Chapter 12

DE VIERDE HANDEL.titus, de keizer,terentius, hopman.TITUS.Wij staan op ons vertrek; mijn afgestreên soldaten,Na zoo veel oorloogs[345], blijd' haar legerplaats verlaten.Wij laten achter ons een omgeworpen muur,Een koninklijke stad verdelgd met staal en vuur,Een aardrijk omgewroet, een kerkhof vet van dooden,Die niemand staan t' ontzien, ten ware dat der JodenVerrezen schimmen ons opkomen mochten dolMet fakkelen, gelijk uit Pluto's duister holOpdonderen somtijds de ontstelde razernijen,Als al de wereld voor een anker schijnt te rijen[346]:Maar dat is zonder zorg: nochtans acht mijnen raadDit oorbaar, dat men, tot gerustheid van den staat,Hier een bezetting legt van krijgsliê wel ervaren,Die onder eenen voogd 't land hier ontrent bewaren,Opdat er niemand schans, noch slot, noch vesting bouw,Noch voet krijg, noch iet kwaads den Romulijnschen[347]brouw.Terentius, die vaak de[348]schild waart van mijn leven,Wanneer ik in den strijd mij had te diep begeven,Omcingeld van 't gevaar, belegerd van 't gekerm,Besloten van 't geweer, daar, met geheven erm,Gij mij te redden wist door sabelen en pijken[349],En sloegt een wagenborg van doôn en versche lijken:Deze eere komt u toe: ontvangt, ontvangt van mij,Uw wettelijke prins en veldheer, de voogdijVan gansch Judea; let met aandacht op uw zaken,En wilt in 't voordeel van ons monarchije waken.TERENTIUS.Aanzienelijke vorst! och, of uw majesteitMeer nuts genieten mocht van mijn gehoorzaamheid!Wij nemen 't ampt in dank; uw mildheid is te loven,Die ons verdiensten in bezolding gaat te boven.Verschoont uw dienaar niet, die, als de keizer spreekt,Wenscht te vervullen 'tgeen aan zijnen plicht ontbreekt.TITUS.Mijn tiende bende, die haar ooit zoo vroom verweerde,Gesterkt met nog meer volks te voet en ook te peerde,Ik tot bewaring hier te legeren besloot,Om de overwinning te verzekren buiten nood,Waarom men heeft verschoond den muur in 't West gelegen,En 'tgeen daaraan kleeft: daar het krijgsvolk vrij van regen,Van hagel, wind en storm, en onweêr schuilen mag,En herberg krijgen: hebt gij over haar 't gezag:Omhelst de wetten, en, wie tegen 't recht derft woelen,Doet hem de strengigheid van onze krijgstucht voelen.TERENTIUS.Al wat mijn Heer beveelt, werd[350]wetens niet verzuimd.TITUS.Geen uitgedreven Joôn geeft hier te wonen ruimt':Maar andren, die haar naar ons zeden kunnen voegen,Vergunt deze akkren te bezaayen en te ploegen,Mids redelijken tol 't rijk in te wil'gen, enDat niemand ander staf als onzen schepter kenn'.TERENTIUS.'t Is billijk en gegrond, het steunt op goede reden.TITUS.Zoo iemand derf bestaan, òf vestingen òf stedenTe stichten, en tot zulks iets delve of spitte of graaf,Die heeft het lijf verbeurd, zijn goed en al zijn haaf.Die zaak is van gewicht, dus hecht ze in uw gedachten.TERENTIUS.De prince twijfel niet, wij hopen 't te betrachten.TITUS.Uit mijn gevangens ik heb duidelijk verstaan,Dat Simon, die ons zoo veel hoons heeft aangedaan,Die schelm, dien, afgerecht op zoo veel boeverijen,Het oorloog spaarde, om zijn verschulde straf te lijen,Zich onder 't muurwerk houdt, 'twelk nog van de aarde rookt,Met andren, die hij naar zijn lust heeft opgestookt:Neemt acht hierop, en dees steenhoopen wilt bezettenMet wachters, voor een wijl, die op dien booswicht letten,Opdat hij 't niet ontslip: indien nog 't recht in zwangBij d' Hemellieden is, dat elk zijn straf ontvang,En penen geld'[351]en boet' zijn grouwelijke stukken,Hij zal u niet ontgaan.TERENTIUS.En of dit woû gelukken,Wat eischt het recht van hem? te sneuvlen door de bijl?TITUS.Die deugd[352]gebeurt hem niet; dat gij hem in der ijlMij toestiert, wel bewaard, te Rome, daar wij wenschen,Dat hij in ons triumf zij 't schouwspel veler menschen,En pijnelijk uitbraak zijn goddelooze ziel,Die stadig van het eene in 't ander kwaad verviel.TERENTIUS.Schept die verrader slechts in onderaardsche kuilenDe locht, al ging hij zich zoo diep uit angst verschuilen,Dat hij den Tartarus, daar geenen Febus schijnt,Mocht hooren loyen[353], als de boosheid wordt gepijnd:Die schelm, doorluchtig held! mijn hand niet zal ontvlieden;Belieft u iets wat meer, gij hebt maar te gebieden.Ik volge uw Majesteit, en doe u uitgeleî.TITUS.De tijd verloopt, het is hoognoodig dat ik scheî,En vorder[354]onzen tocht; ik zie, nu wij vertrekken,De keizerlijke stad haar zeven halzen[355]rekken,En uitzien naar het heer, dat, werwaarts het ook vecht,Alom het veld behoudt, en prijs en eer inlegt.Ik zie de stacie van de Roomsche burgerijen,In volle rusting, ons ontmoeten met verblijen;Den Tiber zwert van volk; ik zie Vespasiaan,Mijn broeder[356], en den Raad bij Jovis tempel staan:De priestren 't outaar voên, en al de Goden vieren,En 't onverwelklijk groen 't hoofd des verwinners cieren.rei van joodsche vrouwen, fronto, rei van staatjonffren, de dochter sion.REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Nu wakker, stapelt steen! de nood breit[357]duizend listen.Deze aanslag blijft ons borg, of de eerste treken[358]misten.O kranke toevlucht! zoo de koningen van ouds,Bedrupt van balsem, en verladen met veel gouds,Behangen met de glans van purper en kleinooden,Opbraken 't marmor, en opkeken van den dooden,Hoe zou 't haar kwetsen, ach! maar als 't aldus moet zijn,Dit is de waarheid naast, en geeft[359]het veinzen schijn[359]Voor 't ander. Wakkert u; metst[360]van berookte steenenEen graf voor de IJdelheid[361], en wilt haar lijk beweenen.FRONTO.Mars heeft hier uitgeraasd; hij scheidt, om elders weêrEen wederspannig rijk, met zijn gevelde speer,Met 't weêrlicht van zijn schild, en met getogen zweerde,Te slechten, tot den grond en bodem toe, met de eerde.Ik kome, in 's Keizers naam, gelast, om zoo terstondDees tempelhoeren, die geen uitstel wordt gejond,Te volgen doen het heer, dat langer niet mag dralen.REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Help God! hij komt om ons; het is, om ons te halen!REI VAN STAATJONFFREN.Steenrotsen! berst van een; valt, bergen, op ons neêr!Troost God! waar vluchten wij? hier is geen vluchten meer.FRONTO.Weg, weg, met dit geraas! 't is langer hier met stenenNoch kermen niet te doen.REI VAN STAATJONFFREN.Waar wildy met ons henen?REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Wat hebdy met ons voor?FRONTO.Voort, voort! Jodinnen, voort!Ik doe u geen verslag, neen, niet een enkel woord;Gij werdt het zelf gewaar. Wel, waar is uw vorstinne?Waar is 't hertnekkig wijf?REI VAN STAATJONFFREN.Wij bidden u, uit minne,Och! wijst ze ons, waar ze dwaalt.FRONTO.'t Is u niet onbewust.REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Wij zijn om harentwil bekommerd en ontrust.REI VAN STAATJONFFREN.Zij droop van onze rei vol zuchtens en vol klagen,Berooid van hoofd en zin, versuft en heel verslagen,En eer men toezag (want onze oogen waren dikEn rood van schreyen) zij, in eenen oogenblik,Was ons gezicht ontgaan, en, werwaarts dat wij zonden,Haar stem wierd niet gehoord, haar voetspoor niet gevonden.REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Verlatene vorstin! zoo gij de locht nog schept,Meld de oorzaak, waarom dat ge ons dus begeven hebt:Want zooder hoop was, om uw zelven te versteken,Wij hadden t' zamen wel dit ongeval ontweken:Geen klip zoo eislijk steil, geen afgrond is zoo naar,Vol slangen, vol gedierte, of 't uiterste gevaar,Hadde ons doen klimmen, en opklaveren[362]en dalen:Of hebdy vóór den tijd uw doodschuld gaan betalen,En zijdy van een rots gesneuveld[363]op een steen,Die gants verpletterd heeft 't albaster van uw leên,Zoo wilt door eenig spook of teeken doch gehengen,Dat wij u vinden, en met rouw ter aarden brengen.FRONTO.Hoe luidde 't jongst beklag? hoe droeg z' haar als ze schied[364]?REI VAN STAATJONFFREN.Van droefheid uitgeput, verwonnen van verdriet,Zal ik dan, sprak ze, die gevallen ben in handenVan d' onbesneden, zijn haar schouwspel t' mijnder schanden?Zal ik, die een vorstin der volken ben geweest,Verstrekken een slavin van die ons heeft gevreesd?Zal ik verschoven gaan in ballingschap vol smertenMijn ramp ineten? en al steeds met droever hertenOphalen mijnen val? en den voorleden staatGaan vergelijken met ons tegenwoordig kwaad?Nog zoo niet; naauwlijks was het kermen van de lippen,Of wij verloren haar omtrent die scherpe klippen.REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Hij gaat ze zoeken.REI VAN STAATJONFFREN.Och! of dit gelukken woû,Dat wij 't lijf bergden van ons welgeboren vrouw[365]In 't uiterste gevaar, voor 't woeden der tyrannen:Wie weet, wat uitheemsch bloed eens met haar aan mocht spannen,En geven zich te velde, om 't overschot der JoônTe stellen in haar stoel, en koninklijken troon:Wie weet, van waar ons God mocht een verlosser wekken,Die eenen Cyrus zoude of andren Mozes strekken,Of braven Gedeon, of trotschen Jozua,Of stouten David, tot verzetting[366]van ons schâ.REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Staatjonffren, zwijgt! hij keert met overwinners-treden,Gezwollen om zijn hoofd van toorne en gants t' onvreden,Met dreigende oogen spoedt hij t' onswaart zijnen gang.Jehova, staat ons bij! wat wordt mij 't herte bang!Moord! moord! hij trekt 't geweer! ik tril, ik beef, ik sidder!REI VAN STAATJONFFREN.Genade, o oud Romein!REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Genade, o