Een leerrijk voorbeeld van een schipper (naar mijn oordeel),Die met zijn schade zocht zijns naastens meeste voordeel.Proverb. 11.Die 't koren zoldert, heeft zijn vloekers en benijders,Maar die het mild verkoopt heeft veel gebenedijders.De magre diere[253]tijd, schier tot in 't graf des doodes,Verdrukte de gemeente, in de oude stad van Rhodes;Waarom de mare[254]vast, met hare groote trom[255],Opwekte 't naaste land, tot troost en hulp alom,Tot dat'er eindelijk drie schepen, zwaar geladen,Met terwe kwamen aan, om ieder te verzaden;Maar naauwlijks raakten zij uit de ongestuime zee,En wierpen 't anker uit, of kwamen op de reê,Of de opper-stierman roept, zoo luide als hij mag brullen:"O borgers! hier is graan, om uw gebrek vervullen;Maar koopt niet al te dier, of immers maar ter nood[256],Want daar komt achter mij nog een geheele vloot;Dus houdt een leege[257]markt, en willet[258]niet opsteken,Want daar is voor de hand meer als u mag[259]ontbreken."Graan-koopers u vrij schaamt, als gij u niet verkloekt[260],En met uw schade aldus 't gemeene beste zoekt,Wanneer gij, gierig om een hooge markt verwerven,Uw koren-zolders sluit, en latet graan verderven,God geeft ook wieder vast[261]met kommer en geduld,Als uwen aas-zak maar is tot de keel vervuld;Peinst vrijelijken[262], dat des rechters ooren tuiten,Die eens op 't lest voor u zal 's Hemels schuren sluiten;Als gij dan klaagt en kermt, wordt ijdel uwe hoop,Wanneer hij zeggen zal: "mijn graan is niet te koop!"XLVII.(NAAST AAN 'T HARTE.)Aanmerkt dit vonnis doch, hoe aardig en hoe naakteEen van drie broeders naast des vaders hert geraakte.3Regum, 3.Den twist die Salomon kon scheiden t' geender ure,Slist hij door middel van de levende nature.De dood nam onverziens weg eenen auden vader,Die in de wereld nog drie zonen liet te gader;Twee waren al van één, maar van een ander bedDe derde zone was; waarom dat altemetDe twist hoe lang hoe meer oprees na 's vaders sterven,Wie van hun drie gebroêrs des vaders goed zoude erven.Maar als noch wet, noch lot hen scheiden mocht als vriend,Zoo hebben zij hun zaak den rechter aangediend:De rechter, om veel eer[263]hun twist-gekijf te slechten,Deed 's vaders doode lijf aan eenen boom oprechten,En sprak: het goed zal hem geworden met der ijl,Die naast des vaders hart kan treffen met den pijl:De twee die schoten heen, de jongste, met verblooden[264],Sprak: liever dan zulks doen, ik sterve duizend dooden.Nature toonde door dit medelijden ras.Dat hij den erfgenaam, en ook met eenen wasDen genen, die het hart des vaders naast doorkliefde,Met geenen stalen schicht, maar met een rechte liefde.XLVIII.(WIJZE KASTIJDING.)De moeder, die de jeugd wil voor de roên verschoonenDie schendt heur aangezicht, en worgt[265]heur eigen zonen.Eccles. 30.Die zijnen zone lieft, hem matig zal kastijden,Op dat hij in den dag der oudheid[266]mag verblijden.Eer de misdadige zal door een ken'pen[267]vensterAanschouwen van het licht den laatsten straal of glenster[268],Hij zijne moeder kust, en rooft voor 't hoog gerichtMet zijne tanden heur den neus van 't aangezicht:"Omstanders!" (zegt hij) "hoort, want[269]d'oorzaak van mijn lijdenMijn eigen moeder is, vermids zij met kastijdenNooit mijnen kwaden aard getemd heeft voor den val,Zij altijd na mijn dood (tot ieders spiegel) zalDit teeken voeren, op dat andere ouders leerenHun kind'ren op te voên in alle tucht des Heeren."De moeder, die heur kind niet in de jonkheid temt,Van een recht moeders hert is t' eenemaal vervremd:Dit 't kind geeft lossen toom in alle zijn wellusten,Zal met der tijd allengs een monsterdier toerusten:De stramen[270]in den neers van een kwaad kind gewisHet recht merkteeken van een goede moeder is,Die heuren zoon bemint, op dat, na al heur slaven,Zij niet een galgen-aas gevoed heeft voor de raven.XLIX.(HERCULES AAN DEN TWEESPRONG.)Terwijlen Hercles slaapt aldaar[271]hij is gelegen,Figuurlijk hem vertoond zijn twee verscheiden wegen.Math. 7.De weg na d'eeuw'gen dood, is ruim, is wijd, en breed,Maar enge en smal den pad, die tot den leven leedt[272].Terwijl Alcides[273]lag, met Lethes zachte stromenBesprenget[274]van den slaap, 's doods zuster, zag hij komenTwee schoone nymfen, of goddinnen, met geneugt,De een was Wellustigheid, en de ander was de Deugd:De wellust kwam zeer zoet gelijk den morgen blozen,De weg al waar zij liep beschilderd was met rozen,Den ingang, die was breed: maar weêr in 't jegendeel[275]Den uitgang naauw en scherp, vol droefheid al geheel.De deugd, de witte deugd, door doornen en door struikenWees eenen engen pad, schier naauwlijks om gebruiken;Maar, hoe men dieper zag, hoe blijder hij met lustIn 't einde mede bracht een aangename rust.Dus stond van deze twee hem 't aldernutst te kiezen;Die 't eene winnen wil het ander zal verliezen.L.(EERSTE INDRUKKEN.)Een algemeene leer van 't nieuwe boter-vat,Dat zijnen reuk behoudt naar 't eerste sap of nat.Proverb. 22.De leere, die het kind is in de jeugd gegeven,Gemeenelijk zal het behouden al zijn leven.Het is nog hedendaags een algemeene spreuke:"'t Vat houdt naar 't eerste sap doch altijd zijnen reuke."Dit heeft Lycurgus eer natuurlijk op het blootst[276],Met eenen ranken wind- en huishond uitgebootst;De windhond brij en pap had altijd in de koken[277],De huishond op de jacht 't gevangen wild geroken;Dees bracht hij beide op 't leste in 't openbaar ten toon,Elk koos van stonden aan het geen hij was gewoon:De windhond koos den brij, en de ander koos het wildbraad,En eten 't t'zamen op, eer een van beiden stil staat.O ouders! leert hier uit, eer gij u doet te kort,'t Kind aardt naar 't gene hem van jongs is ingestort,Dus houdet[278]van der jeugd in eenen goeden regel,En drukt hem in 't gemoed de deugd als eenen zegel,Want 's kinds herte is als wasch, waar in gedweeg en mildDe meester prent en drukt de letter, die hij wilt[279].LI.(SEMIRAMIS.)Gij ziet 't gebreideld ros hier met een vrouw beladen,Die elk verwonderd heeft met mannelijke daden.Judith. 13.Bethulia, door Gods en Judiths tegenweer,Nam Holofernes 't hoofd, en sloeg het gansche heir.Ziet, hoe een man'lijk hert schuilt onder vrouwenkleed'ren;Ziet, hoe Semiramis stelt 't heer in zijn geleedren,Ziet, hoe kloekmoedig zij, gezeten op het peerd,Grijpt met de een hand den toom, met de ander hand het zweerd;Hoe de afkomst van heur bloed, en koninklijken adelZij niet op 't bedde toont, maar op[280]den gouden zadel,En rijst nog 's morgens vroeg, vóór 't blinken vande zon,Als eenen bliksem op naar 't pratte Babylon;Zij strijdt, zij overwint, zij slaat den vijand t' onder,En, met veel wapen-roofs, keert weêr als eenen donder;Ziet, hoe zij heur paruik[281]diep inde palmen bergt,Hij ligt al onder voet, die heur ten strijde tergt.LII.(GELESCHTE BLOEDDORST.)Tomiris Cyrum slaat, en zijnen dooden kop,(Tot wraak van haren zoon) werpt in een bloedig sop.Job, 15.De goddelooze mensch leeft altijd in bezwaren,Ook en weet de tyran 't getal niet van zijn jaren.'t Was Cyro[282]niet genoeg, dat zijne kroon bepereldWas met den halven kreits of ommeloop der wereld,Hij moest in Schyten[283]nog den kloeken wapen-held,Tomiris liefste zoon, begraven in het veld.De moeder is bedroefd, heur oogen tranen leken[284],Zij trekt het harnas aan om heurs zoons dood te wreken."O Cyre, wreed tyran! ziet, wie gij hebt getergd!"(Zegt zij) "ik zal u biên het voorhoofd[285]in 't gebergt,Daar gij het dorstig zand met mijnen bloede drenkten".Zij trekt hem in 't gemoet, en slaat hem inder engten,Met al zijn oorlogs-heer, in 't krieken vanden dag,Dat niet een overblijft, die 't na vertellen mag.De strijd is naauw ge-eind, of zij gaat heur verkloeken,En onder zoo veel doôn den dooden Cyrum zoeken,Zoo lange zij[286]hem vindt; en laat van stonden aanZijn bleek besturven hoofd van zijn koud lichaam slaan:Het konings-hoofd zij neemt met eenen grammen moede,En worpet[287]in een vat, dat vol is vanden bloedeVan zijn verslagen volk; "ligt (zegt zij) daar in 't nat,Du[288], bloed-tyran! die nooit waart van den bloede zat."Aldus wie bloed vergiet ('t is zoo van God besloten)Diens bloed wordt uitgestort, en wederom vergoten.LIII.(KRACHT DER ZONDE.)Ziet hoe Ulyssis maats en makkers met malkand'ren,Door Cyrce's toover-drank, in wild gediert verand'ren.2Pet. 2.De hond, die is gekeerd tot zijn uitspouwsel ras,De zeuge weêr in 't slijk, als zij gewasschen was.Ziet, hoe Ulyssis volk (in eenen storm verstekenAan 't land Cyrceum[289]vast), door Cyrce's looze trekenEn boozen toover-drank, verliezen 's lijfs gedaant;Die menschen waren eerst, zijn beesten eer men 't waant.Aanschouwer! zoo u dunkt, dat gij wel moogt[290]ontberenDees zeldzaam fabel, die (zoo 't schijnt) u niet kan leeren,Hoort, hoe de wijsheid zelf zoo aardig hier op gloost[291],Als inden kerker zij Boëthium[292]vertroost:Zijn menschheid (zegt zij) is verdwenen en verslonden,Die onderworpen is het juk der snoode zonden;Die zich in 't kwaad verkeert[293], 't zij de eene of d' ander uur,Terstond daar door verliest zijn mensch'lijke natuur:Wie door begeerlijkheid pleegt onrechtveerdig grapen[294],Is eenen wolf die zich geneeret[295]op de schapen:Die twist en tweedracht maakt, die is alreê gestraft,En eenen hond gelijk, die ieder een aanblaft:Die vrolijk is, wanneer hij iemand iets ontlorden[296],Te recht met eenen visch mag vergeleken worden;Die toornig briescht en grimt, ja, maakt een groot geschreeuw,Te recht inwendig draagt het hert van eenen leeuw;Die stadig is bezorgd met vele onnutte vreezen,Mag voor een blonde hinde of hert gehouden wezen:Die trage is, lui en bot, in wezen en in schijn,Dat moet in zijne huid wel eenen ezel zijn;Die wispelturig is, met vele onstade[297]grillen,Zal vande vogelen zoo vele niet verschillen;Die in onreinigheid en vuiligheid opwast,Is aan den snooden lust der vuiler[298]zeugen vast;En aldus wordt den mensche (ik stemme met vele ouden)Een beeste, of hij schoon 's lijfs gestalte heeft behouden.LIV.(PENELOPE'S TROUW.)De daad Penelope's is een leerachtig[299]voorbeeld,Want met heur kuischheid zij de onkuischeid heeft veroordeeld.Eccles. 26.Een deugdzaam fijne vrouw, die eerbaar is en kuisch,Is 't beste goed des mans, en 't ciersel van heur huis.Komt bij Penelope, o, vrouwkens! hier ter scholen,Die, t'wijl Ulysses vast gaat twintig jaren dolen,(Tien jaren om de blom van Menelai hof,Waarom 't schoon Trojen werd geblixemd al tot stof;En andre jaren tien door de ongestuime baren,Waar meê hij stoffe geeft Homeri zoete snaren)Heur zuiverheid behoudt; hoe lange hij vertoeft,Zoo blijft zij hem getrouw; hoe hard zij wordt beproefdVan zoo veel welpen[300], en ontstekende[301]benijdersVan heur sneeuwwitte vleesch, 't zijn al vergeefsche strijders,Hoe zij gepijnigd wordt: "Ulysses is lang weg,Misschien door Hectors zweerd gevallen in 't beleg,Of op zijn wederkomst (dit hebdy[302]licht te gissen)Verzopen inde zee, en g'eten[303]vande visschen;"Maar als zij nu op 't lest zal laten inden strijdHet heiligst, dat zij heeft Ulyssi toegewijd,Zij hen uitstelt zoo lang, tot dat zij 't fijne webben't Welk zij begonnen heeft, zal afgeweven hebben.Hier meê zijn zij gepaaid; dus, wat zij inden dagWeeft, dat ontweeft zij 's nachts, als 't niemanden[304]en zag.O, pollen[305]! zijdy blind, gij meent den brand te blusschen,Ziet, wat zij 's nachts ontvlecht, zoolang, tot ondertusschenUlysses weêr betreedt den dorpel van zijn huis,En met zijn komst verlicht zijns vrouwen lastig kruis.De minnaars druipen weg, zij zien haast wat daar thuis leît:Dies komt de kroon heur toe van d' onverwonnen kuischeid.LV.(VRIENDSCHAP.)'t Oprechte Vriendschaps beeld drukt hier zijn eigenschappenOp 't alderlevendst uit; o, volget zijn voetstappen!Proverb. 17.Een trouw en oprecht vriend heeft lief tot allen tijden,En als een broeder is altijd bereid tot lijden.Een Statua tot Room was weerdig aan te merken:'t Oprechte Vriendschaps beeld, weldadig in zijn werken,Was eenen jongeling, met een blijde aangezicht;D'wijl ware vriendschap niet door oudheid en bezwicht[306]:Zijn kleed was vrolijk groen: de vriendschap is steeds jeugdigEn elk een aangenaam; in zijn zoet voorhoofd vreugdig,De grijze wintertijd en zomer was geprent,D'wijl vriendschap in onspoed en voorspoed blijft ontrent[307];Op zijnes herten kolk gedrukt stondbij en verre,D'wijl vriendschap verre en bij schijnt als een morgensterre;In zijnder kleed'ren boord stond dood en leven beid',D'wijl 't leven noch de dood geen ware vriendschap scheidt.LVI.