IXWanneer men de onderwerping der vrouwen zoekt te rechtvaardigen, dan wordt gewoonlijk aangevoerd dat het belang der kinderen die vereischt, omdat de vrouwen onder dezen toestand zich uitsluitend aan het moederschap kunnen wijden. In deze bewering zijn twee zwakke punten. Het een is dat dit belang der kinderen niet bewezen kan worden; het ander dat het niet de diensten van het moederschap zijn waaraan de vrouw zich geheel wijdt, maar dat het de diensten van het geslachts-leven zijn. In plaats dat de economische afhankelijkheid der vrouwen in het belang van het nageslacht werkt, heeft zij daarentegen een ziekelijk moederschap en een afnemend geboorte-cijfer ten gevolge.In de eenvoudige tijden van voorheen was er een periode waarin het krijgen van kinderen voor de vrouwen een economische beteekenis had, toen beschouwde men hen alleen in dat opzicht van nut; vervulden zij die taak niet, dan stonden zij ook niet in eer of aanzien. Zulk een toestand leidde er toe, de hoeveelheid kinderen sterk te doen toenemen, al geschiedde dit ook ten koste van de hoedanigheid. Doch toen met de ontwikkeling der industrie het gewicht van economische zorgen op de schouders van den man toenam, begon men kinderen als een last te beschouwen en werd hun komst door den hard werkenden vader niet meer in die mate gewenscht. Zij verkleinen het inkomen van het gezin; en de moeder die uitsluitend met dat inkomen moet rondkomen en in haar positie van onbetaalde dienstbodeoverwerkt is, voelt zich volstrekt niet gedrongen onder dien economischen druk naar het moederschap te streven. Bij de werklieden,—waartoe toch de meerderheid van een volk behoort,—is de vrouw dan ook niet uitsluitend werkzaam in dienst van haar kinderen. En onder de verstandigste en nauwgezetste werklieden bestaat tegenwoordig een merkbare afkeer van groote gezinnen, en bestendig wordt getracht om de uitbreiding van het gezin te voorkomen.Mocht men meenen dat deze beschouwing in geen direct verband staat met de economische positie der vrouw, maar veeleer met den algemeenen staat der werklieden, dan bezie men denzelfden toestand eens bij de rijke lieden naderbij. Hier is de economische afhankelijkheid der vrouw tot het uiterste opgevoerd. De dochters en vrouwen van de rijken doen nog niet eens het huiselijk werk dat door de vrouwen uit arme gezinnen moet verricht worden. Zij zijn van de wieg tot het graf volmaakt on-productief, zoowel in goederen als in arbeid van economische waarde en zij verteren daarentegen van zulke goederen en arbeid een hoeveelheid, welke alleen door de koopkracht van hunne mannelijke bloedverwanten begrensd wordt. Hun economische beteekenis, gehuwd of ongehuwd, ligt in hun macht de mannen aan te trekken en te bekoren; en deze macht is niet die van het moederschap. Integendeel, het moederschap ontrooft vele vrouwen haar persoonlijke bekoringen en neemt veel van haar tijd in beslag, waardoor zij allerlei genoegens en voordeel die voor een vrouw zonder kinderen verkrijgbaar zijn, moeten derven. Zij profiteeren het meest door de geslachtsverhouding zonder haar natuurlijke gevolgen; en daarom is het economisch in haar voordeel het moederschap tegen te gaan, in plaats van het in de hand te werken.Indien men de uiterste grens van de sexueel-economischeverhouding uit dit oogpunt beschouwt dan is het voor ieder duidelijk waar te nemen. Niets werkt toch de verbetering van het ras door het moederschap meer absoluut tegen dan de prostitutie. Met zich uitsluitend te wijden aan den dienst van het moederschap, zooals de koningin-bij doet, of met zich uitsluitend te wijden aan den dienst van het geslachts-leven zonder moederschap, zooals de prostituée doet, bevordert men niet de verbetering van het ras. En toch bestaat er nog steeds een krachtige volksmeening, dat het voor ons ras van het grootste belang is dat alle vrouwen van directe economische werkzaamheden bevrijd blijven, opdat zij zoodoende al hun krachten beschikbaar houden voor de schoone taak van het moederschap.InThe Forumvan November 1888 schrijftLester F. Wardeen artikel getiteld: “Our better halves” (onze betere helft), waarin hij duidelijk de superioriteit van het vrouwelijk geslacht uit een biologisch oogpunt aantoont. Natuurlijk verwekte dit artikel veel tegenspraak; en in een weerleggend stuk “Woman’s place in nature” (de plaats der vrouw in de natuur), (The ForumMei 1889) zet Mr.Grant Allenzeer uitvoerig de algemeene opinie over dit onderwerp uiteen. Van de vrouw zegt hij: “ik geloof dat het waar is dat de vrouw veel minder dan de man het ras vertegenwoordigt, dat zij waarlijk op het oogenblik nog zelfs niet ten halve tot het ras behoort, maar eerder een deel er van uitmaakt, bepaald bestemd voor de instandhouding van de soort; precies als hommels en mannelijke spinnen deelen zijn van hun soort, alleen aangewezen voor de uitoefening van hun mannelijke functiën, of zoo als honingbijen individueele insekten zijn, alleen bestemd om als levende honingpotten voor de gemeenschap te werken. De vrouw moet zich alleen aan de voortplanting wijden.”Sedert op biologische gronden bewezen werd dat het zeer langzaam ontstaan en ontwikkelen van het mannelijk organisme uitsluitend als een reproductieve noodzakelijkheid moet opgevat worden; en sedert vrouwen worden opgeofferd niet aan reproductieve noodzakelijkheden, maar aan zeer onnoodige en beleedigende geslachtelijke handelingen onder den druk hunner economische afhankelijkheid, vertoont een bewering als die van Mr. Grant Allen een sterk humoristische zijde. Zijne meening wordt evenwel niet alleen gedeeld door menschen die beweren van sociologie en biologie een bijzondere studie te hebben gemaakt, maar het groote publiek denkt er evenzoo over en daarom is het noodig dat wij er onze aandacht aan wijden. Wie de meening van Mr. Grant Allen deelen, moeten echter toestemmen dat de over-ontwikkeling van het geslacht een gevolg is van de economische verhouding tusschen mannen en vrouwen en dat een reeks individueele en maatschappelijke zonden uit deze over-ontwikkeling voortspruiten. Zij moeten verder zelfs toegeven dat de economische ontwikkeling van het ras er eenige schade door lijdt. Maar zij zullen in antwoord daarop beweren dat deze ziekelijke toestanden bij den menschelijken vooruitgang behooren; dat door de vrouw voor den dienst van het moederschap te bestemmen de menschheid meer goed dan kwaad ondervindt, hoe groot dit laatste ook mag zijn; en omgekeerd, dat het individueele en maatschappelijke voordeel door economische vrijheid der vrouw verkregen, niet opweegt tegen het verlies het ras toegebracht, door opheffing van een moederschap, waaraan de vrouwen zich speciaal wijden.Om dit te weerleggen is het noodig aan te toonen dat onze groote toewijding aan de kinderen niet zulke voordeelige resultaten heeft als wel verondersteld wordt;dat de invloed van ons moederschap op het ras eerder beneden dan boven die van andere diersoorten staat; dat deze mindere invloed zijn oorzaak vindt in de sexueel-economische verhouding; dat het weder instellen van de economische vrijheid der vrouw het moederschap zal ten goede komen; en ten slotte langs welke lijn van sociale en individueele ontwikkeling deze verbetering praktisch te verkrijgen is.Bij de behandeling van dit onderwerp hebben wij behoefte aan een bijzondere geestelijke voorbereiding. Wij dienen aan te toonen dat onze denkbeelden hierover door vooroordeel een eigenaardige tint hebben aangenomen, en dat wij in geen andere gedachtensfeer zoo door onze aandoeningen verblind worden. Dit onderwerp is altijd boven eenig ander, meer een kwestie van gevoel dan van verstand geweest. Ook de verhouding der seksen is grootendeels een kwestie van gevoel, maar wij hebben die tevens tot een onderwerp van studie, van vergelijking, van bespiegeling gemaakt. Er bestaan dientengevolge verschillende meeningen over de geslachts-verhouding, maar over het moederschap bestaan er geene. Hier en daar durft de een of ander philosoof, een Plato, een Rousseau, eenige gedachten wijden aan dit onderwerp; maar over het geheel is geen thema van zooveel belang zoo weinig als dit bestudeerd geworden. Men beschouwt het moederschap als heiliger dan godsdienst, bindender dan de wet, bekender dan de wijze van eten; wij zijn allen geboren en opgevoed in de aangenomen verheerlijking er van, en op ouderen leeftijd deelen wij het weder evenzoo aan de jongeren mede. Iemand kan met minder gevaar om uitgejouwd te worden den wil en de daden van zijn God dan van zijn moeder in twijfel trekken. Deze moeder-vergoding is een zoo diep ingeworteld, zoowijd verspreid en lang bestaand gevoel dat zij zich op iederen trap van geestelijke ontwikkeling vertoont. Zij is met onze godsdienstige gevoelens eenerzijds en met onze geslachts-neigingen anderzijds zoodanig saâmgeweven, dat het bijna onmogelijk is over dit onderwerp helder en kalm na te denken; immers lang was het verboden om over godsdienst en geslachts-kwesties van gedachten te wisselen, wijl het een te heilig en het andere te onheilig was. Het is daarom gemakkelijk te begrijpen waarom wij in dezen zoo vol vooroordeel zijn.Het instinkt dat het kind naar de moeder drijft is even oud als dat wat de moeder naar het kind drijft, beide dateeren uit de periode toen het kind voor het eerst zorg noodig had, misschien reeds uit den tijd der latere reptiliën. Deze band tusschen moeder en kind heeft onafgebroken door de geheele lijn van progressie bestaan en is bij ons sterker dan bij eenig ander schepsel, omdat in onze sociale ontwikkeling de ouders voor het kind niet alleen het geheele leven door, maar wegens ons erfrecht, zelfs nog na den dood van belang zijn. Een zoo vroeg, zoo hoogst belangrijk, zoo lang opgehoopt dierlijk instinkt, dat nog door maatschappelijke wetten versterkt wordt, is een groote kracht, waarbij bovendien nog gevoegd moet worden de lange periode van groote ouder-vereering. Daardoor veranderen de dwaze begrippen van vroegere vergoders van de idee der ouderlijke heiligheid geheel, want zij die eerst een God van hun vader gemaakt hadden, maakten daarna een vader van God, en dit diep godsdienstig gevoel heeft het gewicht van instinkt zeer verhoogd. Ook familie-regeering, onbegrensd als zij was in het patriarchale tijdperk, heeft ons eerbiedig, blind vertrouwen in het ouderschap zoo hoog opgevoerd, tot het majesteitsschennis werd aan de goede plichtsvervulling er van tetwijfelen. Op twee zeer belangwekkende overgangen in deze sfeer moet gewezen worden. De een is dat het toppunt van kinderlijke toewijding in het patriarchale tijdperk bereikt werd, in den tijd toen de vader de eenige machthebbende en de voeder van het gezin was en naar goedvinden zijn kinderen mocht slaan of verkoopen; doch dit overblijfsel van onder-vereering verminderde bestendig met de wijziging van den regeeringsvorm tot in onzen democratischen tijd, waarin met volle ontwikkeling van persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid de laagste graad van kinderlijken eerbied en onderwerping aangetroffen wordt. In plaats daarvan is in aller belang de ongedwongen, liefelijke omgang tusschen ouders en kinderen gekomen, die vroeger, toen de kinderen een kruipende houding tegenover hen moesten aannemen, volkomen onbestaanbaar was.De ander is de langzame overgang van de hoogste vadervereering “de schepper van mijn bestaan”, zooals het kind gewoon was hem te beschouwen, naar onze moderne moederwaardeering. De stervende soldaat op het slagveld denkt aan zijn moeder, verlangt naar haar, niet naar zijn vader. De reiziger en banneling droomt van zijn moeders zorgen, zijn moeders versnaperingen. De pathos der volkssprookjes gaat heden reeds zoover dat men “den verloren zoon” naar zijn moeder terugbrengt, niet naar zijn vader. Indien de oorspronkelijke “verloren zoon” een moeder had gehad, dan zou die zeker bezig geweest zijn het vetgemeste kalf te braden, toen hij terugkwam. Indien de tegenwoordige “verloren zoon” een vader heeft, dan heeft die alleen de verplichting het kalfsvleesch te betalen. Onze teederste gevoelens, onze diepste eerbied, onze hoogste verbolgenheid over een beleediging concentreeren zich tegenwoordig allen meer om de moeder dan om den vader; en dit is een sterkbewijs dat de erkenning van de werkelijke waarde van de vrouw in het leven en de plaats die zij er moet innemen, ons wordt ingegeven, terzelfder tijd dat ons verstand beide kan begrijpen. Niets kan ooit de waarheid van de waarde der moeder overschatten. Ons instinkt geeft ons den rechten weg aan, zooals trouwens alle diep ingewortelde sociale instinkten doen; maar rondom dit instinkt zijn een hoop valschheden en dwaasheden opgegroeid, die er altijd toe leiden den vooruitgang er van te vertragen en te beletten.Als de hoofdpersoon bij de voortplanting wordt de moeder hoofdzakelijk op eenvoudige physiologische gronden vereerd. Als de hoofdpersoon in vormende liefde, de groote voorwaarde voor menschelijk geluk, is zij de bron van onzen geheelen groei. Als de beginner der industrie is zij nog eens een bron van vooruitgang. Als de eerste en laatste opvoedster vormt zij buiten haar lichaam wat zij daar binnen schiep; en daar zij de zichtbare, voelbare, beminnelijke, levende type van dit alles is, het wezen in wiens persoon de volle som van goedheid voor het individu is uitgedrukt, is het geen wonder dat onze sterkste, diepste, teederste gevoelens zich groepeeren om het beteekenisvolle woord “moeder”.Stemmen wij met dit alles volkomen in, dan blijft nog voor ons over het volle licht der wetenschap en het eerlijke werk der gedachte naar deze, evenals naar iedere andere phase van het menschelijk leven te richten; ons gevoel te laten rusten en ons verstand te gebruiken; uit te maken of wij zelfs hier wel gerechtigd zijn om het belangrijkste werk van het individueele leven volgens de methoden van het primitieve instinkt te blijven verrichten. Het moederschap is slechts een levensproces en als alle levensprocessen mag het bestudeerd worden. Onder onbewuste, beginnende levensvormenvolbrengt het zijn taak door een eenvoudig instinkt. In het bewuste en samengestelde menschelijk leven eischt het veel talrijker en verschillender krachten om zijn taak goed te vervullen. Bij ons is het een bewust proces,—een proces dat goede of slechte gevolgen kan hebben. Deze willekeurige macht brengt nieuwe verantwoordelijkheden en de behoefte aan nieuwe methoden mede,—een behoefte die niet enkel hierop neerkomt, om te overwegen of wij de plichten van het moederschap wel aanvaarden mogen, maar hoe wij ze het best vervullen kunnen.Het moederschap moet evenals ieder ander natuurlijk proces beoordeeld worden naar zijn resultaten. Het is goed of slecht naarmate het aan zijn doel beantwoordt. Het menschelijk moederschap moet beoordeeld worden naarmate het aan zijn doel voor het menschelijk ras beantwoordt. Zijn eerste doel is het ras voort te planten door reproductie van het individu; het tweede het ras te verbeteren, door verbetering van het individu. Het zuiver eenvoudige werk van voortplanting wordt evengoed volbracht door het leggen van eieren, die soms na den dood van de moeder eerst worden uitgebroed, als door jarenlang dienstbetoon aan de kinderen; maar voor het verbeteren van het ras komen wij met andere eischen. De functiën van het moederschap zijn even natuurlijk vermeerderd als de functiën van de voeding, en elk ontwikkelingsstadium heeft voor de moeder nieuwe plichten mede gebracht. De moeder-vogel moet haar jongen uitbroeden, de moeder-koe moet haar jongen zoogen, de moeder-kat moet jagen voor ze; en van elken afzonderlijken dienst welken de moeder verricht, moet de waarde beoordeeld worden naar de gevolgen voor de jongen. De maatstaf voor het ware moederschap wordt gevonden in datgene watgedaan wordt in het werkelijk belang der jongen, en het beste voor de jongen zal wel datgene zijn, wat hun een beter toekomstig bestaan verschaft dan dat van hun ouders. Het doel van het ware moederschap is een beter wezen dan de ouders in de wereld achter te laten.Dit doel wordt in het menschenras door twee processen gediend: door de eenvoudige individueele functie van voortplanting, waartoe ook alle zorg en verpleging behooren; en door de saamgestelde, maatschappelijke functie van opvoeding. Aanvankelijk was deze laatste een moederlijke functie en daarom een individueele, maar sedert lang is zij eerder een ras- dan een individueele functie geworden, die in geen betrekking meer staat tot de sekse of eenige andere persoonlijke beperking. De kinderen hebben voor een goede ontwikkeling niet alleen de liefde en zorg der moeder noodig, maar bovendien de zorg en opvoeding van vele anderen. Dit is in zulk een uitgebreiden zin waar, dat men in het algemeen kan zeggen dat het tegenwoordig voor een kind beter zou zijn om totaal verlaten, zonder moeder of eenig familielid, in de straten eener groote stad te staan, dan met een groote en aanhankelijke familie overgebracht te worden naar het “donkerste Afrika”.Menschelijke functiën zijn ras-functiën, maatschappelijke functiën, en daartoe behoort opvoeding. De plicht van de mensch-moeder en de maatstaf voor een