De Gulden Winkel der Konstlievende Nederlanders,GESTOFFEERD METVEEL TREFFELIJKE, HISTORISCHE,FILOSOFISCHE, POËTISCHE,MORALE EN SCHRIFTUURLIJKE LEERINGEN;VERMAKELIJK EN STICHTELIJKVOOR ALLE STANDEN VAN MENSCHEN.(1613.)

De Gulden Winkel der Konstlievende Nederlanders,GESTOFFEERD METVEEL TREFFELIJKE, HISTORISCHE,FILOSOFISCHE, POËTISCHE,MORALE EN SCHRIFTUURLIJKE LEERINGEN;VERMAKELIJK EN STICHTELIJKVOOR ALLE STANDEN VAN MENSCHEN.(1613.)DE DICHTER WENSCHT ZIJNEN Z[WAGER],ABRAHAM DE WOLF,GELUK ENDE EEUWIG WELVAREN.De deugd, de witte[1]deugd, die altijd werd[2]verschoven,De deugd, die 't edel goud en peerlen gaat te boven,Is de alderschoonste kroone en 't heerlijkste cieraad,Dat hier den mensche siert, waar dat hij henen gaat.Wat is een deugdig mensche een siersel vander eerden!Of schoon den[3]meestendeel hem acht van kleender weerden[4],Zoo blinkt hij inden hoop van dit verkeerd geslacht,Gelijk een gouden sterre in 't droefste vanden nacht:Of als een schoone roos, die in de doornen-struiken,Op haren groenen steel heur bladen gaat ontluiken,Waar uit de Lentsche[5]bie (terwijl de zonne straalt)Geen doodelijk venijn, maar zoeten honig haalt.Hoe heusch is zijnen mond! hoe heilig zijn zijn treden!Hoe liefelijk zijn taal! hoe aangenaam zijn zeden!Hoe statig van gelaat! hoe matig aanden disch!Al wat men aan hem ziet aanmerkensweerdig is:Gelijk een lely-bloem verspreidt hij zijne reuke;Een lesse is elke daad, elk woord een gulden spreuke,Die aan hem werd[2]gespeurd, die van hem werd gehoord,Al zwijgt hij schoon[6], zoo spreekt al watmen aan hem spoort[7]:Hij is een naakt voorbeelde, of spiegel, daar de gekkenSchaamrood in mogen zien hun schandelijke vlekken,Daarmeed' zij zijn besmet, daarmeed' zij zijn besmeurd[8];Hij is de rechte toets, waar aan de vrome[9]keurtDe deugd van zijne deugd, de vroomheid van zijn leven,Hoe hoog hij klimmen moet, hoe leeg[10]hij is gebleven:Vermits de berg, waar op de deugd stijgt inde locht,En heur gelauwerd hoofd maakt inde wolken vocht,Zoo hooge is en zoo steil, ja moeilijk om bestappen,Langs eenen engen pad, met gladde en slimme[11]trappen;Vermids van duizend naauw raakt eenen op den tsop[12]Van dees verheven hoogte, alwaar hem zijnen kop[13]Met palm bevlochten werd[14], tot teeken dat ten lestenEen heerlijke kroon den klimmers is ten besten;—Zoo hebben de ouden nooit noch vlijt noch moeit gespaardOm wisselen[15]in deugd des menschen kwaden aard:De filosofen of verstandige wijs-gieren[16]Vervulden tot dien eind' het wit van hun papierenMet meenge schoone les, welk, als een rijk kleinood,Zij wirpen[17]ieder een, om niet, in zijnen schoot,En door een god'lijk vuur des yvers voortgedrevenBevestigden hun leer met een goed heilig leven,Als penningen, die niet van heldre munte alleenMaar oprecht van allooi ook blonken voor elk een.Pythagoor, Samos' roem, ons leeret als de wijzeGebruiken soberheid in drank en ook in spijze.De goede Socrates, onnoozel, zonder schuld,Leert ons het lastig kruis verwinnen met geduld.Dioognes, in zijn vat, bespot het ydel wroegen[18]Van onze onnutte zorge, en leeret ons genoegen.De tijdelijke haaf, leert Crates, de Thebaan,Om vord'ren inde deugd, ons al geheel ontslaan[19].En Solon dadelijk, vermaant ons zonderlingen[20]Met stille zedigheid ons losse tong te dwingen.etc.Maar den verdurven mensche en wast noch niet genoeg,Of zijn gemoed alschoon[21]met der wijs-gieren ploegDus omgespittet was; dies veel Poëten abel[22],Om leer en met genucht, verzierden[23]meenge fabel,Die onder hunne schorss' gemeenlijk hielden inEen schoon geheimenisse of leerelijken zin,Daarmede 't woeste volk, al boerdig[24]en met jokken,Als met een lokkende aas, goedwillig werd[14]getrokkenIn 's wijsheids heilig net, den goddelijken strik,Die ons gelukkig maakt op eenen oogenblik.D' history-schrijvers, die benevens hun voortbrachtenAl d'oû geschichten[25]op den Altaar der gedachten,[26]Betoonden ieder een, met menig voorbeeld schoon,Hoe 't kwaad zijn straffe vindt en 't goede zijnen loon;Hoe de eene om leege[10]valt, en de ander is geklommen,Wanneer, waarom, waardoor dit al is bijgekommen[27].etc.Maar als ik nu te gaâr[28]het onderscheiden werkVan alle schrijvers raap, zoo is hun oogen-merkEn doel-wit algemeen geweest, het schoon bekransteBeeld van d' oprechte deugd, de bruid daar 't al om danste:Ik, volgende als op 't spoor (hoe kwalijk het mij veugt)[29]Hier eenen winkel heb geopend, daar de jeugdEen kostelijk threzoor van veelderlei kleinoden,Voor een kleinen prijs werd vrundlijk aangeboden:De dicht-kunst vindt men hier vereenigd hupsch en fijnMet beelden, d'wijl zij beids[30]gezusters t' zamen zijn:De een spreekt, en de ander zwijgt; de een klapt 't geen de ander heelde;'t Gedicht verklaart den zin en leerlijkheid van 't beelde;De beelden zijn de stof van 't vloeyende gedicht,En toonen ieder zoo een vrolijk aangezicht.Maar als ik ommezie, wie met een milde ontfermenMijn slechte Musa voor de schempers zal beschermen,Ik mijnen Abraham verkieze, knap en gaauw[31]Die heur vergunnen zal een liefelijke schaauw':Alreede is zij verblijd, misschien om dat den zegen,Dien hij te Romen heeft zoo goedertieren kregenVan zijne Heiligheid[32], hij, uit zijn goedheid plein[33],Zal storten op heur hoofd en maken heur gemein[34]:Ei! ziet eens hoe zij lacht, om dat zij valt in handenDesgenen, die verliet des Rijns vermaarde stranden,En kwam te Parthenoop'[35], daar Maro[36]uit der tijdHeeft zijne sterflijkheid den marmor toegewijd.Goedwillig dan aanvaardt, Mæcenas[37]! mijne gunste,Die hier in meer uitmunt, als mijn geringste kunste,Omhelst mijn Zang-godin, en bindt alzoo te hoopOns lieve zwagerschap in eenen vasten knoop.Den al uwen Z(wager)I. V. Vondelen.DIRK PIETERSZ.[38]AAN ALLE DEUGD- EN KUNST-LIEVENDEN.SONNET.Liefhebbers! komt vrij aan, voor ieder een staat openDe Gulden Winkel hier: komt en beziet vrij, ofVeel liever koopt mij uit: ik heb hier nieuwe stofOm voeden uwen geest; voorbij en wilt niet loopen.Voor een geringe munt wilt eenen Winkel koopenVan alderhande waar, of eenen schoonen hofVan alderlei gebloemt, waaruit gij moogt met lofU vlechten eenen krans; plukt bloemkens hier met hoopen,Of zoo 't u niet en lust, wordt biekens[39], en met vlijtUit dit geschilderd dal zoet honigzeem confijt.Hymettus staat hier schoon gebloeid als eenen ruiker.Hier is des deugds trezoor; indien gij zijt belust,Leergierigen! komt hier, en uwen honger blust;De deugd bereikt de kroon, zij eindigt al in suiker.DEUGD BEREIKT DE KROON.I.(ADAM IN 'T PARADIJS.)Twee werelden ziet hier, d' een groot en d' ander kleen,Die wonderlijk te zaam zich[40]dragen[40]overeen.1Pet. 1:Al 's menschen heerlijkheid, al 's menschen pracht en roeme,Is niet als gras en hooi, of als een veldsche[41]bloeme.Aanschouwer, of het u een dwaasheid docht verwijtel[42]Dat 't redelijke dier[43]onaardig met den tytelVan Kleine Wereld[44]werd gecierd en afgemaald[45],Ik bid's u, op dit beeld' eens met uw aanzicht straalt[46]Den mensen, den kleinen mensch toont u in korter[47]stonde,Kleen zijnde, 't heel begrijp van 's werelds groote ronde.God heeft den grootenALdoor 't eeuwig woord geteeld,Hij is den Schepper ook van dit zoet-apig[48]beeld:Zee, hemelen, en aard' bestaan in vier hoofd-stoffen,Zoo doet dit schepsel ook; is dat niet juist getroffen?Zijn gramschap is het vuur, zijn roode bloed de locht,Zijn vochtige natuur het water koud en vocht,En zijn zwaarmoedigheid is de aarde droef en duister.Heeft 't koninklijk paleis des werelds, vol van luister,Oost, Westen, Zuid en Noord, voor open poorten vier,'t Is even eens gesteld met dit twee-ledig dier:Zijn rechter is het Oost, zijn slinker hand het Weste[49],Zijn hoofd het Zuiden, en zijn voeten 't Noordsch geweste.De groote wereld heeft twee wakkere oogen staanIn 't hoofd, de eene is de zon, en de ander is de maan;De kleine van gelijk twee glinsterende kolenIn zijnen hemel draagt, om 's daags noch 's nachts te dolen:Ja, niets en is het groot getimmer meêgedeeld,Dat niet in 't aanzicht van het kleine boussel[50]speelt.Den grooten Globus rolt, en werd[51]steeds voortgedragen,Van lenten, zomer, herfst en winter, met zijn vlagen;Den kleinen van gelijk zijn kindschheid wederom,Zijn jeugd, zijn manheid heeft, en zijnen ouderdom.Kort om, den grootenALheeft zijn begin en ende,Den kleinen komt met druk, en scheidt weêr met ellende,En dus zij beidegaâr verdwijnen als een rook,Want zoo de wereld is, zoo zijn de menschen ook,Behalven dat den mensch zal worden nieuws-herboren,En uit den grave opstaan, als alles is verloren.II.(DE ZILVREN WERELD-EEUW.)Ziet, hoe Jupijn bestiert des werelds zilv'ren eeuwe,Des zomers groen van 't loof, en 's winters wit van sneeuwe.Gen. 3:In 't zweet uws aangezichts zult gij uw brood bekomen,Tot dat gij aarde werdt, waarvan gij zijt genomen.Toen zich den gulden eeuw' het onderst' boven wendde(Gelijk een wankel rad) met droefheid en ellende,Den zilv'ren eeuwe kwam, daar Jupiter van droegDen scepter, die terstond op eenen and'ren boegHet groote wereld-schip deed wonderlijke zeilen,Want hij 't twaalfmaandig jaar ging in vier deelen deilen[52]:Toen werd men eerst gewaar des zomers heeten brand,En 's winters strenge koû, de dorrigheid van 't land:Toen liep eerst ieder een ontschuilen in de klippen,'t Rood zomers aangezicht, en 's winters blaauwe lippen,En de ossen men in 't juk al hijgende en bezweetDoor onzes moeders[53]borst 't krom kouter trekken deed.III.(CUPIDO'S VAL.)Ziet, hoe Cupido valt, en om zijn oude luimenZoo schandelijken moet den schoonen Hemel ruimen.Jesai. 13:Die boven 't hemelsch heir dacht stellen zijnen stoel,Van Godes aangezicht viel in den helschen poel.Cupido, Venus' wicht, ontstak met zijne stralenHet heilig hemelsch koor, en al de hooge zalen:'t Een herte heeft hij voor, het ander na doorkliefd,Het kweelden[54]al van min, het kweelden al van liefd:Hij werd terstond ge-eerd van zoo veel groote joff'ren:Nu ging hem de eene dit, nu de ander dat opoff'ren.Jupijn die was beducht, ofwel (tot zijnder schand)Den Hemel op het lest mocht raken inden brand,Dies hij den bliksem nam, en, in een groot onweder,Met eenen strale vuurs hem werp[55]van boven neder.Die opgeklommen was tot 't alderhoogste wielMet eenen leegen kop weer inden afgrond viel.IV.(PALLAS' GEBOORTE.)Aanmerkt, hoe Jovis baart Minervam uit zijn hoofd,Naar dat den manken smid[56]zijn hersnen heeft gekloofd.Jacob. 3:De wijsheid, die van God daalt met haar witte vlerken,Is reedlijk, ongeveinsd, en vol van goede werken.Ziet, hoe de kreuple smid Jupijn voormaals geriefde,En met een scherpe bijl van diamanten kliefdeZijn zwang're hoofd, dat hem het harssebekken kraakt.Waar door Minerva eerst in 't licht der wereld raakt.Maar zegt, ô Musa! zegt, en leeren deze versenNiet, dat de wijsheid ligt gescholen inde hersen[57]?Dat 't kleinood des verstands, gelijk een heerlijk lotAlleen van boven komt, alleene komt van God?En dat dit godlijk zaad ontvangen werd te voren,Daarna met smerte en pijn gewonnen en geboren?Maar, lieve! zegt mij doch, waarom wordt wijd befaamdDe wijze Pallas ook Tritonia genaamd?Is't niet, om dat (gelijk 't begrepen werd bij velen)De wijsheid recht bestaat in driederleye deelen?'t Geen is, 't geen was, 't geen zal, volkomen alle driênVerstaan, gedenken, en aandachtig te voorzien?Waarna ten laatsten dan de koninklijke redenZijn macht en mogendheid weet wijslijk te besteden.V.(PROMETHEUS' STRAF.)Ziet hier Japeti zoon om zijn vier-dieft[58]gebonden,Wiens lever groeit des nachts, en werd des daags verslonden.Marc. 2:Den worm (die niet en sterft in 't ongebluste vier)Den boozen eeuwig knaagt, wanneer hij scheidt van hier.Ey ziet, hoe Prometheus[59]van Jupiter verstooten,Zoo jammerlijk en droef aan Caucaso[60]geslotenDen Echo gaande houdt en, met een droef geween:"Ah my! ah my! ah my!"[61]wekt driemaal achter een.Den arend[62]niet en rust; ziet hem eens lever-pikken,En als een gretig aas het rouwe vleesch inslikken:De Goden lastert hij, en wenscht, in dezen nood,Dat hij zijn leven hier mag einden met een dood.Maar 't is vergeefs geklaagd, zijn lever, langs hoe wreeder,Is 's daags des vogels roof, en groeit bij nachte weder.Onzalig is te recht die 's Hemels gunste derft,Die stervende altijd leeft, en levende altijd sterft.O, mensche, spiegelt u! verzoent in tijds Gods toren[63],Want als de booze sterft zijn straffe eerst werd geboren:Al zwijgt God hier een wijl, zoo wordt nochtans het endDes kwaden, op het lest, 't begin van zijne ellend.VI.(DE BOOZE NIJD.)Ziet, hoe met heur een-ooghs[64]verlies de nijdigheidUit afgunst koopen wilt heurs naasten oogen beid'.Proverb. 14:Des lichaams leven is een goedig hert vol vreden,Maar bittre nijdigheid is etter inde leden.Den grooten Jovis zand[65]Apollinem op eerden,Met zijn saffranig hoofd, en met zijn vuur'ge peerden,Op dat hij Nymfen twee zoude ernstig dragen veur,Dat hij uit louter gunst hun gaf den willekeur,Dat de een zoude eischen wat heur herte mocht bedenken,En de ander hij tweemaal zoo rijken gift zou schenken,Als de eerste wenschen mocht. 't Was niet zoo haast gezeîd,Of d'herten-knaagster kwam, de zwarte nijdigheid:"O, Febe! (zeide zij) spant uwen gouden bogeMet eenen stalen schicht, en van mijn rechter ooge't Gezicht des appels kwetst, ô Febe! ik verkies't,Ten minste de ander heur oog-appels beid' verliest."Aldus schept nijdigheid (genegen tot den kwade)Een wonderlijk' proffijt uit heures naasten schade,Ze en spaart haar eene oog niet, hoe ook de zake loopt,Wanneer zij daar meê slechts eens anders blindheid koopt.VII.('S MENSCHEN EINDPERK.)Den Pijler, die gij ziet, van Godes schikking isEen levendig patroon[66]en klare beeldenis.Job. 14:Den Heere heeft den Mensch, voor zijnen laatsten dag,Gesteld een perk, 'twelk hij niet overtreden mag.Den marmeren pilaar staat vast en onbezweken,Hij wijkt niet voor Jupijn, maar blijft een eeuwig teeken;In spijt van weêr en wind, klimt hij ten Hemel op,En stijgt hij inde locht met een trotschen kop:Den paal staat daar hij staat, hij weet van geen verschrikking,Te recht hij een figure en beelde is van Gods schikking,'t Gezet[67]welk is gesteld door 't Goddelijk beleed[68],Hoe groot, hoe hoog, hoe diep, hoe lang, hoe wijd, hoe breed,Wat was, wat is, en blijft, van gist'ren, heden, morgen,O, dit ligt wonder diep in Godes raad verborgen!Zoo diep, dat ik mij[69]eize, als ik dien afgrond naak;Blijd' ben ik, blijd', dat ik daar weder uit geraak.VIII.(GODS WRAAK.)Ziet hoe de wrake Gods (op dat wij niet en dolen)Hier vergeleken werd bij eenen stillen molen.Luc. 18:Zal God niet wreken dan zijn lieve en uitverkoren,Hoewel hij goedertier, en langzaam is tot tooren?Den molen, die een wijl staat stille zonder wielen[70],Gelijkt de wrake Gods die 't kwaad heel zal vernielen:Den molen slapet wel een wijle windeloos,Zoo doet ook Godes wrake, al zijn wij nog zoo boos:Maar als den storm-wind blaast, als of hij waar verkorseld[71]Den zwaren molen-steen al 't graan tot gruis vermorselt.Zoo ook, als zich verheft de gramschap onzes Gods,Werd al het kwaad vermaald, al zijn wij nog zoo trotsch.Den stillen molen dan ons allen zij een bake,Dat wij de goedheid Gods erkennen vóór zijn wrake:Want of zij schoon vertoeft, zoo zal zij doch in 't lestGelijk den bliksem gaan van 't Oosten tot in 't West.Die Gods lankmoedigheid dan hier, naar 's vleeschs behagen,Heeft achteloos verzuimd, zal't veel te spa beklagen,Wanneer dengene, die hem vriendlijk heeft genood,Met een wreed aangezicht hem in den afgrond stoot.IX.(HEILZAAM KRUID.)Ziet, hoe een zeldzaam kruid (o, wonderlijk bedrijf!)Het leven weder brengt in een gesturven[72]lijf.Sap. 16:Geen kruid noch plaaster heeft Israël in 't gemeenGenezen, dan, o Heere! uw eeuwig Woord alleen.Twijl Esculapius vast wandelt op en neder,En tot gezondheid zoekt de kruiden groen en teder,Hij eenen herder ziet, die in een dal gezwindStrijdt met den basilisk, welk hij op 't lest verwint,Door kracht en middel van een deel gevlochten blaren,Daar zijn hoofd-slapen beid met overschaduwd waren;Dies Esculapius hem vurig daar om bad.Maar naauw den herder hem dees gift geschonken had,Den loozen basilisk, die haddet[73]haast vernomen:Dies hij om strijden weêr is haastig aangekomen.Maar, laas! den jongeling te zwak viel en te licht,Hij stort, zoo haast hij zag 't wreed monsters aangezicht!Het welk den grooten Arts naauw ziende, hem gewrevenHeeft met hetzelfde kruid[74], en bracht hem zoo ten leven.'t Welk, als ik 't overdenk, gaat boven mijn verstand,Dat zulken grooten kracht het kruid is ingeplant.X.(GOD BACCHUS.)'t Is Bacchus die hier zit, naar 't leven uitgebeeld,Die ons den geest verheugt, en alle zorge ontsteelt[75].Syr. 31:Den eedlen zoeten wijn verkwikt des menschen hert,Wanneer hij matiglijk met smaak genuttigd werd.Hier zit den Wijn-god zelf met zijnen platten kroes,Op zijn gezadeld ros, en speelt al vast à-vous!O Bacche! drinkt eens om, en laat ons ook à-moyen[76],'t Vat is niet hallefleêg, wij mogen noch wel poyen[77]:Maar zegt mij, hoe uw hoofd dees lichte vleugels krijgt,En Pegasus aldus gevlerkt naar boven stijgt?Is 't niet, o geve-lust, wijn-vinder, licht-beloven[78]!Omdat de wijn versterkt en stiert den geest na boven?Maar waarom krunkelt dus dees wijnranke in uw hand?Is't niet, omdat gij eerst den wijnstok hebt geplant?Waaromme zijdy[79]dus geschilderd blij en jeugdig?Is 't niet omdat de wijn den mensch maakt kinds[80]en vreugdig?En waarom zijdy[79]naakt? is 't, om dat onbeschaamdDen dronkaart niet en weet, noch acht wat hem betaamt?O dat is wel geraân! dus drinkt uit mijnder[81]schalen[81]Eens lekker druiven-bloed, ik zal 't gelag betalen.XI.(DE VREDE.)De vreed' veel overvloeds een ieder maakt gemeen,Wanneerden dullen krijg met voeten ligt vertreên.Job, 22:Vereenigt u met God, hebt vrede in uw gemoeden,Gij werdt uit zijnen schoot gezegend met veel goeden[82].Ziet Cornucopia[83]met heuren vollen horenOntluiken, twijlen Mars, al schuimende van tooren,Met zijn Bellona[84]ligt getreden met de voet:Gekneusd is zijnen schild, en zijnen stalen hoed,Zijn ijzer is verstompt, en zijne spies gebroken:Zoo dapper heeft de vreed' zich over hem gewroken.Duurt lange, o zoete vreed'! dat eeuwig voor dy buig'Den dullen God des krijgs met al zijn wapen-tuig!Verstikt zijn moord-trompet, en laat zijn vendels rotten,Scheurt zijn banieren al, en werpt ze voor de motten!Zijn woedige[85]trofeên vernielt, hoe schoon en weerd!Maakt van zijn spies een zeyn[86], een kouter van zijn zweerd,Opdat den akkerman weêr met een goed genoegenMag onzes moeders rug doorvoren en doorploegen,En Ceres wederom toewijden, met genucht,Het eerste veld-gewas, het eerste van zijn vrucht.XII.(WELDADIGE WERKZAAMHEID.)

