V

VDe feiten in de vorige hoofdstukken genoemd zijn bekend en niet te loochenen, de redeneering is logisch. Toch verzet het verstand zich met geweld tegen de gevolgtrekkingen die het gedwongen wordt te aanvaarden en tracht steun te vinden in de gewone omstandigheden van het dagelijksch leven. Wij vluchten van het opdoemende spook van het over-sekste wijfje van het geslacht mensch met voldoening terug naar goede vrienden en bekenden,—naar mevrouw Smit en naar juffrouw Muller,—naar moeders en zusters en dochters, naar verloofden en echtgenooten. Wij meenen dat zulk een verschrikkelijke staat van zaken niet waar kan zijn zonder dat wij dien zouden hebben opgemerkt. Wij probeeren zelfs dezen acrobatischen toer te volbrengen, voor het verstand van velen zoo gemakkelijk,—toe te stemmen dat het hiervoor gestelde theoretisch waar, maar praktisch onjuist is!Aan twee eenvoudige wetten van hersenwerking is het toe te schrijven dat de menschen moeilijk te overtuigen zijn van de een of andere groote algemeene waarheid die henzelf betreft. Eén van deze is aan elk brein eigen, aan alle zenuwgewaarwordingen zelfs, en blijde zijn wij hier te kunnen constateeren dat dit niets te maken heeft met de sexueel-economische verhouding. Het is dit eenvoudig feit, dat wij geen notitie nemen van hetgeen wij gewóón zijn te doen. Dit berust op de wet van aanpassing, het adaptatie-vermogen; den geregelden, onophoudelijken drang, die het organisme aan zijneomgeving passend zoekt te maken. Een zenuw die voor den eersten keer door een zekeren prikkel getroffen wordt, voelt dezen eersten prikkel veel meer dan den honderdsten of duizendsten, zelfs wanneer hij den duizendsten keer veel krachtiger was dan den eersten. Indien een prikkel voortdurend en regelmatig werkt, dan worden wij er volkomen ongevoelig voor en beantwoorden er alleen onder bijzondere omstandigheden aan; zooals het tikken van een klok, het geluid van stroomend water of van de golven van de zee. Zelfs het ratelen van de spoortreinen wordt niet meer opgemerkt door degenen die het dagelijks hooren. Een individu is volkomen in staat zich aan de nadeeligste omstandigheden te wennen, zonder ze op te merken.Evenzoo is het mogelijk voor een ras, een natie, een klasse om gewend te raken aan de nadeeligste toestanden, zonder ze op te merken. Neem, als een individueel voorbeeld, het dragen van corsetten door vrouwen. Doe een krachtigen man of eene vrouw die nooit een corset droeg er eens een aan, een los corset maar, dan zullen zij het steeds onaangenaam voelen drukken. De gezonde spieren van den romp verzetten zich tegen zulk een druk, de werking van het geheele lichaam wordt in het midden belemmerd, de maag wordt vernauwd, het digestie-proces in de war gebracht en het slachtoffer vraagt: “Hoe kan men in ’s hemelsnaam zoo’n ding dragen?”Maar de persoon die gewend is een corset te dragen voelt daarvan niets. Het bestaat wel, dat is zeker, de feiten zijn er, het lichaam wordt niet misleid; maar de zenuwen zijn aan dit onaangenaam gevoel gewend geraakt en beantwoorden er niet langer aan. De persoon “voelt het niet.” Werkelijk wordt de drager zoo aan dit gevoel gewend, dat het corset niet kan worden uitgelaten zonder dat hij er last van ondervindt. De zwareplooien van de das, stropdas en halsdoek, zooals de mannen vroeger droegen, de zware paardenharen pruik, de stijve hooge kraag van heden, het soort schoenen dat wij dragen, het zijn alle volmaakt bekende voorbeelden van de kracht der gewoonte bij het individu.Dit is eveneens waar voor de gewoonten van een ras. Dat een koning moest regeeren, eenvoudig omdat hij geboren was, werd duizenden jaren als van zelf sprekend beschouwd. Dat de oudste zoon de titels en landgoederen moest erven, was een zelfde verschijnsel, evenmin in twijfel getrokken. Dat een schuldenaar in de gevangenis moest worden gezet en zoodoende heelemaal verhinderd werd om zijn schulden te betalen, was de wet. Zoo’n schandelijk kwaad als kettingslavernij was een onaangetaste maatschappelijke instelling uit de vroegste geschiedenis tot op onze dagen, onder de meest beschaafde natiën van de wereld. Zelfs Jezus merkte haar niet op. De afschuwelijke onrechtvaardigheid van de Christelijke kerk tegenover de Joden heeft vele eeuwen lang niemands aandacht getrokken. Dat de slaaf met den grond verkocht werd en de meester zich dien toeeigende, was in de middeleeuwen een van de grondslagen der maatschappij.Men gewent op den duur zoowel aan sociale als aan individueele toestanden en dan worden zij niet meer opgemerkt. Dat is de reden waarom het zooveel gemakkelijker is de gebruiken van andere personen en van andere natiën te kritiseeren dan onze eigen. Het is tevens de reden waarom wij zoo gemakkelijk de aanvallen der kritiek kwalijk nemen en er de juistheid van ontkennen. Het is geen gevolg van eenige onrechtvaardigheid aan de eene zijde of onoprechtheid aan de andere, maar alleen een eenvoudige en nuttige natuurwet. De Engelschman die in Amerika komt, wordt in hooge mate getroffendoor de politieke verdorvenheid aldaar en met den ernstigen wensch zijn broeder te helpen, brengt hij hem dat onder ’t oog. Wat in zijn eigen land gebeurt ziet hij niet, omdat hij daaraan gewend raakte. De Amerikaan in Engeland vindt ook wel iets waartegen hij bezwaar heeft en vergeet dan ook niet om in gedachten vergelijkingen te maken met wat hij in eigen land zag.Wanneer een toestand onder ons bestaat, die reeds aanving in die vroege tijden waarvan de overlevering zelfs niet spreekt, die in wisselenden graad bij elk volk op aarde aangetroffen wordt en die reeds bij de geboorte op het individu begint in te werken, dan zou het een wonder zijn dat alle begrip te boven gaat, indien menschen dien zouden opmerken. De sexueel-economische verhouding is zulk een toestand. Zij begon in de vroegste oudheid. Zij bestaat bij alle volken. Elke jongen en elk meisje is er in geboren, in opgevoed en moet er in leven. De vooruitgang der wereld in zaken als deze wordt verkregen door een langzaam en pijnlijk proces, maar een dat tot een goed einde leidt.In den loop der maatschappelijke evolutie zijn er ontwikkelde individuen geweest, wier lichaamsgesteldheid niet passend kon worden gemaakt aan de bestaande toestanden, maar die organisch voor meer geavanceerde toestanden geschikt waren. Deze geavanceerde individuen reageeren in scherp en pijnlijk bewustzijn op de bestaande toestanden, en wat zij met hun helderziendheid opmerken, verkondigen zij luide. De geschiedenis der religieuse, politieke en sociale hervorming is vol van bekende voorbeelden hiervan. De ketter, de hervormer, de agitator voelt wat zijns gelijken niet voelen, ziet wat dezen niet zien, en natuurlijk, zegt wat zij niet zeggen. De groote massa van het volk houdt niet van het luid geschreeuw van deze onrustige geesten. In vroegere eeuwen werdenzij eenvoudig ter dood veroordeeld. Vooruitgang was langzaam en moeilijk in die dagen. Maar dit geweldig proces van uit-den-weg-ruimen ontwikkelde het soort van vooruitstrevende personen, die als martelaren bekend zijn, en deze merkwaardige sociologische wet openbaarde zich, dat de sterkte van een stroom van sociale kracht wordt vergroot door de opoffering van individuen, die bereid zijn voor de zaak te strijden en te sterven. “Het bloed der martelaren is het zaad der kerk.” Dit is tegenwoordig zoo algemeen bekend, ofschoon nog niet geformuleerd, dat de machthebbers aarzelen om te vervolgen, uit vrees dat zij ongewenschte ketterij in de hand werken. Men heeft bevonden dat een staatkunde van “vrije discussie” de meeste van de aanhoudende duwen en uitvallen van deze bewogen krachten doet voorbijgaan en tot een meer ordelijke uitwerking leidt. Onze groote anti-slavernij-beweging, de heldhaftige pogingen van de strijdsters voor “vrouwenrechten”, zijn nieuwe en krachtige bewijzen van deze waarneembare feiten: dat de massa van het volk bestaande toestanden niet opmerkt en dat zij niet veel houdt van hen die het wel doen. Dit is een van de voorname redenen waarom de sexueel-economische verhouding onopgemerkt onder ons heerscht en waarom eenige bespreking er van velen zoo onaangenaam is.De andere wet van hersenwerking waardoor wij de algemeene waarheid niet zien is deze: het is gemakkelijker te personaliseeren dan te generaliseeren. Dit moet in de eerste plaats aan de wetten van verstands-ontwikkeling toegeschreven worden, doch wordt belangrijk versterkt door het verband met het hiervoren behandelde. De macht om op te merken en een persoonlijken indruk te onthouden bewijst een lageren graad van ontwikkeling, dan de macht om indrukken te klassificeeren en te ordenen en er algemeene gevolgtrekkingen uit temaken. Er zijn wilden die zeggen kunnen “heet vuur”, “heete steen”, “heet water”, maar die niet zeggen kunnen “hitte”; dat kunnen zij niet denken. Evenzoo kunnen zij zeggen “goed mensch”, “goed mes”, “goed vleesch”, maar zij kunnen niet zeggen “goedheid”, omdat zij zich die niet denken kunnen. Zij hebben bepaalde voorbeelden opgemerkt, maar zijn niet in staat ze te ordenen, ze te generaliseeren. Eveneens worden in ons dagelijksch leven individueele voorbeelden van onrechtvaardigheid of wreedheid opgemerkt, lang voor dat de volksgeest in staat is te zien dat zij een gevolg zijn van een toestand en dat eerst de toestand veranderd moet worden, vóór dat de gevolgen verwijderd kunnen worden. Een slechte priester, een slechte koning, een slechte meester, waren reeds opgemerkt en scherp veroordeeld, lang voor men begon in te zien dat de monarchale toestand of de toestand der slavernij slechte vruchten moest dragen en, indien die vruchten ons niet smaakten, wij beter deden den boom te veranderen. Ieder slavenhouder zou toestemmen dat er onder de meesters voorbeelden waren van wreedheid, luiheid, trots, en onder de slaven voorbeelden van bedrog, vadsigheid, oneerlijkheid. De slavenhouder zag evenwel niet dat, gegeven de verhouding van kettingslavernij, dit onvermijdelijk deze gebreken moest voortbrengen en ook voortbracht, ondanks alle pogingen van het individu om ze te bestrijden. Het is gemakkelijk een individueel voorbeeld te zien. Het is moeilijker en vereischt een grooter verstands-ontwikkeling de algemeene oorzaak te zien. Wij, als een ras, hebben reeds lang den graad van algemeene ontwikkeling bereikt, die ons in staat moest stellen, breeder en wijzer over sociale vraagstukken te oordeelen; maar hier vertoont zich het ontaardings-effectvan de sexueel-economische verhouding.De geslachts-verhouding is sterk persoonlijk. Al de functiën en verhoudingen die daaruit voortvloeien zijn sterk persoonlijk. De geest van “ik en mijn vrouw, mijn zoon Jan en zijn vrouw, wij met ons vieren en niet meer”, is de natuurlijke uiting van deze levensphase. Door de halve wereld tot deze ééne reeks van functiën te beperken, maakten wij ze tot absoluut persoonlijke functiën. En op den man, die uit de vrouw geboren wordt, door haar in deze zelfde atmospheer van geconcentreerde persoonlijkheid wordt groot gebracht, en er later een groot deel van zijn leven in doorbrengt, mist dit zijn uitwerking niet. Deze toestand leidt er toe om in onzen geest het persoonlijke te vergrooten en het algemeene te verkleinen, met de ons allen bekende gevolgen. De moeilijkheid om gezondheidswetten in te voeren, waar persoonlijk gemak aan de algemeene veiligheid moet opgeofferd worden, de grootte van het persoonlijk bezwaar tegenover het algemeen belang, de noodzakelijkheid van “alles tehuisgebracht te moeten hebben”, welke elken stap van openbaren vooruitgang in den weg staat en ons boos antwoord wanneer het “ons tehuisgebracht is”, zijn bekende waarheden. Voor zoover een vergelijking mogelijk is, zijn vrouwen in dezen zin persoonlijker dan mannen, meer persoonlijk gevoelig, minder bereid om “in ’t gelid te staan” en “mee te keeren”, minder in staat om in te zien waarom eene algemeene beperking juist is, wanneer die haar of haar kinderen raakt. Dit is natuurlijk genoeg, onvermijdelijk genoeg en wordt hier dan ook alleen aangehaald, omdat het voor een deel verklaart, waarom de menschen de algemeene feiten van onzen overseksten toestand niet zien. Toch zijn zij overal duidelijk zichtbaar en niet alleen duidelijk zichtbaar, maar zij doen pijnlijk aan. Wij merken ze niet op, omdat wij er aangewend zijn, of worden wij gedwongen ze op te merken, dan schrijven wij de pijn die wij ondervinden toe aan het slechte gedrag van een of ander individu en denken er nooit aan dat ze een gevolg zijn van een toestand die ons allen eigen is.Indien wij onder ons een toestand hebben als gezegd is—een staat van ziekelijke en overdreven geslachtsontwikkeling,—dan moet zich die natuurlijk dagelijks op duizenden wijzen openbaren. De gedachtelooze, die van zulk een openbaring niets heeft opgemerkt, besluit dat er niets van dien aard bestaat en ontkent alzoo den hier besproken toestand; zegt dat het heel waar klinkt, maar dat hij er nergens een bewijs van gevonden heeft! Nu bedenke men wel dat, indien zulk een bewijs bestaat, dit in het gewone leven natuurlijk het gevolg zou zijn van een abnormaal geslachts-kenmerk; het kwaad zoo algemeen en voortdurend zou voorkomen, dat het onopgemerkt bleef. Wanneer onze aandacht er dan op gevestigd wordt, zien wij het alleen als iets van persoonlijken aard. Laat ons ondanks deze hindernissen zien, of de zichtbare gevolgen onder ons niet zoo zijn als uit zulk een oorzaak moet volgen en laat ons ze voornamelijk zoeken in de verschijnselen van het dagelijksche leven, zooals wij het kennen, en niet in de dieper liggende sexueele en sociale gevolgen.Een concreet voorbeeld, algemeen bekend en met ongeloofelijk slechte gevolgen, is het gedrag der moeder tegenover haar kinderen ten opzichte van de geslachts-verhouding. Op weinig uitzonderingen na, geeft de moeder haar dochter geen waarschuwing voor of inlichting omtrent hetgeen het leven voor haar inhoudt en laat zoo onschuld en onwetendheid oorzaak worden van eeuwigdurende ziekte, zonde en smart, vele generaties door. Een normaal moederschap behoedt zijn jongen wijs enwaarachtig voor gevaar. Een abnormaal moederschap, overbang en minder wijs, vertelt het kind niets van zijn leed en levert het ongewapend aan het ergste kwaad over. Millioenen en millioenen weten dit. Maar slechts sedert kort denken wij er aan het openlijk te bespreken. Wij zien echter nog niet dat het niet de fout is van de individueele moeder, maar van haar economischen staat. Onze abnormale geslachtsontwikkeling is oorzaak dat deze geheele zaak een soort van misdaad geworden is,—iets wat geheim gehouden en ontkend moet worden, iets wat men voorbijgaat zonder opmerking of verklaring. Van daar deze dwaze tegenstrijdigheid dat moeders zich schamen over het moederschap; dat zij niet in staat zijn het te verklaren en,—vergeet dit niet,—haar kinderen voorliegen over het ontstaan van leven,—moeders die liegen tegen haar eigen kinderen over het moederschap!De drang waaronder dit geschiedt is een economische. Het meisje moet trouwen, hoe zou zij anders leven? De toekomstige echtgenoot geeft de voorkeur aan een meisje dat niets weet. Hij is de markt, de vraag. Zij is het aanbod. En met de beste bedoelingen dient de moeder het economisch voordeel van het kind, door haar voor de markt geschikt te maken. Dit is een uitstekend voorbeeld. Het is bekend. Het getuigt van de slechte verhouding. Het is geheel uit onze sexueel-economische verhouding te verklaren.Een ander voorbeeld van zoo’n grof onrechtvaardig, zoo’n voelbaar, zoo’n algemeen kwaad, dat het zelfs nu en dan met eenig protest ons slaperig geweten heeft doen ontwaken is dit: dat men de vrouw dwingt te huwen. Zooals reeds werd opgemerkt is voor het jonge meisje het huwelijk de eenige weg tot fortuin, tot het leven. Zij werd geboren in hooge mate aangelegd alsvrouw, zij werd zorgvuldig opgevoed en geoefend om op alle wijzen haar geslachts-beperkingen en geslachts-voordeelen te realiseeren. Wat zij zelfs als kind kan verkrijgen wordt voor een groot deel veroverd door vrouwelijke trekjes en bekoorlijkheden. Haar lectuur, zoowel geschiedenis als romans, schetst de positie der vrouwen evenzoo, terwijl de dichter en novellist haar meer bepaald op den voorgrond brengen. Schilderkunst, muziek, tooneelspeelkunst, maatschappij, alles vertelt haar dat zij is ”zij” en dat alles er van afhangt met wien zij trouwt. Waar jongens plannen makenwatzij zullen worden en verkrijgen, daar maken meisjes plannenwiezij zullen worden en verkrijgen. Kleine Ellie in haar zwanennest tusschen het riet is een bekende illustratie. Zij maakt haar plannen voor den minnaar op het bruine strijdros. Het is Lancelot die door het struikgewas rijdt om de Prinses van haar weefstoel te halen: ”hij”, is de komende wereld.Met vooruitzichten als deze; met een lichaamsgestel dat voor dit doel speciaal ontwikkeld wordt; met een opvoeding die het natuurlijk instinkt nog versterkt door voorschrift en voorbeeld, door wijsheid en deugd; met een maatschappelijke omgeving die er geheel op ingericht is om het meisje een kans te geven om te zien en gezien te worden en haar “gelegenheid” te verschaffen; en met den geheelen druk van persoonlijk voordeel en eigen-belang gevoegd bij geslachts-instinkt,—kon men logisch verwachten in een maatschappij te leven, vol van wanhopige en begeerige mannenjaagsters, zonder dat iemand er aanstoot aan nam.Toch is dit niet het geval! Het huwelijk is het eigen gebied der vrouw, haar heilig aangewezen plaats, haar natuurlijke bestemming. Zij wordt er voor geboren; zij wordt er voor opgevoed, zij wordt er voor tentoongesteld.Meer nog, het is haar middel voor een eerlijk levensbestaan en om vooruit te komen.Maar—zij mag zelfs niet kijken alsof zij het wenscht. Zij mag er haar hand niet voor omdraaien. Zij moet lijdelijk zitten wachten, zelfs wanneer haar lentejaren voorbijgaan en haar “kansen” met elk jaar verminderen. Denk eens aan den zielsangst van een fijngevoelig zenuwachtig organisme, zoo sterk naar iets te verlangen, de mogelijkheid om het te krijgen elk jaar minder en minder te zien worden en dan ook niet één stap te mogen doen om het te bemachtigen. Dit moet zij met waardigheid en lieftalligheid tot het einde toe volhouden.Tot welk einde? Zoo zij er niet in slaagt gekozen te worden, dan wordt zij op het einde een ding van medelijdende geringschatting, een menschelijk wezen zonder plaats in het leven, behalve misschien als een aanhangsel, een afhankelijke van meer gefortuneerde familieleden, een oude vrijster. De openlijke geringschatting en bespotting waarmede ongehuwde vrouwen gewoon zijn behandeld te worden, vermindert elk jaar, naarmate zij in economische onafhankelijkheid vooruitgaan. Maar het is nog niet zoo lang geleden dat het bekende spreekwoord “oude vrijsters zijn vaatjes zuur bier” algemeen in gebruik was; dat afgewezen minnaars heengingen met het dreigend argument “dat zij wel eens de laatste vrager konden zijn”; dat de hopelooze juffer in het bosch bad om een man, en toen de uil vroeg: “Wie? wie?” riep: “Iemand, goede God!” Er bestaat nog steeds een vroolijk liedje, dat vertelt van de “Drie oude vrijsters van Lynn”: “toen zij kenden wilden zij niet en toen zij wilden konden zij niet.”De wreede en absurde onrechtvaardigheid om het meisje te laken, omdat zij niet bemachtigen kon, wat zij niet mocht trachten te verkrijgen, schijnt onverklaarbaar; maar het wordt verklaarbaar zoodra wij het beschouwenin verband met de sexueel-economische verhouding. Ofschoon het huwelijk een middel is tot levensonderhoud, is het toch geen eerbaar beroep, waarbij men zijn werk zonder schaamte kan aanbieden; maar een verhouding, waarbij het onderhoud dadelijk en gedwongen door de wet wordt verstrekt ter vergelding van de functioneele diensten der vrouw, “de plichten van vrouw en moeder.” Daarom kan geen eerbare vrouw er om vragen. Het komt niet alleen doordat het natuurlijk vrouwelijk instinkt zich wil terughouden en dat van den man zich wil opdringen, maar omdat het huwelijk beteekent onderhoud, en een vrouw een man niet kan vragen om haar te onderhouden. Het is een economische bedelarij zoo wel als een valsche houding uit een geslachtelijk oogpunt.Let eens op de vernuftige wreedheid van de regeling. Het is even menschelijk natuurlijk voor een vrouw om rijkdom te begeeren als voor een man. Maar waar haar rijkdom moet komen door hetzelfde kanaal als haar liefde, mag zij er wegens haar geslachts-aard en wegens beroeps-eer niet om vragen. Van daar de millioenen mislukte huwelijken met “Iemand, goede God!” Vandaar de millioenen gebroken harten die het geheele leven moesten laten voorbijgaan, niet in staat zelfs om een poging te doen het te doen stil staan. Van daar de vele oude tantes, oude zusters en dochters, alleen loopende vrouwen overal, die een last zijn voor hare mannelijke familiebetrekkingen en voor de maatschappij tevens. Dit wordt nu gelukkig beter, doch het verandert alleen door de vordering in economische onafhankelijkheid der vrouwen. Een “ongehuwde vrouw” is thans heel iets anders dan een “oude vrijster”.Zie hier de verklaring van de Andromeda-figuur der jonge vouw die misschien-had-kunnen-trouwen, en voor de bespotting en het verwijt waaraan zij bloot staat. Zoolangde vrouwen alleen als geslachts-wezens beschouwd worden, zelfs door de vrouwen onderling; zoolang nog alles gedaan wordt om de macht van geslachts-attractie te vergrooten; zoolang zij hoofdzakelijk op dien grond huwbaar bevonden worden, tenzij er een “fortuin” naast haar bekoorlijkheden geplaatst wordt; zóólang zal niet-getrouwd-zijn beschouwd worden als gemis aan attractie, gemis aan geslachts-waarde. Zoolang zij geen andere waarde hebben, dan alleen om ondergeschikt huiswerk te doen, zijn zij heel natuurlijk weinig in tel. Voor wat deugt zoo’n schepsel, dat het doel waarvoor het geboren is gemist heeft? Zoo’n geslachtloos ding ondervindt de geringschatting van man en vrouw tegelijk; het is een menschelijk misbaksel.Om die reden is het niet vreemd, ofschoon het even juist als treurig is, dat in het leven der vrouwen dit lange hoofdstuk van geduldig, stil, bitter lijden voorkomt, en evenmin is het vreemd de publieke opinie duidelijk en bestendig te zien veranderen, naar mate de