VII

VIIEen toestand die reeds zoolang bestaat, zoo algemeen voorkomt en zoo standvastig was als de sexueel-economische verhouding in het menschdom, kon niet in den loop der sociale evolutie opgenomen en gehandhaafd zijn, indien hij geen natuurlijke oorzaken had gehad. De grootste kracht van den individueelen wil kon op den duur geen toestand gaande houden, waardoor de maatschappij zooveel nadeel berokkend wordt. Kerk en Staat en maatschappelijke vormen gaan met onzen vooruitgang mede, wij kunnen ze nooit lang tegenhouden, zoodra de tijd voor verderen vooruitgang gekomen is. Er is dus een tijd geweest dat de sexueel-economische verhouding voor de maatschappij voordeelig was. Nu zij dit niet meer is, is “de vrouwenbeweging” ontstaan en wij zien hoe van jaar tot jaar, van dag tot dag de toestand onder onze oogen verandert, ondanks ons traditioneel verzet. De verandering in deze bladzijden besproken, is dan ook niet voorspeld en wordt hier niet aanbevolen, zij heeft reeds onder de kracht der sociale evolutie plaats gevonden en zij behoeft alleen tot ons bewustzijn door te dringen om den nutteloozen maar prikkelenden tegenstand onzer zelfmisleiding te overwinnen.De aanvankelijke noodzakelijkheid van deze kenmerkende menschelijke verschijnselen ligt diep verscholen onder de elementaire krachten van het maatschappelijk leven. De verhoudingen die noodig waren om het individueel organisme tot stand te brengen, lieten ons inden steek toen zij dienst moesten doen bij de verdere ontwikkeling van organisatie, van het individueel tot het sociaal organisme. Samenwerking vereischt eerst het bestaan van een gemeenschappelijk belang en daarna de vestiging der gemeenschappelijke bewustwording. Het gemeenschappelijk belang der individueele cellen om op gemakkelijker manier aan voedsel te komen, bracht hen tot nauwer aaneensluiting. Toen dit nauwer verbond tot stand gebracht was, werd hun gemeenschappelijk bestaan een éénheid, één zijn, een iets met een eigen bewust leven. In de hoogste ontwikkeling van het meest samengesteld en fijnst uitgewerkt organisme gaat dit altijd door. Er moet een gemeenschappelijk belang bestaan, dat door al deze samenwerkende bedrijvigheid bevorderd wordt; en er moet een gemeenschappelijk bewustzijn aanwezig zijn, waardoor het zeer gemakkelijk wordt het gemeenschappelijk belang te dienen.Wanneer de samenstellende cellen in onze weefsels beginnen ineen te krimpen en door gebrek aan voedsel achteruit te gaan; wanneer de verschillende organen van ons lichaam vermoeid zijn van niets-doen en knorrig hun natuurlijke beweging eischen, dan zegt de mensch niet, “mijn weefsels eischen nieuwen toevoer”, of “mijn organen verlangen naar werk”, maar hij zegt: “Ik heb honger”. Dat “Ik”, de persoonlijke bewustheid, die de gewillige samenwerking van al de deelen van het lichaam leidt, zet zich aan het werk om voedsel te verkrijgen. De sociale evolutie berust op dit algemeen belang. Individueele menschen hebben bij zulk een sociaal verbond voordeel en daarom sluiten zij zulk een verbond. Zulk een verbond vereischt een gemeenschappelijk bewustzijn, waardoor de gecoördineerde werking kan plaats grijpen; en de geheele loop van sociale ontwikkeling wordt door de voortdurende uitbreiding van ditsociale bewustzijn en zijn noodzakelijk begeleidende gevolgen gekenmerkt.De taal is ons beste middel tot onderlinge gedachtewisseling en voert op tot letterkunde. Het menschelijk verstand is het maatschappelijk orgaan, waardoor wij onderling verbonden zijn. Daaruit vloeit de stroom der gedachten, die ons in staat stelt samen te werken. Door datgene wat het verstand met anderen gemeen heeft, kan men elkander begrijpen; en het is om die reden dat tot op zekere hoogte gemeenschappelijke opvoeding onontbeerlijk is voor vrije maatschappelijke ontwikkeling.In het allervroegste begin van dit proces, toen het menschelijk dier nog niets dan een dier was,—maar een individu,—ontstond reeds de gebiedende eisch voor de vaststelling van een algemeen bewustzijn tusschen deze tot hiertoe onverzoenlijke dieren. De eerste stap door de natuur in deze richting gedaan, wordt gevonden in de betrekking tusschen moeder en kind. Waar de jongen na de geboorte geheel afhankelijk blijven van de moeder; waar de functiën van een afzonderlijk levend lichaam de hulp noodig hebben van een ander afzonderlijk levend lichaam, daar bestaat een wederzijdsche behoefte, het eigenlijk instinkt, dat deze wederzijds op elkaar inwerkende persoonlijkheden te zamen houdt. Dat instinkt noemen wij liefde. Het kind heeft de moederborst noodig. De moederborst heeft behoefte aan het kind. Daardoor werd tusschen moeder en kind reeds liefde geboren, toen het vaderschap nog niets meer was dan een oogenblikkelijke gebeurtenis. Maar het gemeenschappelijk gevoel, de wederzijdsche aantrekking tusschen moeder en kind hield hier onvoorwaardelijk op. Zij was in omvang tot deze nauwste verhouding begrensd; in duur tot de periode der kindsheid.Het gemeenschappelijk belang van de menschen moet echter door de ras-eigenschappen gediend worden en niet hoofdzakelijk door de geslachts-functiën der vrouw of de plichten der moeder ten opzichte van haar kind. Toen het mannetje, door zijn aard gedreven, telkens inbreuk maakte op de vrijheid van het vrouwtje tot zij ten laatste tot den staat van economische afhankelijkheid gebracht was, matigde hij zich daarbij de positie van verzorger aan voor dit schepsel, dat niet langer in staat was voor zich zelf te zorgen. Hij was echter niet enkel verplicht in haar behoeften te voorzien, maar hij moest ook een deel van de gedwarsboomde moederplichten op zich nemen. Hij werd en bleef tot op heden een soort van man-moeder, in het scheppen van deze merkwaardige positie alleen staande. Het gemeenschappelijk belang, dat nu niet alleen tusschen moeder en kind, maar tusschen vader, moeder en kind bestond, ontwikkelde een verdergaand gemeenschappelijk gevoel. Aangezien de vader het kind niet door geslachts-functiën, maar door ras-functiën diende, leidde deze betrekking tot een veel verdere en duurzamere ontwikkeling dan die van de moeder alleen ooit kon bereikt hebben. Zoowel liefde als ijver zijn door de kracht der moederlijke energie in de wereld gekomen. Door den onvermoeiden wensch der moeder om haar jongen van dienst te zijn, begon zij het eerst met de beoefening der kunsten en bedrijven, waarvan wij thans leven. Toen de mannelijke wilde nog niets was dan een jager en strijder, op die wijze uiting gevende aan mannelijke energie, toen bracht de vrouwelijke wilde op dezelfde natuurlijke wijze haar behoudende kracht van vrouwelijke energie tot uitwerking. Zij verzamelde en bewaarde voedsel voor het kind, evenals de kiemcel, in de onbewuste stilte der natuur, voedsel verzamelt en bewaart. Zij omhuldehet kind met kleedingstukken en bouwde er een schuilplaats voor, even natuurlijk als zij te voren de ongeboren vrucht verwarmde en een schuilplaats bood in haar lichaam. Moederlijke energie, die door ons kunstig samengesteld lichaam naar buiten werkt, is de bron van productieven arbeid, is de voornaamste stroom van maatschappelijk leven.Doch niet voordat deze reuzenkracht zich met andere krachten kon vereenigen om coöperatief op te treden en zoodoende den verwoestenden invloed, die door den blinden wedijver der mannelijke energie ontstond, kon te boven komen, kon ons menschelijk leven zijn volle rasontwikkeling intreden. Dit werd door de onderdrukking van de vrije uiting der moederlijke energie in de vrouw en haar overbrenging op den man tot stand gebracht. De twee krachten werden daardoor vereenigd en door den man kwamen zij tot openbaring. Het was een van de kalme, eenvoudige wonderen der natuur, doch niet wonderlijker dan dat de natuur de onschuldige, gulzige bij, die meent dat zij eenvoudig haar voedsel zoekt, tot tusschenpersoon laat dienen om de vele bloemen gelegenheid tot voortplanting te geven. De bij mocht zich eens beleedigd toonen als zij wist welk ambt zij vervulde en dat de natuur het voedsel voor haar juist zoo geborgen had dat zij verplicht werd dezen dienst te vervullen. De onderwerping van de vrouw heeft tot een zeer hoogen graad de vermoederlijking van den man ten gevolge gehad. Hij werd nu gedwongen nieuwe functiën op zich te nemen, die voor mannelijke energie alleen onmogelijk waren. Hij moest nu beginnen iemand buiten en behalve zich zelf te leeren liefhebben en verzorgen. Hij moest leeren werken, dienen, menschelijk zijn. Door de hevig overprikkelde geslachtsdrift werd het menschelijk ras het lange, steile pad van vooruitgang opgeleid en opgedreven overalle hindernissen, door alle gevaren, de vergezellende verschijnselen van ziekte en zonde medevoerende (en deze overwinnende), in weerwil van alles hooger en hooger, totdat ten laatste een graad van ontwikkeling bereikt wordt, waarin de uitbreiding van menschendienst en menschenliefde een beteren weg mogelijk maakt. Door de werking van zijn eigen begeerten, door al het bijkomende kwaad, werd de man voor een deel moeder, waardoor beiden, man en vrouw, in staat waren mensch te worden. Het was een belangrijke stap in den vooruitgang van ons ras, een middel om tot een einddoel te geraken. Zij moet niet als een buitengewone moederlijke opoffering beschouwd worden, maar als een nieuw en volmaakt systeem van vaderlijke opoffering: het mannetje van het genus mensch door behoefte aan geslachtsbevrediging gedwongen tot het uitoefenen van moederlijke plichten. De natuurlijke verwoestende neigingen van den man werden langzamerhand in de behoudende neigingen van de vrouw omgezet en wel zoo in ’t oogloopend, dat het proces door de geheele geschiedenis heen opgemerkt werd. Door middel van de natuurkeus en onafgebroken oefening werden in het mannetje tot zijn groot voordeel het instinkt en de gewoonten van het vrouwtje tot ontwikkeling gebracht. In individueel economische verhouding was de vrouw afhankelijk van den man. Zij leefde in een staat van hulpelooze slavernij. Zij werd met onuitsprekelijke onrechtvaardigheid en wreedheid behandeld. Maar de processen in de natuur storen zich in ’t geheel niet aan zulke omstandigheden. Om de tegenstrijdige geslachtsneigingen van twee dieren zoodanig te vermengen dat zij een vruchtdragende macht van een zegevierend ras worden, wordt een pijnlijk proces vereischt, maar dat komt er niet op aan. Het was noodzakelijk en het werd volbracht. Er moet een eind komenaan de bittere gevoelens welke in deze eeuw tusschen de beide seksen ontstaan zijn. Hoewel de vrouw van heden recht heeft op een andere positie, behoeft zij over het verleden geen wrok te toonen, noch schaamte, noch gevoel van onrecht. Met een volkomen zekerheid van de vroegere superioriteit van haar sekse en de sociologische noodzakelijkheid van hare tijdelijke onderdrukking, behoorde zij alleen hoogen, teederen trots te voelen over haar eeuwenlang geduldig wachten en lijden, totdat de man langzaam kon opklimmen om het tot volkomen ras-gelijkheid met haar te brengen. Zij kon wachten; zij kon lijden.Het is hoog tijd dat vrouwen hare ware positie beginnen te begrijpen, voor nu en voor altijd, en te zien hoe weinig de lange jaren van slavernij die veranderd hebben. Het was niet in het belang van het ras om de behoudende levensprocessen zoo geheel alleen aan de vrouwen over te laten, en den man slechts de rol van tijdelijken bemiddelaar in de voortplanting en niets anders toe te bedeelen. Zijn grootte, kracht en woestheid,—bewonderenswaardige hoedanigheden tot instandhouding van een individueel dier,—waren niet de meest gewenschte eigenschappen om het menschelijk ras te ontwikkelen. Wij hebben het meest behoefte aan coördinatievermogen,—de gemakkelijkheid van vereenigen,—aan de macht om te maken en te bewaren, meer dan aan die om te verteren en te vernietigen. Dat waren vrouwelijke hoedanigheden. Uit eigen natuur handelende kon de man geen hoedanigheden openbaren die hij niet bezat. Als de meester van de vrouw zich verheffende, als haar dienaar geketend, heeft hij door die vreemde samenvoeging van functiën deze hoedanigheden onder de zware wet der noodzakelijkheid verworven. Oorspronkelijk werkten man en vrouw op verschillende wijze, hij verteerde en verwoestte, zij bewaarde en bouwde. Zij was de diepe,voortgaande voorname stroom van het leven, terwijl hij de werkzame variant was, die dat leven hielp wijzigen en uitbreiden, doch meer als helper dan als dader. Er waren en er zijn nog rassen die