-lief,Niet een zal zijn, dien niet de dood, gelijk een dief,Zal rukken in het graf; geen hart, dat niet zal voelenMijn koude stralen in zijn heete bloed verkoelen!"Dus loopt nog in 't gemoet des Hemels Koning preutsch[254],Terwijlen hij u dreigt, zoo houdt u buiten scheutsVan mijnen stalen boog, die weder is gespannen;En oorlooft onzen tocht, dat de Israelietsche mannenOp Horeb smooken doen hun altaren bebloed.

Monarche Mitzraïms[253]hoe lang zult gij nog konnen

De oogappels sluiten voor de klaarheid eener zonnen?

Hoe lange, o Farao! zult gij beletten, dat

Israël smoken doet het heilig altaarplat

Des driemaal hoogen Gods? Ai, blind, versteenigd vorste!

Hoe priemt gij op uw hart, hoe stelt gij op uw borste

Zoo menig pijl en schicht, en welft u, stout en trotsch,

Hardnekkig over 't hoofd den strengen toorne Gods,

Die heel Egypte drukt; 't onsterflijk eeuwig wezen

Dus met zijn stemme roept: "Ik heb voor 't laatst mijn pezen

Nog eenmaal uitgerekt, en mijnen krommen boog

Gespannen; wee, o wee! 't wit van mijn grimmig oog

Is Heptanomis' kroon, die, trots mijn Hemelschichten,

Heeft negenmaal belet den Israliet te lichten

Zijn anker van den Nijl: wee, wee! indien zij stout

Nog dit twaalfstammig heir van hun vertrek ophoudt!

Van d' oudst geboren af uit Faraonis lenden,

Tot d' allerminste toe, die van de Egypter benden

Zich d' eerstgeboren roemt van vader-, moeder-lief,

Niet een zal zijn, dien niet de dood, gelijk een dief,

Zal rukken in het graf; geen hart, dat niet zal voelen

Mijn koude stralen in zijn heete bloed verkoelen!"

Dus loopt nog in 't gemoet des Hemels Koning preutsch[254],

Terwijlen hij u dreigt, zoo houdt u buiten scheuts

Van mijnen stalen boog, die weder is gespannen;

En oorlooft onzen tocht, dat de Israelietsche mannen

Op Horeb smooken doen hun altaren bebloed.

FARAO

FARAO

Gij zingt al[255]eenen zang, gelijk de koekoek doet,En of gij slaven trokt, om uwen God te spijzen,Daar Horeb met zijn spits ten wolken gaat oprijzen,En of mijn Majesteit gedoogde goedertier,Dat gij opstijgen deed 't afgodisch offervierUit der woestijnen schoot, om ik en weet wat GodenVermaken[256], met het bloed des altaars opgezoden,Zoudt gij mij zweeren dier[257]te keeren al met vliet[258]Ter plaatse die gij met verlof te rugge liet:Of veinst gij mij den tocht dien gij hebt voorgenomen?Zegt, werwaarts hij zich strekt.

Gij zingt al[255]eenen zang, gelijk de koekoek doet,

En of gij slaven trokt, om uwen God te spijzen,

Daar Horeb met zijn spits ten wolken gaat oprijzen,

En of mijn Majesteit gedoogde goedertier,

Dat gij opstijgen deed 't afgodisch offervier

Uit der woestijnen schoot, om ik en weet wat Goden

Vermaken[256], met het bloed des altaars opgezoden,

Zoudt gij mij zweeren dier[257]te keeren al met vliet[258]

Ter plaatse die gij met verlof te rugge liet:

Of veinst gij mij den tocht dien gij hebt voorgenomen?

Zegt, werwaarts hij zich strekt.

AARON.

AARON.

Waaruit[259]wij zijn gekomen:Het land van Kanaän, recht over de Jordaan,Daar ons voorvadren eerst hun stappen lieten staan,Dat God zelf heeft beloofd, dat God zelf heeft gezworenAan Izak zijnen knecht en Jakob uitverkoren.

Waaruit[259]wij zijn gekomen:

Het land van Kanaän, recht over de Jordaan,

Daar ons voorvadren eerst hun stappen lieten staan,

Dat God zelf heeft beloofd, dat God zelf heeft gezworen

Aan Izak zijnen knecht en Jakob uitverkoren.

FARAO.

FARAO.

