Ziet, hoe een stalen zweerd aan eenen zijden draadSteeds hanget boven 't hoofd den koninklijken staat.Psal. 55.Mijn herte is in mijn lijf beangstet, ja, het beeft;'s Doods vreeze mijn gemoed aldus getroffen heeft.De vleyer Damocles, pluimstrijker die uitsteket,En nimmermeer (God wouds![162]) in 's princen hof gebreket[163],Acht Dionysium, als eenen aardschen God,Gelukkig over zeer[164], schier zonder mate of slot:Waarom de koning hem, met purp'ren kleed'ren schoone,Als eenen koning ciert, ja 't voorhoofd met een krooneHem heerelijk omdrukt, en hem in handen geeftDen koninklijken staf, waar voor 't al schrikt en beeft;Den nieuwen koning hij dus laat ter tafel zetten,Diens[165]rug geladen is met allerlei banketten,Men speelt een zoet muziek, en wekt den Echo zelf,Met eenen zoeten toon in 't marmeren gewelf:Maar twijlen[166]men dus juicht in 't midden der gezangen,Laat Dionysius een stalen zwaard ophangenAan eenen zijden draad, recht boven 't hoofd gewisDesgenen, die zich waant dat hij gelukkig is,Maar ziende naauw omhoog, verschrikt hij zoo voor 't dreigenVan 't opgehangen zwaard, dat hij zijn hoofd moet neigen,En roept: "Heer koning o! verlost mij uit den druk,Ik kieze mijnen staat, en laat u dit geluk."Aldus en mag hij niet geacht gelukkig wezen[167],Die stadig is gepijnd met duizenderlei vreezen.'t Paleis, dat zijnen kop hoog in de lucht verheft,Eer dan eens herders hut, de kromme blixem treft.XXX.(HOOGMOED KOMT VOOR DEN VAL.)Nero's tuchtmeester ons hier schildert naar het leven,Hoe hoogmoed wordt verkleend, en ootmoed hoog verheven.Math. 23.Hij werd vernederd die zich te verheffen poogt,Maar die hem zelf verkleent, wordt heerelijk verhoogd.De wijze Seneca ons meldt en gaat vertoonenVan eenen koning, die zijn drie bedaagde[168]zonenHeel van verscheiden aard drie vooglen stelde veur,En gaf aan alle drie elk een den willekeur,Opdat hij ramen mocht, wie 't beste van hen liedenHet koninkrijk voorts aan[169]zou heerschen en gebieden,En dragen zoo den last, die zijnen ouden dagVeel kommerlijker[170]viel, dan zij te voren plag:Den Arent de eerste koos, den koning aller vogels,De tweede koos na hem den Sperwer, snel van vlogels,De lang gebekte Snep verkoos de jongste zoon,Dies hem de vader schonk de koninklijke kroon.Hij, die door ootmoed en vernederdheid[171]van geesteVerkoos het minste lot, verkreeg het aldermeeste.Want wie door hoogmoed klimt, die nadert zijnen val,En die zich zelf verkleent, gemeenlijk klimmen zal.Dies, die in ned'righeid verslijt zijn vliênde[172]leven,Al schijnt hij leeg[173]te zijn, zoo is hij hoog verheven;Hij is den val nabij die hooge zich verheft,En die zich houdt omleeg de blixem niet en treft.Des werelds loop is twee put-eemeren[174]gelijke,Het leegste[173]klimt omhoog, het hoogste valt in 't slijke.XXXI.(DE IJZREN EEUW.)Ziet hier den ijz'ren Eeuw, daar de eene d'ander tergt,De Wereld is vol strijds, en heel in 't kwaad verergd.Gen. 4.Des werelds vierde deel sloeg Caîn, en was niet wijzer;Hij bouwde de eerste stad, en Tubal vond het ijzer.Toen 't ijzer kwam in 't licht, uit 't ingewand der aarden[175],Klep, klep! het aanbeeld ging, men smeedde niet dan zwaarden;Rechtveerdigheid uit vrees weêr naar den hemel trekt,Het aardrijk werd terstond met menschenbloed bevlekt,De krijg werd opgekweekt, men ging de zinnen scherpen,En met den blinden mol een aarden wal opwerpen,Het kalfs-vel werd gerekt, men maakte flucx een trom,De mensch werd loos in 't kwaad, en in de wijsheid dom;Men kreeg een bonten vlag gewonden om de stengen,Men ging vierkantig 't heer in zijn slagorden brengen,De horen onraad blies, de trommel sloeg alarm,De vreeze werd verdoofd en 't bloed in 't herte warm;Het eene heer verwan, het ander is gevloden,Het veld, dat werd bedekt met menig duizend dooden,Men riep er niet dan moord, daar werd een groot geschreeuw,En zoo kwam op de hand de dullen[176]ijz'ren eeuw.XXXII.(WIJZE MATIGHEID.)Pythagoras zit hier, de disch, die is hier knap[177]Verzorgd met eenen weg[178], wat vruchts, en eenen nap.Marc. 1.De Dooper, die den weg voor Godes Zoon kwam banen,Had anders geene spijze als honig en sprinkhanen.Pythagor', Samos' roem, te wonderlijken[179]haten[180]De onnutte gulzigheid, die niet en kan als vraten[181];Met eenen sobren disch hij wel tevreden was,Hij speende zich van vleesch, en visch; bij 't veldgewas,In ware dankbaarheid hij heiliglijken[182]leefde,En met der herten[183]aan een goed genoegen[184]kleefde.O gulden soberheid! gij zijt u zelf een maat:Als de ander eerst begint, zoo zijdy[185]al verzaad.De spijze is niet zoo zeer om 't lichaam vet te mesten(Gelijk een kermis-gans, die kruipen moet ten lesten[186]),Als zij[187]geschapen is, dat elk een van heur proeftAlleen zoo veel, als 't lijf tot onderhoud behoeft.XXXIII.(GEDULD OVERWINT ALLES.)Ziet Socrates (eilaas!) besprongen van de boosheidDer wijven, met geduld verwinnen hun godloosheid.Syr. 25.Veel liever wil ik nog bij leeuwen en bij draken,Als bij een booze vrouw mijn rust en woonplaats maken.Die een kwâ vrouwe heeft, genoeg heeft aan zijn wee;Den armen Socrates (eilacen!) heefter twee,Hij is er meê gescheept, hij moet er ook meê varen,Door zoo veel holle zeên, door zoo veel waterbaren:D' een tessche[188]is hallef blind, en de andre feeks is leep[189],D' een slaat hem met de roede, en de andre met de zweep:Nog was hij wel te vreên, hoe zeer zij op hem brulden,Zijn herte is onbeweegd, en alles kan hij 't dulden:Kneust de een hem met de vuist, en de ander met den voet,Zoo houdt hij evenwel een ongekwetst gemoed:Hij lijdt, zij slaan; hij zwijgt, zij voeren heuren snater;Hij zit op 't drooge land, zij gieten hem met water;Ten laatste zegt hij eens: "wanneer de locht verbolgt[190],De regen in 't gemeen na eenen donder volgt."Aldus geduldigheid met zoete en zachte zinnenHeur kruis verlichten kan, en tegenspoed verwinnen:Hij wreekt zijn leed genoeg, die stille, met verdrag,Niet zijnen smaad en wreekt, daar hij 't aan wreken mag.XXXIV.(PLATO VERSCHALKT.)Hoe dat Diogenes bewees (naar zijnen wensche),Dat eenen naakten haan was een Platonisch mensche.Jac. 3.Wie met zijn tonge niet in woorden missen kan,Is al geheel volmaakt, ja, een volkomen man.Den wijsgeer Plato, om zijn jongeren te leeren,Zeîde: een tweevoetig Dier naakt, bloot, en zonder veêrenIs de geschapen Mensch: dees voorgestelde lesTer ooren al terstond kwam van Diogenes:Den drol[191]en is niet slinksch, hij past[192]op deze stukken,En gaat fluks eenen haan al levendig uit plukkenZijn pluimen uit het lijf en daarmeê, slechten jool[193]!Of hij geen vijf en kost[194], loopt naar de Atheensche school,En werpt den naakten haan voor Plato's voeten henen:"Dat's een Platonisch mensch, naakt (zegt hij) met twee beenen".Nooit iemand zoo bespraakt, diens tong niet eens en lispt,En niemand ooit zoo wijs, die niet mocht zijn berispt.XXXV.(BOOM EN MENSCH.)Dees stomme beeltenis spreekt (als in eenen droom):De boom is als de mensch, de mensch is als de boom.Math. 3.Een ieder boom, die niet draagt goede vruchten hier,Ten leste werd gekerfd en dan verbrand in 't vier.Het redelijke dier, den mensch verkeerd genomen[195],Gelijkt wel eenen boom, hoe aardig wil dit komen:Den boom spruit uit der aard, de mensch uit 's moeders graf;De boom groent en verdort, de mensch komt en gaat af;De boom zijn takken heeft, die hij zoo wijd uitspanden[196],Den mensch zijn voeten ook, en zijne palmen-handen[197];De wortel is de deugd, die al den boom aankleeft,De mensche zonder hoofd ook nimmermeer en leeft;Wanneer 's booms wortel treurt, zoo hangen al de bladen,Ook 's menschen leden, als 't hoofd is met druk beladen:De boom, die lange staat, op 't lest wordt oud en krom,De mensch ziet naar het graf in zijnen ouderdom;Waar de boom henen valt, daar zal hij liggen moeten,De mensch na zijne dood heeft geenen tijd van boeten;De boom zijn midden heeft met eene schorse omgord,De mensch een ziele, die van 't vleesch bekleedet wordt;'s Booms midden, eindelijk, wordt met den boom verdorven,Maar 's menschen ziel nog leeft als 't lichaam is gestorven.XXXVI.(WIJZE KEUS.)Hier ligt Diogenes, en kiezet, in zijn vat,Het vrolijk zonnelicht voor Alexanders schat.Hebr. 11.Voor al 't Egyptsche goed, voor Farao's threzoren,Heeft Mozes met Gods volk het aldernutst verkoren.De woonst[198]Diogenis was een boômlooze tonne,Hij schuilde in heur schaâuw voor 't steken van de zonne,Hij had geen and're hut, noch and're tent op d' eerd,Dit vliênde leven docht hem luttel moeiten weerd:Zijn tafel was het gras, op een bijzondre wijzeHield hij zijn middagmaal, met ongekookte spijze:Den aaszak[199], zijn schrappaai[200], hij altijd bij zich droeg;Nature, meende hij, heeft lichtelijk genoeg;De wijnen, die hij dronk, was 't water, daar hij zekerGeen aconiet[201]in vond; zijn hand was zijnen beker:Hij hadde geenen schat, of droeg hij om 't gemakEen tesch[202], zoo was 't zijn hart dat vol genoegen stak.Waarom de Macedoon[203], de treffelijkste koning,Hem te bezoeken dacht; hij vond hem in zijn woning;Diogenes, die lag en trok 't hem weinig an[204]Of hij een koning zag, of eenen akkerman.Dit docht den prince vreemd; dies, om zijn zeldzaam leven,Zeide: "eysschet wat gij wilt, ik zweer, ik zal 't u geven."Den wijsgeer naauwlijks sprak: "ei! Alexander vrund!Gij neemt mij 't zonnelicht, dat gij niet geven kunt."Dus is hij waarlijk rijk, die zich in niets bedroevet,Die in all's[205]is te vreên, en weinig nooddrufts hoevet.XXXVII.(GENOEGZAAMHEID.)Ziet, hoe Diogenes den kroes aan eenen kantWeg werpt, dewijl hij kan drinken uit zijne hand.1Timoth. 6.Een goed genoegzaam herte en goddelijke zin,Is eenen grooten schat, en wel een rijk gewin.Diogenes, die steeds arbeidde[206]om te mind'renZijns lichaams nooddruft, zag, hoe twee onnoos'le[207]kind'renHet water met der hand vast schepten uit den vloed,Dies nam hij zijnen nap en trad hem met de voet:Wat mag ik (zeide hij) zoo vele huisraads nutten[208],En dus beladen gaan, dewijle men kan puttenDen drank met zijne hand, en lesschen zoo den dorst?Waar toe hebbe ik zoo lang d'onnutten kroes getorscht?Daarom, wanneer wij 't doen der ouden wel beproeven[209],Zij zochten hunnen schat in luttel te behoeven:Want daar men veel behoeft, daar is vrij de armoê groot;Maar waarlijk is men rijk, daar weinig is van nood.XXXVIII.(DIOGENES NOG EENS.)Diogenes leert hier, dat zij, tot geenen dagen,Niet allen menschen zijn, die wel den name dragen.Iesai1.Den ezel kent zijn krib, den osse zijnen heere,Maar Israël en weet van God noch van zijn leere.Den drol'gen ouden poets[210], Diogenes ik meen,Als op den middag 't licht 't schoonst van den hemel scheenMet een lanteerne liep, om zoeken naar zijn wenschen.Elk riep: wat zoekt gij hier?—'t zijn redelijke menschen,Die ik dus zoeken ga; elk boerden[211], en elk loeg:Wel, Diogeen'! zijn hier geen menschen nog genoeg?Ik zieder hier niet een (sprak hij), want gij betoonet,Dat geene reed'lijkheid in uwe herten wonet,Uw beestlijk leven toogt, dat gij (het welk ik haat)Zijt menschen met den naam, maar beesten inderdaad."Die met Diogenes liep zoeken als de blinden,Nog zoude hedensdaags naauw menschen kunnen vinden:Want deze wereld is een woeste wildernis,Die niet vol menschen, maar vol wilde dieren is;Ja, nog den meestendeel[212]zijn woester van manierenAls in het wilde woud de onredelijke dieren:Want daar[213]den eenen wolf den anderen op eet,Daar is de winter koud, daar is de winter wreed;Maar dat den eenen mensch (al schijnt hij driemaal vromer)Den anderen verslindt, geschiedt wel in den zomer.XXXIX.(CRATES.)Hoe den philosophus zijn goud wierp in de baren,Dat zal u deze prent en dit gedicht verklaren.Matth. 