zich zelf voortplanten zonder de hulp van het mannelijk organisme,—bij de hermaphroditen en door parthenogenesis.Terwijl de evolutie der diersoorten voortschreed, vinden wij een lange reeks van werkdadige proefnemingen in mannetjes,—zeer zwakke, voorbijgaande en ondergeschikte verschijningen in den beginne,—zich langzamerhand ontwikkelende tot voller en voller gelijkheid met de vrouwtjes. In sommige lagere vormen, zooals in rotiferen, insekten en crustaceæ, worden de meest inferieure mannetjes gevonden, soms zijn zij er in het geheel niet, of als zij bestaan dan hebben zij geen ander nut dan als bemiddelaar bij de voortplanting. Het meest bekende voorbeeld hiervan komt bij de bijen voor, waar de hommel, nadat hij zijn functiën verricht heeft, sterft of anders door de krachtige mede-moeders van den zwerm omgebracht wordt. Ook de gewone spin heeft een zwak mannetje, dat al bevende zijn éénig klein doel uitvoert en dan door zijn vrouwtje opgegeten wordt. Zij isdespin, de aanhoudende vliegenvangster. Hij is niets anders dan een vruchtbaarmakende bemiddelaar. De kleine, groene plantenluis, die zoo menigvuldig op onze rozestruiken voorkomt, kan zich door parthenogenesis voortplanten, zoolang de omstandigheden gunstig zijn, dat wil zeggen, zoolang het warm en er genoeg te eten is. Zoodra echter de toestanden slechter worden, ontwikkelen er zich mannetjes en dan vindt de dualistische wijze van voortplanting plaats.In de twee groote levensprocessen van zelf-behoud en ras-behoud is het vrouwtje bij de lagere diersoorten voor het eerste altijd beter toegerust dan het mannetje envoor het ras-behoud draagt zij bijna den geheelen last. De korte duur van zijn functioneel nut is niets in vergelijking van den langen drachttijd voor haar en de diensten die zij in vele gevallen den jongen nog na hun geboorte bewijst. Ras-behoud is bijna geheel een vrouwelijke functie geweest, somtijds zelfs uitsluitend. Maar het is gebleken in het belang van het ras te zijn om twee hoog ontwikkelde ouders te hebben in plaats van een. Van daar dat gelijkheid van beide seksen langzaam ontwikkeld werd, niet alleen door het mannetje bij de voortplanting een belangrijker plaats te doen innemen, maar door ras-eigenschappen in hem, die tot nog toe slechts een voortplantende bemiddelaar was geweest, tot ontwikkeling te brengen. Het laatste stadium in dit proces was de verheffing van het mannetje van het geslacht mensch tot volle ras-gelijkheid met het vrouwtje en dit sloot haar tijdelijke onderwerping in. Haar lichamelijke en geestelijke neigingen zijn beide in het organisme van den man overgeplant geworden. Hij werd tot de werkende moeder van de wereld bevorderd. De sexueel-economische verhouding was noodzakelijk om het mannetje van het menschenras te verheffen en te verbreeden, te verdiepen en te verzachten, vrouwelijker en daardoor meer menschelijk te maken. Indien de vrouw haar geheele persoonlijke vrijheid en werkzaamheid behouden had, dan ware zij de meerdere van den man gebleven, maar zouden beiden in ontwikkeling zijn blijven staan. Aangezien de vrouw niet de neiging bezat om afwisseling in haar werkzaamheden te brengen, waardoor de man zich onderscheidde, vereenigde zich de uitzettende kracht van mannelijke energie met de behoudende en opbouwende macht van de vrouwelijke energie. De expansieve en veranderlijke mannelijke energie, die in den nieuwen toestand verplicht was te strijden vooropbouwenden arbeid, heeft dien arbeid meer vooruitgebracht en meer doen afwisselen dan wanneer dit alleen door toedoen der vrouw had moeten plaats vinden. Met haar rijkdom van macht en geduld, haar liefde tot werken en tot geven, verricht zij nog steeds dezelfde primitieve werkzaamheden. Hij ongeduldig wordende wanneer er hindernissen op zijn weg liggen, met zijn afkeer van werken, splitst zijn werk in duizende afzonderlijke werkzaamheden en spoort ontelbare wegen op om zijn taak te verlichten. Aangezien met mannelijke energie vrouwelijke functiën volbracht moesten worden, werd onze industrie tot hare tegenwoordige ontwikkeling gebracht. Zonder de economische afhankelijkheid van de vrouw, zou de man nog enkel de jager en vechter, de dooder, de verwoester zijn; terwijl zij nog steeds als de ijverige moeder, zonder verandering of verbetering, zou fungeeren.“Wat Israëls kinderen liefst opbouwden,Egypte’s kinderen liefst neerhouwden”.zegt een oud rijmtje, maar op die wijze zou de wereld niet veel verder komen. De vrouw heeft in haar ondergeschikte positie, onder allerlei bezwaren en door de dikke muren van haar gevangenis haar opbouwende kracht op den man overgebracht en door hem de opbouwing der wereld tot stand doen komen. Zijn zuiver individualistische energie, die alleen door de macht van geslachts-aantrekking in bedwang werd gehouden, had juist dezen vereenigingsvorm, met zijn sterk overdreven geslachtsleven noodig, om die taak te volbrengen. De abnormale geslachtsontwikkeling van de vrouw, door allerlei wetten in toom gehouden, heeft als een onstuimige bron gewerkt op den eenigen vrij handelenden persoon in de maatschappij,—den man. Door dezen sterken prikkel kon hij bergen verzetten. De geheele wereld heeft het opgemerkt en bewonderendheeft men geroepen: “O, ’t is liefde, ’t is liefde, ’t is liefde, waarom de wereld draait”. Dat was inderdaad zoo, of ten minste die heeft den man door de wereld voortgedreven in een langen zwerftocht van strijd en overwinning, van werken en zwoegen. En ieder man die bemint en zegt: “Ik ben de uwe, doe met mij wat gij wilt,” kent die macht en vereert haar.Tot zoo ver is de menschelijke ontwikkeling tot stand gekomen door de macht der mannelijke energie, die door den prikkel van de geslachtsdrift en door de opeengehoopte onderdrukte vrouwelijke energie tot werkzaamheid aangespoord werd. Vrouwen hebben haar periode van onderwerping betaald gekregen met een overwonnen wereld en de beschaving van den man.De vrouwen moeten, ondanks den zielestrijd en de lange donkere jaren van bitter leed, van schande en van afgrijzen, niet vergeten dat zij het ten minste zoo ver gebracht hebben en, dank zij de gezegende macht der heriditeit, niet zoo ten achter zijn gekomen, dat een paar geslachten van vrijheid hen niet weder op gelijken voet met hun tijd zal brengen. Wanneer de eeuwen van slavernij en oneer, van marteling en pijn, van grievende onrechtvaardigheid en vernederende onderdrukking de vrouwen lang toeschijnen, laten zij zich dan de geologische tijden, die millioenen en millioenen jaren te binnen roepen, toen onvolkomen ontwikkelde, pygmeïsche, parasitische mannetjes streden voor hun bestaan en al of niet door de vrouwtjes gebruikt werden, zooals dat het beste uitkwam. Welke reeks vrouwen of bijwijven werd ooit zoo’n onteerende plaats aangewezen als aan de vele mannetjes der cirrhopedes (een soort weekdieren), die door hunne zorgdragende vrouwtjes tusschen de schalen worden rondgedragen, omdat zij bang zijn er een of twee van te zullen verliezen! Geen verwaarloozing van oudeverwelkte vrouwen kan vergeleken worden met den smadelijken, onopgemerkten dood van den hommelbij, die mishandeld, uitgehongerd, in was gemetseld en alleen aangehouden wordt om voor een oogenblik zijn geslachts-functie uit te oefenen en zelfs daarvoor niet bepaald noodig is! Geen Blauwbaard-geschiedenis of wreedheid van een bruid-doodenden Oosterschen Koning kan in onbarmhartigheid wedijveren met de ruwe slachting van het ongelukkig kleine mannetje-spin, dat door zijn wreede echtgenoote op haar huwelijksmaal genuttigd wordt! In de geschiedenis der menschheid werd nooit tegen vrouwen zooveel geweld gepleegd als tegen die hulpelooze mannetjes in lagere diersoorten. Den grootsten duur van het leven is het vrouwtje de heerscheres op aarde geweest. Tot ons ras toe is het vrouwtje minstens altijd gelijk geweest aan het mannetje en in ons ras werd zij gedurende de vroegere ontwikkelingsperiode door het mannetje onder het juk gebracht voor zulk een groot rassenbelang, zulk een schoon en edel doel, dat dit offer nooit moest worden geteld, noch betreurd door de vrouwen die haar macht kennen. Om de opbouwing van het menschelijk leven op aarde mogelijk te maken heeft de vrouw zich zelf op den achtergrond geplaatst, en—inniger, teederder, liefderijker nog,—om haar woeste geslachtsmakkers tot een vrij en edel broederschap op te heffen, om de menschelijke ziel in hare dierbare zonen hooger op te voeren, zoude zij niet alleen dit verdragen hebben, maar zelfs meer,—en zij zou het glimlachend, edelmoedig, verheugd hebben gedragen voor hun geluk en dat van de wereld.Doch nu die lange periode van opoffering voorbij is, nu de tijd gekomen is dat noch de man, noch de wereld bij haar onderwerping meer voordeel heeft, nu zij langzamerhand er toe overgaat zich persoonlijk te uiten,in volle vrijheid te genieten van haar ras-bekwaamheden, zich te plaatsen op den troon in plaats van er achter, nu zou het harer onwaardig zijn om leedgevoel te toonen over hetgeen zij ondervonden heeft.Zoo moet het opgevat worden, zelfs wanneer men toestemt dat het individu en de gemeenschap groot nadeel ondervonden door in de vrouw de ras-ontwikkeling tegen te houden en de geslachts-ontwikkeling, met hare gevolgen, in de hand te werken. Zelfs wanneer men verder aanneemt dat onze groote toewijding aan het moederschap niet als een voordeel voor de menschheid kan worden beschouwd, dan blijft het toch waar dat onze sexueel-economische verhouding, met het gevolg dat het menschelijk leven alleen door den man vooruit gestuwd werd, door sterke geslachtsdrift tot werkzaamheid werd aangespoord, wat het welzijn van het individu en het ras, zooals reeds werd opgemerkt, op velerlei wijze heeft bevorderd; en wel door het overnemen van vrouwelijke functiën door den man; door het vermengen van beider hoedanigheden, waarvan onze tegenwoordige beschavingstoestand het resultaat is; door een hooger ontwikkelde strijdmacht in den man, waarvan ras-verovering, zoowel door oorlog als door handel, het gevolg was; door toenemende productiviteit, als gevolg van het op zich nemen van moederlijke functiën; en door dat de geslachts-verhouding in hoofdzaak afhankelijk werd van de macht van den man om er voor te kunnen betalen. Zelfs het moederschap heeft bij deze verhouding zijdelings gewonnen. Ofschoon de moeder zelf in haar moederdiensten rechtstreeks belemmerd werd, diende zij het ras veel meer door de mannen tot ijver te prikkelen dan door zelf eenig werk te verrichten; en het kind heeft ten slotte meer door de moederlijk-vaderlijke diensten geprofiteerd dan hetdoor de moederdiensten alleen zou hebben genoten.Men zal waarschijnlijk toestemmen dat dit alles vroeger zoo geweest is; maar dan zal onmiddellijk de vraag volgen: indien het zoo duidelijk is dat de onderwerping der vrouw vroeger nuttig en noodig was en dat de slechte, afschuwelijke sexueel-economische verhouding toch ten slotte in het belang van het ras was, hoe weten wij dan dat de tijd voor verandering is aangebroken? Hoofdzakelijk omdat wij reeds bezig zijn te veranderen. Maatschappelijke ontwikkeling komt niet tot stand door het verkondigen van nieuwe theorieën of door het schrijven van boeken. Toen Rousseau over gelijkheid schreef, werd het vrije Frankrijk reeds geboren, trilde de geest des tijds reeds in de menschelijke ziel, en wie ooren had om te hooren hoorde, wie schrijven kon schreef. De toestand der kettingslavernij, die haar natuurlijk einde naderde, deed Garrison en Phillips en Harriet Beecher Stowe ontwaken. Zij maakten de beweging niet. Het einde van de economische afhankelijkheid der vrouwen is nabij, omdat het nut er van voor het ras afnemende is. Wij hebben reeds een stadium van menschelijke verhoudingen bereikt, waarin wij onzen socialen plicht in botsing voelen komen met onze geslachtsbanden, die gedurende zulk een langen tijd de eenige banden zijn geweest die wij erkenden. De algemeene bewustwording der menschheid, de zin voor sociale behoeften en sociale plichten openbaart zich in mannen en vrouwen beiden. De tijd is aangebroken dat wij voor dieper en hooger prikkels dan die van de geslachts-drift vatbaar zijn; het sociale instinkt is thans sterk genoeg om ons tot volle werkzaamheid aan te sporen. Dit is duidelijk in den tweelingstrijd die heden ten dage de geheele wereld beroert,—den strijd tusschen de geslachten en tusschen de klassen,—“de vrouwenbeweging”en “de arbeidersbeweging”. Beide namen zijn niet geheel juist. Beide