Gij 't land van Kanaän verkrijgen in 't bezit?Uw bogen zijn te slap om schieten na dit wit,Meent gij met lijf en ziel zoo in dit land te treden?Gaat henen, vraagt te deeg naar zijn gelegentheden:Hoort, Idumea! hoort, hoe acht men dy zoo licht,Een ander heeft genoeg en schrikt van uw gezicht,Die rondom afgepaald ligt midden in de bergen,Die met uw muren trots den Hemel schijnt te tergen,Waar voor zoo menig rijk zijn wapens heeft geschorst,En daar de Filistijn uitsteekt zijn hooge borst;Daar elk inwoner stout is eenen giges[260]hooge,En gij, sprinkhanen teêr en musschen in hun ooge!Te wijd zijt gij verdoold! en timmert in de locht,En schildert, op Neptuuns azure golven vocht[261],Dy[262]'t Filistijnsche rijk zoo wonderlijk voor oogen:Help! 't geeft mij wonder, uit wat borsten gij gezogenHebt deez' hoogdragendheid, en hoe gij zoo verruktDees stoute dwaasheid in uw hersens hebt gedrukt:Wat rijk is u beloofd? Mij dunkt, gelijk de muggenGij om de kaarse zwermt, tot dat gij, bedelpluggen[263]!Uw vleugelen verbrandt: ik rade, ik rade u: blaast,Eer gij dit heete moes wilt proeven met der haast:Of wilt gij banken in de Filistijnsche koken[264],Eer hij u heeft genood, of zijnen haard doen smoken,Zoo keert dan onverzaad: gij, kranen[265]! vliegt u mat,Om gasten met[266]den vos, die al in schotels platDe spijze toebereidt, en als gij meent te drabbenIn zijn gestolen vet, zult gij u niet beslabben.Zoekt vrij een ander aas, of zich uw keele belgt,De brok is toch zoo groot, dat gij er aan verzwelgt:Dus slaat dit in de wind, en laat vrij aan der eiken[267]De schilden hangen, die gij niet en moogt bereikenMet uwen lammen arm, al veel te kort en stram,En, voor dien scepter eêl, van dijnen geitschen ramDe kromme hoornen grijpt, 'twelk beter u zal voegen,Of 't kouter, om de borst des akkers te doorploegen,Dan[268]'t Palestijnsche land.

Gij 't land van Kanaän verkrijgen in 't bezit?

Uw bogen zijn te slap om schieten na dit wit,

Meent gij met lijf en ziel zoo in dit land te treden?

Gaat henen, vraagt te deeg naar zijn gelegentheden:

Hoort, Idumea! hoort, hoe acht men dy zoo licht,

Een ander heeft genoeg en schrikt van uw gezicht,

Die rondom afgepaald ligt midden in de bergen,

Die met uw muren trots den Hemel schijnt te tergen,

Waar voor zoo menig rijk zijn wapens heeft geschorst,

En daar de Filistijn uitsteekt zijn hooge borst;

Daar elk inwoner stout is eenen giges[260]hooge,

En gij, sprinkhanen teêr en musschen in hun ooge!

Te wijd zijt gij verdoold! en timmert in de locht,

En schildert, op Neptuuns azure golven vocht[261],

Dy[262]'t Filistijnsche rijk zoo wonderlijk voor oogen:

Help! 't geeft mij wonder, uit wat borsten gij gezogen

Hebt deez' hoogdragendheid, en hoe gij zoo verrukt

Dees stoute dwaasheid in uw hersens hebt gedrukt:

Wat rijk is u beloofd? Mij dunkt, gelijk de muggen

Gij om de kaarse zwermt, tot dat gij, bedelpluggen[263]!

Uw vleugelen verbrandt: ik rade, ik rade u: blaast,

Eer gij dit heete moes wilt proeven met der haast:

Of wilt gij banken in de Filistijnsche koken[264],

Eer hij u heeft genood, of zijnen haard doen smoken,

Zoo keert dan onverzaad: gij, kranen[265]! vliegt u mat,

Om gasten met[266]den vos, die al in schotels plat

De spijze toebereidt, en als gij meent te drabben

In zijn gestolen vet, zult gij u niet beslabben.

