Een schaap, aap, zwijn, of leeuw de dronk maakt vanden man,Als 't nat is in zijn lijf, zijn wijsheid in de kan.Proverb. 23.De wijn heel zoet en glad wel door de keele leekt,in den buik hij dan gelijk een slange steekt.Men zegt, dat eenen boer of eenen botten kinkel,Die woonden op het land, (hij heeten Eloog[349]Schinkel)Met vierderleye mist van beesten heeft gevetDen wijngaard: wie te veel van dezen wijn, ik wed[350],Zal zuipen (zeide hij), ik wed dat van vier dierenHij één naar-apen[351]zal, in alle zijn manieren:Het zij hij wordt gelijk een slecht, onnoozel schaap;Het zij hij lustig bootst[352]als eenen drol'gen aap;Het zij hij vuil, onnut, en onrein als een verken,Of eenen grammen leeuw gelijk werde in zijn werken;Want wie met vele wijns verladet[353]zijnen geest,Wordt in zijn dronkenschap het een of 't ander beest.Indien de dronkaart wist, of kon te dege ramen,Hoe hem de dronk misstaat, hij zoud' hem[354]moeten schamen.LXIV.(ARION.)De Dolfijn in het meer, bewogen vande snaren,Den harper Arion[355]draagt door de blaauwe baren.Jon. 1.Drie dagen Jonas inden walvisch was gedolven,Die eindelijken hem spoog uit de watergolven.De herper[356]Arion[355]den Ocean ging kruisenIn een Corinthsche bark, ontziende niet het bruisschenDes grondeloozen meirs, opdat hij aan het strandZijn stappen zetten mocht in 't schoon Hesperisch land:Maar naauw en[357]is hij t' scheep, of heim'lijk hij en hoorden,Dat hem het schip-volk 's nachts bestemde te vermoorden,Dies hij van angst en vrees schier kroop in eene schulp,Als hij verlaten zich, van alle menschen hulp,Vond in zijns lijfsgevaar; wat raad in dees verbazing!Hij gaat terstond (als door een Goddelijke inblazing)Zijn lichaam cieren, en toemaken hupsch[358]en schoon,Gelijk hij was gewoon, als hij den zoeten toonZijns gulden citers in een schouwplaats plag te wekken,Opdat zijn ciersel nog tot zijns lijks eer mocht strekken,En dat hij als de zwane, in zijnen lesten nood,Met eenig droevig lied beklagen mocht zijn dood.Dus zijnde toebereid, dus zijnde toeberustet[359]Hij tot den schipliên zegt: "Matrozen, mij gelustetTot d' eere Apollinis[360]een lied te heffen aan."Maar als hij naauwlijks nog ten halve heeft gedaan,De zonne in Tethis schoot, met zijne vuur'ge peerden,Daalt zachtelijken neêr, om daar zijn rust te aanveerden;Het boots-volk, al verwoed, gelijkerhand toe treedt,Eer nog zijn donker zeil de nacht hadde uitgespreed,En komt gewapend aan, om zijnen draad[361]te korten,Dies hij van boven neêr zich in de zee gaat storten:Maar eer met zijn gansch lijf hij nog in 't water plost[362]Hij van de dolfijns wordt gedragen en getrost[363],De een neemt hem op den rugge, en de ander door de baren(Als of zij dezen dienst hem dobbel schuldig waren)Geleidden hem door 't nat: dies, eer hij ommekijkt,Is't schip zoo wijd van hem, dat het een schelp gelijkt.Hij heft zijn aanschijn op, en vrolijken[364]van verrenAanschouwt de zilv'ren mane en zoo veel gulden sterren,Dies hij gedenkt, dat Gods gerechtigheid wijd zweeft,En niet met één oog ziet, maar zoo veel oogen heeftAls sterren in de lucht, daarmede hij bespiedetAl 't geen wat op der eerde of in de zee geschiedet:'t Welk in dit groot gevaar hem een kloek herte maakt,Tot hij behouden zoo t'wijl[365]aan den oever raakt.O, domme mensch! leert hier; kruipt eens uit uwer schelpen[366],Hoe uwen naaste gij in nood behoort te helpen.LXV.(POLYCRATES.)Hier zit Polycrates, die der fortuinen radGestadig mede liep, en[367]nimmer onspoed had.Proverb. 1.Der dwazen voorspoed mag haar[368]geenszins baten niet,Maar zal ten leste hen nog brengen in't verdriet.Men zegt Polycrates, gelukkig boven allen,De onstadige fortuine is altijd toegevallen:Als hij op eenen tijd in vriendschap zich verbondMet zijnen goeden vriend, hij, boven hand en mond,Om deze vriendschap vast en trouwlijk te bevestenNog zijnen gouden ring in 't water wierp ten lesten:Maar als hij naderhand, naar koninklijken eisch[369],Zeer aardig aan den disch zat binnen zijn paleis,Vand hij den zelven ring, die was in 't meer geworpen,In 't lijf van eenen visch zeer zeldzaam opgeslorpen[370].O wonderlijk bedrijf! het schijnt wel voor gewis,Dat menig mensche tot geluk geboren is:Den eenen jaagt' er naar, en 't loopt steeds voor hem henen,En't komt den and'ren t' huis, zelfs eer hij 't zoude meenen.De ziende schiet naar 't wit en raakt een bonte kraai;De blinde koning wordt, en treft den papegaai.LXVI.(KLEIN MAAR REIN.)'t Klein vischken Remora kan lichtelijk terstondBekrijgen een groot schip, en stooten't in den grond.Job. 12.Gaat, vraagt uw moeder de aarde, opdat zij 't u bediede,De visschen zullen u vertellen het geschiede.Het vischken Remora, lang eenen halven voet,Heeft eenen hoorn in 't hoofd, daar 't groot geweld meê doet;Want het Antonij[371]groot galioen verletten,Daar 't opgeblazen kwam met volle zeilen zettenIn 't Adriatisch meer, en boorde 't schier te grond:Waarom Erasmus dit, met zijnen gulden mond,Tot een gelijkenis gebruikt heeft, zonderlingen[372]Bij 't kleine lid, de tong, die zulke groote dingenIn korten tijd beschikt, gelijk als 't roer, dat 't schipIn een goê haven stiert, of 't op een herde klipSchip-breuke lijden doet. Laat ons hier altijd leeren,Dat in 't klein schepsel meest uitmunt de kracht des Heeren!LXVII.(WIJZE RAAD.)Demosthenes hier bij gelijkenis verklaart,Dat zonder wijzen niet een stad mag[373]zijn bewaard.Sap. 6.Veel beter wetenschap dan kracht in hare werken;De wijze van gelijk is beter als den sterken.Als Ph'lippus had verzocht de Atheensche wijze tolken,Sprak bij gelijkenis Demostheen tot den volke:"De schapen waren met de honden eens getreênIn een verbond, dies zij de wolven t' zaam bestreên:Maar als de wolven nu, hoe krachtig inde wapen,Het krijgen niet en holp[374], zij met de onnoos'le schapenBesloten eenen vreed'; dies zij van stonden aanDe honden mosten hun[375]kwijtmaken en ontslaan:De schapen deden zoo; maar als zij nu bloot zaten,En hadden onbedacht de honden heel verlaten,De wolven wederom aankwamen met geweld,En hebben zoo de kudd' verslonden op het veld."Hier meê Demosthenes bewees uit der naturen[376],Dat hun niet baten mocht de sterkheid van haar muren,Indien zij lieten gaan de wijzen van der Stad;Want daar geen wijsheid is, daar zijn de wallen plat.LXVIII.(DWAZE OPHEF.)Leergierige! leert hier, aan een gecierde rave,Dat gij u niet verheft in iemands anders have.Eccles. 11.In cierlijk schoon gewaad verheugt u niet al t' seffen[377],Noch wilt u in den dag der eeren niet verheffen.De zwart geveêrde raaf, gecierd met veler vogelsVeel-verfde pluimen, aan zijn borst en om zijn vlogels,Zich dwaselijk verheft, als hij in 't kristalijnVan eene zilveren beek ziet zijnen schoonen schijn,Gedenkende niet eens, hoe 't einde wil gelukken,Als elken vogel komt zijn veêren weder plukken.O zoete fabel! die op 't hoofd zoo dapper treftDen genen, die op 't goed eens anders zich verheft,En niet gedachtig is, als elk het zijn zal halen,Hij naakt zal wederom met schanden[378]moeten dalen.Hoe menig vogel nog de dunne locht doorsnijdt,Die, waar hij alle zijn geleende pluimen kwijt,Die hij op woeker heeft, hij waar geen overvlieger,Maar speeldebankeroet, gelijk een recht bedrieger.LXIX.(RECHTVAARDIGE STRAF.)De moordische[379]Harpy, gesteld tot ieders baak,Hoe des verslaagnen bloed in 't einde roept om wraak.Math. 26.'t Zweerd in uw schede steekt: want wie daarmede slaat,In 't einde daar in valt, en jammerlijk vergaat.De moordische Harpy heur zelve gulzig mesttenMet menschen vleesch en bloed, zoo lang tot zij ten lestenKwam drinken uit een borne, en zag in kristallijnHeur spiegelende schaâuw en held'ren wederschijn;Dies, wanende dat daar heur zuster lag begraven,Die inden zilvren vloed heur dorst had willen laven,Zij haast van rouwe storf[380]. Doodslagers, spiegelt u!Wanneer gij 't beelde Gods zoo eiselijk en gruw'Maait in het duister graf, en onze moeder eerdeBevlekt met 't roode bloed, dat druipt van uwen zweerde;Gedenkt aan uwen loon, en ziet dit schouwspel aan!—Daar in de mensch misdoet, daar zal hij in vergaan.LXX.(MENSCH EN MUIL.)Ziet Apulejus hier, met toover-zalve vuile,Besmeeren zijn naakt lijf, en werden eenen muile[381].2Reg. 17.Toen Satan Jacobs huis tot tooverije bracht,Nam God hun midden weg uit 't menschelijk geslacht.Toen Apulejus zich met toover-vet besmeerde,In eenen ezel hij lichamelijk verkeerde,En loopt zoo naar den stalle, om eten uit de kreb,Daar hij gestooten werd, op zijne magre reb[382],Van zijn beslagen paard; dies vlucht hij tot Hippone't Goddinnen beeld, 'twelk daar staat in den stal ten toone,Opdat, door middel van de rozen (zoo hij waant),Daar 't beeld mede is gecierd, zijn vorige gedaantHij dus bekomen mocht: maar naauw licht hij zijn voeten,Of de stal-jongen komt hem met stokslagen groeten,Zoo lange tot hij hoort een wonderlijk gedruischVan dieven, die terstond bezetten 't gansche huis,En rooven zoo veel schats, en rooven zooveel goeden[383]Dat neffens hunnen last zij dezen ezel loeden[384],En stouwen hem zoo voorts, met kluppel-slagen vast[385],Langs eenen steilen weg, met zulken zwaren last.Philebum dient hij nu; nu vlucht hij gaauw en wakkerVoor 't mes van eenen kok; nu dient hij eenen bakker,Nu eenen hovenier; nu draagt hij, op zijn ruigEn mager ruggebeen, eens krijgers wapen-tuig;Nu zal den armen muil des ridders zadel vueren[386], enz.En ondertusschen heeft[387]zoo duizend avonturenIn zijne beestelijkheid; den kommer en d' ellend,De slagen, d'ongemak, den honger neemt geen end',Daarmeê hij wordt bezwaard: nu kleunt men hem met stokken,Nu is hij in 's doods nood, nu rot hij vande pokken[388],Zoo lange dat op 't lest hem Ceres weder bald[389]Door eenen rozen-hoed[390]brengt tot zijn mensch gestalt'.Maar zegt mij, Zang-goddinne! als ik hier recht naar vorssche,Wat voor geheimenis schuilt onder deze schorse?