De deugd, de witte[1]deugd, die altijd werd[2]verschoven,De deugd, die 't edel goud en peerlen gaat te boven,Is de alderschoonste kroone en 't heerlijkste cieraad,Dat hier den mensche siert, waar dat hij henen gaat.Wat is een deugdig mensche een siersel vander eerden!Of schoon den[3]meestendeel hem acht van kleender weerden[4],Zoo blinkt hij inden hoop van dit verkeerd geslacht,Gelijk een gouden sterre in 't droefste vanden nacht:Of als een schoone roos, die in de doornen-struiken,Op haren groenen steel heur bladen gaat ontluiken,Waar uit de Lentsche[5]bie (terwijl de zonne straalt)Geen doodelijk venijn, maar zoeten honig haalt.Hoe heusch is zijnen mond! hoe heilig zijn zijn treden!Hoe liefelijk zijn taal! hoe aangenaam zijn zeden!Hoe statig van gelaat! hoe matig aanden disch!Al wat men aan hem ziet aanmerkensweerdig is:Gelijk een lely-bloem verspreidt hij zijne reuke;Een lesse is elke daad, elk woord een gulden spreuke,Die aan hem werd[2]gespeurd, die van hem werd gehoord,Al zwijgt hij schoon[6], zoo spreekt al watmen aan hem spoort[7]:Hij is een naakt voorbeelde, of spiegel, daar de gekkenSchaamrood in mogen zien hun schandelijke vlekken,Daarmeed' zij zijn besmet, daarmeed' zij zijn besmeurd[8];Hij is de rechte toets, waar aan de vrome[9]keurtDe deugd van zijne deugd, de vroomheid van zijn leven,Hoe hoog hij klimmen moet, hoe leeg[10]hij is gebleven:Vermits de berg, waar op de deugd stijgt inde locht,En heur gelauwerd hoofd maakt inde wolken vocht,Zoo hooge is en zoo steil, ja moeilijk om bestappen,Langs eenen engen pad, met gladde en slimme[11]trappen;Vermids van duizend naauw raakt eenen op den tsop[12]Van dees verheven hoogte, alwaar hem zijnen kop[13]Met palm bevlochten werd[14], tot teeken dat ten lestenEen heerlijke kroon den klimmers is ten besten;—Zoo hebben de ouden nooit noch vlijt noch moeit gespaardOm wisselen[15]in deugd des menschen kwaden aard:De filosofen of verstandige wijs-gieren[16]Vervulden tot dien eind' het wit van hun papierenMet meenge schoone les, welk, als een rijk kleinood,Zij wirpen[17]ieder een, om niet, in zijnen schoot,En door een god'lijk vuur des yvers voortgedrevenBevestigden hun leer met een goed heilig leven,Als penningen, die niet van heldre munte alleenMaar oprecht van allooi ook blonken voor elk een.Pythagoor, Samos' roem, ons leeret als de wijzeGebruiken soberheid in drank en ook in spijze.De goede Socrates, onnoozel, zonder schuld,Leert ons het lastig kruis verwinnen met geduld.Dioognes, in zijn vat, bespot het ydel wroegen[18]Van onze onnutte zorge, en leeret ons genoegen.De tijdelijke haaf, leert Crates, de Thebaan,Om vord'ren inde deugd, ons al geheel ontslaan[19].En Solon dadelijk, vermaant ons zonderlingen[20]Met stille zedigheid ons losse tong te dwingen.etc.Maar den verdurven mensche en wast noch niet genoeg,Of zijn gemoed alschoon[21]met der wijs-gieren ploegDus omgespittet was; dies veel Poëten abel[22],Om leer en met genucht, verzierden[23]meenge fabel,Die onder hunne schorss' gemeenlijk hielden inEen schoon geheimenisse of leerelijken zin,Daarmede 't woeste volk, al boerdig[24]en met jokken,Als met een lokkende aas, goedwillig werd[14]getrokkenIn 's wijsheids heilig net, den goddelijken strik,Die ons gelukkig maakt op eenen oogenblik.D' history-schrijvers, die benevens hun voortbrachtenAl d'oû geschichten[25]op den Altaar der gedachten,[26]Betoonden ieder een, met menig voorbeeld schoon,Hoe 't kwaad zijn straffe vindt en 't goede zijnen loon;Hoe de eene om leege[10]valt, en de ander is geklommen,Wanneer, waarom, waardoor dit al is bijgekommen[27].etc.Maar als ik nu te gaâr[28]het onderscheiden werkVan alle schrijvers raap, zoo is hun oogen-merkEn doel-wit algemeen geweest, het schoon bekransteBeeld van d' oprechte deugd, de bruid daar 't al om danste:Ik, volgende als op 't spoor (hoe kwalijk het mij veugt)[29]Hier eenen winkel heb geopend, daar de jeugdEen kostelijk threzoor van veelderlei kleinoden,Voor een kleinen prijs werd vrundlijk aangeboden:De dicht-kunst vindt men hier vereenigd hupsch en fijnMet beelden, d'wijl zij beids[30]gezusters t' zamen zijn:De een spreekt, en de ander zwijgt; de een klapt 't geen de ander heelde;'t Gedicht verklaart den zin en leerlijkheid van 't beelde;De beelden zijn de stof van 't vloeyende gedicht,En toonen ieder zoo een vrolijk aangezicht.Maar als ik ommezie, wie met een milde ontfermenMijn slechte Musa voor de schempers zal beschermen,Ik mijnen Abraham verkieze, knap en gaauw[31]Die heur vergunnen zal een liefelijke schaauw':Alreede is zij verblijd, misschien om dat den zegen,Dien hij te Romen heeft zoo goedertieren kregenVan zijne Heiligheid[32], hij, uit zijn goedheid plein[33],Zal storten op heur hoofd en maken heur gemein[34]:Ei! ziet eens hoe zij lacht, om dat zij valt in handenDesgenen, die verliet des Rijns vermaarde stranden,En kwam te Parthenoop'[35], daar Maro[36]uit der tijdHeeft zijne sterflijkheid den marmor toegewijd.Goedwillig dan aanvaardt, Mæcenas[37]! mijne gunste,Die hier in meer uitmunt, als mijn geringste kunste,Omhelst mijn Zang-godin, en bindt alzoo te hoopOns lieve zwagerschap in eenen vasten knoop.Den al uwen Z(wager)I. V. Vondelen.

