Chapter 8

Ziet, hoe vrouw Venus' wicht, met zijn gevlerkte sprieten,De onledige Diaan kan kwetsen, noch doorschieten.Syr. 33:Drijft stadig uwen knecht ten arbeid, vroeg en spaad,Want luiheid ontucht baart, en alderhande kwaad.Ziet, hoe Diana spoeit[87]met heure wakk're brooskens[88]Langs 't schoon gebloeide veld bezaaid met roode rooskens;Ziet, hoe zij rent en loopt door 't schaduwende bosch,Geboogd, gepijld, geleersd, geladen met den tros[89],De koppels hitsende aan[90]het wild met open kelen,En geeft haar gouden haar de windekens om spelen:Hier vangt zij eene hinde, en ginder een wild hert,Dat met zijn hoornen inde takken is verwerd,Hier eenen snellen haas, die met zijn ommekijkenNiet mocht in zijnen loop den ranken hond ontwijken,Nu kruist zij 't donker woud, nu schuilt zij eens in 't lisch;—Dat ondertusschen zij Cupidoos doel-wit is,Zij niet eens merken kan, dewijl zij langs hoe stijverVolherdigt[91]inde jacht, en groeit in dezen ijver;Want wie de luiheid haat, en neerstigheid bemintDe liefde in zijnen vlijt en arbeid overwint.XIII.(MIN EN DOOD.)Cupido en de Dood, die sliepen beiden t' zamen;Ontwakende, zij blind elk anders schichten namen.Rom. 6:De dood, de bleeke dood (wanneer wij 't recht doorgronden)Is den gerechten loon en straf van onze zonden.Cupido en de dood zich leiden, om te slapen,In een zacht bloemen-dal, met hun getuig en wapen,Maar als zij beids te gaâr ontwaken uit den dut,Onwetende nam de een des anderen geschut:Het domme minne-wicht ging schieten met der ijlen[92],De herten, die hij trof, haast storven vande pijlen;De dood, de blinde dood, waar zij de borst doorklieftDes grijzen ouden mans, daar kweelt[93]hij van de liefd'.Daarom is 't, dat (hoe vreemd het schijnt in onzen zinne)De jonge dikwijls sterft, en de oude kweelt van minne:Daarom is 't dat de jeugd, als eene bloem, valt afVan heuren groenen steel, gebliksemd in het graf,En dat het minne-vuur des ouden hert doorkruipet,En pijnelijk hem 't merg uit zijn gebeenten zuipet;Dat weg gerukket werd den jongling, als een dief,En dat den ouden stok[94]vrijdt om zijns herten lief.XIV.(DOMME LASTER.)In Momi scheel gezicht geen dingen zijn volmaakt,Al schort maar aan den dans, dat Venus' toffel kraakt.Jud.vs. 10:De booze lasteraars (waar zij ook zijn gezeten),Die lasteren het geen zij zelvers niet en weten.De Goden kwamen t' zaâm in 's Hemels opper-zaal,Om nutten met genucht een heerlijk avondmaal;De rei was niet zoo haast vergaderd, of men dekt erDes tafels breeden rug met Ambrosijn en Nectar;Men schikten zich ten disch, men at, men dronk, men loech,Geen ding hier en gebrak, daar was van als[95]genoeg:Het maal was naauw gedaan, men ging de zinnen scherpen,En, op den zoeten toon van fluiten en van herpen,Aanvangen eenen dans: vrouw Venus, zoete snol[96],Die maakte meen'gen spronk en luchte kabriol[97]:Maar Momus inden hoek (die altijds kloek en wakkerEens anders hofken wiedt, en zijnen eigen akkerVan 't onkruid laat vertreên) riep, duidelijk en plat,'t Gekraak van Venus' schoen den dans bedorven had.Dus, waar den spotter zit, men zijne tong hoort lispen,Hij vindt in ieders doen iets, dat hij mag berispen.XV.(VERKOELDE MINNE.)Hier zit de Minnemoêr[98], met heuren zoon verzeld,Aan 't vuur, t'wijl Bacchus dwaalt met Ceres langs het veld.1Pet. 4:Het geeft[99]den brassers vreemd (daar gij meê pleegt te loopen)Dat gij zoo nucht'ren leeft, en schouwt[100]der slempers hoopen.Vrouw Venus en heur wicht, hier inden hoek gescholen,Zich wermen aanden heerd en roosten voor de kolen,Vermits[101]vrouw Ceres en heer Bacchus beidegaâr,Al dwalende langs 't veld, gescheiden zijn van haar.Maar wat beteekent doch, dat zij van een gescheidenDe moeder met heur kind hier laten met hun beiden?Is 't niet, omdat het vuur der geile minne-lustDoor soberheid verkout[102], en gantsch werd uitgeblust?Want daar van graan en wijn is alderhande volheid,Men aldermeest bespeurt der liefden[103]brand en dolheid:Dus wie de wellust haat, zijn lijf houde in bedwangk,Door soberheid van spijs en matigheid van drank.XVI.(TOOVERKOLLEN.)Der tooverschen[104]gespook u deze prent uit wijst,Zoo eiselijk om zien, dat 't hair te berge rijst.Apoc. 21:Der toovenaren lot met solfer, vuur, en rookIs inden Helschen poel, vol brands en vol gesmook.De tooverschen ziet hier, t'wijl and're menschen slapen,Met wonderlijk gebaar verkeeren al in apen,En met een held're torts, van doode-smeer[105]gewracht[106],Doen eenen lichten dag oprijzen inder nacht.Wat brandt hier voor een Hel? wie of zij hier wyrooken?Wat katten lollen dus? help Pluto! 't zijn al spooken;Zou 't wel een kerkhof zijn? ik laat mij schier verleîn[107]!Hier ligtzoo menig hoofd, en schedel zonder brein.Wat maken zij gebaars? wat maken zij al kruisen!Beroerende de locht, en doen de boomen ruischen.Ginds staat een looden kelk vol doodelijk venijn,Of zou 't Medea's sap, of Circes drank wel zijn?Hola! zij wekken al de geesten hier ter banen,De locht, die is vol vuurs, en vol gehoornde manen,Ik derf naauw naarder treên, zij maken een geluid:Plutonis[108]Hel-gedrocht, gij Furiën, komt uit!Tisifone, Alecton, Megera, licht u hielen!Ik dage u inden naam van dees verstorven zielen,Bij Styx en Acheron! dat gij op dezen tijdU t' zamen vinden laat in 't midden van dit krijt[109].A my! wat zien ik daar in 't ronde perk vergâren?De Helle ontledigt schier al heur verbannen scharen,Zij werden mij gewaar, zij hebben mij gezien,Waar loop ik alderbest, waar zal ik henen vliên?XVII.(HEIDENSCHE GODEN.)Te Atheen' werd de Overhand[110], de strijdsche Mars in Sparten,En Foeb'[111]bij den Tyriêrs geëerd van gantscher harten,1Rom. 1:In eenes menschen beeld zij hebben Godes wezenVeranderd en verkeerd, ja, dienst en eer bewezen.De Heidenen, hoe blind zij voor ons henen gingen,Noch altijds droomden van een wezen alder[112]dingen,'t Welk als een eigenschap te aanbidden kwam alleen,Dat heilig was van aard, en ieder algemeen:De Atheners de Overhand devotig eere boden,De Tyriêrs Febus als den grootsten alder Goden,Den wapen-roover Mars werd, met veel offer-viers,Geëerd devotig van den Lacedemoniêrs:Maar ander blinder, en veel woester van manierenGodsdienstig offerden de[113]onredelijke dieren:En 't alderdomste volk voor 't vuur heeft neêr geknield,Of ander schepsel, 't geen dood was en onbezield.Elk land had zijnen God eerbiedig in 't gezichte,Dies in hunne blind'heid zij beschaamden veel verlichte,Die, eenigzins verlicht, nog gaan in blindheid voort,En vragen naar Gods-dienst, naar God, noch naar zijn woord!XVIII.(DE DRIE GRACIËN.)De Liefdekens staan hier: ziet, hoe zij ons aanprijzenMalkand'ren alle deugd en vriendschap te bewijzen.1Joan. 4:God is de liefde zelf (de liefde is 't hoogste lot):Wie inde liefde blijft, blijft eeuwiglijk in God.Of iemand vragen mocht, wat deze drie bedieden:Gij ziet hier een de twee, en weder twee de een biedenElkanders aangezicht, dewijl men zegt gewis,Dat eene vriendschap twee vriendschappen weerdig is.Het zijn de Charites[114], die, met een mild ontfarmen,Malkand'ren alle drie zoo liefelijk omarmen;Met ware liefd' zij tot malkand'ren zijn gezind,De liefd' den gordel is, die hun[115]te zamen bindtIn eenen vasten knoop: maar waarom en bekleedenZij niet het wit albast van hare naakte leden?'t Is omdat reine liefde, en vriendschap ongeveinsd,Een open herte toont, dat nimmer kwaad en peinst.Aglaja, Thalia, en Euphrosin' zij heeten,Bevalligheid, Vermaak, en Blijschap ongemeten;Want aangenaamheid en vermaak zij in 't gemeenEn rechte vrolijkheid voortsbrengen[116]bij elk een.XIX.(DE DRIE WELDADEN.)De Weldaad driederlei (ons tot een goed exempel)Werd heiliglijk geëerd te Romen inden tempel.Heb. 13:De weldaad nimmermeer uit uw gemoed en vaagt,Want zulken offerhand den Heere wel behaagt.Dees drie Goddinnen, hier dus op de rije staande,En zijn niet ongelijk de beelden van 't voorgaande:Dees schoone maagden zijn de drie Weldaden zelfHier voormaals opgerecht in 't heilig Roomsch[117]gewelf:De een is Weldadigheid, die, met een open herteEn met een open hand, gedenkt heurs naasten smerte:Ontvangende Geschenk de tweede Nymfe heet,Daar steeds Weldadigheid heur giften aan besteedt:De derde Dankbaarheid, in wiens gemoed begravenLigt den dankoffer van heurs naasten milde gaven.D' een rijkelijken geeft, de tweede die ontvangkt,De derde voor de gaaf eerbiediglijk bedankt.Och! of dees Nymfen ons altzaam zoo wel bevielen,Dat wij hun[118]plaatsten inden tempel onzer zielen[119]:Want daar in 't herte blinkt dit schoone beeldewerk,Daar is een heilig huis en welgesierde[120]kerk.XX.(PALLAS VERWONNEN.)Ei ziet, wat grooter visch is hier in't net gevischt!'t Is Pallas, door 't bedrog van Gierigheid en List.1Timoth. 6:Die zich bekoren laat van 't goud, dat hij ziet blikken[121],Door Gierigheid geraakt in veelderhande strikken.De kloeke Listigheid, twee-aanzichtig en wakker,En de arme Gierigheid (die van eens anders akkerWel hare schuren vult, en in heur diefsche taschBergt 't goud dat zij kabast[122]uit heures naasten kas)De wijze Pallas zelf zoo aardig kosten[123]lokken,Tot dat zij hadden 't net heur over 't hoofd getrokken.Want dat de Gierigheid de Wijsheid wel bedriegt,Is een gemeene spreuk, die door de monden vliegt.Dit is wel eer gezien aan Midas, toen hij haakte[124],Dat het al louter goud mocht werden dat hij raakte;Dees bede hem gewerd, en was hem licht vergond:Greep hij een stoksken op, het werd al goud terstond,Of grijpt hij eenen steen, hij werd in goud herboren,Neemt hij een hand vol graans, hij heeft al gulden koren,En dobbert hij in 't nat, of grijpt hij eenen boom,Hij heeft een gouden eik, en eenen gulden stroom:Den gek, die is verblijd, hij lacht vast dat hij schatert,En geeft den Echo werk, die al zijn doen besnatert:Maar als hij aanden disch zal eten ('t is te vreemd!)Wordt al de spijze goud, die hij in handen neemt,En als hij drinken zal, (wel, hoe wil 't nu gelukken?)Den wijn in goud verkeert, en met geheele stukkenHem in het keelgat valt; dies roept hij weder aanDe Goden, die uit liefd' hem van dit leed ontslaan.Dies dikwijls Gierigheid de Wijsheid heeft bedrogen,En 't goud heeft in den nood nooit iemand helpen mogen[125].XXI.(HET RAD VAN AVONTUUR.)Aanmerkt, hoe de Avontuur de huik hangt naar de winden,En niet met allen vraagt naar vijanden, noch vrinden.Psal. 91:Mijn toevlucht is alleen den Heere der heerscharen,Geen kwaad, noch ongeval en kan mij wedervaren.Die de Avontuur vertrouwt, eerst overdenk' te vorenDat zij, lichtveerdig als den weêrhaan op den toren,Met alle winden waait, en dat hij is verleid,Die in heur zoeken wil zijn rust en vastigheid:Ziet, hoe zij staat en zwiert met vleugels gaauwe en vlugge,D' een zij nu 't aanschijn biedt, nu d' ander weêr den rugge;Ziet, hoe zij voeteloos op eenen ronden balToont, hoe den hoogmoed gaat gemeenlijk voor den val.Dees beeldenisse ontbreekt, dat zij niet wispelturigEen wankel rad om draait, onstadig en gedurig,Daar de een om hooge rijst met eenen trotschen kop,En de ander inden grond valt boven vanden tsop:Want dit is haren lust, dat zij in grooter weerden[126]Den eenen hoog verheft, den andren worpt ter eerden.Als ik in 't tafereel Cebetis[127]heur aanschouw,Zoo zie ik (zoo mij dunkt) een dulle[128]en blinde vrouw,Die voren inden hoop strooit eenen gouden regen,Daar elk om 't meeste dringt: den eenen heeft gekregenEen kostelijk thresoor, verzilverd en verguld,Den andren, om een kroon, van vreugden is vervuld,Die eenen scepter draagt, en dezen heeft een keten,Den andren is een schaal vol peerlen toegesmeten;Maar achter deze nymfe, eilaas! wat zie ik hier?De een heeft den bedel-zak, den andren heeft een lier,Den eenen heeft een krukke, of van sint Jacobs schelpen[129],Den andren steent en zucht, 't is al: "God wil u helpen!"En t'wijl den eenen vast heur voor de gift bedankt,Den andren om zijn lot vast treurt, zucht, weent, en jankt,Neemt zij den eenen 't zijne, en gevet[130]eenen andren,En doet zoo vreugde in rouwe, en rouwe in vreugd verandren.XXII.('T AVONTUUR VERWONNEN.)Die arm is, en genoegt[131]met 'tgeen hij heeft ontvangen,De wankel Avontuur heeft inden strik gevangen.Job1:'t Geen God gegeven had, dat nam hij t' zijnder tijd:Des Heeren heil'gen naam zij hoog gebenedijd!Daar in een biezen hut zich de armoede geneerde,Daar 't hoofd de zoldering, en daar de voeten de eerdeGeraakten te gelijk, en daar een vuren plankTe zamen was den disch en ook de zitte-bank,Daar 't goudgeel kaf en stroo men op den vloer uitspreedden[132],Om rusten inden nacht de moegeslaafde leden,Daar 't water was den drank, en droogen visch het brood,Daar lavenisse en spijs gehaald werd uit de sloot,Daar aan den kouden heerd de tanden mosten knappen,En daarmen liep bekleed met duizenderlei lappen,Daar den huisvader (laas!) was eenen blinde-man,En daarmen leven most van 't geen de vrouwe span[133],Daar vijftien zonen en drie jonge dochters waren,Daar 't al bij daag te bed most om de keers te sparen,En daarmen naauwe een bieze, of daarmen naauwe een lampOntstak, wanneer daar 's nachts kwam 't een of 't ander ramp:En daar nog niettemin 't genoegen werd gevonden,Aldaar lag de Avontuur, die lichte-schooi[134], gebonden.Want daar 't genoegen is, al valt schoon de armoê zuur,Daar vreest men geen Fortuin, noch wankele Avontuur.XXIII.(VERKEERDE GOUDDORST.)Ziet, hoe Hippomanes At'lanta voren loopt,Vermits zij om het goud den hoogsten prijs verkoopt.1Cor. 9:Zij loopen alle wel ter banen dat elk hijgt,Maar een van allen doch den prijs alleen verkrijgt.Ruimbaan! Hippomanes loopt Atalanta na,Het geldt hem zijnen kraag[135]indien hij komt te spa,Zij loopen beide' om strijd, o bloed! wat zal ik zeggen?Het schijnt gij nog een lijf hebt in de kiste leggen,Dat gij u zelven voedt met zoo een ijd'le hoop,En waant dees vlugge Nymfe (in heuren snellen loopDie 't al verwonnen heeft) zoo lichtlijk te overwinnen:Hippomanes, eilaas! wat moogdy[136]doch beginnen.Men blaast'er de trompet, dies elk zijn hielen licht,Eer ik eens ommezie zij zijn mij uit 't gezicht;Den bloed komt achter aan, wel hoe! nu wint hij 't weder,Ei, ziet eens wat hij doet! hij werpt ter eerden nederDrie appels rood van goud, wel tot driemalen toe,Daar t' elken zij naar bukt, het welk hem komt te goê;Hij loopt, hij overwint, tot dat hij moed' geronnen,De Nymfe in haren loop heeft eindlijk overwonnen.Maar zegt, o Musa! zegt, geeft niet den Sulmoaan[137]Met deze fabel ons uitdruklijk te verstaan,Dat inden weg des deugds, zijn tweederleye hoopen,Die vurig om den prijs op 't aldersnelste loopen,Daar de een ten einde loopt, en de ander stille houdt,Die zich verleiden laat van 't zorgelijke goud,Daar de eene tot zijn lot den prijs is toegevallen,En de ander komt te spade, en krijget niet met allen.XXIV.(DES ARMEN LES AAN DEN KEIZER.)Hoe eenen armen man ('t is wel aanmerkens weerd)Door een gelijkenis den keizer heeft geleerd!Exod. 23:Geschenken niet en neemt van vijanden noch vrinden,Want zij des rechters oog, en 't ziende recht verblinden.Den keizer langs den weg, aldaar hij ging spaceeren[138],Zag eenen armen man vol puisten en vol zweeren,Waar op de vliegen vast, al gretig en verwoed,Zich mesten vet en dik, met etter en met bloed.Den koning werd beweegd en mocht dit niet verdragen,"T' sa, Pazië!" (zeide hij) "dees vliegen wilt verjagen;""Neen," sprak den armen man, "ei lieve! laat doch dat!Dees vliegen zijn verzaad, dees krekels zijn nu zat;Verjaagdy dezen zwerm, zoo komter weer een jonger,Met nieuwen appetijt, met gragen verschen honger,En zullen van mijn vleesch en bloed hun zelven voên,Met meerder pijn en smart dan mij nu deze doen."Den keizer dedet[139]vreemd; deze antwoord met groot wonderHem in zijn ooren klonk, gelijk als eenen donder:Hij mocht gedenken, of den rechter, die van goedEn gelden is verzaad[140], 't recht zoo veel hinders doetAls eenen kalen vink, die eerst 't geding zal schiften,En eet den armen op met gaven en met giften.XXV.(AENEAS EN NERO.)Ziet, hoe Anchisis zoon den vader helpt in nood,En Nero al verwoed zijn moeder brengt ter dood.Proverb. 10:In eenen wijzen zoon de vader zich verblijdt,Maar in een godloos kind de moeder droefheid lijdt.Toen Troyen onderging en stond in roode kolen,Toen 't hongerige vuur steeg opwaarts naar de polen[141],En toen het Grieksche staal (al razende en verwoed)Geen dingen zoeter vond dan het Troyaansche bloed;Æneas met zijn kind ontwijkt den brand te gader,En neemt op zijnen halze Anchisen[142], zijnen vader:Hij draagt den ouden man, dat hem den rugge kraakt,Tot dat hij eindelijk uit 's doods perijkel[143]raakt.Hoe draagt Æneas dus?—ik drage mijne krone;En drukke levende uit het beeld van eenen zone,Van eenen goeden zoon, die, heilig en beleefd,Den genen weder draagt, die hem gedragen heeft.Maar recht in 't jegendeel[144]is Nero veel verwoederAls een onreed'lijk beest, die 't herte van zijn moederUit heuren lijve rukt, en ziet het enge grafVan zijnes moeders buik, dat hem eerst 't leven gaf;Hij doodigt[145]die, waar van hij 't leven heeft ontvangen,En nog loopt eenen traan niet langs zijn snoode wangen.Dies als ik dezer twee hun vonnisse onderzoek!D' een komt de zegen toe, voor d' ander is de vloek.XXVI.(BIAS' LES.)Men hoort den filosoof den keizer hier verklaren,Waarom de doode werd gesierd met lauwerblaren.Eccl. 7:Den sterf-dag is den mensch veel beter in zijn smert,Dan zijnen eersten dag, als hij geboren werd.De Heidenen voorheen den doôn[146]ter eerden brochten,Wiens bleek besturven hoofd met lauwer was omvlochten;De keizer, nieuwsgier om hier de oorzaak van verstaan,Spreekt zijne honigbie[147], den wijzen Bias, aan:Zegt, o wijsgieren! zegt, waarom men dies ten toone[148]Den doôn ten grave brengt, omvlochten met een kroone?"Heer keizer!" (zegt hij) "'t is omdat hij voor gewisVan alderleye ellende en smerte ontslagen is;Dat hij voleindigd heeft den loop met zijne voeten,En afgeleîd de schuld, die wij betalen moeten;Dat hij in zijne dood de dood verwonnen heeft,En hier gesturven is, opdat hij elders leeft."XXVII.(SARDANAPALUS.)Ziet hoe den Assyriêr, verwijfd gelijk een kind,Zijn hand slaat aande spille, en zijnen rokken[149]spint.3Regum. 11.Toen Salomon zoo veel boelaziën had verkoren,Werd hij zoo gansch verwijfd, dat alles liep verloren.Sardanapalus! o, wat helpen u drie mijten[150],Daar gij de spille omdraait? het dient tot uw verwijten,Dat gij zoo heel verwijft, en zelfs den rokken spint:Dit harnas past u niet; wat zijdy dul of blind?Den scepter voegt u best, om daar meê te bestierenUw onverwonnen erf, het rijk der Assyriêren:Gij slacht Alcmenæ Zoon, die (hoe ontzien en trots)De schoone Omfale geeft zijn pijlen, en zijn knods,En wisselt al zijn tuig (o, zoete minne-grillen!)Voor eenen spinrok, en een hand vol ronde spillen.O, groote minne-kracht! die wonderlijk uitmunt,Als gij een manlijk hert zoo heel verwijven kunt.Als gij eens konings ziele in uwe boeyen kluistert,Is al de majesteit van zijne krone ontluisterd,Zijn wijsheid ongeacht, zijn mogendheid vervoerd,En door zijn hoererij werd[151]'t gansche rijk verhoerd:Daar 't hof van minne brandt, werd (eer men 't zoude wanen)Het land een vuil bordeel, vol lichte Courtisanen.XXVIII.(VERDIENDE STRAF.)Merkt, hoe rechtveerdig dat Perillus raakt ter doodIn zijnen kop'eren stier, die hij voor and'ren goot.Psal. 7.De goddelooze graaft den put naar zijnen zin,Maar als hij 't heeft gedaan, valt hij daar zelver in.De konstige Perill' (die op het alderblootste[152]Den gieter[153]Myron zelf in zijne konst nabootste)Goot eenen kopren stier, die hij om zijnder[154]konstDen tyran Falaris (om raken in zijn gonst)Eerbiedelijken schonk: maar, als hij voor den koningVerscheen, om naar zijn werk te krijgen zijn belooning,Sprak de tyran tot hem: "Zegt[155]mij, du kloeker[156]geest,Wat zoû men mogen[157]doen met dit gehoornde beest?""Heer koning!" (zeide hij) "den stier, die heeft een wijde[158],Vierkante venster in het midden van zijn zijde,Waar in men werpen zal den boozen t' zijnder[159]straf;Wanneer de kwade nu in dit metalen grafMet hitte werd gepijnd, zal hij den stier doen brullen,En met een luid geloei de ruime locht vervullen.""Wel aan," (sprak den tyran) "'t is best, gij 't eerst verzoekt[160];"Men greep hem bij den kop, zijn kunst heeft hij vervloekt,Geen klagen hier en holp, men most het recht vervolgen,Den dooden stier heeft hem al levende opgezwolgen.Dies, o gij kunstenaars! denkt, dat in 's werelds perkEen ieder werd geloond na[161]zijnder handen werk.XXIX.(GEVAARLIJK BEROEP.)