10.Wie alles niet verlaat, en volgt mijn stappen veerdig,Is mijn leerjonger niet, noch en is mijns niet weerdig.Ziet Crates, den Thebaan, hem zelven gaan te boven,Verkoopende zijn haaf, zijn goederen en hoven;Dewijl hem 's werelds goed behindert inden loopDes deugds, verzaamt hij 't geld in eenen klomp of hoop,En spoeyende daar meê recht naar den dorren oeverVan de ongetemde zee (als zijnde geen behoeverVan zulken overvloed) werpt zijnen schat heel veerEn al zijne ijd'le zorg met eenen in het meer,En roept "o, ligstu[214]daar in 't midden vande golven!Veel beter is 't dat gij ligt inden grond gedolven,Dan dat gij nacht en dag mijn innerlijk gemoedMet angst en zorge pijnt, of met veel kwelling voedt."O, groote kemels! die hier met veel ongemakkenZoo lastig gaat getrost[215]met 's rijkdoms zware pakken,Aanmerkt, wat Crates doet, niet langer voorts[216]en draaft,Ziet hoe hij al zijn goud in 't diepe meer begraaft.Maar gij zijt veels[217]te gier, en zoudt veel liever drenken[218]In 't midden vande zee, dan 't goud de baren schenken.Ay, arme gierigaards! wat zal ik zeggen, danDe heele wereld niet u herte vullen kan:Driekantig is uw hert, dies, als ik met verkloeken[219]Een ronde[220]daar in trek, daar blijven altijd hoekenNog leeg end' ydel staan; dus roep ik met beklag:'t Is eenen diepen put, die niemand vullen mag.XL.(WIJZE MATIGHEID.)Ziet, hoe de filosoof hier aan de tafel dut[221],En den gezonden wijn gespariglijken nut.1Timoth. 5.O, zone! ik rade dy (uit zorge, die ik drage):Gebruikt een weinig wijns, om uwe kwade mage.Hier zit de wijzeman[222], hij laat hem niet meer tappenTot 't noenmaal[223], dan alleen drie matelijke nappen;Hij slacht den dronkaard niet, die nimmermeer en kanUitblusschen zijnen dorst, gelijk den Ocean,Die, alhoewel hem steeds de bornen en de vlietenZoo vele waters in zijn glazen kruike gieten,Nog nimmer is verzaad; zoo ook den dronkenbol:Hoe vele dat hij drinkt, zoo'n[224]is hij nimmer vol;Maar den wijs-gieren[225]heeft de soberheid verkoren.En laat een druppelken onnut niet gaan verloren.Die zoo den wijn gebruikt, die zoo de druiven leest,Wordt van den wijn gevoed naar 't lijf en naar den geest;De geest hij levend' maakt, het herte sterk en jonger,De hersnen zuivert hij, en wekket gragen honger,'t Bleek aanzicht hij verdrijft, verwermt het koude bloed,En ons teêr lichaam hij lange in gezondheid hoedt.XLI.(OEDIPUS EN DE SFINX.)Het listig monster Sfinx stelt Oedipo te voren[226]Een raadsel, 't welk hij raamt[227]; dies doodt het zich van toren[228].Job, 14.De mensch gelijk een bloem verwelket en vergaat,En blijvet nimmermeer in eenen zelven[229]staat.Het zeldzaam monster Sfinx (dat de Thebaners kwelde)Dit raadsel Oedipo op 't alderscherpst voorstelde:Vier voeten, twee, en drie, heeft ergens eenig dier,Dat niet en heeft als stem, en stem veranderd schier[230],Dat geen dier meer zoo doet, van al wat vliegt om hooge,Of zwemt in natte zee, of wandelt hier op 't drooge;Maar als op voeten veel dit dier begint te gaan,Begint hem al zijn jeugd en al zijn kracht vergaan.Dit dier (zegt Laji Zoon) ik zal 't u haast ontknoopen,Dat is den mensche, die ter wereld komt gekropen,Die eerst op hand en voet, als op vier beenen, gaat,Zoo lange tot hij recht op zijn twee voeten staat:Maar als den ouderdom, met zuchten en met stenen,Aanbreekt, hij zwak en krank op eenen stoel moet lenen[231],En als drie voetig gaan, met zijnen doornen staf,Naar zijn eng kerkhof toe, op dat hij valt in 't graf.De rader naauwlijks zwijgt, 't woord is naauw vande lippen,Of Sfinx breekt zijnen hals, en[232]werpt zich vande klippen.XLII.(SPLINTER EN BALK.)Ei! ziet, hoe Momus hier zijns naasten feilen teekent,En al wat hij misdoet, vergeet en niet en rekent.Math. 7.Hoe ziedy[233]doch zoo licht de splinters, o, gij schalken!In 't ooge uws broeders, en vergeet uw eigen balken!Ziet den berisper hier naar 't leven afgeschilderd,Hoe staat hij dus en grijnt[234]! hoe is hij dus verwilderd!Twee tesschen[235]hij steeds draagt; o, zifter van een mug!De een hangt hem voor de kniên, en de ander op den rug,De grootste voren hangt, de kleinste draagt hij achter,Van 's naasten feilen is hij een getrouwe pachter,Want hij ontvanger daar de grootste tesch meê vult,Maar achter is de buil leêg van zijn eigen schuld,D'wijl hij die niet en ziet; van voren stelt hij kloekeZijns naasten misdaad net en zuiverlijk te boeke,Hij heeft zijne oogen op een ander zoo gereed,Dat hij hem zelfs verzuimt en t' eenemaal vergeet.XLIII.(WELSPREKENDHEID.)Den Walschen[236]Hercules hier aardig en perfektDe lieden met zijn tong schoontalig tot zich trekt.1Cor. 13.Wanneer[237]ik liefdeloos schoon[237]spreke eens Engels taal,Wat ben ik anders dan een luidende metaal?Den Walschen Hercules (daar veel van is gezongen)Met gulden ketenkens aldus aan zijnder[238]tongen[239]De volk'ren had gehecht; 't welk zoo veel is gezeid,Dat een schoontalig[240]man, door zijn welsprekendheid,De menschen tot zich trekt, en vele groote scharenBestiert, als of zij aan zijn tong gebonden waren.'t Is daarom, dat men nog wel zegt naar de oude sloer[241],Hij klapte mij zoo schoon, hij kreeg mij aan het snoer;'t Is daarom, dat men zegt, dat, met zijn zoete snaren,Orfeus in 't wilde woud de dieren konde paren;'t Is daarom dat men zegt, dat Amfion in 't veldHeeft Theben opgebouwd, een stad groot van geweld:Welsprekendheid, verzeld met billijkheid en reden,Het sterkste wapen is, dat iemand mochte smeden;Het bindt de herten t'zaam, en maakt van velen een,Gelijk het lijf bestaat uit veelderhande leên.XLIV.(DE TONG.)De tong het kleinste lid (zoo Bias eens beveste[242]Voor den Egyptschen prince) is't kwaadste, en ook het beste.Proverb. 18.Het leven en de dood, die liggen onbedwongen,Vrijwillig in 't geweld en in de macht der tongen[243].De koning en monarch der oude EgyptenarenTot Biam Brutum zand[244], op dat hij zou verklaren,Welk doch van alle ding hem 't slimste en 't beste docht?Zijn antwoord was: een tong, die hij den koning brocht.Dit heeft Æsopus ook bevestigd, als de wijze:Toen zijne meester hem de beste en slimste spijzeHiet[245]koopen op de markt, hij bracht hem tongen t'huis;Den meester werd vergramd en zeide: bij gans[246]kruis!In zende u tweemaal heen, gij brengt mij altijd tongen.Hoort meester (zeide hij) uw gramschap zij bedwongen,Een goede tong is 't best dat hier ter wereld is,En weder 't slimste deel een kwade tong gewis:De tong baart twist en krijg, de tong baart peis en vrede;De tonge, die bedroeft, de tong vertroostet mede;De tonge, die verdrukt, de tonge komt te baat;De tong de liefde breekt, de tonge doodt den haat;De tonge, die ontsticht, de tong baart nutte leere;De tonge lastert God, de tonge looft den Heere:Dus, alsmen de eigenschap der tongen wel verzint[247],Zoo is zij 't kwaadste deel en 't beste dat men vindt.XLV.(ZWIJGEN.)De wijze Solon (om 't veel spreken te vermijden)Ging met een scherpe vlim zijn eigen tong afsnijden;Men vraagde hem, waarom? hij schreef: omdat veel kwaadDe tong ooit[248]heeft gewracht[249], en 't zwijgen nooit geschaad.O jonkheid! luistert toe, het dient u zonderlingen,Om leeren uwe tong van veel geklaps bedwingen.Wel-spreken is een deugd, wel-zwijgen ook een konst,Die hier de mate in treft verkrijgt een groote gonst.Natuur, zorgvuldig om ons hierin te versterken,Heeft onzen mond verzorgd met dobb'le bollewerken,Opdat de losse tong niet licht uitbarsten mochtMet eenig schandlijk woord, dat boven in de lochtAls eenen vogel stijgt, en, als het is ontvlogen,Niet licht'lijk wederom kan werden[250]ingetogen:Dat ik ooit stille zweeg, mij nooit en heeft berouwd,Maar wel dat ik te veel geklapt hebbe en gekout[251]:De Heidenen, die steeds hier inne vlijtig leerden,Harpocratem als God des stillezwijgens eerden,Die met den vinger op den mond hun onderwees,Inhoudende de stem, het zwijgen elk aanprees.Pythagoras snijdt ook, als met een vlimme of messe,Het vele sprekens af, als hij, voor de eerste lesse,De jeugd vijf jaren lang leert zwijgen en verstaan;'t Is noodig, dat wij nog bij hem ter scholen[252]gaan;Want zedig stilgezwijg, en niet het vele spreken,Dat zie ik alle dag ons allen nog ontbreken.XLVI.(ZORG VOOR 'T ALGEMEEN.)
Ziet, hoe een stalen zweerd aan eenen zijden draadSteeds hanget boven 't hoofd den koninklijken staat.Psal. 55.Mijn herte is in mijn lijf beangstet, ja, het beeft;'s Doods vreeze mijn gemoed aldus getroffen heeft.De vleyer Damocles, pluimstrijker die uitsteket,En nimmermeer (God wouds![162]) in 's princen hof gebreket[163],Acht Dionysium, als eenen aardschen God,Gelukkig over zeer[164], schier zonder mate of slot:Waarom de koning hem, met purp'ren kleed'ren schoone,Als eenen koning ciert, ja 't voorhoofd met een krooneHem heerelijk omdrukt, en hem in handen geeftDen koninklijken staf, waar voor 't al schrikt en beeft;Den nieuwen koning hij dus laat ter tafel zetten,Diens[165]rug geladen is met allerlei banketten,Men speelt een zoet muziek, en wekt den Echo zelf,Met eenen zoeten toon in 't marmeren gewelf:Maar twijlen[166]men dus juicht in 't midden der gezangen,Laat Dionysius een stalen zwaard ophangenAan eenen zijden draad, recht boven 't hoofd gewisDesgenen, die zich waant dat hij gelukkig is,Maar ziende naauw omhoog, verschrikt hij zoo voor 't dreigenVan 't opgehangen zwaard, dat hij zijn hoofd moet neigen,En roept: "Heer koning o! verlost mij uit den druk,Ik kieze mijnen staat, en laat u dit geluk."Aldus en mag hij niet geacht gelukkig wezen[167],Die stadig is gepijnd met duizenderlei vreezen.'t Paleis, dat zijnen kop hoog in de lucht verheft,Eer dan eens herders hut, de kromme blixem treft.
Ziet, hoe een stalen zweerd aan eenen zijden draadSteeds hanget boven 't hoofd den koninklijken staat.Psal. 55.Mijn herte is in mijn lijf beangstet, ja, het beeft;'s Doods vreeze mijn gemoed aldus getroffen heeft.De vleyer Damocles, pluimstrijker die uitsteket,En nimmermeer (God wouds![162]) in 's princen hof gebreket[163],Acht Dionysium, als eenen aardschen God,Gelukkig over zeer[164], schier zonder mate of slot:Waarom de koning hem, met purp'ren kleed'ren schoone,Als eenen koning ciert, ja 't voorhoofd met een krooneHem heerelijk omdrukt, en hem in handen geeftDen koninklijken staf, waar voor 't al schrikt en beeft;Den nieuwen koning hij dus laat ter tafel zetten,Diens[165]rug geladen is met allerlei banketten,Men speelt een zoet muziek, en wekt den Echo zelf,Met eenen zoeten toon in 't marmeren gewelf:Maar twijlen[166]men dus juicht in 't midden der gezangen,Laat Dionysius een stalen zwaard ophangenAan eenen zijden draad, recht boven 't hoofd gewisDesgenen, die zich waant dat hij gelukkig is,Maar ziende naauw omhoog, verschrikt hij zoo voor 't dreigenVan 't opgehangen zwaard, dat hij zijn hoofd moet neigen,En roept: "Heer koning o! verlost mij uit den druk,Ik kieze mijnen staat, en laat u dit geluk."Aldus en mag hij niet geacht gelukkig wezen[167],Die stadig is gepijnd met duizenderlei vreezen.'t Paleis, dat zijnen kop hoog in de lucht verheft,Eer dan eens herders hut, de kromme blixem treft.
Ziet, hoe een stalen zweerd aan eenen zijden draadSteeds hanget boven 't hoofd den koninklijken staat.Psal. 55.Mijn herte is in mijn lijf beangstet, ja, het beeft;'s Doods vreeze mijn gemoed aldus getroffen heeft.
Ziet, hoe een stalen zweerd aan eenen zijden draad
Steeds hanget boven 't hoofd den koninklijken staat.
Psal. 55.
Mijn herte is in mijn lijf beangstet, ja, het beeft;
's Doods vreeze mijn gemoed aldus getroffen heeft.
De vleyer Damocles, pluimstrijker die uitsteket,En nimmermeer (God wouds![162]) in 's princen hof gebreket[163],Acht Dionysium, als eenen aardschen God,Gelukkig over zeer[164], schier zonder mate of slot:Waarom de koning hem, met purp'ren kleed'ren schoone,Als eenen koning ciert, ja 't voorhoofd met een krooneHem heerelijk omdrukt, en hem in handen geeftDen koninklijken staf, waar voor 't al schrikt en beeft;Den nieuwen koning hij dus laat ter tafel zetten,Diens[165]rug geladen is met allerlei banketten,Men speelt een zoet muziek, en wekt den Echo zelf,Met eenen zoeten toon in 't marmeren gewelf:Maar twijlen[166]men dus juicht in 't midden der gezangen,Laat Dionysius een stalen zwaard ophangenAan eenen zijden draad, recht boven 't hoofd gewisDesgenen, die zich waant dat hij gelukkig is,Maar ziende naauw omhoog, verschrikt hij zoo voor 't dreigenVan 't opgehangen zwaard, dat hij zijn hoofd moet neigen,En roept: "Heer koning o! verlost mij uit den druk,Ik kieze mijnen staat, en laat u dit geluk."Aldus en mag hij niet geacht gelukkig wezen[167],Die stadig is gepijnd met duizenderlei vreezen.'t Paleis, dat zijnen kop hoog in de lucht verheft,Eer dan eens herders hut, de kromme blixem treft.