(DAMON EN PYTHIAS.)Hoe twee gemakkers[308]zijn malkandren trouw gebleven,En hebben in 's doods nood de een d'ander niet begeven.Joan. 15.Waar zag men grooter liefd' (hoe vurig zij ooit brande!)Dan daar men stelde 't lijf voor zijnen vriend te pande!In eenen diepen put lag Damon vast gebonden,Zijn borg bleef Pythias; hij werd na huis gezonden,Mits dat hij keeren zoude, en uit de vangenisDes kerkers zijnen vriend verlossen voor gewis:De wederkomst vertrok[309], den tijd, die was verstreken,Maar Pythias (eilaas!) bleef in de vreeze steken:Zijn vonnis was gemaakt, hij werd geleid ter dood,Maar Damon t'wijlen komt, en ziet hem in den nood:"Heer koning!" (zeide hij) "tast mij aan zonder zorge,Ik, schuldenaar, ontsla hem van zijn trouwe borge!Ik ben den rechten man, ik heb de dood verschuld[310],Dies mijnen vrund ontslaat, en 't recht in mij vervult!"De koning, al verbaasd bezag dees lieve vrinden,Die trouw tot in der dood malkanderen beminden,Dies hij verwonderd was, en in zich zelven loeg,En om zoo trouwen daad hun beidegaêr ontsloeg.Dus eenen trouwen vriend is beter als veel broedren,En kostelijker schat dan al des werelds goedren.LVII.(KLUCHTIGE WIJSHEID.)Empedocles bewijst hier, met een kluchte fijn,Dat daar het vierschaar slaapt, de rechters ezels zijn.Jerem. 22.Om dat Josiæ zoon 't gerecht niet wil handhaven,Als eenen ezel hij op 't veld zal zijn begraven.Empedocles, voor 't recht of vierschaar, onversaagdAls taalman kwam voor een, die hard was aangeklaagd;Daar komende vand[311]hij de rechters t' zamen slapen,Dies sprak hij kluchtig, om hun listig te betrapen[312]:"Een reiziger, als hij om reizen was bedocht,Huurde eenen ezel, die hem spoedig dragen mocht;Maar onderwegen hij, amachtig[313]en schier flaauwe,Koos voor des middags brand des ezels koele schaauwe:Den eigenaar des muils[314]die van der zonnen vlamSchier smolt, die zeide, dat 's beests lommer hem toe kwam;Den andren wilde hem daarmede niet gerijven.Dus om eens ezels schaauw' men twee zag heftig kijven"..\gulden.Hiermede Empedocles zweeg, of hij was vermoord;De rechter hoorde toe, en sprak: "vertelt ons voort".Doen loeg de filosoof, en voegde nog bij dezen:"Recht eenen ezel gij moogt vergeleken wezen;Want in eens ezels schaauw schept gij veel meer vermaak,Als gij deedt, toen gij sliept in des misdaders zaak".O, dat was recht gezeid! zij mogen 't nog wel hooren:Vrij, Musa! waar hij zit, daar vat hem hij zijn ooren!LVIII.(WARE WELDADIGHEID.)Archilla heeft uit liefde en broederlijker zorgen[315],Goedhertig zijnen vriend geholpen in 't verborgen.Matth. 6.Werpt met uw rechterhand de gaven in Gods koffer,Dat zelfs de slinker niets en weet van uwen offer.Archilla (zoo men zegt), die, milde en rijk van goedren,Stond de bedroefden bij als waren't zijne broedren,Naauw speurende, hoe dat in grooten nood gebrochtWas zijnen lieven vriend, hem vlijtig heeft bezocht,En heim'lijk onder zijn zit-kussen weggescholen[316]Een goede somme munts[317], als of hij 't had gestolen.Hij heeft een rijk thresoor[318], die zoo zijn goed besteedt,Dat hij 't naauw zelver speurt, noch zijnen vriend schier weet[319];De gifte blijft hem bij, zijn weldaad onvergetenHem weder in den schoot wordt dobbel toegemeten.Des armen dorstig hart, dat is des wijzen flesch,Zijn gelden hij verspaart in zijnes naasten tesch[320],Hem zelven hij besteelt, en maakt veel goede vrinden:Die hier zijn goed verliest, die zal't hier namaals vinden.LIX.(BELOFTE MAAKT SCHULD.)Hier ziedy 't schoon voorbeeld, den grooten Roomschen[321]TempelVan 't Menschelijk Verbond, ons tot een goed exempel.Eccles. 5.Het geen gij God belooft en wilt geenszins vertrekken[322],Want een mishagen heeft den Heere aan de gekken[323].Numa Pompilius liet stichten, binnen Romen,Den tempel des Verbonds, zeer schoon en uitgenomen[324];Hij was heel cirkel-rond in zijnen ommeloop,'t Gewelf te zamen hing gebonden knoop aan knoop[325].De Romers kwamen hier, 't was eenen fijnen regel,Al 'tgeen hier werd beloofd hield vast als eenen zegel.Fy! schamen moeten zich, die nu met hunnen mondBeloven dit of dat, en breken 't weêr terstond.Wie iemand iets belooft (past wel op deze leere!)Is door zijn eigen woord verbonden aan den Heere.Wie zijn beloft dan breekt, die breekt een heilig slot,En spot met geenen mensch, maar met den hoogen God.Dus als gij iets belooft, ziet of gij 't ook kunt boeten[326],Want 't is een schuld, die gij zult God betalen moeten.Wie zijn verbond niet acht, en zijn beloft vergeet,Heeft een twee-snijdend zweerd voor zijnen hals gesmeed.LX.(IJDELE ROEM.)Aanmerkt, hoe Firmius, gelijk de dwaze doren[327],Ons zijne kracht laat zien, en zijne sterkheid hooren.Jerem. 9.De sterke wachte zich (hoe krachtig hij zich noeme),Dat in zijn groote kracht hij niet te zeer en roeme.Zoo sterk was Firmius van lichaam en van leden,Dat, klits-klats, klits-klats, hij met hameren liet smedenOp een zwaar aanbeeld, daar zijn lichaam onder lag;Want nooit verstaalder mensch men immermeer en zag.Maar of schoon zulken kracht hij hadde vande GodheidOntvangen, niettemin was 't wel eene groote zotheid,Dat hij met zulk gevaar beproefde zijne kracht;De wijze man[328]zijn doen bespottet en belacht:De kracht des lichaams ons nature niet geschonkenEn heeft, op dat wij daar meê heerlijkzoudenpronken,Noch om door ijdele eer daardoor te zijn beromd[329],Maar nutten[330]dankbaar die, daar 't ons te passe komt.LXI.(MISBRUIKTE KRACHT.)De sterke Milon hier een ieder wil ontluiken[331],Dat elk verhoeden zal zijn gaven te misbruiken.Judic. 16.Of schoon de Nazareen[332]had veel gewelds bedreven,Zoo bracht zijn sterkheid hem ten laatste toch om 't leven.De sterkheid Milons wordt gedacht van ons voorouders,Die eenen grooten stier, geladen op zijn schouders,Licht op eens hoogen bergs verheven spitse droeg,Alwaar hij met zijn vuist hem dood ter aarden sloeg,En eindelijk zijn maal daarmede heeft gehouwen[333]:D' hoofd-slapen hij bewrong met dik gedraaide touwen,En zijn hoofd-zenuwen zoo krachtig hij verhief,Dat alles brak in twee, het was dan leed of lief[334]:Hoe geerne wilde ik zien, dat iemand hem ontrukteDen appel, dien hij met vier vingeren omdrukte:Maar door verwaandheid (laas!) hem eindelijk, hoe vroom[335],Zijn eigen kracht bedroog, toen eenen dikken boomOm scheuren hij met beî zijn handen heeft gegrepen;Want als de klove sloot bleef hij daar in genepen,In 't woeste en eenzaam woud verlaten in zijn smert,Tot hij een gretig[336]aas der wilder[337]dieren werd.Dus wie zijn kracht misbruikt, gedijt ze nog in 't endeTot zijnes[338]meesters straf, met droefheid en ellende.LXII.(GIERIGHEID.)'t Is Tantalus, die hier in 't water werd gepijnd,Die dorst en honger lijdt, en nimmermeer verdwijnt[339].Sap. 11.Daar hier de mensche in heeft gezondigd in dit dal,Hij wederom zijn straf daarin ook dragen zal.Eilacen! Tantalus, die niet[340]en kan verwinnen[341],Ligt inde Helle-vliet begraven totter kinnen[342];Hem hongert en hem dorst, dat hij van smerten krijst[343],En nimmermeer wordt hij gelavet[344]noch gespijsd,Maar stadig aan getergd: hij staat diep inden grondeDes waters, en de vrucht hangt boven zijnen monde:Zoo hij naar 't water bukt, ontzinket hem de stroom,En grijpt hij naar de vrucht, zoo wijkt den Appel-boom.Maar, lieve! zegt mij doch, is niet des gier'gen herteAls Tantalus gepijnd, en heeft gelijke smerte?Vermits 't vervloekte goud, daar hij op is belust,Nog nooit heeft zijnen dorst en honger uitgebluscht;Hij gaapt altijd naar goud, en hoe veel gele slijkeHij vreet en inneslokt, zoo'n is hij nimmer rijke,Maar in zijn goed verarmd: zoo dikwijls als hij haptNaar goud en zilver, hem 't genoegen wordt ontsnapt[345]:Hij derf[346]naauw zijnen darm met 's lichaams nooddruft vullen,En warmt hem bij den heerd naauw bij een hand-vol krullen:Hij heeft altijd het goud als eenen wolf bij 't oor,Hij rammelt nacht en dag in zijn vervloekt tresoor:Het goud is zijnen God, dat eert hij langs hoe kloeker,Hij kankert[347]de gemeent met overbaat[348]en woeker,En als hij sterven zal, zoo is al zijn beklag,Dat hij zijn geld hier laat, en niet meê dragen mag.LXIII.(DRONKENSCHAP.)
Een leerrijk voorbeeld van een schipper (naar mijn oordeel),Die met zijn schade zocht zijns naastens meeste voordeel.Proverb. 11.Die 't koren zoldert, heeft zijn vloekers en benijders,Maar die het mild verkoopt heeft veel gebenedijders.De magre diere[253]tijd, schier tot in 't graf des doodes,Verdrukte de gemeente, in de oude stad van Rhodes;Waarom de mare[254]vast, met hare groote trom[255],Opwekte 't naaste land, tot troost en hulp alom,Tot dat'er eindelijk drie schepen, zwaar geladen,Met terwe kwamen aan, om ieder te verzaden;Maar naauwlijks raakten zij uit de ongestuime zee,En wierpen 't anker uit, of kwamen op de reê,Of de opper-stierman roept, zoo luide als hij mag brullen:"O borgers! hier is graan, om uw gebrek vervullen;Maar koopt niet al te dier, of immers maar ter nood[256],Want daar komt achter mij nog een geheele vloot;Dus houdt een leege[257]markt, en willet[258]niet opsteken,Want daar is voor de hand meer als u mag[259]ontbreken."Graan-koopers u vrij schaamt, als gij u niet verkloekt[260],En met uw schade aldus 't gemeene beste zoekt,Wanneer gij, gierig om een hooge markt verwerven,Uw koren-zolders sluit, en latet graan verderven,God geeft ook wieder vast[261]met kommer en geduld,Als uwen aas-zak maar is tot de keel vervuld;Peinst vrijelijken[262], dat des rechters ooren tuiten,Die eens op 't lest voor u zal 's Hemels schuren sluiten;Als gij dan klaagt en kermt, wordt ijdel uwe hoop,Wanneer hij zeggen zal: "mijn graan is niet te koop!"
Een leerrijk voorbeeld van een schipper (naar mijn oordeel),Die met zijn schade zocht zijns naastens meeste voordeel.Proverb. 11.Die 't koren zoldert, heeft zijn vloekers en benijders,Maar die het mild verkoopt heeft veel gebenedijders.De magre diere[253]tijd, schier tot in 't graf des doodes,Verdrukte de gemeente, in de oude stad van Rhodes;Waarom de mare[254]vast, met hare groote trom[255],Opwekte 't naaste land, tot troost en hulp alom,Tot dat'er eindelijk drie schepen, zwaar geladen,Met terwe kwamen aan, om ieder te verzaden;Maar naauwlijks raakten zij uit de ongestuime zee,En wierpen 't anker uit, of kwamen op de reê,Of de opper-stierman roept, zoo luide als hij mag brullen:"O borgers! hier is graan, om uw gebrek vervullen;Maar koopt niet al te dier, of immers maar ter nood[256],Want daar komt achter mij nog een geheele vloot;Dus houdt een leege[257]markt, en willet[258]niet opsteken,Want daar is voor de hand meer als u mag[259]ontbreken."Graan-koopers u vrij schaamt, als gij u niet verkloekt[260],En met uw schade aldus 't gemeene beste zoekt,Wanneer gij, gierig om een hooge markt verwerven,Uw koren-zolders sluit, en latet graan verderven,God geeft ook wieder vast[261]met kommer en geduld,Als uwen aas-zak maar is tot de keel vervuld;Peinst vrijelijken[262], dat des rechters ooren tuiten,Die eens op 't lest voor u zal 's Hemels schuren sluiten;Als gij dan klaagt en kermt, wordt ijdel uwe hoop,Wanneer hij zeggen zal: "mijn graan is niet te koop!"
Een leerrijk voorbeeld van een schipper (naar mijn oordeel),Die met zijn schade zocht zijns naastens meeste voordeel.Proverb. 11.Die 't koren zoldert, heeft zijn vloekers en benijders,Maar die het mild verkoopt heeft veel gebenedijders.
Een leerrijk voorbeeld van een schipper (naar mijn oordeel),
Die met zijn schade zocht zijns naastens meeste voordeel.
Proverb. 11.
Die 't koren zoldert, heeft zijn vloekers en benijders,
Maar die het mild verkoopt heeft veel gebenedijders.
De magre diere[253]tijd, schier tot in 't graf des doodes,Verdrukte de gemeente, in de oude stad van Rhodes;Waarom de mare[254]vast, met hare groote trom[255],Opwekte 't naaste land, tot troost en hulp alom,Tot dat'er eindelijk drie schepen, zwaar geladen,Met terwe kwamen aan, om ieder te verzaden;Maar naauwlijks raakten zij uit de ongestuime zee,En wierpen 't anker uit, of kwamen op de reê,Of de opper-stierman roept, zoo luide als hij mag brullen:"O borgers! hier is graan, om uw gebrek vervullen;Maar koopt niet al te dier, of immers maar ter nood[256],Want daar komt achter mij nog een geheele vloot;Dus houdt een leege[257]markt, en willet[258]niet opsteken,Want daar is voor de hand meer als u mag[259]ontbreken."Graan-koopers u vrij schaamt, als gij u niet verkloekt[260],En met uw schade aldus 't gemeene beste zoekt,Wanneer gij, gierig om een hooge markt verwerven,Uw koren-zolders sluit, en latet graan verderven,God geeft ook wieder vast[261]met kommer en geduld,Als uwen aas-zak maar is tot de keel vervuld;Peinst vrijelijken[262], dat des rechters ooren tuiten,Die eens op 't lest voor u zal 's Hemels schuren sluiten;Als gij dan klaagt en kermt, wordt ijdel uwe hoop,Wanneer hij zeggen zal: "mijn graan is niet te koop!"
