Chapter 4

FARAO, REI DER EGYPTENAREN.FARAO.Hij, die na mijnen tijd zou Memfis troon beklimmenEn als een kleine God dit aardsch tooneel beschimmen[307],Hij, die[308]op 't hoog gestoelt van 's konings MajesteitDeez dubbel groote kroon alreê was toegezeid,Hij, die niet minder zou als zijn half-Godsch vooroudersIn de edel schoenen treên: en, Athlas, deze schoudersOntlasten van den last die mijnen ouden dagVeel kommerlijker valt dan zij te voren plag:Wiens opgang helder scheen, als't licht der morgenzonnen[309],Den middag grooter hitte en klarigheid te jonnen[310],Wiens rijpe jaren mij veel heils hadden beloofd,—Den eenen Farao den andr'en is ontroofd!Driemalen zij vervloekt de nacht, die met zijn veêrenBespreed[311]heeft Tisifone, Alecton, en Megeren[312],Den Atropos[313], die meer sterflijken heeft ontzield,Dan Astren[314]dezen nacht om ons hebben gewield[315]:O Febus! hadt gij ons gewaarschuwd toch zorgvuldigEer gij uw blonde hoofd en uw paruike guldig[316]Ter kwader tijd vertrokt van[317]onzen horizont,Geheel Egypte waar zoo deerlijk niet doorwondIn zijnen eersten slaap: dat alletijd met tranenZij dezen nacht beschreit, dat nimmer 't licht der manenZijn duisternis doorstraalt: dat nimmermeer 't ghestert[318]Verlicht met heuren glans zijn donker zeilen zwart.O dieftelijke[319]dood! O pest, die ongenadigZijt op den boord van Styx of Acheron[320]beschadig[321]Onzalig voortgebragt, wiens pijlen met vermengdEn doodelijk vergift venijnig zijn besprengd.Vervloekt zij dees Belloon[322], die listig in de wapen[323],Ons met een stille trom bekruipt, wanneer wij slapenDen tijdelijken slaap, en komt verkeeren straf[324]De slapers in een lijk, hun bedden in een graf.REI DER EGYPTENAREN.MAN.Wij offeren ons leed, ons tranen aan de voetenVan 's konings Majesteit, om onzen druk te boeten,Met ons verscheurde kleed, en ons verbleekt gelaat,Waar uit gij leest wat in ons hart geschreven staat:Ons droeve klachten, laas! zijn hoogheid niet en belgen,Den Hemel zal op 't lest ons 't eenemaal verdelgen.Dus[325]lange heeft hij steeds ons vleugelen gekort,En de een op de ander maal den bliksem neêr gestortVan zijne gramschap; ach! ziet, hoe ons velden schijnenNiet dan een wildernis en doornige woestijnen,Ons boomen zijn niet meer met vruchten schoon bekleed,Noch de aarde met geen groen tapijten meer bespreed;De bloemen zijn verwelkt, de kruiden en de loven[326]Zijn met hun lieflijkheid en zoeten reuk verstoven,Waar op Aurora eer met 't krieken van den dagDe tranen van den dauw te distilleeren plag;Zefyris voert niet meer op zijne zachte vlogelsDen blijdenEchovan de zorgelooze vogels,Noch 't zoet gelureluur van Pans veelgaatsche pijp[327]In langen niet gehoord is in dit rond begrijp[328],Het veldsche beestiaal[329]is schielijken gestorven,Den droeven akkerman zijn velden ziet bedorven,Zijn ploegen is vergeefs, zijn zaaisel is onnut,Zijn akkers liggen woest en mager uitgeput,Den herder laat zijn vee, de jager 't woud gehuchtig[330],De bouwer zijne ploeg, de visscher 't net doorluchtig,De vooglaar zijnen strik, daar eertijds 't zorgeloosWild vogelken zoo dik zijn vrijheid in verloos[331].VROUW.Maar, och! ontijdelijk, met dat zich eerst uitstrekteDe schaduw dezes nachts, ontijdelijk ons wekteEen jammerlijk geschrei, als een die onder 's leeuwsGrijp-klaauwen zich alleen verweert met veel geschreeuws;Wij vlogen al verbaasd; ach! 't werd van tijd noch eeuwen,Zoo lang de oudheid[332]ons grijsharig zal besneeuwen,Uit ons gemoed gewischt;]—wij vlogen al verbaasdNaar 't bedde van die ons op 't harte lagen naast;Te spade, eilaas! te spa, de dood ons hier verraste,De pols was weg eer elk al bevende noch tastteNaar 't leven van zijn kind, en ieder moeder zag,Zoo haast als van de kaars scheen eenen lichten dagIn 't droefste van den nacht, in eenen slaap te vasteHet wit ivooren beeld, het schepsel[333]van albasteZijns kinds in 't pluimig bed: elk kreesch[334], elk riep terstondDes spiegels kristalijn op 's kinds verbleekten mond;Maar ziel en leven was vervlogen met den asem,Want 't glazige kristal bleef zuiver zonder wasem,De rozen waren op de kaakskens al verwelkt,'t Koraal, waar met zoo dik dees borsten zijn gemelktWas van de lippen weg, de stralen zonderlingen[335]Van de oogskens vriendelijk (die plachten te doordringenDit moederlijke hart, ach! dat zoo veel verliest!)En flikkerden niet meer, maar waren al bevliesd[336]Van twee winbrauwen droef: dat liever nooit dees oorenEn hadden 't zoete woord van Moeder mogen hooren!Ach, ongevallig einde! ontijdelijke dood!Gij treft met uwen spits die eerst uit 's moeders schootBeschouwden 's Hemels licht;—eilaas! voor al de smerteEn pijn, wats mijnen loon? niet dan 't doorschoten herteVan mijn verkoren bloed; ach! eer gij ooit verreest,Had beter 's moeders buik uw donker tomb[337]geweest:Hoe is dus mijnen troost, hoe is dus mijnen roemeOp eenen nacht verwelkt, gelijk een dorre bloeme!MAN.Of dezen dooden mond nooit vader, vader! riep,Dees wiens liefde in mijn hert begraven lag zoo diep,Die letterlijken stond in mijn gemoed geschreven,De zonne van mijn vreugd, de ziele van mijn leven,Den rechten erfgenaam, en d'aldernaasten oor[338]Van al mijn rijke haaf, van 't goud in mijn thresoor,Ja, 't beeld mijns aangezichts, de wortel, die de vruchtenMijns zaads beloofde voort te brengen met genuchten.Wat is ons leven? ach! wat is ons leven ook?Een liefelijke bloem, bel, bobbel, damp en rookOf smook, die in de lucht verblazen en verzwenen,Gelijk een schaâuw verstuift, en ijdel vliegt daar henen:Het duurt een wijle maar, een tijdeloozen eeuw,En smelt weêr lichter als een witgevlokte sneeuw,Of als een ijzen[339]beeld, twelk spoedig overwonnenZijn statua[340]verliest met 't stralen eender zonnen[341],'t Is als een bliksemslicht[342], dat naauw om[343]schijnen poogtEn mist zijn heerlijkheid met dat het zich vertoogt[344],Een torts[345], die durig schijnt en smeltet al bezweken,Met dat haar lemmet sparkt[346], met dat zij is ontsteken:Hoe vliên ons dagen weg, als waren zij gevlerkt!Ons uren zijn bestemd en onzen tijd beperkt,Ons wiege wordt ons graf, ons leven is verloren,Wanneer wij naauwlijks zijn uit moeders schoot geboren.VROUW.Dus schreiden de ouders vast in zulken harden proefOns oogen vloeiden, laas! als twee fonteinen droef,De zuster om haar zus, de broeder om zijn broederRiep, of nooit uit den schoot van een verkoren moederWij beid' waren geteeld, och! of wij nooit met smertEn pijn hadden gedrukt een zelfde moeders hert;Och! waren wij nooit beide uit éénen bloed geronnen,Noch nooit door eenen ring geraakt int licht der zonnen,Noch van een vader nooit in zijne liefde zoetGewonnen op een koets, noch met de melk gevoedDie uit een ader vloot, noch samen opgevoedsterd;Noch in een wankel wieg met pijnen opgekoesterd;Zoo'n[347]had uw droevig einde, als 't ommers wezen mostOns zoo veel zuchten (laas!) noch tranen niet gekost.Wat hebdy meer misdaan als wij, dat 's doods verstaaldenGescherpten schicht met-een dees borsten niet doorstraalden[348]?O Helschen Atropos! Wie dacht, wien had gedacht[349],Dat gij huns levens draad zoudt korten dezen nacht?Wij hadden uwe komst wel vlijtig waargenomen,En niet den zachten slaap met Lethes[350]laten stroomenOp ons gesloten oog, en nog voor 't laatst adieuDees wangen eens gekust, eer uwe vlimme[351]hieuwEn scheidde ziel en lijf wraakgierig van den andren,Voor eeuwig hadden wij nog eens omhelsd malkandren.Ach! zaliger ist lijk 't welk hier ligt uitgestrekt,Dat nu den rouwe met haar vleugelen bedekt,Als wij, die treurig, om dees droefheid te verzachten,Ons overstelpen in ons tranen en ons klachten.MAN.Tweemaal vijf straffen wij (eilaas!) hebben gevoeld,En worden altijd meer van droefheid nog bespoeld,Den Hemel even streng houdt zijnen boog gespannen;Dies bidden wij: verlaat[352]d'Israëlietsche mannen!Verlatet den Hebreen, ontsluit Egyptenland,Op dat zij hunnen God voldoen zijn offerand;Ontslaat ze toch van 't jok van al hun slavernijen,En wilt ons allen voor een grooter straf bevrijen.FARAO.Zij vluchtet[353]metter ijl, van daar het morgenroodVerrijst, tot daar het licht neêrdaalt in Thetys' schoot,Voor Pluto trekken[353]zij zoo wijd ter Hellen neder,Tot daar zij nimmermeer en keeren herwaarts weder,Zij reizen[353]naar 't besneeuwd en 't koud behijzeld[354]Noord,Tot daar men nimmermeer van hun vertrekken hoort,Zij laten dan den Nijl, die overvloeit van 't goede,Tot daar hun al gelijk moet drukken de arremoede:'t Weêrspannig slaafsch gedrocht, zij loopen al hun bestDie ons gezond klimaat ontsteken als de pest;Zij nemen al hun vee, zij nemen al hun have,En worden op het veld een spijze voor de rave,Zij ruimen 't gansche rijk, zij loopen naar hun dood,En erven Pluto's nest voor eenen zachten schoot.(Binnen).DeREI DER ISRAËLIETENzingt:Hebreên! speelt 's Hemels lofNu op uw luite schoone,Adieu, Misraïms hof!Adieu, Memfidis troone!Adieu, Egypten-land!Adieu, rijksstaf en kroone,Die Nylus zandig strandBeheerscht door Faraone.Adieu, tyrannig jok,Adieu, dienstbarig[355]Gozen!Waar uit de Heer ons trokDoor Aaron en door Mozen.Israël wil[356]'t beloofdCanaän nu gelukken,Daar Juda zijn voorhoofdZal met een kroone drukken.Daar Juda, onder 't lichtEn 't wankel rond der mane,Zijn stoel en zetel stichtBij 't stroomen der Jordane.Gij Filistijnen haast[357],En gij o Jebuzieten!Met Amalek verbaasdMaakt plaats met de Ammonieten.De koning Juda komtPreutsch in uw schoenen treden;O luistert! hoe hij tromt,En nadert met zijn schreden.Dat dijnen hoogmoed daaltVoor die zijn rijk wil vesten,Gelijk den bliksem straaltVant Oosten tot den Westen.Uw grenzen open sluitVoor onzen prins personig[358],En laat tot roof en buitUw melk en uwen honig.Jordaan, die van den topDer heuvelen komt bruisschen,Steekt uw blaauw hoornen op,En laat uw bobbels ruisschen!Golft in d'azuren zee,Zegt de Oceaansche[359]baren,Hoe Juda op uw reêKomt zijnen troon pilaren.Sinaï! maak dy[360]reê,Want op uw hoogte steiligWil smoken doen d' HebreêZijn brandofferen heilig.Dat Horeb eeuwig staatGerezen onder 't maanschijn,En tuigt wie heeft gedwaad[361]De tranen van ons aanschijn.Mensch-stappen[362]zullen eerDes hemels cirkel meten,Dan hunnes konings eerIsraël zal vergeten.Den Engel maakt het spoor,O, laat ons niet verslappen,Ons leidsliên treden voor,Wij volgen hunne stappen.FARAO de koning. ALBINUS, veldhoofdman met zijn heirleger.FARAO.Die niet ontziet den roem zijns scepters te bevlekken,Mag doen als Farao, en laten henen trekkenDe slaven van zijn rijk, die onder 's Hemels wiel[363]Den koning eigen zijn met lichaam en met ziel,Die steeds gehouden zijn den koning toe te wijdenDe vruchten van hun zweet, en honger zelfs te lijden,De slaaf, die 's princen hoofd met een gemarmerd dakMoet overwelven 's daags, en onder 't hemelvlakZelf slapen al den nacht, en dubbel wordt vergouden[364],Wanneer bij zijnen loon hij 't leven mag behouden,Of rekent zijnen heer hem 't schuimsel van der aard,En is hij op de helft naauw zoo veel eere waard,Geen vrijheid komt hem toe, ten zij hij 't mag verwervenDoor zijnes konings gunst, of eindlijk door zijn sterven.Vast hebben dees Hebreên, verdobbeld[365]snoô en valsch,'t Jok van hun dienstbaarheid geschoven van den hals,Door tooverkunst huns Gods, die 't scheen ons zou verdelgenEn heel Egypten in zijn toornigheid verzwelgen,Zoo nu zijn rechte hand verlamd is noch verkort,Hij neem de handschoen op, die hem geboden wordt.Zij zijn wel uit 't gezicht, maar nog niet uit mijn handen,Nog uit hun slavernij, al schijnen ze uit de bandenVan 't slaafsche juk te zijn: Zij werden[366]na gedraafd,En eer den vluggen tijd de bleeke zon begraaft,Zie ik hun achterhaald en onverziens bedrogen,Gelijk de vogel 't net wordt over 't hoofd getogen,En als in 't bladig bosch zoo schielijk 't bloode hertBeschreit zijn vrijheid, alst in strikken is verwerd,Zoo zal ook al betraand 't heirleger der HebreeuwenHun vrijheid zien beroofd voor allen tijd en eeuwen.Tsa, Hoofdman! werwaarts is 't, dat zij getogen zijn?HOOFDMAN.Ontziende 't bloedig staal des preutschen Filistijn,Heer koning! al verbaasd begaf zich dezen zwermeDaar 't rood Arabisch Meers gekromden woesten erme[367]Dit rijk een deel omvangt, en de woestijne dreigt:Gewapend naauwlijks, zij om[368]strijden niet geneigdEn schenen, noch bekwaam ten minste, hun vijandenHet half gelaat te biên, ik late staan hun tandenTe breken met geweld: indien gij dezen reiVervolgt, genadig vorst! voor 't oorlogs veld-geschreiZij raken in de vlugt, en reppen saam hun zolen,Als schaapskudd', die de wolf het herte[369]heeft ontstolen,Om geen beschermen denkt, maar van een bende haastWel honderd benden maakt en vluchtet al verbaasd.FARAO.Welaan, de rossen toomt, om geenen tijd verzuimen.HOOFDMAN.Zij briesschen, en 't gebit huns breidels doen zij schuimen,En zijn met strijdschen moed gespannen int gareel,De wagens toegerust; en 't leger, al geheelGehelmd, gestokt, gestaafd, vierkantig in slagorden,Verlangt, wanneer de tocht zal aangevangen worden.FARAO.Zoo treed' de koning voor, op trommel en trompet!De wapenroovers[370]noodt tot 't bloedige banket,Dat elk zijn hielen ligt, 't is geenen tijd om hinken[371],Nu in 't bestoven veld Mars zijnen schild doet blinken;Krijgt[372]onder zijn banier, hij leidt u aan den dans!Des overwinners hoofd omvlecht den lauwerkrans.Den weg is al gebaand, dus laat ons niet verslappen,Zoo ver te vinden is het spoor van hunne stappen.(Binnen).KOOR.Die den Hemel derft bekrijgen,Zal wel voor een wijl opstijgen,Even als Neptunus' vochtWorpt[373]zijn baren na de locht,Die van zelf in korter stonden[374]Weder vallen in de afgronden,Of gelijk een vlam gezwimd[375],Licht op naar den hemel klimt.Die men wederom zich zelvenIn zijn asschen ziet bedelven:Want de groote goedheid GodsLatet[376]wel den koning trotschOp het hoogste en even dolleWoeden, doch wanneer hun rolleIs ten uitersten volspeeld,Op 't theatrum getoneeld,En wanneer hij met berommen[377]Meent ten hoogsten zijn geklommen,Stoot de godlijke MonarchHem afgrijzig van den berg.Hoe hij was den hemel naarderHoe den val hem is te zwaarder,Hoe hij meerder opwaarts steegHoe hij dieper valt om leeg.Hoe hij meerder rees verkorseld[378]Hoe hij platter valt vermorseld.Dit blijkt aan Farao straf,Die zoo blind'ling loopt naar 't graf;Die in 's Heeren straffe tijdigBlijft verstokt, versteend partijdig,Daar een ieder roê, als vriend,Hem tot beteringe dient:Want de strengheid Gods ten lestenIedereen kastijdt ten besten,En zijn geessel al begrijsd[379]Op een grooter roede wijst.Wie dan, in der zonnen luister,Sluit zijn oogen in het duister,Wie de aankloppers van 't gemoed's Herten deur niet open doet:Wie zoo vele donderslagen,Luiden laat voor ijdel vlagen,Op het onverzienste bald[380]'s Heeren bliksem overvalt:Gelijk dezen koning prachtig,Die[381]geen teekenen aandachtigMochten leiden uit den tredVan zijn obstinaat opzet.Dies de Heere t' eenenmalenHem onttrekt de helder stralenVan zijn hemelsch aangezicht,En verduistert hem in 't licht,In verkeerdheid overgeven,Tot hij eindelijk gedreven,Even als een roerloos schip,Drijft al blind'ling op de klipVan zijn overgeven boosheid,Van zijn stoute goddeloosheid,In den afgrond en 't verleid[382]Van zijn overgevenheid.