edel ridder!Wat is 't, dat u ontstelt? wat is 't, dat gij begaat[367]?Wat eer is 't, dat gij dees verdrukte vrouwen slaat,Een troosteloozen hoop! tert liever uwsgelijken.Gaat uwen vijand toe, zoo zal uw vroomheid[368]blijken;Hier haaldy enkel schand; laat zinken uwen moed[369]!Wat is 't, dat u ontzet en heftig woeden doet?Wat eischty zoo verstoord? ach, wilt doch wat bedaren!FRONTO.Dat gij ze daadlijk meldt.REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Men zal 't u openbaren,Als 't immers zoo moet zijn, aanhoort slechts met geduld:Aan haar rampzalig einde en dood heeft niemand schuldAls zij, die, als ze droef haar handen had gewrongen,En 't aanzicht opgekrabt, is van een rots gesprongenMet schrikkelijk gehuil, 't welk driemaal heeft gevergdDen galm, die woont in dit omliggende gebergt:Wij volgden haren sprong met uitgekreten oogen,Maar wie had onbezwijmd van 't hooge aanschouwen mogenEen lichaam, welks gestalt was van den zwaren valGants uitgewischt? o vrouwe! o rotse! o berg! o dal!FRONTO.Dat riekt naar schelmerij; denkt nimmermeer met liegenEen afgerecht Romein, als ik ben, te bedriegen.Ziet voor u, wat gij doet.REI VAN STAATJONFFREN.Wij bidden u, gelooft.FRONTO.Waar is het lichaam? fluks!REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Wat lichaam? dat, beroofdVan zijn gedaante, is gants verplet in al zijn deelen?FRONTO.Wijst mij 't verplette voort, en past op mijn bevelen.REI VAN STAATJONFFREN.Wij kwamen, als zij lag gevallen naar beneên,En hieven 't zielloos lijf op van de koude steen,En groeven 't in der ijl daar zelden iemand wandelt,Van vreeze, dat ze niet wierd na haar dood mishandeld:Die eer gebeurd' haar nog, dat wij de grafsteê watVerheerlijkten met puin van ons verbrande stad,Met heele en halve steen, op dat er eenig teekenMocht blijven, als men van haar einde kwam te spreken.FRONTO.Waar is de plaatse? fluks!REI VAN STAATJONFFREN.Wij bidden u, betoontEerbiedigheid den doôn, haar sterflijkheid verschoont,Noch 't lichaam niet onteert van deze, die eylacy!Gesneuveld deerlijk, wierd begraven zonder stacy.FRONTO.Het lichaam zal ik zien; staat op uw hoede nog!Want vinde ik dit, als 't eerste, onwaarheid en bedrog,Het zal u rouwen.REI VAN STAATJONFFREN.Och! besnoeit die booze lusten,En die zoo lieflijk slaapt laat in den grave rusten.Wat zijdy voor een volk, die, na genomen straf,Een doode romp vervolgt, en wreekt u aan een graf?Wat komt u aan? gij valt aan 't schenden en aan 't brekenVan onze timmer[370], ach! den Hemel zal het wreken,Dat, als een dullen hond, gij schuimbekt, schendt, en bijt't Geen heilig is, en tot een eerlijk lijk[371]gewijd.Wee ons! hij luistert niet; zijn wreedheid heeft geen ooren.Best doen wij rechte biechte, en melden 't van te voren,Eer dat hij 't al verwoeste, en in zijn dolligheid,Tot wrake van 't bedrog, ons dobble straf bereid'.Vroom[372]krijgsman! staat wat stil, en willet[373]ons vergeven.Wij zijn uit hooge nood en angst hier toe gedreven.De zinnen lijden last, komt, volgt me; want hierbijDe dochter Sion, met een jonffer twee of drieSchuilt in het hol des bergs.—Komt uit! 't is al verloren;Uw volk heeft u verraân, princesse welgeboren!Den aanslag is ontdekt; komt wederom in 't licht,Verheugt uw vijand met een treurig aangezicht;Hij lacht in ons verderf; komt uit, en wilt niet schromen:Zulks is voor dezen ook een koning overkomen,Die Salems schepter droeg, en met benaauwder[374]zielOntvliênde, in handen nog van Nimrods nazaat viel:Die voor hem sneuvlen zag de vruchten van zijn lenden,En most, van 't licht beroofd, zijn leven pijnlijk enden,In eenen duistren nacht, in een ongastvrij land.Dit is de gene, die ons over zee en zandVervoeren zal; indien gij meer vermoogt met kermenAls wijliê, valt hem aan, en brengt hem tot ontfermen.DE DOCHTER SION.Ervaren oorloogsman! na 't woeden des soldaatsHad vaak beleefdheid bij den overwinner plaats,Die vroom was, en geen roem zocht, met een afgetreden,Onweerbaar hoopken volks stijf op den nek te treden:Omhelst doch deze deugd, en leent een lijdzaam oorAan uw gevangens! zegt, wat hebdy met ons voor?Wat lijden gaan wij aan?FRONTO.Gij moet terstond naar Romen,Ons zegefeest ten dienst; het is zoo voorgenomen:Men zal u, om wiens wil geplengd is zoo veel bloeds,Gevleugeld[375]volgen doen de keizerlijke koets,Met uwen ganschen rei, met duizend jongelingen,Dan moogdy, zoo 't u lust, uw tempeldeuntjens zingen:Als gij de vaten, en al 't goud en zilverwerk,En 't priesterlijk tapijt, de glorie van uw kerk,De goude kandelaar en tafel, op een wagen,Ziet zegenrijk ten toon voor ieder ommedragen.DE DOCHTER SION.Veel eer als zulks gebeurt, zal God, op mijn geschreeuw,Doen komen op den weg een tijger of een leeuw,Die ons verslinden zal, en tot het been toe knagen,En met zijn ingewand in zijnen schuilhoek dragen;Veel eer als dat gebeurt, zal 't God zich trekken aan,En ons of u gezwind met zijnen bliksem slaan;Veel eer als dat geschiedt, eer dat gij vreugd zult rapenIn onzen ondergang, eer werden wij verschapen,En trekken aan 't gestalt van een onreedlijk beest,Eer scheuren wij ons kleed, en schenden uwe feest.FRONTO.Gij kwelt u te vergeefs, wij schrikken voor geen dreigen;Uw roepen geldt hier niet; gij hebt uw lijf niet eigen.Gij moet mede over zee, dus maakt uw hert geen pijn,En zult ons dienstmaagd 's daags, des nachts ons boelschap zijn.REI VAN STAATJONFFREN.Ach! moeder Sion, helpt! wij zijgen neêr ter aarden,Waartoe of wij de bloem van onze jeugd bewaardenOp een goed huwelijk? om namaals tot geriefTe dien u een schavuit, een eerloos hangedief?Om zijn slavin te zijn? om hem te laten drijvenZijn booze moedwil met ons nooit gerepte lijven,Ons kuischheid nooit bevlekt, ons witte zuiverheid?Wat bruiloft hebben wij ons zelfs niet toegeleid!Zal nu een Roffiaan[376]van 't lijf de gordels rukken,En de onverwelkte roos van onze maagdom plukken?God moetet zijn geklaagd!REI VAN JOODSCHE VROUWEN.En zullen wij althans[377]Den moordenaars en beuls van ons getrouwe mansVerstrekken tot een prooye, en zulke schelms verwermen,En hun believen en omhelzen met onze ermen,En dulden, dat ze met haar lippen ongezondOns kaken drukken, en 't koraal van onze mond!Geenszins; wij zullen, vóór 't opdagen van de morgen,Haar 't hoofd omwringen, en in d' eerste slaap verworgen.FRONTO.'t Is lang genoeg gedraald; volgt, daar ik u geleî.Ons heerkracht gij verlet[378]; men acht hier geen geschrei.DE DOCHTER SION.Wij volgen, gaat slechts voor; vergunt ons nog die zegen,Dat wij ons klachte doen, en zeggen onderwegenHet vaderland adieu. Bedrukte! vangt dan aan,En neemt uw afscheid; want de tijd eischt, dat wij gaan.REI VAN JODINNEN.Gij, onlangs heerlijk,Maar nu, o deerlijkJeruzalem! hoort ons geklag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Gezang en cyther,Staf, kroon, en myter,Gestoelt', dat nooit zijn weêrgâ zag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Gij, prachtige hoven!Die trotsch naar bovenReest, daar de stad op 't hoogste lag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Volkrijke straten,Die nu verlatenZijt, op het schoonste van den dag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Verheven daken!Vernield door 't blakenVan 's vijand s tortsen oon verdrag[379]:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Gij, hooge poorten!Waar in verhoord, enGevonnist elk te worden plag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Gewijde gravenVan die de stavenEn schepters droegen met ontzag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Bespiênde toornen!Waar uit met hoornenMen maakte van de strijd gewag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Gij, trotsche muren!Die niet verdurenEn mocht der Heidnen stormbok doch:Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!O kerk der kerken!Waar aan men merkenMocht Jacobs ijver oon bedrog:Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!Daar God zijn zegenUitbreidde in 't plegenVan d' heilge dienst, die hier geschach[380]:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Daar, blij van zinnen,De CherubinnenElk minlijk groetten met een lach:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Daar Levi's stamme,Met zuivre vlamme,Op 't outer 't offer smooken deê:Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!O, vloer! bevolen's Hoogpriesters zolen,Daar eenen Fenix[381]nam zijn steê:Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!Daar d' ark behoeddeAärons roede,Het Mann', en Mozes' Tafel meê:Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!Verslagen helden,Die most ontgelden's Krijgs toorne, en boeten het gelag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Verloste moeders!Die niet bedroevers[382]Zaagt als uw tepels, droog van zog:Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!Die in uwe ermen't Kind hoorde kermen,En geven zijnen doodsnak nog:Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!Verwoeste steenen!Verstrooide beenen!Vleesch, dat verstrekt der dieren aas:Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!Verleide zielen!Die hielpt vernielenUw oude stad, en streedt zoo dwaas:Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!Kelders en kuilen!Daar voortaan de uilenHaar laten hooren met geraas:Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!

