XNiettegenstaande het superieure moederschap van de mensch-vrouw zoo moeilijk te bewijzen is en het door de onvoldoende, ongeregelde en pathologische resultaten een open veld voor zware aanvallen van kritiek oplevert, blijft toch ons heilig geloof, onze eerbied, onze ongeschokte overtuiging dat het de eenige volmaakte zaak op aarde is, onaangetast. De feiten, die onze zorgeloosheid en onwetendheid in het volbrengen van deze functie aantoonen, vallen niet te ontkennen; de groote kindersterfte en de vele kinderziekten,—namelijk die welke door de doctoren in de rubriek: “ziekten die voorkomen kunnen worden” zijn opgenomen,—deze fouten en gebreken met doodelijke gevolgen nemen wij overal waar, maar wij tellen ze allen niet, of stellen ze op rekening van alle mogelijke oorzaken, behalve op die van een onvoldoend moederschap.Een van de meest gebruikte verontschuldigingen van hen, die inderdaad meenen dat verontschuldiging noodig is, is deze, dat de vader voor deze omstandigheden moet gelaakt worden. Reeds is vroeger gezegd dat zijne ondeugden het lichaamsgestel van het ras verzwakken. Maar zijne tekortkoming in dezen verhindert de moeder niet het kind voldoende te verzorgen. De vader wordt verantwoordelijk gesteld voor al het kwaad dat wij in onze kinderen opmerken; en niettemin vereeren wij de moeder voor het physisch proces een kind van zoo’n man ter wereld te brengen,—thans als een heldendaad beschouwd,—en voor “de toewijding” welke zij er lateraan schenkt, afgezien daarvan of die toewijding wijs is en werkelijk geschonken wordt. Een gezond en onafhankelijk moederschap zou er niet aan denken voor het goed volbrengen van zijn natuurlijke functiën meer geprezen te willen worden dan een kat voor het ter wereld brengen van haar poesjes of een schaap van haar lammeren. Het bekende feit dat de vrouwen uit de lagere maatschappelijke rangen meer kinderen baren en ze gemakkelijker ter wereld brengen dan de vrouwen uit de hoogere kringen, moest eigenlijk aan deze dwaze aanmatiging een einde maken, maar het doet het niet. Hoe meer de vrouwen zich zelf en hun kroost verzwakken, hun eigen leven in gevaar brengen door verkeerde gewoonten, des te meer moeite, gevaar en onkosten zijn er aan dit natuurlijk proces verbonden, en des te meer beroemen de vrouwen er zich in allen ernst op en nemen den lof van anderen in ontvangst voor de heldhaftige zelfopoffering met welke zij hun leven (en dat van hun babies!) voor het behoud van het menschdom wagen. Wat den vader en zijn aandeel in de slechte gevolgen betreft, niets van hetgeen hij ooit gedaan heeft of nog kan doen, ontslaat het moederschap van zijn eerste verantwoordelijkheid.Veronderstel eens dat het wijfje van een ander diersoort haar plicht tegenover haar ras om een goeden echtgenoot te kiezen niet telde, dat zij ging paren met schurftige, tandelooze kreupelen,—indien zij zulke rasgenooten had,—en daardoor zwakke, misvormde jongen voortbracht, die haar ras hielpen uitroeien, zou zij dan het mannetje voor de gevolgen aansprakelijk stellen? Een geheele sekse, uitsluitend bestemd voor moederlijke functiën, welke zoo hoog geschat worden dat het gemis aan economische waarde der vrouwen er door gerechtvaardigd zou worden, moest in den loop destijds geleerd hebben, hoe men geschikte vaders moet kiezen. Indien de mensch-moeder alleen door de hulp van een ander persoon haar kinderen kan voeden en behoeden, een voeder en beschermer van wien hun leven en veiligheid afhangt, welke natuurlijke, maatschappelijke of zedelijke verontschuldiging heeft zij dan, om daarvoor niet den rechten man te kiezen?Maar hoe kan een jong meisje weten wie een goede aanstaande vader is, vraagt men? Dat zij door hare opvoeding hiertoe niet in staat wordt gesteld, bewijst reeds haar ongeschiktheid voor haar grootsche taak. Dat zij er niet over nadenkt en er geen belang in stelt, bewijst haar schandelijke onverschilligheid voor dien grooten plicht. Zij kan in geen geval de verantwoordelijkheid der misdadige zorgeloosheid, om een goeden vader voor haar kinderen te kiezen, ontduiken, tenzij er inderdaad geen keuze was, en er geen goede mannen op de wereld bestonden. Bovendien zijn wij niet verplicht om deze moeilijke keuze aan jonge meisjes over te laten. Het moederschap is het werk van volwassen vrouwen, niet van halve kinderen; wanneer wij eerlijk zooveel voor het moederschap gevoelen als wij voorwenden, dan zullen wij de vrouw voor haar taak, niet het meisje voor haar bedriegelijke kunstgrepen om zich een verzorger te verzekeren, opvoeden. Wij spreken over de edele moederplichten, maar onze dochters worden groot gebracht voor een economisch goed huwelijk.Wanneer wij dit veld van den moederplicht voor een goede teeltkeus verlaten, dan komen wij op het veel uitgebreider terrein, waarheen de volksgeest ons in triomf heenleidt; dáár waar het later werk van de moeder bewijst hoe goed de arbeidsverdeeling naar het geslacht in ons ras voldoet, dat in de verzorging van het kind, de opvoeding van het kind, het heerlijk huiselijk en familieleven aangetoond wordt, hoe goed ons systeem werkt.Dit is de laatste vesting. Stevig verschanst zit hier de volksmeening, veilig in het heilig gebied van den huiselijken haard. “Eigen haard is goud waard.” En de vensters worden gesloten om de lucht buiten te houden. De gordijnen worden neergelaten om het licht buiten te houden. De deuren worden gegrendeld om den vreemdeling buiten te houden. Binnen brandt het haardvuur en zetelt de hoogepriesteres, de kiem van menschelijke samenleving,—het gezin te huis.Onze tronen zijn verwoest en hebben plaats gemaakt voor zetels van tijdelijke presidenten. Onze kerken hebben het moderne licht opgevangen en de reuk van heiligheid werd verfrischt met zachte zonnige lucht. In deze oude heiligdommen kunnen wij zien dat er plaats is voor verandering, maar in het heiligdom van het tehuis niet. Zóó nauw is deze tempel en zijn rechten met de diensten der onderworpen vrouw saamgeweven, zijn altaar eischt zóó haar onophoudelijke opoffering, dat wij ons het menschelijk leven op een andere leest geschoeid, onmogelijk kunnen voorstellen. Wij huiveren bij de gedachte dat er kans bestaat eenige van deze oude en heilige gebruiken te verliezen. Zonder dezen gezegenden achtergrond van alle onze herinneringen en den voorgrond van alle onze hoop schijnt het leven inderdaad ledig. Wij worden allen tehuis geboren. Wij sterven allen tehuis, of hopen er te sterven. Wij allen werken voor een tehuis, in huis of er buiten. Het tehuis is het middenpunt en de grens, het begin en het einde van de meesten onder ons. Wij hebben het lief met een liefde, ouder dan het menschenras. Wij vereeren het met de blinde gehoorzaamheid uit die vroege eeuwen, toen deze vereering een aanvang nam. Wij hechten er ons aan met de vasthoudendheid van het meest oorspronkelijk instinkt onzer dierlijke natuur, en met de geestdrift van elk laatstewoord in het onafgebroken loflied dat wij er aan wijden, sedert wij het voor het eerst leerden prijzen.Wanneer wij meenen dat ons huiselijk leven, juist zooals wij het hebben ingericht, de beste zaak op aarde is, en dat dit leven op zijn minst een heele vrouw voor ieder gezin eischt, doch gewoonlijk meer, dan volgt hieruit dat ieder die de positie van de vrouw tracht te veranderen, beschouwd wordt als iemand die “het gezin ondermijnt”, “de grondslagen van het familieleven aantast” en daarvan willen wij niets weten. Indien wij, wanneer getracht wordt het moderne vaandel van vrij denken en vrij spreken ingang te doen vinden, luisteren en, voor een oogenblik onzen afgod ter zijde stellende, tot den moedigen beeldstormer zeggen: “Toon ons iets beters”, met welk een grenzenlooze bespotting begroeten wij dan zijn voorgestelde verandering! Toch wordt overal om ons heen deze toren, dit kasteel van verdwijnende traditie, moeilijker te verdedigen of goed te onderhouden. Wij stutten het op nieuw met elke generatie; wij hebben zijn krakende en afbrokkelende hoeken lief; wij drapeeren en behangen ze met eindelooze versierselen; wij verbergen de boven ons opdoemende gevaren met frissche wierookwolken; en wij eischen van de zoogenaamde verbeteraars en hervormers dat zij eerst de wenschelijkheid van hunne roekelooze plannen aantoonen, alvorens zij den hamer opheffen. Doch wanneer zij ons hunne plannen toonen, lachen wij hen uit.Het is een moeilijk geval. De aandacht op bestaande toestanden te vestigen en hun verhouding tot bestaande verschijnselen vast te stellen, is nog niet hetzelfde als uit te maken in hoever een veranderde toestand nieuwe verschijnselen zal medebrengen en hoe deze verschijnselen ons ten goede zullen komen. Toch moet deze taak steeds vervuld worden, wil hetmenschenras bewust voorwaarts schrijden. Zoolang de vooruitgang onbewust tot stand kwam, was het voldoende dat zekere individuen en volksklassen langzamerhand de nieuwe verhoudingen in het sociaal evolutieproces aannamen en dat zij hunne nieuwe levensomstandigheden den tegenstribbelenden behoudzuchtigen, die zich niet ontwikkeld hadden, opdrongen.In den nog niet zoo lang geleden overgang van het leenstelsel naar de monarchie, werd er geen tijd verspild met de poging om den koppigen adel te overreden, of hen van hun nationalen plicht te overtuigen. De toenemende macht van den koning bestreed en overwon de verminderende macht van den adel,—dat was alles. Had men toen een boek geschreven om op de verandering aan te dringen, het kon de gebreken van het leenstelsel duidelijk genoeg bewezen hebben; maar wanneer het getracht had den zegen van nationalen vrede en macht onder één enkelen heer te schilderen, zou het weinig indruk gemaakt hebben. Nationale vrede en macht, tot op dien tijd niet bestaanbaar, zou op de machtige grondeigenaren, wier eenig denkbeeld van vrede en macht was hun ootmoedige naburen onderworpen te houden, geen invloed gehad hebben. Had hun kracht toen geschuild in argumenteeren, dan zouden zij de “zullen worden’s” en “zal zijn’s” van den schrijver bespot hebben en hem hebben uitgedaagd om te bewijzen dat de nieuwe toestand door de nieuwe processen tot stand zou komen, en dat zou zeer zeker moeilijk geweest zijn.Zoo is het ook thans met het in twijfel trekken van den economischen staat der vrouw en haar positie in huis en gezin; het is veel gemakkelijker de tegenwoordige gebreken dan de toekomstige verbetering aan te toonen. Toch wordt dit juist verlangd. Er wordt vanden pleiter voor maatschappelijke hervorming niet alleen geëischt dat hij de tevreden volgers van het tegenwoordig systeem overtuigt dat dit niet deugt, maar hij moet hun ook afdoende bewijzen dat eenig ander stelsel beter is. Dit is in den aard der zaak onmogelijk. Wanneer menschen tevreden zijn, dan kan men ze niet doen gevoelen dat wat is niet deugt of dat iets anders beter is. Zelfs de ontevredenen willen veel liever hun bezwaren op den een of anderen persoonlijken factor schuiven, dan toegeven dat hun toestand, als een geheel, onvermijdelijk het algemeene euvel voortbrengt waarin zij deelen. Zelfs indien zij overtuigd worden dat een veranderde toestand de bron van nadeel zal wegnemen, zijn zij bang, evenals de vos met den zwerm vliegen, gestoord te zullen worden en vreezen in nog slechter toestand gebracht te worden dan voorheen. Met deze onvermijdelijke bezwaren voor oogen moet evenwel de taak ondernomen worden.Voordat wij beginnen, moeten wij twee dingen vooropstellen en het daarover eens zijn. Vooreerst dat vooruitgang, ontwikkeling, de plicht van het menschelijk leven is, dat wij hier niet alleen zijn om te leven, maar om te worden,—niet tevreden mogen zijn met halve beschaving, noch met beginnende ontwikkeling, maar dat wij door alle eeuwen heen hebben te arbeiden om steeds edeler levensvormen op te bouwen, waarheen de sociale evolutie leidt. Indien dit niet geloofd wordt, indien iemand meent dat met de soort in het leven te houden en voort te planten de grens van onzen menschelijken plicht bereikt wordt, dan moet zoo iemand dit boek niet verder lezen. Dit doel kan bereikt worden en is eeuwenlang door allerlei vormen van geslachts-verhouding en economische verhouding bereikt geworden. Menschelijke wezens hebben geleefd enkinderen groot gebracht, evengoed als hunne ouders in vrije liefde en luiheid, in gedwongen polygamie en slavernij, in vrijwillige polyandrie en werkzaamheid en in monogamieplusprostitutie en fabrieken. De betrekkelijke superioriteit van eenig stelsel, hetzij dit gebaseerd is op het geslachtsleven of steunt op economische grondslagen, wordt niet bewezen alleen door dat men leeft en kinderen voortbrengt. Indien wij aannemen dat leven beteekent vooruitgang, dan moet elke opvolgende vorm van geslachts-verhouding en economische verhouding naar zijn invloed op den vooruitgang beoordeeld worden.Het zal hier noodig zijn om eerst een definitie van menschelijken vooruitgang te geven. In overeenstemming met de algemeene wet van organische evolutie, kan zij aldus luiden: menschelijke vooruitgang beteekent zulk een ontwikkeling van het individu en zijne sociale verhoudingen als noodig is, om zijn gezondheid en geluk te handhaven en de organische ontwikkeling der maatschappij te doen toenemen.Wanneer wij deze definitie van menschelijken vooruitgang aannemen, indien wij het er over eens zijn dat streven naar vooruitgang de maatschappelijke plicht is en dat alle maatschappelijke instellingen hiernaar beoordeeld moeten worden, dan kunnen wij tot onze tweede premisse overgaan. Deze is in belangrijkheid niet aan de eerste gelijk; zij moest zóó door iedereen begrepen en aangenomen zijn, dat het niet noodig was haar op den voorgrond te brengen. Maar zij wordt niet door iedereen begrepen en aangenomen. Feitelijk wordt zij zóó dikwijls misverstaan en geloochend, dat eigenlijk geen verontschuldiging behoeft te worden aangeboden dat er hier op gewezen wordt.De tweede premisse is: als wij genot door ietssmaken, bewijst dit nog niet dat dit iets juist en goed is. Zelfs onze liefde, bewondering, eerbied voor iets bewijst nog niet dat zoo iets juist en goed is, en uit een evolutionair oogpunt is zelfs onze meening, dat iets “natuurlijk” is, nog geen bewijs dat het juist en goed is. Iets kan juist en goed zijn in het eene evolutie-stadium en slecht worden in een ander. Bijvoorbeeld, vrije liefde is “natuurlijk”; het menschelijk dier, evenals vele andere diersoorten, voelt zich er zeer gemakkelijk toe geneigd. Maar door sociale evolutie is bewezen dat monogamie juist en goed is; dat door monogamie de maatschappelijke verhouding in het menschelijk ras het meest vooruitgaat; maar het is niet zoo “natuurlijk” als men wel wenschen zou.Keeren wij tot onze tweede premisse, die nog al omvangrijk is, terug, dan moeten wij aantoonen dat het nog geen bewijs is dat iets juist en goed is, wanneer het “natuurlijk” is en genot verschaft. Het spreekt van zelf dat dit niet belet om juist en goed te zijn. Goede dingen kunnen genot verschaffen, kunnen bemind, bewonderd en geëerbiedigd worden, kunnen zelfs “natuurlijk” zijn, maar dat kunnen slechte dingen ook. Zelfs dat bovenmenschelijk vermogen, genaamd instinkt, is dan alleen een trouwe gids waardoor wij ons kunnen laten leiden, wanneer de omstandigheden aanwezig zijn, die dat instinkt oorspronkelijk ontwikkeld hebben. Het instinkt, waardoor thans een huis-hond drie keer ronddraait, voordat hij in zijn mand gaat liggen is geen groote bewondering waard, ofschoon het in degrasvlaktenen in de bebladerde holten, waar het dier oorspronkelijk opgroeide, zijn nut had. Indien deze twee premisses toegegeven zijn, dat het de plicht van het menschenleven is naar vooruitgang te streven en dat een gegeven toestand niet noodzakelijk juist en goedbehoeft te zijn, omdat wij er van houden, dan kunnen wij verder gaan.Is de tegenwoordige wijze van huiselijk leven, gegrondvest als zij is op de economische afhankelijkheid der vrouw van de geslachts-verhouding, het best berekend om de gezondheid en het geluk van het individu te waarborgen en in hem de hooger maatschappelijke hoedanigheden te ontwikkelen? De gezondheid en het geluk van het individu worden niet gewaarborgd, dat ziet iedereen; en hoe weinig de maatschappelijke hoedanigheden van de individuen worden ontwikkeld, blijkt duidelijk uit hunne vele afwijkingen en uit de verspilling van krachten in ons tegenwoordig economisch stelsel.Economische onafhankelijkheid der vrouwen brengt noodzakelijk een verandering van de huishouding en het gezin mede. Doch indien deze verandering in het belang van het individu of het ras is, behoeven wij haar toch niet te vreezen. Zij sluit geen verandering in de huwelijksverhouding in, afgezien daarvan, dat het element van economische afhankelijkheid er uit verwijderd wordt; ook niet in de verhouding van moeder tot kind, behalve dat die er door verbeterd wordt. Zij brengt evenwel mede dat vrouwen zich in menschelijke werkzaamheden bekwamen, die echter meer ten bate der maatschappij dan der huishouding komen. Hiervoor wordt natuurlijk een andere leefwijze vereischt dan die wij nu volgen. De in zwang zijnde voedingsmethode der wereld door middel van millioenen eigen dienstboden, en het groot brengen der kinderen door dezelfde handen zal dan blijken onmogelijk te zijn.Het is een droevig feit dat de groote meerderheid van onze kinderen groot gebracht en opgevoed worden door eigen dienstboden, gewoonlijk wel hunne moeders, zekerlijk, maar die toch van beroep dienstbode zijn. Detegenwoordige staat der vrouw als particuliere dienstbode moet noodzakelijk in botsing komen met haar positie als voortbrengster, als een factor in de economische bedrijvigheid der wereld. Huismeesteres kan zij blijven, in den zin dat zij haar huishouding regelt en leidt, maar huishoudster of dienstbode kan zij niet zijn en tegelijkertijd iets anders. Haar positie als moeder zal eveneens veranderen. Moeder in den zin van draagster en grootbrengster van edele kinderen kan zij zijn en wel het best, en als betrekking waarschijnlijk het meest gewaardeerd en het liefst; maar moeder in den zin van uitsluitend individueele kindermeid en kinderjuffrouw kan zij niet zijn en tegelijkertijd iets anders.Hier is juist het punt waar de wereld halt roept. Niets kan voortreffelijker zijn, zegt zij, dan onze huisgezinnen met hunne schoone priesteressen. Niets kan voor kinderen beter zijn dan de voortdurende zorg van hun eigen moeders. Het zijn weder dezelfde argumenten als van den adel in het feudale tijdperk. Wij kunnen misschien overtuigd worden van de gebreken der bestaande toestanden, maar wij kunnen niet overtuigd worden van de kans op verbetering. Niettemin kunnen wij het probeeren.Laat ons eens bedaard gaan zitten en een beter soort van moederschap bedenken dan dat van individueele kindermeiden, een betere manier om de wereld te voeden, te kleeden, te reinigen dan door eigen dienstboden.Nu hebben wij onze tweede premisse noodig, want wij vinden de toestanden, zooals zij zijn, aangenaam; (dat wil zeggen, sommigen van ons vinden dat somtijds en de overigen verbeelden het zich). Wij hebben ze lief, bewonderen en eerbiedigen ze en het is zoo “natuurlijk” ze zoo te hebben. Indien nu aangetoond kan worden dat het voor den menschelijken vooruitgang beter isdat wij anders handelen, dan bewijst dit toch dat deze andere handelwijze de juiste is; en dan moeten wij leeren zulk een handelwijze te vereeren, lief te hebben, te bewonderen zoo veel wij kunnen, dan zullen wij na verloop van tijd haar ook “natuurlijk” vinden. Indien aangetoond kan worden dat het voor onze kleine kinderen beter zou zijn, dat zij een gedeelte van den dag aan andere verzorging dan die van hunne moeders waren toevertrouwd, dan zou die andere verzorging de juiste zijn en dan zou de plicht van het moederschap medebrengen, daarin te voorzien. Indien aangetoond kan worden dat aan onze persoonlijke behoeften, aan voeding, kleeding, reinheid, warmte, huisvesting, afzondering, beter kan voldaan worden door eenige andere methode dan die, welke één vrouw of meer voor elk gezin vereischt, dan zou het de plicht der vrouwen zijn om zulk een methode te zoeken en toe te passen.Misschien is het de moeite waard om onderwijl den aard van ons gevoel voor die maatschappelijke instelling, genaamd “het gezin” en de wijziging die het waarschijnlijk ondergaat door de verandering in den economischen staat der vrouw, te onderzoeken.Huwelijk en gezin zijn twee instellingen, niet één, zooals gewoonlijk verondersteld wordt. Wij verwarren het natuurlijk resultaat van het huwelijk, kinderen—een resultaat dat aan alle vormen van geslachtsvereeniging eigen is,—met gezin, dat een zuiver maatschappelijk verschijnsel is. Het huwelijk is een vorm van geslachts-vereeniging die door de maatschappij erkend en gesanctionneerd is. Het is een verhouding die, in overeenstemming met de gewoonten van het land, tusschen twee of meer personen bestaat en die wederzijdsche verplichtingen in zich sluit. Ofschoon wij er een economische verhouding van gemaakt hebben, is zij dit tochin werkelijkheid niet en zij zal een veel hoogere voldoening schenken, zoodra wij de economische phase er van ontwassen zijn.Het gezin is een maatschappelijke groep, een geheel, een kleine staat. Het neemt een voorname plaats in de evolutie der maatschappij in, geheel afgescheiden van zijn verband met huwelijk. Er is een tijd geweest waarin het gezin de hoogste vorm van maatschappelijke verhouding was,—eigenlijk de eenige vorm,—toen bestond er in het brein van de landelijke, aartsvaderlijke stammen nog geen begrip van iets zoo groot als vaderland, staat of natie. Voor hen bestond er alleen een groot land bezaaid met gezinnen, elk gezin zijn eigen kleine wereld, waarvan Grootpa priester en koning was.Het gezin was een maatschappelijke eenheid. De leden hadden dezelfde belangen, die vijandelijk waren aan die van andere gezinnen. Zoo’n gezin trok de aarde over, gingwaarvoedsel te vinden was, vocht nu en dan met andere gezinnen voor gras en water, wanneer het daaraan behoefte had. Onoplosbare algemeene belangen vormen den grondslag voor een organische vereeniging en deze belangen hebben langen tijd op bloedverwantschap berust.Toen het menschelijk individu het best gevoed en behoed werd door het gezin, moest het natuurlijk een hoofd hebben, omdat daarvoor de stipte, onderlinge samenwerking van al de leden van dat gezin vereischt werd, en zoo ontstond die vorm van regeering die als de patriarchale bekend is. De natuurlijke familiebetrekking, zooals bij ouders en jongen van andere diersoorten gezien wordt, of bij ons in de latere vormen, sluit zulk een regeeringsvorm niet in; hij is alleen een eigenaardigheid van het gezin wanneer dit een sociale éénheid vormt.Tot het wezen van het patriarchale familieleven behoorde polygamie, en niet slechts polygamie, maar het openlijk concubinaat met een vrouwenslavernij, die bijna op hetzelfde neerkwam. Toen het gezin als een maatschappelijke instelling zijn toppunt van ontwikkeling bereikt had, nam het huwelijk als zoodanig een zeer laag standpunt in; in dien tijd was het huwelijk feitelijk nog maar gedeeltelijk aan de vroegere vrije verhouding van den primitieven wilde ontgroeid. Het gezin schijnt inderdaad een langzaam verdwijnend overblijfsel van de nog losser vereeniging der horden te zijn, welke weder nader tot de in kudden of troepsgewijs levende carnivoren stonden dan tot een organische maatschappelijke verhouding. Een losse, gemengde groep dieren vormt geen stam; en de meest primitieve groepen der wilden schijnen niets meer dan zoo iets geweest te zijn.De stam in zijn waren vorm volgt op het gezin, is er een natuurlijke uitbreiding van en ontleent zijn essentieele banden aan dezelfde verwantschap. Ook deze maatschappelijke vormen zijn nauw verbonden met economische omstandigheden. De horde was de jacht-éénheid; het gezin en later de stam was een herders-éénheid. De landbouw en wat daarvan het gevolg is, handel en fabrieken, hebben langzamerhand deze ruwe banden des bloeds verzwakt en de maatschappelijke verwantschap doen ontstaan, welke den Staat vormt. Vóór het herders-tijdperk nam het gezin geen belangrijke positie in en na dit tijdperk is het langzamerhand in verval geraakt. Met den vooruitgang der maatschappij zijn de menschelijke verhoudingen steeds minder op een persoonlijken of een sexueelen grondslag gaan rusten, maar meer en meer op onderlinge economische afhankelijkheid. Met een hoogere ontwikkelingder individuen werd ook een hooger vorm van huwelijk mogelijk.Het gezin is een verdwijnend overblijfsel van de vroegste, aan menschen bekende, groepeering. Het huwelijk is een toenemende ontwikkeling van hoog maatschappelijk leven, dat nog niet ten volle ontwikkeld is. In plaats van identiek te zijn met het gezin, staat het huwelijk in omgekeerde verhouding tot het gezin; het wordt beter en hechter, naarmate het gezin in waarde afneemt; dit is duidelijk waar te nemen in het groote contrast dat bestaat tusschen de huwelijks-verhouding van Jacob en zijne vrouwen en den niet te bedwingen wensch naar een levenslange monogame echtvereeniging, zooals die heden ten dage in onze harten opwelt. Gedurende het patriarchale tijdperk kon men zich van een huwelijk als een levenslange vereeniging van twee bij elkaar passende individuen, geen begrip vormen. Vrouwen hadden toen alleen waarde als kinderenvoortbrengsters. Het gezin had behoefte aan vele familieleden, voornamelijk mannelijke, daardoor verwierven de vrouwen met het in de wereld brengen van een mannelijk kind de hoogste gunst. Het gezin stond toen slechts weinig graden boven de horde. Zijn vereenigings-banden waren zeer los;—er was alleen een gemeenschappelijke vader, maar verschillende moeders met tegenstrijdige belangen. Zulk een grondslag verhinderde voor goed elke hoogere individualisatie, en hooger individualisatie, steeds vergezeld gaande met den wensch naar een hooger echtvereeniging, kan niet met een gezinsleven van eenige beteekenis gepaard gaan. Steeds steeg het huwelijk en ontwikkelde zich in maatschappelijke beteekenis, wanneer het gezin in waarde daalde en het gezinsleven minder werd.Het is zeer interessant dit op te merken bij de vestiging van Utah, die onder betrekkelijk gelijke omstandighedenplaats vond. De gemakkelijk gevoelde gemeenschappelijke belangen van veel menschen onder één hoofd, waardoor de polygame gezinnen zich onderscheiden, was een nuttige factor in deze groote baanbrekende onderneming. Met de verdere ontwikkeling dier maatschappij gevoelde men behoefte aan een vlottender, verstandiger, breeder opgevatte verhouding der individuen. Het gezin als een maatschappelijke éénheid, vormt een zwaarwichtig lichaam, dat uit eenigszins vijandige leden is samengesteld en waarbij een militaire regeling vereischt wordt, om het in zijn geheel te doen werken. Het is alleen nuttig zoolang het doel dat men er mede bereiken wil van eenvoudigen aard is en door de domste menschen begrepen kan worden. Het is gemakkelijk na te gaan, hoe het gezin door toeneming in aantal leden zich uitbreidde tot een stam, en dat in overeenstemming met dien groei de vader van het gezin veranderde in hoofd van den stam. Hoe daarna, door de steeds grooter wordende kracht der nationale éénheid de naam hoofd en de vorm stam niet meer toepasselijk waren en door de hoogere eischen aan de geslachts-verhouding gesteld, die met de primitieve economische behoeften van het gezin niet konden samengaan, het gezin zich op een monogamischen grondslag vestigde.En verder, nu onze nog in wording zijnde sociale behoeften