VOETNOTEN:

HYMNE OF LOFZANG.VAN DE ISRAËLIETSCHE REI.Nu zingt, nu speelt, nu reit en danst,Nu looft den Heer der Heeren,Die ons met de overhand bekranst,Vlecht hem een kroon van eeren;Hij is, die al de banden vanOns slavernije breken kan,En onzen rouw in vrolijkheid verkeeren.De Heer gedenkt aan zijn verbondOver zijn uitverkoren,Looft Hem met ziele, tong en mond,Die Israël staat voren[418],Die Jacobs huis, in dienstbaarheid,Onder zijn schaduwe bespreidt[419],Prijst zijnen naam, en wilt nu vreugd oorboren[420].Hij is de God van Abraham,Isak en Jacob machtig,Die nu tot koning zalft den stam,Den stamme Juda krachtig,Die ons naar 't zoet beloofde landGeleidet door zijn sterke hand,Om[421]heerschen int land Canaän eendrachtig.In 't land, daar melk en honig vloeit,Daar de Jordaan benevenStroomt, die uit zoo veel beekskens groeitVan 't steil gebergt verheven:Daar, als de baren van der zeeOf 't zand der stranden, nu alreê,'t Zaad Israëls doet zijn vijanden beven.Looft dezen krijgsheld onvervaard,Die paarden, ros en wagen,'t Gewapend heer met schild en zwaardHeeft mannelijk verslagen,Met den verstokten koning trotsch;Bouwt op dees klip en sterke rots,Die niet en zwicht voor stormen en zee-vlagen.Den rood-scharlaken mantel breid[422]Van 't roode meer hij scheurde,En heeft guld-zandig geplaveidEen effen straat, waar deur deHebreên ontweken hun misval,Tusschen twee muren van kristal,Daar Farao den laatsten zucht betreurde[423].Farao, die ons op de hielVervolgde met zijn scharen,'t Zee-water stormig overvielMet 't zwalpen van de baren;Die 't voorhoofd bergden int gestert[424],In den afgrond vernederd werd:Speelt 's Heeren lof op harpen en op snaren.Farao's wimpelen ontdaanEn zag men niet meer zwieren,Noch 't bloedzeil van zijn oorlogs vaan,Noch al zijn roô banieren;Zijn wapens en geslepen staalZonk met zijn rusting altemaal:Wilt hem op 't plat van zijn altaren vieren.Bouwt al uw hoop op dezen steen,Bouwt uw geloove vasteOp den monarche der Hebreên,Die Farao verraste,Die des tyrans voornemens schort,Den hoogmoed van hun vleugels kort,En met zijn sterke schouders ons ontlastte.In koper, steen, noch ijzer hardAlleen niet dees weldadenEn prent, maar schrijft ook in uw hartGods goedheid vol genaden,Die ons 's doods muile heeft ontrukt:Groen palm en myrtetakken plukt,Kroont, siert, en vlecht uw hoofd met lauwer-bladen!

HYMNE OF LOFZANG.

HYMNE OF LOFZANG.

VAN DE ISRAËLIETSCHE REI.

VAN DE ISRAËLIETSCHE REI.

Nu zingt, nu speelt, nu reit en danst,Nu looft den Heer der Heeren,Die ons met de overhand bekranst,Vlecht hem een kroon van eeren;Hij is, die al de banden vanOns slavernije breken kan,En onzen rouw in vrolijkheid verkeeren.

Nu zingt, nu speelt, nu reit en danst,

Nu looft den Heer der Heeren,

Die ons met de overhand bekranst,

Vlecht hem een kroon van eeren;

Hij is, die al de banden van

Ons slavernije breken kan,

En onzen rouw in vrolijkheid verkeeren.

De Heer gedenkt aan zijn verbondOver zijn uitverkoren,Looft Hem met ziele, tong en mond,Die Israël staat voren[418],Die Jacobs huis, in dienstbaarheid,Onder zijn schaduwe bespreidt[419],Prijst zijnen naam, en wilt nu vreugd oorboren[420].

De Heer gedenkt aan zijn verbond

Over zijn uitverkoren,

Looft Hem met ziele, tong en mond,

Die Israël staat voren[418],

Die Jacobs huis, in dienstbaarheid,

Onder zijn schaduwe bespreidt[419],

Prijst zijnen naam, en wilt nu vreugd oorboren[420].

Hij is de God van Abraham,Isak en Jacob machtig,Die nu tot koning zalft den stam,Den stamme Juda krachtig,Die ons naar 't zoet beloofde landGeleidet door zijn sterke hand,Om[421]heerschen int land Canaän eendrachtig.

Hij is de God van Abraham,

Isak en Jacob machtig,

Die nu tot koning zalft den stam,

Den stamme Juda krachtig,

Die ons naar 't zoet beloofde land

Geleidet door zijn sterke hand,

Om[421]heerschen int land Canaän eendrachtig.

In 't land, daar melk en honig vloeit,Daar de Jordaan benevenStroomt, die uit zoo veel beekskens groeitVan 't steil gebergt verheven:Daar, als de baren van der zeeOf 't zand der stranden, nu alreê,'t Zaad Israëls doet zijn vijanden beven.

In 't land, daar melk en honig vloeit,

Daar de Jordaan beneven

Stroomt, die uit zoo veel beekskens groeit

Van 't steil gebergt verheven:

Daar, als de baren van der zee

Of 't zand der stranden, nu alreê,

't Zaad Israëls doet zijn vijanden beven.