De deugd, de witte[1]deugd, die altijd werd[2]verschoven,De deugd, die 't edel goud en peerlen gaat te boven,Is de alderschoonste kroone en 't heerlijkste cieraad,Dat hier den mensche siert, waar dat hij henen gaat.Wat is een deugdig mensche een siersel vander eerden!Of schoon den[3]meestendeel hem acht van kleender weerden[4],Zoo blinkt hij inden hoop van dit verkeerd geslacht,Gelijk een gouden sterre in 't droefste vanden nacht:Of als een schoone roos, die in de doornen-struiken,Op haren groenen steel heur bladen gaat ontluiken,Waar uit de Lentsche[5]bie (terwijl de zonne straalt)Geen doodelijk venijn, maar zoeten honig haalt.Hoe heusch is zijnen mond! hoe heilig zijn zijn treden!Hoe liefelijk zijn taal! hoe aangenaam zijn zeden!Hoe statig van gelaat! hoe matig aanden disch!Al wat men aan hem ziet aanmerkensweerdig is:Gelijk een lely-bloem verspreidt hij zijne reuke;Een lesse is elke daad, elk woord een gulden spreuke,Die aan hem werd[2]gespeurd, die van hem werd gehoord,Al zwijgt hij schoon[6], zoo spreekt al watmen aan hem spoort[7]:Hij is een naakt voorbeelde, of spiegel, daar de gekkenSchaamrood in mogen zien hun schandelijke vlekken,Daarmeed' zij zijn besmet, daarmeed' zij zijn besmeurd[8];Hij is de rechte toets, waar aan de vrome[9]keurtDe deugd van zijne deugd, de vroomheid van zijn leven,Hoe hoog hij klimmen moet, hoe leeg[10]hij is gebleven:Vermits de berg, waar op de deugd stijgt inde locht,En heur gelauwerd hoofd maakt inde wolken vocht,Zoo hooge is en zoo steil, ja moeilijk om bestappen,Langs eenen engen pad, met gladde en slimme[11]trappen;Vermids van duizend naauw raakt eenen op den tsop[12]Van dees verheven hoogte, alwaar hem zijnen kop[13]Met palm bevlochten werd[14], tot teeken dat ten lestenEen heerlijke kroon den klimmers is ten besten;—Zoo hebben de ouden nooit noch vlijt noch moeit gespaardOm wisselen[15]in deugd des menschen kwaden aard:De filosofen of verstandige wijs-gieren[16]Vervulden tot dien eind' het wit van hun papierenMet meenge schoone les, welk, als een rijk kleinood,Zij wirpen[17]ieder een, om niet, in zijnen schoot,En door een god'lijk vuur des yvers voortgedrevenBevestigden hun leer met een goed heilig leven,Als penningen, die niet van heldre munte alleenMaar oprecht van allooi ook blonken voor elk een.Pythagoor, Samos' roem, ons leeret als de wijzeGebruiken soberheid in drank en ook in spijze.De goede Socrates, onnoozel, zonder schuld,Leert ons het lastig kruis verwinnen met geduld.Dioognes, in zijn vat, bespot het ydel wroegen[18]Van onze onnutte zorge, en leeret ons genoegen.De tijdelijke haaf, leert Crates, de Thebaan,Om vord'ren inde deugd, ons al geheel ontslaan[19].En Solon dadelijk, vermaant ons zonderlingen[20]Met stille zedigheid ons losse tong te dwingen.etc.Maar den verdurven mensche en wast noch niet genoeg,Of zijn gemoed alschoon[21]met der wijs-gieren ploegDus omgespittet was; dies veel Poëten abel[22],Om leer en met genucht, verzierden[23]meenge fabel,Die onder hunne schorss' gemeenlijk hielden inEen schoon geheimenisse of leerelijken zin,Daarmede 't woeste volk, al boerdig[24]en met jokken,Als met een lokkende aas, goedwillig werd[14]getrokkenIn 's wijsheids heilig net, den goddelijken strik,Die ons gelukkig maakt op eenen oogenblik.D' history-schrijvers, die benevens hun voortbrachtenAl d'oû geschichten[25]op den Altaar der gedachten,[26]Betoonden ieder een, met menig voorbeeld schoon,Hoe 't kwaad zijn straffe vindt en 't goede zijnen loon;Hoe de eene om leege[10]valt, en de ander is geklommen,Wanneer, waarom, waardoor dit al is bijgekommen[27].etc.Maar als ik nu te gaâr[28]het onderscheiden werkVan alle schrijvers raap, zoo is hun oogen-merkEn doel-wit algemeen geweest, het schoon bekransteBeeld van d' oprechte deugd, de bruid daar 't al om danste:Ik, volgende als op 't spoor (hoe kwalijk het mij veugt)[29]Hier eenen winkel heb geopend, daar de jeugdEen kostelijk threzoor van veelderlei kleinoden,Voor een kleinen prijs werd vrundlijk aangeboden:De dicht-kunst vindt men hier vereenigd hupsch en fijnMet beelden, d'wijl zij beids[30]gezusters t' zamen zijn:De een spreekt, en de ander zwijgt; de een klapt 't geen de ander heelde;'t Gedicht verklaart den zin en leerlijkheid van 't beelde;De beelden zijn de stof van 't vloeyende gedicht,En toonen ieder zoo een vrolijk aangezicht.Maar als ik ommezie, wie met een milde ontfermenMijn slechte Musa voor de schempers zal beschermen,Ik mijnen Abraham verkieze, knap en gaauw[31]Die heur vergunnen zal een liefelijke schaauw':Alreede is zij verblijd, misschien om dat den zegen,Dien hij te Romen heeft zoo goedertieren kregenVan zijne Heiligheid[32], hij, uit zijn goedheid plein[33],Zal storten op heur hoofd en maken heur gemein[34]:Ei! ziet eens hoe zij lacht, om dat zij valt in handenDesgenen, die verliet des Rijns vermaarde stranden,En kwam te Parthenoop'[35], daar Maro[36]uit der tijdHeeft zijne sterflijkheid den marmor toegewijd.Goedwillig dan aanvaardt, Mæcenas[37]! mijne gunste,Die hier in meer uitmunt, als mijn geringste kunste,Omhelst mijn Zang-godin, en bindt alzoo te hoopOns lieve zwagerschap in eenen vasten knoop.Den al uwen Z(wager)I. V. Vondelen.

De deugd, de witte[1]deugd, die altijd werd[2]verschoven,De deugd, die 't edel goud en peerlen gaat te boven,Is de alderschoonste kroone en 't heerlijkste cieraad,Dat hier den mensche siert, waar dat hij henen gaat.Wat is een deugdig mensche een siersel vander eerden!Of schoon den[3]meestendeel hem acht van kleender weerden[4],Zoo blinkt hij inden hoop van dit verkeerd geslacht,Gelijk een gouden sterre in 't droefste vanden nacht:Of als een schoone roos, die in de doornen-struiken,Op haren groenen steel heur bladen gaat ontluiken,Waar uit de Lentsche[5]bie (terwijl de zonne straalt)Geen doodelijk venijn, maar zoeten honig haalt.Hoe heusch is zijnen mond! hoe heilig zijn zijn treden!Hoe liefelijk zijn taal! hoe aangenaam zijn zeden!Hoe statig van gelaat! hoe matig aanden disch!Al wat men aan hem ziet aanmerkensweerdig is:Gelijk een lely-bloem verspreidt hij zijne reuke;Een lesse is elke daad, elk woord een gulden spreuke,Die aan hem werd[2]gespeurd, die van hem werd gehoord,Al zwijgt hij schoon[6], zoo spreekt al watmen aan hem spoort[7]:Hij is een naakt voorbeelde, of spiegel, daar de gekkenSchaamrood in mogen zien hun schandelijke vlekken,Daarmeed' zij zijn besmet, daarmeed' zij zijn besmeurd[8];Hij is de rechte toets, waar aan de vrome[9]keurtDe deugd van zijne deugd, de vroomheid van zijn leven,Hoe hoog hij klimmen moet, hoe leeg[10]hij is gebleven:Vermits de berg, waar op de deugd stijgt inde locht,En heur gelauwerd hoofd maakt inde wolken vocht,Zoo hooge is en zoo steil, ja moeilijk om bestappen,Langs eenen engen pad, met gladde en slimme[11]trappen;Vermids van duizend naauw raakt eenen op den tsop[12]Van dees verheven hoogte, alwaar hem zijnen kop[13]Met palm bevlochten werd[14], tot teeken dat ten lestenEen heerlijke kroon den klimmers is ten besten;—Zoo hebben de ouden nooit noch vlijt noch moeit gespaardOm wisselen[15]in deugd des menschen kwaden aard:De filosofen of verstandige wijs-gieren[16]Vervulden tot dien eind' het wit van hun papierenMet meenge schoone les, welk, als een rijk kleinood,Zij wirpen[17]ieder een, om niet, in zijnen schoot,En door een god'lijk vuur des yvers voortgedrevenBevestigden hun leer met een goed heilig leven,Als penningen, die niet van heldre munte alleenMaar oprecht van allooi ook blonken voor elk een.Pythagoor, Samos' roem, ons leeret als de wijzeGebruiken soberheid in drank en ook in spijze.De goede Socrates, onnoozel, zonder schuld,Leert ons het lastig kruis verwinnen met geduld.Dioognes, in zijn vat, bespot het ydel wroegen[18]Van onze onnutte zorge, en leeret ons genoegen.De tijdelijke haaf, leert Crates, de Thebaan,Om vord'ren inde deugd, ons al geheel ontslaan[19].En Solon dadelijk, vermaant ons zonderlingen[20]Met stille zedigheid ons losse tong te dwingen.etc.Maar den verdurven mensche en wast noch niet genoeg,Of zijn gemoed alschoon[21]met der wijs-gieren ploegDus omgespittet was; dies veel Poëten abel[22],Om leer en met genucht, verzierden[23]meenge fabel,Die onder hunne schorss' gemeenlijk hielden inEen schoon geheimenisse of leerelijken zin,Daarmede 't woeste volk, al boerdig[24]en met jokken,Als met een lokkende aas, goedwillig werd[14]getrokkenIn 's wijsheids heilig net, den goddelijken strik,Die ons gelukkig maakt op eenen oogenblik.D' history-schrijvers, die benevens hun voortbrachtenAl d'oû geschichten[25]op den Altaar der gedachten,[26]Betoonden ieder een, met menig voorbeeld schoon,Hoe 't kwaad zijn straffe vindt en 't goede zijnen loon;Hoe de eene om leege[10]valt, en de ander is geklommen,Wanneer, waarom, waardoor dit al is bijgekommen[27].etc.Maar als ik nu te gaâr[28]het onderscheiden werkVan alle schrijvers raap, zoo is hun oogen-merkEn doel-wit algemeen geweest, het schoon bekransteBeeld van d' oprechte deugd, de bruid daar 't al om danste:Ik, volgende als op 't spoor (hoe kwalijk het mij veugt)[29]Hier eenen winkel heb geopend, daar de jeugdEen kostelijk threzoor van veelderlei kleinoden,Voor een kleinen prijs werd vrundlijk aangeboden:De dicht-kunst vindt men hier vereenigd hupsch en fijnMet beelden, d'wijl zij beids[30]gezusters t' zamen zijn:De een spreekt, en de ander zwijgt; de een klapt 't geen de ander heelde;'t Gedicht verklaart den zin en leerlijkheid van 't beelde;De beelden zijn de stof van 't vloeyende gedicht,En toonen ieder zoo een vrolijk aangezicht.Maar als ik ommezie, wie met een milde ontfermenMijn slechte Musa voor de schempers zal beschermen,Ik mijnen Abraham verkieze, knap en gaauw[31]Die heur vergunnen zal een liefelijke schaauw':Alreede is zij verblijd, misschien om dat den zegen,Dien hij te Romen heeft zoo goedertieren kregenVan zijne Heiligheid[32], hij, uit zijn goedheid plein[33],Zal storten op heur hoofd en maken heur gemein[34]:Ei! ziet eens hoe zij lacht, om dat zij valt in handenDesgenen, die verliet des Rijns vermaarde stranden,En kwam te Parthenoop'[35], daar Maro[36]uit der tijdHeeft zijne sterflijkheid den marmor toegewijd.Goedwillig dan aanvaardt, Mæcenas[37]! mijne gunste,Die hier in meer uitmunt, als mijn geringste kunste,Omhelst mijn Zang-godin, en bindt alzoo te hoopOns lieve zwagerschap in eenen vasten knoop.