vrouwen ook andere hoedanigheden ontwikkelen buiten en behalve die betreffende het geslachtsleven. Nu zij zoowel mensch is als vrouw, een economische positie in de maatschappij bekleedt, wordt zij verwelkomd en aangenomen als een menschelijk wezen en behoeft niet meer te trouwen met den eersten den besten man voor haar boterham. De reactie in dezen is zelfs zoo sterk, dat er heden een kleine groep vrouwen is die niet verkiezen te trouwen, omdat zij, “haar onafhankelijkheid”, haar pas-geboren, zwaar-verdiende, duur-gekochte onafhankelijkheid niet willen prijs geven. Dat eenig levende vrouw haar onafhankelijkheid verkiest boven een tehuis en een man, boven liefde en moederschap, werpt een schel licht op hetgeen vrouwen vroeger moeten hebben geleden door gemis aan vrijheid.Dat deze neiging algemeen zal worden behoeft men evenwel niet te vreezen. Zij is een zuivere reactie, die zeer natuurlijk is. Zij zal even natuurlijk verdwijnen als de vrouwen meer en meer onafhankelijk worden, wanneer het huwelijk niet meer de vrijheid kost. Dat men vreest dat vrouwen in het algemeen, eens geheel onafhankelijk, niet zullen trouwen, bewijst hoe goed het bekend was dat afhankelijkheid alleen de vrouwen dwong tot een huwelijk, zooals dit was. Noch lokaas, noch straf zal er noodig zijn om de vrouwen te dwingen tot een waar huwelijk met onafhankelijkheid.Het is zeer interessant langs dezen weg den voortdurenden strijd op te merken tusschen natuurlijk instinkt en natuurwet, tusschen sociale gewoonten en sociale wetten, ons geheel opwaarts leven door. Met de natuurlijke functiën en het geslachts-instinkt beginnende, vervult de vrouw die haar hooge positie als kiezende uit de beste onder de wedijverende mannen hoog houdt, de schoone taak om het ras door een goed huwelijk te verbeteren. Het gevoel waardoor dit tot stand komt, wordt fijner naarmate wij beschaafder worden en ontwikkelt zich in die breede, diepe, ware, duurzame liefde, welke het hoogste goed is voor elk individu. Dezen stroom volgende, hebben wij altijd “ware liefde” vereerd en bewonderd, en van de vroegste tijden af vloeiden de romans over van lof voor de prinses die haar page of haar gevangene huwde, de teeltkeus in de vrouw vereerende, die den “rechten man” om bestwil koos. Hier tegen in druischt een sterke stroom van tegenovergestelde richting, die uitloopt in “het conventioneele huwelijk”, iets wat de wereld altijd innerlijk gehaat heeft. De jonge Lochinvar is voor niets geen eeuwigdurende held. Het gepersonifieerde type van een groote sociale waarheid kan zeker zijn van een lang leven. Dearme jonge held, mooi, moedig, goed, maar omringd van moeilijkheden, wordt altijd geplaatst tegenover den slechten man met rijkdom en macht. De vrouw weifelt dan tusschen die twee en tegen het einde wint de arme held het. Dat hij dan ten slotte met rijkdom en eer overladen wordt, beteekent niets anders, dan onze erkenning dat hij het meest waard is. Dit is beter dan een zonnemythe. Het is een rasmythe, die waar is als waarheid.Het bestaat zoo nog in het hedendaagsche leven, maar eindeloos bewerkt en door overvloedige bijzonderheden verzwakt, zooals de aard van het leven het nu medebrengt. Het meisje dat den ouden rijken man huwt of den adellijken losbol, wordt door de publieke opinie veroordeeld; het meisje dat den armen jongen man huwt en haar best doet om hem door het leven te helpen, wordt geprezen door denzelfden grooten scheidsrechter. Maar waarom zouden wij het meisje verwijten dat zij haar roeping najaagt? Zoolang het huwelijk haar eenige weg is om geld te verdienen, waarom mag zij dan niet trachten langs dien weg geld te verkrijgen? Waarom wordt het gewicht van het geheele eigen-belang bij de practische uitvoering zoo krachtig geslingerd tegen het geslachts-belang van individu en ras? Het gekochte huwelijk is een volkomen natuurlijke consequentie van de economische afhankelijkheid der vrouw.Neem aan den anderen kant eens het gevolg van deze afhankelijkheid waar op de mannen. Wanneer het overdreven geslachts-kenmerk en de economische afhankelijkheid der vrouwen toeneemt, dan neemt tegelijkertijd de kans om te huwen af en de moeilijkheid van het huwelijk toe; het huwelijk wordt dan uitgesteld en vermeden, wat voor beide geslachten en voor de maatschappij tevens een direct nadeel is. In eenvoudiger verhoudingen op het land, waar vrouwen een persoonlijke waardein de economische verhouding vertegenwoordigen, even goed als een vrouwelijke waarde in de geslachts-verhouding, is een vroeg huwelijk een voordeel. De jonge boer krijgt een voordeelige meid als hij trouwt. De jonge handelsman krijgt niets van dien aard,—een aardig meisje, een mooi vrouwtje, gereed voor het huwelijk en het moederschap, zoo lang haar gezondheid het toelaat,—maar hoegenaamd geen economische waarde hebbende. Zij is alleen een verbruikster, en hij moet wachten tot hij genoeg verdient, om te kunnen trouwen. Dit zijn overal dikwijls voorkomende voorbeelden, ons allen bekend, van de tastbare gevolgen van onze sexueel-economische verhouding in het gewone leven.Indien er in het menschelijk leven een kwaad bestaat dat in elk opzicht slecht is, dan is het zonder twijfel dat, hetwelk bekend is onder den populairen naam van “een noodzakelijk kwaad”, en dat bestaat in gemengde en tijdelijke geslachts-verhoudingen. Het inherente kwaad in deze verhoudingen is een sociologisch kwaad, eer nog dan een wettig of zedelijk kwaad. Indien het zedelijkheidsgevoel iets als slecht erkent, moet het van den beginne af slecht geweest zijn. Iets is niet slecht alleen omdat het zoo genoemd wordt. De slechtheid van dezen vorm van geslachts-verhouding in een beschaafde maatschappij rust stevig op natuurwetten. Met de steeds verbeterde middelen om de soort voort te planten ontwikkelde zich tevens een langere periode van kindsheid. Deze langere periode van kindsheid vereischte langere zorg en overeenkomstig daarmede kwam men tot het inzicht dat de beste zorg gedurende dezen tijd door beide ouders werd gegeven. Dit gaf aanleiding tot eene duurzamere paring. En de duurzamere paring bond de ouders te zamen door gezamenlijke belangen en plichten, ontwikkelde in hen door het gebruik hooger geestelijke hoedanigheden, en door overervinggingen deze op de kinderen over. Daarom heeft de maatschappij het recht om van de haar samenstellende individuen de deugd der kuischheid, de heiligheid van het huwelijk te eischen. De maatschappij heeft hierop volkomen recht, want de sociale evolutie is een even natuurlijk proces als de individueele evolutie, en de bestendige bond der ouders is gebleken een voordeel voor de maatschappij te zijn. Maar de sociale evolutie, diep, onbewust, langzaam en de zelfbewuste, over-sekste leden der maatschappij zijn twee verschillende zaken.De natuurwetten hebben er krachtig toe medegewerkt in het menschelijk ras zuivere, langdurige, monogame huwelijken te ontwikkelen. Maar onze bijzondere regeling om het eene geslacht door het andere te laten voeden, heeft getracht geheel iets anders tot stand te brengen en is daarin geslaagd. In geen andere diersoort is het vrouwtje economisch afhankelijk van het mannetje. In geen andere diersoort is de geslachts-gemeenschap te koop, een overeenkomst. Waar aan de eene zijde elke levensomstandigheid neigt om in de vrouw het geslacht te doen uitkomen, om de macht en den wensch naar economische productie en ruil te vernietigen en de eeuwenoude gewoonte te ontwikkelen alle aardsche goederen in een mannenhand te zoeken en daarvoor slechts één ding terug te geven; waar aan de andere zijde de man buitensporige geslachts-drift erft en nimmer voor het toegeven daaraan berispt wordt, en waar hij ook de eeuwenoude gewoonte ontwikkelt om alles wat hij wenscht van vrouwen te nemen, voor wier hulpelooze berusting hij een economische belooning teruggeeft, wat moest daarvan het natuurlijk gevolg zijn? Immers juist wat gevolgd is. Wij leven in een wereld van wetten en de menschheid maakt daarop geen uitzondering. Wij hebben een zeker percentage vrouwen voortgebracht metgeëvenredigde geslachts-drift en buitensporige begeerte naar stoffelijk voordeel. Wij hebben een zeker percentage mannen voortgebracht met buitensporige geslachts-drift en een grootmoedige bereidwilligheid om voor hun geslachts-bevrediging te betalen. Aangezien het percentage van zulke mannen grooter is dan dat van zulke vrouwen, hebben wij zeer slechte methoden uitgedacht om aan de vraag te voldoen. Het gezonde deel der maatschappij wist altijd wel dat die methoden slecht waren, slecht in de gevolgen voor het ras, de bron van al het kwaad. In deze mannenwereld is het heel begrijpelijk dat de vrouw alleen de schuld kreeg van hun wederzijdsch misdrijf. Daarvoor bestaat ook wel een reden. Hoe slecht de man ook is, hij zoekt alleen een bevrediging die natuurlijk is in soort, ofschoon abnormaal in graad. De vrouw doet dit in sommige gevallen ook, maar in de meeste gevallen toont zij het scheeve der verhouding door het voor geld te doen, een physisch bedrog, een zonde tegen de natuur.Het zuiver instinkt komt in opstand tegen een broodwinning door gebruik der geslachtsfunctiën. Maar waarom zijn wij er dan tevreden mede, zoodra zij geschiedt in het huwelijk? Wettig en godsdienstig kunnen wij zeggen dat zij juist is, maar de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de betrokken paren en voor de maatschappij in haar geheel, zijn slecht. De physische en psychische gevolgen zijn verkeerd, ofschoon gewijzigd door onze meening dat zij goed zijn. De physische en psychische gevolgen van de prostitutie waren ook verkeerd, toen de jonge Babylonische meisjes door zich te prostitueeren hun bruidschat verdienden in den tempel van Bela en meenden dat zij daaraan geen kwaad deden. Het zedelijk karakter van een daad die wij doen, verandert in ons bewustzijn door hetgeen wij denken en gevoelen,maar de daaruit voortspruitende gevolgen blijven dezelfde. De economische afhankelijkheid van vrouwen van de geslachts-verhouding rechtvaardigen wij en keuren wij goed in het huwelijk. Buiten het huwelijk veroordeelen wij haar zonder voorbehoud. Wij volgen met onze verachting en beschuldigingen tot zelfs aan de huwelijkspoort—de verkochte bruid, maar van de verkochte vrouw, die de zakken van haar man ’s nachts ledigt, denken wij geen kwaad. Het huwelijk maakt alles heilig, zeggen wij; liefde moet er mede gepaard gaan.Liefde ging echter nog nimmer met eigenbelang samen. De grootste tegenstrijdigheid bestaat tusschen deze beide; zij zijn lijnrecht tegenovergestelde krachten. In het schoone evolutie-proces vinden wij voortdurend oppositie tusschen het instinkt en het proces van zelf-behoud en tusschen het instinkt en het proces van ras-behoud. Van die beginnende vormen, waar nieuw leven dood ten gevolge heeft, zooals in de bloeiende aloë of bij de ééndaagsche meivlieg, tot op de hoogste glorie van zelf-opofferende liefde, werken deze twee machten elkander tegen. Wij hebben ze te zamen gebonden. Wij hebben de vrouw, de moeder,—de ware bron van opoffering door liefde,—er toe gebracht om winst te maken uit liefde, een afzichtelijke paradox. Het is geen wonder dat ons dagelijksch leven van in ’t oogloopende gebreken door dezen onnatuurlijken stand van zaken vol is. Geen wonder dat de menschen zich met walging afkeeren van het soort vrouwen dat zij gemaakt hebben.VIDe eigenaardige vereeniging van functiën welke wij bestudeeren, heeft niet alleen een onmiddellijk gevolg op individuen door geslachts-handelingen en door de geslachtelijk-beheerschte individuen op de maatschappij, maar oefent evenzeer invloed uit op de maatschappij door economische handelingen en door de economisch beïnvloede maatschappij op het individu.Door dit vraagstuk uit een economisch oogpunt te beschouwen, wordt het tegenwoordig duidelijk dat niet alleen onze eigen gezondheid en geluk en het voortplantingsproces er mede gemoeid zijn, maar eveneens de algemeene gezondheid en het algemeene geluk en het verloop der sociaal economische ontwikkeling. Nu de maatschappij in deze eeuw tegenover de ingrijpendste economische vraagstukken geplaatst wordt, hebben wij behoefte aan een duidelijk begrip van de factoren die daarop inwerken. Deze vraagstukken zijn nagenoeg geheel sociaal, meer nog dan physisch en betreffen niet de vraag of een bepaalde maatschappij in staat is om genoeg welvaart voort te kunnen brengen en te kunnen verdeelen om in haar onderhoud te voorzien, maar zij betreffen eenige slecht geregelde inwendige processen, die de voortbrenging en verdeeling belemmeren en die zulke ongeregelde en ziekelijke uitkomsten van niet-gevoed zijn, slecht-gevoed zijn en overvoeding opleveren, dat voortdurend de gezondheid en werkzaamheid van het sociale organisme daardoor benadeeld wordt. De moeilijkheid voor ons is niet om welvaart uit den grond te halen,maar om die elkander afhandig te maken. In de ontwikkeling der sociaal-economische verhoudingen doen zich verschijnselen voor, die analoog zijn met die welke onze ontwikkeling in de geslachts-verhouding vergezellen.Toen de maatschappij nog in den primitieven toestand verkeerde en het menschelijk dier in zijn oorspronkelijken staat, toen waren de economische processen van zuiver individueelen aard. De hoeveelheid voedsel die ieder mensch verkreeg stond in rechtstreeksche verhouding tot zijn persoonlijke inspanning. Andere menschen waren voor hem zuiver ongewenschte mededingers naar dezelfde goederen, en hoe geringer hun aantal, hoe meer goederen er voor hem overbleven. Daarom doodde hij zooveel van zijn mededingers als mogelijk was. Gegeven een zekere hoeveelheid benoodigd voedsel, zooals de eetbare beesten of vruchten in een bosch en een zeker aantal individuen, die door eigen inspanning dit voedsel bemachtigen moesten, dan volgt daaruit, dat hoe grooter het aantal individuen, hoe geringer de hoeveelheid voedsel is die door elk van hen verkregen kon worden; en omgekeerd, hoe kleiner het aantal individuen, hoe meer voedsel door ieder verkregen kon worden. De oorspronkelijke wilde versloeg daarom zijn makker op het eerste gezicht op goede economische gronden. Dit is de individueele concurrentie tot het uiterste doorgedreven, doch volkomen logisch en in haar tijd economisch te rechtvaardigen. Die tijd is voor altijd voorbij. De grondslag van het menschelijk leven is vereeniging; de organische sociale verhouding; de onderlinge ruil van functioneele diensten, waarbij het individu het meeste voordeel heeft, is niet inspanning alleen voor eigen goederen, maar de ruil van zijn inspanning met de inspanning van anderen voor goederen door hen te zamen voortgebracht. Het ligt niet in mijne bedoeling hier eene communistische theorie te verdedigen,met gelijke verdeeling der voortgebrachte welvaart, maar om een eenvoudige waarheid in sociale economie te constateeren, dat rijkdom een maatschappelijk product is. Welke meening men ook is toegedaan omtrent de verdeeling der goederen, niemand kan loochenen dat de voortbrenging dier goederen, de vereenigde werkkracht van vele individuen vereischt. Van de eenvoudigste krachtvereeniging die menschen in staat stelt den mammoet te overwinnen of den steen te lichten, wat één alleen nooit had kunnen volbrengen, tot den fijn uitgesponnen en ingewikkelden onderlingen ruil in de verst doorgevoerde verdeeling van arbeid, waardoor het mogelijk wordt een modern huis te bouwen, rust de vooruitgang der maatschappij op toenemende samenwerking van de verschillende werkkrachten.De evolutie van het organisch leven volgt een meetkundige reeks; cellen vereenigen zich en vormen organen; organen vereenigen zich en vormen organismen; organismen vereenigen zich en vormen organisatiën. De maatschappij is een organisatie. De maatschappij is de vierde macht van de cel. Zij is samengesteld uit individueele dieren van het geslacht mensch, die in organische betrekking tot elkander staan. In het verloop der sociale evolutie komt de organische verhouding tusschen de individuen langzamerhand tot stand en deze organische verhouding berust op zuiver economische gronden. In de eenvoudigste samenvoeging van de oorspronkelijke cellen was het de kracht der economische noodzakelijkheid die hen te zamen dreef en te zamen hield. Het was een voordeel voor hen om vereenigd te leven. Die het deden bleven bestaan en die het niet deden gingen te niet. Dit geschiedde eveneens bij de verschijning der meest samengestelde organismen, het was een voordeel voor hen om een complex van leden en organen tevormen in ondeelbare verhouding. Een zoo opgebouwd lichaam blijft bestaan, terwijl dezelfde massa ongeorganiseerde levensstof verdwenen zou zijn. En zoo gaat het letterlijk en precies in een samengestelde maatschappij, met al haar nauwkeurige specialiseering van individuen in kunsten en ambachten, handel en beroepen. Een zoo samengestelde maatschappij blijft bestaan, terwijl hetzelfde aantal levende ongeorganiseerde wezens zou verdwijnen. De verdeeling van arbeid en de ruil der producten in een maatschappelijk lichaam is in wezen identiek met de verdeeling en ruil van functiën in het lichaam van het individu. Volgens den geregelden loop der evolutie sluit dit proces in zich, dat de individueele inspanning voor het individueele welzijn langzamerhand ondergeschikt moet worden aan de collectieve inspanning voor het collectief welzijn, niet uit een zoogenaamd altruïsme, maar uit economische noodzakelijkheid voortspruitende. Het is voor het bestaan der maatschappij even noodzakelijk het leven zoo in te richten dat de individueele burgers samenwerken voor het sociale welzijn, als het voor het menschelijk lichaam noodzakelijk is dat handen en voeten, tanden en oogen, hart en longen samenwerken voor het individueel welzijn. De maatschappelijke evolutie leidt naar een toenemende verdeeling van functiën en naar een toenemende onderlinge afhankelijkheid van de samenstellende leden, met een wederkeerige afneming, door onbruikbaarheid, van den eens zoo waardevollen individueelen strijd voor het bestaan. Dit is gebaseerd zoowel op het individueele voordeel als op dat van de maatschappij.Doch wanneer wij dit ontwikkelingsproces bestudeeren en met bewondering de progressieve veranderingen in de menschelijke verhouding opmerken, de nieuwe functiën, de uitgestrekte structuur, het toenemendegevoel voor de medeburgers met hunne talrijke gelegenheden voor pleizier en gezonde gevoeligheid voor pijn, dan worden wij getroffen door de zichtbare aanwezigheid van de een of andere tegenwerkende macht, die de normale ontwikkeling belemmert en de nadeeligste uitkomsten oplevert. Even als wij in onzen geregelden voortgang in geslachts-ontwikkeling belemmerd worden door verouderde impulsiën, die door valsche toestanden kunstmatig gehandhaafd worden, evenzoo zien wij in onzen geregelden voortgang in sociaal-economische ontwikkeling dit zelfde dwaze bestaan blijven van rudimentaire aandriften, die wij reeds lang gemakkelijk te boven hadden moeten zijn. Het is nu niet meer voordeelig voor iemand om te strijden voor eigen voordeel ten koste van anderen: zijn voordeel vereischt nu de gecoördineerde inspanningen van die anderen; toch blijft hij zoo voortstrijden.In dit gebrek om overeenstemming te brengen tusschen de individueele en maatschappelijke belangen, liggen onze economische moeilijkheden. Dit kan men zien in fabrieken van bereide voedingsmiddelen. Dit werk kan onmogelijk door een enkel persoon gedaan worden, terwijl het in samenwerking zeer voordeelig is voor het individu;—een geheel natuurlijk economisch proces, voordeelig in verhouding tot de hoeveelheid en hoedanigheid van het bereide voedsel. Wij vinden echter steeds dat de producten van dezen arbeid verdund en vervalscht worden, ten nadeele van de maatschappij en ten voordeele van een enkel persoon, den fabrikant. Het is alsof een van de organen van ons lichaam,—de lever bijvoorbeeld,—haar aandeel in de afscheiding opzettelijk zou verzwakken of vergiftigen, opdat door minder te geven er meer voor haar kon overblijven en zij groot en vet kon worden. Een orgaan kan zoo iets doen, doet het zoo nu en dan,maar dat is een ziekelijke werking, die ziekte veroorzaakt. Het lichaam wordt dan benadeeld, verzwakt, verwoest en daardoor gaat ten slotte het orgaan ook te gronde. Het is een valsch begrip van voordeel, en de valschheid ligt in de niet-erkenning van de ware verhouding tusschen individueele en sociale belangen. Dit niet-erkennen of ten minste handelen alsof wij de sociale belangen niet kenden, door de individueele belangen meer te doen gelden, is de aanleidende oorzaak van onzen economischen tegenspoed. Daar de maatschappij uit individuen is samengesteld, moeten wij hun onze aandacht wijden om de oorzaak van deze ziekelijke maatschappelijke processen op te sporen, en aangezien de individuen handelen onder den druk van omstandigheden, moeten wij zien welke omstandigheden op de individuen invloed uitoefenen om die werking te veroorzaken.In het algemeen ontwikkelen zich de menschen onder maatschappelijke wetten in goede richting, maar de een of andere geheimzinnige oorzaak schijnt hen telkens in een verkeerde richting te sturen. In de sexueel-economische verhouding ligt deze geheimzinnige oorzaak voor ons. Stonden wij nog op den individueel-economischen grondslag, dan zou de slechte invloed daarvan niet zulke ernstige ziekelijke gevolgen hebben gehad, maar nu wij in de sociaal-economische verhouding groeien, nemen de nadeelen met onze beschaving toe. De geslachts-verhouding is van het begin tot het einde individueel. Zij is een lichamelijke verhouding tusschen individueele lichamen. Omdat zij zich ook kan uitstrekken tot een geestelijke verhouding tusschen individueele geesten, daarom wordt zij nog geen sociale verhouding, hoewel zij haar persoonlijke ontwikkeling naar de sociale behoeften wijzigt.De geslachts-verhouding is in haar geheele wezen en inhaar gevolgen persoonlijk, zij werkt door individuen op individuen en ontwikkelt tot groot voordeel van de maatschappij individueele karaktertrekken en bijzonderheden. De hoedanigheden die zich door de sociale verhouding ontwikkelen, worden door de geslachts-verhouding in het ras opgenomen, maar de geslachts-verhouding zelf is geheel