Looft dezen krijgsheld onvervaard,Die paarden, ros en wagen,'t Gewapend heer met schild en zwaardHeeft mannelijk verslagen,Met den verstokten koning trotsch;Bouwt op dees klip en sterke rots,Die niet en zwicht voor stormen en zee-vlagen.

Looft dezen krijgsheld onvervaard,

Die paarden, ros en wagen,

't Gewapend heer met schild en zwaard

Heeft mannelijk verslagen,

Met den verstokten koning trotsch;

Bouwt op dees klip en sterke rots,

Die niet en zwicht voor stormen en zee-vlagen.

Den rood-scharlaken mantel breid[422]Van 't roode meer hij scheurde,En heeft guld-zandig geplaveidEen effen straat, waar deur deHebreên ontweken hun misval,Tusschen twee muren van kristal,Daar Farao den laatsten zucht betreurde[423].

Den rood-scharlaken mantel breid[422]

Van 't roode meer hij scheurde,

En heeft guld-zandig geplaveid

Een effen straat, waar deur de

Hebreên ontweken hun misval,

Tusschen twee muren van kristal,

Daar Farao den laatsten zucht betreurde[423].

Farao, die ons op de hielVervolgde met zijn scharen,'t Zee-water stormig overvielMet 't zwalpen van de baren;Die 't voorhoofd bergden int gestert[424],In den afgrond vernederd werd:Speelt 's Heeren lof op harpen en op snaren.

Farao, die ons op de hiel

Vervolgde met zijn scharen,

't Zee-water stormig overviel

Met 't zwalpen van de baren;

Die 't voorhoofd bergden int gestert[424],

In den afgrond vernederd werd:

Speelt 's Heeren lof op harpen en op snaren.

Farao's wimpelen ontdaanEn zag men niet meer zwieren,Noch 't bloedzeil van zijn oorlogs vaan,Noch al zijn roô banieren;Zijn wapens en geslepen staalZonk met zijn rusting altemaal:Wilt hem op 't plat van zijn altaren vieren.

Farao's wimpelen ontdaan

En zag men niet meer zwieren,

Noch 't bloedzeil van zijn oorlogs vaan,

Noch al zijn roô banieren;

Zijn wapens en geslepen staal

Zonk met zijn rusting altemaal:

Wilt hem op 't plat van zijn altaren vieren.

Bouwt al uw hoop op dezen steen,Bouwt uw geloove vasteOp den monarche der Hebreên,Die Farao verraste,Die des tyrans voornemens schort,Den hoogmoed van hun vleugels kort,En met zijn sterke schouders ons ontlastte.

Bouwt al uw hoop op dezen steen,

Bouwt uw geloove vaste

Op den monarche der Hebreên,

Die Farao verraste,

Die des tyrans voornemens schort,

Den hoogmoed van hun vleugels kort,

En met zijn sterke schouders ons ontlastte.

In koper, steen, noch ijzer hardAlleen niet dees weldadenEn prent, maar schrijft ook in uw hartGods goedheid vol genaden,Die ons 's doods muile heeft ontrukt:Groen palm en myrtetakken plukt,Kroont, siert, en vlecht uw hoofd met lauwer-bladen!

In koper, steen, noch ijzer hard

Alleen niet dees weldaden

En prent, maar schrijft ook in uw hart

Gods goedheid vol genaden,

Die ons 's doods muile heeft ontrukt:

Groen palm en myrtetakken plukt,

Kroont, siert, en vlecht uw hoofd met lauwer-bladen!