—Die willig zijnen hals buigt onder 't snoode jokDer zonden, wordt bekleed met eenen ezels rok,Verliest zijn mensch'lijkheid, en met veel ongemakkenDoor 's werelds wilde woud reist met veel zware pakken:Zijn vrijheid is hij kwijt, en maakt, alzoo getrost,Een ezel van zich zelf, die, om den magren kost,Zoo grooten slavernij en dienst is onderworpen:Hij dwaalt, hij rent, hij loopt, door steden en door dorpen,In duizenderlei pijne, in duizenderlei smert,Tot dat hij, moê geslaafd, in 't lest aandachtig werd[391],Bedenkende, hoe hij zijn menschheid heeft verloren,Dies hij de Godheid bidt om weder zijn herboren;En als hij zoo 's vleesch lust (den schoonen rozen-hoed,Die m' uit de doornen plukt) verslindt in zijn gemoed,Hij tot zich zelven komt, en wordt, naar zijnen wensche,Van eenen slaafschen muil zoo weder vrije mensche.—LXXI.(WATER EN VUUR.)Van 't water en van 't vuur een kluchtige verhaling,Waar uit wij naakt verstaan der Heid'nen blinde dwaling.Sapien. 13.Gansch ijdel is de mensche, en blind gelijk een rots,In welke niet en is de kennis onzes Gods.Het vuur bij den Perziêrs (als die niet[392]beters wisten)Als God werd hoog ge-eerd; het welk met grooter listenVan eenen priester werd zeer aardiglijk bespot:Want hij met water vocht[393]gevuld heeft eenen pot,Die al vol gaatkens was, gestopt met wasch te zamen,En maakten hem een hoofd, zeer aardig na 't betamen.Den Afgod, zoo hij was (ziet, dat gij niet en lacht),Heeft hij voor 't heete vuur zeer kluchtig voorts gebracht.Het wasch versmolt terstond, het water sprong daar henen,En bluschte zoo geheel den God des Vuurs met eenen.Dies werd de water-kruik (ô wonderlijk bestier!)Voortsaan bij den Perziêrs ge-eerd in plaats van 't vier.'t Gaat zoo nog hedendaags, wanneer wij daar opmerken,Elk een die houdet[394]vast[395]noch altijd met den sterken.LXXII.(SCHILDERKUNST.)Hoe eenen herder eerst het levendige beeldDer schoone schilderkonst in Grieken[396]heeft geteeld.Ezech. 4.Een effen tafel neemt, en luistert naar mijn stem,Trekt daar naar 't leven op de stad Jeruzalem.Terwijl, in Grieken-land, de herder gaat verknapen[397]Zijn kudd', naar 't leven hij de schim van zijne schapenNatuurlijk trekt in 't zand: als nu de schaâu vertrok,Had hij een wollig vlies gemaald met zijnen stok.Aldus werd aldereerst, met heur veel-verfde wieken,De schoone Schilder-konst gebaard bij d' edel Grieken,Pictura[398], die voortsaan[399]met een blijde aangezichtDe wereld heeft verheugd, en wonderlijk gesticht:Die ons gezicht bedriegt, als 't platte schijnt verheven,Het stomme spreken, en het doode schijnt te leven,Het gene stille staat, als of het zich beroert;Dies is zij weerdig, dat men heur ten Hemel voert.LXXIII.(APPELLES EN DE SCHOENMAKER.)Schoen-makers! luistert, hoe de kloekste schildersgeestU allen blijven leert bij uwen houten leest.1Corinth. 7.Een ieder blijve in 't geen (zoo lange als hij hier leeft),Daar hem de lieve God zelf in beroepen heeft.Apelles, schilders-prins, zijn naakte Venus schooneBracht voor 't gemeene volk in't openbaar ten toone,Maar eenen schoeyer[400]heeft zijn werk berispet plat[401],Om dat vrouw Venus schoe te weinig strikken had;Den schilder al terstond zoo haast men hem dit anbracht,(Dewijl't een zake was, die des schoenmakers ambachtBetrof) heeft met 't pinceel geholpen[402]deze fout.Waarom den ambachtsman hoveerdig werd en stout,Als hij na dezen zag, dat 't gene was verbeterd't Welk hij geoordeeld had te slecht te zijn geveterd:Dies voer hij trotscher voort en voor een ieder sprak,Dat aan vrouw Venus' scheen ook vrij al wat gebrak.Apelles hoorde dit en sprak, met stillen geeste:"Schoenmaker! ziet wel toe, en blijft bij uwen leeste,Daar gij u op verstaat, en weest niet zoo gereed[403]".Hij dwaalt, die vonnist 't geen, daar hij niet van en weet.LXXIV.(ZEUXIS EN PARRHASIUS.)Ziet, hoe twee schilders hier, elk een om't beste deel,Vast schilderen om strijd met 't verwige pinceel.Eccles. 9.Hun werken zullen in der konstenaren handAltijd geprezen zijn, van 't eene in 't ander land.De schilder Zeuxis heeft zeer kunstig, met verstand,Een kind met eenen tros[404]gemaald in zijne hand,Waarna de vogelen al graag en hongrig vlogen;Maar komende daar aan, zoo waren zij bedrogen.Waarom Parrhasius hier over heeft gesmaald:"Indien 't kind" (zeide hij) "waar levende afgemaald,De vooglen hadden naar de druif niet dorven pikken,Dewijl zij in 't gemeen voor menschen zich verschrikken":En ging zoo al terstond (uit drijven der natuur)Een plooyige gordijn betrekken[405]op den muur,Die zoo getroffen was, zoo levendig en milde,Dat Zeuxis, als hij kwam, die zelfs oplichten wilde.Aldus Parrhasius had, met een listig oog,Verschalkt zijn meester, die de vogelen bedroog.RAADSEL DES DICHTERS.De vliênde, vlugge tijd, al toornig en verbolgenVoorlooper, overlang, dat ik op 't lest zal volgen,Gewisse tijding bracht, en dat, al wat men ziet,Ik met mijn komste zal vermeluwen[406]tot niet.Niets hier ter wereld is, al schijnet[407]nog zoo zoete,Al blinkt het nog zoo schoon, of 't loopt mij te gemoete.De zonne met zijn toorts, de mane met heur lamp,De dag met zijn wit hoofd, de nacht met heuren damp,De zomer groen van 't loof, de winter wit van 't sneeuwe,Verliezen zich in mij, als met een luid' geschreeuwe:Het jaar, het ronde jaar, dat op twelf[408]voeten gaatZich altijd tot mij wendt met een beweegd gelaat.Te mijwaarts spoedet zich de gulden loop der sterren,De mensche in zijn geboort beschouwt mij al van verren.De tijd, die met zijn zein[409]maait alles in dit dal,Ik dapper eens in't lest zijn vleugels korten zal.De mensch denkt minst om mij, daar meest aan is gelegen,Dewijl ik roede of kroon, den vloek of ook den zegen,Den Hemel of de Hel, het leven of de dood,Hem eindelijken zal toewerpen in den schoot,Wanneer ik 't wrankel rad van alle dingen wende.Nu denkt eens wie ik ben, en radet mij in 'tENDE.[1]Thansblanke,reine.[2]Thanswordt.[3]Thanshet.[4]Thanskleine waarde.[5]Voorin de lente.[6]Al-ook:ofschoon.[7]Rijmshalven voorspeurt.[8]besmoezeld,bevuild.[9]Thansbrave.[10]Gelijk reeds herhaaldelijk voorlaag.[11]slechte.[12]Thanstop.[13]Thanshoofd, dat het (even als in 't Hoogduitsch) in deftigen stijl verdrongen heeft. Men wachtte zich echter beiden—met Mr. van Lennep—voor 'tzelfde woord te houden, daar 't een oorspronkelijk Germaansch, 't andere 't Romaansche en Middeleeuws-Lat.coppais.[14]Thanswordt.[15]omte veranderen.[16]Rijmshalven voorwijsgeeren(verg. 't oudenieuwsgier(boven, bl.33) en onsgierig).[17]Voorwierpen(verg. eldersgevilvoorgeviel,kilvoorkiel).[18]Hier voorkwellen.[19]Thansontslaan van; zie vroeger.[20]bovenal,inzonderheid.[21]Thansook al.[22]bekwame,begaafde.[23]verzonnen,verdichtten.[24]Thansboertig(van 't oudeboerded. i.grap.)[25]Vooroude geschiedenissen.[26]Even zoo boven bl.6: "nu rust op der gedachten Verheven altaarplat", zooveel als inhet boek der herinnering.[27]gebeurd.[28]bijeen.[29]voegt.[30]voorbeiden(nam. Dicht- en Schilderkunst).[31]Naar de oorspronkelijke beteekenis van 't woord:schrander.[32]Vondels zwager was dus blijkbaar Roomsch, 't geen ons in de elders geuite meening versterkt, dat de opvoeding, in dat geloof, van Vondels dochter (waarvan in een brief van den dichter Antonides sprake is) haar bij haar te Keulen verblijf houdende moederlijke grootouders ten deele viel. Verg. van Lenneps Vondel IV, bl. 2 en vv., en het aanget. in deDietsche WarandeVI, bl. 141.[33]volle.[34]gemeen.[35]Napels.[36]De Lat. dichter (Publ. Virgilius) Maro.
Een schaap, aap, zwijn, of leeuw de dronk maakt vanden man,Als 't nat is in zijn lijf, zijn wijsheid in de kan.Proverb. 23.De wijn heel zoet en glad wel door de keele leekt,in den buik hij dan gelijk een slange steekt.Men zegt, dat eenen boer of eenen botten kinkel,Die woonden op het land, (hij heeten Eloog[349]Schinkel)Met vierderleye mist van beesten heeft gevetDen wijngaard: wie te veel van dezen wijn, ik wed[350],Zal zuipen (zeide hij), ik wed dat van vier dierenHij één naar-apen[351]zal, in alle zijn manieren:Het zij hij wordt gelijk een slecht, onnoozel schaap;Het zij hij lustig bootst[352]als eenen drol'gen aap;Het zij hij vuil, onnut, en onrein als een verken,Of eenen grammen leeuw gelijk werde in zijn werken;Want wie met vele wijns verladet[353]zijnen geest,Wordt in zijn dronkenschap het een of 't ander beest.Indien de dronkaart wist, of kon te dege ramen,Hoe hem de dronk misstaat, hij zoud' hem[354]moeten schamen.
Een schaap, aap, zwijn, of leeuw de dronk maakt vanden man,Als 't nat is in zijn lijf, zijn wijsheid in de kan.Proverb. 23.De wijn heel zoet en glad wel door de keele leekt,in den buik hij dan gelijk een slange steekt.Men zegt, dat eenen boer of eenen botten kinkel,Die woonden op het land, (hij heeten Eloog[349]Schinkel)Met vierderleye mist van beesten heeft gevetDen wijngaard: wie te veel van dezen wijn, ik wed[350],Zal zuipen (zeide hij), ik wed dat van vier dierenHij één naar-apen[351]zal, in alle zijn manieren:Het zij hij wordt gelijk een slecht, onnoozel schaap;Het zij hij lustig bootst[352]als eenen drol'gen aap;Het zij hij vuil, onnut, en onrein als een verken,Of eenen grammen leeuw gelijk werde in zijn werken;Want wie met vele wijns verladet[353]zijnen geest,Wordt in zijn dronkenschap het een of 't ander beest.Indien de dronkaart wist, of kon te dege ramen,Hoe hem de dronk misstaat, hij zoud' hem[354]moeten schamen.
Een schaap, aap, zwijn, of leeuw de dronk maakt vanden man,Als 't nat is in zijn lijf, zijn wijsheid in de kan.Proverb. 23.De wijn heel zoet en glad wel door de keele leekt,in den buik hij dan gelijk een slange steekt.
Een schaap, aap, zwijn, of leeuw de dronk maakt vanden man,
Als 't nat is in zijn lijf, zijn wijsheid in de kan.
Proverb. 23.
De wijn heel zoet en glad wel door de keele leekt,
in den buik hij dan gelijk een slange steekt.
Men zegt, dat eenen boer of eenen botten kinkel,Die woonden op het land, (hij heeten Eloog[349]Schinkel)Met vierderleye mist van beesten heeft gevetDen wijngaard: wie te veel van dezen wijn, ik wed[350],Zal zuipen (zeide hij), ik wed dat van vier dierenHij één naar-apen[351]zal, in alle zijn manieren:Het zij hij wordt gelijk een slecht, onnoozel schaap;Het zij hij lustig bootst[352]als eenen drol'gen aap;Het zij hij vuil, onnut, en onrein als een verken,Of eenen grammen leeuw gelijk werde in zijn werken;Want wie met vele wijns verladet[353]zijnen geest,Wordt in zijn dronkenschap het een of 't ander beest.Indien de dronkaart wist, of kon te dege ramen,Hoe hem de dronk misstaat, hij zoud' hem[354]moeten schamen.