Zoekt vrij een ander aas, of zich uw keele belgt,

De brok is toch zoo groot, dat gij er aan verzwelgt:

Dus slaat dit in de wind, en laat vrij aan der eiken[267]

De schilden hangen, die gij niet en moogt bereiken

Met uwen lammen arm, al veel te kort en stram,

En, voor dien scepter eêl, van dijnen geitschen ram

De kromme hoornen grijpt, 'twelk beter u zal voegen,

Of 't kouter, om de borst des akkers te doorploegen,

Dan[268]'t Palestijnsche land.

MOZES.

MOZES.

Israël onbezorgdHeeft God tot eenen Schild en tot een vaste Borgt,Den grootsten Kapitein; dien Hij wil overvallenEn baat geen preuts[269]gebergt' van opgeworpen wallen,Noch diepe vesting van een grondelooze zee,Noch bogen, noch geflits, noch zwaarden uit der scheê,Noch vele wapentuig, noch 's werelds oorlogsheirenIn een slagordening en mochten zich verweerenVoor zijnen sterken arm, die naauw verheven schierOm[270]strijden, al omvlecht[271]is met den lauwerier.

Israël onbezorgd

Heeft God tot eenen Schild en tot een vaste Borgt,

Den grootsten Kapitein; dien Hij wil overvallen

En baat geen preuts[269]gebergt' van opgeworpen wallen,

Noch diepe vesting van een grondelooze zee,

Noch bogen, noch geflits, noch zwaarden uit der scheê,

Noch vele wapentuig, noch 's werelds oorlogsheiren

In een slagordening en mochten zich verweeren

Voor zijnen sterken arm, die naauw verheven schier

Om[270]strijden, al omvlecht[271]is met den lauwerier.

FARAO.

FARAO.

En of 't land openstond van alle Filistijnen,Hoe raakt gij door de dorre Arabische woestijnen,'t Onvruchtbaar woeste veld, de doornen wildernis,Daar niet min ruig gediert' als wild geboomte en is;Daar is noch vrucht tot spijs, noch vochtigheid om[270]laven,'t Waar pas[272]een kerkhof om u t' zamen te begraven.

En of 't land openstond van alle Filistijnen,

Hoe raakt gij door de dorre Arabische woestijnen,

't Onvruchtbaar woeste veld, de doornen wildernis,

Daar niet min ruig gediert' als wild geboomte en is;

Daar is noch vrucht tot spijs, noch vochtigheid om[270]laven,

't Waar pas[272]een kerkhof om u t' zamen te begraven.

AARON.

AARON.

Die met zijn waterpas bepaalt de groote zee,En heeft gecompasseerd[273]den boord van ieder reê,Die 's hemels vouten[274]schoon te zamen heeft gewrongen,En 't aardsche centrum[275]zwaar houdt allezins gedrongen,Heeft lang den weg bereid, heeft lang het pad gebaandVoor 't volk van zijn Verbond, die stoutlijk en verwaandGij aan uw opzet boeit, en durft nog 't hoofd opstekenAls of het aan de macht des Hemels zoû gebreken,Te bliksemen den trots van uw hardnekkigheid,Daar u de vinger van Gods hooge MajesteitZoo streng heeft aangetast! eylacen! wordt eens wijzer,En nog de wraak verstompt van zijn rechtvaardig ijzer[276],Waar mede hy u dreigt.

Die met zijn waterpas bepaalt de groote zee,

En heeft gecompasseerd[273]den boord van ieder reê,

Die 's hemels vouten[274]schoon te zamen heeft gewrongen,

En 't aardsche centrum[275]zwaar houdt allezins gedrongen,

Heeft lang den weg bereid, heeft lang het pad gebaand

Voor 't volk van zijn Verbond, die stoutlijk en verwaand

Gij aan uw opzet boeit, en durft nog 't hoofd opsteken

Als of het aan de macht des Hemels zoû gebreken,

Te bliksemen den trots van uw hardnekkigheid,

Daar u de vinger van Gods hooge Majesteit

Zoo streng heeft aangetast! eylacen! wordt eens wijzer,

En nog de wraak verstompt van zijn rechtvaardig ijzer[276],

Waar mede hy u dreigt.

FARAO.

FARAO.

Rebellen altemaal,Trekt henen, maar ik wil, ik wil uw BeestiaalHier blijf tot roof en buit. Trekt henen uwer straten[277].

