Chapter 11

DE DERDE HANDEL.fineas, priester.Melchisedech! o, die ooit[301], de eerste priester Gods,Het priesterschap bekleedde op Salems hooge rots,Wiens hoofdscheêl van God zelf met balsem wierd bedropen,Gezalfd en toegekend den myter, boven open:Doen 's Heeren heuvel gij wat hooger trokt, tot datHij 't aanzien en den naam van een ontworpen stadBereikte in Canaän;—Aäron uitverkoren!Die 't reukwerk aanstaakt met uw zonen welgeboren;—Ziet op, gij helden Gods! Aartspriestren, ziet eens om,Hoe 't van den Hemel hooggeadeld priesterdom,Ontkleed van zijnen glans, treurt zonder glimp of luister,Gelijk, bij zonnezwijm[302], al schemerende in 't duisterDe wereld sprietoogt[303], zoo, wanneer de maan jeloersDen sterflijken te spijt dekt 't aangezicht haars broêrs:Treurt, als 't gerantsoend lijk eens konings, die verslagenWordt, op een rosbaar, versch gebalsemd thuis gedragen.Waar is, Jeruzalem! nu uwen konings-staf,En 't priesterlijk cieraad, dat u Jehova gaf?Waar is uw blank ivoor? uw marmer, klaar van schimmer?Uw purper, fijn van draad? uw kerkelijk getimmer[304]?Uw koninklijk paleis? waar zijn uw cedren? waarUw pijlers, bogen, en gewelven allegaâr?Waar 't zilver? waar het goud? waar zijn de Cherubijnen?Waar 't altaar, 't wyrook, en dees blinkende gordijnen?Waar de Arke des Verbonds? waar Gods geheimenis?Helaas! 't is verr' gezocht, dat niet te vinden is.Wie had gedocht[305], dat God, te streng op ons gebeten,Zijn erfdeel zoo geheel vertreên zoude en vergeten?Schoon of de muur omringd van zulken heerkracht was,Dat[306]in 't gebergte alom vertrad het kruid en 't gras;Schoon of de stad verzonk in 't uiterste benouwen,Ons hoop steunde op de Kerk, en d' heilige gebouwen;Wij riepen: "zijt getroost, laat God begaan al stil,Jehova blijft onz' borcht, om zijnes tempelswil!"Maar ach, rampzalige! als[307]'t den Hemel woû gedogen,Wij wierden in ons hoop te jammerlijk bedrogen,In die vervloekte nacht, als, eer het licht opkwam,Ons kerk aan kolen ging, en stond in lichte vlam:Als[308]met de vlamme opsteeg ons krijten en ons kermen,Dat God noch Engel mocht bewegen tot erbarmen;Doen[308]al den berg, gesteld in vuur en enkel bloed,Sloeg d' overwinner met meêdoogen in 't gemoed;Doen riep me spâ: "vertrouwt noch kerken noch outaren,Haar heiligheid geen stad kan voor 't verderf bewaren!"Ik zelf ontvlood den moord, en riep luidskeels in 't vliên:"Vlied met mij! 't is vergeefs den vijand weer te biên;Hij heeft de stad voorlang, en houdt haar sterke wallen;De tempel is vergaan: onz' hope is nu gevallen."Zoo bergde ik naauwlijks 't lijf, en rukte, met dees hand,Veel heilge schatten ongeschonden uit den brand.Maar waarom vlood ik? ach! wat hield ik dier mijn leven?Hadde ik mijn ziele in 't vuur des tempels opgegeven,Als Meirus wel beraân, en als Daleus' zoon,Of waar ik in 't hoog koor geteld bij d' ander doôn;Zoo zoud' nooit zijn gebeurd, dat ik, gevaân, most latenDen Heidenschen monarch de goude' en zilvren vaten,'t Scharlaken, 't reukwerk, en 't hoogpriesterlijk gewaad,En andre ciersels: daar een booswicht, een soldaatZijn vingeren aan schendt: zoo waren voort mijn beenenBegraven met den val van d' afgekeurde[309]steenen!Nu houde ik de uitvaart van 't onzalige geslacht,Om welkers ondergang het volk van Rome lacht,En op de diensten smaalt, die Mozes heeft geboden,En prijst voor onzen God een hoop verdichte Goden,Die Abraham verzaakte: en of mij schoon genâGeschied is, zoo dat ik op vrije voeten sta,Wat batet? want, waarheen dat ik mij keere of wende,Ik zie mijn hertenleed aan Israëls ellende!Indien ik zie rondom, ik zie hem, die ons dringt,En vind mij van de macht der Heidenen omringd.Sla ik 't gezicht om leege, ik zie, hoe met den zweerde't Huis Jacobs ligt verdelgd, de stad geslecht met d' eerde:Ik zie van d' afgrond op nog smooken 't heerlijk slot,Daar David vaak uit heeft den Filistijn bespot.Heffe ik mijn lichten op, den Hemel is gesloten,Noch draagt niet langer gunst zijn ouden bondgenooten.de dochter sion, rei van staatjonffren, rei van joodsche vrouwen, titus.DE DOCHTER SION.Gij spoken[310], die wel eer verhoogd pronkte' in de traliënVan 't goude Blijenburg, behangen met medaliën,Waarmeê de Godheid hadde onsterflijkt uwen rei,Als gij zijn eersleep volgde, en droegt zijn leverei,Als gij Gods Majesteit omschanste met uw stoeten,En zaagt 't gesternt', de zon, en maan beneên uw voetenVerschieten flaauwer[311], als de klaarste diamant[312]Ons van d' uitbreidsels zendt zijn stralen overkant[313];Die gij, getuimeld, moogt op 't aldernaauwst' vertellen,Hoe veel van 's Hemels top schilt 't middelpunt der Hellen:Ten waar 't lang vallen u gewiegd hadd' heel in zwijm,Eer gij ten lesten plofte in 's afgronds vuilen slijmEn diepen zwavelpoel, die fluks is aangevlogen,Doen vonken stoven neêr uit Gods vuurvlammende oogen;Gij spoken! zegge ik, breekt uit uw gevangenis,Aanschouwt, wie 't vallen nog met u deelachtig is;Ziet, hoe die bliksem Gods mijn hemelhooge cedren,En marbren gepolijst, ter Hellen ging vernedren,Als ik te trotsch van nek in mijnen plicht ontbrak,En opgeblazen naar zijn kroon en glorie stak:Ziet, hoe die lusthof is verkeerd in een woestijne,En herberg van 't gediert', waarin ik eenzaam kwijne!O, strekten de oogen mij een sprongrijk[314]Siloa,Nu ik mijn handen wringe en voor mijn borsten sla,En scheur mijn treurgewaad! och, of ze tranen lieten,Wat zou mij daar een pak, een pak van 't hert afschieten!Nu houdt de rouw, zoo 't schijnt, de dorpels toegestopt,Een rouw, die ik al meer en meer hebbe ingekropt,Daar ik aan stikken zal, daar ik aanmoetverstikken,Hoe flaauw bezwijkt mijn hert schier allen oogenblikken!O wee! o wi! o wach!—hebt gij, bedrukte maagd!Uw hert nog niet van rouw geleêgd, en uitgeklaagd,En moogdy niet een traan tot uwen troost verwerven,Zoo treurt u voorts in 't graf, en zoekt uw heil in 't sterven.REI VAN STAATJONFFREN.Wat krijgsliê komen hier, die meer zijn als gemeen?Waar vliên wij? och! wie is 't? zijn 't hopliê?REI VAN JOODSCHE VROUWEN.En met eenDe veldheer Titus zelf; ik zie, hij staat in 't midden.DE DOCHTER SION.Staatjonffren! volgt mij na, en helpt ons straf verbidden.Aanveerdt een droef gelaat, en jammerlijk gebaar.Slaat voor uw borst, verscheurt uw kleedren, en uw haar,Als ik mijn stem verhef; bevochtigt met uw tranen't Hert des verwinners: of gij zoo een weg mocht banenTot mededoogen; schaamt, rampzaalge rei! u niet,Nu aan te gaan al 'tgeen de bittre nood gebiedt.Vergeet uw oud geslacht van priesteren en vorstenEn koningen, die 't al ten strijde ontzeggen dorsten.Ootmoedigheid u voegt; ik ga u allen voor.God! om[315]wiens aanschijn juicht de rei van 's Hemels koor,Mij aangenaamheid jont, druipt honig op mijn lippen,Dat ik bewegen mag zoo zielelooze klippen,Als zijn der vijanden onbuiglijke gemoên!TITUS.Wie knielt hier neder om t' erlangen haren zoen?DE DOCHTER SION.Grootmogende monarch! wilt met geduldige oorenOns klacht, ter zielen[316]uitgeborsten, doch aanhooren:Wij, 't overschot des volks, die vallen u te voet,Wij eischen geen genâ, maar dat gij met ons doetAl 'tgeen wat u behaagt: laat vrij uw dienaars stootenHaar degens door ons borst, die wij voor u ontblooten:Of dat ze ons werpen van dees rotsen, scherp en steil,En plettren ons gebeent', want 't sterven is ons heil,De dood ons toevlucht, en haar komst, daar andre menschenVoor schrikken, is den troost en 't zoetst', daar wij om wenschen,Om te geraken door d' eindlooze zwarigheên,En eens ons leed t' ontgaan; of zijdy door gebeên,Ontzichelijke vorst! nog tot genâ te neigen,Verzacht de penen[317]doch, die d' overwonnen dreigen.'t Van ouds beroemd geslacht, dat van de vadren daalt,Bijna is uitgeroeid; dien lof hebdy behaald:Een handvol blijft er, uitgeput van ongenuchten[318],Die 't leven valt te bang, die niet doen dan verzuchten:Erbarmt u haarder, en verschoont ze, o vorst! althans[319],Die 't lot spaarde om te zien den val haars vaderlands!TITUS.Hadt gij dit voorbedacht, vermaledijde Joden!En van uw poorten mij de sleutlen aangeboden,Als uws stads grondvest nog haar hooge muren droeg,Als ik om Sions kreits nog eerst mijn leger sloeg:Gij stondt nog daar gij stondt, en van uw sterke wallenEn waar de cingel[320]nooit ter aarden neêrgevallen.Hoe vaken[321]hebdy, met een ingeboren haat,Mijn keizerlijke gunst en goedigheid versmaad,Als ik u hulde[322]aanbood, en, uit een mild ontfarmen,U zwoer gezamentlijk voor onheil te beschermen:Hoe menigwerven blies ik d' aftocht, alzoo rasGij nood leedt, als de strijd en storm op 't heetste was:Hoe dikmaal breidelde ik mijn ongetemde benden,Van vreeze, dat ze uw kerk en Godsdienst zouden schenden!Nu komdy smeeken; op, staat op!DE DOCHTER SION.Ertsmaarschalk[323], ach!Dat wij u kwetsten