Chapter 3

De leeuw, 't ontzaglijk dier, 't peerd ziende 't gras aflezen,Zeer listig tot hem trad, en veinsde zich te wezenEen wel-ervaren arts, die, door kunst-rijke list,Tot allerlei gebrek en krankheid hulpe wist.Maar 't peerd, niet minder loos, riep: "o, ter goeder urenHeeft u Apollo hier tot mijwaarts willen sturen!O Æsculapi, komt, uitnemendste doctoor!Treedt herwaarts met uw kunsten komt mijn kwale voor:Want mijnen achtervoet mij bang maakt en verlegen,Vermits een groot gezwel, daar onlangs aan gekregen;Ontzegt uw hulpe niet, is 't anders in uw machtBesmeeret[87]met uw zalve, opdat het wat verzacht."De leeuw veinst zich gereed 's peerds achter-voet te heelen,En schikt[88]zich achter aan: dan 't ros slacht niet den schelen[89],Het slaat den loozen arts 't hoef-ijzer voor den kop,Dat hij ter aarden ligt, een-slags, met éénen klop.'t Gaat zoo gemeenlijk, dat die andren meent te plagen,Die wordt eerst zelf geplaagd en moet zijn straffe dragen;Die anderen 't net voor-spant[90]of eenen kuil bereidt,Eerlang zelfs in den strik of in den afgrond leidt.VII.DE VOS EN DE KRAAN.De lang-gebekte kraan den schalken vos vergasten[91];De vos, die op de komst van zijn vrundinne pasten,De spijzen rechtten aan, in 't plat van een platteel[92];Dies pronkte[93]jufvrouw Kraan, maar Reintjen kreeg zijn deel.Dit heeft haar tot in 't hert verdroten en gespeten,Doch heeft zij 't ongemerkt voor suiker opgegeten,Ter tijd[94]zij om haar leed te wreken was gereed,En Reinert ook genood haar tafel heeft bekleed;Maar 's Kranen loosheid heeft hij haastelijk vernomen,Toen hij 't eng-halzig vat met spijs ter disch zag komen.De smetsende[95]weerdin spreekt 't looze vosken aan:"Hoe, Reynaart! eet gij niet, laat gij mijn spijze staan?Hoe smaakt mijn disch-gerecht?" de vos, die spreekt ten besten[96].Die met een ander spot, wordt zelf bespot ten lestenWant wie met andren schempt en houdt zijn spotgeral[97],Denk' vrijlijk, dat hij weêr beschempet werden zal.VIII.PAAUW EN DE NACHTEGAAL.De schoon-geveêrde paauw aanhoorde, met begeeren,Het nachtegaalken in de wilgen quinkeleeren,En werd bijna verliefd op 't liefelijk gezang,En 't goddelijk muziek, dat uit de takken klank[98].Ten laatste sprak ze aldus: "O moeder aller dingen!Nature, die mij voor veel andren zonderlingen[99]En heerlijk hebt gecierd, hoe was ik zoo onweerd,Dat gij wèlzingens[100]kunst met mijnen gouden steertEn eersleep niet te gaâr hebt willen huwelijken,Op dat ik zoo alzins der vooglen roem mocht strijken!"Nature toen terstond heeft 's paauws ondankbaarheidBerispt, om dat met 't geen, haar rijklijk bijgeleid[101],Zij niet en was vernoegd; gelijk, tot geenen tijden,Het nachtegaalken niet 's paauws voordeel zal benijden,Maar zich te vreden houdt met 't geen haar is gejond[102]."Indien ook (zeide zij) het elkeen waar vergond,Te hebben 't geen hij wenscht, 't stond grootelijks te vreezenDat met vernieuwen ik alsteeds zou bezig wezen.Gij, die met uwen staat noch eens ontvangen lotU nimmermeer vernoegt, maar opstaat tegen GodEn der naturen wet, leert met vernoeging leven,Noch wenscht niet na het gene een ander is gegeven."IX.VAN DE WOLVEN EN DE SCHAPEN.De schapen hadden met de felle wolven t' zamenEen heftig krijg-geschil; dies haar te hulpe kwamenDe wakker honden, die zich toonden al bereid,Haar zaak t' handhaven en haar groote onnoozelheid[103].De wolven, buiten hoop van de overhand te houden,De schaapkens boden aan (indien zij 't haar vertrouwden)Te handelen van vreed': mits dat, van stonden aan,Zij d'honden zouden als in gijseling ontslaân,En daar voor wederom de wolfkens tot haar zenden.De schaapkens stemden zulks; o, droefheid! wat ellendenGenaakten haar zoo fluks! van d'honden zij ontbloot,Het een na 't ander van den wolfkens werd gedood,Al d'honden waren van den wolventand verbeten[104].—Zoo varen zij, die licht der ouden leer vergeten,Dewelk ons streng verbiedt[105], dat zich een ieder wachtTe stellen zijn geweld[106]in 's vijands wil en macht;Noch dat wij nimmer ons in slaap en laten wiegenVan hem, die al van ouds gewoon is te bedriegen,X.VAN DEN LEEUW ENDE 'T MUISKEN.'k En weet[107]bij wat geval de leeuw, met groot verschrikken,Zich vond op 't onverzienst in toebereide strikken,Het zij door 's jagers list, die 't ongediert belaagt,Of ander ongeval in 't looze net gejaagd.De sterke is in gevaar, hij worstelt naar vermogen,Maar wordt hoe langs hoe meer daar dieper ingetogen,Dies hij zijn stem verheft, en eiselijken brult,Dat 't gansche bosch alom is van 't geroep vervuld.Een muisken bij geval daar dicht omtrent geslopen,Op 't schallende gekrijsch koomt t' zijnder[108]hulp geloopen,En knaagt den strik in twee, met dankbaarheid en vreugd,Vergeldende des leeuws heel korts[109]bewezen deugd.Koomt herwaarts, spiegelt u, gij koningen en heeren!En houdt zoo wel de kleinste als de aldergrootste in eeren,Vermits hier niemand is zoo machtig noch zoo groot,Of de allerkleinste kan hem oorbaar[110]zijn in nood.XI.VAN DE WIND, ZONNE, ENDE WANDELAAR.[111]De sture Boreas[112]wel sterkelijk beweerde,Dat hij de schoone Zon in mogendheid passeerde;Zulk roemen Fœbo[113]docht een al te groote spijt,Fluks dagende overzulks[114]den blaas-kaak uit ten strijd.De Noord-wind was gereed, liet zich ter plaatsen[115]vinden,En snorkte, dat hij was de sterkste van de winden.Zij maakten een verdrag, de een voor en de ander naar[116],Te proeven hare kracht op eenen reizenaar.[117]De bulderaar began[118], en blies met volle kaken,Wierp eike-boomen om en hoog-gerezen daken.De reiziger terwijl hield zijnen mantel vast,Spijt wat hij blazen mocht, wel stijf om 't lijf gepast.De wind, na lang geruisch, niet[119]ziende te vermogen,Gaf oorlof, dat de zon nu ook haar kracht mocht toogen;De Zon, die zoetelijk uit 's Hemels gouden dak,Op 't hoofd des reizenaars met heete stralen stak,Dat, zwetende ademloos, zijn kleedren hem verdroten,En zich[120]van 's mantels last genoodzaakt was t' ontblooten.Gij, die te streng regeert, leert wat een macht, vermengdMet reên[121]en zachtigheid, al nuttigheid toe-brengt.Gematigd' heerschappij onbuigelijken liedenVeel dragelijker valt, als al te streng gebieden;'t Gemeene volk, dat haat een al te korten lijn,'t Wil liever zacht geleid, als hard gedwongen zijn.XII.VAN DE MIER EN DE KREKEL.De magre krekel, nu van 's winters koû besprongen,Zocht aan 't kloek mierken heil, tot bedelen gedrongen,En met een heesche stem viel 't bezig dierken aan:"Erbermt u, juffrouw Mier! en om een weinig graanMij ongetroost niet laat, noch hongersnood bezuren,Mijn armoê wat vervult, en opent uwe schuren."Maar 't wakker beestjen, vrij van kommer en ellend,Den krekel heeft aldus zijn traagheid voorgewend[122]:"Draagtnu verschulde[123]straf, draagt nu 't vermaledijden,Die al den zomer sleet in wellust en verblijden,Die de aangename tijd en zegen hebt veracht,En slempende uwen oogst verkwist en doorgebracht."Het kostelijke pand en kleinood uitgenomen[124],Is de altijd vliênde tijd, die, huiden omgekomen,Niet morgen weder keert; wijs is hij van beraad,Die 's tijds gelegenheid beoogt en gade slaat;Die op geen weelde steunt, noch die, hoe hoog gezeten,De aanstaande zwarigheid lichtveerdig gaat vergeten.XIII.VAN DEN WOLF EN DE KRAAN.De wolf, der schapen vrees, door 't al te gulzig slikkenAan een verzwolgen been schier meende te verstikken;Dies hij, op hoop van hulp, de langgehalsde kraanMet veel beloften heeft verwil'gd[125], zijn leed t' ontslaan.De kraan, op winst verzot, heeft stout en onverschrokkenUit de opgesperde keel des wolfs het been getrokken;Maar als zij nu om loon heeft (wel verdiend) getaald[126],Heeft met deze antwoord haar 't geholpen dier betaald:"Wat plompheid kleeft u aan, dat gij nog eischt belooning,Of is niet loons genoeg de erbarmlijke[127]verschooning,Zoo dadelijk betoond? toen ik, hoe wreed geaard,Uw keel in mijne keel meêdoogend' heb gespaard.Dus uwer straten gaat, gaat henen uwer straten,En 't leven hebt te loon, dat ik u heb gelaten!"De ondankbre nimmermeer t' erkennen is bereed[128]De weldaad en de deugd, die aan hem is besteed;Zich zelven kent hij niet, blijft trotsch, stout en hovaardig,'t Koomt (waant hij) hem al toe, en is nog meerder waardig.XIV.DE ESSCHEN-BOOM EN 'T RIET.Een dik gegroeiden esch, wiens steile toppen gingenRecht naar de sterren toe en 's Hemels zolderingen,Trotseerde, dat hij stond verheven in 't foreest[129],Spijt d' alderfelsten storm en allerlei tempeest:Braveerde, dat hij was veel sterker van vermogenAls 't riet, dat van den wind al stadig wordt gebogen;Als 't wankelbare riet, dat siddert, schudt en beeftVoor de alderminste koelt', die langs de velden zweeft.Hij eindigt naauw, een bui ontstaat met sneller vaarden[130],En velt den esschen-boom ontworteld uit der aarden.'t Riet, speurende de val desgenen, die terstond't Gebladerd hoofd opstak en hoog verheven stond,Dus bij zich zelven spreekt: "o, veilig wonderbaarlijkIs nederigen staat voor[131]hoogheid, die gevaarlijkHet onderwerpsel is van[132]allerhande leed,En schielijk wordt gedreigd te vallen eer men 't weet."XV.VAN DEN LEUGENACHTIGEN SCHAAP-HERDER.Een, die met d' herder-staf de wit gewolde kuddenVoor 't ongediert op 't veld belast was te beschudden[133],Uit schalkheid menigmaal zijn luide stem verhief:"Help, wapen! wapen, help! en weert den schapen-dief!De wolf mijn kudd' belaagt, en ligt hier bij geslopen!"De land-liên kwamen fluks tot onderstand geloopen,Zoo lange tot, van hem bedrogen menigmaal,Zij sloegen in de wind zijn schalke logen-taal.Ten leste kwam degeen, die vast op[134]jonge lamren,Dies d' herder deerlijk kreesch, het zou een mensche jamren:"Help! nageburen, help! mijn kuddeken lijdt nood,De wolf van 't beste vlies mijn schaaps-kudd' heeft ontbloot!"Zijn roepen was vergeefs, vergeefs was 's herders weenen,Zij dachten: 't is bedrog, hij liegt gelijk voorhenen.Zulks en zoodanig is der logenaren loon,Diens[135]goddelooze tong te liegen is gewoon:Al spreekt hij somtijds schoon[136]de waarheid zonder liegen,Men geeft hem geen geloof, die lust heeft in 't bedriegen.XVI.VAN 'T ZWIJN ENDE DEN WOLF.De wolf een vuile zog[137]ziende in den misthoop liggen,Die zwanger nu bestond te stenen en te biggen[138],Zich vroêmoer heeft geveinsd, en haar, in biggens smert,Te helpen aangeboôn uit een meêdoogend hert;Zulks heeft de vuile zeuge al morrende afgeslagen.De wolf, om zulken roof te beter te belagen,Erbood[139]zich minne-moêr te willen zijn van 't spek,Dat nergens beter groeit als in zijn eigen drek.Maar als de bigster nu bemerkte 's wolves treken,Zij met deze antwoorde is der dieren schrik ontweken:"Gaat henen, jonker wolf! uw smeer[140]en pelsen huidBetuigen, wie gij zijt; zoekt elders uwen buit."Gij, die nog menschen wilt in deze wereld schijnen,En doodt de aanstaande vrucht uws lichaams met venijnen(Ik laat 't opvoeden staan[141]);—komt herwaarts, en ontwaakt:Ziet, hoe het vuilste beest, de zeuge, uw vonnis maakt!'t Zijn hoeren, die haar lief onechtelijk omarmen;Maar Duivels, die de vrucht haars lichaams niet beschermen.XVII.VAN EEN HOVEERDIG MUIL-DIER.De gladde muil, gestald aan eener voller kribben[142],Zich mestte rond en bol, dat 't smeer kleefde aan de ribben,Vermids hij noch met last noch arbeid was bezwaard,Waarom hij weeldig werd en brieschten als een paard,Beroemende[143]'t geslacht, waar van hij was gesproten,Ja, van veel eedler bloed als al zijn tijdgenooten,Verheffende zijn deugd en 's draf-geleerdheids kunst,Waardoor hij t' hemwaarts trok zijns heeren oog en gunst,Waardoor hij overtrof Ros-bayaard[144]in 't pikeeren[145],In ren of in tornooi, in springen of in keeren.Maar als de muil op 't lest werd voortgebracht in 't perk,En op zijn traagheid-van-naturen nam gemerk[146],Als de andre hengsten hem zoo wijd te boven gingen,Het zij in wakkerheid van draven of van springen:"Nu (sprak hij) merk ik licht, als ik mij zelven ken,Dat ik van 't ezels bloed van oud gesproten ben."De roemers varen zoo, die zot haar zelfs flatteeren,En roemen van het geen zij in der daad ontberen;Of iemand duizendmaal met roem zich zelf bekroont,De ervarenheid betuigt, wat deugd bij iemand woont.XVIII.DE WOLF IN 'T SCHAAPS-KLEED VOOR DE KOOI VAN 'T SCHAAP.De wolf kwam tot de kooi der wapenlooze schapen,Vermomd met 't lammren-vel, om d' hamel te betrapen[147],En bad hem, dat hij zich vervoegen wilde in 't woud,Dat als een schoon priëel was loof-rijk opgebouwd;Maar d' hamel zeide: "ik zou u geerne gaan verzellen,Indien gij waart een wolf, die u te weer mocht[148]stellen,Zoo eenig ongediert ons overviel in 't groen."De wolf, gelijk verheugd om zulk een antwoord, toenVan 't schaaps-vel zich ontsloeg, en sprak: "t'sa, gaan wij wakker!Ik ben de wolf, uw vrund en aldertrouwste makker.""Neen," sprak den hamel toen, "gaat uwer straten[149]heen,En hebt met uwsgelijk uw lust en vreugd gemeen;Mijn schaaps-kooi ik behoe[150], ter tijd ik, t' mijner bate,Een trouw gezel bekoom, daarop[151]ik mij verlate:Genoeg heb ik geleerd, aan deze uw vreemde pert[152],Dat onder 't schapen-vel school 't wreede wolven-hert."'t Is al van ouds, dat, om de onnooslen te verlokkenDe wreeden 't schapen-vel arglistelijk aantrokken;De schijn veeltijds bedriegt, dus is hij wijs bedacht,Die jonker Wolfaart vreest, en zich voor 't schaaps-vel wacht.XIX.EEN HERDER ENDE EEN AFGOD.Den ossen-harder, tot afgoderij genegen,Aanbad een houten-God, om rijkdom en om zegen;Hij lag op 't aardrijk neêr, en bad de Godheid aan,Op dat hem 't heilig hout van armoê mocht ontslaan;Maar, als hij moê gebeên, na[153]blinder[154]luiden zeden,Noch schat noch rijkdom kreeg tot loon van zijn gebeden,Hij, met een stalen aks, den afgod ging te keer,Die brekende den hals viel van 't hoog altaar neêr,Uitstortende een threzoor van schijven, die (uit zorgen)Daar iemand voormaals in had bij geval verborgen.Dies d' herder sprong van vreugd', en riep: "o Godheid mijn!Uw weldaad niet verbeên, maar woû gedwongen zijn!"Wat weldaad iemand doet, met kracht daar toe gedwongen,De zulke ontbeert den lof op des ontvangers tongen[155];Wie willig als van zelf zijn naasten deugd bewijst[156],Veroorzaakt, dat men hem voor zijne mildheid prijst.XX.DE VOS EN DE KATTEN.De schalke vos op 't veld de katten vast verzelde,En van zijn listigheid veel snorkende vertelde,Dat aller katten doen en hand-werk (hoe men 't acht)Was muize-vangerij en enkel ratten-jacht.Terwijl zij onderlinge aldus in 't twisten rezen,En Reinert[157]boven haar de uitnemendste woû wezen,Een koppel honden haar te schielijk overkoomt;De simmen[158]klavren[159]in de takken van 't geboomt;Maar Reintjen, in gevaar, niet wetende waar vluchten,Is fluks der brakken roof, en spreekt met diep verzuchten:"Hoe ijdel is de roem desgenen voor gewis,Die op de katten smaalde en nu haar schouwspel is;Wanneer hij in gevaar, ja, hoop en troost ten ende,Haar vlijtigheid aanschouwt en zelfs blijft in ellende!"Die schier vergodet schijnt en alles hier toelacht,Zich voor 't beroemen hoed' en voor 't bespotten wacht';'t Geluk is wankelbaar; wel hem, die wijs beradenZorgvuldelijk zich wacht van andre te versmaden.XXI.'T SERPENT EN 'TAAMBEELD.'t Scherptandige serpent belust was te vermalenEen aambeeld, herd van staal en ijzer t'eenemalen,Maar kon verwinnen niet[160]op zulken ijz'ren romp;En maakte 't aambeeld niet, maar al zijn tanden stomp.Als nu des diers gebit ten leste was bedorven,Heeft het van 't aambeeld tot een antwoord dit verworven:"Wat dolheid gaat u aan, dat, met een scherp gebit,Gij om mijn herdheid te verbrijzlen zijt verhit!Laat af, laat af in tijds, al waren uwe tandenVan koper en van staal, ik maakte ze ter schanden."Dees fabel wil de zulke aan-spreken zonderlingen,Die zich aanmeten meer als menschelijke dingen.Gelijk dat zotte volk, dat, met een ijdel hoop,Een vaart langs 't Noorden zoekt, spijt der naturen loop:Dat met een eiken plank, o stoute zee-gezellen!Drijft door 't bergachtig ijs, gelijk als na der Hellen,En blijfter al een schip in 't Noorden voor den tol,Gelijk een toren, staan, zij varen even dol[161].XXII.DE OUDE ENDE JONGE KREEFT.De schelpe-drager kreeft wild' haars gelijk aanwijzen,Dat 't voorwaarts zwemmen meer als 't aarslen[162]is te prijzen:Al was 't schoon, dat[163]nature haarluiden[164]in dit deelIn 't scheppen hadde ontbloot van schoonheid al geheel,Vermits zij andren hadde op andre wijs gegeven,Met vinnen door het vocht recht voorwaarts uit te zweven.Maar de onderwezen kreeft sprak zijnen makker aan,Dewijl hij 't had geleerd, hij zoudet[165]eerst bestaan,En als een leerlijk beeld[166]het vochte veld doorploegen,Hij wilde[167]recht op 't spoor hem na te volgen voegen[168].—Gij, die 't voortrefflijk ambt eens leeraars vast bekleedt,En andren haar gebrek te toonen zijt gereed,U zelven eerst bestiert, wilt in u zelf genezen't Geen gij in andren meent bestraffelijk te wezen;Want als gij andren leert, en blijft van 't goede schuw,Zoo blijft een dobbel zonde en grover vlek in u.XXIII.DE KRAAI EN 'T SCHAAP.De hongerige raaf, tot stelen altijd vlugge,Vloog 't witgewolde schaap op zijnen bonten[169]rugge;Uitplukkende van 't vlies de wol gelijk verwoed,Doorpikt het blanke vel, en zuipt 't onnoosle bloed;Het lammeken lijdt smert, doet niet dan droevig blaren,Maar kan de vogel noch verschrikken noch vervaren.Dies het ten leste spreekt: "bloed-zuipende tyran!Gij zijt voorwaar op mij een dapper held en man;Op mij, onnoozel dier en weerloos heel met allen[170]!Maar, hebdy 't hert, bestaat den hond eens aan te vallen."De raaf wordt noch beweegd noch luistert naar die zang,Zuipt 't jonge lamren-bloed, gaat vlijtig haren gang.De klachten zijn vergeefs, vergeefs zijn al de tranen,Die voor een dwingeland uitstorten de onderdanen;Hij lacht in hun verdriet, hij groeit in hunne smert,En voedt met haren druk de blijdschap in zijn hert.XXIV.DE VOS EN DE BIJEN.Den vos, in eenen strik geraakt in duizend lijen,Besprongen eenen zwerm van hommelende bijen;Die priemden[171]hem alsins op 't heetste van den dagMet anglen in 't lijf, daar hij gevangen lag.Zijn makker tot hem treedt, en raadt, dat hij te zamenDien zwerm af-schudden zal, die hem zoo deerlijk pramen[171];"Neen," zegt de schalke vos, "dees biekens zijn nu zatVan 't looze Reintjens bloed, dat liefelijke nat;Verjage ik deze zwerm, zoo koomt'er weêr een jonger,Met nieuwen appetijt, met verschen gragen honger,Die zouden van mijn vleesch en bloed haar-zelven voên,Met meerder pijn en smert als mij nu deze doen."Het is een oude sprook, de welk de natuur nog hedenIn 's herten tafel heeft uitdrukkelijk gesneden,Dat van twee kwaden 't beste altijd te kiezen staat:Wel hem, die in 't verdriet het slimste nog ontgaat.XXV.DE AREND EN DE VOS.Den arend krom-gebekt het vossen-nest beloerde,Daar zij de jongskens uit bij haar gebroedsel voerde.Die, veilig van 't gediert, van hagel, wind en stroom,Gelegerd lagen inde top van eenen boom.De vos, die is beleurd[172], is toornig en ontsteken,Met eenen ook gezind, zijn leed op 't strengst te wreken;Maar als[173]'t aan vlerken mist[174]om stijgen in de locht,Daar in den top des booms zijn jongsken zijn gebrocht,Hij met een vuurge toorts 't gebladerd hout van onderAan lichter lagen[175]blaast en branden doet te wonder.Laas! de arends schreyen vast in 't midden van 't gesmook,De moeder hopeloos vast vliegt om vuur en rook;Maar och! 't is al vergeefs, 't en houdt niet op van branden,Of al 't gebroedsel is, met nest en al, ter schanden.Gij, die in mogendheid, gelijk gebenedijd[176],Tot op der eeren troon als Goôn verheven zijt,U voor de minste ontziet, en wacht u haar[177]te krenken:Gedenkt, dat de alderkleinst' zich zal te wreken denken[178].XXVI.DE EZEL SPRINGT ZIJN MEESTER OP 'T LIJF.