een steeds verfijnder en vrijer onderlinge en gemeenschappelijke hulp der individuen noodig maken, vinden wij zelfs dat hetgeen nog van economische éénheid van het gezin overbleef, snel aan het afnemen is. Doch met den achteruitgang en met de verdwijning van de economische-verhouding wordt de geslachts-verhouding in het huwelijk zuiverder; en de wensch der hedendaagsche wereld naar een hooger, een edeler geslachts-vereeniging wordt even scherp uitgesproken, alshet aangroeiend bezwaar tegen de bestaande economische vereeniging. Wij zijn zoo lang gewend geweest die twee met elkaar te verwarren dat het ons vreemd zal toeschijnen juist in de verouderde overblijfselen van de gezins-verhouding, wel is waar voorheen van waarde, thans de oorzaak te vinden, waardoor de hoogere ontwikkeling van het monogame echtverbond zoo pijnlijk wordt belemmerd.In elke jongere generatie vormen mannen en vrouwen geslachts-vereenigingen, waarbij steeds hooger eischen gesteld worden aan een gelukkig huwelijk; waarbij steeds meer behoefte gevoeld wordt aan geestverwantschap. In elke nieuwe generatie wenschen en vragen mannen en vrouwen meer van elkander. Een vrouw is nu niet meer tevreden en dankbaar wanneer zij “een goeden man” heeft; een man is niet meer tevreden met een geduldige huissloof. Indien echter alle mannen en vrouweninhun huwelijk weder tot den ouden economischen staat van het gezin terugkeeren, dan komen zij steeds weder onder de omstandigheden, waardoor hun wederkeerige liefde vermindert en het huwelijk een soort van compromis wordt, meer of minder moeilijk te dragen, naarmate de betrokken personen beter opgevoed en liefvriendelijk van aard zijn. Zulke menschen zijn zich niet altijd bewust van hun “ongelukkig huwelijk”. Hun huwelijk is immers even gelukkig als die, welke zij rondom zich zien, misschien zoo gelukkig als wij veronderstellen dat een huwelijk “op aarde” kan zijn; en in den hemel verwachten wij geen huwelijken. Maar het is toch niet wat zij in hun jeugd er van verwacht hadden.Wanneer twee jonge lieden elkander liefhebben, zouden zij dan, in de lange uren van samenzijn, die hun nooit lang genoeg toeschijnen, wel eens stilstaanbij het verrukkelijk vooruitzicht der huishoudelijke plichten? Immers neen. Zij denken aan het genot een “tehuis” te zullen hebben, waar zij “eindelijk alleen” zijn kunnen; aan de gelegenheid om van elkanders bijzijn te genieten, maar vooral aan hetgeen zij samen zullen doen. Samen te werken, samen te wandelen, samen te lezen, schilderen, schrijven, zingen of iets anders dat men prettig vindt samen te doen, daarnaar verlangt liefde.Menschelijke liefde, nu zij een steeds hoogeren vorm aanneemt, verlangt hoe langer hoe meer naar zulk een kameraadschappelijkheid. Maar de economische staat van het huwelijk verstoort wreedaardig den jongen liefdesdroom. Uit een economisch oogpunt, afgescheiden van al het zoete en oprechte van de geslachts-verhouding, wordt de vrouw in het huwelijk de dienstbode, of op zijn hoogst de huishoudster van den man. Wij kunnen gerust zeggen dat over de geheele wereld de vrouwen in de lichamelijke behoeften van het menschelijk dier voorzien. Gehuwde verliefden werken niet te zamen. Zij kunnen, als zij tijd hebben, te zamen rusten; zij kunnen misschien te zamen spelen; maar zij maken niet te zamen de bedden op, of vegen of koken te zamen; en zij gaan ook niet te zamen naar de werkplaats. Zij staan economisch op een geheel verschillend maatschappelijk terrein, en dit vormt een slagboom voor elke hooger, oprechter vereeniging dan wij rondom ons zien. Een huwelijk kan alleen dan volmaakt zijn, indien het gesloten is tusschen menschen van gelijke klasse. En er bestaat geen klasse-gelijkheid tusschen hen die deelnemen aan het werk der wereld, volgens de nieuwste, breedste, hoogste methode en hen die hun werk verrichten op de oudste, bekrompenste, laagste wijze.Indien wij gulweg toegeven dat het de taak der vrouwen is het huiselijk leven overal gezond, waar en zonnig te maken, dan kan men ons toch niet tegenspreken dat de economisch afhankelijke vrouw dit niet doet en het ook nooit zal kunnen. Dit kan en zal alleen een economisch onafhankelijke vrouw doen. Evenmin als het gezin identiek is met het huwelijk, evenmin is het huiselijk leven in een of ander opzicht identiek met een dier beiden.Een tehuis is een bestendige woonplaats, hetzij het dienst doet voor één, twee, veertig of duizend, voor een paar, een troep of een zwerm. De bijenkorf is het tehuis voor de bijen, even letterlijk en absoluut als het nest het is voor een vogelpaar in hun paartijd. Het tehuis en de liefde er voor kunnen zich inkrimpen tot de ééne kamer van een ongehuwde, of zich uitbreiden tot de oppervlakte van het vasteland, wanneer de terugkeerende reiziger land ziet en “thuis” roept. Er bestaat geen zoeter woord, er is geen dierbaarder plek, wij kennen geen gevoel dat meer tot ons hart spreekt, dan dit.Waarop berust, bij nauwkeurige ontleding, ons gevoel in dezen? Wat vormt den grondslag? Veel lager dan de menschheid, bij de vossen in hun holen en de vogels in hun nesten, begint reeds het diepe gevoel voor het tehuis. Het moederlijk instinkt zoekt een plaats waar het onbeschermd jong beschut wordt, wanneer de moeder afwezig is om voedsel te zoeken. De eerste scherpe indrukken uit de jeugd staan in verband met de beschuttende muren van een tehuis, moge dit de schommelende wieg in de takken der boomen, de zachte, donkere holte in den boomstronk of de kelder met zijn verborgen leger zijn. Een plaats waar men veilig is; een plaats waar men warm en droog is; een plaats waarmen rustig slaapt en in vrede eet; een plaats wier enge, bekende grenzen de zenuwen rust geven van den voortdurenden toevoer van indrukken der buitenwereld; dezelfde plaats steeds en overal, waar elk moedeloos gevoelgesusten genezen wordt, in ’t kort, elke plaats waar men gevoelt “dat men thuis is”. Dit alles dateert uit onze eerste bewustwording. Dit alles bestaat reeds millioenen en millioenen jaren. Geen wonder dus dat wij het liefhebben.Langzamerhand komen er dan nog de indrukken van teedere verhoudingen bij, de familiebanden uit den vroegsten tijd. Daarbij voegde zich, wel primitief doch wij zijn er nog niet geheel aan ontgroeid, het tastbaar-godsdienstig gevoel der vroegereouder-vereering,—heiligheid bij veiligheid,—waardoor het gevoel voor tehuis zeer versterkt werd. Het was de plaats waar men bad, waar het heilig vuur brandde en waar plengoffers gestort werden voor gestorven voorvaderen. Voortgaande, kwam dan het langzaam uitgestorven tijdperk van vader-regeering hierbij een nieuw gevoel voegen, het gevoel van eer voor de plaats van comfort en van gebed. Het werd toen tevens de zetel der regeering,—het paleis en de troon. Op deze sterke fundeering hebben wij een torenhoog gebouw van gebruiken, gewoonten en wetten gebouwd, waar alle diepe, innige, teedere aandoeningen van het menschelijk individu huizen. Geen wonder dat wij doof en blind zijn voor elke voorgestelde verbetering van ons goddelijk lustslot.Maar laat ons verder zien. Zonder een woord van het bovenstaande tegen te spreken, is het toch ook waar dat de hoogste aandoeningen der menschen opkomen en doorleefd worden buiten de woning en afgescheiden daarvan. Zoolang de godsdienst tehuis werd beoefend nam hij in dogma en ceremonie, in geest en uitdrukkingeen laag en benepen standpunt in. Hij kon zich niet verheffen, vóór dat hij nieuwe bezieling en nieuwe uiting vond in het menschelijk leven buiten de woning, vóórdat een plek gevonden werd, waar men gemeenschappelijk kon bidden en ceremoniën en moraal een menschelijken grondslag in plaats van den familie-grondslag aannamen. Voor wetenschap, kunst, regeering, opvoeding, onderwijs, industrie, is het huis de wieg, maar het zou ook hun graf worden, indien zij er in bleven. Alleen door te leven, denken, voelen en werken buitenshuis, worden wij menschelijk ontwikkeld, beschaafd, gesocialiseerd.De flinke ontwikkeling van ons modern huiselijk leven is alleen mogelijk geworden, doordat het begeleid en voorafgegaan werd door modern maatschappelijk leven. Indien het omgekeerde waar was, wat gewoonlijk verondersteld wordt, dan zouden alle natiën, die in woningen leven, aanhoudend in beschaving moeten vooruitgaan. Doch dat doen zij niet. Integendeel, natiën waarbij het gezin en het familieleven nog het meest van kracht zijn, zooals in China, leveren een droevig voorbeeld van het resultaat van huiselijke deugden zonder maatschappelijke. Een waardig huiselijk leven is het product van een waardig maatschappelijk leven. De deugden waaraan de maatschappij behoefte heeft worden niet tehuis gekweekt. Maar de deugden noodig in gezinnen zooals die tegenwoordig gewenscht worden, worden wel in de maatschappij ontwikkeld. De leden van de vrijste, beschaafdste en meest geïndividualiseerde natiën vormen de beste leden van het gezin. De leden van de meest op zich zelf levende en hoogst vereerde gezinnen vormen niet noodzakelijk de meest gewenschte leden der maatschappij.De strekking van sociale evolutie, zooals trouwens vanelke evolutie, is om de “onbestemde, onzamenhangende homogeniteit te brengen tot bepaalde, samenhangende heterogeniteit”, en het gezin met zijn koppig handhaven van een voortdurende homogeniteit staat daarom den maatschappelijken vooruitgang zeer in den weg. De menschelijke wezens moeten het huiselijk leven niet minder lief hebben, maar zij moeten het uitbreiden door een nieuwe en krachtige uiting.Bovenal echter hebben wij behoefte aan een volledige ontwarring der denkbeelden omtrent de afwisselende en dikwijls lijnrecht tegenovergestelde belangen en werkzaamheden, die zoolang verondersteld zijn deel uit te maken van huis en gezin. De verandering van de economische positie der vrouw, van afhankelijkheid tot onafhankelijkheid, brengt tot ons groot voordeel ook een andere regeling der huiselijke belangen en werkzaamheden mede.XIAls een natuurlijk gevolg van onze arbeidsverdeeling naar het geslacht, de vrouw het huis en den man de wereld als arbeidsveld gevende, is het dwaze begrip gekweekt dat de huiselijke plichten als essentieel vrouwelijk en ieder ander soort van arbeid als essentieel mannelijk werk moet aangemerkt worden. Wij hebben stilzwijgend aangenomen dat de bereiding en toediening van voedsel en het verwijderen van stof en vuil,—de voedende en uitscheidende processen van het gezin,—vrouwelijke functiën zijn; doch tevens namen wij aan dat deze processen in de woning moeten geschieden, dat daarin eigenlijk de uiterlijke expressie van het gezin gelegen is. Het menschelijk wezen moet tehuis gevoed, gereinigd, verwarmd, en in ’t algemeen verzorgd worden, wanneer het niet elders werkzaam is.De voeding van den mensch is een ingewikkelde zaak. De weg van hand tot tand is lang, zegt een oud spreekwoord. Het voedsel wordt door het menschenras collectief voortgebracht, niet door individuen voor hun eigen gebruik, maar door onderling met elkaar in betrekking staande groepen van individuen, over de geheele wereld, voor het verbruik van allen. Dit gemeenschappelijk geproduceerd voedsel circuleert door de wereld, door middel van nauwkeurig werkende inrichtingen van transport, aflevering en bereiding, vóór dat het de monden der verbruikers bereikt, en alleen de eindprocessen, keuze en bereiding zijn in handen der vrouwen. De vrouw is de laatste kooper;in haar handen rust ook de laatste handeling der menschelijke voeding, het koken; dit is een soort van buiten het lichaam plaats vindende digestie, die voor de menschen bleek voordeelig te zijn. Deze laatste afdeeling der menschelijke voeding heeft men tot een geslachts-functie gemaakt en wordt verondersteld bij de vrouwen-natuur te passen.Indien het voor het menschelijk ras voordeelig is dat het voedsel door een bepaalde sekse wordt gereed gemaakt, dan moet dit voordeel uit eene betere gezondheid en reinere gewoonten der menschen blijken. Dit voordeel bestaat evenwel niet. Ondanks onze macht en ervaring bij de voortbrenging en bereiding van voedsel, blijven wij, wat het eten betreft, “het ziekste beest der wereld.” Ons machteloos geschreeuw tegen de vervalsching der voedingsmiddelen bewijst dat een deel van dit euvel in de ten verkoop aangeboden voedingsproducten ligt; de aandoenlijk groote oplagen der talrijke kookboeken bewijzen dat een ander deel van dit kwaad in de bereiding dezer producten ligt; en de nuttelooze vermaningen van doctoren en wijze moeders bewijzen dat ook een deel aan onzen ziekelijken smaak en eetlust moet worden toegeschreven. Oogenschijnlijk zou men meenen dat de menschen, na de eeuwenlange ondervinding, nog niet geleerd hebben hoe goed voedsel bereid, hoe het gekookt en hoe het gegeten moet worden,—wat helaas maar al te waar is!De groote functie der menschelijke voeding werd met de geslachtsverhouding verward en als een geslachts-functie beschouwd; zij werd in de hulpelooze handen dier lieve doch onvolmaakte bemiddelaars, de economisch afhankelijke vrouwen gesteld; en het valt niet moeilijk aan te toonen dat zulke bemiddelaars werkelijk voor die taak onbekwaam zijn. In haar positie van huishoudsterin eigen gezin is de vrouw de laatste kooper van het voedsel; en hier vinden wij de oorzaak wan de ongelooflijk groote vervalsching der voedingsmiddelen.Elk soort van bedrog en misleiding in den dienst der menschheid moet toegeschreven worden aan de zucht om te ontvangen zonder te geven, welke zucht, zooals in vorige hoofdstukken werd aangetoond, grootendeels een gevolg is van de opleiding der vrouwen tot onproductieve verbruikers. Maar de bijzondere vorm van bedrog en misleiding door den een of anderen verkooper in praktijk gebracht, wordt door het verstand en de macht van den kooper beheerscht. Het is zeer gemakkelijk, voordeel te trekken uit verdunning en vervalsching der voedingsmiddelen, omdat de laatste kooper over bijna geen macht en zeer weinig verstand beschikt. De huisvrouw koopt bij korte tusschenpoozen en bij kleine hoeveelheden. Men weet zeer goed dat dit financieel nadeelig is, maar dat ook de kwaliteit der koopwaren daaronder lijdt, is niet zoo algemeen bekend. Alleen wanneer de vrouw aan het hoofd van een rijke huishouding staat en in groote hoeveelheden moet inkoopen voor gezin, bedienden, gasten, krijgt haar handel genoegzame waarde om op de kwaliteit van de waar invloed uit te oefenen. Een winkelier met honderd arme vrouwen tot klant, levert een veel mindere kwaliteit dan hij, die eenzelfde hoeveelheid aan één persoon verkoopt. Van daar dat het gezin bij den inkoop van voedsel wezenlijk in een voortdurend ongunstige positie verkeert; en daarenboven de voornaamste oorzaak is van het lage gehalte der voedingsmiddelen, waartegen wij met lastige wettelijke bepalingen moeten strijden.De meeste huishoudsters zijn onnoozel genoeg hunne onbekendheid met deze zaken te bewijzen, door te ontkennen dat de voedingsmiddelen van zoo’n laaggehalte zijn. Laten zulke vrouwen eens de verordeningen en instellingen van de stad hunner inwoning—en van elke beschaafde stad—onderzoeken en nagaan hoe het brood, de melk, het vleesch, het fruit enz. onder aanhoudend wettelijk toezicht staan, met het doel, den onwetenden, hulpeloozen kooper voor bedrog te beschermen. Indien de huishoudster van het gezin zooveel technisch verstand bezat dat zij de gekochte voedingsmiddelen kon keuren, indien zij zich geoefend had de melk te onderzoeken, de vreemde bestanddeelen in koffie en specerijen te ontdekken, de hoedanigheid van vleesch te bepalen, de soort en rijpheid der vruchten en groenten vast te stellen, dan zou zij ten minste in staat zijn tegen haar leverancier te protesteeren en voor zoover tijd, afstand en beurs het toelaten, een beteren op te zoeken. Dit technisch verstand verkrijgt men echter alleen door bepaalde studie en ondervinding; doch voor dengeen die alleen voor zich zelf koopt, zou deze kennis slechts moeilijkheid en ellende medebrengen, omdat hij de macht mist de eischen te stellen, die het verstand alsdan aangeeft.Zooals de toestand nu is bezit de vrouw bij het koopen der voedingsmiddelen alleen haar onwetenschappelijke ondervinding, opgedaan door oefening op haar hulpeloos gezin en nog wel gedurende den tijd dat het opgroeiend kroost zoozeer behoefte heeft aan eene verstandige verzorging, die de moeder slechts in staat is in later jaren te verschaffen. Deze ondervinding met hare treurige begrenzing en praktische belemmering door den persoonlijken smaak en de financieele omstandigheden van het gezin, gaat telkens verloren waar zij gevonden werd. Ieder moeder verkrijgt langzamerhand een beetje kennis van haar bezigheden door ze uit te oefenen, ten koste dikwijls van het leven en de gezondheid van het gezin en door op te merkenwelke gevolgen ze op de overlevenden hebben. En elke dochter begint op nieuw even onwetend als haar moeder was. Men schijnt deze kunst niet aan anderen te kunnen mededeelen. Het is geen geregelde opleiding, zooals elk belangrijk werk vereischt, maar een langzaam opzuigen van ondervinding, waarmede op het beschermen van de gezondheid der maatschappij geen invloed kan worden uitgeoefend. Als de laatst handelende tusschenpersoon bij de voeding der menschheid voldoet de huisvrouw niet; dit is geen gevolg van gebrek aan goeden wil, maar van haar positie als individueele kooper. Alleen door organisatie kunnen zulke gebreken, als de in het groot voorkomende vervalsching der voedingsmiddelen, verholpen worden en de vrouw, als dienstbode, behoort tot den laagsten graad van ongeorganiseerden arbeid.Wanneer wij thans den inkoop van voedingsmiddelen laten rusten en de bereiding van het voedsel nagaan, dan mogen wij natuurlijk verwachten dat de bestemming van een geheele sekse, voor het vervullen van deze functie, zeer merkwaardige resultaten oplevert. Die resultaten zijn merkwaardig, doch niet gunstig zoo als verwacht mocht worden. De kunst en wetenschap van het koken vereischt een grondige kennis van de voedingswaarde der voedingsmiddelen en van de physiologische en hygiënische wetten. Als een wetenschap grenst het aan de preventieve geneeskunde. Als een kunst is het in staat tot nobele expressie, binnen zijn natuurlijke perken. Het standpunt dat het tot heden bij ons inneemt is zoo ver van wetenschap verwijderd en houdt zoo weinig verband met preventieve geneeskunde, dat het op de laagste sport van amateurs-handenarbeid staat en een vruchtbare bron voor ziekte is. Als een kunst heeft het zich, onder den eigenaardigen prikkel van zijn toestand als geslachts-functie, tot een wellustige overdaadontwikkeld, die even valsch als slecht is. Ons onschuldig gezegde: “de weg tot het hart van den man gaat door zijn maag,” verklaart treurig duidelijk hoe wij aan tafel onze lichamen bederven en onzen geest verlagen.Zoolang de eene helft van het menschdom als amateurkok voor de andere helft werkt, zal het onmogelijk zijn, dat de kennis van dit vak een hoogen graad van wetenschappelijke nauwkeurigheid of technische bekwaamheid bereikt. De ontwikkeling van een of ander menschelijk werk vereischt specialisatie en specialisatie is onmogelijk bij ons stelsel, waarbij verondersteld wordt dat elke vrouw van nature kok is. Voor zoo ver de kookkunst is vooruit gegaan, hebben wij dit te danken aan de studie en ondervinding van de mannelijke beroeps-koks en scheikundigen en niet door den Sisyphus-arbeid van onze eindelooze generaties van op zich zelf staande vrouwen, waarvan ieder weder begon, waar ook haar moeder begonnen was.Natuurlijk zullen hier weer smartelijke verzuchtingen gehoord worden over “moeders lekkere schoteltjes”, en in antwoord daarop kunnen wij alleen verwijzen naar onze tweede premisse in het laatste hoofdstuk. Het feit dat wij van iets houden bewijst nog niet dat dit juist en goed is. Een kind uit Missouri kan de gekruide beschuiten van zijn moeder erg lekker vinden, maar dat neemt niet weg dat zij op zijn geest en lichaam een slechte uitwerking hebben. Kookkunst berust op wetten, zij is geen onschuldig verbeeldingsspel. Bouwkunst zou misschien vermakelijker en afwisselender zijn, indien ieder zijn eigen huis bouwde, maar dan was zij nooit de kunst en wetenschap geworden, waartoe wij haar nu hebben opgevoerd. Zoolang iedere vrouw het voedsel bereidt voor haar eigen gezin, zal het koken zich nooit boven het niveau van amateurs-werk kunnen verheffen.Maar hoe laag ook de kookkunst als wetenschap moge staan, als kunst staat zij nog lager. Sedert het voor de echtgenoote-keukenmeid van het grootste belang is genot te verschaffen,—omdat daarin haar voornaamste middel schuilt om te verkrijgen wat zij verlangt of om haar dankbaarheid uit te drukken,—leert zij spoedig het gehemelte streelen, in plaats van de behoeften der maag nauwkeurig te bestudeeren en daaraan tegemoet te komen. Door ontelbare geslachten heen, zijn de volwassen man en het opgroeiend kind het voorwerp geweest van de aanhoudende inspanningen van haar die kookte met liefde in plaats van met kennis, die kookte om genot te geven. Dit is een van de breedste wegen welke naar het verderf voeren. In iedere levensphase is het verkeerd de gebeurtenis aan het doel te doen voorafgaan, de middelen te stellen vóór het eind; en hier heeft het dit algemeen bekende gevolg gehad, dat wij leven om te eten, in plaats van eten om te leven.Deze houding van de vrouw heeft de overal voorkomende overdaad ontwikkeld, die wij de “fijne keuken” noemen; een ding zoo ver verwijderd van ware artistieke ontwikkeling in de kookkunst als een groote ijskan van een Grieksche vaas. Hierdoor is de ontzettend groote dwaasheid van het voorname leven ontstaan, waarbij menschelijke arbeid en tijd en bekwaamheid worden verspild met voort te brengen wat noch als zuiver voedsel, noch als zuiver genot kan worden aangemerkt, maar een kunstmatige bereiding is, die alleen door kenners gewaardeerd kan worden. Men kan zich nauwelijks een lager levenswijze voorstellen, dan die, welke het gevolg is van den onnatuurlijken wedloop tusschen kunstmatige opwekking en eetlust, waardoor lichaam en ziel beide bedorven worden.De man, het voorwerp van al deze eetkamer-verheerlijking,heeft hierdoor een aangekweekte belangstelling in eigen smaak en de bevrediging er van ontwikkeld en onderhouden,—de vraag naar dingen waarvan hij houdt, meer dan naar die welke goed voor hem zijn,—waarin een van de meest gevreesde karaktertrekken, aan de psychologen bekend, gelegen is. De gevolgen van deze aanhoudende streeling van het gehemelte op den natuurlijken eetlust kunnen ver nagespoord worden en zij loopen ten slotte uit op een onbeteugeld toegeven aan de trek naar gekruide spijzen en allerlei soort van onmatigheid. Het humeur, dat niet bij machte is deze verzoekingen alle te verdragen, wordt dan tehuis voortdurend bot gevierd.Even als het concentreeren van de physische krachten der vrouw op haar geslachts-functiën, daartoe door economische afhankelijkheid gedwongen, geleid heeft tot het opwekken en onderhouden van een buitensporigen geslachts-lust bij den man, tot nadeel van het ras; zoo heeft ook de concentratie van de nijvere krachten der vrouw in den beperkten en aanhoudenden dienst van persoonlijken smaak en eetlust er toe geleid een buitensporigen lust in lekker eten en drinken op te wekken en te onderhouden, wat eveneens nadeelig is voor het ras. Hiermede wordt niet beweerd dat dit de eenige oorzaak van deze verkeerde gewoonte is, maar het is een van de belangrijkste en van voortdurenden invloed.Misschien kan men de uitwerking beter zien door een niet diepgaande vergelijking dan door een bloote vermelding. Men stelle zich twee groote, gezonde, vlugge apen voor. Veronderstel dat het mannetje-aap het vrouwtje-aap niet toestaat rond te springen en haar eigen kokosnoten te plukken, maar dat hij haar brengt wat zij noodig heeft. Veronderstel dat hij dan eischt dat zij den dop breekt, de noot er uitpelt en voor hemgereed maakt wat hij er van wenscht te eten; en verder dat haar deel van het eten, om niets te zeggen van haar kans om na afloop een klein, prettig uitstapje in de boomtoppen te mogen maken, afhangt van zijn tevredenheid met het voedsel dat zij voor hem gereed maakte. Als zij een verstandige aap is, zal zij met alle listen die haar ten dienste staan, prikkel en afwisseling zoeken te voegen bij de maaltijden die zij voor hem bereidt; de stukjes die hij bijzonder graag lust voor hem uitkiezen om zijn smaak te streelen en zijn eetlust op te wekken; en hij, onder dezen aangenamen druk zich ontwikkelende, zal langzamerhand een fijn onderscheidingsvermogen in voedsel verkrijgen en met toenemend genot naar zijn feestmaaltijden verlangen. Er zou een nieuwe dwang zijn om hem te doen eten,—niet alleen zijn behoefte aan voedsel, met de natuurlijke en gezonde eischen, maar haar behoefte aan alles, wat alleen door zijn behoefte aan voedsel verkregen kan worden.In een apenfamilie klinkt dit een beetje gek, doch het geeft toch juist weer wat gebeurde in de menschenfamilie. De wijze waarop de vrouw haar doel bereikte, was haar man aangenaam te zijn, en de noodzakelijkheid heeft haar geleerd hoe zij dat doen moest; en daar zij over het algemeen een onontwikkelde en onbekwame werkster was, kon zij hem alleen zoeken te behagen door de gaven die zij bezat, in hoofdzaak die van huiselijke diensten. Haar was tot taak gesteld het voedsel voor beiden gereed te maken en daarmede haar voordeel te doen. Zij heeft haar taak goed volbracht, maar of het tot voordeel strekte van een hunner is twijfelachtig.Uit een oogpunt van sociale ontwikkeling zijn wij van het grove schrokken van den wilde, van elk voedselwat hij kon bemachtigen, gekomen tot een nauwkeurig uitkiezen van geschikt voedsel en een beschaafder en beter vorm om het te gebruiken. Deze maatschappelijke vooruitgang wordt door onze sexueel-economische verhouding belemmerd; doordat de bereiding van voedsel tot een geslachts-functie is gemaakt, worden al de producten er van vermengd met den gloed van persoonlijke liefde en den drukkenden last van eigenbelang. Op die wijze wordt niet alleen de echtgenoot, maar worden tot op zekere hoogte ook de kinderen gevoed, want waar moederlijke liefde en moederlijke energie gedwongen worden zich hoofdzakelijk te uiten in de bereiding van voedsel, daar wordt de wensch om het kind doelmatig te voeden, vermengd met een onverstandige begeerte om het kind genot te verschaffen, en de moeder verlaagt haar hoog standpunt, door steeds den onontwikkelden smaak te streelen in plaats van dien te veredelen.Wij meenen in den regel dat wij ons eten en drinken verhoogd en veredeld hebben door het met liefde te verbinden. Integendeel, wij hebben onze liefde verlaagd en doen ontaarden door haar met eten en drinken te verbinden, en wat meer zegt, wij hebben daardoor ook deze behoeften verlaagd. Maatschappelijk is er eenige vooruitgang gekomen, maar deze ongelukkige vermenging van geslachts-belang en eigen-belang met normalen eetlust, deze Cupido-in-de-keuken regeling, heeft den vooruitgang sterk tegengehouden.Wij hebben veel geleerd door beroeps-koks. Handel en fabrieken hebben onze benoodigdheden sterk vermeerderd. Wetenschap heeft ons geleerd wat wij noodig hebben en hoe en wanneer wij het gebruiken moeten. Maar in het met liefde vermengde werk van vrouw en moeder worden deze verbeteringen slechts weinig gevoeld. Indien het meisje naar de kookschool gaat, dan geschiedtdat meer om te leeren hoe lekkernijen bereid moeten worden welke genot verschaffen, dan om de voedingswaarde van het voedsel te bestudeeren en daardoor de