FARAO, REI DER EGYPTENAREN.

FARAO, REI DER EGYPTENAREN.

FARAO.

FARAO.

Hij, die na mijnen tijd zou Memfis troon beklimmenEn als een kleine God dit aardsch tooneel beschimmen[307],Hij, die[308]op 't hoog gestoelt van 's konings MajesteitDeez dubbel groote kroon alreê was toegezeid,Hij, die niet minder zou als zijn half-Godsch vooroudersIn de edel schoenen treên: en, Athlas, deze schoudersOntlasten van den last die mijnen ouden dagVeel kommerlijker valt dan zij te voren plag:Wiens opgang helder scheen, als't licht der morgenzonnen[309],Den middag grooter hitte en klarigheid te jonnen[310],Wiens rijpe jaren mij veel heils hadden beloofd,—Den eenen Farao den andr'en is ontroofd!Driemalen zij vervloekt de nacht, die met zijn veêrenBespreed[311]heeft Tisifone, Alecton, en Megeren[312],Den Atropos[313], die meer sterflijken heeft ontzield,Dan Astren[314]dezen nacht om ons hebben gewield[315]:O Febus! hadt gij ons gewaarschuwd toch zorgvuldigEer gij uw blonde hoofd en uw paruike guldig[316]Ter kwader tijd vertrokt van[317]onzen horizont,Geheel Egypte waar zoo deerlijk niet doorwondIn zijnen eersten slaap: dat alletijd met tranenZij dezen nacht beschreit, dat nimmer 't licht der manenZijn duisternis doorstraalt: dat nimmermeer 't ghestert[318]Verlicht met heuren glans zijn donker zeilen zwart.O dieftelijke[319]dood! O pest, die ongenadigZijt op den boord van Styx of Acheron[320]beschadig[321]Onzalig voortgebragt, wiens pijlen met vermengdEn doodelijk vergift venijnig zijn besprengd.Vervloekt zij dees Belloon[322], die listig in de wapen[323],Ons met een stille trom bekruipt, wanneer wij slapenDen tijdelijken slaap, en komt verkeeren straf[324]De slapers in een lijk, hun bedden in een graf.