stempelen tot een klasse-gebeurtenis, wat inderdaad een sociale gebeurtenis is, en wat vraagstukken zijn, die het belang van het geheele menschdom in zich sluiten. Maar natuurlijk voelen de vrouwen het meest het pijnlijke van eigen toestand. Zij komen persoonlijk in opstand en meenen dat zij bij de verandering het meest zullen gebaat worden. Zoo gevoelt ook de arbeidende klasse het meest de toenemende onrechtvaardigheid van haar toestand en komt natuurlijk onder dezelfde overtuiging daartegen in verzet. Sociologisch beteekenen deze beide omstandigheden, welke sommigen zoo pijnlijk en zoo schrikwekkend vinden, slechts één ding,—de toeneming van sociale bewustwording. De vooruitgang van sociale organisatie heeft in gelijke mate individualisatie doen ontstaan, die ten slotte zelfs tot de vrouwen, zelfs tot den laagsten trap van onbekwame arbeiders, is doorgedrongen. Deze hoogere graad van individualisatie kenmerkt zich in een scherp persoonlijk bewustzijn van de gebreken van een toestand, die voorheen weinig gevoeld werden. Met deze hoogere ontwikkeling van het individueel bewustzijn en er een deel van uitmakende, gaat een evenredige toeneming van maatschappelijk bewustzijn gepaard. Wij hebben de ontwikkelingshoogte bereikt om voor elkander zorg te dragen.De vrouwenbeweging berust niet alleen op een hooger staande persoonlijkheid der vrouw en haar diepe verontwaardiging over onrechtvaardigheid, maar op het breede, diepe solidariteitsgevoel der vrouwen. De vrouwenbeweging is een harmonische beweging, gegrondvest op de erkenning van een algemeen kwaad en op het zoeken naar een algemeen goed. Hetzelfde is het geval met de arbeidersbeweging. Zij is niet ontstaan doordatde individueele werkman beter opgevoed, hooger ontwikkeld is dan de domme boer van vroeger, maar door dat met het scherper persoonlijk bewustzijn een grooter sociaal bewustzijn gepaard ging, zonder hetwelk geen klasse haar toestand verbeteren kan. De bijkomende eigenaardigheden van onze sexueel-economische verhouding hebben zich zóó ver ontwikkeld, dat zij het voortduren van deze verhouding verbieden. In de economische wereld hebben de overdreven mannelijkheid met haar woesten wedijver en primitief individualisme, en de overdreven vrouwelijkheid met haar overmatig verbruik en hinderlijke afhankelijkheid thans een stadium bereikt, waardoor zij meer kwaad dan goed uitrichten.De moderne vrouw die met elken dag zich meer gaat wijden aan een bepaald vak, waarvoor zij den vereischten aanleg van den zich voortdurend meer bekwamenden man heeft geërfd, komt door de zich ontwikkelende ras-hoedanigheden in opstand tegen de primitieve beperkingen van een zuiver sexueele verhouding. De wensch om te produceeren,—deze kenmerkende eigenschap van den mensch,—vergenoegt zich niet langer met een staat waarin alleen de reproductie van het geslacht wordt toegestaan. In ons tegenwoordig stadium van sociale evolutie wordt het voor de vrouwen steeds moeilijker en pijnlijker haar toestand van economische afhankelijkheid te verdragen en daarom scheppen zij zich een andere positie. Dit wil niet zeggen dat op een gegeven oogenblik alle vrouwen economisch onafhankelijk aaneengeschaard zullen staan, maar dat een langzaam aangroeiend aantal vrouwen, nu reeds zoo groot dat de geheele wereld ze opmerkt, bij de meest geavanceerde volkeren reeds dit vrije standpunt inneemt. Groote sociale verbeteringen komen langzaam, gelijkhet veel-golvig opkomen van den vloed; het zijn geen plotselinge sprongen over gapende kloven.Maar, behalve dat wij voor het eerst duidelijk bemerken dat onze vreemde verhouding haar einde nadert, kunnen wij ook zien, hoe zij door eigen werking krachten ontwikkelt, die aan haar bestaan of aan het onze een einde moesten maken. Door onze eigenaardige vereeniging der geslachten, waarbij de vrouw zich van den man bedient als middel om haar doel te bereiken,—de moeder-vader die het werk doet voor het hulpelooze wezen dat hij aan zijn hart koestert; de parasiet-gezellin die zelfs verslindt waar zij het meest moest voeden,—is de toestand geboren reeds herhaaldelijk aangeduid: dat de vrouw door den man onderhouden wordt uit geslachtslust. Uit vrees dat hij haar zal verliezen voedt hij haar, en door den nood gedwongen, ook haar jongen. Zij, haar voedsel verdienende door haar geslachtsleven wordt oversekst en werkt daardoor met steeds toenemende prikkeling op zijn geslachts-neigingen en daar deze neigingen verband moeten houden met zijn economisch kunnen, sporen zij hem tot economisch handelen aan en bevordert de vrouw zoodoende de nijverheid en elken vooruitgang. Maar,—en hier volgt nu het natuurlijke einde van een onnatuurlijken toestand, een toestand die wel is waar een tijdlang zijn doel diende, doch die de kiemen van eigen ondergang medevoerde—de geslachtsdrift, versterkt als zij werd door den abnormalen druk van de economische zijde der verhouding, werd zoo overdreven ontwikkeld, dat zij strekte tot vernietiging van individu en ras beide; en zulke karakter-hoedanigheden ontstonden daardoor, dat ook deze strekten tot ons nadeel en onze vernietiging.Een verhouding die onvermijdelijk een abnormale ontwikkeling voortbrengt, kan op den duur niet gehandhaafdworden. Het toepassen der geslachtsdrift als een sociale kracht heeft zulk een onbegrensde overdrijving van geslachtslust ten gevolge gehad, dat het sexueel in de onnatuurlijke ondeugden der moderne beschaving, en maatschappelijk in de gespannen economische verhouding tusschen voortbrenger en verbruiker, waardoor de maatschappij in tweeën is gedeeld, tot uitdrukking komt. De sexueel-economische verhouding dient om de sociale ontwikkeling tot een zekere hoogte op te voeren. Nadat die hoogte bereikt is, moet een hooger verhouding aangenomen worden òf het proces houdt op opheffend te zijn; het ras gaat dan te gronde door ziekelijke werking van eigen krachten en een jonger ras komt op, om het geheele verloop van sociale evolutie op nieuw te beginnen.Onder den prikkel der sexueel-economische verhouding verhief zich de eene beschavingstoestand na den anderen, om telkens weder onder te gaan in vermoeiende opeenvolging. Ons is het overgelaten een nieuwer, een beter vorm van geslachtsverhouding en daarmee gepaard gaande economische verhouding te ontwikkelen en zoodoende de vruchten te plukken van voorafgaande civilisatie en opgevoerd te worden tot hooger wezens. De ware en duurzame maatschappelijke vooruitgang, verder dan wij thans gekomen zijn, is gebaseerd op onderlinge menschenliefde, niet uitsluitend op onderlinge geslachtsliefde; hij vereischt een economisch samenstel dat voor menschelijke behoeften en niet voor geslachts-behoeften georganiseerd is. De sexueel-economische verhouding voerde den man tot die hoogte op, waarop hij volkomen mensch kan zijn. Zij verhief en ontwikkelde den menschelijken geest tot hij in staat was die groote sociale belangen te begrijpen en tevolbrengen, waarin een opvolgend leven zijn uiting moet vinden. Maarindien het menschdom deze nieuwe krachten niet ziet, ze niet voelt, ze niet trouw dient, dan wordt de hoogte van waar elke verdere vooruitgang moet voortschrijden niet bereikt, en daalt het weder. Telkens en telkens was de maatschappij reeds tot op die hoogte gestegen, bleef dan in gebreke de nieuwe plichten te aanvaarden en zonk terug.Thans zullen wij niet weder dalen, want het sociale bewustzijn is ten slotte zoo’n bezielende kracht in man en vrouw beide geworden, dat wij duidelijk gevoelen dat ons menschelijk leven niet ten volle door het geslachtsleven alleen geleefd kan worden. Wij zijn reeds zoo ver geïndividualiseerd, zoo ver gesocialiseerd, dat mannen kunnen werken zonder de aansporing van den overdreven geslachtsprikkel, werken voor een ander doel dan alleen voor vrouw en kinderen; terwijl de vrouwen, zonder in den slaafschen toestand van economische afhankelijkheid gebracht te zijn, kunnen liefhebben en dienen,—ja beter liefhebben en meer dienen. De geslachtsprikkel begint en eindigt in de individuen. De sociale zin is een hooger iets, een betere zaak, waar een breeder, edeler leven mede gepaard gaat, een leven zooals wij het nooit zullen leeren kennen, zoolang het alleen op een geslachts-basis rust.Daarenboven moet men goed begrijpen, wat reeds in wijden kring vaag gevoeld wordt, dat de hoogere ontwikkeling van het sociale leven, die op de economische onafhankelijkheid der vrouwen volgt, een hooger geslachtsleven mogelijk maakt dan tot dusver bekend was. Even snel als de mensch tot op een bepaalde hoogte in maatschappelijken vooruitgang stijgt, even snel verslijt en vergaat deze oorspronkelijke vorm van geslachts-vereeniging; dan gevoelt men ook hoe onvoldaan een zoodanige vereeniging laat en hoe kwetsend zij is. In hethedendaagsche leven is dit reeds duidelijk merkbaar. De lange, zekere, opgaande strooming van het menschelijk ras naar het monogame huwelijk wordt niet langer gesteund, maar belemmerd door de economische zijde van de verhouding. Het beste huwelijk is dat hetwelk gesloten is door de beste individuen; doch heden ten dage voelen de beste individuen van beide seksen zich steeds meer gekwetst door de economische basis van ons huwelijk, een basis die in mannen en vrouwen die eigenschappen en de daaruit voortvloeiende industrieele toestanden voortbrengt en in stand houdt, welke het huwelijk met elken dag moeilijker en wisselvalliger maken.Daarom moest de vrouwenbeweging door ieder rechtschapen en helderziend man zoowel als vrouw begroet worden als de beste vrucht van deze eeuw. De vooruitstrevende banier voert tot zinspreuk: “gelijkheid voor de wet”, de vrouw een aandeel in het politieke leven; maar de voornaamste vooruitgang is en zal zijn economische vrijheid en gelijkheid. Zoolang leven op aarde bestaat, zullen de economische voorwaarden van elken bestaanden levensvorm er den grondslag van vormen en den toestand beheerschen; het menschelijk leven maakt hierop geen uitzondering. Een maatschappij, wier economische eenheid een geslachts-verbond is, kan zich niet boven een zekere hoogte economisch ontwikkelen; evenmin als een maatschappij, zooals de patriarchale, wier politieke eenheid een geslachts-verbond was, zich boven een zekere hoogte politiek kon verheffen.De laatste bevrijding van het individu zal de laatste vereeniging van individuen mogelijk maken. Zoolang de zonen zich moesten buigen voor den wil van een patriarchalen vader was democratie een onmogelijkheid. Democratie beteekent, vereischt, is, persoonlijke vrijheid. Zoolang de sexueel-economische verhouding het huisgezinmaakt tot het doel waarvoor wij werken, is geen hooger samenleven dan wij thans bereikt hebben mogelijk. Doch zoodra de vrouwen vrije, economische, maatschappelijke factoren geworden zijn, wordt een volkomen maatschappelijke vereeniging van individuen met collectieve voortbrenging mogelijk. Met zulk een vèr strekkende vereeniging, wordt ook een vereeniging tusschen man en vrouw mogelijk, zooals de wereld zich die reeds lang te vergeefs gedroomd heeft.VIIIMet zoo’n onmisbare en ingrijpende verandering in het menschelijk leven als deze verandering van economischen grondslag in de positie der vrouwen, doen wij goed eindelijk meer aandacht te schenken aan de verklaring van alledaagsche feiten in ons gewone leven, die door elken oppervlakkigen lezer begrepen kunnen worden, indien hij ten minste weet, hoe hij moet lezen. In den regel begrijpen wij niets van de belangrijkste openbaringen aan de menschheid,—de teekenen des tijds. Geschiedkundige crisissen, welke langzaam haar hoogtepunt bereikt hebben, barsten plotseling over ons los, nog voor de overgroote meerderheid van het volk bemerkt dat er iets gaande is. Het eerste geweer dat te Fort Sumter werd afgeschoten, was een buitengewone verrassing voor de meeste burgers der Vereenigde Staten. Toen de adel van Frankrijk werd vernietigd, hadden slechts weinigen dit genoegzaam voorzien om het te voorkomen.Gelukkig wachten de wetten der sociale evolutie niet op onze erkenning of aanneming er van, zij gaan onverbiddelijk haar gang. Zoo is de verandering, grooter en belangrijker dan de wereld ooit aanschouwd heeft, het langzaam oprijzen van de eeuwenlang onderdrukte vrouw tot volkomen ras-gelijkheid met den man, reeds lang genoeg rondom ons gaande geweest, om opgemerkt te kunnen worden. Zij verscheen om velerlei redenen in Amerika eerder en sterker dan ergens elders.Het Anglo-Saksisch bloed, dat engelsch mengselwaarvan