MOZES doet zijn offerande en spreekt:Dwijl Israël ontrukt is uit zijn slaafsche banden,Zoo stijg' ten hemelwaart ons harte met gesmookVan dezen altaar, als een liefelijken rook,Ontvangt o Heer! ontvangt dees heilige offeranden!Ontvangt dees offerand tot een dankbarig teiken[425],Of schoon de teêre mensch mets anders wedergeeft,Dan 't gene hij (eilaas!) van u ontvangen heeft,Zijn zwakke sterflijkheid niet[426]hoogers mag bereiken.Gij zijt de volheid zelf, de spruitende fonteine,Die overvloeit van 't goede; o mensch! die niet en hebtIet goeds, als tgeen gij uit dees zuiver borne[427]schept,En zijt niet van u zelf als stof en asch onreine!Wat offert gij den Heer? niet anders als den lof derOprechter[428]lippen vroom voor zijn weldadigheid,'t Welk God veel meer behaagt als bok, stier, kalf of geit;Een dankbaar hart is hem den aangenaamsten offer.'t Is God, die 't al uit Niet heeft door zijn woord geschapen,Die 't wonderlijk geheel gegeven heeft den eisch,Gewelfd, gebouwd, gesierd gelijk een schoon paleis,De stieren hooren hem, de kalveren en schapen.Niets is er zoo gering, of 't is van hem gevloten,Hij hevet[429]al gemaakt;—o, groot is uwen lof!Die 't al hebt rijkelijk gebouwet[430]zonder stof,Zoo gij in uwen raad verholen[431]hadt besloten.Heer! dit bekennen wij nog eenmaal met verlangen,Wat wij op den altaar in vier en vlammen roodOntsteken, is gevloeid uit uwen milden schoot,Ja, hebben ziel en lijf van u, o God! ontvangen.Den offer komt u toe, die[432], Heer! verteert tot asschen!Neemt, dat u toebehoort: den altaar toebereidAlleene zij 't bewijs van onze dankbaarheid,Dat gij ons aanschijn van de tranen hebt gewasschen.Dat ons gemoed u viert inwendig na den geeste,En dat ons harte brandt, gelijk als in 's vuurs gloedOp 't heilige gesteent ons offerande doet,En dat wij we wet betrachten aldermeeste.Zoo dikwijls als het bloed der bokken zal besprengenDes altaars hooge plat, zal ik gedenken aan[433]Hoe wij de straffe hand uws engels zijn ontgaan,Waar door gij tzamen ons woudt uit Egypten brengen.Ik zal gedenken, hoe, om Faraos verdinsten[434],Al de eerstelingen van geheel EgyptelandVan menschen en van vee, door uwe sterke handGeslagen werden, van den meesten tot den minsten.En hoe gij ons verlost hebt uit de tyrannyeVan dezen koning, die, om zijn hardnekkigheid,Met zijnen hoogmoed nu in 't meer begraven leît,Waar door wij zijn ontboeid van al ons slavernye.O Heer! bereidt den weg, en trekt nog voor ons henen,Gelijk gij tot nog toe gedaan hebt goedertier,Des daags in eene wolk, 's nachts in een vlammig vier,Waar in gij mij ook zijt op Sinaï verschenen.Versaagt[435]voor onze komst de stoute Filistijnen,Kwetst hunnen preutschen[436]moed! o Heer, blijft onzen borchtEn onzen schild, op dat wij mogen onbezorgdGeraken door de dorre Arabische woestijnen.Op dat wij eindelijk eens mogen triumfeerenIn 't land van Canaän, en dat wij uwe wet,Uw offeranden daar, rein, zuiver, onbesmet,En ons beloft voldoen, tot uws naams prijs en eeren.(Binnen).KOOR.'s Hemels goedheid, die voorhenenOns voorvaders heeft beschenen,Is hier op 't tooneel herspeeld,En naar 't leven afgebeeld.Tijd noch de vergetenissenHoort[437]uit ons gemoed te wisschenDees weldaden overgroot,Neêrgedaald uit 's Hemels schoot.Doch wanneer wij zien veel milder,Wat den goddelijken schilderHier met naakt afconterfeit,Raakt dit in vergetelheid,En vertoont zich veel geringer,Wanneer ons dit met den vingerWijst op 't ware wezen blijVan dees hemel-schilderij:Op een grooter weldaad leerlijk,Die door Jezum Christum heerlijkOns zoo rijkelijk beschijnt,Dat de schaduwe verdwijnt:Want wanneer de zonne luistert[438],'t Manen-zilver werd verduisterd,'t Bleekste voor het helderst zwijkt[439],'t Minste voor het meeste wijkt;Om den zin hier van te mellen[440]D' een wij tegens d'ander stellen:Nu, het rijk Egypten isOf beteekent duisternis,Daar in zware slavernijeJacob, onder d' heerschappijeFaraonis, met geklagDroevelijk in boeyen lag:Maar door 't goddelijk verweere[441]Werden zij, door 't roode meere,Saam verlost uit dees spelonk,Als den Farao verzonkMet zijn schilden en zijn zwaarden,Met zijn ruiters, volk en paarden:Even lagen wij verstrikt,Leelijk in ons bloed verstikt,Onder Satan, Hel en zonden,In 's doods banden vastgebonden,Maar door 's levens klaar fontein,Onzen Zaligmaker rein,Als Hij in het laatst der dagenAan het kruise werd geslagen,Werden wij, door zijn bloed rood,Vrij van zond', Hel, Duivel, dood,Door zijn goedheid vol genadenAfgewasschen ons misdaden:Niet verlost, als Jacob, bloot[442]Van een tijdelijke dood:Maar door dezen Samson leeuwigVrij van d' Helsche pijnen eeuwig,Van Gods onverganklijk wee,Van het zwaard, dat uit der scheêBoven 't hoofd ons dreigde grammig,Met den brand des afgronds vlammig.Israël trok al gelijkNaar een aardsch verganklijk rijk,Dat maar voor een tijd mocht bloeyen,Maar, na ons gebroken boeyen[443],Ons de Heere roept tot hem;In het nieuw Jeruzalem,Loopt dan, ijverig genegen,Hebben wij door Christum kregen[444]Eenen weg gebaand en platNaar de schoone hemel-stad.Daar dood, ziekte, strijd noch tranenGelijk over der Jordanen[445]Ons meer zal ontmoeten wreed,Als 't den Isralieten deed.Die zoo vlijtig hun[446]bewezenIn het uiterlijke wezen,Ook om slachten 't zuiver Lam,'t Welk terstond een einde nam,Als den godlijken Messias(Daar den anderen HeliasZijn verkoren Jongers vroedOp wees met den vinger zoet,Alder schatten kleinoodkoffer),Toen die kwam en zijnen offer,Als hoog-priester, dede spâOp den berg Calvaria;Toen hij tegens Satan kampten,Alle priester-dienst en amptenEindden met het Paasschen-feest,Als de Joden jaarlijks meestPosten, dorpels nog bestrekenMet 's Lams bloede, tot een teekenHoe hun God bevrijdde weerd[447]Voor den slaanden Engels zweerd.Voorspel, 't welk ons leert ten besten,Hoe dat in den alderlestenDag der dagen, in 't gericht,Voor Gods toornig aangezicht,Jezus Christus ons zal vrijdenDoor zijn heilig bitter lijden,En, met 't rood onschuldig kleid[448]Van zijn droeve sterflijkheid,Ons onrein melaatsche vlekkenVoor des Heeren aanschijn dekken.Eet dan geestelijker wijsNog dit Lam, der zielen spijs,Met een bitter sausse spijtig;Ware Israëlieten vlijtig,Laat de kracht van zijne doodU nog zijn een hemels-brood!Weest omgordt, en staat alreedeOm te wand'len na den vrede,Met den staf, alzoo 't behoort,Van des Heeren heilig WoordOpgeschort, omgord op vordel[449]Met der liefden band en gordel.Ook aanmerkt hier algemeenDees twee leids-liên der Hebreên:Mozes (onbespraakt voor FaronsAanschijn) hoeft des priesters AronsvReden-rijke tonge vocht[450]:Doch geen van dees beiden mochtIsak brengen eindelijkenIn Canaäns koninkrijken:Onder welke schorsse duiktAls men dezen bast ontluikt[451],De onvolkomen zwakheid tederVan der wet te korten leeder[452],Om in 't hemelsch vaderlandOp te stijgen uit den brand,Uit den brand der zielen zweerdig[453],Uit Gods toornigheid rechtveerdig,Daar ons Christus, als gezeîd,Heeft behouden uitgeleid.Want in Christo woont bekwamigZelf de volheid Gods lichamig,'t Evangelische verbondVloeyet uit zijns wijsheids mond,Der genaden fontein-ader[454],Ons verbidder, bij den Vader.Israël vertrok op hoop,Maar voor ons heeft al den loopChristus 't hoofd van zijne bendenLang te voren gaan vol-enden,En met 't kruis getriomfeerdBoven Hemelen en eerd'[455].Laat dit plaatse bij u grijpen,Laat dit godlijk zaaisel rijpen,Zoo zal te uwaarts 's Hemels gonstVloeyenUIT LEVENDER JONST[456].

