HET INHOUD.

HET INHOUD.Sedert dat de Joden hare grouwelen en zonden, begaan in het dooden en vervolgen der profeten, hadden opgehoopt met het onmenschelijk bloedvergieten en mishandelen des onschuldigen Lams, en andere vrome Heiligen Gods: zoo heeft haar verdoemenisse niet geslapen. Want Florus, die namaals van de keizer Nero was gesteld als landvoogd over Judea, ontstak met zijn inslokkende gierigheid en onverdraaglijke wreedheid den brand van tweespalt: waaruit vele jammerlijke beroerten en bloedige slachtingen tusschen Joden en Romeinen langs hoe meer zijn ontstaan: zoo dat eindlijk de keizer veroorzaakt was[73], Vespasiaan, als veldoverste over het Syrische krijgsvolk, derwaarts te zenden: die, vergezelschapt met zijnen zone, Jotapata, daar Josephus gevangen wierd, en voorts het Jodische land met meest alle de omliggende plaatsen vermeesterd, en Jeruzalem bezet hebbende, tijdinge kreeg, hoe, na Nero's rampzalige dood, Galba en Otho omgekomen wezende[74], Vitellius het gebied tot zich getrokken hadde: waarom de Roomsche[75]hoofdluiden hem drongen het keizerdom te aanveerden en derwaarts te trekken, gelijk hij ook dede,latende Titus de volendinge van het aangevangen oorloog bevolen. Ondertusschen was het te Jeruzalem zoo verre gekomen, dat ze, als in slagoorde, in drie rotten vijandelijk gedeeld stonden; te weten: de Zeloters[76], die Eleazar aanhingen, hadden den tempel, Johannes het onderste, en Simon Giore zoon het opperste deel der stad in. Titus, hier van verwittigd, heeft deze gelegentheid waargenomen, en in het 72. na Kristus' geboorte, 'twelk is het tweede jaar van Vespasiaans rijke, op den 14en van de maand April, als de Joden haar Paaschfeest vierden, de stad met zijn ruiterije berend, belegerd, en eerlange, na veel gehouden schermutselingen en gedane stormen, met een muur in drie dagen tijds bezet en besloten: waarop gevolgd is een onlijdelijke hongersnood, die de burgerlijke beroerten dede aangroeyen, en ontallijke menschen versmachten: zoo dat ze genoodzaakt waren de doode lichamen over stads muren in de grachten te worpen, ja, een edel joffrouwe[77]spijze van haar onnoozel kind most bereiden. De tiende dag van Oogstmaand wierd het vuur in de tempel gesteken, daar een onmenschelijke slachting gebeurde, en alle priesterlijke gebouwen afbrandden. En hoewel de keizer hun vaak hulde[78]aanbood, en haar beloofde in genade op te nemen, zoo zij haar goedwillig overgaven: nochtans volherdden zij in de voorgaande halstarrigheid, tot dat ten leste, op de achtste dag van Herfstmaand, de overstad[79]gewonnen, en alles in vuur en bloed wierd gesteld. Na de overwinninge ontbrak het den Roomschen soldaten aan geenderhande moedwil en wreedheid, over de moedwilligen te plegen. Titus, de schuldige naar haar verdienste gestraft, en zeven honderd jongelingen, sterk van lichaam, tot het aanstaande zegefeest, dat hij te Rome dacht te houden, uitgezonderd hebbende, bedankte zijn krijgsluiden voor haar dapperheid, in de strijd betoond, verplichtte haar manhaftigheid met den verkregen roof en eerlijke[80]ampten, en offerde dankbaarlijk, op de heilige plaatse des tempels, zijn Goden. Daarna stelde hij Terentius Rufus tot overste van zijn tiende bende, die hij tot bezettinge liet van de verwoeste stad, en vertrok met het gansche leger en de gevangenen. En dewijl de geschichtboeken melden, dat Simeon Kristenbisschop, met zijn heilige vergaderinge, volgens het ontvangen Godlijk antwoord, van Jeruzalem te Pella vluchtte, en, als Judea wat in ruste was, weder te Jeruzalem metter woon kwam: zoo hebben wij, om ons geheel werk Kristelijker wijze te verklaren, en alles leerlijk voor oogen te stellen, versierd[81], dat hij met de zijne wederkeerende, als het leger juist vertrokken was, en de verwoeste stad bezichtigende: hun de Engel Gabriël, met een Hemelsche klaarheid aangedaan, verschijnt, die henluiden volkomentlijk ontsluit de oorzaken van den val en ondergang des Jodischen volks, met meer omstandigheden, die daar aan vast zijn. Daar hebdy het kort inhoud van ons treurspel, genomen uit Josephus 2, 3, 4, 5, 6 en 7, en Egesippus 2, 3, 4 en 5, en Eusebius 2 en 3, en Carions 3e boek, en uit meer andere schrijvers. Het tooneel is op, rondom, en ontrent de verwoeste plaatsen, daar het krijgsvolk legert, en Jeruzalem gestaan heeft.