Ziet, hoe vrouw Venus' wicht, met zijn gevlerkte sprieten,De onledige Diaan kan kwetsen, noch doorschieten.Syr. 33:Drijft stadig uwen knecht ten arbeid, vroeg en spaad,Want luiheid ontucht baart, en alderhande kwaad.Ziet, hoe Diana spoeit[87]met heure wakk're brooskens[88]Langs 't schoon gebloeide veld bezaaid met roode rooskens;Ziet, hoe zij rent en loopt door 't schaduwende bosch,Geboogd, gepijld, geleersd, geladen met den tros[89],De koppels hitsende aan[90]het wild met open kelen,En geeft haar gouden haar de windekens om spelen:Hier vangt zij eene hinde, en ginder een wild hert,Dat met zijn hoornen inde takken is verwerd,Hier eenen snellen haas, die met zijn ommekijkenNiet mocht in zijnen loop den ranken hond ontwijken,Nu kruist zij 't donker woud, nu schuilt zij eens in 't lisch;—Dat ondertusschen zij Cupidoos doel-wit is,Zij niet eens merken kan, dewijl zij langs hoe stijverVolherdigt[91]inde jacht, en groeit in dezen ijver;Want wie de luiheid haat, en neerstigheid bemintDe liefde in zijnen vlijt en arbeid overwint.

Ziet, hoe vrouw Venus' wicht, met zijn gevlerkte sprieten,De onledige Diaan kan kwetsen, noch doorschieten.Syr. 33:Drijft stadig uwen knecht ten arbeid, vroeg en spaad,Want luiheid ontucht baart, en alderhande kwaad.Ziet, hoe Diana spoeit[87]met heure wakk're brooskens[88]Langs 't schoon gebloeide veld bezaaid met roode rooskens;Ziet, hoe zij rent en loopt door 't schaduwende bosch,Geboogd, gepijld, geleersd, geladen met den tros[89],De koppels hitsende aan[90]het wild met open kelen,En geeft haar gouden haar de windekens om spelen:Hier vangt zij eene hinde, en ginder een wild hert,Dat met zijn hoornen inde takken is verwerd,Hier eenen snellen haas, die met zijn ommekijkenNiet mocht in zijnen loop den ranken hond ontwijken,Nu kruist zij 't donker woud, nu schuilt zij eens in 't lisch;—Dat ondertusschen zij Cupidoos doel-wit is,Zij niet eens merken kan, dewijl zij langs hoe stijverVolherdigt[91]inde jacht, en groeit in dezen ijver;Want wie de luiheid haat, en neerstigheid bemintDe liefde in zijnen vlijt en arbeid overwint.

Ziet, hoe vrouw Venus' wicht, met zijn gevlerkte sprieten,De onledige Diaan kan kwetsen, noch doorschieten.Syr. 33:Drijft stadig uwen knecht ten arbeid, vroeg en spaad,Want luiheid ontucht baart, en alderhande kwaad.

Ziet, hoe vrouw Venus' wicht, met zijn gevlerkte sprieten,

De onledige Diaan kan kwetsen, noch doorschieten.

Syr. 33:

Drijft stadig uwen knecht ten arbeid, vroeg en spaad,

Want luiheid ontucht baart, en alderhande kwaad.

Ziet, hoe Diana spoeit[87]met heure wakk're brooskens[88]Langs 't schoon gebloeide veld bezaaid met roode rooskens;Ziet, hoe zij rent en loopt door 't schaduwende bosch,Geboogd, gepijld, geleersd, geladen met den tros[89],De koppels hitsende aan[90]het wild met open kelen,En geeft haar gouden haar de windekens om spelen:Hier vangt zij eene hinde, en ginder een wild hert,Dat met zijn hoornen inde takken is verwerd,Hier eenen snellen haas, die met zijn ommekijkenNiet mocht in zijnen loop den ranken hond ontwijken,Nu kruist zij 't donker woud, nu schuilt zij eens in 't lisch;—Dat ondertusschen zij Cupidoos doel-wit is,Zij niet eens merken kan, dewijl zij langs hoe stijverVolherdigt[91]inde jacht, en groeit in dezen ijver;Want wie de luiheid haat, en neerstigheid bemintDe liefde in zijnen vlijt en arbeid overwint.

Ziet, hoe Diana spoeit[87]met heure wakk're brooskens[88]

Langs 't schoon gebloeide veld bezaaid met roode rooskens;

Ziet, hoe zij rent en loopt door 't schaduwende bosch,

Geboogd, gepijld, geleersd, geladen met den tros[89],

De koppels hitsende aan[90]het wild met open kelen,

En geeft haar gouden haar de windekens om spelen:

Hier vangt zij eene hinde, en ginder een wild hert,

Dat met zijn hoornen inde takken is verwerd,

Hier eenen snellen haas, die met zijn ommekijken

Niet mocht in zijnen loop den ranken hond ontwijken,

Nu kruist zij 't donker woud, nu schuilt zij eens in 't lisch;—

Dat ondertusschen zij Cupidoos doel-wit is,

Zij niet eens merken kan, dewijl zij langs hoe stijver

Volherdigt[91]inde jacht, en groeit in dezen ijver;

Want wie de luiheid haat, en neerstigheid bemint

De liefde in zijnen vlijt en arbeid overwint.