De vleyer Damocles, pluimstrijker die uitsteket,
En nimmermeer (God wouds![162]) in 's princen hof gebreket[163],
Acht Dionysium, als eenen aardschen God,
Gelukkig over zeer[164], schier zonder mate of slot:
Waarom de koning hem, met purp'ren kleed'ren schoone,
Als eenen koning ciert, ja 't voorhoofd met een kroone
Hem heerelijk omdrukt, en hem in handen geeft
Den koninklijken staf, waar voor 't al schrikt en beeft;
Den nieuwen koning hij dus laat ter tafel zetten,
Diens[165]rug geladen is met allerlei banketten,
Men speelt een zoet muziek, en wekt den Echo zelf,
Met eenen zoeten toon in 't marmeren gewelf:
Maar twijlen[166]men dus juicht in 't midden der gezangen,
Laat Dionysius een stalen zwaard ophangen
Aan eenen zijden draad, recht boven 't hoofd gewis
Desgenen, die zich waant dat hij gelukkig is,
Maar ziende naauw omhoog, verschrikt hij zoo voor 't dreigen
Van 't opgehangen zwaard, dat hij zijn hoofd moet neigen,
En roept: "Heer koning o! verlost mij uit den druk,
Ik kieze mijnen staat, en laat u dit geluk."
Aldus en mag hij niet geacht gelukkig wezen[167],
Die stadig is gepijnd met duizenderlei vreezen.
't Paleis, dat zijnen kop hoog in de lucht verheft,
Eer dan eens herders hut, de kromme blixem treft.
Nero's tuchtmeester ons hier schildert naar het leven,Hoe hoogmoed wordt verkleend, en ootmoed hoog verheven.Math. 23.Hij werd vernederd die zich te verheffen poogt,Maar die hem zelf verkleent, wordt heerelijk verhoogd.De wijze Seneca ons meldt en gaat vertoonenVan eenen koning, die zijn drie bedaagde[168]zonenHeel van verscheiden aard drie vooglen stelde veur,En gaf aan alle drie elk een den willekeur,Opdat hij ramen mocht, wie 't beste van hen liedenHet koninkrijk voorts aan[169]zou heerschen en gebieden,En dragen zoo den last, die zijnen ouden dagVeel kommerlijker[170]viel, dan zij te voren plag:Den Arent de eerste koos, den koning aller vogels,De tweede koos na hem den Sperwer, snel van vlogels,De lang gebekte Snep verkoos de jongste zoon,Dies hem de vader schonk de koninklijke kroon.Hij, die door ootmoed en vernederdheid[171]van geesteVerkoos het minste lot, verkreeg het aldermeeste.Want wie door hoogmoed klimt, die nadert zijnen val,En die zich zelf verkleent, gemeenlijk klimmen zal.Dies, die in ned'righeid verslijt zijn vliênde[172]leven,Al schijnt hij leeg[173]te zijn, zoo is hij hoog verheven;Hij is den val nabij die hooge zich verheft,En die zich houdt omleeg de blixem niet en treft.Des werelds loop is twee put-eemeren[174]gelijke,Het leegste[173]klimt omhoog, het hoogste valt in 't slijke.
Nero's tuchtmeester ons hier schildert naar het leven,Hoe hoogmoed wordt verkleend, en ootmoed hoog verheven.Math. 23.Hij werd vernederd die zich te verheffen poogt,Maar die hem zelf verkleent, wordt heerelijk verhoogd.De wijze Seneca ons meldt en gaat vertoonenVan eenen koning, die zijn drie bedaagde[168]zonenHeel van verscheiden aard drie vooglen stelde veur,En gaf aan alle drie elk een den willekeur,Opdat hij ramen mocht, wie 't beste van hen liedenHet koninkrijk voorts aan[169]zou heerschen en gebieden,En dragen zoo den last, die zijnen ouden dagVeel kommerlijker[170]viel, dan zij te voren plag:Den Arent de eerste koos, den koning aller vogels,De tweede koos na hem den Sperwer, snel van vlogels,De lang gebekte Snep verkoos de jongste zoon,Dies hem de vader schonk de koninklijke kroon.Hij, die door ootmoed en vernederdheid[171]van geesteVerkoos het minste lot, verkreeg het aldermeeste.Want wie door hoogmoed klimt, die nadert zijnen val,En die zich zelf verkleent, gemeenlijk klimmen zal.Dies, die in ned'righeid verslijt zijn vliênde[172]leven,Al schijnt hij leeg[173]te zijn, zoo is hij hoog verheven;Hij is den val nabij die hooge zich verheft,En die zich houdt omleeg de blixem niet en treft.Des werelds loop is twee put-eemeren[174]gelijke,Het leegste[173]klimt omhoog, het hoogste valt in 't slijke.
Nero's tuchtmeester ons hier schildert naar het leven,Hoe hoogmoed wordt verkleend, en ootmoed hoog verheven.Math. 23.Hij werd vernederd die zich te verheffen poogt,Maar die hem zelf verkleent, wordt heerelijk verhoogd.
Nero's tuchtmeester ons hier schildert naar het leven,
Hoe hoogmoed wordt verkleend, en ootmoed hoog verheven.
Math. 23.
Hij werd vernederd die zich te verheffen poogt,
Maar die hem zelf verkleent, wordt heerelijk verhoogd.
De wijze Seneca ons meldt en gaat vertoonenVan eenen koning, die zijn drie bedaagde[168]zonenHeel van verscheiden aard drie vooglen stelde veur,En gaf aan alle drie elk een den willekeur,Opdat hij ramen mocht, wie 't beste van hen liedenHet koninkrijk voorts aan[169]zou heerschen en gebieden,En dragen zoo den last, die zijnen ouden dagVeel kommerlijker[170]viel, dan zij te voren plag:Den Arent de eerste koos, den koning aller vogels,De tweede koos na hem den Sperwer, snel van vlogels,De lang gebekte Snep verkoos de jongste zoon,Dies hem de vader schonk de koninklijke kroon.Hij, die door ootmoed en vernederdheid[171]van geesteVerkoos het minste lot, verkreeg het aldermeeste.Want wie door hoogmoed klimt, die nadert zijnen val,En die zich zelf verkleent, gemeenlijk klimmen zal.Dies, die in ned'righeid verslijt zijn vliênde[172]leven,Al schijnt hij leeg[173]te zijn, zoo is hij hoog verheven;Hij is den val nabij die hooge zich verheft,En die zich houdt omleeg de blixem niet en treft.Des werelds loop is twee put-eemeren[174]gelijke,Het leegste[173]klimt omhoog, het hoogste valt in 't slijke.
De wijze Seneca ons meldt en gaat vertoonen
Van eenen koning, die zijn drie bedaagde[168]zonen
Heel van verscheiden aard drie vooglen stelde veur,
En gaf aan alle drie elk een den willekeur,
Opdat hij ramen mocht, wie 't beste van hen lieden
Het koninkrijk voorts aan[169]zou heerschen en gebieden,
En dragen zoo den last, die zijnen ouden dag
Veel kommerlijker[170]viel, dan zij te voren plag:
Den Arent de eerste koos, den koning aller vogels,
De tweede koos na hem den Sperwer, snel van vlogels,
De lang gebekte Snep verkoos de jongste zoon,
Dies hem de vader schonk de koninklijke kroon.
Hij, die door ootmoed en vernederdheid[171]van geeste
Verkoos het minste lot, verkreeg het aldermeeste.
Want wie door hoogmoed klimt, die nadert zijnen val,
En die zich zelf verkleent, gemeenlijk klimmen zal.
Dies, die in ned'righeid verslijt zijn vliênde[172]leven,
Al schijnt hij leeg[173]te zijn, zoo is hij hoog verheven;
Hij is den val nabij die hooge zich verheft,
En die zich houdt omleeg de blixem niet en treft.
Des werelds loop is twee put-eemeren[174]gelijke,
Het leegste[173]klimt omhoog, het hoogste valt in 't slijke.
Ziet hier den ijz'ren Eeuw, daar de eene d'ander tergt,De Wereld is vol strijds, en heel in 't kwaad verergd.Gen. 4.Des werelds vierde deel sloeg Caîn, en was niet wijzer;Hij bouwde de eerste stad, en Tubal vond het ijzer.Toen 't ijzer kwam in 't licht, uit 't ingewand der aarden[175],Klep, klep! het aanbeeld ging, men smeedde niet dan zwaarden;Rechtveerdigheid uit vrees weêr naar den hemel trekt,Het aardrijk werd terstond met menschenbloed bevlekt,De krijg werd opgekweekt, men ging de zinnen scherpen,En met den blinden mol een aarden wal opwerpen,Het kalfs-vel werd gerekt, men maakte flucx een trom,De mensch werd loos in 't kwaad, en in de wijsheid dom;Men kreeg een bonten vlag gewonden om de stengen,Men ging vierkantig 't heer in zijn slagorden brengen,De horen onraad blies, de trommel sloeg alarm,De vreeze werd verdoofd en 't bloed in 't herte warm;Het eene heer verwan, het ander is gevloden,Het veld, dat werd bedekt met menig duizend dooden,Men riep er niet dan moord, daar werd een groot geschreeuw,En zoo kwam op de hand de dullen[176]ijz'ren eeuw.
Ziet hier den ijz'ren Eeuw, daar de eene d'ander tergt,De Wereld is vol strijds, en heel in 't kwaad verergd.Gen. 4.Des werelds vierde deel sloeg Caîn, en was niet wijzer;Hij bouwde de eerste stad, en Tubal vond het ijzer.Toen 't ijzer kwam in 't licht, uit 't ingewand der aarden[175],Klep, klep! het aanbeeld ging, men smeedde niet dan zwaarden;Rechtveerdigheid uit vrees weêr naar den hemel trekt,Het aardrijk werd terstond met menschenbloed bevlekt,De krijg werd opgekweekt, men ging de zinnen scherpen,En met den blinden mol een aarden wal opwerpen,Het kalfs-vel werd gerekt, men maakte flucx een trom,De mensch werd loos in 't kwaad, en in de wijsheid dom;Men kreeg een bonten vlag gewonden om de stengen,Men ging vierkantig 't heer in zijn slagorden brengen,De horen onraad blies, de trommel sloeg alarm,De vreeze werd verdoofd en 't bloed in 't herte warm;Het eene heer verwan, het ander is gevloden,Het veld, dat werd bedekt met menig duizend dooden,Men riep er niet dan moord, daar werd een groot geschreeuw,En zoo kwam op de hand de dullen[176]ijz'ren eeuw.
Ziet hier den ijz'ren Eeuw, daar de eene d'ander tergt,De Wereld is vol strijds, en heel in 't kwaad verergd.Gen. 4.Des werelds vierde deel sloeg Caîn, en was niet wijzer;Hij bouwde de eerste stad, en Tubal vond het ijzer.
Ziet hier den ijz'ren Eeuw, daar de eene d'ander tergt,
De Wereld is vol strijds, en heel in 't kwaad verergd.
Gen. 4.
Des werelds vierde deel sloeg Caîn, en was niet wijzer;
Hij bouwde de eerste stad, en Tubal vond het ijzer.
Toen 't ijzer kwam in 't licht, uit 't ingewand der aarden[175],Klep, klep! het aanbeeld ging, men smeedde niet dan zwaarden;Rechtveerdigheid uit vrees weêr naar den hemel trekt,Het aardrijk werd terstond met menschenbloed bevlekt,De krijg werd opgekweekt, men ging de zinnen scherpen,En met den blinden mol een aarden wal opwerpen,Het kalfs-vel werd gerekt, men maakte flucx een trom,De mensch werd loos in 't kwaad, en in de wijsheid dom;Men kreeg een bonten vlag gewonden om de stengen,Men ging vierkantig 't heer in zijn slagorden brengen,De horen onraad blies, de trommel sloeg alarm,De vreeze werd verdoofd en 't bloed in 't herte warm;Het eene heer verwan, het ander is gevloden,Het veld, dat werd bedekt met menig duizend dooden,Men riep er niet dan moord, daar werd een groot geschreeuw,En zoo kwam op de hand de dullen[176]ijz'ren eeuw.
Toen 't ijzer kwam in 't licht, uit 't ingewand der aarden[175],
Klep, klep! het aanbeeld ging, men smeedde niet dan zwaarden;
Rechtveerdigheid uit vrees weêr naar den hemel trekt,
Het aardrijk werd terstond met menschenbloed bevlekt,
De krijg werd opgekweekt, men ging de zinnen scherpen,
En met den blinden mol een aarden wal opwerpen,
Het kalfs-vel werd gerekt, men maakte flucx een trom,
De mensch werd loos in 't kwaad, en in de wijsheid dom;
Men kreeg een bonten vlag gewonden om de stengen,
Men ging vierkantig 't heer in zijn slagorden brengen,
De horen onraad blies, de trommel sloeg alarm,
De vreeze werd verdoofd en 't bloed in 't herte warm;
Het eene heer verwan, het ander is gevloden,
Het veld, dat werd bedekt met menig duizend dooden,
Men riep er niet dan moord, daar werd een groot geschreeuw,
En zoo kwam op de hand de dullen[176]ijz'ren eeuw.
Pythagoras zit hier, de disch, die is hier knap[177]Verzorgd met eenen weg[178], wat vruchts, en eenen nap.Marc. 1.De Dooper, die den weg voor Godes Zoon kwam banen,Had anders geene spijze als honig en sprinkhanen.Pythagor', Samos' roem, te wonderlijken[179]haten[180]De onnutte gulzigheid, die niet en kan als vraten[181];Met eenen sobren disch hij wel tevreden was,Hij speende zich van vleesch, en visch; bij 't veldgewas,In ware dankbaarheid hij heiliglijken[182]leefde,En met der herten[183]aan een goed genoegen[184]kleefde.O gulden soberheid! gij zijt u zelf een maat:Als de ander eerst begint, zoo zijdy[185]al verzaad.De spijze is niet zoo zeer om 't lichaam vet te mesten(Gelijk een kermis-gans, die kruipen moet ten lesten[186]),Als zij[187]geschapen is, dat elk een van heur proeftAlleen zoo veel, als 't lijf tot onderhoud behoeft.
Pythagoras zit hier, de disch, die is hier knap[177]Verzorgd met eenen weg[178], wat vruchts, en eenen nap.Marc. 1.De Dooper, die den weg voor Godes Zoon kwam banen,Had anders geene spijze als honig en sprinkhanen.Pythagor', Samos' roem, te wonderlijken[179]haten[180]De onnutte gulzigheid, die niet en kan als vraten[181];Met eenen sobren disch hij wel tevreden was,Hij speende zich van vleesch, en visch; bij 't veldgewas,In ware dankbaarheid hij heiliglijken[182]leefde,En met der herten[183]aan een goed genoegen[184]kleefde.O gulden soberheid! gij zijt u zelf een maat:Als de ander eerst begint, zoo zijdy[185]al verzaad.De spijze is niet zoo zeer om 't lichaam vet te mesten(Gelijk een kermis-gans, die kruipen moet ten lesten[186]),Als zij[187]geschapen is, dat elk een van heur proeftAlleen zoo veel, als 't lijf tot onderhoud behoeft.