persoonlijk. Daarentegen is onze economische verhouding, ofschoon oorspronkelijk individueel, door de sociale evolutie in steeds toenemende mate collectief geworden. Door nu de menschelijke geslachts-verhouding te vereenigen met de menschelijke economische verhouding, hebben wij een bestendig-individueel proces met een voortgaand-collectief proces vereenigd. Dit verschaft beiden een kracht, toenemende in directe verhouding tot onze socialisatie, en waar zulke onvereenigbare krachten op het sociale organisme inwerken, moet het ten slotte ondergaan.Deze combinatie heeft, zooals reeds werd opgemerkt, op de geslachts-verhouding der individuen haar invloed uitgeoefend door er een neiging tot collectivisme met economisch voordeel in te brengen, zooals bij de prostitutie, kenmerkend voor ons ras, het best blijkt. Anderzijds heeft het op de economische verhouding der maatschappij haar invloed uitgeoefend, door er een neiging tot individualisme met geslachts-voordeel in te brengen, het best aangetoond in het veelvuldig opofferen van het algemeen welzijn aan persoonlijk voordeel, opdat het individu daardoor “zijn gezin kan onderhouden.” Wij zijn zoo gewend om het als een eersten plicht van een man te beschouwen om “zijn gezin te onderhouden”, dat wij een zeer sprekend voorbeeld van omkoopbaarheid en verdorvenheid noodig hebben om onze overtuiging in dezen aan het wankelen te brengen; maar als een sociologische wet wordt ieder stadium van de laagheid om denpublieken dienst tot een persoonlijk voordeel te maken, van de degradatie van den artist tot de exploitatie van den hulpeloozen onbekwamen werkman, als een ziekelijke maatschappelijke handeling gekenmerkt. Onze maatschappij moet gebaseerd zijn op onze algemeene toestemming, algemeen handelen, algemeene onderwerping aan den algemeenen wil.Geen individueele belangen kunnen ook maar voor een oogenblik tegenover de belangen van het algemeen welzijn staan, zelfs niet wanneer de oorlog het laatste offer van persoonlijk bezit of het leven eischt, of wanneer de vrede de volkomen onderwerping vereischt aan de wet, de vastgestelde uitspraak van den volkswil. Het handhaven van “wet en orde” sluit den waren socialen geest in,—het opgaan van persoonlijk belang in het algemeen belang. Dit alles berust op de ontwikkeling van den maatschappelijken geest, het scherpe gevoel voor den maatschappelijken plicht, het nauwgezet volbrengen van den maatschappelijken dienst. Hier treedt het overdreven individualisme dat door onze sexueel-economische verhouding gehandhaafd wordt, als een sterke en toenemende nadeelige sociale factor op. Wij hebben zwakjes erkend dat het samengaan van de geslachts-verhouding met de economische verhouding van beide zijden niet bestaanbaar is, door scherp te veroordeelen dat de geslachts-functiën openlijk tot koopwaar worden gemaakt en door aan te sporen tot het ongehuwd blijven in collectieve instellingen. Vereenigingen van mannen of vrouwen, die door de hoogste godsdienstige gevoelens geleid worden tot een waardig leven en het dienen van de maatschappij, hebben in onze geslachts-verhouding altijd iets tegenstrijdigs gevonden. Zij hebben gemeend dat het in de verhouding zelf lag, en zagen niet dat het de economische zijdewas die haar tegenstrijdig maakte. Toch was deze handeling praktisch geoorloofd in het voortdurend bestaan van gemengde vereenigingen, waar de geslachts-verhouding bestaat in een vorm die niet erkend wordt en zonder het element van den economischen ruil. Het wordt ook aan de gehuwde zendelingen der Protestantsche kerk toegestaan, die door vrijwillige bijdragen onderhouden worden. Was de zendeling verplicht voor zich en voor zijne vrouw het levensonderhoud te verdienen, dan kon hij te weinig voor de zaak der zending doen.De hoogste deugden in den mensch zijn volkomen vereenigbaar met de geslachts-verhouding, maar niet met de sexueel-economische verhouding. Dit wordt ons nog eens bewezen in de neiging tot samengaan in vereenigingen van ongehuwde mannen,—hun kameraadschappelijkheid, gelijkheid en onderlinge hulpvaardigheid,—vergeleken met de houding van diezelfde mannen tot elkander, zoodra zij gehuwd zijn. Hierin kan men ook de reden vinden waarom het organiseerend vermogen in mannen zooveel sterker is dan in vrouwen; hunne algemeen economische belangen dwingen hen met elkander in betrekking te treden, terwijl de geïsoleerde en zelfs tegenstrijdige belangen der vrouwen haar van elkander verwijderd houden. De toestand van individueel economische afhankelijkheid waarin de vrouwen leven, komt overeen met die van de wilden in het bosch. Zij worden haar economische goederen machtig door zich door persoonlijke inspanning een man te veroveren, allen wedijverende voor dit doel. Geen vereeniging is mogelijk. Het groot aantal meisjes in een badplaats doet ons in haar houding tegenover den kleinen groep jonge mannen onwillekeurig denken aan de naijverige wilden op een te klein jachtveld. Hier kan de economische reden gevonden worden voor de dikwijls opgemerkte bitterheid waarmedede deugdzame vrouwen haar gevallen zusters beschouwen. In gesloten rijen staan de deugdzame vrouwen opeen gepakt, weigerend om zich zelf te geven,—haar eenig economisch goed,—tenzij zij verzekerd zijn van een wettig huwelijk, een waarborg voor levenslang onderhoud. Wanneer bij beide geslachten de geboortecijfers gelijk waren, zou elke vrouw vrij wel zeker zijn dat haar eischen ingewilligd werden. Maar ook in dat geval komt de ondeugdzame vrouw tusschenbeide en biedt dezelfde zaken,—ofschoon van minder kwaliteit, dat is zeker,—voor een lageren prijs aan. Elk van zulke onwettige mededingsters vermindert de kans van de ongehuwde en het inkomen van de gehuwde vrouwen. Geen wonder dat dit de vrouwen die zich op waarde houden en op die wijze onderkropen worden tot bitterheid stemt. Het is dezelfde haat dien een werkman die lid is van zijn vakvereeniging, voelt voor den “onderkruiper”.Aan den kant van de vrouw handhaven wij nog steeds de kracht van den oorspronkelijken individueelen wedijver in de wereld, wat natuurlijk ook door hare zonen wordt overgeërfd, en wordt daardoor de richting van den maatschappelijken vooruitgang, die juist co-operatie wil ontwikkelen, tegengehouden.Aan den kant van den man ontstaat een zelfde gevolg uit een ander kenmerk der verhouding. De neiging tot individualisme met geslachts-voordeel komt in den man door een tegenovergesteld proces als in de vrouw werkt, tot ontwikkeling. Zij verdient haar levensonderhoud met het verkrijgen van een man. Hij verkrijgt zijn vrouw met het verdienen van een levensonderhoud. Het is haar individueel economisch voordeel om een man te bemachtigen. Het is zijn individueel geslachts-voordeel om zich economische voordeelen te verzekeren. De geslachts-functiën zijn voor haar economischefunctiën geworden. De economische functiën zijn voor hem geslachts-functiën geworden. Hierdoor is onze natuurlijke economische wedijver, die leidde tot economische co-operatie met het element van geslachts-wedijver—een geheel andere kracht—in de war gebracht.Wedijver onder mannen, met een vrije keus der vrouwen om den besten te kiezen, is het proces der teeltkeus, dat tot verbetering van het ras voert. Voor zoo ver de man met zijne gelijken wedijvert in hooger en hooger bekwaamheden en de vrouw den winnaar kiest, ontstaat een direct algemeen voordeel. Maar er bestaat een ingrijpend verschil tusschen geslachts-wedijver en het huwelijk door koop. In het eerste geval overwint de man door wat hij kan doen, in het tweede door wat hij kan krijgen. De toenemende macht om te doen, overgebracht op de nakomelingen, is van groot voordeel voor het ras. Maar zuiver bezit, zonder de vraag op welke wijze het verkregen is, behoeft niet noodzakelijk voordeelig te zijn voor het individu als vader.Door het geslachts-voordeel van den man op zijn gekochte macht te gronden, wordt de onmetelijke kracht van den geslachts-wedijver in het sociaal-economische veld geplaatst, niet enkel als een aansporing tot werken en uitvoeren, wat goed is, maar ook als een aansporing om persoonlijke winst te maken, op welke wijze dan ook verkregen, wat slecht is; zoodoende wordt onze wensch om te bezitten grooter en sterker en van daar de buitensporige inhaligheid van onze industrieele bevolking.Het steekspel in de middeleeuwen was misschien een ruwe sport, met zijn verminkende kwetsuren, pijn en dood; maar met het aanvuren van: “Vooruit, moedige ridders, schoone oogen zijn op u gevestigd!” vertegenwoordigde het een gezonder proces dan onze modernehandelwijze, van zich eerst een middel van bestaan te verzekeren om de geslachts-verhouding te kunnen betalen. Door Jean Ingelow werd dit zeer goed bezongen:Ik werkte ver opdat ik kon verdienenEen gezellig tehuis op Engelands grond;Ik zwoegde hard om veel te kunnen sparen.En had daarom mijn zwaren arbeid lief.En steeds fluisterde het in mijn geest zeer zacht:“Hoe kalm en gelukkig zal mijn leven zijnAls een lieve vrouw en kleine kinderenHet door mij verdiende brood mede-eten.”De strijd die tegenwoordig in het hart van ieder goed mensch gevoerd wordt tusschen hetgeen hij “moest doen” en hetgeen hij “doet”, tusschen zijn goed werk en het werk om den broode, is zijn persoonlijk aandeel in dezen voortdurenden strijd tusschen sociaal-belang en eigen-belang. Voor hem zelf en door hem zelf zou hij blijde zijn als hij zijn beste werk kon leveren, als hij trouw kon zijn aan zijne idealen, als hij moedig verlies kon dragen ter wille van de waarheid. Maar het is even als een inschikkelijke kapitalist in: “Stel U In Zijn Plaats” zeide, toen zijn flinke jonge vriend—een ongehuwde—zich verwonderde dat hij op onrechtvaardige eischen van zijne werklieden inging: “Het huwelijk maakt een muis van een man.”De jonge handelsman die de kronkelwegen in de geslachts-verhouding bewandelt, vindt in het dure onderhoud van zijne schoone afhankelijke een aanhoudende bedreiging voor zijn eerlijkheid en zijne verwachtingen in zaken. Wanneer diezelfde man trouwt, werken de behoeften van zijne vrouw dikwijls op dezelfde wijze. Het gevoel van de afhankelijkheid van het hulpelooze schepsel dat door hem gevoed moet worden, prikkeltniet tot meer moedbetoon, maar dwingt tot onderwerping. Dit op den voorgrond tredend onderscheid moet goed in het oog gehouden worden.Wettige geslachts-wedijver doet al de goede eigenschappen van een man uitkomen. Om haar te behagen, om haar te winnen streeft hij er naar zijn best te doen. Maar de economische afhankelijkheid der vrouw van den man, met de daaruit voortvloeiende koopbaarheid, oefent een geheel anderen invloed op hem uit; het plaatst hem voor de noodzakelijkheid om dingen te verkrijgen, niet om dingen te doen. Op de laagste treden van den arbeidsladder, waar men niets verkrijgt zonder iets te doen en de werkman altijd meer doet dan hij verkrijgt, heeft dit niet zulke tastbare slechte gevolgen als op de hoogere treden, waar de beroepen en kunsten staan en het beste werk altijd boven de markt staat; werken voor de markt beteekent daar verlaging van arbeid. De jonge kunstenaar of dichter, de wetenschappelijke jonge man werkt ter wille van de kunst of van de wetenschap en zoo voor het welzijn van de maatschappij. Maar zoodra zij huwen, moeten zij geld verdienen, moeten dan werken voor hen die betalen willen, en die betalen willen zijn niet diegene die de vlag van den vooruitgang hoog houden. Den belangeloozen werkers voor het maatschappelijk welzijn is het zeer goed mogelijk gemeenschappelijke belangen te hebben, doch zoodra de geslachts-verhouding tusschen beide treedt, scheurt de solidariteit vaneen en lost zich op in kleine groepen van individuen, die vereenigd zijn alleen op grond van geslachts-vereeniging en zich druk maken alleen voor hunne persoonlijke belangen, ten koste van iemand of van iedereen.Dat de geslachts-verhouding een slechten invloed uitoefent op de ras-werkzaamheden is tot de volksovertuigingdoorgedrongen en heeft uiting gevonden in het hartelooze gezegde: “Cherchez la femme”. Wanneer iemand zijn zaken slecht behartigt, den moed laat zakken, onverschilligheid toont, dan vragen zijn cynische vrienden: “wie is zij?” Niet voor niets zuchten de goede vrienden van een man wanneer hij trouwt, vooral wanneer hij iemand is met groote gaven. Maar naast dit oordeel van de wereld staat eveneens het vertrouwen in den veredelenden invloed der vrouw. De wereld heeft gelijk. Het kan evengoed het een als het ander zijn. Beide opinies zijn juist. De vrouw die alleen door de geslachts-verhouding of alleen door de individueel-economische verhouding invloed uitoefent, werkt veredelend op de maatschappij. De vrouw die door hardnekkig beide verhoudingen te vereenigen, een macht wordt in de maatschappij, oefent inderdaad een zeer vreemden invloed uit.Een van de amusante kleine gevolgen van deze omstandigheden is dit: terwijl wij het gevolg van het huwelijk op de sociaal-economische verhouding en het gevolg van de sociaal-economische verhouding op het huwelijk hebben opgemerkt en gezien dat de trouwe dienaar van het gezin een slechte dienaar van de maatschappij en de trouwe dienaar van de maatschappij een slechte dienaar van het gezin was, en dat instellingen waar ongehuwden samenwonen een goed resultaat opleveren, maakten wij de conclusie dat alleen de ongehuwde staat met collectieve welvaart kan samengaan, iets dat wij niet wenschen. Daarom is de volksmeening zoo spoedig gereed om de socialistische theorieën gelijk te stellen met ondermijning van het huwelijk. Toen men inzag dat het huwelijk ons minder gezind maakte tot collectivisme, heeft men de gevolgtrekking gemaakt dat dan ook omgekeerd het collectivisme ons minder gezind moet maken om te trouwen,—dat “het gezinzal afgebroken worden” en dat het “de grondslagen van het familieleven zal aantasten.”Wanneer wij ons eerst duidelijk voor den geest hebben gesteld dat een zuivere, duurzame, monogame geslachts-vereeniging bestaan kan zonder lokmiddel of koop, zonder de ijzeren boeien van economische afhankelijkheid, en dat mannen en vrouwen zoo vereenigd in geslachts-verhouding toch vrij zullen zijn om met anderen vereenigd te zijn in economische verhouding, dan zullen wij toewijding aan de menschheid niet meer beschouwen als een onnatuurlijk offer en collectieve welvaart als een zaak om te vreezen.Buiten en behalve het handhaven van dit oorspronkelijk individualisme in het steeds toenemend collectivisme van het sociaal-economisch proces en het brengen van het beginsel van den geslachts-strijd in het nauwe veld van industrieelen wedijver, bestaat er nog een andere zijde van den slechten invloed dien de sexueel-economische verhouding op de maatschappelijke ontwikkeling uitoefent. Dit komt doordat de vrouw niet produceert en toch consumeert.In de individueele ontwikkeling van het menschenras, dat wonderbaar fijne uitwerken en ineenvloeien laten van bepaalde functiën welke het organisch leven van de maatschappij samenstellen, vinden wij dat productie en consumptie hand aan hand gaan, maar dat productie voorafgaat. Iemand kan niet verbruiken, wat nog niet voortgebracht is. Economische voortbrenging is de natuurlijke uiting van menschelijke energie,—geen geslachts-energie maar ras-energie,—de onbewuste plichtsvervulling van het maatschappelijk organisme. Maatschappelijk georganiseerde menschen hebben de neiging om voort te brengen, zooals een klier om af te scheiden; dit ligt in den aard der zaak. De scheppingsdrang,de wensch om te maken, om de innerlijke gedachte in uiterlijken vorm te brengen,—alleen uit behoefte om te maken, niet uit behoefte aan het gemaakte,—is het meest kenmerkend karakter der menschheid. “Ik wil teekenen”, roept het kind, een potlood vragende. Het begeert niet te eten. Het wil teekenen. Het begeert niet iets in te brengen, maar het probeert iets uit te brengen. Meestal verlangt het iets te doen wat het heeft zien doen, om het even of het geldt het maken van een taartekorst of van scheermessen. De eerste kan het opeten, de laatste niet, maar dat maakt blijkbaar geen verschil. Dit is het natuurlijk voortbrengingsproces en wanneer het uitvoerbaar is, wordt het gevolgd door het natuurlijk verbruiksproces. Maar de consumptie is niet het voorname doel, de macht die regeert. Onder deze organische maatschappelijke wet komt, indien zij natuurlijk werkt, de evolutie van die kunsten en ambachten tot stand, in welker beoefening ons leven bestaat en van wier opbrengst wij leven. Zoo ontwikkelt de maatschappij in zich zelf,—scheidt af als ’t ware—den socialen bouw met zijn samengestelde inrichting; en waren andere dingen gelijk, dan zouden wij in de maatschappij even natuurlijk functioneeren alsof wij zoovele klieren waren.Maar andere dingen zijn niet gelijk. Het halve menschdom is van de vrije productieve uiting verstoken en gedwongen zijn menschelijken drang tot productie te beperken tot dezelfde wegen waar langs ook zijn geslachtsdrang tot reproductie uiting vindt. Zijn scheppend vermogen wordt beperkt tot het niveau van den rechtstreekschen persoonlijken lichamelijken dienst, tot het maken van kleederen en het bereiden van voedsel voor individuen. Geen maatschappelijke dienst wordt toegestaan. Terwijl de macht van de vrouw om te produceeren belemmerdwordt, neemt haar macht om te consumeeren onevenredig toe door den gullen toevoer van onverdiende gaven van den man. Eerstens heeft men de vrouw niet toegestaan vrij te produceeren en ten tweede bestaat er geen verhouding tusschen wat zij voortbrengt en wat zij verbruikt. Haar werkzaamheid is niet het natuurlijk gevolg van haar scheppende kracht, niet het werk dat zij doet omdat zij er de innerlijke macht en kracht toe heeft; noch geeft haar arbeid zelfs den maatstaf aan van hetgeen zij verdient. Zij bezit natuurlijk den aangeboren wensch om te consumeeren en men heeft daaraan geen andere grens gesteld, dan de macht of den wil van haar man.Zoodoende hebben wij in ons midden met moeite ontwikkeld en met zorg gekweekt een groote klasse van on-productieve verbruikers, een klasse die de halve wereld is en de moeder van de andere helft. Wij hebben in het menschenras den wensch en de gewoonte gekweekt om “te nemen” afgescheiden van zijn natuurlijken voorlooper of begeleider van “te maken”. Wij hebben deze eindelooze schare groote bloedzuigers voor ons zelf gemaakt, die allen roepen: “Geef! Geef!” Om voedsel te verbruiken, kleederen te verbruiken, huizen en meubelen en schilderijen en versierselen en amusementen te verbruiken, om eeuwig te nemen, te nemen, te nemen,—van één man als zij deugdzaam zijn, van velen als zij slecht zijn,—maar altijd te nemen en er nooit aan te denken om iets terug te geven dan alleen haar vrouw-zijn; dit is de gedwongen toestand van de moeders van ons ras. Het is geen wonder dat hare zonen in “zaken” gaan, om geld te maken. Het is geen wonder dat de wereld vervuld is van den wensch, om zooveel mogelijk trachten te krijgen en zoo weinig mogelijk te geven. Wat wonder ook dat wij hooge, innige liefde slechts bij naam kennen, met hier en daar een vreemde, mooie uitzondering,waarvan wij door onze bewondering de zeldzaamheid bewijzen.Neemt men in aanmerking dat de sterk ontwikkelde mannelijke energie met ruwe wreedheid op de arbeidsmarkt moet strijden als op een slagveld en dat de averechtsche toestand der vrouwelijke energie een onnatuurlijke begeerigheid aangekweekt heeft, dan spreekt het van zelf dat de industrieele ontwikkeling der menschheid bijzondere verschijnselen te aanschouwen geeft. Een van de mindere gevolgen van deze laatste omstandigheid, het beperken van de vrouwelijke werkzaamheid tot uitsluitend persoonlijke behoeften en de neiging van haren over-ontwikkelden geslachts-aard, om de zoogenaamde “plichten der vrouw” te overschatten, heeft een fijn uitgesponnen toewijding aan personen en persoonlijke behoeften doen ontstaan, niet met het doel om beter karakters te vormen, maar om de lichamelijke behoeften en genoegens hooger op te voeren. De vrouw en moeder, die den opkomenden vloed van de macht van het ras in dezelfde oude kanalen stort als weleer haar vroegste voorouders deden, voorziet voortdurend en met toenemende kracht alleen in de physische behoeften van het gezin. Zij doet dit natuurlijk gaarne. Maar het onderhoudt in de menschen een overdreven gevoel van waarde voor kleederen, voedsel en versierselen voor zich zelf, zonder dat men het werkelijk nut en de waarde voor het algemeen er van beseft. Het ontwikkelt persoonlijke zelfzucht.Doch ook, de verbruikende vrouw, uitgesloten als zij is van iedere vrije voortbrenging, is niet in staat het werk te waardeeren dat noodig was om haar al datgene te verschaffen, wat zij zoo lichtzinnig verbruikt. En daar haar verbruik zich hoofdzakelijk bepaalt tot die voorwerpen die haar zinnelijkheid streelen, is zij oorzaak dat de marktovervoerd wordt met zaken voor opschik en persoonlijke versierselen, met allerlei dingen die weelderig en ontzenuwend stemmen en dat wel in zulk een groote en grillige verscheidenheid dat zij een onoverkomelijk beletsel vormen voor de ware industrie en echte kunst. Als de priesteres van den tempel der consumptie, als de onbeperkte vraagster naar voorwerpen die zij verbruikt, is haar economische invloed reactionair en nadeelig. Veel, zeer veel van den stroom van nuttelooze productie waarin onze economische krachten doodloopen,—de kracht van den man uitloopend als water op mul zand,—is een gevolg van het scheppen en zorgvuldig handhaven van deze valsche markt, dien put waarin menschelijke arbeid wordt opgeslorpt, zonder dat er iets van terugkeert. De vrouw in haar valschen economischen toestand werkt nadeelig terug op industrie, op kunst, op wetenschap, op ontdekkingen en op vooruitgang. Door den invloed van de sexueel-economische verhouding op de lichaamsgesteldheid van het individu wordt in ons de drift naar oorspronkelijk individualisme levendig gehouden, waaraan wij anders reeds lang ontgroeid zouden zijn. Het maakt onze industrieele verhouding geslachtelijk en het maakt onze geslachts-verhouding tot handel. En als zichtbaar gevolg op de markt, verhindert en bederft de over-sekste vrouw, in haar onverstandig en voortdurend eischen, de economische ontwikkeling der wereld.