Hij, die na mijnen tijd zou Memfis troon beklimmen

En als een kleine God dit aardsch tooneel beschimmen[307],

Hij, die[308]op 't hoog gestoelt van 's konings Majesteit

Deez dubbel groote kroon alreê was toegezeid,

Hij, die niet minder zou als zijn half-Godsch voorouders

In de edel schoenen treên: en, Athlas, deze schouders

Ontlasten van den last die mijnen ouden dag

Veel kommerlijker valt dan zij te voren plag:

Wiens opgang helder scheen, als't licht der morgenzonnen[309],

Den middag grooter hitte en klarigheid te jonnen[310],

Wiens rijpe jaren mij veel heils hadden beloofd,—

Den eenen Farao den andr'en is ontroofd!

Driemalen zij vervloekt de nacht, die met zijn veêren

Bespreed[311]heeft Tisifone, Alecton, en Megeren[312],

Den Atropos[313], die meer sterflijken heeft ontzield,

Dan Astren[314]dezen nacht om ons hebben gewield[315]:

O Febus! hadt gij ons gewaarschuwd toch zorgvuldig

Eer gij uw blonde hoofd en uw paruike guldig[316]

Ter kwader tijd vertrokt van[317]onzen horizont,

Geheel Egypte waar zoo deerlijk niet doorwond

In zijnen eersten slaap: dat alletijd met tranen

Zij dezen nacht beschreit, dat nimmer 't licht der manen

Zijn duisternis doorstraalt: dat nimmermeer 't ghestert[318]

Verlicht met heuren glans zijn donker zeilen zwart.

O dieftelijke[319]dood! O pest, die ongenadig

Zijt op den boord van Styx of Acheron[320]beschadig[321]

Onzalig voortgebragt, wiens pijlen met vermengd

En doodelijk vergift venijnig zijn besprengd.

Vervloekt zij dees Belloon[322], die listig in de wapen[323],

Ons met een stille trom bekruipt, wanneer wij slapen

Den tijdelijken slaap, en komt verkeeren straf[324]

De slapers in een lijk, hun bedden in een graf.

REI DER EGYPTENAREN.

REI DER EGYPTENAREN.

MAN.

MAN.

Wij offeren ons leed, ons tranen aan de voetenVan 's konings Majesteit, om onzen druk te boeten,Met ons verscheurde kleed, en ons verbleekt gelaat,Waar uit gij leest wat in ons hart geschreven staat:Ons droeve klachten, laas! zijn hoogheid niet en belgen,Den Hemel zal op 't lest ons 't eenemaal verdelgen.Dus[325]lange heeft hij steeds ons vleugelen gekort,En de een op de ander maal den bliksem neêr gestortVan zijne gramschap; ach! ziet, hoe ons velden schijnenNiet dan een wildernis en doornige woestijnen,Ons boomen zijn niet meer met vruchten schoon bekleed,Noch de aarde met geen groen tapijten meer bespreed;De bloemen zijn verwelkt, de kruiden en de loven[326]Zijn met hun lieflijkheid en zoeten reuk verstoven,Waar op Aurora eer met 't krieken van den dagDe tranen van den dauw te distilleeren plag;Zefyris voert niet meer op zijne zachte vlogelsDen blijdenEchovan de zorgelooze vogels,Noch 't zoet gelureluur van Pans veelgaatsche pijp[327]In langen niet gehoord is in dit rond begrijp[328],Het veldsche beestiaal[329]is schielijken gestorven,Den droeven akkerman zijn velden ziet bedorven,Zijn ploegen is vergeefs, zijn zaaisel is onnut,Zijn akkers liggen woest en mager uitgeput,Den herder laat zijn vee, de jager 't woud gehuchtig[330],De bouwer zijne ploeg, de visscher 't net doorluchtig,De vooglaar zijnen strik, daar eertijds 't zorgeloosWild vogelken zoo dik zijn vrijheid in verloos[331].

Wij offeren ons leed, ons tranen aan de voeten

Van 's konings Majesteit, om onzen druk te boeten,

Met ons verscheurde kleed, en ons verbleekt gelaat,

Waar uit gij leest wat in ons hart geschreven staat:

Ons droeve klachten, laas! zijn hoogheid niet en belgen,

Den Hemel zal op 't lest ons 't eenemaal verdelgen.

Dus[325]lange heeft hij steeds ons vleugelen gekort,

En de een op de ander maal den bliksem neêr gestort

Van zijne gramschap; ach! ziet, hoe ons velden schijnen

Niet dan een wildernis en doornige woestijnen,

Ons boomen zijn niet meer met vruchten schoon bekleed,

Noch de aarde met geen groen tapijten meer bespreed;

De bloemen zijn verwelkt, de kruiden en de loven[326]

Zijn met hun lieflijkheid en zoeten reuk verstoven,

Waar op Aurora eer met 't krieken van den dag

De tranen van den dauw te distilleeren plag;

Zefyris voert niet meer op zijne zachte vlogels

Den blijdenEchovan de zorgelooze vogels,

Noch 't zoet gelureluur van Pans veelgaatsche pijp[327]

In langen niet gehoord is in dit rond begrijp[328],

Het veldsche beestiaal[329]is schielijken gestorven,

Den droeven akkerman zijn velden ziet bedorven,

Zijn ploegen is vergeefs, zijn zaaisel is onnut,

Zijn akkers liggen woest en mager uitgeput,

Den herder laat zijn vee, de jager 't woud gehuchtig[330],

De bouwer zijne ploeg, de visscher 't net doorluchtig,

De vooglaar zijnen strik, daar eertijds 't zorgeloos

Wild vogelken zoo dik zijn vrijheid in verloos[331].

VROUW.

VROUW.

Maar, och! ontijdelijk, met dat zich eerst uitstrekteDe schaduw dezes nachts, ontijdelijk ons wekteEen jammerlijk geschrei, als een die onder 's leeuwsGrijp-klaauwen zich alleen verweert met veel geschreeuws;Wij vlogen al verbaasd; ach! 't werd van tijd noch eeuwen,Zoo lang de oudheid[332]ons grijsharig zal besneeuwen,Uit ons gemoed gewischt;]—wij vlogen al verbaasdNaar 't bedde van die ons op 't harte lagen naast;Te spade, eilaas! te spa, de dood ons hier verraste,De pols was weg eer elk al bevende noch tastteNaar 't leven van zijn kind, en ieder moeder zag,Zoo haast als van de kaars scheen eenen lichten dagIn 't droefste van den nacht, in eenen slaap te vasteHet wit ivooren beeld, het schepsel[333]van albasteZijns kinds in 't pluimig bed: elk kreesch[334], elk riep terstondDes spiegels kristalijn op 's kinds verbleekten mond;Maar ziel en leven was vervlogen met den asem,Want 't glazige kristal bleef zuiver zonder wasem,De rozen waren op de kaakskens al verwelkt,'t Koraal, waar met zoo dik dees borsten zijn gemelktWas van de lippen weg, de stralen zonderlingen[335]Van de oogskens vriendelijk (die plachten te doordringenDit moederlijke hart, ach! dat zoo veel verliest!)En flikkerden niet meer, maar waren al bevliesd[336]Van twee winbrauwen droef: dat liever nooit dees oorenEn hadden 't zoete woord van Moeder mogen hooren!Ach, ongevallig einde! ontijdelijke dood!Gij treft met uwen spits die eerst uit 's moeders schootBeschouwden 's Hemels licht;—eilaas! voor al de smerteEn pijn, wats mijnen loon? niet dan 't doorschoten herteVan mijn verkoren bloed; ach! eer gij ooit verreest,Had beter 's moeders buik uw donker tomb[337]geweest:Hoe is dus mijnen troost, hoe is dus mijnen roemeOp eenen nacht verwelkt, gelijk een dorre bloeme!

Maar, och! ontijdelijk, met dat zich eerst uitstrekte

De schaduw dezes nachts, ontijdelijk ons wekte

Een jammerlijk geschrei, als een die onder 's leeuws

Grijp-klaauwen zich alleen verweert met veel geschreeuws;

Wij vlogen al verbaasd; ach! 't werd van tijd noch eeuwen,

Zoo lang de oudheid[332]ons grijsharig zal besneeuwen,

Uit ons gemoed gewischt;]—wij vlogen al verbaasd

Naar 't bedde van die ons op 't harte lagen naast;

Te spade, eilaas! te spa, de dood ons hier verraste,

De pols was weg eer elk al bevende noch tastte

Naar 't leven van zijn kind, en ieder moeder zag,

Zoo haast als van de kaars scheen eenen lichten dag

In 't droefste van den nacht, in eenen slaap te vaste

Het wit ivooren beeld, het schepsel[333]van albaste

Zijns kinds in 't pluimig bed: elk kreesch[334], elk riep terstond

Des spiegels kristalijn op 's kinds verbleekten mond;

Maar ziel en leven was vervlogen met den asem,

Want 't glazige kristal bleef zuiver zonder wasem,

De rozen waren op de kaakskens al verwelkt,

't Koraal, waar met zoo dik dees borsten zijn gemelkt

Was van de lippen weg, de stralen zonderlingen[335]

Van de oogskens vriendelijk (die plachten te doordringen

Dit moederlijke hart, ach! dat zoo veel verliest!)