Men zegt, dat eenen boer of eenen botten kinkel,
Die woonden op het land, (hij heeten Eloog[349]Schinkel)
Met vierderleye mist van beesten heeft gevet
Den wijngaard: wie te veel van dezen wijn, ik wed[350],
Zal zuipen (zeide hij), ik wed dat van vier dieren
Hij één naar-apen[351]zal, in alle zijn manieren:
Het zij hij wordt gelijk een slecht, onnoozel schaap;
Het zij hij lustig bootst[352]als eenen drol'gen aap;
Het zij hij vuil, onnut, en onrein als een verken,
Of eenen grammen leeuw gelijk werde in zijn werken;
Want wie met vele wijns verladet[353]zijnen geest,
Wordt in zijn dronkenschap het een of 't ander beest.
Indien de dronkaart wist, of kon te dege ramen,
Hoe hem de dronk misstaat, hij zoud' hem[354]moeten schamen.
De Dolfijn in het meer, bewogen vande snaren,Den harper Arion[355]draagt door de blaauwe baren.Jon. 1.Drie dagen Jonas inden walvisch was gedolven,Die eindelijken hem spoog uit de watergolven.De herper[356]Arion[355]den Ocean ging kruisenIn een Corinthsche bark, ontziende niet het bruisschenDes grondeloozen meirs, opdat hij aan het strandZijn stappen zetten mocht in 't schoon Hesperisch land:Maar naauw en[357]is hij t' scheep, of heim'lijk hij en hoorden,Dat hem het schip-volk 's nachts bestemde te vermoorden,Dies hij van angst en vrees schier kroop in eene schulp,Als hij verlaten zich, van alle menschen hulp,Vond in zijns lijfsgevaar; wat raad in dees verbazing!Hij gaat terstond (als door een Goddelijke inblazing)Zijn lichaam cieren, en toemaken hupsch[358]en schoon,Gelijk hij was gewoon, als hij den zoeten toonZijns gulden citers in een schouwplaats plag te wekken,Opdat zijn ciersel nog tot zijns lijks eer mocht strekken,En dat hij als de zwane, in zijnen lesten nood,Met eenig droevig lied beklagen mocht zijn dood.Dus zijnde toebereid, dus zijnde toeberustet[359]Hij tot den schipliên zegt: "Matrozen, mij gelustetTot d' eere Apollinis[360]een lied te heffen aan."Maar als hij naauwlijks nog ten halve heeft gedaan,De zonne in Tethis schoot, met zijne vuur'ge peerden,Daalt zachtelijken neêr, om daar zijn rust te aanveerden;Het boots-volk, al verwoed, gelijkerhand toe treedt,Eer nog zijn donker zeil de nacht hadde uitgespreed,En komt gewapend aan, om zijnen draad[361]te korten,Dies hij van boven neêr zich in de zee gaat storten:Maar eer met zijn gansch lijf hij nog in 't water plost[362]Hij van de dolfijns wordt gedragen en getrost[363],De een neemt hem op den rugge, en de ander door de baren(Als of zij dezen dienst hem dobbel schuldig waren)Geleidden hem door 't nat: dies, eer hij ommekijkt,Is't schip zoo wijd van hem, dat het een schelp gelijkt.Hij heft zijn aanschijn op, en vrolijken[364]van verrenAanschouwt de zilv'ren mane en zoo veel gulden sterren,Dies hij gedenkt, dat Gods gerechtigheid wijd zweeft,En niet met één oog ziet, maar zoo veel oogen heeftAls sterren in de lucht, daarmede hij bespiedetAl 't geen wat op der eerde of in de zee geschiedet:'t Welk in dit groot gevaar hem een kloek herte maakt,Tot hij behouden zoo t'wijl[365]aan den oever raakt.O, domme mensch! leert hier; kruipt eens uit uwer schelpen[366],Hoe uwen naaste gij in nood behoort te helpen.
De Dolfijn in het meer, bewogen vande snaren,Den harper Arion[355]draagt door de blaauwe baren.Jon. 1.Drie dagen Jonas inden walvisch was gedolven,Die eindelijken hem spoog uit de watergolven.De herper[356]Arion[355]den Ocean ging kruisenIn een Corinthsche bark, ontziende niet het bruisschenDes grondeloozen meirs, opdat hij aan het strandZijn stappen zetten mocht in 't schoon Hesperisch land:Maar naauw en[357]is hij t' scheep, of heim'lijk hij en hoorden,Dat hem het schip-volk 's nachts bestemde te vermoorden,Dies hij van angst en vrees schier kroop in eene schulp,Als hij verlaten zich, van alle menschen hulp,Vond in zijns lijfsgevaar; wat raad in dees verbazing!Hij gaat terstond (als door een Goddelijke inblazing)Zijn lichaam cieren, en toemaken hupsch[358]en schoon,Gelijk hij was gewoon, als hij den zoeten toonZijns gulden citers in een schouwplaats plag te wekken,Opdat zijn ciersel nog tot zijns lijks eer mocht strekken,En dat hij als de zwane, in zijnen lesten nood,Met eenig droevig lied beklagen mocht zijn dood.Dus zijnde toebereid, dus zijnde toeberustet[359]Hij tot den schipliên zegt: "Matrozen, mij gelustetTot d' eere Apollinis[360]een lied te heffen aan."Maar als hij naauwlijks nog ten halve heeft gedaan,De zonne in Tethis schoot, met zijne vuur'ge peerden,Daalt zachtelijken neêr, om daar zijn rust te aanveerden;Het boots-volk, al verwoed, gelijkerhand toe treedt,Eer nog zijn donker zeil de nacht hadde uitgespreed,En komt gewapend aan, om zijnen draad[361]te korten,Dies hij van boven neêr zich in de zee gaat storten:Maar eer met zijn gansch lijf hij nog in 't water plost[362]Hij van de dolfijns wordt gedragen en getrost[363],De een neemt hem op den rugge, en de ander door de baren(Als of zij dezen dienst hem dobbel schuldig waren)Geleidden hem door 't nat: dies, eer hij ommekijkt,Is't schip zoo wijd van hem, dat het een schelp gelijkt.Hij heft zijn aanschijn op, en vrolijken[364]van verrenAanschouwt de zilv'ren mane en zoo veel gulden sterren,Dies hij gedenkt, dat Gods gerechtigheid wijd zweeft,En niet met één oog ziet, maar zoo veel oogen heeftAls sterren in de lucht, daarmede hij bespiedetAl 't geen wat op der eerde of in de zee geschiedet:'t Welk in dit groot gevaar hem een kloek herte maakt,Tot hij behouden zoo t'wijl[365]aan den oever raakt.O, domme mensch! leert hier; kruipt eens uit uwer schelpen[366],Hoe uwen naaste gij in nood behoort te helpen.
De Dolfijn in het meer, bewogen vande snaren,Den harper Arion[355]draagt door de blaauwe baren.Jon. 1.Drie dagen Jonas inden walvisch was gedolven,Die eindelijken hem spoog uit de watergolven.
De Dolfijn in het meer, bewogen vande snaren,
Den harper Arion[355]draagt door de blaauwe baren.
Jon. 1.
Drie dagen Jonas inden walvisch was gedolven,
Die eindelijken hem spoog uit de watergolven.
De herper[356]Arion[355]den Ocean ging kruisenIn een Corinthsche bark, ontziende niet het bruisschenDes grondeloozen meirs, opdat hij aan het strandZijn stappen zetten mocht in 't schoon Hesperisch land:Maar naauw en[357]is hij t' scheep, of heim'lijk hij en hoorden,Dat hem het schip-volk 's nachts bestemde te vermoorden,Dies hij van angst en vrees schier kroop in eene schulp,Als hij verlaten zich, van alle menschen hulp,Vond in zijns lijfsgevaar; wat raad in dees verbazing!Hij gaat terstond (als door een Goddelijke inblazing)Zijn lichaam cieren, en toemaken hupsch[358]en schoon,Gelijk hij was gewoon, als hij den zoeten toonZijns gulden citers in een schouwplaats plag te wekken,Opdat zijn ciersel nog tot zijns lijks eer mocht strekken,En dat hij als de zwane, in zijnen lesten nood,Met eenig droevig lied beklagen mocht zijn dood.Dus zijnde toebereid, dus zijnde toeberustet[359]Hij tot den schipliên zegt: "Matrozen, mij gelustetTot d' eere Apollinis[360]een lied te heffen aan."Maar als hij naauwlijks nog ten halve heeft gedaan,De zonne in Tethis schoot, met zijne vuur'ge peerden,Daalt zachtelijken neêr, om daar zijn rust te aanveerden;Het boots-volk, al verwoed, gelijkerhand toe treedt,Eer nog zijn donker zeil de nacht hadde uitgespreed,En komt gewapend aan, om zijnen draad[361]te korten,Dies hij van boven neêr zich in de zee gaat storten:Maar eer met zijn gansch lijf hij nog in 't water plost[362]Hij van de dolfijns wordt gedragen en getrost[363],De een neemt hem op den rugge, en de ander door de baren(Als of zij dezen dienst hem dobbel schuldig waren)Geleidden hem door 't nat: dies, eer hij ommekijkt,Is't schip zoo wijd van hem, dat het een schelp gelijkt.Hij heft zijn aanschijn op, en vrolijken[364]van verrenAanschouwt de zilv'ren mane en zoo veel gulden sterren,Dies hij gedenkt, dat Gods gerechtigheid wijd zweeft,En niet met één oog ziet, maar zoo veel oogen heeftAls sterren in de lucht, daarmede hij bespiedetAl 't geen wat op der eerde of in de zee geschiedet:'t Welk in dit groot gevaar hem een kloek herte maakt,Tot hij behouden zoo t'wijl[365]aan den oever raakt.O, domme mensch! leert hier; kruipt eens uit uwer schelpen[366],Hoe uwen naaste gij in nood behoort te helpen.
De herper[356]Arion[355]den Ocean ging kruisen
In een Corinthsche bark, ontziende niet het bruisschen
Des grondeloozen meirs, opdat hij aan het strand
Zijn stappen zetten mocht in 't schoon Hesperisch land:
Maar naauw en[357]is hij t' scheep, of heim'lijk hij en hoorden,
Dat hem het schip-volk 's nachts bestemde te vermoorden,
Dies hij van angst en vrees schier kroop in eene schulp,
Als hij verlaten zich, van alle menschen hulp,
Vond in zijns lijfsgevaar; wat raad in dees verbazing!
Hij gaat terstond (als door een Goddelijke inblazing)
Zijn lichaam cieren, en toemaken hupsch[358]en schoon,
Gelijk hij was gewoon, als hij den zoeten toon
Zijns gulden citers in een schouwplaats plag te wekken,
Opdat zijn ciersel nog tot zijns lijks eer mocht strekken,
En dat hij als de zwane, in zijnen lesten nood,
Met eenig droevig lied beklagen mocht zijn dood.
Dus zijnde toebereid, dus zijnde toeberustet[359]
Hij tot den schipliên zegt: "Matrozen, mij gelustet
Tot d' eere Apollinis[360]een lied te heffen aan."
Maar als hij naauwlijks nog ten halve heeft gedaan,
De zonne in Tethis schoot, met zijne vuur'ge peerden,
Daalt zachtelijken neêr, om daar zijn rust te aanveerden;
Het boots-volk, al verwoed, gelijkerhand toe treedt,
Eer nog zijn donker zeil de nacht hadde uitgespreed,
En komt gewapend aan, om zijnen draad[361]te korten,
Dies hij van boven neêr zich in de zee gaat storten:
Maar eer met zijn gansch lijf hij nog in 't water plost[362]
Hij van de dolfijns wordt gedragen en getrost[363],
De een neemt hem op den rugge, en de ander door de baren
(Als of zij dezen dienst hem dobbel schuldig waren)
Geleidden hem door 't nat: dies, eer hij ommekijkt,
Is't schip zoo wijd van hem, dat het een schelp gelijkt.
Hij heft zijn aanschijn op, en vrolijken[364]van verren
Aanschouwt de zilv'ren mane en zoo veel gulden sterren,
Dies hij gedenkt, dat Gods gerechtigheid wijd zweeft,
En niet met één oog ziet, maar zoo veel oogen heeft
Als sterren in de lucht, daarmede hij bespiedet
Al 't geen wat op der eerde of in de zee geschiedet:
't Welk in dit groot gevaar hem een kloek herte maakt,
Tot hij behouden zoo t'wijl[365]aan den oever raakt.
O, domme mensch! leert hier; kruipt eens uit uwer schelpen[366],
Hoe uwen naaste gij in nood behoort te helpen.