ooit is, laas! al ons beklag.TITUS.Nu 't glas verloopen is, nu roept men om genade.DE DOCHTER SION.Erbarmt des armen volks, al komet[324]vrij wat spade.TITUS.Zoo spade, dat er niets voor u te hopen staat.DE DOCHTER SION.Een welgeboren vorst zich nog erbarmen laat.TITUS.Een welgeboren vorst zoekt 't voordeel van den lande.DE DOCHTER SION.'t Ontfermen voordeel brengt, gestrengheid schade en schande.TITUS.'t Ontfermen brengt ook ramp, gestrengheid voordeel toe;Zoo houdt men 't volk in tucht.DE DOCHTER SION.Elk een verwenscht de roê.TITUS.De booswicht haat zijn straf.DE DOCHTER SION.Ons heeft geen straf ontbroken.De veldheer heeft zijn leed ten uiterste gewroken.TITUS.Waar mijnen doortocht valt, daar eischen[325]nog te staanDees muiters, tot een les en spiegel voor de kwaân.DE DOCHTER SION.Die 't spieglen lust, beschouw dit graf vol doode beenen,Dees omgekeerde stad, en die verstrooide steenen!TITUS.Licht slaat men in de wind 'tgeen zelf men niet en ziet.DE DOCHTER SION.Al ziet men 't niet, de faam meldt wat er is geschied.TITUS.De Joden voor 't gerucht nooit eenen voet verzetten.DE DOCHTER SION.'t Is een Godsdienstig volk, dat ijvert om[326]zijn wetten.TITUS.Is 't ijver, dat men muit?DE DOCHTER SION.Het acht de vrijheid weerd.TITUS.Derft hij ook vrijheid, die al heeft wat hij begeert?Den Joden was 't vergund haar dorpels te bewonen,Te lezen haren oogst, en koningen te kroonen,En vorsten van haar bloed met purper te bekleên,En vrank te leven naar der bestevadren zeên;Dies mosten zij den stoel van Romen onderstuttenMet dragelijken tol, daar voor wij haar beschuttenVan allen overlast des woedenden soldaats:Ja, wie ontwijen dorst 's kerks afgekeurde[327]plaats,Naar d' uitgedrukte wet, geprent[328]in zuiver marmer,Die brocht zijn vonnis mede, en vond geen lijfsbeschermer.Is dit geen vrijheid, die 't gespuis vernoegen mag?Veel andre zijn te vreên, en dragen ons ontzag;Maar uw herdnekkigheid (en niet de zware tollen)En 's keizers slappen moed, die brachten u aan 't hollen:Ons goedheid vaak misbruikt u stouter heeft gemaakt.DE DOCHTER SION.Doorluchte prins! 't is waar, 't en kan niet zijn miszaakt[329];Doch overweegt, dat eerst door woedende tyrannenDe ketenen van twist en oproer zijn gespannen:Nooit had de vrome deel aan zulken overmoed.TITUS.De vrome vaak ontgeldt 't kwaad, dat een ander doet.DE DOCHTER SION.Wie wijs is en beraân, die schift ze van malkander.TITUS.Elk wascht zich af van 't vuil, en schuift het op een ander.DE DOCHTER SION.Wie niet handdadig is aan eenig kwaad beleid,'t Is billijk, dat hij staat op zijn onnoozelheid.TITUS.Zoo spreekt de kwaadste schelm.DE DOCHTER SION.Men ziet op niemands spreken,Men let op ieders feit, en al 'tgeen heeft gebleken.De aanstellers van 't rumoer zijn elkeen openbaar.TITUS.D' handhavers zijn al dood, en die[330]verbergen haar.DE DOCHTER SION.Men houde 't die te goê, de straf hun hoofden wrake.TITUS.Rechtveerdigheid, die 't meent, eischt over beiden wrake.DE DOCHTER SION.Uit slechtigheid[331]is 't vaak, dat iemand 't kwaad bestemt.TITUS.Al boet hij 't met zijn hals, dat schijnt dan niemand vremd.DE DOCHTER SION.Wie 't uit onkunde faalt heeft in dit pleit groot voordeel.TITUS.Zoo groot niet, of hij moet uitstaan zijns rechters oordeel.DE DOCHTER SION.Een oordeel, hecht gesmeed op 't aanbeeld van de reên.TITUS.Een oordeel, dat de wet en krijgsraad stelt te vreên.DE DOCHTER SION.O vorst! vernoegt u met de straf alreê genomen,En die der boozen rot nog versch is overkomen;Het overschot meest al onschuldig is aan 't kwaad,Daarmede uw Majesteit gekwetst is inderdaad:Misgunt niet, dat wij hier zieltogen weinig dagen,En als een eerlijk lijk[332]Jeruzalem beklagen.TITUS.Om hier te nestlen? neen, de krijgsman, die 't zich belgt,Staat uw uitroeyen duur.DE DOCHTER SION.Nu zijn wij gants verdelgd.TITUS.Zoo gants niet, of ons stond een erger kwaad te vreezen.DE DOCHTER SION.Zoo Rome vreeze aankomt van ouderlooze weezen,Van weeûwen uitgeschreid, van vrouwen levensmoê,Van wat ontwapend volks, zoo brengen wij z' haar toe,Die, uitgemergeld, niet voor hebben, als ons magen[333],Waar ze ergens kenbaar zijn, in 't koude graf te dragen,En in spelonken en steenrotsen hier ontrentTe huilen, schouw[334]van 't licht, tot dat ons leven endt.TITUS.Van luttel zaads gestrooid, dat over is geschoten,Wast eenen rijken oogst; alzoo van weinig lotenOntstaat een boomrijk woud; zoo[335]'t eerstgeplante veilBeklimt en dekt een muur, al is hij hoog en steil;De doornen laten niet van nieuws weêr aan te groeyen,Zoo lang daar wortel blijft, die most men eerst uitroeyen.DE DOCHTER SION.Men laat dees woeste plaats van krijgsliê wel verzorgd.TITUS.'t Mistrouwen geeft meer rust, en is een vaster borcht.DE DOCHTER SION.Mistrouwdy die gij loont?TITUS.Geenszins, maar wel u-lieden,Die altijd woelt, en tracht den genen 't hoofd te bieden,Die uwen staat verdrukt[336].DE DOCHTER SION.Ei, wapenloozen hoop!Die in uw tranen smilt en 't zuchten hebt goedkoop,Verheugt u nog met mij, dat de overwinners moetenVoor u verschrikken, daar gij neêr ligt voor haar voeten:Grijpt moed, en recht nog op 't vervallen Jodendom,Want Titus staat bedeesd, en 't heer ziet naar u om.TITUS.Uit d' assche van een stad (licht wordt een zaak verkeken[337])Is vaak een brand ontstaan, die landen heeft ontsteken,En rijken met de grond ge-effend en vernield:Geen lichaam acht men dood, zoo lang het is gezield.Die dikwijls op het veld voor dooden zijn gerekend,Gedenken aan haar leed, verrijzen weêr en wreken't.DE DOCHTER SION.Verre is de wraak van ons, die bloot zijn van geweer.TITUS.De wanhoop ziet niet aan, al waar 't een machtig heer,Zij geeft ze dobbel kracht, en helpt weêr op de beenenEen deel vervloekt gespuis, eer 't iemand zoude meenen.DE DOCHTER SION.Helaas, eêlaardig bloed! 't mistrouwen, dat gij hebt,Veroorzaakt, dat men troost noch blijdschap uit u schept.TITUS.Zijt, jonkvrouw! wel gemoed, en wilt ten besten hopen,De krijgsraad is vergaârd; mijn tijd is hier verloopen.Verwacht van ons het lot, en denkt het zal wel gaan:Wij breken morgen op, daar legt uw zaak naar[338]aan.DE DOCHTER SION.'t Onredelijke[339]dier[340], dat eertijds twee gebroeders,Grondleggers van uw staat verschoonde, en, als haar 's moedersOntzet[341]en speen gebrak, opzoogde, aan 's Tybers boord,Was reedlijker als gij, die naar geen smeeken hoort.Het klippig steengebergt, dat hier met doôn bespreed leît,Ik tot getuige neem, o Titus! van uw wreedheid.Geen kermen heeft hier plaats, en mij voorzeît de noodEen slaafsche ballingschap, of een benaauwdedood.REI VAN PRIESTEREN.Wij, priesterlijke reyen(Die voormaals met schalmeyenDen vierdag plachten en de feesten in te wijden,En steeds op Mozes' wettenAandachtelijk te letten,En te vergaren 't volk op haar gezette tijden),Niet hebben acht geslagen,In[342]de onverwachte plagen,En 't voorspook, dat ons daaglijks met verwoesting dreigde:Al gaf God, zonder spreken,Zoo menig helder teeken,Waaraan 't bleek, werwaarts dat de Joodsche staat zich neigde:'t Verwoesten en 't vertredenVan de omgelegen steden,Vol viers, vol moordgeschreis, vol brands, vol bloeds, vol tranen,Vol krijtens, en vol zuchten,Vol twists, vol krijgsgeruchten,Woû Salem van haar val en ondergang vermanen.De ruiggehaarde sterre,Die in de locht van verreBlonk, als een Godlijk zweerd, recht boven onzen schedel,Riep, dat het zweerd van RomenOns haastig op zou komen,En treffen jong en oud, rijk, arm, eêl, en onedel.'t Licht binnen d' heilge drempel,Bij 't outaar en den tempel,Waarvoor de donkre nacht week met zijn bruine vlerken:Het zwangre koebeest mede,Ten brand geschikt alreede,'t Lam barende, zocht ons te brengen tot opmerken.De deur met ijzren slotenVan klaar metaal gegoten,Die twintig mannen al bezweet te grendlen plachten:Waarschouwde onz' Godverachters,Als haar de tempelwachtersWijd open vonden staan vaak en verscheiden nachten.Het heerkracht veler volken,Dat, boven in de wolken,Zich legerde in de locht, voor d' ondergang der zonnen,Vertoonde ons al de benden,Die de oude stad berenden,En niet aflieten voor zij hadden ze gewonnen.'s Nachts, als wij bezig warenOm te offren op de altaren,En 't heilig Pinxterfeest met ijver uitermatenAandachtelijk te vieren,Naar d' overouw' manieren,Riep ons een stemme toe: "laat ons dees kerk verlaten!"'t Weeklagen ongewoneVan Ananias' zone[343]:"Wee volk! wee stad! wee kerk! wee, wee van allen hoeken!"Ons uit den slaap niet wekte,Daar 't als een voorspel strekte,'t Welk aanwees, dat ons God op 't strengste zou bezoeken[344].Dit alles slaan wij gade,Helaas! nu 't is te spade,Nu stad en tempel is een roof der vremdelingen.O God! ziet eenmaal neder,En troostet Levi weder,Opdat wij uwen lof met juichen mogen zingen.