De leeuw, 't ontzaglijk dier, 't peerd ziende 't gras aflezen,Zeer listig tot hem trad, en veinsde zich te wezenEen wel-ervaren arts, die, door kunst-rijke list,Tot allerlei gebrek en krankheid hulpe wist.Maar 't peerd, niet minder loos, riep: "o, ter goeder urenHeeft u Apollo hier tot mijwaarts willen sturen!O Æsculapi, komt, uitnemendste doctoor!Treedt herwaarts met uw kunsten komt mijn kwale voor:Want mijnen achtervoet mij bang maakt en verlegen,Vermits een groot gezwel, daar onlangs aan gekregen;Ontzegt uw hulpe niet, is 't anders in uw machtBesmeeret[87]met uw zalve, opdat het wat verzacht."De leeuw veinst zich gereed 's peerds achter-voet te heelen,En schikt[88]zich achter aan: dan 't ros slacht niet den schelen[89],Het slaat den loozen arts 't hoef-ijzer voor den kop,Dat hij ter aarden ligt, een-slags, met éénen klop.'t Gaat zoo gemeenlijk, dat die andren meent te plagen,Die wordt eerst zelf geplaagd en moet zijn straffe dragen;Die anderen 't net voor-spant[90]of eenen kuil bereidt,Eerlang zelfs in den strik of in den afgrond leidt.

De leeuw, 't ontzaglijk dier, 't peerd ziende 't gras aflezen,Zeer listig tot hem trad, en veinsde zich te wezenEen wel-ervaren arts, die, door kunst-rijke list,Tot allerlei gebrek en krankheid hulpe wist.Maar 't peerd, niet minder loos, riep: "o, ter goeder urenHeeft u Apollo hier tot mijwaarts willen sturen!O Æsculapi, komt, uitnemendste doctoor!Treedt herwaarts met uw kunsten komt mijn kwale voor:Want mijnen achtervoet mij bang maakt en verlegen,Vermits een groot gezwel, daar onlangs aan gekregen;Ontzegt uw hulpe niet, is 't anders in uw machtBesmeeret[87]met uw zalve, opdat het wat verzacht."De leeuw veinst zich gereed 's peerds achter-voet te heelen,En schikt[88]zich achter aan: dan 't ros slacht niet den schelen[89],Het slaat den loozen arts 't hoef-ijzer voor den kop,Dat hij ter aarden ligt, een-slags, met éénen klop.'t Gaat zoo gemeenlijk, dat die andren meent te plagen,Die wordt eerst zelf geplaagd en moet zijn straffe dragen;Die anderen 't net voor-spant[90]of eenen kuil bereidt,Eerlang zelfs in den strik of in den afgrond leidt.

De leeuw, 't ontzaglijk dier, 't peerd ziende 't gras aflezen,Zeer listig tot hem trad, en veinsde zich te wezenEen wel-ervaren arts, die, door kunst-rijke list,Tot allerlei gebrek en krankheid hulpe wist.Maar 't peerd, niet minder loos, riep: "o, ter goeder urenHeeft u Apollo hier tot mijwaarts willen sturen!O Æsculapi, komt, uitnemendste doctoor!Treedt herwaarts met uw kunsten komt mijn kwale voor:Want mijnen achtervoet mij bang maakt en verlegen,Vermits een groot gezwel, daar onlangs aan gekregen;Ontzegt uw hulpe niet, is 't anders in uw machtBesmeeret[87]met uw zalve, opdat het wat verzacht."De leeuw veinst zich gereed 's peerds achter-voet te heelen,En schikt[88]zich achter aan: dan 't ros slacht niet den schelen[89],Het slaat den loozen arts 't hoef-ijzer voor den kop,Dat hij ter aarden ligt, een-slags, met éénen klop.'t Gaat zoo gemeenlijk, dat die andren meent te plagen,Die wordt eerst zelf geplaagd en moet zijn straffe dragen;Die anderen 't net voor-spant[90]of eenen kuil bereidt,Eerlang zelfs in den strik of in den afgrond leidt.

De leeuw, 't ontzaglijk dier, 't peerd ziende 't gras aflezen,

Zeer listig tot hem trad, en veinsde zich te wezen

Een wel-ervaren arts, die, door kunst-rijke list,

Tot allerlei gebrek en krankheid hulpe wist.

Maar 't peerd, niet minder loos, riep: "o, ter goeder uren

Heeft u Apollo hier tot mijwaarts willen sturen!

O Æsculapi, komt, uitnemendste doctoor!

Treedt herwaarts met uw kunsten komt mijn kwale voor:

Want mijnen achtervoet mij bang maakt en verlegen,

Vermits een groot gezwel, daar onlangs aan gekregen;

Ontzegt uw hulpe niet, is 't anders in uw macht

Besmeeret[87]met uw zalve, opdat het wat verzacht."

De leeuw veinst zich gereed 's peerds achter-voet te heelen,

En schikt[88]zich achter aan: dan 't ros slacht niet den schelen[89],

Het slaat den loozen arts 't hoef-ijzer voor den kop,

Dat hij ter aarden ligt, een-slags, met éénen klop.