goede of slechte vervulling er van moetbeoordeeldworden naar de vruchten der voortbrenging en opvoeding. Aangezien er geen diersoort boven ons staat bij wie wij ons moederschap kunnen vergelijken, moeten wij den maatstaf bij lager diersoorten aanleggen. Wij moeten bewijzen kunnen dat wij in de functiën, die wij met hen gemeen hebben, hooger staan dan zij.Slaagt de mensch-moeder beter in de voortplantingvan haar soort dan andere dieren van de orde mammalia? Brengt zij de jongen beter in de wereld en voedt zij ze beter op dan moeders van lager diersoorten? Deze dieren, minder bewust dan wij, handelen eenvoudig door hun instinkt: zij paren in het daarvoor bestemde jaargetijde; zij voeden, bewaken, verdedigen hun jongen zoo goed als zij kunnen en zij laten schepsels in de wereld achter even goed of beter dan hunne ouders. Wij hebben van wilde dieren weinig vertrouwbare gegevens, en het is moeilijk om de natuurlijke processen van de tamme dieren los te maken van onze inmenging. Maar bij beide toont de eenvoudige handhaving der soort dat het moederschap ten minste tamelijk goed in de voortplanting slaagt; en bij de dieren die wij voor ons voordeel laten broeden, zien wij duidelijk de mogelijkheid dat het ras door het voortplantingsproces alleen reeds verbeteren kan. Kunnen wij nu met ons menschelijk verstand en ons menschelijk geweten, rijk door macht en wijsheid en door het heerschen over de andere rassen, kunnen wij als moeders de vergelijking met onze voorgangers doorstaan?Het menschelijk moederschap vertoont meer ontaardingskenmerken dan eenig ander; het is ongezonder, onvolmaakter, zieker. De jongen van de menschen zijn eveneens ziekelijk. Wij als dieren, zijn in deze omstandigheid zeer inferieure dieren. In plaats van ons zelf te verheffen op den grooten moed waarmede wij “de gevaren van het moederschap” onder de oogen zien en te pochen dat wij ons “in levensgevaar begeven” voor onze kinderen, moesten wij ons liever schamen, dat wij moeder en kind beide aan zulke gevaren blootstellen. In levensgevaar begeven? Maar dat is het levenslicht voor de ongeborene; en daar bestaat trouwens geenlevensgevaar, behalve wat wij, de moeders, door ons onnatuurlijk leven, over onze eigen kinderen gebracht hebben. Levensgevaar, natuurlijk, voor de duizende kinderen die te-laat-geboren, ontijdig-geboren, tot-ongeluk-geboren,en dood-geborenworden omdat het ware moederschap niet aanwezig is. In de eerste lichamelijke functiën van het moederschap kan de vrouw niet bewijzen dat haar veronderstelde bijzondere roeping voor deze taak de vervulling er van verbeterde, eer het tegendeel. Waar dan ook de mensch-moeder zich bezig houdt met de natuurlijke werkzaamheden van een menschelijk wezen, zooals de vrouw bij de wilde volksstammen, de boerin en overal de werkende vrouw doet, daar vervult zij, zoolang zij zich niet behoeft te overwerken, deze functiën oneindig veel beter.Doch waar een vrouw uitsluitend bestemd wordt voor geslachts-functiën en van alle economische werkzaamheden wordt uitgesloten, waar haar geslachtsverhouding moet dienen als middel tot levensonderhoud, daar zal haar moederschap aan ziekelijke afwijkingen onderhevig zijn. De overdreven geslachts-ontwikkeling, veroorzaakt door haar economische afhankelijkheid van den man, werkt nadeelig terug op haar wezenlijke plichten. Zij is te vrouwelijk voor een volmaakt moederschap! De overdreven ontwikkeling van haar secondaire geslachts-eigenschappen vormen bij overerving een verwoestend element. Kleine, zwakke, zachte, slecht geproportioneerde vrouwen brengen geen groote, sterke, forsche, krachtige, welgevormde mannen en vrouwen voort. Toen Frederik de Groote stevige grenadiers wilde hebben, liet hij groote mannen met groote vrouwen paren,—niet met kleine. De vrouw die alleen voor de geslachts-functiën leeft, ontaardt natuurlijk in ras-ontwikkeling en brengt even natuurlijk die ontaarding op haar nakomelingschap over. De mensch-moedertoont in de voortplantingsprocessen niet boven maar beneden de lagere dieren te staan, en geeft in dat opzicht geen blijk dat haar opgaan in geslachtsfunctiën haar jongen ten goede komt. De moeder van een dood kind of het kind van een doode moeder; het zieke, kreupele of idiote kind; de uitgeputte, zenuwachtige, te vroeg-oude moeder,—zijn bij ons niet onbekend en zijn geen bewijzen dat wij in ons moederschap boven andere dieren staan.Nu wij de wijze waarop bij den mensch het moederschap vervuld wordt, met het oog op de lichamelijke voortplantingsprocessen niet kunnen goedkeuren rijst de vraag, of er soms voordeelen van het menschelijk moederschap in de andere afdeeling, de opvoeding, zijn aan te toonen? Indien de moeder ziekelijk is en het kind eveneens, zal dan misschien haar liefderijke zorg voor het kind daar tegen opwegen? Zal niet de teedere toewijding van de moeder en haar onvermoeide bewaking van het kind genoegzame resultaten opleveren om voor het menschelijk moederschap, in vergelijking met dat van andere diersoorten, onze bijzondere wijze van doen te rechtvaardigen? Ter beantwoording dezer vraag moeten wij aantoonen dat ons moederschap, voor zoover wij daaronder gewoonlijk verstaan de “zorg” voor het kind, (duidelijker omschreven door het woord opvoeding), van superieuren aard is.Hier missen wij weder het voordeel van een vergelijking. Bij geen andere diersoort vereischt het jong zulk een langen tijd zorg, heeft het zooveel onderricht noodig. Voor zoover die andere dieren deze zorg en dit onderricht hebben te geven, doen zij het goed. De hen met haar kuikens is in dit opzicht een algemeen aangenomen voorbeeld van moederschap. Zij legt niet alleen de eieren en broedt ze uit, maar zij onderwijst en beschermt ook haar jongen voor zoo ver het noodig is.Doch behalve dit eenvoudig voorbeeld bezitten wij geen maatstaf van vergelijking voor het opvoedend moederschap. Wij kunnen dit alleen onder ons zelf bestudeeren, door vergelijking van het kind dat moederloos is, met het kind dat moederlijke zorg ontvangt; het kind dat een moeder heeft en niets anders, met het kind wiens moeder geholpen wordt door bedienden en onderwijzers; het kind van wat wij verstaan onder een superieure moeder, met het kind van een inferieure moeder. Deze laatste onderscheiding, een vergelijking tusschen twee moeders, is van groot gewicht. Wij hebben reeds stilzwijgend een vage maatstaf voor het menschelijk moederschap vastgesteld en losweg toegepast, door te spreken van een “natuurlijke” en “onnatuurlijke” moeder.Doch deze termen toonen op nieuw aan hoe wij nog steeds geneigd zijn het geheele veld van moederlijke werkzaamheid meer te beschouwen als een instinktmatig handelen dan als een werk van verstand, meer als een functie dan als een dienst. Wij hebben wel een maatstaf, hoe los en vaag die dan ook mag zijn; en zelfs bij dien maatstaf is het pijnlijk te zien hoeveel moeders als zoodanig mislukt zijn. Vraag u zelven maar eens eerlijk af hoevele van de moeders, wier handelingen tegenover hun kinderen gij ziet in straten, winkels, omnibussen en booten, in hotels, pensions en aangrenzende tuinen, hoevelen van hen een gunstige kritiek bij u opwekken, in vergelijking met die welke gij ongunstig beoordeelt. Neem niet in aanmerking het rozig ideaal van moederschap dat in uwe ziel huist, maar de ruwe, harde werkelijkheid, zooals gij die in het dagelijksch leven te hooren en te zien krijgt.Het moederschap kan in het volbrengen van opvoedende plichten alleen beoordeeld worden naar zijne resultaten. Wanneer wij als maatstaf aannemen de edelemannen en vrouwen wier goeden lichaamsbouw en flink karakter wij zoo gaarne toeschrijven aan “een voortreffelijke moeder”, wat moeten wij dan van de moeders zeggen, die de wereld gevuld hebben met zoovele onedele mannen en vrouwen, met slechten lichaamsbouw en zwak karakter? Wanneer goede moeders goede menschen vormen, wat moeten wij dan van de slechte menschen zeggen? Wanneer wij geniale mannen en vrouwen zien, dan stellen wij die op rekening van hun moeders. Wanneer wij onbeduidende mannen en vrouwen zien,—en die zijn toch wel de regel,—dàn durft niemand de waarde van de moeders, die deze menschen voortbrachten, in twijfel trekken. Wanneer het tot aangeboren misdadigheid komt, dan beginnen wij iets te fluisteren van “erfelijkheid”, en om aan de groote nationale onwetendheid te gemoet te komen, vragen wij dan een beter opvoedings-systeem. Maar niemand komt op de gedachte dat het moederschap van het menschdom verbeterd kan worden, en toch schuilt daar inderdaad het kwaad. Indien onze voortplantingsmethode niet deugt, dan is daarvoor de moeder verantwoordelijk. Zij is de voornaamste factor in de reproductie. Indien onze opvoedingsmethode niet deugt, is de moeder daarvoor eveneens verantwoordelijk. Zij is de voornaamste factor bij de opvoeding.Hiertegen werd aangevoerd dat zulk een bewering den vader en zijn verantwoordelijkheid zou buitensluiten. Doch indien de moeder haar rechte plaats in de wereld inneemt en zij volbrengt haar plicht goed, dan zal zij geen reden hebben over den vader te klagen. Zij zal dan immers in de eerste plaats betere mannen maken. En in de tweede plaats zal zij zich maatschappelijk verantwoordelijk voelen om een geschikten vader voor hare kinderen te kiezen. In de derde plaatszal zij als een economisch vrij handelend wezen, voor de helft in de behoeften van het kind voorzien. Mannen die niet geschikt zijn voor een goed vaderschap zullen onder zulke omstandigheden niet veel kans hebben vader te worden en zullen sterven, door iedereen beklaagd, in plaats van te leven en door iedereen verwenscht. De man heeft het echter in zijn positie, met alle ras-werkzaamheden, en alles wat tot het vaderschap en de helft van hetgeen tot het moederschap behoort te doen, beter aangelegd om het onmogelijke te volbrengen, dan de vrouw het deed in de hare. Men veronderstelde dat zij op aarde geen andere taak te vervullen had dan die van moeder. Zij heeft echter het werk van de moeder en bovendien alle huishoudwerk van de wereld gedaan. Maar zij heeft toch ongetwijfeld zoo veel tijd en krachten voor het moederschap gehad als de man voor het vaderschap; en niet voordat zij bewijzen kan dat de kinderen der wereld even goed door haar opgevoed als zij door den vader gevoed zijn, kan zij op hem den blaam werpen van onze algemeene onvolkomenheid.Geen der beide partijen heeft evenwel schuld. De sexueel-economische verhouding oefent onvermijdelijk slechten invloed uit zoowel op het moederschap als op het vaderschap. Maar op de moeder moet een beroep worden gedaan om deze ongewenschte verhouding te veranderen. Zij, een dieper plichtsgevoel, een grooter liefde voor het kind bezittende, moet gaan inzien hoe haar valsche positie haar moederschap schaadt en zij moet, ter wille van haar kinderen, met dien toestand breken. Van den man en zijn vaderschap kan zij maken wat zij wil.De plicht der moeder is eerst om kinderen voort te brengen die lichamelijk even goed of beter zijn dan zij zelf; om de nakomelingen een goed karakter te geven,beter, naarmate zij zelf op een hooger standpunt staat; om door haar buitengewone macht als moeder het menschenras te verbeteren; in een woord, om edeler menschen te maken.Daarna is het de plicht der moeder, de mensch-moeder, om haar kinderen zoodanig op te voeden dat zij voltooit, wat met baren en zoogen slechts begonnen was. Zij moet haar kind negen maanden in haar lichaam, twee jaar in de armen en zoolang zij leeft in hart en ziel dragen. De opvoeding van het kind is een geduchte factor in de menschelijke voortplanting. Een goed moederschap moet in staat zijn deze groote functie goed te volbrengen. Te dien einde moet de vrouw steeds haar kennis verrijken, om de lichamelijke en geestelijke vermogens van het kind op de beste wijze te kunnen ontwikkelen, versterken en leiden, opdat elk geslacht, tot rijpheid gekomen, duidelijk te onderscheiden zal zijn van het voorafgaande, door een edeler, voller ontwikkeling, zoowel lichamelijk als geestelijk. Dat de menschheid slechts langzaam verbetert wordt hier niet ontkend; maar onze langzame verbetering toegegeven, vragen wij toch, is dit alles wat wij er van kunnen maken? En kan de verkregen winst toegeschreven worden aan verbetering van het moederschap?Op beide vragen moeten wij neen antwoorden. Wanneer wij zien hoe sommige gezinnen verbeteren, terwijl anderen ontaarden en hoe onzeker en onregelmatig zulk een verbetering tot stand komt, dan weten wij ook dat wij grooter vorderingen zouden kunnen maken, indien alle kinderen diezelfde wijze zorgen en diezelfde goede leiding ontvingen die thans sommigen te beurt vallen. Wanneer wij verder zien hoe veel van onze verbetering op rekening gesteld moet worden van hygienische kennis, van openbare zorg voor onderwijs en gezondheidsvoorschriften,waarvan niets door moeders is tot stand gebracht, dan is men gedwongen toe te geven dat de vooruitgang van het menschenras niet uitsluitend aan het moederschap mag worden toegeschreven. De mensch-moeder doet minder voor haar jong, in absoluten zin en in verhouding, dan eenig ander soort van moeder op aarde. Zij zorgt noch voor voedsel, noch voor dekking, noch voor beschutting, noch voor verdediging van haar kind. Zij onderricht het niet meer dan de gewoonten en manieren, die in den familiekring en in haar beperkten maatschappelijken kring gebruikelijk zijn. De noodzakelijke wereldkennis, voor elk menschelijk wezen zoo onontbeerlijk, kan zij niet aanbrengen, want die heeft zij zelf niet verworven. Deze zorg en opvoeding ontvangt het kind uit andere handen en hersenen dan de hare. Ook de zorg en arbeid die de moeder aan het lichamelijk welzijn van haar kind besteedt geven haar geen aanspraak op superioriteit in het moederschap: dit is slechts een deel van ons idealiseeren van het hier behandelde onderwerp.De vrouw van den armen daglooner heeft veel te veel ander werk te doen, dan dat zij al haar tijd aan de verzorging harer kinderen kan besteden. De vrouw van den rijkaard zou het kunnen doen, maar zij doet het niet, eensdeels wijl zij iemand huurt die het voor haar doet en anderdeels omdat ook zij andere plichten te vervullen heeft, die een groot deel van haar tijd in beslag nemen. In enkele op zich zelf staande gevallen laat een moeder alle andere werkzaamheden door anderen verrichten en wijdt haar krachten aan de voeding, kleeding, wassching, en voor zoo ver het kan ook aan de opvoeding van haar kind. Waar zulke gevallen zich voordoen moet nog bewezen worden, dat een zoo opgevoed kind uit deze onverpoosde toewijding van zijn moeder voordeel trekt.Integendeel, de beste hulp en opvoeding die een kind kan ontvangen komen voort uit de verzamelde kennis en de verschillende werkzaamheden van duizenden en duizenden behalve zijn moeder,—van de vaders van ons ras.Uit de zorg voor en de opvoeding van het kind, zooals die door de moeder gegeven wordt, blijkt niet dat het menschelijk moederschap in een of ander opzicht den voorrang verdient. Vergelijken wij de vrouw eerst in haar voortplantings-processen rechtstreeks met andere dieren, dan vervult zij deze functie niet zoo gemakkelijk en goed. Vergelijken wij daarna de opvoedings-processen der vrouwen onderling, deweinigeeenigszins bekwame moeders met develebedroevend onbekwamen, dan schijnt het dat zij in dit opzicht, zoo mogelijk, nog meer te kort schieten dan in de eerstgenoemde hoedanigheid. De vooruitgang in de menschelijke opvoeding, voor zoo ver die bestaat, is niet verworven en wordt niet uitgedeeld door de moeders, maar door mannen en ongehuwde vrouwen; en in de vervulling van het menschelijk moederschap bewijst niets, dat het in het belang van het ras is dat de vrouwen al haar tijd daaraan besteden. Door al haar tijd daaraan te besteden, heeft de vrouw noch de kwantiteit, noch de kwaliteit verbeterd. De vrouw die werkt plant meestal beter voort, dan de vrouw die niet werkt. En de vrouw die niet werkt, is daarom geen beter opvoedster.Een planeetbewonende socioloog, die eens het menschelijk leven kwam bestudeeren en dan voor de eerste maal hoorde van onze zoogenaamde “moederlijke opoffering” als middel om het ras te verbeteren, zou door dat denkbeeld getroffen kunnen worden en onder den indruk er van komen. “Hoe prachtig!” zou hij uitroepen. “Hoe buitengewoon aandoenlijk en teeder! De eene helft van de menschheid doet afstand van alleandere menschelijke belangen en werkzaamheden om al haar tijd, kracht en toewijding te kunnen concentreeren op de functiën van het moederschap! Het verheven ras te baren en op te voeden, waartoe zij zelf nooit ten volle kan behooren! Eeuwig plaatsvervangend te leven door hare zonen, want hare dochters zijn slechts een andere plaatsvervangende schakel! Wat een edel en hoogstaand martelaarschap!” Daarna zou hij nauwkeurig onderzoeken welk systeem gevolgd werd om deze verheven toewijding van het halve ras voor het voortbestaan van de andere helft tot stand te brengen en te volmaken. Hij zou met innige en hartstochtelijke belangstelling den eindeloozen stoet meisjes naoogen, die even als hunne broeders als mensch geboren werden, doch die onmiddellijk lager gemerkt werden met “vrouwelijk—onvolmaakt type—alleen dienstig om mannen voort te brengen.” Hij zou veronderstellen dat dit “geslacht gewijd aan weder voortbrengende benoodigdheden”, doch niettemin begiftigd met menschelijk bewustzijn en verstand zich om deze reden grootsch zou verheffen en er naar streven zich zelf in elk opzicht voor dit groote werk geschikt te maken. Hij zou meenen een maatschappij te vinden die deze opoffering betreurt, doch die het gezegende wezen, wier leven moest opgeofferd worden voor het leven van anderen, boven alles vereert en alle geschikte middelen aanwendt om haar voor haar edele taak op te voeden en zoo goed mogelijk voor te bereiden. Helaas, welk een ontnuchtering zou de planeetbewonende socioloog met zijn geheel natuurlijke verwachtingen ondervinden. Na zijne onderzoekingen geeindigd en daarbij niets van al deze dingen gevonden te hebben, zou hij naar Mars of Saturnus terugkeeren, of van welke andere planeet hij kwam en zich verbazen over de grenzenlooze dwaasheid der menschen.Indien de positie der vrouw gerechtvaardigd kan worden door de leer dat de zorg van de moeder voor het kind die vereischt, dan zou toch zeker de maatschappij, of het individu, of beide, daarvoor eenige voorbereiding noodzakelijk achten. Maar van voorbereiding is geen sprake. De maatschappij erkent zulk een functie niet. Somtijds zijn er premiën betaald voor een groot aantal kinderen, maar die werden aan de vaders betaald. De nauwkeurig saamgestelde sociale inrichting, welke onze huwelijksmarkt vormt, bezit geen afdeeling waarbij het moederschap gesteund of bevorderd wordt. Zij staat er integendeel vijandig tegenover, zoodat in ons maatschappelijk leven het moederschap gelijk staat met direct nadeel en door degeen die zich aan maatschappelijken arbeid wijdt vermeden wordt. En het individu? Dit neemt zeker goede voorzorgen? Jonge vrouwen, roem dragende op haar aanstaande plichten, haar heilig en onvervreemdbaar ambt, haar groot geslachts-martelaarschap in het belang van het ras, zullen zich zeker voor dit werk plechtig voorbereiden? Wat zien wij evenwel? Onze jonge vrouwen laat men volkomen onbewust van hun toekomstig moederschap, ja hun levenswijze benadeelt dit zeer dikwijls; zij zijn met betrekking tot het moederschap onbetrouwbare, onwetende, onverschillige wezens. Zij worden opgevoed niet voor het moederschap doch om de andere sekse voor een economisch doel of op zijn best voor wederkeerig genot aan te trekken. Zij worden in volslagen onwetendheid van haar veronderstelde voornaamste plichten groot gebracht, en weten niets van deze plichten voor zij ze moeten vervullen.Iets dergelijks zou ’t zijn als alle menschen eens soldaten moesten worden, wien men het lot der natiën in handen gaf en niemand een woord met hen zou sprekenover oorlog of militairen dienst, totdat zij het slagveld betraden!De opvoeding van jonge vrouwen bevat geen afdeeling voor het moederschap! Men beschouwt het als ongepast om deze gewijde functionaris eenige voorafgaande kennis van hare heilige plichten te geven. Deze belangrijkste en bewonderenswaardigste van alle menschelijke functiën is eeuw in eeuw uit in handen gelaten van in dat opzicht absoluut onwetende vrouwen. Men heeft stilzwijgend verondersteld dat die functie tot stand werd gebracht door die mysterieuse werking welke wij gewoonlijk “het heilig instinkt van het moederschap” noemen. Moederlijk instinkt is een zeer achtenswaardig en nuttig instinkt dat aan de meeste dieren eigen is. Het is “heilig” en “goddelijk”, zooals alle wetten der natuur heilig en goddelijk zijn, maar het is dit alleen wanneer het zijn ware roeping vervult. Indien de processen tot ras-behoud voor heiliger gehouden worden dan de processen tot zelf-behoud, dan moeten wij voor alle functiën en vermogens der voortplanting denzelfden graad van eerbied aannemen,—de hartstocht van den man voor de vrouw even hoog schatten als de hartstocht van de moeder voor het kind. Indien wij nog verder willen gaan en de processen van ras-behoud het meest willen vereeren in hun laatste en hoogste phase, welke ook de eenige maatstaf is die op een natuurlijken grondslag berust, dan moeten wij de groote, belanglooze maatschappelijke functie van opvoeding ver boven de zelfzuchtige, individueele moederlijke functie van baren en verzorgen plaatsen. Moederlijk instinkt, enkel als een instinkt, is onze bijgeloovige vereering niet waard. Het moet alleen beschouwd worden als een middel tot een doel en in evenredigheid tot zijn gevolgen gewaardeerd worden.Bij dieren die slechts weinig verstand hebben heefthet instinkt zijn toppunt bereikt en werkt goed. Bij wilden die ook geen groote intellectueele ontwikkeling bezitten, neemt het een groote plaats in. Bij de dieren verzorgt de moeder haar jongen geheel instinktmatig, bij de wilden bijna geheel, doch geholpen door de traditiën van haar stam, den opvoedenden invloed van vereeniging en eenig rechtstreeksch onderricht. Doch naarmate de menschheid vooruitging, samengestelder en afwisselender werd, en naarmate het menschelijk verstand zich genoeg ontwikkelde om nieuwe functiën en nieuwe behoeften te scheppen, verminderde het instinct in waarde. Het menschelijk wezen verbetert niet en gaat niet vooruit door zijn dierlijk instinkt, maar door de wijsheid en macht van een aangekweekt verstand en een aangekweekten wil, welke hem in staat stellen zijn handelingen te leiden, zijn instinkten te beheerschen en te wijzigen, opdat deze niet hem zullen regeeren.De vrouw die verzuimd heeft deel te nemen aan de zich steeds uitbreidende werkzaamheden, waardoor het verstand van den man zich ontwikkelde, die tevens in gebreke bleef haar wilskracht te oefenen, wat enkel door vrijheid en macht kan geschieden, heeft dientengevolge tot op heden de rudimentaire krachten van het instinkt gehandhaafd. Door haar overdreven opgaan in het geslachtsleven, loopt deze invloed van het instinkt hoofdzakelijk langs geslachts-lijnen, en vindt vrijen toegang tot de processen van het moederschap, waar hij dan ook onafgebroken geheerscht heeft. Zoo worden de menschen-kinderen nu nog geboren in de armen van een eindelooze schare ongeoefende moeders, die voor de zorgen en opvoeding hunner kinderen noch opleiding voor, noch ondervinding in dat grootsche werk medebrengen; zij bezitten alleen de krachtig opeengestapelde macht vaneen ruw instinkt, den blind vertrouwenden hartstocht van de moeder voor het kind. Moederlijke liefde is een enorme kracht, maar kracht heeft leiding noodig. Alleen liefde voor het kind beteekent voor dat kind niets, tenzij bepaalde daden deze liefde doen kennen. Welke die daden zijn en hoe zij worden uitgevoerd, daarvan hangt voor het leven van het kind alles af.Merk eens op hoe nutteloos de hulpelooze moederlijke liefde en het moederlijk instinkt is bij de eenvoudige handeling der voeding van het kind. Tot de orde der zoogdieren behoorende, wenscht de moeder instinktmatig haar kind te zoogen. (Bij sommige overbeschaafde vrouwen bestaat zelfs die wensch niet meer). Dit instinkt heeft haar echter niet de levensgewoonten aan de hand gedaan die haar in staat stellen deze natuurlijke functie te volbrengen. En waar de natuurlijke functie faalt, van welk verder nut kan het instinkt haar dan zijn bij de voeding van het kind? Het kan toch niet beslissen tusschen Marrow’s Food en Nestlé’s kindermelk, tusschen Socklet en bussemelk, tusschen papbeschuit en alle andere soort kindervoedsel, dat bereid en op de markt gebracht wordt door mannen! Deze surrogaten worden niet bereid door moederlijk of vaderlijk instinkt, maar door chemische analyse en physiologische studie; de gevolgen er van op het kinderlijk lichaam worden opgemerkt en het diëet vastgesteld door doctoren, die hun werk ook niet verrichten door instinkt.Indien het fleschkindje het verlies van de moederborst overleeft en het zoover brengt dat het mee eet uit den pot, is dan het moederlijk instinkt misschien in staat het geschikte dieet voor hem vast te stellen? Laat de doctor en het kerkhof hierop antwoorden.Het groote, uitgebreide veld van mannelijke werkzaamheden in het belang der kleine kinderen, vanhet eigenaardig menschelijk verschijnsel van mannelijke hulp bij de baring, (er bestaat nog één dier, de obstetrische kikvorsch, waar dit ook voorkomt), tot de fabriekmatige arbeid van voedsel, kleeding, bescherming, vermaak, en onderricht voor het kind, bewijst dat het moederlijk instinkt bij de vrouw ten eenenmale ontoereikend is. Maar er wordt ook nog iets anders door bewezen, nl. dat de vrouw misdadig in gebreke blijft om op een verstandige wijze in datgene te voorzien waarin het instinkt niet langer voorziet. Een met rede begaafd, bewust wezen, dat de verantwoordelijkheid draagt voor het behoud van het menschelijk ras en zich voor die taak niet op de beste wijze voorbereidt, alvorens haar te aanvaarden, is erger dan zorgeloos.Vóórdat een man een handel, ambacht of beroep aanvaardt, bereidt hij zich voor. Hij bekwaamt zich voor de taak die hij op zich neemt. Hij zou voor een bedrieger gehouden worden, indien hij werk ondernam waarvoor hij niet bekwaam was en de mislukking zijner onderneming zou hem met schande en spot overladen. In de gewichtiger beroepen, vooral in die waar gebrek aan de noodige kennis “levensgevaar” voor anderen medebrengt, bijv. kapitein van een schip, machinist van een trein, doctor of apotheker, wordt niet alleen vereischt dat men zijn vak bestudeerd heeft, maar dat men door een examen bewijst de noodige kennis te hebben opgedaan, en alleen bij voldoende bekwaamheid wordt als bewijs daarvan een getuigschrift, diploma of somtijds een geloofsbrief uitgereikt, waardoor aangetoond wordt dat aan den houder verantwoordelijkheid voor het behoud van menschenlevens kan worden toevertrouwd.Vrouwen aanvaarden een positie waarin zij de verantwoordelijkheid voor het leven of den dood van het geheele menschenras op zich nemen, zonder voorafgaandestudie of ondervinding, zonder zelfs een schijn van voorbereiding of waarborg van bekwaamheid. Voor zoover zij nog eens over hun nieuwe plichten denken, zijn zij dwaas genoeg te veronderstellen dat het geheimzinnig “moederlijk instinkt” hen er wel door zal helpen. Kennis als die noodig mocht blijken, zullen zij wel opdoen, zoodra de tijd daar is. Ondervinding krijgen zij onderwijl de kinderen komen van zelf. “Ik veronderstel dat ik wel weet hoe kinderen behandeld moeten worden!” roept de gebelgde grootmoeder uit, die om raad gevraagd wordt. “Ik heb er reeds zeven op het kerkhof.” Het record van het ongeoefend moederlijk instinkt in het menschenras kan men vinden in de reeksen en reeksen kleine grafsteenen welke onze kerkhoven vullen. De ondervinding die door de behandeling van het kind verkregen wordt, wordt dikwijls met het kind begraven.Neen, de leer dat de verzorging van het kind de positie der vrouw rechtvaardigt, kan het licht van onderzoek niet verdragen. De mensch-vrouw die zich geheel wijdt aan de voortplanting, alle persoonlijke werkzaamheden, elke eervolle onafhankelijkheid, alle nuttige en voortschrijdende economische diensten opgeeft om zich glorieus te wijden aan de plichten van het moederschap, kan op weinig resultaten bogen, die haar positie zouden kunnen rechtvaardigen. Noch het enorme hooge sterftecijfer der kinderen, noch de gemiddelde slechte gezondheidstoestand van diegenen die in het leven blijven, noch de lichamelijke, noch de geestelijke vooruitgang van het ras leveren eenig bewijs dat de moederlijke toewijding ten voordeele komt van het ras.
IXWanneer men de onderwerping der vrouwen zoekt te rechtvaardigen, dan wordt gewoonlijk aangevoerd dat het belang der kinderen die vereischt, omdat de vrouwen onder dezen toestand zich uitsluitend aan het moederschap kunnen wijden. In deze bewering zijn twee zwakke punten. Het een is dat dit belang der kinderen niet bewezen kan worden; het ander dat het niet de diensten van het moederschap zijn waaraan de vrouw zich geheel wijdt, maar dat het de diensten van het geslachts-leven zijn. In plaats dat de economische afhankelijkheid der vrouwen in het belang van het nageslacht werkt, heeft zij daarentegen een ziekelijk moederschap en een afnemend geboorte-cijfer ten gevolge.In de eenvoudige tijden van voorheen was er een periode waarin het krijgen van kinderen voor de vrouwen een economische beteekenis had, toen beschouwde men hen alleen in dat opzicht van nut; vervulden zij die taak niet, dan stonden zij ook niet in eer of aanzien. Zulk een toestand leidde er toe, de hoeveelheid kinderen sterk te doen toenemen, al geschiedde dit ook ten koste van de hoedanigheid. Doch toen met de ontwikkeling der industrie het gewicht van economische zorgen op de schouders van den man toenam, begon men kinderen als een last te beschouwen en werd hun komst door den hard werkenden vader niet meer in die mate gewenscht. Zij verkleinen het inkomen van het gezin; en de moeder die uitsluitend met dat inkomen moet rondkomen en in haar positie van onbetaalde dienstbodeoverwerkt is, voelt zich volstrekt niet gedrongen onder dien economischen druk naar het moederschap te streven. Bij de werklieden,—waartoe toch de meerderheid van een volk behoort,—is de vrouw dan ook niet uitsluitend werkzaam in dienst van haar kinderen. En onder de verstandigste en nauwgezetste werklieden bestaat tegenwoordig een merkbare afkeer van groote gezinnen, en bestendig wordt getracht om de uitbreiding van het gezin te voorkomen.Mocht men meenen dat deze beschouwing in geen direct verband staat met de economische positie der vrouw, maar veeleer met den algemeenen staat der werklieden, dan bezie men denzelfden toestand eens bij de rijke lieden naderbij. Hier is de economische afhankelijkheid der vrouw tot het uiterste opgevoerd. De dochters en vrouwen van de rijken doen nog niet eens het huiselijk werk dat door de vrouwen uit arme gezinnen moet verricht worden. Zij zijn van de wieg tot het graf volmaakt on-productief, zoowel in goederen als in arbeid van economische waarde en zij verteren daarentegen van zulke goederen en arbeid een hoeveelheid, welke alleen door de koopkracht van hunne mannelijke bloedverwanten begrensd wordt. Hun economische beteekenis, gehuwd of ongehuwd, ligt in hun macht de mannen aan te trekken en te bekoren; en deze macht is niet die van het moederschap. Integendeel, het moederschap ontrooft vele vrouwen haar persoonlijke bekoringen en neemt veel van haar tijd in beslag, waardoor zij allerlei genoegens en voordeel die voor een vrouw zonder kinderen verkrijgbaar zijn, moeten derven. Zij profiteeren het meest door de geslachtsverhouding zonder haar natuurlijke gevolgen; en daarom is het economisch in haar voordeel het moederschap tegen te gaan, in plaats van het in de hand te werken.Indien men de uiterste grens van de sexueel-economischeverhouding uit dit oogpunt beschouwt dan is het voor ieder duidelijk waar te nemen. Niets werkt toch de verbetering van het ras door het moederschap meer absoluut tegen dan de prostitutie. Met zich uitsluitend te wijden aan den dienst van het moederschap, zooals de koningin-bij doet, of met zich uitsluitend te wijden aan den dienst van het geslachts-leven zonder moederschap, zooals de prostituée doet, bevordert men niet de verbetering van het ras. En toch bestaat er nog steeds een krachtige volksmeening, dat het voor ons ras van het grootste belang is dat alle vrouwen van directe economische werkzaamheden bevrijd blijven, opdat zij zoodoende al hun krachten beschikbaar houden voor de schoone taak van het moederschap.InThe Forumvan November 1888 schrijftLester F. Wardeen artikel getiteld: “Our better halves” (onze betere helft), waarin hij duidelijk de superioriteit van het vrouwelijk geslacht uit een biologisch oogpunt aantoont. Natuurlijk verwekte dit artikel veel tegenspraak; en in een weerleggend stuk “Woman’s place in nature” (de plaats der vrouw in de natuur), (The ForumMei 1889) zet Mr.Grant Allenzeer uitvoerig de algemeene opinie over dit onderwerp uiteen. Van de vrouw zegt hij: “ik geloof dat het waar is dat de vrouw veel minder dan de man het ras vertegenwoordigt, dat zij waarlijk op het oogenblik nog zelfs niet ten halve tot het ras behoort, maar eerder een deel er van uitmaakt, bepaald bestemd voor de instandhouding van de soort; precies als hommels en mannelijke spinnen deelen zijn van hun soort, alleen aangewezen voor de uitoefening van hun mannelijke functiën, of zoo als honingbijen individueele insekten zijn, alleen bestemd om als levende honingpotten voor de gemeenschap te werken. De vrouw moet zich alleen aan de voortplanting wijden.”Sedert op biologische gronden bewezen werd dat het zeer langzaam ontstaan en ontwikkelen van het mannelijk organisme uitsluitend als een reproductieve noodzakelijkheid moet opgevat worden; en sedert vrouwen worden opgeofferd niet aan reproductieve noodzakelijkheden, maar aan zeer onnoodige en beleedigende geslachtelijke handelingen onder den druk hunner economische afhankelijkheid, vertoont een bewering als die van Mr. Grant Allen een sterk humoristische zijde. Zijne meening wordt evenwel niet alleen gedeeld door menschen die beweren van sociologie en biologie