fineas, priester.Melchisedech! o, die ooit[301], de eerste priester Gods,Het priesterschap bekleedde op Salems hooge rots,Wiens hoofdscheêl van God zelf met balsem wierd bedropen,Gezalfd en toegekend den myter, boven open:Doen 's Heeren heuvel gij wat hooger trokt, tot datHij 't aanzien en den naam van een ontworpen stadBereikte in Canaän;—Aäron uitverkoren!Die 't reukwerk aanstaakt met uw zonen welgeboren;—Ziet op, gij helden Gods! Aartspriestren, ziet eens om,Hoe 't van den Hemel hooggeadeld priesterdom,Ontkleed van zijnen glans, treurt zonder glimp of luister,Gelijk, bij zonnezwijm[302], al schemerende in 't duisterDe wereld sprietoogt[303], zoo, wanneer de maan jeloersDen sterflijken te spijt dekt 't aangezicht haars broêrs:Treurt, als 't gerantsoend lijk eens konings, die verslagenWordt, op een rosbaar, versch gebalsemd thuis gedragen.Waar is, Jeruzalem! nu uwen konings-staf,En 't priesterlijk cieraad, dat u Jehova gaf?Waar is uw blank ivoor? uw marmer, klaar van schimmer?Uw purper, fijn van draad? uw kerkelijk getimmer[304]?Uw koninklijk paleis? waar zijn uw cedren? waarUw pijlers, bogen, en gewelven allegaâr?Waar 't zilver? waar het goud? waar zijn de Cherubijnen?Waar 't altaar, 't wyrook, en dees blinkende gordijnen?Waar de Arke des Verbonds? waar Gods geheimenis?Helaas! 't is verr' gezocht, dat niet te vinden is.Wie had gedocht[305], dat God, te streng op ons gebeten,Zijn erfdeel zoo geheel vertreên zoude en vergeten?Schoon of de muur omringd van zulken heerkracht was,Dat[306]in 't gebergte alom vertrad het kruid en 't gras;Schoon of de stad verzonk in 't uiterste benouwen,Ons hoop steunde op de Kerk, en d' heilige gebouwen;Wij riepen: "zijt getroost, laat God begaan al stil,Jehova blijft onz' borcht, om zijnes tempelswil!"Maar ach, rampzalige! als[307]'t den Hemel woû gedogen,Wij wierden in ons hoop te jammerlijk bedrogen,In die vervloekte nacht, als, eer het licht opkwam,Ons kerk aan kolen ging, en stond in lichte vlam:Als[308]met de vlamme opsteeg ons krijten en ons kermen,Dat God noch Engel mocht bewegen tot erbarmen;Doen[308]al den berg, gesteld in vuur en enkel bloed,Sloeg d' overwinner met meêdoogen in 't gemoed;Doen riep me spâ: "vertrouwt noch kerken noch outaren,Haar heiligheid geen stad kan voor 't verderf bewaren!"Ik zelf ontvlood den moord, en riep luidskeels in 't vliên:"Vlied met mij! 't is vergeefs den vijand weer te biên;Hij heeft de stad voorlang, en houdt haar sterke wallen;De tempel is vergaan: onz' hope is nu gevallen."Zoo bergde ik naauwlijks 't lijf, en rukte, met dees hand,Veel heilge schatten ongeschonden uit den brand.Maar waarom vlood ik? ach! wat hield ik dier mijn leven?Hadde ik mijn ziele in 't vuur des tempels opgegeven,Als Meirus wel beraân, en als Daleus' zoon,Of waar ik in 't hoog koor geteld bij d' ander doôn;Zoo zoud' nooit zijn gebeurd, dat ik, gevaân, most latenDen Heidenschen monarch de goude' en zilvren vaten,'t Scharlaken, 't reukwerk, en 't hoogpriesterlijk gewaad,En andre ciersels: daar een booswicht, een soldaatZijn vingeren aan schendt: zoo waren voort mijn beenenBegraven met den val van d' afgekeurde[309]steenen!Nu houde ik de uitvaart van 't onzalige geslacht,Om welkers ondergang het volk van Rome lacht,En op de diensten smaalt, die Mozes heeft geboden,En prijst voor onzen God een hoop verdichte Goden,Die Abraham verzaakte: en of mij schoon genâGeschied is, zoo dat ik op vrije voeten sta,Wat batet? want, waarheen dat ik mij keere of wende,Ik zie mijn hertenleed aan Israëls ellende!Indien ik zie rondom, ik zie hem, die ons dringt,En vind mij van de macht der Heidenen omringd.Sla ik 't gezicht om leege, ik zie, hoe met den zweerde't Huis Jacobs ligt verdelgd, de stad geslecht met d' eerde:Ik zie van d' afgrond op nog smooken 't heerlijk slot,Daar David vaak uit heeft den Filistijn bespot.Heffe ik mijn lichten op, den Hemel is gesloten,Noch draagt niet langer gunst zijn ouden bondgenooten.de dochter sion, rei van staatjonffren, rei van joodsche vrouwen, titus.DE DOCHTER SION.Gij spoken[310], die wel eer verhoogd pronkte' in de traliënVan 't goude Blijenburg, behangen met medaliën,Waarmeê de Godheid hadde onsterflijkt uwen rei,Als gij zijn eersleep volgde, en droegt zijn leverei,Als gij Gods Majesteit omschanste met uw stoeten,En zaagt 't gesternt', de zon, en maan beneên uw voetenVerschieten flaauwer[311], als de klaarste diamant[312]Ons van d' uitbreidsels zendt zijn stralen overkant[313];Die gij, getuimeld, moogt op 't aldernaauwst' vertellen,Hoe veel van 's Hemels top schilt 't middelpunt der Hellen:Ten waar 't lang vallen u gewiegd hadd' heel in zwijm,Eer gij ten lesten plofte in 's afgronds vuilen slijmEn diepen zwavelpoel, die fluks is aangevlogen,Doen vonken stoven neêr uit Gods vuurvlammende oogen;Gij spoken! zegge ik, breekt uit uw gevangenis,Aanschouwt, wie 't vallen nog met u deelachtig is;Ziet, hoe die bliksem Gods mijn hemelhooge cedren,En marbren gepolijst, ter Hellen ging vernedren,Als ik te trotsch van nek in mijnen plicht ontbrak,En opgeblazen naar zijn kroon en glorie stak:Ziet, hoe die lusthof is verkeerd in een woestijne,En herberg van 't gediert', waarin ik eenzaam kwijne!O, strekten de oogen mij een sprongrijk[314]Siloa,Nu ik mijn handen wringe en voor mijn borsten sla,En scheur mijn treurgewaad! och, of ze tranen lieten,Wat zou mij daar een pak, een pak van 't hert afschieten!Nu houdt de rouw, zoo 't schijnt, de dorpels toegestopt,Een rouw, die ik al meer en meer hebbe ingekropt,Daar ik aan stikken zal, daar ik aanmoetverstikken,Hoe flaauw bezwijkt mijn hert schier allen oogenblikken!O wee! o wi! o wach!—hebt gij, bedrukte maagd!Uw hert nog niet van rouw geleêgd, en uitgeklaagd,En moogdy niet een traan tot uwen troost verwerven,Zoo treurt u voorts in 't graf, en zoekt uw heil in 't sterven.REI VAN STAATJONFFREN.Wat krijgsliê komen hier, die meer zijn als gemeen?Waar vliên wij? och! wie is 't? zijn 't hopliê?REI VAN JOODSCHE VROUWEN.En met eenDe veldheer Titus zelf; ik zie, hij staat in 't midden.DE DOCHTER SION.Staatjonffren! volgt mij na, en helpt ons straf verbidden.Aanveerdt een droef gelaat, en jammerlijk gebaar.Slaat voor uw borst, verscheurt uw kleedren, en uw haar,Als ik mijn stem verhef; bevochtigt met uw tranen't Hert des verwinners: of gij zoo een weg mocht banenTot mededoogen; schaamt, rampzaalge rei! u niet,Nu aan te gaan al 'tgeen de bittre nood gebiedt.Vergeet uw oud geslacht van priesteren en vorstenEn koningen, die 't al ten strijde ontzeggen dorsten.Ootmoedigheid u voegt; ik ga u allen voor.God! om[315]wiens aanschijn juicht de rei van 's Hemels koor,Mij aangenaamheid jont, druipt honig op mijn lippen,Dat ik bewegen mag zoo zielelooze klippen,Als zijn der vijanden onbuiglijke gemoên!TITUS.Wie knielt hier neder om t' erlangen haren zoen?DE DOCHTER SION.Grootmogende monarch! wilt met geduldige oorenOns klacht, ter zielen[316]uitgeborsten, doch aanhooren:Wij, 't overschot des volks, die vallen u te voet,Wij eischen geen genâ, maar dat gij met ons doetAl 'tgeen wat u behaagt: laat vrij uw dienaars stootenHaar degens door ons borst, die wij voor u ontblooten:Of dat ze ons werpen van dees rotsen, scherp en steil,En plettren ons gebeent', want 't sterven is ons heil,De dood ons toevlucht, en haar komst, daar andre menschenVoor schrikken, is den troost en 't zoetst', daar wij om wenschen,Om te geraken door d' eindlooze zwarigheên,En eens ons leed t' ontgaan; of zijdy door gebeên,Ontzichelijke vorst! nog tot genâ te neigen,Verzacht de penen[317]doch, die d' overwonnen dreigen.'t Van ouds beroemd geslacht, dat van de vadren daalt,Bijna is uitgeroeid; dien lof hebdy behaald:Een handvol blijft er, uitgeput van ongenuchten[318],Die 't leven valt te bang, die niet doen dan verzuchten:Erbarmt u haarder, en verschoont ze, o vorst! althans[319],Die 't lot spaarde om te zien den val haars vaderlands!TITUS.Hadt gij dit voorbedacht, vermaledijde Joden!En van uw poorten mij de sleutlen aangeboden,Als uws stads grondvest nog haar hooge muren droeg,Als ik om Sions kreits nog eerst mijn leger sloeg:Gij stondt nog daar gij stondt, en van uw sterke wallenEn waar de cingel[320]nooit ter aarden neêrgevallen.Hoe vaken[321]hebdy, met een ingeboren haat,Mijn keizerlijke gunst en goedigheid versmaad,Als ik u hulde[322]aanbood, en, uit een mild ontfarmen,U zwoer gezamentlijk voor onheil te beschermen:Hoe menigwerven blies ik d' aftocht, alzoo rasGij nood leedt, als de strijd en storm op 't heetste was:Hoe dikmaal breidelde ik mijn ongetemde benden,Van vreeze, dat ze uw kerk en Godsdienst zouden schenden!Nu komdy smeeken; op, staat op!DE DOCHTER SION.Ertsmaarschalk[323], ach!Dat wij u kwetsten ooit is, laas! al ons beklag.TITUS.Nu 't glas verloopen is, nu roept men om genade.DE DOCHTER SION.Erbarmt des armen volks, al komet[324]vrij wat spade.TITUS.Zoo spade, dat er niets voor u te hopen staat.DE DOCHTER SION.Een welgeboren vorst zich nog erbarmen laat.TITUS.Een welgeboren vorst zoekt 't voordeel van den lande.DE DOCHTER SION.'t Ontfermen voordeel brengt, gestrengheid schade en schande.TITUS.'t Ontfermen brengt ook ramp, gestrengheid voordeel toe;Zoo houdt men 't volk in tucht.DE DOCHTER SION.Elk een verwenscht de roê.TITUS.De booswicht haat zijn straf.DE DOCHTER SION.Ons heeft geen straf ontbroken.De veldheer heeft zijn leed ten uiterste gewroken.TITUS.Waar mijnen doortocht valt, daar eischen[325]nog te staanDees muiters, tot een les en spiegel voor de kwaân.DE DOCHTER SION.Die 't spieglen lust, beschouw dit graf vol doode beenen,Dees omgekeerde stad, en die verstrooide steenen!TITUS.Licht slaat men in de wind 'tgeen zelf men niet en ziet.DE DOCHTER SION.Al ziet men 't niet, de faam meldt wat er is geschied.TITUS.De Joden voor 't gerucht nooit eenen voet verzetten.DE DOCHTER SION.'t Is een Godsdienstig volk, dat ijvert om[326]zijn wetten.TITUS.Is 't ijver, dat men muit?DE DOCHTER SION.Het acht de vrijheid weerd.TITUS.Derft hij ook vrijheid, die al heeft wat hij begeert?Den Joden was 't vergund haar dorpels te bewonen,Te lezen haren oogst, en koningen te kroonen,En vorsten van haar bloed met purper te bekleên,En vrank te leven naar der bestevadren zeên;Dies mosten zij den stoel van Romen onderstuttenMet dragelijken tol, daar voor wij haar beschuttenVan allen overlast des woedenden soldaats:Ja, wie ontwijen dorst 's kerks afgekeurde[327]plaats,Naar d' uitgedrukte wet, geprent[328]in zuiver marmer,Die brocht zijn vonnis mede, en vond geen lijfsbeschermer.Is dit geen vrijheid, die 't gespuis vernoegen mag?Veel andre zijn te vreên, en dragen ons ontzag;Maar uw herdnekkigheid (en niet de zware tollen)En 's keizers slappen moed, die brachten u aan 't hollen:Ons goedheid vaak misbruikt u stouter heeft gemaakt.DE DOCHTER SION.Doorluchte prins! 't is waar, 't en kan niet zijn miszaakt[329];Doch overweegt, dat eerst door woedende tyrannenDe ketenen van twist en oproer zijn gespannen:Nooit had de vrome deel aan zulken overmoed.TITUS.De vrome vaak ontgeldt 't kwaad, dat een ander doet.DE DOCHTER SION.Wie wijs is en beraân, die schift ze van malkander.TITUS.Elk wascht zich af van 't vuil, en schuift het op een ander.DE DOCHTER SION.Wie niet handdadig is aan eenig kwaad beleid,'t Is billijk, dat hij staat op zijn onnoozelheid.TITUS.Zoo spreekt de kwaadste schelm.DE DOCHTER SION.Men ziet op niemands spreken,Men let op ieders feit, en al 'tgeen heeft gebleken.De aanstellers van 't rumoer zijn elkeen openbaar.TITUS.D' handhavers zijn al dood, en die[330]verbergen haar.DE DOCHTER SION.Men houde 't die te goê, de straf hun hoofden wrake.TITUS.Rechtveerdigheid, die 't meent, eischt over beiden wrake.DE DOCHTER SION.Uit slechtigheid[331]is 't vaak, dat iemand 't kwaad bestemt.TITUS.Al boet hij 't met zijn hals, dat schijnt dan niemand vremd.DE DOCHTER SION.Wie 't uit onkunde faalt heeft in dit pleit groot voordeel.TITUS.Zoo groot niet, of hij moet uitstaan zijns rechters oordeel.DE DOCHTER SION.Een oordeel, hecht gesmeed op 't aanbeeld van de reên.TITUS.Een oordeel, dat de wet en krijgsraad stelt te vreên.DE DOCHTER SION.O vorst! vernoegt u met de straf alreê genomen,En die der boozen rot nog versch is overkomen;Het overschot meest al onschuldig is aan 't kwaad,Daarmede uw Majesteit gekwetst is inderdaad:Misgunt niet, dat wij hier zieltogen weinig dagen,En als een eerlijk lijk[332]Jeruzalem beklagen.TITUS.Om hier te nestlen? neen, de krijgsman, die 't zich belgt,Staat uw uitroeyen duur.DE DOCHTER SION.Nu zijn wij gants verdelgd.TITUS.Zoo gants niet, of ons stond een erger kwaad te vreezen.DE DOCHTER SION.Zoo Rome vreeze aankomt van ouderlooze weezen,Van weeûwen uitgeschreid, van vrouwen levensmoê,Van wat ontwapend volks, zoo brengen wij z' haar toe,Die, uitgemergeld, niet voor hebben, als ons magen[333],Waar ze ergens kenbaar zijn, in 't koude graf te dragen,En in spelonken en steenrotsen hier ontrentTe huilen, schouw[334]van 't licht, tot dat ons leven endt.TITUS.Van luttel zaads gestrooid, dat over is geschoten,Wast eenen rijken oogst; alzoo van weinig lotenOntstaat een boomrijk woud; zoo[335]'t eerstgeplante veilBeklimt en dekt een muur, al is hij hoog en steil;De doornen laten niet van nieuws weêr aan te groeyen,Zoo lang daar wortel blijft, die most men eerst uitroeyen.DE DOCHTER SION.Men laat dees woeste plaats van krijgsliê wel verzorgd.TITUS.'t Mistrouwen geeft meer rust, en is een vaster borcht.DE DOCHTER SION.Mistrouwdy die gij loont?TITUS.Geenszins, maar wel u-lieden,Die altijd woelt, en tracht den genen 't hoofd te bieden,Die uwen staat verdrukt[336].DE DOCHTER SION.Ei, wapenloozen hoop!Die in uw tranen smilt en 't zuchten hebt goedkoop,Verheugt u nog met mij, dat de overwinners moetenVoor u verschrikken, daar gij neêr ligt voor haar voeten:Grijpt moed, en recht nog op 't vervallen Jodendom,Want Titus staat bedeesd, en 't heer ziet naar u om.TITUS.Uit d' assche van een stad (licht wordt een zaak verkeken[337])Is vaak een brand ontstaan, die landen heeft ontsteken,En rijken met de grond ge-effend en vernield:Geen lichaam acht men dood, zoo lang het is gezield.Die dikwijls op het veld voor dooden zijn gerekend,Gedenken aan haar leed, verrijzen weêr en wreken't.DE DOCHTER SION.Verre is de wraak van ons, die bloot zijn van geweer.TITUS.De wanhoop ziet niet aan, al waar 't een machtig heer,Zij geeft ze dobbel kracht, en helpt weêr op de beenenEen deel vervloekt gespuis, eer 't iemand zoude meenen.DE DOCHTER SION.Helaas, eêlaardig bloed! 't mistrouwen, dat gij hebt,Veroorzaakt, dat men troost noch blijdschap uit u schept.TITUS.Zijt, jonkvrouw! wel gemoed, en wilt ten besten hopen,De krijgsraad is vergaârd; mijn tijd is hier verloopen.Verwacht van ons het lot, en denkt het zal wel gaan:Wij breken morgen op, daar legt uw zaak naar[338]aan.DE DOCHTER SION.'t Onredelijke[339]dier[340], dat eertijds twee gebroeders,Grondleggers van uw staat verschoonde, en, als haar 's moedersOntzet[341]en speen gebrak, opzoogde, aan 's Tybers boord,Was reedlijker als gij, die naar geen smeeken hoort.Het klippig steengebergt, dat hier met doôn bespreed leît,Ik tot getuige neem, o Titus! van uw wreedheid.Geen kermen heeft hier plaats, en mij voorzeît de noodEen slaafsche ballingschap, of een benaauwdedood.REI VAN PRIESTEREN.Wij, priesterlijke reyen(Die voormaals met schalmeyenDen vierdag plachten en de feesten in te wijden,En steeds op Mozes' wettenAandachtelijk te letten,En te vergaren 't volk op haar gezette tijden),Niet hebben acht geslagen,In[342]de onverwachte plagen,En 't voorspook, dat ons daaglijks met verwoesting dreigde:Al gaf God, zonder spreken,Zoo menig helder teeken,Waaraan 't bleek, werwaarts dat de Joodsche staat zich neigde:'t Verwoesten en 't vertredenVan de omgelegen steden,Vol viers, vol moordgeschreis, vol brands, vol bloeds, vol tranen,Vol krijtens, en vol zuchten,Vol twists, vol krijgsgeruchten,Woû Salem van haar val en ondergang vermanen.De ruiggehaarde sterre,Die in de locht van verreBlonk, als een Godlijk zweerd, recht boven onzen schedel,Riep, dat het zweerd van RomenOns haastig op zou komen,En treffen jong en oud, rijk, arm, eêl, en onedel.'t Licht binnen d' heilge drempel,Bij 't outaar en den tempel,Waarvoor de donkre nacht week met zijn bruine vlerken:Het zwangre koebeest mede,Ten brand geschikt alreede,'t Lam barende, zocht ons te brengen tot opmerken.De deur met ijzren slotenVan klaar metaal gegoten,Die twintig mannen al bezweet te grendlen plachten:Waarschouwde onz' Godverachters,Als haar de tempelwachtersWijd open vonden staan vaak en verscheiden nachten.Het heerkracht veler volken,Dat, boven in de wolken,Zich legerde in de locht, voor d' ondergang der zonnen,Vertoonde ons al de benden,Die de oude stad berenden,En niet aflieten voor zij hadden ze gewonnen.'s Nachts, als wij bezig warenOm te offren op de altaren,En 't heilig Pinxterfeest met ijver uitermatenAandachtelijk te vieren,Naar d' overouw' manieren,Riep ons een stemme toe: "laat ons dees kerk verlaten!"'t Weeklagen ongewoneVan Ananias' zone[343]:"Wee volk! wee stad! wee kerk! wee, wee van allen hoeken!"Ons uit den slaap niet wekte,Daar 't als een voorspel strekte,'t Welk aanwees, dat ons God op 't strengste zou bezoeken[344].Dit alles slaan wij gade,Helaas! nu 't is te spade,Nu stad en tempel is een roof der vremdelingen.O God! ziet eenmaal neder,En troostet Levi weder,Opdat wij uwen lof met juichen mogen zingen.