MOZES doet zijn offerande en spreekt:Dwijl Israël ontrukt is uit zijn slaafsche banden,Zoo stijg' ten hemelwaart ons harte met gesmookVan dezen altaar, als een liefelijken rook,Ontvangt o Heer! ontvangt dees heilige offeranden!Ontvangt dees offerand tot een dankbarig teiken[425],Of schoon de teêre mensch mets anders wedergeeft,Dan 't gene hij (eilaas!) van u ontvangen heeft,Zijn zwakke sterflijkheid niet[426]hoogers mag bereiken.Gij zijt de volheid zelf, de spruitende fonteine,Die overvloeit van 't goede; o mensch! die niet en hebtIet goeds, als tgeen gij uit dees zuiver borne[427]schept,En zijt niet van u zelf als stof en asch onreine!Wat offert gij den Heer? niet anders als den lof derOprechter[428]lippen vroom voor zijn weldadigheid,'t Welk God veel meer behaagt als bok, stier, kalf of geit;Een dankbaar hart is hem den aangenaamsten offer.'t Is God, die 't al uit Niet heeft door zijn woord geschapen,Die 't wonderlijk geheel gegeven heeft den eisch,Gewelfd, gebouwd, gesierd gelijk een schoon paleis,De stieren hooren hem, de kalveren en schapen.Niets is er zoo gering, of 't is van hem gevloten,Hij hevet[429]al gemaakt;—o, groot is uwen lof!Die 't al hebt rijkelijk gebouwet[430]zonder stof,Zoo gij in uwen raad verholen[431]hadt besloten.Heer! dit bekennen wij nog eenmaal met verlangen,Wat wij op den altaar in vier en vlammen roodOntsteken, is gevloeid uit uwen milden schoot,Ja, hebben ziel en lijf van u, o God! ontvangen.Den offer komt u toe, die[432], Heer! verteert tot asschen!Neemt, dat u toebehoort: den altaar toebereidAlleene zij 't bewijs van onze dankbaarheid,Dat gij ons aanschijn van de tranen hebt gewasschen.Dat ons gemoed u viert inwendig na den geeste,En dat ons harte brandt, gelijk als in 's vuurs gloedOp 't heilige gesteent ons offerande doet,En dat wij we wet betrachten aldermeeste.Zoo dikwijls als het bloed der bokken zal besprengenDes altaars hooge plat, zal ik gedenken aan[433]Hoe wij de straffe hand uws engels zijn ontgaan,Waar door gij tzamen ons woudt uit Egypten brengen.Ik zal gedenken, hoe, om Faraos verdinsten[434],Al de eerstelingen van geheel EgyptelandVan menschen en van vee, door uwe sterke handGeslagen werden, van den meesten tot den minsten.En hoe gij ons verlost hebt uit de tyrannyeVan dezen koning, die, om zijn hardnekkigheid,Met zijnen hoogmoed nu in 't meer begraven leît,Waar door wij zijn ontboeid van al ons slavernye.O Heer! bereidt den weg, en trekt nog voor ons henen,Gelijk gij tot nog toe gedaan hebt goedertier,Des daags in eene wolk, 's nachts in een vlammig vier,Waar in gij mij ook zijt op Sinaï verschenen.Versaagt[435]voor onze komst de stoute Filistijnen,Kwetst hunnen preutschen[436]moed! o Heer, blijft onzen borchtEn onzen schild, op dat wij mogen onbezorgdGeraken door de dorre Arabische woestijnen.Op dat wij eindelijk eens mogen triumfeerenIn 't land van Canaän, en dat wij uwe wet,Uw offeranden daar, rein, zuiver, onbesmet,En ons beloft voldoen, tot uws naams prijs en eeren.(Binnen).

MOZES doet zijn offerande en spreekt:

Dwijl Israël ontrukt is uit zijn slaafsche banden,

Zoo stijg' ten hemelwaart ons harte met gesmook

Van dezen altaar, als een liefelijken rook,

Ontvangt o Heer! ontvangt dees heilige offeranden!