een bijzondere studie te hebben gemaakt, maar het groote publiek denkt er evenzoo over en daarom is het noodig dat wij er onze aandacht aan wijden. Wie de meening van Mr. Grant Allen deelen, moeten echter toestemmen dat de over-ontwikkeling van het geslacht een gevolg is van de economische verhouding tusschen mannen en vrouwen en dat een reeks individueele en maatschappelijke zonden uit deze over-ontwikkeling voortspruiten. Zij moeten verder zelfs toegeven dat de economische ontwikkeling van het ras er eenige schade door lijdt. Maar zij zullen in antwoord daarop beweren dat deze ziekelijke toestanden bij den menschelijken vooruitgang behooren; dat door de vrouw voor den dienst van het moederschap te bestemmen de menschheid meer goed dan kwaad ondervindt, hoe groot dit laatste ook mag zijn; en omgekeerd, dat het individueele en maatschappelijke voordeel door economische vrijheid der vrouw verkregen, niet opweegt tegen het verlies het ras toegebracht, door opheffing van een moederschap, waaraan de vrouwen zich speciaal wijden.Om dit te weerleggen is het noodig aan te toonen dat onze groote toewijding aan de kinderen niet zulke voordeelige resultaten heeft als wel verondersteld wordt;dat de invloed van ons moederschap op het ras eerder beneden dan boven die van andere diersoorten staat; dat deze mindere invloed zijn oorzaak vindt in de sexueel-economische verhouding; dat het weder instellen van de economische vrijheid der vrouw het moederschap zal ten goede komen; en ten slotte langs welke lijn van sociale en individueele ontwikkeling deze verbetering praktisch te verkrijgen is.Bij de behandeling van dit onderwerp hebben wij behoefte aan een bijzondere geestelijke voorbereiding. Wij dienen aan te toonen dat onze denkbeelden hierover door vooroordeel een eigenaardige tint hebben aangenomen, en dat wij in geen andere gedachtensfeer zoo door onze aandoeningen verblind worden. Dit onderwerp is altijd boven eenig ander, meer een kwestie van gevoel dan van verstand geweest. Ook de verhouding der seksen is grootendeels een kwestie van gevoel, maar wij hebben die tevens tot een onderwerp van studie, van vergelijking, van bespiegeling gemaakt. Er bestaan dientengevolge verschillende meeningen over de geslachts-verhouding, maar over het moederschap bestaan er geene. Hier en daar durft de een of ander philosoof, een Plato, een Rousseau, eenige gedachten wijden aan dit onderwerp; maar over het geheel is geen thema van zooveel belang zoo weinig als dit bestudeerd geworden. Men beschouwt het moederschap als heiliger dan godsdienst, bindender dan de wet, bekender dan de wijze van eten; wij zijn allen geboren en opgevoed in de aangenomen verheerlijking er van, en op ouderen leeftijd deelen wij het weder evenzoo aan de jongeren mede. Iemand kan met minder gevaar om uitgejouwd te worden den wil en de daden van zijn God dan van zijn moeder in twijfel trekken. Deze moeder-vergoding is een zoo diep ingeworteld, zoowijd verspreid en lang bestaand gevoel dat zij zich op iederen trap van geestelijke ontwikkeling vertoont. Zij is met onze godsdienstige gevoelens eenerzijds en met onze geslachts-neigingen anderzijds zoodanig saâmgeweven, dat het bijna onmogelijk is over dit onderwerp helder en kalm na te denken; immers lang was het verboden om over godsdienst en geslachts-kwesties van gedachten te wisselen, wijl het een te heilig en het andere te onheilig was. Het is daarom gemakkelijk te begrijpen waarom wij in dezen zoo vol vooroordeel zijn.Het instinkt dat het kind naar de moeder drijft is even oud als dat wat de moeder naar het kind drijft, beide dateeren uit de periode toen het kind voor het eerst zorg noodig had, misschien reeds uit den tijd der latere reptiliën. Deze band tusschen moeder en kind heeft onafgebroken door de geheele lijn van progressie bestaan en is bij ons sterker dan bij eenig ander schepsel, omdat in onze sociale ontwikkeling de ouders voor het kind niet alleen het geheele leven door, maar wegens ons erfrecht, zelfs nog na den dood van belang zijn. Een zoo vroeg, zoo hoogst belangrijk, zoo lang opgehoopt dierlijk instinkt, dat nog door maatschappelijke wetten versterkt wordt, is een groote kracht, waarbij bovendien nog gevoegd moet worden de lange periode van groote ouder-vereering. Daardoor veranderen de dwaze begrippen van vroegere vergoders van de idee der ouderlijke heiligheid geheel, want zij die eerst een God van hun vader gemaakt hadden, maakten daarna een vader van God, en dit diep godsdienstig gevoel heeft het gewicht van instinkt zeer verhoogd. Ook familie-regeering, onbegrensd als zij was in het patriarchale tijdperk, heeft ons eerbiedig, blind vertrouwen in het ouderschap zoo hoog opgevoerd, tot het majesteitsschennis werd aan de goede plichtsvervulling er van tetwijfelen. Op twee zeer belangwekkende overgangen in deze sfeer moet gewezen worden. De een is dat het toppunt van kinderlijke toewijding in het patriarchale tijdperk bereikt werd, in den tijd toen de vader de eenige machthebbende en de voeder van het gezin was en naar goedvinden zijn kinderen mocht slaan of verkoopen; doch dit overblijfsel van onder-vereering verminderde bestendig met de wijziging van den regeeringsvorm tot in onzen democratischen tijd, waarin met volle ontwikkeling van persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid de laagste graad van kinderlijken eerbied en onderwerping aangetroffen wordt. In plaats daarvan is in aller belang de ongedwongen, liefelijke omgang tusschen ouders en kinderen gekomen, die vroeger, toen de kinderen een kruipende houding tegenover hen moesten aannemen, volkomen onbestaanbaar was.De ander is de langzame overgang van de hoogste vadervereering “de schepper van mijn bestaan”, zooals het kind gewoon was hem te beschouwen, naar onze moderne moederwaardeering. De stervende soldaat op het slagveld denkt aan zijn moeder, verlangt naar haar, niet naar zijn vader. De reiziger en banneling droomt van zijn moeders zorgen, zijn moeders versnaperingen. De pathos der volkssprookjes gaat heden reeds zoover dat men “den verloren zoon” naar zijn moeder terugbrengt, niet naar zijn vader. Indien de oorspronkelijke “verloren zoon” een moeder had gehad, dan zou die zeker bezig geweest zijn het vetgemeste kalf te braden, toen hij terugkwam. Indien de tegenwoordige “verloren zoon” een vader heeft, dan heeft die alleen de verplichting het kalfsvleesch te betalen. Onze teederste gevoelens, onze diepste eerbied, onze hoogste verbolgenheid over een beleediging concentreeren zich tegenwoordig allen meer om de moeder dan om den vader; en dit is een sterkbewijs dat de erkenning van de werkelijke waarde van de vrouw in het leven en de plaats die zij er moet innemen, ons wordt ingegeven, terzelfder tijd dat ons verstand beide kan begrijpen. Niets kan ooit de waarheid van de waarde der moeder overschatten. Ons instinkt geeft ons den rechten weg aan, zooals trouwens alle diep ingewortelde sociale instinkten doen; maar rondom dit instinkt zijn een hoop valschheden en dwaasheden opgegroeid, die er altijd toe leiden den vooruitgang er van te vertragen en te beletten.Als de hoofdpersoon bij de voortplanting wordt de moeder hoofdzakelijk op eenvoudige physiologische gronden vereerd. Als de hoofdpersoon in vormende liefde, de groote voorwaarde voor menschelijk geluk, is zij de bron van onzen geheelen groei. Als de beginner der industrie is zij nog eens een bron van vooruitgang. Als de eerste en laatste opvoedster vormt zij buiten haar lichaam wat zij daar binnen schiep; en daar zij de zichtbare, voelbare, beminnelijke, levende type van dit alles is, het wezen in wiens persoon de volle som van goedheid voor het individu is uitgedrukt, is het geen wonder dat onze sterkste, diepste, teederste gevoelens zich groepeeren om het beteekenisvolle woord “moeder”.Stemmen wij met dit alles volkomen in, dan blijft nog voor ons over het volle licht der wetenschap en het eerlijke werk der gedachte naar deze, evenals naar iedere andere phase van het menschelijk leven te richten; ons gevoel te laten rusten en ons verstand te gebruiken; uit te maken of wij zelfs hier wel gerechtigd zijn om het belangrijkste werk van het individueele leven volgens de methoden van het primitieve instinkt te blijven verrichten. Het moederschap is slechts een levensproces en als alle levensprocessen mag het bestudeerd worden. Onder onbewuste, beginnende levensvormenvolbrengt het zijn taak door een eenvoudig instinkt. In het bewuste en samengestelde menschelijk leven eischt het veel talrijker en verschillender krachten om zijn taak goed te vervullen. Bij ons is het een bewust proces,—een proces dat goede of slechte gevolgen kan hebben. Deze willekeurige macht brengt nieuwe verantwoordelijkheden en de behoefte aan nieuwe methoden mede,—een behoefte die niet enkel hierop neerkomt, om te overwegen of wij de plichten van het moederschap wel aanvaarden mogen, maar hoe wij ze het best vervullen kunnen.Het moederschap moet evenals ieder ander natuurlijk proces beoordeeld worden naar zijn resultaten. Het is goed of slecht naarmate het aan zijn doel beantwoordt. Het menschelijk moederschap moet beoordeeld worden naarmate het aan zijn doel voor het menschelijk ras beantwoordt. Zijn eerste doel is het ras voort te planten door reproductie van het individu; het tweede het ras te verbeteren, door verbetering van het individu. Het zuiver eenvoudige werk van voortplanting wordt evengoed volbracht door het leggen van eieren, die soms na den dood van de moeder eerst worden uitgebroed, als door jarenlang dienstbetoon aan de kinderen; maar voor het verbeteren van het ras komen wij met andere eischen. De functiën van het moederschap zijn even natuurlijk vermeerderd als de functiën van de voeding, en elk ontwikkelingsstadium heeft voor de moeder nieuwe plichten mede gebracht. De moeder-vogel moet haar jongen uitbroeden, de moeder-koe moet haar jongen zoogen, de moeder-kat moet jagen voor ze; en van elken afzonderlijken dienst welken de moeder verricht, moet de waarde beoordeeld worden naar de gevolgen voor de jongen. De maatstaf voor het ware moederschap wordt gevonden in datgene watgedaan wordt in het werkelijk belang der jongen, en het beste voor de jongen zal wel datgene zijn, wat hun een beter toekomstig bestaan verschaft dan dat van hun ouders. Het doel van het ware moederschap is een beter wezen dan de ouders in de wereld achter te laten.Dit doel wordt in het menschenras door twee processen gediend: door de eenvoudige individueele functie van voortplanting, waartoe ook alle zorg en verpleging behooren; en door de saamgestelde, maatschappelijke functie van opvoeding. Aanvankelijk was deze laatste een moederlijke functie en daarom een individueele, maar sedert lang is zij eerder een ras- dan een individueele functie geworden, die in geen betrekking meer staat tot de sekse of eenige andere persoonlijke beperking. De kinderen hebben voor een goede ontwikkeling niet alleen de liefde en zorg der moeder noodig, maar bovendien de zorg en opvoeding van vele anderen. Dit is in zulk een uitgebreiden zin waar, dat men in het algemeen kan zeggen dat het tegenwoordig voor een kind beter zou zijn om totaal verlaten, zonder moeder of eenig familielid, in de straten eener groote stad te staan, dan met een groote en aanhankelijke familie overgebracht te worden naar het “donkerste Afrika”.Menschelijke functiën zijn ras-functiën, maatschappelijke functiën, en daartoe behoort opvoeding. De plicht van de mensch-moeder en de maatstaf voor een goede of slechte vervulling er van moetbeoordeeldworden naar de vruchten der voortbrenging en opvoeding. Aangezien er geen diersoort boven ons staat bij wie wij ons moederschap kunnen vergelijken, moeten wij den maatstaf bij lager diersoorten aanleggen. Wij moeten bewijzen kunnen dat wij in de functiën, die wij met hen gemeen hebben, hooger staan dan zij.Slaagt de mensch-moeder beter in de voortplantingvan haar soort dan andere dieren van de orde mammalia? Brengt zij de jongen beter in de wereld en voedt zij ze beter op dan moeders van lager diersoorten? Deze dieren, minder bewust dan wij, handelen eenvoudig door hun instinkt: zij paren in het daarvoor bestemde jaargetijde; zij voeden, bewaken, verdedigen hun jongen zoo goed als zij kunnen en zij laten schepsels in de wereld achter even goed of beter dan hunne ouders. Wij hebben van wilde dieren weinig vertrouwbare gegevens, en het is moeilijk om de natuurlijke processen van de tamme dieren los te maken van onze inmenging. Maar bij beide toont de eenvoudige handhaving der soort dat het moederschap ten minste tamelijk goed in de voortplanting slaagt; en bij de dieren die wij voor ons voordeel laten broeden, zien wij duidelijk de mogelijkheid dat het ras door het voortplantingsproces alleen reeds verbeteren kan. Kunnen wij nu met ons menschelijk verstand en ons menschelijk geweten, rijk door macht en wijsheid en door het heerschen over de andere rassen, kunnen wij als moeders de vergelijking met onze voorgangers doorstaan?Het menschelijk moederschap vertoont meer ontaardingskenmerken dan eenig ander; het is ongezonder, onvolmaakter, zieker. De jongen van de menschen zijn eveneens ziekelijk. Wij als dieren, zijn in deze omstandigheid zeer inferieure dieren. In plaats van ons zelf te verheffen op den grooten moed waarmede wij “de gevaren van het moederschap” onder de oogen zien en te pochen dat wij ons “in levensgevaar begeven” voor onze kinderen, moesten wij ons liever schamen, dat wij moeder en kind beide aan zulke gevaren blootstellen. In levensgevaar begeven? Maar dat is het levenslicht voor de ongeborene; en daar bestaat trouwens geenlevensgevaar, behalve wat wij, de moeders, door ons onnatuurlijk leven, over onze eigen kinderen gebracht hebben. Levensgevaar, natuurlijk, voor de duizende kinderen die te-laat-geboren, ontijdig-geboren, tot-ongeluk-geboren,en dood-geborenworden omdat het ware moederschap niet aanwezig is. In de eerste lichamelijke functiën van het moederschap kan de vrouw niet bewijzen dat haar veronderstelde bijzondere roeping voor deze taak de vervulling er van verbeterde, eer het tegendeel. Waar dan ook de mensch-moeder zich bezig houdt met de natuurlijke werkzaamheden van een menschelijk wezen, zooals de vrouw bij de wilde volksstammen, de boerin en overal de werkende vrouw doet, daar vervult zij, zoolang zij zich niet behoeft te overwerken, deze functiën oneindig veel beter.Doch waar een vrouw uitsluitend bestemd wordt voor geslachts-functiën en van alle economische werkzaamheden wordt uitgesloten, waar haar geslachtsverhouding moet dienen als middel tot levensonderhoud, daar zal haar moederschap aan ziekelijke afwijkingen onderhevig zijn. De overdreven geslachts-ontwikkeling, veroorzaakt door haar economische afhankelijkheid van den man, werkt nadeelig terug op haar wezenlijke plichten. Zij is te vrouwelijk voor een volmaakt moederschap! De overdreven ontwikkeling van haar secondaire geslachts-eigenschappen vormen bij overerving een verwoestend element. Kleine, zwakke, zachte, slecht geproportioneerde vrouwen brengen geen groote, sterke, forsche, krachtige, welgevormde mannen en vrouwen voort. Toen Frederik de Groote stevige grenadiers wilde hebben, liet hij groote mannen met groote vrouwen paren,—niet met kleine. De vrouw die alleen voor de geslachts-functiën leeft, ontaardt natuurlijk in ras-ontwikkeling en brengt even natuurlijk die ontaarding op haar nakomelingschap over. De mensch-moedertoont in de voortplantingsprocessen niet boven maar beneden de lagere dieren te staan, en geeft in dat opzicht geen blijk dat haar opgaan in geslachtsfunctiën haar jongen ten goede komt. De moeder van een dood kind of het kind van een doode moeder; het zieke, kreupele of idiote kind; de uitgeputte, zenuwachtige, te vroeg-oude moeder,—zijn bij ons niet onbekend en zijn geen bewijzen dat wij in ons moederschap boven andere dieren staan.Nu wij de wijze waarop bij den mensch het moederschap vervuld wordt, met het oog op de lichamelijke voortplantingsprocessen niet kunnen goedkeuren rijst de vraag, of er soms voordeelen van het menschelijk moederschap in de andere afdeeling, de opvoeding, zijn aan te toonen? Indien de moeder ziekelijk is en het kind eveneens, zal dan misschien haar liefderijke zorg voor het kind daar tegen opwegen? Zal niet de teedere toewijding van de moeder en haar onvermoeide bewaking van het kind genoegzame resultaten opleveren om voor het menschelijk moederschap, in vergelijking met dat van andere diersoorten, onze bijzondere wijze van doen te rechtvaardigen? Ter beantwoording dezer vraag moeten wij aantoonen dat ons moederschap, voor zoover wij daaronder gewoonlijk verstaan de “zorg” voor het kind, (duidelijker omschreven door het woord opvoeding), van superieuren aard is.Hier missen wij weder het voordeel van een vergelijking. Bij geen andere diersoort vereischt het jong zulk een langen tijd zorg, heeft het zooveel onderricht noodig. Voor zoover die andere dieren deze zorg en dit onderricht hebben te geven, doen zij het goed. De hen met haar kuikens is in dit opzicht een algemeen aangenomen voorbeeld van moederschap. Zij legt niet