't Gaat zoo gemeenlijk, dat die andren meent te plagen,

Die wordt eerst zelf geplaagd en moet zijn straffe dragen;

Die anderen 't net voor-spant[90]of eenen kuil bereidt,

Eerlang zelfs in den strik of in den afgrond leidt.

De lang-gebekte kraan den schalken vos vergasten[91];De vos, die op de komst van zijn vrundinne pasten,De spijzen rechtten aan, in 't plat van een platteel[92];Dies pronkte[93]jufvrouw Kraan, maar Reintjen kreeg zijn deel.Dit heeft haar tot in 't hert verdroten en gespeten,Doch heeft zij 't ongemerkt voor suiker opgegeten,Ter tijd[94]zij om haar leed te wreken was gereed,En Reinert ook genood haar tafel heeft bekleed;Maar 's Kranen loosheid heeft hij haastelijk vernomen,Toen hij 't eng-halzig vat met spijs ter disch zag komen.De smetsende[95]weerdin spreekt 't looze vosken aan:"Hoe, Reynaart! eet gij niet, laat gij mijn spijze staan?Hoe smaakt mijn disch-gerecht?" de vos, die spreekt ten besten[96].Die met een ander spot, wordt zelf bespot ten lestenWant wie met andren schempt en houdt zijn spotgeral[97],Denk' vrijlijk, dat hij weêr beschempet werden zal.

De lang-gebekte kraan den schalken vos vergasten[91];De vos, die op de komst van zijn vrundinne pasten,De spijzen rechtten aan, in 't plat van een platteel[92];Dies pronkte[93]jufvrouw Kraan, maar Reintjen kreeg zijn deel.Dit heeft haar tot in 't hert verdroten en gespeten,Doch heeft zij 't ongemerkt voor suiker opgegeten,Ter tijd[94]zij om haar leed te wreken was gereed,En Reinert ook genood haar tafel heeft bekleed;Maar 's Kranen loosheid heeft hij haastelijk vernomen,Toen hij 't eng-halzig vat met spijs ter disch zag komen.De smetsende[95]weerdin spreekt 't looze vosken aan:"Hoe, Reynaart! eet gij niet, laat gij mijn spijze staan?Hoe smaakt mijn disch-gerecht?" de vos, die spreekt ten besten[96].Die met een ander spot, wordt zelf bespot ten lestenWant wie met andren schempt en houdt zijn spotgeral[97],Denk' vrijlijk, dat hij weêr beschempet werden zal.

De lang-gebekte kraan den schalken vos vergasten[91];De vos, die op de komst van zijn vrundinne pasten,De spijzen rechtten aan, in 't plat van een platteel[92];Dies pronkte[93]jufvrouw Kraan, maar Reintjen kreeg zijn deel.Dit heeft haar tot in 't hert verdroten en gespeten,Doch heeft zij 't ongemerkt voor suiker opgegeten,Ter tijd[94]zij om haar leed te wreken was gereed,En Reinert ook genood haar tafel heeft bekleed;Maar 's Kranen loosheid heeft hij haastelijk vernomen,Toen hij 't eng-halzig vat met spijs ter disch zag komen.De smetsende[95]weerdin spreekt 't looze vosken aan:"Hoe, Reynaart! eet gij niet, laat gij mijn spijze staan?Hoe smaakt mijn disch-gerecht?" de vos, die spreekt ten besten[96].Die met een ander spot, wordt zelf bespot ten lestenWant wie met andren schempt en houdt zijn spotgeral[97],Denk' vrijlijk, dat hij weêr beschempet werden zal.

De lang-gebekte kraan den schalken vos vergasten[91];

De vos, die op de komst van zijn vrundinne pasten,

De spijzen rechtten aan, in 't plat van een platteel[92];

Dies pronkte[93]jufvrouw Kraan, maar Reintjen kreeg zijn deel.

Dit heeft haar tot in 't hert verdroten en gespeten,

Doch heeft zij 't ongemerkt voor suiker opgegeten,

Ter tijd[94]zij om haar leed te wreken was gereed,

En Reinert ook genood haar tafel heeft bekleed;

Maar 's Kranen loosheid heeft hij haastelijk vernomen,

Toen hij 't eng-halzig vat met spijs ter disch zag komen.

De smetsende[95]weerdin spreekt 't looze vosken aan:

"Hoe, Reynaart! eet gij niet, laat gij mijn spijze staan?

Hoe smaakt mijn disch-gerecht?" de vos, die spreekt ten besten[96].

Die met een ander spot, wordt zelf bespot ten lesten

Want wie met andren schempt en houdt zijn spotgeral[97],

Denk' vrijlijk, dat hij weêr beschempet werden zal.

De schoon-geveêrde paauw aanhoorde, met begeeren,Het nachtegaalken in de wilgen quinkeleeren,En werd bijna verliefd op 't liefelijk gezang,En 't goddelijk muziek, dat uit de takken klank[98].Ten laatste sprak ze aldus: "O moeder aller dingen!Nature, die mij voor veel andren zonderlingen[99]En heerlijk hebt gecierd, hoe was ik zoo onweerd,Dat gij wèlzingens[100]kunst met mijnen gouden steertEn eersleep niet te gaâr hebt willen huwelijken,Op dat ik zoo alzins der vooglen roem mocht strijken!"Nature toen terstond heeft 's paauws ondankbaarheidBerispt, om dat met 't geen, haar rijklijk bijgeleid[101],Zij niet en was vernoegd; gelijk, tot geenen tijden,Het nachtegaalken niet 's paauws voordeel zal benijden,Maar zich te vreden houdt met 't geen haar is gejond[102]."Indien ook (zeide zij) het elkeen waar vergond,Te hebben 't geen hij wenscht, 't stond grootelijks te vreezenDat met vernieuwen ik alsteeds zou bezig wezen.Gij, die met uwen staat noch eens ontvangen lotU nimmermeer vernoegt, maar opstaat tegen GodEn der naturen wet, leert met vernoeging leven,Noch wenscht niet na het gene een ander is gegeven."

De schoon-geveêrde paauw aanhoorde, met begeeren,Het nachtegaalken in de wilgen quinkeleeren,En werd bijna verliefd op 't liefelijk gezang,En 't goddelijk muziek, dat uit de takken klank[98].Ten laatste sprak ze aldus: "O moeder aller dingen!Nature, die mij voor veel andren zonderlingen[99]En heerlijk hebt gecierd, hoe was ik zoo onweerd,Dat gij wèlzingens[100]kunst met mijnen gouden steertEn eersleep niet te gaâr hebt willen huwelijken,Op dat ik zoo alzins der vooglen roem mocht strijken!"Nature toen terstond heeft 's paauws ondankbaarheidBerispt, om dat met 't geen, haar rijklijk bijgeleid[101],Zij niet en was vernoegd; gelijk, tot geenen tijden,Het nachtegaalken niet 's paauws voordeel zal benijden,Maar zich te vreden houdt met 't geen haar is gejond[102]."Indien ook (zeide zij) het elkeen waar vergond,Te hebben 't geen hij wenscht, 't stond grootelijks te vreezenDat met vernieuwen ik alsteeds zou bezig wezen.Gij, die met uwen staat noch eens ontvangen lotU nimmermeer vernoegt, maar opstaat tegen GodEn der naturen wet, leert met vernoeging leven,Noch wenscht niet na het gene een ander is gegeven."

De schoon-geveêrde paauw aanhoorde, met begeeren,Het nachtegaalken in de wilgen quinkeleeren,En werd bijna verliefd op 't liefelijk gezang,En 't goddelijk muziek, dat uit de takken klank[98].Ten laatste sprak ze aldus: "O moeder aller dingen!Nature, die mij voor veel andren zonderlingen[99]En heerlijk hebt gecierd, hoe was ik zoo onweerd,Dat gij wèlzingens[100]kunst met mijnen gouden steertEn eersleep niet te gaâr hebt willen huwelijken,Op dat ik zoo alzins der vooglen roem mocht strijken!"Nature toen terstond heeft 's paauws ondankbaarheidBerispt, om dat met 't geen, haar rijklijk bijgeleid[101],Zij niet en was vernoegd; gelijk, tot geenen tijden,Het nachtegaalken niet 's paauws voordeel zal benijden,Maar zich te vreden houdt met 't geen haar is gejond[102]."Indien ook (zeide zij) het elkeen waar vergond,Te hebben 't geen hij wenscht, 't stond grootelijks te vreezenDat met vernieuwen ik alsteeds zou bezig wezen.Gij, die met uwen staat noch eens ontvangen lotU nimmermeer vernoegt, maar opstaat tegen GodEn der naturen wet, leert met vernoeging leven,Noch wenscht niet na het gene een ander is gegeven."

De schoon-geveêrde paauw aanhoorde, met begeeren,

Het nachtegaalken in de wilgen quinkeleeren,

En werd bijna verliefd op 't liefelijk gezang,

En 't goddelijk muziek, dat uit de takken klank[98].

Ten laatste sprak ze aldus: "O moeder aller dingen!

Nature, die mij voor veel andren zonderlingen[99]

En heerlijk hebt gecierd, hoe was ik zoo onweerd,

Dat gij wèlzingens[100]kunst met mijnen gouden steert

En eersleep niet te gaâr hebt willen huwelijken,

Op dat ik zoo alzins der vooglen roem mocht strijken!"

Nature toen terstond heeft 's paauws ondankbaarheid

Berispt, om dat met 't geen, haar rijklijk bijgeleid[101],

Zij niet en was vernoegd; gelijk, tot geenen tijden,

Het nachtegaalken niet 's paauws voordeel zal benijden,

Maar zich te vreden houdt met 't geen haar is gejond[102].

"Indien ook (zeide zij) het elkeen waar vergond,

Te hebben 't geen hij wenscht, 't stond grootelijks te vreezen

Dat met vernieuwen ik alsteeds zou bezig wezen.

Gij, die met uwen staat noch eens ontvangen lot

U nimmermeer vernoegt, maar opstaat tegen God

En der naturen wet, leert met vernoeging leven,

Noch wenscht niet na het gene een ander is gegeven."

De schapen hadden met de felle wolven t' zamenEen heftig krijg-geschil; dies haar te hulpe kwamenDe wakker honden, die zich toonden al bereid,Haar zaak t' handhaven en haar groote onnoozelheid[103].De wolven, buiten hoop van de overhand te houden,De schaapkens boden aan (indien zij 't haar vertrouwden)Te handelen van vreed': mits dat, van stonden aan,Zij d'honden zouden als in gijseling ontslaân,En daar voor wederom de wolfkens tot haar zenden.De schaapkens stemden zulks; o, droefheid! wat ellendenGenaakten haar zoo fluks! van d'honden zij ontbloot,Het een na 't ander van den wolfkens werd gedood,Al d'honden waren van den wolventand verbeten[104].—Zoo varen zij, die licht der ouden leer vergeten,Dewelk ons streng verbiedt[105], dat zich een ieder wachtTe stellen zijn geweld[106]in 's vijands wil en macht;Noch dat wij nimmer ons in slaap en laten wiegenVan hem, die al van ouds gewoon is te bedriegen,

De schapen hadden met de felle wolven t' zamenEen heftig krijg-geschil; dies haar te hulpe kwamenDe wakker honden, die zich toonden al bereid,Haar zaak t' handhaven en haar groote onnoozelheid[103].De wolven, buiten hoop van de overhand te houden,De schaapkens boden aan (indien zij 't haar vertrouwden)Te handelen van vreed': mits dat, van stonden aan,Zij d'honden zouden als in gijseling ontslaân,En daar voor wederom de wolfkens tot haar zenden.De schaapkens stemden zulks; o, droefheid! wat ellendenGenaakten haar zoo fluks! van d'honden zij ontbloot,Het een na 't ander van den wolfkens werd gedood,Al d'honden waren van den wolventand verbeten[104].—Zoo varen zij, die licht der ouden leer vergeten,Dewelk ons streng verbiedt[105], dat zich een ieder wachtTe stellen zijn geweld[106]in 's vijands wil en macht;Noch dat wij nimmer ons in slaap en laten wiegenVan hem, die al van ouds gewoon is te bedriegen,

De schapen hadden met de felle wolven t' zamenEen heftig krijg-geschil; dies haar te hulpe kwamenDe wakker honden, die zich toonden al bereid,Haar zaak t' handhaven en haar groote onnoozelheid[103].De wolven, buiten hoop van de overhand te houden,De schaapkens boden aan (indien zij 't haar vertrouwden)Te handelen van vreed': mits dat, van stonden aan,Zij d'honden zouden als in gijseling ontslaân,En daar voor wederom de wolfkens tot haar zenden.De schaapkens stemden zulks; o, droefheid! wat ellendenGenaakten haar zoo fluks! van d'honden zij ontbloot,Het een na 't ander van den wolfkens werd gedood,Al d'honden waren van den wolventand verbeten[104].—Zoo varen zij, die licht der ouden leer vergeten,Dewelk ons streng verbiedt[105], dat zich een ieder wachtTe stellen zijn geweld[106]in 's vijands wil en macht;Noch dat wij nimmer ons in slaap en laten wiegenVan hem, die al van ouds gewoon is te bedriegen,

De schapen hadden met de felle wolven t' zamen

Een heftig krijg-geschil; dies haar te hulpe kwamen

De wakker honden, die zich toonden al bereid,

Haar zaak t' handhaven en haar groote onnoozelheid[103].

De wolven, buiten hoop van de overhand te houden,

De schaapkens boden aan (indien zij 't haar vertrouwden)

Te handelen van vreed': mits dat, van stonden aan,

Zij d'honden zouden als in gijseling ontslaân,

En daar voor wederom de wolfkens tot haar zenden.