En flikkerden niet meer, maar waren al bevliesd[336]

Van twee winbrauwen droef: dat liever nooit dees ooren

En hadden 't zoete woord van Moeder mogen hooren!

Ach, ongevallig einde! ontijdelijke dood!

Gij treft met uwen spits die eerst uit 's moeders schoot

Beschouwden 's Hemels licht;—eilaas! voor al de smerte

En pijn, wats mijnen loon? niet dan 't doorschoten herte

Van mijn verkoren bloed; ach! eer gij ooit verreest,

Had beter 's moeders buik uw donker tomb[337]geweest:

Hoe is dus mijnen troost, hoe is dus mijnen roeme

Op eenen nacht verwelkt, gelijk een dorre bloeme!

MAN.

MAN.

Of dezen dooden mond nooit vader, vader! riep,Dees wiens liefde in mijn hert begraven lag zoo diep,Die letterlijken stond in mijn gemoed geschreven,De zonne van mijn vreugd, de ziele van mijn leven,Den rechten erfgenaam, en d'aldernaasten oor[338]Van al mijn rijke haaf, van 't goud in mijn thresoor,Ja, 't beeld mijns aangezichts, de wortel, die de vruchtenMijns zaads beloofde voort te brengen met genuchten.Wat is ons leven? ach! wat is ons leven ook?Een liefelijke bloem, bel, bobbel, damp en rookOf smook, die in de lucht verblazen en verzwenen,Gelijk een schaâuw verstuift, en ijdel vliegt daar henen:Het duurt een wijle maar, een tijdeloozen eeuw,En smelt weêr lichter als een witgevlokte sneeuw,Of als een ijzen[339]beeld, twelk spoedig overwonnenZijn statua[340]verliest met 't stralen eender zonnen[341],'t Is als een bliksemslicht[342], dat naauw om[343]schijnen poogtEn mist zijn heerlijkheid met dat het zich vertoogt[344],Een torts[345], die durig schijnt en smeltet al bezweken,Met dat haar lemmet sparkt[346], met dat zij is ontsteken:Hoe vliên ons dagen weg, als waren zij gevlerkt!Ons uren zijn bestemd en onzen tijd beperkt,Ons wiege wordt ons graf, ons leven is verloren,Wanneer wij naauwlijks zijn uit moeders schoot geboren.

Of dezen dooden mond nooit vader, vader! riep,

Dees wiens liefde in mijn hert begraven lag zoo diep,

Die letterlijken stond in mijn gemoed geschreven,

De zonne van mijn vreugd, de ziele van mijn leven,

Den rechten erfgenaam, en d'aldernaasten oor[338]

Van al mijn rijke haaf, van 't goud in mijn thresoor,

Ja, 't beeld mijns aangezichts, de wortel, die de vruchten

Mijns zaads beloofde voort te brengen met genuchten.

Wat is ons leven? ach! wat is ons leven ook?

Een liefelijke bloem, bel, bobbel, damp en rook

Of smook, die in de lucht verblazen en verzwenen,

Gelijk een schaâuw verstuift, en ijdel vliegt daar henen:

Het duurt een wijle maar, een tijdeloozen eeuw,

En smelt weêr lichter als een witgevlokte sneeuw,

Of als een ijzen[339]beeld, twelk spoedig overwonnen

Zijn statua[340]verliest met 't stralen eender zonnen[341],

't Is als een bliksemslicht[342], dat naauw om[343]schijnen poogt

En mist zijn heerlijkheid met dat het zich vertoogt[344],

Een torts[345], die durig schijnt en smeltet al bezweken,

Met dat haar lemmet sparkt[346], met dat zij is ontsteken:

Hoe vliên ons dagen weg, als waren zij gevlerkt!

Ons uren zijn bestemd en onzen tijd beperkt,

Ons wiege wordt ons graf, ons leven is verloren,

Wanneer wij naauwlijks zijn uit moeders schoot geboren.

VROUW.

VROUW.

Dus schreiden de ouders vast in zulken harden proefOns oogen vloeiden, laas! als twee fonteinen droef,De zuster om haar zus, de broeder om zijn broederRiep, of nooit uit den schoot van een verkoren moederWij beid' waren geteeld, och! of wij nooit met smertEn pijn hadden gedrukt een zelfde moeders hert;Och! waren wij nooit beide uit éénen bloed geronnen,Noch nooit door eenen ring geraakt int licht der zonnen,Noch van een vader nooit in zijne liefde zoetGewonnen op een koets, noch met de melk gevoedDie uit een ader vloot, noch samen opgevoedsterd;Noch in een wankel wieg met pijnen opgekoesterd;Zoo'n[347]had uw droevig einde, als 't ommers wezen mostOns zoo veel zuchten (laas!) noch tranen niet gekost.Wat hebdy meer misdaan als wij, dat 's doods verstaaldenGescherpten schicht met-een dees borsten niet doorstraalden[348]?O Helschen Atropos! Wie dacht, wien had gedacht[349],Dat gij huns levens draad zoudt korten dezen nacht?Wij hadden uwe komst wel vlijtig waargenomen,En niet den zachten slaap met Lethes[350]laten stroomenOp ons gesloten oog, en nog voor 't laatst adieuDees wangen eens gekust, eer uwe vlimme[351]hieuwEn scheidde ziel en lijf wraakgierig van den andren,Voor eeuwig hadden wij nog eens omhelsd malkandren.Ach! zaliger ist lijk 't welk hier ligt uitgestrekt,Dat nu den rouwe met haar vleugelen bedekt,Als wij, die treurig, om dees droefheid te verzachten,Ons overstelpen in ons tranen en ons klachten.

Dus schreiden de ouders vast in zulken harden proef

Ons oogen vloeiden, laas! als twee fonteinen droef,

De zuster om haar zus, de broeder om zijn broeder

Riep, of nooit uit den schoot van een verkoren moeder

Wij beid' waren geteeld, och! of wij nooit met smert

En pijn hadden gedrukt een zelfde moeders hert;

Och! waren wij nooit beide uit éénen bloed geronnen,

Noch nooit door eenen ring geraakt int licht der zonnen,

Noch van een vader nooit in zijne liefde zoet

Gewonnen op een koets, noch met de melk gevoed

Die uit een ader vloot, noch samen opgevoedsterd;

Noch in een wankel wieg met pijnen opgekoesterd;

Zoo'n[347]had uw droevig einde, als 't ommers wezen most

Ons zoo veel zuchten (laas!) noch tranen niet gekost.

Wat hebdy meer misdaan als wij, dat 's doods verstaalden

Gescherpten schicht met-een dees borsten niet doorstraalden[348]?

O Helschen Atropos! Wie dacht, wien had gedacht[349],

Dat gij huns levens draad zoudt korten dezen nacht?

Wij hadden uwe komst wel vlijtig waargenomen,

En niet den zachten slaap met Lethes[350]laten stroomen

Op ons gesloten oog, en nog voor 't laatst adieu

Dees wangen eens gekust, eer uwe vlimme[351]hieuw

En scheidde ziel en lijf wraakgierig van den andren,

Voor eeuwig hadden wij nog eens omhelsd malkandren.

Ach! zaliger ist lijk 't welk hier ligt uitgestrekt,

Dat nu den rouwe met haar vleugelen bedekt,

Als wij, die treurig, om dees droefheid te verzachten,

Ons overstelpen in ons tranen en ons klachten.

MAN.

MAN.

Tweemaal vijf straffen wij (eilaas!) hebben gevoeld,En worden altijd meer van droefheid nog bespoeld,Den Hemel even streng houdt zijnen boog gespannen;Dies bidden wij: verlaat[352]d'Israëlietsche mannen!Verlatet den Hebreen, ontsluit Egyptenland,Op dat zij hunnen God voldoen zijn offerand;Ontslaat ze toch van 't jok van al hun slavernijen,En wilt ons allen voor een grooter straf bevrijen.

Tweemaal vijf straffen wij (eilaas!) hebben gevoeld,

En worden altijd meer van droefheid nog bespoeld,

Den Hemel even streng houdt zijnen boog gespannen;

Dies bidden wij: verlaat[352]d'Israëlietsche mannen!

Verlatet den Hebreen, ontsluit Egyptenland,

Op dat zij hunnen God voldoen zijn offerand;

Ontslaat ze toch van 't jok van al hun slavernijen,

En wilt ons allen voor een grooter straf bevrijen.

FARAO.

FARAO.

Zij vluchtet[353]metter ijl, van daar het morgenroodVerrijst, tot daar het licht neêrdaalt in Thetys' schoot,Voor Pluto trekken[353]zij zoo wijd ter Hellen neder,Tot daar zij nimmermeer en keeren herwaarts weder,Zij reizen[353]naar 't besneeuwd en 't koud behijzeld[354]Noord,Tot daar men nimmermeer van hun vertrekken hoort,Zij laten dan den Nijl, die overvloeit van 't goede,Tot daar hun al gelijk moet drukken de arremoede:'t Weêrspannig slaafsch gedrocht, zij loopen al hun bestDie ons gezond klimaat ontsteken als de pest;Zij nemen al hun vee, zij nemen al hun have,En worden op het veld een spijze voor de rave,Zij ruimen 't gansche rijk, zij loopen naar hun dood,En erven Pluto's nest voor eenen zachten schoot.(Binnen).