Pythagoras zit hier, de disch, die is hier knap[177]Verzorgd met eenen weg[178], wat vruchts, en eenen nap.Marc. 1.De Dooper, die den weg voor Godes Zoon kwam banen,Had anders geene spijze als honig en sprinkhanen.
Pythagoras zit hier, de disch, die is hier knap[177]
Verzorgd met eenen weg[178], wat vruchts, en eenen nap.
Marc. 1.
De Dooper, die den weg voor Godes Zoon kwam banen,
Had anders geene spijze als honig en sprinkhanen.
Pythagor', Samos' roem, te wonderlijken[179]haten[180]De onnutte gulzigheid, die niet en kan als vraten[181];Met eenen sobren disch hij wel tevreden was,Hij speende zich van vleesch, en visch; bij 't veldgewas,In ware dankbaarheid hij heiliglijken[182]leefde,En met der herten[183]aan een goed genoegen[184]kleefde.O gulden soberheid! gij zijt u zelf een maat:Als de ander eerst begint, zoo zijdy[185]al verzaad.De spijze is niet zoo zeer om 't lichaam vet te mesten(Gelijk een kermis-gans, die kruipen moet ten lesten[186]),Als zij[187]geschapen is, dat elk een van heur proeftAlleen zoo veel, als 't lijf tot onderhoud behoeft.
Pythagor', Samos' roem, te wonderlijken[179]haten[180]
De onnutte gulzigheid, die niet en kan als vraten[181];
Met eenen sobren disch hij wel tevreden was,
Hij speende zich van vleesch, en visch; bij 't veldgewas,
In ware dankbaarheid hij heiliglijken[182]leefde,
En met der herten[183]aan een goed genoegen[184]kleefde.
O gulden soberheid! gij zijt u zelf een maat:
Als de ander eerst begint, zoo zijdy[185]al verzaad.
De spijze is niet zoo zeer om 't lichaam vet te mesten
(Gelijk een kermis-gans, die kruipen moet ten lesten[186]),
Als zij[187]geschapen is, dat elk een van heur proeft
Alleen zoo veel, als 't lijf tot onderhoud behoeft.
Ziet Socrates (eilaas!) besprongen van de boosheidDer wijven, met geduld verwinnen hun godloosheid.Syr. 25.Veel liever wil ik nog bij leeuwen en bij draken,Als bij een booze vrouw mijn rust en woonplaats maken.Die een kwâ vrouwe heeft, genoeg heeft aan zijn wee;Den armen Socrates (eilacen!) heefter twee,Hij is er meê gescheept, hij moet er ook meê varen,Door zoo veel holle zeên, door zoo veel waterbaren:D' een tessche[188]is hallef blind, en de andre feeks is leep[189],D' een slaat hem met de roede, en de andre met de zweep:Nog was hij wel te vreên, hoe zeer zij op hem brulden,Zijn herte is onbeweegd, en alles kan hij 't dulden:Kneust de een hem met de vuist, en de ander met den voet,Zoo houdt hij evenwel een ongekwetst gemoed:Hij lijdt, zij slaan; hij zwijgt, zij voeren heuren snater;Hij zit op 't drooge land, zij gieten hem met water;Ten laatste zegt hij eens: "wanneer de locht verbolgt[190],De regen in 't gemeen na eenen donder volgt."Aldus geduldigheid met zoete en zachte zinnenHeur kruis verlichten kan, en tegenspoed verwinnen:Hij wreekt zijn leed genoeg, die stille, met verdrag,Niet zijnen smaad en wreekt, daar hij 't aan wreken mag.
Ziet Socrates (eilaas!) besprongen van de boosheidDer wijven, met geduld verwinnen hun godloosheid.Syr. 25.Veel liever wil ik nog bij leeuwen en bij draken,Als bij een booze vrouw mijn rust en woonplaats maken.Die een kwâ vrouwe heeft, genoeg heeft aan zijn wee;Den armen Socrates (eilacen!) heefter twee,Hij is er meê gescheept, hij moet er ook meê varen,Door zoo veel holle zeên, door zoo veel waterbaren:D' een tessche[188]is hallef blind, en de andre feeks is leep[189],D' een slaat hem met de roede, en de andre met de zweep:Nog was hij wel te vreên, hoe zeer zij op hem brulden,Zijn herte is onbeweegd, en alles kan hij 't dulden:Kneust de een hem met de vuist, en de ander met den voet,Zoo houdt hij evenwel een ongekwetst gemoed:Hij lijdt, zij slaan; hij zwijgt, zij voeren heuren snater;Hij zit op 't drooge land, zij gieten hem met water;Ten laatste zegt hij eens: "wanneer de locht verbolgt[190],De regen in 't gemeen na eenen donder volgt."Aldus geduldigheid met zoete en zachte zinnenHeur kruis verlichten kan, en tegenspoed verwinnen:Hij wreekt zijn leed genoeg, die stille, met verdrag,Niet zijnen smaad en wreekt, daar hij 't aan wreken mag.
Ziet Socrates (eilaas!) besprongen van de boosheidDer wijven, met geduld verwinnen hun godloosheid.Syr. 25.Veel liever wil ik nog bij leeuwen en bij draken,Als bij een booze vrouw mijn rust en woonplaats maken.
Ziet Socrates (eilaas!) besprongen van de boosheid
Der wijven, met geduld verwinnen hun godloosheid.
Syr. 25.
Veel liever wil ik nog bij leeuwen en bij draken,
Als bij een booze vrouw mijn rust en woonplaats maken.
Die een kwâ vrouwe heeft, genoeg heeft aan zijn wee;Den armen Socrates (eilacen!) heefter twee,Hij is er meê gescheept, hij moet er ook meê varen,Door zoo veel holle zeên, door zoo veel waterbaren:D' een tessche[188]is hallef blind, en de andre feeks is leep[189],D' een slaat hem met de roede, en de andre met de zweep:Nog was hij wel te vreên, hoe zeer zij op hem brulden,Zijn herte is onbeweegd, en alles kan hij 't dulden:Kneust de een hem met de vuist, en de ander met den voet,Zoo houdt hij evenwel een ongekwetst gemoed:Hij lijdt, zij slaan; hij zwijgt, zij voeren heuren snater;Hij zit op 't drooge land, zij gieten hem met water;Ten laatste zegt hij eens: "wanneer de locht verbolgt[190],De regen in 't gemeen na eenen donder volgt."Aldus geduldigheid met zoete en zachte zinnenHeur kruis verlichten kan, en tegenspoed verwinnen:Hij wreekt zijn leed genoeg, die stille, met verdrag,Niet zijnen smaad en wreekt, daar hij 't aan wreken mag.
Die een kwâ vrouwe heeft, genoeg heeft aan zijn wee;
Den armen Socrates (eilacen!) heefter twee,
Hij is er meê gescheept, hij moet er ook meê varen,
Door zoo veel holle zeên, door zoo veel waterbaren:
D' een tessche[188]is hallef blind, en de andre feeks is leep[189],
D' een slaat hem met de roede, en de andre met de zweep:
Nog was hij wel te vreên, hoe zeer zij op hem brulden,
Zijn herte is onbeweegd, en alles kan hij 't dulden:
Kneust de een hem met de vuist, en de ander met den voet,
Zoo houdt hij evenwel een ongekwetst gemoed:
Hij lijdt, zij slaan; hij zwijgt, zij voeren heuren snater;
Hij zit op 't drooge land, zij gieten hem met water;
Ten laatste zegt hij eens: "wanneer de locht verbolgt[190],
De regen in 't gemeen na eenen donder volgt."
Aldus geduldigheid met zoete en zachte zinnen
Heur kruis verlichten kan, en tegenspoed verwinnen:
Hij wreekt zijn leed genoeg, die stille, met verdrag,
Niet zijnen smaad en wreekt, daar hij 't aan wreken mag.
Hoe dat Diogenes bewees (naar zijnen wensche),Dat eenen naakten haan was een Platonisch mensche.Jac. 3.Wie met zijn tonge niet in woorden missen kan,Is al geheel volmaakt, ja, een volkomen man.Den wijsgeer Plato, om zijn jongeren te leeren,Zeîde: een tweevoetig Dier naakt, bloot, en zonder veêrenIs de geschapen Mensch: dees voorgestelde lesTer ooren al terstond kwam van Diogenes:Den drol[191]en is niet slinksch, hij past[192]op deze stukken,En gaat fluks eenen haan al levendig uit plukkenZijn pluimen uit het lijf en daarmeê, slechten jool[193]!Of hij geen vijf en kost[194], loopt naar de Atheensche school,En werpt den naakten haan voor Plato's voeten henen:"Dat's een Platonisch mensch, naakt (zegt hij) met twee beenen".Nooit iemand zoo bespraakt, diens tong niet eens en lispt,En niemand ooit zoo wijs, die niet mocht zijn berispt.
Hoe dat Diogenes bewees (naar zijnen wensche),Dat eenen naakten haan was een Platonisch mensche.Jac. 3.Wie met zijn tonge niet in woorden missen kan,Is al geheel volmaakt, ja, een volkomen man.Den wijsgeer Plato, om zijn jongeren te leeren,Zeîde: een tweevoetig Dier naakt, bloot, en zonder veêrenIs de geschapen Mensch: dees voorgestelde lesTer ooren al terstond kwam van Diogenes:Den drol[191]en is niet slinksch, hij past[192]op deze stukken,En gaat fluks eenen haan al levendig uit plukkenZijn pluimen uit het lijf en daarmeê, slechten jool[193]!Of hij geen vijf en kost[194], loopt naar de Atheensche school,En werpt den naakten haan voor Plato's voeten henen:"Dat's een Platonisch mensch, naakt (zegt hij) met twee beenen".Nooit iemand zoo bespraakt, diens tong niet eens en lispt,En niemand ooit zoo wijs, die niet mocht zijn berispt.
Hoe dat Diogenes bewees (naar zijnen wensche),Dat eenen naakten haan was een Platonisch mensche.Jac. 3.Wie met zijn tonge niet in woorden missen kan,Is al geheel volmaakt, ja, een volkomen man.
Hoe dat Diogenes bewees (naar zijnen wensche),
Dat eenen naakten haan was een Platonisch mensche.
Jac. 3.
Wie met zijn tonge niet in woorden missen kan,
Is al geheel volmaakt, ja, een volkomen man.
Den wijsgeer Plato, om zijn jongeren te leeren,Zeîde: een tweevoetig Dier naakt, bloot, en zonder veêrenIs de geschapen Mensch: dees voorgestelde lesTer ooren al terstond kwam van Diogenes:Den drol[191]en is niet slinksch, hij past[192]op deze stukken,En gaat fluks eenen haan al levendig uit plukkenZijn pluimen uit het lijf en daarmeê, slechten jool[193]!Of hij geen vijf en kost[194], loopt naar de Atheensche school,En werpt den naakten haan voor Plato's voeten henen:"Dat's een Platonisch mensch, naakt (zegt hij) met twee beenen".Nooit iemand zoo bespraakt, diens tong niet eens en lispt,En niemand ooit zoo wijs, die niet mocht zijn berispt.
Den wijsgeer Plato, om zijn jongeren te leeren,
Zeîde: een tweevoetig Dier naakt, bloot, en zonder veêren
Is de geschapen Mensch: dees voorgestelde les
Ter ooren al terstond kwam van Diogenes:
Den drol[191]en is niet slinksch, hij past[192]op deze stukken,
En gaat fluks eenen haan al levendig uit plukken
Zijn pluimen uit het lijf en daarmeê, slechten jool[193]!
Of hij geen vijf en kost[194], loopt naar de Atheensche school,
En werpt den naakten haan voor Plato's voeten henen:
"Dat's een Platonisch mensch, naakt (zegt hij) met twee beenen".
Nooit iemand zoo bespraakt, diens tong niet eens en lispt,
En niemand ooit zoo wijs, die niet mocht zijn berispt.
Dees stomme beeltenis spreekt (als in eenen droom):De boom is als de mensch, de mensch is als de boom.Math. 3.Een ieder boom, die niet draagt goede vruchten hier,Ten leste werd gekerfd en dan verbrand in 't vier.Het redelijke dier, den mensch verkeerd genomen[195],Gelijkt wel eenen boom, hoe aardig wil dit komen:Den boom spruit uit der aard, de mensch uit 's moeders graf;De boom groent en verdort, de mensch komt en gaat af;De boom zijn takken heeft, die hij zoo wijd uitspanden[196],Den mensch zijn voeten ook, en zijne palmen-handen[197];De wortel is de deugd, die al den boom aankleeft,De mensche zonder hoofd ook nimmermeer en leeft;Wanneer 's booms wortel treurt, zoo hangen al de bladen,Ook 's menschen leden, als 't hoofd is met druk beladen:De boom, die lange staat, op 't lest wordt oud en krom,De mensch ziet naar het graf in zijnen ouderdom;Waar de boom henen valt, daar zal hij liggen moeten,De mensch na zijne dood heeft geenen tijd van boeten;De boom zijn midden heeft met eene schorse omgord,De mensch een ziele, die van 't vleesch bekleedet wordt;'s Booms midden, eindelijk, wordt met den boom verdorven,Maar 's menschen ziel nog leeft als 't lichaam is gestorven.
Dees stomme beeltenis spreekt (als in eenen droom):De boom is als de mensch, de mensch is als de boom.Math. 3.Een ieder boom, die niet draagt goede vruchten hier,Ten leste werd gekerfd en dan verbrand in 't vier.Het redelijke dier, den mensch verkeerd genomen[195],Gelijkt wel eenen boom, hoe aardig wil dit komen:Den boom spruit uit der aard, de mensch uit 's moeders graf;De boom groent en verdort, de mensch komt en gaat af;De boom zijn takken heeft, die hij zoo wijd uitspanden[196],Den mensch zijn voeten ook, en zijne palmen-handen[197];De wortel is de deugd, die al den boom aankleeft,De mensche zonder hoofd ook nimmermeer en leeft;Wanneer 's booms wortel treurt, zoo hangen al de bladen,Ook 's menschen leden, als 't hoofd is met druk beladen:De boom, die lange staat, op 't lest wordt oud en krom,De mensch ziet naar het graf in zijnen ouderdom;Waar de boom henen valt, daar zal hij liggen moeten,De mensch na zijne dood heeft geenen tijd van boeten;De boom zijn midden heeft met eene schorse omgord,De mensch een ziele, die van 't vleesch bekleedet wordt;'s Booms midden, eindelijk, wordt met den boom verdorven,Maar 's menschen ziel nog leeft als 't lichaam is gestorven.