De deugd, de witte[1]deugd, die altijd werd[2]verschoven,

De deugd, die 't edel goud en peerlen gaat te boven,

Is de alderschoonste kroone en 't heerlijkste cieraad,

Dat hier den mensche siert, waar dat hij henen gaat.

Wat is een deugdig mensche een siersel vander eerden!

Of schoon den[3]meestendeel hem acht van kleender weerden[4],

Zoo blinkt hij inden hoop van dit verkeerd geslacht,

Gelijk een gouden sterre in 't droefste vanden nacht:

Of als een schoone roos, die in de doornen-struiken,

Op haren groenen steel heur bladen gaat ontluiken,

Waar uit de Lentsche[5]bie (terwijl de zonne straalt)

Geen doodelijk venijn, maar zoeten honig haalt.

Hoe heusch is zijnen mond! hoe heilig zijn zijn treden!

Hoe liefelijk zijn taal! hoe aangenaam zijn zeden!

Hoe statig van gelaat! hoe matig aanden disch!

Al wat men aan hem ziet aanmerkensweerdig is:

Gelijk een lely-bloem verspreidt hij zijne reuke;

Een lesse is elke daad, elk woord een gulden spreuke,

Die aan hem werd[2]gespeurd, die van hem werd gehoord,

Al zwijgt hij schoon[6], zoo spreekt al watmen aan hem spoort[7]:

Hij is een naakt voorbeelde, of spiegel, daar de gekken

Schaamrood in mogen zien hun schandelijke vlekken,

Daarmeed' zij zijn besmet, daarmeed' zij zijn besmeurd[8];

Hij is de rechte toets, waar aan de vrome[9]keurt

De deugd van zijne deugd, de vroomheid van zijn leven,

Hoe hoog hij klimmen moet, hoe leeg[10]hij is gebleven:

Vermits de berg, waar op de deugd stijgt inde locht,

En heur gelauwerd hoofd maakt inde wolken vocht,

Zoo hooge is en zoo steil, ja moeilijk om bestappen,

Langs eenen engen pad, met gladde en slimme[11]trappen;

Vermids van duizend naauw raakt eenen op den tsop[12]

Van dees verheven hoogte, alwaar hem zijnen kop[13]

Met palm bevlochten werd[14], tot teeken dat ten lesten

Een heerlijke kroon den klimmers is ten besten;—

Zoo hebben de ouden nooit noch vlijt noch moeit gespaard

Om wisselen[15]in deugd des menschen kwaden aard:

De filosofen of verstandige wijs-gieren[16]

Vervulden tot dien eind' het wit van hun papieren

Met meenge schoone les, welk, als een rijk kleinood,

Zij wirpen[17]ieder een, om niet, in zijnen schoot,

En door een god'lijk vuur des yvers voortgedreven

Bevestigden hun leer met een goed heilig leven,

Als penningen, die niet van heldre munte alleen

Maar oprecht van allooi ook blonken voor elk een.

Pythagoor, Samos' roem, ons leeret als de wijze

Gebruiken soberheid in drank en ook in spijze.

De goede Socrates, onnoozel, zonder schuld,

Leert ons het lastig kruis verwinnen met geduld.

Dioognes, in zijn vat, bespot het ydel wroegen[18]

Van onze onnutte zorge, en leeret ons genoegen.

De tijdelijke haaf, leert Crates, de Thebaan,

Om vord'ren inde deugd, ons al geheel ontslaan[19].

En Solon dadelijk, vermaant ons zonderlingen[20]

Met stille zedigheid ons losse tong te dwingen.etc.

Maar den verdurven mensche en wast noch niet genoeg,

Of zijn gemoed alschoon[21]met der wijs-gieren ploeg

Dus omgespittet was; dies veel Poëten abel[22],

Om leer en met genucht, verzierden[23]meenge fabel,

Die onder hunne schorss' gemeenlijk hielden in

Een schoon geheimenisse of leerelijken zin,

Daarmede 't woeste volk, al boerdig[24]en met jokken,

Als met een lokkende aas, goedwillig werd[14]getrokken

In 's wijsheids heilig net, den goddelijken strik,

Die ons gelukkig maakt op eenen oogenblik.

D' history-schrijvers, die benevens hun voortbrachten

Al d'oû geschichten[25]op den Altaar der gedachten,[26]

Betoonden ieder een, met menig voorbeeld schoon,

Hoe 't kwaad zijn straffe vindt en 't goede zijnen loon;

Hoe de eene om leege[10]valt, en de ander is geklommen,

Wanneer, waarom, waardoor dit al is bijgekommen[27].etc.

Maar als ik nu te gaâr[28]het onderscheiden werk

Van alle schrijvers raap, zoo is hun oogen-merk

En doel-wit algemeen geweest, het schoon bekranste

Beeld van d' oprechte deugd, de bruid daar 't al om danste:

Ik, volgende als op 't spoor (hoe kwalijk het mij veugt)[29]

Hier eenen winkel heb geopend, daar de jeugd

Een kostelijk threzoor van veelderlei kleinoden,

Voor een kleinen prijs werd vrundlijk aangeboden:

De dicht-kunst vindt men hier vereenigd hupsch en fijn

Met beelden, d'wijl zij beids[30]gezusters t' zamen zijn:

De een spreekt, en de ander zwijgt; de een klapt 't geen de ander heelde;

't Gedicht verklaart den zin en leerlijkheid van 't beelde;

De beelden zijn de stof van 't vloeyende gedicht,

En toonen ieder zoo een vrolijk aangezicht.

Maar als ik ommezie, wie met een milde ontfermen

Mijn slechte Musa voor de schempers zal beschermen,

Ik mijnen Abraham verkieze, knap en gaauw[31]

Die heur vergunnen zal een liefelijke schaauw':

Alreede is zij verblijd, misschien om dat den zegen,

Dien hij te Romen heeft zoo goedertieren kregen

Van zijne Heiligheid[32], hij, uit zijn goedheid plein[33],

Zal storten op heur hoofd en maken heur gemein[34]:

Ei! ziet eens hoe zij lacht, om dat zij valt in handen

Desgenen, die verliet des Rijns vermaarde stranden,

En kwam te Parthenoop'[35], daar Maro[36]uit der tijd

Heeft zijne sterflijkheid den marmor toegewijd.

Goedwillig dan aanvaardt, Mæcenas[37]! mijne gunste,

Die hier in meer uitmunt, als mijn geringste kunste,

Omhelst mijn Zang-godin, en bindt alzoo te hoop

Ons lieve zwagerschap in eenen vasten knoop.

Den al uwen Z(wager)I. V. Vondelen.

Den al uwen Z(wager)

I. V. Vondelen.

Liefhebbers! komt vrij aan, voor ieder een staat openDe Gulden Winkel hier: komt en beziet vrij, ofVeel liever koopt mij uit: ik heb hier nieuwe stofOm voeden uwen geest; voorbij en wilt niet loopen.Voor een geringe munt wilt eenen Winkel koopenVan alderhande waar, of eenen schoonen hofVan alderlei gebloemt, waaruit gij moogt met lofU vlechten eenen krans; plukt bloemkens hier met hoopen,Of zoo 't u niet en lust, wordt biekens[39], en met vlijtUit dit geschilderd dal zoet honigzeem confijt.Hymettus staat hier schoon gebloeid als eenen ruiker.Hier is des deugds trezoor; indien gij zijt belust,Leergierigen! komt hier, en uwen honger blust;De deugd bereikt de kroon, zij eindigt al in suiker.DEUGD BEREIKT DE KROON.

Liefhebbers! komt vrij aan, voor ieder een staat openDe Gulden Winkel hier: komt en beziet vrij, ofVeel liever koopt mij uit: ik heb hier nieuwe stofOm voeden uwen geest; voorbij en wilt niet loopen.Voor een geringe munt wilt eenen Winkel koopenVan alderhande waar, of eenen schoonen hofVan alderlei gebloemt, waaruit gij moogt met lofU vlechten eenen krans; plukt bloemkens hier met hoopen,Of zoo 't u niet en lust, wordt biekens[39], en met vlijtUit dit geschilderd dal zoet honigzeem confijt.Hymettus staat hier schoon gebloeid als eenen ruiker.Hier is des deugds trezoor; indien gij zijt belust,Leergierigen! komt hier, en uwen honger blust;De deugd bereikt de kroon, zij eindigt al in suiker.DEUGD BEREIKT DE KROON.

Liefhebbers! komt vrij aan, voor ieder een staat openDe Gulden Winkel hier: komt en beziet vrij, ofVeel liever koopt mij uit: ik heb hier nieuwe stofOm voeden uwen geest; voorbij en wilt niet loopen.Voor een geringe munt wilt eenen Winkel koopenVan alderhande waar, of eenen schoonen hofVan alderlei gebloemt, waaruit gij moogt met lofU vlechten eenen krans; plukt bloemkens hier met hoopen,Of zoo 't u niet en lust, wordt biekens[39], en met vlijtUit dit geschilderd dal zoet honigzeem confijt.Hymettus staat hier schoon gebloeid als eenen ruiker.Hier is des deugds trezoor; indien gij zijt belust,Leergierigen! komt hier, en uwen honger blust;De deugd bereikt de kroon, zij eindigt al in suiker.

Liefhebbers! komt vrij aan, voor ieder een staat open

De Gulden Winkel hier: komt en beziet vrij, of

Veel liever koopt mij uit: ik heb hier nieuwe stof

Om voeden uwen geest; voorbij en wilt niet loopen.

Voor een geringe munt wilt eenen Winkel koopen

Van alderhande waar, of eenen schoonen hof

Van alderlei gebloemt, waaruit gij moogt met lof

U vlechten eenen krans; plukt bloemkens hier met hoopen,

Of zoo 't u niet en lust, wordt biekens[39], en met vlijt

Uit dit geschilderd dal zoet honigzeem confijt.

Hymettus staat hier schoon gebloeid als eenen ruiker.

Hier is des deugds trezoor; indien gij zijt belust,

Leergierigen! komt hier, en uwen honger blust;

De deugd bereikt de kroon, zij eindigt al in suiker.

DEUGD BEREIKT DE KROON.

DEUGD BEREIKT DE KROON.

Twee werelden ziet hier, d' een groot en d' ander kleen,Die wonderlijk te zaam zich[40]dragen[40]overeen.1Pet. 1:Al 's menschen heerlijkheid, al 's menschen pracht en roeme,Is niet als gras en hooi, of als een veldsche[41]bloeme.Aanschouwer, of het u een dwaasheid docht verwijtel[42]Dat 't redelijke dier[43]onaardig met den tytelVan Kleine Wereld[44]werd gecierd en afgemaald[45],Ik bid's u, op dit beeld' eens met uw aanzicht straalt[46]Den mensen, den kleinen mensch toont u in korter[47]stonde,Kleen zijnde, 't heel begrijp van 's werelds groote ronde.God heeft den grootenALdoor 't eeuwig woord geteeld,Hij is den Schepper ook van dit zoet-apig[48]beeld:Zee, hemelen, en aard' bestaan in vier hoofd-stoffen,Zoo doet dit schepsel ook; is dat niet juist getroffen?Zijn gramschap is het vuur, zijn roode bloed de locht,Zijn vochtige natuur het water koud en vocht,En zijn zwaarmoedigheid is de aarde droef en duister.Heeft 't koninklijk paleis des werelds, vol van luister,Oost, Westen, Zuid en Noord, voor open poorten vier,'t Is even eens gesteld met dit twee-ledig dier:Zijn rechter is het Oost, zijn slinker hand het Weste[49],Zijn hoofd het Zuiden, en zijn voeten 't Noordsch geweste.De groote wereld heeft twee wakkere oogen staanIn 't hoofd, de eene is de zon, en de ander is de maan;De kleine van gelijk twee glinsterende kolenIn zijnen hemel draagt, om 's daags noch 's nachts te dolen:Ja, niets en is het groot getimmer meêgedeeld,Dat niet in 't aanzicht van het kleine boussel[50]speelt.Den grooten Globus rolt, en werd[51]steeds voortgedragen,Van lenten, zomer, herfst en winter, met zijn vlagen;Den kleinen van gelijk zijn kindschheid wederom,Zijn jeugd, zijn manheid heeft, en zijnen ouderdom.Kort om, den grootenALheeft zijn begin en ende,Den kleinen komt met druk, en scheidt weêr met ellende,En dus zij beidegaâr verdwijnen als een rook,Want zoo de wereld is, zoo zijn de menschen ook,Behalven dat den mensch zal worden nieuws-herboren,En uit den grave opstaan, als alles is verloren.