titus, de keizer,terentius, hopman.

TITUS.Wij staan op ons vertrek; mijn afgestreên soldaten,Na zoo veel oorloogs[345], blijd' haar legerplaats verlaten.Wij laten achter ons een omgeworpen muur,Een koninklijke stad verdelgd met staal en vuur,Een aardrijk omgewroet, een kerkhof vet van dooden,Die niemand staan t' ontzien, ten ware dat der JodenVerrezen schimmen ons opkomen mochten dolMet fakkelen, gelijk uit Pluto's duister holOpdonderen somtijds de ontstelde razernijen,Als al de wereld voor een anker schijnt te rijen[346]:Maar dat is zonder zorg: nochtans acht mijnen raadDit oorbaar, dat men, tot gerustheid van den staat,Hier een bezetting legt van krijgsliê wel ervaren,Die onder eenen voogd 't land hier ontrent bewaren,Opdat er niemand schans, noch slot, noch vesting bouw,Noch voet krijg, noch iet kwaads den Romulijnschen[347]brouw.Terentius, die vaak de[348]schild waart van mijn leven,Wanneer ik in den strijd mij had te diep begeven,Omcingeld van 't gevaar, belegerd van 't gekerm,Besloten van 't geweer, daar, met geheven erm,Gij mij te redden wist door sabelen en pijken[349],En sloegt een wagenborg van doôn en versche lijken:Deze eere komt u toe: ontvangt, ontvangt van mij,Uw wettelijke prins en veldheer, de voogdijVan gansch Judea; let met aandacht op uw zaken,En wilt in 't voordeel van ons monarchije waken.TERENTIUS.Aanzienelijke vorst! och, of uw majesteitMeer nuts genieten mocht van mijn gehoorzaamheid!Wij nemen 't ampt in dank; uw mildheid is te loven,Die ons verdiensten in bezolding gaat te boven.Verschoont uw dienaar niet, die, als de keizer spreekt,Wenscht te vervullen 'tgeen aan zijnen plicht ontbreekt.TITUS.Mijn tiende bende, die haar ooit zoo vroom verweerde,Gesterkt met nog meer volks te voet en ook te peerde,Ik tot bewaring hier te legeren besloot,Om de overwinning te verzekren buiten nood,Waarom men heeft verschoond den muur in 't West gelegen,En 'tgeen daaraan kleeft: daar het krijgsvolk vrij van regen,Van hagel, wind en storm, en onweêr schuilen mag,En herberg krijgen: hebt gij over haar 't gezag:Omhelst de wetten, en, wie tegen 't recht derft woelen,Doet hem de strengigheid van onze krijgstucht voelen.TERENTIUS.Al wat mijn Heer beveelt, werd[350]wetens niet verzuimd.TITUS.Geen uitgedreven Joôn geeft hier te wonen ruimt':Maar andren, die haar naar ons zeden kunnen voegen,Vergunt deze akkren te bezaayen en te ploegen,Mids redelijken tol 't rijk in te wil'gen, enDat niemand ander staf als onzen schepter kenn'.TERENTIUS.'t Is billijk en gegrond, het steunt op goede reden.TITUS.Zoo iemand derf bestaan, òf vestingen òf stedenTe stichten, en tot zulks iets delve of spitte of graaf,Die heeft het lijf verbeurd, zijn goed en al zijn haaf.Die zaak is van gewicht, dus hecht ze in uw gedachten.TERENTIUS.De prince twijfel niet, wij hopen 't te betrachten.TITUS.Uit mijn gevangens ik heb duidelijk verstaan,Dat Simon, die ons zoo veel hoons heeft aangedaan,Die schelm, dien, afgerecht op zoo veel boeverijen,Het oorloog spaarde, om zijn verschulde straf te lijen,Zich onder 't muurwerk houdt, 'twelk nog van de aarde rookt,Met andren, die hij naar zijn lust heeft opgestookt:Neemt acht hierop, en dees steenhoopen wilt bezettenMet wachters, voor een wijl, die op dien booswicht letten,Opdat hij 't niet ontslip: indien nog 't recht in zwangBij d' Hemellieden is, dat elk zijn straf ontvang,En penen geld'[351]en boet' zijn grouwelijke stukken,Hij zal u niet ontgaan.TERENTIUS.En of dit woû gelukken,Wat eischt het recht van hem? te sneuvlen door de bijl?TITUS.Die deugd[352]gebeurt hem niet; dat gij hem in der ijlMij toestiert, wel bewaard, te Rome, daar wij wenschen,Dat hij in ons triumf zij 't schouwspel veler menschen,En pijnelijk uitbraak zijn goddelooze ziel,Die stadig van het eene in 't ander kwaad verviel.TERENTIUS.Schept die verrader slechts in onderaardsche kuilenDe locht, al ging hij zich zoo diep uit angst verschuilen,Dat hij den Tartarus, daar geenen Febus schijnt,Mocht hooren loyen[353], als de boosheid wordt gepijnd:Die schelm, doorluchtig held! mijn hand niet zal ontvlieden;Belieft u iets wat meer, gij hebt maar te gebieden.Ik volge uw Majesteit, en doe u uitgeleî.TITUS.De tijd verloopt, het is hoognoodig dat ik scheî,En vorder[354]onzen tocht; ik zie, nu wij vertrekken,De keizerlijke stad haar zeven halzen[355]rekken,En uitzien naar het heer, dat, werwaarts het ook vecht,Alom het veld behoudt, en prijs en eer inlegt.Ik zie de stacie van de Roomsche burgerijen,In volle rusting, ons ontmoeten met verblijen;Den Tiber zwert van volk; ik zie Vespasiaan,Mijn broeder[356], en den Raad bij Jovis tempel staan:De priestren 't outaar voên, en al de Goden vieren,En 't onverwelklijk groen 't hoofd des verwinners cieren.rei van joodsche vrouwen, fronto, rei van staatjonffren, de dochter sion.REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Nu wakker, stapelt steen! de nood breit[357]duizend listen.Deze aanslag blijft ons borg, of de eerste treken[358]misten.O kranke toevlucht! zoo de koningen van ouds,Bedrupt van balsem, en verladen met veel gouds,Behangen met de glans van purper en kleinooden,Opbraken 't marmor, en opkeken van den dooden,Hoe zou 't haar kwetsen, ach! maar als 't aldus moet zijn,Dit is de waarheid naast, en geeft[359]het veinzen schijn[359]Voor 't ander. Wakkert u; metst[360]van berookte steenenEen graf voor de IJdelheid[361], en wilt haar lijk beweenen.FRONTO.Mars heeft hier uitgeraasd; hij scheidt, om elders weêrEen wederspannig rijk, met zijn gevelde speer,Met 't weêrlicht van zijn schild, en met getogen zweerde,Te slechten, tot den grond en bodem toe, met de eerde.Ik kome, in 's Keizers naam, gelast, om zoo terstondDees tempelhoeren, die geen uitstel wordt gejond,Te volgen doen het heer, dat langer niet mag dralen.REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Help God! hij komt om ons; het is, om ons te halen!REI VAN STAATJONFFREN.Steenrotsen! berst van een; valt, bergen, op ons neêr!Troost God! waar vluchten wij? hier is geen vluchten meer.FRONTO.Weg, weg, met dit geraas! 't is langer hier met stenenNoch kermen niet te doen.REI VAN STAATJONFFREN.Waar wildy met ons henen?REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Wat hebdy met ons voor?FRONTO.Voort, voort! Jodinnen, voort!Ik doe u geen verslag, neen, niet een enkel woord;Gij werdt het zelf gewaar. Wel, waar is uw vorstinne?Waar is 't hertnekkig wijf?REI VAN STAATJONFFREN.Wij bidden u, uit minne,Och! wijst ze ons, waar ze dwaalt.FRONTO.'t Is u niet onbewust.REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Wij zijn om harentwil bekommerd en ontrust.REI VAN STAATJONFFREN.Zij droop van onze rei vol zuchtens en vol klagen,Berooid van hoofd en zin, versuft en heel verslagen,En eer men toezag (want onze oogen waren dikEn rood van schreyen) zij, in eenen oogenblik,Was ons gezicht ontgaan, en, werwaarts dat wij zonden,Haar stem wierd niet gehoord, haar voetspoor niet gevonden.REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Verlatene vorstin! zoo gij de locht nog schept,Meld de oorzaak, waarom dat ge ons dus begeven hebt:Want zooder hoop was, om uw zelven te versteken,Wij hadden t' zamen wel dit ongeval ontweken:Geen klip zoo eislijk steil, geen afgrond is zoo naar,Vol slangen, vol gedierte, of 't uiterste gevaar,Hadde ons doen klimmen, en opklaveren[362]en dalen:Of hebdy vóór den tijd uw doodschuld gaan betalen,En zijdy van een rots gesneuveld[363]op een steen,Die gants verpletterd heeft 't albaster van uw leên,Zoo wilt door eenig spook of teeken doch gehengen,Dat wij u vinden, en met rouw ter aarden brengen.FRONTO.Hoe luidde 't jongst beklag? hoe droeg z' haar als ze schied[364]?REI VAN STAATJONFFREN.Van droefheid uitgeput, verwonnen van verdriet,Zal ik dan, sprak ze, die gevallen ben in handenVan d' onbesneden, zijn haar schouwspel t' mijnder schanden?Zal ik, die een vorstin der volken ben geweest,Verstrekken een slavin van die ons heeft gevreesd?Zal ik verschoven gaan in ballingschap vol smertenMijn ramp ineten? en al steeds met droever hertenOphalen mijnen val? en den voorleden staatGaan vergelijken met ons tegenwoordig kwaad?Nog zoo niet; naauwlijks was het kermen van de lippen,Of wij verloren haar omtrent die scherpe klippen.REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Hij gaat ze zoeken.REI VAN STAATJONFFREN.Och! of dit gelukken woû,Dat wij 't lijf bergden van ons welgeboren vrouw[365]In 't uiterste gevaar, voor 't woeden der tyrannen:Wie weet, wat uitheemsch bloed eens met haar aan mocht spannen,En geven zich te velde, om 't overschot der JoônTe stellen in haar stoel, en koninklijken troon:Wie weet, van waar ons God mocht een verlosser wekken,Die eenen Cyrus zoude of andren Mozes strekken,Of braven Gedeon, of trotschen Jozua,Of stouten David, tot verzetting[366]van ons schâ.REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Staatjonffren, zwijgt! hij keert met overwinners-treden,Gezwollen om zijn hoofd van toorne en gants t' onvreden,Met dreigende oogen spoedt hij t' onswaart zijnen gang.Jehova, staat ons bij! wat wordt mij 't herte bang!Moord! moord! hij trekt 't geweer! ik tril, ik beef, ik sidder!REI VAN STAATJONFFREN.Genade, o oud Romein!REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Genade, o edel ridder!Wat is 't, dat u ontstelt? wat is 't, dat gij begaat[367]?Wat eer is 't, dat gij dees verdrukte vrouwen slaat,Een troosteloozen hoop! tert liever uwsgelijken.Gaat uwen vijand toe, zoo zal uw vroomheid[368]blijken;Hier haaldy enkel schand; laat zinken uwen moed[369]!Wat is 't, dat u ontzet en heftig woeden doet?Wat eischty zoo verstoord? ach, wilt doch wat bedaren!FRONTO.Dat gij ze daadlijk meldt.REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Men zal 't u openbaren,Als 't immers zoo moet zijn, aanhoort slechts met geduld:Aan haar rampzalig einde en dood heeft niemand schuldAls zij, die, als ze droef haar handen had gewrongen,En 't aanzicht opgekrabt, is van een rots gesprongenMet schrikkelijk gehuil, 't welk driemaal heeft gevergdDen galm, die woont in dit omliggende gebergt:Wij volgden haren sprong met uitgekreten oogen,Maar wie had onbezwijmd van 't hooge aanschouwen mogenEen lichaam, welks gestalt was van den zwaren valGants uitgewischt? o vrouwe! o rotse! o berg! o dal!FRONTO.Dat riekt naar schelmerij; denkt nimmermeer met liegenEen afgerecht Romein, als ik ben, te bedriegen.Ziet voor u, wat gij doet.REI VAN STAATJONFFREN.Wij bidden u, gelooft.FRONTO.Waar is het lichaam? fluks!REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Wat lichaam? dat, beroofdVan zijn gedaante, is gants verplet in al zijn deelen?FRONTO.Wijst mij 't verplette voort, en past op mijn bevelen.REI VAN STAATJONFFREN.Wij kwamen, als zij lag gevallen naar beneên,En hieven 't zielloos lijf op van de koude steen,En groeven 't in der ijl daar zelden iemand wandelt,Van vreeze, dat ze niet wierd na haar dood mishandeld:Die eer gebeurd' haar nog, dat wij de grafsteê watVerheerlijkten met puin van ons verbrande stad,Met heele en halve steen, op dat er eenig teekenMocht blijven, als men van haar einde kwam te spreken.FRONTO.Waar is de plaatse? fluks!REI VAN STAATJONFFREN.Wij bidden u, betoontEerbiedigheid den doôn, haar sterflijkheid verschoont,Noch 't lichaam niet onteert van deze, die eylacy!Gesneuveld deerlijk, wierd begraven zonder stacy.FRONTO.Het lichaam zal ik zien; staat op uw hoede nog!Want vinde ik dit, als 't eerste, onwaarheid en bedrog,Het zal u rouwen.REI VAN STAATJONFFREN.Och! besnoeit die booze lusten,En die zoo lieflijk slaapt laat in den grave rusten.Wat zijdy voor een volk, die, na genomen straf,Een doode romp vervolgt, en wreekt u aan een graf?Wat komt u aan? gij valt aan 't schenden en aan 't brekenVan onze timmer[370], ach! den Hemel zal het wreken,Dat, als een dullen hond, gij schuimbekt, schendt, en bijt't Geen heilig is, en tot een eerlijk lijk[371]gewijd.Wee ons! hij luistert niet; zijn wreedheid heeft geen ooren.Best doen wij rechte biechte, en melden 't van te voren,Eer dat hij 't al verwoeste, en in zijn dolligheid,Tot wrake van 't bedrog, ons dobble straf bereid'.Vroom[372]krijgsman! staat wat stil, en willet[373]ons vergeven.Wij zijn uit hooge nood en angst hier toe gedreven.De zinnen lijden last, komt, volgt me; want hierbijDe dochter Sion, met een jonffer twee of drieSchuilt in het hol des bergs.—Komt uit! 't is al verloren;Uw volk heeft u verraân, princesse welgeboren!Den aanslag is ontdekt; komt wederom in 't licht,Verheugt uw vijand met een treurig aangezicht;Hij lacht in ons verderf; komt uit, en wilt niet schromen:Zulks is voor dezen ook een koning overkomen,Die Salems schepter droeg, en met benaauwder[374]zielOntvliênde, in handen nog van Nimrods nazaat viel:Die voor hem sneuvlen zag de vruchten van zijn lenden,En most, van 't licht beroofd, zijn leven pijnlijk enden,In eenen duistren nacht, in een ongastvrij land.Dit is de gene, die ons over zee en zandVervoeren zal; indien gij meer vermoogt met kermenAls wijliê, valt hem aan, en brengt hem tot ontfermen.DE DOCHTER SION.Ervaren oorloogsman! na 't woeden des soldaatsHad vaak beleefdheid bij den overwinner plaats,Die vroom was, en geen roem zocht, met een afgetreden,Onweerbaar hoopken volks stijf op den nek te treden:Omhelst doch deze deugd, en leent een lijdzaam oorAan uw gevangens! zegt, wat hebdy met ons voor?Wat lijden gaan wij aan?FRONTO.Gij moet terstond naar Romen,Ons zegefeest ten dienst; het is zoo voorgenomen:Men zal u, om wiens wil geplengd is zoo veel bloeds,Gevleugeld[375]volgen doen de keizerlijke koets,Met uwen ganschen rei, met duizend jongelingen,Dan moogdy, zoo 't u lust, uw tempeldeuntjens zingen:Als gij de vaten, en al 't goud en zilverwerk,En 't priesterlijk tapijt, de glorie van uw kerk,De goude kandelaar en tafel, op een wagen,Ziet zegenrijk ten toon voor ieder ommedragen.DE DOCHTER SION.Veel eer als zulks gebeurt, zal God, op mijn geschreeuw,Doen komen op den weg een tijger of een leeuw,Die ons verslinden zal, en tot het been toe knagen,En met zijn ingewand in zijnen schuilhoek dragen;Veel eer als dat gebeurt, zal 't God zich trekken aan,En ons of u gezwind met zijnen bliksem slaan;Veel eer als dat geschiedt, eer dat gij vreugd zult rapenIn onzen ondergang, eer werden wij verschapen,En trekken aan 't gestalt van een onreedlijk beest,Eer scheuren wij ons kleed, en schenden uwe feest.FRONTO.Gij kwelt u te vergeefs, wij schrikken voor geen dreigen;Uw roepen geldt hier niet; gij hebt uw lijf niet eigen.Gij moet mede over zee, dus maakt uw hert geen pijn,En zult ons dienstmaagd 's daags, des nachts ons boelschap zijn.REI VAN STAATJONFFREN.Ach! moeder Sion, helpt! wij zijgen neêr ter aarden,Waartoe of wij de bloem van onze jeugd bewaardenOp een goed huwelijk? om namaals tot geriefTe dien u een schavuit, een eerloos hangedief?Om zijn slavin te zijn? om hem te laten drijvenZijn booze moedwil met ons nooit gerepte lijven,Ons kuischheid nooit bevlekt, ons witte zuiverheid?Wat bruiloft hebben wij ons zelfs niet toegeleid!Zal nu een Roffiaan[376]van 't lijf de gordels rukken,En de onverwelkte roos van onze maagdom plukken?God moetet zijn geklaagd!REI VAN JOODSCHE VROUWEN.En zullen wij althans[377]Den moordenaars en beuls van ons getrouwe mansVerstrekken tot een prooye, en zulke schelms verwermen,En hun believen en omhelzen met onze ermen,En dulden, dat ze met haar lippen ongezondOns kaken drukken, en 't koraal van onze mond!Geenszins; wij zullen, vóór 't opdagen van de morgen,Haar 't hoofd omwringen, en in d' eerste slaap verworgen.FRONTO.'t Is lang genoeg gedraald; volgt, daar ik u geleî.Ons heerkracht gij verlet[378]; men acht hier geen geschrei.DE DOCHTER SION.Wij volgen, gaat slechts voor; vergunt ons nog die zegen,Dat wij ons klachte doen, en zeggen onderwegenHet vaderland adieu. Bedrukte! vangt dan aan,En neemt uw afscheid; want de tijd eischt, dat wij gaan.REI VAN JODINNEN.Gij, onlangs heerlijk,Maar nu, o deerlijkJeruzalem! hoort ons geklag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Gezang en cyther,Staf, kroon, en myter,Gestoelt', dat nooit zijn weêrgâ zag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Gij, prachtige hoven!Die trotsch naar bovenReest, daar de stad op 't hoogste lag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Volkrijke straten,Die nu verlatenZijt, op het schoonste van den dag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Verheven daken!Vernield door 't blakenVan 's vijand s tortsen oon verdrag[379]:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Gij, hooge poorten!Waar in verhoord, enGevonnist elk te worden plag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Gewijde gravenVan die de stavenEn schepters droegen met ontzag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Bespiênde toornen!Waar uit met hoornenMen maakte van de strijd gewag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Gij, trotsche muren!Die niet verdurenEn mocht der Heidnen stormbok doch:Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!O kerk der kerken!Waar aan men merkenMocht Jacobs ijver oon bedrog:Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!Daar God zijn zegenUitbreidde in 't plegenVan d' heilge dienst, die hier geschach[380]:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Daar, blij van zinnen,De CherubinnenElk minlijk groetten met een lach:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Daar Levi's stamme,Met zuivre vlamme,Op 't outer 't offer smooken deê:Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!O, vloer! bevolen's Hoogpriesters zolen,Daar eenen Fenix[381]nam zijn steê:Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!Daar d' ark behoeddeAärons roede,Het Mann', en Mozes' Tafel meê:Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!Verslagen helden,Die most ontgelden's Krijgs toorne, en boeten het gelag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Verloste moeders!Die niet bedroevers[382]Zaagt als uw tepels, droog van zog:Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!Die in uwe ermen't Kind hoorde kermen,En geven zijnen doodsnak nog:Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!Verwoeste steenen!Verstrooide beenen!Vleesch, dat verstrekt der dieren aas:Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!Verleide zielen!Die hielpt vernielenUw oude stad, en streedt zoo dwaas:Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!Kelders en kuilen!Daar voortaan de uilenHaar laten hooren met geraas:Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!