gezondheid van het huisgezin te bevorderen. Uit de steeds grooter wordende magazijnen, door de bedrijvigheid der mannen voor haar geopend, kiest zij in ruime mate, om een afwisselend menu te maken dat den eetlust opwekt, zonder eenigszins op de hoogte te zijn welke combinatiën gemaakt moeten worden om onze lichamelijke behoeften het best te dienen. Wetenschap, scheikunde, gezondheidsleer zijn voor haar slechts namen. “Jan houdt daar zoo veel van”; “Willem lust het niet anders”; “vader kon nooit kool verdragen.” Zij moet bedenken wat haar man het liefst lust, niet zoozeer omdat zij het prettig vindt hem een genoegen te verschaffen of omdat zij er voordeel bij heeft als zij hem een genoegen doet, maar omdat hij betaalt voor het eten en zij zijn dienstbode is.Wordt het niet tijd dat de weg naar het hart van den man door zijn maag wordt verlaten voor een idealer toegang? Laat de maag voor haar natuurlijk werk bestemd blijven, niet tot doortocht voor ongewone hartstochten en doeleinden gemaakt worden; en laat ons tot het hart doordringen langs idealer wegen. Wij hebben behoefte aan een nieuwe afbeelding van onzen overwerkten blinden god,—dik, vet, volgepropt met lekkernijen door de arme aanbidsters, zoolang gedwongen haar toewijding te betalen met zulke lage middelen.Neen, het menschelijk ras wordt slecht gevoed door het voedingsproces tot een geslachts-functie te maken. De keuze en bereiding van voedsel moest in de handen van geoefende deskundigen rusten. De vrouw moest naast den man staan als de verwante van zijn geest, niet als de dienares van zijn lichaam.Dit zal groote veranderingen in onze levenswijze vereischen. De wereld door het werk van deskundigen te voeden; aan deze groote functie de bekwaamheid en ondervinding van geoefende specialiteiten, de macht der wetenschap en de schoonheid der kunst ten goede te doen komen, is met de sexueel-economische verhouding onmogelijk. Zoolang wij het koken als een aan alle vrouwen eigen geslachts-functie beschouwen, en het eten als een zaak die alleen in het gezin goed kan geschieden, kunnen wij niet verder komen. Wij besteden tegenwoordig veel ernstige studie en inspannenden arbeid om de vrouwen in de kunst van koken te onderwijzen en te oefenen, zoowel de echtgenoote als de meid; want met onze gewone opvatting, dat het willekeurig gedrag van het individu de oorzaak der omstandigheden is, zoeken wij de omstandigheden te wijzigen door het gedrag van het individu te veranderen.Wij moeten evenwel inzien dat het gedrag niet kan veranderen, zoolang de omstandigheden dezelfde blijven. Ieder ambt of beroep, waarvan de ontwikkeling afhankelijk zou zijn van het werk van op zich zelf staande personen, alleen geholpen door gehuurde bedienden, onwetender nog dan zij zelf, zou op een gelijk laag niveau blijven.Voor zoover gezondheid kan bevorderd worden door openbare middelen, wordt zij door gezondheids-reglementen en medisch toezicht, door hygiënische literatuur en door beroeps-personen bereide “gezondheidsmiddelen”, door bepaalde wetten voor besmettelijke ziekten en gevaarlijke beroepen, voortdurend verbeterd; maar door deze middelen wordt de bevordering der gezondheid, voor zoover die in de handen der huisvrouw ligt, niet bereikt. Negen-tiende van de vrouwen die haar eigen huiswerk doen, kunnen niet tot bedreven koopers enervaren keukenmeiden worden opgeleid, evenmin als negen-tiende van de mannen tot bedreven kleermakers kunnen worden gemaakt, zonder beter oefening of gelegenheid om zich te vormen, dan met het kleeden van eigen familieleden verkregen wordt. Het overige tiende gedeelte der vrouwen kan dan het werk doen volgens de primitieve arbeids-methoden.Het voedsel te laten bereiden door gehuurde bedienden is nog slechter dan door de echtgenoote en moeder; de kunst om te koken wordt dan met nog minder oefening en geringer ondervinding uitgevoerd. De dienstboden zijn meerendeels jonge meisjes, die dezen vorm van dienstbaarheid verlaten zoodra zij kunnen trouwen; en zoodoende vertrouwen wij de lichamelijke gezondheid der menschen, voor zoover het koken daarop influënceert, aan de handen van ongeoefende, onvolwassen vrouwen van de laagste maatschappelijke klasse, die door geen hooger prikkel gedreven worden dan van financieele noodzakelijkheid. De liefde der vrouw en moeder is ten minste een prikkel om haar gezin goed te willen voeden. Voor de dienstbode bestaat die prikkel niet. Alleen in die enkele gevallen waarin de vrouw en moeder “een geboren kok” is en haar gezin begunstigt met de producten van haar buitengewone gaven, of in de rijke gezinnen, waar de hulp van beroepslieden kan betaald worden, kan het koken tehuis goede resultaten opleveren.Er was een tijd dat vorsten en voorname lieden er eigen dichters op nahielden om hen te prijzen en bezig te houden, maar zoo’n dichter was nooit werkelijk groot, tenzij hij tevens dichtte voor de menschheid. Zoo kan ook de kunst van koken nooit haar hooge plaats als een maatschappelijke functie, die in een menschelijke behoefte voorziet, innemen, zoolang zij alleen voor eigen behoefte wordt aangewend. Ons leven en onze woningenzoodanig in te richten dat het koken een beroep kan worden, is de eenige manier om deze groote kunst uit hare tegenwoordige begrenzing te bevrijden. Het moet een eervolle, goed betaalde betrekking worden, waartoe zulke mannen of zulke vrouwen opgeleid worden, die zich tot dit werk voelen aangetrokken, even als men meubelmaker of apotheker wordt. Tusschen de koks die hun werk alleen als handwerk opvatten en de artisten in hun vak zal er een natuurlijke verscheidenheid komen; en wij zullen een breeden, nieuwen weg voor winstgevenden arbeid en eervolle werkzaamheid en een nieuwen grondslag voor menschelijke gezondheid en geluk openen.Dit sluit geen coöperatie in. Onder coöperatie verstaan wij gewoonlijk de vereeniging van gezinnen met het doel hunne veronderstelde functiën beter te kunnen vervullen. Deze zaak faalt in den regel omdat het beginsel niet deugt. Koken en reinigen zijn geen functiën van het gezin. Wij bezitten geen familie-mond, geen familie-maag en geen familie-gezicht dat gewasschen moet worden. Individuen moeten gevoed en gewasschen worden van hun geboorte tot hun dood, geheel afgezien van hun familie-verhoudingen. De wees, de ongehuwde man, de kinderlooze weduwnaar, hebben even veel behoefte aan deze voedende en reinigende zaken als eenig patriarchale vader. Eten is een individueele functie. Koken is een maatschappelijke functie. Geen van beide is in het minst een functie van het gezin. Dat wij het in de vroegere beschavingsperioden geschikter vonden tehuis te koken, bewijst niets meer dan hetzelfde feit dat wij het vroeger ook geschikter vonden tehuis te spinnen en te weven, onze zeep en kaarsen te bereiden, onze boter te maken, ons vee te slachten, ons brood te bakken en ons goed te wasschen.Met de ontwikkeling der maatschappij gaat een specialiseering,van hare functiën gepaard; en de reden dat deze groote ras-functie, het koken, in zijn natuurlijken groei zoo lang werd tegengehouden, ligt hoofdzakelijk aan de economische afhankelijkheid der vrouwen, die daardoor aan den menschelijken vooruitgang niet deelnamen. Zoodra de vrouwen economisch vrij zijn, zullen zij de achterlijk gebleven functiën opheffen en verruimen, zoowel om hunne plichten als vrouwen en moeders beter te kunnen volbrengen, als om de gezondheid en het geluk van het menschenras te bevorderen.Hiervoor wordt geen coöperatie vereischt, maar wel de hulp van geoefende beroepslieden en zulk een regeling onzer levenswijze, waardoor wij in staat worden gesteld er van te profiteeren. Wanneer een groot aantal lieden denzelfden kleermaker of bakker of kruidenier begunstigen, dan coöpereeren zij nog niet. Evenmin zouden zij coöpereeren indien zij denzelfden kok begunstigen. De verandering moet van de zijde van den kok komen en niet van het gezin. Zij moet door natuurlijke functioneele ontwikkeling in de maatschappij gebracht worden en zij is reeds in aantocht. De vrouw, inziende dat haar plicht als voedster en reinigster een maatschappelijke en geen sexueele plicht is, moet de eischen van den toestand onder de oogen zien en zich zelf voorbereiden er aan tegemoet te komen. Honderd jaar geleden kon dit niet gedaan worden. Nu wordt het gedaan, omdat de tijd er rijp voor is.Indien er tegenwoordig in een of ander groote stad een geriefelijk en goed ingerichte woning met afzonderlijke vertrekken geopend werd voor vrouwen die een gezin hebben en een beroep uitoefenen, zou zij op eens gevuld worden. De kamers moesten zonder keukens zijn; maar er moest een keuken bij het huis behooren van waar de maaltijden naar verkiezing aan de gezinnenin hun eigen kamers of in een gemeenschappelijke eetkamer werden opgedischt. Het zoude een huis moeten zijn dat schoon gehouden werd door flinke bedienden, die niet door de gezinnen afzonderlijk gehuurd, maar door den leider der inrichting aangesteld werden, en een overdekte tuin, kinderkamer enKindergartenonder goed geoefende kinderjuffrouwen en onderwijzers zou een doelmatige verzorging der kinderen moeten verzekeren. Met den dag neemt de behoefte aan zulke instellingen toe en weldra moet hieraan tegemoet gekomen worden, niet door een kosthuis, of een inrichting waar alleen huisvesting verleend wordt, of een hotel, een restaurant of het een of ander maaksel van eenige van deze instellingen te zamen; maar door eene instelling waarin voortdurend voorzien wordt in de behoeften van individuen en van afzonderlijke gezinnen, die de voordeelen van het gemeenschappelijk samenleven willen genieten. Dit moet op een bedrijfs-basis rusten, om een deugdelijk bedrijfs-succes te hebben en het zal dit hebben omdat het in een toenemende sociale behoefte voorziet.Alleen in New-York City zijn honderdduizendenvrouwen die loontrekkend zijn en die tevens een gezin hebben, en het getal wordt steeds grooter. Dit is niet alleen waar voor de armen en ongeletterden, maar nog veel meer voor de vrouwen die een ambt of beroep uitoefenen, voor de wetenschappelijke, artistieke en literaire vrouwen. Onze onderwijzeressen, die een talrijke klasse vormen, zijn niet allen zonder bloedverwanten. De behoeften van een menschenziel worden niet voldaan in een kosthuis. Deze vrouwen hebben behoefte aan een tehuis, maar zij begeeren daarom niet den vervelenden aanhang van rudimentaire werkzaamheden die verondersteld worden bij een tehuis te behooren. De moeilijkheden waarmede zulke vrouwen te kampen hebben zijn nietlanger noodzakelijk. Het private leven van een eigen huis kan even goed in een gebouw, als hierboven beschreven, gehandhaafd worden, als in een of ander deel van een blok woningen, een of andere kamer, verdieping of gedeelte er van, onder de tegenwoordige levenswijze. Het voedsel zou beter zijn en minder kosten; en dit zal ook met andere werkzaamheden en benoodigdheden het geval zijn.In de voorsteden zou dit doel veel beter uitgevoerd kunnen worden door een groep van aangrenzende woningen, elk huisje afzonderlijk met een eigen erf, maar allen zonder keuken en door een overdekten weg verbonden met het eet-huis. Geen gedétailleerd plan van den juisten vorm, hoe ten slotte de inrichting het beste en pleizierigste zal zijn, kan thans gegeven worden; doch de maatschappij verlangt met steeds grooter aandrang dat de werkzaamheden die in huis verricht worden, aan bekwamer handen worden toevertrouwd.Elk huis zal veel gemakkelijker schoon gehouden kunnen worden, wanneer de twee voornaamste oorzaken van het vuil worden, vettigheid en asch, er uit verwijderd zijn.Natuurlijk kunnen de maaltijden, zoolang men dat wenscht, te huis worden opgedischt; doch zoodra de menschen gewend raken aan zuivere, reine woningen, waar geen stoom-werkzaamheden worden uitgevoerd, zullen zij het langzamerhand verkieselijker vinden naar hun voedsel te gaan, dan het voedsel bij hen te doen brengen. Het is volmaakt natuurlijk dat iemand naar zijn voedsel gaat. Achterna beschouwd, is het slechts een gradueel verschil; huist men in één kamer, waar ook gekookt wordt, dan heeft men het eten vlak bij; in de groote huizen gaat men om te eten naar de eetkamer; nog een beetje verder en men gaat niet naar de eetkamer in zijn eigen, maar in een aangrenzendhuis. Gezinnen zouden gezamenlijk kunnen gaan eten, even als zij te zamen kunnen gaan baden of te zamen kunnen luisteren naar muziek; doch mocht het gebeuren dat verschillende individuën op verschillende uren wenschten te eten, dan zou hieraan te gemoet gekomen kunnen worden, zonder dat het comfort van anderen of hun eigen, daarbij behoefde opgeofferd te worden. Iedere huisvrouw weet hoe moeilijk het is de leden van het gezin altijd te zamen aan de maaltijden te krijgen. Waarom moet dat ook? Hier komt het gevoel voor den dag en men beweert dat familie-liefde, familie-éénheid, het ware huiselijk leven, afhankelijk is van het te zamen zijn bij de maaltijden. Een familie-éénheid te zamen gehouden door een tafellaken, is van bedenkelijke waarde.Onze domme wijze van huishouden omvat verscheiden beroepen. Een goede keukenmeid behoeft niet noodzakelijk een goede huishoudster te zijn, of een goede huishoudster iemand die nauwkeurig en voorzichtig reinigt, of iemand die goed reinigt, een die verstandig inkoopt. Onder de vrije ontwikkeling van deze verschillende vakken zou een vrouw haar positie kunnen kiezen, zich er voor bekwamen en een zeer gewaardeerde beambte worden in het door haar zelf gekozen vak. En toch kon zij daarbij in eigen huis blijven wonen, dat wil zeggen, dat zij in haar huis leeft zooals een man in het zijne, met zekere uren van den dag aan het werk, de andere tehuis te besteden.Verdeeling van het huishoudelijk werk zou den dienst vereischen van een geringer aantal vrouwen gedurende minder uren daags dan thans het geval is. Waar nu twintig vrouwen in twintig gezinnen den geheelen dag werken en hun verschillende plichten zeer onvoldoende vervullen, zou hetzelfde werk door handen van specialiteiten in minder tijd en door een geringer aantal personen kunnengeschieden; en daardoor zouden de anderen vrij worden om werk te doen waarvoor zij beter geschikt zijn en waarmede zij de voortbrengende kracht in de wereld vergrooten. Met de pogingen voor dit doel te coöpereeren, werd wel getracht het bestaande werk van vrouwen te verminderen, maar de behoefte aan andere bezigheden werd daarbij niet erkend en daarin ligt juist een der oorzaken van het herhaaldelijk schipbreuk lijden dezer proefnemingen.Het schijnt bijna onnoodig te zeggen dat vrouwen als economische voortbrengsters, natuurlijk de beroepen zullen kiezen, die met het moederschap vereenigbaar zijn en verscheiden beroepen zijn met het moederschap veel meer in harmonie dan de huishoudelijke werkzaamheden. Moederschap is geen toevallige gebeurtenis in het verschiet, maar een algemeene plicht van gezonde vrouwen. Indien vrouwen beroepen kozen onvereenigbaar met het moederschap, dan zou de natuur, door haar onveranderlijk proces, hen heel kalm uitroeien. De moeders die hardnekkig volhielden acrobaten, paardrijdsters of matrozen te worden, zouden waarschijnlijk geen krachtig en talrijk kroost voortbrengen. Deden zij dat wel, dan zou dat eenvoudig bewijzen dat zulk werk haar niet hinderde. Er behoeft geen vrees te bestaan dat wij uitgeroeid zullen worden, doordat de vrouwen verkeerde beroepen zouden kiezen, wanneer zij vrij zijn in haar keuze. Vele vrouwen zouden voortgaan hetzelfde werk te kiezen wat zij nu doen, maar het op de nieuwe en betere wijze uitvoeren. Zelfs schoonmaken, goed begrepen en uitgevoerd, is een nuttig en achtenswaardig beroep. Het is vermakelijk dat eertijds dit minst geliefde werk zoo onschuldig voor een natuurlijke plicht der vrouw gehouden werd. De vrouw, de liefelijke en schoone, de beminde echtgenoote en vereerde moeder werd onder algemeene goedkeuringgehouden voor de aangewezen persoon om kamers en vaatwerk te reinigen. Haar had men toch in de laatste plaats moeten aanwijzen voor werk dat als min en verachtelijk staat aangeschreven. Zij mocht haar dagen slijten te midden van vettigheid, asch, stof, vuil linnen en roetvuil ijzerwerk. Wanneer wij de huishoudelijke functiën socialiseeren, dan zullen deze werkzaamheden wel uit de handen van de vrouw naar die van den man verhuizen. De stad schoon te maken is het werk der mannen. En zelfs in onze huizen wordt de schoonmaker van beroep hoe langer hoe meer een man.De organisatie der huishoudelijke werkzaamheden zal de reinigingsprocessen vereenvoudigen en centraliseeren, door toepassing van vele mechanische uitvindingen en door de aanwending van wetenschappelijke kennis. Onze huizen zullen reiner zijn dan ooit te voren. Er zal minder werk te doen zijn en beter middelen om het uit te voeren. De dagelijksche bezigheden van een goed ingericht huis konden gemakkelijk gedaan worden door elk individu in eigen kamer, of door iemand die zulk werk wenscht te doen; en het werk dat niet zoo dikwijls voorkomt kon door een deskundige geschieden, die het eene huis na het andere schoonmaakt met de vlugge bekwaamheid van oefening en ondervinding. Onze woning zou dan niet langer een werkplaats en een museum zijn, maar zou meer de persoonlijke eigenaardigheden van den bewoner uitdrukken,—de plaats van rust en vrede, van liefde en afzondering,—dan het in zijn tegenwoordigen toestand van achtergebleven industrieele ontwikkeling kan zijn. En de vrouw zal dan haar werkzaamheden met veel beter resultaten kunnen vervullen, dan zij nu met haar voortdurende moeilijkheden, haar stipte toewijding, haar aandoenlijke onwetendheid en machteloosheid doet.
XNiettegenstaande het superieure moederschap van de mensch-vrouw zoo moeilijk te bewijzen is en het door de onvoldoende, ongeregelde en pathologische resultaten een open veld voor zware aanvallen van kritiek oplevert, blijft toch ons heilig geloof, onze eerbied, onze ongeschokte overtuiging dat het de eenige volmaakte zaak op aarde is, onaangetast. De feiten, die onze zorgeloosheid en onwetendheid in het volbrengen van deze functie aantoonen, vallen niet te ontkennen; de groote kindersterfte en de vele kinderziekten,—namelijk die welke door de doctoren in de rubriek: “ziekten die voorkomen kunnen worden” zijn opgenomen,—deze fouten en gebreken met doodelijke gevolgen nemen wij overal waar, maar wij tellen ze allen niet, of stellen ze op rekening van alle mogelijke oorzaken, behalve op die van een onvoldoend moederschap.Een van de meest gebruikte verontschuldigingen van hen, die inderdaad meenen dat verontschuldiging noodig is, is deze, dat de vader voor deze omstandigheden moet gelaakt worden. Reeds is vroeger gezegd dat zijne ondeugden het lichaamsgestel van het ras verzwakken. Maar zijne tekortkoming in dezen verhindert de moeder niet het kind voldoende te verzorgen. De vader wordt verantwoordelijk gesteld voor al het kwaad dat wij in onze kinderen opmerken; en niettemin vereeren wij de moeder voor het physisch proces een kind van zoo’n man ter wereld te brengen,—thans als een heldendaad beschouwd,—en voor “de toewijding” welke zij er lateraan schenkt, afgezien daarvan of die toewijding wijs is en werkelijk geschonken wordt. Een gezond en onafhankelijk moederschap zou er niet aan denken voor het goed volbrengen van zijn natuurlijke functiën meer geprezen te willen worden dan een kat voor het ter wereld brengen van haar poesjes of een schaap van haar lammeren. Het bekende feit dat de vrouwen uit de lagere maatschappelijke rangen meer kinderen baren en ze gemakkelijker ter wereld brengen dan de vrouwen uit de hoogere kringen, moest eigenlijk aan deze dwaze aanmatiging een einde maken, maar het doet het niet. Hoe meer de vrouwen zich zelf en hun kroost verzwakken, hun eigen leven in gevaar brengen door verkeerde gewoonten, des te meer moeite, gevaar en onkosten zijn er aan dit natuurlijk proces verbonden, en des te meer beroemen de vrouwen er zich in allen ernst op en nemen den lof van anderen in ontvangst voor de heldhaftige zelfopoffering met welke zij hun leven (en dat van hun babies!) voor het behoud van het menschdom wagen. Wat den vader en zijn aandeel in de slechte gevolgen betreft, niets van hetgeen hij ooit gedaan heeft of nog kan doen, ontslaat het moederschap van zijn eerste verantwoordelijkheid.Veronderstel eens dat het wijfje van een ander diersoort haar plicht tegenover haar ras om een goeden echtgenoot te kiezen niet telde, dat zij ging paren met schurftige, tandelooze kreupelen,—indien zij zulke rasgenooten had,—en daardoor zwakke, misvormde jongen voortbracht, die haar ras hielpen uitroeien, zou zij dan het mannetje voor de gevolgen aansprakelijk stellen? Een geheele sekse, uitsluitend bestemd voor moederlijke functiën, welke zoo hoog geschat worden dat het gemis aan economische waarde der vrouwen er door gerechtvaardigd zou worden, moest in den loop destijds geleerd hebben, hoe men geschikte vaders moet kiezen. Indien de mensch-moeder alleen door de hulp van een ander persoon haar kinderen kan voeden en behoeden, een voeder en beschermer van wien hun leven en veiligheid afhangt, welke natuurlijke, maatschappelijke of zedelijke verontschuldiging heeft zij dan, om daarvoor niet den rechten man te kiezen?Maar hoe kan een jong meisje weten wie een goede aanstaande vader is, vraagt men? Dat zij door hare opvoeding hiertoe niet in staat wordt gesteld, bewijst reeds haar ongeschiktheid voor haar grootsche taak. Dat zij er niet over nadenkt en er geen belang in stelt, bewijst haar schandelijke onverschilligheid voor dien grooten plicht. Zij kan in geen geval de verantwoordelijkheid der misdadige zorgeloosheid, om een goeden vader voor haar kinderen te kiezen, ontduiken, tenzij er inderdaad geen keuze was, en er geen goede mannen op de wereld bestonden. Bovendien zijn wij niet verplicht om deze moeilijke keuze aan jonge meisjes over te laten. Het moederschap is het werk van volwassen vrouwen, niet van halve kinderen; wanneer wij eerlijk zooveel voor het moederschap gevoelen als wij voorwenden, dan zullen wij de vrouw voor haar taak, niet het meisje voor haar bedriegelijke kunstgrepen om zich een verzorger te verzekeren, opvoeden. Wij spreken over de edele moederplichten, maar onze dochters worden groot gebracht voor een economisch goed huwelijk.Wanneer wij dit veld van den moederplicht voor een goede teeltkeus verlaten, dan komen wij op het veel uitgebreider terrein, waarheen de volksgeest ons in triomf heenleidt; dáár waar het later werk van de moeder bewijst hoe goed de arbeidsverdeeling naar het geslacht in ons ras voldoet, dat in de verzorging van het kind, de opvoeding van het kind, het heerlijk huiselijk en familieleven aangetoond wordt, hoe goed ons systeem werkt.Dit is de laatste vesting. Stevig verschanst zit hier de volksmeening, veilig in het heilig gebied van den huiselijken haard. “Eigen haard is goud waard.” En de vensters worden gesloten om de lucht buiten te houden. De gordijnen worden neergelaten om het licht buiten te houden. De deuren worden gegrendeld om den vreemdeling buiten te houden. Binnen brandt het haardvuur en zetelt de hoogepriesteres, de kiem van menschelijke samenleving,—het gezin te huis.Onze tronen zijn verwoest en hebben plaats gemaakt voor zetels van tijdelijke presidenten. Onze kerken hebben het moderne licht opgevangen en de reuk van heiligheid werd verfrischt met zachte zonnige lucht. In deze oude heiligdommen kunnen wij zien dat er plaats is voor verandering, maar in het heiligdom van het tehuis niet. Zóó nauw is deze tempel en zijn rechten met de diensten der onderworpen vrouw saamgeweven, zijn altaar eischt zóó haar onophoudelijke opoffering, dat wij ons het menschelijk leven op een andere leest geschoeid, onmogelijk kunnen voorstellen. Wij huiveren bij de gedachte dat er kans bestaat eenige van deze oude en heilige gebruiken te verliezen. Zonder dezen gezegenden achtergrond van alle onze herinneringen en den voorgrond van alle onze hoop schijnt het leven inderdaad ledig. Wij worden allen tehuis geboren. Wij sterven allen tehuis, of hopen er te sterven. Wij allen werken voor een tehuis, in huis of er buiten. Het tehuis is het middenpunt en de grens, het begin en het einde van de meesten onder ons. Wij hebben het lief met een liefde, ouder dan het menschenras. Wij vereeren het met de blinde gehoorzaamheid uit die vroege eeuwen, toen deze vereering een aanvang nam. Wij hechten er ons aan met de vasthoudendheid van het meest oorspronkelijk instinkt onzer dierlijke natuur, en met de geestdrift van elk laatstewoord in het onafgebroken loflied dat wij er aan wijden, sedert wij het voor het eerst leerden prijzen.Wanneer wij meenen dat ons huiselijk leven, juist zooals wij het hebben ingericht, de beste zaak op aarde is, en dat dit leven op zijn minst een heele vrouw voor ieder gezin eischt, doch gewoonlijk meer, dan volgt hieruit dat ieder die de positie van de vrouw tracht te veranderen, beschouwd wordt als iemand die “het gezin ondermijnt”, “de grondslagen van het familieleven aantast” en daarvan willen wij niets weten. Indien wij, wanneer getracht wordt het moderne vaandel van vrij denken en vrij spreken ingang te doen vinden, luisteren en, voor een oogenblik onzen afgod ter zijde stellende, tot den moedigen beeldstormer zeggen: “Toon ons iets beters”, met welk een grenzenlooze bespotting begroeten wij dan zijn voorgestelde verandering! Toch wordt overal om ons heen deze toren, dit kasteel van verdwijnende traditie, moeilijker te verdedigen of goed te onderhouden. Wij stutten het op nieuw met elke generatie; wij hebben zijn krakende en afbrokkelende hoeken lief; wij drapeeren en behangen ze met eindelooze versierselen; wij verbergen de boven ons opdoemende gevaren met frissche wierookwolken; en wij eischen van de zoogenaamde verbeteraars en hervormers dat zij eerst de wenschelijkheid van hunne roekelooze plannen aantoonen, alvorens zij den hamer opheffen. Doch wanneer zij ons hunne plannen toonen, lachen wij hen uit.Het is een moeilijk geval. De aandacht op bestaande toestanden te vestigen en hun verhouding tot bestaande verschijnselen vast te stellen, is nog niet hetzelfde als uit te maken in hoever een veranderde toestand nieuwe verschijnselen zal medebrengen en hoe deze verschijnselen ons ten goede zullen komen. Toch moet deze taak steeds vervuld worden, wil hetmenschenras bewust voorwaarts schrijden. Zoolang de vooruitgang onbewust tot stand kwam, was het voldoende dat zekere individuen en volksklassen langzamerhand de nieuwe verhoudingen in het sociaal evolutieproces aannamen en dat zij hunne nieuwe levensomstandigheden den tegenstribbelenden behoudzuchtigen, die zich niet ontwikkeld hadden, opdrongen.In den nog niet zoo lang geleden overgang van het leenstelsel naar de monarchie, werd er geen tijd verspild met de poging om den koppigen adel te overreden, of hen van hun nationalen plicht te overtuigen. De toenemende macht van den koning bestreed en overwon de verminderende macht van den adel,—dat was alles. Had men toen een boek geschreven om op de verandering aan te dringen, het kon de gebreken van het leenstelsel duidelijk genoeg bewezen hebben; maar wanneer het getracht had den zegen van nationalen vrede en macht onder één enkelen heer te schilderen, zou het weinig indruk gemaakt hebben. Nationale vrede en macht, tot op dien tijd niet bestaanbaar, zou op de machtige grondeigenaren, wier eenig denkbeeld van vrede en macht was hun ootmoedige naburen onderworpen te houden, geen invloed gehad hebben. Had hun kracht toen geschuild in argumenteeren, dan