fineas, priester.Melchisedech! o, die ooit[301], de eerste priester Gods,Het priesterschap bekleedde op Salems hooge rots,Wiens hoofdscheêl van God zelf met balsem wierd bedropen,Gezalfd en toegekend den myter, boven open:Doen 's Heeren heuvel gij wat hooger trokt, tot datHij 't aanzien en den naam van een ontworpen stadBereikte in Canaän;—Aäron uitverkoren!Die 't reukwerk aanstaakt met uw zonen welgeboren;—Ziet op, gij helden Gods! Aartspriestren, ziet eens om,Hoe 't van den Hemel hooggeadeld priesterdom,Ontkleed van zijnen glans, treurt zonder glimp of luister,Gelijk, bij zonnezwijm[302], al schemerende in 't duisterDe wereld sprietoogt[303], zoo, wanneer de maan jeloersDen sterflijken te spijt dekt 't aangezicht haars broêrs:Treurt, als 't gerantsoend lijk eens konings, die verslagenWordt, op een rosbaar, versch gebalsemd thuis gedragen.Waar is, Jeruzalem! nu uwen konings-staf,En 't priesterlijk cieraad, dat u Jehova gaf?Waar is uw blank ivoor? uw marmer, klaar van schimmer?Uw purper, fijn van draad? uw kerkelijk getimmer[304]?Uw koninklijk paleis? waar zijn uw cedren? waarUw pijlers, bogen, en gewelven allegaâr?Waar 't zilver? waar het goud? waar zijn de Cherubijnen?Waar 't altaar, 't wyrook, en dees blinkende gordijnen?Waar de Arke des Verbonds? waar Gods geheimenis?Helaas! 't is verr' gezocht, dat niet te vinden is.Wie had gedocht[305], dat God, te streng op ons gebeten,Zijn erfdeel zoo geheel vertreên zoude en vergeten?Schoon of de muur omringd van zulken heerkracht was,Dat[306]in 't gebergte alom vertrad het kruid en 't gras;Schoon of de stad verzonk in 't uiterste benouwen,Ons hoop steunde op de Kerk, en d' heilige gebouwen;Wij riepen: "zijt getroost, laat God begaan al stil,Jehova blijft onz' borcht, om zijnes tempelswil!"Maar ach, rampzalige! als[307]'t den Hemel woû gedogen,Wij wierden in ons hoop te jammerlijk bedrogen,In die vervloekte nacht, als, eer het licht opkwam,Ons kerk aan kolen ging, en stond in lichte vlam:Als[308]met de vlamme opsteeg ons krijten en ons kermen,Dat God noch Engel mocht bewegen tot erbarmen;Doen[308]al den berg, gesteld in vuur en enkel bloed,Sloeg d' overwinner met meêdoogen in 't gemoed;Doen riep me spâ: "vertrouwt noch kerken noch outaren,Haar heiligheid geen stad kan voor 't verderf bewaren!"Ik zelf ontvlood den moord, en riep luidskeels in 't vliên:"Vlied met mij! 't is vergeefs den vijand weer te biên;Hij heeft de stad voorlang, en houdt haar sterke wallen;De tempel is vergaan: onz' hope is nu gevallen."Zoo bergde ik naauwlijks 't lijf, en rukte, met dees hand,Veel heilge schatten ongeschonden uit den brand.Maar waarom vlood ik? ach! wat hield ik dier mijn leven?Hadde ik mijn ziele in 't vuur des tempels opgegeven,Als Meirus wel beraân, en als Daleus' zoon,Of waar ik in 't hoog koor geteld bij d' ander doôn;Zoo zoud' nooit zijn gebeurd, dat ik, gevaân, most latenDen Heidenschen monarch de goude' en zilvren vaten,'t Scharlaken, 't reukwerk, en 't hoogpriesterlijk gewaad,En andre ciersels: daar een booswicht, een soldaatZijn vingeren aan schendt: zoo waren voort mijn beenenBegraven met den val van d' afgekeurde[309]steenen!Nu houde ik de uitvaart van 't onzalige geslacht,Om welkers ondergang het volk van Rome lacht,En op de diensten smaalt, die Mozes heeft geboden,En prijst voor onzen God een hoop verdichte Goden,Die Abraham verzaakte: en of mij schoon genâGeschied is, zoo dat ik op vrije voeten sta,Wat batet? want, waarheen dat ik mij keere of wende,Ik zie mijn hertenleed aan Israëls ellende!Indien ik zie rondom, ik zie hem, die ons dringt,En vind mij van de macht der Heidenen omringd.Sla ik 't gezicht om leege, ik zie, hoe met den zweerde't Huis Jacobs ligt verdelgd, de stad geslecht met d' eerde:Ik zie van d' afgrond op nog smooken 't heerlijk slot,Daar David vaak uit heeft den Filistijn bespot.Heffe ik mijn lichten op, den Hemel is gesloten,Noch draagt niet langer gunst zijn ouden bondgenooten.de dochter sion, rei van staatjonffren, rei van joodsche vrouwen, titus.DE DOCHTER SION.Gij spoken[310], die wel eer verhoogd pronkte' in de traliënVan 't goude Blijenburg, behangen met medaliën,Waarmeê de Godheid hadde onsterflijkt uwen rei,Als gij zijn eersleep volgde, en droegt zijn leverei,Als gij Gods Majesteit omschanste met uw stoeten,En zaagt 't gesternt', de zon, en maan beneên uw voetenVerschieten flaauwer[311], als de klaarste diamant[312]Ons van d' uitbreidsels zendt zijn stralen overkant[313];Die gij, getuimeld, moogt op 't aldernaauwst' vertellen,Hoe veel van 's Hemels top schilt 't middelpunt der Hellen:Ten waar 't lang vallen u gewiegd hadd' heel in zwijm,Eer gij ten lesten plofte in 's afgronds vuilen slijmEn diepen zwavelpoel, die fluks is aangevlogen,Doen vonken stoven neêr uit Gods vuurvlammende oogen;Gij spoken! zegge ik, breekt uit uw gevangenis,Aanschouwt, wie 't vallen nog met u deelachtig is;Ziet, hoe die bliksem Gods mijn hemelhooge cedren,En marbren gepolijst, ter Hellen ging vernedren,Als ik te trotsch van nek in mijnen plicht ontbrak,En opgeblazen naar zijn kroon en glorie stak:Ziet, hoe die lusthof is verkeerd in een woestijne,En herberg van 't gediert', waarin ik eenzaam kwijne!O, strekten de oogen mij een sprongrijk[314]Siloa,Nu ik mijn handen wringe en voor mijn borsten sla,En scheur mijn treurgewaad! och, of ze tranen lieten,Wat zou mij daar een pak, een pak van 't hert afschieten!Nu houdt de rouw, zoo 't schijnt, de dorpels toegestopt,Een rouw, die ik al meer en meer hebbe ingekropt,Daar ik aan stikken zal, daar ik aanmoetverstikken,Hoe flaauw bezwijkt mijn hert schier allen oogenblikken!O wee! o wi! o wach!—hebt gij, bedrukte maagd!Uw hert nog niet van rouw geleêgd, en uitgeklaagd,En moogdy niet een traan tot uwen troost verwerven,Zoo treurt u voorts in 't graf, en zoekt uw heil in 't sterven.REI VAN STAATJONFFREN.Wat krijgsliê komen hier, die meer zijn als gemeen?Waar vliên wij? och! wie is 't? zijn 't hopliê?REI VAN JOODSCHE VROUWEN.En met eenDe veldheer Titus zelf; ik zie, hij staat in 't midden.DE DOCHTER SION.Staatjonffren! volgt mij na, en helpt ons straf verbidden.Aanveerdt een droef gelaat, en jammerlijk gebaar.Slaat voor uw borst, verscheurt uw kleedren, en uw haar,Als ik mijn stem verhef; bevochtigt met uw tranen't Hert des verwinners: of gij zoo een weg mocht banenTot mededoogen; schaamt, rampzaalge rei! u niet,Nu aan te gaan al 'tgeen de bittre nood gebiedt.Vergeet uw oud geslacht van priesteren en vorstenEn koningen, die 't al ten strijde ontzeggen dorsten.Ootmoedigheid u voegt; ik ga u allen voor.God! om[315]wiens aanschijn juicht de rei van 's Hemels koor,Mij aangenaamheid jont, druipt honig op mijn lippen,Dat ik bewegen mag zoo zielelooze klippen,Als zijn der vijanden onbuiglijke gemoên!TITUS.Wie knielt hier neder om t' erlangen haren zoen?DE DOCHTER SION.Grootmogende monarch! wilt met geduldige oorenOns klacht, ter zielen[316]uitgeborsten, doch aanhooren:Wij, 't overschot des volks, die vallen u te voet,Wij eischen geen genâ, maar dat gij met ons doetAl 'tgeen wat u behaagt: laat vrij uw dienaars stootenHaar degens door ons borst, die wij voor u ontblooten:Of dat ze ons werpen van dees rotsen, scherp en steil,En plettren ons gebeent', want 't sterven is ons heil,De dood ons toevlucht, en haar komst, daar andre menschenVoor schrikken, is den troost en 't zoetst', daar wij om wenschen,Om te geraken door d' eindlooze zwarigheên,En eens ons leed t' ontgaan; of zijdy door gebeên,Ontzichelijke vorst! nog tot genâ te neigen,Verzacht de penen[317]doch, die d' overwonnen dreigen.'t Van ouds beroemd geslacht, dat van de vadren daalt,Bijna is uitgeroeid; dien lof hebdy behaald:Een handvol blijft er, uitgeput van ongenuchten[318],Die 't leven valt te bang, die niet doen dan verzuchten:Erbarmt u haarder, en verschoont ze, o vorst! althans[319],Die 't lot spaarde om te zien den val haars vaderlands!TITUS.Hadt gij dit voorbedacht, vermaledijde Joden!En van uw poorten mij de sleutlen aangeboden,Als uws stads grondvest nog haar hooge muren droeg,Als ik om Sions kreits nog eerst mijn leger sloeg:Gij stondt nog daar gij stondt, en van uw sterke wallenEn waar de cingel[320]nooit ter aarden neêrgevallen.Hoe vaken[321]hebdy, met een ingeboren haat,Mijn keizerlijke gunst en goedigheid versmaad,Als ik u hulde[322]aanbood, en, uit een mild ontfarmen,U zwoer gezamentlijk voor onheil te beschermen:Hoe menigwerven blies ik d' aftocht, alzoo rasGij nood leedt, als de strijd en storm op 't heetste was:Hoe dikmaal breidelde ik mijn ongetemde benden,Van vreeze, dat ze uw kerk en Godsdienst zouden schenden!Nu komdy smeeken; op, staat op!DE DOCHTER SION.Ertsmaarschalk[323], ach!Dat wij u kwetsten ooit is, laas! al