De magre diere[253]tijd, schier tot in 't graf des doodes,
Verdrukte de gemeente, in de oude stad van Rhodes;
Waarom de mare[254]vast, met hare groote trom[255],
Opwekte 't naaste land, tot troost en hulp alom,
Tot dat'er eindelijk drie schepen, zwaar geladen,
Met terwe kwamen aan, om ieder te verzaden;
Maar naauwlijks raakten zij uit de ongestuime zee,
En wierpen 't anker uit, of kwamen op de reê,
Of de opper-stierman roept, zoo luide als hij mag brullen:
"O borgers! hier is graan, om uw gebrek vervullen;
Maar koopt niet al te dier, of immers maar ter nood[256],
Want daar komt achter mij nog een geheele vloot;
Dus houdt een leege[257]markt, en willet[258]niet opsteken,
Want daar is voor de hand meer als u mag[259]ontbreken."
Graan-koopers u vrij schaamt, als gij u niet verkloekt[260],
En met uw schade aldus 't gemeene beste zoekt,
Wanneer gij, gierig om een hooge markt verwerven,
Uw koren-zolders sluit, en latet graan verderven,
God geeft ook wieder vast[261]met kommer en geduld,
Als uwen aas-zak maar is tot de keel vervuld;
Peinst vrijelijken[262], dat des rechters ooren tuiten,
Die eens op 't lest voor u zal 's Hemels schuren sluiten;
Als gij dan klaagt en kermt, wordt ijdel uwe hoop,
Wanneer hij zeggen zal: "mijn graan is niet te koop!"
Aanmerkt dit vonnis doch, hoe aardig en hoe naakteEen van drie broeders naast des vaders hert geraakte.3Regum, 3.Den twist die Salomon kon scheiden t' geender ure,Slist hij door middel van de levende nature.De dood nam onverziens weg eenen auden vader,Die in de wereld nog drie zonen liet te gader;Twee waren al van één, maar van een ander bedDe derde zone was; waarom dat altemetDe twist hoe lang hoe meer oprees na 's vaders sterven,Wie van hun drie gebroêrs des vaders goed zoude erven.Maar als noch wet, noch lot hen scheiden mocht als vriend,Zoo hebben zij hun zaak den rechter aangediend:De rechter, om veel eer[263]hun twist-gekijf te slechten,Deed 's vaders doode lijf aan eenen boom oprechten,En sprak: het goed zal hem geworden met der ijl,Die naast des vaders hart kan treffen met den pijl:De twee die schoten heen, de jongste, met verblooden[264],Sprak: liever dan zulks doen, ik sterve duizend dooden.Nature toonde door dit medelijden ras.Dat hij den erfgenaam, en ook met eenen wasDen genen, die het hart des vaders naast doorkliefde,Met geenen stalen schicht, maar met een rechte liefde.
Aanmerkt dit vonnis doch, hoe aardig en hoe naakteEen van drie broeders naast des vaders hert geraakte.3Regum, 3.Den twist die Salomon kon scheiden t' geender ure,Slist hij door middel van de levende nature.De dood nam onverziens weg eenen auden vader,Die in de wereld nog drie zonen liet te gader;Twee waren al van één, maar van een ander bedDe derde zone was; waarom dat altemetDe twist hoe lang hoe meer oprees na 's vaders sterven,Wie van hun drie gebroêrs des vaders goed zoude erven.Maar als noch wet, noch lot hen scheiden mocht als vriend,Zoo hebben zij hun zaak den rechter aangediend:De rechter, om veel eer[263]hun twist-gekijf te slechten,Deed 's vaders doode lijf aan eenen boom oprechten,En sprak: het goed zal hem geworden met der ijl,Die naast des vaders hart kan treffen met den pijl:De twee die schoten heen, de jongste, met verblooden[264],Sprak: liever dan zulks doen, ik sterve duizend dooden.Nature toonde door dit medelijden ras.Dat hij den erfgenaam, en ook met eenen wasDen genen, die het hart des vaders naast doorkliefde,Met geenen stalen schicht, maar met een rechte liefde.
Aanmerkt dit vonnis doch, hoe aardig en hoe naakteEen van drie broeders naast des vaders hert geraakte.3Regum, 3.Den twist die Salomon kon scheiden t' geender ure,Slist hij door middel van de levende nature.
Aanmerkt dit vonnis doch, hoe aardig en hoe naakte
Een van drie broeders naast des vaders hert geraakte.
3Regum, 3.
Den twist die Salomon kon scheiden t' geender ure,
Slist hij door middel van de levende nature.
De dood nam onverziens weg eenen auden vader,Die in de wereld nog drie zonen liet te gader;Twee waren al van één, maar van een ander bedDe derde zone was; waarom dat altemetDe twist hoe lang hoe meer oprees na 's vaders sterven,Wie van hun drie gebroêrs des vaders goed zoude erven.Maar als noch wet, noch lot hen scheiden mocht als vriend,Zoo hebben zij hun zaak den rechter aangediend:De rechter, om veel eer[263]hun twist-gekijf te slechten,Deed 's vaders doode lijf aan eenen boom oprechten,En sprak: het goed zal hem geworden met der ijl,Die naast des vaders hart kan treffen met den pijl:De twee die schoten heen, de jongste, met verblooden[264],Sprak: liever dan zulks doen, ik sterve duizend dooden.Nature toonde door dit medelijden ras.Dat hij den erfgenaam, en ook met eenen wasDen genen, die het hart des vaders naast doorkliefde,Met geenen stalen schicht, maar met een rechte liefde.
De dood nam onverziens weg eenen auden vader,
Die in de wereld nog drie zonen liet te gader;
Twee waren al van één, maar van een ander bed
De derde zone was; waarom dat altemet
De twist hoe lang hoe meer oprees na 's vaders sterven,
Wie van hun drie gebroêrs des vaders goed zoude erven.
Maar als noch wet, noch lot hen scheiden mocht als vriend,
Zoo hebben zij hun zaak den rechter aangediend:
De rechter, om veel eer[263]hun twist-gekijf te slechten,
Deed 's vaders doode lijf aan eenen boom oprechten,
En sprak: het goed zal hem geworden met der ijl,
Die naast des vaders hart kan treffen met den pijl:
De twee die schoten heen, de jongste, met verblooden[264],
Sprak: liever dan zulks doen, ik sterve duizend dooden.
Nature toonde door dit medelijden ras.
Dat hij den erfgenaam, en ook met eenen was
Den genen, die het hart des vaders naast doorkliefde,
Met geenen stalen schicht, maar met een rechte liefde.
De moeder, die de jeugd wil voor de roên verschoonenDie schendt heur aangezicht, en worgt[265]heur eigen zonen.Eccles. 30.Die zijnen zone lieft, hem matig zal kastijden,Op dat hij in den dag der oudheid[266]mag verblijden.Eer de misdadige zal door een ken'pen[267]vensterAanschouwen van het licht den laatsten straal of glenster[268],Hij zijne moeder kust, en rooft voor 't hoog gerichtMet zijne tanden heur den neus van 't aangezicht:"Omstanders!" (zegt hij) "hoort, want[269]d'oorzaak van mijn lijdenMijn eigen moeder is, vermids zij met kastijdenNooit mijnen kwaden aard getemd heeft voor den val,Zij altijd na mijn dood (tot ieders spiegel) zalDit teeken voeren, op dat andere ouders leerenHun kind'ren op te voên in alle tucht des Heeren."De moeder, die heur kind niet in de jonkheid temt,Van een recht moeders hert is t' eenemaal vervremd:Dit 't kind geeft lossen toom in alle zijn wellusten,Zal met der tijd allengs een monsterdier toerusten:De stramen[270]in den neers van een kwaad kind gewisHet recht merkteeken van een goede moeder is,Die heuren zoon bemint, op dat, na al heur slaven,Zij niet een galgen-aas gevoed heeft voor de raven.
De moeder, die de jeugd wil voor de roên verschoonenDie schendt heur aangezicht, en worgt[265]heur eigen zonen.Eccles. 30.Die zijnen zone lieft, hem matig zal kastijden,Op dat hij in den dag der oudheid[266]mag verblijden.Eer de misdadige zal door een ken'pen[267]vensterAanschouwen van het licht den laatsten straal of glenster[268],Hij zijne moeder kust, en rooft voor 't hoog gerichtMet zijne tanden heur den neus van 't aangezicht:"Omstanders!" (zegt hij) "hoort, want[269]d'oorzaak van mijn lijdenMijn eigen moeder is, vermids zij met kastijdenNooit mijnen kwaden aard getemd heeft voor den val,Zij altijd na mijn dood (tot ieders spiegel) zalDit teeken voeren, op dat andere ouders leerenHun kind'ren op te voên in alle tucht des Heeren."De moeder, die heur kind niet in de jonkheid temt,Van een recht moeders hert is t' eenemaal vervremd:Dit 't kind geeft lossen toom in alle zijn wellusten,Zal met der tijd allengs een monsterdier toerusten:De stramen[270]in den neers van een kwaad kind gewisHet recht merkteeken van een goede moeder is,Die heuren zoon bemint, op dat, na al heur slaven,Zij niet een galgen-aas gevoed heeft voor de raven.
De moeder, die de jeugd wil voor de roên verschoonenDie schendt heur aangezicht, en worgt[265]heur eigen zonen.Eccles. 30.Die zijnen zone lieft, hem matig zal kastijden,Op dat hij in den dag der oudheid[266]mag verblijden.
De moeder, die de jeugd wil voor de roên verschoonen
Die schendt heur aangezicht, en worgt[265]heur eigen zonen.
Eccles. 30.
Die zijnen zone lieft, hem matig zal kastijden,
Op dat hij in den dag der oudheid[266]mag verblijden.
Eer de misdadige zal door een ken'pen[267]vensterAanschouwen van het licht den laatsten straal of glenster[268],Hij zijne moeder kust, en rooft voor 't hoog gerichtMet zijne tanden heur den neus van 't aangezicht:"Omstanders!" (zegt hij) "hoort, want[269]d'oorzaak van mijn lijdenMijn eigen moeder is, vermids zij met kastijdenNooit mijnen kwaden aard getemd heeft voor den val,Zij altijd na mijn dood (tot ieders spiegel) zalDit teeken voeren, op dat andere ouders leerenHun kind'ren op te voên in alle tucht des Heeren."De moeder, die heur kind niet in de jonkheid temt,Van een recht moeders hert is t' eenemaal vervremd:Dit 't kind geeft lossen toom in alle zijn wellusten,Zal met der tijd allengs een monsterdier toerusten:De stramen[270]in den neers van een kwaad kind gewisHet recht merkteeken van een goede moeder is,Die heuren zoon bemint, op dat, na al heur slaven,Zij niet een galgen-aas gevoed heeft voor de raven.
Eer de misdadige zal door een ken'pen[267]venster
Aanschouwen van het licht den laatsten straal of glenster[268],
Hij zijne moeder kust, en rooft voor 't hoog gericht
Met zijne tanden heur den neus van 't aangezicht:
"Omstanders!" (zegt hij) "hoort, want[269]d'oorzaak van mijn lijden
Mijn eigen moeder is, vermids zij met kastijden
Nooit mijnen kwaden aard getemd heeft voor den val,
Zij altijd na mijn dood (tot ieders spiegel) zal
Dit teeken voeren, op dat andere ouders leeren
Hun kind'ren op te voên in alle tucht des Heeren."
De moeder, die heur kind niet in de jonkheid temt,
Van een recht moeders hert is t' eenemaal vervremd:
Dit 't kind geeft lossen toom in alle zijn wellusten,
Zal met der tijd allengs een monsterdier toerusten:
De stramen[270]in den neers van een kwaad kind gewis
Het recht merkteeken van een goede moeder is,
Die heuren zoon bemint, op dat, na al heur slaven,
Zij niet een galgen-aas gevoed heeft voor de raven.
Terwijlen Hercles slaapt aldaar[271]hij is gelegen,Figuurlijk hem vertoond zijn twee verscheiden wegen.Math. 7.De weg na d'eeuw'gen dood, is ruim, is wijd, en breed,Maar enge en smal den pad, die tot den leven leedt[272].Terwijl Alcides[273]lag, met Lethes zachte stromenBesprenget[274]van den slaap, 's doods zuster, zag hij komenTwee schoone nymfen, of goddinnen, met geneugt,De een was Wellustigheid, en de ander was de Deugd:De wellust kwam zeer zoet gelijk den morgen blozen,De weg al waar zij liep beschilderd was met rozen,Den ingang, die was breed: maar weêr in 't jegendeel[275]Den uitgang naauw en scherp, vol droefheid al geheel.De deugd, de witte deugd, door doornen en door struikenWees eenen engen pad, schier naauwlijks om gebruiken;Maar, hoe men dieper zag, hoe blijder hij met lustIn 't einde mede bracht een aangename rust.Dus stond van deze twee hem 't aldernutst te kiezen;Die 't eene winnen wil het ander zal verliezen.
Terwijlen Hercles slaapt aldaar[271]hij is gelegen,Figuurlijk hem vertoond zijn twee verscheiden wegen.Math. 7.De weg na d'eeuw'gen dood, is ruim, is wijd, en breed,Maar enge en smal den pad, die tot den leven leedt[272].Terwijl Alcides[273]lag, met Lethes zachte stromenBesprenget[274]van den slaap, 's doods zuster, zag hij komenTwee schoone nymfen, of goddinnen, met geneugt,De een was Wellustigheid, en de ander was de Deugd:De wellust kwam zeer zoet gelijk den morgen blozen,De weg al waar zij liep beschilderd was met rozen,Den ingang, die was breed: maar weêr in 't jegendeel[275]Den uitgang naauw en scherp, vol droefheid al geheel.De deugd, de witte deugd, door doornen en door struikenWees eenen engen pad, schier naauwlijks om gebruiken;Maar, hoe men dieper zag, hoe blijder hij met lustIn 't einde mede bracht een aangename rust.Dus stond van deze twee hem 't aldernutst te kiezen;Die 't eene winnen wil het ander zal verliezen.
Terwijlen Hercles slaapt aldaar[271]hij is gelegen,Figuurlijk hem vertoond zijn twee verscheiden wegen.Math. 7.De weg na d'eeuw'gen dood, is ruim, is wijd, en breed,Maar enge en smal den pad, die tot den leven leedt[272].
Terwijlen Hercles slaapt aldaar[271]hij is gelegen,
Figuurlijk hem vertoond zijn twee verscheiden wegen.
Math. 7.
De weg na d'eeuw'gen dood, is ruim, is wijd, en breed,
Maar enge en smal den pad, die tot den leven leedt[272].
Terwijl Alcides[273]lag, met Lethes zachte stromenBesprenget[274]van den slaap, 's doods zuster, zag hij komenTwee schoone nymfen, of goddinnen, met geneugt,De een was Wellustigheid, en de ander was de Deugd:De wellust kwam zeer zoet gelijk den morgen blozen,De weg al waar zij liep beschilderd was met rozen,Den ingang, die was breed: maar weêr in 't jegendeel[275]Den uitgang naauw en scherp, vol droefheid al geheel.De deugd, de witte deugd, door doornen en door struikenWees eenen engen pad, schier naauwlijks om gebruiken;Maar, hoe men dieper zag, hoe blijder hij met lustIn 't einde mede bracht een aangename rust.Dus stond van deze twee hem 't aldernutst te kiezen;Die 't eene winnen wil het ander zal verliezen.