De schaapkens stemden zulks; o, droefheid! wat ellenden

Genaakten haar zoo fluks! van d'honden zij ontbloot,

Het een na 't ander van den wolfkens werd gedood,

Al d'honden waren van den wolventand verbeten[104].—

Zoo varen zij, die licht der ouden leer vergeten,

Dewelk ons streng verbiedt[105], dat zich een ieder wacht

Te stellen zijn geweld[106]in 's vijands wil en macht;

Noch dat wij nimmer ons in slaap en laten wiegen

Van hem, die al van ouds gewoon is te bedriegen,

'k En weet[107]bij wat geval de leeuw, met groot verschrikken,Zich vond op 't onverzienst in toebereide strikken,Het zij door 's jagers list, die 't ongediert belaagt,Of ander ongeval in 't looze net gejaagd.De sterke is in gevaar, hij worstelt naar vermogen,Maar wordt hoe langs hoe meer daar dieper ingetogen,Dies hij zijn stem verheft, en eiselijken brult,Dat 't gansche bosch alom is van 't geroep vervuld.Een muisken bij geval daar dicht omtrent geslopen,Op 't schallende gekrijsch koomt t' zijnder[108]hulp geloopen,En knaagt den strik in twee, met dankbaarheid en vreugd,Vergeldende des leeuws heel korts[109]bewezen deugd.Koomt herwaarts, spiegelt u, gij koningen en heeren!En houdt zoo wel de kleinste als de aldergrootste in eeren,Vermits hier niemand is zoo machtig noch zoo groot,Of de allerkleinste kan hem oorbaar[110]zijn in nood.

'k En weet[107]bij wat geval de leeuw, met groot verschrikken,Zich vond op 't onverzienst in toebereide strikken,Het zij door 's jagers list, die 't ongediert belaagt,Of ander ongeval in 't looze net gejaagd.De sterke is in gevaar, hij worstelt naar vermogen,Maar wordt hoe langs hoe meer daar dieper ingetogen,Dies hij zijn stem verheft, en eiselijken brult,Dat 't gansche bosch alom is van 't geroep vervuld.Een muisken bij geval daar dicht omtrent geslopen,Op 't schallende gekrijsch koomt t' zijnder[108]hulp geloopen,En knaagt den strik in twee, met dankbaarheid en vreugd,Vergeldende des leeuws heel korts[109]bewezen deugd.Koomt herwaarts, spiegelt u, gij koningen en heeren!En houdt zoo wel de kleinste als de aldergrootste in eeren,Vermits hier niemand is zoo machtig noch zoo groot,Of de allerkleinste kan hem oorbaar[110]zijn in nood.

'k En weet[107]bij wat geval de leeuw, met groot verschrikken,Zich vond op 't onverzienst in toebereide strikken,Het zij door 's jagers list, die 't ongediert belaagt,Of ander ongeval in 't looze net gejaagd.De sterke is in gevaar, hij worstelt naar vermogen,Maar wordt hoe langs hoe meer daar dieper ingetogen,Dies hij zijn stem verheft, en eiselijken brult,Dat 't gansche bosch alom is van 't geroep vervuld.Een muisken bij geval daar dicht omtrent geslopen,Op 't schallende gekrijsch koomt t' zijnder[108]hulp geloopen,En knaagt den strik in twee, met dankbaarheid en vreugd,Vergeldende des leeuws heel korts[109]bewezen deugd.Koomt herwaarts, spiegelt u, gij koningen en heeren!En houdt zoo wel de kleinste als de aldergrootste in eeren,Vermits hier niemand is zoo machtig noch zoo groot,Of de allerkleinste kan hem oorbaar[110]zijn in nood.

'k En weet[107]bij wat geval de leeuw, met groot verschrikken,

Zich vond op 't onverzienst in toebereide strikken,

Het zij door 's jagers list, die 't ongediert belaagt,

Of ander ongeval in 't looze net gejaagd.

De sterke is in gevaar, hij worstelt naar vermogen,

Maar wordt hoe langs hoe meer daar dieper ingetogen,

Dies hij zijn stem verheft, en eiselijken brult,

Dat 't gansche bosch alom is van 't geroep vervuld.

Een muisken bij geval daar dicht omtrent geslopen,

Op 't schallende gekrijsch koomt t' zijnder[108]hulp geloopen,

En knaagt den strik in twee, met dankbaarheid en vreugd,

Vergeldende des leeuws heel korts[109]bewezen deugd.

Koomt herwaarts, spiegelt u, gij koningen en heeren!

En houdt zoo wel de kleinste als de aldergrootste in eeren,

Vermits hier niemand is zoo machtig noch zoo groot,

Of de allerkleinste kan hem oorbaar[110]zijn in nood.

De sture Boreas[112]wel sterkelijk beweerde,Dat hij de schoone Zon in mogendheid passeerde;Zulk roemen Fœbo[113]docht een al te groote spijt,Fluks dagende overzulks[114]den blaas-kaak uit ten strijd.De Noord-wind was gereed, liet zich ter plaatsen[115]vinden,En snorkte, dat hij was de sterkste van de winden.Zij maakten een verdrag, de een voor en de ander naar[116],Te proeven hare kracht op eenen reizenaar.[117]De bulderaar began[118], en blies met volle kaken,Wierp eike-boomen om en hoog-gerezen daken.De reiziger terwijl hield zijnen mantel vast,Spijt wat hij blazen mocht, wel stijf om 't lijf gepast.De wind, na lang geruisch, niet[119]ziende te vermogen,Gaf oorlof, dat de zon nu ook haar kracht mocht toogen;De Zon, die zoetelijk uit 's Hemels gouden dak,Op 't hoofd des reizenaars met heete stralen stak,Dat, zwetende ademloos, zijn kleedren hem verdroten,En zich[120]van 's mantels last genoodzaakt was t' ontblooten.Gij, die te streng regeert, leert wat een macht, vermengdMet reên[121]en zachtigheid, al nuttigheid toe-brengt.Gematigd' heerschappij onbuigelijken liedenVeel dragelijker valt, als al te streng gebieden;'t Gemeene volk, dat haat een al te korten lijn,'t Wil liever zacht geleid, als hard gedwongen zijn.

De sture Boreas[112]wel sterkelijk beweerde,Dat hij de schoone Zon in mogendheid passeerde;Zulk roemen Fœbo[113]docht een al te groote spijt,Fluks dagende overzulks[114]den blaas-kaak uit ten strijd.De Noord-wind was gereed, liet zich ter plaatsen[115]vinden,En snorkte, dat hij was de sterkste van de winden.Zij maakten een verdrag, de een voor en de ander naar[116],Te proeven hare kracht op eenen reizenaar.[117]De bulderaar began[118], en blies met volle kaken,Wierp eike-boomen om en hoog-gerezen daken.De reiziger terwijl hield zijnen mantel vast,Spijt wat hij blazen mocht, wel stijf om 't lijf gepast.De wind, na lang geruisch, niet[119]ziende te vermogen,Gaf oorlof, dat de zon nu ook haar kracht mocht toogen;De Zon, die zoetelijk uit 's Hemels gouden dak,Op 't hoofd des reizenaars met heete stralen stak,Dat, zwetende ademloos, zijn kleedren hem verdroten,En zich[120]van 's mantels last genoodzaakt was t' ontblooten.Gij, die te streng regeert, leert wat een macht, vermengdMet reên[121]en zachtigheid, al nuttigheid toe-brengt.Gematigd' heerschappij onbuigelijken liedenVeel dragelijker valt, als al te streng gebieden;'t Gemeene volk, dat haat een al te korten lijn,'t Wil liever zacht geleid, als hard gedwongen zijn.

De sture Boreas[112]wel sterkelijk beweerde,Dat hij de schoone Zon in mogendheid passeerde;Zulk roemen Fœbo[113]docht een al te groote spijt,Fluks dagende overzulks[114]den blaas-kaak uit ten strijd.De Noord-wind was gereed, liet zich ter plaatsen[115]vinden,En snorkte, dat hij was de sterkste van de winden.Zij maakten een verdrag, de een voor en de ander naar[116],Te proeven hare kracht op eenen reizenaar.[117]De bulderaar began[118], en blies met volle kaken,Wierp eike-boomen om en hoog-gerezen daken.De reiziger terwijl hield zijnen mantel vast,Spijt wat hij blazen mocht, wel stijf om 't lijf gepast.De wind, na lang geruisch, niet[119]ziende te vermogen,Gaf oorlof, dat de zon nu ook haar kracht mocht toogen;De Zon, die zoetelijk uit 's Hemels gouden dak,Op 't hoofd des reizenaars met heete stralen stak,Dat, zwetende ademloos, zijn kleedren hem verdroten,En zich[120]van 's mantels last genoodzaakt was t' ontblooten.Gij, die te streng regeert, leert wat een macht, vermengdMet reên[121]en zachtigheid, al nuttigheid toe-brengt.Gematigd' heerschappij onbuigelijken liedenVeel dragelijker valt, als al te streng gebieden;'t Gemeene volk, dat haat een al te korten lijn,'t Wil liever zacht geleid, als hard gedwongen zijn.

De sture Boreas[112]wel sterkelijk beweerde,

Dat hij de schoone Zon in mogendheid passeerde;

Zulk roemen Fœbo[113]docht een al te groote spijt,

Fluks dagende overzulks[114]den blaas-kaak uit ten strijd.

De Noord-wind was gereed, liet zich ter plaatsen[115]vinden,

En snorkte, dat hij was de sterkste van de winden.

Zij maakten een verdrag, de een voor en de ander naar[116],

Te proeven hare kracht op eenen reizenaar.[117]

De bulderaar began[118], en blies met volle kaken,

Wierp eike-boomen om en hoog-gerezen daken.

De reiziger terwijl hield zijnen mantel vast,

Spijt wat hij blazen mocht, wel stijf om 't lijf gepast.

De wind, na lang geruisch, niet[119]ziende te vermogen,

Gaf oorlof, dat de zon nu ook haar kracht mocht toogen;

De Zon, die zoetelijk uit 's Hemels gouden dak,

Op 't hoofd des reizenaars met heete stralen stak,

Dat, zwetende ademloos, zijn kleedren hem verdroten,

En zich[120]van 's mantels last genoodzaakt was t' ontblooten.

Gij, die te streng regeert, leert wat een macht, vermengd

Met reên[121]en zachtigheid, al nuttigheid toe-brengt.

Gematigd' heerschappij onbuigelijken lieden

Veel dragelijker valt, als al te streng gebieden;

't Gemeene volk, dat haat een al te korten lijn,

't Wil liever zacht geleid, als hard gedwongen zijn.

De magre krekel, nu van 's winters koû besprongen,Zocht aan 't kloek mierken heil, tot bedelen gedrongen,En met een heesche stem viel 't bezig dierken aan:"Erbermt u, juffrouw Mier! en om een weinig graanMij ongetroost niet laat, noch hongersnood bezuren,Mijn armoê wat vervult, en opent uwe schuren."Maar 't wakker beestjen, vrij van kommer en ellend,Den krekel heeft aldus zijn traagheid voorgewend[122]:"Draagtnu verschulde[123]straf, draagt nu 't vermaledijden,Die al den zomer sleet in wellust en verblijden,Die de aangename tijd en zegen hebt veracht,En slempende uwen oogst verkwist en doorgebracht."Het kostelijke pand en kleinood uitgenomen[124],Is de altijd vliênde tijd, die, huiden omgekomen,Niet morgen weder keert; wijs is hij van beraad,Die 's tijds gelegenheid beoogt en gade slaat;Die op geen weelde steunt, noch die, hoe hoog gezeten,De aanstaande zwarigheid lichtveerdig gaat vergeten.

De magre krekel, nu van 's winters koû besprongen,Zocht aan 't kloek mierken heil, tot bedelen gedrongen,En met een heesche stem viel 't bezig dierken aan:"Erbermt u, juffrouw Mier! en om een weinig graanMij ongetroost niet laat, noch hongersnood bezuren,Mijn armoê wat vervult, en opent uwe schuren."Maar 't wakker beestjen, vrij van kommer en ellend,Den krekel heeft aldus zijn traagheid voorgewend[122]:"Draagtnu verschulde[123]straf, draagt nu 't vermaledijden,Die al den zomer sleet in wellust en verblijden,Die de aangename tijd en zegen hebt veracht,En slempende uwen oogst verkwist en doorgebracht."Het kostelijke pand en kleinood uitgenomen[124],Is de altijd vliênde tijd, die, huiden omgekomen,Niet morgen weder keert; wijs is hij van beraad,Die 's tijds gelegenheid beoogt en gade slaat;Die op geen weelde steunt, noch die, hoe hoog gezeten,De aanstaande zwarigheid lichtveerdig gaat vergeten.

De magre krekel, nu van 's winters koû besprongen,Zocht aan 't kloek mierken heil, tot bedelen gedrongen,En met een heesche stem viel 't bezig dierken aan:"Erbermt u, juffrouw Mier! en om een weinig graanMij ongetroost niet laat, noch hongersnood bezuren,Mijn armoê wat vervult, en opent uwe schuren."Maar 't wakker beestjen, vrij van kommer en ellend,Den krekel heeft aldus zijn traagheid voorgewend[122]:"Draagtnu verschulde[123]straf, draagt nu 't vermaledijden,Die al den zomer sleet in wellust en verblijden,Die de aangename tijd en zegen hebt veracht,En slempende uwen oogst verkwist en doorgebracht."Het kostelijke pand en kleinood uitgenomen[124],Is de altijd vliênde tijd, die, huiden omgekomen,Niet morgen weder keert; wijs is hij van beraad,Die 's tijds gelegenheid beoogt en gade slaat;Die op geen weelde steunt, noch die, hoe hoog gezeten,De aanstaande zwarigheid lichtveerdig gaat vergeten.

De magre krekel, nu van 's winters koû besprongen,

Zocht aan 't kloek mierken heil, tot bedelen gedrongen,

En met een heesche stem viel 't bezig dierken aan:

"Erbermt u, juffrouw Mier! en om een weinig graan

Mij ongetroost niet laat, noch hongersnood bezuren,

Mijn armoê wat vervult, en opent uwe schuren."

Maar 't wakker beestjen, vrij van kommer en ellend,

Den krekel heeft aldus zijn traagheid voorgewend[122]:

"Draagtnu verschulde[123]straf, draagt nu 't vermaledijden,

Die al den zomer sleet in wellust en verblijden,

Die de aangename tijd en zegen hebt veracht,

En slempende uwen oogst verkwist en doorgebracht."

Het kostelijke pand en kleinood uitgenomen[124],

Is de altijd vliênde tijd, die, huiden omgekomen,

Niet morgen weder keert; wijs is hij van beraad,

Die 's tijds gelegenheid beoogt en gade slaat;

Die op geen weelde steunt, noch die, hoe hoog gezeten,

De aanstaande zwarigheid lichtveerdig gaat vergeten.