VDe feiten in de vorige hoofdstukken genoemd zijn bekend en niet te loochenen, de redeneering is logisch. Toch verzet het verstand zich met geweld tegen de gevolgtrekkingen die het gedwongen wordt te aanvaarden en tracht steun te vinden in de gewone omstandigheden van het dagelijksch leven. Wij vluchten van het opdoemende spook van het over-sekste wijfje van het geslacht mensch met voldoening terug naar goede vrienden en bekenden,—naar mevrouw Smit en naar juffrouw Muller,—naar moeders en zusters en dochters, naar verloofden en echtgenooten. Wij meenen dat zulk een verschrikkelijke staat van zaken niet waar kan zijn zonder dat wij dien zouden hebben opgemerkt. Wij probeeren zelfs dezen acrobatischen toer te volbrengen, voor het verstand van velen zoo gemakkelijk,—toe te stemmen dat het hiervoor gestelde theoretisch waar, maar praktisch onjuist is!Aan twee eenvoudige wetten van hersenwerking is het toe te schrijven dat de menschen moeilijk te overtuigen zijn van de een of andere groote algemeene waarheid die henzelf betreft. Eén van deze is aan elk brein eigen, aan alle zenuwgewaarwordingen zelfs, en blijde zijn wij hier te kunnen constateeren dat dit niets te maken heeft met de sexueel-economische verhouding. Het is dit eenvoudig feit, dat wij geen notitie nemen van hetgeen wij gewóón zijn te doen. Dit berust op de wet van aanpassing, het adaptatie-vermogen; den geregelden, onophoudelijken drang, die het organisme aan zijneomgeving passend zoekt te maken. Een zenuw die voor den eersten keer door een zekeren prikkel getroffen wordt, voelt dezen eersten prikkel veel meer dan den honderdsten of duizendsten, zelfs wanneer hij den duizendsten keer veel krachtiger was dan den eersten. Indien een prikkel voortdurend en regelmatig werkt, dan worden wij er volkomen ongevoelig voor en beantwoorden er alleen onder bijzondere omstandigheden aan; zooals het tikken van een klok, het geluid van stroomend water of van de golven van de zee. Zelfs het ratelen van de spoortreinen wordt niet meer opgemerkt door degenen die het dagelijks hooren. Een individu is volkomen in staat zich aan de nadeeligste omstandigheden te wennen, zonder ze op te merken.Evenzoo is het mogelijk voor een ras, een natie, een klasse om gewend te raken aan de nadeeligste toestanden, zonder ze op te merken. Neem, als een individueel voorbeeld, het dragen van corsetten door vrouwen. Doe een krachtigen man of eene vrouw die nooit een corset droeg er eens een aan, een los corset maar, dan zullen zij het steeds onaangenaam voelen drukken. De gezonde spieren van den romp verzetten zich tegen zulk een druk, de werking van het geheele lichaam wordt in het midden belemmerd, de maag wordt vernauwd, het digestie-proces in de war gebracht en het slachtoffer vraagt: “Hoe kan men in ’s hemelsnaam zoo’n ding dragen?”Maar de persoon die gewend is een corset te dragen voelt daarvan niets. Het bestaat wel, dat is zeker, de feiten zijn er, het lichaam wordt niet misleid; maar de zenuwen zijn aan dit onaangenaam gevoel gewend geraakt en beantwoorden er niet langer aan. De persoon “voelt het niet.” Werkelijk wordt de drager zoo aan dit gevoel gewend, dat het corset niet kan worden uitgelaten zonder dat hij er last van ondervindt. De zwareplooien van de das, stropdas en halsdoek, zooals de mannen vroeger droegen, de zware paardenharen pruik, de stijve hooge kraag van heden, het soort schoenen dat wij dragen, het zijn alle volmaakt bekende voorbeelden van de kracht der gewoonte bij het individu.Dit is eveneens waar voor de gewoonten van een ras. Dat een koning moest regeeren, eenvoudig omdat hij geboren was, werd duizenden jaren als van zelf sprekend beschouwd. Dat de oudste zoon de titels en landgoederen moest erven, was een zelfde verschijnsel, evenmin in twijfel getrokken. Dat een schuldenaar in de gevangenis moest worden gezet en zoodoende heelemaal verhinderd werd om zijn schulden te betalen, was de wet. Zoo’n schandelijk kwaad als kettingslavernij was een onaangetaste maatschappelijke instelling uit de vroegste geschiedenis tot op onze dagen, onder de meest beschaafde natiën van de wereld. Zelfs Jezus merkte haar niet op. De afschuwelijke onrechtvaardigheid van de Christelijke kerk tegenover de Joden heeft vele eeuwen lang niemands aandacht getrokken. Dat de slaaf met den grond verkocht werd en de meester zich dien toeeigende, was in de middeleeuwen een van de grondslagen der maatschappij.Men gewent op den duur zoowel aan sociale als aan individueele toestanden en dan worden zij niet meer opgemerkt. Dat is de reden waarom het zooveel gemakkelijker is de gebruiken van andere personen en van andere natiën te kritiseeren dan onze eigen. Het is tevens de reden waarom wij zoo gemakkelijk de aanvallen der kritiek kwalijk nemen en er de juistheid van ontkennen. Het is geen gevolg van eenige onrechtvaardigheid aan de eene zijde of onoprechtheid aan de andere, maar alleen een eenvoudige en nuttige natuurwet. De Engelschman die in Amerika komt, wordt in hooge mate getroffendoor de politieke verdorvenheid aldaar en met den ernstigen wensch zijn broeder te helpen, brengt hij hem dat onder ’t oog. Wat in zijn eigen land gebeurt ziet hij niet, omdat hij daaraan gewend raakte. De Amerikaan in Engeland vindt ook wel iets waartegen hij bezwaar heeft en vergeet dan ook niet om in gedachten vergelijkingen te maken met wat hij in eigen land zag.Wanneer een toestand onder ons bestaat, die reeds aanving in die vroege tijden waarvan de overlevering zelfs niet spreekt, die in wisselenden graad bij elk volk op aarde aangetroffen wordt en die reeds bij de geboorte op het individu begint in te werken, dan zou het een wonder zijn dat alle begrip te boven gaat, indien menschen dien zouden opmerken. De sexueel-economische verhouding is zulk een toestand. Zij begon in de vroegste oudheid. Zij bestaat bij alle volken. Elke jongen en elk meisje is er in geboren, in opgevoed en moet er in leven. De vooruitgang der wereld in zaken als deze wordt verkregen door een langzaam en pijnlijk proces, maar een dat tot een goed einde leidt.In den loop der maatschappelijke evolutie zijn er ontwikkelde individuen geweest, wier lichaamsgesteldheid niet passend kon worden gemaakt aan de bestaande toestanden, maar die organisch voor meer geavanceerde toestanden geschikt waren. Deze geavanceerde individuen reageeren in scherp en pijnlijk bewustzijn op de bestaande toestanden, en wat zij met hun helderziendheid opmerken, verkondigen zij luide. De geschiedenis der religieuse, politieke en sociale hervorming is vol van bekende voorbeelden hiervan. De ketter, de hervormer, de agitator voelt wat zijns gelijken niet voelen, ziet wat dezen niet zien, en natuurlijk, zegt wat zij niet zeggen. De groote massa van het volk houdt niet van het luid geschreeuw van deze onrustige geesten. In vroegere eeuwen werdenzij eenvoudig ter dood veroordeeld. Vooruitgang was langzaam en moeilijk in die dagen. Maar dit geweldig proces van uit-den-weg-ruimen ontwikkelde het soort van vooruitstrevende personen, die als martelaren bekend zijn, en deze merkwaardige sociologische wet openbaarde zich, dat de sterkte van een stroom van sociale kracht wordt vergroot door de opoffering van individuen, die bereid zijn voor de zaak te strijden en te sterven. “Het bloed der martelaren is het zaad der kerk.” Dit is tegenwoordig zoo algemeen bekend, ofschoon nog niet geformuleerd, dat de machthebbers aarzelen om te vervolgen, uit vrees dat zij ongewenschte ketterij in de hand werken. Men heeft bevonden dat een staatkunde van “vrije discussie” de meeste van de aanhoudende duwen en uitvallen van deze bewogen krachten doet voorbijgaan en tot een meer ordelijke uitwerking leidt. Onze groote anti-slavernij-beweging, de heldhaftige pogingen van de strijdsters voor “vrouwenrechten”, zijn nieuwe en krachtige bewijzen van deze waarneembare feiten: dat de massa van het volk bestaande toestanden niet opmerkt en dat zij niet veel houdt van hen die het wel doen. Dit is een van de voorname redenen waarom de sexueel-economische verhouding onopgemerkt onder ons heerscht en waarom eenige bespreking er van velen zoo onaangenaam is.De andere wet van hersenwerking waardoor wij de algemeene waarheid niet zien is deze: het is gemakkelijker te personaliseeren dan te generaliseeren. Dit moet in de eerste plaats aan de wetten van verstands-ontwikkeling toegeschreven worden, doch wordt belangrijk versterkt door het verband met het hiervoren behandelde. De macht om op te merken en een persoonlijken indruk te onthouden bewijst een lageren graad van ontwikkeling, dan de macht om indrukken te klassificeeren en te ordenen en er algemeene gevolgtrekkingen uit temaken. Er zijn wilden die zeggen kunnen “heet vuur”, “heete steen”, “heet water”, maar die niet zeggen kunnen “hitte”; dat kunnen zij niet denken. Evenzoo kunnen zij zeggen “goed mensch”, “goed mes”, “goed vleesch”, maar zij kunnen niet zeggen “goedheid”, omdat zij zich die niet denken kunnen. Zij hebben bepaalde voorbeelden opgemerkt, maar zijn niet in staat ze te ordenen, ze te generaliseeren. Eveneens worden in ons dagelijksch leven individueele voorbeelden van onrechtvaardigheid of wreedheid opgemerkt, lang voor dat de volksgeest in staat is te zien dat zij een gevolg zijn van een toestand en dat eerst de toestand veranderd moet worden, vóór dat de gevolgen verwijderd kunnen worden. Een slechte priester, een slechte koning, een slechte meester, waren reeds opgemerkt en scherp veroordeeld, lang voor men begon in te zien dat de monarchale toestand of de toestand der slavernij slechte vruchten moest dragen en, indien die vruchten ons niet smaakten, wij beter deden den boom te veranderen. Ieder slavenhouder zou toestemmen dat er onder de meesters voorbeelden waren van wreedheid, luiheid, trots, en onder de slaven voorbeelden van bedrog, vadsigheid, oneerlijkheid. De slavenhouder zag evenwel niet dat, gegeven de verhouding van kettingslavernij, dit onvermijdelijk deze gebreken moest voortbrengen en ook voortbracht, ondanks alle pogingen van het individu om ze te bestrijden. Het is gemakkelijk een individueel voorbeeld te zien. Het is moeilijker en vereischt een grooter verstands-ontwikkeling de algemeene oorzaak te zien. Wij, als een ras, hebben reeds lang den graad van algemeene ontwikkeling bereikt, die ons in staat moest stellen, breeder en wijzer over sociale vraagstukken te oordeelen; maar hier vertoont zich het ontaardings-effectvan de sexueel-economische verhouding.De geslachts-verhouding is sterk persoonlijk. Al de functiën en verhoudingen die daaruit voortvloeien zijn sterk persoonlijk. De geest van “ik en mijn vrouw, mijn zoon Jan en zijn vrouw, wij met ons vieren en niet meer”, is de natuurlijke uiting van deze levensphase. Door de halve wereld tot deze ééne reeks van functiën te beperken, maakten wij ze tot absoluut persoonlijke functiën. En op den man, die uit de vrouw geboren wordt, door haar in deze zelfde atmospheer van geconcentreerde persoonlijkheid wordt groot gebracht, en er later een groot deel van zijn leven in doorbrengt, mist dit zijn uitwerking niet. Deze toestand leidt er toe om in onzen geest het persoonlijke te vergrooten en het algemeene te verkleinen, met de ons allen bekende gevolgen. De moeilijkheid om gezondheidswetten in te voeren, waar persoonlijk gemak aan de algemeene veiligheid moet opgeofferd worden, de grootte van het persoonlijk bezwaar tegenover het algemeen belang, de noodzakelijkheid van “alles tehuisgebracht te moeten hebben”, welke elken stap van openbaren vooruitgang in den weg staat en ons boos antwoord wanneer het “ons tehuisgebracht is”, zijn bekende waarheden. Voor zoover een vergelijking mogelijk is, zijn vrouwen in dezen zin persoonlijker dan mannen, meer persoonlijk gevoelig, minder bereid om “in ’t gelid te staan” en “mee te keeren”, minder in staat om in te zien waarom eene algemeene beperking juist is, wanneer die haar of haar kinderen raakt. Dit is natuurlijk genoeg, onvermijdelijk genoeg en wordt hier dan ook alleen aangehaald, omdat het voor een deel verklaart, waarom de menschen de algemeene feiten van onzen overseksten toestand niet zien. Toch zijn zij overal duidelijk zichtbaar en niet alleen duidelijk zichtbaar, maar zij doen pijnlijk aan. Wij merken ze niet op, omdat wij er aangewend zijn, of worden wij gedwongen ze op te merken, dan schrijven wij de pijn die wij ondervinden toe aan het slechte gedrag van een of ander individu en denken er nooit aan dat ze een gevolg zijn van een toestand die ons allen eigen is.Indien wij onder ons een toestand hebben als gezegd is—een staat van ziekelijke en overdreven geslachtsontwikkeling,—dan moet zich die natuurlijk dagelijks op duizenden wijzen openbaren. De gedachtelooze, die van zulk een openbaring niets heeft opgemerkt, besluit dat er niets van dien aard bestaat en ontkent alzoo den hier besproken toestand; zegt dat het heel waar klinkt, maar dat hij er nergens een bewijs van gevonden heeft! Nu bedenke men wel dat, indien zulk een bewijs bestaat, dit in het gewone leven natuurlijk het gevolg zou zijn van een abnormaal geslachts-kenmerk; het kwaad zoo algemeen en voortdurend zou voorkomen, dat het onopgemerkt bleef. Wanneer onze aandacht er dan op gevestigd wordt, zien wij het alleen als iets van persoonlijken aard. Laat ons ondanks deze hindernissen zien, of de zichtbare gevolgen onder ons niet zoo zijn als uit zulk een oorzaak moet volgen en laat ons ze voornamelijk zoeken in de verschijnselen van het dagelijksche leven, zooals wij het kennen, en niet in de dieper liggende sexueele en sociale gevolgen.Een concreet voorbeeld, algemeen bekend en met ongeloofelijk slechte gevolgen, is het gedrag der moeder tegenover haar kinderen ten opzichte van de geslachts-verhouding. Op weinig uitzonderingen na, geeft de moeder haar dochter geen waarschuwing voor of inlichting omtrent hetgeen het leven voor haar inhoudt en laat zoo onschuld en onwetendheid oorzaak worden van eeuwigdurende ziekte, zonde en smart, vele generaties door. Een normaal moederschap behoedt zijn jongen wijs enwaarachtig voor gevaar. Een abnormaal moederschap, overbang en minder wijs, vertelt het kind niets van zijn leed en levert het ongewapend aan het ergste kwaad over. Millioenen en millioenen weten dit. Maar slechts sedert kort denken wij er aan het openlijk te bespreken. Wij zien echter nog niet dat het niet de fout is van de individueele moeder, maar van haar economischen staat. Onze abnormale geslachtsontwikkeling is oorzaak dat deze geheele zaak een soort van misdaad geworden is,—iets wat geheim gehouden en ontkend moet worden, iets wat men voorbijgaat zonder opmerking of verklaring. Van daar deze dwaze tegenstrijdigheid dat moeders zich schamen over het moederschap; dat zij niet in staat zijn het te verklaren en,—vergeet dit niet,—haar kinderen voorliegen over het ontstaan van leven,—moeders die liegen tegen haar eigen kinderen over het moederschap!De drang waaronder dit geschiedt is een economische. Het meisje moet trouwen, hoe zou zij anders leven? De toekomstige echtgenoot geeft de voorkeur aan een meisje dat niets weet. Hij is de markt, de vraag. Zij is het aanbod. En met de beste bedoelingen dient de moeder het economisch voordeel van het kind, door haar voor de markt geschikt te maken. Dit is een uitstekend voorbeeld. Het is bekend. Het getuigt van de slechte verhouding. Het is geheel uit onze sexueel-economische verhouding te verklaren.Een ander voorbeeld van zoo’n grof onrechtvaardig, zoo’n voelbaar, zoo’n algemeen kwaad, dat het zelfs nu en dan met eenig protest ons slaperig geweten heeft doen ontwaken is dit: dat men de vrouw dwingt te huwen. Zooals reeds werd opgemerkt is voor het jonge meisje het huwelijk de eenige weg tot fortuin, tot het leven. Zij werd geboren in hooge mate aangelegd alsvrouw, zij werd zorgvuldig opgevoed en geoefend om op alle wijzen haar geslachts-beperkingen en geslachts-voordeelen te realiseeren. Wat zij zelfs als kind kan verkrijgen wordt voor een groot deel veroverd door vrouwelijke trekjes en bekoorlijkheden. Haar lectuur, zoowel geschiedenis als romans, schetst de positie der vrouwen evenzoo, terwijl de dichter en novellist haar meer bepaald op den voorgrond brengen. Schilderkunst, muziek, tooneelspeelkunst, maatschappij, alles vertelt haar dat zij is ”zij” en dat alles er van afhangt met wien zij trouwt. Waar jongens plannen makenwatzij zullen worden en verkrijgen, daar maken meisjes plannenwiezij zullen worden en verkrijgen. Kleine Ellie in haar zwanennest tusschen het riet is een bekende illustratie. Zij maakt haar plannen voor den minnaar op het bruine strijdros. Het is Lancelot die door het struikgewas rijdt om de Prinses van haar weefstoel te halen: ”hij”, is de komende wereld.Met vooruitzichten als deze; met een lichaamsgestel dat voor dit doel speciaal ontwikkeld wordt; met een opvoeding die het natuurlijk instinkt nog versterkt door voorschrift en voorbeeld, door wijsheid en deugd; met een maatschappelijke omgeving die er geheel op ingericht is om het meisje een kans te geven om te zien en gezien te worden en haar “gelegenheid” te verschaffen; en met den geheelen druk van persoonlijk voordeel en eigen-belang gevoegd bij geslachts-instinkt,—kon men logisch verwachten in een maatschappij te leven, vol van wanhopige en begeerige mannenjaagsters, zonder dat iemand er aanstoot aan nam.Toch is dit niet het geval! Het huwelijk is het eigen gebied der vrouw, haar heilig aangewezen plaats, haar natuurlijke bestemming. Zij wordt er voor geboren; zij wordt er voor opgevoed, zij wordt er voor tentoongesteld.Meer nog, het is haar middel voor een eerlijk levensbestaan en om vooruit te komen.Maar—zij mag zelfs niet kijken alsof zij het wenscht. Zij mag er haar hand niet voor omdraaien. Zij moet lijdelijk zitten wachten, zelfs wanneer haar lentejaren voorbijgaan en haar “kansen” met elk jaar verminderen. Denk eens aan den zielsangst van een fijngevoelig zenuwachtig organisme, zoo sterk naar iets te verlangen, de mogelijkheid om het te krijgen elk jaar minder en minder te zien worden en dan ook niet één stap te mogen doen om het te bemachtigen. Dit moet zij met waardigheid en lieftalligheid tot het einde toe volhouden.Tot welk einde? Zoo zij er niet in slaagt gekozen te worden, dan wordt zij op het einde een ding van medelijdende geringschatting, een menschelijk wezen zonder plaats in het leven, behalve misschien als een aanhangsel, een afhankelijke van meer gefortuneerde familieleden, een oude vrijster. De openlijke geringschatting en bespotting waarmede ongehuwde vrouwen gewoon zijn behandeld te worden, vermindert elk jaar, naarmate zij in economische onafhankelijkheid vooruitgaan. Maar het is nog niet zoo lang geleden dat het bekende spreekwoord “oude vrijsters zijn vaatjes zuur bier” algemeen in gebruik was; dat afgewezen minnaars heengingen met het dreigend argument “dat zij wel eens de laatste vrager konden zijn”; dat de hopelooze juffer in het bosch bad om een man, en toen de uil vroeg: “Wie? wie?” riep: “Iemand, goede God!” Er bestaat nog steeds een vroolijk liedje, dat vertelt van de “Drie oude vrijsters van Lynn”: “toen zij kenden wilden zij niet en toen zij wilden konden zij niet.”De wreede en absurde onrechtvaardigheid om het meisje te laken, omdat zij niet bemachtigen kon, wat zij niet mocht trachten te verkrijgen, schijnt onverklaarbaar; maar het wordt verklaarbaar zoodra wij het beschouwenin verband met de sexueel-economische verhouding. Ofschoon het huwelijk een middel is tot levensonderhoud, is het toch geen eerbaar beroep, waarbij men zijn werk zonder schaamte kan aanbieden; maar een verhouding, waarbij het onderhoud dadelijk en gedwongen door de wet wordt verstrekt ter vergelding van de functioneele diensten der vrouw, “de plichten van vrouw en moeder.” Daarom kan geen eerbare vrouw er om vragen. Het komt niet alleen doordat het natuurlijk vrouwelijk instinkt zich wil terughouden en dat van den man zich wil opdringen, maar omdat het huwelijk beteekent onderhoud, en een vrouw een man niet kan vragen om haar te onderhouden. Het is een economische bedelarij zoo wel als een valsche houding uit een geslachtelijk oogpunt.Let eens op de vernuftige wreedheid van de regeling. Het is even menschelijk natuurlijk voor een vrouw om rijkdom te begeeren als voor een man. Maar waar haar rijkdom moet komen door hetzelfde kanaal als haar liefde, mag zij er wegens haar geslachts-aard en wegens beroeps-eer niet om vragen. Van daar de millioenen mislukte huwelijken met “Iemand, goede God!” Vandaar de millioenen gebroken harten die het geheele leven moesten laten voorbijgaan, niet in staat zelfs om een poging te doen het te doen stil staan. Van daar de vele oude tantes, oude zusters en dochters, alleen loopende vrouwen overal, die een last zijn voor hare mannelijke familiebetrekkingen en voor de maatschappij tevens. Dit wordt nu gelukkig beter, doch het verandert alleen door de vordering in economische onafhankelijkheid der vrouwen. Een “ongehuwde vrouw” is thans heel iets anders dan een “oude vrijster”.Zie hier de verklaring van de Andromeda-figuur der jonge vouw die misschien-had-kunnen-trouwen, en voor de bespotting en het verwijt waaraan zij bloot staat. Zoolangde vrouwen alleen als geslachts-wezens beschouwd worden, zelfs door de vrouwen onderling; zoolang nog alles gedaan wordt om de macht van geslachts-attractie te vergrooten; zoolang zij hoofdzakelijk op dien grond huwbaar bevonden worden, tenzij er een “fortuin” naast haar bekoorlijkheden geplaatst wordt; zóólang zal niet-getrouwd-zijn beschouwd worden als gemis aan attractie, gemis aan geslachts-waarde. Zoolang zij geen andere waarde hebben, dan alleen om ondergeschikt huiswerk te doen, zijn zij heel natuurlijk weinig in tel. Voor wat deugt zoo’n schepsel, dat het doel waarvoor het geboren is gemist heeft? Zoo’n geslachtloos ding ondervindt de geringschatting van man en vrouw tegelijk; het is een menschelijk misbaksel.Om die reden is het niet vreemd, ofschoon het even juist als treurig is, dat in het leven der vrouwen dit lange hoofdstuk van geduldig, stil, bitter lijden voorkomt, en evenmin is het vreemd de publieke opinie duidelijk en bestendig te zien veranderen, naar mate de vrouwen ook andere hoedanigheden ontwikkelen buiten en behalve die betreffende het geslachtsleven. Nu zij zoowel mensch is als vrouw, een economische positie in de maatschappij bekleedt, wordt zij verwelkomd en aangenomen als een menschelijk wezen en behoeft niet meer te trouwen met den eersten den besten man voor haar boterham. De reactie in dezen is zelfs zoo sterk, dat er heden een kleine groep vrouwen is die niet verkiezen te trouwen, omdat zij, “haar onafhankelijkheid”, haar pas-geboren, zwaar-verdiende, duur-gekochte onafhankelijkheid niet willen prijs geven. Dat eenig levende vrouw haar onafhankelijkheid verkiest boven een tehuis en een man, boven liefde en moederschap, werpt een schel licht op hetgeen vrouwen vroeger moeten hebben geleden door gemis aan vrijheid.Dat deze neiging algemeen zal worden behoeft men evenwel niet te vreezen. Zij is een zuivere reactie, die zeer natuurlijk is. Zij zal even natuurlijk verdwijnen als de vrouwen meer en meer onafhankelijk worden, wanneer het huwelijk niet meer de vrijheid kost. Dat men vreest dat vrouwen in het algemeen, eens geheel onafhankelijk, niet zullen trouwen, bewijst hoe goed het bekend was dat afhankelijkheid alleen de vrouwen dwong tot een huwelijk, zooals dit was. Noch lokaas, noch straf zal er noodig zijn om de vrouwen te dwingen tot een waar huwelijk met onafhankelijkheid.Het is zeer interessant langs dezen weg den voortdurenden strijd op te merken tusschen natuurlijk instinkt en natuurwet, tusschen sociale gewoonten en sociale wetten, ons geheel opwaarts leven door. Met de natuurlijke functiën en het geslachts-instinkt beginnende, vervult de vrouw die haar hooge positie als kiezende uit de beste onder de wedijverende mannen hoog houdt, de schoone taak om het ras door een goed huwelijk te verbeteren. Het gevoel waardoor dit tot stand komt, wordt fijner naarmate wij beschaafder worden en ontwikkelt zich in die breede, diepe, ware, duurzame liefde, welke het hoogste goed is voor elk individu. Dezen stroom volgende, hebben wij altijd “ware liefde” vereerd en bewonderd, en van de vroegste tijden af vloeiden de romans over van lof voor de prinses die haar page of haar gevangene huwde, de teeltkeus in de vrouw vereerende, die den “rechten man” om bestwil koos. Hier tegen in druischt een sterke stroom van tegenovergestelde richting, die uitloopt in “het conventioneele huwelijk”, iets wat de wereld altijd innerlijk gehaat heeft. De jonge Lochinvar is voor niets geen eeuwigdurende held. Het gepersonifieerde type van een groote sociale waarheid kan zeker zijn van een lang leven. Dearme jonge held, mooi, moedig, goed, maar omringd van moeilijkheden, wordt altijd geplaatst tegenover den slechten man met rijkdom en macht. De vrouw weifelt dan tusschen die twee en tegen het einde wint de arme held het. Dat hij dan ten slotte met rijkdom en eer overladen wordt, beteekent niets anders, dan onze erkenning dat hij het meest waard is. Dit is beter dan een zonnemythe. Het is een rasmythe, die waar is als waarheid.Het bestaat zoo nog in het hedendaagsche leven, maar eindeloos bewerkt en door overvloedige bijzonderheden verzwakt, zooals de aard van het leven het nu medebrengt. Het meisje dat den ouden rijken man huwt of den adellijken losbol, wordt door de publieke opinie veroordeeld; het meisje dat den armen jongen man huwt en haar best doet om hem door het leven te helpen, wordt geprezen door denzelfden grooten scheidsrechter. Maar waarom zouden wij het meisje verwijten dat zij haar roeping najaagt? Zoolang het huwelijk haar eenige weg is om geld te verdienen, waarom mag zij dan niet trachten langs dien weg geld te verkrijgen? Waarom wordt het gewicht van het geheele eigen-belang bij de practische uitvoering zoo krachtig geslingerd tegen het geslachts-belang van individu en ras? Het gekochte huwelijk is een volkomen natuurlijke consequentie van de economische afhankelijkheid der vrouw.Neem aan den anderen kant eens het gevolg van deze afhankelijkheid waar op de mannen. Wanneer het overdreven geslachts-kenmerk en de economische afhankelijkheid der vrouwen toeneemt, dan neemt tegelijkertijd de kans om te huwen af en de moeilijkheid van het huwelijk toe; het huwelijk wordt dan uitgesteld en vermeden, wat voor beide geslachten en voor de maatschappij tevens een direct nadeel is. In eenvoudiger verhoudingen op het land, waar vrouwen een persoonlijke waardein de economische verhouding vertegenwoordigen, even goed als een vrouwelijke waarde in de geslachts-verhouding, is een vroeg huwelijk een voordeel. De jonge boer krijgt een voordeelige meid als hij trouwt. De jonge handelsman krijgt niets van dien aard,—een aardig meisje, een mooi vrouwtje, gereed voor het huwelijk en het moederschap, zoo lang haar gezondheid het toelaat,—maar hoegenaamd geen economische waarde hebbende. Zij is alleen een verbruikster, en hij moet wachten tot hij genoeg verdient, om te kunnen trouwen. Dit zijn overal dikwijls voorkomende voorbeelden, ons allen bekend, van de tastbare gevolgen van onze sexueel-economische verhouding in het gewone leven.Indien er in het menschelijk leven een kwaad bestaat dat in elk opzicht slecht is, dan is het zonder twijfel dat, hetwelk bekend is onder den populairen naam van “een noodzakelijk kwaad”, en dat bestaat in gemengde en tijdelijke geslachts-verhoudingen. Het inherente kwaad in deze verhoudingen is een sociologisch kwaad, eer nog dan een wettig of zedelijk kwaad. Indien het zedelijkheidsgevoel iets als slecht erkent, moet het van den beginne af slecht geweest zijn. Iets is niet slecht alleen omdat het zoo genoemd wordt. De slechtheid van dezen vorm van geslachts-verhouding in een beschaafde maatschappij rust stevig op natuurwetten. Met de steeds verbeterde middelen om de soort voort te planten ontwikkelde zich tevens een langere periode van kindsheid. Deze langere periode van kindsheid vereischte langere zorg en overeenkomstig daarmede kwam men tot het inzicht dat de beste zorg gedurende dezen tijd door beide ouders werd gegeven. Dit gaf aanleiding tot eene duurzamere paring. En de duurzamere paring bond de ouders te zamen door gezamenlijke belangen en plichten, ontwikkelde in hen door het gebruik hooger geestelijke hoedanigheden, en door overervinggingen deze op de kinderen over. Daarom heeft de maatschappij het recht om van de haar samenstellende individuen de deugd der kuischheid, de heiligheid van het huwelijk te eischen. De maatschappij heeft hierop volkomen recht, want de sociale evolutie is een even natuurlijk proces als de individueele evolutie, en de bestendige bond der ouders is gebleken een voordeel voor de maatschappij te zijn. Maar de sociale evolutie, diep, onbewust, langzaam en de zelfbewuste, over-sekste leden der maatschappij zijn twee verschillende zaken.De natuurwetten hebben er krachtig toe medegewerkt in het menschelijk ras zuivere, langdurige, monogame huwelijken te ontwikkelen. Maar onze bijzondere regeling om het eene geslacht door het andere te laten voeden, heeft getracht geheel iets anders tot stand te brengen en is daarin geslaagd. In geen andere diersoort is het vrouwtje economisch afhankelijk van het mannetje. In geen andere diersoort is de geslachts-gemeenschap te koop, een overeenkomst. Waar aan de eene zijde elke levensomstandigheid neigt om in de vrouw het geslacht te doen uitkomen, om de macht en den wensch naar economische productie en ruil te vernietigen en de eeuwenoude gewoonte te ontwikkelen alle aardsche goederen in een mannenhand te zoeken en daarvoor slechts één ding terug te geven; waar aan de andere zijde de man buitensporige geslachts-drift erft en nimmer voor het toegeven daaraan berispt wordt, en waar hij ook de eeuwenoude gewoonte ontwikkelt om alles wat hij wenscht van vrouwen te nemen, voor wier hulpelooze berusting hij een economische belooning teruggeeft, wat moest daarvan het natuurlijk gevolg zijn? Immers juist wat gevolgd is. Wij leven in een wereld van wetten en de menschheid maakt daarop geen uitzondering. Wij hebben een zeker percentage vrouwen voortgebracht metgeëvenredigde geslachts-drift en buitensporige begeerte naar stoffelijk voordeel. Wij hebben een zeker percentage mannen voortgebracht met buitensporige geslachts-drift en een grootmoedige bereidwilligheid om voor hun geslachts-bevrediging te betalen. Aangezien het percentage van zulke mannen grooter is dan dat van zulke vrouwen, hebben wij zeer slechte methoden uitgedacht om aan de vraag te voldoen. Het gezonde deel der maatschappij wist altijd wel dat die methoden slecht waren, slecht in de gevolgen voor het ras, de bron van al het kwaad. In deze mannenwereld is het heel begrijpelijk dat de vrouw alleen de schuld kreeg van hun wederzijdsch misdrijf. Daarvoor bestaat ook wel een reden. Hoe slecht de man ook is, hij zoekt alleen een bevrediging die natuurlijk is in soort, ofschoon abnormaal in graad. De vrouw doet dit in sommige gevallen ook, maar in de meeste gevallen toont zij het scheeve der verhouding door het voor geld te doen, een physisch bedrog, een zonde tegen de natuur.Het zuiver instinkt komt in opstand tegen een broodwinning door gebruik der geslachtsfunctiën. Maar waarom zijn wij er dan tevreden mede, zoodra zij geschiedt in het huwelijk? Wettig en godsdienstig kunnen wij zeggen dat zij juist is, maar de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de betrokken paren en voor de maatschappij in haar geheel, zijn slecht. De physische en psychische gevolgen zijn verkeerd, ofschoon gewijzigd door onze meening dat zij goed zijn. De physische en psychische gevolgen van de prostitutie waren ook verkeerd, toen de jonge Babylonische meisjes door zich te prostitueeren hun bruidschat verdienden in den tempel van Bela en meenden dat zij daaraan geen kwaad deden. Het zedelijk karakter van een daad die wij doen, verandert in ons bewustzijn door hetgeen wij denken en gevoelen,maar de daaruit voortspruitende gevolgen blijven dezelfde. De economische afhankelijkheid van vrouwen van de geslachts-verhouding rechtvaardigen wij en keuren wij goed in het huwelijk. Buiten het huwelijk veroordeelen wij haar zonder voorbehoud. Wij volgen met onze verachting en beschuldigingen tot zelfs aan de huwelijkspoort—de verkochte bruid, maar van de verkochte vrouw, die de zakken van haar man ’s nachts ledigt, denken wij geen kwaad. Het huwelijk maakt alles heilig, zeggen wij; liefde moet er mede gepaard gaan.Liefde ging echter nog nimmer met eigenbelang samen. De grootste tegenstrijdigheid bestaat tusschen deze beide; zij zijn lijnrecht tegenovergestelde krachten. In het schoone evolutie-proces vinden wij voortdurend oppositie tusschen het instinkt en het proces van zelf-behoud en tusschen het instinkt en het proces van ras-behoud. Van die beginnende vormen, waar nieuw leven dood ten gevolge heeft, zooals in de bloeiende aloë of bij de ééndaagsche meivlieg, tot op de hoogste glorie van zelf-opofferende liefde, werken deze twee machten elkander tegen. Wij hebben ze te zamen gebonden. Wij hebben de vrouw, de moeder,—de ware bron van opoffering door liefde,—er toe gebracht om winst te maken uit liefde, een afzichtelijke paradox. Het is geen wonder dat ons dagelijksch leven van in ’t oogloopende gebreken door dezen onnatuurlijken stand van zaken vol is. Geen wonder dat de menschen zich met walging afkeeren van het soort vrouwen dat zij gemaakt hebben.