alleen de eieren en broedt ze uit, maar zij onderwijst en beschermt ook haar jongen voor zoo ver het noodig is.Doch behalve dit eenvoudig voorbeeld bezitten wij geen maatstaf van vergelijking voor het opvoedend moederschap. Wij kunnen dit alleen onder ons zelf bestudeeren, door vergelijking van het kind dat moederloos is, met het kind dat moederlijke zorg ontvangt; het kind dat een moeder heeft en niets anders, met het kind wiens moeder geholpen wordt door bedienden en onderwijzers; het kind van wat wij verstaan onder een superieure moeder, met het kind van een inferieure moeder. Deze laatste onderscheiding, een vergelijking tusschen twee moeders, is van groot gewicht. Wij hebben reeds stilzwijgend een vage maatstaf voor het menschelijk moederschap vastgesteld en losweg toegepast, door te spreken van een “natuurlijke” en “onnatuurlijke” moeder.Doch deze termen toonen op nieuw aan hoe wij nog steeds geneigd zijn het geheele veld van moederlijke werkzaamheid meer te beschouwen als een instinktmatig handelen dan als een werk van verstand, meer als een functie dan als een dienst. Wij hebben wel een maatstaf, hoe los en vaag die dan ook mag zijn; en zelfs bij dien maatstaf is het pijnlijk te zien hoeveel moeders als zoodanig mislukt zijn. Vraag u zelven maar eens eerlijk af hoevele van de moeders, wier handelingen tegenover hun kinderen gij ziet in straten, winkels, omnibussen en booten, in hotels, pensions en aangrenzende tuinen, hoevelen van hen een gunstige kritiek bij u opwekken, in vergelijking met die welke gij ongunstig beoordeelt. Neem niet in aanmerking het rozig ideaal van moederschap dat in uwe ziel huist, maar de ruwe, harde werkelijkheid, zooals gij die in het dagelijksch leven te hooren en te zien krijgt.Het moederschap kan in het volbrengen van opvoedende plichten alleen beoordeeld worden naar zijne resultaten. Wanneer wij als maatstaf aannemen de edelemannen en vrouwen wier goeden lichaamsbouw en flink karakter wij zoo gaarne toeschrijven aan “een voortreffelijke moeder”, wat moeten wij dan van de moeders zeggen, die de wereld gevuld hebben met zoovele onedele mannen en vrouwen, met slechten lichaamsbouw en zwak karakter? Wanneer goede moeders goede menschen vormen, wat moeten wij dan van de slechte menschen zeggen? Wanneer wij geniale mannen en vrouwen zien, dan stellen wij die op rekening van hun moeders. Wanneer wij onbeduidende mannen en vrouwen zien,—en die zijn toch wel de regel,—dàn durft niemand de waarde van de moeders, die deze menschen voortbrachten, in twijfel trekken. Wanneer het tot aangeboren misdadigheid komt, dan beginnen wij iets te fluisteren van “erfelijkheid”, en om aan de groote nationale onwetendheid te gemoet te komen, vragen wij dan een beter opvoedings-systeem. Maar niemand komt op de gedachte dat het moederschap van het menschdom verbeterd kan worden, en toch schuilt daar inderdaad het kwaad. Indien onze voortplantingsmethode niet deugt, dan is daarvoor de moeder verantwoordelijk. Zij is de voornaamste factor in de reproductie. Indien onze opvoedingsmethode niet deugt, is de moeder daarvoor eveneens verantwoordelijk. Zij is de voornaamste factor bij de opvoeding.Hiertegen werd aangevoerd dat zulk een bewering den vader en zijn verantwoordelijkheid zou buitensluiten. Doch indien de moeder haar rechte plaats in de wereld inneemt en zij volbrengt haar plicht goed, dan zal zij geen reden hebben over den vader te klagen. Zij zal dan immers in de eerste plaats betere mannen maken. En in de tweede plaats zal zij zich maatschappelijk verantwoordelijk voelen om een geschikten vader voor hare kinderen te kiezen. In de derde plaatszal zij als een economisch vrij handelend wezen, voor de helft in de behoeften van het kind voorzien. Mannen die niet geschikt zijn voor een goed vaderschap zullen onder zulke omstandigheden niet veel kans hebben vader te worden en zullen sterven, door iedereen beklaagd, in plaats van te leven en door iedereen verwenscht. De man heeft het echter in zijn positie, met alle ras-werkzaamheden, en alles wat tot het vaderschap en de helft van hetgeen tot het moederschap behoort te doen, beter aangelegd om het onmogelijke te volbrengen, dan de vrouw het deed in de hare. Men veronderstelde dat zij op aarde geen andere taak te vervullen had dan die van moeder. Zij heeft echter het werk van de moeder en bovendien alle huishoudwerk van de wereld gedaan. Maar zij heeft toch ongetwijfeld zoo veel tijd en krachten voor het moederschap gehad als de man voor het vaderschap; en niet voordat zij bewijzen kan dat de kinderen der wereld even goed door haar opgevoed als zij door den vader gevoed zijn, kan zij op hem den blaam werpen van onze algemeene onvolkomenheid.Geen der beide partijen heeft evenwel schuld. De sexueel-economische verhouding oefent onvermijdelijk slechten invloed uit zoowel op het moederschap als op het vaderschap. Maar op de moeder moet een beroep worden gedaan om deze ongewenschte verhouding te veranderen. Zij, een dieper plichtsgevoel, een grooter liefde voor het kind bezittende, moet gaan inzien hoe haar valsche positie haar moederschap schaadt en zij moet, ter wille van haar kinderen, met dien toestand breken. Van den man en zijn vaderschap kan zij maken wat zij wil.De plicht der moeder is eerst om kinderen voort te brengen die lichamelijk even goed of beter zijn dan zij zelf; om de nakomelingen een goed karakter te geven,beter, naarmate zij zelf op een hooger standpunt staat; om door haar buitengewone macht als moeder het menschenras te verbeteren; in een woord, om edeler menschen te maken.Daarna is het de plicht der moeder, de mensch-moeder, om haar kinderen zoodanig op te voeden dat zij voltooit, wat met baren en zoogen slechts begonnen was. Zij moet haar kind negen maanden in haar lichaam, twee jaar in de armen en zoolang zij leeft in hart en ziel dragen. De opvoeding van het kind is een geduchte factor in de menschelijke voortplanting. Een goed moederschap moet in staat zijn deze groote functie goed te volbrengen. Te dien einde moet de vrouw steeds haar kennis verrijken, om de lichamelijke en geestelijke vermogens van het kind op de beste wijze te kunnen ontwikkelen, versterken en leiden, opdat elk geslacht, tot rijpheid gekomen, duidelijk te onderscheiden zal zijn van het voorafgaande, door een edeler, voller ontwikkeling, zoowel lichamelijk als geestelijk. Dat de menschheid slechts langzaam verbetert wordt hier niet ontkend; maar onze langzame verbetering toegegeven, vragen wij toch, is dit alles wat wij er van kunnen maken? En kan de verkregen winst toegeschreven worden aan verbetering van het moederschap?Op beide vragen moeten wij neen antwoorden. Wanneer wij zien hoe sommige gezinnen verbeteren, terwijl anderen ontaarden en hoe onzeker en onregelmatig zulk een verbetering tot stand komt, dan weten wij ook dat wij grooter vorderingen zouden kunnen maken, indien alle kinderen diezelfde wijze zorgen en diezelfde goede leiding ontvingen die thans sommigen te beurt vallen. Wanneer wij verder zien hoe veel van onze verbetering op rekening gesteld moet worden van hygienische kennis, van openbare zorg voor onderwijs en gezondheidsvoorschriften,waarvan niets door moeders is tot stand gebracht, dan is men gedwongen toe te geven dat de vooruitgang van het menschenras niet uitsluitend aan het moederschap mag worden toegeschreven. De mensch-moeder doet minder voor haar jong, in absoluten zin en in verhouding, dan eenig ander soort van moeder op aarde. Zij zorgt noch voor voedsel, noch voor dekking, noch voor beschutting, noch voor verdediging van haar kind. Zij onderricht het niet meer dan de gewoonten en manieren, die in den familiekring en in haar beperkten maatschappelijken kring gebruikelijk zijn. De noodzakelijke wereldkennis, voor elk menschelijk wezen zoo onontbeerlijk, kan zij niet aanbrengen, want die heeft zij zelf niet verworven. Deze zorg en opvoeding ontvangt het kind uit andere handen en hersenen dan de hare. Ook de zorg en arbeid die de moeder aan het lichamelijk welzijn van haar kind besteedt geven haar geen aanspraak op superioriteit in het moederschap: dit is slechts een deel van ons idealiseeren van het hier behandelde onderwerp.De vrouw van den armen daglooner heeft veel te veel ander werk te doen, dan dat zij al haar tijd aan de verzorging harer kinderen kan besteden. De vrouw van den rijkaard zou het kunnen doen, maar zij doet het niet, eensdeels wijl zij iemand huurt die het voor haar doet en anderdeels omdat ook zij andere plichten te vervullen heeft, die een groot deel van haar tijd in beslag nemen. In enkele op zich zelf staande gevallen laat een moeder alle andere werkzaamheden door anderen verrichten en wijdt haar krachten aan de voeding, kleeding, wassching, en voor zoo ver het kan ook aan de opvoeding van haar kind. Waar zulke gevallen zich voordoen moet nog bewezen worden, dat een zoo opgevoed kind uit deze onverpoosde toewijding van zijn moeder voordeel trekt.Integendeel, de beste hulp en opvoeding die een kind kan ontvangen komen voort uit de verzamelde kennis en de verschillende werkzaamheden van duizenden en duizenden behalve zijn moeder,—van de vaders van ons ras.Uit de zorg voor en de opvoeding van het kind, zooals die door de moeder gegeven wordt, blijkt niet dat het menschelijk moederschap in een of ander opzicht den voorrang verdient. Vergelijken wij de vrouw eerst in haar voortplantings-processen rechtstreeks met andere dieren, dan vervult zij deze functie niet zoo gemakkelijk en goed. Vergelijken wij daarna de opvoedings-processen der vrouwen onderling, deweinigeeenigszins bekwame moeders met develebedroevend onbekwamen, dan schijnt het dat zij in dit opzicht, zoo mogelijk, nog meer te kort schieten dan in de eerstgenoemde hoedanigheid. De vooruitgang in de menschelijke opvoeding, voor zoo ver die bestaat, is niet verworven en wordt niet uitgedeeld door de moeders, maar door mannen en ongehuwde vrouwen; en in de vervulling van het menschelijk moederschap bewijst niets, dat het in het belang van het ras is dat de vrouwen al haar tijd daaraan besteden. Door al haar tijd daaraan te besteden, heeft de vrouw noch de kwantiteit, noch de kwaliteit verbeterd. De vrouw die werkt plant meestal beter voort, dan de vrouw die niet werkt. En de vrouw die niet werkt, is daarom geen beter opvoedster.Een planeetbewonende socioloog, die eens het menschelijk leven kwam bestudeeren en dan voor de eerste maal hoorde van onze zoogenaamde “moederlijke opoffering” als middel om het ras te verbeteren, zou door dat denkbeeld getroffen kunnen worden en onder den indruk er van komen. “Hoe prachtig!” zou hij uitroepen. “Hoe buitengewoon aandoenlijk en teeder! De eene helft van de menschheid doet afstand van alleandere menschelijke belangen en werkzaamheden om al haar tijd, kracht en toewijding te kunnen concentreeren op de functiën van het moederschap! Het verheven ras te baren en op te voeden, waartoe zij zelf nooit ten volle kan behooren! Eeuwig plaatsvervangend te leven door hare zonen, want hare dochters zijn slechts een andere plaatsvervangende schakel! Wat een edel en hoogstaand martelaarschap!” Daarna zou hij nauwkeurig onderzoeken welk systeem gevolgd werd om deze verheven toewijding van het halve ras voor het voortbestaan van de andere helft tot stand te brengen en te volmaken. Hij zou met innige en hartstochtelijke belangstelling den eindeloozen stoet meisjes naoogen, die even als hunne broeders als mensch geboren werden, doch die onmiddellijk lager gemerkt werden met “vrouwelijk—onvolmaakt type—alleen dienstig om mannen voort te brengen.” Hij zou veronderstellen dat dit “geslacht gewijd aan weder voortbrengende benoodigdheden”, doch niettemin begiftigd met menschelijk bewustzijn en verstand zich om deze reden grootsch zou verheffen en er naar streven zich zelf in elk opzicht voor dit groote werk geschikt te maken. Hij zou meenen een maatschappij te vinden die deze opoffering betreurt, doch die het gezegende wezen, wier leven moest opgeofferd worden voor het leven van anderen, boven alles vereert en alle geschikte middelen aanwendt om haar voor haar edele taak op te voeden en zoo goed mogelijk voor te bereiden. Helaas, welk een ontnuchtering zou de planeetbewonende socioloog met zijn geheel natuurlijke verwachtingen ondervinden. Na zijne onderzoekingen geeindigd en daarbij niets van al deze dingen gevonden te hebben, zou hij naar Mars of Saturnus terugkeeren, of van welke andere planeet hij kwam en zich verbazen over de grenzenlooze dwaasheid der menschen.Indien de positie der vrouw gerechtvaardigd kan worden door de leer dat de zorg van de moeder voor het kind die vereischt, dan zou toch zeker de maatschappij, of het individu, of beide, daarvoor eenige voorbereiding noodzakelijk achten. Maar van voorbereiding is geen sprake. De maatschappij erkent zulk een functie niet. Somtijds zijn er premiën betaald voor een groot aantal kinderen, maar die werden aan de vaders betaald. De nauwkeurig saamgestelde sociale inrichting, welke onze huwelijksmarkt vormt, bezit geen afdeeling waarbij het moederschap gesteund of bevorderd wordt. Zij staat er integendeel vijandig tegenover, zoodat in ons maatschappelijk leven het moederschap gelijk staat met direct nadeel en door degeen die zich aan maatschappelijken arbeid wijdt vermeden wordt. En het individu? Dit neemt zeker goede voorzorgen? Jonge vrouwen, roem dragende op haar aanstaande plichten, haar heilig en onvervreemdbaar ambt, haar groot geslachts-martelaarschap in het belang van het ras, zullen zich zeker voor dit werk plechtig voorbereiden? Wat zien wij evenwel? Onze jonge vrouwen laat men volkomen onbewust van hun toekomstig moederschap, ja hun levenswijze benadeelt dit zeer dikwijls; zij zijn met betrekking tot het moederschap onbetrouwbare, onwetende, onverschillige wezens. Zij worden opgevoed niet voor het moederschap doch om de andere sekse voor een economisch doel of op zijn best voor wederkeerig genot aan te trekken. Zij worden in volslagen onwetendheid van haar veronderstelde voornaamste plichten groot gebracht, en weten niets van deze plichten voor zij ze moeten vervullen.Iets dergelijks zou ’t zijn als alle menschen eens soldaten moesten worden, wien men het lot der natiën in handen gaf en niemand een woord met hen zou sprekenover oorlog of militairen dienst, totdat zij het slagveld betraden!De opvoeding van jonge vrouwen bevat geen afdeeling voor het moederschap! Men beschouwt het als ongepast om deze gewijde functionaris eenige voorafgaande kennis van hare heilige plichten te geven. Deze belangrijkste en bewonderenswaardigste van alle menschelijke functiën is eeuw in eeuw uit in handen gelaten van in dat opzicht absoluut onwetende vrouwen. Men heeft stilzwijgend verondersteld dat die functie tot stand werd gebracht door die mysterieuse werking welke wij gewoonlijk “het heilig instinkt van het moederschap” noemen. Moederlijk instinkt is een zeer achtenswaardig en nuttig instinkt dat aan de meeste dieren eigen is. Het is “heilig” en “goddelijk”, zooals alle wetten der natuur heilig en goddelijk zijn, maar het is dit alleen wanneer het zijn ware roeping vervult. Indien de processen tot ras-behoud voor heiliger gehouden worden dan de processen tot zelf-behoud, dan moeten wij voor alle functiën en vermogens der voortplanting denzelfden graad van eerbied aannemen,—de hartstocht van den man voor de vrouw even hoog schatten als de hartstocht van de moeder voor het kind. Indien wij nog verder willen gaan en de processen van ras-behoud het meest willen vereeren in hun laatste en hoogste phase, welke ook de eenige maatstaf is die op een natuurlijken grondslag berust, dan moeten wij de groote, belanglooze maatschappelijke functie van opvoeding ver boven de zelfzuchtige, individueele moederlijke functie van baren en verzorgen plaatsen. Moederlijk instinkt, enkel als een instinkt, is onze bijgeloovige vereering niet waard. Het moet alleen beschouwd worden als een middel tot een doel en in evenredigheid tot zijn gevolgen gewaardeerd worden.Bij dieren die slechts weinig verstand hebben heefthet instinkt zijn toppunt bereikt en werkt goed. Bij wilden die ook geen groote intellectueele ontwikkeling bezitten, neemt het een groote plaats in. Bij de dieren verzorgt de moeder haar jongen geheel instinktmatig, bij de wilden bijna geheel, doch geholpen door de traditiën van haar stam, den opvoedenden invloed van vereeniging en eenig rechtstreeksch onderricht. Doch naarmate de menschheid vooruitging, samengestelder en afwisselender werd, en naarmate het menschelijk verstand zich genoeg ontwikkelde om nieuwe functiën en nieuwe behoeften te scheppen, verminderde het instinct in waarde. Het menschelijk wezen verbetert niet en gaat niet vooruit door zijn dierlijk instinkt, maar door de wijsheid en macht van een aangekweekt verstand en een aangekweekten wil, welke hem in staat stellen zijn handelingen te leiden, zijn instinkten te beheerschen en te wijzigen, opdat deze niet hem zullen regeeren.De vrouw die verzuimd heeft deel te nemen aan de zich steeds uitbreidende werkzaamheden, waardoor het verstand van den man zich ontwikkelde, die tevens in gebreke