ons beklag.TITUS.Nu 't glas verloopen is, nu roept men om genade.DE DOCHTER SION.Erbarmt des armen volks, al komet[324]vrij wat spade.TITUS.Zoo spade, dat er niets voor u te hopen staat.DE DOCHTER SION.Een welgeboren vorst zich nog erbarmen laat.TITUS.Een welgeboren vorst zoekt 't voordeel van den lande.DE DOCHTER SION.'t Ontfermen voordeel brengt, gestrengheid schade en schande.TITUS.'t Ontfermen brengt ook ramp, gestrengheid voordeel toe;Zoo houdt men 't volk in tucht.DE DOCHTER SION.Elk een verwenscht de roê.TITUS.De booswicht haat zijn straf.DE DOCHTER SION.Ons heeft geen straf ontbroken.De veldheer heeft zijn leed ten uiterste gewroken.TITUS.Waar mijnen doortocht valt, daar eischen[325]nog te staanDees muiters, tot een les en spiegel voor de kwaân.DE DOCHTER SION.Die 't spieglen lust, beschouw dit graf vol doode beenen,Dees omgekeerde stad, en die verstrooide steenen!TITUS.Licht slaat men in de wind 'tgeen zelf men niet en ziet.DE DOCHTER SION.Al ziet men 't niet, de faam meldt wat er is geschied.TITUS.De Joden voor 't gerucht nooit eenen voet verzetten.DE DOCHTER SION.'t Is een Godsdienstig volk, dat ijvert om[326]zijn wetten.TITUS.Is 't ijver, dat men muit?DE DOCHTER SION.Het acht de vrijheid weerd.TITUS.Derft hij ook vrijheid, die al heeft wat hij begeert?Den Joden was 't vergund haar dorpels te bewonen,Te lezen haren oogst, en koningen te kroonen,En vorsten van haar bloed met purper te bekleên,En vrank te leven naar der bestevadren zeên;Dies mosten zij den stoel van Romen onderstuttenMet dragelijken tol, daar voor wij haar beschuttenVan allen overlast des woedenden soldaats:Ja, wie ontwijen dorst 's kerks afgekeurde[327]plaats,Naar d' uitgedrukte wet, geprent[328]in zuiver marmer,Die brocht zijn vonnis mede, en vond geen lijfsbeschermer.Is dit geen vrijheid, die 't gespuis vernoegen mag?Veel andre zijn te vreên, en dragen ons ontzag;Maar uw herdnekkigheid (en niet de zware tollen)En 's keizers slappen moed, die brachten u aan 't hollen:Ons goedheid vaak misbruikt u stouter heeft gemaakt.DE DOCHTER SION.Doorluchte prins! 't is waar, 't en kan niet zijn miszaakt[329];Doch overweegt, dat eerst door woedende tyrannenDe ketenen van twist en oproer zijn gespannen:Nooit had de vrome deel aan zulken overmoed.TITUS.De vrome vaak ontgeldt 't kwaad, dat een ander doet.DE DOCHTER SION.Wie wijs is en beraân, die schift ze van malkander.TITUS.Elk wascht zich af van 't vuil, en schuift het op een ander.DE DOCHTER SION.Wie niet handdadig is aan eenig kwaad beleid,'t Is billijk, dat hij staat op zijn onnoozelheid.TITUS.Zoo spreekt de kwaadste schelm.DE DOCHTER SION.Men ziet op niemands spreken,Men let op ieders feit, en al 'tgeen heeft gebleken.De aanstellers van 't rumoer zijn elkeen openbaar.TITUS.D' handhavers zijn al dood, en die[330]verbergen haar.DE DOCHTER SION.Men houde 't die te goê, de straf hun hoofden wrake.TITUS.Rechtveerdigheid, die 't meent, eischt over beiden wrake.DE DOCHTER SION.Uit slechtigheid[331]is 't vaak, dat iemand 't kwaad bestemt.TITUS.Al boet hij 't met zijn hals, dat schijnt dan niemand vremd.DE DOCHTER SION.Wie 't uit onkunde faalt heeft in dit pleit groot voordeel.TITUS.Zoo groot niet, of hij moet uitstaan zijns rechters oordeel.DE DOCHTER SION.Een oordeel, hecht gesmeed op 't aanbeeld van de reên.TITUS.Een oordeel, dat de wet en krijgsraad stelt te vreên.DE DOCHTER SION.O vorst! vernoegt u met de straf alreê genomen,En die der boozen rot nog versch is overkomen;Het overschot meest al onschuldig is aan 't kwaad,Daarmede uw Majesteit gekwetst is inderdaad:Misgunt niet, dat wij hier zieltogen weinig dagen,En als een eerlijk lijk[332]Jeruzalem beklagen.TITUS.Om hier te nestlen? neen, de krijgsman, die 't zich belgt,Staat uw uitroeyen duur.DE DOCHTER SION.Nu zijn wij gants verdelgd.TITUS.Zoo gants niet, of ons stond een erger kwaad te vreezen.DE DOCHTER SION.Zoo Rome vreeze aankomt van ouderlooze weezen,Van weeûwen uitgeschreid, van vrouwen levensmoê,Van wat ontwapend volks, zoo brengen wij z' haar toe,Die, uitgemergeld, niet voor hebben, als ons magen[333],Waar ze ergens kenbaar zijn, in 't koude graf te dragen,En in spelonken en steenrotsen hier ontrentTe huilen, schouw[334]van 't licht, tot dat ons leven endt.TITUS.Van luttel zaads gestrooid, dat over is geschoten,Wast eenen rijken oogst; alzoo van weinig lotenOntstaat een boomrijk woud; zoo[335]'t eerstgeplante veilBeklimt en dekt een muur, al is hij hoog en steil;De doornen laten niet van nieuws weêr aan te groeyen,Zoo lang daar wortel blijft, die most men eerst uitroeyen.DE DOCHTER SION.Men laat dees woeste plaats van krijgsliê wel verzorgd.TITUS.'t Mistrouwen geeft meer rust, en is een vaster borcht.DE DOCHTER SION.Mistrouwdy die gij loont?TITUS.Geenszins, maar wel u-lieden,Die altijd woelt, en tracht den genen 't hoofd te bieden,Die uwen staat verdrukt[336].DE DOCHTER SION.Ei, wapenloozen hoop!Die in uw tranen smilt en 't zuchten hebt goedkoop,Verheugt u nog met mij, dat de overwinners moetenVoor u verschrikken, daar gij neêr ligt voor haar voeten:Grijpt moed, en recht nog op 't vervallen Jodendom,Want Titus staat bedeesd, en 't heer ziet naar u om.TITUS.Uit d' assche van een stad (licht wordt een zaak verkeken[337])Is vaak een brand ontstaan, die landen heeft ontsteken,En rijken met de grond ge-effend en vernield:Geen lichaam acht men dood, zoo lang het is gezield.Die dikwijls op het veld voor dooden zijn gerekend,Gedenken aan haar leed, verrijzen weêr en wreken't.DE DOCHTER SION.Verre is de wraak van ons, die bloot zijn van geweer.TITUS.De wanhoop ziet niet aan, al waar 't een machtig heer,Zij geeft ze dobbel kracht, en helpt weêr op de beenenEen deel vervloekt gespuis, eer 't iemand zoude meenen.DE DOCHTER SION.Helaas, eêlaardig bloed! 't mistrouwen, dat gij hebt,Veroorzaakt, dat men troost noch blijdschap uit u schept.TITUS.Zijt, jonkvrouw! wel gemoed, en wilt ten besten hopen,De krijgsraad is vergaârd; mijn tijd is hier verloopen.Verwacht van ons het lot, en denkt het zal wel gaan:Wij breken morgen op, daar legt uw zaak naar[338]aan.DE DOCHTER SION.'t Onredelijke[339]dier[340], dat eertijds twee gebroeders,Grondleggers van uw staat verschoonde, en, als haar 's moedersOntzet[341]en speen gebrak, opzoogde, aan 's Tybers boord,Was reedlijker als gij, die naar geen smeeken hoort.Het klippig steengebergt, dat hier met doôn bespreed leît,Ik tot getuige neem, o Titus! van uw wreedheid.Geen kermen heeft hier plaats, en mij voorzeît de noodEen slaafsche ballingschap, of een benaauwdedood.REI VAN PRIESTEREN.Wij, priesterlijke reyen(Die voormaals met schalmeyenDen vierdag plachten en de feesten in te wijden,En steeds op Mozes' wettenAandachtelijk te letten,En te vergaren 't volk op haar gezette tijden),Niet hebben acht geslagen,In[342]de onverwachte plagen,En 't voorspook, dat ons daaglijks met verwoesting dreigde:Al gaf God, zonder spreken,Zoo menig helder teeken,Waaraan 't bleek, werwaarts dat de Joodsche staat zich neigde:'t Verwoesten en 't vertredenVan de omgelegen steden,Vol viers, vol moordgeschreis, vol brands, vol bloeds, vol tranen,Vol krijtens, en vol zuchten,Vol twists, vol krijgsgeruchten,Woû Salem van haar val en ondergang vermanen.De ruiggehaarde sterre,Die in de locht van verreBlonk, als een Godlijk zweerd, recht boven onzen schedel,Riep, dat het zweerd van RomenOns haastig op zou komen,En treffen jong en oud, rijk, arm, eêl, en onedel.'t Licht binnen d' heilge drempel,Bij 't outaar en den tempel,Waarvoor de donkre nacht week met zijn bruine vlerken:Het zwangre koebeest mede,Ten brand geschikt alreede,'t Lam barende, zocht ons te brengen tot opmerken.De deur met ijzren slotenVan klaar metaal gegoten,Die twintig mannen al bezweet te grendlen plachten:Waarschouwde onz' Godverachters,Als haar de tempelwachtersWijd open vonden staan vaak en verscheiden nachten.Het heerkracht veler volken,Dat, boven in de wolken,Zich legerde in de locht, voor d' ondergang der zonnen,Vertoonde ons al de benden,Die de oude stad berenden,En niet aflieten voor zij hadden ze gewonnen.'s Nachts, als wij bezig warenOm te offren op de altaren,En 't heilig Pinxterfeest met ijver uitermatenAandachtelijk te vieren,Naar d' overouw' manieren,Riep ons een stemme toe: "laat ons dees kerk verlaten!"'t Weeklagen ongewoneVan Ananias' zone[343]:"Wee volk! wee stad! wee kerk! wee, wee van allen hoeken!"Ons uit den slaap niet wekte,Daar 't als een voorspel strekte,'t Welk aanwees, dat ons God op 't strengste zou bezoeken[344].Dit alles slaan wij gade,Helaas! nu 't is te spade,Nu stad en tempel is een roof der vremdelingen.O God! ziet eenmaal neder,En troostet Levi weder,Opdat wij uwen lof met juichen mogen zingen.