Tennyson zingt,—“Saksisch, Normandisch en Deensch zijn wij”,—toont de krachtigste uiting van den laatsten stroom van frisch rassen-leven van het Noorden; van deze krachtige rassen, waar de vrouwen meer gelijk waren aan de mannen en de mannen er niet minder mannelijk om waren. De sterke, levendige geest van den godsdienst-opstand in de nieuwe kerk, die protesteerde tegen en zich los maakte van de oude, deed de ziel der vrouw even goed als die van den man ontwaken en in de gelijkheid van het martelaarschap leerden beide seksen naast elkander staan. Daarna, in het durven en zich blootstellen, het harde werken en de bittere ontbering van het pioniers-leven der eerste kolonisten, was de aanwezigheid der vrouwen werkelijk van het hoogste belang en had haar arbeid groote economische waarde. Geslachts-afhankelijkheid werd bijna niet gevoeld. Zij die de kogels goot en de geweren laadde, terwijl de mannen ze afvuurden, was mede-verdediger van huis en haard. Zij die de wol kamde, verfde, spon en weefde was mede-kostwinner van het gezin. Mannen en vrouwen zonden te zamen hunne gebeden op, werkten te zamen en vochten te zamen in betrekkelijke gelijkheid. De ontwikkeling der democratie heeft ons echter meer dan alles de volmaaktste individualisatie gebracht die de wereld ooit aanschouwd heeft. Ofschoon dit in het politieke leven alleen door de mannen wordt geuit, is toch het karakter dat het heeft voortgebracht, ook door hun dochters geërfd. De democratische Federatie die in haar organische vereeniging terugwerkt op individuen, heeft in Amerika den geest der menschen zoo vrij gemaakt, zoo versterkt, zoo aangemoedigd, dat zij de slavernij hebben afgeworpen, en, door denzelfden prikkel in beweging gebracht, den langen strijd voor wettelijke gelijkstelling der vrouw zijn begonnen.Deze strijd is in Amerika reeds 50 jaren onvermoeid gestreden en nadert thans met snelle schreden zegevierend zijn einde. Het is niet alleen dat in vier Staten ten volle het kiesrecht wordt uitgeoefend door beide seksen, noch dat in vierentwintig andere Staten het kiesrecht voor een deel aan de vrouwen is toegekend, wat wij onder vooruitgang rekenen; maar wij vinden in de wettelijke en maatschappelijke, geestelijke en lichamelijke veranderingen het bewijs dat de moeder der wereld haar rechte plaats in de maatschappij gaat innemen. Hebben wij niet reeds opgemerkt dat de moderne vrouw in grootte, kracht en vlugheid gewonnen heeft? De moderne vrouw, die geest en lichaam staalt, vertegenwoordigt het nieuwe type, waarlijk een edel type. De heldinnen van novellen en drama’s hebben tegenwoordig reeds een ander karakter dan die van het begin dezer eeuw. Niet alleen dat men ze uiterlijk anders schetst, maar zij gedragen zich ook anders. De valsche sentimentaliteit, de valsche preutschheid, de valsche teederheid, de buitengewone valschheid van de overdreven complimenten en kruipende hoffelijkheid, welke met al die andere valschheden hand aan hand gaan, verdwijnen langzamerhand. De vrouwen beginnen oprechter, flinker, sterker, gezonder en werkzaam, bekwaam, vrij te worden, meer menschelijk in elk opzicht.De verandering in opvoeding is voor een groot deel de oorzaak hiervan en zal er later een gevolg van worden. Dag aan dag vallen hinderpalen neder. Meer en meer worden wegen voor de vrouw geopend waar zij haar geest kan verrijken, en gretig maakt zij daarvan gebruik. Niet alleen onze leerlingen, maar zelfs onze onderwijzers zijn meestal vrouwen. En het heldere en krachtige verstand der vrouwen toont telkenmale hoe onrechtvaardig de laffe beleediging was, waarmede menvroeger steeds verachtelijk sprak van “vrouwelijk verstand.” Vrouwelijk verstand bestaat niet. Hersenen zijn geen geslachtsorganen. Wij zouden even goed van een vrouwelijke lever kunnen spreken.Aanhoudend gaat de vrouw vooruit in kunsten en wetenschappen, handel en ambachten; doch het is zeer dom met deze betrekkelijke vorderingen aanspraak op superioriteit op dit gebied van vrouwen boven mannen te maken of zelfs hunne gelijkheid hieruit te willen afleiden. Meer voor dit doel geschikt, en wat ook gemakkelijker aangetoond kan worden, is de superioriteit der hedendaagsche vrouwen boven die van vroeger tijden, de onbegrensde nieuwe ontwikkeling van ras-hoedanigheden in de vrouw. Zouden wij ons nog in spreekwoorden uitdrukken, dan zouden onze moderne spreekwoorden niet meer met zulk een verpletterende, onbeteugelde verachting van de hedendaagsche vrouwen spreken, als deze onfeilbare uitspraken der volksmeening vroeger deden.De volksgeest van heden wordt weergegeven in novellen en romans, eenvoudige verzen en humoristische toespelingen. Onze verandering in omstandigheden en verandering van gevoelens blijkt uit hetgeen door de meeste auteurs vrij geschreven en door de meeste menschen vrij gelezen wordt. In oude romans was de vrouw alleen mooi, voornaam, deugdzaam en soms “talentvol”. Zij deed niets dan beminnen en haten, gehoorzamen of niet gehoorzamen, hier en daar werd zij aan schurken, helden en slechte ouders overgeleverd, werd uitgescholden, viel in zwijm of barstte in tranen uit, al naar het best bij de gelegenheid paste.De hedendaagsche roman ruimt de vrouw hoe langer hoe grooter plaats in de handeling van het verhaal in. Er worden persoonlijke bijzonderheden van haar vermeld, buiten en behalve haar lichamelijke schoonheid. En zij isniet meer tevreden met er eenvoudig “te zijn”, zij “doet” ook werkelijk iets. Onze romanheldinnen bezitten thans eigenschappen van moed, lijdzaamheid, kracht, overleg, en de macht om een goed overlegd plan snel uit te voeren. Zij hebben een eigen oordeel en een eigen doel, en zelfs wanneer, zooals in zoovele gevallen door de meer reactionaire novellisten beschreven wordt, de pogingen van de heldin volkomen nutteloos blijken en zij meestal vrij onberedeneerd ten slotte toch haar toevlucht neemt tot een huwelijk met economische afhankelijkheid, dan ontbraken toch de pogingen niet. Afkeuren mag hij, zijn kunst gebruiken om te veroordeelen en te verguizen mag hij, maar de ware novellist is verplicht om de kenmerkende verschijnselen van dezen tijd te boekstaven, en geen teeken is meer kenschetsend voor dezen tijd, dan de steeds toenemende individualisatie der vrouwen. Lichtelijk, doch met gelijke onfeilbare waarheid, vertoonen het vernuft en de humor tegenwoordig dezelfde ontwikkeling. De meeste van onze tegenwoordige aardigheden op vrouwen hebben betrekking op haar “nieuwheid”, haar geavanceerdheid.Geen sociologische verandering, die in belangrijkheid gelijk was aan deze duidelijk opgemerkte verbetering van een geheele sekse, heeft ooit in één eeuw plaats gegrepen. Onophoudelijk gaat de spil waar alles om draait, de groote verandering in de economische verhouding, haar gang. Zij volgt een geheel natuurlijke, richting. Even als het toenemend gebruik van machines de ruwe lichaamskracht in waarde doet verminderen en ontwikkeld verstand en ervaring in waarde doet stijgen, zoo eischt ook de druk van industrieele toestanden een steeds hoogeren graad van arbeidsverdeeling en leidt tot het verdwijnen van dit overblijfsel uit het patriarchale tijdperk,—het gezin als een economische eenheid.De vrouwen zijn door den druk der noodzakelijkheid tegen haar zin op het veld der economische werkzaamheid aangeland. Voor haar langzaamheid en begeerigheid, een gevolg van eeuwenlange afhankelijkheid, is die verandering volstrekt niet aantrekkelijk. Vele vrouwen werken alleen omdat zij moeten, en niet langer dan tot zij kunnen trouwen en “onderhouden worden.” Ook de mannen, die in de macht van het geld en in de geringe soort dankbaarheid en toewijding die er mede gekocht kan worden behagen scheppen, verwerpen en bestrijden de verandering; maar door dit alles wordt de loop van den socialen vooruitgang slechts weinig gewijzigd.Een sprekend feit is de toenemende wensch van jonge meisjes om onafhankelijk te worden, om een eigen loopbaan te hebben, ten minste voor een tijd, en het steeds aangroeiend bezwaar van tallooze gehuwde vrouwen om hun man nederig om geld te vragen, om te bedelen voor hun onderhoud. Meer en meer geven vaders hun dochters en mannen hun vrouwen een vast jaargeld—een afzonderlijk bedrag, dat zij naar eigen goedvinden kunnen gebruiken. Het gevoel van persoonlijke onafhankelijkheid bij de tegenwoordige vrouwen is een zeker bewijs dat er verandering is gekomen.De invoering der machines, waardoor een tijd geleden vele takken van industrie uit het huis verdreven werden, beroofde de vrouw geheel van hare economische waarde; maar thans verheft zij zich en volgt haar verloren spinnewiel en weefstoel naar hun nieuwe plaats, de fabriek. Er is tegenwoordig nauwelijks een industrie aan te wijzen waarin niet eenige vrouwen werkzaam gevonden worden. Door heel Amerika vindt men vrouwelijke werklieden buiten den onbetaalden arbeid van het gezin; bij de laatste volkstelling waren er reeds drie millioen. Dit is zulk een bekend feit en wordt op zoo verschillendewijzen door een zoo groot aantal personen gevoeld dat het tot herhaalde en breedvoerige bespreking en verschillende opvatting aanleiding geeft. Zonder ons hier te verdiepen in de onmiddellijke vóór- of nadeelen hiervan voor de industrie, halen wij dit alleen als een onbetwistbaar bewijs aan van de radicale verandering in de economische positie der vrouwen, zooals die zich thans aan ons voordoet. Voor onze oogen zien wij de vrouw van jaar tot jaar nieuwe banen betreden, maar met deze feiten uit een persoonlijk oogpunt te beschouwen, bleven wij in gebreke den aard der verandering naar waarde te schatten.Overwegen wij eens de veranderde gezins-verhouding, die met de verandering in de positie der vrouwen gepaard gaat. Geheel afgescheiden van de gespannen verhouding in het huwelijk, worden ook de andere takken van het familieleven door de vreemde nieuwe krachten geïnfluenceerd en beantwoorden er aan. “Toen ik een meisje was”, zucht de grijze moeder, “zaten wij zusters allen stil te naaien, terwijl moeder ons voorlas. Nu gaan mijn dochters allen naar een verschillende club!” Zij zucht, laat ons dat niet onopgemerkt laten. Wij voelen altijd bezwaar veranderingen in die uitingen van het leven te maken, waaraan wij een ethische beteekenis hebben gegeven. Dat al de dochters zouden naaien terwijl de moeder hardop voorlas, werd als goed beschouwd en daarom acht men het verkeerd dat de dochters naar verschillende clubs gaan, omdat hierin gevaar schuilt voor het huiselijk leven. In de periode van gezamenlijk naaien en lezen waren de zoo vergaderde vrouwen even nauw verwant in industrieele en intellectueele ontwikkeling als in familie-verwantschap. Zij konden allen hetzelfde werk doen en zij hielden er van om het te doen. Zij konden allen hetzelfde boeklezen en zij hielden er van om het te lezen. (En lezen werd een halve eeuw geleden, half als een deugd, half als een kunst beschouwd). Van daar het gemak waarmede zulk een groep vrouwen hun gemeenschappelijk werk en hun gemeenschappelijk genoegen opvatten.De steeds grooter wordende individualisatie door het democratisch leven brengt onvermijdelijk in onze dochters even goed als in onze zonen verandering. Niet alle meisjes houden meer van naaien, velen kunnen het zelfs niet. Nu bij elkaar te gaan zitten naaien, zou in plaats van een harmonisch proces te zijn, op verschillende wijze rusteloosheid, afkeer en zenuwachtige prikkelbaarheid te weeg brengen. En wat het hardop lezen aangaat, het is nu niet meer zoo gemakkelijk een boek te vinden, waarin een goed onderwezen gezin van moderne meisjes en de moeder allen te zamen belang zouden stellen. Met het zich meer specialiseeren, meer differentieeren van het menschenras worden de eenvoudige banden van het familieleven minder sterk gevoeld, terwijl de meer samengestelde banden van het sociale leven krachtiger tot ons spreken; en dit is voor vrouwen zoowel als voor mannen een volmaakt natuurlijk en gewild proces.Het moet in het voorbijgaan even worden opgemerkt, dat een van de oorzaken van hetgeen men “Americanitis” noemt, gevonden wordt in de toenemende zenuwachtige inspanning om het familieverband te behouden, wat voornamelijk op de vrouwen van invloed is. Nu zij persoonlijk meer zelfstandig worden, lijden zij meer onder de primitieve en onbeteekenende toestanden van het familieleven uit vroegeren tijd. Wat “een vrouw” en “een moeder” verondersteld werd volkomen geschikt te vinden, vindt de ontwikkelde vrouw van heden, die tevens