Zij vluchtet[353]metter ijl, van daar het morgenrood

Verrijst, tot daar het licht neêrdaalt in Thetys' schoot,

Voor Pluto trekken[353]zij zoo wijd ter Hellen neder,

Tot daar zij nimmermeer en keeren herwaarts weder,

Zij reizen[353]naar 't besneeuwd en 't koud behijzeld[354]Noord,

Tot daar men nimmermeer van hun vertrekken hoort,

Zij laten dan den Nijl, die overvloeit van 't goede,

Tot daar hun al gelijk moet drukken de arremoede:

't Weêrspannig slaafsch gedrocht, zij loopen al hun best

Die ons gezond klimaat ontsteken als de pest;

Zij nemen al hun vee, zij nemen al hun have,

En worden op het veld een spijze voor de rave,

Zij ruimen 't gansche rijk, zij loopen naar hun dood,

En erven Pluto's nest voor eenen zachten schoot.

(Binnen).

DeREI DER ISRAËLIETENzingt:

DeREI DER ISRAËLIETENzingt:

Hebreên! speelt 's Hemels lofNu op uw luite schoone,Adieu, Misraïms hof!Adieu, Memfidis troone!

Hebreên! speelt 's Hemels lof

Nu op uw luite schoone,

Adieu, Misraïms hof!

Adieu, Memfidis troone!

Adieu, Egypten-land!Adieu, rijksstaf en kroone,Die Nylus zandig strandBeheerscht door Faraone.

Adieu, Egypten-land!

Adieu, rijksstaf en kroone,

Die Nylus zandig strand

Beheerscht door Faraone.

Adieu, tyrannig jok,Adieu, dienstbarig[355]Gozen!Waar uit de Heer ons trokDoor Aaron en door Mozen.

Adieu, tyrannig jok,

Adieu, dienstbarig[355]Gozen!

Waar uit de Heer ons trok

Door Aaron en door Mozen.

Israël wil[356]'t beloofdCanaän nu gelukken,Daar Juda zijn voorhoofdZal met een kroone drukken.

Israël wil[356]'t beloofd

Canaän nu gelukken,

Daar Juda zijn voorhoofd

Zal met een kroone drukken.

Daar Juda, onder 't lichtEn 't wankel rond der mane,Zijn stoel en zetel stichtBij 't stroomen der Jordane.

Daar Juda, onder 't licht

En 't wankel rond der mane,

Zijn stoel en zetel sticht

Bij 't stroomen der Jordane.

Gij Filistijnen haast[357],En gij o Jebuzieten!Met Amalek verbaasdMaakt plaats met de Ammonieten.

Gij Filistijnen haast[357],

En gij o Jebuzieten!

Met Amalek verbaasd

Maakt plaats met de Ammonieten.

De koning Juda komtPreutsch in uw schoenen treden;O luistert! hoe hij tromt,En nadert met zijn schreden.

De koning Juda komt

Preutsch in uw schoenen treden;

O luistert! hoe hij tromt,

En nadert met zijn schreden.

Dat dijnen hoogmoed daaltVoor die zijn rijk wil vesten,Gelijk den bliksem straaltVant Oosten tot den Westen.

Dat dijnen hoogmoed daalt

Voor die zijn rijk wil vesten,

Gelijk den bliksem straalt

Vant Oosten tot den Westen.

Uw grenzen open sluitVoor onzen prins personig[358],En laat tot roof en buitUw melk en uwen honig.

Uw grenzen open sluit

Voor onzen prins personig[358],

En laat tot roof en buit

Uw melk en uwen honig.

Jordaan, die van den topDer heuvelen komt bruisschen,Steekt uw blaauw hoornen op,En laat uw bobbels ruisschen!

Jordaan, die van den top

Der heuvelen komt bruisschen,

Steekt uw blaauw hoornen op,

En laat uw bobbels ruisschen!

Golft in d'azuren zee,Zegt de Oceaansche[359]baren,Hoe Juda op uw reêKomt zijnen troon pilaren.

Golft in d'azuren zee,

Zegt de Oceaansche[359]baren,

Hoe Juda op uw reê

Komt zijnen troon pilaren.

Sinaï! maak dy[360]reê,Want op uw hoogte steiligWil smoken doen d' HebreêZijn brandofferen heilig.

Sinaï! maak dy[360]reê,

Want op uw hoogte steilig

Wil smoken doen d' Hebreê

Zijn brandofferen heilig.

Dat Horeb eeuwig staatGerezen onder 't maanschijn,En tuigt wie heeft gedwaad[361]De tranen van ons aanschijn.

Dat Horeb eeuwig staat

Gerezen onder 't maanschijn,

En tuigt wie heeft gedwaad[361]

De tranen van ons aanschijn.

Mensch-stappen[362]zullen eerDes hemels cirkel meten,Dan hunnes konings eerIsraël zal vergeten.

Mensch-stappen[362]zullen eer

Des hemels cirkel meten,

Dan hunnes konings eer

Israël zal vergeten.

Den Engel maakt het spoor,O, laat ons niet verslappen,Ons leidsliên treden voor,Wij volgen hunne stappen.

Den Engel maakt het spoor,

O, laat ons niet verslappen,

Ons leidsliên treden voor,

Wij volgen hunne stappen.

FARAO de koning. ALBINUS, veldhoofdman met zijn heirleger.

FARAO de koning. ALBINUS, veldhoofdman met zijn heirleger.

FARAO.

FARAO.

Die niet ontziet den roem zijns scepters te bevlekken,Mag doen als Farao, en laten henen trekkenDe slaven van zijn rijk, die onder 's Hemels wiel[363]Den koning eigen zijn met lichaam en met ziel,Die steeds gehouden zijn den koning toe te wijdenDe vruchten van hun zweet, en honger zelfs te lijden,De slaaf, die 's princen hoofd met een gemarmerd dakMoet overwelven 's daags, en onder 't hemelvlakZelf slapen al den nacht, en dubbel wordt vergouden[364],Wanneer bij zijnen loon hij 't leven mag behouden,Of rekent zijnen heer hem 't schuimsel van der aard,En is hij op de helft naauw zoo veel eere waard,Geen vrijheid komt hem toe, ten zij hij 't mag verwervenDoor zijnes konings gunst, of eindlijk door zijn sterven.Vast hebben dees Hebreên, verdobbeld[365]snoô en valsch,'t Jok van hun dienstbaarheid geschoven van den hals,Door tooverkunst huns Gods, die 't scheen ons zou verdelgenEn heel Egypten in zijn toornigheid verzwelgen,Zoo nu zijn rechte hand verlamd is noch verkort,Hij neem de handschoen op, die hem geboden wordt.Zij zijn wel uit 't gezicht, maar nog niet uit mijn handen,Nog uit hun slavernij, al schijnen ze uit de bandenVan 't slaafsche juk te zijn: Zij werden[366]na gedraafd,En eer den vluggen tijd de bleeke zon begraaft,Zie ik hun achterhaald en onverziens bedrogen,Gelijk de vogel 't net wordt over 't hoofd getogen,En als in 't bladig bosch zoo schielijk 't bloode hertBeschreit zijn vrijheid, alst in strikken is verwerd,Zoo zal ook al betraand 't heirleger der HebreeuwenHun vrijheid zien beroofd voor allen tijd en eeuwen.Tsa, Hoofdman! werwaarts is 't, dat zij getogen zijn?

Die niet ontziet den roem zijns scepters te bevlekken,

Mag doen als Farao, en laten henen trekken

De slaven van zijn rijk, die onder 's Hemels wiel[363]

Den koning eigen zijn met lichaam en met ziel,

Die steeds gehouden zijn den koning toe te wijden

De vruchten van hun zweet, en honger zelfs te lijden,

De slaaf, die 's princen hoofd met een gemarmerd dak

Moet overwelven 's daags, en onder 't hemelvlak

Zelf slapen al den nacht, en dubbel wordt vergouden[364],

Wanneer bij zijnen loon hij 't leven mag behouden,

Of rekent zijnen heer hem 't schuimsel van der aard,

En is hij op de helft naauw zoo veel eere waard,

Geen vrijheid komt hem toe, ten zij hij 't mag verwerven

Door zijnes konings gunst, of eindlijk door zijn sterven.

Vast hebben dees Hebreên, verdobbeld[365]snoô en valsch,

't Jok van hun dienstbaarheid geschoven van den hals,

Door tooverkunst huns Gods, die 't scheen ons zou verdelgen

En heel Egypten in zijn toornigheid verzwelgen,

Zoo nu zijn rechte hand verlamd is noch verkort,

Hij neem de handschoen op, die hem geboden wordt.

Zij zijn wel uit 't gezicht, maar nog niet uit mijn handen,

Nog uit hun slavernij, al schijnen ze uit de banden

Van 't slaafsche juk te zijn: Zij werden[366]na gedraafd,

En eer den vluggen tijd de bleeke zon begraaft,

Zie ik hun achterhaald en onverziens bedrogen,

Gelijk de vogel 't net wordt over 't hoofd getogen,

En als in 't bladig bosch zoo schielijk 't bloode hert

Beschreit zijn vrijheid, alst in strikken is verwerd,

Zoo zal ook al betraand 't heirleger der Hebreeuwen

Hun vrijheid zien beroofd voor allen tijd en eeuwen.

Tsa, Hoofdman! werwaarts is 't, dat zij getogen zijn?

HOOFDMAN.

HOOFDMAN.

Ontziende 't bloedig staal des preutschen Filistijn,Heer koning! al verbaasd begaf zich dezen zwermeDaar 't rood Arabisch Meers gekromden woesten erme[367]Dit rijk een deel omvangt, en de woestijne dreigt:Gewapend naauwlijks, zij om[368]strijden niet geneigdEn schenen, noch bekwaam ten minste, hun vijandenHet half gelaat te biên, ik late staan hun tandenTe breken met geweld: indien gij dezen reiVervolgt, genadig vorst! voor 't oorlogs veld-geschreiZij raken in de vlugt, en reppen saam hun zolen,Als schaapskudd', die de wolf het herte[369]heeft ontstolen,Om geen beschermen denkt, maar van een bende haastWel honderd benden maakt en vluchtet al verbaasd.