fineas, priester.

fineas, priester.

Melchisedech! o, die ooit[301], de eerste priester Gods,Het priesterschap bekleedde op Salems hooge rots,Wiens hoofdscheêl van God zelf met balsem wierd bedropen,Gezalfd en toegekend den myter, boven open:Doen 's Heeren heuvel gij wat hooger trokt, tot datHij 't aanzien en den naam van een ontworpen stadBereikte in Canaän;—Aäron uitverkoren!Die 't reukwerk aanstaakt met uw zonen welgeboren;—Ziet op, gij helden Gods! Aartspriestren, ziet eens om,Hoe 't van den Hemel hooggeadeld priesterdom,Ontkleed van zijnen glans, treurt zonder glimp of luister,Gelijk, bij zonnezwijm[302], al schemerende in 't duisterDe wereld sprietoogt[303], zoo, wanneer de maan jeloersDen sterflijken te spijt dekt 't aangezicht haars broêrs:Treurt, als 't gerantsoend lijk eens konings, die verslagenWordt, op een rosbaar, versch gebalsemd thuis gedragen.Waar is, Jeruzalem! nu uwen konings-staf,En 't priesterlijk cieraad, dat u Jehova gaf?Waar is uw blank ivoor? uw marmer, klaar van schimmer?Uw purper, fijn van draad? uw kerkelijk getimmer[304]?Uw koninklijk paleis? waar zijn uw cedren? waarUw pijlers, bogen, en gewelven allegaâr?Waar 't zilver? waar het goud? waar zijn de Cherubijnen?Waar 't altaar, 't wyrook, en dees blinkende gordijnen?Waar de Arke des Verbonds? waar Gods geheimenis?Helaas! 't is verr' gezocht, dat niet te vinden is.Wie had gedocht[305], dat God, te streng op ons gebeten,Zijn erfdeel zoo geheel vertreên zoude en vergeten?Schoon of de muur omringd van zulken heerkracht was,Dat[306]in 't gebergte alom vertrad het kruid en 't gras;Schoon of de stad verzonk in 't uiterste benouwen,Ons hoop steunde op de Kerk, en d' heilige gebouwen;Wij riepen: "zijt getroost, laat God begaan al stil,Jehova blijft onz' borcht, om zijnes tempelswil!"Maar ach, rampzalige! als[307]'t den Hemel woû gedogen,Wij wierden in ons hoop te jammerlijk bedrogen,In die vervloekte nacht, als, eer het licht opkwam,Ons kerk aan kolen ging, en stond in lichte vlam:Als[308]met de vlamme opsteeg ons krijten en ons kermen,Dat God noch Engel mocht bewegen tot erbarmen;Doen[308]al den berg, gesteld in vuur en enkel bloed,Sloeg d' overwinner met meêdoogen in 't gemoed;Doen riep me spâ: "vertrouwt noch kerken noch outaren,Haar heiligheid geen stad kan voor 't verderf bewaren!"Ik zelf ontvlood den moord, en riep luidskeels in 't vliên:"Vlied met mij! 't is vergeefs den vijand weer te biên;Hij heeft de stad voorlang, en houdt haar sterke wallen;De tempel is vergaan: onz' hope is nu gevallen."Zoo bergde ik naauwlijks 't lijf, en rukte, met dees hand,Veel heilge schatten ongeschonden uit den brand.Maar waarom vlood ik? ach! wat hield ik dier mijn leven?Hadde ik mijn ziele in 't vuur des tempels opgegeven,Als Meirus wel beraân, en als Daleus' zoon,Of waar ik in 't hoog koor geteld bij d' ander doôn;Zoo zoud' nooit zijn gebeurd, dat ik, gevaân, most latenDen Heidenschen monarch de goude' en zilvren vaten,'t Scharlaken, 't reukwerk, en 't hoogpriesterlijk gewaad,En andre ciersels: daar een booswicht, een soldaatZijn vingeren aan schendt: zoo waren voort mijn beenenBegraven met den val van d' afgekeurde[309]steenen!Nu houde ik de uitvaart van 't onzalige geslacht,Om welkers ondergang het volk van Rome lacht,En op de diensten smaalt, die Mozes heeft geboden,En prijst voor onzen God een hoop verdichte Goden,Die Abraham verzaakte: en of mij schoon genâGeschied is, zoo dat ik op vrije voeten sta,Wat batet? want, waarheen dat ik mij keere of wende,Ik zie mijn hertenleed aan Israëls ellende!Indien ik zie rondom, ik zie hem, die ons dringt,En vind mij van de macht der Heidenen omringd.Sla ik 't gezicht om leege, ik zie, hoe met den zweerde't Huis Jacobs ligt verdelgd, de stad geslecht met d' eerde:Ik zie van d' afgrond op nog smooken 't heerlijk slot,Daar David vaak uit heeft den Filistijn bespot.Heffe ik mijn lichten op, den Hemel is gesloten,Noch draagt niet langer gunst zijn ouden bondgenooten.

Melchisedech! o, die ooit[301], de eerste priester Gods,

Het priesterschap bekleedde op Salems hooge rots,

Wiens hoofdscheêl van God zelf met balsem wierd bedropen,

Gezalfd en toegekend den myter, boven open:

Doen 's Heeren heuvel gij wat hooger trokt, tot dat

Hij 't aanzien en den naam van een ontworpen stad

Bereikte in Canaän;—Aäron uitverkoren!

Die 't reukwerk aanstaakt met uw zonen welgeboren;—

Ziet op, gij helden Gods! Aartspriestren, ziet eens om,

Hoe 't van den Hemel hooggeadeld priesterdom,

Ontkleed van zijnen glans, treurt zonder glimp of luister,

Gelijk, bij zonnezwijm[302], al schemerende in 't duister

De wereld sprietoogt[303], zoo, wanneer de maan jeloers

Den sterflijken te spijt dekt 't aangezicht haars broêrs:

Treurt, als 't gerantsoend lijk eens konings, die verslagen

Wordt, op een rosbaar, versch gebalsemd thuis gedragen.

Waar is, Jeruzalem! nu uwen konings-staf,

En 't priesterlijk cieraad, dat u Jehova gaf?

Waar is uw blank ivoor? uw marmer, klaar van schimmer?

Uw purper, fijn van draad? uw kerkelijk getimmer[304]?

Uw koninklijk paleis? waar zijn uw cedren? waar

Uw pijlers, bogen, en gewelven allegaâr?

Waar 't zilver? waar het goud? waar zijn de Cherubijnen?

Waar 't altaar, 't wyrook, en dees blinkende gordijnen?

Waar de Arke des Verbonds? waar Gods geheimenis?

Helaas! 't is verr' gezocht, dat niet te vinden is.

Wie had gedocht[305], dat God, te streng op ons gebeten,

Zijn erfdeel zoo geheel vertreên zoude en vergeten?

Schoon of de muur omringd van zulken heerkracht was,

Dat[306]in 't gebergte alom vertrad het kruid en 't gras;

Schoon of de stad verzonk in 't uiterste benouwen,

Ons hoop steunde op de Kerk, en d' heilige gebouwen;

Wij riepen: "zijt getroost, laat God begaan al stil,

Jehova blijft onz' borcht, om zijnes tempelswil!"

Maar ach, rampzalige! als[307]'t den Hemel woû gedogen,

Wij wierden in ons hoop te jammerlijk bedrogen,

In die vervloekte nacht, als, eer het licht opkwam,

Ons kerk aan kolen ging, en stond in lichte vlam:

Als[308]met de vlamme opsteeg ons krijten en ons kermen,

Dat God noch Engel mocht bewegen tot erbarmen;

Doen[308]al den berg, gesteld in vuur en enkel bloed,

Sloeg d' overwinner met meêdoogen in 't gemoed;

Doen riep me spâ: "vertrouwt noch kerken noch outaren,

Haar heiligheid geen stad kan voor 't verderf bewaren!"

Ik zelf ontvlood den moord, en riep luidskeels in 't vliên:

"Vlied met mij! 't is vergeefs den vijand weer te biên;

Hij heeft de stad voorlang, en houdt haar sterke wallen;

De tempel is vergaan: onz' hope is nu gevallen."

Zoo bergde ik naauwlijks 't lijf, en rukte, met dees hand,

Veel heilge schatten ongeschonden uit den brand.

Maar waarom vlood ik? ach! wat hield ik dier mijn leven?

Hadde ik mijn ziele in 't vuur des tempels opgegeven,

Als Meirus wel beraân, en als Daleus' zoon,

Of waar ik in 't hoog koor geteld bij d' ander doôn;

Zoo zoud' nooit zijn gebeurd, dat ik, gevaân, most laten

Den Heidenschen monarch de goude' en zilvren vaten,

't Scharlaken, 't reukwerk, en 't hoogpriesterlijk gewaad,

En andre ciersels: daar een booswicht, een soldaat

Zijn vingeren aan schendt: zoo waren voort mijn beenen

Begraven met den val van d' afgekeurde[309]steenen!

Nu houde ik de uitvaart van 't onzalige geslacht,

Om welkers ondergang het volk van Rome lacht,

En op de diensten smaalt, die Mozes heeft geboden,

En prijst voor onzen God een hoop verdichte Goden,

Die Abraham verzaakte: en of mij schoon genâ

Geschied is, zoo dat ik op vrije voeten sta,

Wat batet? want, waarheen dat ik mij keere of wende,

Ik zie mijn hertenleed aan Israëls ellende!

Indien ik zie rondom, ik zie hem, die ons dringt,

En vind mij van de macht der Heidenen omringd.

Sla ik 't gezicht om leege, ik zie, hoe met den zweerde

't Huis Jacobs ligt verdelgd, de stad geslecht met d' eerde:

Ik zie van d' afgrond op nog smooken 't heerlijk slot,

Daar David vaak uit heeft den Filistijn bespot.

Heffe ik mijn lichten op, den Hemel is gesloten,

Noch draagt niet langer gunst zijn ouden bondgenooten.

de dochter sion, rei van staatjonffren, rei van joodsche vrouwen, titus.

de dochter sion, rei van staatjonffren, rei van joodsche vrouwen, titus.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Gij spoken[310], die wel eer verhoogd pronkte' in de traliënVan 't goude Blijenburg, behangen met medaliën,Waarmeê de Godheid hadde onsterflijkt uwen rei,Als gij zijn eersleep volgde, en droegt zijn leverei,Als gij Gods Majesteit omschanste met uw stoeten,En zaagt 't gesternt', de zon, en maan beneên uw voetenVerschieten flaauwer[311], als de klaarste diamant[312]Ons van d' uitbreidsels zendt zijn stralen overkant[313];Die gij, getuimeld, moogt op 't aldernaauwst' vertellen,Hoe veel van 's Hemels top schilt 't middelpunt der Hellen:Ten waar 't lang vallen u gewiegd hadd' heel in zwijm,Eer gij ten lesten plofte in 's afgronds vuilen slijmEn diepen zwavelpoel, die fluks is aangevlogen,Doen vonken stoven neêr uit Gods vuurvlammende oogen;Gij spoken! zegge ik, breekt uit uw gevangenis,Aanschouwt, wie 't vallen nog met u deelachtig is;Ziet, hoe die bliksem Gods mijn hemelhooge cedren,En marbren gepolijst, ter Hellen ging vernedren,Als ik te trotsch van nek in mijnen plicht ontbrak,En opgeblazen naar zijn kroon en glorie stak:Ziet, hoe die lusthof is verkeerd in een woestijne,En herberg van 't gediert', waarin ik eenzaam kwijne!O, strekten de oogen mij een sprongrijk[314]Siloa,Nu ik mijn handen wringe en voor mijn borsten sla,En scheur mijn treurgewaad! och, of ze tranen lieten,Wat zou mij daar een pak, een pak van 't hert afschieten!Nu houdt de rouw, zoo 't schijnt, de dorpels toegestopt,Een rouw, die ik al meer en meer hebbe ingekropt,Daar ik aan stikken zal, daar ik aanmoetverstikken,Hoe flaauw bezwijkt mijn hert schier allen oogenblikken!O wee! o wi! o wach!—hebt gij, bedrukte maagd!Uw hert nog niet van rouw geleêgd, en uitgeklaagd,En moogdy niet een traan tot uwen troost verwerven,Zoo treurt u voorts in 't graf, en zoekt uw heil in 't sterven.

Gij spoken[310], die wel eer verhoogd pronkte' in de traliën

Van 't goude Blijenburg, behangen met medaliën,

Waarmeê de Godheid hadde onsterflijkt uwen rei,

Als gij zijn eersleep volgde, en droegt zijn leverei,

Als gij Gods Majesteit omschanste met uw stoeten,

En zaagt 't gesternt', de zon, en maan beneên uw voeten

Verschieten flaauwer[311], als de klaarste diamant[312]

Ons van d' uitbreidsels zendt zijn stralen overkant[313];

Die gij, getuimeld, moogt op 't aldernaauwst' vertellen,

Hoe veel van 's Hemels top schilt 't middelpunt der Hellen:

Ten waar 't lang vallen u gewiegd hadd' heel in zwijm,

Eer gij ten lesten plofte in 's afgronds vuilen slijm

En diepen zwavelpoel, die fluks is aangevlogen,

Doen vonken stoven neêr uit Gods vuurvlammende oogen;

Gij spoken! zegge ik, breekt uit uw gevangenis,

Aanschouwt, wie 't vallen nog met u deelachtig is;

Ziet, hoe die bliksem Gods mijn hemelhooge cedren,

En marbren gepolijst, ter Hellen ging vernedren,

Als ik te trotsch van nek in mijnen plicht ontbrak,

En opgeblazen naar zijn kroon en glorie stak:

Ziet, hoe die lusthof is verkeerd in een woestijne,

En herberg van 't gediert', waarin ik eenzaam kwijne!

O, strekten de oogen mij een sprongrijk[314]Siloa,

Nu ik mijn handen wringe en voor mijn borsten sla,

En scheur mijn treurgewaad! och, of ze tranen lieten,

Wat zou mij daar een pak, een pak van 't hert afschieten!

Nu houdt de rouw, zoo 't schijnt, de dorpels toegestopt,

Een rouw, die ik al meer en meer hebbe ingekropt,

Daar ik aan stikken zal, daar ik aanmoetverstikken,

Hoe flaauw bezwijkt mijn hert schier allen oogenblikken!

O wee! o wi! o wach!—hebt gij, bedrukte maagd!

Uw hert nog niet van rouw geleêgd, en uitgeklaagd,

En moogdy niet een traan tot uwen troost verwerven,

Zoo treurt u voorts in 't graf, en zoekt uw heil in 't sterven.

REI VAN STAATJONFFREN.

REI VAN STAATJONFFREN.

Wat krijgsliê komen hier, die meer zijn als gemeen?Waar vliên wij? och! wie is 't? zijn 't hopliê?

Wat krijgsliê komen hier, die meer zijn als gemeen?

Waar vliên wij? och! wie is 't? zijn 't hopliê?

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

En met eenDe veldheer Titus zelf; ik zie, hij staat in 't midden.

En met een

De veldheer Titus zelf; ik zie, hij staat in 't midden.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Staatjonffren! volgt mij na, en helpt ons straf verbidden.Aanveerdt een droef gelaat, en jammerlijk gebaar.Slaat voor uw borst, verscheurt uw kleedren, en uw haar,Als ik mijn stem verhef; bevochtigt met uw tranen't Hert des verwinners: of gij zoo een weg mocht banenTot mededoogen; schaamt, rampzaalge rei! u niet,Nu aan te gaan al 'tgeen de bittre nood gebiedt.Vergeet uw oud geslacht van priesteren en vorstenEn koningen, die 't al ten strijde ontzeggen dorsten.Ootmoedigheid u voegt; ik ga u allen voor.God! om[315]wiens aanschijn juicht de rei van 's Hemels koor,Mij aangenaamheid jont, druipt honig op mijn lippen,Dat ik bewegen mag zoo zielelooze klippen,Als zijn der vijanden onbuiglijke gemoên!