Dees stomme beeltenis spreekt (als in eenen droom):De boom is als de mensch, de mensch is als de boom.Math. 3.Een ieder boom, die niet draagt goede vruchten hier,Ten leste werd gekerfd en dan verbrand in 't vier.
Dees stomme beeltenis spreekt (als in eenen droom):
De boom is als de mensch, de mensch is als de boom.
Math. 3.
Een ieder boom, die niet draagt goede vruchten hier,
Ten leste werd gekerfd en dan verbrand in 't vier.
Het redelijke dier, den mensch verkeerd genomen[195],Gelijkt wel eenen boom, hoe aardig wil dit komen:Den boom spruit uit der aard, de mensch uit 's moeders graf;De boom groent en verdort, de mensch komt en gaat af;De boom zijn takken heeft, die hij zoo wijd uitspanden[196],Den mensch zijn voeten ook, en zijne palmen-handen[197];De wortel is de deugd, die al den boom aankleeft,De mensche zonder hoofd ook nimmermeer en leeft;Wanneer 's booms wortel treurt, zoo hangen al de bladen,Ook 's menschen leden, als 't hoofd is met druk beladen:De boom, die lange staat, op 't lest wordt oud en krom,De mensch ziet naar het graf in zijnen ouderdom;Waar de boom henen valt, daar zal hij liggen moeten,De mensch na zijne dood heeft geenen tijd van boeten;De boom zijn midden heeft met eene schorse omgord,De mensch een ziele, die van 't vleesch bekleedet wordt;'s Booms midden, eindelijk, wordt met den boom verdorven,Maar 's menschen ziel nog leeft als 't lichaam is gestorven.
Het redelijke dier, den mensch verkeerd genomen[195],
Gelijkt wel eenen boom, hoe aardig wil dit komen:
Den boom spruit uit der aard, de mensch uit 's moeders graf;
De boom groent en verdort, de mensch komt en gaat af;
De boom zijn takken heeft, die hij zoo wijd uitspanden[196],
Den mensch zijn voeten ook, en zijne palmen-handen[197];
De wortel is de deugd, die al den boom aankleeft,
De mensche zonder hoofd ook nimmermeer en leeft;
Wanneer 's booms wortel treurt, zoo hangen al de bladen,
Ook 's menschen leden, als 't hoofd is met druk beladen:
De boom, die lange staat, op 't lest wordt oud en krom,
De mensch ziet naar het graf in zijnen ouderdom;
Waar de boom henen valt, daar zal hij liggen moeten,
De mensch na zijne dood heeft geenen tijd van boeten;
De boom zijn midden heeft met eene schorse omgord,
De mensch een ziele, die van 't vleesch bekleedet wordt;
's Booms midden, eindelijk, wordt met den boom verdorven,
Maar 's menschen ziel nog leeft als 't lichaam is gestorven.
Hier ligt Diogenes, en kiezet, in zijn vat,Het vrolijk zonnelicht voor Alexanders schat.Hebr. 11.Voor al 't Egyptsche goed, voor Farao's threzoren,Heeft Mozes met Gods volk het aldernutst verkoren.De woonst[198]Diogenis was een boômlooze tonne,Hij schuilde in heur schaâuw voor 't steken van de zonne,Hij had geen and're hut, noch and're tent op d' eerd,Dit vliênde leven docht hem luttel moeiten weerd:Zijn tafel was het gras, op een bijzondre wijzeHield hij zijn middagmaal, met ongekookte spijze:Den aaszak[199], zijn schrappaai[200], hij altijd bij zich droeg;Nature, meende hij, heeft lichtelijk genoeg;De wijnen, die hij dronk, was 't water, daar hij zekerGeen aconiet[201]in vond; zijn hand was zijnen beker:Hij hadde geenen schat, of droeg hij om 't gemakEen tesch[202], zoo was 't zijn hart dat vol genoegen stak.Waarom de Macedoon[203], de treffelijkste koning,Hem te bezoeken dacht; hij vond hem in zijn woning;Diogenes, die lag en trok 't hem weinig an[204]Of hij een koning zag, of eenen akkerman.Dit docht den prince vreemd; dies, om zijn zeldzaam leven,Zeide: "eysschet wat gij wilt, ik zweer, ik zal 't u geven."Den wijsgeer naauwlijks sprak: "ei! Alexander vrund!Gij neemt mij 't zonnelicht, dat gij niet geven kunt."Dus is hij waarlijk rijk, die zich in niets bedroevet,Die in all's[205]is te vreên, en weinig nooddrufts hoevet.
Hier ligt Diogenes, en kiezet, in zijn vat,Het vrolijk zonnelicht voor Alexanders schat.Hebr. 11.Voor al 't Egyptsche goed, voor Farao's threzoren,Heeft Mozes met Gods volk het aldernutst verkoren.De woonst[198]Diogenis was een boômlooze tonne,Hij schuilde in heur schaâuw voor 't steken van de zonne,Hij had geen and're hut, noch and're tent op d' eerd,Dit vliênde leven docht hem luttel moeiten weerd:Zijn tafel was het gras, op een bijzondre wijzeHield hij zijn middagmaal, met ongekookte spijze:Den aaszak[199], zijn schrappaai[200], hij altijd bij zich droeg;Nature, meende hij, heeft lichtelijk genoeg;De wijnen, die hij dronk, was 't water, daar hij zekerGeen aconiet[201]in vond; zijn hand was zijnen beker:Hij hadde geenen schat, of droeg hij om 't gemakEen tesch[202], zoo was 't zijn hart dat vol genoegen stak.Waarom de Macedoon[203], de treffelijkste koning,Hem te bezoeken dacht; hij vond hem in zijn woning;Diogenes, die lag en trok 't hem weinig an[204]Of hij een koning zag, of eenen akkerman.Dit docht den prince vreemd; dies, om zijn zeldzaam leven,Zeide: "eysschet wat gij wilt, ik zweer, ik zal 't u geven."Den wijsgeer naauwlijks sprak: "ei! Alexander vrund!Gij neemt mij 't zonnelicht, dat gij niet geven kunt."Dus is hij waarlijk rijk, die zich in niets bedroevet,Die in all's[205]is te vreên, en weinig nooddrufts hoevet.
Hier ligt Diogenes, en kiezet, in zijn vat,Het vrolijk zonnelicht voor Alexanders schat.Hebr. 11.Voor al 't Egyptsche goed, voor Farao's threzoren,Heeft Mozes met Gods volk het aldernutst verkoren.
Hier ligt Diogenes, en kiezet, in zijn vat,
Het vrolijk zonnelicht voor Alexanders schat.
Hebr. 11.
Voor al 't Egyptsche goed, voor Farao's threzoren,
Heeft Mozes met Gods volk het aldernutst verkoren.
De woonst[198]Diogenis was een boômlooze tonne,Hij schuilde in heur schaâuw voor 't steken van de zonne,Hij had geen and're hut, noch and're tent op d' eerd,Dit vliênde leven docht hem luttel moeiten weerd:Zijn tafel was het gras, op een bijzondre wijzeHield hij zijn middagmaal, met ongekookte spijze:Den aaszak[199], zijn schrappaai[200], hij altijd bij zich droeg;Nature, meende hij, heeft lichtelijk genoeg;De wijnen, die hij dronk, was 't water, daar hij zekerGeen aconiet[201]in vond; zijn hand was zijnen beker:Hij hadde geenen schat, of droeg hij om 't gemakEen tesch[202], zoo was 't zijn hart dat vol genoegen stak.Waarom de Macedoon[203], de treffelijkste koning,Hem te bezoeken dacht; hij vond hem in zijn woning;Diogenes, die lag en trok 't hem weinig an[204]Of hij een koning zag, of eenen akkerman.Dit docht den prince vreemd; dies, om zijn zeldzaam leven,Zeide: "eysschet wat gij wilt, ik zweer, ik zal 't u geven."Den wijsgeer naauwlijks sprak: "ei! Alexander vrund!Gij neemt mij 't zonnelicht, dat gij niet geven kunt."Dus is hij waarlijk rijk, die zich in niets bedroevet,Die in all's[205]is te vreên, en weinig nooddrufts hoevet.
De woonst[198]Diogenis was een boômlooze tonne,
Hij schuilde in heur schaâuw voor 't steken van de zonne,
Hij had geen and're hut, noch and're tent op d' eerd,
Dit vliênde leven docht hem luttel moeiten weerd:
Zijn tafel was het gras, op een bijzondre wijze
Hield hij zijn middagmaal, met ongekookte spijze:
Den aaszak[199], zijn schrappaai[200], hij altijd bij zich droeg;
Nature, meende hij, heeft lichtelijk genoeg;
De wijnen, die hij dronk, was 't water, daar hij zeker
Geen aconiet[201]in vond; zijn hand was zijnen beker:
Hij hadde geenen schat, of droeg hij om 't gemak
Een tesch[202], zoo was 't zijn hart dat vol genoegen stak.
Waarom de Macedoon[203], de treffelijkste koning,
Hem te bezoeken dacht; hij vond hem in zijn woning;
Diogenes, die lag en trok 't hem weinig an[204]
Of hij een koning zag, of eenen akkerman.
Dit docht den prince vreemd; dies, om zijn zeldzaam leven,
Zeide: "eysschet wat gij wilt, ik zweer, ik zal 't u geven."
Den wijsgeer naauwlijks sprak: "ei! Alexander vrund!
Gij neemt mij 't zonnelicht, dat gij niet geven kunt."
Dus is hij waarlijk rijk, die zich in niets bedroevet,
Die in all's[205]is te vreên, en weinig nooddrufts hoevet.
Ziet, hoe Diogenes den kroes aan eenen kantWeg werpt, dewijl hij kan drinken uit zijne hand.1Timoth. 6.Een goed genoegzaam herte en goddelijke zin,Is eenen grooten schat, en wel een rijk gewin.Diogenes, die steeds arbeidde[206]om te mind'renZijns lichaams nooddruft, zag, hoe twee onnoos'le[207]kind'renHet water met der hand vast schepten uit den vloed,Dies nam hij zijnen nap en trad hem met de voet:Wat mag ik (zeide hij) zoo vele huisraads nutten[208],En dus beladen gaan, dewijle men kan puttenDen drank met zijne hand, en lesschen zoo den dorst?Waar toe hebbe ik zoo lang d'onnutten kroes getorscht?Daarom, wanneer wij 't doen der ouden wel beproeven[209],Zij zochten hunnen schat in luttel te behoeven:Want daar men veel behoeft, daar is vrij de armoê groot;Maar waarlijk is men rijk, daar weinig is van nood.
Ziet, hoe Diogenes den kroes aan eenen kantWeg werpt, dewijl hij kan drinken uit zijne hand.1Timoth. 6.Een goed genoegzaam herte en goddelijke zin,Is eenen grooten schat, en wel een rijk gewin.Diogenes, die steeds arbeidde[206]om te mind'renZijns lichaams nooddruft, zag, hoe twee onnoos'le[207]kind'renHet water met der hand vast schepten uit den vloed,Dies nam hij zijnen nap en trad hem met de voet:Wat mag ik (zeide hij) zoo vele huisraads nutten[208],En dus beladen gaan, dewijle men kan puttenDen drank met zijne hand, en lesschen zoo den dorst?Waar toe hebbe ik zoo lang d'onnutten kroes getorscht?Daarom, wanneer wij 't doen der ouden wel beproeven[209],Zij zochten hunnen schat in luttel te behoeven:Want daar men veel behoeft, daar is vrij de armoê groot;Maar waarlijk is men rijk, daar weinig is van nood.
Ziet, hoe Diogenes den kroes aan eenen kantWeg werpt, dewijl hij kan drinken uit zijne hand.1Timoth. 6.Een goed genoegzaam herte en goddelijke zin,Is eenen grooten schat, en wel een rijk gewin.
Ziet, hoe Diogenes den kroes aan eenen kant
Weg werpt, dewijl hij kan drinken uit zijne hand.
1Timoth. 6.
Een goed genoegzaam herte en goddelijke zin,
Is eenen grooten schat, en wel een rijk gewin.
Diogenes, die steeds arbeidde[206]om te mind'renZijns lichaams nooddruft, zag, hoe twee onnoos'le[207]kind'renHet water met der hand vast schepten uit den vloed,Dies nam hij zijnen nap en trad hem met de voet:Wat mag ik (zeide hij) zoo vele huisraads nutten[208],En dus beladen gaan, dewijle men kan puttenDen drank met zijne hand, en lesschen zoo den dorst?Waar toe hebbe ik zoo lang d'onnutten kroes getorscht?Daarom, wanneer wij 't doen der ouden wel beproeven[209],Zij zochten hunnen schat in luttel te behoeven:Want daar men veel behoeft, daar is vrij de armoê groot;Maar waarlijk is men rijk, daar weinig is van nood.
Diogenes, die steeds arbeidde[206]om te mind'ren
Zijns lichaams nooddruft, zag, hoe twee onnoos'le[207]kind'ren
Het water met der hand vast schepten uit den vloed,
Dies nam hij zijnen nap en trad hem met de voet:
Wat mag ik (zeide hij) zoo vele huisraads nutten[208],
En dus beladen gaan, dewijle men kan putten
Den drank met zijne hand, en lesschen zoo den dorst?
Waar toe hebbe ik zoo lang d'onnutten kroes getorscht?
Daarom, wanneer wij 't doen der ouden wel beproeven[209],
Zij zochten hunnen schat in luttel te behoeven:
Want daar men veel behoeft, daar is vrij de armoê groot;
Maar waarlijk is men rijk, daar weinig is van nood.
Diogenes leert hier, dat zij, tot geenen dagen,Niet allen menschen zijn, die wel den name dragen.Iesai1.Den ezel kent zijn krib, den osse zijnen heere,Maar Israël en weet van God noch van zijn leere.Den drol'gen ouden poets[210], Diogenes ik meen,Als op den middag 't licht 't schoonst van den hemel scheenMet een lanteerne liep, om zoeken naar zijn wenschen.Elk riep: wat zoekt gij hier?—'t zijn redelijke menschen,Die ik dus zoeken ga; elk boerden[211], en elk loeg:Wel, Diogeen'! zijn hier geen menschen nog genoeg?Ik zieder hier niet een (sprak hij), want gij betoonet,Dat geene reed'lijkheid in uwe herten wonet,Uw beestlijk leven toogt, dat gij (het welk ik haat)Zijt menschen met den naam, maar beesten inderdaad."Die met Diogenes liep zoeken als de blinden,Nog zoude hedensdaags naauw menschen kunnen vinden:Want deze wereld is een woeste wildernis,Die niet vol menschen, maar vol wilde dieren is;Ja, nog den meestendeel[212]zijn woester van manierenAls in het wilde woud de onredelijke dieren:Want daar[213]den eenen wolf den anderen op eet,Daar is de winter koud, daar is de winter wreed;Maar dat den eenen mensch (al schijnt hij driemaal vromer)Den anderen verslindt, geschiedt wel in den zomer.