TITUS.Wij staan op ons vertrek; mijn afgestreên soldaten,Na zoo veel oorloogs[345], blijd' haar legerplaats verlaten.Wij laten achter ons een omgeworpen muur,Een koninklijke stad verdelgd met staal en vuur,Een aardrijk omgewroet, een kerkhof vet van dooden,Die niemand staan t' ontzien, ten ware dat der JodenVerrezen schimmen ons opkomen mochten dolMet fakkelen, gelijk uit Pluto's duister holOpdonderen somtijds de ontstelde razernijen,Als al de wereld voor een anker schijnt te rijen[346]:Maar dat is zonder zorg: nochtans acht mijnen raadDit oorbaar, dat men, tot gerustheid van den staat,Hier een bezetting legt van krijgsliê wel ervaren,Die onder eenen voogd 't land hier ontrent bewaren,Opdat er niemand schans, noch slot, noch vesting bouw,Noch voet krijg, noch iet kwaads den Romulijnschen[347]brouw.Terentius, die vaak de[348]schild waart van mijn leven,Wanneer ik in den strijd mij had te diep begeven,Omcingeld van 't gevaar, belegerd van 't gekerm,Besloten van 't geweer, daar, met geheven erm,Gij mij te redden wist door sabelen en pijken[349],En sloegt een wagenborg van doôn en versche lijken:Deze eere komt u toe: ontvangt, ontvangt van mij,Uw wettelijke prins en veldheer, de voogdijVan gansch Judea; let met aandacht op uw zaken,En wilt in 't voordeel van ons monarchije waken.TERENTIUS.Aanzienelijke vorst! och, of uw majesteitMeer nuts genieten mocht van mijn gehoorzaamheid!Wij nemen 't ampt in dank; uw mildheid is te loven,Die ons verdiensten in bezolding gaat te boven.Verschoont uw dienaar niet, die, als de keizer spreekt,Wenscht te vervullen 'tgeen aan zijnen plicht ontbreekt.TITUS.Mijn tiende bende, die haar ooit zoo vroom verweerde,Gesterkt met nog meer volks te voet en ook te peerde,Ik tot bewaring hier te legeren besloot,Om de overwinning te verzekren buiten nood,Waarom men heeft verschoond den muur in 't West gelegen,En 'tgeen daaraan kleeft: daar het krijgsvolk vrij van regen,Van hagel, wind en storm, en onweêr schuilen mag,En herberg krijgen: hebt gij over haar 't gezag:Omhelst de wetten, en, wie tegen 't recht derft woelen,Doet hem de strengigheid van onze krijgstucht voelen.TERENTIUS.Al wat mijn Heer beveelt, werd[350]wetens niet verzuimd.TITUS.Geen uitgedreven Joôn geeft hier te wonen ruimt':Maar andren, die haar naar ons zeden kunnen voegen,Vergunt deze akkren te bezaayen en te ploegen,Mids redelijken tol 't rijk in te wil'gen, enDat niemand ander staf als onzen schepter kenn'.TERENTIUS.'t Is billijk en gegrond, het steunt op goede reden.TITUS.Zoo iemand derf bestaan, òf vestingen òf stedenTe stichten, en tot zulks iets delve of spitte of graaf,Die heeft het lijf verbeurd, zijn goed en al zijn haaf.Die zaak is van gewicht, dus hecht ze in uw gedachten.TERENTIUS.De prince twijfel niet, wij hopen 't te betrachten.TITUS.Uit mijn gevangens ik heb duidelijk verstaan,Dat Simon, die ons zoo veel hoons heeft aangedaan,Die schelm, dien, afgerecht op zoo veel boeverijen,Het oorloog spaarde, om zijn verschulde straf te lijen,Zich onder 't muurwerk houdt, 'twelk nog van de aarde rookt,Met andren, die hij naar zijn lust heeft opgestookt:Neemt acht hierop, en dees steenhoopen wilt bezettenMet wachters, voor een wijl, die op dien booswicht letten,Opdat hij 't niet ontslip: indien nog 't recht in zwangBij d' Hemellieden is, dat elk zijn straf ontvang,En penen geld'[351]en boet' zijn grouwelijke stukken,Hij zal u niet ontgaan.TERENTIUS.En of dit woû gelukken,Wat eischt het recht van hem? te sneuvlen door de bijl?TITUS.Die deugd[352]gebeurt hem niet; dat gij hem in der ijlMij toestiert, wel bewaard, te Rome, daar wij wenschen,Dat hij in ons triumf zij 't schouwspel veler menschen,En pijnelijk uitbraak zijn goddelooze ziel,Die stadig van het eene in 't ander kwaad verviel.TERENTIUS.Schept die verrader slechts in onderaardsche kuilenDe locht, al ging hij zich zoo diep uit angst verschuilen,Dat hij den Tartarus, daar geenen Febus schijnt,Mocht hooren loyen[353], als de boosheid wordt gepijnd:Die schelm, doorluchtig held! mijn hand niet zal ontvlieden;Belieft u iets wat meer, gij hebt maar te gebieden.Ik volge uw Majesteit, en doe u uitgeleî.TITUS.De tijd verloopt, het is hoognoodig dat ik scheî,En vorder[354]onzen tocht; ik zie, nu wij vertrekken,De keizerlijke stad haar zeven halzen[355]rekken,En uitzien naar het heer, dat, werwaarts het ook vecht,Alom het veld behoudt, en prijs en eer inlegt.Ik zie de stacie van de Roomsche burgerijen,In volle rusting, ons ontmoeten met verblijen;Den Tiber zwert van volk; ik zie Vespasiaan,Mijn broeder[356], en den Raad bij Jovis tempel staan:De priestren 't outaar voên, en al de Goden vieren,En 't onverwelklijk groen 't hoofd des verwinners cieren.rei van joodsche vrouwen, fronto, rei van staatjonffren, de dochter sion.REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Nu wakker, stapelt steen! de nood breit[357]duizend listen.Deze aanslag blijft ons borg, of de eerste treken[358]misten.O kranke toevlucht! zoo de koningen van ouds,Bedrupt van balsem, en verladen met veel gouds,Behangen met de glans van purper en kleinooden,Opbraken 't marmor, en opkeken van den dooden,Hoe zou 't haar kwetsen, ach! maar als 't aldus moet zijn,Dit is de waarheid naast, en geeft[359]het veinzen schijn[359]Voor 't ander. Wakkert u; metst[360]van berookte steenenEen graf voor de IJdelheid[361], en wilt haar lijk beweenen.FRONTO.Mars heeft hier uitgeraasd; hij scheidt, om elders weêrEen wederspannig rijk, met zijn gevelde speer,Met 't weêrlicht van zijn schild, en met getogen zweerde,Te slechten, tot den grond en bodem toe, met de eerde.Ik kome, in 's Keizers naam, gelast, om zoo terstondDees tempelhoeren, die geen uitstel wordt gejond,Te volgen doen het heer, dat langer niet mag dralen.REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Help God! hij komt om ons; het is, om ons te halen!REI VAN STAATJONFFREN.Steenrotsen! berst van een; valt, bergen, op ons neêr!Troost God! waar vluchten wij? hier is geen vluchten meer.FRONTO.Weg, weg, met dit geraas! 't is langer hier met stenenNoch kermen niet te doen.REI VAN STAATJONFFREN.Waar wildy met ons henen?REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Wat hebdy met ons voor?FRONTO.Voort, voort! Jodinnen, voort!Ik doe u geen verslag, neen, niet een enkel woord;Gij werdt het zelf gewaar. Wel, waar is uw vorstinne?Waar is 't hertnekkig wijf?REI VAN STAATJONFFREN.Wij bidden u, uit minne,Och! wijst ze ons, waar ze dwaalt.FRONTO.'t Is u niet onbewust.REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Wij zijn om harentwil bekommerd en ontrust.REI VAN STAATJONFFREN.Zij droop van onze rei vol zuchtens en vol klagen,Berooid van hoofd en zin, versuft en heel verslagen,En eer men toezag (want onze oogen waren dikEn rood van schreyen) zij, in eenen oogenblik,Was ons gezicht ontgaan, en, werwaarts dat wij zonden,Haar stem wierd niet gehoord, haar voetspoor niet gevonden.REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Verlatene vorstin! zoo gij de locht nog schept,Meld de oorzaak, waarom dat ge ons dus begeven hebt:Want zooder hoop was, om uw zelven te versteken,Wij hadden t' zamen wel dit ongeval ontweken:Geen klip zoo eislijk steil, geen afgrond is zoo naar,Vol slangen, vol gedierte, of 't uiterste gevaar,Hadde ons doen klimmen, en opklaveren[362]en dalen:Of hebdy vóór den tijd uw doodschuld gaan betalen,En zijdy van een rots gesneuveld[363]op een steen,Die gants verpletterd heeft 't albaster van uw leên,Zoo wilt door eenig spook of teeken doch gehengen,Dat wij u vinden, en met rouw ter aarden brengen.FRONTO.Hoe luidde 't jongst beklag? hoe droeg z' haar als ze schied[364]?REI VAN STAATJONFFREN.Van droefheid uitgeput, verwonnen van verdriet,Zal ik dan, sprak ze, die gevallen ben in handenVan d' onbesneden, zijn haar schouwspel t' mijnder schanden?Zal ik, die een vorstin der volken ben geweest,Verstrekken een slavin van die ons heeft gevreesd?Zal ik verschoven gaan in ballingschap vol smertenMijn ramp ineten? en al steeds met droever hertenOphalen mijnen val? en den voorleden staatGaan vergelijken met ons tegenwoordig kwaad?Nog zoo niet; naauwlijks was het kermen van de lippen,Of wij verloren haar omtrent die scherpe klippen.REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Hij gaat ze zoeken.REI VAN STAATJONFFREN.Och! of dit gelukken woû,Dat wij 't lijf bergden van ons welgeboren vrouw[365]In 't uiterste gevaar, voor 't woeden der tyrannen:Wie weet, wat uitheemsch bloed eens met haar aan mocht spannen,En geven zich te velde, om 't overschot der JoônTe stellen in haar stoel, en koninklijken troon:Wie weet, van waar ons God mocht een verlosser wekken,Die eenen Cyrus zoude of andren Mozes strekken,Of braven Gedeon, of trotschen Jozua,Of stouten David, tot verzetting[366]van ons schâ.REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Staatjonffren, zwijgt! hij keert met overwinners-treden,Gezwollen om zijn hoofd van toorne en gants t' onvreden,Met dreigende oogen spoedt hij t' onswaart zijnen gang.Jehova, staat ons bij! wat wordt mij 't herte bang!Moord! moord! hij trekt 't geweer! ik tril, ik beef, ik sidder!REI VAN STAATJONFFREN.Genade, o oud Romein!REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Genade, o edel ridder!Wat is 't, dat u ontstelt? wat is 't, dat gij begaat[367]?Wat eer is 't, dat gij dees verdrukte vrouwen slaat,Een troosteloozen hoop! tert liever uwsgelijken.Gaat uwen vijand toe, zoo zal uw vroomheid[368]blijken;Hier haaldy enkel schand; laat zinken uwen moed[369]!Wat is 't, dat u ontzet en heftig woeden doet?Wat eischty zoo verstoord? ach, wilt doch wat bedaren!FRONTO.Dat gij ze daadlijk meldt.REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Men zal 't u openbaren,Als 't immers zoo moet zijn, aanhoort slechts met geduld:Aan haar rampzalig einde en dood heeft niemand schuldAls zij, die, als ze droef haar handen had gewrongen,En 't aanzicht opgekrabt, is van een rots gesprongenMet schrikkelijk gehuil, 't welk driemaal heeft gevergdDen galm, die woont in dit omliggende gebergt:Wij volgden haren sprong met uitgekreten oogen,Maar wie had onbezwijmd van 't hooge aanschouwen mogenEen lichaam, welks gestalt was van den zwaren valGants uitgewischt? o vrouwe! o rotse! o berg! o dal!FRONTO.Dat riekt naar schelmerij; denkt nimmermeer met liegenEen afgerecht Romein, als ik ben, te bedriegen.Ziet voor u, wat gij doet.REI VAN STAATJONFFREN.Wij bidden u, gelooft.FRONTO.Waar is het lichaam? fluks!REI VAN JOODSCHE VROUWEN.Wat lichaam? dat, beroofdVan zijn gedaante, is gants verplet in al zijn deelen?FRONTO.Wijst mij 't verplette voort, en past op mijn bevelen.REI VAN STAATJONFFREN.Wij kwamen, als zij lag gevallen naar beneên,En hieven 't zielloos lijf op van de koude steen,En groeven 't in der ijl daar zelden iemand wandelt,Van vreeze, dat ze niet wierd na haar dood mishandeld:Die eer gebeurd' haar nog, dat wij de grafsteê watVerheerlijkten met puin van ons verbrande stad,Met heele en halve steen, op dat er eenig teekenMocht blijven, als men van haar einde kwam te spreken.FRONTO.Waar is de plaatse? fluks!REI VAN STAATJONFFREN.Wij bidden u, betoontEerbiedigheid den doôn, haar sterflijkheid verschoont,Noch 't lichaam niet onteert van deze, die eylacy!Gesneuveld deerlijk, wierd begraven zonder stacy.FRONTO.Het lichaam zal ik zien; staat op uw hoede nog!Want vinde ik dit, als 't eerste, onwaarheid en bedrog,Het zal u rouwen.REI VAN STAATJONFFREN.Och! besnoeit die booze lusten,En die zoo lieflijk slaapt laat in den grave rusten.Wat zijdy voor een volk, die, na genomen straf,Een doode romp vervolgt, en wreekt u aan een graf?Wat komt u aan? gij valt aan 't schenden en aan 't brekenVan onze timmer[370], ach! den Hemel zal het wreken,Dat, als een dullen hond, gij schuimbekt, schendt, en bijt't Geen heilig is, en tot een eerlijk lijk[371]gewijd.Wee ons! hij luistert niet; zijn wreedheid heeft geen ooren.Best doen wij rechte biechte, en melden 't van te voren,Eer dat hij 't al verwoeste, en in zijn dolligheid,Tot wrake van 't bedrog, ons dobble straf bereid'.Vroom[372]krijgsman! staat wat stil, en willet[373]ons vergeven.Wij zijn uit hooge nood en angst hier toe gedreven.De zinnen lijden last, komt, volgt me; want hierbijDe dochter Sion, met een jonffer twee of drieSchuilt in het hol des bergs.—Komt uit! 't is al verloren;Uw volk heeft u verraân, princesse welgeboren!Den aanslag is ontdekt; komt wederom in 't licht,Verheugt uw vijand met een treurig aangezicht;Hij lacht in ons verderf; komt uit, en wilt niet schromen:Zulks is voor dezen ook een koning overkomen,Die Salems schepter droeg, en met benaauwder[374]zielOntvliênde, in handen nog van Nimrods nazaat viel:Die voor hem sneuvlen zag de vruchten van zijn lenden,En most, van 't licht beroofd, zijn leven pijnlijk enden,In eenen duistren nacht, in een ongastvrij land.Dit is de gene, die ons over zee en zandVervoeren zal; indien gij meer vermoogt met kermenAls wijliê, valt hem aan, en brengt hem tot ontfermen.DE DOCHTER SION.Ervaren oorloogsman! na 't woeden des soldaatsHad vaak beleefdheid bij den overwinner plaats,Die vroom was, en geen roem zocht, met een afgetreden,Onweerbaar hoopken volks stijf op den nek te treden:Omhelst doch deze deugd, en leent een lijdzaam oorAan uw gevangens! zegt, wat hebdy met ons voor?Wat lijden gaan wij aan?FRONTO.Gij moet terstond naar Romen,Ons zegefeest ten dienst; het is zoo voorgenomen:Men zal u, om wiens wil geplengd is zoo veel bloeds,Gevleugeld[375]volgen doen de keizerlijke koets,Met uwen ganschen rei, met duizend jongelingen,Dan moogdy, zoo 't u lust, uw tempeldeuntjens zingen:Als gij de vaten, en al 't goud en zilverwerk,En 't priesterlijk tapijt, de glorie van uw kerk,De goude kandelaar en tafel, op een wagen,Ziet zegenrijk ten toon voor ieder ommedragen.DE DOCHTER SION.Veel eer als zulks gebeurt, zal God, op mijn geschreeuw,Doen komen op den weg een tijger of een leeuw,Die ons verslinden zal, en tot het been toe knagen,En met zijn ingewand in zijnen schuilhoek dragen;Veel eer als dat gebeurt, zal 't God zich trekken aan,En ons of u gezwind met zijnen bliksem slaan;Veel eer als dat geschiedt, eer dat gij vreugd zult rapenIn onzen ondergang, eer werden wij verschapen,En trekken aan 't gestalt van een onreedlijk beest,Eer scheuren wij ons kleed, en schenden uwe feest.FRONTO.Gij kwelt u te vergeefs, wij schrikken voor geen dreigen;Uw roepen geldt hier niet; gij hebt uw lijf niet eigen.Gij moet mede over zee, dus maakt uw hert geen pijn,En zult ons dienstmaagd 's daags, des nachts ons boelschap zijn.REI VAN STAATJONFFREN.Ach! moeder Sion, helpt! wij zijgen neêr ter aarden,Waartoe of wij de bloem van onze jeugd bewaardenOp een goed huwelijk? om namaals tot geriefTe dien u een schavuit, een eerloos hangedief?Om zijn slavin te zijn? om hem te laten drijvenZijn booze moedwil met ons nooit gerepte lijven,Ons kuischheid nooit bevlekt, ons witte zuiverheid?Wat bruiloft hebben wij ons zelfs niet toegeleid!Zal nu een Roffiaan[376]van 't lijf de gordels rukken,En de onverwelkte roos van onze maagdom plukken?God moetet zijn geklaagd!REI VAN JOODSCHE VROUWEN.En zullen wij althans[377]Den moordenaars en beuls van ons getrouwe mansVerstrekken tot een prooye, en zulke schelms verwermen,En hun believen en omhelzen met onze ermen,En dulden, dat ze met haar lippen ongezondOns kaken drukken, en 't koraal van onze mond!Geenszins; wij zullen, vóór 't opdagen van de morgen,Haar 't hoofd omwringen, en in d' eerste slaap verworgen.FRONTO.'t Is lang genoeg gedraald; volgt, daar ik u geleî.Ons heerkracht gij verlet[378]; men acht hier geen geschrei.DE DOCHTER SION.Wij volgen, gaat slechts voor; vergunt ons nog die zegen,Dat wij ons klachte doen, en zeggen onderwegenHet vaderland adieu. Bedrukte! vangt dan aan,En neemt uw afscheid; want de tijd eischt, dat wij gaan.REI VAN JODINNEN.Gij, onlangs heerlijk,Maar nu, o deerlijkJeruzalem! hoort ons geklag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Gezang en cyther,Staf, kroon, en myter,Gestoelt', dat nooit zijn weêrgâ zag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Gij, prachtige hoven!Die trotsch naar bovenReest, daar de stad op 't hoogste lag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Volkrijke straten,Die nu verlatenZijt, op het schoonste van den dag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Verheven daken!Vernield door 't blakenVan 's vijand s tortsen oon verdrag[379]:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Gij, hooge poorten!Waar in verhoord, enGevonnist elk te worden plag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Gewijde gravenVan die de stavenEn schepters droegen met ontzag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Bespiênde toornen!Waar uit met hoornenMen maakte van de strijd gewag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Gij, trotsche muren!Die niet verdurenEn mocht der Heidnen stormbok doch:Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!O kerk der kerken!Waar aan men merkenMocht Jacobs ijver oon bedrog:Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!Daar God zijn zegenUitbreidde in 't plegenVan d' heilge dienst, die hier geschach[380]:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Daar, blij van zinnen,De CherubinnenElk minlijk groetten met een lach:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Daar Levi's stamme,Met zuivre vlamme,Op 't outer 't offer smooken deê:Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!O, vloer! bevolen's Hoogpriesters zolen,Daar eenen Fenix[381]nam zijn steê:Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!Daar d' ark behoeddeAärons roede,Het Mann', en Mozes' Tafel meê:Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!Verslagen helden,Die most ontgelden's Krijgs toorne, en boeten het gelag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!Verloste moeders!Die niet bedroevers[382]Zaagt als uw tepels, droog van zog:Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!Die in uwe ermen't Kind hoorde kermen,En geven zijnen doodsnak nog:Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!Verwoeste steenen!Verstrooide beenen!Vleesch, dat verstrekt der dieren aas:Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!Verleide zielen!Die hielpt vernielenUw oude stad, en streedt zoo dwaas:Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!Kelders en kuilen!Daar voortaan de uilenHaar laten hooren met geraas:Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!