Staatjonffren! volgt mij na, en helpt ons straf verbidden.

Aanveerdt een droef gelaat, en jammerlijk gebaar.

Slaat voor uw borst, verscheurt uw kleedren, en uw haar,

Als ik mijn stem verhef; bevochtigt met uw tranen

't Hert des verwinners: of gij zoo een weg mocht banen

Tot mededoogen; schaamt, rampzaalge rei! u niet,

Nu aan te gaan al 'tgeen de bittre nood gebiedt.

Vergeet uw oud geslacht van priesteren en vorsten

En koningen, die 't al ten strijde ontzeggen dorsten.

Ootmoedigheid u voegt; ik ga u allen voor.

God! om[315]wiens aanschijn juicht de rei van 's Hemels koor,

Mij aangenaamheid jont, druipt honig op mijn lippen,

Dat ik bewegen mag zoo zielelooze klippen,

Als zijn der vijanden onbuiglijke gemoên!

TITUS.

TITUS.

Wie knielt hier neder om t' erlangen haren zoen?

Wie knielt hier neder om t' erlangen haren zoen?

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Grootmogende monarch! wilt met geduldige oorenOns klacht, ter zielen[316]uitgeborsten, doch aanhooren:Wij, 't overschot des volks, die vallen u te voet,Wij eischen geen genâ, maar dat gij met ons doetAl 'tgeen wat u behaagt: laat vrij uw dienaars stootenHaar degens door ons borst, die wij voor u ontblooten:Of dat ze ons werpen van dees rotsen, scherp en steil,En plettren ons gebeent', want 't sterven is ons heil,De dood ons toevlucht, en haar komst, daar andre menschenVoor schrikken, is den troost en 't zoetst', daar wij om wenschen,Om te geraken door d' eindlooze zwarigheên,En eens ons leed t' ontgaan; of zijdy door gebeên,Ontzichelijke vorst! nog tot genâ te neigen,Verzacht de penen[317]doch, die d' overwonnen dreigen.'t Van ouds beroemd geslacht, dat van de vadren daalt,Bijna is uitgeroeid; dien lof hebdy behaald:Een handvol blijft er, uitgeput van ongenuchten[318],Die 't leven valt te bang, die niet doen dan verzuchten:Erbarmt u haarder, en verschoont ze, o vorst! althans[319],Die 't lot spaarde om te zien den val haars vaderlands!

Grootmogende monarch! wilt met geduldige ooren

Ons klacht, ter zielen[316]uitgeborsten, doch aanhooren:

Wij, 't overschot des volks, die vallen u te voet,

Wij eischen geen genâ, maar dat gij met ons doet

Al 'tgeen wat u behaagt: laat vrij uw dienaars stooten

Haar degens door ons borst, die wij voor u ontblooten:

Of dat ze ons werpen van dees rotsen, scherp en steil,

En plettren ons gebeent', want 't sterven is ons heil,

De dood ons toevlucht, en haar komst, daar andre menschen

Voor schrikken, is den troost en 't zoetst', daar wij om wenschen,

Om te geraken door d' eindlooze zwarigheên,

En eens ons leed t' ontgaan; of zijdy door gebeên,

Ontzichelijke vorst! nog tot genâ te neigen,

Verzacht de penen[317]doch, die d' overwonnen dreigen.

't Van ouds beroemd geslacht, dat van de vadren daalt,

Bijna is uitgeroeid; dien lof hebdy behaald:

Een handvol blijft er, uitgeput van ongenuchten[318],

Die 't leven valt te bang, die niet doen dan verzuchten:

Erbarmt u haarder, en verschoont ze, o vorst! althans[319],

Die 't lot spaarde om te zien den val haars vaderlands!

TITUS.

TITUS.

Hadt gij dit voorbedacht, vermaledijde Joden!En van uw poorten mij de sleutlen aangeboden,Als uws stads grondvest nog haar hooge muren droeg,Als ik om Sions kreits nog eerst mijn leger sloeg:Gij stondt nog daar gij stondt, en van uw sterke wallenEn waar de cingel[320]nooit ter aarden neêrgevallen.Hoe vaken[321]hebdy, met een ingeboren haat,Mijn keizerlijke gunst en goedigheid versmaad,Als ik u hulde[322]aanbood, en, uit een mild ontfarmen,U zwoer gezamentlijk voor onheil te beschermen:Hoe menigwerven blies ik d' aftocht, alzoo rasGij nood leedt, als de strijd en storm op 't heetste was:Hoe dikmaal breidelde ik mijn ongetemde benden,Van vreeze, dat ze uw kerk en Godsdienst zouden schenden!Nu komdy smeeken; op, staat op!

Hadt gij dit voorbedacht, vermaledijde Joden!

En van uw poorten mij de sleutlen aangeboden,

Als uws stads grondvest nog haar hooge muren droeg,

Als ik om Sions kreits nog eerst mijn leger sloeg:

Gij stondt nog daar gij stondt, en van uw sterke wallen

En waar de cingel[320]nooit ter aarden neêrgevallen.

Hoe vaken[321]hebdy, met een ingeboren haat,

Mijn keizerlijke gunst en goedigheid versmaad,

Als ik u hulde[322]aanbood, en, uit een mild ontfarmen,

U zwoer gezamentlijk voor onheil te beschermen:

Hoe menigwerven blies ik d' aftocht, alzoo ras

Gij nood leedt, als de strijd en storm op 't heetste was:

Hoe dikmaal breidelde ik mijn ongetemde benden,

Van vreeze, dat ze uw kerk en Godsdienst zouden schenden!

Nu komdy smeeken; op, staat op!

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Ertsmaarschalk[323], ach!Dat wij u kwetsten ooit is, laas! al ons beklag.

Ertsmaarschalk[323], ach!

Dat wij u kwetsten ooit is, laas! al ons beklag.

TITUS.

TITUS.

Nu 't glas verloopen is, nu roept men om genade.

Nu 't glas verloopen is, nu roept men om genade.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Erbarmt des armen volks, al komet[324]vrij wat spade.

Erbarmt des armen volks, al komet[324]vrij wat spade.

TITUS.

TITUS.

Zoo spade, dat er niets voor u te hopen staat.

Zoo spade, dat er niets voor u te hopen staat.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Een welgeboren vorst zich nog erbarmen laat.

Een welgeboren vorst zich nog erbarmen laat.

TITUS.

TITUS.

Een welgeboren vorst zoekt 't voordeel van den lande.

Een welgeboren vorst zoekt 't voordeel van den lande.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

't Ontfermen voordeel brengt, gestrengheid schade en schande.

't Ontfermen voordeel brengt, gestrengheid schade en schande.

TITUS.

TITUS.

't Ontfermen brengt ook ramp, gestrengheid voordeel toe;Zoo houdt men 't volk in tucht.

't Ontfermen brengt ook ramp, gestrengheid voordeel toe;

Zoo houdt men 't volk in tucht.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Elk een verwenscht de roê.

Elk een verwenscht de roê.

TITUS.

TITUS.

De booswicht haat zijn straf.

De booswicht haat zijn straf.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Ons heeft geen straf ontbroken.De veldheer heeft zijn leed ten uiterste gewroken.

Ons heeft geen straf ontbroken.

De veldheer heeft zijn leed ten uiterste gewroken.

TITUS.

TITUS.

Waar mijnen doortocht valt, daar eischen[325]nog te staanDees muiters, tot een les en spiegel voor de kwaân.

Waar mijnen doortocht valt, daar eischen[325]nog te staan

Dees muiters, tot een les en spiegel voor de kwaân.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Die 't spieglen lust, beschouw dit graf vol doode beenen,Dees omgekeerde stad, en die verstrooide steenen!

Die 't spieglen lust, beschouw dit graf vol doode beenen,

Dees omgekeerde stad, en die verstrooide steenen!

TITUS.

TITUS.

Licht slaat men in de wind 'tgeen zelf men niet en ziet.

Licht slaat men in de wind 'tgeen zelf men niet en ziet.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Al ziet men 't niet, de faam meldt wat er is geschied.

Al ziet men 't niet, de faam meldt wat er is geschied.

TITUS.

TITUS.

De Joden voor 't gerucht nooit eenen voet verzetten.

De Joden voor 't gerucht nooit eenen voet verzetten.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

't Is een Godsdienstig volk, dat ijvert om[326]zijn wetten.

't Is een Godsdienstig volk, dat ijvert om[326]zijn wetten.

TITUS.

TITUS.

Is 't ijver, dat men muit?

Is 't ijver, dat men muit?

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Het acht de vrijheid weerd.

Het acht de vrijheid weerd.

TITUS.

TITUS.

Derft hij ook vrijheid, die al heeft wat hij begeert?Den Joden was 't vergund haar dorpels te bewonen,Te lezen haren oogst, en koningen te kroonen,En vorsten van haar bloed met purper te bekleên,En vrank te leven naar der bestevadren zeên;Dies mosten zij den stoel van Romen onderstuttenMet dragelijken tol, daar voor wij haar beschuttenVan allen overlast des woedenden soldaats:Ja, wie ontwijen dorst 's kerks afgekeurde[327]plaats,Naar d' uitgedrukte wet, geprent[328]in zuiver marmer,Die brocht zijn vonnis mede, en vond geen lijfsbeschermer.Is dit geen vrijheid, die 't gespuis vernoegen mag?Veel andre zijn te vreên, en dragen ons ontzag;Maar uw herdnekkigheid (en niet de zware tollen)En 's keizers slappen moed, die brachten u aan 't hollen:Ons goedheid vaak misbruikt u stouter heeft gemaakt.

Derft hij ook vrijheid, die al heeft wat hij begeert?

Den Joden was 't vergund haar dorpels te bewonen,

Te lezen haren oogst, en koningen te kroonen,

En vorsten van haar bloed met purper te bekleên,

En vrank te leven naar der bestevadren zeên;

Dies mosten zij den stoel van Romen onderstutten

Met dragelijken tol, daar voor wij haar beschutten

Van allen overlast des woedenden soldaats:

Ja, wie ontwijen dorst 's kerks afgekeurde[327]plaats,

Naar d' uitgedrukte wet, geprent[328]in zuiver marmer,

Die brocht zijn vonnis mede, en vond geen lijfsbeschermer.

Is dit geen vrijheid, die 't gespuis vernoegen mag?

Veel andre zijn te vreên, en dragen ons ontzag;

Maar uw herdnekkigheid (en niet de zware tollen)

En 's keizers slappen moed, die brachten u aan 't hollen:

Ons goedheid vaak misbruikt u stouter heeft gemaakt.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Doorluchte prins! 't is waar, 't en kan niet zijn miszaakt[329];Doch overweegt, dat eerst door woedende tyrannenDe ketenen van twist en oproer zijn gespannen:Nooit had de vrome deel aan zulken overmoed.

Doorluchte prins! 't is waar, 't en kan niet zijn miszaakt[329];

Doch overweegt, dat eerst door woedende tyrannen

De ketenen van twist en oproer zijn gespannen:

Nooit had de vrome deel aan zulken overmoed.

TITUS.

TITUS.

De vrome vaak ontgeldt 't kwaad, dat een ander doet.

De vrome vaak ontgeldt 't kwaad, dat een ander doet.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Wie wijs is en beraân, die schift ze van malkander.

Wie wijs is en beraân, die schift ze van malkander.

TITUS.

TITUS.

Elk wascht zich af van 't vuil, en schuift het op een ander.

Elk wascht zich af van 't vuil, en schuift het op een ander.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Wie niet handdadig is aan eenig kwaad beleid,'t Is billijk, dat hij staat op zijn onnoozelheid.

Wie niet handdadig is aan eenig kwaad beleid,

't Is billijk, dat hij staat op zijn onnoozelheid.

TITUS.

TITUS.

Zoo spreekt de kwaadste schelm.

Zoo spreekt de kwaadste schelm.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Men ziet op niemands spreken,Men let op ieders feit, en al 'tgeen heeft gebleken.De aanstellers van 't rumoer zijn elkeen openbaar.

Men ziet op niemands spreken,

Men let op ieders feit, en al 'tgeen heeft gebleken.

De aanstellers van 't rumoer zijn elkeen openbaar.

TITUS.

TITUS.

D' handhavers zijn al dood, en die[330]verbergen haar.

D' handhavers zijn al dood, en die[330]verbergen haar.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Men houde 't die te goê, de straf hun hoofden wrake.

Men houde 't die te goê, de straf hun hoofden wrake.

TITUS.

TITUS.

Rechtveerdigheid, die 't meent, eischt over beiden wrake.

Rechtveerdigheid, die 't meent, eischt over beiden wrake.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Uit slechtigheid[331]is 't vaak, dat iemand 't kwaad bestemt.

Uit slechtigheid[331]is 't vaak, dat iemand 't kwaad bestemt.

TITUS.

TITUS.

Al boet hij 't met zijn hals, dat schijnt dan niemand vremd.

Al boet hij 't met zijn hals, dat schijnt dan niemand vremd.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Wie 't uit onkunde faalt heeft in dit pleit groot voordeel.

Wie 't uit onkunde faalt heeft in dit pleit groot voordeel.

TITUS.

TITUS.