een persoonlijkheid werd, dikwijls leelijk en ongeschikt,—een wantje waar zij een handschoenbegeert. De huiselijke zorgen en werkzaamheden die nog niet op de hoogte van den tijd zijn gebracht, laten haar toenemende ontwikkeling geen vrij spel. Waar de embryonische samenvoeging van kok-verpleegster-waschvrouw-kamermeid-huishoudster-naaister-kindermeid tevreden was met een “van alle markten thuis” en niets geheel meester te zijn, daar lijdt de vrouw, die zich in staat voelt in één van die zaken uit te munten, doch daarnaast minder van de andere af te weten dubbel, wanneer zij genoodzaakt wordt te doen waartoe zij zich niet in staat voelt en te laten wat zij goed zou kunnen doen. Het met zorg ontwikkeld modern verstand ondervindt door de botsing en schok van het wel een dozijn keeren daags veranderen van het soort arbeid een bepaald nadeel, een verlies van zenuwkracht. Met de breeder maatschappelijke ontwikkeling van de hedendaagsche vrouw gaat gepaard een geschiktheid en verlangen naar een ruimer arbeidsveld, naar een meer georganiseerde wijze van werken voor grooter doeleinden, waardoor het algemeen belang meer gediend wordt, terwijl de sterke persoonlijke grenzen van de meer primitieve huiselijke plichten, belangen en methoden steeds zwaarder gaan drukken. En deze druk en spanning moet met den vooruitgang der vrouwen grooter worden, totdat de nieuwe functioneele macht zich zelf een organische uiting verschaft en de verouderde huiselijke werkzaamheden onder handen genomen en georganiseerd worden, evenals de andere arbeid van het moderne leven.Onderwijl evenwel lijden de besten en de meest op den voorgrond tredende vrouwen zeer veel; de maatschappelijke vooruitgang wordt sterk belemmerd door de moeilijkheid om oude toestanden aan nieuwe levensvoorwaarden passend te maken. Men moet toch bedenken dat het niet de wezenlijke verhoudingen van vrouw enmoeder zijn, welke door deze verandering gewijzigd worden, maar dat alleen de huishoudelijke werkzaamheden die uit de economische afhankelijkheid van vrouw en moeder voortspruiten en die tot nu toe verondersteld werden een deel van haar functiën te zijn, veranderen zullen. De verandering die wij ondergaan maakt in geen enkel opzicht inbreuk op de ware familieverhoudingen, huwelijk, ouderschap; doch alleen op die onder-verhoudingen, die in een vroeger tijd tehuis behooren en nu langzamerhand gaan verdwijnen. De familie als een geheel, een economisch en maatschappelijke eenheid, blijft niet bestaan zooals zij was. De banden tusschen broeder en zuster, neven en nichten en bloedverwanten in het algemeen, worden langzamerhand minder sterk en zijn verplicht plaats te maken voor nieuwe banden, die een beter verbond zullen vormen.De verandering werkt opvallender bij vrouwen dan bij mannen, omdat onder haar langer de meer oorspronkelijke phasen van het familieleven bleven bestaan. Een van de meest in het oog vallende teekenen is de eisch der vrouwen niet alleen van eigen geld, maar van eigen werk, om zich persoonlijk te kunnen uiten. Zij die zich verzetten tegen vrouwen-arbeid op grond dat zij niet moeten wedijveren met mannen of niet verplicht moeten worden te strijden voor haar bestaan, beschouwen het werken alleen als middel om geld te verdienen. Zij moeten bedenken dat menschenarbeid een uiting van bekwaamheid is, dat “te doen” en “te maken” niet alleen hoog genot verschaft, maar dat het onontbeerlijk is voor een gezonde lichamelijke en geestelijke ontwikkeling. Slechts weinige hedendaagsche meisjes blijven in gebreke om op de een of andere wijze dezen wensch voor persoonlijke uiting te kennen te geven. Dit zien wij niet alleen in de klassen der maatschappij waarmen gedwongen is te werken, maar zelfs onder de rijke vrouwen vinden wij dezelfde krachtige uiting van normale ras-energie. Houtsnijden, ijzersmeden, photographeeren, japonnen maken volgens de regelen der kunst,—om het even wat het is, maar onze tegenwoordige meisjes willen allen iets doen. Het is een zeer gezonde toestand die wijst op de ontwikkeling van raskenmerken in de vrouwen en een evenredige vermindering van geslachtskenmerken, tot deze hun normale verhouding weder zullen hebben ingenomen.De vrouw ondergaat thans in lichaam en geest, in alles wat met het leven in verband staat een zegenrijke verandering; terwijl zij vroeger in hoofdzaak een geslachtswezen was, ontwikkelt zij zich thans tot een volmaakt menschelijk wezen dat niet minder een ware vrouw is, nu zij meer een waar mensch wordt. Wat ons beangstigt en mishaagt bij het zien van deze dingen komt voort uit ons dwaas wanbegrip dat ras-functiën mannelijke functiën zijn. Er wordt veel inspanning nutteloos verbruikt met te willen aantoonen dat vrouwen geslachtloos en mannelijk zullen worden, door deze menschelijke plichten op zich te nemen. Men zegt ons dat het voor de kindsheid en voor den ouderdom karakteristiek is slechts weinig geslachtelijk onderscheiden te zijn en dat aanneming van eigenschappen die de andere sekse eigen zijn, een verval of een onontwikkelden toestand bewijst. Bij elk ras zijn de jongen minder geslachtelijk onderscheiden en van de ouden van dagen zijn de kenmerkende geslachts-eigenschappen somtijds verwisseld, bijv. het kraaien van oude hennen of het groeien van een baard bij oude vrouwen. Het is om die reden dat men ons overtuigen wil dat de poging der vrouwen om mannelijke economische functiën te verrichten een verminderde beschaving bewijst en diep betreurd moetworden. Er zou eenige reden voor die opvatting zijn, indien de gewone ras-werkzaamheden van de menschheid, waaraan de vrouwen nu zoo ijverig deelnemen, inderdaad mannelijke functien waren. Maar dat zijn zij niet. Wij kunnen onze ziekelijke denkbeelden omtrent geslachts-onderscheid niet bespottelijker uitdrukken dan door dezen liefelijken eisch om alle menschelijke levensprocessen tot geslachts-functien van den man te verklaren. “Mannelijk” en “vrouwelijk” heeft alleen betrekking op reproductieve geslachts-functien, op de processen van ras-behoud. De processen van zelf behoud zijn ras-functien, anders voor iedere diersoort, doch gelijk voor beide geslachten.Indien kon aangetoond worden dat de hedendaagsche vrouwen een baard kregen of bijv. van bekkenbeenderen veranderden, of basstemmen ontwikkelden, of dat zij in hun nieuwe werkzaamheden de vernietigende kracht, den ruwen oorlogzuchtigen aard, of de intense geslachts-ijdelheid van den man vertoonden, dan zou er reden zijn om zich ongerust te maken. Maar men vond steeds bij elk onderzoek dat ingesteld werd naar vrouwen die werkzaam waren, dat zij toch vrouwen bleven, en dit schijnt voor vele eenvoudige zielen een verrassing geweest te zijn. Een vrouwelijk paard is niet minder vrouwelijk dan een vrouwelijke zeester, maar zij heeft meer functien. Zij kan meer dingen doen, is een hooger ontwikkeld organisme, heeft meer verstand, en met dit alles is zij zelfs vrouwelijker in haar meer uitgewerkte en verder strekkende voortplantingsprocessen. Zoo zal ook de “moderne vrouw” niet minder vrouw zijn dan de “ouderwetsche vrouw”, ofschoon zij ook meer functien verricht, meer dingen kan doen, een fijner ontwikkeld, organisme heeft en meer verstand bezit. Zij zal met dit alles vrouwelijker zijn, daardoor zal zij veel beter voorde kinderen zorg dragen dan met onze tegenwoordige verspillende, betreurenswaardige methode, waarbij wij, evenals een kabeljauw, vijftig percent van de jongen verloren laten gaan, mogelijk is. Een gehuwd paar, zegt de wetenschappelijke dictator in allen ernst, heeft gemiddeld vier kinderen noodig om de bevolking op de tegenwoordige hoogte te houden, twee om de ouders te vervangen en twee om dood te gaan,—een pleizierige manier van doen en eene die veel tot den goeden naam van ons moederschap bijdraagt!De snelle uitbreiding van den werkkring der moderne vrouw heeft niets te maken met de verwisseling van sommige mannelijke en vrouwelijke eigenschappen; dit is eenvoudig een voortgang in menschelijke ontwikkeling waarbij de eigenschappen aan beide seksen eigen, nu duidelijker aan het licht komen, en wat in zijne gevolgen zeer heilzaam is. Ieder die het leven rondom ons gadeslaat moet de verandering in de toestanden opmerken. Het is jammer dat wij het belang er van niet genoeg weten te waardeeren. Want de groei en het krachtig optreden van het gemeenschapsgevoel onder ons allen, is een even duidelijk en merkbaar teeken van het moderne leven als de verandering in de positie der vrouw, en beide zijn nauw verwant.Nooit te voren hebben de menschen zooveel voor anderen gevoeld. Van de beginnende uiting van grooter belangstelling in en hulpvaardigheid voor andere menschelijke wezens, tot aan de laatste uiting van de vage, blinde, weifelende beweging voor internationale rechtvaardigheid en wetten, worden de gemoederen heden ten dage in beroering gebracht. Het geheele maatschappelijk lichaam krijgt tegenwoordig plotselinge gevoelsrillingen, wanneer in het een of ander deel van de wereld groote droefheid of reden tot vreugde heerscht. Toenhet bericht van “de negerhut van Oom Tom” het hart van alle menschen had aangegrepen en in vuurgloed gezet had; het vuur van menschelijke liefde en medelijden dat in ons allen latent is en dat steeds verlangt naar een gelegenheid tot gemeenschappelijke uiting, toen bleek dat in elk beschaafd land de menschen van onzen tijd over sommige onderwerpen gelijk denken. Niets kon in den tijd van Perikles, Augustinus of zelfs van Elisabeth den geest zoo hebben wakker geschud, omdat de menschheid in dien tijd nog niet zoo ver gesocialiseerd en zoo ver geindividualiseerd was om in staat te zijn zoo gemeenschappelijk te voelen.Uitvindingen en wetenschappelijke ontdekkingen werken er voortdurend toe mede om de wereld thans tot eenheid te brengen. Dikwijls wordt beweerd dat het verstand van de Grieken of van de groote denkers der Middeleeuwen sterker en grooter was dan het verstand der hedendaagsche menschen. Misschien is dat waar. Evenzoo waren de lichamen van een megatherium (voorwereldlijk gordeldier) en een ichthyosaurus (voorwereldlijke hagedis) sterker en grooter dan de lichamen der hedendaagsche dieren. Toch stonden zij in organische ontwikkeling lager. De maatstaf voor maatschappelijken vooruitgang ligt niet zoozeer in de bekwaamheid van het individu, als wel in de organische verhouding der individuen, waardoor de vooruitgang van ieder afzonderlijk ten bate komt aan allen. Emerson heeft meer voor Amerika gedaan dan Plato kon doen voor Griekenland. Plato heeft inderdaad meer voor Amerika gedaan dan hij kon doen voor Griekenland, omdat door de drukpers en de openbare scholen het denken vrijer werd en wat gedacht werd gemakkelijker aan anderen kon worden medegedeeld.Menschelijke vooruitgang moet gezocht worden in hetvolmaken der maatschappelijke organisatie, en hierin gaan wij thans met reuzenschreden vooruit. Terwijl bij de meer oorspronkelijke volkeren alleen nadeel gevoeld werd, wanneer het individu daardoor aan zijn lichaam of in zijn persoonlijke belangen getroffen werd, en later wanneer het zijn natie of kerk betrof, is tegenwoordig het gevoel reeds zoo ontwikkeld, dat wij in verzet komen wanneer vreemde natiën onrechtvaardig behandeld worden. De beschaafde wereld heeft geleden onder de martelingen in Armenië, ofschoon de wijze waarop de maatschappij aan hare verontwaardiging lucht geeft nog niet de juiste is om het sociale gevoel en den socialen wil ten volle tot uitvoering te brengen.1Altijd ontstaat eerst de functie en dan het orgaan; het menschelijk hart en de menschelijke geest, welke het hart en de geest der maatschappij zijn, moeten eerst lang gevoeld en gedacht hebben, alvorens het maatschappelijk lichaam zich krachtig kan uiten.Het maatschappelijk voelen en denken wordt elken dag krachtiger en werkzamer. In onze lastige pogingen om tot internationale arbitrage te komen; in de half-gewilde verbonden en overeenkomsten tusschen groote volkeren; in de samenwerking der geheele menschheid om zeeën en bergen en woestijnen door stoom en electriciteit over te steken; in het vestigen van zulke wereld-functiën als de internationale postdienst;—in deze uiterlijke zaken begint onze maatschappelijke eenheid reeds te werken. Wie heeft op het meer bekende terrein van het huiselijk leven niet opgemerkt hoe velen van ons bestendig worden bezig gehouden voor de belangender gemeenschap, zelfs ten koste van hun eigen-belang. Aanvankelijk werden vrouwen die belangstelling