TITUS.

TITUS.

Wij staan op ons vertrek; mijn afgestreên soldaten,Na zoo veel oorloogs[345], blijd' haar legerplaats verlaten.Wij laten achter ons een omgeworpen muur,Een koninklijke stad verdelgd met staal en vuur,Een aardrijk omgewroet, een kerkhof vet van dooden,Die niemand staan t' ontzien, ten ware dat der JodenVerrezen schimmen ons opkomen mochten dolMet fakkelen, gelijk uit Pluto's duister holOpdonderen somtijds de ontstelde razernijen,Als al de wereld voor een anker schijnt te rijen[346]:Maar dat is zonder zorg: nochtans acht mijnen raadDit oorbaar, dat men, tot gerustheid van den staat,Hier een bezetting legt van krijgsliê wel ervaren,Die onder eenen voogd 't land hier ontrent bewaren,Opdat er niemand schans, noch slot, noch vesting bouw,Noch voet krijg, noch iet kwaads den Romulijnschen[347]brouw.Terentius, die vaak de[348]schild waart van mijn leven,Wanneer ik in den strijd mij had te diep begeven,Omcingeld van 't gevaar, belegerd van 't gekerm,Besloten van 't geweer, daar, met geheven erm,Gij mij te redden wist door sabelen en pijken[349],En sloegt een wagenborg van doôn en versche lijken:Deze eere komt u toe: ontvangt, ontvangt van mij,Uw wettelijke prins en veldheer, de voogdijVan gansch Judea; let met aandacht op uw zaken,En wilt in 't voordeel van ons monarchije waken.

Wij staan op ons vertrek; mijn afgestreên soldaten,

Na zoo veel oorloogs[345], blijd' haar legerplaats verlaten.

Wij laten achter ons een omgeworpen muur,

Een koninklijke stad verdelgd met staal en vuur,

Een aardrijk omgewroet, een kerkhof vet van dooden,

Die niemand staan t' ontzien, ten ware dat der Joden

Verrezen schimmen ons opkomen mochten dol

Met fakkelen, gelijk uit Pluto's duister hol

Opdonderen somtijds de ontstelde razernijen,

Als al de wereld voor een anker schijnt te rijen[346]:

Maar dat is zonder zorg: nochtans acht mijnen raad

Dit oorbaar, dat men, tot gerustheid van den staat,

Hier een bezetting legt van krijgsliê wel ervaren,

Die onder eenen voogd 't land hier ontrent bewaren,

Opdat er niemand schans, noch slot, noch vesting bouw,

Noch voet krijg, noch iet kwaads den Romulijnschen[347]brouw.

Terentius, die vaak de[348]schild waart van mijn leven,

Wanneer ik in den strijd mij had te diep begeven,

Omcingeld van 't gevaar, belegerd van 't gekerm,

Besloten van 't geweer, daar, met geheven erm,

Gij mij te redden wist door sabelen en pijken[349],

En sloegt een wagenborg van doôn en versche lijken:

Deze eere komt u toe: ontvangt, ontvangt van mij,

Uw wettelijke prins en veldheer, de voogdij

Van gansch Judea; let met aandacht op uw zaken,

En wilt in 't voordeel van ons monarchije waken.

TERENTIUS.