Ontvangt dees offerand tot een dankbarig teiken[425],

Of schoon de teêre mensch mets anders wedergeeft,

Dan 't gene hij (eilaas!) van u ontvangen heeft,

Zijn zwakke sterflijkheid niet[426]hoogers mag bereiken.

Gij zijt de volheid zelf, de spruitende fonteine,

Die overvloeit van 't goede; o mensch! die niet en hebt

Iet goeds, als tgeen gij uit dees zuiver borne[427]schept,

En zijt niet van u zelf als stof en asch onreine!

Wat offert gij den Heer? niet anders als den lof der

Oprechter[428]lippen vroom voor zijn weldadigheid,

't Welk God veel meer behaagt als bok, stier, kalf of geit;

Een dankbaar hart is hem den aangenaamsten offer.

't Is God, die 't al uit Niet heeft door zijn woord geschapen,

Die 't wonderlijk geheel gegeven heeft den eisch,

Gewelfd, gebouwd, gesierd gelijk een schoon paleis,

De stieren hooren hem, de kalveren en schapen.

Niets is er zoo gering, of 't is van hem gevloten,

Hij hevet[429]al gemaakt;—o, groot is uwen lof!

Die 't al hebt rijkelijk gebouwet[430]zonder stof,

Zoo gij in uwen raad verholen[431]hadt besloten.

Heer! dit bekennen wij nog eenmaal met verlangen,

Wat wij op den altaar in vier en vlammen rood

Ontsteken, is gevloeid uit uwen milden schoot,

Ja, hebben ziel en lijf van u, o God! ontvangen.

Den offer komt u toe, die[432], Heer! verteert tot asschen!

Neemt, dat u toebehoort: den altaar toebereid

Alleene zij 't bewijs van onze dankbaarheid,

Dat gij ons aanschijn van de tranen hebt gewasschen.

Dat ons gemoed u viert inwendig na den geeste,

En dat ons harte brandt, gelijk als in 's vuurs gloed

Op 't heilige gesteent ons offerande doet,

En dat wij we wet betrachten aldermeeste.

Zoo dikwijls als het bloed der bokken zal besprengen

Des altaars hooge plat, zal ik gedenken aan[433]

Hoe wij de straffe hand uws engels zijn ontgaan,

Waar door gij tzamen ons woudt uit Egypten brengen.

Ik zal gedenken, hoe, om Faraos verdinsten[434],

Al de eerstelingen van geheel Egypteland

Van menschen en van vee, door uwe sterke hand

Geslagen werden, van den meesten tot den minsten.

En hoe gij ons verlost hebt uit de tyrannye

Van dezen koning, die, om zijn hardnekkigheid,

Met zijnen hoogmoed nu in 't meer begraven leît,

Waar door wij zijn ontboeid van al ons slavernye.

O Heer! bereidt den weg, en trekt nog voor ons henen,

Gelijk gij tot nog toe gedaan hebt goedertier,

Des daags in eene wolk, 's nachts in een vlammig vier,

Waar in gij mij ook zijt op Sinaï verschenen.

Versaagt[435]voor onze komst de stoute Filistijnen,

Kwetst hunnen preutschen[436]moed! o Heer, blijft onzen borcht

En onzen schild, op dat wij mogen onbezorgd

Geraken door de dorre Arabische woestijnen.

Op dat wij eindelijk eens mogen triumfeeren

In 't land van Canaän, en dat wij uwe wet,

Uw offeranden daar, rein, zuiver, onbesmet,

En ons beloft voldoen, tot uws naams prijs en eeren.

(Binnen).

KOOR.

KOOR.