De wolf, der schapen vrees, door 't al te gulzig slikkenAan een verzwolgen been schier meende te verstikken;Dies hij, op hoop van hulp, de langgehalsde kraanMet veel beloften heeft verwil'gd[125], zijn leed t' ontslaan.De kraan, op winst verzot, heeft stout en onverschrokkenUit de opgesperde keel des wolfs het been getrokken;Maar als zij nu om loon heeft (wel verdiend) getaald[126],Heeft met deze antwoord haar 't geholpen dier betaald:"Wat plompheid kleeft u aan, dat gij nog eischt belooning,Of is niet loons genoeg de erbarmlijke[127]verschooning,Zoo dadelijk betoond? toen ik, hoe wreed geaard,Uw keel in mijne keel meêdoogend' heb gespaard.Dus uwer straten gaat, gaat henen uwer straten,En 't leven hebt te loon, dat ik u heb gelaten!"De ondankbre nimmermeer t' erkennen is bereed[128]De weldaad en de deugd, die aan hem is besteed;Zich zelven kent hij niet, blijft trotsch, stout en hovaardig,'t Koomt (waant hij) hem al toe, en is nog meerder waardig.

De wolf, der schapen vrees, door 't al te gulzig slikkenAan een verzwolgen been schier meende te verstikken;Dies hij, op hoop van hulp, de langgehalsde kraanMet veel beloften heeft verwil'gd[125], zijn leed t' ontslaan.De kraan, op winst verzot, heeft stout en onverschrokkenUit de opgesperde keel des wolfs het been getrokken;Maar als zij nu om loon heeft (wel verdiend) getaald[126],Heeft met deze antwoord haar 't geholpen dier betaald:"Wat plompheid kleeft u aan, dat gij nog eischt belooning,Of is niet loons genoeg de erbarmlijke[127]verschooning,Zoo dadelijk betoond? toen ik, hoe wreed geaard,Uw keel in mijne keel meêdoogend' heb gespaard.Dus uwer straten gaat, gaat henen uwer straten,En 't leven hebt te loon, dat ik u heb gelaten!"De ondankbre nimmermeer t' erkennen is bereed[128]De weldaad en de deugd, die aan hem is besteed;Zich zelven kent hij niet, blijft trotsch, stout en hovaardig,'t Koomt (waant hij) hem al toe, en is nog meerder waardig.

De wolf, der schapen vrees, door 't al te gulzig slikkenAan een verzwolgen been schier meende te verstikken;Dies hij, op hoop van hulp, de langgehalsde kraanMet veel beloften heeft verwil'gd[125], zijn leed t' ontslaan.De kraan, op winst verzot, heeft stout en onverschrokkenUit de opgesperde keel des wolfs het been getrokken;Maar als zij nu om loon heeft (wel verdiend) getaald[126],Heeft met deze antwoord haar 't geholpen dier betaald:"Wat plompheid kleeft u aan, dat gij nog eischt belooning,Of is niet loons genoeg de erbarmlijke[127]verschooning,Zoo dadelijk betoond? toen ik, hoe wreed geaard,Uw keel in mijne keel meêdoogend' heb gespaard.Dus uwer straten gaat, gaat henen uwer straten,En 't leven hebt te loon, dat ik u heb gelaten!"De ondankbre nimmermeer t' erkennen is bereed[128]De weldaad en de deugd, die aan hem is besteed;Zich zelven kent hij niet, blijft trotsch, stout en hovaardig,'t Koomt (waant hij) hem al toe, en is nog meerder waardig.

De wolf, der schapen vrees, door 't al te gulzig slikken

Aan een verzwolgen been schier meende te verstikken;

Dies hij, op hoop van hulp, de langgehalsde kraan

Met veel beloften heeft verwil'gd[125], zijn leed t' ontslaan.

De kraan, op winst verzot, heeft stout en onverschrokken

Uit de opgesperde keel des wolfs het been getrokken;

Maar als zij nu om loon heeft (wel verdiend) getaald[126],

Heeft met deze antwoord haar 't geholpen dier betaald:

"Wat plompheid kleeft u aan, dat gij nog eischt belooning,

Of is niet loons genoeg de erbarmlijke[127]verschooning,

Zoo dadelijk betoond? toen ik, hoe wreed geaard,

Uw keel in mijne keel meêdoogend' heb gespaard.

Dus uwer straten gaat, gaat henen uwer straten,

En 't leven hebt te loon, dat ik u heb gelaten!"

De ondankbre nimmermeer t' erkennen is bereed[128]

De weldaad en de deugd, die aan hem is besteed;

Zich zelven kent hij niet, blijft trotsch, stout en hovaardig,

't Koomt (waant hij) hem al toe, en is nog meerder waardig.

Een dik gegroeiden esch, wiens steile toppen gingenRecht naar de sterren toe en 's Hemels zolderingen,Trotseerde, dat hij stond verheven in 't foreest[129],Spijt d' alderfelsten storm en allerlei tempeest:Braveerde, dat hij was veel sterker van vermogenAls 't riet, dat van den wind al stadig wordt gebogen;Als 't wankelbare riet, dat siddert, schudt en beeftVoor de alderminste koelt', die langs de velden zweeft.Hij eindigt naauw, een bui ontstaat met sneller vaarden[130],En velt den esschen-boom ontworteld uit der aarden.'t Riet, speurende de val desgenen, die terstond't Gebladerd hoofd opstak en hoog verheven stond,Dus bij zich zelven spreekt: "o, veilig wonderbaarlijkIs nederigen staat voor[131]hoogheid, die gevaarlijkHet onderwerpsel is van[132]allerhande leed,En schielijk wordt gedreigd te vallen eer men 't weet."

Een dik gegroeiden esch, wiens steile toppen gingenRecht naar de sterren toe en 's Hemels zolderingen,Trotseerde, dat hij stond verheven in 't foreest[129],Spijt d' alderfelsten storm en allerlei tempeest:Braveerde, dat hij was veel sterker van vermogenAls 't riet, dat van den wind al stadig wordt gebogen;Als 't wankelbare riet, dat siddert, schudt en beeftVoor de alderminste koelt', die langs de velden zweeft.Hij eindigt naauw, een bui ontstaat met sneller vaarden[130],En velt den esschen-boom ontworteld uit der aarden.'t Riet, speurende de val desgenen, die terstond't Gebladerd hoofd opstak en hoog verheven stond,Dus bij zich zelven spreekt: "o, veilig wonderbaarlijkIs nederigen staat voor[131]hoogheid, die gevaarlijkHet onderwerpsel is van[132]allerhande leed,En schielijk wordt gedreigd te vallen eer men 't weet."

Een dik gegroeiden esch, wiens steile toppen gingenRecht naar de sterren toe en 's Hemels zolderingen,Trotseerde, dat hij stond verheven in 't foreest[129],Spijt d' alderfelsten storm en allerlei tempeest:Braveerde, dat hij was veel sterker van vermogenAls 't riet, dat van den wind al stadig wordt gebogen;Als 't wankelbare riet, dat siddert, schudt en beeftVoor de alderminste koelt', die langs de velden zweeft.Hij eindigt naauw, een bui ontstaat met sneller vaarden[130],En velt den esschen-boom ontworteld uit der aarden.'t Riet, speurende de val desgenen, die terstond't Gebladerd hoofd opstak en hoog verheven stond,Dus bij zich zelven spreekt: "o, veilig wonderbaarlijkIs nederigen staat voor[131]hoogheid, die gevaarlijkHet onderwerpsel is van[132]allerhande leed,En schielijk wordt gedreigd te vallen eer men 't weet."

Een dik gegroeiden esch, wiens steile toppen gingen

Recht naar de sterren toe en 's Hemels zolderingen,

Trotseerde, dat hij stond verheven in 't foreest[129],

Spijt d' alderfelsten storm en allerlei tempeest:

Braveerde, dat hij was veel sterker van vermogen

Als 't riet, dat van den wind al stadig wordt gebogen;

Als 't wankelbare riet, dat siddert, schudt en beeft

Voor de alderminste koelt', die langs de velden zweeft.

Hij eindigt naauw, een bui ontstaat met sneller vaarden[130],

En velt den esschen-boom ontworteld uit der aarden.

't Riet, speurende de val desgenen, die terstond

't Gebladerd hoofd opstak en hoog verheven stond,

Dus bij zich zelven spreekt: "o, veilig wonderbaarlijk

Is nederigen staat voor[131]hoogheid, die gevaarlijk

Het onderwerpsel is van[132]allerhande leed,

En schielijk wordt gedreigd te vallen eer men 't weet."

Een, die met d' herder-staf de wit gewolde kuddenVoor 't ongediert op 't veld belast was te beschudden[133],Uit schalkheid menigmaal zijn luide stem verhief:"Help, wapen! wapen, help! en weert den schapen-dief!De wolf mijn kudd' belaagt, en ligt hier bij geslopen!"De land-liên kwamen fluks tot onderstand geloopen,Zoo lange tot, van hem bedrogen menigmaal,Zij sloegen in de wind zijn schalke logen-taal.Ten leste kwam degeen, die vast op[134]jonge lamren,Dies d' herder deerlijk kreesch, het zou een mensche jamren:"Help! nageburen, help! mijn kuddeken lijdt nood,De wolf van 't beste vlies mijn schaaps-kudd' heeft ontbloot!"Zijn roepen was vergeefs, vergeefs was 's herders weenen,Zij dachten: 't is bedrog, hij liegt gelijk voorhenen.Zulks en zoodanig is der logenaren loon,Diens[135]goddelooze tong te liegen is gewoon:Al spreekt hij somtijds schoon[136]de waarheid zonder liegen,Men geeft hem geen geloof, die lust heeft in 't bedriegen.

Een, die met d' herder-staf de wit gewolde kuddenVoor 't ongediert op 't veld belast was te beschudden[133],Uit schalkheid menigmaal zijn luide stem verhief:"Help, wapen! wapen, help! en weert den schapen-dief!De wolf mijn kudd' belaagt, en ligt hier bij geslopen!"De land-liên kwamen fluks tot onderstand geloopen,Zoo lange tot, van hem bedrogen menigmaal,Zij sloegen in de wind zijn schalke logen-taal.Ten leste kwam degeen, die vast op[134]jonge lamren,Dies d' herder deerlijk kreesch, het zou een mensche jamren:"Help! nageburen, help! mijn kuddeken lijdt nood,De wolf van 't beste vlies mijn schaaps-kudd' heeft ontbloot!"Zijn roepen was vergeefs, vergeefs was 's herders weenen,Zij dachten: 't is bedrog, hij liegt gelijk voorhenen.Zulks en zoodanig is der logenaren loon,Diens[135]goddelooze tong te liegen is gewoon:Al spreekt hij somtijds schoon[136]de waarheid zonder liegen,Men geeft hem geen geloof, die lust heeft in 't bedriegen.

Een, die met d' herder-staf de wit gewolde kuddenVoor 't ongediert op 't veld belast was te beschudden[133],Uit schalkheid menigmaal zijn luide stem verhief:"Help, wapen! wapen, help! en weert den schapen-dief!De wolf mijn kudd' belaagt, en ligt hier bij geslopen!"De land-liên kwamen fluks tot onderstand geloopen,Zoo lange tot, van hem bedrogen menigmaal,Zij sloegen in de wind zijn schalke logen-taal.Ten leste kwam degeen, die vast op[134]jonge lamren,Dies d' herder deerlijk kreesch, het zou een mensche jamren:"Help! nageburen, help! mijn kuddeken lijdt nood,De wolf van 't beste vlies mijn schaaps-kudd' heeft ontbloot!"Zijn roepen was vergeefs, vergeefs was 's herders weenen,Zij dachten: 't is bedrog, hij liegt gelijk voorhenen.Zulks en zoodanig is der logenaren loon,Diens[135]goddelooze tong te liegen is gewoon:Al spreekt hij somtijds schoon[136]de waarheid zonder liegen,Men geeft hem geen geloof, die lust heeft in 't bedriegen.

Een, die met d' herder-staf de wit gewolde kudden

Voor 't ongediert op 't veld belast was te beschudden[133],

Uit schalkheid menigmaal zijn luide stem verhief:

"Help, wapen! wapen, help! en weert den schapen-dief!

De wolf mijn kudd' belaagt, en ligt hier bij geslopen!"

De land-liên kwamen fluks tot onderstand geloopen,

Zoo lange tot, van hem bedrogen menigmaal,

Zij sloegen in de wind zijn schalke logen-taal.

Ten leste kwam degeen, die vast op[134]jonge lamren,

Dies d' herder deerlijk kreesch, het zou een mensche jamren:

"Help! nageburen, help! mijn kuddeken lijdt nood,

De wolf van 't beste vlies mijn schaaps-kudd' heeft ontbloot!"

Zijn roepen was vergeefs, vergeefs was 's herders weenen,

Zij dachten: 't is bedrog, hij liegt gelijk voorhenen.

Zulks en zoodanig is der logenaren loon,

Diens[135]goddelooze tong te liegen is gewoon:

Al spreekt hij somtijds schoon[136]de waarheid zonder liegen,

Men geeft hem geen geloof, die lust heeft in 't bedriegen.

De wolf een vuile zog[137]ziende in den misthoop liggen,Die zwanger nu bestond te stenen en te biggen[138],Zich vroêmoer heeft geveinsd, en haar, in biggens smert,Te helpen aangeboôn uit een meêdoogend hert;Zulks heeft de vuile zeuge al morrende afgeslagen.De wolf, om zulken roof te beter te belagen,Erbood[139]zich minne-moêr te willen zijn van 't spek,Dat nergens beter groeit als in zijn eigen drek.Maar als de bigster nu bemerkte 's wolves treken,Zij met deze antwoorde is der dieren schrik ontweken:"Gaat henen, jonker wolf! uw smeer[140]en pelsen huidBetuigen, wie gij zijt; zoekt elders uwen buit."Gij, die nog menschen wilt in deze wereld schijnen,En doodt de aanstaande vrucht uws lichaams met venijnen(Ik laat 't opvoeden staan[141]);—komt herwaarts, en ontwaakt:Ziet, hoe het vuilste beest, de zeuge, uw vonnis maakt!'t Zijn hoeren, die haar lief onechtelijk omarmen;Maar Duivels, die de vrucht haars lichaams niet beschermen.