Cupido en de Dood, die sliepen beiden t' zamen;Ontwakende, zij blind elk anders schichten namen.Rom. 6:De dood, de bleeke dood (wanneer wij 't recht doorgronden)Is den gerechten loon en straf van onze zonden.Cupido en de dood zich leiden, om te slapen,In een zacht bloemen-dal, met hun getuig en wapen,Maar als zij beids te gaâr ontwaken uit den dut,Onwetende nam de een des anderen geschut:Het domme minne-wicht ging schieten met der ijlen[92],De herten, die hij trof, haast storven vande pijlen;De dood, de blinde dood, waar zij de borst doorklieftDes grijzen ouden mans, daar kweelt[93]hij van de liefd'.Daarom is 't, dat (hoe vreemd het schijnt in onzen zinne)De jonge dikwijls sterft, en de oude kweelt van minne:Daarom is 't dat de jeugd, als eene bloem, valt afVan heuren groenen steel, gebliksemd in het graf,En dat het minne-vuur des ouden hert doorkruipet,En pijnelijk hem 't merg uit zijn gebeenten zuipet;Dat weg gerukket werd den jongling, als een dief,En dat den ouden stok[94]vrijdt om zijns herten lief.

Cupido en de Dood, die sliepen beiden t' zamen;Ontwakende, zij blind elk anders schichten namen.Rom. 6:De dood, de bleeke dood (wanneer wij 't recht doorgronden)Is den gerechten loon en straf van onze zonden.Cupido en de dood zich leiden, om te slapen,In een zacht bloemen-dal, met hun getuig en wapen,Maar als zij beids te gaâr ontwaken uit den dut,Onwetende nam de een des anderen geschut:Het domme minne-wicht ging schieten met der ijlen[92],De herten, die hij trof, haast storven vande pijlen;De dood, de blinde dood, waar zij de borst doorklieftDes grijzen ouden mans, daar kweelt[93]hij van de liefd'.Daarom is 't, dat (hoe vreemd het schijnt in onzen zinne)De jonge dikwijls sterft, en de oude kweelt van minne:Daarom is 't dat de jeugd, als eene bloem, valt afVan heuren groenen steel, gebliksemd in het graf,En dat het minne-vuur des ouden hert doorkruipet,En pijnelijk hem 't merg uit zijn gebeenten zuipet;Dat weg gerukket werd den jongling, als een dief,En dat den ouden stok[94]vrijdt om zijns herten lief.

Cupido en de Dood, die sliepen beiden t' zamen;Ontwakende, zij blind elk anders schichten namen.Rom. 6:De dood, de bleeke dood (wanneer wij 't recht doorgronden)Is den gerechten loon en straf van onze zonden.

Cupido en de Dood, die sliepen beiden t' zamen;

Ontwakende, zij blind elk anders schichten namen.

Rom. 6:

De dood, de bleeke dood (wanneer wij 't recht doorgronden)

Is den gerechten loon en straf van onze zonden.

Cupido en de dood zich leiden, om te slapen,In een zacht bloemen-dal, met hun getuig en wapen,Maar als zij beids te gaâr ontwaken uit den dut,Onwetende nam de een des anderen geschut:Het domme minne-wicht ging schieten met der ijlen[92],De herten, die hij trof, haast storven vande pijlen;De dood, de blinde dood, waar zij de borst doorklieftDes grijzen ouden mans, daar kweelt[93]hij van de liefd'.Daarom is 't, dat (hoe vreemd het schijnt in onzen zinne)De jonge dikwijls sterft, en de oude kweelt van minne:Daarom is 't dat de jeugd, als eene bloem, valt afVan heuren groenen steel, gebliksemd in het graf,En dat het minne-vuur des ouden hert doorkruipet,En pijnelijk hem 't merg uit zijn gebeenten zuipet;Dat weg gerukket werd den jongling, als een dief,En dat den ouden stok[94]vrijdt om zijns herten lief.

Cupido en de dood zich leiden, om te slapen,

In een zacht bloemen-dal, met hun getuig en wapen,

Maar als zij beids te gaâr ontwaken uit den dut,

Onwetende nam de een des anderen geschut:

Het domme minne-wicht ging schieten met der ijlen[92],

De herten, die hij trof, haast storven vande pijlen;

De dood, de blinde dood, waar zij de borst doorklieft

Des grijzen ouden mans, daar kweelt[93]hij van de liefd'.

Daarom is 't, dat (hoe vreemd het schijnt in onzen zinne)

De jonge dikwijls sterft, en de oude kweelt van minne:

Daarom is 't dat de jeugd, als eene bloem, valt af

Van heuren groenen steel, gebliksemd in het graf,

En dat het minne-vuur des ouden hert doorkruipet,

En pijnelijk hem 't merg uit zijn gebeenten zuipet;

Dat weg gerukket werd den jongling, als een dief,

En dat den ouden stok[94]vrijdt om zijns herten lief.

In Momi scheel gezicht geen dingen zijn volmaakt,Al schort maar aan den dans, dat Venus' toffel kraakt.Jud.vs. 10:De booze lasteraars (waar zij ook zijn gezeten),Die lasteren het geen zij zelvers niet en weten.De Goden kwamen t' zaâm in 's Hemels opper-zaal,Om nutten met genucht een heerlijk avondmaal;De rei was niet zoo haast vergaderd, of men dekt erDes tafels breeden rug met Ambrosijn en Nectar;Men schikten zich ten disch, men at, men dronk, men loech,Geen ding hier en gebrak, daar was van als[95]genoeg:Het maal was naauw gedaan, men ging de zinnen scherpen,En, op den zoeten toon van fluiten en van herpen,Aanvangen eenen dans: vrouw Venus, zoete snol[96],Die maakte meen'gen spronk en luchte kabriol[97]:Maar Momus inden hoek (die altijds kloek en wakkerEens anders hofken wiedt, en zijnen eigen akkerVan 't onkruid laat vertreên) riep, duidelijk en plat,'t Gekraak van Venus' schoen den dans bedorven had.Dus, waar den spotter zit, men zijne tong hoort lispen,Hij vindt in ieders doen iets, dat hij mag berispen.

In Momi scheel gezicht geen dingen zijn volmaakt,Al schort maar aan den dans, dat Venus' toffel kraakt.Jud.vs. 10:De booze lasteraars (waar zij ook zijn gezeten),Die lasteren het geen zij zelvers niet en weten.De Goden kwamen t' zaâm in 's Hemels opper-zaal,Om nutten met genucht een heerlijk avondmaal;De rei was niet zoo haast vergaderd, of men dekt erDes tafels breeden rug met Ambrosijn en Nectar;Men schikten zich ten disch, men at, men dronk, men loech,Geen ding hier en gebrak, daar was van als[95]genoeg:Het maal was naauw gedaan, men ging de zinnen scherpen,En, op den zoeten toon van fluiten en van herpen,Aanvangen eenen dans: vrouw Venus, zoete snol[96],Die maakte meen'gen spronk en luchte kabriol[97]:Maar Momus inden hoek (die altijds kloek en wakkerEens anders hofken wiedt, en zijnen eigen akkerVan 't onkruid laat vertreên) riep, duidelijk en plat,'t Gekraak van Venus' schoen den dans bedorven had.Dus, waar den spotter zit, men zijne tong hoort lispen,Hij vindt in ieders doen iets, dat hij mag berispen.

In Momi scheel gezicht geen dingen zijn volmaakt,Al schort maar aan den dans, dat Venus' toffel kraakt.Jud.vs. 10:De booze lasteraars (waar zij ook zijn gezeten),Die lasteren het geen zij zelvers niet en weten.

In Momi scheel gezicht geen dingen zijn volmaakt,

Al schort maar aan den dans, dat Venus' toffel kraakt.

Jud.vs. 10:

De booze lasteraars (waar zij ook zijn gezeten),

Die lasteren het geen zij zelvers niet en weten.

De Goden kwamen t' zaâm in 's Hemels opper-zaal,Om nutten met genucht een heerlijk avondmaal;De rei was niet zoo haast vergaderd, of men dekt erDes tafels breeden rug met Ambrosijn en Nectar;Men schikten zich ten disch, men at, men dronk, men loech,Geen ding hier en gebrak, daar was van als[95]genoeg:Het maal was naauw gedaan, men ging de zinnen scherpen,En, op den zoeten toon van fluiten en van herpen,Aanvangen eenen dans: vrouw Venus, zoete snol[96],Die maakte meen'gen spronk en luchte kabriol[97]:Maar Momus inden hoek (die altijds kloek en wakkerEens anders hofken wiedt, en zijnen eigen akkerVan 't onkruid laat vertreên) riep, duidelijk en plat,'t Gekraak van Venus' schoen den dans bedorven had.Dus, waar den spotter zit, men zijne tong hoort lispen,Hij vindt in ieders doen iets, dat hij mag berispen.

De Goden kwamen t' zaâm in 's Hemels opper-zaal,

Om nutten met genucht een heerlijk avondmaal;

De rei was niet zoo haast vergaderd, of men dekt er

Des tafels breeden rug met Ambrosijn en Nectar;

Men schikten zich ten disch, men at, men dronk, men loech,

Geen ding hier en gebrak, daar was van als[95]genoeg:

Het maal was naauw gedaan, men ging de zinnen scherpen,

En, op den zoeten toon van fluiten en van herpen,

Aanvangen eenen dans: vrouw Venus, zoete snol[96],

Die maakte meen'gen spronk en luchte kabriol[97]:

Maar Momus inden hoek (die altijds kloek en wakker

Eens anders hofken wiedt, en zijnen eigen akker

Van 't onkruid laat vertreên) riep, duidelijk en plat,

't Gekraak van Venus' schoen den dans bedorven had.

Dus, waar den spotter zit, men zijne tong hoort lispen,

Hij vindt in ieders doen iets, dat hij mag berispen.

Hier zit de Minnemoêr[98], met heuren zoon verzeld,Aan 't vuur, t'wijl Bacchus dwaalt met Ceres langs het veld.1Pet. 4:Het geeft[99]den brassers vreemd (daar gij meê pleegt te loopen)Dat gij zoo nucht'ren leeft, en schouwt[100]der slempers hoopen.Vrouw Venus en heur wicht, hier inden hoek gescholen,Zich wermen aanden heerd en roosten voor de kolen,Vermits[101]vrouw Ceres en heer Bacchus beidegaâr,Al dwalende langs 't veld, gescheiden zijn van haar.Maar wat beteekent doch, dat zij van een gescheidenDe moeder met heur kind hier laten met hun beiden?Is 't niet, omdat het vuur der geile minne-lustDoor soberheid verkout[102], en gantsch werd uitgeblust?Want daar van graan en wijn is alderhande volheid,Men aldermeest bespeurt der liefden[103]brand en dolheid:Dus wie de wellust haat, zijn lijf houde in bedwangk,Door soberheid van spijs en matigheid van drank.

Hier zit de Minnemoêr[98], met heuren zoon verzeld,Aan 't vuur, t'wijl Bacchus dwaalt met Ceres langs het veld.1Pet. 4:Het geeft[99]den brassers vreemd (daar gij meê pleegt te loopen)Dat gij zoo nucht'ren leeft, en schouwt[100]der slempers hoopen.Vrouw Venus en heur wicht, hier inden hoek gescholen,Zich wermen aanden heerd en roosten voor de kolen,Vermits[101]vrouw Ceres en heer Bacchus beidegaâr,Al dwalende langs 't veld, gescheiden zijn van haar.Maar wat beteekent doch, dat zij van een gescheidenDe moeder met heur kind hier laten met hun beiden?Is 't niet, omdat het vuur der geile minne-lustDoor soberheid verkout[102], en gantsch werd uitgeblust?Want daar van graan en wijn is alderhande volheid,Men aldermeest bespeurt der liefden[103]brand en dolheid:Dus wie de wellust haat, zijn lijf houde in bedwangk,Door soberheid van spijs en matigheid van drank.

Hier zit de Minnemoêr[98], met heuren zoon verzeld,Aan 't vuur, t'wijl Bacchus dwaalt met Ceres langs het veld.1Pet. 4:Het geeft[99]den brassers vreemd (daar gij meê pleegt te loopen)Dat gij zoo nucht'ren leeft, en schouwt[100]der slempers hoopen.

Hier zit de Minnemoêr[98], met heuren zoon verzeld,

Aan 't vuur, t'wijl Bacchus dwaalt met Ceres langs het veld.

1Pet. 4:

Het geeft[99]den brassers vreemd (daar gij meê pleegt te loopen)

Dat gij zoo nucht'ren leeft, en schouwt[100]der slempers hoopen.

Vrouw Venus en heur wicht, hier inden hoek gescholen,Zich wermen aanden heerd en roosten voor de kolen,Vermits[101]vrouw Ceres en heer Bacchus beidegaâr,Al dwalende langs 't veld, gescheiden zijn van haar.Maar wat beteekent doch, dat zij van een gescheidenDe moeder met heur kind hier laten met hun beiden?Is 't niet, omdat het vuur der geile minne-lustDoor soberheid verkout[102], en gantsch werd uitgeblust?Want daar van graan en wijn is alderhande volheid,Men aldermeest bespeurt der liefden[103]brand en dolheid:Dus wie de wellust haat, zijn lijf houde in bedwangk,Door soberheid van spijs en matigheid van drank.

Vrouw Venus en heur wicht, hier inden hoek gescholen,

Zich wermen aanden heerd en roosten voor de kolen,

Vermits[101]vrouw Ceres en heer Bacchus beidegaâr,

Al dwalende langs 't veld, gescheiden zijn van haar.

Maar wat beteekent doch, dat zij van een gescheiden

De moeder met heur kind hier laten met hun beiden?

Is 't niet, omdat het vuur der geile minne-lust

Door soberheid verkout[102], en gantsch werd uitgeblust?

Want daar van graan en wijn is alderhande volheid,

Men aldermeest bespeurt der liefden[103]brand en dolheid:

Dus wie de wellust haat, zijn lijf houde in bedwangk,

Door soberheid van spijs en matigheid van drank.

Der tooverschen[104]gespook u deze prent uit wijst,Zoo eiselijk om zien, dat 't hair te berge rijst.Apoc. 21:Der toovenaren lot met solfer, vuur, en rookIs inden Helschen poel, vol brands en vol gesmook.De tooverschen ziet hier, t'wijl and're menschen slapen,Met wonderlijk gebaar verkeeren al in apen,En met een held're torts, van doode-smeer[105]gewracht[106],Doen eenen lichten dag oprijzen inder nacht.Wat brandt hier voor een Hel? wie of zij hier wyrooken?Wat katten lollen dus? help Pluto! 't zijn al spooken;Zou 't wel een kerkhof zijn? ik laat mij schier verleîn[107]!Hier ligtzoo menig hoofd, en schedel zonder brein.Wat maken zij gebaars? wat maken zij al kruisen!Beroerende de locht, en doen de boomen ruischen.Ginds staat een looden kelk vol doodelijk venijn,Of zou 't Medea's sap, of Circes drank wel zijn?Hola! zij wekken al de geesten hier ter banen,De locht, die is vol vuurs, en vol gehoornde manen,Ik derf naauw naarder treên, zij maken een geluid:Plutonis[108]Hel-gedrocht, gij Furiën, komt uit!Tisifone, Alecton, Megera, licht u hielen!Ik dage u inden naam van dees verstorven zielen,Bij Styx en Acheron! dat gij op dezen tijdU t' zamen vinden laat in 't midden van dit krijt[109].A my! wat zien ik daar in 't ronde perk vergâren?De Helle ontledigt schier al heur verbannen scharen,Zij werden mij gewaar, zij hebben mij gezien,Waar loop ik alderbest, waar zal ik henen vliên?