zouden zij de “zullen worden’s” en “zal zijn’s” van den schrijver bespot hebben en hem hebben uitgedaagd om te bewijzen dat de nieuwe toestand door de nieuwe processen tot stand zou komen, en dat zou zeer zeker moeilijk geweest zijn.Zoo is het ook thans met het in twijfel trekken van den economischen staat der vrouw en haar positie in huis en gezin; het is veel gemakkelijker de tegenwoordige gebreken dan de toekomstige verbetering aan te toonen. Toch wordt dit juist verlangd. Er wordt vanden pleiter voor maatschappelijke hervorming niet alleen geëischt dat hij de tevreden volgers van het tegenwoordig systeem overtuigt dat dit niet deugt, maar hij moet hun ook afdoende bewijzen dat eenig ander stelsel beter is. Dit is in den aard der zaak onmogelijk. Wanneer menschen tevreden zijn, dan kan men ze niet doen gevoelen dat wat is niet deugt of dat iets anders beter is. Zelfs de ontevredenen willen veel liever hun bezwaren op den een of anderen persoonlijken factor schuiven, dan toegeven dat hun toestand, als een geheel, onvermijdelijk het algemeene euvel voortbrengt waarin zij deelen. Zelfs indien zij overtuigd worden dat een veranderde toestand de bron van nadeel zal wegnemen, zijn zij bang, evenals de vos met den zwerm vliegen, gestoord te zullen worden en vreezen in nog slechter toestand gebracht te worden dan voorheen. Met deze onvermijdelijke bezwaren voor oogen moet evenwel de taak ondernomen worden.Voordat wij beginnen, moeten wij twee dingen vooropstellen en het daarover eens zijn. Vooreerst dat vooruitgang, ontwikkeling, de plicht van het menschelijk leven is, dat wij hier niet alleen zijn om te leven, maar om te worden,—niet tevreden mogen zijn met halve beschaving, noch met beginnende ontwikkeling, maar dat wij door alle eeuwen heen hebben te arbeiden om steeds edeler levensvormen op te bouwen, waarheen de sociale evolutie leidt. Indien dit niet geloofd wordt, indien iemand meent dat met de soort in het leven te houden en voort te planten de grens van onzen menschelijken plicht bereikt wordt, dan moet zoo iemand dit boek niet verder lezen. Dit doel kan bereikt worden en is eeuwenlang door allerlei vormen van geslachts-verhouding en economische verhouding bereikt geworden. Menschelijke wezens hebben geleefd enkinderen groot gebracht, evengoed als hunne ouders in vrije liefde en luiheid, in gedwongen polygamie en slavernij, in vrijwillige polyandrie en werkzaamheid en in monogamieplusprostitutie en fabrieken. De betrekkelijke superioriteit van eenig stelsel, hetzij dit gebaseerd is op het geslachtsleven of steunt op economische grondslagen, wordt niet bewezen alleen door dat men leeft en kinderen voortbrengt. Indien wij aannemen dat leven beteekent vooruitgang, dan moet elke opvolgende vorm van geslachts-verhouding en economische verhouding naar zijn invloed op den vooruitgang beoordeeld worden.Het zal hier noodig zijn om eerst een definitie van menschelijken vooruitgang te geven. In overeenstemming met de algemeene wet van organische evolutie, kan zij aldus luiden: menschelijke vooruitgang beteekent zulk een ontwikkeling van het individu en zijne sociale verhoudingen als noodig is, om zijn gezondheid en geluk te handhaven en de organische ontwikkeling der maatschappij te doen toenemen.Wanneer wij deze definitie van menschelijken vooruitgang aannemen, indien wij het er over eens zijn dat streven naar vooruitgang de maatschappelijke plicht is en dat alle maatschappelijke instellingen hiernaar beoordeeld moeten worden, dan kunnen wij tot onze tweede premisse overgaan. Deze is in belangrijkheid niet aan de eerste gelijk; zij moest zóó door iedereen begrepen en aangenomen zijn, dat het niet noodig was haar op den voorgrond te brengen. Maar zij wordt niet door iedereen begrepen en aangenomen. Feitelijk wordt zij zóó dikwijls misverstaan en geloochend, dat eigenlijk geen verontschuldiging behoeft te worden aangeboden dat er hier op gewezen wordt.De tweede premisse is: als wij genot door ietssmaken, bewijst dit nog niet dat dit iets juist en goed is. Zelfs onze liefde, bewondering, eerbied voor iets bewijst nog niet dat zoo iets juist en goed is, en uit een evolutionair oogpunt is zelfs onze meening, dat iets “natuurlijk” is, nog geen bewijs dat het juist en goed is. Iets kan juist en goed zijn in het eene evolutie-stadium en slecht worden in een ander. Bijvoorbeeld, vrije liefde is “natuurlijk”; het menschelijk dier, evenals vele andere diersoorten, voelt zich er zeer gemakkelijk toe geneigd. Maar door sociale evolutie is bewezen dat monogamie juist en goed is; dat door monogamie de maatschappelijke verhouding in het menschelijk ras het meest vooruitgaat; maar het is niet zoo “natuurlijk” als men wel wenschen zou.Keeren wij tot onze tweede premisse, die nog al omvangrijk is, terug, dan moeten wij aantoonen dat het nog geen bewijs is dat iets juist en goed is, wanneer het “natuurlijk” is en genot verschaft. Het spreekt van zelf dat dit niet belet om juist en goed te zijn. Goede dingen kunnen genot verschaffen, kunnen bemind, bewonderd en geëerbiedigd worden, kunnen zelfs “natuurlijk” zijn, maar dat kunnen slechte dingen ook. Zelfs dat bovenmenschelijk vermogen, genaamd instinkt, is dan alleen een trouwe gids waardoor wij ons kunnen laten leiden, wanneer de omstandigheden aanwezig zijn, die dat instinkt oorspronkelijk ontwikkeld hebben. Het instinkt, waardoor thans een huis-hond drie keer ronddraait, voordat hij in zijn mand gaat liggen is geen groote bewondering waard, ofschoon het in degrasvlaktenen in de bebladerde holten, waar het dier oorspronkelijk opgroeide, zijn nut had. Indien deze twee premisses toegegeven zijn, dat het de plicht van het menschenleven is naar vooruitgang te streven en dat een gegeven toestand niet noodzakelijk juist en goedbehoeft te zijn, omdat wij er van houden, dan kunnen wij verder gaan.Is de tegenwoordige wijze van huiselijk leven, gegrondvest als zij is op de economische afhankelijkheid der vrouw van de geslachts-verhouding, het best berekend om de gezondheid en het geluk van het individu te waarborgen en in hem de hooger maatschappelijke hoedanigheden te ontwikkelen? De gezondheid en het geluk van het individu worden niet gewaarborgd, dat ziet iedereen; en hoe weinig de maatschappelijke hoedanigheden van de individuen worden ontwikkeld, blijkt duidelijk uit hunne vele afwijkingen en uit de verspilling van krachten in ons tegenwoordig economisch stelsel.Economische onafhankelijkheid der vrouwen brengt noodzakelijk een verandering van de huishouding en het gezin mede. Doch indien deze verandering in het belang van het individu of het ras is, behoeven wij haar toch niet te vreezen. Zij sluit geen verandering in de huwelijksverhouding in, afgezien daarvan, dat het element van economische afhankelijkheid er uit verwijderd wordt; ook niet in de verhouding van moeder tot kind, behalve dat die er door verbeterd wordt. Zij brengt evenwel mede dat vrouwen zich in menschelijke werkzaamheden bekwamen, die echter meer ten bate der maatschappij dan der huishouding komen. Hiervoor wordt natuurlijk een andere leefwijze vereischt dan die wij nu volgen. De in zwang zijnde voedingsmethode der wereld door middel van millioenen eigen dienstboden, en het groot brengen der kinderen door dezelfde handen zal dan blijken onmogelijk te zijn.Het is een droevig feit dat de groote meerderheid van onze kinderen groot gebracht en opgevoed worden door eigen dienstboden, gewoonlijk wel hunne moeders, zekerlijk, maar die toch van beroep dienstbode zijn. Detegenwoordige staat der vrouw als particuliere dienstbode moet noodzakelijk in botsing komen met haar positie als voortbrengster, als een factor in de economische bedrijvigheid der wereld. Huismeesteres kan zij blijven, in den zin dat zij haar huishouding regelt en leidt, maar huishoudster of dienstbode kan zij niet zijn en tegelijkertijd iets anders. Haar positie als moeder zal eveneens veranderen. Moeder in den zin van draagster en grootbrengster van edele kinderen kan zij zijn en wel het best, en als betrekking waarschijnlijk het meest gewaardeerd en het liefst; maar moeder in den zin van uitsluitend individueele kindermeid en kinderjuffrouw kan zij niet zijn en tegelijkertijd iets anders.Hier is juist het punt waar de wereld halt roept. Niets kan voortreffelijker zijn, zegt zij, dan onze huisgezinnen met hunne schoone priesteressen. Niets kan voor kinderen beter zijn dan de voortdurende zorg van hun eigen moeders. Het zijn weder dezelfde argumenten als van den adel in het feudale tijdperk. Wij kunnen misschien overtuigd worden van de gebreken der bestaande toestanden, maar wij kunnen niet overtuigd worden van de kans op verbetering. Niettemin kunnen wij het probeeren.Laat ons eens bedaard gaan zitten en een beter soort van moederschap bedenken dan dat van individueele kindermeiden, een betere manier om de wereld te voeden, te kleeden, te reinigen dan door eigen dienstboden.Nu hebben wij onze tweede premisse noodig, want wij vinden de toestanden, zooals zij zijn, aangenaam; (dat wil zeggen, sommigen van ons vinden dat somtijds en de overigen verbeelden het zich). Wij hebben ze lief, bewonderen en eerbiedigen ze en het is zoo “natuurlijk” ze zoo te hebben. Indien nu aangetoond kan worden dat het voor den menschelijken vooruitgang beter isdat wij anders handelen, dan bewijst dit toch dat deze andere handelwijze de juiste is; en dan moeten wij leeren zulk een handelwijze te vereeren, lief te hebben, te bewonderen zoo veel wij kunnen, dan zullen wij na verloop van tijd haar ook “natuurlijk” vinden. Indien aangetoond kan worden dat het voor onze kleine kinderen beter zou zijn, dat zij een gedeelte van den dag aan andere verzorging dan die van hunne moeders waren toevertrouwd, dan zou die andere verzorging de juiste zijn en dan zou de plicht van het moederschap medebrengen, daarin te voorzien. Indien aangetoond kan worden dat aan onze persoonlijke behoeften, aan voeding, kleeding, reinheid, warmte, huisvesting, afzondering, beter kan voldaan worden door eenige andere methode dan die, welke één vrouw of meer voor elk gezin vereischt, dan zou het de plicht der vrouwen zijn om zulk een methode te zoeken en toe te passen.Misschien is het de moeite waard om onderwijl den aard van ons gevoel voor die maatschappelijke instelling, genaamd “het gezin” en de wijziging die het waarschijnlijk ondergaat door de verandering in den economischen staat der vrouw, te onderzoeken.Huwelijk en gezin zijn twee instellingen, niet één, zooals gewoonlijk verondersteld wordt. Wij verwarren het natuurlijk resultaat van het huwelijk, kinderen—een resultaat dat aan alle vormen van geslachtsvereeniging eigen is,—met gezin, dat een zuiver maatschappelijk verschijnsel is. Het huwelijk is een vorm van geslachts-vereeniging die door de maatschappij erkend en gesanctionneerd is. Het is een verhouding die, in overeenstemming met de gewoonten van het land, tusschen twee of meer personen bestaat en die wederzijdsche verplichtingen in zich sluit. Ofschoon wij er een economische verhouding van gemaakt hebben, is zij dit tochin werkelijkheid niet en zij zal een veel hoogere voldoening schenken, zoodra wij de economische phase er van ontwassen zijn.Het gezin is een maatschappelijke groep, een geheel, een kleine staat. Het neemt een voorname plaats in de evolutie der maatschappij in, geheel afgescheiden van zijn verband met huwelijk. Er is een tijd geweest waarin het gezin de hoogste vorm van maatschappelijke verhouding was,—eigenlijk de eenige vorm,—toen bestond er in het brein van de landelijke, aartsvaderlijke stammen nog geen begrip van iets zoo groot als vaderland, staat of natie. Voor hen bestond er alleen een groot land bezaaid met gezinnen, elk gezin zijn eigen kleine wereld, waarvan Grootpa priester en koning was.Het gezin was een maatschappelijke eenheid. De leden hadden dezelfde belangen, die vijandelijk waren aan die van andere gezinnen. Zoo’n gezin trok de aarde over, gingwaarvoedsel te vinden was, vocht nu en dan met andere gezinnen voor gras en water, wanneer het daaraan behoefte had. Onoplosbare algemeene belangen vormen den grondslag voor een organische vereeniging en deze belangen hebben langen tijd op bloedverwantschap berust.Toen het menschelijk individu het best gevoed en behoed werd door het gezin, moest het natuurlijk een hoofd hebben, omdat daarvoor de stipte, onderlinge samenwerking van al de leden van dat gezin vereischt werd, en zoo ontstond die vorm van regeering die als de patriarchale bekend is. De natuurlijke familiebetrekking, zooals bij ouders en jongen van andere diersoorten gezien wordt, of bij ons in de latere vormen, sluit zulk een regeeringsvorm niet in; hij is alleen een eigenaardigheid van het gezin wanneer dit een sociale éénheid vormt.Tot het wezen van het patriarchale familieleven behoorde polygamie, en niet slechts polygamie, maar het openlijk concubinaat met een vrouwenslavernij, die bijna op hetzelfde neerkwam. Toen het gezin als een maatschappelijke instelling zijn toppunt van ontwikkeling bereikt had, nam het huwelijk als zoodanig een zeer laag standpunt in; in dien tijd was het huwelijk feitelijk nog maar gedeeltelijk aan de vroegere vrije verhouding van den primitieven wilde ontgroeid. Het gezin schijnt inderdaad een langzaam verdwijnend overblijfsel van de nog losser vereeniging der horden te zijn, welke weder nader tot de in kudden of troepsgewijs levende carnivoren stonden dan tot een organische maatschappelijke verhouding. Een losse, gemengde groep dieren vormt geen stam; en de meest primitieve groepen der wilden schijnen niets meer dan zoo iets geweest te zijn.De stam in zijn waren vorm volgt op het gezin, is er een natuurlijke uitbreiding van en ontleent zijn essentieele banden aan dezelfde verwantschap. Ook deze maatschappelijke vormen zijn nauw verbonden met economische omstandigheden. De horde was de jacht-éénheid; het gezin en later de stam was een herders-éénheid. De landbouw en wat daarvan het gevolg is, handel en fabrieken, hebben langzamerhand deze ruwe banden des bloeds verzwakt en de maatschappelijke verwantschap doen ontstaan, welke den Staat vormt. Vóór het herders-tijdperk nam het gezin geen belangrijke positie in en na dit tijdperk is het langzamerhand in verval geraakt. Met den vooruitgang der maatschappij zijn de menschelijke verhoudingen steeds minder op een persoonlijken of een sexueelen grondslag gaan rusten, maar meer en meer op onderlinge economische afhankelijkheid. Met een hoogere ontwikkelingder individuen werd ook een hooger vorm van huwelijk mogelijk.Het gezin is een verdwijnend overblijfsel van de vroegste, aan menschen bekende, groepeering. Het huwelijk is een toenemende ontwikkeling van hoog maatschappelijk leven, dat nog niet ten volle ontwikkeld is. In plaats van identiek te zijn met het gezin, staat het huwelijk in omgekeerde verhouding tot het gezin; het wordt beter en hechter, naarmate het gezin in waarde afneemt; dit is duidelijk waar te nemen in het groote contrast dat bestaat tusschen de huwelijks-verhouding van Jacob en zijne vrouwen en den niet te bedwingen wensch naar een levenslange monogame echtvereeniging, zooals die heden ten dage in onze harten opwelt. Gedurende het patriarchale tijdperk kon men zich van een huwelijk als een levenslange vereeniging van twee bij elkaar passende individuen, geen begrip vormen. Vrouwen hadden toen alleen waarde als kinderenvoortbrengsters. Het gezin had behoefte aan vele familieleden, voornamelijk mannelijke, daardoor verwierven de vrouwen met het in de wereld brengen van een mannelijk kind de hoogste gunst. Het gezin stond toen slechts weinig graden boven de horde. Zijn vereenigings-banden waren zeer los;—er was alleen een gemeenschappelijke vader, maar verschillende moeders met tegenstrijdige belangen. Zulk een grondslag verhinderde voor goed elke hoogere individualisatie, en hooger individualisatie, steeds vergezeld gaande met den wensch naar een hooger echtvereeniging, kan niet met een gezinsleven van eenige beteekenis gepaard gaan. Steeds steeg het huwelijk en ontwikkelde zich in maatschappelijke beteekenis, wanneer het gezin in waarde daalde en het gezinsleven minder werd.Het is zeer interessant dit op te merken bij de vestiging van Utah, die onder betrekkelijk gelijke omstandighedenplaats vond. De gemakkelijk gevoelde gemeenschappelijke belangen van veel menschen onder één hoofd, waardoor de polygame gezinnen zich onderscheiden, was een nuttige factor in deze groote baanbrekende onderneming. Met de verdere ontwikkeling dier maatschappij gevoelde men behoefte aan een vlottender, verstandiger, breeder opgevatte verhouding der individuen. Het gezin als een maatschappelijke éénheid, vormt een zwaarwichtig lichaam, dat uit eenigszins vijandige leden is samengesteld en waarbij een militaire regeling vereischt wordt, om het in zijn geheel te doen werken. Het is alleen nuttig zoolang het doel dat men er mede bereiken wil van eenvoudigen aard is en door de domste menschen begrepen kan worden. Het is gemakkelijk na te gaan, hoe het gezin door toeneming in aantal leden zich uitbreidde tot een stam, en dat in overeenstemming met dien groei de vader van het gezin veranderde in hoofd van den stam. Hoe daarna, door de steeds grooter wordende kracht der nationale éénheid de naam hoofd en de vorm stam niet meer toepasselijk waren en door de hoogere eischen aan de geslachts-verhouding gesteld, die met de primitieve economische behoeften van het gezin niet konden samengaan, het gezin zich op een monogamischen grondslag vestigde.En verder, nu onze nog in wording zijnde sociale behoeften een steeds verfijnder en vrijer onderlinge en gemeenschappelijke hulp der individuen noodig maken, vinden wij zelfs dat hetgeen nog van economische éénheid van het gezin overbleef, snel aan het afnemen is. Doch met den achteruitgang en met de verdwijning van de economische-verhouding wordt de geslachts-verhouding in het huwelijk zuiverder; en de wensch der hedendaagsche wereld naar een hooger, een edeler geslachts-vereeniging wordt even scherp uitgesproken, alshet aangroeiend bezwaar tegen de bestaande economische vereeniging. Wij zijn zoo lang gewend geweest die twee met elkaar te verwarren dat het ons vreemd zal toeschijnen juist in de verouderde overblijfselen van de gezins-verhouding, wel is waar voorheen van waarde, thans de oorzaak te vinden, waardoor de hoogere ontwikkeling van het monogame echtverbond zoo pijnlijk wordt belemmerd.In elke jongere generatie vormen mannen en vrouwen geslachts-vereenigingen, waarbij steeds hooger eischen gesteld worden aan een gelukkig huwelijk; waarbij steeds meer behoefte gevoeld wordt aan geestverwantschap. In elke nieuwe generatie wenschen en vragen mannen en vrouwen meer van elkander. Een vrouw is nu niet meer tevreden en dankbaar wanneer zij “een goeden man” heeft; een man is niet meer tevreden met een geduldige huissloof. Indien echter alle mannen en vrouweninhun huwelijk weder tot den ouden economischen staat van het gezin terugkeeren, dan komen zij steeds weder onder de omstandigheden, waardoor hun wederkeerige liefde vermindert en het huwelijk een soort van compromis wordt, meer of minder moeilijk te dragen, naarmate de betrokken personen beter opgevoed en liefvriendelijk van aard zijn. Zulke menschen zijn zich niet altijd bewust van hun “ongelukkig huwelijk”. Hun huwelijk is immers even gelukkig als die, welke zij rondom zich zien, misschien zoo gelukkig als wij veronderstellen dat een huwelijk “op aarde” kan zijn; en in den hemel verwachten wij geen huwelijken. Maar het is toch niet wat zij in hun jeugd er van verwacht hadden.Wanneer twee jonge lieden elkander liefhebben, zouden zij dan, in de lange uren van samenzijn, die hun nooit lang genoeg toeschijnen, wel eens stilstaanbij het verrukkelijk vooruitzicht der huishoudelijke plichten? Immers neen. Zij denken aan het genot een “tehuis” te zullen hebben, waar zij “eindelijk alleen” zijn kunnen; aan de gelegenheid om van elkanders bijzijn te genieten, maar vooral aan hetgeen zij samen zullen doen. Samen te werken, samen te wandelen, samen te lezen, schilderen, schrijven, zingen of iets anders dat men prettig vindt samen te doen, daarnaar verlangt liefde.Menschelijke liefde, nu zij een steeds hoogeren vorm aanneemt, verlangt hoe langer hoe meer naar zulk een kameraadschappelijkheid. Maar de economische staat van het huwelijk verstoort wreedaardig den jongen liefdesdroom. Uit een economisch oogpunt, afgescheiden van al het zoete en oprechte van de geslachts-verhouding, wordt de vrouw in het huwelijk de dienstbode, of op zijn hoogst de huishoudster van den man. Wij kunnen gerust zeggen dat over de geheele wereld de vrouwen in de lichamelijke behoeften van het menschelijk dier voorzien. Gehuwde verliefden werken niet te zamen. Zij kunnen, als zij tijd hebben, te zamen rusten; zij kunnen misschien te zamen spelen; maar zij maken niet te zamen de bedden op, of vegen of koken te zamen; en zij gaan ook niet te zamen naar de werkplaats. Zij staan economisch op een geheel verschillend maatschappelijk terrein, en dit vormt een slagboom voor elke hooger, oprechter vereeniging dan wij rondom ons zien. Een huwelijk kan alleen dan volmaakt zijn, indien het gesloten is tusschen menschen van gelijke klasse. En er bestaat geen klasse-gelijkheid tusschen hen die deelnemen aan het werk der wereld, volgens de nieuwste, breedste, hoogste methode en hen die hun werk verrichten op de oudste, bekrompenste, laagste wijze.Indien wij gulweg toegeven dat het de taak der vrouwen is het huiselijk leven overal gezond, waar en zonnig te maken, dan kan men ons toch niet tegenspreken dat de economisch afhankelijke vrouw dit niet doet en het ook nooit zal kunnen. Dit kan en zal alleen een economisch onafhankelijke vrouw doen. Evenmin als het gezin identiek is met het huwelijk, evenmin is het huiselijk leven in een of ander opzicht identiek met een dier beiden.Een tehuis is een bestendige woonplaats, hetzij het dienst doet voor één, twee, veertig of duizend, voor een paar, een troep of een zwerm. De bijenkorf is het tehuis voor de bijen, even letterlijk en absoluut als het nest het is voor een vogelpaar in hun paartijd. Het tehuis en de liefde er voor kunnen zich inkrimpen tot de ééne kamer van een ongehuwde, of zich uitbreiden tot de oppervlakte van het vasteland, wanneer de terugkeerende reiziger land ziet en “thuis” roept. Er bestaat geen zoeter woord, er is geen dierbaarder plek, wij kennen geen gevoel dat meer tot ons hart spreekt, dan dit.Waarop berust, bij nauwkeurige ontleding, ons gevoel in dezen? Wat vormt den grondslag? Veel lager dan de menschheid, bij de vossen in hun holen en de vogels in hun nesten, begint reeds het diepe gevoel voor het tehuis. Het moederlijk instinkt zoekt een plaats waar het onbeschermd jong beschut wordt, wanneer de moeder afwezig is om voedsel te zoeken. De eerste scherpe indrukken uit de jeugd staan in verband met de beschuttende muren van een tehuis, moge dit de schommelende wieg in de takken der boomen, de zachte, donkere holte in den boomstronk of de kelder met zijn verborgen leger zijn. Een plaats waar men veilig is; een plaats waar men warm en droog is; een plaats waarmen rustig slaapt en in vrede eet; een plaats wier enge, bekende grenzen de zenuwen rust geven van den voortdurenden toevoer van indrukken der buitenwereld; dezelfde plaats steeds en overal, waar elk moedeloos gevoelgesusten genezen wordt, in ’t kort, elke plaats waar men gevoelt “dat men thuis is”. Dit alles dateert uit onze eerste bewustwording. Dit alles bestaat reeds millioenen en millioenen jaren. Geen wonder dus dat wij het liefhebben.Langzamerhand komen er dan nog de indrukken van teedere verhoudingen bij, de familiebanden uit den vroegsten tijd. Daarbij voegde zich, wel primitief doch wij zijn er nog niet geheel aan ontgroeid, het tastbaar-godsdienstig gevoel der vroegereouder-vereering,—heiligheid bij veiligheid,—waardoor het gevoel voor tehuis zeer versterkt werd. Het was de plaats waar men bad, waar het heilig vuur brandde en waar plengoffers gestort werden voor gestorven voorvaderen. Voortgaande, kwam dan het langzaam uitgestorven tijdperk van vader-regeering hierbij een nieuw gevoel voegen, het gevoel van eer voor de plaats van comfort en van gebed. Het werd toen tevens de zetel der regeering,—het paleis en de troon. Op deze sterke fundeering hebben wij een torenhoog gebouw van gebruiken, gewoonten en wetten gebouwd, waar alle diepe, innige, teedere aandoeningen van het menschelijk individu huizen. Geen wonder dat wij doof en blind zijn voor elke voorgestelde verbetering van ons goddelijk lustslot.Maar laat ons verder zien. Zonder een woord van het bovenstaande tegen te spreken, is het toch ook waar dat de hoogste aandoeningen der menschen opkomen en doorleefd worden buiten de woning en afgescheiden daarvan. Zoolang de godsdienst tehuis werd beoefend nam hij in dogma en ceremonie, in geest en uitdrukkingeen laag en benepen standpunt in. Hij kon zich niet verheffen, vóór dat hij nieuwe bezieling en nieuwe uiting vond in het menschelijk leven buiten de woning, vóórdat een plek gevonden werd, waar men gemeenschappelijk kon bidden en ceremoniën en moraal een menschelijken grondslag in plaats van den familie-grondslag aannamen. Voor wetenschap, kunst, regeering, opvoeding, onderwijs, industrie, is het huis de wieg, maar het zou ook hun graf worden, indien zij er in bleven. Alleen door te leven, denken, voelen en werken buitenshuis, worden wij menschelijk ontwikkeld, beschaafd, gesocialiseerd.De flinke ontwikkeling van ons modern huiselijk leven is alleen mogelijk geworden, doordat het begeleid en voorafgegaan werd door modern maatschappelijk leven. Indien het omgekeerde waar was, wat gewoonlijk verondersteld wordt, dan zouden alle natiën, die in woningen leven, aanhoudend in beschaving moeten vooruitgaan. Doch dat doen zij niet. Integendeel, natiën waarbij het gezin en het familieleven nog het meest van kracht zijn, zooals in China, leveren een droevig voorbeeld van het resultaat van huiselijke deugden zonder maatschappelijke. Een waardig huiselijk leven is het product van een waardig maatschappelijk leven. De deugden waaraan de maatschappij behoefte heeft worden niet tehuis gekweekt. Maar de deugden noodig in gezinnen zooals die tegenwoordig gewenscht worden, worden wel in de maatschappij ontwikkeld. De leden van de vrijste, beschaafdste en meest geïndividualiseerde natiën vormen de beste leden van het gezin. De leden van de meest op zich zelf levende en hoogst vereerde gezinnen vormen niet noodzakelijk de meest gewenschte leden der maatschappij.De strekking van sociale evolutie, zooals trouwens vanelke evolutie, is om de “onbestemde, onzamenhangende homogeniteit te brengen tot bepaalde, samenhangende heterogeniteit”, en het gezin met zijn koppig handhaven van een voortdurende homogeniteit staat daarom den maatschappelijken vooruitgang zeer in den weg. De menschelijke wezens moeten het huiselijk leven niet minder lief hebben, maar zij moeten het uitbreiden door een nieuwe en krachtige uiting.Bovenal echter hebben wij behoefte aan een volledige ontwarring der denkbeelden omtrent de afwisselende en dikwijls lijnrecht tegenovergestelde belangen en werkzaamheden, die zoolang verondersteld zijn deel uit te maken van huis en gezin. De verandering van de economische positie der vrouw, van afhankelijkheid tot onafhankelijkheid, brengt tot ons groot voordeel ook een andere regeling der huiselijke belangen en werkzaamheden mede.