Hier zit Polycrates, die der fortuinen radGestadig mede liep, en[367]nimmer onspoed had.Proverb. 1.Der dwazen voorspoed mag haar[368]geenszins baten niet,Maar zal ten leste hen nog brengen in't verdriet.Men zegt Polycrates, gelukkig boven allen,De onstadige fortuine is altijd toegevallen:Als hij op eenen tijd in vriendschap zich verbondMet zijnen goeden vriend, hij, boven hand en mond,Om deze vriendschap vast en trouwlijk te bevestenNog zijnen gouden ring in 't water wierp ten lesten:Maar als hij naderhand, naar koninklijken eisch[369],Zeer aardig aan den disch zat binnen zijn paleis,Vand hij den zelven ring, die was in 't meer geworpen,In 't lijf van eenen visch zeer zeldzaam opgeslorpen[370].O wonderlijk bedrijf! het schijnt wel voor gewis,Dat menig mensche tot geluk geboren is:Den eenen jaagt' er naar, en 't loopt steeds voor hem henen,En't komt den and'ren t' huis, zelfs eer hij 't zoude meenen.De ziende schiet naar 't wit en raakt een bonte kraai;De blinde koning wordt, en treft den papegaai.
Hier zit Polycrates, die der fortuinen radGestadig mede liep, en[367]nimmer onspoed had.Proverb. 1.Der dwazen voorspoed mag haar[368]geenszins baten niet,Maar zal ten leste hen nog brengen in't verdriet.Men zegt Polycrates, gelukkig boven allen,De onstadige fortuine is altijd toegevallen:Als hij op eenen tijd in vriendschap zich verbondMet zijnen goeden vriend, hij, boven hand en mond,Om deze vriendschap vast en trouwlijk te bevestenNog zijnen gouden ring in 't water wierp ten lesten:Maar als hij naderhand, naar koninklijken eisch[369],Zeer aardig aan den disch zat binnen zijn paleis,Vand hij den zelven ring, die was in 't meer geworpen,In 't lijf van eenen visch zeer zeldzaam opgeslorpen[370].O wonderlijk bedrijf! het schijnt wel voor gewis,Dat menig mensche tot geluk geboren is:Den eenen jaagt' er naar, en 't loopt steeds voor hem henen,En't komt den and'ren t' huis, zelfs eer hij 't zoude meenen.De ziende schiet naar 't wit en raakt een bonte kraai;De blinde koning wordt, en treft den papegaai.
Hier zit Polycrates, die der fortuinen radGestadig mede liep, en[367]nimmer onspoed had.Proverb. 1.Der dwazen voorspoed mag haar[368]geenszins baten niet,Maar zal ten leste hen nog brengen in't verdriet.
Hier zit Polycrates, die der fortuinen rad
Gestadig mede liep, en[367]nimmer onspoed had.
Proverb. 1.
Der dwazen voorspoed mag haar[368]geenszins baten niet,
Maar zal ten leste hen nog brengen in't verdriet.
Men zegt Polycrates, gelukkig boven allen,De onstadige fortuine is altijd toegevallen:Als hij op eenen tijd in vriendschap zich verbondMet zijnen goeden vriend, hij, boven hand en mond,Om deze vriendschap vast en trouwlijk te bevestenNog zijnen gouden ring in 't water wierp ten lesten:Maar als hij naderhand, naar koninklijken eisch[369],Zeer aardig aan den disch zat binnen zijn paleis,Vand hij den zelven ring, die was in 't meer geworpen,In 't lijf van eenen visch zeer zeldzaam opgeslorpen[370].O wonderlijk bedrijf! het schijnt wel voor gewis,Dat menig mensche tot geluk geboren is:Den eenen jaagt' er naar, en 't loopt steeds voor hem henen,En't komt den and'ren t' huis, zelfs eer hij 't zoude meenen.De ziende schiet naar 't wit en raakt een bonte kraai;De blinde koning wordt, en treft den papegaai.
Men zegt Polycrates, gelukkig boven allen,
De onstadige fortuine is altijd toegevallen:
Als hij op eenen tijd in vriendschap zich verbond
Met zijnen goeden vriend, hij, boven hand en mond,
Om deze vriendschap vast en trouwlijk te bevesten
Nog zijnen gouden ring in 't water wierp ten lesten:
Maar als hij naderhand, naar koninklijken eisch[369],
Zeer aardig aan den disch zat binnen zijn paleis,
Vand hij den zelven ring, die was in 't meer geworpen,
In 't lijf van eenen visch zeer zeldzaam opgeslorpen[370].
O wonderlijk bedrijf! het schijnt wel voor gewis,
Dat menig mensche tot geluk geboren is:
Den eenen jaagt' er naar, en 't loopt steeds voor hem henen,
En't komt den and'ren t' huis, zelfs eer hij 't zoude meenen.
De ziende schiet naar 't wit en raakt een bonte kraai;
De blinde koning wordt, en treft den papegaai.
't Klein vischken Remora kan lichtelijk terstondBekrijgen een groot schip, en stooten't in den grond.Job. 12.Gaat, vraagt uw moeder de aarde, opdat zij 't u bediede,De visschen zullen u vertellen het geschiede.Het vischken Remora, lang eenen halven voet,Heeft eenen hoorn in 't hoofd, daar 't groot geweld meê doet;Want het Antonij[371]groot galioen verletten,Daar 't opgeblazen kwam met volle zeilen zettenIn 't Adriatisch meer, en boorde 't schier te grond:Waarom Erasmus dit, met zijnen gulden mond,Tot een gelijkenis gebruikt heeft, zonderlingen[372]Bij 't kleine lid, de tong, die zulke groote dingenIn korten tijd beschikt, gelijk als 't roer, dat 't schipIn een goê haven stiert, of 't op een herde klipSchip-breuke lijden doet. Laat ons hier altijd leeren,Dat in 't klein schepsel meest uitmunt de kracht des Heeren!
't Klein vischken Remora kan lichtelijk terstondBekrijgen een groot schip, en stooten't in den grond.Job. 12.Gaat, vraagt uw moeder de aarde, opdat zij 't u bediede,De visschen zullen u vertellen het geschiede.Het vischken Remora, lang eenen halven voet,Heeft eenen hoorn in 't hoofd, daar 't groot geweld meê doet;Want het Antonij[371]groot galioen verletten,Daar 't opgeblazen kwam met volle zeilen zettenIn 't Adriatisch meer, en boorde 't schier te grond:Waarom Erasmus dit, met zijnen gulden mond,Tot een gelijkenis gebruikt heeft, zonderlingen[372]Bij 't kleine lid, de tong, die zulke groote dingenIn korten tijd beschikt, gelijk als 't roer, dat 't schipIn een goê haven stiert, of 't op een herde klipSchip-breuke lijden doet. Laat ons hier altijd leeren,Dat in 't klein schepsel meest uitmunt de kracht des Heeren!
't Klein vischken Remora kan lichtelijk terstondBekrijgen een groot schip, en stooten't in den grond.Job. 12.Gaat, vraagt uw moeder de aarde, opdat zij 't u bediede,De visschen zullen u vertellen het geschiede.
't Klein vischken Remora kan lichtelijk terstond
Bekrijgen een groot schip, en stooten't in den grond.
Job. 12.
Gaat, vraagt uw moeder de aarde, opdat zij 't u bediede,
De visschen zullen u vertellen het geschiede.
Het vischken Remora, lang eenen halven voet,Heeft eenen hoorn in 't hoofd, daar 't groot geweld meê doet;Want het Antonij[371]groot galioen verletten,Daar 't opgeblazen kwam met volle zeilen zettenIn 't Adriatisch meer, en boorde 't schier te grond:Waarom Erasmus dit, met zijnen gulden mond,Tot een gelijkenis gebruikt heeft, zonderlingen[372]Bij 't kleine lid, de tong, die zulke groote dingenIn korten tijd beschikt, gelijk als 't roer, dat 't schipIn een goê haven stiert, of 't op een herde klipSchip-breuke lijden doet. Laat ons hier altijd leeren,Dat in 't klein schepsel meest uitmunt de kracht des Heeren!
Het vischken Remora, lang eenen halven voet,
Heeft eenen hoorn in 't hoofd, daar 't groot geweld meê doet;
Want het Antonij[371]groot galioen verletten,
Daar 't opgeblazen kwam met volle zeilen zetten
In 't Adriatisch meer, en boorde 't schier te grond:
Waarom Erasmus dit, met zijnen gulden mond,
Tot een gelijkenis gebruikt heeft, zonderlingen[372]
Bij 't kleine lid, de tong, die zulke groote dingen
In korten tijd beschikt, gelijk als 't roer, dat 't schip
In een goê haven stiert, of 't op een herde klip
Schip-breuke lijden doet. Laat ons hier altijd leeren,
Dat in 't klein schepsel meest uitmunt de kracht des Heeren!
Demosthenes hier bij gelijkenis verklaart,Dat zonder wijzen niet een stad mag[373]zijn bewaard.Sap. 6.Veel beter wetenschap dan kracht in hare werken;De wijze van gelijk is beter als den sterken.Als Ph'lippus had verzocht de Atheensche wijze tolken,Sprak bij gelijkenis Demostheen tot den volke:"De schapen waren met de honden eens getreênIn een verbond, dies zij de wolven t' zaam bestreên:Maar als de wolven nu, hoe krachtig inde wapen,Het krijgen niet en holp[374], zij met de onnoos'le schapenBesloten eenen vreed'; dies zij van stonden aanDe honden mosten hun[375]kwijtmaken en ontslaan:De schapen deden zoo; maar als zij nu bloot zaten,En hadden onbedacht de honden heel verlaten,De wolven wederom aankwamen met geweld,En hebben zoo de kudd' verslonden op het veld."Hier meê Demosthenes bewees uit der naturen[376],Dat hun niet baten mocht de sterkheid van haar muren,Indien zij lieten gaan de wijzen van der Stad;Want daar geen wijsheid is, daar zijn de wallen plat.
Demosthenes hier bij gelijkenis verklaart,Dat zonder wijzen niet een stad mag[373]zijn bewaard.Sap. 6.Veel beter wetenschap dan kracht in hare werken;De wijze van gelijk is beter als den sterken.Als Ph'lippus had verzocht de Atheensche wijze tolken,Sprak bij gelijkenis Demostheen tot den volke:"De schapen waren met de honden eens getreênIn een verbond, dies zij de wolven t' zaam bestreên:Maar als de wolven nu, hoe krachtig inde wapen,Het krijgen niet en holp[374], zij met de onnoos'le schapenBesloten eenen vreed'; dies zij van stonden aanDe honden mosten hun[375]kwijtmaken en ontslaan:De schapen deden zoo; maar als zij nu bloot zaten,En hadden onbedacht de honden heel verlaten,De wolven wederom aankwamen met geweld,En hebben zoo de kudd' verslonden op het veld."Hier meê Demosthenes bewees uit der naturen[376],Dat hun niet baten mocht de sterkheid van haar muren,Indien zij lieten gaan de wijzen van der Stad;Want daar geen wijsheid is, daar zijn de wallen plat.
Demosthenes hier bij gelijkenis verklaart,Dat zonder wijzen niet een stad mag[373]zijn bewaard.Sap. 6.Veel beter wetenschap dan kracht in hare werken;De wijze van gelijk is beter als den sterken.
Demosthenes hier bij gelijkenis verklaart,
Dat zonder wijzen niet een stad mag[373]zijn bewaard.
Sap. 6.
Veel beter wetenschap dan kracht in hare werken;
De wijze van gelijk is beter als den sterken.
Als Ph'lippus had verzocht de Atheensche wijze tolken,Sprak bij gelijkenis Demostheen tot den volke:"De schapen waren met de honden eens getreênIn een verbond, dies zij de wolven t' zaam bestreên:Maar als de wolven nu, hoe krachtig inde wapen,Het krijgen niet en holp[374], zij met de onnoos'le schapenBesloten eenen vreed'; dies zij van stonden aanDe honden mosten hun[375]kwijtmaken en ontslaan:De schapen deden zoo; maar als zij nu bloot zaten,En hadden onbedacht de honden heel verlaten,De wolven wederom aankwamen met geweld,En hebben zoo de kudd' verslonden op het veld."Hier meê Demosthenes bewees uit der naturen[376],Dat hun niet baten mocht de sterkheid van haar muren,Indien zij lieten gaan de wijzen van der Stad;Want daar geen wijsheid is, daar zijn de wallen plat.