's Hemels goedheid, die voorhenenOns voorvaders heeft beschenen,Is hier op 't tooneel herspeeld,En naar 't leven afgebeeld.Tijd noch de vergetenissenHoort[437]uit ons gemoed te wisschenDees weldaden overgroot,Neêrgedaald uit 's Hemels schoot.Doch wanneer wij zien veel milder,Wat den goddelijken schilderHier met naakt afconterfeit,Raakt dit in vergetelheid,En vertoont zich veel geringer,Wanneer ons dit met den vingerWijst op 't ware wezen blijVan dees hemel-schilderij:Op een grooter weldaad leerlijk,Die door Jezum Christum heerlijkOns zoo rijkelijk beschijnt,Dat de schaduwe verdwijnt:Want wanneer de zonne luistert[438],'t Manen-zilver werd verduisterd,'t Bleekste voor het helderst zwijkt[439],'t Minste voor het meeste wijkt;Om den zin hier van te mellen[440]D' een wij tegens d'ander stellen:Nu, het rijk Egypten isOf beteekent duisternis,Daar in zware slavernijeJacob, onder d' heerschappijeFaraonis, met geklagDroevelijk in boeyen lag:Maar door 't goddelijk verweere[441]Werden zij, door 't roode meere,Saam verlost uit dees spelonk,Als den Farao verzonkMet zijn schilden en zijn zwaarden,Met zijn ruiters, volk en paarden:Even lagen wij verstrikt,Leelijk in ons bloed verstikt,Onder Satan, Hel en zonden,In 's doods banden vastgebonden,Maar door 's levens klaar fontein,Onzen Zaligmaker rein,Als Hij in het laatst der dagenAan het kruise werd geslagen,Werden wij, door zijn bloed rood,Vrij van zond', Hel, Duivel, dood,Door zijn goedheid vol genadenAfgewasschen ons misdaden:Niet verlost, als Jacob, bloot[442]Van een tijdelijke dood:Maar door dezen Samson leeuwigVrij van d' Helsche pijnen eeuwig,Van Gods onverganklijk wee,Van het zwaard, dat uit der scheêBoven 't hoofd ons dreigde grammig,Met den brand des afgronds vlammig.Israël trok al gelijkNaar een aardsch verganklijk rijk,Dat maar voor een tijd mocht bloeyen,Maar, na ons gebroken boeyen[443],Ons de Heere roept tot hem;In het nieuw Jeruzalem,Loopt dan, ijverig genegen,Hebben wij door Christum kregen[444]Eenen weg gebaand en platNaar de schoone hemel-stad.Daar dood, ziekte, strijd noch tranenGelijk over der Jordanen[445]Ons meer zal ontmoeten wreed,Als 't den Isralieten deed.Die zoo vlijtig hun[446]bewezenIn het uiterlijke wezen,Ook om slachten 't zuiver Lam,'t Welk terstond een einde nam,Als den godlijken Messias(Daar den anderen HeliasZijn verkoren Jongers vroedOp wees met den vinger zoet,Alder schatten kleinoodkoffer),Toen die kwam en zijnen offer,Als hoog-priester, dede spâOp den berg Calvaria;Toen hij tegens Satan kampten,Alle priester-dienst en amptenEindden met het Paasschen-feest,Als de Joden jaarlijks meestPosten, dorpels nog bestrekenMet 's Lams bloede, tot een teekenHoe hun God bevrijdde weerd[447]Voor den slaanden Engels zweerd.Voorspel, 't welk ons leert ten besten,Hoe dat in den alderlestenDag der dagen, in 't gericht,Voor Gods toornig aangezicht,Jezus Christus ons zal vrijdenDoor zijn heilig bitter lijden,En, met 't rood onschuldig kleid[448]Van zijn droeve sterflijkheid,Ons onrein melaatsche vlekkenVoor des Heeren aanschijn dekken.Eet dan geestelijker wijsNog dit Lam, der zielen spijs,Met een bitter sausse spijtig;Ware Israëlieten vlijtig,Laat de kracht van zijne doodU nog zijn een hemels-brood!Weest omgordt, en staat alreedeOm te wand'len na den vrede,Met den staf, alzoo 't behoort,Van des Heeren heilig WoordOpgeschort, omgord op vordel[449]Met der liefden band en gordel.Ook aanmerkt hier algemeenDees twee leids-liên der Hebreên:Mozes (onbespraakt voor FaronsAanschijn) hoeft des priesters AronsvReden-rijke tonge vocht[450]:Doch geen van dees beiden mochtIsak brengen eindelijkenIn Canaäns koninkrijken:Onder welke schorsse duiktAls men dezen bast ontluikt[451],De onvolkomen zwakheid tederVan der wet te korten leeder[452],Om in 't hemelsch vaderlandOp te stijgen uit den brand,Uit den brand der zielen zweerdig[453],Uit Gods toornigheid rechtveerdig,Daar ons Christus, als gezeîd,Heeft behouden uitgeleid.Want in Christo woont bekwamigZelf de volheid Gods lichamig,'t Evangelische verbondVloeyet uit zijns wijsheids mond,Der genaden fontein-ader[454],Ons verbidder, bij den Vader.Israël vertrok op hoop,Maar voor ons heeft al den loopChristus 't hoofd van zijne bendenLang te voren gaan vol-enden,En met 't kruis getriomfeerdBoven Hemelen en eerd'[455].Laat dit plaatse bij u grijpen,Laat dit godlijk zaaisel rijpen,Zoo zal te uwaarts 's Hemels gonstVloeyenUIT LEVENDER JONST[456].

's Hemels goedheid, die voorhenen

Ons voorvaders heeft beschenen,

Is hier op 't tooneel herspeeld,

En naar 't leven afgebeeld.

Tijd noch de vergetenissen

Hoort[437]uit ons gemoed te wisschen

Dees weldaden overgroot,

Neêrgedaald uit 's Hemels schoot.

Doch wanneer wij zien veel milder,

Wat den goddelijken schilder

Hier met naakt afconterfeit,

Raakt dit in vergetelheid,

En vertoont zich veel geringer,

Wanneer ons dit met den vinger

Wijst op 't ware wezen blij

Van dees hemel-schilderij:

Op een grooter weldaad leerlijk,

Die door Jezum Christum heerlijk

Ons zoo rijkelijk beschijnt,

Dat de schaduwe verdwijnt:

Want wanneer de zonne luistert[438],

't Manen-zilver werd verduisterd,

't Bleekste voor het helderst zwijkt[439],

't Minste voor het meeste wijkt;

Om den zin hier van te mellen[440]

D' een wij tegens d'ander stellen:

Nu, het rijk Egypten is

Of beteekent duisternis,

Daar in zware slavernije

Jacob, onder d' heerschappije

Faraonis, met geklag

Droevelijk in boeyen lag:

Maar door 't goddelijk verweere[441]

Werden zij, door 't roode meere,

Saam verlost uit dees spelonk,

Als den Farao verzonk

Met zijn schilden en zijn zwaarden,

Met zijn ruiters, volk en paarden:

Even lagen wij verstrikt,

Leelijk in ons bloed verstikt,

Onder Satan, Hel en zonden,

In 's doods banden vastgebonden,

Maar door 's levens klaar fontein,

Onzen Zaligmaker rein,

Als Hij in het laatst der dagen

Aan het kruise werd geslagen,

Werden wij, door zijn bloed rood,

Vrij van zond', Hel, Duivel, dood,

Door zijn goedheid vol genaden

Afgewasschen ons misdaden:

Niet verlost, als Jacob, bloot[442]

Van een tijdelijke dood:

Maar door dezen Samson leeuwig

Vrij van d' Helsche pijnen eeuwig,

Van Gods onverganklijk wee,

Van het zwaard, dat uit der scheê

Boven 't hoofd ons dreigde grammig,

Met den brand des afgronds vlammig.