Twee werelden ziet hier, d' een groot en d' ander kleen,Die wonderlijk te zaam zich[40]dragen[40]overeen.1Pet. 1:Al 's menschen heerlijkheid, al 's menschen pracht en roeme,Is niet als gras en hooi, of als een veldsche[41]bloeme.Aanschouwer, of het u een dwaasheid docht verwijtel[42]Dat 't redelijke dier[43]onaardig met den tytelVan Kleine Wereld[44]werd gecierd en afgemaald[45],Ik bid's u, op dit beeld' eens met uw aanzicht straalt[46]Den mensen, den kleinen mensch toont u in korter[47]stonde,Kleen zijnde, 't heel begrijp van 's werelds groote ronde.God heeft den grootenALdoor 't eeuwig woord geteeld,Hij is den Schepper ook van dit zoet-apig[48]beeld:Zee, hemelen, en aard' bestaan in vier hoofd-stoffen,Zoo doet dit schepsel ook; is dat niet juist getroffen?Zijn gramschap is het vuur, zijn roode bloed de locht,Zijn vochtige natuur het water koud en vocht,En zijn zwaarmoedigheid is de aarde droef en duister.Heeft 't koninklijk paleis des werelds, vol van luister,Oost, Westen, Zuid en Noord, voor open poorten vier,'t Is even eens gesteld met dit twee-ledig dier:Zijn rechter is het Oost, zijn slinker hand het Weste[49],Zijn hoofd het Zuiden, en zijn voeten 't Noordsch geweste.De groote wereld heeft twee wakkere oogen staanIn 't hoofd, de eene is de zon, en de ander is de maan;De kleine van gelijk twee glinsterende kolenIn zijnen hemel draagt, om 's daags noch 's nachts te dolen:Ja, niets en is het groot getimmer meêgedeeld,Dat niet in 't aanzicht van het kleine boussel[50]speelt.Den grooten Globus rolt, en werd[51]steeds voortgedragen,Van lenten, zomer, herfst en winter, met zijn vlagen;Den kleinen van gelijk zijn kindschheid wederom,Zijn jeugd, zijn manheid heeft, en zijnen ouderdom.Kort om, den grootenALheeft zijn begin en ende,Den kleinen komt met druk, en scheidt weêr met ellende,En dus zij beidegaâr verdwijnen als een rook,Want zoo de wereld is, zoo zijn de menschen ook,Behalven dat den mensch zal worden nieuws-herboren,En uit den grave opstaan, als alles is verloren.

Twee werelden ziet hier, d' een groot en d' ander kleen,Die wonderlijk te zaam zich[40]dragen[40]overeen.1Pet. 1:Al 's menschen heerlijkheid, al 's menschen pracht en roeme,Is niet als gras en hooi, of als een veldsche[41]bloeme.

Twee werelden ziet hier, d' een groot en d' ander kleen,

Die wonderlijk te zaam zich[40]dragen[40]overeen.

1Pet. 1:

Al 's menschen heerlijkheid, al 's menschen pracht en roeme,

Is niet als gras en hooi, of als een veldsche[41]bloeme.

Aanschouwer, of het u een dwaasheid docht verwijtel[42]Dat 't redelijke dier[43]onaardig met den tytelVan Kleine Wereld[44]werd gecierd en afgemaald[45],Ik bid's u, op dit beeld' eens met uw aanzicht straalt[46]Den mensen, den kleinen mensch toont u in korter[47]stonde,Kleen zijnde, 't heel begrijp van 's werelds groote ronde.God heeft den grootenALdoor 't eeuwig woord geteeld,Hij is den Schepper ook van dit zoet-apig[48]beeld:Zee, hemelen, en aard' bestaan in vier hoofd-stoffen,Zoo doet dit schepsel ook; is dat niet juist getroffen?Zijn gramschap is het vuur, zijn roode bloed de locht,Zijn vochtige natuur het water koud en vocht,En zijn zwaarmoedigheid is de aarde droef en duister.Heeft 't koninklijk paleis des werelds, vol van luister,Oost, Westen, Zuid en Noord, voor open poorten vier,'t Is even eens gesteld met dit twee-ledig dier:Zijn rechter is het Oost, zijn slinker hand het Weste[49],Zijn hoofd het Zuiden, en zijn voeten 't Noordsch geweste.De groote wereld heeft twee wakkere oogen staanIn 't hoofd, de eene is de zon, en de ander is de maan;De kleine van gelijk twee glinsterende kolenIn zijnen hemel draagt, om 's daags noch 's nachts te dolen:Ja, niets en is het groot getimmer meêgedeeld,Dat niet in 't aanzicht van het kleine boussel[50]speelt.Den grooten Globus rolt, en werd[51]steeds voortgedragen,Van lenten, zomer, herfst en winter, met zijn vlagen;Den kleinen van gelijk zijn kindschheid wederom,Zijn jeugd, zijn manheid heeft, en zijnen ouderdom.Kort om, den grootenALheeft zijn begin en ende,Den kleinen komt met druk, en scheidt weêr met ellende,En dus zij beidegaâr verdwijnen als een rook,Want zoo de wereld is, zoo zijn de menschen ook,Behalven dat den mensch zal worden nieuws-herboren,En uit den grave opstaan, als alles is verloren.

Aanschouwer, of het u een dwaasheid docht verwijtel[42]

Dat 't redelijke dier[43]onaardig met den tytel

Van Kleine Wereld[44]werd gecierd en afgemaald[45],

Ik bid's u, op dit beeld' eens met uw aanzicht straalt[46]

Den mensen, den kleinen mensch toont u in korter[47]stonde,

Kleen zijnde, 't heel begrijp van 's werelds groote ronde.

God heeft den grootenALdoor 't eeuwig woord geteeld,

Hij is den Schepper ook van dit zoet-apig[48]beeld:

Zee, hemelen, en aard' bestaan in vier hoofd-stoffen,

Zoo doet dit schepsel ook; is dat niet juist getroffen?

Zijn gramschap is het vuur, zijn roode bloed de locht,

Zijn vochtige natuur het water koud en vocht,

En zijn zwaarmoedigheid is de aarde droef en duister.

Heeft 't koninklijk paleis des werelds, vol van luister,

Oost, Westen, Zuid en Noord, voor open poorten vier,

't Is even eens gesteld met dit twee-ledig dier:

Zijn rechter is het Oost, zijn slinker hand het Weste[49],

Zijn hoofd het Zuiden, en zijn voeten 't Noordsch geweste.

De groote wereld heeft twee wakkere oogen staan

In 't hoofd, de eene is de zon, en de ander is de maan;

De kleine van gelijk twee glinsterende kolen

In zijnen hemel draagt, om 's daags noch 's nachts te dolen:

Ja, niets en is het groot getimmer meêgedeeld,

Dat niet in 't aanzicht van het kleine boussel[50]speelt.

Den grooten Globus rolt, en werd[51]steeds voortgedragen,

Van lenten, zomer, herfst en winter, met zijn vlagen;

Den kleinen van gelijk zijn kindschheid wederom,

Zijn jeugd, zijn manheid heeft, en zijnen ouderdom.

Kort om, den grootenALheeft zijn begin en ende,

Den kleinen komt met druk, en scheidt weêr met ellende,

En dus zij beidegaâr verdwijnen als een rook,

Want zoo de wereld is, zoo zijn de menschen ook,

Behalven dat den mensch zal worden nieuws-herboren,

En uit den grave opstaan, als alles is verloren.

Ziet, hoe Jupijn bestiert des werelds zilv'ren eeuwe,Des zomers groen van 't loof, en 's winters wit van sneeuwe.Gen. 3:In 't zweet uws aangezichts zult gij uw brood bekomen,Tot dat gij aarde werdt, waarvan gij zijt genomen.Toen zich den gulden eeuw' het onderst' boven wendde(Gelijk een wankel rad) met droefheid en ellende,Den zilv'ren eeuwe kwam, daar Jupiter van droegDen scepter, die terstond op eenen and'ren boegHet groote wereld-schip deed wonderlijke zeilen,Want hij 't twaalfmaandig jaar ging in vier deelen deilen[52]:Toen werd men eerst gewaar des zomers heeten brand,En 's winters strenge koû, de dorrigheid van 't land:Toen liep eerst ieder een ontschuilen in de klippen,'t Rood zomers aangezicht, en 's winters blaauwe lippen,En de ossen men in 't juk al hijgende en bezweetDoor onzes moeders[53]borst 't krom kouter trekken deed.

Ziet, hoe Jupijn bestiert des werelds zilv'ren eeuwe,Des zomers groen van 't loof, en 's winters wit van sneeuwe.Gen. 3:In 't zweet uws aangezichts zult gij uw brood bekomen,Tot dat gij aarde werdt, waarvan gij zijt genomen.Toen zich den gulden eeuw' het onderst' boven wendde(Gelijk een wankel rad) met droefheid en ellende,Den zilv'ren eeuwe kwam, daar Jupiter van droegDen scepter, die terstond op eenen and'ren boegHet groote wereld-schip deed wonderlijke zeilen,Want hij 't twaalfmaandig jaar ging in vier deelen deilen[52]:Toen werd men eerst gewaar des zomers heeten brand,En 's winters strenge koû, de dorrigheid van 't land:Toen liep eerst ieder een ontschuilen in de klippen,'t Rood zomers aangezicht, en 's winters blaauwe lippen,En de ossen men in 't juk al hijgende en bezweetDoor onzes moeders[53]borst 't krom kouter trekken deed.

Ziet, hoe Jupijn bestiert des werelds zilv'ren eeuwe,Des zomers groen van 't loof, en 's winters wit van sneeuwe.Gen. 3:In 't zweet uws aangezichts zult gij uw brood bekomen,Tot dat gij aarde werdt, waarvan gij zijt genomen.

Ziet, hoe Jupijn bestiert des werelds zilv'ren eeuwe,

Des zomers groen van 't loof, en 's winters wit van sneeuwe.

Gen. 3:

In 't zweet uws aangezichts zult gij uw brood bekomen,

Tot dat gij aarde werdt, waarvan gij zijt genomen.

Toen zich den gulden eeuw' het onderst' boven wendde(Gelijk een wankel rad) met droefheid en ellende,Den zilv'ren eeuwe kwam, daar Jupiter van droegDen scepter, die terstond op eenen and'ren boegHet groote wereld-schip deed wonderlijke zeilen,Want hij 't twaalfmaandig jaar ging in vier deelen deilen[52]:Toen werd men eerst gewaar des zomers heeten brand,En 's winters strenge koû, de dorrigheid van 't land:Toen liep eerst ieder een ontschuilen in de klippen,'t Rood zomers aangezicht, en 's winters blaauwe lippen,En de ossen men in 't juk al hijgende en bezweetDoor onzes moeders[53]borst 't krom kouter trekken deed.

Toen zich den gulden eeuw' het onderst' boven wendde

(Gelijk een wankel rad) met droefheid en ellende,

Den zilv'ren eeuwe kwam, daar Jupiter van droeg

Den scepter, die terstond op eenen and'ren boeg

Het groote wereld-schip deed wonderlijke zeilen,

Want hij 't twaalfmaandig jaar ging in vier deelen deilen[52]:

Toen werd men eerst gewaar des zomers heeten brand,

En 's winters strenge koû, de dorrigheid van 't land:

Toen liep eerst ieder een ontschuilen in de klippen,

't Rood zomers aangezicht, en 's winters blaauwe lippen,

En de ossen men in 't juk al hijgende en bezweet

Door onzes moeders[53]borst 't krom kouter trekken deed.

Ziet, hoe Cupido valt, en om zijn oude luimenZoo schandelijken moet den schoonen Hemel ruimen.Jesai. 13:Die boven 't hemelsch heir dacht stellen zijnen stoel,Van Godes aangezicht viel in den helschen poel.Cupido, Venus' wicht, ontstak met zijne stralenHet heilig hemelsch koor, en al de hooge zalen:'t Een herte heeft hij voor, het ander na doorkliefd,Het kweelden[54]al van min, het kweelden al van liefd:Hij werd terstond ge-eerd van zoo veel groote joff'ren:Nu ging hem de eene dit, nu de ander dat opoff'ren.Jupijn die was beducht, ofwel (tot zijnder schand)Den Hemel op het lest mocht raken inden brand,Dies hij den bliksem nam, en, in een groot onweder,Met eenen strale vuurs hem werp[55]van boven neder.Die opgeklommen was tot 't alderhoogste wielMet eenen leegen kop weer inden afgrond viel.

Ziet, hoe Cupido valt, en om zijn oude luimenZoo schandelijken moet den schoonen Hemel ruimen.Jesai. 13:Die boven 't hemelsch heir dacht stellen zijnen stoel,Van Godes aangezicht viel in den helschen poel.Cupido, Venus' wicht, ontstak met zijne stralenHet heilig hemelsch koor, en al de hooge zalen:'t Een herte heeft hij voor, het ander na doorkliefd,Het kweelden[54]al van min, het kweelden al van liefd:Hij werd terstond ge-eerd van zoo veel groote joff'ren:Nu ging hem de eene dit, nu de ander dat opoff'ren.Jupijn die was beducht, ofwel (tot zijnder schand)Den Hemel op het lest mocht raken inden brand,Dies hij den bliksem nam, en, in een groot onweder,Met eenen strale vuurs hem werp[55]van boven neder.Die opgeklommen was tot 't alderhoogste wielMet eenen leegen kop weer inden afgrond viel.

Ziet, hoe Cupido valt, en om zijn oude luimenZoo schandelijken moet den schoonen Hemel ruimen.Jesai. 13:Die boven 't hemelsch heir dacht stellen zijnen stoel,Van Godes aangezicht viel in den helschen poel.

Ziet, hoe Cupido valt, en om zijn oude luimen

Zoo schandelijken moet den schoonen Hemel ruimen.

Jesai. 13:

Die boven 't hemelsch heir dacht stellen zijnen stoel,

Van Godes aangezicht viel in den helschen poel.

Cupido, Venus' wicht, ontstak met zijne stralenHet heilig hemelsch koor, en al de hooge zalen:'t Een herte heeft hij voor, het ander na doorkliefd,Het kweelden[54]al van min, het kweelden al van liefd:Hij werd terstond ge-eerd van zoo veel groote joff'ren:Nu ging hem de eene dit, nu de ander dat opoff'ren.Jupijn die was beducht, ofwel (tot zijnder schand)Den Hemel op het lest mocht raken inden brand,Dies hij den bliksem nam, en, in een groot onweder,Met eenen strale vuurs hem werp[55]van boven neder.Die opgeklommen was tot 't alderhoogste wielMet eenen leegen kop weer inden afgrond viel.