Terwijl Alcides[273]lag, met Lethes zachte stromen
Besprenget[274]van den slaap, 's doods zuster, zag hij komen
Twee schoone nymfen, of goddinnen, met geneugt,
De een was Wellustigheid, en de ander was de Deugd:
De wellust kwam zeer zoet gelijk den morgen blozen,
De weg al waar zij liep beschilderd was met rozen,
Den ingang, die was breed: maar weêr in 't jegendeel[275]
Den uitgang naauw en scherp, vol droefheid al geheel.
De deugd, de witte deugd, door doornen en door struiken
Wees eenen engen pad, schier naauwlijks om gebruiken;
Maar, hoe men dieper zag, hoe blijder hij met lust
In 't einde mede bracht een aangename rust.
Dus stond van deze twee hem 't aldernutst te kiezen;
Die 't eene winnen wil het ander zal verliezen.
Een algemeene leer van 't nieuwe boter-vat,Dat zijnen reuk behoudt naar 't eerste sap of nat.Proverb. 22.De leere, die het kind is in de jeugd gegeven,Gemeenelijk zal het behouden al zijn leven.Het is nog hedendaags een algemeene spreuke:"'t Vat houdt naar 't eerste sap doch altijd zijnen reuke."Dit heeft Lycurgus eer natuurlijk op het blootst[276],Met eenen ranken wind- en huishond uitgebootst;De windhond brij en pap had altijd in de koken[277],De huishond op de jacht 't gevangen wild geroken;Dees bracht hij beide op 't leste in 't openbaar ten toon,Elk koos van stonden aan het geen hij was gewoon:De windhond koos den brij, en de ander koos het wildbraad,En eten 't t'zamen op, eer een van beiden stil staat.O ouders! leert hier uit, eer gij u doet te kort,'t Kind aardt naar 't gene hem van jongs is ingestort,Dus houdet[278]van der jeugd in eenen goeden regel,En drukt hem in 't gemoed de deugd als eenen zegel,Want 's kinds herte is als wasch, waar in gedweeg en mildDe meester prent en drukt de letter, die hij wilt[279].
Een algemeene leer van 't nieuwe boter-vat,Dat zijnen reuk behoudt naar 't eerste sap of nat.Proverb. 22.De leere, die het kind is in de jeugd gegeven,Gemeenelijk zal het behouden al zijn leven.Het is nog hedendaags een algemeene spreuke:"'t Vat houdt naar 't eerste sap doch altijd zijnen reuke."Dit heeft Lycurgus eer natuurlijk op het blootst[276],Met eenen ranken wind- en huishond uitgebootst;De windhond brij en pap had altijd in de koken[277],De huishond op de jacht 't gevangen wild geroken;Dees bracht hij beide op 't leste in 't openbaar ten toon,Elk koos van stonden aan het geen hij was gewoon:De windhond koos den brij, en de ander koos het wildbraad,En eten 't t'zamen op, eer een van beiden stil staat.O ouders! leert hier uit, eer gij u doet te kort,'t Kind aardt naar 't gene hem van jongs is ingestort,Dus houdet[278]van der jeugd in eenen goeden regel,En drukt hem in 't gemoed de deugd als eenen zegel,Want 's kinds herte is als wasch, waar in gedweeg en mildDe meester prent en drukt de letter, die hij wilt[279].
Een algemeene leer van 't nieuwe boter-vat,Dat zijnen reuk behoudt naar 't eerste sap of nat.Proverb. 22.De leere, die het kind is in de jeugd gegeven,Gemeenelijk zal het behouden al zijn leven.
Een algemeene leer van 't nieuwe boter-vat,
Dat zijnen reuk behoudt naar 't eerste sap of nat.
Proverb. 22.
De leere, die het kind is in de jeugd gegeven,
Gemeenelijk zal het behouden al zijn leven.
Het is nog hedendaags een algemeene spreuke:"'t Vat houdt naar 't eerste sap doch altijd zijnen reuke."Dit heeft Lycurgus eer natuurlijk op het blootst[276],Met eenen ranken wind- en huishond uitgebootst;De windhond brij en pap had altijd in de koken[277],De huishond op de jacht 't gevangen wild geroken;Dees bracht hij beide op 't leste in 't openbaar ten toon,Elk koos van stonden aan het geen hij was gewoon:De windhond koos den brij, en de ander koos het wildbraad,En eten 't t'zamen op, eer een van beiden stil staat.O ouders! leert hier uit, eer gij u doet te kort,'t Kind aardt naar 't gene hem van jongs is ingestort,Dus houdet[278]van der jeugd in eenen goeden regel,En drukt hem in 't gemoed de deugd als eenen zegel,Want 's kinds herte is als wasch, waar in gedweeg en mildDe meester prent en drukt de letter, die hij wilt[279].
Het is nog hedendaags een algemeene spreuke:
"'t Vat houdt naar 't eerste sap doch altijd zijnen reuke."
Dit heeft Lycurgus eer natuurlijk op het blootst[276],
Met eenen ranken wind- en huishond uitgebootst;
De windhond brij en pap had altijd in de koken[277],
De huishond op de jacht 't gevangen wild geroken;
Dees bracht hij beide op 't leste in 't openbaar ten toon,
Elk koos van stonden aan het geen hij was gewoon:
De windhond koos den brij, en de ander koos het wildbraad,
En eten 't t'zamen op, eer een van beiden stil staat.
O ouders! leert hier uit, eer gij u doet te kort,
't Kind aardt naar 't gene hem van jongs is ingestort,
Dus houdet[278]van der jeugd in eenen goeden regel,
En drukt hem in 't gemoed de deugd als eenen zegel,
Want 's kinds herte is als wasch, waar in gedweeg en mild
De meester prent en drukt de letter, die hij wilt[279].
Gij ziet 't gebreideld ros hier met een vrouw beladen,Die elk verwonderd heeft met mannelijke daden.Judith. 13.Bethulia, door Gods en Judiths tegenweer,Nam Holofernes 't hoofd, en sloeg het gansche heir.Ziet, hoe een man'lijk hert schuilt onder vrouwenkleed'ren;Ziet, hoe Semiramis stelt 't heer in zijn geleedren,Ziet, hoe kloekmoedig zij, gezeten op het peerd,Grijpt met de een hand den toom, met de ander hand het zweerd;Hoe de afkomst van heur bloed, en koninklijken adelZij niet op 't bedde toont, maar op[280]den gouden zadel,En rijst nog 's morgens vroeg, vóór 't blinken vande zon,Als eenen bliksem op naar 't pratte Babylon;Zij strijdt, zij overwint, zij slaat den vijand t' onder,En, met veel wapen-roofs, keert weêr als eenen donder;Ziet, hoe zij heur paruik[281]diep inde palmen bergt,Hij ligt al onder voet, die heur ten strijde tergt.
Gij ziet 't gebreideld ros hier met een vrouw beladen,Die elk verwonderd heeft met mannelijke daden.Judith. 13.Bethulia, door Gods en Judiths tegenweer,Nam Holofernes 't hoofd, en sloeg het gansche heir.Ziet, hoe een man'lijk hert schuilt onder vrouwenkleed'ren;Ziet, hoe Semiramis stelt 't heer in zijn geleedren,Ziet, hoe kloekmoedig zij, gezeten op het peerd,Grijpt met de een hand den toom, met de ander hand het zweerd;Hoe de afkomst van heur bloed, en koninklijken adelZij niet op 't bedde toont, maar op[280]den gouden zadel,En rijst nog 's morgens vroeg, vóór 't blinken vande zon,Als eenen bliksem op naar 't pratte Babylon;Zij strijdt, zij overwint, zij slaat den vijand t' onder,En, met veel wapen-roofs, keert weêr als eenen donder;Ziet, hoe zij heur paruik[281]diep inde palmen bergt,Hij ligt al onder voet, die heur ten strijde tergt.
Gij ziet 't gebreideld ros hier met een vrouw beladen,Die elk verwonderd heeft met mannelijke daden.Judith. 13.Bethulia, door Gods en Judiths tegenweer,Nam Holofernes 't hoofd, en sloeg het gansche heir.
Gij ziet 't gebreideld ros hier met een vrouw beladen,
Die elk verwonderd heeft met mannelijke daden.
Judith. 13.
Bethulia, door Gods en Judiths tegenweer,
Nam Holofernes 't hoofd, en sloeg het gansche heir.
Ziet, hoe een man'lijk hert schuilt onder vrouwenkleed'ren;Ziet, hoe Semiramis stelt 't heer in zijn geleedren,Ziet, hoe kloekmoedig zij, gezeten op het peerd,Grijpt met de een hand den toom, met de ander hand het zweerd;Hoe de afkomst van heur bloed, en koninklijken adelZij niet op 't bedde toont, maar op[280]den gouden zadel,En rijst nog 's morgens vroeg, vóór 't blinken vande zon,Als eenen bliksem op naar 't pratte Babylon;Zij strijdt, zij overwint, zij slaat den vijand t' onder,En, met veel wapen-roofs, keert weêr als eenen donder;Ziet, hoe zij heur paruik[281]diep inde palmen bergt,Hij ligt al onder voet, die heur ten strijde tergt.
Ziet, hoe een man'lijk hert schuilt onder vrouwenkleed'ren;
Ziet, hoe Semiramis stelt 't heer in zijn geleedren,
Ziet, hoe kloekmoedig zij, gezeten op het peerd,
Grijpt met de een hand den toom, met de ander hand het zweerd;
Hoe de afkomst van heur bloed, en koninklijken adel
Zij niet op 't bedde toont, maar op[280]den gouden zadel,
En rijst nog 's morgens vroeg, vóór 't blinken vande zon,
Als eenen bliksem op naar 't pratte Babylon;
Zij strijdt, zij overwint, zij slaat den vijand t' onder,
En, met veel wapen-roofs, keert weêr als eenen donder;
Ziet, hoe zij heur paruik[281]diep inde palmen bergt,
Hij ligt al onder voet, die heur ten strijde tergt.
Tomiris Cyrum slaat, en zijnen dooden kop,(Tot wraak van haren zoon) werpt in een bloedig sop.Job, 15.De goddelooze mensch leeft altijd in bezwaren,Ook en weet de tyran 't getal niet van zijn jaren.'t Was Cyro[282]niet genoeg, dat zijne kroon bepereldWas met den halven kreits of ommeloop der wereld,Hij moest in Schyten[283]nog den kloeken wapen-held,Tomiris liefste zoon, begraven in het veld.De moeder is bedroefd, heur oogen tranen leken[284],Zij trekt het harnas aan om heurs zoons dood te wreken."O Cyre, wreed tyran! ziet, wie gij hebt getergd!"(Zegt zij) "ik zal u biên het voorhoofd[285]in 't gebergt,Daar gij het dorstig zand met mijnen bloede drenkten".Zij trekt hem in 't gemoet, en slaat hem inder engten,Met al zijn oorlogs-heer, in 't krieken vanden dag,Dat niet een overblijft, die 't na vertellen mag.De strijd is naauw ge-eind, of zij gaat heur verkloeken,En onder zoo veel doôn den dooden Cyrum zoeken,Zoo lange zij[286]hem vindt; en laat van stonden aanZijn bleek besturven hoofd van zijn koud lichaam slaan:Het konings-hoofd zij neemt met eenen grammen moede,En worpet[287]in een vat, dat vol is vanden bloedeVan zijn verslagen volk; "ligt (zegt zij) daar in 't nat,Du[288], bloed-tyran! die nooit waart van den bloede zat."Aldus wie bloed vergiet ('t is zoo van God besloten)Diens bloed wordt uitgestort, en wederom vergoten.
Tomiris Cyrum slaat, en zijnen dooden kop,(Tot wraak van haren zoon) werpt in een bloedig sop.Job, 15.De goddelooze mensch leeft altijd in bezwaren,Ook en weet de tyran 't getal niet van zijn jaren.'t Was Cyro[282]niet genoeg, dat zijne kroon bepereldWas met den halven kreits of ommeloop der wereld,Hij moest in Schyten[283]nog den kloeken wapen-held,Tomiris liefste zoon, begraven in het veld.De moeder is bedroefd, heur oogen tranen leken[284],Zij trekt het harnas aan om heurs zoons dood te wreken."O Cyre, wreed tyran! ziet, wie gij hebt getergd!"(Zegt zij) "ik zal u biên het voorhoofd[285]in 't gebergt,Daar gij het dorstig zand met mijnen bloede drenkten".Zij trekt hem in 't gemoet, en slaat hem inder engten,Met al zijn oorlogs-heer, in 't krieken vanden dag,Dat niet een overblijft, die 't na vertellen mag.De strijd is naauw ge-eind, of zij gaat heur verkloeken,En onder zoo veel doôn den dooden Cyrum zoeken,Zoo lange zij[286]hem vindt; en laat van stonden aanZijn bleek besturven hoofd van zijn koud lichaam slaan:Het konings-hoofd zij neemt met eenen grammen moede,En worpet[287]in een vat, dat vol is vanden bloedeVan zijn verslagen volk; "ligt (zegt zij) daar in 't nat,Du[288], bloed-tyran! die nooit waart van den bloede zat."Aldus wie bloed vergiet ('t is zoo van God besloten)Diens bloed wordt uitgestort, en wederom vergoten.
Tomiris Cyrum slaat, en zijnen dooden kop,(Tot wraak van haren zoon) werpt in een bloedig sop.Job, 15.De goddelooze mensch leeft altijd in bezwaren,Ook en weet de tyran 't getal niet van zijn jaren.
Tomiris Cyrum slaat, en zijnen dooden kop,
(Tot wraak van haren zoon) werpt in een bloedig sop.
Job, 15.
De goddelooze mensch leeft altijd in bezwaren,
Ook en weet de tyran 't getal niet van zijn jaren.
't Was Cyro[282]niet genoeg, dat zijne kroon bepereldWas met den halven kreits of ommeloop der wereld,Hij moest in Schyten[283]nog den kloeken wapen-held,Tomiris liefste zoon, begraven in het veld.De moeder is bedroefd, heur oogen tranen leken[284],Zij trekt het harnas aan om heurs zoons dood te wreken."O Cyre, wreed tyran! ziet, wie gij hebt getergd!"(Zegt zij) "ik zal u biên het voorhoofd[285]in 't gebergt,Daar gij het dorstig zand met mijnen bloede drenkten".Zij trekt hem in 't gemoet, en slaat hem inder engten,Met al zijn oorlogs-heer, in 't krieken vanden dag,Dat niet een overblijft, die 't na vertellen mag.De strijd is naauw ge-eind, of zij gaat heur verkloeken,En onder zoo veel doôn den dooden Cyrum zoeken,Zoo lange zij[286]hem vindt; en laat van stonden aanZijn bleek besturven hoofd van zijn koud lichaam slaan:Het konings-hoofd zij neemt met eenen grammen moede,En worpet[287]in een vat, dat vol is vanden bloedeVan zijn verslagen volk; "ligt (zegt zij) daar in 't nat,Du[288], bloed-tyran! die nooit waart van den bloede zat."Aldus wie bloed vergiet ('t is zoo van God besloten)Diens bloed wordt uitgestort, en wederom vergoten.