toonden in den gang der maatschappij met spot overladen door zulke personen als een juffrouw Pieterse of mevrouw Smit, ofschoon enkele vrouwen, die zoo groot waren of zoo voor godsdienst en philanthropie ijverden, dat zij achting afdwongen, vrouwen als de heilige Elisabeth Frij, Clara Burton en Florence Nightingale, hieraan ontkwamen. Doch beide categorieën van vrouwen behooren tot denzelfden tijd, maken deel uit van dezelfde verschijnselen. Tegenwoordig is er in geheel Amerika, om niet van andere landen te spreken, nauwelijks één verstandige vrouw te vinden, die niet op de eene of andere wijze werkzaam deelneemt aan een maatschappelijk belang, die niet erkent, dat zij nog andere plichten te vervullen heeft, buiten die welke alleen haar eigen bloedverwanten ten goede komen.De beweging voor het vormen van verschillende bonden voor vrouwen is een van de belangrijkste sociologische verschijnselen van deze eeuw,—eigenlijk van alle eeuwen,—omdat zij de eerste bedeesde pogingen tot sociale organisatie van deze zoo lang ongesocialiseerde leden van ons ras aantoont. Het maatschappelijk leven moet onvoorwaardelijk organisatie ten grondslag hebben. De militaire organisatie welke vrede bevordert, de industrieele organisatie waardoor het leven onderhouden wordt en alle opvoedkundige, godsdienstige, liefdadige organisatiën welke voor onze hoogere behoeften zorgen, stellen de wezenlijke factoren van die sociale werkzaamheid samen, waarin wij als individuen leven en opgroeien; en het is daarom duidelijk dat, terwijl vrouwen aan deze organisatiën vroeger niet deelnamen, zij ook niet aan het sociale leven deelnamen. Haar hoofdzakelijke verhouding tot de maatschappij waseen persoonlijke, een dierlijke, een sexueele verhouding. Zij brachten de menschen voort waaruit de maatschappij was samengesteld, maar zij maakten geen deel uit van de maatschappij. Natuurlijk waren zij in hunne hoedanigheid onmisbaar, maar evenmin als wij voedsel een deel noemen van de maatschappij omdat de menschen niet bestaan kunnen zonder te eten, evenmin mogen wij de vrouwen een deel van de maatschappij noemen, omdat menschen niet bestaan kunnen zonder geboren te worden. Vrouwen hebben menschen gemaakt, die de wereld maakten en men behoeft geen vrees te koesteren dat zij niet altijd daarmede zullen voortgaan. Maar tot nu toe speelden zij een zeer onbeteekenende rol in de door haar zonen gemaakte wereld.De eenige vorm van organisatie voor de vrouwen was langen tijd de ongehuwde godsdienstige gemeenschap. Deze is haar altijd dierbaar geweest. Evenals thans vele vrouwen haar onafhankelijkheid niet willen opofferen voor een ongewenscht huwelijk, zoo vluchtten er vroeger velen voor een gevreesd huwelijk naar de gemeenschappelijke onafhankelijkheid van het klooster. De liefde der vrouwen voor de Kerk vindt haar grondslag niet alleen in godsdienstige gevoelens, maar in de zucht van den mensch om gezamenlijke belangen te dienen en gemeenschappelijken arbeid te verrichten; en de vrouwen konden daarvoor in de Kerk alleen bevrediging vinden. Daar konden zij ten minste te zamen zijn. Daar konden zij voelen met anderen, werken met anderen,—het hoogste menschelijk genot. Toen de Kerk haar werkzaamheden uitbreidde, vond zij overal in de vrouwen haar vlijtigste en vertrouwdste arbeiders. Te zamen te werken, te zamen fondsen te vormen voor een gemeenschappelijk doel, voor een nieuw gebouw of een nieuwe geestelijke, voor plaatselijke, liefdadige instellingen ofvoor zendingen in den vreemde,—als het maar betrof samenwerking voor andere behoeften dan die van het huisgezin,—dit is altijd met blijdschap door de strijdende menschelijke ziel der vrouwen aanvaard. Toen het mogelijk werd samen te werken voor andere dan godsdienstige doeleinden,—toen de vrouwen groote maatschappelijke belangen mochten dienen, bijv. het werk mochten doen in de ambulances gedurende den laatsten Amerikaanschen oorlog, waren zij overal onmiddellijk bereid in deze behoefte te voorzien. De oprichting en uitbreiding van de grootste vrouwen-organisatie, de Women’s Christian Temperance Union (christelijke-vrouwen-geheel-onthouders-vereeniging) heeft op nieuw aangetoond hoe bereidwillig het hart van de vrouw is, om andere dan persoonlijke belangen te dienen. Door heel Amerika verrijzen de vrouwenbonden thans als paddestoelen uit den grond. De bonden vereenigen en verbinden zich tot stedelijke bonden, staatsbonden, nationale bonden en zelfs tot wereldbonden. Met elken dag neemt het gevoel van menschelijke eenheid onder vrouwen toe. Dit niet op te merken is onmogelijk. Deze nieuwe groei in het sociale leven, dit plotseling en buitengewoon versterken van onze beste krachten in haar allereerste levensuiting niet met voldoening en bewondering gade te slaan, is alleen reeds een bewijs hoe blind wij zijn voor den waren menschelijken vooruitgang en hoe onverstandig wij zijn ons zoo te hebben gehecht aan ons buitensporig geslachts-kenmerk.Een van de meest gewaardeerde teekenen van dezen vooruitgang is de zielegrootheid die in het leven wordt uitgestort. Het is een overal opgemerkt feit dat onder den druk van ons modern zaken-leven de eerzucht en het idealisme aan het afnemen zijn en van lager gehalte worden. Wij worden opgevoed om overtuigingen geweten en eergevoel ondergeschikt te maken aan de eischen van succes in zaken, onze edelste gaven op te offeren voor de meest onedele praktijken, met de laffe verontschuldiging: “een mensch moet leven.”In deze levensphase komt thans een nieuwe geest,—de geest van vrouwen als Elisabeth Cady Stanton en Susan B. Anthony; van dr. Elisabeth Blackwell en haar schitterende zusterschaar; van al de vrouwen die geleden en gestreden hebben een halve eeuw lang, die met kracht den weg baanden met opoffering van zoo veel wat haar lief en dierbaar was, naar het veld van vrijheid, haar zoo lang ontzegd,—niet voor zich zelf alleen, maar ook voor anderen. Wij hebben het luide uitgebazuind dat de huishouding en het huisgezin onder zulk een loop van zaken zouden lijden. Wij hebben niet weinig er aan meegedaan de onaantrekkelijke en onvrouwelijke figuren onder deze vrouwen die de voorhoede vormden bespottelijk te helpen maken.Maar weinigen van ons dachten er over na, hoeveel geestkracht er noodig was om de lieve oude paadjes, door zoo vele voeten plat getreden, te verlaten en heel alleen nieuwe wegen te banen en die te volgen. De aard van de inspanning bracht mede en de aard van den tegenstand dien zij zich op den hals gehaald hadden leidde er toe, om de zachte bekoorlijkheden en bevalligheden van den over-vrouwelijken staat te verliezen; doch de vrouwen die volgen en zachtjes de treden beklimmen die deze groote voorgangsters zoo ijverig op gebouwd hebben, kunnen het nieuwe werk op de nieuwe wegen verrichten en toch veel behouden van hetgeen deze krachtige heldinnen hebben moeten opofferen.Niet doctor zijn maakt een vrouw onvrouwelijk, maar de behandeling welke de eerste vrouwelijke medischestudenten en doctoren van hare mannelijke collega’s ontvingen, was van dien aard dat het mannen onmannelijk maakte. Die tijd is reeds lang voorbij. De poorten zijn bijna alle geopend, ten minste in sommige landen;—de ras-bekwaamheden der vrouwen kunnen zich thans vrij ontwikkelen, zoo als uit den aard der zaak wel zal geschieden. Het voornaamste struikelblok ligt nu in het verwrongen karakter van de vrouw zelf.Hoe groot ook de vrouwen mogen zijn die in elk opzicht den hoogsten geest des tijds belichamen, de zware erfenis van de jaren die achter ons liggen blijft toch nog op ons drukken, er bestaan nog tallooze zwakke, kleinzielige vrouwen, die geen hooger begeerten kennen dan die van een verliefd guineesch biggetje. Ook deze vrouwen zullen tot werken gebracht en haar over-ontwikkelde geslachts-aard tot de normale ontwikkeling terug gevoerd worden, door het onzekere bestaan van een afhankelijk, onproductief leven. Zij moeten eerst erkennen dat zij benadeeld worden. Zij moeten de moeilijkheid waarin zij verkeeren begrijpen en die moedig en flink onder de oogen zien.Maar dit is een zaak van persoonlijke wilskracht, van subjectieve bewustwording. Wat wij in de zaak zien en waarin wij ons verheugen is dat, met of zonder haar bewusten wil, met of zonder de toestemming en de hulp van mannen, zelfs ondanks de historische dwaasheid van enkele vrouwen om zwaren tegenstand te bieden aan den vooruitgang der anderen,—het wijfje van ons ras zekere en snelle vorderingen maakt in menschelijke ontwikkeling.1Terwijl ik dit werk vertaal lijdt de gansche beschaafde wereld onder het onrecht, dat de Zuid-Afrikaansche Republieken door Engeland wordt aangedaan en het gevoel van onmacht om daaraan een eind te maken.

VIIEen toestand die reeds zoolang bestaat, zoo algemeen voorkomt en zoo standvastig was als de sexueel-economische verhouding in het menschdom, kon niet in den loop der sociale evolutie opgenomen en gehandhaafd zijn, indien hij geen natuurlijke oorzaken had gehad. De grootste kracht van den individueelen wil kon op den duur geen toestand gaande houden, waardoor de maatschappij zooveel nadeel berokkend wordt. Kerk en Staat en maatschappelijke vormen gaan met onzen vooruitgang mede, wij kunnen ze nooit lang tegenhouden, zoodra de tijd voor verderen vooruitgang gekomen is. Er is dus een tijd geweest dat de sexueel-economische verhouding voor de maatschappij voordeelig was. Nu zij dit niet meer is, is “de vrouwenbeweging” ontstaan en wij zien hoe van jaar tot jaar, van dag tot dag de toestand onder onze oogen verandert, ondanks ons traditioneel verzet. De verandering in deze bladzijden besproken, is dan ook niet voorspeld en wordt hier niet aanbevolen, zij heeft reeds onder de kracht der sociale evolutie plaats gevonden en zij behoeft alleen tot ons bewustzijn door te dringen om den nutteloozen maar prikkelenden tegenstand onzer zelfmisleiding te overwinnen.De aanvankelijke noodzakelijkheid van deze kenmerkende menschelijke verschijnselen ligt diep verscholen onder de elementaire krachten van het maatschappelijk leven. De verhoudingen die noodig waren om het individueel organisme tot stand te brengen, lieten ons inden steek toen zij dienst moesten doen bij de verdere ontwikkeling van organisatie, van het individueel tot het sociaal organisme. Samenwerking vereischt eerst het bestaan van een gemeenschappelijk belang en daarna de vestiging der gemeenschappelijke bewustwording. Het gemeenschappelijk belang der individueele cellen om op gemakkelijker manier aan voedsel te komen, bracht hen tot nauwer aaneensluiting. Toen dit nauwer verbond tot stand gebracht was, werd hun gemeenschappelijk bestaan een éénheid, één zijn, een iets met een eigen bewust leven. In de hoogste ontwikkeling van het meest samengesteld en fijnst uitgewerkt organisme gaat dit altijd door. Er moet een gemeenschappelijk belang bestaan, dat door al deze samenwerkende bedrijvigheid bevorderd wordt; en er moet een gemeenschappelijk bewustzijn aanwezig zijn, waardoor het zeer gemakkelijk wordt het gemeenschappelijk belang te dienen.Wanneer de samenstellende cellen in onze weefsels beginnen ineen te krimpen en door gebrek aan voedsel achteruit te gaan; wanneer de verschillende organen van ons lichaam vermoeid zijn van niets-doen en knorrig hun natuurlijke beweging eischen, dan zegt de mensch niet, “mijn weefsels eischen nieuwen toevoer”, of “mijn organen verlangen naar werk”, maar hij zegt: “Ik heb honger”. Dat “Ik”, de persoonlijke bewustheid, die de gewillige samenwerking van al de deelen van het lichaam leidt, zet zich aan het werk om voedsel te verkrijgen. De sociale evolutie berust op dit algemeen belang. Individueele menschen hebben bij zulk een sociaal verbond voordeel en daarom sluiten zij zulk een verbond. Zulk een verbond vereischt een gemeenschappelijk bewustzijn, waardoor de gecoördineerde werking kan plaats grijpen; en de geheele loop van sociale ontwikkeling wordt door de voortdurende uitbreiding van ditsociale bewustzijn en zijn noodzakelijk begeleidende gevolgen gekenmerkt.De taal is ons beste middel tot onderlinge gedachtewisseling en voert op tot letterkunde. Het menschelijk verstand is het maatschappelijk orgaan, waardoor wij onderling verbonden zijn. Daaruit vloeit de stroom der gedachten, die ons in staat stelt samen te werken. Door datgene wat het verstand met anderen gemeen heeft, kan men elkander begrijpen; en het is om die reden dat tot op zekere hoogte gemeenschappelijke opvoeding onontbeerlijk is