TERENTIUS.

Aanzienelijke vorst! och, of uw majesteitMeer nuts genieten mocht van mijn gehoorzaamheid!Wij nemen 't ampt in dank; uw mildheid is te loven,Die ons verdiensten in bezolding gaat te boven.Verschoont uw dienaar niet, die, als de keizer spreekt,Wenscht te vervullen 'tgeen aan zijnen plicht ontbreekt.

Aanzienelijke vorst! och, of uw majesteit

Meer nuts genieten mocht van mijn gehoorzaamheid!

Wij nemen 't ampt in dank; uw mildheid is te loven,

Die ons verdiensten in bezolding gaat te boven.

Verschoont uw dienaar niet, die, als de keizer spreekt,

Wenscht te vervullen 'tgeen aan zijnen plicht ontbreekt.

TITUS.

TITUS.

Mijn tiende bende, die haar ooit zoo vroom verweerde,Gesterkt met nog meer volks te voet en ook te peerde,Ik tot bewaring hier te legeren besloot,Om de overwinning te verzekren buiten nood,Waarom men heeft verschoond den muur in 't West gelegen,En 'tgeen daaraan kleeft: daar het krijgsvolk vrij van regen,Van hagel, wind en storm, en onweêr schuilen mag,En herberg krijgen: hebt gij over haar 't gezag:Omhelst de wetten, en, wie tegen 't recht derft woelen,Doet hem de strengigheid van onze krijgstucht voelen.

Mijn tiende bende, die haar ooit zoo vroom verweerde,

Gesterkt met nog meer volks te voet en ook te peerde,

Ik tot bewaring hier te legeren besloot,

Om de overwinning te verzekren buiten nood,

Waarom men heeft verschoond den muur in 't West gelegen,

En 'tgeen daaraan kleeft: daar het krijgsvolk vrij van regen,

Van hagel, wind en storm, en onweêr schuilen mag,

En herberg krijgen: hebt gij over haar 't gezag:

Omhelst de wetten, en, wie tegen 't recht derft woelen,

Doet hem de strengigheid van onze krijgstucht voelen.

TERENTIUS.

TERENTIUS.

Al wat mijn Heer beveelt, werd[350]wetens niet verzuimd.

Al wat mijn Heer beveelt, werd[350]wetens niet verzuimd.

TITUS.

TITUS.

Geen uitgedreven Joôn geeft hier te wonen ruimt':Maar andren, die haar naar ons zeden kunnen voegen,Vergunt deze akkren te bezaayen en te ploegen,Mids redelijken tol 't rijk in te wil'gen, enDat niemand ander staf als onzen schepter kenn'.

Geen uitgedreven Joôn geeft hier te wonen ruimt':

Maar andren, die haar naar ons zeden kunnen voegen,

Vergunt deze akkren te bezaayen en te ploegen,

Mids redelijken tol 't rijk in te wil'gen, en

Dat niemand ander staf als onzen schepter kenn'.

TERENTIUS.

TERENTIUS.

't Is billijk en gegrond, het steunt op goede reden.

't Is billijk en gegrond, het steunt op goede reden.

TITUS.

TITUS.

Zoo iemand derf bestaan, òf vestingen òf stedenTe stichten, en tot zulks iets delve of spitte of graaf,Die heeft het lijf verbeurd, zijn goed en al zijn haaf.Die zaak is van gewicht, dus hecht ze in uw gedachten.

Zoo iemand derf bestaan, òf vestingen òf steden

Te stichten, en tot zulks iets delve of spitte of graaf,

Die heeft het lijf verbeurd, zijn goed en al zijn haaf.

Die zaak is van gewicht, dus hecht ze in uw gedachten.

TERENTIUS.

TERENTIUS.

De prince twijfel niet, wij hopen 't te betrachten.

De prince twijfel niet, wij hopen 't te betrachten.

TITUS.

TITUS.

Uit mijn gevangens ik heb duidelijk verstaan,Dat Simon, die ons zoo veel hoons heeft aangedaan,Die schelm, dien, afgerecht op zoo veel boeverijen,Het oorloog spaarde, om zijn verschulde straf te lijen,Zich onder 't muurwerk houdt, 'twelk nog van de aarde rookt,Met andren, die hij naar zijn lust heeft opgestookt:Neemt acht hierop, en dees steenhoopen wilt bezettenMet wachters, voor een wijl, die op dien booswicht letten,Opdat hij 't niet ontslip: indien nog 't recht in zwangBij d' Hemellieden is, dat elk zijn straf ontvang,En penen geld'[351]en boet' zijn grouwelijke stukken,Hij zal u niet ontgaan.

Uit mijn gevangens ik heb duidelijk verstaan,

Dat Simon, die ons zoo veel hoons heeft aangedaan,

Die schelm, dien, afgerecht op zoo veel boeverijen,

Het oorloog spaarde, om zijn verschulde straf te lijen,

Zich onder 't muurwerk houdt, 'twelk nog van de aarde rookt,

Met andren, die hij naar zijn lust heeft opgestookt:

Neemt acht hierop, en dees steenhoopen wilt bezetten

Met wachters, voor een wijl, die op dien booswicht letten,

Opdat hij 't niet ontslip: indien nog 't recht in zwang

Bij d' Hemellieden is, dat elk zijn straf ontvang,

En penen geld'[351]en boet' zijn grouwelijke stukken,

Hij zal u niet ontgaan.

TERENTIUS.

TERENTIUS.

En of dit woû gelukken,Wat eischt het recht van hem? te sneuvlen door de bijl?

En of dit woû gelukken,

Wat eischt het recht van hem? te sneuvlen door de bijl?

TITUS.

TITUS.

Die deugd[352]gebeurt hem niet; dat gij hem in der ijlMij toestiert, wel bewaard, te Rome, daar wij wenschen,Dat hij in ons triumf zij 't schouwspel veler menschen,En pijnelijk uitbraak zijn goddelooze ziel,Die stadig van het eene in 't ander kwaad verviel.

Die deugd[352]gebeurt hem niet; dat gij hem in der ijl

Mij toestiert, wel bewaard, te Rome, daar wij wenschen,

Dat hij in ons triumf zij 't schouwspel veler menschen,

En pijnelijk uitbraak zijn goddelooze ziel,

Die stadig van het eene in 't ander kwaad verviel.

TERENTIUS.

TERENTIUS.

Schept die verrader slechts in onderaardsche kuilenDe locht, al ging hij zich zoo diep uit angst verschuilen,Dat hij den Tartarus, daar geenen Febus schijnt,Mocht hooren loyen[353], als de boosheid wordt gepijnd:Die schelm, doorluchtig held! mijn hand niet zal ontvlieden;Belieft u iets wat meer, gij hebt maar te gebieden.Ik volge uw Majesteit, en doe u uitgeleî.

Schept die verrader slechts in onderaardsche kuilen

De locht, al ging hij zich zoo diep uit angst verschuilen,

Dat hij den Tartarus, daar geenen Febus schijnt,

Mocht hooren loyen[353], als de boosheid wordt gepijnd:

Die schelm, doorluchtig held! mijn hand niet zal ontvlieden;

Belieft u iets wat meer, gij hebt maar te gebieden.

Ik volge uw Majesteit, en doe u uitgeleî.

TITUS.

TITUS.

De tijd verloopt, het is hoognoodig dat ik scheî,En vorder[354]onzen tocht; ik zie, nu wij vertrekken,De keizerlijke stad haar zeven halzen[355]rekken,En uitzien naar het heer, dat, werwaarts het ook vecht,Alom het veld behoudt, en prijs en eer inlegt.Ik zie de stacie van de Roomsche burgerijen,In volle rusting, ons ontmoeten met verblijen;Den Tiber zwert van volk; ik zie Vespasiaan,Mijn broeder[356], en den Raad bij Jovis tempel staan:De priestren 't outaar voên, en al de Goden vieren,En 't onverwelklijk groen 't hoofd des verwinners cieren.

De tijd verloopt, het is hoognoodig dat ik scheî,

En vorder[354]onzen tocht; ik zie, nu wij vertrekken,

De keizerlijke stad haar zeven halzen[355]rekken,

En uitzien naar het heer, dat, werwaarts het ook vecht,

Alom het veld behoudt, en prijs en eer inlegt.

Ik zie de stacie van de Roomsche burgerijen,

In volle rusting, ons ontmoeten met verblijen;

Den Tiber zwert van volk; ik zie Vespasiaan,

Mijn broeder[356], en den Raad bij Jovis tempel staan:

De priestren 't outaar voên, en al de Goden vieren,

En 't onverwelklijk groen 't hoofd des verwinners cieren.

rei van joodsche vrouwen, fronto, rei van staatjonffren, de dochter sion.

rei van joodsche vrouwen, fronto, rei van staatjonffren, de dochter sion.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Nu wakker, stapelt steen! de nood breit[357]duizend listen.Deze aanslag blijft ons borg, of de eerste treken[358]misten.O kranke toevlucht! zoo de koningen van ouds,Bedrupt van balsem, en verladen met veel gouds,Behangen met de glans van purper en kleinooden,Opbraken 't marmor, en opkeken van den dooden,Hoe zou 't haar kwetsen, ach! maar als 't aldus moet zijn,Dit is de waarheid naast, en geeft[359]het veinzen schijn[359]Voor 't ander. Wakkert u; metst[360]van berookte steenenEen graf voor de IJdelheid[361], en wilt haar lijk beweenen.

Nu wakker, stapelt steen! de nood breit[357]duizend listen.

Deze aanslag blijft ons borg, of de eerste treken[358]misten.

O kranke toevlucht! zoo de koningen van ouds,

Bedrupt van balsem, en verladen met veel gouds,

Behangen met de glans van purper en kleinooden,

Opbraken 't marmor, en opkeken van den dooden,

Hoe zou 't haar kwetsen, ach! maar als 't aldus moet zijn,

Dit is de waarheid naast, en geeft[359]het veinzen schijn[359]

Voor 't ander. Wakkert u; metst[360]van berookte steenen

Een graf voor de IJdelheid[361], en wilt haar lijk beweenen.

FRONTO.

FRONTO.

Mars heeft hier uitgeraasd; hij scheidt, om elders weêrEen wederspannig rijk, met zijn gevelde speer,Met 't weêrlicht van zijn schild, en met getogen zweerde,Te slechten, tot den grond en bodem toe, met de eerde.Ik kome, in 's Keizers naam, gelast, om zoo terstondDees tempelhoeren, die geen uitstel wordt gejond,Te volgen doen het heer, dat langer niet mag dralen.

Mars heeft hier uitgeraasd; hij scheidt, om elders weêr

Een wederspannig rijk, met zijn gevelde speer,

Met 't weêrlicht van zijn schild, en met getogen zweerde,

Te slechten, tot den grond en bodem toe, met de eerde.

Ik kome, in 's Keizers naam, gelast, om zoo terstond

Dees tempelhoeren, die geen uitstel wordt gejond,

Te volgen doen het heer, dat langer niet mag dralen.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Help God! hij komt om ons; het is, om ons te halen!

Help God! hij komt om ons; het is, om ons te halen!

REI VAN STAATJONFFREN.

REI VAN STAATJONFFREN.

Steenrotsen! berst van een; valt, bergen, op ons neêr!Troost God! waar vluchten wij? hier is geen vluchten meer.

Steenrotsen! berst van een; valt, bergen, op ons neêr!

Troost God! waar vluchten wij? hier is geen vluchten meer.

FRONTO.

FRONTO.

Weg, weg, met dit geraas! 't is langer hier met stenenNoch kermen niet te doen.

Weg, weg, met dit geraas! 't is langer hier met stenen

Noch kermen niet te doen.

REI VAN STAATJONFFREN.

REI VAN STAATJONFFREN.

Waar wildy met ons henen?

Waar wildy met ons henen?

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Wat hebdy met ons voor?

Wat hebdy met ons voor?

FRONTO.

FRONTO.

Voort, voort! Jodinnen, voort!Ik doe u geen verslag, neen, niet een enkel woord;Gij werdt het zelf gewaar. Wel, waar is uw vorstinne?Waar is 't hertnekkig wijf?

Voort, voort! Jodinnen, voort!

Ik doe u geen verslag, neen, niet een enkel woord;

Gij werdt het zelf gewaar. Wel, waar is uw vorstinne?

Waar is 't hertnekkig wijf?

REI VAN STAATJONFFREN.

REI VAN STAATJONFFREN.

Wij bidden u, uit minne,Och! wijst ze ons, waar ze dwaalt.

Wij bidden u, uit minne,

Och! wijst ze ons, waar ze dwaalt.

FRONTO.

FRONTO.

't Is u niet onbewust.

't Is u niet onbewust.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Wij zijn om harentwil bekommerd en ontrust.

Wij zijn om harentwil bekommerd en ontrust.

REI VAN STAATJONFFREN.

REI VAN STAATJONFFREN.

Zij droop van onze rei vol zuchtens en vol klagen,Berooid van hoofd en zin, versuft en heel verslagen,En eer men toezag (want onze oogen waren dikEn rood van schreyen) zij, in eenen oogenblik,Was ons gezicht ontgaan, en, werwaarts dat wij zonden,Haar stem wierd niet gehoord, haar voetspoor niet gevonden.