't Was Cyro[282]niet genoeg, dat zijne kroon bepereld
Was met den halven kreits of ommeloop der wereld,
Hij moest in Schyten[283]nog den kloeken wapen-held,
Tomiris liefste zoon, begraven in het veld.
De moeder is bedroefd, heur oogen tranen leken[284],
Zij trekt het harnas aan om heurs zoons dood te wreken.
"O Cyre, wreed tyran! ziet, wie gij hebt getergd!"
(Zegt zij) "ik zal u biên het voorhoofd[285]in 't gebergt,
Daar gij het dorstig zand met mijnen bloede drenkten".
Zij trekt hem in 't gemoet, en slaat hem inder engten,
Met al zijn oorlogs-heer, in 't krieken vanden dag,
Dat niet een overblijft, die 't na vertellen mag.
De strijd is naauw ge-eind, of zij gaat heur verkloeken,
En onder zoo veel doôn den dooden Cyrum zoeken,
Zoo lange zij[286]hem vindt; en laat van stonden aan
Zijn bleek besturven hoofd van zijn koud lichaam slaan:
Het konings-hoofd zij neemt met eenen grammen moede,
En worpet[287]in een vat, dat vol is vanden bloede
Van zijn verslagen volk; "ligt (zegt zij) daar in 't nat,
Du[288], bloed-tyran! die nooit waart van den bloede zat."
Aldus wie bloed vergiet ('t is zoo van God besloten)
Diens bloed wordt uitgestort, en wederom vergoten.
Ziet hoe Ulyssis maats en makkers met malkand'ren,Door Cyrce's toover-drank, in wild gediert verand'ren.2Pet. 2.De hond, die is gekeerd tot zijn uitspouwsel ras,De zeuge weêr in 't slijk, als zij gewasschen was.Ziet, hoe Ulyssis volk (in eenen storm verstekenAan 't land Cyrceum[289]vast), door Cyrce's looze trekenEn boozen toover-drank, verliezen 's lijfs gedaant;Die menschen waren eerst, zijn beesten eer men 't waant.Aanschouwer! zoo u dunkt, dat gij wel moogt[290]ontberenDees zeldzaam fabel, die (zoo 't schijnt) u niet kan leeren,Hoort, hoe de wijsheid zelf zoo aardig hier op gloost[291],Als inden kerker zij Boëthium[292]vertroost:Zijn menschheid (zegt zij) is verdwenen en verslonden,Die onderworpen is het juk der snoode zonden;Die zich in 't kwaad verkeert[293], 't zij de eene of d' ander uur,Terstond daar door verliest zijn mensch'lijke natuur:Wie door begeerlijkheid pleegt onrechtveerdig grapen[294],Is eenen wolf die zich geneeret[295]op de schapen:Die twist en tweedracht maakt, die is alreê gestraft,En eenen hond gelijk, die ieder een aanblaft:Die vrolijk is, wanneer hij iemand iets ontlorden[296],Te recht met eenen visch mag vergeleken worden;Die toornig briescht en grimt, ja, maakt een groot geschreeuw,Te recht inwendig draagt het hert van eenen leeuw;Die stadig is bezorgd met vele onnutte vreezen,Mag voor een blonde hinde of hert gehouden wezen:Die trage is, lui en bot, in wezen en in schijn,Dat moet in zijne huid wel eenen ezel zijn;Die wispelturig is, met vele onstade[297]grillen,Zal vande vogelen zoo vele niet verschillen;Die in onreinigheid en vuiligheid opwast,Is aan den snooden lust der vuiler[298]zeugen vast;En aldus wordt den mensche (ik stemme met vele ouden)Een beeste, of hij schoon 's lijfs gestalte heeft behouden.
Ziet hoe Ulyssis maats en makkers met malkand'ren,Door Cyrce's toover-drank, in wild gediert verand'ren.2Pet. 2.De hond, die is gekeerd tot zijn uitspouwsel ras,De zeuge weêr in 't slijk, als zij gewasschen was.Ziet, hoe Ulyssis volk (in eenen storm verstekenAan 't land Cyrceum[289]vast), door Cyrce's looze trekenEn boozen toover-drank, verliezen 's lijfs gedaant;Die menschen waren eerst, zijn beesten eer men 't waant.Aanschouwer! zoo u dunkt, dat gij wel moogt[290]ontberenDees zeldzaam fabel, die (zoo 't schijnt) u niet kan leeren,Hoort, hoe de wijsheid zelf zoo aardig hier op gloost[291],Als inden kerker zij Boëthium[292]vertroost:Zijn menschheid (zegt zij) is verdwenen en verslonden,Die onderworpen is het juk der snoode zonden;Die zich in 't kwaad verkeert[293], 't zij de eene of d' ander uur,Terstond daar door verliest zijn mensch'lijke natuur:Wie door begeerlijkheid pleegt onrechtveerdig grapen[294],Is eenen wolf die zich geneeret[295]op de schapen:Die twist en tweedracht maakt, die is alreê gestraft,En eenen hond gelijk, die ieder een aanblaft:Die vrolijk is, wanneer hij iemand iets ontlorden[296],Te recht met eenen visch mag vergeleken worden;Die toornig briescht en grimt, ja, maakt een groot geschreeuw,Te recht inwendig draagt het hert van eenen leeuw;Die stadig is bezorgd met vele onnutte vreezen,Mag voor een blonde hinde of hert gehouden wezen:Die trage is, lui en bot, in wezen en in schijn,Dat moet in zijne huid wel eenen ezel zijn;Die wispelturig is, met vele onstade[297]grillen,Zal vande vogelen zoo vele niet verschillen;Die in onreinigheid en vuiligheid opwast,Is aan den snooden lust der vuiler[298]zeugen vast;En aldus wordt den mensche (ik stemme met vele ouden)Een beeste, of hij schoon 's lijfs gestalte heeft behouden.
Ziet hoe Ulyssis maats en makkers met malkand'ren,Door Cyrce's toover-drank, in wild gediert verand'ren.2Pet. 2.De hond, die is gekeerd tot zijn uitspouwsel ras,De zeuge weêr in 't slijk, als zij gewasschen was.
Ziet hoe Ulyssis maats en makkers met malkand'ren,
Door Cyrce's toover-drank, in wild gediert verand'ren.
2Pet. 2.
De hond, die is gekeerd tot zijn uitspouwsel ras,
De zeuge weêr in 't slijk, als zij gewasschen was.
Ziet, hoe Ulyssis volk (in eenen storm verstekenAan 't land Cyrceum[289]vast), door Cyrce's looze trekenEn boozen toover-drank, verliezen 's lijfs gedaant;Die menschen waren eerst, zijn beesten eer men 't waant.Aanschouwer! zoo u dunkt, dat gij wel moogt[290]ontberenDees zeldzaam fabel, die (zoo 't schijnt) u niet kan leeren,Hoort, hoe de wijsheid zelf zoo aardig hier op gloost[291],Als inden kerker zij Boëthium[292]vertroost:Zijn menschheid (zegt zij) is verdwenen en verslonden,Die onderworpen is het juk der snoode zonden;Die zich in 't kwaad verkeert[293], 't zij de eene of d' ander uur,Terstond daar door verliest zijn mensch'lijke natuur:Wie door begeerlijkheid pleegt onrechtveerdig grapen[294],Is eenen wolf die zich geneeret[295]op de schapen:Die twist en tweedracht maakt, die is alreê gestraft,En eenen hond gelijk, die ieder een aanblaft:Die vrolijk is, wanneer hij iemand iets ontlorden[296],Te recht met eenen visch mag vergeleken worden;Die toornig briescht en grimt, ja, maakt een groot geschreeuw,Te recht inwendig draagt het hert van eenen leeuw;Die stadig is bezorgd met vele onnutte vreezen,Mag voor een blonde hinde of hert gehouden wezen:Die trage is, lui en bot, in wezen en in schijn,Dat moet in zijne huid wel eenen ezel zijn;Die wispelturig is, met vele onstade[297]grillen,Zal vande vogelen zoo vele niet verschillen;Die in onreinigheid en vuiligheid opwast,Is aan den snooden lust der vuiler[298]zeugen vast;En aldus wordt den mensche (ik stemme met vele ouden)Een beeste, of hij schoon 's lijfs gestalte heeft behouden.
Ziet, hoe Ulyssis volk (in eenen storm versteken
Aan 't land Cyrceum[289]vast), door Cyrce's looze treken
En boozen toover-drank, verliezen 's lijfs gedaant;
Die menschen waren eerst, zijn beesten eer men 't waant.
Aanschouwer! zoo u dunkt, dat gij wel moogt[290]ontberen
Dees zeldzaam fabel, die (zoo 't schijnt) u niet kan leeren,
Hoort, hoe de wijsheid zelf zoo aardig hier op gloost[291],
Als inden kerker zij Boëthium[292]vertroost:
Zijn menschheid (zegt zij) is verdwenen en verslonden,
Die onderworpen is het juk der snoode zonden;
Die zich in 't kwaad verkeert[293], 't zij de eene of d' ander uur,
Terstond daar door verliest zijn mensch'lijke natuur:
Wie door begeerlijkheid pleegt onrechtveerdig grapen[294],
Is eenen wolf die zich geneeret[295]op de schapen:
Die twist en tweedracht maakt, die is alreê gestraft,
En eenen hond gelijk, die ieder een aanblaft:
Die vrolijk is, wanneer hij iemand iets ontlorden[296],
Te recht met eenen visch mag vergeleken worden;
Die toornig briescht en grimt, ja, maakt een groot geschreeuw,
Te recht inwendig draagt het hert van eenen leeuw;
Die stadig is bezorgd met vele onnutte vreezen,
Mag voor een blonde hinde of hert gehouden wezen:
Die trage is, lui en bot, in wezen en in schijn,
Dat moet in zijne huid wel eenen ezel zijn;
Die wispelturig is, met vele onstade[297]grillen,
Zal vande vogelen zoo vele niet verschillen;
Die in onreinigheid en vuiligheid opwast,
Is aan den snooden lust der vuiler[298]zeugen vast;
En aldus wordt den mensche (ik stemme met vele ouden)
Een beeste, of hij schoon 's lijfs gestalte heeft behouden.
De daad Penelope's is een leerachtig[299]voorbeeld,Want met heur kuischheid zij de onkuischeid heeft veroordeeld.Eccles. 26.Een deugdzaam fijne vrouw, die eerbaar is en kuisch,Is 't beste goed des mans, en 't ciersel van heur huis.Komt bij Penelope, o, vrouwkens! hier ter scholen,Die, t'wijl Ulysses vast gaat twintig jaren dolen,(Tien jaren om de blom van Menelai hof,Waarom 't schoon Trojen werd geblixemd al tot stof;En andre jaren tien door de ongestuime baren,Waar meê hij stoffe geeft Homeri zoete snaren)Heur zuiverheid behoudt; hoe lange hij vertoeft,Zoo blijft zij hem getrouw; hoe hard zij wordt beproefdVan zoo veel welpen[300], en ontstekende[301]benijdersVan heur sneeuwwitte vleesch, 't zijn al vergeefsche strijders,Hoe zij gepijnigd wordt: "Ulysses is lang weg,Misschien door Hectors zweerd gevallen in 't beleg,Of op zijn wederkomst (dit hebdy[302]licht te gissen)Verzopen inde zee, en g'eten[303]vande visschen;"Maar als zij nu op 't lest zal laten inden strijdHet heiligst, dat zij heeft Ulyssi toegewijd,Zij hen uitstelt zoo lang, tot dat zij 't fijne webben't Welk zij begonnen heeft, zal afgeweven hebben.Hier meê zijn zij gepaaid; dus, wat zij inden dagWeeft, dat ontweeft zij 's nachts, als 't niemanden[304]en zag.O, pollen[305]! zijdy blind, gij meent den brand te blusschen,Ziet, wat zij 's nachts ontvlecht, zoolang, tot ondertusschenUlysses weêr betreedt den dorpel van zijn huis,En met zijn komst verlicht zijns vrouwen lastig kruis.De minnaars druipen weg, zij zien haast wat daar thuis leît:Dies komt de kroon heur toe van d' onverwonnen kuischeid.
De daad Penelope's is een leerachtig[299]voorbeeld,Want met heur kuischheid zij de onkuischeid heeft veroordeeld.Eccles. 26.Een deugdzaam fijne vrouw, die eerbaar is en kuisch,Is 't beste goed des mans, en 't ciersel van heur huis.Komt bij Penelope, o, vrouwkens! hier ter scholen,Die, t'wijl Ulysses vast gaat twintig jaren dolen,(Tien jaren om de blom van Menelai hof,Waarom 't schoon Trojen werd geblixemd al tot stof;En andre jaren tien door de ongestuime baren,Waar meê hij stoffe geeft Homeri zoete snaren)Heur zuiverheid behoudt; hoe lange hij vertoeft,Zoo blijft zij hem getrouw; hoe hard zij wordt beproefdVan zoo veel welpen[300], en ontstekende[301]benijdersVan heur sneeuwwitte vleesch, 't zijn al vergeefsche strijders,Hoe zij gepijnigd wordt: "Ulysses is lang weg,Misschien door Hectors zweerd gevallen in 't beleg,Of op zijn wederkomst (dit hebdy[302]licht te gissen)Verzopen inde zee, en g'eten[303]vande visschen;"Maar als zij nu op 't lest zal laten inden strijdHet heiligst, dat zij heeft Ulyssi toegewijd,Zij hen uitstelt zoo lang, tot dat zij 't fijne webben't Welk zij begonnen heeft, zal afgeweven hebben.Hier meê zijn zij gepaaid; dus, wat zij inden dagWeeft, dat ontweeft zij 's nachts, als 't niemanden[304]en zag.O, pollen[305]! zijdy blind, gij meent den brand te blusschen,Ziet, wat zij 's nachts ontvlecht, zoolang, tot ondertusschenUlysses weêr betreedt den dorpel van zijn huis,En met zijn komst verlicht zijns vrouwen lastig kruis.De minnaars druipen weg, zij zien haast wat daar thuis leît:Dies komt de kroon heur toe van d' onverwonnen kuischeid.
De daad Penelope's is een leerachtig[299]voorbeeld,Want met heur kuischheid zij de onkuischeid heeft veroordeeld.Eccles. 26.Een deugdzaam fijne vrouw, die eerbaar is en kuisch,Is 't beste goed des mans, en 't ciersel van heur huis.
De daad Penelope's is een leerachtig[299]voorbeeld,
Want met heur kuischheid zij de onkuischeid heeft veroordeeld.
Eccles. 26.
Een deugdzaam fijne vrouw, die eerbaar is en kuisch,
Is 't beste goed des mans, en 't ciersel van heur huis.