Niettegenstaande het superieure moederschap van de mensch-vrouw zoo moeilijk te bewijzen is en het door de onvoldoende, ongeregelde en pathologische resultaten een open veld voor zware aanvallen van kritiek oplevert, blijft toch ons heilig geloof, onze eerbied, onze ongeschokte overtuiging dat het de eenige volmaakte zaak op aarde is, onaangetast. De feiten, die onze zorgeloosheid en onwetendheid in het volbrengen van deze functie aantoonen, vallen niet te ontkennen; de groote kindersterfte en de vele kinderziekten,—namelijk die welke door de doctoren in de rubriek: “ziekten die voorkomen kunnen worden” zijn opgenomen,—deze fouten en gebreken met doodelijke gevolgen nemen wij overal waar, maar wij tellen ze allen niet, of stellen ze op rekening van alle mogelijke oorzaken, behalve op die van een onvoldoend moederschap.
Een van de meest gebruikte verontschuldigingen van hen, die inderdaad meenen dat verontschuldiging noodig is, is deze, dat de vader voor deze omstandigheden moet gelaakt worden. Reeds is vroeger gezegd dat zijne ondeugden het lichaamsgestel van het ras verzwakken. Maar zijne tekortkoming in dezen verhindert de moeder niet het kind voldoende te verzorgen. De vader wordt verantwoordelijk gesteld voor al het kwaad dat wij in onze kinderen opmerken; en niettemin vereeren wij de moeder voor het physisch proces een kind van zoo’n man ter wereld te brengen,—thans als een heldendaad beschouwd,—en voor “de toewijding” welke zij er lateraan schenkt, afgezien daarvan of die toewijding wijs is en werkelijk geschonken wordt. Een gezond en onafhankelijk moederschap zou er niet aan denken voor het goed volbrengen van zijn natuurlijke functiën meer geprezen te willen worden dan een kat voor het ter wereld brengen van haar poesjes of een schaap van haar lammeren. Het bekende feit dat de vrouwen uit de lagere maatschappelijke rangen meer kinderen baren en ze gemakkelijker ter wereld brengen dan de vrouwen uit de hoogere kringen, moest eigenlijk aan deze dwaze aanmatiging een einde maken, maar het doet het niet. Hoe meer de vrouwen zich zelf en hun kroost verzwakken, hun eigen leven in gevaar brengen door verkeerde gewoonten, des te meer moeite, gevaar en onkosten zijn er aan dit natuurlijk proces verbonden, en des te meer beroemen de vrouwen er zich in allen ernst op en nemen den lof van anderen in ontvangst voor de heldhaftige zelfopoffering met welke zij hun leven (en dat van hun babies!) voor het behoud van het menschdom wagen. Wat den vader en zijn aandeel in de slechte gevolgen betreft, niets van hetgeen hij ooit gedaan heeft of nog kan doen, ontslaat het moederschap van zijn eerste verantwoordelijkheid.
Veronderstel eens dat het wijfje van een ander diersoort haar plicht tegenover haar ras om een goeden echtgenoot te kiezen niet telde, dat zij ging paren met schurftige, tandelooze kreupelen,—indien zij zulke rasgenooten had,—en daardoor zwakke, misvormde jongen voortbracht, die haar ras hielpen uitroeien, zou zij dan het mannetje voor de gevolgen aansprakelijk stellen? Een geheele sekse, uitsluitend bestemd voor moederlijke functiën, welke zoo hoog geschat worden dat het gemis aan economische waarde der vrouwen er door gerechtvaardigd zou worden, moest in den loop destijds geleerd hebben, hoe men geschikte vaders moet kiezen. Indien de mensch-moeder alleen door de hulp van een ander persoon haar kinderen kan voeden en behoeden, een voeder en beschermer van wien hun leven en veiligheid afhangt, welke natuurlijke, maatschappelijke of zedelijke verontschuldiging heeft zij dan, om daarvoor niet den rechten man te kiezen?
Maar hoe kan een jong meisje weten wie een goede aanstaande vader is, vraagt men? Dat zij door hare opvoeding hiertoe niet in staat wordt gesteld, bewijst reeds haar ongeschiktheid voor haar grootsche taak. Dat zij er niet over nadenkt en er geen belang in stelt, bewijst haar schandelijke onverschilligheid voor dien grooten plicht. Zij kan in geen geval de verantwoordelijkheid der misdadige zorgeloosheid, om een goeden vader voor haar kinderen te kiezen, ontduiken, tenzij er inderdaad geen keuze was, en er geen goede mannen op de wereld bestonden. Bovendien zijn wij niet verplicht om deze moeilijke keuze aan jonge meisjes over te laten. Het moederschap is het werk van volwassen vrouwen, niet van halve kinderen; wanneer wij eerlijk zooveel voor het moederschap gevoelen als wij voorwenden, dan zullen wij de vrouw voor haar taak, niet het meisje voor haar bedriegelijke kunstgrepen om zich een verzorger te verzekeren, opvoeden. Wij spreken over de edele moederplichten, maar onze dochters worden groot gebracht voor een economisch goed huwelijk.
Wanneer wij dit veld van den moederplicht voor een goede teeltkeus verlaten, dan komen wij op het veel uitgebreider terrein, waarheen de volksgeest ons in triomf heenleidt; dáár waar het later werk van de moeder bewijst hoe goed de arbeidsverdeeling naar het geslacht in ons ras voldoet, dat in de verzorging van het kind, de opvoeding van het kind, het heerlijk huiselijk en familieleven aangetoond wordt, hoe goed ons systeem werkt.Dit is de laatste vesting. Stevig verschanst zit hier de volksmeening, veilig in het heilig gebied van den huiselijken haard. “Eigen haard is goud waard.” En de vensters worden gesloten om de lucht buiten te houden. De gordijnen worden neergelaten om het licht buiten te houden. De deuren worden gegrendeld om den vreemdeling buiten te houden. Binnen brandt het haardvuur en zetelt de hoogepriesteres, de kiem van menschelijke samenleving,—het gezin te huis.
Onze tronen zijn verwoest en hebben plaats gemaakt voor zetels van tijdelijke presidenten. Onze kerken hebben het moderne licht opgevangen en de reuk van heiligheid werd verfrischt met zachte zonnige lucht. In deze oude heiligdommen kunnen wij zien dat er plaats is voor verandering, maar in het heiligdom van het tehuis niet. Zóó nauw is deze tempel en zijn rechten met de diensten der onderworpen vrouw saamgeweven, zijn altaar eischt zóó haar onophoudelijke opoffering, dat wij ons het menschelijk leven op een andere leest geschoeid, onmogelijk kunnen voorstellen. Wij huiveren bij de gedachte dat er kans bestaat eenige van deze oude en heilige gebruiken te verliezen. Zonder dezen gezegenden achtergrond van alle onze herinneringen en den voorgrond van alle onze hoop schijnt het leven inderdaad ledig. Wij worden allen tehuis geboren. Wij sterven allen tehuis, of hopen er te sterven. Wij allen werken voor een tehuis, in huis of er buiten. Het tehuis is het middenpunt en de grens, het begin en het einde van de meesten onder ons. Wij hebben het lief met een liefde, ouder dan het menschenras. Wij vereeren het met de blinde gehoorzaamheid uit die vroege eeuwen, toen deze vereering een aanvang nam. Wij hechten er ons aan met de vasthoudendheid van het meest oorspronkelijk instinkt onzer dierlijke natuur, en met de geestdrift van elk laatstewoord in het onafgebroken loflied dat wij er aan wijden, sedert wij het voor het eerst leerden prijzen.
Wanneer wij meenen dat ons huiselijk leven, juist zooals wij het hebben ingericht, de beste zaak op aarde is, en dat dit leven op zijn minst een heele vrouw voor ieder gezin eischt, doch gewoonlijk meer, dan volgt hieruit dat ieder die de positie van de vrouw tracht te veranderen, beschouwd wordt als iemand die “het gezin ondermijnt”, “de grondslagen van het familieleven aantast” en daarvan willen wij niets weten. Indien wij, wanneer getracht wordt het moderne vaandel van vrij denken en vrij spreken ingang te doen vinden, luisteren en, voor een oogenblik onzen afgod ter zijde stellende, tot den moedigen beeldstormer zeggen: “Toon ons iets beters”, met welk een grenzenlooze bespotting begroeten wij dan zijn voorgestelde verandering! Toch wordt overal om ons heen deze toren, dit kasteel van verdwijnende traditie, moeilijker te verdedigen of goed te onderhouden. Wij stutten het op nieuw met elke generatie; wij hebben zijn krakende en afbrokkelende hoeken lief; wij drapeeren en behangen ze met eindelooze versierselen; wij verbergen de boven ons opdoemende gevaren met frissche wierookwolken; en wij eischen van de zoogenaamde verbeteraars en hervormers dat zij eerst de wenschelijkheid van hunne roekelooze plannen aantoonen, alvorens zij den hamer opheffen. Doch wanneer zij ons hunne plannen toonen, lachen wij hen uit.
Het is een moeilijk geval. De aandacht op bestaande toestanden te vestigen en hun verhouding tot bestaande verschijnselen vast te stellen, is nog niet hetzelfde als uit te maken in hoever een veranderde toestand nieuwe verschijnselen zal medebrengen en hoe deze verschijnselen ons ten goede zullen komen. Toch moet deze taak steeds vervuld worden, wil hetmenschenras bewust voorwaarts schrijden. Zoolang de vooruitgang onbewust tot stand kwam, was het voldoende dat zekere individuen en volksklassen langzamerhand de nieuwe verhoudingen in het sociaal evolutieproces aannamen en dat zij hunne nieuwe levensomstandigheden den tegenstribbelenden behoudzuchtigen, die zich niet ontwikkeld hadden, opdrongen.
In den nog niet zoo lang geleden overgang van het leenstelsel naar de monarchie, werd er geen tijd verspild met de poging om den koppigen adel te overreden, of hen van hun nationalen plicht te overtuigen. De toenemende macht van den koning bestreed en overwon de verminderende macht van den adel,—dat was alles. Had men toen een boek geschreven om op de verandering aan te dringen, het kon de gebreken van het leenstelsel duidelijk genoeg bewezen hebben; maar wanneer het getracht had den zegen van nationalen vrede en macht onder één enkelen heer te schilderen, zou het weinig indruk gemaakt hebben. Nationale vrede en macht, tot op dien tijd niet bestaanbaar, zou op de machtige grondeigenaren, wier eenig denkbeeld van vrede en macht was hun ootmoedige naburen onderworpen te houden, geen invloed gehad hebben. Had hun kracht toen geschuild in argumenteeren, dan zouden zij de “zullen worden’s” en “zal zijn’s” van den schrijver bespot hebben en hem hebben uitgedaagd om te bewijzen dat de nieuwe toestand door de nieuwe processen tot stand zou komen, en dat zou zeer zeker moeilijk geweest zijn.
Zoo is het ook thans met het in twijfel trekken van den economischen staat der vrouw en haar positie in huis en gezin; het is veel gemakkelijker de tegenwoordige gebreken dan de toekomstige verbetering aan te toonen. Toch wordt dit juist verlangd. Er wordt vanden pleiter voor maatschappelijke hervorming niet alleen geëischt dat hij de tevreden volgers van het tegenwoordig systeem overtuigt dat dit niet deugt, maar hij moet hun ook afdoende bewijzen dat eenig ander stelsel beter is. Dit is in den aard der zaak onmogelijk. Wanneer menschen tevreden zijn, dan kan men ze niet doen gevoelen dat wat is niet deugt of dat iets anders beter is. Zelfs de ontevredenen willen veel liever hun bezwaren op den een of anderen persoonlijken factor schuiven, dan toegeven dat hun toestand, als een geheel, onvermijdelijk het algemeene euvel voortbrengt waarin zij deelen. Zelfs indien zij overtuigd worden dat een veranderde toestand de bron van nadeel zal wegnemen, zijn zij bang, evenals de vos met den zwerm vliegen, gestoord te zullen worden en vreezen in nog slechter toestand gebracht te worden dan voorheen. Met deze onvermijdelijke bezwaren voor oogen moet evenwel de taak ondernomen worden.
Voordat wij beginnen, moeten wij twee dingen vooropstellen en het daarover eens zijn. Vooreerst dat vooruitgang, ontwikkeling, de plicht van het menschelijk leven is, dat wij hier niet alleen zijn om te leven, maar om te worden,—niet tevreden mogen zijn met halve beschaving, noch met beginnende ontwikkeling, maar dat wij door alle eeuwen heen hebben te arbeiden om steeds edeler levensvormen op te bouwen, waarheen de sociale evolutie leidt. Indien dit niet geloofd wordt, indien iemand meent dat met de soort in het leven te houden en voort te planten de grens van onzen menschelijken plicht bereikt wordt, dan moet zoo iemand dit boek niet verder lezen. Dit doel kan bereikt worden en is eeuwenlang door allerlei vormen van geslachts-verhouding en economische verhouding bereikt geworden. Menschelijke wezens hebben geleefd enkinderen groot gebracht, evengoed als hunne ouders in vrije liefde en luiheid, in gedwongen polygamie en slavernij, in vrijwillige polyandrie en werkzaamheid en in monogamieplusprostitutie en fabrieken. De betrekkelijke superioriteit van eenig stelsel, hetzij dit gebaseerd is op het geslachtsleven of steunt op economische grondslagen, wordt niet bewezen alleen door dat men leeft en kinderen voortbrengt. Indien wij aannemen dat leven beteekent vooruitgang, dan moet elke opvolgende vorm van geslachts-verhouding en economische verhouding naar zijn invloed op den vooruitgang beoordeeld worden.
Het zal hier noodig zijn om eerst een definitie van menschelijken vooruitgang te geven. In overeenstemming met de algemeene wet van organische evolutie, kan zij aldus luiden: menschelijke vooruitgang beteekent zulk een ontwikkeling van het individu en zijne sociale verhoudingen als noodig is, om zijn gezondheid en geluk te handhaven en de organische ontwikkeling der maatschappij te doen toenemen.
Wanneer wij deze definitie van menschelijken vooruitgang aannemen, indien wij het er over eens zijn dat streven naar vooruitgang de maatschappelijke plicht is en dat alle maatschappelijke instellingen hiernaar beoordeeld moeten worden, dan kunnen wij tot onze tweede premisse overgaan. Deze is in belangrijkheid niet aan de eerste gelijk; zij moest zóó door iedereen begrepen en aangenomen zijn, dat het niet noodig was haar op den voorgrond te brengen. Maar zij wordt niet door iedereen begrepen en aangenomen. Feitelijk wordt zij zóó dikwijls misverstaan en geloochend, dat eigenlijk geen verontschuldiging behoeft te worden aangeboden dat er hier op gewezen wordt.
De tweede premisse is: als wij genot door ietssmaken, bewijst dit nog niet dat dit iets juist en goed is. Zelfs onze liefde, bewondering, eerbied voor iets bewijst nog niet dat zoo iets juist en goed is, en uit een evolutionair oogpunt is zelfs onze meening, dat iets “natuurlijk” is, nog geen bewijs dat het juist en goed is. Iets kan juist en goed zijn in het eene evolutie-stadium en slecht worden in een ander. Bijvoorbeeld, vrije liefde is “natuurlijk”; het menschelijk dier, evenals vele andere diersoorten, voelt zich er zeer gemakkelijk toe geneigd. Maar door sociale evolutie is bewezen dat monogamie juist en goed is; dat door monogamie de maatschappelijke verhouding in het menschelijk ras het meest vooruitgaat; maar het is niet zoo “natuurlijk” als men wel wenschen zou.
Keeren wij tot onze tweede premisse, die nog al omvangrijk is, terug, dan moeten wij aantoonen dat het nog geen bewijs is dat iets juist en goed is, wanneer het “natuurlijk” is en genot verschaft. Het spreekt van zelf dat dit niet belet om juist en goed te zijn. Goede dingen kunnen genot verschaffen, kunnen bemind, bewonderd en geëerbiedigd worden, kunnen zelfs “natuurlijk” zijn, maar dat kunnen slechte dingen ook. Zelfs dat bovenmenschelijk vermogen, genaamd instinkt, is dan alleen een trouwe gids waardoor wij ons kunnen laten leiden, wanneer de omstandigheden aanwezig zijn, die dat instinkt oorspronkelijk ontwikkeld hebben. Het instinkt, waardoor thans een huis-hond drie keer ronddraait, voordat hij in zijn mand gaat liggen is geen groote bewondering waard, ofschoon het in degrasvlaktenen in de bebladerde holten, waar het dier oorspronkelijk opgroeide, zijn nut had. Indien deze twee premisses toegegeven zijn, dat het de plicht van het menschenleven is naar vooruitgang te streven en dat een gegeven toestand niet noodzakelijk juist en goedbehoeft te zijn, omdat wij er van houden, dan kunnen wij verder gaan.
Is de tegenwoordige wijze van huiselijk leven, gegrondvest als zij is op de economische afhankelijkheid der vrouw van de geslachts-verhouding, het best berekend om de gezondheid en het geluk van het individu te waarborgen en in hem de hooger maatschappelijke hoedanigheden te ontwikkelen? De gezondheid en het geluk van het individu worden niet gewaarborgd, dat ziet iedereen; en hoe weinig de maatschappelijke hoedanigheden van de individuen worden ontwikkeld, blijkt duidelijk uit hunne vele afwijkingen en uit de verspilling van krachten in ons tegenwoordig economisch stelsel.
Economische onafhankelijkheid der vrouwen brengt noodzakelijk een verandering van de huishouding en het gezin mede. Doch indien deze verandering in het belang van het individu of het ras is, behoeven wij haar toch niet te vreezen. Zij sluit geen verandering in de huwelijksverhouding in, afgezien daarvan, dat het element van economische afhankelijkheid er uit verwijderd wordt; ook niet in de verhouding van moeder tot kind, behalve dat die er door verbeterd wordt. Zij brengt evenwel mede dat vrouwen zich in menschelijke werkzaamheden bekwamen, die echter meer ten bate der maatschappij dan der huishouding komen. Hiervoor wordt natuurlijk een andere leefwijze vereischt dan die wij nu volgen. De in zwang zijnde voedingsmethode der wereld door middel van millioenen eigen dienstboden, en het groot brengen der kinderen door dezelfde handen zal dan blijken onmogelijk te zijn.
Het is een droevig feit dat de groote meerderheid van onze kinderen groot gebracht en opgevoed worden door eigen dienstboden, gewoonlijk wel hunne moeders, zekerlijk, maar die toch van beroep dienstbode zijn. Detegenwoordige staat der vrouw als particuliere dienstbode moet noodzakelijk in botsing komen met haar positie als voortbrengster, als een factor in de economische bedrijvigheid der wereld. Huismeesteres kan zij blijven, in den zin dat zij haar huishouding regelt en leidt, maar huishoudster of dienstbode kan zij niet zijn en tegelijkertijd iets anders. Haar positie als moeder zal eveneens veranderen. Moeder in den zin van draagster en grootbrengster van edele kinderen kan zij zijn en wel het best, en als betrekking waarschijnlijk het meest gewaardeerd en het liefst; maar moeder in den zin van uitsluitend individueele kindermeid en kinderjuffrouw kan zij niet zijn en tegelijkertijd iets anders.
Hier is juist het punt waar de wereld halt roept. Niets kan voortreffelijker zijn, zegt zij, dan onze huisgezinnen met hunne schoone priesteressen. Niets kan voor kinderen beter zijn dan de voortdurende zorg van hun eigen moeders. Het zijn weder dezelfde argumenten als van den adel in het feudale tijdperk. Wij kunnen misschien overtuigd worden van de gebreken der bestaande toestanden, maar wij kunnen niet overtuigd worden van de kans op verbetering. Niettemin kunnen wij het probeeren.
Laat ons eens bedaard gaan zitten en een beter soort van moederschap bedenken dan dat van individueele kindermeiden, een betere manier om de wereld te voeden, te kleeden, te reinigen dan door eigen dienstboden.
Nu hebben wij onze tweede premisse noodig, want wij vinden de toestanden, zooals zij zijn, aangenaam; (dat wil zeggen, sommigen van ons vinden dat somtijds en de overigen verbeelden het zich). Wij hebben ze lief, bewonderen en eerbiedigen ze en het is zoo “natuurlijk” ze zoo te hebben. Indien nu aangetoond kan worden dat het voor den menschelijken vooruitgang beter isdat wij anders handelen, dan bewijst dit toch dat deze andere handelwijze de juiste is; en dan moeten wij leeren zulk een handelwijze te vereeren, lief te hebben, te bewonderen zoo veel wij kunnen, dan zullen wij na verloop van tijd haar ook “natuurlijk” vinden. Indien aangetoond kan worden dat het voor onze kleine kinderen beter zou zijn, dat zij een gedeelte van den dag aan andere verzorging dan die van hunne moeders waren toevertrouwd, dan zou die andere verzorging de juiste zijn en dan zou de plicht van het moederschap medebrengen, daarin te voorzien. Indien aangetoond kan worden dat aan onze persoonlijke behoeften, aan voeding, kleeding, reinheid, warmte, huisvesting, afzondering, beter kan voldaan worden door eenige andere methode dan die, welke één vrouw of meer voor elk gezin vereischt, dan zou het de plicht der vrouwen zijn om zulk een methode te zoeken en toe te passen.
Misschien is het de moeite waard om onderwijl den aard van ons gevoel voor die maatschappelijke instelling, genaamd “het gezin” en de wijziging die het waarschijnlijk ondergaat door de verandering in den economischen staat der vrouw, te onderzoeken.
Huwelijk en gezin zijn twee instellingen, niet één, zooals gewoonlijk verondersteld wordt. Wij verwarren het natuurlijk resultaat van het huwelijk, kinderen—een resultaat dat aan alle vormen van geslachtsvereeniging eigen is,—met gezin, dat een zuiver maatschappelijk verschijnsel is. Het huwelijk is een vorm van geslachts-vereeniging die door de maatschappij erkend en gesanctionneerd is. Het is een verhouding die, in overeenstemming met de gewoonten van het land, tusschen twee of meer personen bestaat en die wederzijdsche verplichtingen in zich sluit. Ofschoon wij er een economische verhouding van gemaakt hebben, is zij dit tochin werkelijkheid niet en zij zal een veel hoogere voldoening schenken, zoodra wij de economische phase er van ontwassen zijn.
Het gezin is een maatschappelijke groep, een geheel, een kleine staat. Het neemt een voorname plaats in de evolutie der maatschappij in, geheel afgescheiden van zijn verband met huwelijk. Er is een tijd geweest waarin het gezin de hoogste vorm van maatschappelijke verhouding was,—eigenlijk de eenige vorm,—toen bestond er in het brein van de landelijke, aartsvaderlijke stammen nog geen begrip van iets zoo groot als vaderland, staat of natie. Voor hen bestond er alleen een groot land bezaaid met gezinnen, elk gezin zijn eigen kleine wereld, waarvan Grootpa priester en koning was.
Het gezin was een maatschappelijke eenheid. De leden hadden dezelfde belangen, die vijandelijk waren aan die van andere gezinnen. Zoo’n gezin trok de aarde over, gingwaarvoedsel te vinden was, vocht nu en dan met andere gezinnen voor gras en water, wanneer het daaraan behoefte had. Onoplosbare algemeene belangen vormen den grondslag voor een organische vereeniging en deze belangen hebben langen tijd op bloedverwantschap berust.
Toen het menschelijk individu het best gevoed en behoed werd door het gezin, moest het natuurlijk een hoofd hebben, omdat daarvoor de stipte, onderlinge samenwerking van al de leden van dat gezin vereischt werd, en zoo ontstond die vorm van regeering die als de patriarchale bekend is. De natuurlijke familiebetrekking, zooals bij ouders en jongen van andere diersoorten gezien wordt, of bij ons in de latere vormen, sluit zulk een regeeringsvorm niet in; hij is alleen een eigenaardigheid van het gezin wanneer dit een sociale éénheid vormt.
Tot het wezen van het patriarchale familieleven behoorde polygamie, en niet slechts polygamie, maar het openlijk concubinaat met een vrouwenslavernij, die bijna op hetzelfde neerkwam. Toen het gezin als een maatschappelijke instelling zijn toppunt van ontwikkeling bereikt had, nam het huwelijk als zoodanig een zeer laag standpunt in; in dien tijd was het huwelijk feitelijk nog maar gedeeltelijk aan de vroegere vrije verhouding van den primitieven wilde ontgroeid. Het gezin schijnt inderdaad een langzaam verdwijnend overblijfsel van de nog losser vereeniging der horden te zijn, welke weder nader tot de in kudden of troepsgewijs levende carnivoren stonden dan tot een organische maatschappelijke verhouding. Een losse, gemengde groep dieren vormt geen stam; en de meest primitieve groepen der wilden schijnen niets meer dan zoo iets geweest te zijn.
De stam in zijn waren vorm volgt op het gezin, is er een natuurlijke uitbreiding van en ontleent zijn essentieele banden aan dezelfde verwantschap. Ook deze maatschappelijke vormen zijn nauw verbonden met economische omstandigheden. De horde was de jacht-éénheid; het gezin en later de stam was een herders-éénheid. De landbouw en wat daarvan het gevolg is, handel en fabrieken, hebben langzamerhand deze ruwe banden des bloeds verzwakt en de maatschappelijke verwantschap doen ontstaan, welke den Staat vormt. Vóór het herders-tijdperk nam het gezin geen belangrijke positie in en na dit tijdperk is het langzamerhand in verval geraakt. Met den vooruitgang der maatschappij zijn de menschelijke verhoudingen steeds minder op een persoonlijken of een sexueelen grondslag gaan rusten, maar meer en meer op onderlinge economische afhankelijkheid. Met een hoogere ontwikkelingder individuen werd ook een hooger vorm van huwelijk mogelijk.
Het gezin is een verdwijnend overblijfsel van de vroegste, aan menschen bekende, groepeering. Het huwelijk is een toenemende ontwikkeling van hoog maatschappelijk leven, dat nog niet ten volle ontwikkeld is. In plaats van identiek te zijn met het gezin, staat het huwelijk in omgekeerde verhouding tot het gezin; het wordt beter en hechter, naarmate het gezin in waarde afneemt; dit is duidelijk waar te nemen in het groote contrast dat bestaat tusschen de huwelijks-verhouding van Jacob en zijne vrouwen en den niet te bedwingen wensch naar een levenslange monogame echtvereeniging, zooals die heden ten dage in onze harten opwelt. Gedurende het patriarchale tijdperk kon men zich van een huwelijk als een levenslange vereeniging van twee bij elkaar passende individuen, geen begrip vormen. Vrouwen hadden toen alleen waarde als kinderenvoortbrengsters. Het gezin had behoefte aan vele familieleden, voornamelijk mannelijke, daardoor verwierven de vrouwen met het in de wereld brengen van een mannelijk kind de hoogste gunst. Het gezin stond toen slechts weinig graden boven de horde. Zijn vereenigings-banden waren zeer los;—er was alleen een gemeenschappelijke vader, maar verschillende moeders met tegenstrijdige belangen. Zulk een grondslag verhinderde voor goed elke hoogere individualisatie, en hooger individualisatie, steeds vergezeld gaande met den wensch naar een hooger echtvereeniging, kan niet met een gezinsleven van eenige beteekenis gepaard gaan. Steeds steeg het huwelijk en ontwikkelde zich in maatschappelijke beteekenis, wanneer het gezin in waarde daalde en het gezinsleven minder werd.