De feiten in de vorige hoofdstukken genoemd zijn bekend en niet te loochenen, de redeneering is logisch. Toch verzet het verstand zich met geweld tegen de gevolgtrekkingen die het gedwongen wordt te aanvaarden en tracht steun te vinden in de gewone omstandigheden van het dagelijksch leven. Wij vluchten van het opdoemende spook van het over-sekste wijfje van het geslacht mensch met voldoening terug naar goede vrienden en bekenden,—naar mevrouw Smit en naar juffrouw Muller,—naar moeders en zusters en dochters, naar verloofden en echtgenooten. Wij meenen dat zulk een verschrikkelijke staat van zaken niet waar kan zijn zonder dat wij dien zouden hebben opgemerkt. Wij probeeren zelfs dezen acrobatischen toer te volbrengen, voor het verstand van velen zoo gemakkelijk,—toe te stemmen dat het hiervoor gestelde theoretisch waar, maar praktisch onjuist is!

Aan twee eenvoudige wetten van hersenwerking is het toe te schrijven dat de menschen moeilijk te overtuigen zijn van de een of andere groote algemeene waarheid die henzelf betreft. Eén van deze is aan elk brein eigen, aan alle zenuwgewaarwordingen zelfs, en blijde zijn wij hier te kunnen constateeren dat dit niets te maken heeft met de sexueel-economische verhouding. Het is dit eenvoudig feit, dat wij geen notitie nemen van hetgeen wij gewóón zijn te doen. Dit berust op de wet van aanpassing, het adaptatie-vermogen; den geregelden, onophoudelijken drang, die het organisme aan zijneomgeving passend zoekt te maken. Een zenuw die voor den eersten keer door een zekeren prikkel getroffen wordt, voelt dezen eersten prikkel veel meer dan den honderdsten of duizendsten, zelfs wanneer hij den duizendsten keer veel krachtiger was dan den eersten. Indien een prikkel voortdurend en regelmatig werkt, dan worden wij er volkomen ongevoelig voor en beantwoorden er alleen onder bijzondere omstandigheden aan; zooals het tikken van een klok, het geluid van stroomend water of van de golven van de zee. Zelfs het ratelen van de spoortreinen wordt niet meer opgemerkt door degenen die het dagelijks hooren. Een individu is volkomen in staat zich aan de nadeeligste omstandigheden te wennen, zonder ze op te merken.

Evenzoo is het mogelijk voor een ras, een natie, een klasse om gewend te raken aan de nadeeligste toestanden, zonder ze op te merken. Neem, als een individueel voorbeeld, het dragen van corsetten door vrouwen. Doe een krachtigen man of eene vrouw die nooit een corset droeg er eens een aan, een los corset maar, dan zullen zij het steeds onaangenaam voelen drukken. De gezonde spieren van den romp verzetten zich tegen zulk een druk, de werking van het geheele lichaam wordt in het midden belemmerd, de maag wordt vernauwd, het digestie-proces in de war gebracht en het slachtoffer vraagt: “Hoe kan men in ’s hemelsnaam zoo’n ding dragen?”

Maar de persoon die gewend is een corset te dragen voelt daarvan niets. Het bestaat wel, dat is zeker, de feiten zijn er, het lichaam wordt niet misleid; maar de zenuwen zijn aan dit onaangenaam gevoel gewend geraakt en beantwoorden er niet langer aan. De persoon “voelt het niet.” Werkelijk wordt de drager zoo aan dit gevoel gewend, dat het corset niet kan worden uitgelaten zonder dat hij er last van ondervindt. De zwareplooien van de das, stropdas en halsdoek, zooals de mannen vroeger droegen, de zware paardenharen pruik, de stijve hooge kraag van heden, het soort schoenen dat wij dragen, het zijn alle volmaakt bekende voorbeelden van de kracht der gewoonte bij het individu.

Dit is eveneens waar voor de gewoonten van een ras. Dat een koning moest regeeren, eenvoudig omdat hij geboren was, werd duizenden jaren als van zelf sprekend beschouwd. Dat de oudste zoon de titels en landgoederen moest erven, was een zelfde verschijnsel, evenmin in twijfel getrokken. Dat een schuldenaar in de gevangenis moest worden gezet en zoodoende heelemaal verhinderd werd om zijn schulden te betalen, was de wet. Zoo’n schandelijk kwaad als kettingslavernij was een onaangetaste maatschappelijke instelling uit de vroegste geschiedenis tot op onze dagen, onder de meest beschaafde natiën van de wereld. Zelfs Jezus merkte haar niet op. De afschuwelijke onrechtvaardigheid van de Christelijke kerk tegenover de Joden heeft vele eeuwen lang niemands aandacht getrokken. Dat de slaaf met den grond verkocht werd en de meester zich dien toeeigende, was in de middeleeuwen een van de grondslagen der maatschappij.

Men gewent op den duur zoowel aan sociale als aan individueele toestanden en dan worden zij niet meer opgemerkt. Dat is de reden waarom het zooveel gemakkelijker is de gebruiken van andere personen en van andere natiën te kritiseeren dan onze eigen. Het is tevens de reden waarom wij zoo gemakkelijk de aanvallen der kritiek kwalijk nemen en er de juistheid van ontkennen. Het is geen gevolg van eenige onrechtvaardigheid aan de eene zijde of onoprechtheid aan de andere, maar alleen een eenvoudige en nuttige natuurwet. De Engelschman die in Amerika komt, wordt in hooge mate getroffendoor de politieke verdorvenheid aldaar en met den ernstigen wensch zijn broeder te helpen, brengt hij hem dat onder ’t oog. Wat in zijn eigen land gebeurt ziet hij niet, omdat hij daaraan gewend raakte. De Amerikaan in Engeland vindt ook wel iets waartegen hij bezwaar heeft en vergeet dan ook niet om in gedachten vergelijkingen te maken met wat hij in eigen land zag.

Wanneer een toestand onder ons bestaat, die reeds aanving in die vroege tijden waarvan de overlevering zelfs niet spreekt, die in wisselenden graad bij elk volk op aarde aangetroffen wordt en die reeds bij de geboorte op het individu begint in te werken, dan zou het een wonder zijn dat alle begrip te boven gaat, indien menschen dien zouden opmerken. De sexueel-economische verhouding is zulk een toestand. Zij begon in de vroegste oudheid. Zij bestaat bij alle volken. Elke jongen en elk meisje is er in geboren, in opgevoed en moet er in leven. De vooruitgang der wereld in zaken als deze wordt verkregen door een langzaam en pijnlijk proces, maar een dat tot een goed einde leidt.

In den loop der maatschappelijke evolutie zijn er ontwikkelde individuen geweest, wier lichaamsgesteldheid niet passend kon worden gemaakt aan de bestaande toestanden, maar die organisch voor meer geavanceerde toestanden geschikt waren. Deze geavanceerde individuen reageeren in scherp en pijnlijk bewustzijn op de bestaande toestanden, en wat zij met hun helderziendheid opmerken, verkondigen zij luide. De geschiedenis der religieuse, politieke en sociale hervorming is vol van bekende voorbeelden hiervan. De ketter, de hervormer, de agitator voelt wat zijns gelijken niet voelen, ziet wat dezen niet zien, en natuurlijk, zegt wat zij niet zeggen. De groote massa van het volk houdt niet van het luid geschreeuw van deze onrustige geesten. In vroegere eeuwen werdenzij eenvoudig ter dood veroordeeld. Vooruitgang was langzaam en moeilijk in die dagen. Maar dit geweldig proces van uit-den-weg-ruimen ontwikkelde het soort van vooruitstrevende personen, die als martelaren bekend zijn, en deze merkwaardige sociologische wet openbaarde zich, dat de sterkte van een stroom van sociale kracht wordt vergroot door de opoffering van individuen, die bereid zijn voor de zaak te strijden en te sterven. “Het bloed der martelaren is het zaad der kerk.” Dit is tegenwoordig zoo algemeen bekend, ofschoon nog niet geformuleerd, dat de machthebbers aarzelen om te vervolgen, uit vrees dat zij ongewenschte ketterij in de hand werken. Men heeft bevonden dat een staatkunde van “vrije discussie” de meeste van de aanhoudende duwen en uitvallen van deze bewogen krachten doet voorbijgaan en tot een meer ordelijke uitwerking leidt. Onze groote anti-slavernij-beweging, de heldhaftige pogingen van de strijdsters voor “vrouwenrechten”, zijn nieuwe en krachtige bewijzen van deze waarneembare feiten: dat de massa van het volk bestaande toestanden niet opmerkt en dat zij niet veel houdt van hen die het wel doen. Dit is een van de voorname redenen waarom de sexueel-economische verhouding onopgemerkt onder ons heerscht en waarom eenige bespreking er van velen zoo onaangenaam is.

De andere wet van hersenwerking waardoor wij de algemeene waarheid niet zien is deze: het is gemakkelijker te personaliseeren dan te generaliseeren. Dit moet in de eerste plaats aan de wetten van verstands-ontwikkeling toegeschreven worden, doch wordt belangrijk versterkt door het verband met het hiervoren behandelde. De macht om op te merken en een persoonlijken indruk te onthouden bewijst een lageren graad van ontwikkeling, dan de macht om indrukken te klassificeeren en te ordenen en er algemeene gevolgtrekkingen uit temaken. Er zijn wilden die zeggen kunnen “heet vuur”, “heete steen”, “heet water”, maar die niet zeggen kunnen “hitte”; dat kunnen zij niet denken. Evenzoo kunnen zij zeggen “goed mensch”, “goed mes”, “goed vleesch”, maar zij kunnen niet zeggen “goedheid”, omdat zij zich die niet denken kunnen. Zij hebben bepaalde voorbeelden opgemerkt, maar zijn niet in staat ze te ordenen, ze te generaliseeren. Eveneens worden in ons dagelijksch leven individueele voorbeelden van onrechtvaardigheid of wreedheid opgemerkt, lang voor dat de volksgeest in staat is te zien dat zij een gevolg zijn van een toestand en dat eerst de toestand veranderd moet worden, vóór dat de gevolgen verwijderd kunnen worden. Een slechte priester, een slechte koning, een slechte meester, waren reeds opgemerkt en scherp veroordeeld, lang voor men begon in te zien dat de monarchale toestand of de toestand der slavernij slechte vruchten moest dragen en, indien die vruchten ons niet smaakten, wij beter deden den boom te veranderen. Ieder slavenhouder zou toestemmen dat er onder de meesters voorbeelden waren van wreedheid, luiheid, trots, en onder de slaven voorbeelden van bedrog, vadsigheid, oneerlijkheid. De slavenhouder zag evenwel niet dat, gegeven de verhouding van kettingslavernij, dit onvermijdelijk deze gebreken moest voortbrengen en ook voortbracht, ondanks alle pogingen van het individu om ze te bestrijden. Het is gemakkelijk een individueel voorbeeld te zien. Het is moeilijker en vereischt een grooter verstands-ontwikkeling de algemeene oorzaak te zien. Wij, als een ras, hebben reeds lang den graad van algemeene ontwikkeling bereikt, die ons in staat moest stellen, breeder en wijzer over sociale vraagstukken te oordeelen; maar hier vertoont zich het ontaardings-effectvan de sexueel-economische verhouding.

De geslachts-verhouding is sterk persoonlijk. Al de functiën en verhoudingen die daaruit voortvloeien zijn sterk persoonlijk. De geest van “ik en mijn vrouw, mijn zoon Jan en zijn vrouw, wij met ons vieren en niet meer”, is de natuurlijke uiting van deze levensphase. Door de halve wereld tot deze ééne reeks van functiën te beperken, maakten wij ze tot absoluut persoonlijke functiën. En op den man, die uit de vrouw geboren wordt, door haar in deze zelfde atmospheer van geconcentreerde persoonlijkheid wordt groot gebracht, en er later een groot deel van zijn leven in doorbrengt, mist dit zijn uitwerking niet. Deze toestand leidt er toe om in onzen geest het persoonlijke te vergrooten en het algemeene te verkleinen, met de ons allen bekende gevolgen. De moeilijkheid om gezondheidswetten in te voeren, waar persoonlijk gemak aan de algemeene veiligheid moet opgeofferd worden, de grootte van het persoonlijk bezwaar tegenover het algemeen belang, de noodzakelijkheid van “alles tehuisgebracht te moeten hebben”, welke elken stap van openbaren vooruitgang in den weg staat en ons boos antwoord wanneer het “ons tehuisgebracht is”, zijn bekende waarheden. Voor zoover een vergelijking mogelijk is, zijn vrouwen in dezen zin persoonlijker dan mannen, meer persoonlijk gevoelig, minder bereid om “in ’t gelid te staan” en “mee te keeren”, minder in staat om in te zien waarom eene algemeene beperking juist is, wanneer die haar of haar kinderen raakt. Dit is natuurlijk genoeg, onvermijdelijk genoeg en wordt hier dan ook alleen aangehaald, omdat het voor een deel verklaart, waarom de menschen de algemeene feiten van onzen overseksten toestand niet zien. Toch zijn zij overal duidelijk zichtbaar en niet alleen duidelijk zichtbaar, maar zij doen pijnlijk aan. Wij merken ze niet op, omdat wij er aangewend zijn, of worden wij gedwongen ze op te merken, dan schrijven wij de pijn die wij ondervinden toe aan het slechte gedrag van een of ander individu en denken er nooit aan dat ze een gevolg zijn van een toestand die ons allen eigen is.

Indien wij onder ons een toestand hebben als gezegd is—een staat van ziekelijke en overdreven geslachtsontwikkeling,—dan moet zich die natuurlijk dagelijks op duizenden wijzen openbaren. De gedachtelooze, die van zulk een openbaring niets heeft opgemerkt, besluit dat er niets van dien aard bestaat en ontkent alzoo den hier besproken toestand; zegt dat het heel waar klinkt, maar dat hij er nergens een bewijs van gevonden heeft! Nu bedenke men wel dat, indien zulk een bewijs bestaat, dit in het gewone leven natuurlijk het gevolg zou zijn van een abnormaal geslachts-kenmerk; het kwaad zoo algemeen en voortdurend zou voorkomen, dat het onopgemerkt bleef. Wanneer onze aandacht er dan op gevestigd wordt, zien wij het alleen als iets van persoonlijken aard. Laat ons ondanks deze hindernissen zien, of de zichtbare gevolgen onder ons niet zoo zijn als uit zulk een oorzaak moet volgen en laat ons ze voornamelijk zoeken in de verschijnselen van het dagelijksche leven, zooals wij het kennen, en niet in de dieper liggende sexueele en sociale gevolgen.

Een concreet voorbeeld, algemeen bekend en met ongeloofelijk slechte gevolgen, is het gedrag der moeder tegenover haar kinderen ten opzichte van de geslachts-verhouding. Op weinig uitzonderingen na, geeft de moeder haar dochter geen waarschuwing voor of inlichting omtrent hetgeen het leven voor haar inhoudt en laat zoo onschuld en onwetendheid oorzaak worden van eeuwigdurende ziekte, zonde en smart, vele generaties door. Een normaal moederschap behoedt zijn jongen wijs enwaarachtig voor gevaar. Een abnormaal moederschap, overbang en minder wijs, vertelt het kind niets van zijn leed en levert het ongewapend aan het ergste kwaad over. Millioenen en millioenen weten dit. Maar slechts sedert kort denken wij er aan het openlijk te bespreken. Wij zien echter nog niet dat het niet de fout is van de individueele moeder, maar van haar economischen staat. Onze abnormale geslachtsontwikkeling is oorzaak dat deze geheele zaak een soort van misdaad geworden is,—iets wat geheim gehouden en ontkend moet worden, iets wat men voorbijgaat zonder opmerking of verklaring. Van daar deze dwaze tegenstrijdigheid dat moeders zich schamen over het moederschap; dat zij niet in staat zijn het te verklaren en,—vergeet dit niet,—haar kinderen voorliegen over het ontstaan van leven,—moeders die liegen tegen haar eigen kinderen over het moederschap!

De drang waaronder dit geschiedt is een economische. Het meisje moet trouwen, hoe zou zij anders leven? De toekomstige echtgenoot geeft de voorkeur aan een meisje dat niets weet. Hij is de markt, de vraag. Zij is het aanbod. En met de beste bedoelingen dient de moeder het economisch voordeel van het kind, door haar voor de markt geschikt te maken. Dit is een uitstekend voorbeeld. Het is bekend. Het getuigt van de slechte verhouding. Het is geheel uit onze sexueel-economische verhouding te verklaren.

Een ander voorbeeld van zoo’n grof onrechtvaardig, zoo’n voelbaar, zoo’n algemeen kwaad, dat het zelfs nu en dan met eenig protest ons slaperig geweten heeft doen ontwaken is dit: dat men de vrouw dwingt te huwen. Zooals reeds werd opgemerkt is voor het jonge meisje het huwelijk de eenige weg tot fortuin, tot het leven. Zij werd geboren in hooge mate aangelegd alsvrouw, zij werd zorgvuldig opgevoed en geoefend om op alle wijzen haar geslachts-beperkingen en geslachts-voordeelen te realiseeren. Wat zij zelfs als kind kan verkrijgen wordt voor een groot deel veroverd door vrouwelijke trekjes en bekoorlijkheden. Haar lectuur, zoowel geschiedenis als romans, schetst de positie der vrouwen evenzoo, terwijl de dichter en novellist haar meer bepaald op den voorgrond brengen. Schilderkunst, muziek, tooneelspeelkunst, maatschappij, alles vertelt haar dat zij is ”zij” en dat alles er van afhangt met wien zij trouwt. Waar jongens plannen makenwatzij zullen worden en verkrijgen, daar maken meisjes plannenwiezij zullen worden en verkrijgen. Kleine Ellie in haar zwanennest tusschen het riet is een bekende illustratie. Zij maakt haar plannen voor den minnaar op het bruine strijdros. Het is Lancelot die door het struikgewas rijdt om de Prinses van haar weefstoel te halen: ”hij”, is de komende wereld.

Met vooruitzichten als deze; met een lichaamsgestel dat voor dit doel speciaal ontwikkeld wordt; met een opvoeding die het natuurlijk instinkt nog versterkt door voorschrift en voorbeeld, door wijsheid en deugd; met een maatschappelijke omgeving die er geheel op ingericht is om het meisje een kans te geven om te zien en gezien te worden en haar “gelegenheid” te verschaffen; en met den geheelen druk van persoonlijk voordeel en eigen-belang gevoegd bij geslachts-instinkt,—kon men logisch verwachten in een maatschappij te leven, vol van wanhopige en begeerige mannenjaagsters, zonder dat iemand er aanstoot aan nam.

Toch is dit niet het geval! Het huwelijk is het eigen gebied der vrouw, haar heilig aangewezen plaats, haar natuurlijke bestemming. Zij wordt er voor geboren; zij wordt er voor opgevoed, zij wordt er voor tentoongesteld.Meer nog, het is haar middel voor een eerlijk levensbestaan en om vooruit te komen.Maar—zij mag zelfs niet kijken alsof zij het wenscht. Zij mag er haar hand niet voor omdraaien. Zij moet lijdelijk zitten wachten, zelfs wanneer haar lentejaren voorbijgaan en haar “kansen” met elk jaar verminderen. Denk eens aan den zielsangst van een fijngevoelig zenuwachtig organisme, zoo sterk naar iets te verlangen, de mogelijkheid om het te krijgen elk jaar minder en minder te zien worden en dan ook niet één stap te mogen doen om het te bemachtigen. Dit moet zij met waardigheid en lieftalligheid tot het einde toe volhouden.

Tot welk einde? Zoo zij er niet in slaagt gekozen te worden, dan wordt zij op het einde een ding van medelijdende geringschatting, een menschelijk wezen zonder plaats in het leven, behalve misschien als een aanhangsel, een afhankelijke van meer gefortuneerde familieleden, een oude vrijster. De openlijke geringschatting en bespotting waarmede ongehuwde vrouwen gewoon zijn behandeld te worden, vermindert elk jaar, naarmate zij in economische onafhankelijkheid vooruitgaan. Maar het is nog niet zoo lang geleden dat het bekende spreekwoord “oude vrijsters zijn vaatjes zuur bier” algemeen in gebruik was; dat afgewezen minnaars heengingen met het dreigend argument “dat zij wel eens de laatste vrager konden zijn”; dat de hopelooze juffer in het bosch bad om een man, en toen de uil vroeg: “Wie? wie?” riep: “Iemand, goede God!” Er bestaat nog steeds een vroolijk liedje, dat vertelt van de “Drie oude vrijsters van Lynn”: “toen zij kenden wilden zij niet en toen zij wilden konden zij niet.”

De wreede en absurde onrechtvaardigheid om het meisje te laken, omdat zij niet bemachtigen kon, wat zij niet mocht trachten te verkrijgen, schijnt onverklaarbaar; maar het wordt verklaarbaar zoodra wij het beschouwenin verband met de sexueel-economische verhouding. Ofschoon het huwelijk een middel is tot levensonderhoud, is het toch geen eerbaar beroep, waarbij men zijn werk zonder schaamte kan aanbieden; maar een verhouding, waarbij het onderhoud dadelijk en gedwongen door de wet wordt verstrekt ter vergelding van de functioneele diensten der vrouw, “de plichten van vrouw en moeder.” Daarom kan geen eerbare vrouw er om vragen. Het komt niet alleen doordat het natuurlijk vrouwelijk instinkt zich wil terughouden en dat van den man zich wil opdringen, maar omdat het huwelijk beteekent onderhoud, en een vrouw een man niet kan vragen om haar te onderhouden. Het is een economische bedelarij zoo wel als een valsche houding uit een geslachtelijk oogpunt.

Let eens op de vernuftige wreedheid van de regeling. Het is even menschelijk natuurlijk voor een vrouw om rijkdom te begeeren als voor een man. Maar waar haar rijkdom moet komen door hetzelfde kanaal als haar liefde, mag zij er wegens haar geslachts-aard en wegens beroeps-eer niet om vragen. Van daar de millioenen mislukte huwelijken met “Iemand, goede God!” Vandaar de millioenen gebroken harten die het geheele leven moesten laten voorbijgaan, niet in staat zelfs om een poging te doen het te doen stil staan. Van daar de vele oude tantes, oude zusters en dochters, alleen loopende vrouwen overal, die een last zijn voor hare mannelijke familiebetrekkingen en voor de maatschappij tevens. Dit wordt nu gelukkig beter, doch het verandert alleen door de vordering in economische onafhankelijkheid der vrouwen. Een “ongehuwde vrouw” is thans heel iets anders dan een “oude vrijster”.

Zie hier de verklaring van de Andromeda-figuur der jonge vouw die misschien-had-kunnen-trouwen, en voor de bespotting en het verwijt waaraan zij bloot staat. Zoolangde vrouwen alleen als geslachts-wezens beschouwd worden, zelfs door de vrouwen onderling; zoolang nog alles gedaan wordt om de macht van geslachts-attractie te vergrooten; zoolang zij hoofdzakelijk op dien grond huwbaar bevonden worden, tenzij er een “fortuin” naast haar bekoorlijkheden geplaatst wordt; zóólang zal niet-getrouwd-zijn beschouwd worden als gemis aan attractie, gemis aan geslachts-waarde. Zoolang zij geen andere waarde hebben, dan alleen om ondergeschikt huiswerk te doen, zijn zij heel natuurlijk weinig in tel. Voor wat deugt zoo’n schepsel, dat het doel waarvoor het geboren is gemist heeft? Zoo’n geslachtloos ding ondervindt de geringschatting van man en vrouw tegelijk; het is een menschelijk misbaksel.

Om die reden is het niet vreemd, ofschoon het even juist als treurig is, dat in het leven der vrouwen dit lange hoofdstuk van geduldig, stil, bitter lijden voorkomt, en evenmin is het vreemd de publieke opinie duidelijk en bestendig te zien veranderen, naar mate de vrouwen ook andere hoedanigheden ontwikkelen buiten en behalve die betreffende het geslachtsleven. Nu zij zoowel mensch is als vrouw, een economische positie in de maatschappij bekleedt, wordt zij verwelkomd en aangenomen als een menschelijk wezen en behoeft niet meer te trouwen met den eersten den besten man voor haar boterham. De reactie in dezen is zelfs zoo sterk, dat er heden een kleine groep vrouwen is die niet verkiezen te trouwen, omdat zij, “haar onafhankelijkheid”, haar pas-geboren, zwaar-verdiende, duur-gekochte onafhankelijkheid niet willen prijs geven. Dat eenig levende vrouw haar onafhankelijkheid verkiest boven een tehuis en een man, boven liefde en moederschap, werpt een schel licht op hetgeen vrouwen vroeger moeten hebben geleden door gemis aan vrijheid.

Dat deze neiging algemeen zal worden behoeft men evenwel niet te vreezen. Zij is een zuivere reactie, die zeer natuurlijk is. Zij zal even natuurlijk verdwijnen als de vrouwen meer en meer onafhankelijk worden, wanneer het huwelijk niet meer de vrijheid kost. Dat men vreest dat vrouwen in het algemeen, eens geheel onafhankelijk, niet zullen trouwen, bewijst hoe goed het bekend was dat afhankelijkheid alleen de vrouwen dwong tot een huwelijk, zooals dit was. Noch lokaas, noch straf zal er noodig zijn om de vrouwen te dwingen tot een waar huwelijk met onafhankelijkheid.