Ontziende 't bloedig staal des preutschen Filistijn,

Heer koning! al verbaasd begaf zich dezen zwerme

Daar 't rood Arabisch Meers gekromden woesten erme[367]

Dit rijk een deel omvangt, en de woestijne dreigt:

Gewapend naauwlijks, zij om[368]strijden niet geneigd

En schenen, noch bekwaam ten minste, hun vijanden

Het half gelaat te biên, ik late staan hun tanden

Te breken met geweld: indien gij dezen rei

Vervolgt, genadig vorst! voor 't oorlogs veld-geschrei

Zij raken in de vlugt, en reppen saam hun zolen,

Als schaapskudd', die de wolf het herte[369]heeft ontstolen,

Om geen beschermen denkt, maar van een bende haast

Wel honderd benden maakt en vluchtet al verbaasd.

FARAO.

FARAO.

Welaan, de rossen toomt, om geenen tijd verzuimen.

Welaan, de rossen toomt, om geenen tijd verzuimen.

HOOFDMAN.

HOOFDMAN.

Zij briesschen, en 't gebit huns breidels doen zij schuimen,En zijn met strijdschen moed gespannen int gareel,De wagens toegerust; en 't leger, al geheelGehelmd, gestokt, gestaafd, vierkantig in slagorden,Verlangt, wanneer de tocht zal aangevangen worden.

Zij briesschen, en 't gebit huns breidels doen zij schuimen,

En zijn met strijdschen moed gespannen int gareel,

De wagens toegerust; en 't leger, al geheel

Gehelmd, gestokt, gestaafd, vierkantig in slagorden,

Verlangt, wanneer de tocht zal aangevangen worden.

FARAO.

FARAO.

Zoo treed' de koning voor, op trommel en trompet!De wapenroovers[370]noodt tot 't bloedige banket,Dat elk zijn hielen ligt, 't is geenen tijd om hinken[371],Nu in 't bestoven veld Mars zijnen schild doet blinken;Krijgt[372]onder zijn banier, hij leidt u aan den dans!Des overwinners hoofd omvlecht den lauwerkrans.Den weg is al gebaand, dus laat ons niet verslappen,Zoo ver te vinden is het spoor van hunne stappen.(Binnen).

Zoo treed' de koning voor, op trommel en trompet!

De wapenroovers[370]noodt tot 't bloedige banket,

Dat elk zijn hielen ligt, 't is geenen tijd om hinken[371],

Nu in 't bestoven veld Mars zijnen schild doet blinken;

Krijgt[372]onder zijn banier, hij leidt u aan den dans!

Des overwinners hoofd omvlecht den lauwerkrans.

Den weg is al gebaand, dus laat ons niet verslappen,

Zoo ver te vinden is het spoor van hunne stappen.

(Binnen).

KOOR.

KOOR.

Die den Hemel derft bekrijgen,Zal wel voor een wijl opstijgen,Even als Neptunus' vochtWorpt[373]zijn baren na de locht,Die van zelf in korter stonden[374]Weder vallen in de afgronden,Of gelijk een vlam gezwimd[375],Licht op naar den hemel klimt.Die men wederom zich zelvenIn zijn asschen ziet bedelven:Want de groote goedheid GodsLatet[376]wel den koning trotschOp het hoogste en even dolleWoeden, doch wanneer hun rolleIs ten uitersten volspeeld,Op 't theatrum getoneeld,En wanneer hij met berommen[377]Meent ten hoogsten zijn geklommen,Stoot de godlijke MonarchHem afgrijzig van den berg.Hoe hij was den hemel naarderHoe den val hem is te zwaarder,Hoe hij meerder opwaarts steegHoe hij dieper valt om leeg.Hoe hij meerder rees verkorseld[378]Hoe hij platter valt vermorseld.Dit blijkt aan Farao straf,Die zoo blind'ling loopt naar 't graf;Die in 's Heeren straffe tijdigBlijft verstokt, versteend partijdig,Daar een ieder roê, als vriend,Hem tot beteringe dient:Want de strengheid Gods ten lestenIedereen kastijdt ten besten,En zijn geessel al begrijsd[379]Op een grooter roede wijst.Wie dan, in der zonnen luister,Sluit zijn oogen in het duister,Wie de aankloppers van 't gemoed's Herten deur niet open doet:Wie zoo vele donderslagen,Luiden laat voor ijdel vlagen,Op het onverzienste bald[380]'s Heeren bliksem overvalt:Gelijk dezen koning prachtig,Die[381]geen teekenen aandachtigMochten leiden uit den tredVan zijn obstinaat opzet.Dies de Heere t' eenenmalenHem onttrekt de helder stralenVan zijn hemelsch aangezicht,En verduistert hem in 't licht,In verkeerdheid overgeven,Tot hij eindelijk gedreven,Even als een roerloos schip,Drijft al blind'ling op de klipVan zijn overgeven boosheid,Van zijn stoute goddeloosheid,In den afgrond en 't verleid[382]Van zijn overgevenheid.

Die den Hemel derft bekrijgen,

Zal wel voor een wijl opstijgen,

Even als Neptunus' vocht

Worpt[373]zijn baren na de locht,

Die van zelf in korter stonden[374]

Weder vallen in de afgronden,

Of gelijk een vlam gezwimd[375],

Licht op naar den hemel klimt.

Die men wederom zich zelven

In zijn asschen ziet bedelven:

Want de groote goedheid Gods

Latet[376]wel den koning trotsch

Op het hoogste en even dolle

Woeden, doch wanneer hun rolle

Is ten uitersten volspeeld,

Op 't theatrum getoneeld,

En wanneer hij met berommen[377]

Meent ten hoogsten zijn geklommen,

Stoot de godlijke Monarch

Hem afgrijzig van den berg.

Hoe hij was den hemel naarder

Hoe den val hem is te zwaarder,

Hoe hij meerder opwaarts steeg

Hoe hij dieper valt om leeg.

Hoe hij meerder rees verkorseld[378]

Hoe hij platter valt vermorseld.

Dit blijkt aan Farao straf,

Die zoo blind'ling loopt naar 't graf;

Die in 's Heeren straffe tijdig

Blijft verstokt, versteend partijdig,

Daar een ieder roê, als vriend,

Hem tot beteringe dient:

Want de strengheid Gods ten lesten

Iedereen kastijdt ten besten,

En zijn geessel al begrijsd[379]

Op een grooter roede wijst.

Wie dan, in der zonnen luister,

Sluit zijn oogen in het duister,

Wie de aankloppers van 't gemoed

's Herten deur niet open doet:

Wie zoo vele donderslagen,

Luiden laat voor ijdel vlagen,

Op het onverzienste bald[380]

's Heeren bliksem overvalt:

Gelijk dezen koning prachtig,

Die[381]geen teekenen aandachtig

Mochten leiden uit den tred

Van zijn obstinaat opzet.

Dies de Heere t' eenenmalen

Hem onttrekt de helder stralen

Van zijn hemelsch aangezicht,

En verduistert hem in 't licht,

In verkeerdheid overgeven,

Tot hij eindelijk gedreven,

Even als een roerloos schip,

Drijft al blind'ling op de klip

Van zijn overgeven boosheid,

Van zijn stoute goddeloosheid,

In den afgrond en 't verleid[382]

Van zijn overgevenheid.