Het is zeer interessant dit op te merken bij de vestiging van Utah, die onder betrekkelijk gelijke omstandighedenplaats vond. De gemakkelijk gevoelde gemeenschappelijke belangen van veel menschen onder één hoofd, waardoor de polygame gezinnen zich onderscheiden, was een nuttige factor in deze groote baanbrekende onderneming. Met de verdere ontwikkeling dier maatschappij gevoelde men behoefte aan een vlottender, verstandiger, breeder opgevatte verhouding der individuen. Het gezin als een maatschappelijke éénheid, vormt een zwaarwichtig lichaam, dat uit eenigszins vijandige leden is samengesteld en waarbij een militaire regeling vereischt wordt, om het in zijn geheel te doen werken. Het is alleen nuttig zoolang het doel dat men er mede bereiken wil van eenvoudigen aard is en door de domste menschen begrepen kan worden. Het is gemakkelijk na te gaan, hoe het gezin door toeneming in aantal leden zich uitbreidde tot een stam, en dat in overeenstemming met dien groei de vader van het gezin veranderde in hoofd van den stam. Hoe daarna, door de steeds grooter wordende kracht der nationale éénheid de naam hoofd en de vorm stam niet meer toepasselijk waren en door de hoogere eischen aan de geslachts-verhouding gesteld, die met de primitieve economische behoeften van het gezin niet konden samengaan, het gezin zich op een monogamischen grondslag vestigde.
En verder, nu onze nog in wording zijnde sociale behoeften een steeds verfijnder en vrijer onderlinge en gemeenschappelijke hulp der individuen noodig maken, vinden wij zelfs dat hetgeen nog van economische éénheid van het gezin overbleef, snel aan het afnemen is. Doch met den achteruitgang en met de verdwijning van de economische-verhouding wordt de geslachts-verhouding in het huwelijk zuiverder; en de wensch der hedendaagsche wereld naar een hooger, een edeler geslachts-vereeniging wordt even scherp uitgesproken, alshet aangroeiend bezwaar tegen de bestaande economische vereeniging. Wij zijn zoo lang gewend geweest die twee met elkaar te verwarren dat het ons vreemd zal toeschijnen juist in de verouderde overblijfselen van de gezins-verhouding, wel is waar voorheen van waarde, thans de oorzaak te vinden, waardoor de hoogere ontwikkeling van het monogame echtverbond zoo pijnlijk wordt belemmerd.
In elke jongere generatie vormen mannen en vrouwen geslachts-vereenigingen, waarbij steeds hooger eischen gesteld worden aan een gelukkig huwelijk; waarbij steeds meer behoefte gevoeld wordt aan geestverwantschap. In elke nieuwe generatie wenschen en vragen mannen en vrouwen meer van elkander. Een vrouw is nu niet meer tevreden en dankbaar wanneer zij “een goeden man” heeft; een man is niet meer tevreden met een geduldige huissloof. Indien echter alle mannen en vrouweninhun huwelijk weder tot den ouden economischen staat van het gezin terugkeeren, dan komen zij steeds weder onder de omstandigheden, waardoor hun wederkeerige liefde vermindert en het huwelijk een soort van compromis wordt, meer of minder moeilijk te dragen, naarmate de betrokken personen beter opgevoed en liefvriendelijk van aard zijn. Zulke menschen zijn zich niet altijd bewust van hun “ongelukkig huwelijk”. Hun huwelijk is immers even gelukkig als die, welke zij rondom zich zien, misschien zoo gelukkig als wij veronderstellen dat een huwelijk “op aarde” kan zijn; en in den hemel verwachten wij geen huwelijken. Maar het is toch niet wat zij in hun jeugd er van verwacht hadden.
Wanneer twee jonge lieden elkander liefhebben, zouden zij dan, in de lange uren van samenzijn, die hun nooit lang genoeg toeschijnen, wel eens stilstaanbij het verrukkelijk vooruitzicht der huishoudelijke plichten? Immers neen. Zij denken aan het genot een “tehuis” te zullen hebben, waar zij “eindelijk alleen” zijn kunnen; aan de gelegenheid om van elkanders bijzijn te genieten, maar vooral aan hetgeen zij samen zullen doen. Samen te werken, samen te wandelen, samen te lezen, schilderen, schrijven, zingen of iets anders dat men prettig vindt samen te doen, daarnaar verlangt liefde.
Menschelijke liefde, nu zij een steeds hoogeren vorm aanneemt, verlangt hoe langer hoe meer naar zulk een kameraadschappelijkheid. Maar de economische staat van het huwelijk verstoort wreedaardig den jongen liefdesdroom. Uit een economisch oogpunt, afgescheiden van al het zoete en oprechte van de geslachts-verhouding, wordt de vrouw in het huwelijk de dienstbode, of op zijn hoogst de huishoudster van den man. Wij kunnen gerust zeggen dat over de geheele wereld de vrouwen in de lichamelijke behoeften van het menschelijk dier voorzien. Gehuwde verliefden werken niet te zamen. Zij kunnen, als zij tijd hebben, te zamen rusten; zij kunnen misschien te zamen spelen; maar zij maken niet te zamen de bedden op, of vegen of koken te zamen; en zij gaan ook niet te zamen naar de werkplaats. Zij staan economisch op een geheel verschillend maatschappelijk terrein, en dit vormt een slagboom voor elke hooger, oprechter vereeniging dan wij rondom ons zien. Een huwelijk kan alleen dan volmaakt zijn, indien het gesloten is tusschen menschen van gelijke klasse. En er bestaat geen klasse-gelijkheid tusschen hen die deelnemen aan het werk der wereld, volgens de nieuwste, breedste, hoogste methode en hen die hun werk verrichten op de oudste, bekrompenste, laagste wijze.
Indien wij gulweg toegeven dat het de taak der vrouwen is het huiselijk leven overal gezond, waar en zonnig te maken, dan kan men ons toch niet tegenspreken dat de economisch afhankelijke vrouw dit niet doet en het ook nooit zal kunnen. Dit kan en zal alleen een economisch onafhankelijke vrouw doen. Evenmin als het gezin identiek is met het huwelijk, evenmin is het huiselijk leven in een of ander opzicht identiek met een dier beiden.
Een tehuis is een bestendige woonplaats, hetzij het dienst doet voor één, twee, veertig of duizend, voor een paar, een troep of een zwerm. De bijenkorf is het tehuis voor de bijen, even letterlijk en absoluut als het nest het is voor een vogelpaar in hun paartijd. Het tehuis en de liefde er voor kunnen zich inkrimpen tot de ééne kamer van een ongehuwde, of zich uitbreiden tot de oppervlakte van het vasteland, wanneer de terugkeerende reiziger land ziet en “thuis” roept. Er bestaat geen zoeter woord, er is geen dierbaarder plek, wij kennen geen gevoel dat meer tot ons hart spreekt, dan dit.
Waarop berust, bij nauwkeurige ontleding, ons gevoel in dezen? Wat vormt den grondslag? Veel lager dan de menschheid, bij de vossen in hun holen en de vogels in hun nesten, begint reeds het diepe gevoel voor het tehuis. Het moederlijk instinkt zoekt een plaats waar het onbeschermd jong beschut wordt, wanneer de moeder afwezig is om voedsel te zoeken. De eerste scherpe indrukken uit de jeugd staan in verband met de beschuttende muren van een tehuis, moge dit de schommelende wieg in de takken der boomen, de zachte, donkere holte in den boomstronk of de kelder met zijn verborgen leger zijn. Een plaats waar men veilig is; een plaats waar men warm en droog is; een plaats waarmen rustig slaapt en in vrede eet; een plaats wier enge, bekende grenzen de zenuwen rust geven van den voortdurenden toevoer van indrukken der buitenwereld; dezelfde plaats steeds en overal, waar elk moedeloos gevoelgesusten genezen wordt, in ’t kort, elke plaats waar men gevoelt “dat men thuis is”. Dit alles dateert uit onze eerste bewustwording. Dit alles bestaat reeds millioenen en millioenen jaren. Geen wonder dus dat wij het liefhebben.
Langzamerhand komen er dan nog de indrukken van teedere verhoudingen bij, de familiebanden uit den vroegsten tijd. Daarbij voegde zich, wel primitief doch wij zijn er nog niet geheel aan ontgroeid, het tastbaar-godsdienstig gevoel der vroegereouder-vereering,—heiligheid bij veiligheid,—waardoor het gevoel voor tehuis zeer versterkt werd. Het was de plaats waar men bad, waar het heilig vuur brandde en waar plengoffers gestort werden voor gestorven voorvaderen. Voortgaande, kwam dan het langzaam uitgestorven tijdperk van vader-regeering hierbij een nieuw gevoel voegen, het gevoel van eer voor de plaats van comfort en van gebed. Het werd toen tevens de zetel der regeering,—het paleis en de troon. Op deze sterke fundeering hebben wij een torenhoog gebouw van gebruiken, gewoonten en wetten gebouwd, waar alle diepe, innige, teedere aandoeningen van het menschelijk individu huizen. Geen wonder dat wij doof en blind zijn voor elke voorgestelde verbetering van ons goddelijk lustslot.
Maar laat ons verder zien. Zonder een woord van het bovenstaande tegen te spreken, is het toch ook waar dat de hoogste aandoeningen der menschen opkomen en doorleefd worden buiten de woning en afgescheiden daarvan. Zoolang de godsdienst tehuis werd beoefend nam hij in dogma en ceremonie, in geest en uitdrukkingeen laag en benepen standpunt in. Hij kon zich niet verheffen, vóór dat hij nieuwe bezieling en nieuwe uiting vond in het menschelijk leven buiten de woning, vóórdat een plek gevonden werd, waar men gemeenschappelijk kon bidden en ceremoniën en moraal een menschelijken grondslag in plaats van den familie-grondslag aannamen. Voor wetenschap, kunst, regeering, opvoeding, onderwijs, industrie, is het huis de wieg, maar het zou ook hun graf worden, indien zij er in bleven. Alleen door te leven, denken, voelen en werken buitenshuis, worden wij menschelijk ontwikkeld, beschaafd, gesocialiseerd.
De flinke ontwikkeling van ons modern huiselijk leven is alleen mogelijk geworden, doordat het begeleid en voorafgegaan werd door modern maatschappelijk leven. Indien het omgekeerde waar was, wat gewoonlijk verondersteld wordt, dan zouden alle natiën, die in woningen leven, aanhoudend in beschaving moeten vooruitgaan. Doch dat doen zij niet. Integendeel, natiën waarbij het gezin en het familieleven nog het meest van kracht zijn, zooals in China, leveren een droevig voorbeeld van het resultaat van huiselijke deugden zonder maatschappelijke. Een waardig huiselijk leven is het product van een waardig maatschappelijk leven. De deugden waaraan de maatschappij behoefte heeft worden niet tehuis gekweekt. Maar de deugden noodig in gezinnen zooals die tegenwoordig gewenscht worden, worden wel in de maatschappij ontwikkeld. De leden van de vrijste, beschaafdste en meest geïndividualiseerde natiën vormen de beste leden van het gezin. De leden van de meest op zich zelf levende en hoogst vereerde gezinnen vormen niet noodzakelijk de meest gewenschte leden der maatschappij.
De strekking van sociale evolutie, zooals trouwens vanelke evolutie, is om de “onbestemde, onzamenhangende homogeniteit te brengen tot bepaalde, samenhangende heterogeniteit”, en het gezin met zijn koppig handhaven van een voortdurende homogeniteit staat daarom den maatschappelijken vooruitgang zeer in den weg. De menschelijke wezens moeten het huiselijk leven niet minder lief hebben, maar zij moeten het uitbreiden door een nieuwe en krachtige uiting.
Bovenal echter hebben wij behoefte aan een volledige ontwarring der denkbeelden omtrent de afwisselende en dikwijls lijnrecht tegenovergestelde belangen en werkzaamheden, die zoolang verondersteld zijn deel uit te maken van huis en gezin. De verandering van de economische positie der vrouw, van afhankelijkheid tot onafhankelijkheid, brengt tot ons groot voordeel ook een andere regeling der huiselijke belangen en werkzaamheden mede.
XIAls een natuurlijk gevolg van onze arbeidsverdeeling naar het geslacht, de vrouw het huis en den man de wereld als arbeidsveld gevende, is het dwaze begrip gekweekt dat de huiselijke plichten als essentieel vrouwelijk en ieder ander soort van arbeid als essentieel mannelijk werk moet aangemerkt worden. Wij hebben stilzwijgend aangenomen dat de bereiding en toediening van voedsel en het verwijderen van stof en vuil,—de voedende en uitscheidende processen van het gezin,—vrouwelijke functiën zijn; doch tevens namen wij aan dat deze processen in de woning moeten geschieden, dat daarin eigenlijk de uiterlijke expressie van het gezin gelegen is. Het menschelijk wezen moet tehuis gevoed, gereinigd, verwarmd, en in ’t algemeen verzorgd worden, wanneer het niet elders werkzaam is.De voeding van den mensch is een ingewikkelde zaak. De weg van hand tot tand is lang, zegt een oud spreekwoord. Het voedsel wordt door het menschenras collectief voortgebracht, niet door individuen voor hun eigen gebruik, maar door onderling met elkaar in betrekking staande groepen van individuen, over de geheele wereld, voor het verbruik van allen. Dit gemeenschappelijk geproduceerd voedsel circuleert door de wereld, door middel van nauwkeurig werkende inrichtingen van transport, aflevering en bereiding, vóór dat het de monden der verbruikers bereikt, en alleen de eindprocessen, keuze en bereiding zijn in handen der vrouwen. De vrouw is de laatste kooper;in haar handen rust ook de laatste handeling der menschelijke voeding, het koken; dit is een soort van buiten het lichaam plaats vindende digestie, die voor de menschen bleek voordeelig te zijn. Deze laatste afdeeling der menschelijke voeding heeft men tot een geslachts-functie gemaakt en wordt verondersteld bij de vrouwen-natuur te passen.Indien het voor het menschelijk ras voordeelig is dat het voedsel door een bepaalde sekse wordt gereed gemaakt, dan moet dit voordeel uit eene betere gezondheid en reinere gewoonten der menschen blijken. Dit voordeel bestaat evenwel niet. Ondanks onze macht en ervaring bij de voortbrenging en bereiding van voedsel, blijven wij, wat het eten betreft, “het ziekste beest der wereld.” Ons machteloos geschreeuw tegen de vervalsching der voedingsmiddelen bewijst dat een deel van dit euvel in de ten verkoop aangeboden voedingsproducten ligt; de aandoenlijk groote oplagen der talrijke kookboeken bewijzen dat een ander deel van dit kwaad in de bereiding dezer producten ligt; en de nuttelooze vermaningen van doctoren en wijze moeders bewijzen dat ook een deel aan onzen ziekelijken smaak en eetlust moet worden toegeschreven. Oogenschijnlijk zou men meenen dat de menschen, na de eeuwenlange ondervinding, nog niet geleerd hebben hoe goed voedsel bereid, hoe het gekookt en hoe het gegeten moet worden,—wat helaas maar al te waar is!De groote functie der menschelijke voeding werd met de geslachtsverhouding verward en als een geslachts-functie beschouwd; zij werd in de hulpelooze handen dier lieve doch onvolmaakte bemiddelaars, de economisch afhankelijke vrouwen gesteld; en het valt niet moeilijk aan te toonen dat zulke bemiddelaars werkelijk voor die taak onbekwaam zijn. In haar positie van huishoudsterin eigen gezin is de vrouw de laatste kooper van het voedsel; en hier vinden wij de oorzaak wan de ongelooflijk groote vervalsching der voedingsmiddelen.Elk soort van bedrog en misleiding in den dienst der menschheid moet toegeschreven worden aan de zucht om te ontvangen zonder te geven, welke zucht, zooals in vorige hoofdstukken werd aangetoond, grootendeels een gevolg is van de opleiding der vrouwen tot onproductieve verbruikers. Maar de bijzondere vorm van bedrog en misleiding door den een of anderen verkooper in praktijk gebracht, wordt door het verstand en de macht van den kooper beheerscht. Het is zeer gemakkelijk, voordeel te trekken uit verdunning en vervalsching der voedingsmiddelen, omdat de laatste kooper over bijna geen macht en zeer weinig verstand beschikt. De huisvrouw koopt bij korte tusschenpoozen en bij kleine hoeveelheden. Men weet zeer goed dat dit financieel nadeelig is, maar dat ook de kwaliteit der koopwaren daaronder lijdt, is niet zoo algemeen bekend. Alleen wanneer de vrouw aan het hoofd van een rijke huishouding staat en in groote hoeveelheden moet inkoopen voor gezin, bedienden, gasten, krijgt haar handel genoegzame waarde om op de kwaliteit van de waar invloed uit te oefenen. Een winkelier met honderd arme vrouwen tot klant, levert een veel mindere kwaliteit dan hij, die eenzelfde hoeveelheid aan één persoon verkoopt. Van daar dat het gezin bij den inkoop van voedsel wezenlijk in een voortdurend ongunstige positie verkeert; en daarenboven de voornaamste oorzaak is van het lage gehalte der voedingsmiddelen, waartegen wij met lastige wettelijke bepalingen moeten strijden.De meeste huishoudsters zijn onnoozel genoeg hunne onbekendheid met deze zaken te bewijzen, door te ontkennen dat de voedingsmiddelen van zoo’n laaggehalte zijn. Laten zulke vrouwen eens de verordeningen en instellingen van de stad hunner inwoning—en van elke beschaafde stad—onderzoeken en nagaan hoe het brood, de melk, het vleesch, het fruit enz. onder aanhoudend wettelijk toezicht staan, met het doel, den onwetenden, hulpeloozen kooper voor bedrog te beschermen. Indien de huishoudster van het gezin zooveel technisch verstand bezat dat zij de gekochte voedingsmiddelen kon keuren, indien zij zich geoefend had de melk te onderzoeken, de vreemde bestanddeelen in koffie en specerijen te ontdekken, de hoedanigheid van vleesch te bepalen, de soort en rijpheid der vruchten en groenten vast te stellen, dan zou zij ten minste in staat zijn tegen haar leverancier te protesteeren en voor zoover tijd, afstand en beurs het toelaten, een beteren op te zoeken. Dit technisch verstand verkrijgt men echter alleen door bepaalde studie en ondervinding; doch voor dengeen die alleen voor zich zelf koopt, zou deze kennis slechts moeilijkheid en ellende medebrengen, omdat hij de macht mist de eischen te stellen, die het verstand alsdan aangeeft.Zooals de toestand nu is bezit de vrouw bij het koopen der voedingsmiddelen alleen haar onwetenschappelijke ondervinding, opgedaan door oefening op haar hulpeloos gezin en nog wel gedurende den tijd dat het opgroeiend kroost zoozeer behoefte heeft aan eene verstandige verzorging, die de moeder slechts in staat is in later jaren te verschaffen. Deze ondervinding met hare treurige begrenzing en praktische belemmering door den persoonlijken smaak en de financieele omstandigheden van het gezin, gaat telkens verloren waar zij gevonden werd. Ieder moeder verkrijgt langzamerhand een beetje kennis van haar bezigheden door ze uit te oefenen, ten koste dikwijls van het leven en de gezondheid van het gezin en door op te merkenwelke gevolgen ze op de overlevenden hebben. En elke dochter begint op nieuw even onwetend als haar moeder was. Men schijnt deze kunst niet aan anderen te kunnen mededeelen. Het is geen geregelde opleiding, zooals elk belangrijk werk vereischt, maar een langzaam opzuigen van ondervinding, waarmede op het beschermen van de gezondheid der maatschappij geen invloed kan worden uitgeoefend. Als de laatst handelende tusschenpersoon bij de voeding der menschheid voldoet de huisvrouw niet; dit is geen gevolg van gebrek aan goeden wil, maar van haar positie als individueele kooper. Alleen door organisatie kunnen zulke gebreken, als de in het groot voorkomende vervalsching der voedingsmiddelen, verholpen worden en de vrouw, als dienstbode, behoort tot den laagsten graad van ongeorganiseerden arbeid.Wanneer wij thans den inkoop van voedingsmiddelen laten rusten en de bereiding van het voedsel nagaan, dan mogen wij natuurlijk verwachten dat de bestemming van een geheele sekse, voor het vervullen van deze functie, zeer merkwaardige resultaten oplevert. Die resultaten zijn merkwaardig, doch niet gunstig zoo als verwacht mocht worden. De kunst en wetenschap van het koken vereischt een grondige kennis van de voedingswaarde der voedingsmiddelen en van de physiologische en hygiënische wetten. Als een wetenschap grenst het aan de preventieve geneeskunde. Als een kunst is het in staat tot nobele expressie, binnen zijn natuurlijke perken. Het standpunt dat het tot heden bij ons inneemt is zoo ver van wetenschap verwijderd en houdt zoo weinig verband met preventieve geneeskunde, dat het op de laagste sport van amateurs-handenarbeid staat en een vruchtbare bron voor ziekte is. Als een kunst heeft het zich, onder den eigenaardigen prikkel van zijn toestand als geslachts-functie, tot een wellustige overdaadontwikkeld, die even valsch als slecht is. Ons onschuldig gezegde: “de weg tot het hart van den man gaat door zijn maag,” verklaart treurig duidelijk hoe wij aan tafel onze lichamen bederven en onzen geest verlagen.Zoolang de eene helft van het menschdom als amateurkok voor de andere helft werkt, zal het onmogelijk zijn, dat de kennis van dit vak een hoogen graad van wetenschappelijke nauwkeurigheid of technische bekwaamheid bereikt. De ontwikkeling van een of ander menschelijk werk vereischt specialisatie en specialisatie is onmogelijk bij ons stelsel, waarbij verondersteld wordt dat elke vrouw van nature kok is. Voor zoo ver de kookkunst is vooruit gegaan, hebben wij dit te danken aan de studie en ondervinding van de mannelijke beroeps-koks en scheikundigen en niet door den Sisyphus-arbeid van onze eindelooze generaties van op zich zelf staande vrouwen, waarvan ieder weder begon, waar ook haar moeder begonnen was.Natuurlijk zullen hier weer smartelijke verzuchtingen gehoord worden over “moeders lekkere schoteltjes”, en in antwoord daarop kunnen wij alleen verwijzen naar onze tweede premisse in het laatste hoofdstuk. Het feit dat wij van iets houden bewijst nog niet dat dit juist en goed is. Een kind uit Missouri kan de gekruide beschuiten van zijn moeder erg lekker vinden, maar dat neemt niet weg dat zij op zijn geest en lichaam een slechte uitwerking hebben. Kookkunst berust op wetten, zij is geen onschuldig verbeeldingsspel. Bouwkunst zou misschien vermakelijker en afwisselender zijn, indien ieder zijn eigen huis bouwde, maar dan was zij nooit de kunst en wetenschap geworden, waartoe wij haar nu hebben opgevoerd. Zoolang iedere vrouw het voedsel bereidt voor haar eigen gezin, zal het koken zich nooit boven het niveau van amateurs-werk kunnen verheffen.Maar hoe laag ook de kookkunst als wetenschap moge staan, als kunst staat zij nog lager. Sedert het voor de echtgenoote-keukenmeid van het grootste belang is genot te verschaffen,—omdat daarin haar voornaamste middel schuilt om te verkrijgen wat zij verlangt of om haar dankbaarheid uit te drukken,—leert zij spoedig het gehemelte streelen, in plaats van de behoeften der maag nauwkeurig te bestudeeren en daaraan tegemoet te komen. Door ontelbare geslachten heen, zijn de volwassen man en het opgroeiend kind het voorwerp geweest van de aanhoudende inspanningen van haar die kookte met liefde in plaats van met kennis, die kookte om genot te geven. Dit is een van de breedste wegen welke naar het verderf voeren. In iedere levensphase is het verkeerd de gebeurtenis aan het doel te doen voorafgaan, de middelen te stellen vóór het eind; en hier heeft het dit algemeen bekende gevolg gehad, dat wij leven om te eten, in plaats van eten om te leven.Deze houding van de vrouw heeft de overal voorkomende overdaad ontwikkeld, die wij de “fijne keuken” noemen; een ding zoo ver verwijderd van ware artistieke ontwikkeling in de kookkunst als een groote ijskan van een Grieksche vaas. Hierdoor is de ontzettend groote dwaasheid van het voorname leven ontstaan, waarbij menschelijke arbeid en tijd en bekwaamheid worden verspild met voort te brengen wat noch als zuiver voedsel, noch als zuiver genot kan worden aangemerkt, maar een kunstmatige bereiding is, die alleen door kenners gewaardeerd kan worden. Men kan zich nauwelijks een lager levenswijze voorstellen, dan die, welke het gevolg is van den onnatuurlijken wedloop tusschen kunstmatige opwekking en eetlust, waardoor lichaam en ziel beide bedorven worden.De man, het voorwerp van al deze eetkamer-verheerlijking,heeft hierdoor een aangekweekte belangstelling in eigen smaak en de bevrediging er van ontwikkeld en onderhouden,—de vraag naar dingen waarvan hij houdt, meer dan naar die welke goed voor hem zijn,—waarin een van de meest gevreesde karaktertrekken, aan de psychologen bekend, gelegen is. De gevolgen van deze aanhoudende streeling van het gehemelte op den natuurlijken eetlust kunnen ver nagespoord worden en zij loopen ten slotte uit op een onbeteugeld toegeven aan de trek naar gekruide spijzen en allerlei soort van onmatigheid. Het humeur, dat niet bij machte is deze verzoekingen alle te verdragen, wordt dan tehuis voortdurend bot gevierd.Even als het concentreeren van de physische krachten der vrouw op haar geslachts-functiën, daartoe door economische afhankelijkheid gedwongen, geleid heeft tot het opwekken en onderhouden van een buitensporigen geslachts-lust bij den man, tot nadeel van het ras; zoo heeft ook de concentratie van de nijvere krachten der vrouw in den beperkten en aanhoudenden dienst van persoonlijken smaak en eetlust er toe geleid een buitensporigen lust in lekker eten en drinken op te wekken en te onderhouden, wat eveneens nadeelig is voor het ras. Hiermede wordt niet beweerd dat dit de eenige oorzaak van deze verkeerde gewoonte is, maar het is een van de belangrijkste en van voortdurenden invloed.Misschien kan men de uitwerking beter zien door een niet diepgaande vergelijking dan door een bloote vermelding. Men stelle zich twee groote, gezonde, vlugge apen voor. Veronderstel dat het mannetje-aap het vrouwtje-aap niet toestaat rond te springen en haar eigen kokosnoten te plukken, maar dat hij haar brengt wat zij noodig heeft. Veronderstel dat hij dan eischt dat zij den dop breekt, de noot er uitpelt en voor hemgereed maakt wat hij er van wenscht te eten; en verder dat haar deel van het eten, om niets te zeggen van haar kans om na afloop een klein, prettig uitstapje in de boomtoppen te mogen maken, afhangt van zijn tevredenheid met het voedsel dat zij voor hem gereed maakte. Als zij een verstandige aap is, zal zij met alle listen die haar ten dienste staan, prikkel en afwisseling zoeken te voegen bij de maaltijden die zij voor hem bereidt; de stukjes die hij bijzonder graag lust voor hem uitkiezen om zijn smaak te streelen en zijn eetlust op te wekken; en hij, onder dezen aangenamen druk zich ontwikkelende, zal langzamerhand een fijn onderscheidingsvermogen in voedsel verkrijgen en met toenemend genot naar zijn feestmaaltijden verlangen. Er zou een nieuwe dwang zijn om hem te doen eten,—niet alleen zijn behoefte aan voedsel, met de natuurlijke en gezonde eischen, maar haar behoefte aan alles, wat alleen door zijn behoefte aan voedsel verkregen kan worden.In een apenfamilie klinkt dit een beetje gek, doch het geeft toch juist weer wat gebeurde in de menschenfamilie. De wijze waarop de vrouw haar doel bereikte, was haar man aangenaam te zijn, en de noodzakelijkheid heeft haar geleerd hoe zij dat doen moest; en daar zij over het algemeen een onontwikkelde en onbekwame werkster was, kon zij hem alleen zoeken te behagen door de gaven die zij bezat, in hoofdzaak die van huiselijke diensten. Haar was tot taak gesteld het voedsel voor beiden gereed te maken en daarmede haar voordeel te doen. Zij heeft haar taak goed volbracht, maar of het tot voordeel strekte van een hunner is twijfelachtig.Uit een oogpunt van sociale ontwikkeling zijn wij van het grove schrokken van den wilde, van elk voedselwat hij kon bemachtigen, gekomen tot een nauwkeurig uitkiezen van