Als Ph'lippus had verzocht de Atheensche wijze tolken,
Sprak bij gelijkenis Demostheen tot den volke:
"De schapen waren met de honden eens getreên
In een verbond, dies zij de wolven t' zaam bestreên:
Maar als de wolven nu, hoe krachtig inde wapen,
Het krijgen niet en holp[374], zij met de onnoos'le schapen
Besloten eenen vreed'; dies zij van stonden aan
De honden mosten hun[375]kwijtmaken en ontslaan:
De schapen deden zoo; maar als zij nu bloot zaten,
En hadden onbedacht de honden heel verlaten,
De wolven wederom aankwamen met geweld,
En hebben zoo de kudd' verslonden op het veld."
Hier meê Demosthenes bewees uit der naturen[376],
Dat hun niet baten mocht de sterkheid van haar muren,
Indien zij lieten gaan de wijzen van der Stad;
Want daar geen wijsheid is, daar zijn de wallen plat.
Leergierige! leert hier, aan een gecierde rave,Dat gij u niet verheft in iemands anders have.Eccles. 11.In cierlijk schoon gewaad verheugt u niet al t' seffen[377],Noch wilt u in den dag der eeren niet verheffen.De zwart geveêrde raaf, gecierd met veler vogelsVeel-verfde pluimen, aan zijn borst en om zijn vlogels,Zich dwaselijk verheft, als hij in 't kristalijnVan eene zilveren beek ziet zijnen schoonen schijn,Gedenkende niet eens, hoe 't einde wil gelukken,Als elken vogel komt zijn veêren weder plukken.O zoete fabel! die op 't hoofd zoo dapper treftDen genen, die op 't goed eens anders zich verheft,En niet gedachtig is, als elk het zijn zal halen,Hij naakt zal wederom met schanden[378]moeten dalen.Hoe menig vogel nog de dunne locht doorsnijdt,Die, waar hij alle zijn geleende pluimen kwijt,Die hij op woeker heeft, hij waar geen overvlieger,Maar speeldebankeroet, gelijk een recht bedrieger.
Leergierige! leert hier, aan een gecierde rave,Dat gij u niet verheft in iemands anders have.Eccles. 11.In cierlijk schoon gewaad verheugt u niet al t' seffen[377],Noch wilt u in den dag der eeren niet verheffen.De zwart geveêrde raaf, gecierd met veler vogelsVeel-verfde pluimen, aan zijn borst en om zijn vlogels,Zich dwaselijk verheft, als hij in 't kristalijnVan eene zilveren beek ziet zijnen schoonen schijn,Gedenkende niet eens, hoe 't einde wil gelukken,Als elken vogel komt zijn veêren weder plukken.O zoete fabel! die op 't hoofd zoo dapper treftDen genen, die op 't goed eens anders zich verheft,En niet gedachtig is, als elk het zijn zal halen,Hij naakt zal wederom met schanden[378]moeten dalen.Hoe menig vogel nog de dunne locht doorsnijdt,Die, waar hij alle zijn geleende pluimen kwijt,Die hij op woeker heeft, hij waar geen overvlieger,Maar speeldebankeroet, gelijk een recht bedrieger.
Leergierige! leert hier, aan een gecierde rave,Dat gij u niet verheft in iemands anders have.Eccles. 11.In cierlijk schoon gewaad verheugt u niet al t' seffen[377],Noch wilt u in den dag der eeren niet verheffen.
Leergierige! leert hier, aan een gecierde rave,
Dat gij u niet verheft in iemands anders have.
Eccles. 11.
In cierlijk schoon gewaad verheugt u niet al t' seffen[377],
Noch wilt u in den dag der eeren niet verheffen.
De zwart geveêrde raaf, gecierd met veler vogelsVeel-verfde pluimen, aan zijn borst en om zijn vlogels,Zich dwaselijk verheft, als hij in 't kristalijnVan eene zilveren beek ziet zijnen schoonen schijn,Gedenkende niet eens, hoe 't einde wil gelukken,Als elken vogel komt zijn veêren weder plukken.O zoete fabel! die op 't hoofd zoo dapper treftDen genen, die op 't goed eens anders zich verheft,En niet gedachtig is, als elk het zijn zal halen,Hij naakt zal wederom met schanden[378]moeten dalen.Hoe menig vogel nog de dunne locht doorsnijdt,Die, waar hij alle zijn geleende pluimen kwijt,Die hij op woeker heeft, hij waar geen overvlieger,Maar speeldebankeroet, gelijk een recht bedrieger.
De zwart geveêrde raaf, gecierd met veler vogels
Veel-verfde pluimen, aan zijn borst en om zijn vlogels,
Zich dwaselijk verheft, als hij in 't kristalijn
Van eene zilveren beek ziet zijnen schoonen schijn,
Gedenkende niet eens, hoe 't einde wil gelukken,
Als elken vogel komt zijn veêren weder plukken.
O zoete fabel! die op 't hoofd zoo dapper treft
Den genen, die op 't goed eens anders zich verheft,
En niet gedachtig is, als elk het zijn zal halen,
Hij naakt zal wederom met schanden[378]moeten dalen.
Hoe menig vogel nog de dunne locht doorsnijdt,
Die, waar hij alle zijn geleende pluimen kwijt,
Die hij op woeker heeft, hij waar geen overvlieger,
Maar speeldebankeroet, gelijk een recht bedrieger.
De moordische[379]Harpy, gesteld tot ieders baak,Hoe des verslaagnen bloed in 't einde roept om wraak.Math. 26.'t Zweerd in uw schede steekt: want wie daarmede slaat,In 't einde daar in valt, en jammerlijk vergaat.De moordische Harpy heur zelve gulzig mesttenMet menschen vleesch en bloed, zoo lang tot zij ten lestenKwam drinken uit een borne, en zag in kristallijnHeur spiegelende schaâuw en held'ren wederschijn;Dies, wanende dat daar heur zuster lag begraven,Die inden zilvren vloed heur dorst had willen laven,Zij haast van rouwe storf[380]. Doodslagers, spiegelt u!Wanneer gij 't beelde Gods zoo eiselijk en gruw'Maait in het duister graf, en onze moeder eerdeBevlekt met 't roode bloed, dat druipt van uwen zweerde;Gedenkt aan uwen loon, en ziet dit schouwspel aan!—Daar in de mensch misdoet, daar zal hij in vergaan.
De moordische[379]Harpy, gesteld tot ieders baak,Hoe des verslaagnen bloed in 't einde roept om wraak.Math. 26.'t Zweerd in uw schede steekt: want wie daarmede slaat,In 't einde daar in valt, en jammerlijk vergaat.De moordische Harpy heur zelve gulzig mesttenMet menschen vleesch en bloed, zoo lang tot zij ten lestenKwam drinken uit een borne, en zag in kristallijnHeur spiegelende schaâuw en held'ren wederschijn;Dies, wanende dat daar heur zuster lag begraven,Die inden zilvren vloed heur dorst had willen laven,Zij haast van rouwe storf[380]. Doodslagers, spiegelt u!Wanneer gij 't beelde Gods zoo eiselijk en gruw'Maait in het duister graf, en onze moeder eerdeBevlekt met 't roode bloed, dat druipt van uwen zweerde;Gedenkt aan uwen loon, en ziet dit schouwspel aan!—Daar in de mensch misdoet, daar zal hij in vergaan.
De moordische[379]Harpy, gesteld tot ieders baak,Hoe des verslaagnen bloed in 't einde roept om wraak.Math. 26.'t Zweerd in uw schede steekt: want wie daarmede slaat,In 't einde daar in valt, en jammerlijk vergaat.
De moordische[379]Harpy, gesteld tot ieders baak,
Hoe des verslaagnen bloed in 't einde roept om wraak.
Math. 26.
't Zweerd in uw schede steekt: want wie daarmede slaat,
In 't einde daar in valt, en jammerlijk vergaat.
De moordische Harpy heur zelve gulzig mesttenMet menschen vleesch en bloed, zoo lang tot zij ten lestenKwam drinken uit een borne, en zag in kristallijnHeur spiegelende schaâuw en held'ren wederschijn;Dies, wanende dat daar heur zuster lag begraven,Die inden zilvren vloed heur dorst had willen laven,Zij haast van rouwe storf[380]. Doodslagers, spiegelt u!Wanneer gij 't beelde Gods zoo eiselijk en gruw'Maait in het duister graf, en onze moeder eerdeBevlekt met 't roode bloed, dat druipt van uwen zweerde;Gedenkt aan uwen loon, en ziet dit schouwspel aan!—Daar in de mensch misdoet, daar zal hij in vergaan.
De moordische Harpy heur zelve gulzig mestten
Met menschen vleesch en bloed, zoo lang tot zij ten lesten
Kwam drinken uit een borne, en zag in kristallijn
Heur spiegelende schaâuw en held'ren wederschijn;
Dies, wanende dat daar heur zuster lag begraven,
Die inden zilvren vloed heur dorst had willen laven,
Zij haast van rouwe storf[380]. Doodslagers, spiegelt u!
Wanneer gij 't beelde Gods zoo eiselijk en gruw'
Maait in het duister graf, en onze moeder eerde
Bevlekt met 't roode bloed, dat druipt van uwen zweerde;
Gedenkt aan uwen loon, en ziet dit schouwspel aan!—
Daar in de mensch misdoet, daar zal hij in vergaan.
Ziet Apulejus hier, met toover-zalve vuile,Besmeeren zijn naakt lijf, en werden eenen muile[381].2Reg. 17.Toen Satan Jacobs huis tot tooverije bracht,Nam God hun midden weg uit 't menschelijk geslacht.Toen Apulejus zich met toover-vet besmeerde,In eenen ezel hij lichamelijk verkeerde,En loopt zoo naar den stalle, om eten uit de kreb,Daar hij gestooten werd, op zijne magre reb[382],Van zijn beslagen paard; dies vlucht hij tot Hippone't Goddinnen beeld, 'twelk daar staat in den stal ten toone,Opdat, door middel van de rozen (zoo hij waant),Daar 't beeld mede is gecierd, zijn vorige gedaantHij dus bekomen mocht: maar naauw licht hij zijn voeten,Of de stal-jongen komt hem met stokslagen groeten,Zoo lange tot hij hoort een wonderlijk gedruischVan dieven, die terstond bezetten 't gansche huis,En rooven zoo veel schats, en rooven zooveel goeden[383]Dat neffens hunnen last zij dezen ezel loeden[384],En stouwen hem zoo voorts, met kluppel-slagen vast[385],Langs eenen steilen weg, met zulken zwaren last.Philebum dient hij nu; nu vlucht hij gaauw en wakkerVoor 't mes van eenen kok; nu dient hij eenen bakker,Nu eenen hovenier; nu draagt hij, op zijn ruigEn mager ruggebeen, eens krijgers wapen-tuig;Nu zal den armen muil des ridders zadel vueren[386], enz.En ondertusschen heeft[387]zoo duizend avonturenIn zijne beestelijkheid; den kommer en d' ellend,De slagen, d'ongemak, den honger neemt geen end',Daarmeê hij wordt bezwaard: nu kleunt men hem met stokken,Nu is hij in 's doods nood, nu rot hij vande pokken[388],Zoo lange dat op 't lest hem Ceres weder bald[389]Door eenen rozen-hoed[390]brengt tot zijn mensch gestalt'.Maar zegt mij, Zang-goddinne! als ik hier recht naar vorssche,Wat voor geheimenis schuilt onder deze schorse?—Die willig zijnen hals buigt onder 't snoode jokDer zonden, wordt bekleed met eenen ezels rok,Verliest zijn mensch'lijkheid, en met veel ongemakkenDoor 's werelds wilde woud reist met veel zware pakken:Zijn vrijheid is hij kwijt, en maakt, alzoo getrost,Een ezel van zich zelf, die, om den magren kost,Zoo grooten slavernij en dienst is onderworpen:Hij dwaalt, hij rent, hij loopt, door steden en door dorpen,In duizenderlei pijne, in duizenderlei smert,Tot dat hij, moê geslaafd, in 't lest aandachtig werd[391],Bedenkende, hoe hij zijn menschheid heeft verloren,Dies hij de Godheid bidt om weder zijn herboren;En als hij zoo 's vleesch lust (den schoonen rozen-hoed,Die m' uit de doornen plukt) verslindt in zijn gemoed,Hij tot zich zelven komt, en wordt, naar zijnen wensche,Van eenen slaafschen muil zoo weder vrije mensche.—
Ziet Apulejus hier, met toover-zalve vuile,Besmeeren zijn naakt lijf, en werden eenen muile[381].2Reg. 17.Toen Satan Jacobs huis tot tooverije bracht,Nam God hun midden weg uit 't menschelijk geslacht.Toen Apulejus zich met toover-vet besmeerde,In eenen ezel hij lichamelijk verkeerde,En loopt zoo naar den stalle, om eten uit de kreb,Daar hij gestooten werd, op zijne magre reb[382],Van zijn beslagen paard; dies vlucht hij tot Hippone't Goddinnen beeld, 'twelk daar staat in den stal ten toone,Opdat, door middel van de rozen (zoo hij waant),Daar 't beeld mede is gecierd, zijn vorige gedaantHij dus bekomen mocht: maar naauw licht hij zijn voeten,Of de stal-jongen komt hem met stokslagen groeten,Zoo lange tot hij hoort een wonderlijk gedruischVan dieven, die terstond bezetten 't gansche huis,En rooven zoo veel schats, en rooven zooveel goeden[383]Dat neffens hunnen last zij dezen ezel loeden[384],En stouwen hem zoo voorts, met kluppel-slagen vast[385],Langs eenen steilen weg, met zulken zwaren last.Philebum dient hij nu; nu vlucht hij gaauw en wakkerVoor 't mes van eenen kok; nu dient hij eenen bakker,Nu eenen hovenier; nu draagt hij, op zijn ruigEn mager ruggebeen, eens krijgers wapen-tuig;Nu zal den armen muil des ridders zadel vueren[386], enz.En ondertusschen heeft[387]zoo duizend avonturenIn zijne beestelijkheid; den kommer en d' ellend,De slagen, d'ongemak, den honger neemt geen end',Daarmeê hij wordt bezwaard: nu kleunt men hem met stokken,Nu is hij in 's doods nood, nu rot hij vande pokken[388],Zoo lange dat op 't lest hem Ceres weder bald[389]Door eenen rozen-hoed[390]brengt tot zijn mensch gestalt'.Maar zegt mij, Zang-goddinne! als ik hier recht naar vorssche,Wat voor geheimenis schuilt onder deze schorse?—Die willig zijnen hals buigt onder 't snoode jokDer zonden, wordt bekleed met eenen ezels rok,Verliest zijn mensch'lijkheid, en met veel ongemakkenDoor 's werelds wilde woud reist met veel zware pakken:Zijn vrijheid is hij kwijt, en maakt, alzoo getrost,Een ezel van zich zelf, die, om den magren kost,Zoo grooten slavernij en dienst is onderworpen:Hij dwaalt, hij rent, hij loopt, door steden en door dorpen,In duizenderlei pijne, in duizenderlei smert,Tot dat hij, moê geslaafd, in 't lest aandachtig werd[391],Bedenkende, hoe hij zijn menschheid heeft verloren,Dies hij de Godheid bidt om weder zijn herboren;En als hij zoo 's vleesch lust (den schoonen rozen-hoed,Die m' uit de doornen plukt) verslindt in zijn gemoed,Hij tot zich zelven komt, en wordt, naar zijnen wensche,Van eenen slaafschen muil zoo weder vrije mensche.—
Ziet Apulejus hier, met toover-zalve vuile,Besmeeren zijn naakt lijf, en werden eenen muile[381].2Reg. 17.Toen Satan Jacobs huis tot tooverije bracht,Nam God hun midden weg uit 't menschelijk geslacht.