Cupido, Venus' wicht, ontstak met zijne stralen

Het heilig hemelsch koor, en al de hooge zalen:

't Een herte heeft hij voor, het ander na doorkliefd,

Het kweelden[54]al van min, het kweelden al van liefd:

Hij werd terstond ge-eerd van zoo veel groote joff'ren:

Nu ging hem de eene dit, nu de ander dat opoff'ren.

Jupijn die was beducht, ofwel (tot zijnder schand)

Den Hemel op het lest mocht raken inden brand,

Dies hij den bliksem nam, en, in een groot onweder,

Met eenen strale vuurs hem werp[55]van boven neder.

Die opgeklommen was tot 't alderhoogste wiel

Met eenen leegen kop weer inden afgrond viel.

Aanmerkt, hoe Jovis baart Minervam uit zijn hoofd,Naar dat den manken smid[56]zijn hersnen heeft gekloofd.Jacob. 3:De wijsheid, die van God daalt met haar witte vlerken,Is reedlijk, ongeveinsd, en vol van goede werken.Ziet, hoe de kreuple smid Jupijn voormaals geriefde,En met een scherpe bijl van diamanten kliefdeZijn zwang're hoofd, dat hem het harssebekken kraakt.Waar door Minerva eerst in 't licht der wereld raakt.Maar zegt, ô Musa! zegt, en leeren deze versenNiet, dat de wijsheid ligt gescholen inde hersen[57]?Dat 't kleinood des verstands, gelijk een heerlijk lotAlleen van boven komt, alleene komt van God?En dat dit godlijk zaad ontvangen werd te voren,Daarna met smerte en pijn gewonnen en geboren?Maar, lieve! zegt mij doch, waarom wordt wijd befaamdDe wijze Pallas ook Tritonia genaamd?Is't niet, om dat (gelijk 't begrepen werd bij velen)De wijsheid recht bestaat in driederleye deelen?'t Geen is, 't geen was, 't geen zal, volkomen alle driênVerstaan, gedenken, en aandachtig te voorzien?Waarna ten laatsten dan de koninklijke redenZijn macht en mogendheid weet wijslijk te besteden.

Aanmerkt, hoe Jovis baart Minervam uit zijn hoofd,Naar dat den manken smid[56]zijn hersnen heeft gekloofd.Jacob. 3:De wijsheid, die van God daalt met haar witte vlerken,Is reedlijk, ongeveinsd, en vol van goede werken.Ziet, hoe de kreuple smid Jupijn voormaals geriefde,En met een scherpe bijl van diamanten kliefdeZijn zwang're hoofd, dat hem het harssebekken kraakt.Waar door Minerva eerst in 't licht der wereld raakt.Maar zegt, ô Musa! zegt, en leeren deze versenNiet, dat de wijsheid ligt gescholen inde hersen[57]?Dat 't kleinood des verstands, gelijk een heerlijk lotAlleen van boven komt, alleene komt van God?En dat dit godlijk zaad ontvangen werd te voren,Daarna met smerte en pijn gewonnen en geboren?Maar, lieve! zegt mij doch, waarom wordt wijd befaamdDe wijze Pallas ook Tritonia genaamd?Is't niet, om dat (gelijk 't begrepen werd bij velen)De wijsheid recht bestaat in driederleye deelen?'t Geen is, 't geen was, 't geen zal, volkomen alle driênVerstaan, gedenken, en aandachtig te voorzien?Waarna ten laatsten dan de koninklijke redenZijn macht en mogendheid weet wijslijk te besteden.

Aanmerkt, hoe Jovis baart Minervam uit zijn hoofd,Naar dat den manken smid[56]zijn hersnen heeft gekloofd.Jacob. 3:De wijsheid, die van God daalt met haar witte vlerken,Is reedlijk, ongeveinsd, en vol van goede werken.

Aanmerkt, hoe Jovis baart Minervam uit zijn hoofd,

Naar dat den manken smid[56]zijn hersnen heeft gekloofd.

Jacob. 3:

De wijsheid, die van God daalt met haar witte vlerken,

Is reedlijk, ongeveinsd, en vol van goede werken.

Ziet, hoe de kreuple smid Jupijn voormaals geriefde,En met een scherpe bijl van diamanten kliefdeZijn zwang're hoofd, dat hem het harssebekken kraakt.Waar door Minerva eerst in 't licht der wereld raakt.Maar zegt, ô Musa! zegt, en leeren deze versenNiet, dat de wijsheid ligt gescholen inde hersen[57]?Dat 't kleinood des verstands, gelijk een heerlijk lotAlleen van boven komt, alleene komt van God?En dat dit godlijk zaad ontvangen werd te voren,Daarna met smerte en pijn gewonnen en geboren?Maar, lieve! zegt mij doch, waarom wordt wijd befaamdDe wijze Pallas ook Tritonia genaamd?Is't niet, om dat (gelijk 't begrepen werd bij velen)De wijsheid recht bestaat in driederleye deelen?'t Geen is, 't geen was, 't geen zal, volkomen alle driênVerstaan, gedenken, en aandachtig te voorzien?Waarna ten laatsten dan de koninklijke redenZijn macht en mogendheid weet wijslijk te besteden.

Ziet, hoe de kreuple smid Jupijn voormaals geriefde,

En met een scherpe bijl van diamanten kliefde

Zijn zwang're hoofd, dat hem het harssebekken kraakt.

Waar door Minerva eerst in 't licht der wereld raakt.

Maar zegt, ô Musa! zegt, en leeren deze versen

Niet, dat de wijsheid ligt gescholen inde hersen[57]?

Dat 't kleinood des verstands, gelijk een heerlijk lot

Alleen van boven komt, alleene komt van God?

En dat dit godlijk zaad ontvangen werd te voren,

Daarna met smerte en pijn gewonnen en geboren?

Maar, lieve! zegt mij doch, waarom wordt wijd befaamd

De wijze Pallas ook Tritonia genaamd?

Is't niet, om dat (gelijk 't begrepen werd bij velen)

De wijsheid recht bestaat in driederleye deelen?

't Geen is, 't geen was, 't geen zal, volkomen alle driên

Verstaan, gedenken, en aandachtig te voorzien?

Waarna ten laatsten dan de koninklijke reden

Zijn macht en mogendheid weet wijslijk te besteden.

Ziet hier Japeti zoon om zijn vier-dieft[58]gebonden,Wiens lever groeit des nachts, en werd des daags verslonden.Marc. 2:Den worm (die niet en sterft in 't ongebluste vier)Den boozen eeuwig knaagt, wanneer hij scheidt van hier.Ey ziet, hoe Prometheus[59]van Jupiter verstooten,Zoo jammerlijk en droef aan Caucaso[60]geslotenDen Echo gaande houdt en, met een droef geween:"Ah my! ah my! ah my!"[61]wekt driemaal achter een.Den arend[62]niet en rust; ziet hem eens lever-pikken,En als een gretig aas het rouwe vleesch inslikken:De Goden lastert hij, en wenscht, in dezen nood,Dat hij zijn leven hier mag einden met een dood.Maar 't is vergeefs geklaagd, zijn lever, langs hoe wreeder,Is 's daags des vogels roof, en groeit bij nachte weder.Onzalig is te recht die 's Hemels gunste derft,Die stervende altijd leeft, en levende altijd sterft.O, mensche, spiegelt u! verzoent in tijds Gods toren[63],Want als de booze sterft zijn straffe eerst werd geboren:Al zwijgt God hier een wijl, zoo wordt nochtans het endDes kwaden, op het lest, 't begin van zijne ellend.

Ziet hier Japeti zoon om zijn vier-dieft[58]gebonden,Wiens lever groeit des nachts, en werd des daags verslonden.Marc. 2:Den worm (die niet en sterft in 't ongebluste vier)Den boozen eeuwig knaagt, wanneer hij scheidt van hier.Ey ziet, hoe Prometheus[59]van Jupiter verstooten,Zoo jammerlijk en droef aan Caucaso[60]geslotenDen Echo gaande houdt en, met een droef geween:"Ah my! ah my! ah my!"[61]wekt driemaal achter een.Den arend[62]niet en rust; ziet hem eens lever-pikken,En als een gretig aas het rouwe vleesch inslikken:De Goden lastert hij, en wenscht, in dezen nood,Dat hij zijn leven hier mag einden met een dood.Maar 't is vergeefs geklaagd, zijn lever, langs hoe wreeder,Is 's daags des vogels roof, en groeit bij nachte weder.Onzalig is te recht die 's Hemels gunste derft,Die stervende altijd leeft, en levende altijd sterft.O, mensche, spiegelt u! verzoent in tijds Gods toren[63],Want als de booze sterft zijn straffe eerst werd geboren:Al zwijgt God hier een wijl, zoo wordt nochtans het endDes kwaden, op het lest, 't begin van zijne ellend.

Ziet hier Japeti zoon om zijn vier-dieft[58]gebonden,Wiens lever groeit des nachts, en werd des daags verslonden.Marc. 2:Den worm (die niet en sterft in 't ongebluste vier)Den boozen eeuwig knaagt, wanneer hij scheidt van hier.

Ziet hier Japeti zoon om zijn vier-dieft[58]gebonden,

Wiens lever groeit des nachts, en werd des daags verslonden.

Marc. 2:

Den worm (die niet en sterft in 't ongebluste vier)

Den boozen eeuwig knaagt, wanneer hij scheidt van hier.

Ey ziet, hoe Prometheus[59]van Jupiter verstooten,Zoo jammerlijk en droef aan Caucaso[60]geslotenDen Echo gaande houdt en, met een droef geween:"Ah my! ah my! ah my!"[61]wekt driemaal achter een.Den arend[62]niet en rust; ziet hem eens lever-pikken,En als een gretig aas het rouwe vleesch inslikken:De Goden lastert hij, en wenscht, in dezen nood,Dat hij zijn leven hier mag einden met een dood.Maar 't is vergeefs geklaagd, zijn lever, langs hoe wreeder,Is 's daags des vogels roof, en groeit bij nachte weder.Onzalig is te recht die 's Hemels gunste derft,Die stervende altijd leeft, en levende altijd sterft.O, mensche, spiegelt u! verzoent in tijds Gods toren[63],Want als de booze sterft zijn straffe eerst werd geboren:Al zwijgt God hier een wijl, zoo wordt nochtans het endDes kwaden, op het lest, 't begin van zijne ellend.

Ey ziet, hoe Prometheus[59]van Jupiter verstooten,

Zoo jammerlijk en droef aan Caucaso[60]gesloten

Den Echo gaande houdt en, met een droef geween:

"Ah my! ah my! ah my!"[61]wekt driemaal achter een.

Den arend[62]niet en rust; ziet hem eens lever-pikken,

En als een gretig aas het rouwe vleesch inslikken:

De Goden lastert hij, en wenscht, in dezen nood,

Dat hij zijn leven hier mag einden met een dood.

Maar 't is vergeefs geklaagd, zijn lever, langs hoe wreeder,

Is 's daags des vogels roof, en groeit bij nachte weder.

Onzalig is te recht die 's Hemels gunste derft,

Die stervende altijd leeft, en levende altijd sterft.

O, mensche, spiegelt u! verzoent in tijds Gods toren[63],

Want als de booze sterft zijn straffe eerst werd geboren:

Al zwijgt God hier een wijl, zoo wordt nochtans het end

Des kwaden, op het lest, 't begin van zijne ellend.

Ziet, hoe met heur een-ooghs[64]verlies de nijdigheidUit afgunst koopen wilt heurs naasten oogen beid'.Proverb. 14:Des lichaams leven is een goedig hert vol vreden,Maar bittre nijdigheid is etter inde leden.Den grooten Jovis zand[65]Apollinem op eerden,Met zijn saffranig hoofd, en met zijn vuur'ge peerden,Op dat hij Nymfen twee zoude ernstig dragen veur,Dat hij uit louter gunst hun gaf den willekeur,Dat de een zoude eischen wat heur herte mocht bedenken,En de ander hij tweemaal zoo rijken gift zou schenken,Als de eerste wenschen mocht. 't Was niet zoo haast gezeîd,Of d'herten-knaagster kwam, de zwarte nijdigheid:"O, Febe! (zeide zij) spant uwen gouden bogeMet eenen stalen schicht, en van mijn rechter ooge't Gezicht des appels kwetst, ô Febe! ik verkies't,Ten minste de ander heur oog-appels beid' verliest."Aldus schept nijdigheid (genegen tot den kwade)Een wonderlijk' proffijt uit heures naasten schade,Ze en spaart haar eene oog niet, hoe ook de zake loopt,Wanneer zij daar meê slechts eens anders blindheid koopt.

Ziet, hoe met heur een-ooghs[64]verlies de nijdigheidUit afgunst koopen wilt heurs naasten oogen beid'.Proverb. 14:Des lichaams leven is een goedig hert vol vreden,Maar bittre nijdigheid is etter inde leden.Den grooten Jovis zand[65]Apollinem op eerden,Met zijn saffranig hoofd, en met zijn vuur'ge peerden,Op dat hij Nymfen twee zoude ernstig dragen veur,Dat hij uit louter gunst hun gaf den willekeur,Dat de een zoude eischen wat heur herte mocht bedenken,En de ander hij tweemaal zoo rijken gift zou schenken,Als de eerste wenschen mocht. 't Was niet zoo haast gezeîd,Of d'herten-knaagster kwam, de zwarte nijdigheid:"O, Febe! (zeide zij) spant uwen gouden bogeMet eenen stalen schicht, en van mijn rechter ooge't Gezicht des appels kwetst, ô Febe! ik verkies't,Ten minste de ander heur oog-appels beid' verliest."Aldus schept nijdigheid (genegen tot den kwade)Een wonderlijk' proffijt uit heures naasten schade,Ze en spaart haar eene oog niet, hoe ook de zake loopt,Wanneer zij daar meê slechts eens anders blindheid koopt.