Der tooverschen[104]gespook u deze prent uit wijst,Zoo eiselijk om zien, dat 't hair te berge rijst.Apoc. 21:Der toovenaren lot met solfer, vuur, en rookIs inden Helschen poel, vol brands en vol gesmook.De tooverschen ziet hier, t'wijl and're menschen slapen,Met wonderlijk gebaar verkeeren al in apen,En met een held're torts, van doode-smeer[105]gewracht[106],Doen eenen lichten dag oprijzen inder nacht.Wat brandt hier voor een Hel? wie of zij hier wyrooken?Wat katten lollen dus? help Pluto! 't zijn al spooken;Zou 't wel een kerkhof zijn? ik laat mij schier verleîn[107]!Hier ligtzoo menig hoofd, en schedel zonder brein.Wat maken zij gebaars? wat maken zij al kruisen!Beroerende de locht, en doen de boomen ruischen.Ginds staat een looden kelk vol doodelijk venijn,Of zou 't Medea's sap, of Circes drank wel zijn?Hola! zij wekken al de geesten hier ter banen,De locht, die is vol vuurs, en vol gehoornde manen,Ik derf naauw naarder treên, zij maken een geluid:Plutonis[108]Hel-gedrocht, gij Furiën, komt uit!Tisifone, Alecton, Megera, licht u hielen!Ik dage u inden naam van dees verstorven zielen,Bij Styx en Acheron! dat gij op dezen tijdU t' zamen vinden laat in 't midden van dit krijt[109].A my! wat zien ik daar in 't ronde perk vergâren?De Helle ontledigt schier al heur verbannen scharen,Zij werden mij gewaar, zij hebben mij gezien,Waar loop ik alderbest, waar zal ik henen vliên?

Der tooverschen[104]gespook u deze prent uit wijst,Zoo eiselijk om zien, dat 't hair te berge rijst.Apoc. 21:Der toovenaren lot met solfer, vuur, en rookIs inden Helschen poel, vol brands en vol gesmook.

Der tooverschen[104]gespook u deze prent uit wijst,

Zoo eiselijk om zien, dat 't hair te berge rijst.

Apoc. 21:

Der toovenaren lot met solfer, vuur, en rook

Is inden Helschen poel, vol brands en vol gesmook.

De tooverschen ziet hier, t'wijl and're menschen slapen,Met wonderlijk gebaar verkeeren al in apen,En met een held're torts, van doode-smeer[105]gewracht[106],Doen eenen lichten dag oprijzen inder nacht.Wat brandt hier voor een Hel? wie of zij hier wyrooken?Wat katten lollen dus? help Pluto! 't zijn al spooken;Zou 't wel een kerkhof zijn? ik laat mij schier verleîn[107]!Hier ligtzoo menig hoofd, en schedel zonder brein.Wat maken zij gebaars? wat maken zij al kruisen!Beroerende de locht, en doen de boomen ruischen.Ginds staat een looden kelk vol doodelijk venijn,Of zou 't Medea's sap, of Circes drank wel zijn?Hola! zij wekken al de geesten hier ter banen,De locht, die is vol vuurs, en vol gehoornde manen,Ik derf naauw naarder treên, zij maken een geluid:Plutonis[108]Hel-gedrocht, gij Furiën, komt uit!Tisifone, Alecton, Megera, licht u hielen!Ik dage u inden naam van dees verstorven zielen,Bij Styx en Acheron! dat gij op dezen tijdU t' zamen vinden laat in 't midden van dit krijt[109].A my! wat zien ik daar in 't ronde perk vergâren?De Helle ontledigt schier al heur verbannen scharen,Zij werden mij gewaar, zij hebben mij gezien,Waar loop ik alderbest, waar zal ik henen vliên?

De tooverschen ziet hier, t'wijl and're menschen slapen,

Met wonderlijk gebaar verkeeren al in apen,

En met een held're torts, van doode-smeer[105]gewracht[106],

Doen eenen lichten dag oprijzen inder nacht.

Wat brandt hier voor een Hel? wie of zij hier wyrooken?

Wat katten lollen dus? help Pluto! 't zijn al spooken;

Zou 't wel een kerkhof zijn? ik laat mij schier verleîn[107]!

Hier ligtzoo menig hoofd, en schedel zonder brein.

Wat maken zij gebaars? wat maken zij al kruisen!

Beroerende de locht, en doen de boomen ruischen.

Ginds staat een looden kelk vol doodelijk venijn,

Of zou 't Medea's sap, of Circes drank wel zijn?

Hola! zij wekken al de geesten hier ter banen,

De locht, die is vol vuurs, en vol gehoornde manen,

Ik derf naauw naarder treên, zij maken een geluid:

Plutonis[108]Hel-gedrocht, gij Furiën, komt uit!

Tisifone, Alecton, Megera, licht u hielen!

Ik dage u inden naam van dees verstorven zielen,

Bij Styx en Acheron! dat gij op dezen tijd

U t' zamen vinden laat in 't midden van dit krijt[109].

A my! wat zien ik daar in 't ronde perk vergâren?

De Helle ontledigt schier al heur verbannen scharen,

Zij werden mij gewaar, zij hebben mij gezien,

Waar loop ik alderbest, waar zal ik henen vliên?

Te Atheen' werd de Overhand[110], de strijdsche Mars in Sparten,En Foeb'[111]bij den Tyriêrs geëerd van gantscher harten,1Rom. 1:In eenes menschen beeld zij hebben Godes wezenVeranderd en verkeerd, ja, dienst en eer bewezen.De Heidenen, hoe blind zij voor ons henen gingen,Noch altijds droomden van een wezen alder[112]dingen,'t Welk als een eigenschap te aanbidden kwam alleen,Dat heilig was van aard, en ieder algemeen:De Atheners de Overhand devotig eere boden,De Tyriêrs Febus als den grootsten alder Goden,Den wapen-roover Mars werd, met veel offer-viers,Geëerd devotig van den Lacedemoniêrs:Maar ander blinder, en veel woester van manierenGodsdienstig offerden de[113]onredelijke dieren:En 't alderdomste volk voor 't vuur heeft neêr geknield,Of ander schepsel, 't geen dood was en onbezield.Elk land had zijnen God eerbiedig in 't gezichte,Dies in hunne blind'heid zij beschaamden veel verlichte,Die, eenigzins verlicht, nog gaan in blindheid voort,En vragen naar Gods-dienst, naar God, noch naar zijn woord!

Te Atheen' werd de Overhand[110], de strijdsche Mars in Sparten,En Foeb'[111]bij den Tyriêrs geëerd van gantscher harten,1Rom. 1:In eenes menschen beeld zij hebben Godes wezenVeranderd en verkeerd, ja, dienst en eer bewezen.De Heidenen, hoe blind zij voor ons henen gingen,Noch altijds droomden van een wezen alder[112]dingen,'t Welk als een eigenschap te aanbidden kwam alleen,Dat heilig was van aard, en ieder algemeen:De Atheners de Overhand devotig eere boden,De Tyriêrs Febus als den grootsten alder Goden,Den wapen-roover Mars werd, met veel offer-viers,Geëerd devotig van den Lacedemoniêrs:Maar ander blinder, en veel woester van manierenGodsdienstig offerden de[113]onredelijke dieren:En 't alderdomste volk voor 't vuur heeft neêr geknield,Of ander schepsel, 't geen dood was en onbezield.Elk land had zijnen God eerbiedig in 't gezichte,Dies in hunne blind'heid zij beschaamden veel verlichte,Die, eenigzins verlicht, nog gaan in blindheid voort,En vragen naar Gods-dienst, naar God, noch naar zijn woord!

Te Atheen' werd de Overhand[110], de strijdsche Mars in Sparten,En Foeb'[111]bij den Tyriêrs geëerd van gantscher harten,1Rom. 1:In eenes menschen beeld zij hebben Godes wezenVeranderd en verkeerd, ja, dienst en eer bewezen.

Te Atheen' werd de Overhand[110], de strijdsche Mars in Sparten,

En Foeb'[111]bij den Tyriêrs geëerd van gantscher harten,

1Rom. 1:

In eenes menschen beeld zij hebben Godes wezen

Veranderd en verkeerd, ja, dienst en eer bewezen.

De Heidenen, hoe blind zij voor ons henen gingen,Noch altijds droomden van een wezen alder[112]dingen,'t Welk als een eigenschap te aanbidden kwam alleen,Dat heilig was van aard, en ieder algemeen:De Atheners de Overhand devotig eere boden,De Tyriêrs Febus als den grootsten alder Goden,Den wapen-roover Mars werd, met veel offer-viers,Geëerd devotig van den Lacedemoniêrs:Maar ander blinder, en veel woester van manierenGodsdienstig offerden de[113]onredelijke dieren:En 't alderdomste volk voor 't vuur heeft neêr geknield,Of ander schepsel, 't geen dood was en onbezield.Elk land had zijnen God eerbiedig in 't gezichte,Dies in hunne blind'heid zij beschaamden veel verlichte,Die, eenigzins verlicht, nog gaan in blindheid voort,En vragen naar Gods-dienst, naar God, noch naar zijn woord!

De Heidenen, hoe blind zij voor ons henen gingen,

Noch altijds droomden van een wezen alder[112]dingen,

't Welk als een eigenschap te aanbidden kwam alleen,

Dat heilig was van aard, en ieder algemeen:

De Atheners de Overhand devotig eere boden,

De Tyriêrs Febus als den grootsten alder Goden,

Den wapen-roover Mars werd, met veel offer-viers,

Geëerd devotig van den Lacedemoniêrs:

Maar ander blinder, en veel woester van manieren

Godsdienstig offerden de[113]onredelijke dieren:

En 't alderdomste volk voor 't vuur heeft neêr geknield,

Of ander schepsel, 't geen dood was en onbezield.

Elk land had zijnen God eerbiedig in 't gezichte,

Dies in hunne blind'heid zij beschaamden veel verlichte,

Die, eenigzins verlicht, nog gaan in blindheid voort,

En vragen naar Gods-dienst, naar God, noch naar zijn woord!

De Liefdekens staan hier: ziet, hoe zij ons aanprijzenMalkand'ren alle deugd en vriendschap te bewijzen.1Joan. 4:God is de liefde zelf (de liefde is 't hoogste lot):Wie inde liefde blijft, blijft eeuwiglijk in God.Of iemand vragen mocht, wat deze drie bedieden:Gij ziet hier een de twee, en weder twee de een biedenElkanders aangezicht, dewijl men zegt gewis,Dat eene vriendschap twee vriendschappen weerdig is.Het zijn de Charites[114], die, met een mild ontfarmen,Malkand'ren alle drie zoo liefelijk omarmen;Met ware liefd' zij tot malkand'ren zijn gezind,De liefd' den gordel is, die hun[115]te zamen bindtIn eenen vasten knoop: maar waarom en bekleedenZij niet het wit albast van hare naakte leden?'t Is omdat reine liefde, en vriendschap ongeveinsd,Een open herte toont, dat nimmer kwaad en peinst.Aglaja, Thalia, en Euphrosin' zij heeten,Bevalligheid, Vermaak, en Blijschap ongemeten;Want aangenaamheid en vermaak zij in 't gemeenEn rechte vrolijkheid voortsbrengen[116]bij elk een.

De Liefdekens staan hier: ziet, hoe zij ons aanprijzenMalkand'ren alle deugd en vriendschap te bewijzen.1Joan. 4:God is de liefde zelf (de liefde is 't hoogste lot):Wie inde liefde blijft, blijft eeuwiglijk in God.Of iemand vragen mocht, wat deze drie bedieden:Gij ziet hier een de twee, en weder twee de een biedenElkanders aangezicht, dewijl men zegt gewis,Dat eene vriendschap twee vriendschappen weerdig is.Het zijn de Charites[114], die, met een mild ontfarmen,Malkand'ren alle drie zoo liefelijk omarmen;Met ware liefd' zij tot malkand'ren zijn gezind,De liefd' den gordel is, die hun[115]te zamen bindtIn eenen vasten knoop: maar waarom en bekleedenZij niet het wit albast van hare naakte leden?'t Is omdat reine liefde, en vriendschap ongeveinsd,Een open herte toont, dat nimmer kwaad en peinst.Aglaja, Thalia, en Euphrosin' zij heeten,Bevalligheid, Vermaak, en Blijschap ongemeten;Want aangenaamheid en vermaak zij in 't gemeenEn rechte vrolijkheid voortsbrengen[116]bij elk een.

De Liefdekens staan hier: ziet, hoe zij ons aanprijzenMalkand'ren alle deugd en vriendschap te bewijzen.1Joan. 4:God is de liefde zelf (de liefde is 't hoogste lot):Wie inde liefde blijft, blijft eeuwiglijk in God.

De Liefdekens staan hier: ziet, hoe zij ons aanprijzen

Malkand'ren alle deugd en vriendschap te bewijzen.

1Joan. 4:

God is de liefde zelf (de liefde is 't hoogste lot):

Wie inde liefde blijft, blijft eeuwiglijk in God.

Of iemand vragen mocht, wat deze drie bedieden:Gij ziet hier een de twee, en weder twee de een biedenElkanders aangezicht, dewijl men zegt gewis,Dat eene vriendschap twee vriendschappen weerdig is.Het zijn de Charites[114], die, met een mild ontfarmen,Malkand'ren alle drie zoo liefelijk omarmen;Met ware liefd' zij tot malkand'ren zijn gezind,De liefd' den gordel is, die hun[115]te zamen bindtIn eenen vasten knoop: maar waarom en bekleedenZij niet het wit albast van hare naakte leden?'t Is omdat reine liefde, en vriendschap ongeveinsd,Een open herte toont, dat nimmer kwaad en peinst.Aglaja, Thalia, en Euphrosin' zij heeten,Bevalligheid, Vermaak, en Blijschap ongemeten;Want aangenaamheid en vermaak zij in 't gemeenEn rechte vrolijkheid voortsbrengen[116]bij elk een.

Of iemand vragen mocht, wat deze drie bedieden:

Gij ziet hier een de twee, en weder twee de een bieden

Elkanders aangezicht, dewijl men zegt gewis,

Dat eene vriendschap twee vriendschappen weerdig is.

Het zijn de Charites[114], die, met een mild ontfarmen,

Malkand'ren alle drie zoo liefelijk omarmen;

Met ware liefd' zij tot malkand'ren zijn gezind,

De liefd' den gordel is, die hun[115]te zamen bindt

In eenen vasten knoop: maar waarom en bekleeden

Zij niet het wit albast van hare naakte leden?

't Is omdat reine liefde, en vriendschap ongeveinsd,

Een open herte toont, dat nimmer kwaad en peinst.

Aglaja, Thalia, en Euphrosin' zij heeten,

Bevalligheid, Vermaak, en Blijschap ongemeten;

Want aangenaamheid en vermaak zij in 't gemeen

En rechte vrolijkheid voortsbrengen[116]bij elk een.