Het is zeer interessant langs dezen weg den voortdurenden strijd op te merken tusschen natuurlijk instinkt en natuurwet, tusschen sociale gewoonten en sociale wetten, ons geheel opwaarts leven door. Met de natuurlijke functiën en het geslachts-instinkt beginnende, vervult de vrouw die haar hooge positie als kiezende uit de beste onder de wedijverende mannen hoog houdt, de schoone taak om het ras door een goed huwelijk te verbeteren. Het gevoel waardoor dit tot stand komt, wordt fijner naarmate wij beschaafder worden en ontwikkelt zich in die breede, diepe, ware, duurzame liefde, welke het hoogste goed is voor elk individu. Dezen stroom volgende, hebben wij altijd “ware liefde” vereerd en bewonderd, en van de vroegste tijden af vloeiden de romans over van lof voor de prinses die haar page of haar gevangene huwde, de teeltkeus in de vrouw vereerende, die den “rechten man” om bestwil koos. Hier tegen in druischt een sterke stroom van tegenovergestelde richting, die uitloopt in “het conventioneele huwelijk”, iets wat de wereld altijd innerlijk gehaat heeft. De jonge Lochinvar is voor niets geen eeuwigdurende held. Het gepersonifieerde type van een groote sociale waarheid kan zeker zijn van een lang leven. Dearme jonge held, mooi, moedig, goed, maar omringd van moeilijkheden, wordt altijd geplaatst tegenover den slechten man met rijkdom en macht. De vrouw weifelt dan tusschen die twee en tegen het einde wint de arme held het. Dat hij dan ten slotte met rijkdom en eer overladen wordt, beteekent niets anders, dan onze erkenning dat hij het meest waard is. Dit is beter dan een zonnemythe. Het is een rasmythe, die waar is als waarheid.

Het bestaat zoo nog in het hedendaagsche leven, maar eindeloos bewerkt en door overvloedige bijzonderheden verzwakt, zooals de aard van het leven het nu medebrengt. Het meisje dat den ouden rijken man huwt of den adellijken losbol, wordt door de publieke opinie veroordeeld; het meisje dat den armen jongen man huwt en haar best doet om hem door het leven te helpen, wordt geprezen door denzelfden grooten scheidsrechter. Maar waarom zouden wij het meisje verwijten dat zij haar roeping najaagt? Zoolang het huwelijk haar eenige weg is om geld te verdienen, waarom mag zij dan niet trachten langs dien weg geld te verkrijgen? Waarom wordt het gewicht van het geheele eigen-belang bij de practische uitvoering zoo krachtig geslingerd tegen het geslachts-belang van individu en ras? Het gekochte huwelijk is een volkomen natuurlijke consequentie van de economische afhankelijkheid der vrouw.

Neem aan den anderen kant eens het gevolg van deze afhankelijkheid waar op de mannen. Wanneer het overdreven geslachts-kenmerk en de economische afhankelijkheid der vrouwen toeneemt, dan neemt tegelijkertijd de kans om te huwen af en de moeilijkheid van het huwelijk toe; het huwelijk wordt dan uitgesteld en vermeden, wat voor beide geslachten en voor de maatschappij tevens een direct nadeel is. In eenvoudiger verhoudingen op het land, waar vrouwen een persoonlijke waardein de economische verhouding vertegenwoordigen, even goed als een vrouwelijke waarde in de geslachts-verhouding, is een vroeg huwelijk een voordeel. De jonge boer krijgt een voordeelige meid als hij trouwt. De jonge handelsman krijgt niets van dien aard,—een aardig meisje, een mooi vrouwtje, gereed voor het huwelijk en het moederschap, zoo lang haar gezondheid het toelaat,—maar hoegenaamd geen economische waarde hebbende. Zij is alleen een verbruikster, en hij moet wachten tot hij genoeg verdient, om te kunnen trouwen. Dit zijn overal dikwijls voorkomende voorbeelden, ons allen bekend, van de tastbare gevolgen van onze sexueel-economische verhouding in het gewone leven.

Indien er in het menschelijk leven een kwaad bestaat dat in elk opzicht slecht is, dan is het zonder twijfel dat, hetwelk bekend is onder den populairen naam van “een noodzakelijk kwaad”, en dat bestaat in gemengde en tijdelijke geslachts-verhoudingen. Het inherente kwaad in deze verhoudingen is een sociologisch kwaad, eer nog dan een wettig of zedelijk kwaad. Indien het zedelijkheidsgevoel iets als slecht erkent, moet het van den beginne af slecht geweest zijn. Iets is niet slecht alleen omdat het zoo genoemd wordt. De slechtheid van dezen vorm van geslachts-verhouding in een beschaafde maatschappij rust stevig op natuurwetten. Met de steeds verbeterde middelen om de soort voort te planten ontwikkelde zich tevens een langere periode van kindsheid. Deze langere periode van kindsheid vereischte langere zorg en overeenkomstig daarmede kwam men tot het inzicht dat de beste zorg gedurende dezen tijd door beide ouders werd gegeven. Dit gaf aanleiding tot eene duurzamere paring. En de duurzamere paring bond de ouders te zamen door gezamenlijke belangen en plichten, ontwikkelde in hen door het gebruik hooger geestelijke hoedanigheden, en door overervinggingen deze op de kinderen over. Daarom heeft de maatschappij het recht om van de haar samenstellende individuen de deugd der kuischheid, de heiligheid van het huwelijk te eischen. De maatschappij heeft hierop volkomen recht, want de sociale evolutie is een even natuurlijk proces als de individueele evolutie, en de bestendige bond der ouders is gebleken een voordeel voor de maatschappij te zijn. Maar de sociale evolutie, diep, onbewust, langzaam en de zelfbewuste, over-sekste leden der maatschappij zijn twee verschillende zaken.

De natuurwetten hebben er krachtig toe medegewerkt in het menschelijk ras zuivere, langdurige, monogame huwelijken te ontwikkelen. Maar onze bijzondere regeling om het eene geslacht door het andere te laten voeden, heeft getracht geheel iets anders tot stand te brengen en is daarin geslaagd. In geen andere diersoort is het vrouwtje economisch afhankelijk van het mannetje. In geen andere diersoort is de geslachts-gemeenschap te koop, een overeenkomst. Waar aan de eene zijde elke levensomstandigheid neigt om in de vrouw het geslacht te doen uitkomen, om de macht en den wensch naar economische productie en ruil te vernietigen en de eeuwenoude gewoonte te ontwikkelen alle aardsche goederen in een mannenhand te zoeken en daarvoor slechts één ding terug te geven; waar aan de andere zijde de man buitensporige geslachts-drift erft en nimmer voor het toegeven daaraan berispt wordt, en waar hij ook de eeuwenoude gewoonte ontwikkelt om alles wat hij wenscht van vrouwen te nemen, voor wier hulpelooze berusting hij een economische belooning teruggeeft, wat moest daarvan het natuurlijk gevolg zijn? Immers juist wat gevolgd is. Wij leven in een wereld van wetten en de menschheid maakt daarop geen uitzondering. Wij hebben een zeker percentage vrouwen voortgebracht metgeëvenredigde geslachts-drift en buitensporige begeerte naar stoffelijk voordeel. Wij hebben een zeker percentage mannen voortgebracht met buitensporige geslachts-drift en een grootmoedige bereidwilligheid om voor hun geslachts-bevrediging te betalen. Aangezien het percentage van zulke mannen grooter is dan dat van zulke vrouwen, hebben wij zeer slechte methoden uitgedacht om aan de vraag te voldoen. Het gezonde deel der maatschappij wist altijd wel dat die methoden slecht waren, slecht in de gevolgen voor het ras, de bron van al het kwaad. In deze mannenwereld is het heel begrijpelijk dat de vrouw alleen de schuld kreeg van hun wederzijdsch misdrijf. Daarvoor bestaat ook wel een reden. Hoe slecht de man ook is, hij zoekt alleen een bevrediging die natuurlijk is in soort, ofschoon abnormaal in graad. De vrouw doet dit in sommige gevallen ook, maar in de meeste gevallen toont zij het scheeve der verhouding door het voor geld te doen, een physisch bedrog, een zonde tegen de natuur.

Het zuiver instinkt komt in opstand tegen een broodwinning door gebruik der geslachtsfunctiën. Maar waarom zijn wij er dan tevreden mede, zoodra zij geschiedt in het huwelijk? Wettig en godsdienstig kunnen wij zeggen dat zij juist is, maar de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de betrokken paren en voor de maatschappij in haar geheel, zijn slecht. De physische en psychische gevolgen zijn verkeerd, ofschoon gewijzigd door onze meening dat zij goed zijn. De physische en psychische gevolgen van de prostitutie waren ook verkeerd, toen de jonge Babylonische meisjes door zich te prostitueeren hun bruidschat verdienden in den tempel van Bela en meenden dat zij daaraan geen kwaad deden. Het zedelijk karakter van een daad die wij doen, verandert in ons bewustzijn door hetgeen wij denken en gevoelen,maar de daaruit voortspruitende gevolgen blijven dezelfde. De economische afhankelijkheid van vrouwen van de geslachts-verhouding rechtvaardigen wij en keuren wij goed in het huwelijk. Buiten het huwelijk veroordeelen wij haar zonder voorbehoud. Wij volgen met onze verachting en beschuldigingen tot zelfs aan de huwelijkspoort—de verkochte bruid, maar van de verkochte vrouw, die de zakken van haar man ’s nachts ledigt, denken wij geen kwaad. Het huwelijk maakt alles heilig, zeggen wij; liefde moet er mede gepaard gaan.

Liefde ging echter nog nimmer met eigenbelang samen. De grootste tegenstrijdigheid bestaat tusschen deze beide; zij zijn lijnrecht tegenovergestelde krachten. In het schoone evolutie-proces vinden wij voortdurend oppositie tusschen het instinkt en het proces van zelf-behoud en tusschen het instinkt en het proces van ras-behoud. Van die beginnende vormen, waar nieuw leven dood ten gevolge heeft, zooals in de bloeiende aloë of bij de ééndaagsche meivlieg, tot op de hoogste glorie van zelf-opofferende liefde, werken deze twee machten elkander tegen. Wij hebben ze te zamen gebonden. Wij hebben de vrouw, de moeder,—de ware bron van opoffering door liefde,—er toe gebracht om winst te maken uit liefde, een afzichtelijke paradox. Het is geen wonder dat ons dagelijksch leven van in ’t oogloopende gebreken door dezen onnatuurlijken stand van zaken vol is. Geen wonder dat de menschen zich met walging afkeeren van het soort vrouwen dat zij gemaakt hebben.