Israël trok al gelijk

Naar een aardsch verganklijk rijk,

Dat maar voor een tijd mocht bloeyen,

Maar, na ons gebroken boeyen[443],

Ons de Heere roept tot hem;

In het nieuw Jeruzalem,

Loopt dan, ijverig genegen,

Hebben wij door Christum kregen[444]

Eenen weg gebaand en plat

Naar de schoone hemel-stad.

Daar dood, ziekte, strijd noch tranen

Gelijk over der Jordanen[445]

Ons meer zal ontmoeten wreed,

Als 't den Isralieten deed.

Die zoo vlijtig hun[446]bewezen

In het uiterlijke wezen,

Ook om slachten 't zuiver Lam,

't Welk terstond een einde nam,

Als den godlijken Messias

(Daar den anderen Helias

Zijn verkoren Jongers vroed

Op wees met den vinger zoet,

Alder schatten kleinoodkoffer),

Toen die kwam en zijnen offer,

Als hoog-priester, dede spâ

Op den berg Calvaria;

Toen hij tegens Satan kampten,

Alle priester-dienst en ampten

Eindden met het Paasschen-feest,

Als de Joden jaarlijks meest

Posten, dorpels nog bestreken

Met 's Lams bloede, tot een teeken

Hoe hun God bevrijdde weerd[447]

Voor den slaanden Engels zweerd.

Voorspel, 't welk ons leert ten besten,

Hoe dat in den alderlesten

Dag der dagen, in 't gericht,

Voor Gods toornig aangezicht,

Jezus Christus ons zal vrijden

Door zijn heilig bitter lijden,

En, met 't rood onschuldig kleid[448]

Van zijn droeve sterflijkheid,

Ons onrein melaatsche vlekken

Voor des Heeren aanschijn dekken.

Eet dan geestelijker wijs

Nog dit Lam, der zielen spijs,

Met een bitter sausse spijtig;

Ware Israëlieten vlijtig,

Laat de kracht van zijne dood

U nog zijn een hemels-brood!

Weest omgordt, en staat alreede

Om te wand'len na den vrede,

Met den staf, alzoo 't behoort,

Van des Heeren heilig Woord

Opgeschort, omgord op vordel[449]

Met der liefden band en gordel.

Ook aanmerkt hier algemeen

Dees twee leids-liên der Hebreên:

Mozes (onbespraakt voor Farons

Aanschijn) hoeft des priesters Aronsv

Reden-rijke tonge vocht[450]:

Doch geen van dees beiden mocht

Isak brengen eindelijken

In Canaäns koninkrijken:

Onder welke schorsse duikt

Als men dezen bast ontluikt[451],

De onvolkomen zwakheid teder

Van der wet te korten leeder[452],

Om in 't hemelsch vaderland

Op te stijgen uit den brand,

Uit den brand der zielen zweerdig[453],

Uit Gods toornigheid rechtveerdig,

Daar ons Christus, als gezeîd,

Heeft behouden uitgeleid.

Want in Christo woont bekwamig

Zelf de volheid Gods lichamig,

't Evangelische verbond

Vloeyet uit zijns wijsheids mond,

Der genaden fontein-ader[454],

Ons verbidder, bij den Vader.

Israël vertrok op hoop,

Maar voor ons heeft al den loop

Christus 't hoofd van zijne benden

Lang te voren gaan vol-enden,

En met 't kruis getriomfeerd

Boven Hemelen en eerd'[455].

Laat dit plaatse bij u grijpen,

Laat dit godlijk zaaisel rijpen,

Zoo zal te uwaarts 's Hemels gonst

VloeyenUIT LEVENDER JONST[456].

[1]nagenoeg.

[1]nagenoeg.

[2]Verzonnen.

[2]Verzonnen.

[3]Maar.

[3]Maar.

[4]ingerichte.

[4]ingerichte.

[5]Van (den Latijnschen dichter)Horatius.

[5]Van (den Latijnschen dichter)Horatius.

[6]Gebrekkig(van geest nam.).

[6]Gebrekkig(van geest nam.).

[7]Thanszich.

[7]Thanszich.

[8]Men zou hier verkeerdelijk het wanklinkendedaarnaarwillen lezen; oorspronkelijk toch werd na en naar (d. i. ei-genlijknader) dooreen gebruikt, en verdient dus in alle deze samenstellingen metwaar,daar, enz. het eerste de voorkeur.

[8]Men zou hier verkeerdelijk het wanklinkendedaarnaarwillen lezen; oorspronkelijk toch werd na en naar (d. i. ei-genlijknader) dooreen gebruikt, en verdient dus in alle deze samenstellingen metwaar,daar, enz. het eerste de voorkeur.

[9]Thansdan.

[9]Thansdan.

[10]Korten(verg. de uitdrukkingspanne tijds).

[10]Korten(verg. de uitdrukkingspanne tijds).

[11]Thansvertoont(d. i. eig.vertoogent, met den langeren vorm, die den korteren geheel verdrongen heeft.)