voor vrije maatschappelijke ontwikkeling.In het allervroegste begin van dit proces, toen het menschelijk dier nog niets dan een dier was,—maar een individu,—ontstond reeds de gebiedende eisch voor de vaststelling van een algemeen bewustzijn tusschen deze tot hiertoe onverzoenlijke dieren. De eerste stap door de natuur in deze richting gedaan, wordt gevonden in de betrekking tusschen moeder en kind. Waar de jongen na de geboorte geheel afhankelijk blijven van de moeder; waar de functiën van een afzonderlijk levend lichaam de hulp noodig hebben van een ander afzonderlijk levend lichaam, daar bestaat een wederzijdsche behoefte, het eigenlijk instinkt, dat deze wederzijds op elkaar inwerkende persoonlijkheden te zamen houdt. Dat instinkt noemen wij liefde. Het kind heeft de moederborst noodig. De moederborst heeft behoefte aan het kind. Daardoor werd tusschen moeder en kind reeds liefde geboren, toen het vaderschap nog niets meer was dan een oogenblikkelijke gebeurtenis. Maar het gemeenschappelijk gevoel, de wederzijdsche aantrekking tusschen moeder en kind hield hier onvoorwaardelijk op. Zij was in omvang tot deze nauwste verhouding begrensd; in duur tot de periode der kindsheid.Het gemeenschappelijk belang van de menschen moet echter door de ras-eigenschappen gediend worden en niet hoofdzakelijk door de geslachts-functiën der vrouw of de plichten der moeder ten opzichte van haar kind. Toen het mannetje, door zijn aard gedreven, telkens inbreuk maakte op de vrijheid van het vrouwtje tot zij ten laatste tot den staat van economische afhankelijkheid gebracht was, matigde hij zich daarbij de positie van verzorger aan voor dit schepsel, dat niet langer in staat was voor zich zelf te zorgen. Hij was echter niet enkel verplicht in haar behoeften te voorzien, maar hij moest ook een deel van de gedwarsboomde moederplichten op zich nemen. Hij werd en bleef tot op heden een soort van man-moeder, in het scheppen van deze merkwaardige positie alleen staande. Het gemeenschappelijk belang, dat nu niet alleen tusschen moeder en kind, maar tusschen vader, moeder en kind bestond, ontwikkelde een verdergaand gemeenschappelijk gevoel. Aangezien de vader het kind niet door geslachts-functiën, maar door ras-functiën diende, leidde deze betrekking tot een veel verdere en duurzamere ontwikkeling dan die van de moeder alleen ooit kon bereikt hebben. Zoowel liefde als ijver zijn door de kracht der moederlijke energie in de wereld gekomen. Door den onvermoeiden wensch der moeder om haar jongen van dienst te zijn, begon zij het eerst met de beoefening der kunsten en bedrijven, waarvan wij thans leven. Toen de mannelijke wilde nog niets was dan een jager en strijder, op die wijze uiting gevende aan mannelijke energie, toen bracht de vrouwelijke wilde op dezelfde natuurlijke wijze haar behoudende kracht van vrouwelijke energie tot uitwerking. Zij verzamelde en bewaarde voedsel voor het kind, evenals de kiemcel, in de onbewuste stilte der natuur, voedsel verzamelt en bewaart. Zij omhuldehet kind met kleedingstukken en bouwde er een schuilplaats voor, even natuurlijk als zij te voren de ongeboren vrucht verwarmde en een schuilplaats bood in haar lichaam. Moederlijke energie, die door ons kunstig samengesteld lichaam naar buiten werkt, is de bron van productieven arbeid, is de voornaamste stroom van maatschappelijk leven.Doch niet voordat deze reuzenkracht zich met andere krachten kon vereenigen om coöperatief op te treden en zoodoende den verwoestenden invloed, die door den blinden wedijver der mannelijke energie ontstond, kon te boven komen, kon ons menschelijk leven zijn volle rasontwikkeling intreden. Dit werd door de onderdrukking van de vrije uiting der moederlijke energie in de vrouw en haar overbrenging op den man tot stand gebracht. De twee krachten werden daardoor vereenigd en door den man kwamen zij tot openbaring. Het was een van de kalme, eenvoudige wonderen der natuur, doch niet wonderlijker dan dat de natuur de onschuldige, gulzige bij, die meent dat zij eenvoudig haar voedsel zoekt, tot tusschenpersoon laat dienen om de vele bloemen gelegenheid tot voortplanting te geven. De bij mocht zich eens beleedigd toonen als zij wist welk ambt zij vervulde en dat de natuur het voedsel voor haar juist zoo geborgen had dat zij verplicht werd dezen dienst te vervullen. De onderwerping van de vrouw heeft tot een zeer hoogen graad de vermoederlijking van den man ten gevolge gehad. Hij werd nu gedwongen nieuwe functiën op zich te nemen, die voor mannelijke energie alleen onmogelijk waren. Hij moest nu beginnen iemand buiten en behalve zich zelf te leeren liefhebben en verzorgen. Hij moest leeren werken, dienen, menschelijk zijn. Door de hevig overprikkelde geslachtsdrift werd het menschelijk ras het lange, steile pad van vooruitgang opgeleid en opgedreven overalle hindernissen, door alle gevaren, de vergezellende verschijnselen van ziekte en zonde medevoerende (en deze overwinnende), in weerwil van alles hooger en hooger, totdat ten laatste een graad van ontwikkeling bereikt wordt, waarin de uitbreiding van menschendienst en menschenliefde een beteren weg mogelijk maakt. Door de werking van zijn eigen begeerten, door al het bijkomende kwaad, werd de man voor een deel moeder, waardoor beiden, man en vrouw, in staat waren mensch te worden. Het was een belangrijke stap in den vooruitgang van ons ras, een middel om tot een einddoel te geraken. Zij moet niet als een buitengewone moederlijke opoffering beschouwd worden, maar als een nieuw en volmaakt systeem van vaderlijke opoffering: het mannetje van het genus mensch door behoefte aan geslachtsbevrediging gedwongen tot het uitoefenen van moederlijke plichten. De natuurlijke verwoestende neigingen van den man werden langzamerhand in de behoudende neigingen van de vrouw omgezet en wel zoo in ’t oogloopend, dat het proces door de geheele geschiedenis heen opgemerkt werd. Door middel van de natuurkeus en onafgebroken oefening werden in het mannetje tot zijn groot voordeel het instinkt en de gewoonten van het vrouwtje tot ontwikkeling gebracht. In individueel economische verhouding was de vrouw afhankelijk van den man. Zij leefde in een staat van hulpelooze slavernij. Zij werd met onuitsprekelijke onrechtvaardigheid en wreedheid behandeld. Maar de processen in de natuur storen zich in ’t geheel niet aan zulke omstandigheden. Om de tegenstrijdige geslachtsneigingen van twee dieren zoodanig te vermengen dat zij een vruchtdragende macht van een zegevierend ras worden, wordt een pijnlijk proces vereischt, maar dat komt er niet op aan. Het was noodzakelijk en het werd volbracht. Er moet een eind komenaan de bittere gevoelens welke in deze eeuw tusschen de beide seksen ontstaan zijn. Hoewel de vrouw van heden recht heeft op een andere positie, behoeft zij over het verleden geen wrok te toonen, noch schaamte, noch gevoel van onrecht. Met een volkomen zekerheid van de vroegere superioriteit van haar sekse en de sociologische noodzakelijkheid van hare tijdelijke onderdrukking, behoorde zij alleen hoogen, teederen trots te voelen over haar eeuwenlang geduldig wachten en lijden, totdat de man langzaam kon opklimmen om het tot volkomen ras-gelijkheid met haar te brengen. Zij kon wachten; zij kon lijden.Het is hoog tijd dat vrouwen hare ware positie beginnen te begrijpen, voor nu en voor altijd, en te zien hoe weinig de lange jaren van slavernij die veranderd hebben. Het was niet in het belang van het ras om de behoudende levensprocessen zoo geheel alleen aan de vrouwen over te laten, en den man slechts de rol van tijdelijken bemiddelaar in de voortplanting en niets anders toe te bedeelen. Zijn grootte, kracht en woestheid,—bewonderenswaardige hoedanigheden tot instandhouding van een individueel dier,—waren niet de meest gewenschte eigenschappen om het menschelijk ras te ontwikkelen. Wij hebben het meest behoefte aan coördinatievermogen,—de gemakkelijkheid van vereenigen,—aan de macht om te maken en te bewaren, meer dan aan die om te verteren en te vernietigen. Dat waren vrouwelijke hoedanigheden. Uit eigen natuur handelende kon de man geen hoedanigheden openbaren die hij niet bezat. Als de meester van de vrouw zich verheffende, als haar dienaar geketend, heeft hij door die vreemde samenvoeging van functiën deze hoedanigheden onder de zware wet der noodzakelijkheid verworven. Oorspronkelijk werkten man en vrouw op verschillende wijze, hij verteerde en verwoestte, zij bewaarde en bouwde. Zij was de diepe,voortgaande voorname stroom van het leven, terwijl hij de werkzame variant was, die dat leven hielp wijzigen en uitbreiden, doch meer als helper dan als dader. Er waren en er zijn nog rassen die zich zelf voortplanten zonder de hulp van het mannelijk organisme,—bij de hermaphroditen en door parthenogenesis.Terwijl de evolutie der diersoorten voortschreed, vinden wij een lange reeks van werkdadige proefnemingen in mannetjes,—zeer zwakke, voorbijgaande en ondergeschikte verschijningen in den beginne,—zich langzamerhand ontwikkelende tot voller en voller gelijkheid met de vrouwtjes. In sommige lagere vormen, zooals in rotiferen, insekten en crustaceæ, worden de meest inferieure mannetjes gevonden, soms zijn zij er in het geheel niet, of als zij bestaan dan hebben zij geen ander nut dan als bemiddelaar bij de voortplanting. Het meest bekende voorbeeld hiervan komt bij de bijen voor, waar de hommel, nadat hij zijn functiën verricht heeft, sterft of anders door de krachtige mede-moeders van den zwerm omgebracht wordt. Ook de gewone spin heeft een zwak mannetje, dat al bevende zijn éénig klein doel uitvoert en dan door zijn vrouwtje opgegeten wordt. Zij isdespin, de aanhoudende vliegenvangster. Hij is niets anders dan een vruchtbaarmakende bemiddelaar. De kleine, groene plantenluis, die zoo menigvuldig op onze rozestruiken voorkomt, kan zich door parthenogenesis voortplanten, zoolang de omstandigheden gunstig zijn, dat wil zeggen, zoolang het warm en er genoeg te eten is. Zoodra echter de toestanden slechter worden, ontwikkelen er zich mannetjes en dan vindt de dualistische wijze van voortplanting plaats.In de twee groote levensprocessen van zelf-behoud en ras-behoud is het vrouwtje bij de lagere diersoorten voor het eerste altijd beter toegerust dan het mannetje envoor het ras-behoud draagt zij bijna den geheelen last. De korte duur van zijn functioneel nut is niets in vergelijking van den langen drachttijd voor haar en de diensten die zij in vele gevallen den jongen nog na hun geboorte bewijst. Ras-behoud is bijna geheel een vrouwelijke functie geweest, somtijds zelfs uitsluitend. Maar het is gebleken in het belang van het ras te zijn om twee hoog ontwikkelde ouders te hebben in plaats van een. Van daar dat gelijkheid van beide seksen langzaam ontwikkeld werd, niet alleen door het mannetje bij de voortplanting een belangrijker plaats te doen innemen, maar door ras-eigenschappen in hem, die tot nog toe slechts een voortplantende bemiddelaar was geweest, tot ontwikkeling te brengen. Het laatste stadium in dit proces was de verheffing van het mannetje van het geslacht mensch tot volle ras-gelijkheid met het vrouwtje en dit sloot haar tijdelijke onderwerping in. Haar lichamelijke en geestelijke neigingen zijn beide in het organisme van den man overgeplant geworden. Hij werd tot de werkende moeder van de wereld bevorderd. De sexueel-economische verhouding was noodzakelijk om het mannetje van het menschenras te verheffen en te verbreeden, te verdiepen en te verzachten, vrouwelijker en daardoor meer menschelijk te maken. Indien de vrouw haar geheele persoonlijke vrijheid en werkzaamheid behouden had, dan ware zij de meerdere van den man gebleven, maar zouden beiden in ontwikkeling zijn blijven staan. Aangezien de vrouw niet de neiging bezat om afwisseling in haar werkzaamheden te brengen, waardoor de man zich onderscheidde, vereenigde zich de uitzettende kracht van mannelijke energie met de behoudende en opbouwende macht van de vrouwelijke energie. De expansieve en veranderlijke mannelijke energie, die in den nieuwen toestand verplicht was te strijden vooropbouwenden arbeid, heeft dien arbeid meer vooruitgebracht en meer doen afwisselen dan wanneer dit alleen door toedoen der vrouw had moeten plaats vinden. Met haar rijkdom van macht en geduld, haar liefde tot werken en tot geven, verricht zij nog steeds dezelfde primitieve werkzaamheden. Hij ongeduldig wordende wanneer er hindernissen op zijn weg liggen, met zijn afkeer van werken, splitst zijn werk in duizende afzonderlijke werkzaamheden en spoort ontelbare wegen op om zijn taak te verlichten. Aangezien met mannelijke energie vrouwelijke functiën volbracht moesten worden, werd onze industrie tot hare tegenwoordige ontwikkeling gebracht. Zonder de economische afhankelijkheid van de vrouw, zou de man nog enkel de jager en vechter, de dooder, de verwoester zijn; terwijl zij nog steeds als de ijverige moeder, zonder verandering of verbetering, zou fungeeren.