De wolf een vuile zog[137]ziende in den misthoop liggen,Die zwanger nu bestond te stenen en te biggen[138],Zich vroêmoer heeft geveinsd, en haar, in biggens smert,Te helpen aangeboôn uit een meêdoogend hert;Zulks heeft de vuile zeuge al morrende afgeslagen.De wolf, om zulken roof te beter te belagen,Erbood[139]zich minne-moêr te willen zijn van 't spek,Dat nergens beter groeit als in zijn eigen drek.Maar als de bigster nu bemerkte 's wolves treken,Zij met deze antwoorde is der dieren schrik ontweken:"Gaat henen, jonker wolf! uw smeer[140]en pelsen huidBetuigen, wie gij zijt; zoekt elders uwen buit."Gij, die nog menschen wilt in deze wereld schijnen,En doodt de aanstaande vrucht uws lichaams met venijnen(Ik laat 't opvoeden staan[141]);—komt herwaarts, en ontwaakt:Ziet, hoe het vuilste beest, de zeuge, uw vonnis maakt!'t Zijn hoeren, die haar lief onechtelijk omarmen;Maar Duivels, die de vrucht haars lichaams niet beschermen.

De wolf een vuile zog[137]ziende in den misthoop liggen,Die zwanger nu bestond te stenen en te biggen[138],Zich vroêmoer heeft geveinsd, en haar, in biggens smert,Te helpen aangeboôn uit een meêdoogend hert;Zulks heeft de vuile zeuge al morrende afgeslagen.De wolf, om zulken roof te beter te belagen,Erbood[139]zich minne-moêr te willen zijn van 't spek,Dat nergens beter groeit als in zijn eigen drek.Maar als de bigster nu bemerkte 's wolves treken,Zij met deze antwoorde is der dieren schrik ontweken:"Gaat henen, jonker wolf! uw smeer[140]en pelsen huidBetuigen, wie gij zijt; zoekt elders uwen buit."Gij, die nog menschen wilt in deze wereld schijnen,En doodt de aanstaande vrucht uws lichaams met venijnen(Ik laat 't opvoeden staan[141]);—komt herwaarts, en ontwaakt:Ziet, hoe het vuilste beest, de zeuge, uw vonnis maakt!'t Zijn hoeren, die haar lief onechtelijk omarmen;Maar Duivels, die de vrucht haars lichaams niet beschermen.

De wolf een vuile zog[137]ziende in den misthoop liggen,

Die zwanger nu bestond te stenen en te biggen[138],

Zich vroêmoer heeft geveinsd, en haar, in biggens smert,

Te helpen aangeboôn uit een meêdoogend hert;

Zulks heeft de vuile zeuge al morrende afgeslagen.

De wolf, om zulken roof te beter te belagen,

Erbood[139]zich minne-moêr te willen zijn van 't spek,

Dat nergens beter groeit als in zijn eigen drek.

Maar als de bigster nu bemerkte 's wolves treken,

Zij met deze antwoorde is der dieren schrik ontweken:

"Gaat henen, jonker wolf! uw smeer[140]en pelsen huid

Betuigen, wie gij zijt; zoekt elders uwen buit."

Gij, die nog menschen wilt in deze wereld schijnen,

En doodt de aanstaande vrucht uws lichaams met venijnen

(Ik laat 't opvoeden staan[141]);—komt herwaarts, en ontwaakt:

Ziet, hoe het vuilste beest, de zeuge, uw vonnis maakt!

't Zijn hoeren, die haar lief onechtelijk omarmen;

Maar Duivels, die de vrucht haars lichaams niet beschermen.

De gladde muil, gestald aan eener voller kribben[142],Zich mestte rond en bol, dat 't smeer kleefde aan de ribben,Vermids hij noch met last noch arbeid was bezwaard,Waarom hij weeldig werd en brieschten als een paard,Beroemende[143]'t geslacht, waar van hij was gesproten,Ja, van veel eedler bloed als al zijn tijdgenooten,Verheffende zijn deugd en 's draf-geleerdheids kunst,Waardoor hij t' hemwaarts trok zijns heeren oog en gunst,Waardoor hij overtrof Ros-bayaard[144]in 't pikeeren[145],In ren of in tornooi, in springen of in keeren.Maar als de muil op 't lest werd voortgebracht in 't perk,En op zijn traagheid-van-naturen nam gemerk[146],Als de andre hengsten hem zoo wijd te boven gingen,Het zij in wakkerheid van draven of van springen:"Nu (sprak hij) merk ik licht, als ik mij zelven ken,Dat ik van 't ezels bloed van oud gesproten ben."De roemers varen zoo, die zot haar zelfs flatteeren,En roemen van het geen zij in der daad ontberen;Of iemand duizendmaal met roem zich zelf bekroont,De ervarenheid betuigt, wat deugd bij iemand woont.

De gladde muil, gestald aan eener voller kribben[142],Zich mestte rond en bol, dat 't smeer kleefde aan de ribben,Vermids hij noch met last noch arbeid was bezwaard,Waarom hij weeldig werd en brieschten als een paard,Beroemende[143]'t geslacht, waar van hij was gesproten,Ja, van veel eedler bloed als al zijn tijdgenooten,Verheffende zijn deugd en 's draf-geleerdheids kunst,Waardoor hij t' hemwaarts trok zijns heeren oog en gunst,Waardoor hij overtrof Ros-bayaard[144]in 't pikeeren[145],In ren of in tornooi, in springen of in keeren.Maar als de muil op 't lest werd voortgebracht in 't perk,En op zijn traagheid-van-naturen nam gemerk[146],Als de andre hengsten hem zoo wijd te boven gingen,Het zij in wakkerheid van draven of van springen:"Nu (sprak hij) merk ik licht, als ik mij zelven ken,Dat ik van 't ezels bloed van oud gesproten ben."De roemers varen zoo, die zot haar zelfs flatteeren,En roemen van het geen zij in der daad ontberen;Of iemand duizendmaal met roem zich zelf bekroont,De ervarenheid betuigt, wat deugd bij iemand woont.

De gladde muil, gestald aan eener voller kribben[142],Zich mestte rond en bol, dat 't smeer kleefde aan de ribben,Vermids hij noch met last noch arbeid was bezwaard,Waarom hij weeldig werd en brieschten als een paard,Beroemende[143]'t geslacht, waar van hij was gesproten,Ja, van veel eedler bloed als al zijn tijdgenooten,Verheffende zijn deugd en 's draf-geleerdheids kunst,Waardoor hij t' hemwaarts trok zijns heeren oog en gunst,Waardoor hij overtrof Ros-bayaard[144]in 't pikeeren[145],In ren of in tornooi, in springen of in keeren.Maar als de muil op 't lest werd voortgebracht in 't perk,En op zijn traagheid-van-naturen nam gemerk[146],Als de andre hengsten hem zoo wijd te boven gingen,Het zij in wakkerheid van draven of van springen:"Nu (sprak hij) merk ik licht, als ik mij zelven ken,Dat ik van 't ezels bloed van oud gesproten ben."De roemers varen zoo, die zot haar zelfs flatteeren,En roemen van het geen zij in der daad ontberen;Of iemand duizendmaal met roem zich zelf bekroont,De ervarenheid betuigt, wat deugd bij iemand woont.

De gladde muil, gestald aan eener voller kribben[142],

Zich mestte rond en bol, dat 't smeer kleefde aan de ribben,

Vermids hij noch met last noch arbeid was bezwaard,

Waarom hij weeldig werd en brieschten als een paard,

Beroemende[143]'t geslacht, waar van hij was gesproten,

Ja, van veel eedler bloed als al zijn tijdgenooten,

Verheffende zijn deugd en 's draf-geleerdheids kunst,

Waardoor hij t' hemwaarts trok zijns heeren oog en gunst,

Waardoor hij overtrof Ros-bayaard[144]in 't pikeeren[145],

In ren of in tornooi, in springen of in keeren.

Maar als de muil op 't lest werd voortgebracht in 't perk,

En op zijn traagheid-van-naturen nam gemerk[146],

Als de andre hengsten hem zoo wijd te boven gingen,

Het zij in wakkerheid van draven of van springen:

"Nu (sprak hij) merk ik licht, als ik mij zelven ken,

Dat ik van 't ezels bloed van oud gesproten ben."

De roemers varen zoo, die zot haar zelfs flatteeren,

En roemen van het geen zij in der daad ontberen;

Of iemand duizendmaal met roem zich zelf bekroont,

De ervarenheid betuigt, wat deugd bij iemand woont.

De wolf kwam tot de kooi der wapenlooze schapen,Vermomd met 't lammren-vel, om d' hamel te betrapen[147],En bad hem, dat hij zich vervoegen wilde in 't woud,Dat als een schoon priëel was loof-rijk opgebouwd;Maar d' hamel zeide: "ik zou u geerne gaan verzellen,Indien gij waart een wolf, die u te weer mocht[148]stellen,Zoo eenig ongediert ons overviel in 't groen."De wolf, gelijk verheugd om zulk een antwoord, toenVan 't schaaps-vel zich ontsloeg, en sprak: "t'sa, gaan wij wakker!Ik ben de wolf, uw vrund en aldertrouwste makker.""Neen," sprak den hamel toen, "gaat uwer straten[149]heen,En hebt met uwsgelijk uw lust en vreugd gemeen;Mijn schaaps-kooi ik behoe[150], ter tijd ik, t' mijner bate,Een trouw gezel bekoom, daarop[151]ik mij verlate:Genoeg heb ik geleerd, aan deze uw vreemde pert[152],Dat onder 't schapen-vel school 't wreede wolven-hert."'t Is al van ouds, dat, om de onnooslen te verlokkenDe wreeden 't schapen-vel arglistelijk aantrokken;De schijn veeltijds bedriegt, dus is hij wijs bedacht,Die jonker Wolfaart vreest, en zich voor 't schaaps-vel wacht.

De wolf kwam tot de kooi der wapenlooze schapen,Vermomd met 't lammren-vel, om d' hamel te betrapen[147],En bad hem, dat hij zich vervoegen wilde in 't woud,Dat als een schoon priëel was loof-rijk opgebouwd;Maar d' hamel zeide: "ik zou u geerne gaan verzellen,Indien gij waart een wolf, die u te weer mocht[148]stellen,Zoo eenig ongediert ons overviel in 't groen."De wolf, gelijk verheugd om zulk een antwoord, toenVan 't schaaps-vel zich ontsloeg, en sprak: "t'sa, gaan wij wakker!Ik ben de wolf, uw vrund en aldertrouwste makker.""Neen," sprak den hamel toen, "gaat uwer straten[149]heen,En hebt met uwsgelijk uw lust en vreugd gemeen;Mijn schaaps-kooi ik behoe[150], ter tijd ik, t' mijner bate,Een trouw gezel bekoom, daarop[151]ik mij verlate:Genoeg heb ik geleerd, aan deze uw vreemde pert[152],Dat onder 't schapen-vel school 't wreede wolven-hert."'t Is al van ouds, dat, om de onnooslen te verlokkenDe wreeden 't schapen-vel arglistelijk aantrokken;De schijn veeltijds bedriegt, dus is hij wijs bedacht,Die jonker Wolfaart vreest, en zich voor 't schaaps-vel wacht.

De wolf kwam tot de kooi der wapenlooze schapen,Vermomd met 't lammren-vel, om d' hamel te betrapen[147],En bad hem, dat hij zich vervoegen wilde in 't woud,Dat als een schoon priëel was loof-rijk opgebouwd;Maar d' hamel zeide: "ik zou u geerne gaan verzellen,Indien gij waart een wolf, die u te weer mocht[148]stellen,Zoo eenig ongediert ons overviel in 't groen."De wolf, gelijk verheugd om zulk een antwoord, toenVan 't schaaps-vel zich ontsloeg, en sprak: "t'sa, gaan wij wakker!Ik ben de wolf, uw vrund en aldertrouwste makker.""Neen," sprak den hamel toen, "gaat uwer straten[149]heen,En hebt met uwsgelijk uw lust en vreugd gemeen;Mijn schaaps-kooi ik behoe[150], ter tijd ik, t' mijner bate,Een trouw gezel bekoom, daarop[151]ik mij verlate:Genoeg heb ik geleerd, aan deze uw vreemde pert[152],Dat onder 't schapen-vel school 't wreede wolven-hert."'t Is al van ouds, dat, om de onnooslen te verlokkenDe wreeden 't schapen-vel arglistelijk aantrokken;De schijn veeltijds bedriegt, dus is hij wijs bedacht,Die jonker Wolfaart vreest, en zich voor 't schaaps-vel wacht.

De wolf kwam tot de kooi der wapenlooze schapen,

Vermomd met 't lammren-vel, om d' hamel te betrapen[147],

En bad hem, dat hij zich vervoegen wilde in 't woud,

Dat als een schoon priëel was loof-rijk opgebouwd;

Maar d' hamel zeide: "ik zou u geerne gaan verzellen,

Indien gij waart een wolf, die u te weer mocht[148]stellen,

Zoo eenig ongediert ons overviel in 't groen."

De wolf, gelijk verheugd om zulk een antwoord, toen

Van 't schaaps-vel zich ontsloeg, en sprak: "t'sa, gaan wij wakker!

Ik ben de wolf, uw vrund en aldertrouwste makker."

"Neen," sprak den hamel toen, "gaat uwer straten[149]heen,

En hebt met uwsgelijk uw lust en vreugd gemeen;

Mijn schaaps-kooi ik behoe[150], ter tijd ik, t' mijner bate,

Een trouw gezel bekoom, daarop[151]ik mij verlate:

Genoeg heb ik geleerd, aan deze uw vreemde pert[152],

Dat onder 't schapen-vel school 't wreede wolven-hert."

't Is al van ouds, dat, om de onnooslen te verlokken

De wreeden 't schapen-vel arglistelijk aantrokken;

De schijn veeltijds bedriegt, dus is hij wijs bedacht,

Die jonker Wolfaart vreest, en zich voor 't schaaps-vel wacht.

Den ossen-harder, tot afgoderij genegen,Aanbad een houten-God, om rijkdom en om zegen;Hij lag op 't aardrijk neêr, en bad de Godheid aan,Op dat hem 't heilig hout van armoê mocht ontslaan;Maar, als hij moê gebeên, na[153]blinder[154]luiden zeden,Noch schat noch rijkdom kreeg tot loon van zijn gebeden,Hij, met een stalen aks, den afgod ging te keer,Die brekende den hals viel van 't hoog altaar neêr,Uitstortende een threzoor van schijven, die (uit zorgen)Daar iemand voormaals in had bij geval verborgen.Dies d' herder sprong van vreugd', en riep: "o Godheid mijn!Uw weldaad niet verbeên, maar woû gedwongen zijn!"Wat weldaad iemand doet, met kracht daar toe gedwongen,De zulke ontbeert den lof op des ontvangers tongen[155];Wie willig als van zelf zijn naasten deugd bewijst[156],Veroorzaakt, dat men hem voor zijne mildheid prijst.