bleef haar wilskracht te oefenen, wat enkel door vrijheid en macht kan geschieden, heeft dientengevolge tot op heden de rudimentaire krachten van het instinkt gehandhaafd. Door haar overdreven opgaan in het geslachtsleven, loopt deze invloed van het instinkt hoofdzakelijk langs geslachts-lijnen, en vindt vrijen toegang tot de processen van het moederschap, waar hij dan ook onafgebroken geheerscht heeft. Zoo worden de menschen-kinderen nu nog geboren in de armen van een eindelooze schare ongeoefende moeders, die voor de zorgen en opvoeding hunner kinderen noch opleiding voor, noch ondervinding in dat grootsche werk medebrengen; zij bezitten alleen de krachtig opeengestapelde macht vaneen ruw instinkt, den blind vertrouwenden hartstocht van de moeder voor het kind. Moederlijke liefde is een enorme kracht, maar kracht heeft leiding noodig. Alleen liefde voor het kind beteekent voor dat kind niets, tenzij bepaalde daden deze liefde doen kennen. Welke die daden zijn en hoe zij worden uitgevoerd, daarvan hangt voor het leven van het kind alles af.Merk eens op hoe nutteloos de hulpelooze moederlijke liefde en het moederlijk instinkt is bij de eenvoudige handeling der voeding van het kind. Tot de orde der zoogdieren behoorende, wenscht de moeder instinktmatig haar kind te zoogen. (Bij sommige overbeschaafde vrouwen bestaat zelfs die wensch niet meer). Dit instinkt heeft haar echter niet de levensgewoonten aan de hand gedaan die haar in staat stellen deze natuurlijke functie te volbrengen. En waar de natuurlijke functie faalt, van welk verder nut kan het instinkt haar dan zijn bij de voeding van het kind? Het kan toch niet beslissen tusschen Marrow’s Food en Nestlé’s kindermelk, tusschen Socklet en bussemelk, tusschen papbeschuit en alle andere soort kindervoedsel, dat bereid en op de markt gebracht wordt door mannen! Deze surrogaten worden niet bereid door moederlijk of vaderlijk instinkt, maar door chemische analyse en physiologische studie; de gevolgen er van op het kinderlijk lichaam worden opgemerkt en het diëet vastgesteld door doctoren, die hun werk ook niet verrichten door instinkt.Indien het fleschkindje het verlies van de moederborst overleeft en het zoover brengt dat het mee eet uit den pot, is dan het moederlijk instinkt misschien in staat het geschikte dieet voor hem vast te stellen? Laat de doctor en het kerkhof hierop antwoorden.Het groote, uitgebreide veld van mannelijke werkzaamheden in het belang der kleine kinderen, vanhet eigenaardig menschelijk verschijnsel van mannelijke hulp bij de baring, (er bestaat nog één dier, de obstetrische kikvorsch, waar dit ook voorkomt), tot de fabriekmatige arbeid van voedsel, kleeding, bescherming, vermaak, en onderricht voor het kind, bewijst dat het moederlijk instinkt bij de vrouw ten eenenmale ontoereikend is. Maar er wordt ook nog iets anders door bewezen, nl. dat de vrouw misdadig in gebreke blijft om op een verstandige wijze in datgene te voorzien waarin het instinkt niet langer voorziet. Een met rede begaafd, bewust wezen, dat de verantwoordelijkheid draagt voor het behoud van het menschelijk ras en zich voor die taak niet op de beste wijze voorbereidt, alvorens haar te aanvaarden, is erger dan zorgeloos.Vóórdat een man een handel, ambacht of beroep aanvaardt, bereidt hij zich voor. Hij bekwaamt zich voor de taak die hij op zich neemt. Hij zou voor een bedrieger gehouden worden, indien hij werk ondernam waarvoor hij niet bekwaam was en de mislukking zijner onderneming zou hem met schande en spot overladen. In de gewichtiger beroepen, vooral in die waar gebrek aan de noodige kennis “levensgevaar” voor anderen medebrengt, bijv. kapitein van een schip, machinist van een trein, doctor of apotheker, wordt niet alleen vereischt dat men zijn vak bestudeerd heeft, maar dat men door een examen bewijst de noodige kennis te hebben opgedaan, en alleen bij voldoende bekwaamheid wordt als bewijs daarvan een getuigschrift, diploma of somtijds een geloofsbrief uitgereikt, waardoor aangetoond wordt dat aan den houder verantwoordelijkheid voor het behoud van menschenlevens kan worden toevertrouwd.Vrouwen aanvaarden een positie waarin zij de verantwoordelijkheid voor het leven of den dood van het geheele menschenras op zich nemen, zonder voorafgaandestudie of ondervinding, zonder zelfs een schijn van voorbereiding of waarborg van bekwaamheid. Voor zoover zij nog eens over hun nieuwe plichten denken, zijn zij dwaas genoeg te veronderstellen dat het geheimzinnig “moederlijk instinkt” hen er wel door zal helpen. Kennis als die noodig mocht blijken, zullen zij wel opdoen, zoodra de tijd daar is. Ondervinding krijgen zij onderwijl de kinderen komen van zelf. “Ik veronderstel dat ik wel weet hoe kinderen behandeld moeten worden!” roept de gebelgde grootmoeder uit, die om raad gevraagd wordt. “Ik heb er reeds zeven op het kerkhof.” Het record van het ongeoefend moederlijk instinkt in het menschenras kan men vinden in de reeksen en reeksen kleine grafsteenen welke onze kerkhoven vullen. De ondervinding die door de behandeling van het kind verkregen wordt, wordt dikwijls met het kind begraven.Neen, de leer dat de verzorging van het kind de positie der vrouw rechtvaardigt, kan het licht van onderzoek niet verdragen. De mensch-vrouw die zich geheel wijdt aan de voortplanting, alle persoonlijke werkzaamheden, elke eervolle onafhankelijkheid, alle nuttige en voortschrijdende economische diensten opgeeft om zich glorieus te wijden aan de plichten van het moederschap, kan op weinig resultaten bogen, die haar positie zouden kunnen rechtvaardigen. Noch het enorme hooge sterftecijfer der kinderen, noch de gemiddelde slechte gezondheidstoestand van diegenen die in het leven blijven, noch de lichamelijke, noch de geestelijke vooruitgang van het ras leveren eenig bewijs dat de moederlijke toewijding ten voordeele komt van het ras.
Wanneer men de onderwerping der vrouwen zoekt te rechtvaardigen, dan wordt gewoonlijk aangevoerd dat het belang der kinderen die vereischt, omdat de vrouwen onder dezen toestand zich uitsluitend aan het moederschap kunnen wijden. In deze bewering zijn twee zwakke punten. Het een is dat dit belang der kinderen niet bewezen kan worden; het ander dat het niet de diensten van het moederschap zijn waaraan de vrouw zich geheel wijdt, maar dat het de diensten van het geslachts-leven zijn. In plaats dat de economische afhankelijkheid der vrouwen in het belang van het nageslacht werkt, heeft zij daarentegen een ziekelijk moederschap en een afnemend geboorte-cijfer ten gevolge.
In de eenvoudige tijden van voorheen was er een periode waarin het krijgen van kinderen voor de vrouwen een economische beteekenis had, toen beschouwde men hen alleen in dat opzicht van nut; vervulden zij die taak niet, dan stonden zij ook niet in eer of aanzien. Zulk een toestand leidde er toe, de hoeveelheid kinderen sterk te doen toenemen, al geschiedde dit ook ten koste van de hoedanigheid. Doch toen met de ontwikkeling der industrie het gewicht van economische zorgen op de schouders van den man toenam, begon men kinderen als een last te beschouwen en werd hun komst door den hard werkenden vader niet meer in die mate gewenscht. Zij verkleinen het inkomen van het gezin; en de moeder die uitsluitend met dat inkomen moet rondkomen en in haar positie van onbetaalde dienstbodeoverwerkt is, voelt zich volstrekt niet gedrongen onder dien economischen druk naar het moederschap te streven. Bij de werklieden,—waartoe toch de meerderheid van een volk behoort,—is de vrouw dan ook niet uitsluitend werkzaam in dienst van haar kinderen. En onder de verstandigste en nauwgezetste werklieden bestaat tegenwoordig een merkbare afkeer van groote gezinnen, en bestendig wordt getracht om de uitbreiding van het gezin te voorkomen.
Mocht men meenen dat deze beschouwing in geen direct verband staat met de economische positie der vrouw, maar veeleer met den algemeenen staat der werklieden, dan bezie men denzelfden toestand eens bij de rijke lieden naderbij. Hier is de economische afhankelijkheid der vrouw tot het uiterste opgevoerd. De dochters en vrouwen van de rijken doen nog niet eens het huiselijk werk dat door de vrouwen uit arme gezinnen moet verricht worden. Zij zijn van de wieg tot het graf volmaakt on-productief, zoowel in goederen als in arbeid van economische waarde en zij verteren daarentegen van zulke goederen en arbeid een hoeveelheid, welke alleen door de koopkracht van hunne mannelijke bloedverwanten begrensd wordt. Hun economische beteekenis, gehuwd of ongehuwd, ligt in hun macht de mannen aan te trekken en te bekoren; en deze macht is niet die van het moederschap. Integendeel, het moederschap ontrooft vele vrouwen haar persoonlijke bekoringen en neemt veel van haar tijd in beslag, waardoor zij allerlei genoegens en voordeel die voor een vrouw zonder kinderen verkrijgbaar zijn, moeten derven. Zij profiteeren het meest door de geslachtsverhouding zonder haar natuurlijke gevolgen; en daarom is het economisch in haar voordeel het moederschap tegen te gaan, in plaats van het in de hand te werken.
Indien men de uiterste grens van de sexueel-economischeverhouding uit dit oogpunt beschouwt dan is het voor ieder duidelijk waar te nemen. Niets werkt toch de verbetering van het ras door het moederschap meer absoluut tegen dan de prostitutie. Met zich uitsluitend te wijden aan den dienst van het moederschap, zooals de koningin-bij doet, of met zich uitsluitend te wijden aan den dienst van het geslachts-leven zonder moederschap, zooals de prostituée doet, bevordert men niet de verbetering van het ras. En toch bestaat er nog steeds een krachtige volksmeening, dat het voor ons ras van het grootste belang is dat alle vrouwen van directe economische werkzaamheden bevrijd blijven, opdat zij zoodoende al hun krachten beschikbaar houden voor de schoone taak van het moederschap.
InThe Forumvan November 1888 schrijftLester F. Wardeen artikel getiteld: “Our better halves” (onze betere helft), waarin hij duidelijk de superioriteit van het vrouwelijk geslacht uit een biologisch oogpunt aantoont. Natuurlijk verwekte dit artikel veel tegenspraak; en in een weerleggend stuk “Woman’s place in nature” (de plaats der vrouw in de natuur), (The ForumMei 1889) zet Mr.Grant Allenzeer uitvoerig de algemeene opinie over dit onderwerp uiteen. Van de vrouw zegt hij: “ik geloof dat het waar is dat de vrouw veel minder dan de man het ras vertegenwoordigt, dat zij waarlijk op het oogenblik nog zelfs niet ten halve tot het ras behoort, maar eerder een deel er van uitmaakt, bepaald bestemd voor de instandhouding van de soort; precies als hommels en mannelijke spinnen deelen zijn van hun soort, alleen aangewezen voor de uitoefening van hun mannelijke functiën, of zoo als honingbijen individueele insekten zijn, alleen bestemd om als levende honingpotten voor de gemeenschap te werken. De vrouw moet zich alleen aan de voortplanting wijden.”
Sedert op biologische gronden bewezen werd dat het zeer langzaam ontstaan en ontwikkelen van het mannelijk organisme uitsluitend als een reproductieve noodzakelijkheid moet opgevat worden; en sedert vrouwen worden opgeofferd niet aan reproductieve noodzakelijkheden, maar aan zeer onnoodige en beleedigende geslachtelijke handelingen onder den druk hunner economische afhankelijkheid, vertoont een bewering als die van Mr. Grant Allen een sterk humoristische zijde. Zijne meening wordt evenwel niet alleen gedeeld door menschen die beweren van sociologie en biologie een bijzondere studie te hebben gemaakt, maar het groote publiek denkt er evenzoo over en daarom is het noodig dat wij er onze aandacht aan wijden. Wie de meening van Mr. Grant Allen deelen, moeten echter toestemmen dat de over-ontwikkeling van het geslacht een gevolg is van de economische verhouding tusschen mannen en vrouwen en dat een reeks individueele en maatschappelijke zonden uit deze over-ontwikkeling voortspruiten. Zij moeten verder zelfs toegeven dat de economische ontwikkeling van het ras er eenige schade door lijdt. Maar zij zullen in antwoord daarop beweren dat deze ziekelijke toestanden bij den menschelijken vooruitgang behooren; dat door de vrouw voor den dienst van het moederschap te bestemmen de menschheid meer goed dan kwaad ondervindt, hoe groot dit laatste ook mag zijn; en omgekeerd, dat het individueele en maatschappelijke voordeel door economische vrijheid der vrouw verkregen, niet opweegt tegen het verlies het ras toegebracht, door opheffing van een moederschap, waaraan de vrouwen zich speciaal wijden.
Om dit te weerleggen is het noodig aan te toonen dat onze groote toewijding aan de kinderen niet zulke voordeelige resultaten heeft als wel verondersteld wordt;dat de invloed van ons moederschap op het ras eerder beneden dan boven die van andere diersoorten staat; dat deze mindere invloed zijn oorzaak vindt in de sexueel-economische verhouding; dat het weder instellen van de economische vrijheid der vrouw het moederschap zal ten goede komen; en ten slotte langs welke lijn van sociale en individueele ontwikkeling deze verbetering praktisch te verkrijgen is.
Bij de behandeling van dit onderwerp hebben wij behoefte aan een bijzondere geestelijke voorbereiding. Wij dienen aan te toonen dat onze denkbeelden hierover door vooroordeel een eigenaardige tint hebben aangenomen, en dat wij in geen andere gedachtensfeer zoo door onze aandoeningen verblind worden. Dit onderwerp is altijd boven eenig ander, meer een kwestie van gevoel dan van verstand geweest. Ook de verhouding der seksen is grootendeels een kwestie van gevoel, maar wij hebben die tevens tot een onderwerp van studie, van vergelijking, van bespiegeling gemaakt. Er bestaan dientengevolge verschillende meeningen over de geslachts-verhouding, maar over het moederschap bestaan er geene. Hier en daar durft de een of ander philosoof, een Plato, een Rousseau, eenige gedachten wijden aan dit onderwerp; maar over het geheel is geen thema van zooveel belang zoo weinig als dit bestudeerd geworden. Men beschouwt het moederschap als heiliger dan godsdienst, bindender dan de wet, bekender dan de wijze van eten; wij zijn allen geboren en opgevoed in de aangenomen verheerlijking er van, en op ouderen leeftijd deelen wij het weder evenzoo aan de jongeren mede. Iemand kan met minder gevaar om uitgejouwd te worden den wil en de daden van zijn God dan van zijn moeder in twijfel trekken. Deze moeder-vergoding is een zoo diep ingeworteld, zoowijd verspreid en lang bestaand gevoel dat zij zich op iederen trap van geestelijke ontwikkeling vertoont. Zij is met onze godsdienstige gevoelens eenerzijds en met onze geslachts-neigingen anderzijds zoodanig saâmgeweven, dat het bijna onmogelijk is over dit onderwerp helder en kalm na te denken; immers lang was het verboden om over godsdienst en geslachts-kwesties van gedachten te wisselen, wijl het een te heilig en het andere te onheilig was. Het is daarom gemakkelijk te begrijpen waarom wij in dezen zoo vol vooroordeel zijn.
Het instinkt dat het kind naar de moeder drijft is even oud als dat wat de moeder naar het kind drijft, beide dateeren uit de periode toen het kind voor het eerst zorg noodig had, misschien reeds uit den tijd der latere reptiliën. Deze band tusschen moeder en kind heeft onafgebroken door de geheele lijn van progressie bestaan en is bij ons sterker dan bij eenig ander schepsel, omdat in onze sociale ontwikkeling de ouders voor het kind niet alleen het geheele leven door, maar wegens ons erfrecht, zelfs nog na den dood van belang zijn. Een zoo vroeg, zoo hoogst belangrijk, zoo lang opgehoopt dierlijk instinkt, dat nog door maatschappelijke wetten versterkt wordt, is een groote kracht, waarbij bovendien nog gevoegd moet worden de lange periode van groote ouder-vereering. Daardoor veranderen de dwaze begrippen van vroegere vergoders van de idee der ouderlijke heiligheid geheel, want zij die eerst een God van hun vader gemaakt hadden, maakten daarna een vader van God, en dit diep godsdienstig gevoel heeft het gewicht van instinkt zeer verhoogd. Ook familie-regeering, onbegrensd als zij was in het patriarchale tijdperk, heeft ons eerbiedig, blind vertrouwen in het ouderschap zoo hoog opgevoerd, tot het majesteitsschennis werd aan de goede plichtsvervulling er van tetwijfelen. Op twee zeer belangwekkende overgangen in deze sfeer moet gewezen worden. De een is dat het toppunt van kinderlijke toewijding in het patriarchale tijdperk bereikt werd, in den tijd toen de vader de eenige machthebbende en de voeder van het gezin was en naar goedvinden zijn kinderen mocht slaan of verkoopen; doch dit overblijfsel van onder-vereering verminderde bestendig met de wijziging van den regeeringsvorm tot in onzen democratischen tijd, waarin met volle ontwikkeling van persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid de laagste graad van kinderlijken eerbied en onderwerping aangetroffen wordt. In plaats daarvan is in aller belang de ongedwongen, liefelijke omgang tusschen ouders en kinderen gekomen, die vroeger, toen de kinderen een kruipende houding tegenover hen moesten aannemen, volkomen onbestaanbaar was.