[11]Thansvertoont(d. i. eig.vertoogent, met den langeren vorm, die den korteren geheel verdrongen heeft.)

[12]te omspannen; verg. boven bl. 5, aant. [23].

[12]te omspannen; verg. boven bl. 5, aant. [23].

[13]blinkende.

[13]blinkende.

[14]Tweede-naamval van Venus.

[14]Tweede-naamval van Venus.

[15]blinde klip

[15]blinde klip

[16]Thansiets anders.

[16]Thansiets anders.

[17]bestuur,beheer.

[17]bestuur,beheer.

[18]leerrijke.

[18]leerrijke.

[19]Lat. voortooneel.

[19]Lat. voortooneel.

[20]planken.

[20]planken.

[21]J. Mz.Vaer(d. i.van der) Laer was een rijk Amsterdamsch lakenkooper, en van 1608-1616 Heer van Jaarsveld.

[21]J. Mz.Vaer(d. i.van der) Laer was een rijk Amsterdamsch lakenkooper, en van 1608-1616 Heer van Jaarsveld.

[22]Thansdoet hem verzellen.

[22]Thansdoet hem verzellen.

[23]bekrachtiging.

[23]bekrachtiging.

[24]vrij te laten.

[24]vrij te laten.

[25]beesten(verg. 't Fr.bétail).

[25]beesten(verg. 't Fr.bétail).

[26]welriekend.

[26]welriekend.

[27]kaauwt en herkaauwt.

[27]kaauwt en herkaauwt.

[28]Dijt uit.

[28]Dijt uit.

[29]schapen(het deel voor 't geheel, en de vacht voor 't dier genomen)

[29]schapen(het deel voor 't geheel, en de vacht voor 't dier genomen)

[30]pracht(verg. 't Hoogd.geschmeide).

[30]pracht(verg. 't Hoogd.geschmeide).

[31]kleed('t Fr.habit).

[31]kleed('t Fr.habit).

[32]voorschijnt.

[32]voorschijnt.

[33]Thans toteen helmgeslonken.

[33]Thans toteen helmgeslonken.

[34]zacht.

[34]zacht.

[35]dan.

[35]dan.

[36]dezer dagen.

[36]dezer dagen.

[37]afbeeldt.

[37]afbeeldt.

[38]open.

[38]open.

[39]Voorverlustigt.

[39]Voorverlustigt.

[40]tweesnijdend.

[40]tweesnijdend.

[41]Thansofschoon.

[41]Thansofschoon.

[42]luister,glans geeft,blinkt.

[42]luister,glans geeft,blinkt.

[43]'t zilver van den maan.

[43]'t zilver van den maan.

[44]Voorraast.

[44]Voorraast.

[45]legt; thansligt.

[45]legt; thansligt.

[46]zeis.

[46]zeis.

[47]De landbouwende klasse.

[47]De landbouwende klasse.

[48]Thans totlachteverzwakt.

[48]Thans totlachteverzwakt.

[49]Een iegelijk.

[49]Een iegelijk.

[50]Voorgemeen.

[50]Voorgemeen.

[51]voren.

[51]voren.

[52]gelijk.

[52]gelijk.

[53]bron,water.

[53]bron,water.

[54]vonkelen(verg 't Eng.to spark).

[54]vonkelen(verg 't Eng.to spark).

[55]Thansschijnt te branden.

[55]Thansschijnt te branden.

[56]Thans alleengeknield.

[56]Thans alleengeknield.

[57]sterk(verg. bovensparkmet onssprank).

[57]sterk(verg. bovensparkmet onssprank).

[58]bespiedde.

[58]bespiedde.

[59]in eigen persoon.

[59]in eigen persoon.

[60]spiegelgladde,effene.

[60]spiegelgladde,effene.

[61]voorgebracht.

[61]voorgebracht.

[62]aan wien.

[62]aan wien.

[63]voorkrult.

[63]voorkrult.

[64]Thanswil.

[64]Thanswil.

[65]Bewandelt,betreedt.

[65]Bewandelt,betreedt.

[66]draait.

[66]draait.

[67]perk,omvang.

[67]perk,omvang.

[68]van't veld.

[68]van't veld.

[69]Zoo,indien.

[69]Zoo,indien.

[70]bundel,koker.

[70]bundel,koker.

[71]Thansbeschoren.

[71]Thansbeschoren.

[72]voorversmelt.

[72]voorversmelt.

[73]erkennen.

[73]erkennen.

[74]vloeitengeboeid, alsvloei-etengeboei-edte lezen; verg. benedenscheidet.

[74]vloeitengeboeid, alsvloei-etengeboei-edte lezen; verg. benedenscheidet.

[75]helderen.

[75]helderen.

[76]voorvliegend span.

[76]voorvliegend span.

[77]sluw.

[77]sluw.

[78]Thansom te.

[78]Thansom te.

[79]Eig. 't Hoogd.kreitz, d. i.kring,perk; van daar (gelijk ook hier)strijdperk.

[79]Eig. 't Hoogd.kreitz, d. i.kring,perk; van daar (gelijk ook hier)strijdperk.

[80]veegt(van 't oudedwa-en, waarvan nogdweil).

[80]veegt(van 't oudedwa-en, waarvan nogdweil).

[81]schreyend.

[81]schreyend.

[82]Voortarwen-aren.

[82]Voortarwen-aren.

[83]Thanszich.

[83]Thanszich.

[84]flikkeren,vonkelen.

[84]flikkeren,vonkelen.

[85]hoekigen,kronkelenden.

[85]hoekigen,kronkelenden.


Back to IndexNext