Zij droop van onze rei vol zuchtens en vol klagen,

Berooid van hoofd en zin, versuft en heel verslagen,

En eer men toezag (want onze oogen waren dik

En rood van schreyen) zij, in eenen oogenblik,

Was ons gezicht ontgaan, en, werwaarts dat wij zonden,

Haar stem wierd niet gehoord, haar voetspoor niet gevonden.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Verlatene vorstin! zoo gij de locht nog schept,Meld de oorzaak, waarom dat ge ons dus begeven hebt:Want zooder hoop was, om uw zelven te versteken,Wij hadden t' zamen wel dit ongeval ontweken:Geen klip zoo eislijk steil, geen afgrond is zoo naar,Vol slangen, vol gedierte, of 't uiterste gevaar,Hadde ons doen klimmen, en opklaveren[362]en dalen:Of hebdy vóór den tijd uw doodschuld gaan betalen,En zijdy van een rots gesneuveld[363]op een steen,Die gants verpletterd heeft 't albaster van uw leên,Zoo wilt door eenig spook of teeken doch gehengen,Dat wij u vinden, en met rouw ter aarden brengen.

Verlatene vorstin! zoo gij de locht nog schept,

Meld de oorzaak, waarom dat ge ons dus begeven hebt:

Want zooder hoop was, om uw zelven te versteken,

Wij hadden t' zamen wel dit ongeval ontweken:

Geen klip zoo eislijk steil, geen afgrond is zoo naar,

Vol slangen, vol gedierte, of 't uiterste gevaar,

Hadde ons doen klimmen, en opklaveren[362]en dalen:

Of hebdy vóór den tijd uw doodschuld gaan betalen,

En zijdy van een rots gesneuveld[363]op een steen,

Die gants verpletterd heeft 't albaster van uw leên,

Zoo wilt door eenig spook of teeken doch gehengen,

Dat wij u vinden, en met rouw ter aarden brengen.

FRONTO.

FRONTO.

Hoe luidde 't jongst beklag? hoe droeg z' haar als ze schied[364]?

Hoe luidde 't jongst beklag? hoe droeg z' haar als ze schied[364]?

REI VAN STAATJONFFREN.

REI VAN STAATJONFFREN.

Van droefheid uitgeput, verwonnen van verdriet,Zal ik dan, sprak ze, die gevallen ben in handenVan d' onbesneden, zijn haar schouwspel t' mijnder schanden?Zal ik, die een vorstin der volken ben geweest,Verstrekken een slavin van die ons heeft gevreesd?Zal ik verschoven gaan in ballingschap vol smertenMijn ramp ineten? en al steeds met droever hertenOphalen mijnen val? en den voorleden staatGaan vergelijken met ons tegenwoordig kwaad?Nog zoo niet; naauwlijks was het kermen van de lippen,Of wij verloren haar omtrent die scherpe klippen.

Van droefheid uitgeput, verwonnen van verdriet,

Zal ik dan, sprak ze, die gevallen ben in handen

Van d' onbesneden, zijn haar schouwspel t' mijnder schanden?

Zal ik, die een vorstin der volken ben geweest,

Verstrekken een slavin van die ons heeft gevreesd?

Zal ik verschoven gaan in ballingschap vol smerten

Mijn ramp ineten? en al steeds met droever herten

Ophalen mijnen val? en den voorleden staat

Gaan vergelijken met ons tegenwoordig kwaad?

Nog zoo niet; naauwlijks was het kermen van de lippen,

Of wij verloren haar omtrent die scherpe klippen.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Hij gaat ze zoeken.

Hij gaat ze zoeken.

REI VAN STAATJONFFREN.

REI VAN STAATJONFFREN.

Och! of dit gelukken woû,Dat wij 't lijf bergden van ons welgeboren vrouw[365]In 't uiterste gevaar, voor 't woeden der tyrannen:Wie weet, wat uitheemsch bloed eens met haar aan mocht spannen,En geven zich te velde, om 't overschot der JoônTe stellen in haar stoel, en koninklijken troon:Wie weet, van waar ons God mocht een verlosser wekken,Die eenen Cyrus zoude of andren Mozes strekken,Of braven Gedeon, of trotschen Jozua,Of stouten David, tot verzetting[366]van ons schâ.

Och! of dit gelukken woû,

Dat wij 't lijf bergden van ons welgeboren vrouw[365]

In 't uiterste gevaar, voor 't woeden der tyrannen:

Wie weet, wat uitheemsch bloed eens met haar aan mocht spannen,

En geven zich te velde, om 't overschot der Joôn

Te stellen in haar stoel, en koninklijken troon:

Wie weet, van waar ons God mocht een verlosser wekken,

Die eenen Cyrus zoude of andren Mozes strekken,

Of braven Gedeon, of trotschen Jozua,

Of stouten David, tot verzetting[366]van ons schâ.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Staatjonffren, zwijgt! hij keert met overwinners-treden,Gezwollen om zijn hoofd van toorne en gants t' onvreden,Met dreigende oogen spoedt hij t' onswaart zijnen gang.Jehova, staat ons bij! wat wordt mij 't herte bang!Moord! moord! hij trekt 't geweer! ik tril, ik beef, ik sidder!

Staatjonffren, zwijgt! hij keert met overwinners-treden,

Gezwollen om zijn hoofd van toorne en gants t' onvreden,

Met dreigende oogen spoedt hij t' onswaart zijnen gang.

Jehova, staat ons bij! wat wordt mij 't herte bang!

Moord! moord! hij trekt 't geweer! ik tril, ik beef, ik sidder!

REI VAN STAATJONFFREN.

REI VAN STAATJONFFREN.

Genade, o oud Romein!

Genade, o oud Romein!

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Genade, o edel ridder!Wat is 't, dat u ontstelt? wat is 't, dat gij begaat[367]?Wat eer is 't, dat gij dees verdrukte vrouwen slaat,Een troosteloozen hoop! tert liever uwsgelijken.Gaat uwen vijand toe, zoo zal uw vroomheid[368]blijken;Hier haaldy enkel schand; laat zinken uwen moed[369]!Wat is 't, dat u ontzet en heftig woeden doet?Wat eischty zoo verstoord? ach, wilt doch wat bedaren!

Genade, o edel ridder!

Wat is 't, dat u ontstelt? wat is 't, dat gij begaat[367]?

Wat eer is 't, dat gij dees verdrukte vrouwen slaat,

Een troosteloozen hoop! tert liever uwsgelijken.

Gaat uwen vijand toe, zoo zal uw vroomheid[368]blijken;

Hier haaldy enkel schand; laat zinken uwen moed[369]!

Wat is 't, dat u ontzet en heftig woeden doet?

Wat eischty zoo verstoord? ach, wilt doch wat bedaren!

FRONTO.

FRONTO.

Dat gij ze daadlijk meldt.

Dat gij ze daadlijk meldt.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Men zal 't u openbaren,Als 't immers zoo moet zijn, aanhoort slechts met geduld:Aan haar rampzalig einde en dood heeft niemand schuldAls zij, die, als ze droef haar handen had gewrongen,En 't aanzicht opgekrabt, is van een rots gesprongenMet schrikkelijk gehuil, 't welk driemaal heeft gevergdDen galm, die woont in dit omliggende gebergt:Wij volgden haren sprong met uitgekreten oogen,Maar wie had onbezwijmd van 't hooge aanschouwen mogenEen lichaam, welks gestalt was van den zwaren valGants uitgewischt? o vrouwe! o rotse! o berg! o dal!

Men zal 't u openbaren,

Als 't immers zoo moet zijn, aanhoort slechts met geduld:

Aan haar rampzalig einde en dood heeft niemand schuld

Als zij, die, als ze droef haar handen had gewrongen,

En 't aanzicht opgekrabt, is van een rots gesprongen

Met schrikkelijk gehuil, 't welk driemaal heeft gevergd

Den galm, die woont in dit omliggende gebergt:

Wij volgden haren sprong met uitgekreten oogen,

Maar wie had onbezwijmd van 't hooge aanschouwen mogen

Een lichaam, welks gestalt was van den zwaren val

Gants uitgewischt? o vrouwe! o rotse! o berg! o dal!

FRONTO.

FRONTO.

Dat riekt naar schelmerij; denkt nimmermeer met liegenEen afgerecht Romein, als ik ben, te bedriegen.Ziet voor u, wat gij doet.

Dat riekt naar schelmerij; denkt nimmermeer met liegen

Een afgerecht Romein, als ik ben, te bedriegen.

Ziet voor u, wat gij doet.

REI VAN STAATJONFFREN.

REI VAN STAATJONFFREN.

Wij bidden u, gelooft.

Wij bidden u, gelooft.

FRONTO.

FRONTO.

Waar is het lichaam? fluks!

Waar is het lichaam? fluks!

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

Wat lichaam? dat, beroofdVan zijn gedaante, is gants verplet in al zijn deelen?

Wat lichaam? dat, beroofd

Van zijn gedaante, is gants verplet in al zijn deelen?

FRONTO.

FRONTO.

Wijst mij 't verplette voort, en past op mijn bevelen.

Wijst mij 't verplette voort, en past op mijn bevelen.

REI VAN STAATJONFFREN.

REI VAN STAATJONFFREN.

Wij kwamen, als zij lag gevallen naar beneên,En hieven 't zielloos lijf op van de koude steen,En groeven 't in der ijl daar zelden iemand wandelt,Van vreeze, dat ze niet wierd na haar dood mishandeld:Die eer gebeurd' haar nog, dat wij de grafsteê watVerheerlijkten met puin van ons verbrande stad,Met heele en halve steen, op dat er eenig teekenMocht blijven, als men van haar einde kwam te spreken.

Wij kwamen, als zij lag gevallen naar beneên,

En hieven 't zielloos lijf op van de koude steen,

En groeven 't in der ijl daar zelden iemand wandelt,

Van vreeze, dat ze niet wierd na haar dood mishandeld:

Die eer gebeurd' haar nog, dat wij de grafsteê wat

Verheerlijkten met puin van ons verbrande stad,

Met heele en halve steen, op dat er eenig teeken

Mocht blijven, als men van haar einde kwam te spreken.

FRONTO.

FRONTO.

Waar is de plaatse? fluks!

Waar is de plaatse? fluks!

REI VAN STAATJONFFREN.

REI VAN STAATJONFFREN.

Wij bidden u, betoontEerbiedigheid den doôn, haar sterflijkheid verschoont,Noch 't lichaam niet onteert van deze, die eylacy!Gesneuveld deerlijk, wierd begraven zonder stacy.

Wij bidden u, betoont

Eerbiedigheid den doôn, haar sterflijkheid verschoont,

Noch 't lichaam niet onteert van deze, die eylacy!

Gesneuveld deerlijk, wierd begraven zonder stacy.

FRONTO.

FRONTO.

Het lichaam zal ik zien; staat op uw hoede nog!Want vinde ik dit, als 't eerste, onwaarheid en bedrog,Het zal u rouwen.

Het lichaam zal ik zien; staat op uw hoede nog!

Want vinde ik dit, als 't eerste, onwaarheid en bedrog,

Het zal u rouwen.

REI VAN STAATJONFFREN.

REI VAN STAATJONFFREN.

Och! besnoeit die booze lusten,En die zoo lieflijk slaapt laat in den grave rusten.Wat zijdy voor een volk, die, na genomen straf,Een doode romp vervolgt, en wreekt u aan een graf?Wat komt u aan? gij valt aan 't schenden en aan 't brekenVan onze timmer[370], ach! den Hemel zal het wreken,Dat, als een dullen hond, gij schuimbekt, schendt, en bijt't Geen heilig is, en tot een eerlijk lijk[371]gewijd.Wee ons! hij luistert niet; zijn wreedheid heeft geen ooren.Best doen wij rechte biechte, en melden 't van te voren,Eer dat hij 't al verwoeste, en in zijn dolligheid,Tot wrake van 't bedrog, ons dobble straf bereid'.Vroom[372]krijgsman! staat wat stil, en willet[373]ons vergeven.Wij zijn uit hooge nood en angst hier toe gedreven.De zinnen lijden last, komt, volgt me; want hierbijDe dochter Sion, met een jonffer twee of drieSchuilt in het hol des bergs.—Komt uit! 't is al verloren;Uw volk heeft u verraân, princesse welgeboren!Den aanslag is ontdekt; komt wederom in 't licht,Verheugt uw vijand met een treurig aangezicht;Hij lacht in ons verderf; komt uit, en wilt niet schromen:Zulks is voor dezen ook een koning overkomen,Die Salems schepter droeg, en met benaauwder[374]zielOntvliênde, in handen nog van Nimrods nazaat viel:Die voor hem sneuvlen zag de vruchten van zijn lenden,En most, van 't licht beroofd, zijn leven pijnlijk enden,In eenen duistren nacht, in een ongastvrij land.Dit is de gene, die ons over zee en zandVervoeren zal; indien gij meer vermoogt met kermenAls wijliê, valt hem aan, en brengt hem tot ontfermen.

Och! besnoeit die booze lusten,

En die zoo lieflijk slaapt laat in den grave rusten.