Den ossen-harder, tot afgoderij genegen,Aanbad een houten-God, om rijkdom en om zegen;Hij lag op 't aardrijk neêr, en bad de Godheid aan,Op dat hem 't heilig hout van armoê mocht ontslaan;Maar, als hij moê gebeên, na[153]blinder[154]luiden zeden,Noch schat noch rijkdom kreeg tot loon van zijn gebeden,Hij, met een stalen aks, den afgod ging te keer,Die brekende den hals viel van 't hoog altaar neêr,Uitstortende een threzoor van schijven, die (uit zorgen)Daar iemand voormaals in had bij geval verborgen.Dies d' herder sprong van vreugd', en riep: "o Godheid mijn!Uw weldaad niet verbeên, maar woû gedwongen zijn!"Wat weldaad iemand doet, met kracht daar toe gedwongen,De zulke ontbeert den lof op des ontvangers tongen[155];Wie willig als van zelf zijn naasten deugd bewijst[156],Veroorzaakt, dat men hem voor zijne mildheid prijst.

Den ossen-harder, tot afgoderij genegen,Aanbad een houten-God, om rijkdom en om zegen;Hij lag op 't aardrijk neêr, en bad de Godheid aan,Op dat hem 't heilig hout van armoê mocht ontslaan;Maar, als hij moê gebeên, na[153]blinder[154]luiden zeden,Noch schat noch rijkdom kreeg tot loon van zijn gebeden,Hij, met een stalen aks, den afgod ging te keer,Die brekende den hals viel van 't hoog altaar neêr,Uitstortende een threzoor van schijven, die (uit zorgen)Daar iemand voormaals in had bij geval verborgen.Dies d' herder sprong van vreugd', en riep: "o Godheid mijn!Uw weldaad niet verbeên, maar woû gedwongen zijn!"Wat weldaad iemand doet, met kracht daar toe gedwongen,De zulke ontbeert den lof op des ontvangers tongen[155];Wie willig als van zelf zijn naasten deugd bewijst[156],Veroorzaakt, dat men hem voor zijne mildheid prijst.

Den ossen-harder, tot afgoderij genegen,

Aanbad een houten-God, om rijkdom en om zegen;

Hij lag op 't aardrijk neêr, en bad de Godheid aan,

Op dat hem 't heilig hout van armoê mocht ontslaan;

Maar, als hij moê gebeên, na[153]blinder[154]luiden zeden,

Noch schat noch rijkdom kreeg tot loon van zijn gebeden,

Hij, met een stalen aks, den afgod ging te keer,

Die brekende den hals viel van 't hoog altaar neêr,

Uitstortende een threzoor van schijven, die (uit zorgen)

Daar iemand voormaals in had bij geval verborgen.

Dies d' herder sprong van vreugd', en riep: "o Godheid mijn!

Uw weldaad niet verbeên, maar woû gedwongen zijn!"

Wat weldaad iemand doet, met kracht daar toe gedwongen,

De zulke ontbeert den lof op des ontvangers tongen[155];

Wie willig als van zelf zijn naasten deugd bewijst[156],

Veroorzaakt, dat men hem voor zijne mildheid prijst.

De schalke vos op 't veld de katten vast verzelde,En van zijn listigheid veel snorkende vertelde,Dat aller katten doen en hand-werk (hoe men 't acht)Was muize-vangerij en enkel ratten-jacht.Terwijl zij onderlinge aldus in 't twisten rezen,En Reinert[157]boven haar de uitnemendste woû wezen,Een koppel honden haar te schielijk overkoomt;De simmen[158]klavren[159]in de takken van 't geboomt;Maar Reintjen, in gevaar, niet wetende waar vluchten,Is fluks der brakken roof, en spreekt met diep verzuchten:"Hoe ijdel is de roem desgenen voor gewis,Die op de katten smaalde en nu haar schouwspel is;Wanneer hij in gevaar, ja, hoop en troost ten ende,Haar vlijtigheid aanschouwt en zelfs blijft in ellende!"Die schier vergodet schijnt en alles hier toelacht,Zich voor 't beroemen hoed' en voor 't bespotten wacht';'t Geluk is wankelbaar; wel hem, die wijs beradenZorgvuldelijk zich wacht van andre te versmaden.

De schalke vos op 't veld de katten vast verzelde,En van zijn listigheid veel snorkende vertelde,Dat aller katten doen en hand-werk (hoe men 't acht)Was muize-vangerij en enkel ratten-jacht.Terwijl zij onderlinge aldus in 't twisten rezen,En Reinert[157]boven haar de uitnemendste woû wezen,Een koppel honden haar te schielijk overkoomt;De simmen[158]klavren[159]in de takken van 't geboomt;Maar Reintjen, in gevaar, niet wetende waar vluchten,Is fluks der brakken roof, en spreekt met diep verzuchten:"Hoe ijdel is de roem desgenen voor gewis,Die op de katten smaalde en nu haar schouwspel is;Wanneer hij in gevaar, ja, hoop en troost ten ende,Haar vlijtigheid aanschouwt en zelfs blijft in ellende!"Die schier vergodet schijnt en alles hier toelacht,Zich voor 't beroemen hoed' en voor 't bespotten wacht';'t Geluk is wankelbaar; wel hem, die wijs beradenZorgvuldelijk zich wacht van andre te versmaden.

De schalke vos op 't veld de katten vast verzelde,En van zijn listigheid veel snorkende vertelde,Dat aller katten doen en hand-werk (hoe men 't acht)Was muize-vangerij en enkel ratten-jacht.Terwijl zij onderlinge aldus in 't twisten rezen,En Reinert[157]boven haar de uitnemendste woû wezen,Een koppel honden haar te schielijk overkoomt;De simmen[158]klavren[159]in de takken van 't geboomt;Maar Reintjen, in gevaar, niet wetende waar vluchten,Is fluks der brakken roof, en spreekt met diep verzuchten:"Hoe ijdel is de roem desgenen voor gewis,Die op de katten smaalde en nu haar schouwspel is;Wanneer hij in gevaar, ja, hoop en troost ten ende,Haar vlijtigheid aanschouwt en zelfs blijft in ellende!"Die schier vergodet schijnt en alles hier toelacht,Zich voor 't beroemen hoed' en voor 't bespotten wacht';'t Geluk is wankelbaar; wel hem, die wijs beradenZorgvuldelijk zich wacht van andre te versmaden.

De schalke vos op 't veld de katten vast verzelde,

En van zijn listigheid veel snorkende vertelde,

Dat aller katten doen en hand-werk (hoe men 't acht)

Was muize-vangerij en enkel ratten-jacht.

Terwijl zij onderlinge aldus in 't twisten rezen,

En Reinert[157]boven haar de uitnemendste woû wezen,

Een koppel honden haar te schielijk overkoomt;

De simmen[158]klavren[159]in de takken van 't geboomt;

Maar Reintjen, in gevaar, niet wetende waar vluchten,

Is fluks der brakken roof, en spreekt met diep verzuchten:

"Hoe ijdel is de roem desgenen voor gewis,

Die op de katten smaalde en nu haar schouwspel is;

Wanneer hij in gevaar, ja, hoop en troost ten ende,

Haar vlijtigheid aanschouwt en zelfs blijft in ellende!"

Die schier vergodet schijnt en alles hier toelacht,

Zich voor 't beroemen hoed' en voor 't bespotten wacht';

't Geluk is wankelbaar; wel hem, die wijs beraden

Zorgvuldelijk zich wacht van andre te versmaden.

't Scherptandige serpent belust was te vermalenEen aambeeld, herd van staal en ijzer t'eenemalen,Maar kon verwinnen niet[160]op zulken ijz'ren romp;En maakte 't aambeeld niet, maar al zijn tanden stomp.Als nu des diers gebit ten leste was bedorven,Heeft het van 't aambeeld tot een antwoord dit verworven:"Wat dolheid gaat u aan, dat, met een scherp gebit,Gij om mijn herdheid te verbrijzlen zijt verhit!Laat af, laat af in tijds, al waren uwe tandenVan koper en van staal, ik maakte ze ter schanden."Dees fabel wil de zulke aan-spreken zonderlingen,Die zich aanmeten meer als menschelijke dingen.Gelijk dat zotte volk, dat, met een ijdel hoop,Een vaart langs 't Noorden zoekt, spijt der naturen loop:Dat met een eiken plank, o stoute zee-gezellen!Drijft door 't bergachtig ijs, gelijk als na der Hellen,En blijfter al een schip in 't Noorden voor den tol,Gelijk een toren, staan, zij varen even dol[161].

't Scherptandige serpent belust was te vermalenEen aambeeld, herd van staal en ijzer t'eenemalen,Maar kon verwinnen niet[160]op zulken ijz'ren romp;En maakte 't aambeeld niet, maar al zijn tanden stomp.Als nu des diers gebit ten leste was bedorven,Heeft het van 't aambeeld tot een antwoord dit verworven:"Wat dolheid gaat u aan, dat, met een scherp gebit,Gij om mijn herdheid te verbrijzlen zijt verhit!Laat af, laat af in tijds, al waren uwe tandenVan koper en van staal, ik maakte ze ter schanden."Dees fabel wil de zulke aan-spreken zonderlingen,Die zich aanmeten meer als menschelijke dingen.Gelijk dat zotte volk, dat, met een ijdel hoop,Een vaart langs 't Noorden zoekt, spijt der naturen loop:Dat met een eiken plank, o stoute zee-gezellen!Drijft door 't bergachtig ijs, gelijk als na der Hellen,En blijfter al een schip in 't Noorden voor den tol,Gelijk een toren, staan, zij varen even dol[161].

't Scherptandige serpent belust was te vermalenEen aambeeld, herd van staal en ijzer t'eenemalen,Maar kon verwinnen niet[160]op zulken ijz'ren romp;En maakte 't aambeeld niet, maar al zijn tanden stomp.Als nu des diers gebit ten leste was bedorven,Heeft het van 't aambeeld tot een antwoord dit verworven:"Wat dolheid gaat u aan, dat, met een scherp gebit,Gij om mijn herdheid te verbrijzlen zijt verhit!Laat af, laat af in tijds, al waren uwe tandenVan koper en van staal, ik maakte ze ter schanden."Dees fabel wil de zulke aan-spreken zonderlingen,Die zich aanmeten meer als menschelijke dingen.Gelijk dat zotte volk, dat, met een ijdel hoop,Een vaart langs 't Noorden zoekt, spijt der naturen loop:Dat met een eiken plank, o stoute zee-gezellen!Drijft door 't bergachtig ijs, gelijk als na der Hellen,En blijfter al een schip in 't Noorden voor den tol,Gelijk een toren, staan, zij varen even dol[161].

't Scherptandige serpent belust was te vermalen

Een aambeeld, herd van staal en ijzer t'eenemalen,

Maar kon verwinnen niet[160]op zulken ijz'ren romp;

En maakte 't aambeeld niet, maar al zijn tanden stomp.

Als nu des diers gebit ten leste was bedorven,

Heeft het van 't aambeeld tot een antwoord dit verworven:

"Wat dolheid gaat u aan, dat, met een scherp gebit,

Gij om mijn herdheid te verbrijzlen zijt verhit!

Laat af, laat af in tijds, al waren uwe tanden

Van koper en van staal, ik maakte ze ter schanden."

Dees fabel wil de zulke aan-spreken zonderlingen,

Die zich aanmeten meer als menschelijke dingen.

Gelijk dat zotte volk, dat, met een ijdel hoop,

Een vaart langs 't Noorden zoekt, spijt der naturen loop:

Dat met een eiken plank, o stoute zee-gezellen!

Drijft door 't bergachtig ijs, gelijk als na der Hellen,

En blijfter al een schip in 't Noorden voor den tol,

Gelijk een toren, staan, zij varen even dol[161].

De schelpe-drager kreeft wild' haars gelijk aanwijzen,Dat 't voorwaarts zwemmen meer als 't aarslen[162]is te prijzen:Al was 't schoon, dat[163]nature haarluiden[164]in dit deelIn 't scheppen hadde ontbloot van schoonheid al geheel,Vermits zij andren hadde op andre wijs gegeven,Met vinnen door het vocht recht voorwaarts uit te zweven.Maar de onderwezen kreeft sprak zijnen makker aan,Dewijl hij 't had geleerd, hij zoudet[165]eerst bestaan,En als een leerlijk beeld[166]het vochte veld doorploegen,Hij wilde[167]recht op 't spoor hem na te volgen voegen[168].—Gij, die 't voortrefflijk ambt eens leeraars vast bekleedt,En andren haar gebrek te toonen zijt gereed,U zelven eerst bestiert, wilt in u zelf genezen't Geen gij in andren meent bestraffelijk te wezen;Want als gij andren leert, en blijft van 't goede schuw,Zoo blijft een dobbel zonde en grover vlek in u.

De schelpe-drager kreeft wild' haars gelijk aanwijzen,Dat 't voorwaarts zwemmen meer als 't aarslen[162]is te prijzen:Al was 't schoon, dat[163]nature haarluiden[164]in dit deelIn 't scheppen hadde ontbloot van schoonheid al geheel,Vermits zij andren hadde op andre wijs gegeven,Met vinnen door het vocht recht voorwaarts uit te zweven.Maar de onderwezen kreeft sprak zijnen makker aan,Dewijl hij 't had geleerd, hij zoudet[165]eerst bestaan,En als een leerlijk beeld[166]het vochte veld doorploegen,Hij wilde[167]recht op 't spoor hem na te volgen voegen[168].—Gij, die 't voortrefflijk ambt eens leeraars vast bekleedt,En andren haar gebrek te toonen zijt gereed,U zelven eerst bestiert, wilt in u zelf genezen't Geen gij in andren meent bestraffelijk te wezen;Want als gij andren leert, en blijft van 't goede schuw,Zoo blijft een dobbel zonde en grover vlek in u.