De Weldaad driederlei (ons tot een goed exempel)Werd heiliglijk geëerd te Romen inden tempel.Heb. 13:De weldaad nimmermeer uit uw gemoed en vaagt,Want zulken offerhand den Heere wel behaagt.Dees drie Goddinnen, hier dus op de rije staande,En zijn niet ongelijk de beelden van 't voorgaande:Dees schoone maagden zijn de drie Weldaden zelfHier voormaals opgerecht in 't heilig Roomsch[117]gewelf:De een is Weldadigheid, die, met een open herteEn met een open hand, gedenkt heurs naasten smerte:Ontvangende Geschenk de tweede Nymfe heet,Daar steeds Weldadigheid heur giften aan besteedt:De derde Dankbaarheid, in wiens gemoed begravenLigt den dankoffer van heurs naasten milde gaven.D' een rijkelijken geeft, de tweede die ontvangkt,De derde voor de gaaf eerbiediglijk bedankt.Och! of dees Nymfen ons altzaam zoo wel bevielen,Dat wij hun[118]plaatsten inden tempel onzer zielen[119]:Want daar in 't herte blinkt dit schoone beeldewerk,Daar is een heilig huis en welgesierde[120]kerk.

De Weldaad driederlei (ons tot een goed exempel)Werd heiliglijk geëerd te Romen inden tempel.Heb. 13:De weldaad nimmermeer uit uw gemoed en vaagt,Want zulken offerhand den Heere wel behaagt.Dees drie Goddinnen, hier dus op de rije staande,En zijn niet ongelijk de beelden van 't voorgaande:Dees schoone maagden zijn de drie Weldaden zelfHier voormaals opgerecht in 't heilig Roomsch[117]gewelf:De een is Weldadigheid, die, met een open herteEn met een open hand, gedenkt heurs naasten smerte:Ontvangende Geschenk de tweede Nymfe heet,Daar steeds Weldadigheid heur giften aan besteedt:De derde Dankbaarheid, in wiens gemoed begravenLigt den dankoffer van heurs naasten milde gaven.D' een rijkelijken geeft, de tweede die ontvangkt,De derde voor de gaaf eerbiediglijk bedankt.Och! of dees Nymfen ons altzaam zoo wel bevielen,Dat wij hun[118]plaatsten inden tempel onzer zielen[119]:Want daar in 't herte blinkt dit schoone beeldewerk,Daar is een heilig huis en welgesierde[120]kerk.

De Weldaad driederlei (ons tot een goed exempel)Werd heiliglijk geëerd te Romen inden tempel.Heb. 13:De weldaad nimmermeer uit uw gemoed en vaagt,Want zulken offerhand den Heere wel behaagt.

De Weldaad driederlei (ons tot een goed exempel)

Werd heiliglijk geëerd te Romen inden tempel.

Heb. 13:

De weldaad nimmermeer uit uw gemoed en vaagt,

Want zulken offerhand den Heere wel behaagt.

Dees drie Goddinnen, hier dus op de rije staande,En zijn niet ongelijk de beelden van 't voorgaande:Dees schoone maagden zijn de drie Weldaden zelfHier voormaals opgerecht in 't heilig Roomsch[117]gewelf:De een is Weldadigheid, die, met een open herteEn met een open hand, gedenkt heurs naasten smerte:Ontvangende Geschenk de tweede Nymfe heet,Daar steeds Weldadigheid heur giften aan besteedt:De derde Dankbaarheid, in wiens gemoed begravenLigt den dankoffer van heurs naasten milde gaven.D' een rijkelijken geeft, de tweede die ontvangkt,De derde voor de gaaf eerbiediglijk bedankt.Och! of dees Nymfen ons altzaam zoo wel bevielen,Dat wij hun[118]plaatsten inden tempel onzer zielen[119]:Want daar in 't herte blinkt dit schoone beeldewerk,Daar is een heilig huis en welgesierde[120]kerk.

Dees drie Goddinnen, hier dus op de rije staande,

En zijn niet ongelijk de beelden van 't voorgaande:

Dees schoone maagden zijn de drie Weldaden zelf

Hier voormaals opgerecht in 't heilig Roomsch[117]gewelf:

De een is Weldadigheid, die, met een open herte

En met een open hand, gedenkt heurs naasten smerte:

Ontvangende Geschenk de tweede Nymfe heet,

Daar steeds Weldadigheid heur giften aan besteedt:

De derde Dankbaarheid, in wiens gemoed begraven

Ligt den dankoffer van heurs naasten milde gaven.

D' een rijkelijken geeft, de tweede die ontvangkt,

De derde voor de gaaf eerbiediglijk bedankt.

Och! of dees Nymfen ons altzaam zoo wel bevielen,

Dat wij hun[118]plaatsten inden tempel onzer zielen[119]:

Want daar in 't herte blinkt dit schoone beeldewerk,

Daar is een heilig huis en welgesierde[120]kerk.

Ei ziet, wat grooter visch is hier in't net gevischt!'t Is Pallas, door 't bedrog van Gierigheid en List.1Timoth. 6:Die zich bekoren laat van 't goud, dat hij ziet blikken[121],Door Gierigheid geraakt in veelderhande strikken.De kloeke Listigheid, twee-aanzichtig en wakker,En de arme Gierigheid (die van eens anders akkerWel hare schuren vult, en in heur diefsche taschBergt 't goud dat zij kabast[122]uit heures naasten kas)De wijze Pallas zelf zoo aardig kosten[123]lokken,Tot dat zij hadden 't net heur over 't hoofd getrokken.Want dat de Gierigheid de Wijsheid wel bedriegt,Is een gemeene spreuk, die door de monden vliegt.Dit is wel eer gezien aan Midas, toen hij haakte[124],Dat het al louter goud mocht werden dat hij raakte;Dees bede hem gewerd, en was hem licht vergond:Greep hij een stoksken op, het werd al goud terstond,Of grijpt hij eenen steen, hij werd in goud herboren,Neemt hij een hand vol graans, hij heeft al gulden koren,En dobbert hij in 't nat, of grijpt hij eenen boom,Hij heeft een gouden eik, en eenen gulden stroom:Den gek, die is verblijd, hij lacht vast dat hij schatert,En geeft den Echo werk, die al zijn doen besnatert:Maar als hij aanden disch zal eten ('t is te vreemd!)Wordt al de spijze goud, die hij in handen neemt,En als hij drinken zal, (wel, hoe wil 't nu gelukken?)Den wijn in goud verkeert, en met geheele stukkenHem in het keelgat valt; dies roept hij weder aanDe Goden, die uit liefd' hem van dit leed ontslaan.Dies dikwijls Gierigheid de Wijsheid heeft bedrogen,En 't goud heeft in den nood nooit iemand helpen mogen[125].

Ei ziet, wat grooter visch is hier in't net gevischt!'t Is Pallas, door 't bedrog van Gierigheid en List.1Timoth. 6:Die zich bekoren laat van 't goud, dat hij ziet blikken[121],Door Gierigheid geraakt in veelderhande strikken.De kloeke Listigheid, twee-aanzichtig en wakker,En de arme Gierigheid (die van eens anders akkerWel hare schuren vult, en in heur diefsche taschBergt 't goud dat zij kabast[122]uit heures naasten kas)De wijze Pallas zelf zoo aardig kosten[123]lokken,Tot dat zij hadden 't net heur over 't hoofd getrokken.Want dat de Gierigheid de Wijsheid wel bedriegt,Is een gemeene spreuk, die door de monden vliegt.Dit is wel eer gezien aan Midas, toen hij haakte[124],Dat het al louter goud mocht werden dat hij raakte;Dees bede hem gewerd, en was hem licht vergond:Greep hij een stoksken op, het werd al goud terstond,Of grijpt hij eenen steen, hij werd in goud herboren,Neemt hij een hand vol graans, hij heeft al gulden koren,En dobbert hij in 't nat, of grijpt hij eenen boom,Hij heeft een gouden eik, en eenen gulden stroom:Den gek, die is verblijd, hij lacht vast dat hij schatert,En geeft den Echo werk, die al zijn doen besnatert:Maar als hij aanden disch zal eten ('t is te vreemd!)Wordt al de spijze goud, die hij in handen neemt,En als hij drinken zal, (wel, hoe wil 't nu gelukken?)Den wijn in goud verkeert, en met geheele stukkenHem in het keelgat valt; dies roept hij weder aanDe Goden, die uit liefd' hem van dit leed ontslaan.Dies dikwijls Gierigheid de Wijsheid heeft bedrogen,En 't goud heeft in den nood nooit iemand helpen mogen[125].

Ei ziet, wat grooter visch is hier in't net gevischt!'t Is Pallas, door 't bedrog van Gierigheid en List.1Timoth. 6:Die zich bekoren laat van 't goud, dat hij ziet blikken[121],Door Gierigheid geraakt in veelderhande strikken.

Ei ziet, wat grooter visch is hier in't net gevischt!

't Is Pallas, door 't bedrog van Gierigheid en List.

1Timoth. 6:

Die zich bekoren laat van 't goud, dat hij ziet blikken[121],

Door Gierigheid geraakt in veelderhande strikken.

De kloeke Listigheid, twee-aanzichtig en wakker,En de arme Gierigheid (die van eens anders akkerWel hare schuren vult, en in heur diefsche taschBergt 't goud dat zij kabast[122]uit heures naasten kas)De wijze Pallas zelf zoo aardig kosten[123]lokken,Tot dat zij hadden 't net heur over 't hoofd getrokken.Want dat de Gierigheid de Wijsheid wel bedriegt,Is een gemeene spreuk, die door de monden vliegt.Dit is wel eer gezien aan Midas, toen hij haakte[124],Dat het al louter goud mocht werden dat hij raakte;Dees bede hem gewerd, en was hem licht vergond:Greep hij een stoksken op, het werd al goud terstond,Of grijpt hij eenen steen, hij werd in goud herboren,Neemt hij een hand vol graans, hij heeft al gulden koren,En dobbert hij in 't nat, of grijpt hij eenen boom,Hij heeft een gouden eik, en eenen gulden stroom:Den gek, die is verblijd, hij lacht vast dat hij schatert,En geeft den Echo werk, die al zijn doen besnatert:Maar als hij aanden disch zal eten ('t is te vreemd!)Wordt al de spijze goud, die hij in handen neemt,En als hij drinken zal, (wel, hoe wil 't nu gelukken?)Den wijn in goud verkeert, en met geheele stukkenHem in het keelgat valt; dies roept hij weder aanDe Goden, die uit liefd' hem van dit leed ontslaan.Dies dikwijls Gierigheid de Wijsheid heeft bedrogen,En 't goud heeft in den nood nooit iemand helpen mogen[125].

De kloeke Listigheid, twee-aanzichtig en wakker,

En de arme Gierigheid (die van eens anders akker

Wel hare schuren vult, en in heur diefsche tasch

Bergt 't goud dat zij kabast[122]uit heures naasten kas)

De wijze Pallas zelf zoo aardig kosten[123]lokken,

Tot dat zij hadden 't net heur over 't hoofd getrokken.

Want dat de Gierigheid de Wijsheid wel bedriegt,

Is een gemeene spreuk, die door de monden vliegt.

Dit is wel eer gezien aan Midas, toen hij haakte[124],

Dat het al louter goud mocht werden dat hij raakte;

Dees bede hem gewerd, en was hem licht vergond:

Greep hij een stoksken op, het werd al goud terstond,

Of grijpt hij eenen steen, hij werd in goud herboren,

Neemt hij een hand vol graans, hij heeft al gulden koren,

En dobbert hij in 't nat, of grijpt hij eenen boom,

Hij heeft een gouden eik, en eenen gulden stroom:

Den gek, die is verblijd, hij lacht vast dat hij schatert,

En geeft den Echo werk, die al zijn doen besnatert:

Maar als hij aanden disch zal eten ('t is te vreemd!)

Wordt al de spijze goud, die hij in handen neemt,

En als hij drinken zal, (wel, hoe wil 't nu gelukken?)

Den wijn in goud verkeert, en met geheele stukken

Hem in het keelgat valt; dies roept hij weder aan

De Goden, die uit liefd' hem van dit leed ontslaan.

Dies dikwijls Gierigheid de Wijsheid heeft bedrogen,

En 't goud heeft in den nood nooit iemand helpen mogen[125].

Aanmerkt, hoe de Avontuur de huik hangt naar de winden,En niet met allen vraagt naar vijanden, noch vrinden.Psal. 91:Mijn toevlucht is alleen den Heere der heerscharen,Geen kwaad, noch ongeval en kan mij wedervaren.Die de Avontuur vertrouwt, eerst overdenk' te vorenDat zij, lichtveerdig als den weêrhaan op den toren,Met alle winden waait, en dat hij is verleid,Die in heur zoeken wil zijn rust en vastigheid:Ziet, hoe zij staat en zwiert met vleugels gaauwe en vlugge,D' een zij nu 't aanschijn biedt, nu d' ander weêr den rugge;Ziet, hoe zij voeteloos op eenen ronden balToont, hoe den hoogmoed gaat gemeenlijk voor den val.Dees beeldenisse ontbreekt, dat zij niet wispelturigEen wankel rad om draait, onstadig en gedurig,Daar de een om hooge rijst met eenen trotschen kop,En de ander inden grond valt boven vanden tsop:Want dit is haren lust, dat zij in grooter weerden[126]Den eenen hoog verheft, den andren worpt ter eerden.Als ik in 't tafereel Cebetis[127]heur aanschouw,Zoo zie ik (zoo mij dunkt) een dulle[128]en blinde vrouw,Die voren inden hoop strooit eenen gouden regen,Daar elk om 't meeste dringt: den eenen heeft gekregenEen kostelijk thresoor, verzilverd en verguld,Den andren, om een kroon, van vreugden is vervuld,Die eenen scepter draagt, en dezen heeft een keten,Den andren is een schaal vol peerlen toegesmeten;Maar achter deze nymfe, eilaas! wat zie ik hier?De een heeft den bedel-zak, den andren heeft een lier,Den eenen heeft een krukke, of van sint Jacobs schelpen[129],Den andren steent en zucht, 't is al: "God wil u helpen!"En t'wijl den eenen vast heur voor de gift bedankt,Den andren om zijn lot vast treurt, zucht, weent, en jankt,Neemt zij den eenen 't zijne, en gevet[130]eenen andren,En doet zoo vreugde in rouwe, en rouwe in vreugd verandren.