Rebellen altemaal,

Trekt henen, maar ik wil, ik wil uw Beestiaal

Hier blijf tot roof en buit. Trekt henen uwer straten[277].

MOZES.

MOZES.

Wij zullen van ons vee geen klaauw hier achter laten.

Wij zullen van ons vee geen klaauw hier achter laten.

FARAO.

FARAO.

Zoo blijft dan die gij zijt! Hoe, zullen dees HebreênOns trotsen? Neen, eer werd den alderleegsten[278]steenMemfidis omgekeerd. Het vee dat zal hier blijven,Trekt met uw kinders heen, uw hoeren en uw wijven!

Zoo blijft dan die gij zijt! Hoe, zullen dees Hebreên

Ons trotsen? Neen, eer werd den alderleegsten[278]steen

Memfidis omgekeerd. Het vee dat zal hier blijven,

Trekt met uw kinders heen, uw hoeren en uw wijven!

AARON.

AARON.

Waar 't vee blijft, blijven wij, grootmogende monarch!Als wij gekomen zijn bij Sinaï den berg,Wij God een offerand[279]van ossen ofte stierenOp 't heilige gesteent dankbarig moeten vieren,Tot eenen zoeten reuk, en tot een teeken blij,Dat hij ons heeft verlost van al ons slavernij;De palen zijnes wets wy niet en overtreden,Dus oorloft[280]ons vertrek, en hoort zijn stemme heden!

Waar 't vee blijft, blijven wij, grootmogende monarch!

Als wij gekomen zijn bij Sinaï den berg,

Wij God een offerand[279]van ossen ofte stieren

Op 't heilige gesteent dankbarig moeten vieren,

Tot eenen zoeten reuk, en tot een teeken blij,

Dat hij ons heeft verlost van al ons slavernij;

De palen zijnes wets wy niet en overtreden,

Dus oorloft[280]ons vertrek, en hoort zijn stemme heden!

FARAO.

FARAO.

In geenderlei manier.

In geenderlei manier.

MOZES.

MOZES.

Zoo blijft de straffe handDes Heeren over u, en over 't gansche land:God zoude eer eenen berg of harde rots bewegen.

Zoo blijft de straffe hand

Des Heeren over u, en over 't gansche land:

God zoude eer eenen berg of harde rots bewegen.

FARAO.

FARAO.

Is hij een rustig haan, hij kraai nog eens te degen;Den sleutel van mijn rijk zij u voor 't lest ontzeîd,En welker tijd gij in mijn tegenwoordigheidHier weêr verschijnen dorst, ik zweer bij mijnen Throone,Misraïms edel hof, en bij mijn groote Kroone,Ik zweer bij dezen staf bepereld en verguld,Dat gij van stonden aan uw kerkhof vinden zult.

Is hij een rustig haan, hij kraai nog eens te degen;

Den sleutel van mijn rijk zij u voor 't lest ontzeîd,

En welker tijd gij in mijn tegenwoordigheid

Hier weêr verschijnen dorst, ik zweer bij mijnen Throone,

Misraïms edel hof, en bij mijn groote Kroone,

Ik zweer bij dezen staf bepereld en verguld,

Dat gij van stonden aan uw kerkhof vinden zult.

(Binnen.)

(Binnen.)

MOZES.

MOZES.

O diamanten hart! o ijzeren nature!

O diamanten hart! o ijzeren nature!

AARON.

AARON.

Het ijzer wordt gedweeg int gloeyen van den vure,Den diamant, hoe hard, verzachtet[281]bokkenbloed.Maar dezen blijft verstokt, versteend in zijn gemoed.

Het ijzer wordt gedweeg int gloeyen van den vure,

Den diamant, hoe hard, verzachtet[281]bokkenbloed.

Maar dezen blijft verstokt, versteend in zijn gemoed.

MOZES.

MOZES.

't Glas van ons slavernij is niettemin verloopen.Ik zie, ik zie den weg tot ons verlossing open,Egypten ziet om hoog, het zweerd is uit der schee,Dies Jacob morgen licht zijn anker van dees reê.Binnen.

't Glas van ons slavernij is niettemin verloopen.

Ik zie, ik zie den weg tot ons verlossing open,

Egypten ziet om hoog, het zweerd is uit der schee,

Dies Jacob morgen licht zijn anker van dees reê.

Binnen.

KOOR.

KOOR.