Ziet, hoe met heur een-ooghs[64]verlies de nijdigheidUit afgunst koopen wilt heurs naasten oogen beid'.Proverb. 14:Des lichaams leven is een goedig hert vol vreden,Maar bittre nijdigheid is etter inde leden.

Ziet, hoe met heur een-ooghs[64]verlies de nijdigheid

Uit afgunst koopen wilt heurs naasten oogen beid'.

Proverb. 14:

Des lichaams leven is een goedig hert vol vreden,

Maar bittre nijdigheid is etter inde leden.

Den grooten Jovis zand[65]Apollinem op eerden,Met zijn saffranig hoofd, en met zijn vuur'ge peerden,Op dat hij Nymfen twee zoude ernstig dragen veur,Dat hij uit louter gunst hun gaf den willekeur,Dat de een zoude eischen wat heur herte mocht bedenken,En de ander hij tweemaal zoo rijken gift zou schenken,Als de eerste wenschen mocht. 't Was niet zoo haast gezeîd,Of d'herten-knaagster kwam, de zwarte nijdigheid:"O, Febe! (zeide zij) spant uwen gouden bogeMet eenen stalen schicht, en van mijn rechter ooge't Gezicht des appels kwetst, ô Febe! ik verkies't,Ten minste de ander heur oog-appels beid' verliest."Aldus schept nijdigheid (genegen tot den kwade)Een wonderlijk' proffijt uit heures naasten schade,Ze en spaart haar eene oog niet, hoe ook de zake loopt,Wanneer zij daar meê slechts eens anders blindheid koopt.

Den grooten Jovis zand[65]Apollinem op eerden,

Met zijn saffranig hoofd, en met zijn vuur'ge peerden,

Op dat hij Nymfen twee zoude ernstig dragen veur,

Dat hij uit louter gunst hun gaf den willekeur,

Dat de een zoude eischen wat heur herte mocht bedenken,

En de ander hij tweemaal zoo rijken gift zou schenken,

Als de eerste wenschen mocht. 't Was niet zoo haast gezeîd,

Of d'herten-knaagster kwam, de zwarte nijdigheid:

"O, Febe! (zeide zij) spant uwen gouden boge

Met eenen stalen schicht, en van mijn rechter ooge

't Gezicht des appels kwetst, ô Febe! ik verkies't,

Ten minste de ander heur oog-appels beid' verliest."

Aldus schept nijdigheid (genegen tot den kwade)

Een wonderlijk' proffijt uit heures naasten schade,

Ze en spaart haar eene oog niet, hoe ook de zake loopt,

Wanneer zij daar meê slechts eens anders blindheid koopt.

Den Pijler, die gij ziet, van Godes schikking isEen levendig patroon[66]en klare beeldenis.Job. 14:Den Heere heeft den Mensch, voor zijnen laatsten dag,Gesteld een perk, 'twelk hij niet overtreden mag.Den marmeren pilaar staat vast en onbezweken,Hij wijkt niet voor Jupijn, maar blijft een eeuwig teeken;In spijt van weêr en wind, klimt hij ten Hemel op,En stijgt hij inde locht met een trotschen kop:Den paal staat daar hij staat, hij weet van geen verschrikking,Te recht hij een figure en beelde is van Gods schikking,'t Gezet[67]welk is gesteld door 't Goddelijk beleed[68],Hoe groot, hoe hoog, hoe diep, hoe lang, hoe wijd, hoe breed,Wat was, wat is, en blijft, van gist'ren, heden, morgen,O, dit ligt wonder diep in Godes raad verborgen!Zoo diep, dat ik mij[69]eize, als ik dien afgrond naak;Blijd' ben ik, blijd', dat ik daar weder uit geraak.

Den Pijler, die gij ziet, van Godes schikking isEen levendig patroon[66]en klare beeldenis.Job. 14:Den Heere heeft den Mensch, voor zijnen laatsten dag,Gesteld een perk, 'twelk hij niet overtreden mag.Den marmeren pilaar staat vast en onbezweken,Hij wijkt niet voor Jupijn, maar blijft een eeuwig teeken;In spijt van weêr en wind, klimt hij ten Hemel op,En stijgt hij inde locht met een trotschen kop:Den paal staat daar hij staat, hij weet van geen verschrikking,Te recht hij een figure en beelde is van Gods schikking,'t Gezet[67]welk is gesteld door 't Goddelijk beleed[68],Hoe groot, hoe hoog, hoe diep, hoe lang, hoe wijd, hoe breed,Wat was, wat is, en blijft, van gist'ren, heden, morgen,O, dit ligt wonder diep in Godes raad verborgen!Zoo diep, dat ik mij[69]eize, als ik dien afgrond naak;Blijd' ben ik, blijd', dat ik daar weder uit geraak.

Den Pijler, die gij ziet, van Godes schikking isEen levendig patroon[66]en klare beeldenis.Job. 14:Den Heere heeft den Mensch, voor zijnen laatsten dag,Gesteld een perk, 'twelk hij niet overtreden mag.

Den Pijler, die gij ziet, van Godes schikking is

Een levendig patroon[66]en klare beeldenis.

Job. 14:

Den Heere heeft den Mensch, voor zijnen laatsten dag,

Gesteld een perk, 'twelk hij niet overtreden mag.

Den marmeren pilaar staat vast en onbezweken,Hij wijkt niet voor Jupijn, maar blijft een eeuwig teeken;In spijt van weêr en wind, klimt hij ten Hemel op,En stijgt hij inde locht met een trotschen kop:Den paal staat daar hij staat, hij weet van geen verschrikking,Te recht hij een figure en beelde is van Gods schikking,'t Gezet[67]welk is gesteld door 't Goddelijk beleed[68],Hoe groot, hoe hoog, hoe diep, hoe lang, hoe wijd, hoe breed,Wat was, wat is, en blijft, van gist'ren, heden, morgen,O, dit ligt wonder diep in Godes raad verborgen!Zoo diep, dat ik mij[69]eize, als ik dien afgrond naak;Blijd' ben ik, blijd', dat ik daar weder uit geraak.

Den marmeren pilaar staat vast en onbezweken,

Hij wijkt niet voor Jupijn, maar blijft een eeuwig teeken;

In spijt van weêr en wind, klimt hij ten Hemel op,

En stijgt hij inde locht met een trotschen kop:

Den paal staat daar hij staat, hij weet van geen verschrikking,

Te recht hij een figure en beelde is van Gods schikking,

't Gezet[67]welk is gesteld door 't Goddelijk beleed[68],

Hoe groot, hoe hoog, hoe diep, hoe lang, hoe wijd, hoe breed,

Wat was, wat is, en blijft, van gist'ren, heden, morgen,

O, dit ligt wonder diep in Godes raad verborgen!

Zoo diep, dat ik mij[69]eize, als ik dien afgrond naak;

Blijd' ben ik, blijd', dat ik daar weder uit geraak.

Ziet hoe de wrake Gods (op dat wij niet en dolen)Hier vergeleken werd bij eenen stillen molen.Luc. 18:Zal God niet wreken dan zijn lieve en uitverkoren,Hoewel hij goedertier, en langzaam is tot tooren?Den molen, die een wijl staat stille zonder wielen[70],Gelijkt de wrake Gods die 't kwaad heel zal vernielen:Den molen slapet wel een wijle windeloos,Zoo doet ook Godes wrake, al zijn wij nog zoo boos:Maar als den storm-wind blaast, als of hij waar verkorseld[71]Den zwaren molen-steen al 't graan tot gruis vermorselt.Zoo ook, als zich verheft de gramschap onzes Gods,Werd al het kwaad vermaald, al zijn wij nog zoo trotsch.Den stillen molen dan ons allen zij een bake,Dat wij de goedheid Gods erkennen vóór zijn wrake:Want of zij schoon vertoeft, zoo zal zij doch in 't lestGelijk den bliksem gaan van 't Oosten tot in 't West.Die Gods lankmoedigheid dan hier, naar 's vleeschs behagen,Heeft achteloos verzuimd, zal't veel te spa beklagen,Wanneer dengene, die hem vriendlijk heeft genood,Met een wreed aangezicht hem in den afgrond stoot.

Ziet hoe de wrake Gods (op dat wij niet en dolen)Hier vergeleken werd bij eenen stillen molen.Luc. 18:Zal God niet wreken dan zijn lieve en uitverkoren,Hoewel hij goedertier, en langzaam is tot tooren?Den molen, die een wijl staat stille zonder wielen[70],Gelijkt de wrake Gods die 't kwaad heel zal vernielen:Den molen slapet wel een wijle windeloos,Zoo doet ook Godes wrake, al zijn wij nog zoo boos:Maar als den storm-wind blaast, als of hij waar verkorseld[71]Den zwaren molen-steen al 't graan tot gruis vermorselt.Zoo ook, als zich verheft de gramschap onzes Gods,Werd al het kwaad vermaald, al zijn wij nog zoo trotsch.Den stillen molen dan ons allen zij een bake,Dat wij de goedheid Gods erkennen vóór zijn wrake:Want of zij schoon vertoeft, zoo zal zij doch in 't lestGelijk den bliksem gaan van 't Oosten tot in 't West.Die Gods lankmoedigheid dan hier, naar 's vleeschs behagen,Heeft achteloos verzuimd, zal't veel te spa beklagen,Wanneer dengene, die hem vriendlijk heeft genood,Met een wreed aangezicht hem in den afgrond stoot.

Ziet hoe de wrake Gods (op dat wij niet en dolen)Hier vergeleken werd bij eenen stillen molen.Luc. 18:Zal God niet wreken dan zijn lieve en uitverkoren,Hoewel hij goedertier, en langzaam is tot tooren?

Ziet hoe de wrake Gods (op dat wij niet en dolen)

Hier vergeleken werd bij eenen stillen molen.

Luc. 18:

Zal God niet wreken dan zijn lieve en uitverkoren,

Hoewel hij goedertier, en langzaam is tot tooren?

Den molen, die een wijl staat stille zonder wielen[70],Gelijkt de wrake Gods die 't kwaad heel zal vernielen:Den molen slapet wel een wijle windeloos,Zoo doet ook Godes wrake, al zijn wij nog zoo boos:Maar als den storm-wind blaast, als of hij waar verkorseld[71]Den zwaren molen-steen al 't graan tot gruis vermorselt.Zoo ook, als zich verheft de gramschap onzes Gods,Werd al het kwaad vermaald, al zijn wij nog zoo trotsch.Den stillen molen dan ons allen zij een bake,Dat wij de goedheid Gods erkennen vóór zijn wrake:Want of zij schoon vertoeft, zoo zal zij doch in 't lestGelijk den bliksem gaan van 't Oosten tot in 't West.Die Gods lankmoedigheid dan hier, naar 's vleeschs behagen,Heeft achteloos verzuimd, zal't veel te spa beklagen,Wanneer dengene, die hem vriendlijk heeft genood,Met een wreed aangezicht hem in den afgrond stoot.

Den molen, die een wijl staat stille zonder wielen[70],

Gelijkt de wrake Gods die 't kwaad heel zal vernielen:

Den molen slapet wel een wijle windeloos,

Zoo doet ook Godes wrake, al zijn wij nog zoo boos:

Maar als den storm-wind blaast, als of hij waar verkorseld[71]

Den zwaren molen-steen al 't graan tot gruis vermorselt.

Zoo ook, als zich verheft de gramschap onzes Gods,

Werd al het kwaad vermaald, al zijn wij nog zoo trotsch.

Den stillen molen dan ons allen zij een bake,

Dat wij de goedheid Gods erkennen vóór zijn wrake:

Want of zij schoon vertoeft, zoo zal zij doch in 't lest

Gelijk den bliksem gaan van 't Oosten tot in 't West.

Die Gods lankmoedigheid dan hier, naar 's vleeschs behagen,

Heeft achteloos verzuimd, zal't veel te spa beklagen,

Wanneer dengene, die hem vriendlijk heeft genood,

Met een wreed aangezicht hem in den afgrond stoot.

Ziet, hoe een zeldzaam kruid (o, wonderlijk bedrijf!)Het leven weder brengt in een gesturven[72]lijf.Sap. 16:Geen kruid noch plaaster heeft Israël in 't gemeenGenezen, dan, o Heere! uw eeuwig Woord alleen.Twijl Esculapius vast wandelt op en neder,En tot gezondheid zoekt de kruiden groen en teder,Hij eenen herder ziet, die in een dal gezwindStrijdt met den basilisk, welk hij op 't lest verwint,Door kracht en middel van een deel gevlochten blaren,Daar zijn hoofd-slapen beid met overschaduwd waren;Dies Esculapius hem vurig daar om bad.Maar naauw den herder hem dees gift geschonken had,Den loozen basilisk, die haddet[73]haast vernomen:Dies hij om strijden weêr is haastig aangekomen.Maar, laas! den jongeling te zwak viel en te licht,Hij stort, zoo haast hij zag 't wreed monsters aangezicht!Het welk den grooten Arts naauw ziende, hem gewrevenHeeft met hetzelfde kruid[74], en bracht hem zoo ten leven.'t Welk, als ik 't overdenk, gaat boven mijn verstand,Dat zulken grooten kracht het kruid is ingeplant.