De ander is de langzame overgang van de hoogste vadervereering “de schepper van mijn bestaan”, zooals het kind gewoon was hem te beschouwen, naar onze moderne moederwaardeering. De stervende soldaat op het slagveld denkt aan zijn moeder, verlangt naar haar, niet naar zijn vader. De reiziger en banneling droomt van zijn moeders zorgen, zijn moeders versnaperingen. De pathos der volkssprookjes gaat heden reeds zoover dat men “den verloren zoon” naar zijn moeder terugbrengt, niet naar zijn vader. Indien de oorspronkelijke “verloren zoon” een moeder had gehad, dan zou die zeker bezig geweest zijn het vetgemeste kalf te braden, toen hij terugkwam. Indien de tegenwoordige “verloren zoon” een vader heeft, dan heeft die alleen de verplichting het kalfsvleesch te betalen. Onze teederste gevoelens, onze diepste eerbied, onze hoogste verbolgenheid over een beleediging concentreeren zich tegenwoordig allen meer om de moeder dan om den vader; en dit is een sterkbewijs dat de erkenning van de werkelijke waarde van de vrouw in het leven en de plaats die zij er moet innemen, ons wordt ingegeven, terzelfder tijd dat ons verstand beide kan begrijpen. Niets kan ooit de waarheid van de waarde der moeder overschatten. Ons instinkt geeft ons den rechten weg aan, zooals trouwens alle diep ingewortelde sociale instinkten doen; maar rondom dit instinkt zijn een hoop valschheden en dwaasheden opgegroeid, die er altijd toe leiden den vooruitgang er van te vertragen en te beletten.
Als de hoofdpersoon bij de voortplanting wordt de moeder hoofdzakelijk op eenvoudige physiologische gronden vereerd. Als de hoofdpersoon in vormende liefde, de groote voorwaarde voor menschelijk geluk, is zij de bron van onzen geheelen groei. Als de beginner der industrie is zij nog eens een bron van vooruitgang. Als de eerste en laatste opvoedster vormt zij buiten haar lichaam wat zij daar binnen schiep; en daar zij de zichtbare, voelbare, beminnelijke, levende type van dit alles is, het wezen in wiens persoon de volle som van goedheid voor het individu is uitgedrukt, is het geen wonder dat onze sterkste, diepste, teederste gevoelens zich groepeeren om het beteekenisvolle woord “moeder”.
Stemmen wij met dit alles volkomen in, dan blijft nog voor ons over het volle licht der wetenschap en het eerlijke werk der gedachte naar deze, evenals naar iedere andere phase van het menschelijk leven te richten; ons gevoel te laten rusten en ons verstand te gebruiken; uit te maken of wij zelfs hier wel gerechtigd zijn om het belangrijkste werk van het individueele leven volgens de methoden van het primitieve instinkt te blijven verrichten. Het moederschap is slechts een levensproces en als alle levensprocessen mag het bestudeerd worden. Onder onbewuste, beginnende levensvormenvolbrengt het zijn taak door een eenvoudig instinkt. In het bewuste en samengestelde menschelijk leven eischt het veel talrijker en verschillender krachten om zijn taak goed te vervullen. Bij ons is het een bewust proces,—een proces dat goede of slechte gevolgen kan hebben. Deze willekeurige macht brengt nieuwe verantwoordelijkheden en de behoefte aan nieuwe methoden mede,—een behoefte die niet enkel hierop neerkomt, om te overwegen of wij de plichten van het moederschap wel aanvaarden mogen, maar hoe wij ze het best vervullen kunnen.
Het moederschap moet evenals ieder ander natuurlijk proces beoordeeld worden naar zijn resultaten. Het is goed of slecht naarmate het aan zijn doel beantwoordt. Het menschelijk moederschap moet beoordeeld worden naarmate het aan zijn doel voor het menschelijk ras beantwoordt. Zijn eerste doel is het ras voort te planten door reproductie van het individu; het tweede het ras te verbeteren, door verbetering van het individu. Het zuiver eenvoudige werk van voortplanting wordt evengoed volbracht door het leggen van eieren, die soms na den dood van de moeder eerst worden uitgebroed, als door jarenlang dienstbetoon aan de kinderen; maar voor het verbeteren van het ras komen wij met andere eischen. De functiën van het moederschap zijn even natuurlijk vermeerderd als de functiën van de voeding, en elk ontwikkelingsstadium heeft voor de moeder nieuwe plichten mede gebracht. De moeder-vogel moet haar jongen uitbroeden, de moeder-koe moet haar jongen zoogen, de moeder-kat moet jagen voor ze; en van elken afzonderlijken dienst welken de moeder verricht, moet de waarde beoordeeld worden naar de gevolgen voor de jongen. De maatstaf voor het ware moederschap wordt gevonden in datgene watgedaan wordt in het werkelijk belang der jongen, en het beste voor de jongen zal wel datgene zijn, wat hun een beter toekomstig bestaan verschaft dan dat van hun ouders. Het doel van het ware moederschap is een beter wezen dan de ouders in de wereld achter te laten.
Dit doel wordt in het menschenras door twee processen gediend: door de eenvoudige individueele functie van voortplanting, waartoe ook alle zorg en verpleging behooren; en door de saamgestelde, maatschappelijke functie van opvoeding. Aanvankelijk was deze laatste een moederlijke functie en daarom een individueele, maar sedert lang is zij eerder een ras- dan een individueele functie geworden, die in geen betrekking meer staat tot de sekse of eenige andere persoonlijke beperking. De kinderen hebben voor een goede ontwikkeling niet alleen de liefde en zorg der moeder noodig, maar bovendien de zorg en opvoeding van vele anderen. Dit is in zulk een uitgebreiden zin waar, dat men in het algemeen kan zeggen dat het tegenwoordig voor een kind beter zou zijn om totaal verlaten, zonder moeder of eenig familielid, in de straten eener groote stad te staan, dan met een groote en aanhankelijke familie overgebracht te worden naar het “donkerste Afrika”.
Menschelijke functiën zijn ras-functiën, maatschappelijke functiën, en daartoe behoort opvoeding. De plicht van de mensch-moeder en de maatstaf voor een goede of slechte vervulling er van moetbeoordeeldworden naar de vruchten der voortbrenging en opvoeding. Aangezien er geen diersoort boven ons staat bij wie wij ons moederschap kunnen vergelijken, moeten wij den maatstaf bij lager diersoorten aanleggen. Wij moeten bewijzen kunnen dat wij in de functiën, die wij met hen gemeen hebben, hooger staan dan zij.
Slaagt de mensch-moeder beter in de voortplantingvan haar soort dan andere dieren van de orde mammalia? Brengt zij de jongen beter in de wereld en voedt zij ze beter op dan moeders van lager diersoorten? Deze dieren, minder bewust dan wij, handelen eenvoudig door hun instinkt: zij paren in het daarvoor bestemde jaargetijde; zij voeden, bewaken, verdedigen hun jongen zoo goed als zij kunnen en zij laten schepsels in de wereld achter even goed of beter dan hunne ouders. Wij hebben van wilde dieren weinig vertrouwbare gegevens, en het is moeilijk om de natuurlijke processen van de tamme dieren los te maken van onze inmenging. Maar bij beide toont de eenvoudige handhaving der soort dat het moederschap ten minste tamelijk goed in de voortplanting slaagt; en bij de dieren die wij voor ons voordeel laten broeden, zien wij duidelijk de mogelijkheid dat het ras door het voortplantingsproces alleen reeds verbeteren kan. Kunnen wij nu met ons menschelijk verstand en ons menschelijk geweten, rijk door macht en wijsheid en door het heerschen over de andere rassen, kunnen wij als moeders de vergelijking met onze voorgangers doorstaan?
Het menschelijk moederschap vertoont meer ontaardingskenmerken dan eenig ander; het is ongezonder, onvolmaakter, zieker. De jongen van de menschen zijn eveneens ziekelijk. Wij als dieren, zijn in deze omstandigheid zeer inferieure dieren. In plaats van ons zelf te verheffen op den grooten moed waarmede wij “de gevaren van het moederschap” onder de oogen zien en te pochen dat wij ons “in levensgevaar begeven” voor onze kinderen, moesten wij ons liever schamen, dat wij moeder en kind beide aan zulke gevaren blootstellen. In levensgevaar begeven? Maar dat is het levenslicht voor de ongeborene; en daar bestaat trouwens geenlevensgevaar, behalve wat wij, de moeders, door ons onnatuurlijk leven, over onze eigen kinderen gebracht hebben. Levensgevaar, natuurlijk, voor de duizende kinderen die te-laat-geboren, ontijdig-geboren, tot-ongeluk-geboren,en dood-geborenworden omdat het ware moederschap niet aanwezig is. In de eerste lichamelijke functiën van het moederschap kan de vrouw niet bewijzen dat haar veronderstelde bijzondere roeping voor deze taak de vervulling er van verbeterde, eer het tegendeel. Waar dan ook de mensch-moeder zich bezig houdt met de natuurlijke werkzaamheden van een menschelijk wezen, zooals de vrouw bij de wilde volksstammen, de boerin en overal de werkende vrouw doet, daar vervult zij, zoolang zij zich niet behoeft te overwerken, deze functiën oneindig veel beter.
Doch waar een vrouw uitsluitend bestemd wordt voor geslachts-functiën en van alle economische werkzaamheden wordt uitgesloten, waar haar geslachtsverhouding moet dienen als middel tot levensonderhoud, daar zal haar moederschap aan ziekelijke afwijkingen onderhevig zijn. De overdreven geslachts-ontwikkeling, veroorzaakt door haar economische afhankelijkheid van den man, werkt nadeelig terug op haar wezenlijke plichten. Zij is te vrouwelijk voor een volmaakt moederschap! De overdreven ontwikkeling van haar secondaire geslachts-eigenschappen vormen bij overerving een verwoestend element. Kleine, zwakke, zachte, slecht geproportioneerde vrouwen brengen geen groote, sterke, forsche, krachtige, welgevormde mannen en vrouwen voort. Toen Frederik de Groote stevige grenadiers wilde hebben, liet hij groote mannen met groote vrouwen paren,—niet met kleine. De vrouw die alleen voor de geslachts-functiën leeft, ontaardt natuurlijk in ras-ontwikkeling en brengt even natuurlijk die ontaarding op haar nakomelingschap over. De mensch-moedertoont in de voortplantingsprocessen niet boven maar beneden de lagere dieren te staan, en geeft in dat opzicht geen blijk dat haar opgaan in geslachtsfunctiën haar jongen ten goede komt. De moeder van een dood kind of het kind van een doode moeder; het zieke, kreupele of idiote kind; de uitgeputte, zenuwachtige, te vroeg-oude moeder,—zijn bij ons niet onbekend en zijn geen bewijzen dat wij in ons moederschap boven andere dieren staan.
Nu wij de wijze waarop bij den mensch het moederschap vervuld wordt, met het oog op de lichamelijke voortplantingsprocessen niet kunnen goedkeuren rijst de vraag, of er soms voordeelen van het menschelijk moederschap in de andere afdeeling, de opvoeding, zijn aan te toonen? Indien de moeder ziekelijk is en het kind eveneens, zal dan misschien haar liefderijke zorg voor het kind daar tegen opwegen? Zal niet de teedere toewijding van de moeder en haar onvermoeide bewaking van het kind genoegzame resultaten opleveren om voor het menschelijk moederschap, in vergelijking met dat van andere diersoorten, onze bijzondere wijze van doen te rechtvaardigen? Ter beantwoording dezer vraag moeten wij aantoonen dat ons moederschap, voor zoover wij daaronder gewoonlijk verstaan de “zorg” voor het kind, (duidelijker omschreven door het woord opvoeding), van superieuren aard is.
Hier missen wij weder het voordeel van een vergelijking. Bij geen andere diersoort vereischt het jong zulk een langen tijd zorg, heeft het zooveel onderricht noodig. Voor zoover die andere dieren deze zorg en dit onderricht hebben te geven, doen zij het goed. De hen met haar kuikens is in dit opzicht een algemeen aangenomen voorbeeld van moederschap. Zij legt niet alleen de eieren en broedt ze uit, maar zij onderwijst en beschermt ook haar jongen voor zoo ver het noodig is.Doch behalve dit eenvoudig voorbeeld bezitten wij geen maatstaf van vergelijking voor het opvoedend moederschap. Wij kunnen dit alleen onder ons zelf bestudeeren, door vergelijking van het kind dat moederloos is, met het kind dat moederlijke zorg ontvangt; het kind dat een moeder heeft en niets anders, met het kind wiens moeder geholpen wordt door bedienden en onderwijzers; het kind van wat wij verstaan onder een superieure moeder, met het kind van een inferieure moeder. Deze laatste onderscheiding, een vergelijking tusschen twee moeders, is van groot gewicht. Wij hebben reeds stilzwijgend een vage maatstaf voor het menschelijk moederschap vastgesteld en losweg toegepast, door te spreken van een “natuurlijke” en “onnatuurlijke” moeder.
Doch deze termen toonen op nieuw aan hoe wij nog steeds geneigd zijn het geheele veld van moederlijke werkzaamheid meer te beschouwen als een instinktmatig handelen dan als een werk van verstand, meer als een functie dan als een dienst. Wij hebben wel een maatstaf, hoe los en vaag die dan ook mag zijn; en zelfs bij dien maatstaf is het pijnlijk te zien hoeveel moeders als zoodanig mislukt zijn. Vraag u zelven maar eens eerlijk af hoevele van de moeders, wier handelingen tegenover hun kinderen gij ziet in straten, winkels, omnibussen en booten, in hotels, pensions en aangrenzende tuinen, hoevelen van hen een gunstige kritiek bij u opwekken, in vergelijking met die welke gij ongunstig beoordeelt. Neem niet in aanmerking het rozig ideaal van moederschap dat in uwe ziel huist, maar de ruwe, harde werkelijkheid, zooals gij die in het dagelijksch leven te hooren en te zien krijgt.
Het moederschap kan in het volbrengen van opvoedende plichten alleen beoordeeld worden naar zijne resultaten. Wanneer wij als maatstaf aannemen de edelemannen en vrouwen wier goeden lichaamsbouw en flink karakter wij zoo gaarne toeschrijven aan “een voortreffelijke moeder”, wat moeten wij dan van de moeders zeggen, die de wereld gevuld hebben met zoovele onedele mannen en vrouwen, met slechten lichaamsbouw en zwak karakter? Wanneer goede moeders goede menschen vormen, wat moeten wij dan van de slechte menschen zeggen? Wanneer wij geniale mannen en vrouwen zien, dan stellen wij die op rekening van hun moeders. Wanneer wij onbeduidende mannen en vrouwen zien,—en die zijn toch wel de regel,—dàn durft niemand de waarde van de moeders, die deze menschen voortbrachten, in twijfel trekken. Wanneer het tot aangeboren misdadigheid komt, dan beginnen wij iets te fluisteren van “erfelijkheid”, en om aan de groote nationale onwetendheid te gemoet te komen, vragen wij dan een beter opvoedings-systeem. Maar niemand komt op de gedachte dat het moederschap van het menschdom verbeterd kan worden, en toch schuilt daar inderdaad het kwaad. Indien onze voortplantingsmethode niet deugt, dan is daarvoor de moeder verantwoordelijk. Zij is de voornaamste factor in de reproductie. Indien onze opvoedingsmethode niet deugt, is de moeder daarvoor eveneens verantwoordelijk. Zij is de voornaamste factor bij de opvoeding.
Hiertegen werd aangevoerd dat zulk een bewering den vader en zijn verantwoordelijkheid zou buitensluiten. Doch indien de moeder haar rechte plaats in de wereld inneemt en zij volbrengt haar plicht goed, dan zal zij geen reden hebben over den vader te klagen. Zij zal dan immers in de eerste plaats betere mannen maken. En in de tweede plaats zal zij zich maatschappelijk verantwoordelijk voelen om een geschikten vader voor hare kinderen te kiezen. In de derde plaatszal zij als een economisch vrij handelend wezen, voor de helft in de behoeften van het kind voorzien. Mannen die niet geschikt zijn voor een goed vaderschap zullen onder zulke omstandigheden niet veel kans hebben vader te worden en zullen sterven, door iedereen beklaagd, in plaats van te leven en door iedereen verwenscht. De man heeft het echter in zijn positie, met alle ras-werkzaamheden, en alles wat tot het vaderschap en de helft van hetgeen tot het moederschap behoort te doen, beter aangelegd om het onmogelijke te volbrengen, dan de vrouw het deed in de hare. Men veronderstelde dat zij op aarde geen andere taak te vervullen had dan die van moeder. Zij heeft echter het werk van de moeder en bovendien alle huishoudwerk van de wereld gedaan. Maar zij heeft toch ongetwijfeld zoo veel tijd en krachten voor het moederschap gehad als de man voor het vaderschap; en niet voordat zij bewijzen kan dat de kinderen der wereld even goed door haar opgevoed als zij door den vader gevoed zijn, kan zij op hem den blaam werpen van onze algemeene onvolkomenheid.
Geen der beide partijen heeft evenwel schuld. De sexueel-economische verhouding oefent onvermijdelijk slechten invloed uit zoowel op het moederschap als op het vaderschap. Maar op de moeder moet een beroep worden gedaan om deze ongewenschte verhouding te veranderen. Zij, een dieper plichtsgevoel, een grooter liefde voor het kind bezittende, moet gaan inzien hoe haar valsche positie haar moederschap schaadt en zij moet, ter wille van haar kinderen, met dien toestand breken. Van den man en zijn vaderschap kan zij maken wat zij wil.
De plicht der moeder is eerst om kinderen voort te brengen die lichamelijk even goed of beter zijn dan zij zelf; om de nakomelingen een goed karakter te geven,beter, naarmate zij zelf op een hooger standpunt staat; om door haar buitengewone macht als moeder het menschenras te verbeteren; in een woord, om edeler menschen te maken.