Aanmerkt, hoe de Avontuur de huik hangt naar de winden,En niet met allen vraagt naar vijanden, noch vrinden.Psal. 91:Mijn toevlucht is alleen den Heere der heerscharen,Geen kwaad, noch ongeval en kan mij wedervaren.Die de Avontuur vertrouwt, eerst overdenk' te vorenDat zij, lichtveerdig als den weêrhaan op den toren,Met alle winden waait, en dat hij is verleid,Die in heur zoeken wil zijn rust en vastigheid:Ziet, hoe zij staat en zwiert met vleugels gaauwe en vlugge,D' een zij nu 't aanschijn biedt, nu d' ander weêr den rugge;Ziet, hoe zij voeteloos op eenen ronden balToont, hoe den hoogmoed gaat gemeenlijk voor den val.Dees beeldenisse ontbreekt, dat zij niet wispelturigEen wankel rad om draait, onstadig en gedurig,Daar de een om hooge rijst met eenen trotschen kop,En de ander inden grond valt boven vanden tsop:Want dit is haren lust, dat zij in grooter weerden[126]Den eenen hoog verheft, den andren worpt ter eerden.Als ik in 't tafereel Cebetis[127]heur aanschouw,Zoo zie ik (zoo mij dunkt) een dulle[128]en blinde vrouw,Die voren inden hoop strooit eenen gouden regen,Daar elk om 't meeste dringt: den eenen heeft gekregenEen kostelijk thresoor, verzilverd en verguld,Den andren, om een kroon, van vreugden is vervuld,Die eenen scepter draagt, en dezen heeft een keten,Den andren is een schaal vol peerlen toegesmeten;Maar achter deze nymfe, eilaas! wat zie ik hier?De een heeft den bedel-zak, den andren heeft een lier,Den eenen heeft een krukke, of van sint Jacobs schelpen[129],Den andren steent en zucht, 't is al: "God wil u helpen!"En t'wijl den eenen vast heur voor de gift bedankt,Den andren om zijn lot vast treurt, zucht, weent, en jankt,Neemt zij den eenen 't zijne, en gevet[130]eenen andren,En doet zoo vreugde in rouwe, en rouwe in vreugd verandren.

Aanmerkt, hoe de Avontuur de huik hangt naar de winden,En niet met allen vraagt naar vijanden, noch vrinden.Psal. 91:Mijn toevlucht is alleen den Heere der heerscharen,Geen kwaad, noch ongeval en kan mij wedervaren.

Aanmerkt, hoe de Avontuur de huik hangt naar de winden,

En niet met allen vraagt naar vijanden, noch vrinden.

Psal. 91:

Mijn toevlucht is alleen den Heere der heerscharen,

Geen kwaad, noch ongeval en kan mij wedervaren.

Die de Avontuur vertrouwt, eerst overdenk' te vorenDat zij, lichtveerdig als den weêrhaan op den toren,Met alle winden waait, en dat hij is verleid,Die in heur zoeken wil zijn rust en vastigheid:Ziet, hoe zij staat en zwiert met vleugels gaauwe en vlugge,D' een zij nu 't aanschijn biedt, nu d' ander weêr den rugge;Ziet, hoe zij voeteloos op eenen ronden balToont, hoe den hoogmoed gaat gemeenlijk voor den val.Dees beeldenisse ontbreekt, dat zij niet wispelturigEen wankel rad om draait, onstadig en gedurig,Daar de een om hooge rijst met eenen trotschen kop,En de ander inden grond valt boven vanden tsop:Want dit is haren lust, dat zij in grooter weerden[126]Den eenen hoog verheft, den andren worpt ter eerden.Als ik in 't tafereel Cebetis[127]heur aanschouw,Zoo zie ik (zoo mij dunkt) een dulle[128]en blinde vrouw,Die voren inden hoop strooit eenen gouden regen,Daar elk om 't meeste dringt: den eenen heeft gekregenEen kostelijk thresoor, verzilverd en verguld,Den andren, om een kroon, van vreugden is vervuld,Die eenen scepter draagt, en dezen heeft een keten,Den andren is een schaal vol peerlen toegesmeten;Maar achter deze nymfe, eilaas! wat zie ik hier?De een heeft den bedel-zak, den andren heeft een lier,Den eenen heeft een krukke, of van sint Jacobs schelpen[129],Den andren steent en zucht, 't is al: "God wil u helpen!"En t'wijl den eenen vast heur voor de gift bedankt,Den andren om zijn lot vast treurt, zucht, weent, en jankt,Neemt zij den eenen 't zijne, en gevet[130]eenen andren,En doet zoo vreugde in rouwe, en rouwe in vreugd verandren.

Die de Avontuur vertrouwt, eerst overdenk' te voren

Dat zij, lichtveerdig als den weêrhaan op den toren,

Met alle winden waait, en dat hij is verleid,

Die in heur zoeken wil zijn rust en vastigheid:

Ziet, hoe zij staat en zwiert met vleugels gaauwe en vlugge,

D' een zij nu 't aanschijn biedt, nu d' ander weêr den rugge;

Ziet, hoe zij voeteloos op eenen ronden bal

Toont, hoe den hoogmoed gaat gemeenlijk voor den val.

Dees beeldenisse ontbreekt, dat zij niet wispelturig

Een wankel rad om draait, onstadig en gedurig,

Daar de een om hooge rijst met eenen trotschen kop,

En de ander inden grond valt boven vanden tsop:

Want dit is haren lust, dat zij in grooter weerden[126]

Den eenen hoog verheft, den andren worpt ter eerden.

Als ik in 't tafereel Cebetis[127]heur aanschouw,

Zoo zie ik (zoo mij dunkt) een dulle[128]en blinde vrouw,

Die voren inden hoop strooit eenen gouden regen,

Daar elk om 't meeste dringt: den eenen heeft gekregen

Een kostelijk thresoor, verzilverd en verguld,

Den andren, om een kroon, van vreugden is vervuld,

Die eenen scepter draagt, en dezen heeft een keten,

Den andren is een schaal vol peerlen toegesmeten;

Maar achter deze nymfe, eilaas! wat zie ik hier?

De een heeft den bedel-zak, den andren heeft een lier,

Den eenen heeft een krukke, of van sint Jacobs schelpen[129],

Den andren steent en zucht, 't is al: "God wil u helpen!"

En t'wijl den eenen vast heur voor de gift bedankt,

Den andren om zijn lot vast treurt, zucht, weent, en jankt,

Neemt zij den eenen 't zijne, en gevet[130]eenen andren,

En doet zoo vreugde in rouwe, en rouwe in vreugd verandren.

Die arm is, en genoegt[131]met 'tgeen hij heeft ontvangen,De wankel Avontuur heeft inden strik gevangen.Job1:'t Geen God gegeven had, dat nam hij t' zijnder tijd:Des Heeren heil'gen naam zij hoog gebenedijd!Daar in een biezen hut zich de armoede geneerde,Daar 't hoofd de zoldering, en daar de voeten de eerdeGeraakten te gelijk, en daar een vuren plankTe zamen was den disch en ook de zitte-bank,Daar 't goudgeel kaf en stroo men op den vloer uitspreedden[132],Om rusten inden nacht de moegeslaafde leden,Daar 't water was den drank, en droogen visch het brood,Daar lavenisse en spijs gehaald werd uit de sloot,Daar aan den kouden heerd de tanden mosten knappen,En daarmen liep bekleed met duizenderlei lappen,Daar den huisvader (laas!) was eenen blinde-man,En daarmen leven most van 't geen de vrouwe span[133],Daar vijftien zonen en drie jonge dochters waren,Daar 't al bij daag te bed most om de keers te sparen,En daarmen naauwe een bieze, of daarmen naauwe een lampOntstak, wanneer daar 's nachts kwam 't een of 't ander ramp:En daar nog niettemin 't genoegen werd gevonden,Aldaar lag de Avontuur, die lichte-schooi[134], gebonden.Want daar 't genoegen is, al valt schoon de armoê zuur,Daar vreest men geen Fortuin, noch wankele Avontuur.

Die arm is, en genoegt[131]met 'tgeen hij heeft ontvangen,De wankel Avontuur heeft inden strik gevangen.Job1:'t Geen God gegeven had, dat nam hij t' zijnder tijd:Des Heeren heil'gen naam zij hoog gebenedijd!Daar in een biezen hut zich de armoede geneerde,Daar 't hoofd de zoldering, en daar de voeten de eerdeGeraakten te gelijk, en daar een vuren plankTe zamen was den disch en ook de zitte-bank,Daar 't goudgeel kaf en stroo men op den vloer uitspreedden[132],Om rusten inden nacht de moegeslaafde leden,Daar 't water was den drank, en droogen visch het brood,Daar lavenisse en spijs gehaald werd uit de sloot,Daar aan den kouden heerd de tanden mosten knappen,En daarmen liep bekleed met duizenderlei lappen,Daar den huisvader (laas!) was eenen blinde-man,En daarmen leven most van 't geen de vrouwe span[133],Daar vijftien zonen en drie jonge dochters waren,Daar 't al bij daag te bed most om de keers te sparen,En daarmen naauwe een bieze, of daarmen naauwe een lampOntstak, wanneer daar 's nachts kwam 't een of 't ander ramp:En daar nog niettemin 't genoegen werd gevonden,Aldaar lag de Avontuur, die lichte-schooi[134], gebonden.Want daar 't genoegen is, al valt schoon de armoê zuur,Daar vreest men geen Fortuin, noch wankele Avontuur.

Die arm is, en genoegt[131]met 'tgeen hij heeft ontvangen,De wankel Avontuur heeft inden strik gevangen.Job1:'t Geen God gegeven had, dat nam hij t' zijnder tijd:Des Heeren heil'gen naam zij hoog gebenedijd!

Die arm is, en genoegt[131]met 'tgeen hij heeft ontvangen,

De wankel Avontuur heeft inden strik gevangen.

Job1:

't Geen God gegeven had, dat nam hij t' zijnder tijd:

Des Heeren heil'gen naam zij hoog gebenedijd!

Daar in een biezen hut zich de armoede geneerde,Daar 't hoofd de zoldering, en daar de voeten de eerdeGeraakten te gelijk, en daar een vuren plankTe zamen was den disch en ook de zitte-bank,Daar 't goudgeel kaf en stroo men op den vloer uitspreedden[132],Om rusten inden nacht de moegeslaafde leden,Daar 't water was den drank, en droogen visch het brood,Daar lavenisse en spijs gehaald werd uit de sloot,Daar aan den kouden heerd de tanden mosten knappen,En daarmen liep bekleed met duizenderlei lappen,Daar den huisvader (laas!) was eenen blinde-man,En daarmen leven most van 't geen de vrouwe span[133],Daar vijftien zonen en drie jonge dochters waren,Daar 't al bij daag te bed most om de keers te sparen,En daarmen naauwe een bieze, of daarmen naauwe een lampOntstak, wanneer daar 's nachts kwam 't een of 't ander ramp:En daar nog niettemin 't genoegen werd gevonden,Aldaar lag de Avontuur, die lichte-schooi[134], gebonden.Want daar 't genoegen is, al valt schoon de armoê zuur,Daar vreest men geen Fortuin, noch wankele Avontuur.

Daar in een biezen hut zich de armoede geneerde,

Daar 't hoofd de zoldering, en daar de voeten de eerde

Geraakten te gelijk, en daar een vuren plank

Te zamen was den disch en ook de zitte-bank,

Daar 't goudgeel kaf en stroo men op den vloer uitspreedden[132],

Om rusten inden nacht de moegeslaafde leden,

Daar 't water was den drank, en droogen visch het brood,

Daar lavenisse en spijs gehaald werd uit de sloot,

Daar aan den kouden heerd de tanden mosten knappen,

En daarmen liep bekleed met duizenderlei lappen,

Daar den huisvader (laas!) was eenen blinde-man,

En daarmen leven most van 't geen de vrouwe span[133],

Daar vijftien zonen en drie jonge dochters waren,

Daar 't al bij daag te bed most om de keers te sparen,

En daarmen naauwe een bieze, of daarmen naauwe een lamp

Ontstak, wanneer daar 's nachts kwam 't een of 't ander ramp:

En daar nog niettemin 't genoegen werd gevonden,

Aldaar lag de Avontuur, die lichte-schooi[134], gebonden.

Want daar 't genoegen is, al valt schoon de armoê zuur,

Daar vreest men geen Fortuin, noch wankele Avontuur.

Ziet, hoe Hippomanes At'lanta voren loopt,Vermits zij om het goud den hoogsten prijs verkoopt.1Cor. 9:Zij loopen alle wel ter banen dat elk hijgt,Maar een van allen doch den prijs alleen verkrijgt.Ruimbaan! Hippomanes loopt Atalanta na,Het geldt hem zijnen kraag[135]indien hij komt te spa,Zij loopen beide' om strijd, o bloed! wat zal ik zeggen?Het schijnt gij nog een lijf hebt in de kiste leggen,Dat gij u zelven voedt met zoo een ijd'le hoop,En waant dees vlugge Nymfe (in heuren snellen loopDie 't al verwonnen heeft) zoo lichtlijk te overwinnen:Hippomanes, eilaas! wat moogdy[136]doch beginnen.Men blaast'er de trompet, dies elk zijn hielen licht,Eer ik eens ommezie zij zijn mij uit 't gezicht;Den bloed komt achter aan, wel hoe! nu wint hij 't weder,Ei, ziet eens wat hij doet! hij werpt ter eerden nederDrie appels rood van goud, wel tot driemalen toe,Daar t' elken zij naar bukt, het welk hem komt te goê;Hij loopt, hij overwint, tot dat hij moed' geronnen,De Nymfe in haren loop heeft eindlijk overwonnen.Maar zegt, o Musa! zegt, geeft niet den Sulmoaan[137]Met deze fabel ons uitdruklijk te verstaan,Dat inden weg des deugds, zijn tweederleye hoopen,Die vurig om den prijs op 't aldersnelste loopen,Daar de een ten einde loopt, en de ander stille houdt,Die zich verleiden laat van 't zorgelijke goud,Daar de eene tot zijn lot den prijs is toegevallen,En de ander komt te spade, en krijget niet met allen.

Ziet, hoe Hippomanes At'lanta voren loopt,Vermits zij om het goud den hoogsten prijs verkoopt.1Cor. 9:Zij loopen alle wel ter banen dat elk hijgt,Maar een van allen doch den prijs alleen verkrijgt.Ruimbaan! Hippomanes loopt Atalanta na,Het geldt hem zijnen kraag[135]indien hij komt te spa,Zij loopen beide' om strijd, o bloed! wat zal ik zeggen?Het schijnt gij nog een lijf hebt in de kiste leggen,Dat gij u zelven voedt met zoo een ijd'le hoop,En waant dees vlugge Nymfe (in heuren snellen loopDie 't al verwonnen heeft) zoo lichtlijk te overwinnen:Hippomanes, eilaas! wat moogdy[136]doch beginnen.Men blaast'er de trompet, dies elk zijn hielen licht,Eer ik eens ommezie zij zijn mij uit 't gezicht;Den bloed komt achter aan, wel hoe! nu wint hij 't weder,Ei, ziet eens wat hij doet! hij werpt ter eerden nederDrie appels rood van goud, wel tot driemalen toe,Daar t' elken zij naar bukt, het welk hem komt te goê;Hij loopt, hij overwint, tot dat hij moed' geronnen,De Nymfe in haren loop heeft eindlijk overwonnen.Maar zegt, o Musa! zegt, geeft niet den Sulmoaan[137]Met deze fabel ons uitdruklijk te verstaan,Dat inden weg des deugds, zijn tweederleye hoopen,Die vurig om den prijs op 't aldersnelste loopen,Daar de een ten einde loopt, en de ander stille houdt,Die zich verleiden laat van 't zorgelijke goud,Daar de eene tot zijn lot den prijs is toegevallen,En de ander komt te spade, en krijget niet met allen.

Ziet, hoe Hippomanes At'lanta voren loopt,Vermits zij om het goud den hoogsten prijs verkoopt.1Cor. 9:Zij loopen alle wel ter banen dat elk hijgt,Maar een van allen doch den prijs alleen verkrijgt.