Diogenes leert hier, dat zij, tot geenen dagen,Niet allen menschen zijn, die wel den name dragen.Iesai1.Den ezel kent zijn krib, den osse zijnen heere,Maar Israël en weet van God noch van zijn leere.Den drol'gen ouden poets[210], Diogenes ik meen,Als op den middag 't licht 't schoonst van den hemel scheenMet een lanteerne liep, om zoeken naar zijn wenschen.Elk riep: wat zoekt gij hier?—'t zijn redelijke menschen,Die ik dus zoeken ga; elk boerden[211], en elk loeg:Wel, Diogeen'! zijn hier geen menschen nog genoeg?Ik zieder hier niet een (sprak hij), want gij betoonet,Dat geene reed'lijkheid in uwe herten wonet,Uw beestlijk leven toogt, dat gij (het welk ik haat)Zijt menschen met den naam, maar beesten inderdaad."Die met Diogenes liep zoeken als de blinden,Nog zoude hedensdaags naauw menschen kunnen vinden:Want deze wereld is een woeste wildernis,Die niet vol menschen, maar vol wilde dieren is;Ja, nog den meestendeel[212]zijn woester van manierenAls in het wilde woud de onredelijke dieren:Want daar[213]den eenen wolf den anderen op eet,Daar is de winter koud, daar is de winter wreed;Maar dat den eenen mensch (al schijnt hij driemaal vromer)Den anderen verslindt, geschiedt wel in den zomer.
Diogenes leert hier, dat zij, tot geenen dagen,Niet allen menschen zijn, die wel den name dragen.Iesai1.Den ezel kent zijn krib, den osse zijnen heere,Maar Israël en weet van God noch van zijn leere.
Diogenes leert hier, dat zij, tot geenen dagen,
Niet allen menschen zijn, die wel den name dragen.
Iesai1.
Den ezel kent zijn krib, den osse zijnen heere,
Maar Israël en weet van God noch van zijn leere.
Den drol'gen ouden poets[210], Diogenes ik meen,Als op den middag 't licht 't schoonst van den hemel scheenMet een lanteerne liep, om zoeken naar zijn wenschen.Elk riep: wat zoekt gij hier?—'t zijn redelijke menschen,Die ik dus zoeken ga; elk boerden[211], en elk loeg:Wel, Diogeen'! zijn hier geen menschen nog genoeg?Ik zieder hier niet een (sprak hij), want gij betoonet,Dat geene reed'lijkheid in uwe herten wonet,Uw beestlijk leven toogt, dat gij (het welk ik haat)Zijt menschen met den naam, maar beesten inderdaad."Die met Diogenes liep zoeken als de blinden,Nog zoude hedensdaags naauw menschen kunnen vinden:Want deze wereld is een woeste wildernis,Die niet vol menschen, maar vol wilde dieren is;Ja, nog den meestendeel[212]zijn woester van manierenAls in het wilde woud de onredelijke dieren:Want daar[213]den eenen wolf den anderen op eet,Daar is de winter koud, daar is de winter wreed;Maar dat den eenen mensch (al schijnt hij driemaal vromer)Den anderen verslindt, geschiedt wel in den zomer.
Den drol'gen ouden poets[210], Diogenes ik meen,
Als op den middag 't licht 't schoonst van den hemel scheen
Met een lanteerne liep, om zoeken naar zijn wenschen.
Elk riep: wat zoekt gij hier?—'t zijn redelijke menschen,
Die ik dus zoeken ga; elk boerden[211], en elk loeg:
Wel, Diogeen'! zijn hier geen menschen nog genoeg?
Ik zieder hier niet een (sprak hij), want gij betoonet,
Dat geene reed'lijkheid in uwe herten wonet,
Uw beestlijk leven toogt, dat gij (het welk ik haat)
Zijt menschen met den naam, maar beesten inderdaad."
Die met Diogenes liep zoeken als de blinden,
Nog zoude hedensdaags naauw menschen kunnen vinden:
Want deze wereld is een woeste wildernis,
Die niet vol menschen, maar vol wilde dieren is;
Ja, nog den meestendeel[212]zijn woester van manieren
Als in het wilde woud de onredelijke dieren:
Want daar[213]den eenen wolf den anderen op eet,
Daar is de winter koud, daar is de winter wreed;
Maar dat den eenen mensch (al schijnt hij driemaal vromer)
Den anderen verslindt, geschiedt wel in den zomer.
Hoe den philosophus zijn goud wierp in de baren,Dat zal u deze prent en dit gedicht verklaren.Matth. 10.Wie alles niet verlaat, en volgt mijn stappen veerdig,Is mijn leerjonger niet, noch en is mijns niet weerdig.Ziet Crates, den Thebaan, hem zelven gaan te boven,Verkoopende zijn haaf, zijn goederen en hoven;Dewijl hem 's werelds goed behindert inden loopDes deugds, verzaamt hij 't geld in eenen klomp of hoop,En spoeyende daar meê recht naar den dorren oeverVan de ongetemde zee (als zijnde geen behoeverVan zulken overvloed) werpt zijnen schat heel veerEn al zijne ijd'le zorg met eenen in het meer,En roept "o, ligstu[214]daar in 't midden vande golven!Veel beter is 't dat gij ligt inden grond gedolven,Dan dat gij nacht en dag mijn innerlijk gemoedMet angst en zorge pijnt, of met veel kwelling voedt."O, groote kemels! die hier met veel ongemakkenZoo lastig gaat getrost[215]met 's rijkdoms zware pakken,Aanmerkt, wat Crates doet, niet langer voorts[216]en draaft,Ziet hoe hij al zijn goud in 't diepe meer begraaft.Maar gij zijt veels[217]te gier, en zoudt veel liever drenken[218]In 't midden vande zee, dan 't goud de baren schenken.Ay, arme gierigaards! wat zal ik zeggen, danDe heele wereld niet u herte vullen kan:Driekantig is uw hert, dies, als ik met verkloeken[219]Een ronde[220]daar in trek, daar blijven altijd hoekenNog leeg end' ydel staan; dus roep ik met beklag:'t Is eenen diepen put, die niemand vullen mag.
Hoe den philosophus zijn goud wierp in de baren,Dat zal u deze prent en dit gedicht verklaren.Matth. 10.Wie alles niet verlaat, en volgt mijn stappen veerdig,Is mijn leerjonger niet, noch en is mijns niet weerdig.Ziet Crates, den Thebaan, hem zelven gaan te boven,Verkoopende zijn haaf, zijn goederen en hoven;Dewijl hem 's werelds goed behindert inden loopDes deugds, verzaamt hij 't geld in eenen klomp of hoop,En spoeyende daar meê recht naar den dorren oeverVan de ongetemde zee (als zijnde geen behoeverVan zulken overvloed) werpt zijnen schat heel veerEn al zijne ijd'le zorg met eenen in het meer,En roept "o, ligstu[214]daar in 't midden vande golven!Veel beter is 't dat gij ligt inden grond gedolven,Dan dat gij nacht en dag mijn innerlijk gemoedMet angst en zorge pijnt, of met veel kwelling voedt."O, groote kemels! die hier met veel ongemakkenZoo lastig gaat getrost[215]met 's rijkdoms zware pakken,Aanmerkt, wat Crates doet, niet langer voorts[216]en draaft,Ziet hoe hij al zijn goud in 't diepe meer begraaft.Maar gij zijt veels[217]te gier, en zoudt veel liever drenken[218]In 't midden vande zee, dan 't goud de baren schenken.Ay, arme gierigaards! wat zal ik zeggen, danDe heele wereld niet u herte vullen kan:Driekantig is uw hert, dies, als ik met verkloeken[219]Een ronde[220]daar in trek, daar blijven altijd hoekenNog leeg end' ydel staan; dus roep ik met beklag:'t Is eenen diepen put, die niemand vullen mag.
Hoe den philosophus zijn goud wierp in de baren,Dat zal u deze prent en dit gedicht verklaren.Matth. 10.Wie alles niet verlaat, en volgt mijn stappen veerdig,Is mijn leerjonger niet, noch en is mijns niet weerdig.
Hoe den philosophus zijn goud wierp in de baren,
Dat zal u deze prent en dit gedicht verklaren.
Matth. 10.
Wie alles niet verlaat, en volgt mijn stappen veerdig,
Is mijn leerjonger niet, noch en is mijns niet weerdig.
Ziet Crates, den Thebaan, hem zelven gaan te boven,Verkoopende zijn haaf, zijn goederen en hoven;Dewijl hem 's werelds goed behindert inden loopDes deugds, verzaamt hij 't geld in eenen klomp of hoop,En spoeyende daar meê recht naar den dorren oeverVan de ongetemde zee (als zijnde geen behoeverVan zulken overvloed) werpt zijnen schat heel veerEn al zijne ijd'le zorg met eenen in het meer,En roept "o, ligstu[214]daar in 't midden vande golven!Veel beter is 't dat gij ligt inden grond gedolven,Dan dat gij nacht en dag mijn innerlijk gemoedMet angst en zorge pijnt, of met veel kwelling voedt."O, groote kemels! die hier met veel ongemakkenZoo lastig gaat getrost[215]met 's rijkdoms zware pakken,Aanmerkt, wat Crates doet, niet langer voorts[216]en draaft,Ziet hoe hij al zijn goud in 't diepe meer begraaft.Maar gij zijt veels[217]te gier, en zoudt veel liever drenken[218]In 't midden vande zee, dan 't goud de baren schenken.Ay, arme gierigaards! wat zal ik zeggen, danDe heele wereld niet u herte vullen kan:Driekantig is uw hert, dies, als ik met verkloeken[219]Een ronde[220]daar in trek, daar blijven altijd hoekenNog leeg end' ydel staan; dus roep ik met beklag:'t Is eenen diepen put, die niemand vullen mag.
Ziet Crates, den Thebaan, hem zelven gaan te boven,
Verkoopende zijn haaf, zijn goederen en hoven;
Dewijl hem 's werelds goed behindert inden loop
Des deugds, verzaamt hij 't geld in eenen klomp of hoop,
En spoeyende daar meê recht naar den dorren oever
Van de ongetemde zee (als zijnde geen behoever
Van zulken overvloed) werpt zijnen schat heel veer
En al zijne ijd'le zorg met eenen in het meer,
En roept "o, ligstu[214]daar in 't midden vande golven!
Veel beter is 't dat gij ligt inden grond gedolven,
Dan dat gij nacht en dag mijn innerlijk gemoed
Met angst en zorge pijnt, of met veel kwelling voedt."
O, groote kemels! die hier met veel ongemakken
Zoo lastig gaat getrost[215]met 's rijkdoms zware pakken,
Aanmerkt, wat Crates doet, niet langer voorts[216]en draaft,
Ziet hoe hij al zijn goud in 't diepe meer begraaft.
Maar gij zijt veels[217]te gier, en zoudt veel liever drenken[218]
In 't midden vande zee, dan 't goud de baren schenken.
Ay, arme gierigaards! wat zal ik zeggen, dan
De heele wereld niet u herte vullen kan:
Driekantig is uw hert, dies, als ik met verkloeken[219]
Een ronde[220]daar in trek, daar blijven altijd hoeken
Nog leeg end' ydel staan; dus roep ik met beklag:
't Is eenen diepen put, die niemand vullen mag.
Ziet, hoe de filosoof hier aan de tafel dut[221],En den gezonden wijn gespariglijken nut.1Timoth. 5.O, zone! ik rade dy (uit zorge, die ik drage):Gebruikt een weinig wijns, om uwe kwade mage.Hier zit de wijzeman[222], hij laat hem niet meer tappenTot 't noenmaal[223], dan alleen drie matelijke nappen;Hij slacht den dronkaard niet, die nimmermeer en kanUitblusschen zijnen dorst, gelijk den Ocean,Die, alhoewel hem steeds de bornen en de vlietenZoo vele waters in zijn glazen kruike gieten,Nog nimmer is verzaad; zoo ook den dronkenbol:Hoe vele dat hij drinkt, zoo'n[224]is hij nimmer vol;Maar den wijs-gieren[225]heeft de soberheid verkoren.En laat een druppelken onnut niet gaan verloren.Die zoo den wijn gebruikt, die zoo de druiven leest,Wordt van den wijn gevoed naar 't lijf en naar den geest;De geest hij levend' maakt, het herte sterk en jonger,De hersnen zuivert hij, en wekket gragen honger,'t Bleek aanzicht hij verdrijft, verwermt het koude bloed,En ons teêr lichaam hij lange in gezondheid hoedt.
Ziet, hoe de filosoof hier aan de tafel dut[221],En den gezonden wijn gespariglijken nut.1Timoth. 5.O, zone! ik rade dy (uit zorge, die ik drage):Gebruikt een weinig wijns, om uwe kwade mage.Hier zit de wijzeman[222], hij laat hem niet meer tappenTot 't noenmaal[223], dan alleen drie matelijke nappen;Hij slacht den dronkaard niet, die nimmermeer en kanUitblusschen zijnen dorst, gelijk den Ocean,Die, alhoewel hem steeds de bornen en de vlietenZoo vele waters in zijn glazen kruike gieten,Nog nimmer is verzaad; zoo ook den dronkenbol:Hoe vele dat hij drinkt, zoo'n[224]is hij nimmer vol;Maar den wijs-gieren[225]heeft de soberheid verkoren.En laat een druppelken onnut niet gaan verloren.Die zoo den wijn gebruikt, die zoo de druiven leest,Wordt van den wijn gevoed naar 't lijf en naar den geest;De geest hij levend' maakt, het herte sterk en jonger,De hersnen zuivert hij, en wekket gragen honger,'t Bleek aanzicht hij verdrijft, verwermt het koude bloed,En ons teêr lichaam hij lange in gezondheid hoedt.
Ziet, hoe de filosoof hier aan de tafel dut[221],En den gezonden wijn gespariglijken nut.1Timoth. 5.O, zone! ik rade dy (uit zorge, die ik drage):Gebruikt een weinig wijns, om uwe kwade mage.
Ziet, hoe de filosoof hier aan de tafel dut[221],
En den gezonden wijn gespariglijken nut.