Ziet Apulejus hier, met toover-zalve vuile,
Besmeeren zijn naakt lijf, en werden eenen muile[381].
2Reg. 17.
Toen Satan Jacobs huis tot tooverije bracht,
Nam God hun midden weg uit 't menschelijk geslacht.
Toen Apulejus zich met toover-vet besmeerde,In eenen ezel hij lichamelijk verkeerde,En loopt zoo naar den stalle, om eten uit de kreb,Daar hij gestooten werd, op zijne magre reb[382],Van zijn beslagen paard; dies vlucht hij tot Hippone't Goddinnen beeld, 'twelk daar staat in den stal ten toone,Opdat, door middel van de rozen (zoo hij waant),Daar 't beeld mede is gecierd, zijn vorige gedaantHij dus bekomen mocht: maar naauw licht hij zijn voeten,Of de stal-jongen komt hem met stokslagen groeten,Zoo lange tot hij hoort een wonderlijk gedruischVan dieven, die terstond bezetten 't gansche huis,En rooven zoo veel schats, en rooven zooveel goeden[383]Dat neffens hunnen last zij dezen ezel loeden[384],En stouwen hem zoo voorts, met kluppel-slagen vast[385],Langs eenen steilen weg, met zulken zwaren last.Philebum dient hij nu; nu vlucht hij gaauw en wakkerVoor 't mes van eenen kok; nu dient hij eenen bakker,Nu eenen hovenier; nu draagt hij, op zijn ruigEn mager ruggebeen, eens krijgers wapen-tuig;Nu zal den armen muil des ridders zadel vueren[386], enz.En ondertusschen heeft[387]zoo duizend avonturenIn zijne beestelijkheid; den kommer en d' ellend,De slagen, d'ongemak, den honger neemt geen end',Daarmeê hij wordt bezwaard: nu kleunt men hem met stokken,Nu is hij in 's doods nood, nu rot hij vande pokken[388],Zoo lange dat op 't lest hem Ceres weder bald[389]Door eenen rozen-hoed[390]brengt tot zijn mensch gestalt'.Maar zegt mij, Zang-goddinne! als ik hier recht naar vorssche,Wat voor geheimenis schuilt onder deze schorse?—Die willig zijnen hals buigt onder 't snoode jokDer zonden, wordt bekleed met eenen ezels rok,Verliest zijn mensch'lijkheid, en met veel ongemakkenDoor 's werelds wilde woud reist met veel zware pakken:Zijn vrijheid is hij kwijt, en maakt, alzoo getrost,Een ezel van zich zelf, die, om den magren kost,Zoo grooten slavernij en dienst is onderworpen:Hij dwaalt, hij rent, hij loopt, door steden en door dorpen,In duizenderlei pijne, in duizenderlei smert,Tot dat hij, moê geslaafd, in 't lest aandachtig werd[391],Bedenkende, hoe hij zijn menschheid heeft verloren,Dies hij de Godheid bidt om weder zijn herboren;En als hij zoo 's vleesch lust (den schoonen rozen-hoed,Die m' uit de doornen plukt) verslindt in zijn gemoed,Hij tot zich zelven komt, en wordt, naar zijnen wensche,Van eenen slaafschen muil zoo weder vrije mensche.—
Toen Apulejus zich met toover-vet besmeerde,
In eenen ezel hij lichamelijk verkeerde,
En loopt zoo naar den stalle, om eten uit de kreb,
Daar hij gestooten werd, op zijne magre reb[382],
Van zijn beslagen paard; dies vlucht hij tot Hippone
't Goddinnen beeld, 'twelk daar staat in den stal ten toone,
Opdat, door middel van de rozen (zoo hij waant),
Daar 't beeld mede is gecierd, zijn vorige gedaant
Hij dus bekomen mocht: maar naauw licht hij zijn voeten,
Of de stal-jongen komt hem met stokslagen groeten,
Zoo lange tot hij hoort een wonderlijk gedruisch
Van dieven, die terstond bezetten 't gansche huis,
En rooven zoo veel schats, en rooven zooveel goeden[383]
Dat neffens hunnen last zij dezen ezel loeden[384],
En stouwen hem zoo voorts, met kluppel-slagen vast[385],
Langs eenen steilen weg, met zulken zwaren last.
Philebum dient hij nu; nu vlucht hij gaauw en wakker
Voor 't mes van eenen kok; nu dient hij eenen bakker,
Nu eenen hovenier; nu draagt hij, op zijn ruig
En mager ruggebeen, eens krijgers wapen-tuig;
Nu zal den armen muil des ridders zadel vueren[386], enz.
En ondertusschen heeft[387]zoo duizend avonturen
In zijne beestelijkheid; den kommer en d' ellend,
De slagen, d'ongemak, den honger neemt geen end',
Daarmeê hij wordt bezwaard: nu kleunt men hem met stokken,
Nu is hij in 's doods nood, nu rot hij vande pokken[388],
Zoo lange dat op 't lest hem Ceres weder bald[389]
Door eenen rozen-hoed[390]brengt tot zijn mensch gestalt'.
Maar zegt mij, Zang-goddinne! als ik hier recht naar vorssche,
Wat voor geheimenis schuilt onder deze schorse?—
Die willig zijnen hals buigt onder 't snoode jok
Der zonden, wordt bekleed met eenen ezels rok,
Verliest zijn mensch'lijkheid, en met veel ongemakken
Door 's werelds wilde woud reist met veel zware pakken:
Zijn vrijheid is hij kwijt, en maakt, alzoo getrost,
Een ezel van zich zelf, die, om den magren kost,
Zoo grooten slavernij en dienst is onderworpen:
Hij dwaalt, hij rent, hij loopt, door steden en door dorpen,
In duizenderlei pijne, in duizenderlei smert,
Tot dat hij, moê geslaafd, in 't lest aandachtig werd[391],
Bedenkende, hoe hij zijn menschheid heeft verloren,
Dies hij de Godheid bidt om weder zijn herboren;
En als hij zoo 's vleesch lust (den schoonen rozen-hoed,
Die m' uit de doornen plukt) verslindt in zijn gemoed,
Hij tot zich zelven komt, en wordt, naar zijnen wensche,
Van eenen slaafschen muil zoo weder vrije mensche.—
Van 't water en van 't vuur een kluchtige verhaling,Waar uit wij naakt verstaan der Heid'nen blinde dwaling.Sapien. 13.Gansch ijdel is de mensche, en blind gelijk een rots,In welke niet en is de kennis onzes Gods.Het vuur bij den Perziêrs (als die niet[392]beters wisten)Als God werd hoog ge-eerd; het welk met grooter listenVan eenen priester werd zeer aardiglijk bespot:Want hij met water vocht[393]gevuld heeft eenen pot,Die al vol gaatkens was, gestopt met wasch te zamen,En maakten hem een hoofd, zeer aardig na 't betamen.Den Afgod, zoo hij was (ziet, dat gij niet en lacht),Heeft hij voor 't heete vuur zeer kluchtig voorts gebracht.Het wasch versmolt terstond, het water sprong daar henen,En bluschte zoo geheel den God des Vuurs met eenen.Dies werd de water-kruik (ô wonderlijk bestier!)Voortsaan bij den Perziêrs ge-eerd in plaats van 't vier.'t Gaat zoo nog hedendaags, wanneer wij daar opmerken,Elk een die houdet[394]vast[395]noch altijd met den sterken.
Van 't water en van 't vuur een kluchtige verhaling,Waar uit wij naakt verstaan der Heid'nen blinde dwaling.Sapien. 13.Gansch ijdel is de mensche, en blind gelijk een rots,In welke niet en is de kennis onzes Gods.Het vuur bij den Perziêrs (als die niet[392]beters wisten)Als God werd hoog ge-eerd; het welk met grooter listenVan eenen priester werd zeer aardiglijk bespot:Want hij met water vocht[393]gevuld heeft eenen pot,Die al vol gaatkens was, gestopt met wasch te zamen,En maakten hem een hoofd, zeer aardig na 't betamen.Den Afgod, zoo hij was (ziet, dat gij niet en lacht),Heeft hij voor 't heete vuur zeer kluchtig voorts gebracht.Het wasch versmolt terstond, het water sprong daar henen,En bluschte zoo geheel den God des Vuurs met eenen.Dies werd de water-kruik (ô wonderlijk bestier!)Voortsaan bij den Perziêrs ge-eerd in plaats van 't vier.'t Gaat zoo nog hedendaags, wanneer wij daar opmerken,Elk een die houdet[394]vast[395]noch altijd met den sterken.
Van 't water en van 't vuur een kluchtige verhaling,Waar uit wij naakt verstaan der Heid'nen blinde dwaling.Sapien. 13.Gansch ijdel is de mensche, en blind gelijk een rots,In welke niet en is de kennis onzes Gods.
Van 't water en van 't vuur een kluchtige verhaling,
Waar uit wij naakt verstaan der Heid'nen blinde dwaling.
Sapien. 13.
Gansch ijdel is de mensche, en blind gelijk een rots,
In welke niet en is de kennis onzes Gods.