Daarna is het de plicht der moeder, de mensch-moeder, om haar kinderen zoodanig op te voeden dat zij voltooit, wat met baren en zoogen slechts begonnen was. Zij moet haar kind negen maanden in haar lichaam, twee jaar in de armen en zoolang zij leeft in hart en ziel dragen. De opvoeding van het kind is een geduchte factor in de menschelijke voortplanting. Een goed moederschap moet in staat zijn deze groote functie goed te volbrengen. Te dien einde moet de vrouw steeds haar kennis verrijken, om de lichamelijke en geestelijke vermogens van het kind op de beste wijze te kunnen ontwikkelen, versterken en leiden, opdat elk geslacht, tot rijpheid gekomen, duidelijk te onderscheiden zal zijn van het voorafgaande, door een edeler, voller ontwikkeling, zoowel lichamelijk als geestelijk. Dat de menschheid slechts langzaam verbetert wordt hier niet ontkend; maar onze langzame verbetering toegegeven, vragen wij toch, is dit alles wat wij er van kunnen maken? En kan de verkregen winst toegeschreven worden aan verbetering van het moederschap?
Op beide vragen moeten wij neen antwoorden. Wanneer wij zien hoe sommige gezinnen verbeteren, terwijl anderen ontaarden en hoe onzeker en onregelmatig zulk een verbetering tot stand komt, dan weten wij ook dat wij grooter vorderingen zouden kunnen maken, indien alle kinderen diezelfde wijze zorgen en diezelfde goede leiding ontvingen die thans sommigen te beurt vallen. Wanneer wij verder zien hoe veel van onze verbetering op rekening gesteld moet worden van hygienische kennis, van openbare zorg voor onderwijs en gezondheidsvoorschriften,waarvan niets door moeders is tot stand gebracht, dan is men gedwongen toe te geven dat de vooruitgang van het menschenras niet uitsluitend aan het moederschap mag worden toegeschreven. De mensch-moeder doet minder voor haar jong, in absoluten zin en in verhouding, dan eenig ander soort van moeder op aarde. Zij zorgt noch voor voedsel, noch voor dekking, noch voor beschutting, noch voor verdediging van haar kind. Zij onderricht het niet meer dan de gewoonten en manieren, die in den familiekring en in haar beperkten maatschappelijken kring gebruikelijk zijn. De noodzakelijke wereldkennis, voor elk menschelijk wezen zoo onontbeerlijk, kan zij niet aanbrengen, want die heeft zij zelf niet verworven. Deze zorg en opvoeding ontvangt het kind uit andere handen en hersenen dan de hare. Ook de zorg en arbeid die de moeder aan het lichamelijk welzijn van haar kind besteedt geven haar geen aanspraak op superioriteit in het moederschap: dit is slechts een deel van ons idealiseeren van het hier behandelde onderwerp.
De vrouw van den armen daglooner heeft veel te veel ander werk te doen, dan dat zij al haar tijd aan de verzorging harer kinderen kan besteden. De vrouw van den rijkaard zou het kunnen doen, maar zij doet het niet, eensdeels wijl zij iemand huurt die het voor haar doet en anderdeels omdat ook zij andere plichten te vervullen heeft, die een groot deel van haar tijd in beslag nemen. In enkele op zich zelf staande gevallen laat een moeder alle andere werkzaamheden door anderen verrichten en wijdt haar krachten aan de voeding, kleeding, wassching, en voor zoo ver het kan ook aan de opvoeding van haar kind. Waar zulke gevallen zich voordoen moet nog bewezen worden, dat een zoo opgevoed kind uit deze onverpoosde toewijding van zijn moeder voordeel trekt.Integendeel, de beste hulp en opvoeding die een kind kan ontvangen komen voort uit de verzamelde kennis en de verschillende werkzaamheden van duizenden en duizenden behalve zijn moeder,—van de vaders van ons ras.
Uit de zorg voor en de opvoeding van het kind, zooals die door de moeder gegeven wordt, blijkt niet dat het menschelijk moederschap in een of ander opzicht den voorrang verdient. Vergelijken wij de vrouw eerst in haar voortplantings-processen rechtstreeks met andere dieren, dan vervult zij deze functie niet zoo gemakkelijk en goed. Vergelijken wij daarna de opvoedings-processen der vrouwen onderling, deweinigeeenigszins bekwame moeders met develebedroevend onbekwamen, dan schijnt het dat zij in dit opzicht, zoo mogelijk, nog meer te kort schieten dan in de eerstgenoemde hoedanigheid. De vooruitgang in de menschelijke opvoeding, voor zoo ver die bestaat, is niet verworven en wordt niet uitgedeeld door de moeders, maar door mannen en ongehuwde vrouwen; en in de vervulling van het menschelijk moederschap bewijst niets, dat het in het belang van het ras is dat de vrouwen al haar tijd daaraan besteden. Door al haar tijd daaraan te besteden, heeft de vrouw noch de kwantiteit, noch de kwaliteit verbeterd. De vrouw die werkt plant meestal beter voort, dan de vrouw die niet werkt. En de vrouw die niet werkt, is daarom geen beter opvoedster.
Een planeetbewonende socioloog, die eens het menschelijk leven kwam bestudeeren en dan voor de eerste maal hoorde van onze zoogenaamde “moederlijke opoffering” als middel om het ras te verbeteren, zou door dat denkbeeld getroffen kunnen worden en onder den indruk er van komen. “Hoe prachtig!” zou hij uitroepen. “Hoe buitengewoon aandoenlijk en teeder! De eene helft van de menschheid doet afstand van alleandere menschelijke belangen en werkzaamheden om al haar tijd, kracht en toewijding te kunnen concentreeren op de functiën van het moederschap! Het verheven ras te baren en op te voeden, waartoe zij zelf nooit ten volle kan behooren! Eeuwig plaatsvervangend te leven door hare zonen, want hare dochters zijn slechts een andere plaatsvervangende schakel! Wat een edel en hoogstaand martelaarschap!” Daarna zou hij nauwkeurig onderzoeken welk systeem gevolgd werd om deze verheven toewijding van het halve ras voor het voortbestaan van de andere helft tot stand te brengen en te volmaken. Hij zou met innige en hartstochtelijke belangstelling den eindeloozen stoet meisjes naoogen, die even als hunne broeders als mensch geboren werden, doch die onmiddellijk lager gemerkt werden met “vrouwelijk—onvolmaakt type—alleen dienstig om mannen voort te brengen.” Hij zou veronderstellen dat dit “geslacht gewijd aan weder voortbrengende benoodigdheden”, doch niettemin begiftigd met menschelijk bewustzijn en verstand zich om deze reden grootsch zou verheffen en er naar streven zich zelf in elk opzicht voor dit groote werk geschikt te maken. Hij zou meenen een maatschappij te vinden die deze opoffering betreurt, doch die het gezegende wezen, wier leven moest opgeofferd worden voor het leven van anderen, boven alles vereert en alle geschikte middelen aanwendt om haar voor haar edele taak op te voeden en zoo goed mogelijk voor te bereiden. Helaas, welk een ontnuchtering zou de planeetbewonende socioloog met zijn geheel natuurlijke verwachtingen ondervinden. Na zijne onderzoekingen geeindigd en daarbij niets van al deze dingen gevonden te hebben, zou hij naar Mars of Saturnus terugkeeren, of van welke andere planeet hij kwam en zich verbazen over de grenzenlooze dwaasheid der menschen.
Indien de positie der vrouw gerechtvaardigd kan worden door de leer dat de zorg van de moeder voor het kind die vereischt, dan zou toch zeker de maatschappij, of het individu, of beide, daarvoor eenige voorbereiding noodzakelijk achten. Maar van voorbereiding is geen sprake. De maatschappij erkent zulk een functie niet. Somtijds zijn er premiën betaald voor een groot aantal kinderen, maar die werden aan de vaders betaald. De nauwkeurig saamgestelde sociale inrichting, welke onze huwelijksmarkt vormt, bezit geen afdeeling waarbij het moederschap gesteund of bevorderd wordt. Zij staat er integendeel vijandig tegenover, zoodat in ons maatschappelijk leven het moederschap gelijk staat met direct nadeel en door degeen die zich aan maatschappelijken arbeid wijdt vermeden wordt. En het individu? Dit neemt zeker goede voorzorgen? Jonge vrouwen, roem dragende op haar aanstaande plichten, haar heilig en onvervreemdbaar ambt, haar groot geslachts-martelaarschap in het belang van het ras, zullen zich zeker voor dit werk plechtig voorbereiden? Wat zien wij evenwel? Onze jonge vrouwen laat men volkomen onbewust van hun toekomstig moederschap, ja hun levenswijze benadeelt dit zeer dikwijls; zij zijn met betrekking tot het moederschap onbetrouwbare, onwetende, onverschillige wezens. Zij worden opgevoed niet voor het moederschap doch om de andere sekse voor een economisch doel of op zijn best voor wederkeerig genot aan te trekken. Zij worden in volslagen onwetendheid van haar veronderstelde voornaamste plichten groot gebracht, en weten niets van deze plichten voor zij ze moeten vervullen.
Iets dergelijks zou ’t zijn als alle menschen eens soldaten moesten worden, wien men het lot der natiën in handen gaf en niemand een woord met hen zou sprekenover oorlog of militairen dienst, totdat zij het slagveld betraden!
De opvoeding van jonge vrouwen bevat geen afdeeling voor het moederschap! Men beschouwt het als ongepast om deze gewijde functionaris eenige voorafgaande kennis van hare heilige plichten te geven. Deze belangrijkste en bewonderenswaardigste van alle menschelijke functiën is eeuw in eeuw uit in handen gelaten van in dat opzicht absoluut onwetende vrouwen. Men heeft stilzwijgend verondersteld dat die functie tot stand werd gebracht door die mysterieuse werking welke wij gewoonlijk “het heilig instinkt van het moederschap” noemen. Moederlijk instinkt is een zeer achtenswaardig en nuttig instinkt dat aan de meeste dieren eigen is. Het is “heilig” en “goddelijk”, zooals alle wetten der natuur heilig en goddelijk zijn, maar het is dit alleen wanneer het zijn ware roeping vervult. Indien de processen tot ras-behoud voor heiliger gehouden worden dan de processen tot zelf-behoud, dan moeten wij voor alle functiën en vermogens der voortplanting denzelfden graad van eerbied aannemen,—de hartstocht van den man voor de vrouw even hoog schatten als de hartstocht van de moeder voor het kind. Indien wij nog verder willen gaan en de processen van ras-behoud het meest willen vereeren in hun laatste en hoogste phase, welke ook de eenige maatstaf is die op een natuurlijken grondslag berust, dan moeten wij de groote, belanglooze maatschappelijke functie van opvoeding ver boven de zelfzuchtige, individueele moederlijke functie van baren en verzorgen plaatsen. Moederlijk instinkt, enkel als een instinkt, is onze bijgeloovige vereering niet waard. Het moet alleen beschouwd worden als een middel tot een doel en in evenredigheid tot zijn gevolgen gewaardeerd worden.
Bij dieren die slechts weinig verstand hebben heefthet instinkt zijn toppunt bereikt en werkt goed. Bij wilden die ook geen groote intellectueele ontwikkeling bezitten, neemt het een groote plaats in. Bij de dieren verzorgt de moeder haar jongen geheel instinktmatig, bij de wilden bijna geheel, doch geholpen door de traditiën van haar stam, den opvoedenden invloed van vereeniging en eenig rechtstreeksch onderricht. Doch naarmate de menschheid vooruitging, samengestelder en afwisselender werd, en naarmate het menschelijk verstand zich genoeg ontwikkelde om nieuwe functiën en nieuwe behoeften te scheppen, verminderde het instinct in waarde. Het menschelijk wezen verbetert niet en gaat niet vooruit door zijn dierlijk instinkt, maar door de wijsheid en macht van een aangekweekt verstand en een aangekweekten wil, welke hem in staat stellen zijn handelingen te leiden, zijn instinkten te beheerschen en te wijzigen, opdat deze niet hem zullen regeeren.
De vrouw die verzuimd heeft deel te nemen aan de zich steeds uitbreidende werkzaamheden, waardoor het verstand van den man zich ontwikkelde, die tevens in gebreke bleef haar wilskracht te oefenen, wat enkel door vrijheid en macht kan geschieden, heeft dientengevolge tot op heden de rudimentaire krachten van het instinkt gehandhaafd. Door haar overdreven opgaan in het geslachtsleven, loopt deze invloed van het instinkt hoofdzakelijk langs geslachts-lijnen, en vindt vrijen toegang tot de processen van het moederschap, waar hij dan ook onafgebroken geheerscht heeft. Zoo worden de menschen-kinderen nu nog geboren in de armen van een eindelooze schare ongeoefende moeders, die voor de zorgen en opvoeding hunner kinderen noch opleiding voor, noch ondervinding in dat grootsche werk medebrengen; zij bezitten alleen de krachtig opeengestapelde macht vaneen ruw instinkt, den blind vertrouwenden hartstocht van de moeder voor het kind. Moederlijke liefde is een enorme kracht, maar kracht heeft leiding noodig. Alleen liefde voor het kind beteekent voor dat kind niets, tenzij bepaalde daden deze liefde doen kennen. Welke die daden zijn en hoe zij worden uitgevoerd, daarvan hangt voor het leven van het kind alles af.
Merk eens op hoe nutteloos de hulpelooze moederlijke liefde en het moederlijk instinkt is bij de eenvoudige handeling der voeding van het kind. Tot de orde der zoogdieren behoorende, wenscht de moeder instinktmatig haar kind te zoogen. (Bij sommige overbeschaafde vrouwen bestaat zelfs die wensch niet meer). Dit instinkt heeft haar echter niet de levensgewoonten aan de hand gedaan die haar in staat stellen deze natuurlijke functie te volbrengen. En waar de natuurlijke functie faalt, van welk verder nut kan het instinkt haar dan zijn bij de voeding van het kind? Het kan toch niet beslissen tusschen Marrow’s Food en Nestlé’s kindermelk, tusschen Socklet en bussemelk, tusschen papbeschuit en alle andere soort kindervoedsel, dat bereid en op de markt gebracht wordt door mannen! Deze surrogaten worden niet bereid door moederlijk of vaderlijk instinkt, maar door chemische analyse en physiologische studie; de gevolgen er van op het kinderlijk lichaam worden opgemerkt en het diëet vastgesteld door doctoren, die hun werk ook niet verrichten door instinkt.
Indien het fleschkindje het verlies van de moederborst overleeft en het zoover brengt dat het mee eet uit den pot, is dan het moederlijk instinkt misschien in staat het geschikte dieet voor hem vast te stellen? Laat de doctor en het kerkhof hierop antwoorden.
Het groote, uitgebreide veld van mannelijke werkzaamheden in het belang der kleine kinderen, vanhet eigenaardig menschelijk verschijnsel van mannelijke hulp bij de baring, (er bestaat nog één dier, de obstetrische kikvorsch, waar dit ook voorkomt), tot de fabriekmatige arbeid van voedsel, kleeding, bescherming, vermaak, en onderricht voor het kind, bewijst dat het moederlijk instinkt bij de vrouw ten eenenmale ontoereikend is. Maar er wordt ook nog iets anders door bewezen, nl. dat de vrouw misdadig in gebreke blijft om op een verstandige wijze in datgene te voorzien waarin het instinkt niet langer voorziet. Een met rede begaafd, bewust wezen, dat de verantwoordelijkheid draagt voor het behoud van het menschelijk ras en zich voor die taak niet op de beste wijze voorbereidt, alvorens haar te aanvaarden, is erger dan zorgeloos.
Vóórdat een man een handel, ambacht of beroep aanvaardt, bereidt hij zich voor. Hij bekwaamt zich voor de taak die hij op zich neemt. Hij zou voor een bedrieger gehouden worden, indien hij werk ondernam waarvoor hij niet bekwaam was en de mislukking zijner onderneming zou hem met schande en spot overladen. In de gewichtiger beroepen, vooral in die waar gebrek aan de noodige kennis “levensgevaar” voor anderen medebrengt, bijv. kapitein van een schip, machinist van een trein, doctor of apotheker, wordt niet alleen vereischt dat men zijn vak bestudeerd heeft, maar dat men door een examen bewijst de noodige kennis te hebben opgedaan, en alleen bij voldoende bekwaamheid wordt als bewijs daarvan een getuigschrift, diploma of somtijds een geloofsbrief uitgereikt, waardoor aangetoond wordt dat aan den houder verantwoordelijkheid voor het behoud van menschenlevens kan worden toevertrouwd.
Vrouwen aanvaarden een positie waarin zij de verantwoordelijkheid voor het leven of den dood van het geheele menschenras op zich nemen, zonder voorafgaandestudie of ondervinding, zonder zelfs een schijn van voorbereiding of waarborg van bekwaamheid. Voor zoover zij nog eens over hun nieuwe plichten denken, zijn zij dwaas genoeg te veronderstellen dat het geheimzinnig “moederlijk instinkt” hen er wel door zal helpen. Kennis als die noodig mocht blijken, zullen zij wel opdoen, zoodra de tijd daar is. Ondervinding krijgen zij onderwijl de kinderen komen van zelf. “Ik veronderstel dat ik wel weet hoe kinderen behandeld moeten worden!” roept de gebelgde grootmoeder uit, die om raad gevraagd wordt. “Ik heb er reeds zeven op het kerkhof.” Het record van het ongeoefend moederlijk instinkt in het menschenras kan men vinden in de reeksen en reeksen kleine grafsteenen welke onze kerkhoven vullen. De ondervinding die door de behandeling van het kind verkregen wordt, wordt dikwijls met het kind begraven.
Neen, de leer dat de verzorging van het kind de positie der vrouw rechtvaardigt, kan het licht van onderzoek niet verdragen. De mensch-vrouw die zich geheel wijdt aan de voortplanting, alle persoonlijke werkzaamheden, elke eervolle onafhankelijkheid, alle nuttige en voortschrijdende economische diensten opgeeft om zich glorieus te wijden aan de plichten van het moederschap, kan op weinig resultaten bogen, die haar positie zouden kunnen rechtvaardigen. Noch het enorme hooge sterftecijfer der kinderen, noch de gemiddelde slechte gezondheidstoestand van diegenen die in het leven blijven, noch de lichamelijke, noch de geestelijke vooruitgang van het ras leveren eenig bewijs dat de moederlijke toewijding ten voordeele komt van het ras.