De schelpe-drager kreeft wild' haars gelijk aanwijzen,Dat 't voorwaarts zwemmen meer als 't aarslen[162]is te prijzen:Al was 't schoon, dat[163]nature haarluiden[164]in dit deelIn 't scheppen hadde ontbloot van schoonheid al geheel,Vermits zij andren hadde op andre wijs gegeven,Met vinnen door het vocht recht voorwaarts uit te zweven.Maar de onderwezen kreeft sprak zijnen makker aan,Dewijl hij 't had geleerd, hij zoudet[165]eerst bestaan,En als een leerlijk beeld[166]het vochte veld doorploegen,Hij wilde[167]recht op 't spoor hem na te volgen voegen[168].—Gij, die 't voortrefflijk ambt eens leeraars vast bekleedt,En andren haar gebrek te toonen zijt gereed,U zelven eerst bestiert, wilt in u zelf genezen't Geen gij in andren meent bestraffelijk te wezen;Want als gij andren leert, en blijft van 't goede schuw,Zoo blijft een dobbel zonde en grover vlek in u.

De schelpe-drager kreeft wild' haars gelijk aanwijzen,

Dat 't voorwaarts zwemmen meer als 't aarslen[162]is te prijzen:

Al was 't schoon, dat[163]nature haarluiden[164]in dit deel

In 't scheppen hadde ontbloot van schoonheid al geheel,

Vermits zij andren hadde op andre wijs gegeven,

Met vinnen door het vocht recht voorwaarts uit te zweven.

Maar de onderwezen kreeft sprak zijnen makker aan,

Dewijl hij 't had geleerd, hij zoudet[165]eerst bestaan,

En als een leerlijk beeld[166]het vochte veld doorploegen,

Hij wilde[167]recht op 't spoor hem na te volgen voegen[168].—

Gij, die 't voortrefflijk ambt eens leeraars vast bekleedt,

En andren haar gebrek te toonen zijt gereed,

U zelven eerst bestiert, wilt in u zelf genezen

't Geen gij in andren meent bestraffelijk te wezen;

Want als gij andren leert, en blijft van 't goede schuw,

Zoo blijft een dobbel zonde en grover vlek in u.

De hongerige raaf, tot stelen altijd vlugge,Vloog 't witgewolde schaap op zijnen bonten[169]rugge;Uitplukkende van 't vlies de wol gelijk verwoed,Doorpikt het blanke vel, en zuipt 't onnoosle bloed;Het lammeken lijdt smert, doet niet dan droevig blaren,Maar kan de vogel noch verschrikken noch vervaren.Dies het ten leste spreekt: "bloed-zuipende tyran!Gij zijt voorwaar op mij een dapper held en man;Op mij, onnoozel dier en weerloos heel met allen[170]!Maar, hebdy 't hert, bestaat den hond eens aan te vallen."De raaf wordt noch beweegd noch luistert naar die zang,Zuipt 't jonge lamren-bloed, gaat vlijtig haren gang.De klachten zijn vergeefs, vergeefs zijn al de tranen,Die voor een dwingeland uitstorten de onderdanen;Hij lacht in hun verdriet, hij groeit in hunne smert,En voedt met haren druk de blijdschap in zijn hert.

De hongerige raaf, tot stelen altijd vlugge,Vloog 't witgewolde schaap op zijnen bonten[169]rugge;Uitplukkende van 't vlies de wol gelijk verwoed,Doorpikt het blanke vel, en zuipt 't onnoosle bloed;Het lammeken lijdt smert, doet niet dan droevig blaren,Maar kan de vogel noch verschrikken noch vervaren.Dies het ten leste spreekt: "bloed-zuipende tyran!Gij zijt voorwaar op mij een dapper held en man;Op mij, onnoozel dier en weerloos heel met allen[170]!Maar, hebdy 't hert, bestaat den hond eens aan te vallen."De raaf wordt noch beweegd noch luistert naar die zang,Zuipt 't jonge lamren-bloed, gaat vlijtig haren gang.De klachten zijn vergeefs, vergeefs zijn al de tranen,Die voor een dwingeland uitstorten de onderdanen;Hij lacht in hun verdriet, hij groeit in hunne smert,En voedt met haren druk de blijdschap in zijn hert.

De hongerige raaf, tot stelen altijd vlugge,Vloog 't witgewolde schaap op zijnen bonten[169]rugge;Uitplukkende van 't vlies de wol gelijk verwoed,Doorpikt het blanke vel, en zuipt 't onnoosle bloed;Het lammeken lijdt smert, doet niet dan droevig blaren,Maar kan de vogel noch verschrikken noch vervaren.Dies het ten leste spreekt: "bloed-zuipende tyran!Gij zijt voorwaar op mij een dapper held en man;Op mij, onnoozel dier en weerloos heel met allen[170]!Maar, hebdy 't hert, bestaat den hond eens aan te vallen."De raaf wordt noch beweegd noch luistert naar die zang,Zuipt 't jonge lamren-bloed, gaat vlijtig haren gang.De klachten zijn vergeefs, vergeefs zijn al de tranen,Die voor een dwingeland uitstorten de onderdanen;Hij lacht in hun verdriet, hij groeit in hunne smert,En voedt met haren druk de blijdschap in zijn hert.

De hongerige raaf, tot stelen altijd vlugge,

Vloog 't witgewolde schaap op zijnen bonten[169]rugge;

Uitplukkende van 't vlies de wol gelijk verwoed,

Doorpikt het blanke vel, en zuipt 't onnoosle bloed;

Het lammeken lijdt smert, doet niet dan droevig blaren,

Maar kan de vogel noch verschrikken noch vervaren.

Dies het ten leste spreekt: "bloed-zuipende tyran!

Gij zijt voorwaar op mij een dapper held en man;

Op mij, onnoozel dier en weerloos heel met allen[170]!

Maar, hebdy 't hert, bestaat den hond eens aan te vallen."

De raaf wordt noch beweegd noch luistert naar die zang,

Zuipt 't jonge lamren-bloed, gaat vlijtig haren gang.

De klachten zijn vergeefs, vergeefs zijn al de tranen,

Die voor een dwingeland uitstorten de onderdanen;

Hij lacht in hun verdriet, hij groeit in hunne smert,

En voedt met haren druk de blijdschap in zijn hert.

Den vos, in eenen strik geraakt in duizend lijen,Besprongen eenen zwerm van hommelende bijen;Die priemden[171]hem alsins op 't heetste van den dagMet anglen in 't lijf, daar hij gevangen lag.Zijn makker tot hem treedt, en raadt, dat hij te zamenDien zwerm af-schudden zal, die hem zoo deerlijk pramen[171];"Neen," zegt de schalke vos, "dees biekens zijn nu zatVan 't looze Reintjens bloed, dat liefelijke nat;Verjage ik deze zwerm, zoo koomt'er weêr een jonger,Met nieuwen appetijt, met verschen gragen honger,Die zouden van mijn vleesch en bloed haar-zelven voên,Met meerder pijn en smert als mij nu deze doen."Het is een oude sprook, de welk de natuur nog hedenIn 's herten tafel heeft uitdrukkelijk gesneden,Dat van twee kwaden 't beste altijd te kiezen staat:Wel hem, die in 't verdriet het slimste nog ontgaat.

Den vos, in eenen strik geraakt in duizend lijen,Besprongen eenen zwerm van hommelende bijen;Die priemden[171]hem alsins op 't heetste van den dagMet anglen in 't lijf, daar hij gevangen lag.Zijn makker tot hem treedt, en raadt, dat hij te zamenDien zwerm af-schudden zal, die hem zoo deerlijk pramen[171];"Neen," zegt de schalke vos, "dees biekens zijn nu zatVan 't looze Reintjens bloed, dat liefelijke nat;Verjage ik deze zwerm, zoo koomt'er weêr een jonger,Met nieuwen appetijt, met verschen gragen honger,Die zouden van mijn vleesch en bloed haar-zelven voên,Met meerder pijn en smert als mij nu deze doen."Het is een oude sprook, de welk de natuur nog hedenIn 's herten tafel heeft uitdrukkelijk gesneden,Dat van twee kwaden 't beste altijd te kiezen staat:Wel hem, die in 't verdriet het slimste nog ontgaat.

Den vos, in eenen strik geraakt in duizend lijen,Besprongen eenen zwerm van hommelende bijen;Die priemden[171]hem alsins op 't heetste van den dagMet anglen in 't lijf, daar hij gevangen lag.Zijn makker tot hem treedt, en raadt, dat hij te zamenDien zwerm af-schudden zal, die hem zoo deerlijk pramen[171];"Neen," zegt de schalke vos, "dees biekens zijn nu zatVan 't looze Reintjens bloed, dat liefelijke nat;Verjage ik deze zwerm, zoo koomt'er weêr een jonger,Met nieuwen appetijt, met verschen gragen honger,Die zouden van mijn vleesch en bloed haar-zelven voên,Met meerder pijn en smert als mij nu deze doen."Het is een oude sprook, de welk de natuur nog hedenIn 's herten tafel heeft uitdrukkelijk gesneden,Dat van twee kwaden 't beste altijd te kiezen staat:Wel hem, die in 't verdriet het slimste nog ontgaat.

Den vos, in eenen strik geraakt in duizend lijen,

Besprongen eenen zwerm van hommelende bijen;

Die priemden[171]hem alsins op 't heetste van den dag

Met anglen in 't lijf, daar hij gevangen lag.

Zijn makker tot hem treedt, en raadt, dat hij te zamen

Dien zwerm af-schudden zal, die hem zoo deerlijk pramen[171];

"Neen," zegt de schalke vos, "dees biekens zijn nu zat

Van 't looze Reintjens bloed, dat liefelijke nat;

Verjage ik deze zwerm, zoo koomt'er weêr een jonger,

Met nieuwen appetijt, met verschen gragen honger,

Die zouden van mijn vleesch en bloed haar-zelven voên,

Met meerder pijn en smert als mij nu deze doen."

Het is een oude sprook, de welk de natuur nog heden

In 's herten tafel heeft uitdrukkelijk gesneden,

Dat van twee kwaden 't beste altijd te kiezen staat:

Wel hem, die in 't verdriet het slimste nog ontgaat.

Den arend krom-gebekt het vossen-nest beloerde,Daar zij de jongskens uit bij haar gebroedsel voerde.Die, veilig van 't gediert, van hagel, wind en stroom,Gelegerd lagen inde top van eenen boom.De vos, die is beleurd[172], is toornig en ontsteken,Met eenen ook gezind, zijn leed op 't strengst te wreken;Maar als[173]'t aan vlerken mist[174]om stijgen in de locht,Daar in den top des booms zijn jongsken zijn gebrocht,Hij met een vuurge toorts 't gebladerd hout van onderAan lichter lagen[175]blaast en branden doet te wonder.Laas! de arends schreyen vast in 't midden van 't gesmook,De moeder hopeloos vast vliegt om vuur en rook;Maar och! 't is al vergeefs, 't en houdt niet op van branden,Of al 't gebroedsel is, met nest en al, ter schanden.Gij, die in mogendheid, gelijk gebenedijd[176],Tot op der eeren troon als Goôn verheven zijt,U voor de minste ontziet, en wacht u haar[177]te krenken:Gedenkt, dat de alderkleinst' zich zal te wreken denken[178].

Den arend krom-gebekt het vossen-nest beloerde,Daar zij de jongskens uit bij haar gebroedsel voerde.Die, veilig van 't gediert, van hagel, wind en stroom,Gelegerd lagen inde top van eenen boom.De vos, die is beleurd[172], is toornig en ontsteken,Met eenen ook gezind, zijn leed op 't strengst te wreken;Maar als[173]'t aan vlerken mist[174]om stijgen in de locht,Daar in den top des booms zijn jongsken zijn gebrocht,Hij met een vuurge toorts 't gebladerd hout van onderAan lichter lagen[175]blaast en branden doet te wonder.Laas! de arends schreyen vast in 't midden van 't gesmook,De moeder hopeloos vast vliegt om vuur en rook;Maar och! 't is al vergeefs, 't en houdt niet op van branden,Of al 't gebroedsel is, met nest en al, ter schanden.Gij, die in mogendheid, gelijk gebenedijd[176],Tot op der eeren troon als Goôn verheven zijt,U voor de minste ontziet, en wacht u haar[177]te krenken:Gedenkt, dat de alderkleinst' zich zal te wreken denken[178].

Den arend krom-gebekt het vossen-nest beloerde,Daar zij de jongskens uit bij haar gebroedsel voerde.Die, veilig van 't gediert, van hagel, wind en stroom,Gelegerd lagen inde top van eenen boom.De vos, die is beleurd[172], is toornig en ontsteken,Met eenen ook gezind, zijn leed op 't strengst te wreken;Maar als[173]'t aan vlerken mist[174]om stijgen in de locht,Daar in den top des booms zijn jongsken zijn gebrocht,Hij met een vuurge toorts 't gebladerd hout van onderAan lichter lagen[175]blaast en branden doet te wonder.Laas! de arends schreyen vast in 't midden van 't gesmook,De moeder hopeloos vast vliegt om vuur en rook;Maar och! 't is al vergeefs, 't en houdt niet op van branden,Of al 't gebroedsel is, met nest en al, ter schanden.Gij, die in mogendheid, gelijk gebenedijd[176],Tot op der eeren troon als Goôn verheven zijt,U voor de minste ontziet, en wacht u haar[177]te krenken:Gedenkt, dat de alderkleinst' zich zal te wreken denken[178].

Den arend krom-gebekt het vossen-nest beloerde,

Daar zij de jongskens uit bij haar gebroedsel voerde.

Die, veilig van 't gediert, van hagel, wind en stroom,

Gelegerd lagen inde top van eenen boom.

De vos, die is beleurd[172], is toornig en ontsteken,

Met eenen ook gezind, zijn leed op 't strengst te wreken;

Maar als[173]'t aan vlerken mist[174]om stijgen in de locht,

Daar in den top des booms zijn jongsken zijn gebrocht,

Hij met een vuurge toorts 't gebladerd hout van onder

Aan lichter lagen[175]blaast en branden doet te wonder.

Laas! de arends schreyen vast in 't midden van 't gesmook,

De moeder hopeloos vast vliegt om vuur en rook;

Maar och! 't is al vergeefs, 't en houdt niet op van branden,

Of al 't gebroedsel is, met nest en al, ter schanden.

Gij, die in mogendheid, gelijk gebenedijd[176],

Tot op der eeren troon als Goôn verheven zijt,

U voor de minste ontziet, en wacht u haar[177]te krenken:

Gedenkt, dat de alderkleinst' zich zal te wreken denken[178].


Back to IndexNext