geschikt voedsel en een beschaafder en beter vorm om het te gebruiken. Deze maatschappelijke vooruitgang wordt door onze sexueel-economische verhouding belemmerd; doordat de bereiding van voedsel tot een geslachts-functie is gemaakt, worden al de producten er van vermengd met den gloed van persoonlijke liefde en den drukkenden last van eigenbelang. Op die wijze wordt niet alleen de echtgenoot, maar worden tot op zekere hoogte ook de kinderen gevoed, want waar moederlijke liefde en moederlijke energie gedwongen worden zich hoofdzakelijk te uiten in de bereiding van voedsel, daar wordt de wensch om het kind doelmatig te voeden, vermengd met een onverstandige begeerte om het kind genot te verschaffen, en de moeder verlaagt haar hoog standpunt, door steeds den onontwikkelden smaak te streelen in plaats van dien te veredelen.Wij meenen in den regel dat wij ons eten en drinken verhoogd en veredeld hebben door het met liefde te verbinden. Integendeel, wij hebben onze liefde verlaagd en doen ontaarden door haar met eten en drinken te verbinden, en wat meer zegt, wij hebben daardoor ook deze behoeften verlaagd. Maatschappelijk is er eenige vooruitgang gekomen, maar deze ongelukkige vermenging van geslachts-belang en eigen-belang met normalen eetlust, deze Cupido-in-de-keuken regeling, heeft den vooruitgang sterk tegengehouden.Wij hebben veel geleerd door beroeps-koks. Handel en fabrieken hebben onze benoodigdheden sterk vermeerderd. Wetenschap heeft ons geleerd wat wij noodig hebben en hoe en wanneer wij het gebruiken moeten. Maar in het met liefde vermengde werk van vrouw en moeder worden deze verbeteringen slechts weinig gevoeld. Indien het meisje naar de kookschool gaat, dan geschiedtdat meer om te leeren hoe lekkernijen bereid moeten worden welke genot verschaffen, dan om de voedingswaarde van het voedsel te bestudeeren en daardoor de gezondheid van het huisgezin te bevorderen. Uit de steeds grooter wordende magazijnen, door de bedrijvigheid der mannen voor haar geopend, kiest zij in ruime mate, om een afwisselend menu te maken dat den eetlust opwekt, zonder eenigszins op de hoogte te zijn welke combinatiën gemaakt moeten worden om onze lichamelijke behoeften het best te dienen. Wetenschap, scheikunde, gezondheidsleer zijn voor haar slechts namen. “Jan houdt daar zoo veel van”; “Willem lust het niet anders”; “vader kon nooit kool verdragen.” Zij moet bedenken wat haar man het liefst lust, niet zoozeer omdat zij het prettig vindt hem een genoegen te verschaffen of omdat zij er voordeel bij heeft als zij hem een genoegen doet, maar omdat hij betaalt voor het eten en zij zijn dienstbode is.Wordt het niet tijd dat de weg naar het hart van den man door zijn maag wordt verlaten voor een idealer toegang? Laat de maag voor haar natuurlijk werk bestemd blijven, niet tot doortocht voor ongewone hartstochten en doeleinden gemaakt worden; en laat ons tot het hart doordringen langs idealer wegen. Wij hebben behoefte aan een nieuwe afbeelding van onzen overwerkten blinden god,—dik, vet, volgepropt met lekkernijen door de arme aanbidsters, zoolang gedwongen haar toewijding te betalen met zulke lage middelen.Neen, het menschelijk ras wordt slecht gevoed door het voedingsproces tot een geslachts-functie te maken. De keuze en bereiding van voedsel moest in de handen van geoefende deskundigen rusten. De vrouw moest naast den man staan als de verwante van zijn geest, niet als de dienares van zijn lichaam.Dit zal groote veranderingen in onze levenswijze vereischen. De wereld door het werk van deskundigen te voeden; aan deze groote functie de bekwaamheid en ondervinding van geoefende specialiteiten, de macht der wetenschap en de schoonheid der kunst ten goede te doen komen, is met de sexueel-economische verhouding onmogelijk. Zoolang wij het koken als een aan alle vrouwen eigen geslachts-functie beschouwen, en het eten als een zaak die alleen in het gezin goed kan geschieden, kunnen wij niet verder komen. Wij besteden tegenwoordig veel ernstige studie en inspannenden arbeid om de vrouwen in de kunst van koken te onderwijzen en te oefenen, zoowel de echtgenoote als de meid; want met onze gewone opvatting, dat het willekeurig gedrag van het individu de oorzaak der omstandigheden is, zoeken wij de omstandigheden te wijzigen door het gedrag van het individu te veranderen.Wij moeten evenwel inzien dat het gedrag niet kan veranderen, zoolang de omstandigheden dezelfde blijven. Ieder ambt of beroep, waarvan de ontwikkeling afhankelijk zou zijn van het werk van op zich zelf staande personen, alleen geholpen door gehuurde bedienden, onwetender nog dan zij zelf, zou op een gelijk laag niveau blijven.Voor zoover gezondheid kan bevorderd worden door openbare middelen, wordt zij door gezondheids-reglementen en medisch toezicht, door hygiënische literatuur en door beroeps-personen bereide “gezondheidsmiddelen”, door bepaalde wetten voor besmettelijke ziekten en gevaarlijke beroepen, voortdurend verbeterd; maar door deze middelen wordt de bevordering der gezondheid, voor zoover die in de handen der huisvrouw ligt, niet bereikt. Negen-tiende van de vrouwen die haar eigen huiswerk doen, kunnen niet tot bedreven koopers enervaren keukenmeiden worden opgeleid, evenmin als negen-tiende van de mannen tot bedreven kleermakers kunnen worden gemaakt, zonder beter oefening of gelegenheid om zich te vormen, dan met het kleeden van eigen familieleden verkregen wordt. Het overige tiende gedeelte der vrouwen kan dan het werk doen volgens de primitieve arbeids-methoden.Het voedsel te laten bereiden door gehuurde bedienden is nog slechter dan door de echtgenoote en moeder; de kunst om te koken wordt dan met nog minder oefening en geringer ondervinding uitgevoerd. De dienstboden zijn meerendeels jonge meisjes, die dezen vorm van dienstbaarheid verlaten zoodra zij kunnen trouwen; en zoodoende vertrouwen wij de lichamelijke gezondheid der menschen, voor zoover het koken daarop influënceert, aan de handen van ongeoefende, onvolwassen vrouwen van de laagste maatschappelijke klasse, die door geen hooger prikkel gedreven worden dan van financieele noodzakelijkheid. De liefde der vrouw en moeder is ten minste een prikkel om haar gezin goed te willen voeden. Voor de dienstbode bestaat die prikkel niet. Alleen in die enkele gevallen waarin de vrouw en moeder “een geboren kok” is en haar gezin begunstigt met de producten van haar buitengewone gaven, of in de rijke gezinnen, waar de hulp van beroepslieden kan betaald worden, kan het koken tehuis goede resultaten opleveren.Er was een tijd dat vorsten en voorname lieden er eigen dichters op nahielden om hen te prijzen en bezig te houden, maar zoo’n dichter was nooit werkelijk groot, tenzij hij tevens dichtte voor de menschheid. Zoo kan ook de kunst van koken nooit haar hooge plaats als een maatschappelijke functie, die in een menschelijke behoefte voorziet, innemen, zoolang zij alleen voor eigen behoefte wordt aangewend. Ons leven en onze woningenzoodanig in te richten dat het koken een beroep kan worden, is de eenige manier om deze groote kunst uit hare tegenwoordige begrenzing te bevrijden. Het moet een eervolle, goed betaalde betrekking worden, waartoe zulke mannen of zulke vrouwen opgeleid worden, die zich tot dit werk voelen aangetrokken, even als men meubelmaker of apotheker wordt. Tusschen de koks die hun werk alleen als handwerk opvatten en de artisten in hun vak zal er een natuurlijke verscheidenheid komen; en wij zullen een breeden, nieuwen weg voor winstgevenden arbeid en eervolle werkzaamheid en een nieuwen grondslag voor menschelijke gezondheid en geluk openen.Dit sluit geen coöperatie in. Onder coöperatie verstaan wij gewoonlijk de vereeniging van gezinnen met het doel hunne veronderstelde functiën beter te kunnen vervullen. Deze zaak faalt in den regel omdat het beginsel niet deugt. Koken en reinigen zijn geen functiën van het gezin. Wij bezitten geen familie-mond, geen familie-maag en geen familie-gezicht dat gewasschen moet worden. Individuen moeten gevoed en gewasschen worden van hun geboorte tot hun dood, geheel afgezien van hun familie-verhoudingen. De wees, de ongehuwde man, de kinderlooze weduwnaar, hebben even veel behoefte aan deze voedende en reinigende zaken als eenig patriarchale vader. Eten is een individueele functie. Koken is een maatschappelijke functie. Geen van beide is in het minst een functie van het gezin. Dat wij het in de vroegere beschavingsperioden geschikter vonden tehuis te koken, bewijst niets meer dan hetzelfde feit dat wij het vroeger ook geschikter vonden tehuis te spinnen en te weven, onze zeep en kaarsen te bereiden, onze boter te maken, ons vee te slachten, ons brood te bakken en ons goed te wasschen.Met de ontwikkeling der maatschappij gaat een specialiseering,van hare functiën gepaard; en de reden dat deze groote ras-functie, het koken, in zijn natuurlijken groei zoo lang werd tegengehouden, ligt hoofdzakelijk aan de economische afhankelijkheid der vrouwen, die daardoor aan den menschelijken vooruitgang niet deelnamen. Zoodra de vrouwen economisch vrij zijn, zullen zij de achterlijk gebleven functiën opheffen en verruimen, zoowel om hunne plichten als vrouwen en moeders beter te kunnen volbrengen, als om de gezondheid en het geluk van het menschenras te bevorderen.Hiervoor wordt geen coöperatie vereischt, maar wel de hulp van geoefende beroepslieden en zulk een regeling onzer levenswijze, waardoor wij in staat worden gesteld er van te profiteeren. Wanneer een groot aantal lieden denzelfden kleermaker of bakker of kruidenier begunstigen, dan coöpereeren zij nog niet. Evenmin zouden zij coöpereeren indien zij denzelfden kok begunstigen. De verandering moet van de zijde van den kok komen en niet van het gezin. Zij moet door natuurlijke functioneele ontwikkeling in de maatschappij gebracht worden en zij is reeds in aantocht. De vrouw, inziende dat haar plicht als voedster en reinigster een maatschappelijke en geen sexueele plicht is, moet de eischen van den toestand onder de oogen zien en zich zelf voorbereiden er aan tegemoet te komen. Honderd jaar geleden kon dit niet gedaan worden. Nu wordt het gedaan, omdat de tijd er rijp voor is.Indien er tegenwoordig in een of ander groote stad een geriefelijk en goed ingerichte woning met afzonderlijke vertrekken geopend werd voor vrouwen die een gezin hebben en een beroep uitoefenen, zou zij op eens gevuld worden. De kamers moesten zonder keukens zijn; maar er moest een keuken bij het huis behooren van waar de maaltijden naar verkiezing aan de gezinnenin hun eigen kamers of in een gemeenschappelijke eetkamer werden opgedischt. Het zoude een huis moeten zijn dat schoon gehouden werd door flinke bedienden, die niet door de gezinnen afzonderlijk gehuurd, maar door den leider der inrichting aangesteld werden, en een overdekte tuin, kinderkamer enKindergartenonder goed geoefende kinderjuffrouwen en onderwijzers zou een doelmatige verzorging der kinderen moeten verzekeren. Met den dag neemt de behoefte aan zulke instellingen toe en weldra moet hieraan tegemoet gekomen worden, niet door een kosthuis, of een inrichting waar alleen huisvesting verleend wordt, of een hotel, een restaurant of het een of ander maaksel van eenige van deze instellingen te zamen; maar door eene instelling waarin voortdurend voorzien wordt in de behoeften van individuen en van afzonderlijke gezinnen, die de voordeelen van het gemeenschappelijk samenleven willen genieten. Dit moet op een bedrijfs-basis rusten, om een deugdelijk bedrijfs-succes te hebben en het zal dit hebben omdat het in een toenemende sociale behoefte voorziet.Alleen in New-York City zijn honderdduizendenvrouwen die loontrekkend zijn en die tevens een gezin hebben, en het getal wordt steeds grooter. Dit is niet alleen waar voor de armen en ongeletterden, maar nog veel meer voor de vrouwen die een ambt of beroep uitoefenen, voor de wetenschappelijke, artistieke en literaire vrouwen. Onze onderwijzeressen, die een talrijke klasse vormen, zijn niet allen zonder bloedverwanten. De behoeften van een menschenziel worden niet voldaan in een kosthuis. Deze vrouwen hebben behoefte aan een tehuis, maar zij begeeren daarom niet den vervelenden aanhang van rudimentaire werkzaamheden die verondersteld worden bij een tehuis te behooren. De moeilijkheden waarmede zulke vrouwen te kampen hebben zijn nietlanger noodzakelijk. Het private leven van een eigen huis kan even goed in een gebouw, als hierboven beschreven, gehandhaafd worden, als in een of ander deel van een blok woningen, een of andere kamer, verdieping of gedeelte er van, onder de tegenwoordige levenswijze. Het voedsel zou beter zijn en minder kosten; en dit zal ook met andere werkzaamheden en benoodigdheden het geval zijn.In de voorsteden zou dit doel veel beter uitgevoerd kunnen worden door een groep van aangrenzende woningen, elk huisje afzonderlijk met een eigen erf, maar allen zonder keuken en door een overdekten weg verbonden met het eet-huis. Geen gedétailleerd plan van den juisten vorm, hoe ten slotte de inrichting het beste en pleizierigste zal zijn, kan thans gegeven worden; doch de maatschappij verlangt met steeds grooter aandrang dat de werkzaamheden die in huis verricht worden, aan bekwamer handen worden toevertrouwd.Elk huis zal veel gemakkelijker schoon gehouden kunnen worden, wanneer de twee voornaamste oorzaken van het vuil worden, vettigheid en asch, er uit verwijderd zijn.Natuurlijk kunnen de maaltijden, zoolang men dat wenscht, te huis worden opgedischt; doch zoodra de menschen gewend raken aan zuivere, reine woningen, waar geen stoom-werkzaamheden worden uitgevoerd, zullen zij het langzamerhand verkieselijker vinden naar hun voedsel te gaan, dan het voedsel bij hen te doen brengen. Het is volmaakt natuurlijk dat iemand naar zijn voedsel gaat. Achterna beschouwd, is het slechts een gradueel verschil; huist men in één kamer, waar ook gekookt wordt, dan heeft men het eten vlak bij; in de groote huizen gaat men om te eten naar de eetkamer; nog een beetje verder en men gaat niet naar de eetkamer in zijn eigen, maar in een aangrenzendhuis. Gezinnen zouden gezamenlijk kunnen gaan eten, even als zij te zamen kunnen gaan baden of te zamen kunnen luisteren naar muziek; doch mocht het gebeuren dat verschillende individuën op verschillende uren wenschten te eten, dan zou hieraan te gemoet gekomen kunnen worden, zonder dat het comfort van anderen of hun eigen, daarbij behoefde opgeofferd te worden. Iedere huisvrouw weet hoe moeilijk het is de leden van het gezin altijd te zamen aan de maaltijden te krijgen. Waarom moet dat ook? Hier komt het gevoel voor den dag en men beweert dat familie-liefde, familie-éénheid, het ware huiselijk leven, afhankelijk is van het te zamen zijn bij de maaltijden. Een familie-éénheid te zamen gehouden door een tafellaken, is van bedenkelijke waarde.Onze domme wijze van huishouden omvat verscheiden beroepen. Een goede keukenmeid behoeft niet noodzakelijk een goede huishoudster te zijn, of een goede huishoudster iemand die nauwkeurig en voorzichtig reinigt, of iemand die goed reinigt, een die verstandig inkoopt. Onder de vrije ontwikkeling van deze verschillende vakken zou een vrouw haar positie kunnen kiezen, zich er voor bekwamen en een zeer gewaardeerde beambte worden in het door haar zelf gekozen vak. En toch kon zij daarbij in eigen huis blijven wonen, dat wil zeggen, dat zij in haar huis leeft zooals een man in het zijne, met zekere uren van den dag aan het werk, de andere tehuis te besteden.Verdeeling van het huishoudelijk werk zou den dienst vereischen van een geringer aantal vrouwen gedurende minder uren daags dan thans het geval is. Waar nu twintig vrouwen in twintig gezinnen den geheelen dag werken en hun verschillende plichten zeer onvoldoende vervullen, zou hetzelfde werk door handen van specialiteiten in minder tijd en door een geringer aantal personen kunnengeschieden; en daardoor zouden de anderen vrij worden om werk te doen waarvoor zij beter geschikt zijn en waarmede zij de voortbrengende kracht in de wereld vergrooten. Met de pogingen voor dit doel te coöpereeren, werd wel getracht het bestaande werk van vrouwen te verminderen, maar de behoefte aan andere bezigheden werd daarbij niet erkend en daarin ligt juist een der oorzaken van het herhaaldelijk schipbreuk lijden dezer proefnemingen.Het schijnt bijna onnoodig te zeggen dat vrouwen als economische voortbrengsters, natuurlijk de beroepen zullen kiezen, die met het moederschap vereenigbaar zijn en verscheiden beroepen zijn met het moederschap veel meer in harmonie dan de huishoudelijke werkzaamheden. Moederschap is geen toevallige gebeurtenis in het verschiet, maar een algemeene plicht van gezonde vrouwen. Indien vrouwen beroepen kozen onvereenigbaar met het moederschap, dan zou de natuur, door haar onveranderlijk proces, hen heel kalm uitroeien. De moeders die hardnekkig volhielden acrobaten, paardrijdsters of matrozen te worden, zouden waarschijnlijk geen krachtig en talrijk kroost voortbrengen. Deden zij dat wel, dan zou dat eenvoudig bewijzen dat zulk werk haar niet hinderde. Er behoeft geen vrees te bestaan dat wij uitgeroeid zullen worden, doordat de vrouwen verkeerde beroepen zouden kiezen, wanneer zij vrij zijn in haar keuze. Vele vrouwen zouden voortgaan hetzelfde werk te kiezen wat zij nu doen, maar het op de nieuwe en betere wijze uitvoeren. Zelfs schoonmaken, goed begrepen en uitgevoerd, is een nuttig en achtenswaardig beroep. Het is vermakelijk dat eertijds dit minst geliefde werk zoo onschuldig voor een natuurlijke plicht der vrouw gehouden werd. De vrouw, de liefelijke en schoone, de beminde echtgenoote en vereerde moeder werd onder algemeene goedkeuringgehouden voor de aangewezen persoon om kamers en vaatwerk te reinigen. Haar had men toch in de laatste plaats moeten aanwijzen voor werk dat als min en verachtelijk staat aangeschreven. Zij mocht haar dagen slijten te midden van vettigheid, asch, stof, vuil linnen en roetvuil ijzerwerk. Wanneer wij de huishoudelijke functiën socialiseeren, dan zullen deze werkzaamheden wel uit de handen van de vrouw naar die van den man verhuizen. De stad schoon te maken is het werk der mannen. En zelfs in onze huizen wordt de schoonmaker van beroep hoe langer hoe meer een man.De organisatie der huishoudelijke werkzaamheden zal de reinigingsprocessen vereenvoudigen en centraliseeren, door toepassing van vele mechanische uitvindingen en door de aanwending van wetenschappelijke kennis. Onze huizen zullen reiner zijn dan ooit te voren. Er zal minder werk te doen zijn en beter middelen om het uit te voeren. De dagelijksche bezigheden van een goed ingericht huis konden gemakkelijk gedaan worden door elk individu in eigen kamer, of door iemand die zulk werk wenscht te doen; en het werk dat niet zoo dikwijls voorkomt kon door een deskundige geschieden, die het eene huis na het andere schoonmaakt met de vlugge bekwaamheid van oefening en ondervinding. Onze woning zou dan niet langer een werkplaats en een museum zijn, maar zou meer de persoonlijke eigenaardigheden van den bewoner uitdrukken,—de plaats van rust en vrede, van liefde en afzondering,—dan het in zijn tegenwoordigen toestand van achtergebleven industrieele ontwikkeling kan zijn. En de vrouw zal dan haar werkzaamheden met veel beter resultaten kunnen vervullen, dan zij nu met haar voortdurende moeilijkheden, haar stipte toewijding, haar aandoenlijke onwetendheid en machteloosheid doet.
Als een natuurlijk gevolg van onze arbeidsverdeeling naar het geslacht, de vrouw het huis en den man de wereld als arbeidsveld gevende, is het dwaze begrip gekweekt dat de huiselijke plichten als essentieel vrouwelijk en ieder ander soort van arbeid als essentieel mannelijk werk moet aangemerkt worden. Wij hebben stilzwijgend aangenomen dat de bereiding en toediening van voedsel en het verwijderen van stof en vuil,—de voedende en uitscheidende processen van het gezin,—vrouwelijke functiën zijn; doch tevens namen wij aan dat deze processen in de woning moeten geschieden, dat daarin eigenlijk de uiterlijke expressie van het gezin gelegen is. Het menschelijk wezen moet tehuis gevoed, gereinigd, verwarmd, en in ’t algemeen verzorgd worden, wanneer het niet elders werkzaam is.
De voeding van den mensch is een ingewikkelde zaak. De weg van hand tot tand is lang, zegt een oud spreekwoord. Het voedsel wordt door het menschenras collectief voortgebracht, niet door individuen voor hun eigen gebruik, maar door onderling met elkaar in betrekking staande groepen van individuen, over de geheele wereld, voor het verbruik van allen. Dit gemeenschappelijk geproduceerd voedsel circuleert door de wereld, door middel van nauwkeurig werkende inrichtingen van transport, aflevering en bereiding, vóór dat het de monden der verbruikers bereikt, en alleen de eindprocessen, keuze en bereiding zijn in handen der vrouwen. De vrouw is de laatste kooper;in haar handen rust ook de laatste handeling der menschelijke voeding, het koken; dit is een soort van buiten het lichaam plaats vindende digestie, die voor de menschen bleek voordeelig te zijn. Deze laatste afdeeling der menschelijke voeding heeft men tot een geslachts-functie gemaakt en wordt verondersteld bij de vrouwen-natuur te passen.
Indien het voor het menschelijk ras voordeelig is dat het voedsel door een bepaalde sekse wordt gereed gemaakt, dan moet dit voordeel uit eene betere gezondheid en reinere gewoonten der menschen blijken. Dit voordeel bestaat evenwel niet. Ondanks onze macht en ervaring bij de voortbrenging en bereiding van voedsel, blijven wij, wat het eten betreft, “het ziekste beest der wereld.” Ons machteloos geschreeuw tegen de vervalsching der voedingsmiddelen bewijst dat een deel van dit euvel in de ten verkoop aangeboden voedingsproducten ligt; de aandoenlijk groote oplagen der talrijke kookboeken bewijzen dat een ander deel van dit kwaad in de bereiding dezer producten ligt; en de nuttelooze vermaningen van doctoren en wijze moeders bewijzen dat ook een deel aan onzen ziekelijken smaak en eetlust moet worden toegeschreven. Oogenschijnlijk zou men meenen dat de menschen, na de eeuwenlange ondervinding, nog niet geleerd hebben hoe goed voedsel bereid, hoe het gekookt en hoe het gegeten moet worden,—wat helaas maar al te waar is!
De groote functie der menschelijke voeding werd met de geslachtsverhouding verward en als een geslachts-functie beschouwd; zij werd in de hulpelooze handen dier lieve doch onvolmaakte bemiddelaars, de economisch afhankelijke vrouwen gesteld; en het valt niet moeilijk aan te toonen dat zulke bemiddelaars werkelijk voor die taak onbekwaam zijn. In haar positie van huishoudsterin eigen gezin is de vrouw de laatste kooper van het voedsel; en hier vinden wij de oorzaak wan de ongelooflijk groote vervalsching der voedingsmiddelen.
Elk soort van bedrog en misleiding in den dienst der menschheid moet toegeschreven worden aan de zucht om te ontvangen zonder te geven, welke zucht, zooals in vorige hoofdstukken werd aangetoond, grootendeels een gevolg is van de opleiding der vrouwen tot onproductieve verbruikers. Maar de bijzondere vorm van bedrog en misleiding door den een of anderen verkooper in praktijk gebracht, wordt door het verstand en de macht van den kooper beheerscht. Het is zeer gemakkelijk, voordeel te trekken uit verdunning en vervalsching der voedingsmiddelen, omdat de laatste kooper over bijna geen macht en zeer weinig verstand beschikt. De huisvrouw koopt bij korte tusschenpoozen en bij kleine hoeveelheden. Men weet zeer goed dat dit financieel nadeelig is, maar dat ook de kwaliteit der koopwaren daaronder lijdt, is niet zoo algemeen bekend. Alleen wanneer de vrouw aan het hoofd van een rijke huishouding staat en in groote hoeveelheden moet inkoopen voor gezin, bedienden, gasten, krijgt haar handel genoegzame waarde om op de kwaliteit van de waar invloed uit te oefenen. Een winkelier met honderd arme vrouwen tot klant, levert een veel mindere kwaliteit dan hij, die eenzelfde hoeveelheid aan één persoon verkoopt. Van daar dat het gezin bij den inkoop van voedsel wezenlijk in een voortdurend ongunstige positie verkeert; en daarenboven de voornaamste oorzaak is van het lage gehalte der voedingsmiddelen, waartegen wij met lastige wettelijke bepalingen moeten strijden.
De meeste huishoudsters zijn onnoozel genoeg hunne onbekendheid met deze zaken te bewijzen, door te ontkennen dat de voedingsmiddelen van zoo’n laaggehalte zijn. Laten zulke vrouwen eens de verordeningen en instellingen van de stad hunner inwoning—en van elke beschaafde stad—onderzoeken en nagaan hoe het brood, de melk, het vleesch, het fruit enz. onder aanhoudend wettelijk toezicht staan, met het doel, den onwetenden, hulpeloozen kooper voor bedrog te beschermen. Indien de huishoudster van het gezin zooveel technisch verstand bezat dat zij de gekochte voedingsmiddelen kon keuren, indien zij zich geoefend had de melk te onderzoeken, de vreemde bestanddeelen in koffie en specerijen te ontdekken, de hoedanigheid van vleesch te bepalen, de soort en rijpheid der vruchten en groenten vast te stellen, dan zou zij ten minste in staat zijn tegen haar leverancier te protesteeren en voor zoover tijd, afstand en beurs het toelaten, een beteren op te zoeken. Dit technisch verstand verkrijgt men echter alleen door bepaalde studie en ondervinding; doch voor dengeen die alleen voor zich zelf koopt, zou deze kennis slechts moeilijkheid en ellende medebrengen, omdat hij de macht mist de eischen te stellen, die het verstand alsdan aangeeft.
Zooals de toestand nu is bezit de vrouw bij het koopen der voedingsmiddelen alleen haar onwetenschappelijke ondervinding, opgedaan door oefening op haar hulpeloos gezin en nog wel gedurende den tijd dat het opgroeiend kroost zoozeer behoefte heeft aan eene verstandige verzorging, die de moeder slechts in staat is in later jaren te verschaffen. Deze ondervinding met hare treurige begrenzing en praktische belemmering door den persoonlijken smaak en de financieele omstandigheden van het gezin, gaat telkens verloren waar zij gevonden werd. Ieder moeder verkrijgt langzamerhand een beetje kennis van haar bezigheden door ze uit te oefenen, ten koste dikwijls van het leven en de gezondheid van het gezin en door op te merkenwelke gevolgen ze op de overlevenden hebben. En elke dochter begint op nieuw even onwetend als haar moeder was. Men schijnt deze kunst niet aan anderen te kunnen mededeelen. Het is geen geregelde opleiding, zooals elk belangrijk werk vereischt, maar een langzaam opzuigen van ondervinding, waarmede op het beschermen van de gezondheid der maatschappij geen invloed kan worden uitgeoefend. Als de laatst handelende tusschenpersoon bij de voeding der menschheid voldoet de huisvrouw niet; dit is geen gevolg van gebrek aan goeden wil, maar van haar positie als individueele kooper. Alleen door organisatie kunnen zulke gebreken, als de in het groot voorkomende vervalsching der voedingsmiddelen, verholpen worden en de vrouw, als dienstbode, behoort tot den laagsten graad van ongeorganiseerden arbeid.