En met heur kromme hoornen naakt[282]Vast eenen halven cirkel maakt,Werd[283]den Hebree van druk ontbonden,En van 't tyrannig jok ontlast:Ziet, hoe elk juicht met blijden geeste,Ziet, hoe zij nu hun Paasschen-feesteMet vrolijkheid bereiden vast,Hun jaar'ge lammerkens zij slachten,Met dat de schaduw zich uitstrektEn 'sHemels oog zijn licht vertrekt[284],Om schuylen inde water-grachten.

En met heur kromme hoornen naakt[282]

Vast eenen halven cirkel maakt,

Werd[283]den Hebree van druk ontbonden,

En van 't tyrannig jok ontlast:

Ziet, hoe elk juicht met blijden geeste,

Ziet, hoe zij nu hun Paasschen-feeste

Met vrolijkheid bereiden vast,

Hun jaar'ge lammerkens zij slachten,

Met dat de schaduw zich uitstrekt

En 'sHemels oog zijn licht vertrekt[284],

Om schuylen inde water-grachten.

Ziet, hoe zij, met de roode stralenVan 't zuiver Lams verkoren bloed,De dorpels ende[285]posten vroed[286],Van hare poorten vast bemalen[287]:O heilig klaar ken-teeken! omTe vrijden[288]al uw eerstgeborenVoor d'Engel, die in 's Heeren toorenGaat maayen, met een zeissen krom,Al de eerstelingen vanden Nijle:Al de eersten, die uit 's moeders schootBeschouwden F[oe]bi stralen rood,Door-schicht[289]hij met een hemel-pijle.

Ziet, hoe zij, met de roode stralen

Van 't zuiver Lams verkoren bloed,

De dorpels ende[285]posten vroed[286],

Van hare poorten vast bemalen[287]:

O heilig klaar ken-teeken! om

Te vrijden[288]al uw eerstgeboren

Voor d'Engel, die in 's Heeren tooren

Gaat maayen, met een zeissen krom,

Al de eerstelingen vanden Nijle:

Al de eersten, die uit 's moeders schoot

Beschouwden F[oe]bi stralen rood,

Door-schicht[289]hij met een hemel-pijle.

De Israëlieten rusten twijlen[290]Hun[291]toe naar 's Heeren wil en eisch.Om hun[291]te geven op de reisVan zoo veel stadiën en mijlen:De lammerkens, die nu gedoodZijn, zij gaan voor den vure speten[292]Daarna met bitter sausse op-eten,Met zurig[293]ongeheveld brood,Omgord, geschoeid, den staf in handen,Een ieder vlijtig 't lamken eetAl staande, als wandel-gasten, reed[294]Om scheiden van de Nijlsche stranden.

De Israëlieten rusten twijlen[290]

Hun[291]toe naar 's Heeren wil en eisch.

Om hun[291]te geven op de reis

Van zoo veel stadiën en mijlen:

De lammerkens, die nu gedood

Zijn, zij gaan voor den vure speten[292]

Daarna met bitter sausse op-eten,

Met zurig[293]ongeheveld brood,

Omgord, geschoeid, den staf in handen,

Een ieder vlijtig 't lamken eet

Al staande, als wandel-gasten, reed[294]

Om scheiden van de Nijlsche stranden.

"Schoon morgen-rood, begint te blozen!"Zij met verlangen roepen t' zaam;"Komt, werpt uw stralen aangenaam,Eens in ons blijdschap over Gozen!Blaauw hemels licht! doorschijnt de locht,Beschaamt den zilver-schijn der manen[295],En distilleert de pereltranen,Die van ons wangen rollen vocht,Niet meer van droefheid als voorhenen,Maar al van blijdschap en van vreugd,Om dat den Hebree met geneugtZijn zoete vrijheid is verschenen."

"Schoon morgen-rood, begint te blozen!"

Zij met verlangen roepen t' zaam;

"Komt, werpt uw stralen aangenaam,

Eens in ons blijdschap over Gozen!

Blaauw hemels licht! doorschijnt de locht,

Beschaamt den zilver-schijn der manen[295],

En distilleert de pereltranen,

Die van ons wangen rollen vocht,

Niet meer van droefheid als voorhenen,

Maar al van blijdschap en van vreugd,

Om dat den Hebree met geneugt

Zijn zoete vrijheid is verschenen."