Komt bij Penelope, o, vrouwkens! hier ter scholen,Die, t'wijl Ulysses vast gaat twintig jaren dolen,(Tien jaren om de blom van Menelai hof,Waarom 't schoon Trojen werd geblixemd al tot stof;En andre jaren tien door de ongestuime baren,Waar meê hij stoffe geeft Homeri zoete snaren)Heur zuiverheid behoudt; hoe lange hij vertoeft,Zoo blijft zij hem getrouw; hoe hard zij wordt beproefdVan zoo veel welpen[300], en ontstekende[301]benijdersVan heur sneeuwwitte vleesch, 't zijn al vergeefsche strijders,Hoe zij gepijnigd wordt: "Ulysses is lang weg,Misschien door Hectors zweerd gevallen in 't beleg,Of op zijn wederkomst (dit hebdy[302]licht te gissen)Verzopen inde zee, en g'eten[303]vande visschen;"Maar als zij nu op 't lest zal laten inden strijdHet heiligst, dat zij heeft Ulyssi toegewijd,Zij hen uitstelt zoo lang, tot dat zij 't fijne webben't Welk zij begonnen heeft, zal afgeweven hebben.Hier meê zijn zij gepaaid; dus, wat zij inden dagWeeft, dat ontweeft zij 's nachts, als 't niemanden[304]en zag.O, pollen[305]! zijdy blind, gij meent den brand te blusschen,Ziet, wat zij 's nachts ontvlecht, zoolang, tot ondertusschenUlysses weêr betreedt den dorpel van zijn huis,En met zijn komst verlicht zijns vrouwen lastig kruis.De minnaars druipen weg, zij zien haast wat daar thuis leît:Dies komt de kroon heur toe van d' onverwonnen kuischeid.
Komt bij Penelope, o, vrouwkens! hier ter scholen,
Die, t'wijl Ulysses vast gaat twintig jaren dolen,
(Tien jaren om de blom van Menelai hof,
Waarom 't schoon Trojen werd geblixemd al tot stof;
En andre jaren tien door de ongestuime baren,
Waar meê hij stoffe geeft Homeri zoete snaren)
Heur zuiverheid behoudt; hoe lange hij vertoeft,
Zoo blijft zij hem getrouw; hoe hard zij wordt beproefd
Van zoo veel welpen[300], en ontstekende[301]benijders
Van heur sneeuwwitte vleesch, 't zijn al vergeefsche strijders,
Hoe zij gepijnigd wordt: "Ulysses is lang weg,
Misschien door Hectors zweerd gevallen in 't beleg,
Of op zijn wederkomst (dit hebdy[302]licht te gissen)
Verzopen inde zee, en g'eten[303]vande visschen;"
Maar als zij nu op 't lest zal laten inden strijd
Het heiligst, dat zij heeft Ulyssi toegewijd,
Zij hen uitstelt zoo lang, tot dat zij 't fijne webben
't Welk zij begonnen heeft, zal afgeweven hebben.
Hier meê zijn zij gepaaid; dus, wat zij inden dag
Weeft, dat ontweeft zij 's nachts, als 't niemanden[304]en zag.
O, pollen[305]! zijdy blind, gij meent den brand te blusschen,
Ziet, wat zij 's nachts ontvlecht, zoolang, tot ondertusschen
Ulysses weêr betreedt den dorpel van zijn huis,
En met zijn komst verlicht zijns vrouwen lastig kruis.
De minnaars druipen weg, zij zien haast wat daar thuis leît:
Dies komt de kroon heur toe van d' onverwonnen kuischeid.
't Oprechte Vriendschaps beeld drukt hier zijn eigenschappenOp 't alderlevendst uit; o, volget zijn voetstappen!Proverb. 17.Een trouw en oprecht vriend heeft lief tot allen tijden,En als een broeder is altijd bereid tot lijden.Een Statua tot Room was weerdig aan te merken:'t Oprechte Vriendschaps beeld, weldadig in zijn werken,Was eenen jongeling, met een blijde aangezicht;D'wijl ware vriendschap niet door oudheid en bezwicht[306]:Zijn kleed was vrolijk groen: de vriendschap is steeds jeugdigEn elk een aangenaam; in zijn zoet voorhoofd vreugdig,De grijze wintertijd en zomer was geprent,D'wijl vriendschap in onspoed en voorspoed blijft ontrent[307];Op zijnes herten kolk gedrukt stondbij en verre,D'wijl vriendschap verre en bij schijnt als een morgensterre;In zijnder kleed'ren boord stond dood en leven beid',D'wijl 't leven noch de dood geen ware vriendschap scheidt.
't Oprechte Vriendschaps beeld drukt hier zijn eigenschappenOp 't alderlevendst uit; o, volget zijn voetstappen!Proverb. 17.Een trouw en oprecht vriend heeft lief tot allen tijden,En als een broeder is altijd bereid tot lijden.Een Statua tot Room was weerdig aan te merken:'t Oprechte Vriendschaps beeld, weldadig in zijn werken,Was eenen jongeling, met een blijde aangezicht;D'wijl ware vriendschap niet door oudheid en bezwicht[306]:Zijn kleed was vrolijk groen: de vriendschap is steeds jeugdigEn elk een aangenaam; in zijn zoet voorhoofd vreugdig,De grijze wintertijd en zomer was geprent,D'wijl vriendschap in onspoed en voorspoed blijft ontrent[307];Op zijnes herten kolk gedrukt stondbij en verre,D'wijl vriendschap verre en bij schijnt als een morgensterre;In zijnder kleed'ren boord stond dood en leven beid',D'wijl 't leven noch de dood geen ware vriendschap scheidt.
't Oprechte Vriendschaps beeld drukt hier zijn eigenschappenOp 't alderlevendst uit; o, volget zijn voetstappen!Proverb. 17.Een trouw en oprecht vriend heeft lief tot allen tijden,En als een broeder is altijd bereid tot lijden.
't Oprechte Vriendschaps beeld drukt hier zijn eigenschappen
Op 't alderlevendst uit; o, volget zijn voetstappen!
Proverb. 17.
Een trouw en oprecht vriend heeft lief tot allen tijden,
En als een broeder is altijd bereid tot lijden.
Een Statua tot Room was weerdig aan te merken:'t Oprechte Vriendschaps beeld, weldadig in zijn werken,Was eenen jongeling, met een blijde aangezicht;D'wijl ware vriendschap niet door oudheid en bezwicht[306]:Zijn kleed was vrolijk groen: de vriendschap is steeds jeugdigEn elk een aangenaam; in zijn zoet voorhoofd vreugdig,De grijze wintertijd en zomer was geprent,D'wijl vriendschap in onspoed en voorspoed blijft ontrent[307];Op zijnes herten kolk gedrukt stondbij en verre,D'wijl vriendschap verre en bij schijnt als een morgensterre;In zijnder kleed'ren boord stond dood en leven beid',D'wijl 't leven noch de dood geen ware vriendschap scheidt.
Een Statua tot Room was weerdig aan te merken:
't Oprechte Vriendschaps beeld, weldadig in zijn werken,
Was eenen jongeling, met een blijde aangezicht;
D'wijl ware vriendschap niet door oudheid en bezwicht[306]:
Zijn kleed was vrolijk groen: de vriendschap is steeds jeugdig
En elk een aangenaam; in zijn zoet voorhoofd vreugdig,
De grijze wintertijd en zomer was geprent,
D'wijl vriendschap in onspoed en voorspoed blijft ontrent[307];
Op zijnes herten kolk gedrukt stondbij en verre,
D'wijl vriendschap verre en bij schijnt als een morgensterre;
In zijnder kleed'ren boord stond dood en leven beid',
D'wijl 't leven noch de dood geen ware vriendschap scheidt.
Hoe twee gemakkers[308]zijn malkandren trouw gebleven,En hebben in 's doods nood de een d'ander niet begeven.Joan. 15.Waar zag men grooter liefd' (hoe vurig zij ooit brande!)Dan daar men stelde 't lijf voor zijnen vriend te pande!In eenen diepen put lag Damon vast gebonden,Zijn borg bleef Pythias; hij werd na huis gezonden,Mits dat hij keeren zoude, en uit de vangenisDes kerkers zijnen vriend verlossen voor gewis:De wederkomst vertrok[309], den tijd, die was verstreken,Maar Pythias (eilaas!) bleef in de vreeze steken:Zijn vonnis was gemaakt, hij werd geleid ter dood,Maar Damon t'wijlen komt, en ziet hem in den nood:"Heer koning!" (zeide hij) "tast mij aan zonder zorge,Ik, schuldenaar, ontsla hem van zijn trouwe borge!Ik ben den rechten man, ik heb de dood verschuld[310],Dies mijnen vrund ontslaat, en 't recht in mij vervult!"De koning, al verbaasd bezag dees lieve vrinden,Die trouw tot in der dood malkanderen beminden,Dies hij verwonderd was, en in zich zelven loeg,En om zoo trouwen daad hun beidegaêr ontsloeg.Dus eenen trouwen vriend is beter als veel broedren,En kostelijker schat dan al des werelds goedren.
Hoe twee gemakkers[308]zijn malkandren trouw gebleven,En hebben in 's doods nood de een d'ander niet begeven.Joan. 15.Waar zag men grooter liefd' (hoe vurig zij ooit brande!)Dan daar men stelde 't lijf voor zijnen vriend te pande!In eenen diepen put lag Damon vast gebonden,Zijn borg bleef Pythias; hij werd na huis gezonden,Mits dat hij keeren zoude, en uit de vangenisDes kerkers zijnen vriend verlossen voor gewis:De wederkomst vertrok[309], den tijd, die was verstreken,Maar Pythias (eilaas!) bleef in de vreeze steken:Zijn vonnis was gemaakt, hij werd geleid ter dood,Maar Damon t'wijlen komt, en ziet hem in den nood:"Heer koning!" (zeide hij) "tast mij aan zonder zorge,Ik, schuldenaar, ontsla hem van zijn trouwe borge!Ik ben den rechten man, ik heb de dood verschuld[310],Dies mijnen vrund ontslaat, en 't recht in mij vervult!"De koning, al verbaasd bezag dees lieve vrinden,Die trouw tot in der dood malkanderen beminden,Dies hij verwonderd was, en in zich zelven loeg,En om zoo trouwen daad hun beidegaêr ontsloeg.Dus eenen trouwen vriend is beter als veel broedren,En kostelijker schat dan al des werelds goedren.
Hoe twee gemakkers[308]zijn malkandren trouw gebleven,En hebben in 's doods nood de een d'ander niet begeven.Joan. 15.Waar zag men grooter liefd' (hoe vurig zij ooit brande!)Dan daar men stelde 't lijf voor zijnen vriend te pande!
Hoe twee gemakkers[308]zijn malkandren trouw gebleven,
En hebben in 's doods nood de een d'ander niet begeven.
Joan. 15.
Waar zag men grooter liefd' (hoe vurig zij ooit brande!)
Dan daar men stelde 't lijf voor zijnen vriend te pande!
In eenen diepen put lag Damon vast gebonden,Zijn borg bleef Pythias; hij werd na huis gezonden,Mits dat hij keeren zoude, en uit de vangenisDes kerkers zijnen vriend verlossen voor gewis:De wederkomst vertrok[309], den tijd, die was verstreken,Maar Pythias (eilaas!) bleef in de vreeze steken:Zijn vonnis was gemaakt, hij werd geleid ter dood,Maar Damon t'wijlen komt, en ziet hem in den nood:"Heer koning!" (zeide hij) "tast mij aan zonder zorge,Ik, schuldenaar, ontsla hem van zijn trouwe borge!Ik ben den rechten man, ik heb de dood verschuld[310],Dies mijnen vrund ontslaat, en 't recht in mij vervult!"De koning, al verbaasd bezag dees lieve vrinden,Die trouw tot in der dood malkanderen beminden,Dies hij verwonderd was, en in zich zelven loeg,En om zoo trouwen daad hun beidegaêr ontsloeg.Dus eenen trouwen vriend is beter als veel broedren,En kostelijker schat dan al des werelds goedren.
In eenen diepen put lag Damon vast gebonden,
Zijn borg bleef Pythias; hij werd na huis gezonden,
Mits dat hij keeren zoude, en uit de vangenis
Des kerkers zijnen vriend verlossen voor gewis:
De wederkomst vertrok[309], den tijd, die was verstreken,
Maar Pythias (eilaas!) bleef in de vreeze steken:
Zijn vonnis was gemaakt, hij werd geleid ter dood,
Maar Damon t'wijlen komt, en ziet hem in den nood:
"Heer koning!" (zeide hij) "tast mij aan zonder zorge,
Ik, schuldenaar, ontsla hem van zijn trouwe borge!
Ik ben den rechten man, ik heb de dood verschuld[310],
Dies mijnen vrund ontslaat, en 't recht in mij vervult!"
De koning, al verbaasd bezag dees lieve vrinden,
Die trouw tot in der dood malkanderen beminden,
Dies hij verwonderd was, en in zich zelven loeg,
En om zoo trouwen daad hun beidegaêr ontsloeg.
Dus eenen trouwen vriend is beter als veel broedren,
En kostelijker schat dan al des werelds goedren.
Empedocles bewijst hier, met een kluchte fijn,Dat daar het vierschaar slaapt, de rechters ezels zijn.Jerem. 22.Om dat Josiæ zoon 't gerecht niet wil handhaven,Als eenen ezel hij op 't veld zal zijn begraven.Empedocles, voor 't recht of vierschaar, onversaagdAls taalman kwam voor een, die hard was aangeklaagd;Daar komende vand[311]hij de rechters t' zamen slapen,Dies sprak hij kluchtig, om hun listig te betrapen[312]:"Een reiziger, als hij om reizen was bedocht,Huurde eenen ezel, die hem spoedig dragen mocht;Maar onderwegen hij, amachtig[313]en schier flaauwe,Koos voor des middags brand des ezels koele schaauwe:Den eigenaar des muils[314]die van der zonnen vlamSchier smolt, die zeide, dat 's beests lommer hem toe kwam;Den andren wilde hem daarmede niet gerijven.Dus om eens ezels schaauw' men twee zag heftig kijven"..\gulden.Hiermede Empedocles zweeg, of hij was vermoord;De rechter hoorde toe, en sprak: "vertelt ons voort".Doen loeg de filosoof, en voegde nog bij dezen:"Recht eenen ezel gij moogt vergeleken wezen;Want in eens ezels schaauw schept gij veel meer vermaak,Als gij deedt, toen gij sliept in des misdaders zaak".O, dat was recht gezeid! zij mogen 't nog wel hooren:Vrij, Musa! waar hij zit, daar vat hem hij zijn ooren!
Empedocles bewijst hier, met een kluchte fijn,Dat daar het vierschaar slaapt, de rechters ezels zijn.Jerem. 22.Om dat Josiæ zoon 't gerecht niet wil handhaven,Als eenen ezel hij op 't veld zal zijn begraven.Empedocles, voor 't recht of vierschaar, onversaagdAls taalman kwam voor een, die hard was aangeklaagd;Daar komende vand[311]hij de rechters t' zamen slapen,Dies sprak hij kluchtig, om hun listig te betrapen[312]:"Een reiziger, als hij om reizen was bedocht,Huurde eenen ezel, die hem spoedig dragen mocht;Maar onderwegen hij, amachtig[313]en schier flaauwe,Koos voor des middags brand des ezels koele schaauwe:Den eigenaar des muils[314]die van der zonnen vlamSchier smolt, die zeide, dat 's beests lommer hem toe kwam;Den andren wilde hem daarmede niet gerijven.Dus om eens ezels schaauw' men twee zag heftig kijven"..\gulden.Hiermede Empedocles zweeg, of hij was vermoord;De rechter hoorde toe, en sprak: "vertelt ons voort".Doen loeg de filosoof, en voegde nog bij dezen:"Recht eenen ezel gij moogt vergeleken wezen;Want in eens ezels schaauw schept gij veel meer vermaak,Als gij deedt, toen gij sliept in des misdaders zaak".O, dat was recht gezeid! zij mogen 't nog wel hooren:Vrij, Musa! waar hij zit, daar vat hem hij zijn ooren!