Ziet, hoe Hippomanes At'lanta voren loopt,

Vermits zij om het goud den hoogsten prijs verkoopt.

1Cor. 9:

Zij loopen alle wel ter banen dat elk hijgt,

Maar een van allen doch den prijs alleen verkrijgt.

Ruimbaan! Hippomanes loopt Atalanta na,Het geldt hem zijnen kraag[135]indien hij komt te spa,Zij loopen beide' om strijd, o bloed! wat zal ik zeggen?Het schijnt gij nog een lijf hebt in de kiste leggen,Dat gij u zelven voedt met zoo een ijd'le hoop,En waant dees vlugge Nymfe (in heuren snellen loopDie 't al verwonnen heeft) zoo lichtlijk te overwinnen:Hippomanes, eilaas! wat moogdy[136]doch beginnen.Men blaast'er de trompet, dies elk zijn hielen licht,Eer ik eens ommezie zij zijn mij uit 't gezicht;Den bloed komt achter aan, wel hoe! nu wint hij 't weder,Ei, ziet eens wat hij doet! hij werpt ter eerden nederDrie appels rood van goud, wel tot driemalen toe,Daar t' elken zij naar bukt, het welk hem komt te goê;Hij loopt, hij overwint, tot dat hij moed' geronnen,De Nymfe in haren loop heeft eindlijk overwonnen.Maar zegt, o Musa! zegt, geeft niet den Sulmoaan[137]Met deze fabel ons uitdruklijk te verstaan,Dat inden weg des deugds, zijn tweederleye hoopen,Die vurig om den prijs op 't aldersnelste loopen,Daar de een ten einde loopt, en de ander stille houdt,Die zich verleiden laat van 't zorgelijke goud,Daar de eene tot zijn lot den prijs is toegevallen,En de ander komt te spade, en krijget niet met allen.

Ruimbaan! Hippomanes loopt Atalanta na,

Het geldt hem zijnen kraag[135]indien hij komt te spa,

Zij loopen beide' om strijd, o bloed! wat zal ik zeggen?

Het schijnt gij nog een lijf hebt in de kiste leggen,

Dat gij u zelven voedt met zoo een ijd'le hoop,

En waant dees vlugge Nymfe (in heuren snellen loop

Die 't al verwonnen heeft) zoo lichtlijk te overwinnen:

Hippomanes, eilaas! wat moogdy[136]doch beginnen.

Men blaast'er de trompet, dies elk zijn hielen licht,

Eer ik eens ommezie zij zijn mij uit 't gezicht;

Den bloed komt achter aan, wel hoe! nu wint hij 't weder,

Ei, ziet eens wat hij doet! hij werpt ter eerden neder

Drie appels rood van goud, wel tot driemalen toe,

Daar t' elken zij naar bukt, het welk hem komt te goê;

Hij loopt, hij overwint, tot dat hij moed' geronnen,

De Nymfe in haren loop heeft eindlijk overwonnen.

Maar zegt, o Musa! zegt, geeft niet den Sulmoaan[137]

Met deze fabel ons uitdruklijk te verstaan,

Dat inden weg des deugds, zijn tweederleye hoopen,

Die vurig om den prijs op 't aldersnelste loopen,

Daar de een ten einde loopt, en de ander stille houdt,

Die zich verleiden laat van 't zorgelijke goud,

Daar de eene tot zijn lot den prijs is toegevallen,

En de ander komt te spade, en krijget niet met allen.

Hoe eenen armen man ('t is wel aanmerkens weerd)Door een gelijkenis den keizer heeft geleerd!Exod. 23:Geschenken niet en neemt van vijanden noch vrinden,Want zij des rechters oog, en 't ziende recht verblinden.Den keizer langs den weg, aldaar hij ging spaceeren[138],Zag eenen armen man vol puisten en vol zweeren,Waar op de vliegen vast, al gretig en verwoed,Zich mesten vet en dik, met etter en met bloed.Den koning werd beweegd en mocht dit niet verdragen,"T' sa, Pazië!" (zeide hij) "dees vliegen wilt verjagen;""Neen," sprak den armen man, "ei lieve! laat doch dat!Dees vliegen zijn verzaad, dees krekels zijn nu zat;Verjaagdy dezen zwerm, zoo komter weer een jonger,Met nieuwen appetijt, met gragen verschen honger,En zullen van mijn vleesch en bloed hun zelven voên,Met meerder pijn en smart dan mij nu deze doen."Den keizer dedet[139]vreemd; deze antwoord met groot wonderHem in zijn ooren klonk, gelijk als eenen donder:Hij mocht gedenken, of den rechter, die van goedEn gelden is verzaad[140], 't recht zoo veel hinders doetAls eenen kalen vink, die eerst 't geding zal schiften,En eet den armen op met gaven en met giften.

Hoe eenen armen man ('t is wel aanmerkens weerd)Door een gelijkenis den keizer heeft geleerd!Exod. 23:Geschenken niet en neemt van vijanden noch vrinden,Want zij des rechters oog, en 't ziende recht verblinden.Den keizer langs den weg, aldaar hij ging spaceeren[138],Zag eenen armen man vol puisten en vol zweeren,Waar op de vliegen vast, al gretig en verwoed,Zich mesten vet en dik, met etter en met bloed.Den koning werd beweegd en mocht dit niet verdragen,"T' sa, Pazië!" (zeide hij) "dees vliegen wilt verjagen;""Neen," sprak den armen man, "ei lieve! laat doch dat!Dees vliegen zijn verzaad, dees krekels zijn nu zat;Verjaagdy dezen zwerm, zoo komter weer een jonger,Met nieuwen appetijt, met gragen verschen honger,En zullen van mijn vleesch en bloed hun zelven voên,Met meerder pijn en smart dan mij nu deze doen."Den keizer dedet[139]vreemd; deze antwoord met groot wonderHem in zijn ooren klonk, gelijk als eenen donder:Hij mocht gedenken, of den rechter, die van goedEn gelden is verzaad[140], 't recht zoo veel hinders doetAls eenen kalen vink, die eerst 't geding zal schiften,En eet den armen op met gaven en met giften.

Hoe eenen armen man ('t is wel aanmerkens weerd)Door een gelijkenis den keizer heeft geleerd!Exod. 23:Geschenken niet en neemt van vijanden noch vrinden,Want zij des rechters oog, en 't ziende recht verblinden.

Hoe eenen armen man ('t is wel aanmerkens weerd)

Door een gelijkenis den keizer heeft geleerd!

Exod. 23:

Geschenken niet en neemt van vijanden noch vrinden,

Want zij des rechters oog, en 't ziende recht verblinden.

Den keizer langs den weg, aldaar hij ging spaceeren[138],Zag eenen armen man vol puisten en vol zweeren,Waar op de vliegen vast, al gretig en verwoed,Zich mesten vet en dik, met etter en met bloed.Den koning werd beweegd en mocht dit niet verdragen,"T' sa, Pazië!" (zeide hij) "dees vliegen wilt verjagen;""Neen," sprak den armen man, "ei lieve! laat doch dat!Dees vliegen zijn verzaad, dees krekels zijn nu zat;Verjaagdy dezen zwerm, zoo komter weer een jonger,Met nieuwen appetijt, met gragen verschen honger,En zullen van mijn vleesch en bloed hun zelven voên,Met meerder pijn en smart dan mij nu deze doen."Den keizer dedet[139]vreemd; deze antwoord met groot wonderHem in zijn ooren klonk, gelijk als eenen donder:Hij mocht gedenken, of den rechter, die van goedEn gelden is verzaad[140], 't recht zoo veel hinders doetAls eenen kalen vink, die eerst 't geding zal schiften,En eet den armen op met gaven en met giften.

Den keizer langs den weg, aldaar hij ging spaceeren[138],

Zag eenen armen man vol puisten en vol zweeren,

Waar op de vliegen vast, al gretig en verwoed,

Zich mesten vet en dik, met etter en met bloed.

Den koning werd beweegd en mocht dit niet verdragen,

"T' sa, Pazië!" (zeide hij) "dees vliegen wilt verjagen;"

"Neen," sprak den armen man, "ei lieve! laat doch dat!

Dees vliegen zijn verzaad, dees krekels zijn nu zat;

Verjaagdy dezen zwerm, zoo komter weer een jonger,

Met nieuwen appetijt, met gragen verschen honger,

En zullen van mijn vleesch en bloed hun zelven voên,

Met meerder pijn en smart dan mij nu deze doen."

Den keizer dedet[139]vreemd; deze antwoord met groot wonder

Hem in zijn ooren klonk, gelijk als eenen donder:

Hij mocht gedenken, of den rechter, die van goed

En gelden is verzaad[140], 't recht zoo veel hinders doet

Als eenen kalen vink, die eerst 't geding zal schiften,

En eet den armen op met gaven en met giften.

Ziet, hoe Anchisis zoon den vader helpt in nood,En Nero al verwoed zijn moeder brengt ter dood.Proverb. 10:In eenen wijzen zoon de vader zich verblijdt,Maar in een godloos kind de moeder droefheid lijdt.Toen Troyen onderging en stond in roode kolen,Toen 't hongerige vuur steeg opwaarts naar de polen[141],En toen het Grieksche staal (al razende en verwoed)Geen dingen zoeter vond dan het Troyaansche bloed;Æneas met zijn kind ontwijkt den brand te gader,En neemt op zijnen halze Anchisen[142], zijnen vader:Hij draagt den ouden man, dat hem den rugge kraakt,Tot dat hij eindelijk uit 's doods perijkel[143]raakt.Hoe draagt Æneas dus?—ik drage mijne krone;En drukke levende uit het beeld van eenen zone,Van eenen goeden zoon, die, heilig en beleefd,Den genen weder draagt, die hem gedragen heeft.Maar recht in 't jegendeel[144]is Nero veel verwoederAls een onreed'lijk beest, die 't herte van zijn moederUit heuren lijve rukt, en ziet het enge grafVan zijnes moeders buik, dat hem eerst 't leven gaf;Hij doodigt[145]die, waar van hij 't leven heeft ontvangen,En nog loopt eenen traan niet langs zijn snoode wangen.Dies als ik dezer twee hun vonnisse onderzoek!D' een komt de zegen toe, voor d' ander is de vloek.

Ziet, hoe Anchisis zoon den vader helpt in nood,En Nero al verwoed zijn moeder brengt ter dood.Proverb. 10:In eenen wijzen zoon de vader zich verblijdt,Maar in een godloos kind de moeder droefheid lijdt.Toen Troyen onderging en stond in roode kolen,Toen 't hongerige vuur steeg opwaarts naar de polen[141],En toen het Grieksche staal (al razende en verwoed)Geen dingen zoeter vond dan het Troyaansche bloed;Æneas met zijn kind ontwijkt den brand te gader,En neemt op zijnen halze Anchisen[142], zijnen vader:Hij draagt den ouden man, dat hem den rugge kraakt,Tot dat hij eindelijk uit 's doods perijkel[143]raakt.Hoe draagt Æneas dus?—ik drage mijne krone;En drukke levende uit het beeld van eenen zone,Van eenen goeden zoon, die, heilig en beleefd,Den genen weder draagt, die hem gedragen heeft.Maar recht in 't jegendeel[144]is Nero veel verwoederAls een onreed'lijk beest, die 't herte van zijn moederUit heuren lijve rukt, en ziet het enge grafVan zijnes moeders buik, dat hem eerst 't leven gaf;Hij doodigt[145]die, waar van hij 't leven heeft ontvangen,En nog loopt eenen traan niet langs zijn snoode wangen.Dies als ik dezer twee hun vonnisse onderzoek!D' een komt de zegen toe, voor d' ander is de vloek.

Ziet, hoe Anchisis zoon den vader helpt in nood,En Nero al verwoed zijn moeder brengt ter dood.Proverb. 10:In eenen wijzen zoon de vader zich verblijdt,Maar in een godloos kind de moeder droefheid lijdt.

Ziet, hoe Anchisis zoon den vader helpt in nood,

En Nero al verwoed zijn moeder brengt ter dood.

Proverb. 10:

In eenen wijzen zoon de vader zich verblijdt,

Maar in een godloos kind de moeder droefheid lijdt.

Toen Troyen onderging en stond in roode kolen,Toen 't hongerige vuur steeg opwaarts naar de polen[141],En toen het Grieksche staal (al razende en verwoed)Geen dingen zoeter vond dan het Troyaansche bloed;Æneas met zijn kind ontwijkt den brand te gader,En neemt op zijnen halze Anchisen[142], zijnen vader:Hij draagt den ouden man, dat hem den rugge kraakt,Tot dat hij eindelijk uit 's doods perijkel[143]raakt.Hoe draagt Æneas dus?—ik drage mijne krone;En drukke levende uit het beeld van eenen zone,Van eenen goeden zoon, die, heilig en beleefd,Den genen weder draagt, die hem gedragen heeft.Maar recht in 't jegendeel[144]is Nero veel verwoederAls een onreed'lijk beest, die 't herte van zijn moederUit heuren lijve rukt, en ziet het enge grafVan zijnes moeders buik, dat hem eerst 't leven gaf;Hij doodigt[145]die, waar van hij 't leven heeft ontvangen,En nog loopt eenen traan niet langs zijn snoode wangen.Dies als ik dezer twee hun vonnisse onderzoek!D' een komt de zegen toe, voor d' ander is de vloek.

Toen Troyen onderging en stond in roode kolen,

Toen 't hongerige vuur steeg opwaarts naar de polen[141],

En toen het Grieksche staal (al razende en verwoed)

Geen dingen zoeter vond dan het Troyaansche bloed;

Æneas met zijn kind ontwijkt den brand te gader,

En neemt op zijnen halze Anchisen[142], zijnen vader:

Hij draagt den ouden man, dat hem den rugge kraakt,

Tot dat hij eindelijk uit 's doods perijkel[143]raakt.

Hoe draagt Æneas dus?—ik drage mijne krone;

En drukke levende uit het beeld van eenen zone,

Van eenen goeden zoon, die, heilig en beleefd,

Den genen weder draagt, die hem gedragen heeft.

Maar recht in 't jegendeel[144]is Nero veel verwoeder

Als een onreed'lijk beest, die 't herte van zijn moeder

Uit heuren lijve rukt, en ziet het enge graf

Van zijnes moeders buik, dat hem eerst 't leven gaf;

Hij doodigt[145]die, waar van hij 't leven heeft ontvangen,

En nog loopt eenen traan niet langs zijn snoode wangen.

Dies als ik dezer twee hun vonnisse onderzoek!

D' een komt de zegen toe, voor d' ander is de vloek.

Men hoort den filosoof den keizer hier verklaren,Waarom de doode werd gesierd met lauwerblaren.Eccl. 7:Den sterf-dag is den mensch veel beter in zijn smert,Dan zijnen eersten dag, als hij geboren werd.De Heidenen voorheen den doôn[146]ter eerden brochten,Wiens bleek besturven hoofd met lauwer was omvlochten;De keizer, nieuwsgier om hier de oorzaak van verstaan,Spreekt zijne honigbie[147], den wijzen Bias, aan:Zegt, o wijsgieren! zegt, waarom men dies ten toone[148]Den doôn ten grave brengt, omvlochten met een kroone?"Heer keizer!" (zegt hij) "'t is omdat hij voor gewisVan alderleye ellende en smerte ontslagen is;Dat hij voleindigd heeft den loop met zijne voeten,En afgeleîd de schuld, die wij betalen moeten;Dat hij in zijne dood de dood verwonnen heeft,En hier gesturven is, opdat hij elders leeft."