VIDe eigenaardige vereeniging van functiën welke wij bestudeeren, heeft niet alleen een onmiddellijk gevolg op individuen door geslachts-handelingen en door de geslachtelijk-beheerschte individuen op de maatschappij, maar oefent evenzeer invloed uit op de maatschappij door economische handelingen en door de economisch beïnvloede maatschappij op het individu.Door dit vraagstuk uit een economisch oogpunt te beschouwen, wordt het tegenwoordig duidelijk dat niet alleen onze eigen gezondheid en geluk en het voortplantingsproces er mede gemoeid zijn, maar eveneens de algemeene gezondheid en het algemeene geluk en het verloop der sociaal economische ontwikkeling. Nu de maatschappij in deze eeuw tegenover de ingrijpendste economische vraagstukken geplaatst wordt, hebben wij behoefte aan een duidelijk begrip van de factoren die daarop inwerken. Deze vraagstukken zijn nagenoeg geheel sociaal, meer nog dan physisch en betreffen niet de vraag of een bepaalde maatschappij in staat is om genoeg welvaart voort te kunnen brengen en te kunnen verdeelen om in haar onderhoud te voorzien, maar zij betreffen eenige slecht geregelde inwendige processen, die de voortbrenging en verdeeling belemmeren en die zulke ongeregelde en ziekelijke uitkomsten van niet-gevoed zijn, slecht-gevoed zijn en overvoeding opleveren, dat voortdurend de gezondheid en werkzaamheid van het sociale organisme daardoor benadeeld wordt. De moeilijkheid voor ons is niet om welvaart uit den grond te halen,maar om die elkander afhandig te maken. In de ontwikkeling der sociaal-economische verhoudingen doen zich verschijnselen voor, die analoog zijn met die welke onze ontwikkeling in de geslachts-verhouding vergezellen.Toen de maatschappij nog in den primitieven toestand verkeerde en het menschelijk dier in zijn oorspronkelijken staat, toen waren de economische processen van zuiver individueelen aard. De hoeveelheid voedsel die ieder mensch verkreeg stond in rechtstreeksche verhouding tot zijn persoonlijke inspanning. Andere menschen waren voor hem zuiver ongewenschte mededingers naar dezelfde goederen, en hoe geringer hun aantal, hoe meer goederen er voor hem overbleven. Daarom doodde hij zooveel van zijn mededingers als mogelijk was. Gegeven een zekere hoeveelheid benoodigd voedsel, zooals de eetbare beesten of vruchten in een bosch en een zeker aantal individuen, die door eigen inspanning dit voedsel bemachtigen moesten, dan volgt daaruit, dat hoe grooter het aantal individuen, hoe geringer de hoeveelheid voedsel is die door elk van hen verkregen kon worden; en omgekeerd, hoe kleiner het aantal individuen, hoe meer voedsel door ieder verkregen kon worden. De oorspronkelijke wilde versloeg daarom zijn makker op het eerste gezicht op goede economische gronden. Dit is de individueele concurrentie tot het uiterste doorgedreven, doch volkomen logisch en in haar tijd economisch te rechtvaardigen. Die tijd is voor altijd voorbij. De grondslag van het menschelijk leven is vereeniging; de organische sociale verhouding; de onderlinge ruil van functioneele diensten, waarbij het individu het meeste voordeel heeft, is niet inspanning alleen voor eigen goederen, maar de ruil van zijn inspanning met de inspanning van anderen voor goederen door hen te zamen voortgebracht. Het ligt niet in mijne bedoeling hier eene communistische theorie te verdedigen,met gelijke verdeeling der voortgebrachte welvaart, maar om een eenvoudige waarheid in sociale economie te constateeren, dat rijkdom een maatschappelijk product is. Welke meening men ook is toegedaan omtrent de verdeeling der goederen, niemand kan loochenen dat de voortbrenging dier goederen, de vereenigde werkkracht van vele individuen vereischt. Van de eenvoudigste krachtvereeniging die menschen in staat stelt den mammoet te overwinnen of den steen te lichten, wat één alleen nooit had kunnen volbrengen, tot den fijn uitgesponnen en ingewikkelden onderlingen ruil in de verst doorgevoerde verdeeling van arbeid, waardoor het mogelijk wordt een modern huis te bouwen, rust de vooruitgang der maatschappij op toenemende samenwerking van de verschillende werkkrachten.De evolutie van het organisch leven volgt een meetkundige reeks; cellen vereenigen zich en vormen organen; organen vereenigen zich en vormen organismen; organismen vereenigen zich en vormen organisatiën. De maatschappij is een organisatie. De maatschappij is de vierde macht van de cel. Zij is samengesteld uit individueele dieren van het geslacht mensch, die in organische betrekking tot elkander staan. In het verloop der sociale evolutie komt de organische verhouding tusschen de individuen langzamerhand tot stand en deze organische verhouding berust op zuiver economische gronden. In de eenvoudigste samenvoeging van de oorspronkelijke cellen was het de kracht der economische noodzakelijkheid die hen te zamen dreef en te zamen hield. Het was een voordeel voor hen om vereenigd te leven. Die het deden bleven bestaan en die het niet deden gingen te niet. Dit geschiedde eveneens bij de verschijning der meest samengestelde organismen, het was een voordeel voor hen om een complex van leden en organen tevormen in ondeelbare verhouding. Een zoo opgebouwd lichaam blijft bestaan, terwijl dezelfde massa ongeorganiseerde levensstof verdwenen zou zijn. En zoo gaat het letterlijk en precies in een samengestelde maatschappij, met al haar nauwkeurige specialiseering van individuen in kunsten en ambachten, handel en beroepen. Een zoo samengestelde maatschappij blijft bestaan, terwijl hetzelfde aantal levende ongeorganiseerde wezens zou verdwijnen. De verdeeling van arbeid en de ruil der producten in een maatschappelijk lichaam is in wezen identiek met de verdeeling en ruil van functiën in het lichaam van het individu. Volgens den geregelden loop der evolutie sluit dit proces in zich, dat de individueele inspanning voor het individueele welzijn langzamerhand ondergeschikt moet worden aan de collectieve inspanning voor het collectief welzijn, niet uit een zoogenaamd altruïsme, maar uit economische noodzakelijkheid voortspruitende. Het is voor het bestaan der maatschappij even noodzakelijk het leven zoo in te richten dat de individueele burgers samenwerken voor het sociale welzijn, als het voor het menschelijk lichaam noodzakelijk is dat handen en voeten, tanden en oogen, hart en longen samenwerken voor het individueel welzijn. De maatschappelijke evolutie leidt naar een toenemende verdeeling van functiën en naar een toenemende onderlinge afhankelijkheid van de samenstellende leden, met een wederkeerige afneming, door onbruikbaarheid, van den eens zoo waardevollen individueelen strijd voor het bestaan. Dit is gebaseerd zoowel op het individueele voordeel als op dat van de maatschappij.Doch wanneer wij dit ontwikkelingsproces bestudeeren en met bewondering de progressieve veranderingen in de menschelijke verhouding opmerken, de nieuwe functiën, de uitgestrekte structuur, het toenemendegevoel voor de medeburgers met hunne talrijke gelegenheden voor pleizier en gezonde gevoeligheid voor pijn, dan worden wij getroffen door de zichtbare aanwezigheid van de een of andere tegenwerkende macht, die de normale ontwikkeling belemmert en de nadeeligste uitkomsten oplevert. Even als wij in onzen geregelden voortgang in geslachts-ontwikkeling belemmerd worden door verouderde impulsiën, die door valsche toestanden kunstmatig gehandhaafd worden, evenzoo zien wij in onzen geregelden voortgang in sociaal-economische ontwikkeling dit zelfde dwaze bestaan blijven van rudimentaire aandriften, die wij reeds lang gemakkelijk te boven hadden moeten zijn. Het is nu niet meer voordeelig voor iemand om te strijden voor eigen voordeel ten koste van anderen: zijn voordeel vereischt nu de gecoördineerde inspanningen van die anderen; toch blijft hij zoo voortstrijden.In dit gebrek om overeenstemming te brengen tusschen de individueele en maatschappelijke belangen, liggen onze economische moeilijkheden. Dit kan men zien in fabrieken van bereide voedingsmiddelen. Dit werk kan onmogelijk door een enkel persoon gedaan worden, terwijl het in samenwerking zeer voordeelig is voor het individu;—een geheel natuurlijk economisch proces, voordeelig in verhouding tot de hoeveelheid en hoedanigheid van het bereide voedsel. Wij vinden echter steeds dat de producten van dezen arbeid verdund en vervalscht worden, ten nadeele van de maatschappij en ten voordeele van een enkel persoon, den fabrikant. Het is alsof een van de organen van ons lichaam,—de lever bijvoorbeeld,—haar aandeel in de afscheiding opzettelijk zou verzwakken of vergiftigen, opdat door minder te geven er meer voor haar kon overblijven en zij groot en vet kon worden. Een orgaan kan zoo iets doen, doet het zoo nu en dan,maar dat is een ziekelijke werking, die ziekte veroorzaakt. Het lichaam wordt dan benadeeld, verzwakt, verwoest en daardoor gaat ten slotte het orgaan ook te gronde. Het is een valsch begrip van voordeel, en de valschheid ligt in de niet-erkenning van de ware verhouding tusschen individueele en sociale belangen. Dit niet-erkennen of ten minste handelen alsof wij de sociale belangen niet kenden, door de individueele belangen meer te doen gelden, is de aanleidende oorzaak van onzen economischen tegenspoed. Daar de maatschappij uit individuen is samengesteld, moeten wij hun onze aandacht wijden om de oorzaak van deze ziekelijke maatschappelijke processen op te sporen, en aangezien de individuen handelen onder den druk van omstandigheden, moeten wij zien welke omstandigheden op de individuen invloed uitoefenen om die werking te veroorzaken.In het algemeen ontwikkelen zich de menschen onder maatschappelijke wetten in goede richting, maar de een of andere geheimzinnige oorzaak schijnt hen telkens in een verkeerde richting te sturen. In de sexueel-economische verhouding ligt deze geheimzinnige oorzaak voor ons. Stonden wij nog op den individueel-economischen grondslag, dan zou de slechte invloed daarvan niet zulke ernstige ziekelijke gevolgen hebben gehad, maar nu wij in de sociaal-economische verhouding groeien, nemen de nadeelen met onze beschaving toe. De geslachts-verhouding is van het begin tot het einde individueel. Zij is een lichamelijke verhouding tusschen individueele lichamen. Omdat zij zich ook kan uitstrekken tot een geestelijke verhouding tusschen individueele geesten, daarom wordt zij nog geen sociale verhouding, hoewel zij haar persoonlijke ontwikkeling naar de sociale behoeften wijzigt.De geslachts-verhouding is in haar geheele wezen en inhaar gevolgen persoonlijk, zij werkt door individuen op individuen en ontwikkelt tot groot voordeel van de maatschappij individueele karaktertrekken en bijzonderheden. De hoedanigheden die zich door de sociale verhouding ontwikkelen, worden door de geslachts-verhouding in het ras opgenomen, maar de geslachts-verhouding zelf is geheel persoonlijk. Daarentegen is onze economische verhouding, ofschoon oorspronkelijk individueel, door de sociale evolutie in steeds toenemende mate collectief geworden. Door nu de menschelijke geslachts-verhouding te vereenigen met de menschelijke economische verhouding, hebben wij een bestendig-individueel proces met een voortgaand-collectief proces vereenigd. Dit verschaft beiden een kracht, toenemende in directe verhouding tot onze socialisatie, en waar zulke onvereenigbare krachten op het sociale organisme inwerken, moet het ten slotte ondergaan.Deze combinatie heeft, zooals reeds werd opgemerkt, op de geslachts-verhouding der individuen haar invloed uitgeoefend door er een neiging tot collectivisme met economisch voordeel in te brengen, zooals bij de prostitutie, kenmerkend voor ons ras, het best blijkt. Anderzijds heeft het op de economische verhouding der maatschappij haar invloed uitgeoefend, door er een neiging tot individualisme met geslachts-voordeel in te brengen, het best aangetoond in het veelvuldig opofferen van het algemeen welzijn aan persoonlijk voordeel, opdat het individu daardoor “zijn gezin kan onderhouden.” Wij zijn zoo gewend om het als een eersten plicht van een man te beschouwen om “zijn gezin te onderhouden”, dat wij een zeer sprekend voorbeeld van omkoopbaarheid en verdorvenheid noodig hebben om onze overtuiging in dezen aan het wankelen te brengen; maar als een sociologische wet wordt ieder stadium van de laagheid om denpublieken dienst tot een persoonlijk voordeel te maken, van de degradatie van den artist tot de exploitatie van den hulpeloozen onbekwamen werkman, als een ziekelijke maatschappelijke handeling gekenmerkt. Onze maatschappij moet gebaseerd zijn op onze algemeene toestemming, algemeen handelen, algemeene onderwerping aan den algemeenen wil.Geen individueele belangen kunnen ook maar voor een oogenblik tegenover de belangen van het algemeen welzijn staan, zelfs niet wanneer de oorlog het laatste offer van persoonlijk bezit of het leven eischt, of wanneer de vrede de volkomen onderwerping vereischt aan de wet, de vastgestelde uitspraak van den volkswil. Het handhaven van “wet en orde” sluit den waren socialen geest in,—het opgaan van persoonlijk belang in het algemeen belang. Dit alles berust op de ontwikkeling van den maatschappelijken geest, het scherpe gevoel voor den maatschappelijken plicht, het nauwgezet volbrengen van den maatschappelijken dienst. Hier treedt het overdreven individualisme dat door onze sexueel-economische verhouding gehandhaafd wordt, als een sterke en toenemende nadeelige sociale factor op. Wij hebben zwakjes erkend dat het samengaan van de geslachts-verhouding met de economische verhouding van beide zijden niet bestaanbaar is, door scherp te veroordeelen dat de geslachts-functiën openlijk tot koopwaar worden gemaakt en door aan te sporen tot het ongehuwd blijven in collectieve instellingen. Vereenigingen van mannen of vrouwen, die door de hoogste godsdienstige gevoelens geleid worden tot een waardig leven en het dienen van de maatschappij, hebben in onze geslachts-verhouding altijd iets tegenstrijdigs gevonden. Zij hebben gemeend dat het in de verhouding zelf lag, en zagen niet dat het de economische zijdewas die haar tegenstrijdig maakte. Toch was deze handeling praktisch geoorloofd in het voortdurend bestaan van gemengde vereenigingen, waar de geslachts-verhouding bestaat in een vorm die niet erkend wordt en zonder het element van den economischen ruil. Het wordt ook aan de gehuwde zendelingen der Protestantsche kerk toegestaan, die door vrijwillige bijdragen onderhouden worden. Was de zendeling verplicht voor zich en voor zijne vrouw het levensonderhoud te verdienen, dan kon hij te weinig voor de zaak der zending doen.De hoogste deugden in den mensch zijn volkomen vereenigbaar met de geslachts-verhouding, maar niet met de sexueel-economische verhouding. Dit wordt ons nog eens bewezen in de neiging tot samengaan in vereenigingen van ongehuwde mannen,—hun kameraadschappelijkheid, gelijkheid en onderlinge hulpvaardigheid,—vergeleken met de houding van diezelfde mannen tot elkander, zoodra zij gehuwd zijn. Hierin kan men ook de reden vinden waarom het organiseerend vermogen in mannen zooveel sterker is dan in vrouwen; hunne algemeen economische belangen dwingen hen met elkander in betrekking te treden, terwijl de geïsoleerde en zelfs tegenstrijdige belangen der vrouwen haar van elkander verwijderd houden. De toestand van individueel economische afhankelijkheid waarin de vrouwen leven, komt overeen met die van de wilden in het bosch. Zij worden haar economische goederen machtig door zich door persoonlijke inspanning een man te veroveren, allen wedijverende voor dit doel. Geen vereeniging is mogelijk. Het groot aantal meisjes in een badplaats doet ons in haar houding tegenover den kleinen groep jonge mannen onwillekeurig denken aan de naijverige wilden op een te klein jachtveld. Hier kan de economische reden gevonden worden voor de dikwijls opgemerkte bitterheid waarmedede deugdzame vrouwen haar gevallen zusters beschouwen. In gesloten rijen staan de deugdzame vrouwen opeen gepakt, weigerend om zich zelf te geven,—haar eenig economisch goed,—tenzij zij verzekerd zijn van een wettig huwelijk, een waarborg voor levenslang onderhoud. Wanneer bij beide geslachten de geboortecijfers gelijk waren, zou elke vrouw vrij wel zeker zijn dat haar eischen ingewilligd werden. Maar ook in dat geval komt de ondeugdzame vrouw tusschenbeide en biedt dezelfde zaken,—ofschoon van minder kwaliteit, dat is zeker,—voor een lageren prijs aan. Elk van zulke onwettige mededingsters vermindert de kans van de ongehuwde en het inkomen van de gehuwde vrouwen. Geen wonder dat dit de vrouwen die zich op waarde houden en op die wijze onderkropen worden tot bitterheid stemt. Het is dezelfde haat dien een werkman die lid is van zijn vakvereeniging, voelt voor den “onderkruiper”.Aan den kant van de vrouw handhaven wij nog steeds de kracht van den oorspronkelijken individueelen wedijver in de wereld, wat natuurlijk ook door hare zonen wordt overgeërfd, en wordt daardoor de richting van den maatschappelijken vooruitgang, die juist co-operatie wil ontwikkelen, tegengehouden.Aan den kant van den man ontstaat een zelfde gevolg uit een ander kenmerk der verhouding. De neiging tot individualisme met geslachts-voordeel komt in den man door een tegenovergesteld proces als in de vrouw werkt, tot ontwikkeling. Zij verdient haar levensonderhoud met het verkrijgen van een man. Hij verkrijgt zijn vrouw met het verdienen van een levensonderhoud. Het is haar individueel economisch voordeel om een man te bemachtigen. Het is zijn individueel geslachts-voordeel om zich economische voordeelen te verzekeren. De geslachts-functiën zijn voor haar economischefunctiën geworden. De economische functiën zijn voor hem geslachts-functiën geworden. Hierdoor is onze natuurlijke economische wedijver, die leidde tot economische co-operatie met het element van geslachts-wedijver—een geheel andere kracht—in de war gebracht.Wedijver onder mannen, met een vrije keus der vrouwen om den besten te kiezen, is het proces der teeltkeus, dat tot verbetering van het ras voert. Voor zoo ver de man met zijne gelijken wedijvert in hooger en hooger bekwaamheden en de vrouw den winnaar kiest, ontstaat een direct algemeen voordeel. Maar er bestaat een ingrijpend verschil tusschen geslachts-wedijver en het huwelijk door koop. In het eerste geval overwint de man door wat hij kan doen, in het tweede door wat hij kan krijgen. De toenemende macht om te doen, overgebracht op de nakomelingen, is van groot voordeel voor het ras. Maar zuiver bezit, zonder de vraag op welke wijze het verkregen is, behoeft niet noodzakelijk voordeelig te zijn voor het individu als vader.Door het geslachts-voordeel van den man op zijn gekochte macht te gronden, wordt de onmetelijke kracht van den geslachts-wedijver in het sociaal-economische veld geplaatst, niet enkel als een aansporing tot werken en uitvoeren, wat goed is, maar ook als een aansporing om persoonlijke winst te maken, op welke wijze dan ook verkregen, wat slecht is; zoodoende wordt onze wensch om te bezitten grooter en sterker en van daar de buitensporige inhaligheid van onze industrieele bevolking.Het steekspel in de middeleeuwen was misschien een ruwe sport, met zijn verminkende kwetsuren, pijn en dood; maar met het aanvuren van: “Vooruit, moedige ridders, schoone oogen zijn op u gevestigd!” vertegenwoordigde het een gezonder proces dan onze modernehandelwijze, van zich eerst een middel van bestaan te verzekeren om de geslachts-verhouding te kunnen betalen. Door Jean Ingelow werd dit zeer goed bezongen:Ik werkte ver opdat ik kon verdienenEen gezellig tehuis op Engelands grond;Ik zwoegde hard om veel te kunnen sparen.En had daarom mijn zwaren arbeid lief.En steeds fluisterde het in mijn geest zeer zacht:“Hoe kalm en gelukkig zal mijn leven zijnAls een lieve vrouw en kleine kinderenHet door mij verdiende brood mede-eten.”De strijd die tegenwoordig in het hart van ieder goed mensch gevoerd wordt tusschen hetgeen hij “moest doen” en hetgeen hij “doet”, tusschen zijn goed werk en het werk om den broode, is zijn persoonlijk aandeel in dezen voortdurenden strijd tusschen sociaal-belang en eigen-belang. Voor hem zelf en door hem zelf zou hij blijde zijn als hij zijn beste werk kon leveren, als hij trouw kon zijn aan zijne idealen, als hij moedig verlies kon dragen ter wille van de waarheid. Maar het is even als een inschikkelijke kapitalist in: “Stel U In Zijn Plaats” zeide, toen zijn flinke jonge vriend—een ongehuwde—zich verwonderde dat hij op onrechtvaardige eischen van zijne werklieden inging: “Het huwelijk maakt een muis van een man.”De jonge handelsman die de kronkelwegen in de geslachts-verhouding bewandelt, vindt in het dure onderhoud van zijne schoone afhankelijke een aanhoudende bedreiging voor zijn eerlijkheid en zijne verwachtingen in zaken. Wanneer diezelfde man trouwt, werken de behoeften van zijne vrouw dikwijls op dezelfde wijze. Het gevoel van de afhankelijkheid van het hulpelooze schepsel dat door hem gevoed moet worden, prikkeltniet tot meer moedbetoon, maar dwingt tot onderwerping. Dit op den voorgrond tredend onderscheid moet goed in het oog gehouden worden.Wettige geslachts-wedijver doet al de goede eigenschappen van een man uitkomen. Om haar te behagen, om haar te winnen streeft hij er naar zijn best te doen. Maar de economische afhankelijkheid der vrouw van den man, met de daaruit voortvloeiende koopbaarheid, oefent een geheel anderen invloed op hem uit; het plaatst hem voor de noodzakelijkheid om dingen te verkrijgen, niet om dingen te doen. Op de laagste treden van den arbeidsladder, waar men niets verkrijgt zonder iets te doen en de werkman altijd meer doet dan hij verkrijgt, heeft dit niet zulke tastbare slechte gevolgen als op de hoogere treden, waar de beroepen en kunsten staan en het beste werk altijd boven de markt staat; werken voor de markt beteekent daar verlaging van arbeid. De jonge kunstenaar of dichter, de wetenschappelijke jonge man werkt ter wille van de kunst of van de wetenschap en zoo voor het welzijn van de maatschappij. Maar zoodra zij huwen, moeten zij geld verdienen, moeten dan werken voor hen die betalen willen, en die betalen willen zijn niet diegene die de vlag van den vooruitgang hoog houden. Den belangeloozen werkers voor het maatschappelijk welzijn is het zeer goed mogelijk gemeenschappelijke belangen te hebben, doch zoodra de geslachts-verhouding tusschen beide treedt, scheurt de solidariteit vaneen en lost zich op in kleine groepen van individuen, die vereenigd zijn alleen op grond van geslachts-vereeniging en zich druk maken alleen voor hunne persoonlijke belangen, ten koste van iemand of van iedereen.Dat de geslachts-verhouding een slechten invloed uitoefent op de ras-werkzaamheden is tot de volksovertuigingdoorgedrongen en heeft uiting gevonden in het hartelooze gezegde: “Cherchez la femme”. Wanneer iemand zijn zaken slecht behartigt, den moed laat zakken, onverschilligheid toont, dan vragen zijn cynische vrienden: “wie is zij?” Niet voor niets zuchten de goede vrienden van een man wanneer hij trouwt, vooral wanneer hij iemand is met groote gaven. Maar naast dit oordeel van de wereld staat eveneens het vertrouwen in den veredelenden invloed der vrouw. De wereld heeft gelijk. Het kan evengoed het een als het ander zijn. Beide opinies zijn juist. De vrouw die alleen door de geslachts-verhouding of alleen door de individueel-economische verhouding invloed uitoefent, werkt veredelend op de maatschappij. De vrouw die door hardnekkig beide verhoudingen te vereenigen, een macht wordt in de maatschappij, oefent inderdaad een zeer vreemden invloed uit.Een van de amusante kleine gevolgen van deze omstandigheden is dit: terwijl wij het gevolg van het huwelijk op de sociaal-economische verhouding en het gevolg van de sociaal-economische verhouding op het huwelijk hebben opgemerkt en gezien dat de trouwe dienaar van het gezin een slechte dienaar van de maatschappij en de trouwe dienaar van de maatschappij een slechte dienaar van het gezin was, en dat instellingen waar ongehuwden samenwonen een goed resultaat opleveren, maakten wij de conclusie dat alleen de ongehuwde staat met collectieve welvaart kan samengaan, iets dat wij niet wenschen. Daarom is de volksmeening zoo spoedig gereed om de socialistische theorieën gelijk te stellen met ondermijning van het huwelijk. Toen men inzag dat het huwelijk ons minder gezind maakte tot collectivisme, heeft men de gevolgtrekking gemaakt dat dan ook omgekeerd het collectivisme ons minder gezind moet maken om te trouwen,—dat “het gezinzal afgebroken worden” en dat het “de grondslagen van het familieleven zal aantasten.”Wanneer wij ons eerst duidelijk voor den geest hebben gesteld dat een zuivere, duurzame, monogame geslachts-vereeniging bestaan kan zonder lokmiddel of koop, zonder de ijzeren boeien van economische afhankelijkheid, en dat mannen en vrouwen zoo vereenigd in geslachts-verhouding toch vrij zullen zijn om met anderen vereenigd te zijn in economische verhouding, dan zullen wij toewijding aan de menschheid niet meer beschouwen als een onnatuurlijk offer en collectieve welvaart als een zaak om te vreezen.Buiten en behalve het handhaven van dit oorspronkelijk individualisme in het steeds toenemend collectivisme van het sociaal-economisch proces en het brengen van het beginsel van den geslachts-strijd in het nauwe veld van industrieelen wedijver, bestaat er nog een andere zijde van den slechten invloed dien de sexueel-economische verhouding op de maatschappelijke ontwikkeling uitoefent. Dit komt doordat de vrouw niet produceert en toch consumeert.In de individueele ontwikkeling van het menschenras, dat wonderbaar fijne uitwerken en ineenvloeien laten van bepaalde functiën welke het organisch leven van de maatschappij samenstellen, vinden wij dat productie en consumptie hand aan hand gaan, maar dat productie voorafgaat. Iemand kan niet verbruiken, wat nog niet voortgebracht is. Economische voortbrenging is de natuurlijke uiting van menschelijke energie,—geen geslachts-energie maar ras-energie,—de onbewuste plichtsvervulling van het maatschappelijk organisme. Maatschappelijk georganiseerde menschen hebben de neiging om voort te brengen, zooals een klier om af te scheiden; dit ligt in den aard der zaak. De scheppingsdrang,de wensch om te maken, om de innerlijke gedachte in uiterlijken vorm te brengen,—alleen uit behoefte om te maken, niet uit behoefte aan het gemaakte,—is het meest kenmerkend karakter der menschheid. “Ik wil teekenen”, roept het kind, een potlood vragende. Het begeert niet te eten. Het wil teekenen. Het begeert niet iets in te brengen, maar het probeert iets uit te brengen. Meestal verlangt het iets te doen wat het heeft zien doen, om het even of het geldt het maken van een taartekorst of van scheermessen. De eerste kan het opeten, de laatste niet, maar dat maakt blijkbaar geen verschil. Dit is het natuurlijk voortbrengingsproces en wanneer het uitvoerbaar is, wordt het gevolgd door het natuurlijk verbruiksproces. Maar de consumptie is niet het voorname doel, de macht die regeert. Onder deze organische maatschappelijke wet komt, indien zij natuurlijk werkt, de evolutie van die kunsten en ambachten tot stand, in welker beoefening ons leven bestaat en van wier opbrengst wij leven. Zoo ontwikkelt de maatschappij in zich zelf,—scheidt af als ’t ware—den socialen bouw met zijn samengestelde inrichting; en waren andere dingen gelijk, dan zouden wij in de maatschappij even natuurlijk functioneeren alsof wij zoovele klieren waren.Maar andere dingen zijn niet gelijk. Het halve menschdom is van de vrije productieve uiting verstoken en gedwongen zijn menschelijken drang tot productie te beperken tot dezelfde wegen waar langs ook zijn geslachtsdrang tot reproductie uiting vindt. Zijn scheppend vermogen wordt beperkt tot het niveau van den rechtstreekschen persoonlijken lichamelijken dienst, tot het maken van kleederen en het bereiden van voedsel voor individuen. Geen maatschappelijke dienst wordt toegestaan. Terwijl de macht van de vrouw om te produceeren belemmerdwordt, neemt haar macht om te consumeeren onevenredig toe door den gullen toevoer van onverdiende gaven van den man. Eerstens heeft men de vrouw niet toegestaan vrij te produceeren en ten tweede bestaat er geen verhouding tusschen wat zij voortbrengt en wat zij verbruikt. Haar werkzaamheid is niet het natuurlijk gevolg van haar scheppende kracht, niet het werk dat zij doet omdat zij er de innerlijke macht en kracht toe heeft; noch geeft haar arbeid zelfs den maatstaf aan van hetgeen zij verdient. Zij bezit natuurlijk den aangeboren wensch om te consumeeren en men heeft daaraan geen andere grens gesteld, dan de macht of den wil van haar man.Zoodoende hebben wij in ons midden met moeite ontwikkeld en met zorg gekweekt een groote klasse van on-productieve verbruikers, een klasse die de halve wereld is en de moeder van de andere helft. Wij hebben in het menschenras den wensch en de gewoonte gekweekt om “te nemen” afgescheiden van zijn natuurlijken voorlooper of begeleider van “te maken”. Wij hebben deze eindelooze schare groote bloedzuigers voor ons zelf gemaakt, die allen roepen: “Geef! Geef!” Om voedsel te verbruiken, kleederen te verbruiken, huizen en meubelen en schilderijen en versierselen en amusementen te verbruiken, om eeuwig te nemen, te nemen, te nemen,—van één man als zij deugdzaam zijn, van velen als zij slecht zijn,—maar altijd te nemen en er nooit aan te denken om iets terug te geven dan alleen haar vrouw-zijn; dit is de gedwongen toestand van de moeders van ons ras. Het is geen wonder dat hare zonen in “zaken” gaan, om geld te maken. Het is geen wonder dat de wereld vervuld is van den wensch, om zooveel mogelijk trachten te krijgen en zoo weinig mogelijk te geven. Wat wonder ook dat wij hooge, innige liefde slechts bij naam kennen, met hier en daar een vreemde, mooie uitzondering,waarvan wij door onze bewondering de zeldzaamheid bewijzen.Neemt men in aanmerking dat de sterk ontwikkelde mannelijke energie met ruwe wreedheid op de arbeidsmarkt moet strijden als op een slagveld en dat de averechtsche toestand der vrouwelijke energie een onnatuurlijke begeerigheid aangekweekt heeft, dan spreekt het van zelf dat de industrieele ontwikkeling der menschheid bijzondere verschijnselen te aanschouwen geeft. Een van de mindere gevolgen van deze laatste omstandigheid, het beperken van de vrouwelijke werkzaamheid tot uitsluitend persoonlijke behoeften en de neiging van haren over-ontwikkelden geslachts-aard, om de zoogenaamde “plichten der vrouw” te overschatten, heeft een fijn uitgesponnen toewijding aan personen en persoonlijke behoeften doen ontstaan, niet met het doel om beter karakters te vormen, maar om de lichamelijke behoeften en genoegens hooger op te voeren. De vrouw en moeder, die den opkomenden vloed van de macht van het ras in dezelfde oude kanalen stort als weleer haar vroegste voorouders deden, voorziet voortdurend en met toenemende kracht alleen in de physische behoeften van het gezin. Zij doet dit natuurlijk gaarne. Maar het onderhoudt in de menschen een overdreven gevoel van waarde voor kleederen, voedsel en versierselen voor zich zelf, zonder dat men het werkelijk nut en de waarde voor het algemeen er van beseft. Het ontwikkelt persoonlijke zelfzucht.Doch ook, de verbruikende vrouw, uitgesloten als zij is van iedere vrije voortbrenging, is niet in staat het werk te waardeeren dat noodig was om haar al datgene te verschaffen, wat zij zoo lichtzinnig verbruikt. En daar haar verbruik zich hoofdzakelijk bepaalt tot die voorwerpen die haar zinnelijkheid streelen, is zij oorzaak dat de marktovervoerd wordt met zaken voor opschik en persoonlijke versierselen, met allerlei dingen die weelderig en ontzenuwend stemmen en dat wel in zulk een groote en grillige verscheidenheid dat zij een onoverkomelijk beletsel vormen voor de ware industrie en echte kunst. Als de priesteres van den tempel der consumptie, als de onbeperkte vraagster naar voorwerpen die zij verbruikt, is haar economische invloed reactionair en nadeelig. Veel, zeer veel van den stroom van nuttelooze productie waarin onze economische krachten doodloopen,—de kracht van den man uitloopend als water op mul zand,—is een gevolg van het scheppen en zorgvuldig handhaven van deze valsche markt, dien put waarin menschelijke arbeid wordt opgeslorpt, zonder dat er iets van terugkeert. De vrouw in haar valschen economischen toestand werkt nadeelig terug op industrie, op kunst, op wetenschap, op ontdekkingen en op vooruitgang. Door den invloed van de sexueel-economische verhouding op de lichaamsgesteldheid van het individu wordt in ons de drift naar oorspronkelijk individualisme levendig gehouden, waaraan wij anders reeds lang ontgroeid zouden zijn. Het maakt onze industrieele verhouding geslachtelijk en het maakt onze geslachts-verhouding tot handel. En als zichtbaar gevolg op de markt, verhindert en bederft de over-sekste vrouw, in haar onverstandig en voortdurend eischen, de economische ontwikkeling der wereld.

De eigenaardige vereeniging van functiën welke wij bestudeeren, heeft niet alleen een onmiddellijk gevolg op individuen door geslachts-handelingen en door de geslachtelijk-beheerschte individuen op de maatschappij, maar oefent evenzeer invloed uit op de maatschappij door economische handelingen en door de economisch beïnvloede maatschappij op het individu.

Door dit vraagstuk uit een economisch oogpunt te beschouwen, wordt het tegenwoordig duidelijk dat niet alleen onze eigen gezondheid en geluk en het voortplantingsproces er mede gemoeid zijn, maar eveneens de algemeene gezondheid en het algemeene geluk en het verloop der sociaal economische ontwikkeling. Nu de maatschappij in deze eeuw tegenover de ingrijpendste economische vraagstukken geplaatst wordt, hebben wij behoefte aan een duidelijk begrip van de factoren die daarop inwerken. Deze vraagstukken zijn nagenoeg geheel sociaal, meer nog dan physisch en betreffen niet de vraag of een bepaalde maatschappij in staat is om genoeg welvaart voort te kunnen brengen en te kunnen verdeelen om in haar onderhoud te voorzien, maar zij betreffen eenige slecht geregelde inwendige processen, die de voortbrenging en verdeeling belemmeren en die zulke ongeregelde en ziekelijke uitkomsten van niet-gevoed zijn, slecht-gevoed zijn en overvoeding opleveren, dat voortdurend de gezondheid en werkzaamheid van het sociale organisme daardoor benadeeld wordt. De moeilijkheid voor ons is niet om welvaart uit den grond te halen,maar om die elkander afhandig te maken. In de ontwikkeling der sociaal-economische verhoudingen doen zich verschijnselen voor, die analoog zijn met die welke onze ontwikkeling in de geslachts-verhouding vergezellen.

Toen de maatschappij nog in den primitieven toestand verkeerde en het menschelijk dier in zijn oorspronkelijken staat, toen waren de economische processen van zuiver individueelen aard. De hoeveelheid voedsel die ieder mensch verkreeg stond in rechtstreeksche verhouding tot zijn persoonlijke inspanning. Andere menschen waren voor hem zuiver ongewenschte mededingers naar dezelfde goederen, en hoe geringer hun aantal, hoe meer goederen er voor hem overbleven. Daarom doodde hij zooveel van zijn mededingers als mogelijk was. Gegeven een zekere hoeveelheid benoodigd voedsel, zooals de eetbare beesten of vruchten in een bosch en een zeker aantal individuen, die door eigen inspanning dit voedsel bemachtigen moesten, dan volgt daaruit, dat hoe grooter het aantal individuen, hoe geringer de hoeveelheid voedsel is die door elk van hen verkregen kon worden; en omgekeerd, hoe kleiner het aantal individuen, hoe meer voedsel door ieder verkregen kon worden. De oorspronkelijke wilde versloeg daarom zijn makker op het eerste gezicht op goede economische gronden. Dit is de individueele concurrentie tot het uiterste doorgedreven, doch volkomen logisch en in haar tijd economisch te rechtvaardigen. Die tijd is voor altijd voorbij. De grondslag van het menschelijk leven is vereeniging; de organische sociale verhouding; de onderlinge ruil van functioneele diensten, waarbij het individu het meeste voordeel heeft, is niet inspanning alleen voor eigen goederen, maar de ruil van zijn inspanning met de inspanning van anderen voor goederen door hen te zamen voortgebracht. Het ligt niet in mijne bedoeling hier eene communistische theorie te verdedigen,met gelijke verdeeling der voortgebrachte welvaart, maar om een eenvoudige waarheid in sociale economie te constateeren, dat rijkdom een maatschappelijk product is. Welke meening men ook is toegedaan omtrent de verdeeling der goederen, niemand kan loochenen dat de voortbrenging dier goederen, de vereenigde werkkracht van vele individuen vereischt. Van de eenvoudigste krachtvereeniging die menschen in staat stelt den mammoet te overwinnen of den steen te lichten, wat één alleen nooit had kunnen volbrengen, tot den fijn uitgesponnen en ingewikkelden onderlingen ruil in de verst doorgevoerde verdeeling van arbeid, waardoor het mogelijk wordt een modern huis te bouwen, rust de vooruitgang der maatschappij op toenemende samenwerking van de verschillende werkkrachten.

De evolutie van het organisch leven volgt een meetkundige reeks; cellen vereenigen zich en vormen organen; organen vereenigen zich en vormen organismen; organismen vereenigen zich en vormen organisatiën. De maatschappij is een organisatie. De maatschappij is de vierde macht van de cel. Zij is samengesteld uit individueele dieren van het geslacht mensch, die in organische betrekking tot elkander staan. In het verloop der sociale evolutie komt de organische verhouding tusschen de individuen langzamerhand tot stand en deze organische verhouding berust op zuiver economische gronden. In de eenvoudigste samenvoeging van de oorspronkelijke cellen was het de kracht der economische noodzakelijkheid die hen te zamen dreef en te zamen hield. Het was een voordeel voor hen om vereenigd te leven. Die het deden bleven bestaan en die het niet deden gingen te niet. Dit geschiedde eveneens bij de verschijning der meest samengestelde organismen, het was een voordeel voor hen om een complex van leden en organen tevormen in ondeelbare verhouding. Een zoo opgebouwd lichaam blijft bestaan, terwijl dezelfde massa ongeorganiseerde levensstof verdwenen zou zijn. En zoo gaat het letterlijk en precies in een samengestelde maatschappij, met al haar nauwkeurige specialiseering van individuen in kunsten en ambachten, handel en beroepen. Een zoo samengestelde maatschappij blijft bestaan, terwijl hetzelfde aantal levende ongeorganiseerde wezens zou verdwijnen. De verdeeling van arbeid en de ruil der producten in een maatschappelijk lichaam is in wezen identiek met de verdeeling en ruil van functiën in het lichaam van het individu. Volgens den geregelden loop der evolutie sluit dit proces in zich, dat de individueele inspanning voor het individueele welzijn langzamerhand ondergeschikt moet worden aan de collectieve inspanning voor het collectief welzijn, niet uit een zoogenaamd altruïsme, maar uit economische noodzakelijkheid voortspruitende. Het is voor het bestaan der maatschappij even noodzakelijk het leven zoo in te richten dat de individueele burgers samenwerken voor het sociale welzijn, als het voor het menschelijk lichaam noodzakelijk is dat handen en voeten, tanden en oogen, hart en longen samenwerken voor het individueel welzijn. De maatschappelijke evolutie leidt naar een toenemende verdeeling van functiën en naar een toenemende onderlinge afhankelijkheid van de samenstellende leden, met een wederkeerige afneming, door onbruikbaarheid, van den eens zoo waardevollen individueelen strijd voor het bestaan. Dit is gebaseerd zoowel op het individueele voordeel als op dat van de maatschappij.

Doch wanneer wij dit ontwikkelingsproces bestudeeren en met bewondering de progressieve veranderingen in de menschelijke verhouding opmerken, de nieuwe functiën, de uitgestrekte structuur, het toenemendegevoel voor de medeburgers met hunne talrijke gelegenheden voor pleizier en gezonde gevoeligheid voor pijn, dan worden wij getroffen door de zichtbare aanwezigheid van de een of andere tegenwerkende macht, die de normale ontwikkeling belemmert en de nadeeligste uitkomsten oplevert. Even als wij in onzen geregelden voortgang in geslachts-ontwikkeling belemmerd worden door verouderde impulsiën, die door valsche toestanden kunstmatig gehandhaafd worden, evenzoo zien wij in onzen geregelden voortgang in sociaal-economische ontwikkeling dit zelfde dwaze bestaan blijven van rudimentaire aandriften, die wij reeds lang gemakkelijk te boven hadden moeten zijn. Het is nu niet meer voordeelig voor iemand om te strijden voor eigen voordeel ten koste van anderen: zijn voordeel vereischt nu de gecoördineerde inspanningen van die anderen; toch blijft hij zoo voortstrijden.