Wanneer wij thans den inkoop van voedingsmiddelen laten rusten en de bereiding van het voedsel nagaan, dan mogen wij natuurlijk verwachten dat de bestemming van een geheele sekse, voor het vervullen van deze functie, zeer merkwaardige resultaten oplevert. Die resultaten zijn merkwaardig, doch niet gunstig zoo als verwacht mocht worden. De kunst en wetenschap van het koken vereischt een grondige kennis van de voedingswaarde der voedingsmiddelen en van de physiologische en hygiënische wetten. Als een wetenschap grenst het aan de preventieve geneeskunde. Als een kunst is het in staat tot nobele expressie, binnen zijn natuurlijke perken. Het standpunt dat het tot heden bij ons inneemt is zoo ver van wetenschap verwijderd en houdt zoo weinig verband met preventieve geneeskunde, dat het op de laagste sport van amateurs-handenarbeid staat en een vruchtbare bron voor ziekte is. Als een kunst heeft het zich, onder den eigenaardigen prikkel van zijn toestand als geslachts-functie, tot een wellustige overdaadontwikkeld, die even valsch als slecht is. Ons onschuldig gezegde: “de weg tot het hart van den man gaat door zijn maag,” verklaart treurig duidelijk hoe wij aan tafel onze lichamen bederven en onzen geest verlagen.
Zoolang de eene helft van het menschdom als amateurkok voor de andere helft werkt, zal het onmogelijk zijn, dat de kennis van dit vak een hoogen graad van wetenschappelijke nauwkeurigheid of technische bekwaamheid bereikt. De ontwikkeling van een of ander menschelijk werk vereischt specialisatie en specialisatie is onmogelijk bij ons stelsel, waarbij verondersteld wordt dat elke vrouw van nature kok is. Voor zoo ver de kookkunst is vooruit gegaan, hebben wij dit te danken aan de studie en ondervinding van de mannelijke beroeps-koks en scheikundigen en niet door den Sisyphus-arbeid van onze eindelooze generaties van op zich zelf staande vrouwen, waarvan ieder weder begon, waar ook haar moeder begonnen was.
Natuurlijk zullen hier weer smartelijke verzuchtingen gehoord worden over “moeders lekkere schoteltjes”, en in antwoord daarop kunnen wij alleen verwijzen naar onze tweede premisse in het laatste hoofdstuk. Het feit dat wij van iets houden bewijst nog niet dat dit juist en goed is. Een kind uit Missouri kan de gekruide beschuiten van zijn moeder erg lekker vinden, maar dat neemt niet weg dat zij op zijn geest en lichaam een slechte uitwerking hebben. Kookkunst berust op wetten, zij is geen onschuldig verbeeldingsspel. Bouwkunst zou misschien vermakelijker en afwisselender zijn, indien ieder zijn eigen huis bouwde, maar dan was zij nooit de kunst en wetenschap geworden, waartoe wij haar nu hebben opgevoerd. Zoolang iedere vrouw het voedsel bereidt voor haar eigen gezin, zal het koken zich nooit boven het niveau van amateurs-werk kunnen verheffen.
Maar hoe laag ook de kookkunst als wetenschap moge staan, als kunst staat zij nog lager. Sedert het voor de echtgenoote-keukenmeid van het grootste belang is genot te verschaffen,—omdat daarin haar voornaamste middel schuilt om te verkrijgen wat zij verlangt of om haar dankbaarheid uit te drukken,—leert zij spoedig het gehemelte streelen, in plaats van de behoeften der maag nauwkeurig te bestudeeren en daaraan tegemoet te komen. Door ontelbare geslachten heen, zijn de volwassen man en het opgroeiend kind het voorwerp geweest van de aanhoudende inspanningen van haar die kookte met liefde in plaats van met kennis, die kookte om genot te geven. Dit is een van de breedste wegen welke naar het verderf voeren. In iedere levensphase is het verkeerd de gebeurtenis aan het doel te doen voorafgaan, de middelen te stellen vóór het eind; en hier heeft het dit algemeen bekende gevolg gehad, dat wij leven om te eten, in plaats van eten om te leven.
Deze houding van de vrouw heeft de overal voorkomende overdaad ontwikkeld, die wij de “fijne keuken” noemen; een ding zoo ver verwijderd van ware artistieke ontwikkeling in de kookkunst als een groote ijskan van een Grieksche vaas. Hierdoor is de ontzettend groote dwaasheid van het voorname leven ontstaan, waarbij menschelijke arbeid en tijd en bekwaamheid worden verspild met voort te brengen wat noch als zuiver voedsel, noch als zuiver genot kan worden aangemerkt, maar een kunstmatige bereiding is, die alleen door kenners gewaardeerd kan worden. Men kan zich nauwelijks een lager levenswijze voorstellen, dan die, welke het gevolg is van den onnatuurlijken wedloop tusschen kunstmatige opwekking en eetlust, waardoor lichaam en ziel beide bedorven worden.
De man, het voorwerp van al deze eetkamer-verheerlijking,heeft hierdoor een aangekweekte belangstelling in eigen smaak en de bevrediging er van ontwikkeld en onderhouden,—de vraag naar dingen waarvan hij houdt, meer dan naar die welke goed voor hem zijn,—waarin een van de meest gevreesde karaktertrekken, aan de psychologen bekend, gelegen is. De gevolgen van deze aanhoudende streeling van het gehemelte op den natuurlijken eetlust kunnen ver nagespoord worden en zij loopen ten slotte uit op een onbeteugeld toegeven aan de trek naar gekruide spijzen en allerlei soort van onmatigheid. Het humeur, dat niet bij machte is deze verzoekingen alle te verdragen, wordt dan tehuis voortdurend bot gevierd.
Even als het concentreeren van de physische krachten der vrouw op haar geslachts-functiën, daartoe door economische afhankelijkheid gedwongen, geleid heeft tot het opwekken en onderhouden van een buitensporigen geslachts-lust bij den man, tot nadeel van het ras; zoo heeft ook de concentratie van de nijvere krachten der vrouw in den beperkten en aanhoudenden dienst van persoonlijken smaak en eetlust er toe geleid een buitensporigen lust in lekker eten en drinken op te wekken en te onderhouden, wat eveneens nadeelig is voor het ras. Hiermede wordt niet beweerd dat dit de eenige oorzaak van deze verkeerde gewoonte is, maar het is een van de belangrijkste en van voortdurenden invloed.
Misschien kan men de uitwerking beter zien door een niet diepgaande vergelijking dan door een bloote vermelding. Men stelle zich twee groote, gezonde, vlugge apen voor. Veronderstel dat het mannetje-aap het vrouwtje-aap niet toestaat rond te springen en haar eigen kokosnoten te plukken, maar dat hij haar brengt wat zij noodig heeft. Veronderstel dat hij dan eischt dat zij den dop breekt, de noot er uitpelt en voor hemgereed maakt wat hij er van wenscht te eten; en verder dat haar deel van het eten, om niets te zeggen van haar kans om na afloop een klein, prettig uitstapje in de boomtoppen te mogen maken, afhangt van zijn tevredenheid met het voedsel dat zij voor hem gereed maakte. Als zij een verstandige aap is, zal zij met alle listen die haar ten dienste staan, prikkel en afwisseling zoeken te voegen bij de maaltijden die zij voor hem bereidt; de stukjes die hij bijzonder graag lust voor hem uitkiezen om zijn smaak te streelen en zijn eetlust op te wekken; en hij, onder dezen aangenamen druk zich ontwikkelende, zal langzamerhand een fijn onderscheidingsvermogen in voedsel verkrijgen en met toenemend genot naar zijn feestmaaltijden verlangen. Er zou een nieuwe dwang zijn om hem te doen eten,—niet alleen zijn behoefte aan voedsel, met de natuurlijke en gezonde eischen, maar haar behoefte aan alles, wat alleen door zijn behoefte aan voedsel verkregen kan worden.
In een apenfamilie klinkt dit een beetje gek, doch het geeft toch juist weer wat gebeurde in de menschenfamilie. De wijze waarop de vrouw haar doel bereikte, was haar man aangenaam te zijn, en de noodzakelijkheid heeft haar geleerd hoe zij dat doen moest; en daar zij over het algemeen een onontwikkelde en onbekwame werkster was, kon zij hem alleen zoeken te behagen door de gaven die zij bezat, in hoofdzaak die van huiselijke diensten. Haar was tot taak gesteld het voedsel voor beiden gereed te maken en daarmede haar voordeel te doen. Zij heeft haar taak goed volbracht, maar of het tot voordeel strekte van een hunner is twijfelachtig.
Uit een oogpunt van sociale ontwikkeling zijn wij van het grove schrokken van den wilde, van elk voedselwat hij kon bemachtigen, gekomen tot een nauwkeurig uitkiezen van geschikt voedsel en een beschaafder en beter vorm om het te gebruiken. Deze maatschappelijke vooruitgang wordt door onze sexueel-economische verhouding belemmerd; doordat de bereiding van voedsel tot een geslachts-functie is gemaakt, worden al de producten er van vermengd met den gloed van persoonlijke liefde en den drukkenden last van eigenbelang. Op die wijze wordt niet alleen de echtgenoot, maar worden tot op zekere hoogte ook de kinderen gevoed, want waar moederlijke liefde en moederlijke energie gedwongen worden zich hoofdzakelijk te uiten in de bereiding van voedsel, daar wordt de wensch om het kind doelmatig te voeden, vermengd met een onverstandige begeerte om het kind genot te verschaffen, en de moeder verlaagt haar hoog standpunt, door steeds den onontwikkelden smaak te streelen in plaats van dien te veredelen.
Wij meenen in den regel dat wij ons eten en drinken verhoogd en veredeld hebben door het met liefde te verbinden. Integendeel, wij hebben onze liefde verlaagd en doen ontaarden door haar met eten en drinken te verbinden, en wat meer zegt, wij hebben daardoor ook deze behoeften verlaagd. Maatschappelijk is er eenige vooruitgang gekomen, maar deze ongelukkige vermenging van geslachts-belang en eigen-belang met normalen eetlust, deze Cupido-in-de-keuken regeling, heeft den vooruitgang sterk tegengehouden.
Wij hebben veel geleerd door beroeps-koks. Handel en fabrieken hebben onze benoodigdheden sterk vermeerderd. Wetenschap heeft ons geleerd wat wij noodig hebben en hoe en wanneer wij het gebruiken moeten. Maar in het met liefde vermengde werk van vrouw en moeder worden deze verbeteringen slechts weinig gevoeld. Indien het meisje naar de kookschool gaat, dan geschiedtdat meer om te leeren hoe lekkernijen bereid moeten worden welke genot verschaffen, dan om de voedingswaarde van het voedsel te bestudeeren en daardoor de gezondheid van het huisgezin te bevorderen. Uit de steeds grooter wordende magazijnen, door de bedrijvigheid der mannen voor haar geopend, kiest zij in ruime mate, om een afwisselend menu te maken dat den eetlust opwekt, zonder eenigszins op de hoogte te zijn welke combinatiën gemaakt moeten worden om onze lichamelijke behoeften het best te dienen. Wetenschap, scheikunde, gezondheidsleer zijn voor haar slechts namen. “Jan houdt daar zoo veel van”; “Willem lust het niet anders”; “vader kon nooit kool verdragen.” Zij moet bedenken wat haar man het liefst lust, niet zoozeer omdat zij het prettig vindt hem een genoegen te verschaffen of omdat zij er voordeel bij heeft als zij hem een genoegen doet, maar omdat hij betaalt voor het eten en zij zijn dienstbode is.
Wordt het niet tijd dat de weg naar het hart van den man door zijn maag wordt verlaten voor een idealer toegang? Laat de maag voor haar natuurlijk werk bestemd blijven, niet tot doortocht voor ongewone hartstochten en doeleinden gemaakt worden; en laat ons tot het hart doordringen langs idealer wegen. Wij hebben behoefte aan een nieuwe afbeelding van onzen overwerkten blinden god,—dik, vet, volgepropt met lekkernijen door de arme aanbidsters, zoolang gedwongen haar toewijding te betalen met zulke lage middelen.
Neen, het menschelijk ras wordt slecht gevoed door het voedingsproces tot een geslachts-functie te maken. De keuze en bereiding van voedsel moest in de handen van geoefende deskundigen rusten. De vrouw moest naast den man staan als de verwante van zijn geest, niet als de dienares van zijn lichaam.
Dit zal groote veranderingen in onze levenswijze vereischen. De wereld door het werk van deskundigen te voeden; aan deze groote functie de bekwaamheid en ondervinding van geoefende specialiteiten, de macht der wetenschap en de schoonheid der kunst ten goede te doen komen, is met de sexueel-economische verhouding onmogelijk. Zoolang wij het koken als een aan alle vrouwen eigen geslachts-functie beschouwen, en het eten als een zaak die alleen in het gezin goed kan geschieden, kunnen wij niet verder komen. Wij besteden tegenwoordig veel ernstige studie en inspannenden arbeid om de vrouwen in de kunst van koken te onderwijzen en te oefenen, zoowel de echtgenoote als de meid; want met onze gewone opvatting, dat het willekeurig gedrag van het individu de oorzaak der omstandigheden is, zoeken wij de omstandigheden te wijzigen door het gedrag van het individu te veranderen.
Wij moeten evenwel inzien dat het gedrag niet kan veranderen, zoolang de omstandigheden dezelfde blijven. Ieder ambt of beroep, waarvan de ontwikkeling afhankelijk zou zijn van het werk van op zich zelf staande personen, alleen geholpen door gehuurde bedienden, onwetender nog dan zij zelf, zou op een gelijk laag niveau blijven.
Voor zoover gezondheid kan bevorderd worden door openbare middelen, wordt zij door gezondheids-reglementen en medisch toezicht, door hygiënische literatuur en door beroeps-personen bereide “gezondheidsmiddelen”, door bepaalde wetten voor besmettelijke ziekten en gevaarlijke beroepen, voortdurend verbeterd; maar door deze middelen wordt de bevordering der gezondheid, voor zoover die in de handen der huisvrouw ligt, niet bereikt. Negen-tiende van de vrouwen die haar eigen huiswerk doen, kunnen niet tot bedreven koopers enervaren keukenmeiden worden opgeleid, evenmin als negen-tiende van de mannen tot bedreven kleermakers kunnen worden gemaakt, zonder beter oefening of gelegenheid om zich te vormen, dan met het kleeden van eigen familieleden verkregen wordt. Het overige tiende gedeelte der vrouwen kan dan het werk doen volgens de primitieve arbeids-methoden.
Het voedsel te laten bereiden door gehuurde bedienden is nog slechter dan door de echtgenoote en moeder; de kunst om te koken wordt dan met nog minder oefening en geringer ondervinding uitgevoerd. De dienstboden zijn meerendeels jonge meisjes, die dezen vorm van dienstbaarheid verlaten zoodra zij kunnen trouwen; en zoodoende vertrouwen wij de lichamelijke gezondheid der menschen, voor zoover het koken daarop influënceert, aan de handen van ongeoefende, onvolwassen vrouwen van de laagste maatschappelijke klasse, die door geen hooger prikkel gedreven worden dan van financieele noodzakelijkheid. De liefde der vrouw en moeder is ten minste een prikkel om haar gezin goed te willen voeden. Voor de dienstbode bestaat die prikkel niet. Alleen in die enkele gevallen waarin de vrouw en moeder “een geboren kok” is en haar gezin begunstigt met de producten van haar buitengewone gaven, of in de rijke gezinnen, waar de hulp van beroepslieden kan betaald worden, kan het koken tehuis goede resultaten opleveren.
Er was een tijd dat vorsten en voorname lieden er eigen dichters op nahielden om hen te prijzen en bezig te houden, maar zoo’n dichter was nooit werkelijk groot, tenzij hij tevens dichtte voor de menschheid. Zoo kan ook de kunst van koken nooit haar hooge plaats als een maatschappelijke functie, die in een menschelijke behoefte voorziet, innemen, zoolang zij alleen voor eigen behoefte wordt aangewend. Ons leven en onze woningenzoodanig in te richten dat het koken een beroep kan worden, is de eenige manier om deze groote kunst uit hare tegenwoordige begrenzing te bevrijden. Het moet een eervolle, goed betaalde betrekking worden, waartoe zulke mannen of zulke vrouwen opgeleid worden, die zich tot dit werk voelen aangetrokken, even als men meubelmaker of apotheker wordt. Tusschen de koks die hun werk alleen als handwerk opvatten en de artisten in hun vak zal er een natuurlijke verscheidenheid komen; en wij zullen een breeden, nieuwen weg voor winstgevenden arbeid en eervolle werkzaamheid en een nieuwen grondslag voor menschelijke gezondheid en geluk openen.
Dit sluit geen coöperatie in. Onder coöperatie verstaan wij gewoonlijk de vereeniging van gezinnen met het doel hunne veronderstelde functiën beter te kunnen vervullen. Deze zaak faalt in den regel omdat het beginsel niet deugt. Koken en reinigen zijn geen functiën van het gezin. Wij bezitten geen familie-mond, geen familie-maag en geen familie-gezicht dat gewasschen moet worden. Individuen moeten gevoed en gewasschen worden van hun geboorte tot hun dood, geheel afgezien van hun familie-verhoudingen. De wees, de ongehuwde man, de kinderlooze weduwnaar, hebben even veel behoefte aan deze voedende en reinigende zaken als eenig patriarchale vader. Eten is een individueele functie. Koken is een maatschappelijke functie. Geen van beide is in het minst een functie van het gezin. Dat wij het in de vroegere beschavingsperioden geschikter vonden tehuis te koken, bewijst niets meer dan hetzelfde feit dat wij het vroeger ook geschikter vonden tehuis te spinnen en te weven, onze zeep en kaarsen te bereiden, onze boter te maken, ons vee te slachten, ons brood te bakken en ons goed te wasschen.
Met de ontwikkeling der maatschappij gaat een specialiseering,van hare functiën gepaard; en de reden dat deze groote ras-functie, het koken, in zijn natuurlijken groei zoo lang werd tegengehouden, ligt hoofdzakelijk aan de economische afhankelijkheid der vrouwen, die daardoor aan den menschelijken vooruitgang niet deelnamen. Zoodra de vrouwen economisch vrij zijn, zullen zij de achterlijk gebleven functiën opheffen en verruimen, zoowel om hunne plichten als vrouwen en moeders beter te kunnen volbrengen, als om de gezondheid en het geluk van het menschenras te bevorderen.
Hiervoor wordt geen coöperatie vereischt, maar wel de hulp van geoefende beroepslieden en zulk een regeling onzer levenswijze, waardoor wij in staat worden gesteld er van te profiteeren. Wanneer een groot aantal lieden denzelfden kleermaker of bakker of kruidenier begunstigen, dan coöpereeren zij nog niet. Evenmin zouden zij coöpereeren indien zij denzelfden kok begunstigen. De verandering moet van de zijde van den kok komen en niet van het gezin. Zij moet door natuurlijke functioneele ontwikkeling in de maatschappij gebracht worden en zij is reeds in aantocht. De vrouw, inziende dat haar plicht als voedster en reinigster een maatschappelijke en geen sexueele plicht is, moet de eischen van den toestand onder de oogen zien en zich zelf voorbereiden er aan tegemoet te komen. Honderd jaar geleden kon dit niet gedaan worden. Nu wordt het gedaan, omdat de tijd er rijp voor is.
Indien er tegenwoordig in een of ander groote stad een geriefelijk en goed ingerichte woning met afzonderlijke vertrekken geopend werd voor vrouwen die een gezin hebben en een beroep uitoefenen, zou zij op eens gevuld worden. De kamers moesten zonder keukens zijn; maar er moest een keuken bij het huis behooren van waar de maaltijden naar verkiezing aan de gezinnenin hun eigen kamers of in een gemeenschappelijke eetkamer werden opgedischt. Het zoude een huis moeten zijn dat schoon gehouden werd door flinke bedienden, die niet door de gezinnen afzonderlijk gehuurd, maar door den leider der inrichting aangesteld werden, en een overdekte tuin, kinderkamer enKindergartenonder goed geoefende kinderjuffrouwen en onderwijzers zou een doelmatige verzorging der kinderen moeten verzekeren. Met den dag neemt de behoefte aan zulke instellingen toe en weldra moet hieraan tegemoet gekomen worden, niet door een kosthuis, of een inrichting waar alleen huisvesting verleend wordt, of een hotel, een restaurant of het een of ander maaksel van eenige van deze instellingen te zamen; maar door eene instelling waarin voortdurend voorzien wordt in de behoeften van individuen en van afzonderlijke gezinnen, die de voordeelen van het gemeenschappelijk samenleven willen genieten. Dit moet op een bedrijfs-basis rusten, om een deugdelijk bedrijfs-succes te hebben en het zal dit hebben omdat het in een toenemende sociale behoefte voorziet.
Alleen in New-York City zijn honderdduizendenvrouwen die loontrekkend zijn en die tevens een gezin hebben, en het getal wordt steeds grooter. Dit is niet alleen waar voor de armen en ongeletterden, maar nog veel meer voor de vrouwen die een ambt of beroep uitoefenen, voor de wetenschappelijke, artistieke en literaire vrouwen. Onze onderwijzeressen, die een talrijke klasse vormen, zijn niet allen zonder bloedverwanten. De behoeften van een menschenziel worden niet voldaan in een kosthuis. Deze vrouwen hebben behoefte aan een tehuis, maar zij begeeren daarom niet den vervelenden aanhang van rudimentaire werkzaamheden die verondersteld worden bij een tehuis te behooren. De moeilijkheden waarmede zulke vrouwen te kampen hebben zijn nietlanger noodzakelijk. Het private leven van een eigen huis kan even goed in een gebouw, als hierboven beschreven, gehandhaafd worden, als in een of ander deel van een blok woningen, een of andere kamer, verdieping of gedeelte er van, onder de tegenwoordige levenswijze. Het voedsel zou beter zijn en minder kosten; en dit zal ook met andere werkzaamheden en benoodigdheden het geval zijn.
In de voorsteden zou dit doel veel beter uitgevoerd kunnen worden door een groep van aangrenzende woningen, elk huisje afzonderlijk met een eigen erf, maar allen zonder keuken en door een overdekten weg verbonden met het eet-huis. Geen gedétailleerd plan van den juisten vorm, hoe ten slotte de inrichting het beste en pleizierigste zal zijn, kan thans gegeven worden; doch de maatschappij verlangt met steeds grooter aandrang dat de werkzaamheden die in huis verricht worden, aan bekwamer handen worden toevertrouwd.
Elk huis zal veel gemakkelijker schoon gehouden kunnen worden, wanneer de twee voornaamste oorzaken van het vuil worden, vettigheid en asch, er uit verwijderd zijn.
Natuurlijk kunnen de maaltijden, zoolang men dat wenscht, te huis worden opgedischt; doch zoodra de menschen gewend raken aan zuivere, reine woningen, waar geen stoom-werkzaamheden worden uitgevoerd, zullen zij het langzamerhand verkieselijker vinden naar hun voedsel te gaan, dan het voedsel bij hen te doen brengen. Het is volmaakt natuurlijk dat iemand naar zijn voedsel gaat. Achterna beschouwd, is het slechts een gradueel verschil; huist men in één kamer, waar ook gekookt wordt, dan heeft men het eten vlak bij; in de groote huizen gaat men om te eten naar de eetkamer; nog een beetje verder en men gaat niet naar de eetkamer in zijn eigen, maar in een aangrenzendhuis. Gezinnen zouden gezamenlijk kunnen gaan eten, even als zij te zamen kunnen gaan baden of te zamen kunnen luisteren naar muziek; doch mocht het gebeuren dat verschillende individuën op verschillende uren wenschten te eten, dan zou hieraan te gemoet gekomen kunnen worden, zonder dat het comfort van anderen of hun eigen, daarbij behoefde opgeofferd te worden. Iedere huisvrouw weet hoe moeilijk het is de leden van het gezin altijd te zamen aan de maaltijden te krijgen. Waarom moet dat ook? Hier komt het gevoel voor den dag en men beweert dat familie-liefde, familie-éénheid, het ware huiselijk leven, afhankelijk is van het te zamen zijn bij de maaltijden. Een familie-éénheid te zamen gehouden door een tafellaken, is van bedenkelijke waarde.
Onze domme wijze van huishouden omvat verscheiden beroepen. Een goede keukenmeid behoeft niet noodzakelijk een goede huishoudster te zijn, of een goede huishoudster iemand die nauwkeurig en voorzichtig reinigt, of iemand die goed reinigt, een die verstandig inkoopt. Onder de vrije ontwikkeling van deze verschillende vakken zou een vrouw haar positie kunnen kiezen, zich er voor bekwamen en een zeer gewaardeerde beambte worden in het door haar zelf gekozen vak. En toch kon zij daarbij in eigen huis blijven wonen, dat wil zeggen, dat zij in haar huis leeft zooals een man in het zijne, met zekere uren van den dag aan het werk, de andere tehuis te besteden.
Verdeeling van het huishoudelijk werk zou den dienst vereischen van een geringer aantal vrouwen gedurende minder uren daags dan thans het geval is. Waar nu twintig vrouwen in twintig gezinnen den geheelen dag werken en hun verschillende plichten zeer onvoldoende vervullen, zou hetzelfde werk door handen van specialiteiten in minder tijd en door een geringer aantal personen kunnengeschieden; en daardoor zouden de anderen vrij worden om werk te doen waarvoor zij beter geschikt zijn en waarmede zij de voortbrengende kracht in de wereld vergrooten. Met de pogingen voor dit doel te coöpereeren, werd wel getracht het bestaande werk van vrouwen te verminderen, maar de behoefte aan andere bezigheden werd daarbij niet erkend en daarin ligt juist een der oorzaken van het herhaaldelijk schipbreuk lijden dezer proefnemingen.
Het schijnt bijna onnoodig te zeggen dat vrouwen als economische voortbrengsters, natuurlijk de beroepen zullen kiezen, die met het moederschap vereenigbaar zijn en verscheiden beroepen zijn met het moederschap veel meer in harmonie dan de huishoudelijke werkzaamheden. Moederschap is geen toevallige gebeurtenis in het verschiet, maar een algemeene plicht van gezonde vrouwen. Indien vrouwen beroepen kozen onvereenigbaar met het moederschap, dan zou de natuur, door haar onveranderlijk proces, hen heel kalm uitroeien. De moeders die hardnekkig volhielden acrobaten, paardrijdsters of matrozen te worden, zouden waarschijnlijk geen krachtig en talrijk kroost voortbrengen. Deden zij dat wel, dan zou dat eenvoudig bewijzen dat zulk werk haar niet hinderde. Er behoeft geen vrees te bestaan dat wij uitgeroeid zullen worden, doordat de vrouwen verkeerde beroepen zouden kiezen, wanneer zij vrij zijn in haar keuze. Vele vrouwen zouden voortgaan hetzelfde werk te kiezen wat zij nu doen, maar het op de nieuwe en betere wijze uitvoeren. Zelfs schoonmaken, goed begrepen en uitgevoerd, is een nuttig en achtenswaardig beroep. Het is vermakelijk dat eertijds dit minst geliefde werk zoo onschuldig voor een natuurlijke plicht der vrouw gehouden werd. De vrouw, de liefelijke en schoone, de beminde echtgenoote en vereerde moeder werd onder algemeene goedkeuringgehouden voor de aangewezen persoon om kamers en vaatwerk te reinigen. Haar had men toch in de laatste plaats moeten aanwijzen voor werk dat als min en verachtelijk staat aangeschreven. Zij mocht haar dagen slijten te midden van vettigheid, asch, stof, vuil linnen en roetvuil ijzerwerk. Wanneer wij de huishoudelijke functiën socialiseeren, dan zullen deze werkzaamheden wel uit de handen van de vrouw naar die van den man verhuizen. De stad schoon te maken is het werk der mannen. En zelfs in onze huizen wordt de schoonmaker van beroep hoe langer hoe meer een man.
De organisatie der huishoudelijke werkzaamheden zal de reinigingsprocessen vereenvoudigen en centraliseeren, door toepassing van vele mechanische uitvindingen en door de aanwending van wetenschappelijke kennis. Onze huizen zullen reiner zijn dan ooit te voren. Er zal minder werk te doen zijn en beter middelen om het uit te voeren. De dagelijksche bezigheden van een goed ingericht huis konden gemakkelijk gedaan worden door elk individu in eigen kamer, of door iemand die zulk werk wenscht te doen; en het werk dat niet zoo dikwijls voorkomt kon door een deskundige geschieden, die het eene huis na het andere schoonmaakt met de vlugge bekwaamheid van oefening en ondervinding. Onze woning zou dan niet langer een werkplaats en een museum zijn, maar zou meer de persoonlijke eigenaardigheden van den bewoner uitdrukken,—de plaats van rust en vrede, van liefde en afzondering,—dan het in zijn tegenwoordigen toestand van achtergebleven industrieele ontwikkeling kan zijn. En de vrouw zal dan haar werkzaamheden met veel beter resultaten kunnen vervullen, dan zij nu met haar voortdurende moeilijkheden, haar stipte toewijding, haar aandoenlijke onwetendheid en machteloosheid doet.