Het vuur bij den Perziêrs (als die niet[392]beters wisten)Als God werd hoog ge-eerd; het welk met grooter listenVan eenen priester werd zeer aardiglijk bespot:Want hij met water vocht[393]gevuld heeft eenen pot,Die al vol gaatkens was, gestopt met wasch te zamen,En maakten hem een hoofd, zeer aardig na 't betamen.Den Afgod, zoo hij was (ziet, dat gij niet en lacht),Heeft hij voor 't heete vuur zeer kluchtig voorts gebracht.Het wasch versmolt terstond, het water sprong daar henen,En bluschte zoo geheel den God des Vuurs met eenen.Dies werd de water-kruik (ô wonderlijk bestier!)Voortsaan bij den Perziêrs ge-eerd in plaats van 't vier.'t Gaat zoo nog hedendaags, wanneer wij daar opmerken,Elk een die houdet[394]vast[395]noch altijd met den sterken.
Het vuur bij den Perziêrs (als die niet[392]beters wisten)
Als God werd hoog ge-eerd; het welk met grooter listen
Van eenen priester werd zeer aardiglijk bespot:
Want hij met water vocht[393]gevuld heeft eenen pot,
Die al vol gaatkens was, gestopt met wasch te zamen,
En maakten hem een hoofd, zeer aardig na 't betamen.
Den Afgod, zoo hij was (ziet, dat gij niet en lacht),
Heeft hij voor 't heete vuur zeer kluchtig voorts gebracht.
Het wasch versmolt terstond, het water sprong daar henen,
En bluschte zoo geheel den God des Vuurs met eenen.
Dies werd de water-kruik (ô wonderlijk bestier!)
Voortsaan bij den Perziêrs ge-eerd in plaats van 't vier.
't Gaat zoo nog hedendaags, wanneer wij daar opmerken,
Elk een die houdet[394]vast[395]noch altijd met den sterken.
Hoe eenen herder eerst het levendige beeldDer schoone schilderkonst in Grieken[396]heeft geteeld.Ezech. 4.Een effen tafel neemt, en luistert naar mijn stem,Trekt daar naar 't leven op de stad Jeruzalem.Terwijl, in Grieken-land, de herder gaat verknapen[397]Zijn kudd', naar 't leven hij de schim van zijne schapenNatuurlijk trekt in 't zand: als nu de schaâu vertrok,Had hij een wollig vlies gemaald met zijnen stok.Aldus werd aldereerst, met heur veel-verfde wieken,De schoone Schilder-konst gebaard bij d' edel Grieken,Pictura[398], die voortsaan[399]met een blijde aangezichtDe wereld heeft verheugd, en wonderlijk gesticht:Die ons gezicht bedriegt, als 't platte schijnt verheven,Het stomme spreken, en het doode schijnt te leven,Het gene stille staat, als of het zich beroert;Dies is zij weerdig, dat men heur ten Hemel voert.
Hoe eenen herder eerst het levendige beeldDer schoone schilderkonst in Grieken[396]heeft geteeld.Ezech. 4.Een effen tafel neemt, en luistert naar mijn stem,Trekt daar naar 't leven op de stad Jeruzalem.Terwijl, in Grieken-land, de herder gaat verknapen[397]Zijn kudd', naar 't leven hij de schim van zijne schapenNatuurlijk trekt in 't zand: als nu de schaâu vertrok,Had hij een wollig vlies gemaald met zijnen stok.Aldus werd aldereerst, met heur veel-verfde wieken,De schoone Schilder-konst gebaard bij d' edel Grieken,Pictura[398], die voortsaan[399]met een blijde aangezichtDe wereld heeft verheugd, en wonderlijk gesticht:Die ons gezicht bedriegt, als 't platte schijnt verheven,Het stomme spreken, en het doode schijnt te leven,Het gene stille staat, als of het zich beroert;Dies is zij weerdig, dat men heur ten Hemel voert.
Hoe eenen herder eerst het levendige beeldDer schoone schilderkonst in Grieken[396]heeft geteeld.Ezech. 4.Een effen tafel neemt, en luistert naar mijn stem,Trekt daar naar 't leven op de stad Jeruzalem.
Hoe eenen herder eerst het levendige beeld
Der schoone schilderkonst in Grieken[396]heeft geteeld.
Ezech. 4.
Een effen tafel neemt, en luistert naar mijn stem,
Trekt daar naar 't leven op de stad Jeruzalem.
Terwijl, in Grieken-land, de herder gaat verknapen[397]Zijn kudd', naar 't leven hij de schim van zijne schapenNatuurlijk trekt in 't zand: als nu de schaâu vertrok,Had hij een wollig vlies gemaald met zijnen stok.Aldus werd aldereerst, met heur veel-verfde wieken,De schoone Schilder-konst gebaard bij d' edel Grieken,Pictura[398], die voortsaan[399]met een blijde aangezichtDe wereld heeft verheugd, en wonderlijk gesticht:Die ons gezicht bedriegt, als 't platte schijnt verheven,Het stomme spreken, en het doode schijnt te leven,Het gene stille staat, als of het zich beroert;Dies is zij weerdig, dat men heur ten Hemel voert.
Terwijl, in Grieken-land, de herder gaat verknapen[397]
Zijn kudd', naar 't leven hij de schim van zijne schapen
Natuurlijk trekt in 't zand: als nu de schaâu vertrok,
Had hij een wollig vlies gemaald met zijnen stok.
Aldus werd aldereerst, met heur veel-verfde wieken,
De schoone Schilder-konst gebaard bij d' edel Grieken,
Pictura[398], die voortsaan[399]met een blijde aangezicht
De wereld heeft verheugd, en wonderlijk gesticht:
Die ons gezicht bedriegt, als 't platte schijnt verheven,
Het stomme spreken, en het doode schijnt te leven,
Het gene stille staat, als of het zich beroert;
Dies is zij weerdig, dat men heur ten Hemel voert.
Schoen-makers! luistert, hoe de kloekste schildersgeestU allen blijven leert bij uwen houten leest.1Corinth. 7.Een ieder blijve in 't geen (zoo lange als hij hier leeft),Daar hem de lieve God zelf in beroepen heeft.Apelles, schilders-prins, zijn naakte Venus schooneBracht voor 't gemeene volk in't openbaar ten toone,Maar eenen schoeyer[400]heeft zijn werk berispet plat[401],Om dat vrouw Venus schoe te weinig strikken had;Den schilder al terstond zoo haast men hem dit anbracht,(Dewijl't een zake was, die des schoenmakers ambachtBetrof) heeft met 't pinceel geholpen[402]deze fout.Waarom den ambachtsman hoveerdig werd en stout,Als hij na dezen zag, dat 't gene was verbeterd't Welk hij geoordeeld had te slecht te zijn geveterd:Dies voer hij trotscher voort en voor een ieder sprak,Dat aan vrouw Venus' scheen ook vrij al wat gebrak.Apelles hoorde dit en sprak, met stillen geeste:"Schoenmaker! ziet wel toe, en blijft bij uwen leeste,Daar gij u op verstaat, en weest niet zoo gereed[403]".Hij dwaalt, die vonnist 't geen, daar hij niet van en weet.
Schoen-makers! luistert, hoe de kloekste schildersgeestU allen blijven leert bij uwen houten leest.1Corinth. 7.Een ieder blijve in 't geen (zoo lange als hij hier leeft),Daar hem de lieve God zelf in beroepen heeft.Apelles, schilders-prins, zijn naakte Venus schooneBracht voor 't gemeene volk in't openbaar ten toone,Maar eenen schoeyer[400]heeft zijn werk berispet plat[401],Om dat vrouw Venus schoe te weinig strikken had;Den schilder al terstond zoo haast men hem dit anbracht,(Dewijl't een zake was, die des schoenmakers ambachtBetrof) heeft met 't pinceel geholpen[402]deze fout.Waarom den ambachtsman hoveerdig werd en stout,Als hij na dezen zag, dat 't gene was verbeterd't Welk hij geoordeeld had te slecht te zijn geveterd:Dies voer hij trotscher voort en voor een ieder sprak,Dat aan vrouw Venus' scheen ook vrij al wat gebrak.Apelles hoorde dit en sprak, met stillen geeste:"Schoenmaker! ziet wel toe, en blijft bij uwen leeste,Daar gij u op verstaat, en weest niet zoo gereed[403]".Hij dwaalt, die vonnist 't geen, daar hij niet van en weet.
Schoen-makers! luistert, hoe de kloekste schildersgeestU allen blijven leert bij uwen houten leest.1Corinth. 7.Een ieder blijve in 't geen (zoo lange als hij hier leeft),Daar hem de lieve God zelf in beroepen heeft.
Schoen-makers! luistert, hoe de kloekste schildersgeest
U allen blijven leert bij uwen houten leest.
1Corinth. 7.
Een ieder blijve in 't geen (zoo lange als hij hier leeft),
Daar hem de lieve God zelf in beroepen heeft.
Apelles, schilders-prins, zijn naakte Venus schooneBracht voor 't gemeene volk in't openbaar ten toone,Maar eenen schoeyer[400]heeft zijn werk berispet plat[401],Om dat vrouw Venus schoe te weinig strikken had;Den schilder al terstond zoo haast men hem dit anbracht,(Dewijl't een zake was, die des schoenmakers ambachtBetrof) heeft met 't pinceel geholpen[402]deze fout.Waarom den ambachtsman hoveerdig werd en stout,Als hij na dezen zag, dat 't gene was verbeterd't Welk hij geoordeeld had te slecht te zijn geveterd:Dies voer hij trotscher voort en voor een ieder sprak,Dat aan vrouw Venus' scheen ook vrij al wat gebrak.Apelles hoorde dit en sprak, met stillen geeste:"Schoenmaker! ziet wel toe, en blijft bij uwen leeste,Daar gij u op verstaat, en weest niet zoo gereed[403]".Hij dwaalt, die vonnist 't geen, daar hij niet van en weet.
Apelles, schilders-prins, zijn naakte Venus schoone
Bracht voor 't gemeene volk in't openbaar ten toone,
Maar eenen schoeyer[400]heeft zijn werk berispet plat[401],
Om dat vrouw Venus schoe te weinig strikken had;
Den schilder al terstond zoo haast men hem dit anbracht,
(Dewijl't een zake was, die des schoenmakers ambacht
Betrof) heeft met 't pinceel geholpen[402]deze fout.
Waarom den ambachtsman hoveerdig werd en stout,
Als hij na dezen zag, dat 't gene was verbeterd
't Welk hij geoordeeld had te slecht te zijn geveterd:
Dies voer hij trotscher voort en voor een ieder sprak,
Dat aan vrouw Venus' scheen ook vrij al wat gebrak.
Apelles hoorde dit en sprak, met stillen geeste:
"Schoenmaker! ziet wel toe, en blijft bij uwen leeste,
Daar gij u op verstaat, en weest niet zoo gereed[403]".
Hij dwaalt, die vonnist 't geen, daar hij niet van en weet.
Ziet, hoe twee schilders hier, elk een om't beste deel,Vast schilderen om strijd met 't verwige pinceel.Eccles. 9.Hun werken zullen in der konstenaren handAltijd geprezen zijn, van 't eene in 't ander land.De schilder Zeuxis heeft zeer kunstig, met verstand,Een kind met eenen tros[404]gemaald in zijne hand,Waarna de vogelen al graag en hongrig vlogen;Maar komende daar aan, zoo waren zij bedrogen.Waarom Parrhasius hier over heeft gesmaald:"Indien 't kind" (zeide hij) "waar levende afgemaald,De vooglen hadden naar de druif niet dorven pikken,Dewijl zij in 't gemeen voor menschen zich verschrikken":En ging zoo al terstond (uit drijven der natuur)Een plooyige gordijn betrekken[405]op den muur,Die zoo getroffen was, zoo levendig en milde,Dat Zeuxis, als hij kwam, die zelfs oplichten wilde.Aldus Parrhasius had, met een listig oog,Verschalkt zijn meester, die de vogelen bedroog.
Ziet, hoe twee schilders hier, elk een om't beste deel,Vast schilderen om strijd met 't verwige pinceel.Eccles. 9.Hun werken zullen in der konstenaren handAltijd geprezen zijn, van 't eene in 't ander land.De schilder Zeuxis heeft zeer kunstig, met verstand,Een kind met eenen tros[404]gemaald in zijne hand,Waarna de vogelen al graag en hongrig vlogen;Maar komende daar aan, zoo waren zij bedrogen.Waarom Parrhasius hier over heeft gesmaald:"Indien 't kind" (zeide hij) "waar levende afgemaald,De vooglen hadden naar de druif niet dorven pikken,Dewijl zij in 't gemeen voor menschen zich verschrikken":En ging zoo al terstond (uit drijven der natuur)Een plooyige gordijn betrekken[405]op den muur,Die zoo getroffen was, zoo levendig en milde,Dat Zeuxis, als hij kwam, die zelfs oplichten wilde.Aldus Parrhasius had, met een listig oog,Verschalkt zijn meester, die de vogelen bedroog.