In dit gebrek om overeenstemming te brengen tusschen de individueele en maatschappelijke belangen, liggen onze economische moeilijkheden. Dit kan men zien in fabrieken van bereide voedingsmiddelen. Dit werk kan onmogelijk door een enkel persoon gedaan worden, terwijl het in samenwerking zeer voordeelig is voor het individu;—een geheel natuurlijk economisch proces, voordeelig in verhouding tot de hoeveelheid en hoedanigheid van het bereide voedsel. Wij vinden echter steeds dat de producten van dezen arbeid verdund en vervalscht worden, ten nadeele van de maatschappij en ten voordeele van een enkel persoon, den fabrikant. Het is alsof een van de organen van ons lichaam,—de lever bijvoorbeeld,—haar aandeel in de afscheiding opzettelijk zou verzwakken of vergiftigen, opdat door minder te geven er meer voor haar kon overblijven en zij groot en vet kon worden. Een orgaan kan zoo iets doen, doet het zoo nu en dan,maar dat is een ziekelijke werking, die ziekte veroorzaakt. Het lichaam wordt dan benadeeld, verzwakt, verwoest en daardoor gaat ten slotte het orgaan ook te gronde. Het is een valsch begrip van voordeel, en de valschheid ligt in de niet-erkenning van de ware verhouding tusschen individueele en sociale belangen. Dit niet-erkennen of ten minste handelen alsof wij de sociale belangen niet kenden, door de individueele belangen meer te doen gelden, is de aanleidende oorzaak van onzen economischen tegenspoed. Daar de maatschappij uit individuen is samengesteld, moeten wij hun onze aandacht wijden om de oorzaak van deze ziekelijke maatschappelijke processen op te sporen, en aangezien de individuen handelen onder den druk van omstandigheden, moeten wij zien welke omstandigheden op de individuen invloed uitoefenen om die werking te veroorzaken.

In het algemeen ontwikkelen zich de menschen onder maatschappelijke wetten in goede richting, maar de een of andere geheimzinnige oorzaak schijnt hen telkens in een verkeerde richting te sturen. In de sexueel-economische verhouding ligt deze geheimzinnige oorzaak voor ons. Stonden wij nog op den individueel-economischen grondslag, dan zou de slechte invloed daarvan niet zulke ernstige ziekelijke gevolgen hebben gehad, maar nu wij in de sociaal-economische verhouding groeien, nemen de nadeelen met onze beschaving toe. De geslachts-verhouding is van het begin tot het einde individueel. Zij is een lichamelijke verhouding tusschen individueele lichamen. Omdat zij zich ook kan uitstrekken tot een geestelijke verhouding tusschen individueele geesten, daarom wordt zij nog geen sociale verhouding, hoewel zij haar persoonlijke ontwikkeling naar de sociale behoeften wijzigt.

De geslachts-verhouding is in haar geheele wezen en inhaar gevolgen persoonlijk, zij werkt door individuen op individuen en ontwikkelt tot groot voordeel van de maatschappij individueele karaktertrekken en bijzonderheden. De hoedanigheden die zich door de sociale verhouding ontwikkelen, worden door de geslachts-verhouding in het ras opgenomen, maar de geslachts-verhouding zelf is geheel persoonlijk. Daarentegen is onze economische verhouding, ofschoon oorspronkelijk individueel, door de sociale evolutie in steeds toenemende mate collectief geworden. Door nu de menschelijke geslachts-verhouding te vereenigen met de menschelijke economische verhouding, hebben wij een bestendig-individueel proces met een voortgaand-collectief proces vereenigd. Dit verschaft beiden een kracht, toenemende in directe verhouding tot onze socialisatie, en waar zulke onvereenigbare krachten op het sociale organisme inwerken, moet het ten slotte ondergaan.

Deze combinatie heeft, zooals reeds werd opgemerkt, op de geslachts-verhouding der individuen haar invloed uitgeoefend door er een neiging tot collectivisme met economisch voordeel in te brengen, zooals bij de prostitutie, kenmerkend voor ons ras, het best blijkt. Anderzijds heeft het op de economische verhouding der maatschappij haar invloed uitgeoefend, door er een neiging tot individualisme met geslachts-voordeel in te brengen, het best aangetoond in het veelvuldig opofferen van het algemeen welzijn aan persoonlijk voordeel, opdat het individu daardoor “zijn gezin kan onderhouden.” Wij zijn zoo gewend om het als een eersten plicht van een man te beschouwen om “zijn gezin te onderhouden”, dat wij een zeer sprekend voorbeeld van omkoopbaarheid en verdorvenheid noodig hebben om onze overtuiging in dezen aan het wankelen te brengen; maar als een sociologische wet wordt ieder stadium van de laagheid om denpublieken dienst tot een persoonlijk voordeel te maken, van de degradatie van den artist tot de exploitatie van den hulpeloozen onbekwamen werkman, als een ziekelijke maatschappelijke handeling gekenmerkt. Onze maatschappij moet gebaseerd zijn op onze algemeene toestemming, algemeen handelen, algemeene onderwerping aan den algemeenen wil.

Geen individueele belangen kunnen ook maar voor een oogenblik tegenover de belangen van het algemeen welzijn staan, zelfs niet wanneer de oorlog het laatste offer van persoonlijk bezit of het leven eischt, of wanneer de vrede de volkomen onderwerping vereischt aan de wet, de vastgestelde uitspraak van den volkswil. Het handhaven van “wet en orde” sluit den waren socialen geest in,—het opgaan van persoonlijk belang in het algemeen belang. Dit alles berust op de ontwikkeling van den maatschappelijken geest, het scherpe gevoel voor den maatschappelijken plicht, het nauwgezet volbrengen van den maatschappelijken dienst. Hier treedt het overdreven individualisme dat door onze sexueel-economische verhouding gehandhaafd wordt, als een sterke en toenemende nadeelige sociale factor op. Wij hebben zwakjes erkend dat het samengaan van de geslachts-verhouding met de economische verhouding van beide zijden niet bestaanbaar is, door scherp te veroordeelen dat de geslachts-functiën openlijk tot koopwaar worden gemaakt en door aan te sporen tot het ongehuwd blijven in collectieve instellingen. Vereenigingen van mannen of vrouwen, die door de hoogste godsdienstige gevoelens geleid worden tot een waardig leven en het dienen van de maatschappij, hebben in onze geslachts-verhouding altijd iets tegenstrijdigs gevonden. Zij hebben gemeend dat het in de verhouding zelf lag, en zagen niet dat het de economische zijdewas die haar tegenstrijdig maakte. Toch was deze handeling praktisch geoorloofd in het voortdurend bestaan van gemengde vereenigingen, waar de geslachts-verhouding bestaat in een vorm die niet erkend wordt en zonder het element van den economischen ruil. Het wordt ook aan de gehuwde zendelingen der Protestantsche kerk toegestaan, die door vrijwillige bijdragen onderhouden worden. Was de zendeling verplicht voor zich en voor zijne vrouw het levensonderhoud te verdienen, dan kon hij te weinig voor de zaak der zending doen.

De hoogste deugden in den mensch zijn volkomen vereenigbaar met de geslachts-verhouding, maar niet met de sexueel-economische verhouding. Dit wordt ons nog eens bewezen in de neiging tot samengaan in vereenigingen van ongehuwde mannen,—hun kameraadschappelijkheid, gelijkheid en onderlinge hulpvaardigheid,—vergeleken met de houding van diezelfde mannen tot elkander, zoodra zij gehuwd zijn. Hierin kan men ook de reden vinden waarom het organiseerend vermogen in mannen zooveel sterker is dan in vrouwen; hunne algemeen economische belangen dwingen hen met elkander in betrekking te treden, terwijl de geïsoleerde en zelfs tegenstrijdige belangen der vrouwen haar van elkander verwijderd houden. De toestand van individueel economische afhankelijkheid waarin de vrouwen leven, komt overeen met die van de wilden in het bosch. Zij worden haar economische goederen machtig door zich door persoonlijke inspanning een man te veroveren, allen wedijverende voor dit doel. Geen vereeniging is mogelijk. Het groot aantal meisjes in een badplaats doet ons in haar houding tegenover den kleinen groep jonge mannen onwillekeurig denken aan de naijverige wilden op een te klein jachtveld. Hier kan de economische reden gevonden worden voor de dikwijls opgemerkte bitterheid waarmedede deugdzame vrouwen haar gevallen zusters beschouwen. In gesloten rijen staan de deugdzame vrouwen opeen gepakt, weigerend om zich zelf te geven,—haar eenig economisch goed,—tenzij zij verzekerd zijn van een wettig huwelijk, een waarborg voor levenslang onderhoud. Wanneer bij beide geslachten de geboortecijfers gelijk waren, zou elke vrouw vrij wel zeker zijn dat haar eischen ingewilligd werden. Maar ook in dat geval komt de ondeugdzame vrouw tusschenbeide en biedt dezelfde zaken,—ofschoon van minder kwaliteit, dat is zeker,—voor een lageren prijs aan. Elk van zulke onwettige mededingsters vermindert de kans van de ongehuwde en het inkomen van de gehuwde vrouwen. Geen wonder dat dit de vrouwen die zich op waarde houden en op die wijze onderkropen worden tot bitterheid stemt. Het is dezelfde haat dien een werkman die lid is van zijn vakvereeniging, voelt voor den “onderkruiper”.

Aan den kant van de vrouw handhaven wij nog steeds de kracht van den oorspronkelijken individueelen wedijver in de wereld, wat natuurlijk ook door hare zonen wordt overgeërfd, en wordt daardoor de richting van den maatschappelijken vooruitgang, die juist co-operatie wil ontwikkelen, tegengehouden.

Aan den kant van den man ontstaat een zelfde gevolg uit een ander kenmerk der verhouding. De neiging tot individualisme met geslachts-voordeel komt in den man door een tegenovergesteld proces als in de vrouw werkt, tot ontwikkeling. Zij verdient haar levensonderhoud met het verkrijgen van een man. Hij verkrijgt zijn vrouw met het verdienen van een levensonderhoud. Het is haar individueel economisch voordeel om een man te bemachtigen. Het is zijn individueel geslachts-voordeel om zich economische voordeelen te verzekeren. De geslachts-functiën zijn voor haar economischefunctiën geworden. De economische functiën zijn voor hem geslachts-functiën geworden. Hierdoor is onze natuurlijke economische wedijver, die leidde tot economische co-operatie met het element van geslachts-wedijver—een geheel andere kracht—in de war gebracht.

Wedijver onder mannen, met een vrije keus der vrouwen om den besten te kiezen, is het proces der teeltkeus, dat tot verbetering van het ras voert. Voor zoo ver de man met zijne gelijken wedijvert in hooger en hooger bekwaamheden en de vrouw den winnaar kiest, ontstaat een direct algemeen voordeel. Maar er bestaat een ingrijpend verschil tusschen geslachts-wedijver en het huwelijk door koop. In het eerste geval overwint de man door wat hij kan doen, in het tweede door wat hij kan krijgen. De toenemende macht om te doen, overgebracht op de nakomelingen, is van groot voordeel voor het ras. Maar zuiver bezit, zonder de vraag op welke wijze het verkregen is, behoeft niet noodzakelijk voordeelig te zijn voor het individu als vader.

Door het geslachts-voordeel van den man op zijn gekochte macht te gronden, wordt de onmetelijke kracht van den geslachts-wedijver in het sociaal-economische veld geplaatst, niet enkel als een aansporing tot werken en uitvoeren, wat goed is, maar ook als een aansporing om persoonlijke winst te maken, op welke wijze dan ook verkregen, wat slecht is; zoodoende wordt onze wensch om te bezitten grooter en sterker en van daar de buitensporige inhaligheid van onze industrieele bevolking.

Het steekspel in de middeleeuwen was misschien een ruwe sport, met zijn verminkende kwetsuren, pijn en dood; maar met het aanvuren van: “Vooruit, moedige ridders, schoone oogen zijn op u gevestigd!” vertegenwoordigde het een gezonder proces dan onze modernehandelwijze, van zich eerst een middel van bestaan te verzekeren om de geslachts-verhouding te kunnen betalen. Door Jean Ingelow werd dit zeer goed bezongen:

Ik werkte ver opdat ik kon verdienenEen gezellig tehuis op Engelands grond;Ik zwoegde hard om veel te kunnen sparen.En had daarom mijn zwaren arbeid lief.

Ik werkte ver opdat ik kon verdienen

Een gezellig tehuis op Engelands grond;

Ik zwoegde hard om veel te kunnen sparen.

En had daarom mijn zwaren arbeid lief.

En steeds fluisterde het in mijn geest zeer zacht:“Hoe kalm en gelukkig zal mijn leven zijnAls een lieve vrouw en kleine kinderenHet door mij verdiende brood mede-eten.”

En steeds fluisterde het in mijn geest zeer zacht:

“Hoe kalm en gelukkig zal mijn leven zijn

Als een lieve vrouw en kleine kinderen

Het door mij verdiende brood mede-eten.”

De strijd die tegenwoordig in het hart van ieder goed mensch gevoerd wordt tusschen hetgeen hij “moest doen” en hetgeen hij “doet”, tusschen zijn goed werk en het werk om den broode, is zijn persoonlijk aandeel in dezen voortdurenden strijd tusschen sociaal-belang en eigen-belang. Voor hem zelf en door hem zelf zou hij blijde zijn als hij zijn beste werk kon leveren, als hij trouw kon zijn aan zijne idealen, als hij moedig verlies kon dragen ter wille van de waarheid. Maar het is even als een inschikkelijke kapitalist in: “Stel U In Zijn Plaats” zeide, toen zijn flinke jonge vriend—een ongehuwde—zich verwonderde dat hij op onrechtvaardige eischen van zijne werklieden inging: “Het huwelijk maakt een muis van een man.”

De jonge handelsman die de kronkelwegen in de geslachts-verhouding bewandelt, vindt in het dure onderhoud van zijne schoone afhankelijke een aanhoudende bedreiging voor zijn eerlijkheid en zijne verwachtingen in zaken. Wanneer diezelfde man trouwt, werken de behoeften van zijne vrouw dikwijls op dezelfde wijze. Het gevoel van de afhankelijkheid van het hulpelooze schepsel dat door hem gevoed moet worden, prikkeltniet tot meer moedbetoon, maar dwingt tot onderwerping. Dit op den voorgrond tredend onderscheid moet goed in het oog gehouden worden.

Wettige geslachts-wedijver doet al de goede eigenschappen van een man uitkomen. Om haar te behagen, om haar te winnen streeft hij er naar zijn best te doen. Maar de economische afhankelijkheid der vrouw van den man, met de daaruit voortvloeiende koopbaarheid, oefent een geheel anderen invloed op hem uit; het plaatst hem voor de noodzakelijkheid om dingen te verkrijgen, niet om dingen te doen. Op de laagste treden van den arbeidsladder, waar men niets verkrijgt zonder iets te doen en de werkman altijd meer doet dan hij verkrijgt, heeft dit niet zulke tastbare slechte gevolgen als op de hoogere treden, waar de beroepen en kunsten staan en het beste werk altijd boven de markt staat; werken voor de markt beteekent daar verlaging van arbeid. De jonge kunstenaar of dichter, de wetenschappelijke jonge man werkt ter wille van de kunst of van de wetenschap en zoo voor het welzijn van de maatschappij. Maar zoodra zij huwen, moeten zij geld verdienen, moeten dan werken voor hen die betalen willen, en die betalen willen zijn niet diegene die de vlag van den vooruitgang hoog houden. Den belangeloozen werkers voor het maatschappelijk welzijn is het zeer goed mogelijk gemeenschappelijke belangen te hebben, doch zoodra de geslachts-verhouding tusschen beide treedt, scheurt de solidariteit vaneen en lost zich op in kleine groepen van individuen, die vereenigd zijn alleen op grond van geslachts-vereeniging en zich druk maken alleen voor hunne persoonlijke belangen, ten koste van iemand of van iedereen.

Dat de geslachts-verhouding een slechten invloed uitoefent op de ras-werkzaamheden is tot de volksovertuigingdoorgedrongen en heeft uiting gevonden in het hartelooze gezegde: “Cherchez la femme”. Wanneer iemand zijn zaken slecht behartigt, den moed laat zakken, onverschilligheid toont, dan vragen zijn cynische vrienden: “wie is zij?” Niet voor niets zuchten de goede vrienden van een man wanneer hij trouwt, vooral wanneer hij iemand is met groote gaven. Maar naast dit oordeel van de wereld staat eveneens het vertrouwen in den veredelenden invloed der vrouw. De wereld heeft gelijk. Het kan evengoed het een als het ander zijn. Beide opinies zijn juist. De vrouw die alleen door de geslachts-verhouding of alleen door de individueel-economische verhouding invloed uitoefent, werkt veredelend op de maatschappij. De vrouw die door hardnekkig beide verhoudingen te vereenigen, een macht wordt in de maatschappij, oefent inderdaad een zeer vreemden invloed uit.

Een van de amusante kleine gevolgen van deze omstandigheden is dit: terwijl wij het gevolg van het huwelijk op de sociaal-economische verhouding en het gevolg van de sociaal-economische verhouding op het huwelijk hebben opgemerkt en gezien dat de trouwe dienaar van het gezin een slechte dienaar van de maatschappij en de trouwe dienaar van de maatschappij een slechte dienaar van het gezin was, en dat instellingen waar ongehuwden samenwonen een goed resultaat opleveren, maakten wij de conclusie dat alleen de ongehuwde staat met collectieve welvaart kan samengaan, iets dat wij niet wenschen. Daarom is de volksmeening zoo spoedig gereed om de socialistische theorieën gelijk te stellen met ondermijning van het huwelijk. Toen men inzag dat het huwelijk ons minder gezind maakte tot collectivisme, heeft men de gevolgtrekking gemaakt dat dan ook omgekeerd het collectivisme ons minder gezind moet maken om te trouwen,—dat “het gezinzal afgebroken worden” en dat het “de grondslagen van het familieleven zal aantasten.”

Wanneer wij ons eerst duidelijk voor den geest hebben gesteld dat een zuivere, duurzame, monogame geslachts-vereeniging bestaan kan zonder lokmiddel of koop, zonder de ijzeren boeien van economische afhankelijkheid, en dat mannen en vrouwen zoo vereenigd in geslachts-verhouding toch vrij zullen zijn om met anderen vereenigd te zijn in economische verhouding, dan zullen wij toewijding aan de menschheid niet meer beschouwen als een onnatuurlijk offer en collectieve welvaart als een zaak om te vreezen.

Buiten en behalve het handhaven van dit oorspronkelijk individualisme in het steeds toenemend collectivisme van het sociaal-economisch proces en het brengen van het beginsel van den geslachts-strijd in het nauwe veld van industrieelen wedijver, bestaat er nog een andere zijde van den slechten invloed dien de sexueel-economische verhouding op de maatschappelijke ontwikkeling uitoefent. Dit komt doordat de vrouw niet produceert en toch consumeert.

In de individueele ontwikkeling van het menschenras, dat wonderbaar fijne uitwerken en ineenvloeien laten van bepaalde functiën welke het organisch leven van de maatschappij samenstellen, vinden wij dat productie en consumptie hand aan hand gaan, maar dat productie voorafgaat. Iemand kan niet verbruiken, wat nog niet voortgebracht is. Economische voortbrenging is de natuurlijke uiting van menschelijke energie,—geen geslachts-energie maar ras-energie,—de onbewuste plichtsvervulling van het maatschappelijk organisme. Maatschappelijk georganiseerde menschen hebben de neiging om voort te brengen, zooals een klier om af te scheiden; dit ligt in den aard der zaak. De scheppingsdrang,de wensch om te maken, om de innerlijke gedachte in uiterlijken vorm te brengen,—alleen uit behoefte om te maken, niet uit behoefte aan het gemaakte,—is het meest kenmerkend karakter der menschheid. “Ik wil teekenen”, roept het kind, een potlood vragende. Het begeert niet te eten. Het wil teekenen. Het begeert niet iets in te brengen, maar het probeert iets uit te brengen. Meestal verlangt het iets te doen wat het heeft zien doen, om het even of het geldt het maken van een taartekorst of van scheermessen. De eerste kan het opeten, de laatste niet, maar dat maakt blijkbaar geen verschil. Dit is het natuurlijk voortbrengingsproces en wanneer het uitvoerbaar is, wordt het gevolgd door het natuurlijk verbruiksproces. Maar de consumptie is niet het voorname doel, de macht die regeert. Onder deze organische maatschappelijke wet komt, indien zij natuurlijk werkt, de evolutie van die kunsten en ambachten tot stand, in welker beoefening ons leven bestaat en van wier opbrengst wij leven. Zoo ontwikkelt de maatschappij in zich zelf,—scheidt af als ’t ware—den socialen bouw met zijn samengestelde inrichting; en waren andere dingen gelijk, dan zouden wij in de maatschappij even natuurlijk functioneeren alsof wij zoovele klieren waren.

Maar andere dingen zijn niet gelijk. Het halve menschdom is van de vrije productieve uiting verstoken en gedwongen zijn menschelijken drang tot productie te beperken tot dezelfde wegen waar langs ook zijn geslachtsdrang tot reproductie uiting vindt. Zijn scheppend vermogen wordt beperkt tot het niveau van den rechtstreekschen persoonlijken lichamelijken dienst, tot het maken van kleederen en het bereiden van voedsel voor individuen. Geen maatschappelijke dienst wordt toegestaan. Terwijl de macht van de vrouw om te produceeren belemmerdwordt, neemt haar macht om te consumeeren onevenredig toe door den gullen toevoer van onverdiende gaven van den man. Eerstens heeft men de vrouw niet toegestaan vrij te produceeren en ten tweede bestaat er geen verhouding tusschen wat zij voortbrengt en wat zij verbruikt. Haar werkzaamheid is niet het natuurlijk gevolg van haar scheppende kracht, niet het werk dat zij doet omdat zij er de innerlijke macht en kracht toe heeft; noch geeft haar arbeid zelfs den maatstaf aan van hetgeen zij verdient. Zij bezit natuurlijk den aangeboren wensch om te consumeeren en men heeft daaraan geen andere grens gesteld, dan de macht of den wil van haar man.

Zoodoende hebben wij in ons midden met moeite ontwikkeld en met zorg gekweekt een groote klasse van on-productieve verbruikers, een klasse die de halve wereld is en de moeder van de andere helft. Wij hebben in het menschenras den wensch en de gewoonte gekweekt om “te nemen” afgescheiden van zijn natuurlijken voorlooper of begeleider van “te maken”. Wij hebben deze eindelooze schare groote bloedzuigers voor ons zelf gemaakt, die allen roepen: “Geef! Geef!” Om voedsel te verbruiken, kleederen te verbruiken, huizen en meubelen en schilderijen en versierselen en amusementen te verbruiken, om eeuwig te nemen, te nemen, te nemen,—van één man als zij deugdzaam zijn, van velen als zij slecht zijn,—maar altijd te nemen en er nooit aan te denken om iets terug te geven dan alleen haar vrouw-zijn; dit is de gedwongen toestand van de moeders van ons ras. Het is geen wonder dat hare zonen in “zaken” gaan, om geld te maken. Het is geen wonder dat de wereld vervuld is van den wensch, om zooveel mogelijk trachten te krijgen en zoo weinig mogelijk te geven. Wat wonder ook dat wij hooge, innige liefde slechts bij naam kennen, met hier en daar een vreemde, mooie uitzondering,waarvan wij door onze bewondering de zeldzaamheid bewijzen.

Neemt men in aanmerking dat de sterk ontwikkelde mannelijke energie met ruwe wreedheid op de arbeidsmarkt moet strijden als op een slagveld en dat de averechtsche toestand der vrouwelijke energie een onnatuurlijke begeerigheid aangekweekt heeft, dan spreekt het van zelf dat de industrieele ontwikkeling der menschheid bijzondere verschijnselen te aanschouwen geeft. Een van de mindere gevolgen van deze laatste omstandigheid, het beperken van de vrouwelijke werkzaamheid tot uitsluitend persoonlijke behoeften en de neiging van haren over-ontwikkelden geslachts-aard, om de zoogenaamde “plichten der vrouw” te overschatten, heeft een fijn uitgesponnen toewijding aan personen en persoonlijke behoeften doen ontstaan, niet met het doel om beter karakters te vormen, maar om de lichamelijke behoeften en genoegens hooger op te voeren. De vrouw en moeder, die den opkomenden vloed van de macht van het ras in dezelfde oude kanalen stort als weleer haar vroegste voorouders deden, voorziet voortdurend en met toenemende kracht alleen in de physische behoeften van het gezin. Zij doet dit natuurlijk gaarne. Maar het onderhoudt in de menschen een overdreven gevoel van waarde voor kleederen, voedsel en versierselen voor zich zelf, zonder dat men het werkelijk nut en de waarde voor het algemeen er van beseft. Het ontwikkelt persoonlijke zelfzucht.

Doch ook, de verbruikende vrouw, uitgesloten als zij is van iedere vrije voortbrenging, is niet in staat het werk te waardeeren dat noodig was om haar al datgene te verschaffen, wat zij zoo lichtzinnig verbruikt. En daar haar verbruik zich hoofdzakelijk bepaalt tot die voorwerpen die haar zinnelijkheid streelen, is zij oorzaak dat de marktovervoerd wordt met zaken voor opschik en persoonlijke versierselen, met allerlei dingen die weelderig en ontzenuwend stemmen en dat wel in zulk een groote en grillige verscheidenheid dat zij een onoverkomelijk beletsel vormen voor de ware industrie en echte kunst. Als de priesteres van den tempel der consumptie, als de onbeperkte vraagster naar voorwerpen die zij verbruikt, is haar economische invloed reactionair en nadeelig. Veel, zeer veel van den stroom van nuttelooze productie waarin onze economische krachten doodloopen,—de kracht van den man uitloopend als water op mul zand,—is een gevolg van het scheppen en zorgvuldig handhaven van deze valsche markt, dien put waarin menschelijke arbeid wordt opgeslorpt, zonder dat er iets van terugkeert. De vrouw in haar valschen economischen toestand werkt nadeelig terug op industrie, op kunst, op wetenschap, op ontdekkingen en op vooruitgang. Door den invloed van de sexueel-economische verhouding op de lichaamsgesteldheid van het individu wordt in ons de drift naar oorspronkelijk individualisme levendig gehouden, waaraan wij anders reeds lang ontgroeid zouden zijn. Het maakt onze industrieele verhouding geslachtelijk en het maakt onze geslachts-verhouding tot handel. En als zichtbaar gevolg op de markt, verhindert en bederft de over-sekste vrouw, in haar onverstandig en voortdurend eischen, de economische ontwikkeling der wereld.


Back to IndexNext