Zoo groot niet, of hij moet uitstaan zijns rechters oordeel.

Zoo groot niet, of hij moet uitstaan zijns rechters oordeel.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Een oordeel, hecht gesmeed op 't aanbeeld van de reên.

Een oordeel, hecht gesmeed op 't aanbeeld van de reên.

TITUS.

TITUS.

Een oordeel, dat de wet en krijgsraad stelt te vreên.

Een oordeel, dat de wet en krijgsraad stelt te vreên.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

O vorst! vernoegt u met de straf alreê genomen,En die der boozen rot nog versch is overkomen;Het overschot meest al onschuldig is aan 't kwaad,Daarmede uw Majesteit gekwetst is inderdaad:Misgunt niet, dat wij hier zieltogen weinig dagen,En als een eerlijk lijk[332]Jeruzalem beklagen.

O vorst! vernoegt u met de straf alreê genomen,

En die der boozen rot nog versch is overkomen;

Het overschot meest al onschuldig is aan 't kwaad,

Daarmede uw Majesteit gekwetst is inderdaad:

Misgunt niet, dat wij hier zieltogen weinig dagen,

En als een eerlijk lijk[332]Jeruzalem beklagen.

TITUS.

TITUS.

Om hier te nestlen? neen, de krijgsman, die 't zich belgt,Staat uw uitroeyen duur.

Om hier te nestlen? neen, de krijgsman, die 't zich belgt,

Staat uw uitroeyen duur.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Nu zijn wij gants verdelgd.

Nu zijn wij gants verdelgd.

TITUS.

TITUS.

Zoo gants niet, of ons stond een erger kwaad te vreezen.

Zoo gants niet, of ons stond een erger kwaad te vreezen.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Zoo Rome vreeze aankomt van ouderlooze weezen,Van weeûwen uitgeschreid, van vrouwen levensmoê,Van wat ontwapend volks, zoo brengen wij z' haar toe,Die, uitgemergeld, niet voor hebben, als ons magen[333],Waar ze ergens kenbaar zijn, in 't koude graf te dragen,En in spelonken en steenrotsen hier ontrentTe huilen, schouw[334]van 't licht, tot dat ons leven endt.

Zoo Rome vreeze aankomt van ouderlooze weezen,

Van weeûwen uitgeschreid, van vrouwen levensmoê,

Van wat ontwapend volks, zoo brengen wij z' haar toe,

Die, uitgemergeld, niet voor hebben, als ons magen[333],

Waar ze ergens kenbaar zijn, in 't koude graf te dragen,

En in spelonken en steenrotsen hier ontrent

Te huilen, schouw[334]van 't licht, tot dat ons leven endt.

TITUS.

TITUS.

Van luttel zaads gestrooid, dat over is geschoten,Wast eenen rijken oogst; alzoo van weinig lotenOntstaat een boomrijk woud; zoo[335]'t eerstgeplante veilBeklimt en dekt een muur, al is hij hoog en steil;De doornen laten niet van nieuws weêr aan te groeyen,Zoo lang daar wortel blijft, die most men eerst uitroeyen.

Van luttel zaads gestrooid, dat over is geschoten,

Wast eenen rijken oogst; alzoo van weinig loten

Ontstaat een boomrijk woud; zoo[335]'t eerstgeplante veil

Beklimt en dekt een muur, al is hij hoog en steil;

De doornen laten niet van nieuws weêr aan te groeyen,

Zoo lang daar wortel blijft, die most men eerst uitroeyen.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Men laat dees woeste plaats van krijgsliê wel verzorgd.

Men laat dees woeste plaats van krijgsliê wel verzorgd.

TITUS.

TITUS.

't Mistrouwen geeft meer rust, en is een vaster borcht.

't Mistrouwen geeft meer rust, en is een vaster borcht.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Mistrouwdy die gij loont?

Mistrouwdy die gij loont?

TITUS.

TITUS.

Geenszins, maar wel u-lieden,Die altijd woelt, en tracht den genen 't hoofd te bieden,Die uwen staat verdrukt[336].

Geenszins, maar wel u-lieden,

Die altijd woelt, en tracht den genen 't hoofd te bieden,

Die uwen staat verdrukt[336].

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Ei, wapenloozen hoop!Die in uw tranen smilt en 't zuchten hebt goedkoop,Verheugt u nog met mij, dat de overwinners moetenVoor u verschrikken, daar gij neêr ligt voor haar voeten:Grijpt moed, en recht nog op 't vervallen Jodendom,Want Titus staat bedeesd, en 't heer ziet naar u om.

Ei, wapenloozen hoop!

Die in uw tranen smilt en 't zuchten hebt goedkoop,

Verheugt u nog met mij, dat de overwinners moeten

Voor u verschrikken, daar gij neêr ligt voor haar voeten:

Grijpt moed, en recht nog op 't vervallen Jodendom,

Want Titus staat bedeesd, en 't heer ziet naar u om.

TITUS.

TITUS.

Uit d' assche van een stad (licht wordt een zaak verkeken[337])Is vaak een brand ontstaan, die landen heeft ontsteken,En rijken met de grond ge-effend en vernield:Geen lichaam acht men dood, zoo lang het is gezield.Die dikwijls op het veld voor dooden zijn gerekend,Gedenken aan haar leed, verrijzen weêr en wreken't.

Uit d' assche van een stad (licht wordt een zaak verkeken[337])

Is vaak een brand ontstaan, die landen heeft ontsteken,

En rijken met de grond ge-effend en vernield:

Geen lichaam acht men dood, zoo lang het is gezield.

Die dikwijls op het veld voor dooden zijn gerekend,

Gedenken aan haar leed, verrijzen weêr en wreken't.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Verre is de wraak van ons, die bloot zijn van geweer.

Verre is de wraak van ons, die bloot zijn van geweer.

TITUS.

TITUS.

De wanhoop ziet niet aan, al waar 't een machtig heer,Zij geeft ze dobbel kracht, en helpt weêr op de beenenEen deel vervloekt gespuis, eer 't iemand zoude meenen.

De wanhoop ziet niet aan, al waar 't een machtig heer,

Zij geeft ze dobbel kracht, en helpt weêr op de beenen

Een deel vervloekt gespuis, eer 't iemand zoude meenen.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Helaas, eêlaardig bloed! 't mistrouwen, dat gij hebt,Veroorzaakt, dat men troost noch blijdschap uit u schept.

Helaas, eêlaardig bloed! 't mistrouwen, dat gij hebt,

Veroorzaakt, dat men troost noch blijdschap uit u schept.

TITUS.

TITUS.

Zijt, jonkvrouw! wel gemoed, en wilt ten besten hopen,De krijgsraad is vergaârd; mijn tijd is hier verloopen.Verwacht van ons het lot, en denkt het zal wel gaan:Wij breken morgen op, daar legt uw zaak naar[338]aan.

Zijt, jonkvrouw! wel gemoed, en wilt ten besten hopen,

De krijgsraad is vergaârd; mijn tijd is hier verloopen.

Verwacht van ons het lot, en denkt het zal wel gaan:

Wij breken morgen op, daar legt uw zaak naar[338]aan.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

't Onredelijke[339]dier[340], dat eertijds twee gebroeders,Grondleggers van uw staat verschoonde, en, als haar 's moedersOntzet[341]en speen gebrak, opzoogde, aan 's Tybers boord,Was reedlijker als gij, die naar geen smeeken hoort.Het klippig steengebergt, dat hier met doôn bespreed leît,Ik tot getuige neem, o Titus! van uw wreedheid.Geen kermen heeft hier plaats, en mij voorzeît de noodEen slaafsche ballingschap, of een benaauwdedood.

't Onredelijke[339]dier[340], dat eertijds twee gebroeders,

Grondleggers van uw staat verschoonde, en, als haar 's moeders

Ontzet[341]en speen gebrak, opzoogde, aan 's Tybers boord,

Was reedlijker als gij, die naar geen smeeken hoort.

Het klippig steengebergt, dat hier met doôn bespreed leît,

Ik tot getuige neem, o Titus! van uw wreedheid.

Geen kermen heeft hier plaats, en mij voorzeît de nood

Een slaafsche ballingschap, of een benaauwdedood.

REI VAN PRIESTEREN.

REI VAN PRIESTEREN.

Wij, priesterlijke reyen(Die voormaals met schalmeyenDen vierdag plachten en de feesten in te wijden,En steeds op Mozes' wettenAandachtelijk te letten,En te vergaren 't volk op haar gezette tijden),

Wij, priesterlijke reyen

(Die voormaals met schalmeyen

Den vierdag plachten en de feesten in te wijden,

En steeds op Mozes' wetten

Aandachtelijk te letten,

En te vergaren 't volk op haar gezette tijden),

Niet hebben acht geslagen,In[342]de onverwachte plagen,En 't voorspook, dat ons daaglijks met verwoesting dreigde:Al gaf God, zonder spreken,Zoo menig helder teeken,Waaraan 't bleek, werwaarts dat de Joodsche staat zich neigde:

Niet hebben acht geslagen,

In[342]de onverwachte plagen,

En 't voorspook, dat ons daaglijks met verwoesting dreigde:

Al gaf God, zonder spreken,

Zoo menig helder teeken,

Waaraan 't bleek, werwaarts dat de Joodsche staat zich neigde:

't Verwoesten en 't vertredenVan de omgelegen steden,Vol viers, vol moordgeschreis, vol brands, vol bloeds, vol tranen,Vol krijtens, en vol zuchten,Vol twists, vol krijgsgeruchten,Woû Salem van haar val en ondergang vermanen.

't Verwoesten en 't vertreden

Van de omgelegen steden,

Vol viers, vol moordgeschreis, vol brands, vol bloeds, vol tranen,

Vol krijtens, en vol zuchten,

Vol twists, vol krijgsgeruchten,

Woû Salem van haar val en ondergang vermanen.

De ruiggehaarde sterre,Die in de locht van verreBlonk, als een Godlijk zweerd, recht boven onzen schedel,Riep, dat het zweerd van RomenOns haastig op zou komen,En treffen jong en oud, rijk, arm, eêl, en onedel.

De ruiggehaarde sterre,

Die in de locht van verre

Blonk, als een Godlijk zweerd, recht boven onzen schedel,

Riep, dat het zweerd van Romen

Ons haastig op zou komen,

En treffen jong en oud, rijk, arm, eêl, en onedel.

't Licht binnen d' heilge drempel,Bij 't outaar en den tempel,Waarvoor de donkre nacht week met zijn bruine vlerken:Het zwangre koebeest mede,Ten brand geschikt alreede,'t Lam barende, zocht ons te brengen tot opmerken.

't Licht binnen d' heilge drempel,

Bij 't outaar en den tempel,

Waarvoor de donkre nacht week met zijn bruine vlerken:

Het zwangre koebeest mede,

Ten brand geschikt alreede,

't Lam barende, zocht ons te brengen tot opmerken.

De deur met ijzren slotenVan klaar metaal gegoten,Die twintig mannen al bezweet te grendlen plachten:Waarschouwde onz' Godverachters,Als haar de tempelwachtersWijd open vonden staan vaak en verscheiden nachten.

De deur met ijzren sloten

Van klaar metaal gegoten,

Die twintig mannen al bezweet te grendlen plachten:

Waarschouwde onz' Godverachters,

Als haar de tempelwachters

Wijd open vonden staan vaak en verscheiden nachten.

Het heerkracht veler volken,Dat, boven in de wolken,Zich legerde in de locht, voor d' ondergang der zonnen,Vertoonde ons al de benden,Die de oude stad berenden,En niet aflieten voor zij hadden ze gewonnen.

Het heerkracht veler volken,

Dat, boven in de wolken,

Zich legerde in de locht, voor d' ondergang der zonnen,

Vertoonde ons al de benden,

Die de oude stad berenden,

En niet aflieten voor zij hadden ze gewonnen.

's Nachts, als wij bezig warenOm te offren op de altaren,En 't heilig Pinxterfeest met ijver uitermatenAandachtelijk te vieren,Naar d' overouw' manieren,Riep ons een stemme toe: "laat ons dees kerk verlaten!"

's Nachts, als wij bezig waren

Om te offren op de altaren,

En 't heilig Pinxterfeest met ijver uitermaten

Aandachtelijk te vieren,

Naar d' overouw' manieren,

Riep ons een stemme toe: "laat ons dees kerk verlaten!"

't Weeklagen ongewoneVan Ananias' zone[343]:"Wee volk! wee stad! wee kerk! wee, wee van allen hoeken!"Ons uit den slaap niet wekte,Daar 't als een voorspel strekte,'t Welk aanwees, dat ons God op 't strengste zou bezoeken[344].

't Weeklagen ongewone

Van Ananias' zone[343]:

"Wee volk! wee stad! wee kerk! wee, wee van allen hoeken!"

Ons uit den slaap niet wekte,

Daar 't als een voorspel strekte,

't Welk aanwees, dat ons God op 't strengste zou bezoeken[344].

Dit alles slaan wij gade,Helaas! nu 't is te spade,Nu stad en tempel is een roof der vremdelingen.O God! ziet eenmaal neder,En troostet Levi weder,Opdat wij uwen lof met juichen mogen zingen.

Dit alles slaan wij gade,

Helaas! nu 't is te spade,

Nu stad en tempel is een roof der vremdelingen.

O God! ziet eenmaal neder,

En troostet Levi weder,

Opdat wij uwen lof met juichen mogen zingen.


Back to IndexNext