FAMA, of 't blazende gerucht.'t Heer-leger Israëls (dat God zelfs[383]had geleidOnder zijn vleug'len uit de Egyptsche dienstbaarheid,Dat God 's voorging in een vierige colommeEn 's daags in eene wolk) Farao wederommeHad eindlijk achterhaald, en met zijn oorlogs-heerOmringd tusschen 't gebergt en tusschen 't roode Meer,Dat, met de zonne kwam de duisternis verrassen,Zich spiegelde verbaasd in zoo veel harrenassen,In zoo veel ijzer-blaauw; dies riepen zij: 't en helpt[384],Wij blijven samen hier in droefheid overstelpt,Wij zijn besloten van 't gebergte en van de baren,Van zoo veel oorlogs-volk en toegeruste scharen:Ha, Amrams zonen snoô! die ons zoo onbedocht[385]Vervoerd hierop een graf en kerk-hof hebt gebrocht:O, zalig waren wij, in arbeid en in slaven,Eer in Egypteland gestorven en begraven:Verraders van den rei[386]en 't leger der Hebreên,Een ieder wreek' zich zelf en worp'[387]den eersten steen!Gelijk de reizigers (als in de azure golvenVan eenen waterberg bedekt wordt en bedolvenHet vlottig schip, wanneer zich Boreas verheft,En 't golvig driftig[388]hout met groene baren treft)Den schipper dreigen vast, zoo voor de stuure[389]windenHij 't opgeblazen zeil wil strijken noch ontbinden:De een met een bleek gelaat naar 't leven vast de doodAfschildert, de ander klaagt, dat in Thetydis schootHij vindt zijn duister tombe, en de ander dat zijn levenOntijdelijk hij moet den baren overgeven,Dat ondertusschen heeft den zeeman, al ontrust,Genoeg te doen, eer hij d'een stilt en d'ander sust;—Zoo ook in dezen storm de Israëlietsche hoedersAaron en Mozes beid' vertroosten hun gebroeders,En roepen: "makkers denkt, dat uwen koning leeft,Die midden in 's doods nood de zijne 't leven geeft,'t Is eenen vasten grond en twijfelt niet zoo wanker[390],Vest uw geloove op hem, en worpt der hopen[391]ankerOp Gods almachtigheid, die 't steil gebergte kanTot dalen platten, en verdroogen d'ocean:Den jongsten toont, hoe hun den Hemel is te goede,En slaat, met zijne doode en levendige roede,Het woeste baargeplots, dat zich verdeelet stuur,En wederzijden maakt een roô robijnen muur,Een schutsel van kristal, en nemet zijn afscheidselZoo wijd, dat midden[392]blijft een guldig zand-plaveisel,Een droogen vloer geschelpt, waar op dees leidsliên voor't Gansch leger volgen doen hun stappen op het spoor.O zeldzaam wonderwerk! wie zal ik best gelijkenIsraël, die zoo haast een plaatse vindt om wijken,Als bij de watervloed, die stroomig opgehooptEen leger[393]diepte vindt en snellijken verloopt!Terwijlen dus d' Hebreên (spijt 't wezen[394]der naturen)Vast dweerssen[395]deze straat van kristalijne muren,Roep de een: "de zee is droog, en 't water even vochtHangt, ik en weet niet hoe, tot boven in de locht!"En d' ander krijst: "wats dit? 't Roô meer schijnt opgeblazen,Thetys siert heur paruik in deze spiegelglazen:Waar toe met schepen meer gevloten over 't nat,Wanneer men doorgaans[396]vindt zulk eenen droogen pad?Waar toe dient doch 't kompas en de opgespannen zeilen,Of't grondloos[397]dieplood, om de diepten met te peilen?"Dus in verwondering treedt vast 't heerleger voort,En vindet zich droogs voets van de een op de ander boordBehouden op het strand; dies Farao verbolgenVerkiest den zelfden pad, om fluks hun te achtervolgenMet al zijn wapentuig, met al zijn krijgs geweld,En is naauw in 't gebied van 't zandig zeeusche[398]veld,Of den Hebreeuschen God beginnet zich te belgen,Die om hun in een graf te zamen te verzwelgen,Een slinksch[399]onweder van den hemel nederworpt,Dat 't slibberig gebergt weêr in zijn holte slorpt,Dat ieder over hoofd en hals in 't diepste sobbelt[400],En komen door 't gegolf eens eindling[401]opgebobbeld,Met eiselijk[402]geschreeuw, half levende en half dood:De dooden zijn alreê meer als der golven vloot[403]:De een roept: "Osiri, o! helpt mij te boven klemmen[404]!"En de ander: "help, Isis! opdat ik 't mag ontzwemmen!"De een is met 't harnas zwaar gezonken in den grond,De een houdt zich aan de koets, of aan de wielen rond,En de ander al verbaasd, om boven 't water wakkerNog 't hoofd te houden op, grijpt zijnen naasten makker,En zinken beidegaêr; de zee, die altijd woelt,Wat nog te boven drijft voorts in den afgrond spoelt.De prince van den Nijl, die, in zijn koetse deftig,Werd voortgetrokken van sneeuwwitte hengsten heftig,Vervloekt de troebel zee, de golven zout gezwind[405],Den Hemel en de lucht, de bliksems en de wind,En om ontijdlijk nog de bleeke dood te ontvlieden,Durft hij den dullen[406]storm 't hoofd even dapper bieden,En stijgt de baren op, en krijschet: "of gij schuimt,Voor dezen gaffel spits den weg naar 't strand opruimt,Ik ben Neptunus zelf, de God van deze stranden;Ontziet mijn blaauwe spriet met drie gescherpte tanden:Gij bruischt, gij zwalpt, en krielt; ziet, wie[407]gij rebelleert!Ik ben't, die op het diep van uwen stroom laveert."Den Oceaan en past op[408]vloeken noch op schelden,Zijn dreigementen dweers[409]en mogen hier niet gelden;Na dat hij zevenmaal met 't woest getuimel vocht[410],Zijn voorhoofd heeft gebergd ten wolken in de locht,En weder zevenmaal gedaald is in de vestenVan't grondelooze diep, hem eindelijk ten lestenDe vochtigheid verzwaart, ja alle hoop berooft,En in heur grimmigheid delft over hals en hoofd.Ik geef te denken voorts, de Hebreên, die 't aanzagen,Hoe hunnen vijand lag zoo korteling[411]verslagen,Hoe God zoo lichtelijk den pratten hoogen moedFarao's had gedempt vertreden onder voet,Of niet een ieders tong, van vrolijkheid ontsprongen,Den driemaal hoogen lof des Hemels heeft gezongen,Als zij aanschouwden, vrij van 's konings wreedheid strafDat hun verlossing werd Farao tot een graf,Diens korten ondergang, diens droevig treurspel evenEn onverzienste[412]dood hun strekte tot den leven.De winden en het meer goedjonstig[413]wierpen ruit[414]De Egyptsche wapening[415]weêr aan den oever uit,Wierp harnas, schild en zwaard juist den Hebreên in handen,Daar zij eerst werden met[416]gedreigd van hun vijanden.Dit heb ik zelf gezien, dit heb ik zelf gehoord,En deel 't een ieder voor de zuiver waarheid voort;Veel wijder als men ziet zon, maan en sterren blinken,Zal ik dees nieuwe maar met mijne tromp[417]doen klinken.(Binnen).

FAMA, of 't blazende gerucht.'t Heer-leger Israëls (dat God zelfs[383]had geleidOnder zijn vleug'len uit de Egyptsche dienstbaarheid,Dat God 's voorging in een vierige colommeEn 's daags in eene wolk) Farao wederommeHad eindlijk achterhaald, en met zijn oorlogs-heerOmringd tusschen 't gebergt en tusschen 't roode Meer,Dat, met de zonne kwam de duisternis verrassen,Zich spiegelde verbaasd in zoo veel harrenassen,In zoo veel ijzer-blaauw; dies riepen zij: 't en helpt[384],Wij blijven samen hier in droefheid overstelpt,Wij zijn besloten van 't gebergte en van de baren,Van zoo veel oorlogs-volk en toegeruste scharen:Ha, Amrams zonen snoô! die ons zoo onbedocht[385]Vervoerd hierop een graf en kerk-hof hebt gebrocht:O, zalig waren wij, in arbeid en in slaven,Eer in Egypteland gestorven en begraven:Verraders van den rei[386]en 't leger der Hebreên,Een ieder wreek' zich zelf en worp'[387]den eersten steen!Gelijk de reizigers (als in de azure golvenVan eenen waterberg bedekt wordt en bedolvenHet vlottig schip, wanneer zich Boreas verheft,En 't golvig driftig[388]hout met groene baren treft)Den schipper dreigen vast, zoo voor de stuure[389]windenHij 't opgeblazen zeil wil strijken noch ontbinden:De een met een bleek gelaat naar 't leven vast de doodAfschildert, de ander klaagt, dat in Thetydis schootHij vindt zijn duister tombe, en de ander dat zijn levenOntijdelijk hij moet den baren overgeven,Dat ondertusschen heeft den zeeman, al ontrust,Genoeg te doen, eer hij d'een stilt en d'ander sust;—Zoo ook in dezen storm de Israëlietsche hoedersAaron en Mozes beid' vertroosten hun gebroeders,En roepen: "makkers denkt, dat uwen koning leeft,Die midden in 's doods nood de zijne 't leven geeft,'t Is eenen vasten grond en twijfelt niet zoo wanker[390],Vest uw geloove op hem, en worpt der hopen[391]ankerOp Gods almachtigheid, die 't steil gebergte kanTot dalen platten, en verdroogen d'ocean:Den jongsten toont, hoe hun den Hemel is te goede,En slaat, met zijne doode en levendige roede,Het woeste baargeplots, dat zich verdeelet stuur,En wederzijden maakt een roô robijnen muur,Een schutsel van kristal, en nemet zijn afscheidselZoo wijd, dat midden[392]blijft een guldig zand-plaveisel,Een droogen vloer geschelpt, waar op dees leidsliên voor't Gansch leger volgen doen hun stappen op het spoor.O zeldzaam wonderwerk! wie zal ik best gelijkenIsraël, die zoo haast een plaatse vindt om wijken,Als bij de watervloed, die stroomig opgehooptEen leger[393]diepte vindt en snellijken verloopt!Terwijlen dus d' Hebreên (spijt 't wezen[394]der naturen)Vast dweerssen[395]deze straat van kristalijne muren,Roep de een: "de zee is droog, en 't water even vochtHangt, ik en weet niet hoe, tot boven in de locht!"En d' ander krijst: "wats dit? 't Roô meer schijnt opgeblazen,Thetys siert heur paruik in deze spiegelglazen:Waar toe met schepen meer gevloten over 't nat,Wanneer men doorgaans[396]vindt zulk eenen droogen pad?Waar toe dient doch 't kompas en de opgespannen zeilen,Of't grondloos[397]dieplood, om de diepten met te peilen?"Dus in verwondering treedt vast 't heerleger voort,En vindet zich droogs voets van de een op de ander boordBehouden op het strand; dies Farao verbolgenVerkiest den zelfden pad, om fluks hun te achtervolgenMet al zijn wapentuig, met al zijn krijgs geweld,En is naauw in 't gebied van 't zandig zeeusche[398]veld,Of den Hebreeuschen God beginnet zich te belgen,Die om hun in een graf te zamen te verzwelgen,Een slinksch[399]onweder van den hemel nederworpt,Dat 't slibberig gebergt weêr in zijn holte slorpt,Dat ieder over hoofd en hals in 't diepste sobbelt[400],En komen door 't gegolf eens eindling[401]opgebobbeld,Met eiselijk[402]geschreeuw, half levende en half dood:De dooden zijn alreê meer als der golven vloot[403]:De een roept: "Osiri, o! helpt mij te boven klemmen[404]!"En de ander: "help, Isis! opdat ik 't mag ontzwemmen!"De een is met 't harnas zwaar gezonken in den grond,De een houdt zich aan de koets, of aan de wielen rond,En de ander al verbaasd, om boven 't water wakkerNog 't hoofd te houden op, grijpt zijnen naasten makker,En zinken beidegaêr; de zee, die altijd woelt,Wat nog te boven drijft voorts in den afgrond spoelt.De prince van den Nijl, die, in zijn koetse deftig,Werd voortgetrokken van sneeuwwitte hengsten heftig,Vervloekt de troebel zee, de golven zout gezwind[405],Den Hemel en de lucht, de bliksems en de wind,En om ontijdlijk nog de bleeke dood te ontvlieden,Durft hij den dullen[406]storm 't hoofd even dapper bieden,En stijgt de baren op, en krijschet: "of gij schuimt,Voor dezen gaffel spits den weg naar 't strand opruimt,Ik ben Neptunus zelf, de God van deze stranden;Ontziet mijn blaauwe spriet met drie gescherpte tanden:Gij bruischt, gij zwalpt, en krielt; ziet, wie[407]gij rebelleert!Ik ben't, die op het diep van uwen stroom laveert."Den Oceaan en past op[408]vloeken noch op schelden,Zijn dreigementen dweers[409]en mogen hier niet gelden;Na dat hij zevenmaal met 't woest getuimel vocht[410],Zijn voorhoofd heeft gebergd ten wolken in de locht,En weder zevenmaal gedaald is in de vestenVan't grondelooze diep, hem eindelijk ten lestenDe vochtigheid verzwaart, ja alle hoop berooft,En in heur grimmigheid delft over hals en hoofd.Ik geef te denken voorts, de Hebreên, die 't aanzagen,Hoe hunnen vijand lag zoo korteling[411]verslagen,Hoe God zoo lichtelijk den pratten hoogen moedFarao's had gedempt vertreden onder voet,Of niet een ieders tong, van vrolijkheid ontsprongen,Den driemaal hoogen lof des Hemels heeft gezongen,Als zij aanschouwden, vrij van 's konings wreedheid strafDat hun verlossing werd Farao tot een graf,Diens korten ondergang, diens droevig treurspel evenEn onverzienste[412]dood hun strekte tot den leven.De winden en het meer goedjonstig[413]wierpen ruit[414]De Egyptsche wapening[415]weêr aan den oever uit,Wierp harnas, schild en zwaard juist den Hebreên in handen,Daar zij eerst werden met[416]gedreigd van hun vijanden.Dit heb ik zelf gezien, dit heb ik zelf gehoord,En deel 't een ieder voor de zuiver waarheid voort;Veel wijder als men ziet zon, maan en sterren blinken,Zal ik dees nieuwe maar met mijne tromp[417]doen klinken.(Binnen).