1Timoth. 5.
O, zone! ik rade dy (uit zorge, die ik drage):
Gebruikt een weinig wijns, om uwe kwade mage.
Hier zit de wijzeman[222], hij laat hem niet meer tappenTot 't noenmaal[223], dan alleen drie matelijke nappen;Hij slacht den dronkaard niet, die nimmermeer en kanUitblusschen zijnen dorst, gelijk den Ocean,Die, alhoewel hem steeds de bornen en de vlietenZoo vele waters in zijn glazen kruike gieten,Nog nimmer is verzaad; zoo ook den dronkenbol:Hoe vele dat hij drinkt, zoo'n[224]is hij nimmer vol;Maar den wijs-gieren[225]heeft de soberheid verkoren.En laat een druppelken onnut niet gaan verloren.Die zoo den wijn gebruikt, die zoo de druiven leest,Wordt van den wijn gevoed naar 't lijf en naar den geest;De geest hij levend' maakt, het herte sterk en jonger,De hersnen zuivert hij, en wekket gragen honger,'t Bleek aanzicht hij verdrijft, verwermt het koude bloed,En ons teêr lichaam hij lange in gezondheid hoedt.
Hier zit de wijzeman[222], hij laat hem niet meer tappen
Tot 't noenmaal[223], dan alleen drie matelijke nappen;
Hij slacht den dronkaard niet, die nimmermeer en kan
Uitblusschen zijnen dorst, gelijk den Ocean,
Die, alhoewel hem steeds de bornen en de vlieten
Zoo vele waters in zijn glazen kruike gieten,
Nog nimmer is verzaad; zoo ook den dronkenbol:
Hoe vele dat hij drinkt, zoo'n[224]is hij nimmer vol;
Maar den wijs-gieren[225]heeft de soberheid verkoren.
En laat een druppelken onnut niet gaan verloren.
Die zoo den wijn gebruikt, die zoo de druiven leest,
Wordt van den wijn gevoed naar 't lijf en naar den geest;
De geest hij levend' maakt, het herte sterk en jonger,
De hersnen zuivert hij, en wekket gragen honger,
't Bleek aanzicht hij verdrijft, verwermt het koude bloed,
En ons teêr lichaam hij lange in gezondheid hoedt.
Het listig monster Sfinx stelt Oedipo te voren[226]Een raadsel, 't welk hij raamt[227]; dies doodt het zich van toren[228].Job, 14.De mensch gelijk een bloem verwelket en vergaat,En blijvet nimmermeer in eenen zelven[229]staat.Het zeldzaam monster Sfinx (dat de Thebaners kwelde)Dit raadsel Oedipo op 't alderscherpst voorstelde:Vier voeten, twee, en drie, heeft ergens eenig dier,Dat niet en heeft als stem, en stem veranderd schier[230],Dat geen dier meer zoo doet, van al wat vliegt om hooge,Of zwemt in natte zee, of wandelt hier op 't drooge;Maar als op voeten veel dit dier begint te gaan,Begint hem al zijn jeugd en al zijn kracht vergaan.Dit dier (zegt Laji Zoon) ik zal 't u haast ontknoopen,Dat is den mensche, die ter wereld komt gekropen,Die eerst op hand en voet, als op vier beenen, gaat,Zoo lange tot hij recht op zijn twee voeten staat:Maar als den ouderdom, met zuchten en met stenen,Aanbreekt, hij zwak en krank op eenen stoel moet lenen[231],En als drie voetig gaan, met zijnen doornen staf,Naar zijn eng kerkhof toe, op dat hij valt in 't graf.De rader naauwlijks zwijgt, 't woord is naauw vande lippen,Of Sfinx breekt zijnen hals, en[232]werpt zich vande klippen.
Het listig monster Sfinx stelt Oedipo te voren[226]Een raadsel, 't welk hij raamt[227]; dies doodt het zich van toren[228].Job, 14.De mensch gelijk een bloem verwelket en vergaat,En blijvet nimmermeer in eenen zelven[229]staat.Het zeldzaam monster Sfinx (dat de Thebaners kwelde)Dit raadsel Oedipo op 't alderscherpst voorstelde:Vier voeten, twee, en drie, heeft ergens eenig dier,Dat niet en heeft als stem, en stem veranderd schier[230],Dat geen dier meer zoo doet, van al wat vliegt om hooge,Of zwemt in natte zee, of wandelt hier op 't drooge;Maar als op voeten veel dit dier begint te gaan,Begint hem al zijn jeugd en al zijn kracht vergaan.Dit dier (zegt Laji Zoon) ik zal 't u haast ontknoopen,Dat is den mensche, die ter wereld komt gekropen,Die eerst op hand en voet, als op vier beenen, gaat,Zoo lange tot hij recht op zijn twee voeten staat:Maar als den ouderdom, met zuchten en met stenen,Aanbreekt, hij zwak en krank op eenen stoel moet lenen[231],En als drie voetig gaan, met zijnen doornen staf,Naar zijn eng kerkhof toe, op dat hij valt in 't graf.De rader naauwlijks zwijgt, 't woord is naauw vande lippen,Of Sfinx breekt zijnen hals, en[232]werpt zich vande klippen.
Het listig monster Sfinx stelt Oedipo te voren[226]Een raadsel, 't welk hij raamt[227]; dies doodt het zich van toren[228].Job, 14.De mensch gelijk een bloem verwelket en vergaat,En blijvet nimmermeer in eenen zelven[229]staat.
Het listig monster Sfinx stelt Oedipo te voren[226]
Een raadsel, 't welk hij raamt[227]; dies doodt het zich van toren[228].
Job, 14.
De mensch gelijk een bloem verwelket en vergaat,
En blijvet nimmermeer in eenen zelven[229]staat.
Het zeldzaam monster Sfinx (dat de Thebaners kwelde)Dit raadsel Oedipo op 't alderscherpst voorstelde:Vier voeten, twee, en drie, heeft ergens eenig dier,Dat niet en heeft als stem, en stem veranderd schier[230],Dat geen dier meer zoo doet, van al wat vliegt om hooge,Of zwemt in natte zee, of wandelt hier op 't drooge;Maar als op voeten veel dit dier begint te gaan,Begint hem al zijn jeugd en al zijn kracht vergaan.Dit dier (zegt Laji Zoon) ik zal 't u haast ontknoopen,Dat is den mensche, die ter wereld komt gekropen,Die eerst op hand en voet, als op vier beenen, gaat,Zoo lange tot hij recht op zijn twee voeten staat:Maar als den ouderdom, met zuchten en met stenen,Aanbreekt, hij zwak en krank op eenen stoel moet lenen[231],En als drie voetig gaan, met zijnen doornen staf,Naar zijn eng kerkhof toe, op dat hij valt in 't graf.De rader naauwlijks zwijgt, 't woord is naauw vande lippen,Of Sfinx breekt zijnen hals, en[232]werpt zich vande klippen.
Het zeldzaam monster Sfinx (dat de Thebaners kwelde)
Dit raadsel Oedipo op 't alderscherpst voorstelde:
Vier voeten, twee, en drie, heeft ergens eenig dier,
Dat niet en heeft als stem, en stem veranderd schier[230],
Dat geen dier meer zoo doet, van al wat vliegt om hooge,
Of zwemt in natte zee, of wandelt hier op 't drooge;
Maar als op voeten veel dit dier begint te gaan,
Begint hem al zijn jeugd en al zijn kracht vergaan.
Dit dier (zegt Laji Zoon) ik zal 't u haast ontknoopen,
Dat is den mensche, die ter wereld komt gekropen,
Die eerst op hand en voet, als op vier beenen, gaat,
Zoo lange tot hij recht op zijn twee voeten staat:
Maar als den ouderdom, met zuchten en met stenen,
Aanbreekt, hij zwak en krank op eenen stoel moet lenen[231],
En als drie voetig gaan, met zijnen doornen staf,
Naar zijn eng kerkhof toe, op dat hij valt in 't graf.
De rader naauwlijks zwijgt, 't woord is naauw vande lippen,
Of Sfinx breekt zijnen hals, en[232]werpt zich vande klippen.
Ei! ziet, hoe Momus hier zijns naasten feilen teekent,En al wat hij misdoet, vergeet en niet en rekent.Math. 7.Hoe ziedy[233]doch zoo licht de splinters, o, gij schalken!In 't ooge uws broeders, en vergeet uw eigen balken!Ziet den berisper hier naar 't leven afgeschilderd,Hoe staat hij dus en grijnt[234]! hoe is hij dus verwilderd!Twee tesschen[235]hij steeds draagt; o, zifter van een mug!De een hangt hem voor de kniên, en de ander op den rug,De grootste voren hangt, de kleinste draagt hij achter,Van 's naasten feilen is hij een getrouwe pachter,Want hij ontvanger daar de grootste tesch meê vult,Maar achter is de buil leêg van zijn eigen schuld,D'wijl hij die niet en ziet; van voren stelt hij kloekeZijns naasten misdaad net en zuiverlijk te boeke,Hij heeft zijne oogen op een ander zoo gereed,Dat hij hem zelfs verzuimt en t' eenemaal vergeet.
Ei! ziet, hoe Momus hier zijns naasten feilen teekent,En al wat hij misdoet, vergeet en niet en rekent.Math. 7.Hoe ziedy[233]doch zoo licht de splinters, o, gij schalken!In 't ooge uws broeders, en vergeet uw eigen balken!Ziet den berisper hier naar 't leven afgeschilderd,Hoe staat hij dus en grijnt[234]! hoe is hij dus verwilderd!Twee tesschen[235]hij steeds draagt; o, zifter van een mug!De een hangt hem voor de kniên, en de ander op den rug,De grootste voren hangt, de kleinste draagt hij achter,Van 's naasten feilen is hij een getrouwe pachter,Want hij ontvanger daar de grootste tesch meê vult,Maar achter is de buil leêg van zijn eigen schuld,D'wijl hij die niet en ziet; van voren stelt hij kloekeZijns naasten misdaad net en zuiverlijk te boeke,Hij heeft zijne oogen op een ander zoo gereed,Dat hij hem zelfs verzuimt en t' eenemaal vergeet.
Ei! ziet, hoe Momus hier zijns naasten feilen teekent,En al wat hij misdoet, vergeet en niet en rekent.Math. 7.Hoe ziedy[233]doch zoo licht de splinters, o, gij schalken!In 't ooge uws broeders, en vergeet uw eigen balken!
Ei! ziet, hoe Momus hier zijns naasten feilen teekent,
En al wat hij misdoet, vergeet en niet en rekent.
Math. 7.
Hoe ziedy[233]doch zoo licht de splinters, o, gij schalken!
In 't ooge uws broeders, en vergeet uw eigen balken!
Ziet den berisper hier naar 't leven afgeschilderd,Hoe staat hij dus en grijnt[234]! hoe is hij dus verwilderd!Twee tesschen[235]hij steeds draagt; o, zifter van een mug!De een hangt hem voor de kniên, en de ander op den rug,De grootste voren hangt, de kleinste draagt hij achter,Van 's naasten feilen is hij een getrouwe pachter,Want hij ontvanger daar de grootste tesch meê vult,Maar achter is de buil leêg van zijn eigen schuld,D'wijl hij die niet en ziet; van voren stelt hij kloekeZijns naasten misdaad net en zuiverlijk te boeke,Hij heeft zijne oogen op een ander zoo gereed,Dat hij hem zelfs verzuimt en t' eenemaal vergeet.
Ziet den berisper hier naar 't leven afgeschilderd,
Hoe staat hij dus en grijnt[234]! hoe is hij dus verwilderd!
Twee tesschen[235]hij steeds draagt; o, zifter van een mug!
De een hangt hem voor de kniên, en de ander op den rug,
De grootste voren hangt, de kleinste draagt hij achter,
Van 's naasten feilen is hij een getrouwe pachter,
Want hij ontvanger daar de grootste tesch meê vult,
Maar achter is de buil leêg van zijn eigen schuld,
D'wijl hij die niet en ziet; van voren stelt hij kloeke
Zijns naasten misdaad net en zuiverlijk te boeke,
Hij heeft zijne oogen op een ander zoo gereed,
Dat hij hem zelfs verzuimt en t' eenemaal vergeet.
Den Walschen[236]Hercules hier aardig en perfektDe lieden met zijn tong schoontalig tot zich trekt.1Cor. 13.Wanneer[237]ik liefdeloos schoon[237]spreke eens Engels taal,Wat ben ik anders dan een luidende metaal?Den Walschen Hercules (daar veel van is gezongen)Met gulden ketenkens aldus aan zijnder[238]tongen[239]De volk'ren had gehecht; 't welk zoo veel is gezeid,Dat een schoontalig[240]man, door zijn welsprekendheid,De menschen tot zich trekt, en vele groote scharenBestiert, als of zij aan zijn tong gebonden waren.'t Is daarom, dat men nog wel zegt naar de oude sloer[241],Hij klapte mij zoo schoon, hij kreeg mij aan het snoer;'t Is daarom, dat men zegt, dat, met zijn zoete snaren,Orfeus in 't wilde woud de dieren konde paren;'t Is daarom dat men zegt, dat Amfion in 't veldHeeft Theben opgebouwd, een stad groot van geweld:Welsprekendheid, verzeld met billijkheid en reden,Het sterkste wapen is, dat iemand mochte smeden;Het bindt de herten t'zaam, en maakt van velen een,Gelijk het lijf bestaat uit veelderhande leên.
Den Walschen[236]Hercules hier aardig en perfektDe lieden met zijn tong schoontalig tot zich trekt.1Cor. 13.Wanneer[237]ik liefdeloos schoon[237]spreke eens Engels taal,Wat ben ik anders dan een luidende metaal?Den Walschen Hercules (daar veel van is gezongen)Met gulden ketenkens aldus aan zijnder[238]tongen[239]De volk'ren had gehecht; 't welk zoo veel is gezeid,Dat een schoontalig[240]man, door zijn welsprekendheid,De menschen tot zich trekt, en vele groote scharenBestiert, als of zij aan zijn tong gebonden waren.'t Is daarom, dat men nog wel zegt naar de oude sloer[241],Hij klapte mij zoo schoon, hij kreeg mij aan het snoer;'t Is daarom, dat men zegt, dat, met zijn zoete snaren,Orfeus in 't wilde woud de dieren konde paren;'t Is daarom dat men zegt, dat Amfion in 't veldHeeft Theben opgebouwd, een stad groot van geweld:Welsprekendheid, verzeld met billijkheid en reden,Het sterkste wapen is, dat iemand mochte smeden;Het bindt de herten t'zaam, en maakt van velen een,Gelijk het lijf bestaat uit veelderhande leên.