Empedocles bewijst hier, met een kluchte fijn,Dat daar het vierschaar slaapt, de rechters ezels zijn.Jerem. 22.Om dat Josiæ zoon 't gerecht niet wil handhaven,Als eenen ezel hij op 't veld zal zijn begraven.
Empedocles bewijst hier, met een kluchte fijn,
Dat daar het vierschaar slaapt, de rechters ezels zijn.
Jerem. 22.
Om dat Josiæ zoon 't gerecht niet wil handhaven,
Als eenen ezel hij op 't veld zal zijn begraven.
Empedocles, voor 't recht of vierschaar, onversaagdAls taalman kwam voor een, die hard was aangeklaagd;Daar komende vand[311]hij de rechters t' zamen slapen,Dies sprak hij kluchtig, om hun listig te betrapen[312]:"Een reiziger, als hij om reizen was bedocht,Huurde eenen ezel, die hem spoedig dragen mocht;Maar onderwegen hij, amachtig[313]en schier flaauwe,Koos voor des middags brand des ezels koele schaauwe:Den eigenaar des muils[314]die van der zonnen vlamSchier smolt, die zeide, dat 's beests lommer hem toe kwam;Den andren wilde hem daarmede niet gerijven.Dus om eens ezels schaauw' men twee zag heftig kijven"..\gulden.Hiermede Empedocles zweeg, of hij was vermoord;De rechter hoorde toe, en sprak: "vertelt ons voort".Doen loeg de filosoof, en voegde nog bij dezen:"Recht eenen ezel gij moogt vergeleken wezen;Want in eens ezels schaauw schept gij veel meer vermaak,Als gij deedt, toen gij sliept in des misdaders zaak".O, dat was recht gezeid! zij mogen 't nog wel hooren:Vrij, Musa! waar hij zit, daar vat hem hij zijn ooren!
Empedocles, voor 't recht of vierschaar, onversaagd
Als taalman kwam voor een, die hard was aangeklaagd;
Daar komende vand[311]hij de rechters t' zamen slapen,
Dies sprak hij kluchtig, om hun listig te betrapen[312]:
"Een reiziger, als hij om reizen was bedocht,
Huurde eenen ezel, die hem spoedig dragen mocht;
Maar onderwegen hij, amachtig[313]en schier flaauwe,
Koos voor des middags brand des ezels koele schaauwe:
Den eigenaar des muils[314]die van der zonnen vlam
Schier smolt, die zeide, dat 's beests lommer hem toe kwam;
Den andren wilde hem daarmede niet gerijven.
Dus om eens ezels schaauw' men twee zag heftig kijven"..\gulden.
Hiermede Empedocles zweeg, of hij was vermoord;
De rechter hoorde toe, en sprak: "vertelt ons voort".
Doen loeg de filosoof, en voegde nog bij dezen:
"Recht eenen ezel gij moogt vergeleken wezen;
Want in eens ezels schaauw schept gij veel meer vermaak,
Als gij deedt, toen gij sliept in des misdaders zaak".
O, dat was recht gezeid! zij mogen 't nog wel hooren:
Vrij, Musa! waar hij zit, daar vat hem hij zijn ooren!
Archilla heeft uit liefde en broederlijker zorgen[315],Goedhertig zijnen vriend geholpen in 't verborgen.Matth. 6.Werpt met uw rechterhand de gaven in Gods koffer,Dat zelfs de slinker niets en weet van uwen offer.Archilla (zoo men zegt), die, milde en rijk van goedren,Stond de bedroefden bij als waren't zijne broedren,Naauw speurende, hoe dat in grooten nood gebrochtWas zijnen lieven vriend, hem vlijtig heeft bezocht,En heim'lijk onder zijn zit-kussen weggescholen[316]Een goede somme munts[317], als of hij 't had gestolen.Hij heeft een rijk thresoor[318], die zoo zijn goed besteedt,Dat hij 't naauw zelver speurt, noch zijnen vriend schier weet[319];De gifte blijft hem bij, zijn weldaad onvergetenHem weder in den schoot wordt dobbel toegemeten.Des armen dorstig hart, dat is des wijzen flesch,Zijn gelden hij verspaart in zijnes naasten tesch[320],Hem zelven hij besteelt, en maakt veel goede vrinden:Die hier zijn goed verliest, die zal't hier namaals vinden.
Archilla heeft uit liefde en broederlijker zorgen[315],Goedhertig zijnen vriend geholpen in 't verborgen.Matth. 6.Werpt met uw rechterhand de gaven in Gods koffer,Dat zelfs de slinker niets en weet van uwen offer.Archilla (zoo men zegt), die, milde en rijk van goedren,Stond de bedroefden bij als waren't zijne broedren,Naauw speurende, hoe dat in grooten nood gebrochtWas zijnen lieven vriend, hem vlijtig heeft bezocht,En heim'lijk onder zijn zit-kussen weggescholen[316]Een goede somme munts[317], als of hij 't had gestolen.Hij heeft een rijk thresoor[318], die zoo zijn goed besteedt,Dat hij 't naauw zelver speurt, noch zijnen vriend schier weet[319];De gifte blijft hem bij, zijn weldaad onvergetenHem weder in den schoot wordt dobbel toegemeten.Des armen dorstig hart, dat is des wijzen flesch,Zijn gelden hij verspaart in zijnes naasten tesch[320],Hem zelven hij besteelt, en maakt veel goede vrinden:Die hier zijn goed verliest, die zal't hier namaals vinden.
Archilla heeft uit liefde en broederlijker zorgen[315],Goedhertig zijnen vriend geholpen in 't verborgen.Matth. 6.Werpt met uw rechterhand de gaven in Gods koffer,Dat zelfs de slinker niets en weet van uwen offer.
Archilla heeft uit liefde en broederlijker zorgen[315],
Goedhertig zijnen vriend geholpen in 't verborgen.
Matth. 6.
Werpt met uw rechterhand de gaven in Gods koffer,
Dat zelfs de slinker niets en weet van uwen offer.
Archilla (zoo men zegt), die, milde en rijk van goedren,Stond de bedroefden bij als waren't zijne broedren,Naauw speurende, hoe dat in grooten nood gebrochtWas zijnen lieven vriend, hem vlijtig heeft bezocht,En heim'lijk onder zijn zit-kussen weggescholen[316]Een goede somme munts[317], als of hij 't had gestolen.Hij heeft een rijk thresoor[318], die zoo zijn goed besteedt,Dat hij 't naauw zelver speurt, noch zijnen vriend schier weet[319];De gifte blijft hem bij, zijn weldaad onvergetenHem weder in den schoot wordt dobbel toegemeten.Des armen dorstig hart, dat is des wijzen flesch,Zijn gelden hij verspaart in zijnes naasten tesch[320],Hem zelven hij besteelt, en maakt veel goede vrinden:Die hier zijn goed verliest, die zal't hier namaals vinden.
Archilla (zoo men zegt), die, milde en rijk van goedren,
Stond de bedroefden bij als waren't zijne broedren,
Naauw speurende, hoe dat in grooten nood gebrocht
Was zijnen lieven vriend, hem vlijtig heeft bezocht,
En heim'lijk onder zijn zit-kussen weggescholen[316]
Een goede somme munts[317], als of hij 't had gestolen.
Hij heeft een rijk thresoor[318], die zoo zijn goed besteedt,
Dat hij 't naauw zelver speurt, noch zijnen vriend schier weet[319];
De gifte blijft hem bij, zijn weldaad onvergeten
Hem weder in den schoot wordt dobbel toegemeten.
Des armen dorstig hart, dat is des wijzen flesch,
Zijn gelden hij verspaart in zijnes naasten tesch[320],
Hem zelven hij besteelt, en maakt veel goede vrinden:
Die hier zijn goed verliest, die zal't hier namaals vinden.
Hier ziedy 't schoon voorbeeld, den grooten Roomschen[321]TempelVan 't Menschelijk Verbond, ons tot een goed exempel.Eccles. 5.Het geen gij God belooft en wilt geenszins vertrekken[322],Want een mishagen heeft den Heere aan de gekken[323].Numa Pompilius liet stichten, binnen Romen,Den tempel des Verbonds, zeer schoon en uitgenomen[324];Hij was heel cirkel-rond in zijnen ommeloop,'t Gewelf te zamen hing gebonden knoop aan knoop[325].De Romers kwamen hier, 't was eenen fijnen regel,Al 'tgeen hier werd beloofd hield vast als eenen zegel.Fy! schamen moeten zich, die nu met hunnen mondBeloven dit of dat, en breken 't weêr terstond.Wie iemand iets belooft (past wel op deze leere!)Is door zijn eigen woord verbonden aan den Heere.Wie zijn beloft dan breekt, die breekt een heilig slot,En spot met geenen mensch, maar met den hoogen God.Dus als gij iets belooft, ziet of gij 't ook kunt boeten[326],Want 't is een schuld, die gij zult God betalen moeten.Wie zijn verbond niet acht, en zijn beloft vergeet,Heeft een twee-snijdend zweerd voor zijnen hals gesmeed.
Hier ziedy 't schoon voorbeeld, den grooten Roomschen[321]TempelVan 't Menschelijk Verbond, ons tot een goed exempel.Eccles. 5.Het geen gij God belooft en wilt geenszins vertrekken[322],Want een mishagen heeft den Heere aan de gekken[323].Numa Pompilius liet stichten, binnen Romen,Den tempel des Verbonds, zeer schoon en uitgenomen[324];Hij was heel cirkel-rond in zijnen ommeloop,'t Gewelf te zamen hing gebonden knoop aan knoop[325].De Romers kwamen hier, 't was eenen fijnen regel,Al 'tgeen hier werd beloofd hield vast als eenen zegel.Fy! schamen moeten zich, die nu met hunnen mondBeloven dit of dat, en breken 't weêr terstond.Wie iemand iets belooft (past wel op deze leere!)Is door zijn eigen woord verbonden aan den Heere.Wie zijn beloft dan breekt, die breekt een heilig slot,En spot met geenen mensch, maar met den hoogen God.Dus als gij iets belooft, ziet of gij 't ook kunt boeten[326],Want 't is een schuld, die gij zult God betalen moeten.Wie zijn verbond niet acht, en zijn beloft vergeet,Heeft een twee-snijdend zweerd voor zijnen hals gesmeed.
Hier ziedy 't schoon voorbeeld, den grooten Roomschen[321]TempelVan 't Menschelijk Verbond, ons tot een goed exempel.Eccles. 5.Het geen gij God belooft en wilt geenszins vertrekken[322],Want een mishagen heeft den Heere aan de gekken[323].
Hier ziedy 't schoon voorbeeld, den grooten Roomschen[321]Tempel
Van 't Menschelijk Verbond, ons tot een goed exempel.
Eccles. 5.
Het geen gij God belooft en wilt geenszins vertrekken[322],
Want een mishagen heeft den Heere aan de gekken[323].
Numa Pompilius liet stichten, binnen Romen,Den tempel des Verbonds, zeer schoon en uitgenomen[324];Hij was heel cirkel-rond in zijnen ommeloop,'t Gewelf te zamen hing gebonden knoop aan knoop[325].De Romers kwamen hier, 't was eenen fijnen regel,Al 'tgeen hier werd beloofd hield vast als eenen zegel.Fy! schamen moeten zich, die nu met hunnen mondBeloven dit of dat, en breken 't weêr terstond.Wie iemand iets belooft (past wel op deze leere!)Is door zijn eigen woord verbonden aan den Heere.Wie zijn beloft dan breekt, die breekt een heilig slot,En spot met geenen mensch, maar met den hoogen God.Dus als gij iets belooft, ziet of gij 't ook kunt boeten[326],Want 't is een schuld, die gij zult God betalen moeten.Wie zijn verbond niet acht, en zijn beloft vergeet,Heeft een twee-snijdend zweerd voor zijnen hals gesmeed.
Numa Pompilius liet stichten, binnen Romen,
Den tempel des Verbonds, zeer schoon en uitgenomen[324];
Hij was heel cirkel-rond in zijnen ommeloop,
't Gewelf te zamen hing gebonden knoop aan knoop[325].
De Romers kwamen hier, 't was eenen fijnen regel,
Al 'tgeen hier werd beloofd hield vast als eenen zegel.
Fy! schamen moeten zich, die nu met hunnen mond
Beloven dit of dat, en breken 't weêr terstond.
Wie iemand iets belooft (past wel op deze leere!)
Is door zijn eigen woord verbonden aan den Heere.
Wie zijn beloft dan breekt, die breekt een heilig slot,
En spot met geenen mensch, maar met den hoogen God.
Dus als gij iets belooft, ziet of gij 't ook kunt boeten[326],
Want 't is een schuld, die gij zult God betalen moeten.
Wie zijn verbond niet acht, en zijn beloft vergeet,
Heeft een twee-snijdend zweerd voor zijnen hals gesmeed.
Aanmerkt, hoe Firmius, gelijk de dwaze doren[327],Ons zijne kracht laat zien, en zijne sterkheid hooren.Jerem. 9.De sterke wachte zich (hoe krachtig hij zich noeme),Dat in zijn groote kracht hij niet te zeer en roeme.Zoo sterk was Firmius van lichaam en van leden,Dat, klits-klats, klits-klats, hij met hameren liet smedenOp een zwaar aanbeeld, daar zijn lichaam onder lag;Want nooit verstaalder mensch men immermeer en zag.Maar of schoon zulken kracht hij hadde vande GodheidOntvangen, niettemin was 't wel eene groote zotheid,Dat hij met zulk gevaar beproefde zijne kracht;De wijze man[328]zijn doen bespottet en belacht:De kracht des lichaams ons nature niet geschonkenEn heeft, op dat wij daar meê heerlijkzoudenpronken,Noch om door ijdele eer daardoor te zijn beromd[329],Maar nutten[330]dankbaar die, daar 't ons te passe komt.
Aanmerkt, hoe Firmius, gelijk de dwaze doren[327],Ons zijne kracht laat zien, en zijne sterkheid hooren.Jerem. 9.De sterke wachte zich (hoe krachtig hij zich noeme),Dat in zijn groote kracht hij niet te zeer en roeme.Zoo sterk was Firmius van lichaam en van leden,Dat, klits-klats, klits-klats, hij met hameren liet smedenOp een zwaar aanbeeld, daar zijn lichaam onder lag;Want nooit verstaalder mensch men immermeer en zag.Maar of schoon zulken kracht hij hadde vande GodheidOntvangen, niettemin was 't wel eene groote zotheid,Dat hij met zulk gevaar beproefde zijne kracht;De wijze man[328]zijn doen bespottet en belacht:De kracht des lichaams ons nature niet geschonkenEn heeft, op dat wij daar meê heerlijkzoudenpronken,Noch om door ijdele eer daardoor te zijn beromd[329],Maar nutten[330]dankbaar die, daar 't ons te passe komt.