FAMA, of 't blazende gerucht.

't Heer-leger Israëls (dat God zelfs[383]had geleid

Onder zijn vleug'len uit de Egyptsche dienstbaarheid,

Dat God 's voorging in een vierige colomme

En 's daags in eene wolk) Farao wederomme

Had eindlijk achterhaald, en met zijn oorlogs-heer

Omringd tusschen 't gebergt en tusschen 't roode Meer,

Dat, met de zonne kwam de duisternis verrassen,

Zich spiegelde verbaasd in zoo veel harrenassen,

In zoo veel ijzer-blaauw; dies riepen zij: 't en helpt[384],

Wij blijven samen hier in droefheid overstelpt,

Wij zijn besloten van 't gebergte en van de baren,

Van zoo veel oorlogs-volk en toegeruste scharen:

Ha, Amrams zonen snoô! die ons zoo onbedocht[385]

Vervoerd hierop een graf en kerk-hof hebt gebrocht:

O, zalig waren wij, in arbeid en in slaven,

Eer in Egypteland gestorven en begraven:

Verraders van den rei[386]en 't leger der Hebreên,

Een ieder wreek' zich zelf en worp'[387]den eersten steen!

Gelijk de reizigers (als in de azure golven

Van eenen waterberg bedekt wordt en bedolven

Het vlottig schip, wanneer zich Boreas verheft,

En 't golvig driftig[388]hout met groene baren treft)

Den schipper dreigen vast, zoo voor de stuure[389]winden

Hij 't opgeblazen zeil wil strijken noch ontbinden:

De een met een bleek gelaat naar 't leven vast de dood

Afschildert, de ander klaagt, dat in Thetydis schoot

Hij vindt zijn duister tombe, en de ander dat zijn leven

Ontijdelijk hij moet den baren overgeven,

Dat ondertusschen heeft den zeeman, al ontrust,

Genoeg te doen, eer hij d'een stilt en d'ander sust;—

Zoo ook in dezen storm de Israëlietsche hoeders

Aaron en Mozes beid' vertroosten hun gebroeders,

En roepen: "makkers denkt, dat uwen koning leeft,

Die midden in 's doods nood de zijne 't leven geeft,

't Is eenen vasten grond en twijfelt niet zoo wanker[390],

Vest uw geloove op hem, en worpt der hopen[391]anker

Op Gods almachtigheid, die 't steil gebergte kan

Tot dalen platten, en verdroogen d'ocean:

Den jongsten toont, hoe hun den Hemel is te goede,

En slaat, met zijne doode en levendige roede,

Het woeste baargeplots, dat zich verdeelet stuur,

En wederzijden maakt een roô robijnen muur,

Een schutsel van kristal, en nemet zijn afscheidsel

Zoo wijd, dat midden[392]blijft een guldig zand-plaveisel,

Een droogen vloer geschelpt, waar op dees leidsliên voor

't Gansch leger volgen doen hun stappen op het spoor.

O zeldzaam wonderwerk! wie zal ik best gelijken

Israël, die zoo haast een plaatse vindt om wijken,

Als bij de watervloed, die stroomig opgehoopt

Een leger[393]diepte vindt en snellijken verloopt!

Terwijlen dus d' Hebreên (spijt 't wezen[394]der naturen)

Vast dweerssen[395]deze straat van kristalijne muren,

Roep de een: "de zee is droog, en 't water even vocht

Hangt, ik en weet niet hoe, tot boven in de locht!"

En d' ander krijst: "wats dit? 't Roô meer schijnt opgeblazen,

Thetys siert heur paruik in deze spiegelglazen:

Waar toe met schepen meer gevloten over 't nat,

Wanneer men doorgaans[396]vindt zulk eenen droogen pad?

Waar toe dient doch 't kompas en de opgespannen zeilen,

Of't grondloos[397]dieplood, om de diepten met te peilen?"

Dus in verwondering treedt vast 't heerleger voort,

En vindet zich droogs voets van de een op de ander boord

Behouden op het strand; dies Farao verbolgen

Verkiest den zelfden pad, om fluks hun te achtervolgen

Met al zijn wapentuig, met al zijn krijgs geweld,

En is naauw in 't gebied van 't zandig zeeusche[398]veld,

Of den Hebreeuschen God beginnet zich te belgen,

Die om hun in een graf te zamen te verzwelgen,

Een slinksch[399]onweder van den hemel nederworpt,

Dat 't slibberig gebergt weêr in zijn holte slorpt,

Dat ieder over hoofd en hals in 't diepste sobbelt[400],

En komen door 't gegolf eens eindling[401]opgebobbeld,

Met eiselijk[402]geschreeuw, half levende en half dood:

De dooden zijn alreê meer als der golven vloot[403]:

De een roept: "Osiri, o! helpt mij te boven klemmen[404]!"

En de ander: "help, Isis! opdat ik 't mag ontzwemmen!"

De een is met 't harnas zwaar gezonken in den grond,

De een houdt zich aan de koets, of aan de wielen rond,

En de ander al verbaasd, om boven 't water wakker

Nog 't hoofd te houden op, grijpt zijnen naasten makker,

En zinken beidegaêr; de zee, die altijd woelt,

Wat nog te boven drijft voorts in den afgrond spoelt.

De prince van den Nijl, die, in zijn koetse deftig,

Werd voortgetrokken van sneeuwwitte hengsten heftig,

Vervloekt de troebel zee, de golven zout gezwind[405],

Den Hemel en de lucht, de bliksems en de wind,

En om ontijdlijk nog de bleeke dood te ontvlieden,

Durft hij den dullen[406]storm 't hoofd even dapper bieden,

En stijgt de baren op, en krijschet: "of gij schuimt,

Voor dezen gaffel spits den weg naar 't strand opruimt,

Ik ben Neptunus zelf, de God van deze stranden;

Ontziet mijn blaauwe spriet met drie gescherpte tanden:

Gij bruischt, gij zwalpt, en krielt; ziet, wie[407]gij rebelleert!

Ik ben't, die op het diep van uwen stroom laveert."

Den Oceaan en past op[408]vloeken noch op schelden,

Zijn dreigementen dweers[409]en mogen hier niet gelden;

Na dat hij zevenmaal met 't woest getuimel vocht[410],

Zijn voorhoofd heeft gebergd ten wolken in de locht,

En weder zevenmaal gedaald is in de vesten

Van't grondelooze diep, hem eindelijk ten lesten

De vochtigheid verzwaart, ja alle hoop berooft,

En in heur grimmigheid delft over hals en hoofd.

Ik geef te denken voorts, de Hebreên, die 't aanzagen,

Hoe hunnen vijand lag zoo korteling[411]verslagen,

Hoe God zoo lichtelijk den pratten hoogen moed

Farao's had gedempt vertreden onder voet,

Of niet een ieders tong, van vrolijkheid ontsprongen,

Den driemaal hoogen lof des Hemels heeft gezongen,

Als zij aanschouwden, vrij van 's konings wreedheid straf

Dat hun verlossing werd Farao tot een graf,

Diens korten ondergang, diens droevig treurspel even

En onverzienste[412]dood hun strekte tot den leven.

De winden en het meer goedjonstig[413]wierpen ruit[414]

De Egyptsche wapening[415]weêr aan den oever uit,

Wierp harnas, schild en zwaard juist den Hebreên in handen,

Daar zij eerst werden met[416]gedreigd van hun vijanden.

Dit heb ik zelf gezien, dit heb ik zelf gehoord,

En deel 't een ieder voor de zuiver waarheid voort;

Veel wijder als men ziet zon, maan en sterren blinken,

Zal ik dees nieuwe maar met mijne tromp[417]doen klinken.

(Binnen).


Back to IndexNext