Ziet, hoe twee schilders hier, elk een om't beste deel,Vast schilderen om strijd met 't verwige pinceel.Eccles. 9.Hun werken zullen in der konstenaren handAltijd geprezen zijn, van 't eene in 't ander land.
Ziet, hoe twee schilders hier, elk een om't beste deel,
Vast schilderen om strijd met 't verwige pinceel.
Eccles. 9.
Hun werken zullen in der konstenaren hand
Altijd geprezen zijn, van 't eene in 't ander land.
De schilder Zeuxis heeft zeer kunstig, met verstand,Een kind met eenen tros[404]gemaald in zijne hand,Waarna de vogelen al graag en hongrig vlogen;Maar komende daar aan, zoo waren zij bedrogen.Waarom Parrhasius hier over heeft gesmaald:"Indien 't kind" (zeide hij) "waar levende afgemaald,De vooglen hadden naar de druif niet dorven pikken,Dewijl zij in 't gemeen voor menschen zich verschrikken":En ging zoo al terstond (uit drijven der natuur)Een plooyige gordijn betrekken[405]op den muur,Die zoo getroffen was, zoo levendig en milde,Dat Zeuxis, als hij kwam, die zelfs oplichten wilde.Aldus Parrhasius had, met een listig oog,Verschalkt zijn meester, die de vogelen bedroog.
De schilder Zeuxis heeft zeer kunstig, met verstand,
Een kind met eenen tros[404]gemaald in zijne hand,
Waarna de vogelen al graag en hongrig vlogen;
Maar komende daar aan, zoo waren zij bedrogen.
Waarom Parrhasius hier over heeft gesmaald:
"Indien 't kind" (zeide hij) "waar levende afgemaald,
De vooglen hadden naar de druif niet dorven pikken,
Dewijl zij in 't gemeen voor menschen zich verschrikken":
En ging zoo al terstond (uit drijven der natuur)
Een plooyige gordijn betrekken[405]op den muur,
Die zoo getroffen was, zoo levendig en milde,
Dat Zeuxis, als hij kwam, die zelfs oplichten wilde.
Aldus Parrhasius had, met een listig oog,
Verschalkt zijn meester, die de vogelen bedroog.
De vliênde, vlugge tijd, al toornig en verbolgenVoorlooper, overlang, dat ik op 't lest zal volgen,Gewisse tijding bracht, en dat, al wat men ziet,Ik met mijn komste zal vermeluwen[406]tot niet.Niets hier ter wereld is, al schijnet[407]nog zoo zoete,Al blinkt het nog zoo schoon, of 't loopt mij te gemoete.De zonne met zijn toorts, de mane met heur lamp,De dag met zijn wit hoofd, de nacht met heuren damp,De zomer groen van 't loof, de winter wit van 't sneeuwe,Verliezen zich in mij, als met een luid' geschreeuwe:Het jaar, het ronde jaar, dat op twelf[408]voeten gaatZich altijd tot mij wendt met een beweegd gelaat.Te mijwaarts spoedet zich de gulden loop der sterren,De mensche in zijn geboort beschouwt mij al van verren.De tijd, die met zijn zein[409]maait alles in dit dal,Ik dapper eens in't lest zijn vleugels korten zal.De mensch denkt minst om mij, daar meest aan is gelegen,Dewijl ik roede of kroon, den vloek of ook den zegen,Den Hemel of de Hel, het leven of de dood,Hem eindelijken zal toewerpen in den schoot,Wanneer ik 't wrankel rad van alle dingen wende.Nu denkt eens wie ik ben, en radet mij in 'tENDE.
De vliênde, vlugge tijd, al toornig en verbolgenVoorlooper, overlang, dat ik op 't lest zal volgen,Gewisse tijding bracht, en dat, al wat men ziet,Ik met mijn komste zal vermeluwen[406]tot niet.Niets hier ter wereld is, al schijnet[407]nog zoo zoete,Al blinkt het nog zoo schoon, of 't loopt mij te gemoete.De zonne met zijn toorts, de mane met heur lamp,De dag met zijn wit hoofd, de nacht met heuren damp,De zomer groen van 't loof, de winter wit van 't sneeuwe,Verliezen zich in mij, als met een luid' geschreeuwe:Het jaar, het ronde jaar, dat op twelf[408]voeten gaatZich altijd tot mij wendt met een beweegd gelaat.Te mijwaarts spoedet zich de gulden loop der sterren,De mensche in zijn geboort beschouwt mij al van verren.De tijd, die met zijn zein[409]maait alles in dit dal,Ik dapper eens in't lest zijn vleugels korten zal.De mensch denkt minst om mij, daar meest aan is gelegen,Dewijl ik roede of kroon, den vloek of ook den zegen,Den Hemel of de Hel, het leven of de dood,Hem eindelijken zal toewerpen in den schoot,Wanneer ik 't wrankel rad van alle dingen wende.Nu denkt eens wie ik ben, en radet mij in 'tENDE.
De vliênde, vlugge tijd, al toornig en verbolgenVoorlooper, overlang, dat ik op 't lest zal volgen,Gewisse tijding bracht, en dat, al wat men ziet,Ik met mijn komste zal vermeluwen[406]tot niet.Niets hier ter wereld is, al schijnet[407]nog zoo zoete,Al blinkt het nog zoo schoon, of 't loopt mij te gemoete.De zonne met zijn toorts, de mane met heur lamp,De dag met zijn wit hoofd, de nacht met heuren damp,De zomer groen van 't loof, de winter wit van 't sneeuwe,Verliezen zich in mij, als met een luid' geschreeuwe:Het jaar, het ronde jaar, dat op twelf[408]voeten gaatZich altijd tot mij wendt met een beweegd gelaat.Te mijwaarts spoedet zich de gulden loop der sterren,De mensche in zijn geboort beschouwt mij al van verren.De tijd, die met zijn zein[409]maait alles in dit dal,Ik dapper eens in't lest zijn vleugels korten zal.De mensch denkt minst om mij, daar meest aan is gelegen,Dewijl ik roede of kroon, den vloek of ook den zegen,Den Hemel of de Hel, het leven of de dood,Hem eindelijken zal toewerpen in den schoot,Wanneer ik 't wrankel rad van alle dingen wende.Nu denkt eens wie ik ben, en radet mij in 't
De vliênde, vlugge tijd, al toornig en verbolgen
Voorlooper, overlang, dat ik op 't lest zal volgen,
Gewisse tijding bracht, en dat, al wat men ziet,
Ik met mijn komste zal vermeluwen[406]tot niet.
Niets hier ter wereld is, al schijnet[407]nog zoo zoete,
Al blinkt het nog zoo schoon, of 't loopt mij te gemoete.
De zonne met zijn toorts, de mane met heur lamp,
De dag met zijn wit hoofd, de nacht met heuren damp,
De zomer groen van 't loof, de winter wit van 't sneeuwe,
Verliezen zich in mij, als met een luid' geschreeuwe:
Het jaar, het ronde jaar, dat op twelf[408]voeten gaat
Zich altijd tot mij wendt met een beweegd gelaat.
Te mijwaarts spoedet zich de gulden loop der sterren,
De mensche in zijn geboort beschouwt mij al van verren.
De tijd, die met zijn zein[409]maait alles in dit dal,
Ik dapper eens in't lest zijn vleugels korten zal.
De mensch denkt minst om mij, daar meest aan is gelegen,
Dewijl ik roede of kroon, den vloek of ook den zegen,
Den Hemel of de Hel, het leven of de dood,
Hem eindelijken zal toewerpen in den schoot,
Wanneer ik 't wrankel rad van alle dingen wende.
Nu denkt eens wie ik ben, en radet mij in 't
ENDE.
ENDE.
[1]Thansblanke,reine.
[1]Thansblanke,reine.
[2]Thanswordt.
[2]Thanswordt.
[3]Thanshet.
[3]Thanshet.
[4]Thanskleine waarde.
[4]Thanskleine waarde.
[5]Voorin de lente.
[5]Voorin de lente.
[6]Al-ook:ofschoon.
[6]Al-ook:ofschoon.
[7]Rijmshalven voorspeurt.
[7]Rijmshalven voorspeurt.
[8]besmoezeld,bevuild.
[8]besmoezeld,bevuild.
[9]Thansbrave.
[9]Thansbrave.
[10]Gelijk reeds herhaaldelijk voorlaag.
[10]Gelijk reeds herhaaldelijk voorlaag.
[11]slechte.
[11]slechte.
[12]Thanstop.
[12]Thanstop.
[13]Thanshoofd, dat het (even als in 't Hoogduitsch) in deftigen stijl verdrongen heeft. Men wachtte zich echter beiden—met Mr. van Lennep—voor 'tzelfde woord te houden, daar 't een oorspronkelijk Germaansch, 't andere 't Romaansche en Middeleeuws-Lat.coppais.
[13]Thanshoofd, dat het (even als in 't Hoogduitsch) in deftigen stijl verdrongen heeft. Men wachtte zich echter beiden—met Mr. van Lennep—voor 'tzelfde woord te houden, daar 't een oorspronkelijk Germaansch, 't andere 't Romaansche en Middeleeuws-Lat.coppais.
[14]Thanswordt.
[14]Thanswordt.
[15]omte veranderen.
[15]omte veranderen.
[16]Rijmshalven voorwijsgeeren(verg. 't oudenieuwsgier(boven, bl.33) en onsgierig).
[16]Rijmshalven voorwijsgeeren(verg. 't oudenieuwsgier(boven, bl.33) en onsgierig).
[17]Voorwierpen(verg. eldersgevilvoorgeviel,kilvoorkiel).
[17]Voorwierpen(verg. eldersgevilvoorgeviel,kilvoorkiel).
[18]Hier voorkwellen.
[18]Hier voorkwellen.
[19]Thansontslaan van; zie vroeger.
[19]Thansontslaan van; zie vroeger.
[20]bovenal,inzonderheid.
[20]bovenal,inzonderheid.
[21]Thansook al.
[21]Thansook al.
[22]bekwame,begaafde.
[22]bekwame,begaafde.
[23]verzonnen,verdichtten.
[23]verzonnen,verdichtten.
[24]Thansboertig(van 't oudeboerded. i.grap.)
[24]Thansboertig(van 't oudeboerded. i.grap.)
[25]Vooroude geschiedenissen.
[25]Vooroude geschiedenissen.
[26]Even zoo boven bl.6: "nu rust op der gedachten Verheven altaarplat", zooveel als inhet boek der herinnering.
[26]Even zoo boven bl.6: "nu rust op der gedachten Verheven altaarplat", zooveel als inhet boek der herinnering.
[27]gebeurd.
[27]gebeurd.
[28]bijeen.
[28]bijeen.
[29]voegt.
[29]voegt.
[30]voorbeiden(nam. Dicht- en Schilderkunst).
[30]voorbeiden(nam. Dicht- en Schilderkunst).
[31]Naar de oorspronkelijke beteekenis van 't woord:schrander.
[31]Naar de oorspronkelijke beteekenis van 't woord:schrander.
[32]Vondels zwager was dus blijkbaar Roomsch, 't geen ons in de elders geuite meening versterkt, dat de opvoeding, in dat geloof, van Vondels dochter (waarvan in een brief van den dichter Antonides sprake is) haar bij haar te Keulen verblijf houdende moederlijke grootouders ten deele viel. Verg. van Lenneps Vondel IV, bl. 2 en vv., en het aanget. in deDietsche WarandeVI, bl. 141.
[32]Vondels zwager was dus blijkbaar Roomsch, 't geen ons in de elders geuite meening versterkt, dat de opvoeding, in dat geloof, van Vondels dochter (waarvan in een brief van den dichter Antonides sprake is) haar bij haar te Keulen verblijf houdende moederlijke grootouders ten deele viel. Verg. van Lenneps Vondel IV, bl. 2 en vv., en het aanget. in deDietsche WarandeVI, bl. 141.
[33]volle.
[33]volle.
[34]gemeen.
[34]gemeen.
[35]Napels.
[35]Napels.
[36]De Lat. dichter (Publ. Virgilius) Maro.
[36]De Lat. dichter (Publ. Virgilius) Maro.