Ziet, hoe een zeldzaam kruid (o, wonderlijk bedrijf!)Het leven weder brengt in een gesturven[72]lijf.Sap. 16:Geen kruid noch plaaster heeft Israël in 't gemeenGenezen, dan, o Heere! uw eeuwig Woord alleen.Twijl Esculapius vast wandelt op en neder,En tot gezondheid zoekt de kruiden groen en teder,Hij eenen herder ziet, die in een dal gezwindStrijdt met den basilisk, welk hij op 't lest verwint,Door kracht en middel van een deel gevlochten blaren,Daar zijn hoofd-slapen beid met overschaduwd waren;Dies Esculapius hem vurig daar om bad.Maar naauw den herder hem dees gift geschonken had,Den loozen basilisk, die haddet[73]haast vernomen:Dies hij om strijden weêr is haastig aangekomen.Maar, laas! den jongeling te zwak viel en te licht,Hij stort, zoo haast hij zag 't wreed monsters aangezicht!Het welk den grooten Arts naauw ziende, hem gewrevenHeeft met hetzelfde kruid[74], en bracht hem zoo ten leven.'t Welk, als ik 't overdenk, gaat boven mijn verstand,Dat zulken grooten kracht het kruid is ingeplant.

Ziet, hoe een zeldzaam kruid (o, wonderlijk bedrijf!)Het leven weder brengt in een gesturven[72]lijf.Sap. 16:Geen kruid noch plaaster heeft Israël in 't gemeenGenezen, dan, o Heere! uw eeuwig Woord alleen.

Ziet, hoe een zeldzaam kruid (o, wonderlijk bedrijf!)

Het leven weder brengt in een gesturven[72]lijf.

Sap. 16:

Geen kruid noch plaaster heeft Israël in 't gemeen

Genezen, dan, o Heere! uw eeuwig Woord alleen.

Twijl Esculapius vast wandelt op en neder,En tot gezondheid zoekt de kruiden groen en teder,Hij eenen herder ziet, die in een dal gezwindStrijdt met den basilisk, welk hij op 't lest verwint,Door kracht en middel van een deel gevlochten blaren,Daar zijn hoofd-slapen beid met overschaduwd waren;Dies Esculapius hem vurig daar om bad.Maar naauw den herder hem dees gift geschonken had,Den loozen basilisk, die haddet[73]haast vernomen:Dies hij om strijden weêr is haastig aangekomen.Maar, laas! den jongeling te zwak viel en te licht,Hij stort, zoo haast hij zag 't wreed monsters aangezicht!Het welk den grooten Arts naauw ziende, hem gewrevenHeeft met hetzelfde kruid[74], en bracht hem zoo ten leven.'t Welk, als ik 't overdenk, gaat boven mijn verstand,Dat zulken grooten kracht het kruid is ingeplant.

Twijl Esculapius vast wandelt op en neder,

En tot gezondheid zoekt de kruiden groen en teder,

Hij eenen herder ziet, die in een dal gezwind

Strijdt met den basilisk, welk hij op 't lest verwint,

Door kracht en middel van een deel gevlochten blaren,

Daar zijn hoofd-slapen beid met overschaduwd waren;

Dies Esculapius hem vurig daar om bad.

Maar naauw den herder hem dees gift geschonken had,

Den loozen basilisk, die haddet[73]haast vernomen:

Dies hij om strijden weêr is haastig aangekomen.

Maar, laas! den jongeling te zwak viel en te licht,

Hij stort, zoo haast hij zag 't wreed monsters aangezicht!

Het welk den grooten Arts naauw ziende, hem gewreven

Heeft met hetzelfde kruid[74], en bracht hem zoo ten leven.

't Welk, als ik 't overdenk, gaat boven mijn verstand,

Dat zulken grooten kracht het kruid is ingeplant.

't Is Bacchus die hier zit, naar 't leven uitgebeeld,Die ons den geest verheugt, en alle zorge ontsteelt[75].Syr. 31:Den eedlen zoeten wijn verkwikt des menschen hert,Wanneer hij matiglijk met smaak genuttigd werd.Hier zit den Wijn-god zelf met zijnen platten kroes,Op zijn gezadeld ros, en speelt al vast à-vous!O Bacche! drinkt eens om, en laat ons ook à-moyen[76],'t Vat is niet hallefleêg, wij mogen noch wel poyen[77]:Maar zegt mij, hoe uw hoofd dees lichte vleugels krijgt,En Pegasus aldus gevlerkt naar boven stijgt?Is 't niet, o geve-lust, wijn-vinder, licht-beloven[78]!Omdat de wijn versterkt en stiert den geest na boven?Maar waarom krunkelt dus dees wijnranke in uw hand?Is't niet, omdat gij eerst den wijnstok hebt geplant?Waaromme zijdy[79]dus geschilderd blij en jeugdig?Is 't niet omdat de wijn den mensch maakt kinds[80]en vreugdig?En waarom zijdy[79]naakt? is 't, om dat onbeschaamdDen dronkaart niet en weet, noch acht wat hem betaamt?O dat is wel geraân! dus drinkt uit mijnder[81]schalen[81]Eens lekker druiven-bloed, ik zal 't gelag betalen.

't Is Bacchus die hier zit, naar 't leven uitgebeeld,Die ons den geest verheugt, en alle zorge ontsteelt[75].Syr. 31:Den eedlen zoeten wijn verkwikt des menschen hert,Wanneer hij matiglijk met smaak genuttigd werd.Hier zit den Wijn-god zelf met zijnen platten kroes,Op zijn gezadeld ros, en speelt al vast à-vous!O Bacche! drinkt eens om, en laat ons ook à-moyen[76],'t Vat is niet hallefleêg, wij mogen noch wel poyen[77]:Maar zegt mij, hoe uw hoofd dees lichte vleugels krijgt,En Pegasus aldus gevlerkt naar boven stijgt?Is 't niet, o geve-lust, wijn-vinder, licht-beloven[78]!Omdat de wijn versterkt en stiert den geest na boven?Maar waarom krunkelt dus dees wijnranke in uw hand?Is't niet, omdat gij eerst den wijnstok hebt geplant?Waaromme zijdy[79]dus geschilderd blij en jeugdig?Is 't niet omdat de wijn den mensch maakt kinds[80]en vreugdig?En waarom zijdy[79]naakt? is 't, om dat onbeschaamdDen dronkaart niet en weet, noch acht wat hem betaamt?O dat is wel geraân! dus drinkt uit mijnder[81]schalen[81]Eens lekker druiven-bloed, ik zal 't gelag betalen.

't Is Bacchus die hier zit, naar 't leven uitgebeeld,Die ons den geest verheugt, en alle zorge ontsteelt[75].Syr. 31:Den eedlen zoeten wijn verkwikt des menschen hert,Wanneer hij matiglijk met smaak genuttigd werd.

't Is Bacchus die hier zit, naar 't leven uitgebeeld,

Die ons den geest verheugt, en alle zorge ontsteelt[75].

Syr. 31:

Den eedlen zoeten wijn verkwikt des menschen hert,

Wanneer hij matiglijk met smaak genuttigd werd.

Hier zit den Wijn-god zelf met zijnen platten kroes,Op zijn gezadeld ros, en speelt al vast à-vous!O Bacche! drinkt eens om, en laat ons ook à-moyen[76],'t Vat is niet hallefleêg, wij mogen noch wel poyen[77]:Maar zegt mij, hoe uw hoofd dees lichte vleugels krijgt,En Pegasus aldus gevlerkt naar boven stijgt?Is 't niet, o geve-lust, wijn-vinder, licht-beloven[78]!Omdat de wijn versterkt en stiert den geest na boven?Maar waarom krunkelt dus dees wijnranke in uw hand?Is't niet, omdat gij eerst den wijnstok hebt geplant?Waaromme zijdy[79]dus geschilderd blij en jeugdig?Is 't niet omdat de wijn den mensch maakt kinds[80]en vreugdig?En waarom zijdy[79]naakt? is 't, om dat onbeschaamdDen dronkaart niet en weet, noch acht wat hem betaamt?O dat is wel geraân! dus drinkt uit mijnder[81]schalen[81]Eens lekker druiven-bloed, ik zal 't gelag betalen.

Hier zit den Wijn-god zelf met zijnen platten kroes,

Op zijn gezadeld ros, en speelt al vast à-vous!

O Bacche! drinkt eens om, en laat ons ook à-moyen[76],

't Vat is niet hallefleêg, wij mogen noch wel poyen[77]:

Maar zegt mij, hoe uw hoofd dees lichte vleugels krijgt,

En Pegasus aldus gevlerkt naar boven stijgt?

Is 't niet, o geve-lust, wijn-vinder, licht-beloven[78]!

Omdat de wijn versterkt en stiert den geest na boven?

Maar waarom krunkelt dus dees wijnranke in uw hand?

Is't niet, omdat gij eerst den wijnstok hebt geplant?

Waaromme zijdy[79]dus geschilderd blij en jeugdig?

Is 't niet omdat de wijn den mensch maakt kinds[80]en vreugdig?

En waarom zijdy[79]naakt? is 't, om dat onbeschaamd

Den dronkaart niet en weet, noch acht wat hem betaamt?

O dat is wel geraân! dus drinkt uit mijnder[81]schalen[81]

Eens lekker druiven-bloed, ik zal 't gelag betalen.

De vreed' veel overvloeds een ieder maakt gemeen,Wanneerden dullen krijg met voeten ligt vertreên.Job, 22:Vereenigt u met God, hebt vrede in uw gemoeden,Gij werdt uit zijnen schoot gezegend met veel goeden[82].Ziet Cornucopia[83]met heuren vollen horenOntluiken, twijlen Mars, al schuimende van tooren,Met zijn Bellona[84]ligt getreden met de voet:Gekneusd is zijnen schild, en zijnen stalen hoed,Zijn ijzer is verstompt, en zijne spies gebroken:Zoo dapper heeft de vreed' zich over hem gewroken.Duurt lange, o zoete vreed'! dat eeuwig voor dy buig'Den dullen God des krijgs met al zijn wapen-tuig!Verstikt zijn moord-trompet, en laat zijn vendels rotten,Scheurt zijn banieren al, en werpt ze voor de motten!Zijn woedige[85]trofeên vernielt, hoe schoon en weerd!Maakt van zijn spies een zeyn[86], een kouter van zijn zweerd,Opdat den akkerman weêr met een goed genoegenMag onzes moeders rug doorvoren en doorploegen,En Ceres wederom toewijden, met genucht,Het eerste veld-gewas, het eerste van zijn vrucht.

De vreed' veel overvloeds een ieder maakt gemeen,Wanneerden dullen krijg met voeten ligt vertreên.Job, 22:Vereenigt u met God, hebt vrede in uw gemoeden,Gij werdt uit zijnen schoot gezegend met veel goeden[82].Ziet Cornucopia[83]met heuren vollen horenOntluiken, twijlen Mars, al schuimende van tooren,Met zijn Bellona[84]ligt getreden met de voet:Gekneusd is zijnen schild, en zijnen stalen hoed,Zijn ijzer is verstompt, en zijne spies gebroken:Zoo dapper heeft de vreed' zich over hem gewroken.Duurt lange, o zoete vreed'! dat eeuwig voor dy buig'Den dullen God des krijgs met al zijn wapen-tuig!Verstikt zijn moord-trompet, en laat zijn vendels rotten,Scheurt zijn banieren al, en werpt ze voor de motten!Zijn woedige[85]trofeên vernielt, hoe schoon en weerd!Maakt van zijn spies een zeyn[86], een kouter van zijn zweerd,Opdat den akkerman weêr met een goed genoegenMag onzes moeders rug doorvoren en doorploegen,En Ceres wederom toewijden, met genucht,Het eerste veld-gewas, het eerste van zijn vrucht.

De vreed' veel overvloeds een ieder maakt gemeen,Wanneerden dullen krijg met voeten ligt vertreên.Job, 22:Vereenigt u met God, hebt vrede in uw gemoeden,Gij werdt uit zijnen schoot gezegend met veel goeden[82].

De vreed' veel overvloeds een ieder maakt gemeen,

Wanneerden dullen krijg met voeten ligt vertreên.

Job, 22:

Vereenigt u met God, hebt vrede in uw gemoeden,

Gij werdt uit zijnen schoot gezegend met veel goeden[82].

Ziet Cornucopia[83]met heuren vollen horenOntluiken, twijlen Mars, al schuimende van tooren,Met zijn Bellona[84]ligt getreden met de voet:Gekneusd is zijnen schild, en zijnen stalen hoed,Zijn ijzer is verstompt, en zijne spies gebroken:Zoo dapper heeft de vreed' zich over hem gewroken.Duurt lange, o zoete vreed'! dat eeuwig voor dy buig'Den dullen God des krijgs met al zijn wapen-tuig!Verstikt zijn moord-trompet, en laat zijn vendels rotten,Scheurt zijn banieren al, en werpt ze voor de motten!Zijn woedige[85]trofeên vernielt, hoe schoon en weerd!Maakt van zijn spies een zeyn[86], een kouter van zijn zweerd,Opdat den akkerman weêr met een goed genoegenMag onzes moeders rug doorvoren en doorploegen,En Ceres wederom toewijden, met genucht,Het eerste veld-gewas, het eerste van zijn vrucht.

Ziet Cornucopia[83]met heuren vollen horen

Ontluiken, twijlen Mars, al schuimende van tooren,

Met zijn Bellona[84]ligt getreden met de voet:

Gekneusd is zijnen schild, en zijnen stalen hoed,

Zijn ijzer is verstompt, en zijne spies gebroken:

Zoo dapper heeft de vreed' zich over hem gewroken.

Duurt lange, o zoete vreed'! dat eeuwig voor dy buig'

Den dullen God des krijgs met al zijn wapen-tuig!

Verstikt zijn moord-trompet, en laat zijn vendels rotten,

Scheurt zijn banieren al, en werpt ze voor de motten!

Zijn woedige[85]trofeên vernielt, hoe schoon en weerd!

Maakt van zijn spies een zeyn[86], een kouter van zijn zweerd,

Opdat den akkerman weêr met een goed genoegen

Mag onzes moeders rug doorvoren en doorploegen,

En Ceres wederom toewijden, met genucht,

Het eerste veld-gewas, het eerste van zijn vrucht.


Back to IndexNext