Aanmerkt, hoe Firmius, gelijk de dwaze doren[327],Ons zijne kracht laat zien, en zijne sterkheid hooren.Jerem. 9.De sterke wachte zich (hoe krachtig hij zich noeme),Dat in zijn groote kracht hij niet te zeer en roeme.
Aanmerkt, hoe Firmius, gelijk de dwaze doren[327],
Ons zijne kracht laat zien, en zijne sterkheid hooren.
Jerem. 9.
De sterke wachte zich (hoe krachtig hij zich noeme),
Dat in zijn groote kracht hij niet te zeer en roeme.
Zoo sterk was Firmius van lichaam en van leden,Dat, klits-klats, klits-klats, hij met hameren liet smedenOp een zwaar aanbeeld, daar zijn lichaam onder lag;Want nooit verstaalder mensch men immermeer en zag.Maar of schoon zulken kracht hij hadde vande GodheidOntvangen, niettemin was 't wel eene groote zotheid,Dat hij met zulk gevaar beproefde zijne kracht;De wijze man[328]zijn doen bespottet en belacht:De kracht des lichaams ons nature niet geschonkenEn heeft, op dat wij daar meê heerlijkzoudenpronken,Noch om door ijdele eer daardoor te zijn beromd[329],Maar nutten[330]dankbaar die, daar 't ons te passe komt.
Zoo sterk was Firmius van lichaam en van leden,
Dat, klits-klats, klits-klats, hij met hameren liet smeden
Op een zwaar aanbeeld, daar zijn lichaam onder lag;
Want nooit verstaalder mensch men immermeer en zag.
Maar of schoon zulken kracht hij hadde vande Godheid
Ontvangen, niettemin was 't wel eene groote zotheid,
Dat hij met zulk gevaar beproefde zijne kracht;
De wijze man[328]zijn doen bespottet en belacht:
De kracht des lichaams ons nature niet geschonken
En heeft, op dat wij daar meê heerlijkzoudenpronken,
Noch om door ijdele eer daardoor te zijn beromd[329],
Maar nutten[330]dankbaar die, daar 't ons te passe komt.
De sterke Milon hier een ieder wil ontluiken[331],Dat elk verhoeden zal zijn gaven te misbruiken.Judic. 16.Of schoon de Nazareen[332]had veel gewelds bedreven,Zoo bracht zijn sterkheid hem ten laatste toch om 't leven.De sterkheid Milons wordt gedacht van ons voorouders,Die eenen grooten stier, geladen op zijn schouders,Licht op eens hoogen bergs verheven spitse droeg,Alwaar hij met zijn vuist hem dood ter aarden sloeg,En eindelijk zijn maal daarmede heeft gehouwen[333]:D' hoofd-slapen hij bewrong met dik gedraaide touwen,En zijn hoofd-zenuwen zoo krachtig hij verhief,Dat alles brak in twee, het was dan leed of lief[334]:Hoe geerne wilde ik zien, dat iemand hem ontrukteDen appel, dien hij met vier vingeren omdrukte:Maar door verwaandheid (laas!) hem eindelijk, hoe vroom[335],Zijn eigen kracht bedroog, toen eenen dikken boomOm scheuren hij met beî zijn handen heeft gegrepen;Want als de klove sloot bleef hij daar in genepen,In 't woeste en eenzaam woud verlaten in zijn smert,Tot hij een gretig[336]aas der wilder[337]dieren werd.Dus wie zijn kracht misbruikt, gedijt ze nog in 't endeTot zijnes[338]meesters straf, met droefheid en ellende.
De sterke Milon hier een ieder wil ontluiken[331],Dat elk verhoeden zal zijn gaven te misbruiken.Judic. 16.Of schoon de Nazareen[332]had veel gewelds bedreven,Zoo bracht zijn sterkheid hem ten laatste toch om 't leven.De sterkheid Milons wordt gedacht van ons voorouders,Die eenen grooten stier, geladen op zijn schouders,Licht op eens hoogen bergs verheven spitse droeg,Alwaar hij met zijn vuist hem dood ter aarden sloeg,En eindelijk zijn maal daarmede heeft gehouwen[333]:D' hoofd-slapen hij bewrong met dik gedraaide touwen,En zijn hoofd-zenuwen zoo krachtig hij verhief,Dat alles brak in twee, het was dan leed of lief[334]:Hoe geerne wilde ik zien, dat iemand hem ontrukteDen appel, dien hij met vier vingeren omdrukte:Maar door verwaandheid (laas!) hem eindelijk, hoe vroom[335],Zijn eigen kracht bedroog, toen eenen dikken boomOm scheuren hij met beî zijn handen heeft gegrepen;Want als de klove sloot bleef hij daar in genepen,In 't woeste en eenzaam woud verlaten in zijn smert,Tot hij een gretig[336]aas der wilder[337]dieren werd.Dus wie zijn kracht misbruikt, gedijt ze nog in 't endeTot zijnes[338]meesters straf, met droefheid en ellende.
De sterke Milon hier een ieder wil ontluiken[331],Dat elk verhoeden zal zijn gaven te misbruiken.Judic. 16.Of schoon de Nazareen[332]had veel gewelds bedreven,Zoo bracht zijn sterkheid hem ten laatste toch om 't leven.
De sterke Milon hier een ieder wil ontluiken[331],
Dat elk verhoeden zal zijn gaven te misbruiken.
Judic. 16.
Of schoon de Nazareen[332]had veel gewelds bedreven,
Zoo bracht zijn sterkheid hem ten laatste toch om 't leven.
De sterkheid Milons wordt gedacht van ons voorouders,Die eenen grooten stier, geladen op zijn schouders,Licht op eens hoogen bergs verheven spitse droeg,Alwaar hij met zijn vuist hem dood ter aarden sloeg,En eindelijk zijn maal daarmede heeft gehouwen[333]:D' hoofd-slapen hij bewrong met dik gedraaide touwen,En zijn hoofd-zenuwen zoo krachtig hij verhief,Dat alles brak in twee, het was dan leed of lief[334]:Hoe geerne wilde ik zien, dat iemand hem ontrukteDen appel, dien hij met vier vingeren omdrukte:Maar door verwaandheid (laas!) hem eindelijk, hoe vroom[335],Zijn eigen kracht bedroog, toen eenen dikken boomOm scheuren hij met beî zijn handen heeft gegrepen;Want als de klove sloot bleef hij daar in genepen,In 't woeste en eenzaam woud verlaten in zijn smert,Tot hij een gretig[336]aas der wilder[337]dieren werd.Dus wie zijn kracht misbruikt, gedijt ze nog in 't endeTot zijnes[338]meesters straf, met droefheid en ellende.
De sterkheid Milons wordt gedacht van ons voorouders,
Die eenen grooten stier, geladen op zijn schouders,
Licht op eens hoogen bergs verheven spitse droeg,
Alwaar hij met zijn vuist hem dood ter aarden sloeg,
En eindelijk zijn maal daarmede heeft gehouwen[333]:
D' hoofd-slapen hij bewrong met dik gedraaide touwen,
En zijn hoofd-zenuwen zoo krachtig hij verhief,
Dat alles brak in twee, het was dan leed of lief[334]:
Hoe geerne wilde ik zien, dat iemand hem ontrukte
Den appel, dien hij met vier vingeren omdrukte:
Maar door verwaandheid (laas!) hem eindelijk, hoe vroom[335],
Zijn eigen kracht bedroog, toen eenen dikken boom
Om scheuren hij met beî zijn handen heeft gegrepen;
Want als de klove sloot bleef hij daar in genepen,
In 't woeste en eenzaam woud verlaten in zijn smert,
Tot hij een gretig[336]aas der wilder[337]dieren werd.
Dus wie zijn kracht misbruikt, gedijt ze nog in 't ende
Tot zijnes[338]meesters straf, met droefheid en ellende.
't Is Tantalus, die hier in 't water werd gepijnd,Die dorst en honger lijdt, en nimmermeer verdwijnt[339].Sap. 11.Daar hier de mensche in heeft gezondigd in dit dal,Hij wederom zijn straf daarin ook dragen zal.Eilacen! Tantalus, die niet[340]en kan verwinnen[341],Ligt inde Helle-vliet begraven totter kinnen[342];Hem hongert en hem dorst, dat hij van smerten krijst[343],En nimmermeer wordt hij gelavet[344]noch gespijsd,Maar stadig aan getergd: hij staat diep inden grondeDes waters, en de vrucht hangt boven zijnen monde:Zoo hij naar 't water bukt, ontzinket hem de stroom,En grijpt hij naar de vrucht, zoo wijkt den Appel-boom.Maar, lieve! zegt mij doch, is niet des gier'gen herteAls Tantalus gepijnd, en heeft gelijke smerte?Vermits 't vervloekte goud, daar hij op is belust,Nog nooit heeft zijnen dorst en honger uitgebluscht;Hij gaapt altijd naar goud, en hoe veel gele slijkeHij vreet en inneslokt, zoo'n is hij nimmer rijke,Maar in zijn goed verarmd: zoo dikwijls als hij haptNaar goud en zilver, hem 't genoegen wordt ontsnapt[345]:Hij derf[346]naauw zijnen darm met 's lichaams nooddruft vullen,En warmt hem bij den heerd naauw bij een hand-vol krullen:Hij heeft altijd het goud als eenen wolf bij 't oor,Hij rammelt nacht en dag in zijn vervloekt tresoor:Het goud is zijnen God, dat eert hij langs hoe kloeker,Hij kankert[347]de gemeent met overbaat[348]en woeker,En als hij sterven zal, zoo is al zijn beklag,Dat hij zijn geld hier laat, en niet meê dragen mag.
't Is Tantalus, die hier in 't water werd gepijnd,Die dorst en honger lijdt, en nimmermeer verdwijnt[339].Sap. 11.Daar hier de mensche in heeft gezondigd in dit dal,Hij wederom zijn straf daarin ook dragen zal.Eilacen! Tantalus, die niet[340]en kan verwinnen[341],Ligt inde Helle-vliet begraven totter kinnen[342];Hem hongert en hem dorst, dat hij van smerten krijst[343],En nimmermeer wordt hij gelavet[344]noch gespijsd,Maar stadig aan getergd: hij staat diep inden grondeDes waters, en de vrucht hangt boven zijnen monde:Zoo hij naar 't water bukt, ontzinket hem de stroom,En grijpt hij naar de vrucht, zoo wijkt den Appel-boom.Maar, lieve! zegt mij doch, is niet des gier'gen herteAls Tantalus gepijnd, en heeft gelijke smerte?Vermits 't vervloekte goud, daar hij op is belust,Nog nooit heeft zijnen dorst en honger uitgebluscht;Hij gaapt altijd naar goud, en hoe veel gele slijkeHij vreet en inneslokt, zoo'n is hij nimmer rijke,Maar in zijn goed verarmd: zoo dikwijls als hij haptNaar goud en zilver, hem 't genoegen wordt ontsnapt[345]:Hij derf[346]naauw zijnen darm met 's lichaams nooddruft vullen,En warmt hem bij den heerd naauw bij een hand-vol krullen:Hij heeft altijd het goud als eenen wolf bij 't oor,Hij rammelt nacht en dag in zijn vervloekt tresoor:Het goud is zijnen God, dat eert hij langs hoe kloeker,Hij kankert[347]de gemeent met overbaat[348]en woeker,En als hij sterven zal, zoo is al zijn beklag,Dat hij zijn geld hier laat, en niet meê dragen mag.
't Is Tantalus, die hier in 't water werd gepijnd,Die dorst en honger lijdt, en nimmermeer verdwijnt[339].Sap. 11.Daar hier de mensche in heeft gezondigd in dit dal,Hij wederom zijn straf daarin ook dragen zal.
't Is Tantalus, die hier in 't water werd gepijnd,
Die dorst en honger lijdt, en nimmermeer verdwijnt[339].
Sap. 11.
Daar hier de mensche in heeft gezondigd in dit dal,
Hij wederom zijn straf daarin ook dragen zal.
Eilacen! Tantalus, die niet[340]en kan verwinnen[341],Ligt inde Helle-vliet begraven totter kinnen[342];Hem hongert en hem dorst, dat hij van smerten krijst[343],En nimmermeer wordt hij gelavet[344]noch gespijsd,Maar stadig aan getergd: hij staat diep inden grondeDes waters, en de vrucht hangt boven zijnen monde:Zoo hij naar 't water bukt, ontzinket hem de stroom,En grijpt hij naar de vrucht, zoo wijkt den Appel-boom.Maar, lieve! zegt mij doch, is niet des gier'gen herteAls Tantalus gepijnd, en heeft gelijke smerte?Vermits 't vervloekte goud, daar hij op is belust,Nog nooit heeft zijnen dorst en honger uitgebluscht;Hij gaapt altijd naar goud, en hoe veel gele slijkeHij vreet en inneslokt, zoo'n is hij nimmer rijke,Maar in zijn goed verarmd: zoo dikwijls als hij haptNaar goud en zilver, hem 't genoegen wordt ontsnapt[345]:Hij derf[346]naauw zijnen darm met 's lichaams nooddruft vullen,En warmt hem bij den heerd naauw bij een hand-vol krullen:Hij heeft altijd het goud als eenen wolf bij 't oor,Hij rammelt nacht en dag in zijn vervloekt tresoor:Het goud is zijnen God, dat eert hij langs hoe kloeker,Hij kankert[347]de gemeent met overbaat[348]en woeker,En als hij sterven zal, zoo is al zijn beklag,Dat hij zijn geld hier laat, en niet meê dragen mag.
Eilacen! Tantalus, die niet[340]en kan verwinnen[341],
Ligt inde Helle-vliet begraven totter kinnen[342];
Hem hongert en hem dorst, dat hij van smerten krijst[343],
En nimmermeer wordt hij gelavet[344]noch gespijsd,
Maar stadig aan getergd: hij staat diep inden gronde
Des waters, en de vrucht hangt boven zijnen monde:
Zoo hij naar 't water bukt, ontzinket hem de stroom,
En grijpt hij naar de vrucht, zoo wijkt den Appel-boom.
Maar, lieve! zegt mij doch, is niet des gier'gen herte
Als Tantalus gepijnd, en heeft gelijke smerte?
Vermits 't vervloekte goud, daar hij op is belust,
Nog nooit heeft zijnen dorst en honger uitgebluscht;
Hij gaapt altijd naar goud, en hoe veel gele slijke
Hij vreet en inneslokt, zoo'n is hij nimmer rijke,
Maar in zijn goed verarmd: zoo dikwijls als hij hapt
Naar goud en zilver, hem 't genoegen wordt ontsnapt[345]:
Hij derf[346]naauw zijnen darm met 's lichaams nooddruft vullen,
En warmt hem bij den heerd naauw bij een hand-vol krullen:
Hij heeft altijd het goud als eenen wolf bij 't oor,
Hij rammelt nacht en dag in zijn vervloekt tresoor:
Het goud is zijnen God, dat eert hij langs hoe kloeker,
Hij kankert[347]de gemeent met overbaat[348]en woeker,
En als hij sterven zal, zoo is al zijn beklag,
Dat hij zijn geld hier laat, en niet meê dragen mag.