Men hoort den filosoof den keizer hier verklaren,Waarom de doode werd gesierd met lauwerblaren.Eccl. 7:Den sterf-dag is den mensch veel beter in zijn smert,Dan zijnen eersten dag, als hij geboren werd.De Heidenen voorheen den doôn[146]ter eerden brochten,Wiens bleek besturven hoofd met lauwer was omvlochten;De keizer, nieuwsgier om hier de oorzaak van verstaan,Spreekt zijne honigbie[147], den wijzen Bias, aan:Zegt, o wijsgieren! zegt, waarom men dies ten toone[148]Den doôn ten grave brengt, omvlochten met een kroone?"Heer keizer!" (zegt hij) "'t is omdat hij voor gewisVan alderleye ellende en smerte ontslagen is;Dat hij voleindigd heeft den loop met zijne voeten,En afgeleîd de schuld, die wij betalen moeten;Dat hij in zijne dood de dood verwonnen heeft,En hier gesturven is, opdat hij elders leeft."

Men hoort den filosoof den keizer hier verklaren,Waarom de doode werd gesierd met lauwerblaren.Eccl. 7:Den sterf-dag is den mensch veel beter in zijn smert,Dan zijnen eersten dag, als hij geboren werd.

Men hoort den filosoof den keizer hier verklaren,

Waarom de doode werd gesierd met lauwerblaren.

Eccl. 7:

Den sterf-dag is den mensch veel beter in zijn smert,

Dan zijnen eersten dag, als hij geboren werd.

De Heidenen voorheen den doôn[146]ter eerden brochten,Wiens bleek besturven hoofd met lauwer was omvlochten;De keizer, nieuwsgier om hier de oorzaak van verstaan,Spreekt zijne honigbie[147], den wijzen Bias, aan:Zegt, o wijsgieren! zegt, waarom men dies ten toone[148]Den doôn ten grave brengt, omvlochten met een kroone?"Heer keizer!" (zegt hij) "'t is omdat hij voor gewisVan alderleye ellende en smerte ontslagen is;Dat hij voleindigd heeft den loop met zijne voeten,En afgeleîd de schuld, die wij betalen moeten;Dat hij in zijne dood de dood verwonnen heeft,En hier gesturven is, opdat hij elders leeft."

De Heidenen voorheen den doôn[146]ter eerden brochten,

Wiens bleek besturven hoofd met lauwer was omvlochten;

De keizer, nieuwsgier om hier de oorzaak van verstaan,

Spreekt zijne honigbie[147], den wijzen Bias, aan:

Zegt, o wijsgieren! zegt, waarom men dies ten toone[148]

Den doôn ten grave brengt, omvlochten met een kroone?

"Heer keizer!" (zegt hij) "'t is omdat hij voor gewis

Van alderleye ellende en smerte ontslagen is;

Dat hij voleindigd heeft den loop met zijne voeten,

En afgeleîd de schuld, die wij betalen moeten;

Dat hij in zijne dood de dood verwonnen heeft,

En hier gesturven is, opdat hij elders leeft."

Ziet hoe den Assyriêr, verwijfd gelijk een kind,Zijn hand slaat aande spille, en zijnen rokken[149]spint.3Regum. 11.Toen Salomon zoo veel boelaziën had verkoren,Werd hij zoo gansch verwijfd, dat alles liep verloren.Sardanapalus! o, wat helpen u drie mijten[150],Daar gij de spille omdraait? het dient tot uw verwijten,Dat gij zoo heel verwijft, en zelfs den rokken spint:Dit harnas past u niet; wat zijdy dul of blind?Den scepter voegt u best, om daar meê te bestierenUw onverwonnen erf, het rijk der Assyriêren:Gij slacht Alcmenæ Zoon, die (hoe ontzien en trots)De schoone Omfale geeft zijn pijlen, en zijn knods,En wisselt al zijn tuig (o, zoete minne-grillen!)Voor eenen spinrok, en een hand vol ronde spillen.O, groote minne-kracht! die wonderlijk uitmunt,Als gij een manlijk hert zoo heel verwijven kunt.Als gij eens konings ziele in uwe boeyen kluistert,Is al de majesteit van zijne krone ontluisterd,Zijn wijsheid ongeacht, zijn mogendheid vervoerd,En door zijn hoererij werd[151]'t gansche rijk verhoerd:Daar 't hof van minne brandt, werd (eer men 't zoude wanen)Het land een vuil bordeel, vol lichte Courtisanen.

Ziet hoe den Assyriêr, verwijfd gelijk een kind,Zijn hand slaat aande spille, en zijnen rokken[149]spint.3Regum. 11.Toen Salomon zoo veel boelaziën had verkoren,Werd hij zoo gansch verwijfd, dat alles liep verloren.Sardanapalus! o, wat helpen u drie mijten[150],Daar gij de spille omdraait? het dient tot uw verwijten,Dat gij zoo heel verwijft, en zelfs den rokken spint:Dit harnas past u niet; wat zijdy dul of blind?Den scepter voegt u best, om daar meê te bestierenUw onverwonnen erf, het rijk der Assyriêren:Gij slacht Alcmenæ Zoon, die (hoe ontzien en trots)De schoone Omfale geeft zijn pijlen, en zijn knods,En wisselt al zijn tuig (o, zoete minne-grillen!)Voor eenen spinrok, en een hand vol ronde spillen.O, groote minne-kracht! die wonderlijk uitmunt,Als gij een manlijk hert zoo heel verwijven kunt.Als gij eens konings ziele in uwe boeyen kluistert,Is al de majesteit van zijne krone ontluisterd,Zijn wijsheid ongeacht, zijn mogendheid vervoerd,En door zijn hoererij werd[151]'t gansche rijk verhoerd:Daar 't hof van minne brandt, werd (eer men 't zoude wanen)Het land een vuil bordeel, vol lichte Courtisanen.

Ziet hoe den Assyriêr, verwijfd gelijk een kind,Zijn hand slaat aande spille, en zijnen rokken[149]spint.3Regum. 11.Toen Salomon zoo veel boelaziën had verkoren,Werd hij zoo gansch verwijfd, dat alles liep verloren.

Ziet hoe den Assyriêr, verwijfd gelijk een kind,

Zijn hand slaat aande spille, en zijnen rokken[149]spint.

3Regum. 11.

Toen Salomon zoo veel boelaziën had verkoren,

Werd hij zoo gansch verwijfd, dat alles liep verloren.

Sardanapalus! o, wat helpen u drie mijten[150],Daar gij de spille omdraait? het dient tot uw verwijten,Dat gij zoo heel verwijft, en zelfs den rokken spint:Dit harnas past u niet; wat zijdy dul of blind?Den scepter voegt u best, om daar meê te bestierenUw onverwonnen erf, het rijk der Assyriêren:Gij slacht Alcmenæ Zoon, die (hoe ontzien en trots)De schoone Omfale geeft zijn pijlen, en zijn knods,En wisselt al zijn tuig (o, zoete minne-grillen!)Voor eenen spinrok, en een hand vol ronde spillen.O, groote minne-kracht! die wonderlijk uitmunt,Als gij een manlijk hert zoo heel verwijven kunt.Als gij eens konings ziele in uwe boeyen kluistert,Is al de majesteit van zijne krone ontluisterd,Zijn wijsheid ongeacht, zijn mogendheid vervoerd,En door zijn hoererij werd[151]'t gansche rijk verhoerd:Daar 't hof van minne brandt, werd (eer men 't zoude wanen)Het land een vuil bordeel, vol lichte Courtisanen.

Sardanapalus! o, wat helpen u drie mijten[150],

Daar gij de spille omdraait? het dient tot uw verwijten,

Dat gij zoo heel verwijft, en zelfs den rokken spint:

Dit harnas past u niet; wat zijdy dul of blind?

Den scepter voegt u best, om daar meê te bestieren

Uw onverwonnen erf, het rijk der Assyriêren:

Gij slacht Alcmenæ Zoon, die (hoe ontzien en trots)

De schoone Omfale geeft zijn pijlen, en zijn knods,

En wisselt al zijn tuig (o, zoete minne-grillen!)

Voor eenen spinrok, en een hand vol ronde spillen.

O, groote minne-kracht! die wonderlijk uitmunt,

Als gij een manlijk hert zoo heel verwijven kunt.

Als gij eens konings ziele in uwe boeyen kluistert,

Is al de majesteit van zijne krone ontluisterd,

Zijn wijsheid ongeacht, zijn mogendheid vervoerd,

En door zijn hoererij werd[151]'t gansche rijk verhoerd:

Daar 't hof van minne brandt, werd (eer men 't zoude wanen)

Het land een vuil bordeel, vol lichte Courtisanen.

Merkt, hoe rechtveerdig dat Perillus raakt ter doodIn zijnen kop'eren stier, die hij voor and'ren goot.Psal. 7.De goddelooze graaft den put naar zijnen zin,Maar als hij 't heeft gedaan, valt hij daar zelver in.De konstige Perill' (die op het alderblootste[152]Den gieter[153]Myron zelf in zijne konst nabootste)Goot eenen kopren stier, die hij om zijnder[154]konstDen tyran Falaris (om raken in zijn gonst)Eerbiedelijken schonk: maar, als hij voor den koningVerscheen, om naar zijn werk te krijgen zijn belooning,Sprak de tyran tot hem: "Zegt[155]mij, du kloeker[156]geest,Wat zoû men mogen[157]doen met dit gehoornde beest?""Heer koning!" (zeide hij) "den stier, die heeft een wijde[158],Vierkante venster in het midden van zijn zijde,Waar in men werpen zal den boozen t' zijnder[159]straf;Wanneer de kwade nu in dit metalen grafMet hitte werd gepijnd, zal hij den stier doen brullen,En met een luid geloei de ruime locht vervullen.""Wel aan," (sprak den tyran) "'t is best, gij 't eerst verzoekt[160];"Men greep hem bij den kop, zijn kunst heeft hij vervloekt,Geen klagen hier en holp, men most het recht vervolgen,Den dooden stier heeft hem al levende opgezwolgen.Dies, o gij kunstenaars! denkt, dat in 's werelds perkEen ieder werd geloond na[161]zijnder handen werk.

Merkt, hoe rechtveerdig dat Perillus raakt ter doodIn zijnen kop'eren stier, die hij voor and'ren goot.Psal. 7.De goddelooze graaft den put naar zijnen zin,Maar als hij 't heeft gedaan, valt hij daar zelver in.De konstige Perill' (die op het alderblootste[152]Den gieter[153]Myron zelf in zijne konst nabootste)Goot eenen kopren stier, die hij om zijnder[154]konstDen tyran Falaris (om raken in zijn gonst)Eerbiedelijken schonk: maar, als hij voor den koningVerscheen, om naar zijn werk te krijgen zijn belooning,Sprak de tyran tot hem: "Zegt[155]mij, du kloeker[156]geest,Wat zoû men mogen[157]doen met dit gehoornde beest?""Heer koning!" (zeide hij) "den stier, die heeft een wijde[158],Vierkante venster in het midden van zijn zijde,Waar in men werpen zal den boozen t' zijnder[159]straf;Wanneer de kwade nu in dit metalen grafMet hitte werd gepijnd, zal hij den stier doen brullen,En met een luid geloei de ruime locht vervullen.""Wel aan," (sprak den tyran) "'t is best, gij 't eerst verzoekt[160];"Men greep hem bij den kop, zijn kunst heeft hij vervloekt,Geen klagen hier en holp, men most het recht vervolgen,Den dooden stier heeft hem al levende opgezwolgen.Dies, o gij kunstenaars! denkt, dat in 's werelds perkEen ieder werd geloond na[161]zijnder handen werk.

Merkt, hoe rechtveerdig dat Perillus raakt ter doodIn zijnen kop'eren stier, die hij voor and'ren goot.Psal. 7.De goddelooze graaft den put naar zijnen zin,Maar als hij 't heeft gedaan, valt hij daar zelver in.

Merkt, hoe rechtveerdig dat Perillus raakt ter dood

In zijnen kop'eren stier, die hij voor and'ren goot.

Psal. 7.

De goddelooze graaft den put naar zijnen zin,

Maar als hij 't heeft gedaan, valt hij daar zelver in.

De konstige Perill' (die op het alderblootste[152]Den gieter[153]Myron zelf in zijne konst nabootste)Goot eenen kopren stier, die hij om zijnder[154]konstDen tyran Falaris (om raken in zijn gonst)Eerbiedelijken schonk: maar, als hij voor den koningVerscheen, om naar zijn werk te krijgen zijn belooning,Sprak de tyran tot hem: "Zegt[155]mij, du kloeker[156]geest,Wat zoû men mogen[157]doen met dit gehoornde beest?""Heer koning!" (zeide hij) "den stier, die heeft een wijde[158],Vierkante venster in het midden van zijn zijde,Waar in men werpen zal den boozen t' zijnder[159]straf;Wanneer de kwade nu in dit metalen grafMet hitte werd gepijnd, zal hij den stier doen brullen,En met een luid geloei de ruime locht vervullen.""Wel aan," (sprak den tyran) "'t is best, gij 't eerst verzoekt[160];"Men greep hem bij den kop, zijn kunst heeft hij vervloekt,Geen klagen hier en holp, men most het recht vervolgen,Den dooden stier heeft hem al levende opgezwolgen.Dies, o gij kunstenaars! denkt, dat in 's werelds perkEen ieder werd geloond na[161]zijnder handen werk.

De konstige Perill' (die op het alderblootste[152]

Den gieter[153]Myron zelf in zijne konst nabootste)

Goot eenen kopren stier, die hij om zijnder[154]konst

Den tyran Falaris (om raken in zijn gonst)

Eerbiedelijken schonk: maar, als hij voor den koning

Verscheen, om naar zijn werk te krijgen zijn belooning,

Sprak de tyran tot hem: "Zegt[155]mij, du kloeker[156]geest,

Wat zoû men mogen[157]doen met dit gehoornde beest?"

"Heer koning!" (zeide hij) "den stier, die heeft een wijde[158],

Vierkante venster in het midden van zijn zijde,

Waar in men werpen zal den boozen t' zijnder[159]straf;

Wanneer de kwade nu in dit metalen graf

Met hitte werd gepijnd, zal hij den stier doen brullen,

En met een luid geloei de ruime locht vervullen."

"Wel aan," (sprak den tyran) "'t is best, gij 't eerst verzoekt[160];"

Men greep hem bij den kop, zijn kunst heeft hij vervloekt,

Geen klagen hier en holp, men most het recht vervolgen,

Den dooden stier heeft hem al levende opgezwolgen.

Dies, o gij kunstenaars! denkt, dat in 's werelds perk

Een ieder werd geloond na[161]zijnder handen werk.


Back to IndexNext