Den Walschen[236]Hercules hier aardig en perfektDe lieden met zijn tong schoontalig tot zich trekt.1Cor. 13.Wanneer[237]ik liefdeloos schoon[237]spreke eens Engels taal,Wat ben ik anders dan een luidende metaal?
Den Walschen[236]Hercules hier aardig en perfekt
De lieden met zijn tong schoontalig tot zich trekt.
1Cor. 13.
Wanneer[237]ik liefdeloos schoon[237]spreke eens Engels taal,
Wat ben ik anders dan een luidende metaal?
Den Walschen Hercules (daar veel van is gezongen)Met gulden ketenkens aldus aan zijnder[238]tongen[239]De volk'ren had gehecht; 't welk zoo veel is gezeid,Dat een schoontalig[240]man, door zijn welsprekendheid,De menschen tot zich trekt, en vele groote scharenBestiert, als of zij aan zijn tong gebonden waren.'t Is daarom, dat men nog wel zegt naar de oude sloer[241],Hij klapte mij zoo schoon, hij kreeg mij aan het snoer;'t Is daarom, dat men zegt, dat, met zijn zoete snaren,Orfeus in 't wilde woud de dieren konde paren;'t Is daarom dat men zegt, dat Amfion in 't veldHeeft Theben opgebouwd, een stad groot van geweld:Welsprekendheid, verzeld met billijkheid en reden,Het sterkste wapen is, dat iemand mochte smeden;Het bindt de herten t'zaam, en maakt van velen een,Gelijk het lijf bestaat uit veelderhande leên.
Den Walschen Hercules (daar veel van is gezongen)
Met gulden ketenkens aldus aan zijnder[238]tongen[239]
De volk'ren had gehecht; 't welk zoo veel is gezeid,
Dat een schoontalig[240]man, door zijn welsprekendheid,
De menschen tot zich trekt, en vele groote scharen
Bestiert, als of zij aan zijn tong gebonden waren.
't Is daarom, dat men nog wel zegt naar de oude sloer[241],
Hij klapte mij zoo schoon, hij kreeg mij aan het snoer;
't Is daarom, dat men zegt, dat, met zijn zoete snaren,
Orfeus in 't wilde woud de dieren konde paren;
't Is daarom dat men zegt, dat Amfion in 't veld
Heeft Theben opgebouwd, een stad groot van geweld:
Welsprekendheid, verzeld met billijkheid en reden,
Het sterkste wapen is, dat iemand mochte smeden;
Het bindt de herten t'zaam, en maakt van velen een,
Gelijk het lijf bestaat uit veelderhande leên.
De tong het kleinste lid (zoo Bias eens beveste[242]Voor den Egyptschen prince) is't kwaadste, en ook het beste.Proverb. 18.Het leven en de dood, die liggen onbedwongen,Vrijwillig in 't geweld en in de macht der tongen[243].De koning en monarch der oude EgyptenarenTot Biam Brutum zand[244], op dat hij zou verklaren,Welk doch van alle ding hem 't slimste en 't beste docht?Zijn antwoord was: een tong, die hij den koning brocht.Dit heeft Æsopus ook bevestigd, als de wijze:Toen zijne meester hem de beste en slimste spijzeHiet[245]koopen op de markt, hij bracht hem tongen t'huis;Den meester werd vergramd en zeide: bij gans[246]kruis!In zende u tweemaal heen, gij brengt mij altijd tongen.Hoort meester (zeide hij) uw gramschap zij bedwongen,Een goede tong is 't best dat hier ter wereld is,En weder 't slimste deel een kwade tong gewis:De tong baart twist en krijg, de tong baart peis en vrede;De tonge, die bedroeft, de tong vertroostet mede;De tonge, die verdrukt, de tonge komt te baat;De tong de liefde breekt, de tonge doodt den haat;De tonge, die ontsticht, de tong baart nutte leere;De tonge lastert God, de tonge looft den Heere:Dus, alsmen de eigenschap der tongen wel verzint[247],Zoo is zij 't kwaadste deel en 't beste dat men vindt.
De tong het kleinste lid (zoo Bias eens beveste[242]Voor den Egyptschen prince) is't kwaadste, en ook het beste.Proverb. 18.Het leven en de dood, die liggen onbedwongen,Vrijwillig in 't geweld en in de macht der tongen[243].De koning en monarch der oude EgyptenarenTot Biam Brutum zand[244], op dat hij zou verklaren,Welk doch van alle ding hem 't slimste en 't beste docht?Zijn antwoord was: een tong, die hij den koning brocht.Dit heeft Æsopus ook bevestigd, als de wijze:Toen zijne meester hem de beste en slimste spijzeHiet[245]koopen op de markt, hij bracht hem tongen t'huis;Den meester werd vergramd en zeide: bij gans[246]kruis!In zende u tweemaal heen, gij brengt mij altijd tongen.Hoort meester (zeide hij) uw gramschap zij bedwongen,Een goede tong is 't best dat hier ter wereld is,En weder 't slimste deel een kwade tong gewis:De tong baart twist en krijg, de tong baart peis en vrede;De tonge, die bedroeft, de tong vertroostet mede;De tonge, die verdrukt, de tonge komt te baat;De tong de liefde breekt, de tonge doodt den haat;De tonge, die ontsticht, de tong baart nutte leere;De tonge lastert God, de tonge looft den Heere:Dus, alsmen de eigenschap der tongen wel verzint[247],Zoo is zij 't kwaadste deel en 't beste dat men vindt.
De tong het kleinste lid (zoo Bias eens beveste[242]Voor den Egyptschen prince) is't kwaadste, en ook het beste.Proverb. 18.Het leven en de dood, die liggen onbedwongen,Vrijwillig in 't geweld en in de macht der tongen[243].
De tong het kleinste lid (zoo Bias eens beveste[242]
Voor den Egyptschen prince) is't kwaadste, en ook het beste.
Proverb. 18.
Het leven en de dood, die liggen onbedwongen,
Vrijwillig in 't geweld en in de macht der tongen[243].
De koning en monarch der oude EgyptenarenTot Biam Brutum zand[244], op dat hij zou verklaren,Welk doch van alle ding hem 't slimste en 't beste docht?Zijn antwoord was: een tong, die hij den koning brocht.Dit heeft Æsopus ook bevestigd, als de wijze:Toen zijne meester hem de beste en slimste spijzeHiet[245]koopen op de markt, hij bracht hem tongen t'huis;Den meester werd vergramd en zeide: bij gans[246]kruis!In zende u tweemaal heen, gij brengt mij altijd tongen.Hoort meester (zeide hij) uw gramschap zij bedwongen,Een goede tong is 't best dat hier ter wereld is,En weder 't slimste deel een kwade tong gewis:De tong baart twist en krijg, de tong baart peis en vrede;De tonge, die bedroeft, de tong vertroostet mede;De tonge, die verdrukt, de tonge komt te baat;De tong de liefde breekt, de tonge doodt den haat;De tonge, die ontsticht, de tong baart nutte leere;De tonge lastert God, de tonge looft den Heere:Dus, alsmen de eigenschap der tongen wel verzint[247],Zoo is zij 't kwaadste deel en 't beste dat men vindt.
De koning en monarch der oude Egyptenaren
Tot Biam Brutum zand[244], op dat hij zou verklaren,
Welk doch van alle ding hem 't slimste en 't beste docht?
Zijn antwoord was: een tong, die hij den koning brocht.
Dit heeft Æsopus ook bevestigd, als de wijze:
Toen zijne meester hem de beste en slimste spijze
Hiet[245]koopen op de markt, hij bracht hem tongen t'huis;
Den meester werd vergramd en zeide: bij gans[246]kruis!
In zende u tweemaal heen, gij brengt mij altijd tongen.
Hoort meester (zeide hij) uw gramschap zij bedwongen,
Een goede tong is 't best dat hier ter wereld is,
En weder 't slimste deel een kwade tong gewis:
De tong baart twist en krijg, de tong baart peis en vrede;
De tonge, die bedroeft, de tong vertroostet mede;
De tonge, die verdrukt, de tonge komt te baat;
De tong de liefde breekt, de tonge doodt den haat;
De tonge, die ontsticht, de tong baart nutte leere;
De tonge lastert God, de tonge looft den Heere:
Dus, alsmen de eigenschap der tongen wel verzint[247],
Zoo is zij 't kwaadste deel en 't beste dat men vindt.
De wijze Solon (om 't veel spreken te vermijden)Ging met een scherpe vlim zijn eigen tong afsnijden;Men vraagde hem, waarom? hij schreef: omdat veel kwaadDe tong ooit[248]heeft gewracht[249], en 't zwijgen nooit geschaad.O jonkheid! luistert toe, het dient u zonderlingen,Om leeren uwe tong van veel geklaps bedwingen.Wel-spreken is een deugd, wel-zwijgen ook een konst,Die hier de mate in treft verkrijgt een groote gonst.Natuur, zorgvuldig om ons hierin te versterken,Heeft onzen mond verzorgd met dobb'le bollewerken,Opdat de losse tong niet licht uitbarsten mochtMet eenig schandlijk woord, dat boven in de lochtAls eenen vogel stijgt, en, als het is ontvlogen,Niet licht'lijk wederom kan werden[250]ingetogen:Dat ik ooit stille zweeg, mij nooit en heeft berouwd,Maar wel dat ik te veel geklapt hebbe en gekout[251]:De Heidenen, die steeds hier inne vlijtig leerden,Harpocratem als God des stillezwijgens eerden,Die met den vinger op den mond hun onderwees,Inhoudende de stem, het zwijgen elk aanprees.Pythagoras snijdt ook, als met een vlimme of messe,Het vele sprekens af, als hij, voor de eerste lesse,De jeugd vijf jaren lang leert zwijgen en verstaan;'t Is noodig, dat wij nog bij hem ter scholen[252]gaan;Want zedig stilgezwijg, en niet het vele spreken,Dat zie ik alle dag ons allen nog ontbreken.
De wijze Solon (om 't veel spreken te vermijden)Ging met een scherpe vlim zijn eigen tong afsnijden;Men vraagde hem, waarom? hij schreef: omdat veel kwaadDe tong ooit[248]heeft gewracht[249], en 't zwijgen nooit geschaad.O jonkheid! luistert toe, het dient u zonderlingen,Om leeren uwe tong van veel geklaps bedwingen.Wel-spreken is een deugd, wel-zwijgen ook een konst,Die hier de mate in treft verkrijgt een groote gonst.Natuur, zorgvuldig om ons hierin te versterken,Heeft onzen mond verzorgd met dobb'le bollewerken,Opdat de losse tong niet licht uitbarsten mochtMet eenig schandlijk woord, dat boven in de lochtAls eenen vogel stijgt, en, als het is ontvlogen,Niet licht'lijk wederom kan werden[250]ingetogen:Dat ik ooit stille zweeg, mij nooit en heeft berouwd,Maar wel dat ik te veel geklapt hebbe en gekout[251]:De Heidenen, die steeds hier inne vlijtig leerden,Harpocratem als God des stillezwijgens eerden,Die met den vinger op den mond hun onderwees,Inhoudende de stem, het zwijgen elk aanprees.Pythagoras snijdt ook, als met een vlimme of messe,Het vele sprekens af, als hij, voor de eerste lesse,De jeugd vijf jaren lang leert zwijgen en verstaan;'t Is noodig, dat wij nog bij hem ter scholen[252]gaan;Want zedig stilgezwijg, en niet het vele spreken,Dat zie ik alle dag ons allen nog ontbreken.
De wijze Solon (om 't veel spreken te vermijden)Ging met een scherpe vlim zijn eigen tong afsnijden;Men vraagde hem, waarom? hij schreef: omdat veel kwaadDe tong ooit[248]heeft gewracht[249], en 't zwijgen nooit geschaad.O jonkheid! luistert toe, het dient u zonderlingen,Om leeren uwe tong van veel geklaps bedwingen.Wel-spreken is een deugd, wel-zwijgen ook een konst,Die hier de mate in treft verkrijgt een groote gonst.Natuur, zorgvuldig om ons hierin te versterken,Heeft onzen mond verzorgd met dobb'le bollewerken,Opdat de losse tong niet licht uitbarsten mochtMet eenig schandlijk woord, dat boven in de lochtAls eenen vogel stijgt, en, als het is ontvlogen,Niet licht'lijk wederom kan werden[250]ingetogen:Dat ik ooit stille zweeg, mij nooit en heeft berouwd,Maar wel dat ik te veel geklapt hebbe en gekout[251]:De Heidenen, die steeds hier inne vlijtig leerden,Harpocratem als God des stillezwijgens eerden,Die met den vinger op den mond hun onderwees,Inhoudende de stem, het zwijgen elk aanprees.Pythagoras snijdt ook, als met een vlimme of messe,Het vele sprekens af, als hij, voor de eerste lesse,De jeugd vijf jaren lang leert zwijgen en verstaan;'t Is noodig, dat wij nog bij hem ter scholen[252]gaan;Want zedig stilgezwijg, en niet het vele spreken,Dat zie ik alle dag ons allen nog ontbreken.
De wijze Solon (om 't veel spreken te vermijden)
Ging met een scherpe vlim zijn eigen tong afsnijden;
Men vraagde hem, waarom? hij schreef: omdat veel kwaad
De tong ooit[248]heeft gewracht[249], en 't zwijgen nooit geschaad.
O jonkheid! luistert toe, het dient u zonderlingen,
Om leeren uwe tong van veel geklaps bedwingen.
Wel-spreken is een deugd, wel-zwijgen ook een konst,
Die hier de mate in treft verkrijgt een groote gonst.
Natuur, zorgvuldig om ons hierin te versterken,
Heeft onzen mond verzorgd met dobb'le bollewerken,
Opdat de losse tong niet licht uitbarsten mocht
Met eenig schandlijk woord, dat boven in de locht
Als eenen vogel stijgt, en, als het is ontvlogen,
Niet licht'lijk wederom kan werden[250]ingetogen:
Dat ik ooit stille zweeg, mij nooit en heeft berouwd,
Maar wel dat ik te veel geklapt hebbe en gekout[251]:
De Heidenen, die steeds hier inne vlijtig leerden,
Harpocratem als God des stillezwijgens eerden,
Die met den vinger op den mond hun onderwees,
Inhoudende de stem, het zwijgen elk aanprees.
Pythagoras snijdt ook, als met een vlimme of messe,
Het vele sprekens af, als hij, voor de eerste lesse,
De jeugd vijf jaren lang leert zwijgen en verstaan;
't Is noodig, dat wij nog bij hem ter scholen[252]gaan;
Want zedig stilgezwijg, en niet het vele spreken,
Dat zie ik alle dag ons allen nog ontbreken.