Wat zijdy voor een volk, die, na genomen straf,

Een doode romp vervolgt, en wreekt u aan een graf?

Wat komt u aan? gij valt aan 't schenden en aan 't breken

Van onze timmer[370], ach! den Hemel zal het wreken,

Dat, als een dullen hond, gij schuimbekt, schendt, en bijt

't Geen heilig is, en tot een eerlijk lijk[371]gewijd.

Wee ons! hij luistert niet; zijn wreedheid heeft geen ooren.

Best doen wij rechte biechte, en melden 't van te voren,

Eer dat hij 't al verwoeste, en in zijn dolligheid,

Tot wrake van 't bedrog, ons dobble straf bereid'.

Vroom[372]krijgsman! staat wat stil, en willet[373]ons vergeven.

Wij zijn uit hooge nood en angst hier toe gedreven.

De zinnen lijden last, komt, volgt me; want hierbij

De dochter Sion, met een jonffer twee of drie

Schuilt in het hol des bergs.—Komt uit! 't is al verloren;

Uw volk heeft u verraân, princesse welgeboren!

Den aanslag is ontdekt; komt wederom in 't licht,

Verheugt uw vijand met een treurig aangezicht;

Hij lacht in ons verderf; komt uit, en wilt niet schromen:

Zulks is voor dezen ook een koning overkomen,

Die Salems schepter droeg, en met benaauwder[374]ziel

Ontvliênde, in handen nog van Nimrods nazaat viel:

Die voor hem sneuvlen zag de vruchten van zijn lenden,

En most, van 't licht beroofd, zijn leven pijnlijk enden,

In eenen duistren nacht, in een ongastvrij land.

Dit is de gene, die ons over zee en zand

Vervoeren zal; indien gij meer vermoogt met kermen

Als wijliê, valt hem aan, en brengt hem tot ontfermen.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Ervaren oorloogsman! na 't woeden des soldaatsHad vaak beleefdheid bij den overwinner plaats,Die vroom was, en geen roem zocht, met een afgetreden,Onweerbaar hoopken volks stijf op den nek te treden:Omhelst doch deze deugd, en leent een lijdzaam oorAan uw gevangens! zegt, wat hebdy met ons voor?Wat lijden gaan wij aan?

Ervaren oorloogsman! na 't woeden des soldaats

Had vaak beleefdheid bij den overwinner plaats,

Die vroom was, en geen roem zocht, met een afgetreden,

Onweerbaar hoopken volks stijf op den nek te treden:

Omhelst doch deze deugd, en leent een lijdzaam oor

Aan uw gevangens! zegt, wat hebdy met ons voor?

Wat lijden gaan wij aan?

FRONTO.

FRONTO.

Gij moet terstond naar Romen,Ons zegefeest ten dienst; het is zoo voorgenomen:Men zal u, om wiens wil geplengd is zoo veel bloeds,Gevleugeld[375]volgen doen de keizerlijke koets,Met uwen ganschen rei, met duizend jongelingen,Dan moogdy, zoo 't u lust, uw tempeldeuntjens zingen:Als gij de vaten, en al 't goud en zilverwerk,En 't priesterlijk tapijt, de glorie van uw kerk,De goude kandelaar en tafel, op een wagen,Ziet zegenrijk ten toon voor ieder ommedragen.

Gij moet terstond naar Romen,

Ons zegefeest ten dienst; het is zoo voorgenomen:

Men zal u, om wiens wil geplengd is zoo veel bloeds,

Gevleugeld[375]volgen doen de keizerlijke koets,

Met uwen ganschen rei, met duizend jongelingen,

Dan moogdy, zoo 't u lust, uw tempeldeuntjens zingen:

Als gij de vaten, en al 't goud en zilverwerk,

En 't priesterlijk tapijt, de glorie van uw kerk,

De goude kandelaar en tafel, op een wagen,

Ziet zegenrijk ten toon voor ieder ommedragen.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Veel eer als zulks gebeurt, zal God, op mijn geschreeuw,Doen komen op den weg een tijger of een leeuw,Die ons verslinden zal, en tot het been toe knagen,En met zijn ingewand in zijnen schuilhoek dragen;Veel eer als dat gebeurt, zal 't God zich trekken aan,En ons of u gezwind met zijnen bliksem slaan;Veel eer als dat geschiedt, eer dat gij vreugd zult rapenIn onzen ondergang, eer werden wij verschapen,En trekken aan 't gestalt van een onreedlijk beest,Eer scheuren wij ons kleed, en schenden uwe feest.

Veel eer als zulks gebeurt, zal God, op mijn geschreeuw,

Doen komen op den weg een tijger of een leeuw,

Die ons verslinden zal, en tot het been toe knagen,

En met zijn ingewand in zijnen schuilhoek dragen;

Veel eer als dat gebeurt, zal 't God zich trekken aan,

En ons of u gezwind met zijnen bliksem slaan;

Veel eer als dat geschiedt, eer dat gij vreugd zult rapen

In onzen ondergang, eer werden wij verschapen,

En trekken aan 't gestalt van een onreedlijk beest,

Eer scheuren wij ons kleed, en schenden uwe feest.

FRONTO.

FRONTO.

Gij kwelt u te vergeefs, wij schrikken voor geen dreigen;Uw roepen geldt hier niet; gij hebt uw lijf niet eigen.Gij moet mede over zee, dus maakt uw hert geen pijn,En zult ons dienstmaagd 's daags, des nachts ons boelschap zijn.

Gij kwelt u te vergeefs, wij schrikken voor geen dreigen;

Uw roepen geldt hier niet; gij hebt uw lijf niet eigen.

Gij moet mede over zee, dus maakt uw hert geen pijn,

En zult ons dienstmaagd 's daags, des nachts ons boelschap zijn.

REI VAN STAATJONFFREN.

REI VAN STAATJONFFREN.

Ach! moeder Sion, helpt! wij zijgen neêr ter aarden,Waartoe of wij de bloem van onze jeugd bewaardenOp een goed huwelijk? om namaals tot geriefTe dien u een schavuit, een eerloos hangedief?Om zijn slavin te zijn? om hem te laten drijvenZijn booze moedwil met ons nooit gerepte lijven,Ons kuischheid nooit bevlekt, ons witte zuiverheid?Wat bruiloft hebben wij ons zelfs niet toegeleid!Zal nu een Roffiaan[376]van 't lijf de gordels rukken,En de onverwelkte roos van onze maagdom plukken?God moetet zijn geklaagd!

Ach! moeder Sion, helpt! wij zijgen neêr ter aarden,

Waartoe of wij de bloem van onze jeugd bewaarden

Op een goed huwelijk? om namaals tot gerief

Te dien u een schavuit, een eerloos hangedief?

Om zijn slavin te zijn? om hem te laten drijven

Zijn booze moedwil met ons nooit gerepte lijven,

Ons kuischheid nooit bevlekt, ons witte zuiverheid?

Wat bruiloft hebben wij ons zelfs niet toegeleid!

Zal nu een Roffiaan[376]van 't lijf de gordels rukken,

En de onverwelkte roos van onze maagdom plukken?

God moetet zijn geklaagd!

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

En zullen wij althans[377]Den moordenaars en beuls van ons getrouwe mansVerstrekken tot een prooye, en zulke schelms verwermen,En hun believen en omhelzen met onze ermen,En dulden, dat ze met haar lippen ongezondOns kaken drukken, en 't koraal van onze mond!Geenszins; wij zullen, vóór 't opdagen van de morgen,Haar 't hoofd omwringen, en in d' eerste slaap verworgen.

En zullen wij althans[377]

Den moordenaars en beuls van ons getrouwe mans

Verstrekken tot een prooye, en zulke schelms verwermen,

En hun believen en omhelzen met onze ermen,

En dulden, dat ze met haar lippen ongezond

Ons kaken drukken, en 't koraal van onze mond!

Geenszins; wij zullen, vóór 't opdagen van de morgen,

Haar 't hoofd omwringen, en in d' eerste slaap verworgen.

FRONTO.

FRONTO.

't Is lang genoeg gedraald; volgt, daar ik u geleî.Ons heerkracht gij verlet[378]; men acht hier geen geschrei.

't Is lang genoeg gedraald; volgt, daar ik u geleî.

Ons heerkracht gij verlet[378]; men acht hier geen geschrei.

DE DOCHTER SION.

DE DOCHTER SION.

Wij volgen, gaat slechts voor; vergunt ons nog die zegen,Dat wij ons klachte doen, en zeggen onderwegenHet vaderland adieu. Bedrukte! vangt dan aan,En neemt uw afscheid; want de tijd eischt, dat wij gaan.

Wij volgen, gaat slechts voor; vergunt ons nog die zegen,

Dat wij ons klachte doen, en zeggen onderwegen

Het vaderland adieu. Bedrukte! vangt dan aan,

En neemt uw afscheid; want de tijd eischt, dat wij gaan.

REI VAN JODINNEN.

REI VAN JODINNEN.

Gij, onlangs heerlijk,Maar nu, o deerlijkJeruzalem! hoort ons geklag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Gij, onlangs heerlijk,

Maar nu, o deerlijk

Jeruzalem! hoort ons geklag:

Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Gezang en cyther,Staf, kroon, en myter,Gestoelt', dat nooit zijn weêrgâ zag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Gezang en cyther,

Staf, kroon, en myter,

Gestoelt', dat nooit zijn weêrgâ zag:

Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Gij, prachtige hoven!Die trotsch naar bovenReest, daar de stad op 't hoogste lag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Gij, prachtige hoven!

Die trotsch naar boven

Reest, daar de stad op 't hoogste lag:

Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Volkrijke straten,Die nu verlatenZijt, op het schoonste van den dag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Volkrijke straten,

Die nu verlaten

Zijt, op het schoonste van den dag:

Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Verheven daken!Vernield door 't blakenVan 's vijand s tortsen oon verdrag[379]:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Verheven daken!

Vernield door 't blaken

Van 's vijand s tortsen oon verdrag[379]:

Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Gij, hooge poorten!Waar in verhoord, enGevonnist elk te worden plag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Gij, hooge poorten!

Waar in verhoord, en

Gevonnist elk te worden plag:

Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Gewijde gravenVan die de stavenEn schepters droegen met ontzag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Gewijde graven

Van die de staven

En schepters droegen met ontzag:

Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Bespiênde toornen!Waar uit met hoornenMen maakte van de strijd gewag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Bespiênde toornen!

Waar uit met hoornen

Men maakte van de strijd gewag:

Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Gij, trotsche muren!Die niet verdurenEn mocht der Heidnen stormbok doch:Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!

Gij, trotsche muren!

Die niet verduren

En mocht der Heidnen stormbok doch:

Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!

O kerk der kerken!Waar aan men merkenMocht Jacobs ijver oon bedrog:Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!

O kerk der kerken!

Waar aan men merken

Mocht Jacobs ijver oon bedrog:

Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!

Daar God zijn zegenUitbreidde in 't plegenVan d' heilge dienst, die hier geschach[380]:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Daar God zijn zegen

Uitbreidde in 't plegen

Van d' heilge dienst, die hier geschach[380]:

Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Daar, blij van zinnen,De CherubinnenElk minlijk groetten met een lach:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Daar, blij van zinnen,

De Cherubinnen

Elk minlijk groetten met een lach:

Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Daar Levi's stamme,Met zuivre vlamme,Op 't outer 't offer smooken deê:Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!

Daar Levi's stamme,

Met zuivre vlamme,

Op 't outer 't offer smooken deê:

Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!

O, vloer! bevolen's Hoogpriesters zolen,Daar eenen Fenix[381]nam zijn steê:Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!

O, vloer! bevolen

's Hoogpriesters zolen,

Daar eenen Fenix[381]nam zijn steê:

Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!

Daar d' ark behoeddeAärons roede,Het Mann', en Mozes' Tafel meê:Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!

Daar d' ark behoedde

Aärons roede,

Het Mann', en Mozes' Tafel meê:

Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!

Verslagen helden,Die most ontgelden's Krijgs toorne, en boeten het gelag:Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Verslagen helden,

Die most ontgelden

's Krijgs toorne, en boeten het gelag:

Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!

Verloste moeders!Die niet bedroevers[382]Zaagt als uw tepels, droog van zog:Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!

Verloste moeders!

Die niet bedroevers[382]

Zaagt als uw tepels, droog van zog:

Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!

Die in uwe ermen't Kind hoorde kermen,En geven zijnen doodsnak nog:Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!

Die in uwe ermen

't Kind hoorde kermen,

En geven zijnen doodsnak nog:

Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!

Verwoeste steenen!Verstrooide beenen!Vleesch, dat verstrekt der dieren aas:Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!

Verwoeste steenen!

Verstrooide beenen!

Vleesch, dat verstrekt der dieren aas:

Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!

Verleide zielen!Die hielpt vernielenUw oude stad, en streedt zoo dwaas:Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!

Verleide zielen!

Die hielpt vernielen

Uw oude stad, en streedt zoo dwaas:

Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!

Kelders en kuilen!Daar voortaan de uilenHaar laten hooren met geraas:Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!

Kelders en kuilen!

Daar voortaan de uilen

Haar laten hooren met geraas:

Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!


Back to IndexNext