O zoete vrijheid! wat een kroningDunkt u den genen, die verrukt[296]Nu zoo vele eeuwen heeft gedrukt't Slaafsch jok van een tirannig koning!Ofschoon 't wild vogelken met lustInt korfken tiereliert en fluitertEn inde traly, twijl[297]het tjuitert,Verdient 't gekochte zaad gerust,'t Zou liever inde takskens schieten,En klieven met zijn vlerkskens locht[298]Den blaauwen hemel, zoo het mochtSlechts mager zijnen kost genieten.

O zoete vrijheid! wat een kroning

Dunkt u den genen, die verrukt[296]

Nu zoo vele eeuwen heeft gedrukt

't Slaafsch jok van een tirannig koning!

Ofschoon 't wild vogelken met lust

Int korfken tiereliert en fluitert

En inde traly, twijl[297]het tjuitert,

Verdient 't gekochte zaad gerust,

't Zou liever inde takskens schieten,

En klieven met zijn vlerkskens locht[298]

Den blaauwen hemel, zoo het mocht

Slechts mager zijnen kost genieten.

Waarom versteekt zich inde stoppelsDer bosschen 't hoorn-getakte[299]hert?De ranke hind', waarom zoo hardEn snel vlugt zij voor 's jagers koppels?Waaromme vliedt het schuw konijnEn de achter-lamme[300]bloode hazen,Die als een schaduw weggeblazenZoo fluks in hun zand-holen[300]zijn?De azuren visschen, waarom duikenZij voor 't doorluchtig net zoo ras,Int diepste van het water-glas,Int diepste van Thetydis kruiken[301]?

Waarom versteekt zich inde stoppels

Der bosschen 't hoorn-getakte[299]hert?

De ranke hind', waarom zoo hard

En snel vlugt zij voor 's jagers koppels?

Waaromme vliedt het schuw konijn

En de achter-lamme[300]bloode hazen,

Die als een schaduw weggeblazen

Zoo fluks in hun zand-holen[300]zijn?

De azuren visschen, waarom duiken

Zij voor 't doorluchtig net zoo ras,

Int diepste van het water-glas,

Int diepste van Thetydis kruiken[301]?

Ach! om hun vrijheid, die zoo naakte[302]Een ieder van naturen wisZijn voorhoofd ingeschreven is,Van dat hij eerst int licht geraakte:O driemaal eedle vrijheidskroon!Die Isak d' hoofd-slapen omvlechtet,Waarom de lieve Hemel vechtet,Die met zijn vleugelen ten toonBeschaduwt de Isralietsche benden,En helpt hen uit 't Egyptisch zand,Int rijke Palestijnen land,Uit al hun droefheid en ellenden.

Ach! om hun vrijheid, die zoo naakte[302]

Een ieder van naturen wis

Zijn voorhoofd ingeschreven is,

Van dat hij eerst int licht geraakte:

O driemaal eedle vrijheidskroon!

Die Isak d' hoofd-slapen omvlechtet,

Waarom de lieve Hemel vechtet,

Die met zijn vleugelen ten toon

Beschaduwt de Isralietsche benden,

En helpt hen uit 't Egyptisch zand,

Int rijke Palestijnen land,

Uit al hun droefheid en ellenden.

Twijl Jacob dus van vreugden reyet[303],De heldre witte dag aanbreekt,De gulden zonne 't hoofd opsteekt,Die over Nylus golven spreyet[304]Het stralig licht van zijn flambeel[305],Die haast ontdekt, hoe dees ComedieRijst uit de bloedige TragedieVan Delta's[306]schreyende tooneel,Daar de oudst-geboren voor hun magenOp 't bedde liggen koud en stijf,En laten 't graf hun doode lijf,Dies Isr'el werd van 't jok ontslagen.

Twijl Jacob dus van vreugden reyet[303],

De heldre witte dag aanbreekt,

De gulden zonne 't hoofd opsteekt,

Die over Nylus golven spreyet[304]

Het stralig licht van zijn flambeel[305],

Die haast ontdekt, hoe dees Comedie

Rijst uit de bloedige Tragedie

Van Delta's[306]schreyende tooneel,

Daar de oudst-geboren voor hun magen

Op 't bedde liggen koud en stijf,

En laten 't graf hun doode lijf,

Dies Isr'el werd van 't jok ontslagen.


Back to IndexNext