Sedert dat de Joden hare grouwelen en zonden, begaan in het dooden en vervolgen der profeten, hadden opgehoopt met het onmenschelijk bloedvergieten en mishandelen des onschuldigen Lams, en andere vrome Heiligen Gods: zoo heeft haar verdoemenisse niet geslapen. Want Florus, die namaals van de keizer Nero was gesteld als landvoogd over Judea, ontstak met zijn inslokkende gierigheid en onverdraaglijke wreedheid den brand van tweespalt: waaruit vele jammerlijke beroerten en bloedige slachtingen tusschen Joden en Romeinen langs hoe meer zijn ontstaan: zoo dat eindlijk de keizer veroorzaakt was[73], Vespasiaan, als veldoverste over het Syrische krijgsvolk, derwaarts te zenden: die, vergezelschapt met zijnen zone, Jotapata, daar Josephus gevangen wierd, en voorts het Jodische land met meest alle de omliggende plaatsen vermeesterd, en Jeruzalem bezet hebbende, tijdinge kreeg, hoe, na Nero's rampzalige dood, Galba en Otho omgekomen wezende[74], Vitellius het gebied tot zich getrokken hadde: waarom de Roomsche[75]hoofdluiden hem drongen het keizerdom te aanveerden en derwaarts te trekken, gelijk hij ook dede,latende Titus de volendinge van het aangevangen oorloog bevolen. Ondertusschen was het te Jeruzalem zoo verre gekomen, dat ze, als in slagoorde, in drie rotten vijandelijk gedeeld stonden; te weten: de Zeloters[76], die Eleazar aanhingen, hadden den tempel, Johannes het onderste, en Simon Giore zoon het opperste deel der stad in. Titus, hier van verwittigd, heeft deze gelegentheid waargenomen, en in het 72. na Kristus' geboorte, 'twelk is het tweede jaar van Vespasiaans rijke, op den 14en van de maand April, als de Joden haar Paaschfeest vierden, de stad met zijn ruiterije berend, belegerd, en eerlange, na veel gehouden schermutselingen en gedane stormen, met een muur in drie dagen tijds bezet en besloten: waarop gevolgd is een onlijdelijke hongersnood, die de burgerlijke beroerten dede aangroeyen, en ontallijke menschen versmachten: zoo dat ze genoodzaakt waren de doode lichamen over stads muren in de grachten te worpen, ja, een edel joffrouwe[77]spijze van haar onnoozel kind most bereiden. De tiende dag van Oogstmaand wierd het vuur in de tempel gesteken, daar een onmenschelijke slachting gebeurde, en alle priesterlijke gebouwen afbrandden. En hoewel de keizer hun vaak hulde[78]aanbood, en haar beloofde in genade op te nemen, zoo zij haar goedwillig overgaven: nochtans volherdden zij in de voorgaande halstarrigheid, tot dat ten leste, op de achtste dag van Herfstmaand, de overstad[79]gewonnen, en alles in vuur en bloed wierd gesteld. Na de overwinninge ontbrak het den Roomschen soldaten aan geenderhande moedwil en wreedheid, over de moedwilligen te plegen. Titus, de schuldige naar haar verdienste gestraft, en zeven honderd jongelingen, sterk van lichaam, tot het aanstaande zegefeest, dat hij te Rome dacht te houden, uitgezonderd hebbende, bedankte zijn krijgsluiden voor haar dapperheid, in de strijd betoond, verplichtte haar manhaftigheid met den verkregen roof en eerlijke[80]ampten, en offerde dankbaarlijk, op de heilige plaatse des tempels, zijn Goden. Daarna stelde hij Terentius Rufus tot overste van zijn tiende bende, die hij tot bezettinge liet van de verwoeste stad, en vertrok met het gansche leger en de gevangenen. En dewijl de geschichtboeken melden, dat Simeon Kristenbisschop, met zijn heilige vergaderinge, volgens het ontvangen Godlijk antwoord, van Jeruzalem te Pella vluchtte, en, als Judea wat in ruste was, weder te Jeruzalem metter woon kwam: zoo hebben wij, om ons geheel werk Kristelijker wijze te verklaren, en alles leerlijk voor oogen te stellen, versierd[81], dat hij met de zijne wederkeerende, als het leger juist vertrokken was, en de verwoeste stad bezichtigende: hun de Engel Gabriël, met een Hemelsche klaarheid aangedaan, verschijnt, die henluiden volkomentlijk ontsluit de oorzaken van den val en ondergang des Jodischen volks, met meer omstandigheden, die daar aan vast zijn. Daar hebdy het kort inhoud van ons treurspel, genomen uit Josephus 2, 3, 4, 5, 6 en 7, en Egesippus 2, 3, 4 en 5, en Eusebius 2 en 3, en Carions 3e boek, en uit meer andere schrijvers. Het tooneel is op, rondom, en ontrent de verwoeste plaatsen, daar het krijgsvolk legert, en Jeruzalem gestaan heeft.


Back to IndexNext