“Wat Israëls kinderen liefst opbouwden,Egypte’s kinderen liefst neerhouwden”.zegt een oud rijmtje, maar op die wijze zou de wereld niet veel verder komen. De vrouw heeft in haar ondergeschikte positie, onder allerlei bezwaren en door de dikke muren van haar gevangenis haar opbouwende kracht op den man overgebracht en door hem de opbouwing der wereld tot stand doen komen. Zijn zuiver individualistische energie, die alleen door de macht van geslachts-aantrekking in bedwang werd gehouden, had juist dezen vereenigingsvorm, met zijn sterk overdreven geslachtsleven noodig, om die taak te volbrengen. De abnormale geslachtsontwikkeling van de vrouw, door allerlei wetten in toom gehouden, heeft als een onstuimige bron gewerkt op den eenigen vrij handelenden persoon in de maatschappij,—den man. Door dezen sterken prikkel kon hij bergen verzetten. De geheele wereld heeft het opgemerkt en bewonderendheeft men geroepen: “O, ’t is liefde, ’t is liefde, ’t is liefde, waarom de wereld draait”. Dat was inderdaad zoo, of ten minste die heeft den man door de wereld voortgedreven in een langen zwerftocht van strijd en overwinning, van werken en zwoegen. En ieder man die bemint en zegt: “Ik ben de uwe, doe met mij wat gij wilt,” kent die macht en vereert haar.Tot zoo ver is de menschelijke ontwikkeling tot stand gekomen door de macht der mannelijke energie, die door den prikkel van de geslachtsdrift en door de opeengehoopte onderdrukte vrouwelijke energie tot werkzaamheid aangespoord werd. Vrouwen hebben haar periode van onderwerping betaald gekregen met een overwonnen wereld en de beschaving van den man.De vrouwen moeten, ondanks den zielestrijd en de lange donkere jaren van bitter leed, van schande en van afgrijzen, niet vergeten dat zij het ten minste zoo ver gebracht hebben en, dank zij de gezegende macht der heriditeit, niet zoo ten achter zijn gekomen, dat een paar geslachten van vrijheid hen niet weder op gelijken voet met hun tijd zal brengen. Wanneer de eeuwen van slavernij en oneer, van marteling en pijn, van grievende onrechtvaardigheid en vernederende onderdrukking de vrouwen lang toeschijnen, laten zij zich dan de geologische tijden, die millioenen en millioenen jaren te binnen roepen, toen onvolkomen ontwikkelde, pygmeïsche, parasitische mannetjes streden voor hun bestaan en al of niet door de vrouwtjes gebruikt werden, zooals dat het beste uitkwam. Welke reeks vrouwen of bijwijven werd ooit zoo’n onteerende plaats aangewezen als aan de vele mannetjes der cirrhopedes (een soort weekdieren), die door hunne zorgdragende vrouwtjes tusschen de schalen worden rondgedragen, omdat zij bang zijn er een of twee van te zullen verliezen! Geen verwaarloozing van oudeverwelkte vrouwen kan vergeleken worden met den smadelijken, onopgemerkten dood van den hommelbij, die mishandeld, uitgehongerd, in was gemetseld en alleen aangehouden wordt om voor een oogenblik zijn geslachts-functie uit te oefenen en zelfs daarvoor niet bepaald noodig is! Geen Blauwbaard-geschiedenis of wreedheid van een bruid-doodenden Oosterschen Koning kan in onbarmhartigheid wedijveren met de ruwe slachting van het ongelukkig kleine mannetje-spin, dat door zijn wreede echtgenoote op haar huwelijksmaal genuttigd wordt! In de geschiedenis der menschheid werd nooit tegen vrouwen zooveel geweld gepleegd als tegen die hulpelooze mannetjes in lagere diersoorten. Den grootsten duur van het leven is het vrouwtje de heerscheres op aarde geweest. Tot ons ras toe is het vrouwtje minstens altijd gelijk geweest aan het mannetje en in ons ras werd zij gedurende de vroegere ontwikkelingsperiode door het mannetje onder het juk gebracht voor zulk een groot rassenbelang, zulk een schoon en edel doel, dat dit offer nooit moest worden geteld, noch betreurd door de vrouwen die haar macht kennen. Om de opbouwing van het menschelijk leven op aarde mogelijk te maken heeft de vrouw zich zelf op den achtergrond geplaatst, en—inniger, teederder, liefderijker nog,—om haar woeste geslachtsmakkers tot een vrij en edel broederschap op te heffen, om de menschelijke ziel in hare dierbare zonen hooger op te voeren, zoude zij niet alleen dit verdragen hebben, maar zelfs meer,—en zij zou het glimlachend, edelmoedig, verheugd hebben gedragen voor hun geluk en dat van de wereld.Doch nu die lange periode van opoffering voorbij is, nu de tijd gekomen is dat noch de man, noch de wereld bij haar onderwerping meer voordeel heeft, nu zij langzamerhand er toe overgaat zich persoonlijk te uiten,in volle vrijheid te genieten van haar ras-bekwaamheden, zich te plaatsen op den troon in plaats van er achter, nu zou het harer onwaardig zijn om leedgevoel te toonen over hetgeen zij ondervonden heeft.Zoo moet het opgevat worden, zelfs wanneer men toestemt dat het individu en de gemeenschap groot nadeel ondervonden door in de vrouw de ras-ontwikkeling tegen te houden en de geslachts-ontwikkeling, met hare gevolgen, in de hand te werken. Zelfs wanneer men verder aanneemt dat onze groote toewijding aan het moederschap niet als een voordeel voor de menschheid kan worden beschouwd, dan blijft het toch waar dat onze sexueel-economische verhouding, met het gevolg dat het menschelijk leven alleen door den man vooruit gestuwd werd, door sterke geslachtsdrift tot werkzaamheid werd aangespoord, wat het welzijn van het individu en het ras, zooals reeds werd opgemerkt, op velerlei wijze heeft bevorderd; en wel door het overnemen van vrouwelijke functiën door den man; door het vermengen van beider hoedanigheden, waarvan onze tegenwoordige beschavingstoestand het resultaat is; door een hooger ontwikkelde strijdmacht in den man, waarvan ras-verovering, zoowel door oorlog als door handel, het gevolg was; door toenemende productiviteit, als gevolg van het op zich nemen van moederlijke functiën; en door dat de geslachts-verhouding in hoofdzaak afhankelijk werd van de macht van den man om er voor te kunnen betalen. Zelfs het moederschap heeft bij deze verhouding zijdelings gewonnen. Ofschoon de moeder zelf in haar moederdiensten rechtstreeks belemmerd werd, diende zij het ras veel meer door de mannen tot ijver te prikkelen dan door zelf eenig werk te verrichten; en het kind heeft ten slotte meer door de moederlijk-vaderlijke diensten geprofiteerd dan hetdoor de moederdiensten alleen zou hebben genoten.Men zal waarschijnlijk toestemmen dat dit alles vroeger zoo geweest is; maar dan zal onmiddellijk de vraag volgen: indien het zoo duidelijk is dat de onderwerping der vrouw vroeger nuttig en noodig was en dat de slechte, afschuwelijke sexueel-economische verhouding toch ten slotte in het belang van het ras was, hoe weten wij dan dat de tijd voor verandering is aangebroken? Hoofdzakelijk omdat wij reeds bezig zijn te veranderen. Maatschappelijke ontwikkeling komt niet tot stand door het verkondigen van nieuwe theorieën of door het schrijven van boeken. Toen Rousseau over gelijkheid schreef, werd het vrije Frankrijk reeds geboren, trilde de geest des tijds reeds in de menschelijke ziel, en wie ooren had om te hooren hoorde, wie schrijven kon schreef. De toestand der kettingslavernij, die haar natuurlijk einde naderde, deed Garrison en Phillips en Harriet Beecher Stowe ontwaken. Zij maakten de beweging niet. Het einde van de economische afhankelijkheid der vrouwen is nabij, omdat het nut er van voor het ras afnemende is. Wij hebben reeds een stadium van menschelijke verhoudingen bereikt, waarin wij onzen socialen plicht in botsing voelen komen met onze geslachtsbanden, die gedurende zulk een langen tijd de eenige banden zijn geweest die wij erkenden. De algemeene bewustwording der menschheid, de zin voor sociale behoeften en sociale plichten openbaart zich in mannen en vrouwen beiden. De tijd is aangebroken dat wij voor dieper en hooger prikkels dan die van de geslachts-drift vatbaar zijn; het sociale instinkt is thans sterk genoeg om ons tot volle werkzaamheid aan te sporen. Dit is duidelijk in den tweelingstrijd die heden ten dage de geheele wereld beroert,—den strijd tusschen de geslachten en tusschen de klassen,—“de vrouwenbeweging”en “de arbeidersbeweging”. Beide namen zijn niet geheel juist. Beide stempelen tot een klasse-gebeurtenis, wat inderdaad een sociale gebeurtenis is, en wat vraagstukken zijn, die het belang van het geheele menschdom in zich sluiten. Maar natuurlijk voelen de vrouwen het meest het pijnlijke van eigen toestand. Zij komen persoonlijk in opstand en meenen dat zij bij de verandering het meest zullen gebaat worden. Zoo gevoelt ook de arbeidende klasse het meest de toenemende onrechtvaardigheid van haar toestand en komt natuurlijk onder dezelfde overtuiging daartegen in verzet. Sociologisch beteekenen deze beide omstandigheden, welke sommigen zoo pijnlijk en zoo schrikwekkend vinden, slechts één ding,—de toeneming van sociale bewustwording. De vooruitgang van sociale organisatie heeft in gelijke mate individualisatie doen ontstaan, die ten slotte zelfs tot de vrouwen, zelfs tot den laagsten trap van onbekwame arbeiders, is doorgedrongen. Deze hoogere graad van individualisatie kenmerkt zich in een scherp persoonlijk bewustzijn van de gebreken van een toestand, die voorheen weinig gevoeld werden. Met deze hoogere ontwikkeling van het individueel bewustzijn en er een deel van uitmakende, gaat een evenredige toeneming van maatschappelijk bewustzijn gepaard. Wij hebben de ontwikkelingshoogte bereikt om voor elkander zorg te dragen.De vrouwenbeweging berust niet alleen op een hooger staande persoonlijkheid der vrouw en haar diepe verontwaardiging over onrechtvaardigheid, maar op het breede, diepe solidariteitsgevoel der vrouwen. De vrouwenbeweging is een harmonische beweging, gegrondvest op de erkenning van een algemeen kwaad en op het zoeken naar een algemeen goed. Hetzelfde is het geval met de arbeidersbeweging. Zij is niet ontstaan doordatde individueele werkman beter opgevoed, hooger ontwikkeld is dan de domme boer van vroeger, maar door dat met het scherper persoonlijk bewustzijn een grooter sociaal bewustzijn gepaard ging, zonder hetwelk geen klasse haar toestand verbeteren kan. De bijkomende eigenaardigheden van onze sexueel-economische verhouding hebben zich zóó ver ontwikkeld, dat zij het voortduren van deze verhouding verbieden. In de economische wereld hebben de overdreven mannelijkheid met haar woesten wedijver en primitief individualisme, en de overdreven vrouwelijkheid met haar overmatig verbruik en hinderlijke afhankelijkheid thans een stadium bereikt, waardoor zij meer kwaad dan goed uitrichten.De moderne vrouw die met elken dag zich meer gaat wijden aan een bepaald vak, waarvoor zij den vereischten aanleg van den zich voortdurend meer bekwamenden man heeft geërfd, komt door de zich ontwikkelende ras-hoedanigheden in opstand tegen de primitieve beperkingen van een zuiver sexueele verhouding. De wensch om te produceeren,—deze kenmerkende eigenschap van den mensch,—vergenoegt zich niet langer met een staat waarin alleen de reproductie van het geslacht wordt toegestaan. In ons tegenwoordig stadium van sociale evolutie wordt het voor de vrouwen steeds moeilijker en pijnlijker haar toestand van economische afhankelijkheid te verdragen en daarom scheppen zij zich een andere positie. Dit wil niet zeggen dat op een gegeven oogenblik alle vrouwen economisch onafhankelijk aaneengeschaard zullen staan, maar dat een langzaam aangroeiend aantal vrouwen, nu reeds zoo groot dat de geheele wereld ze opmerkt, bij de meest geavanceerde volkeren reeds dit vrije standpunt inneemt. Groote sociale verbeteringen komen langzaam, gelijkhet veel-golvig opkomen van den vloed; het zijn geen plotselinge sprongen over gapende kloven.Maar, behalve dat wij voor het eerst duidelijk bemerken dat onze vreemde verhouding haar einde nadert, kunnen wij ook zien, hoe zij door eigen werking krachten ontwikkelt, die aan haar bestaan of aan het onze een einde moesten maken. Door onze eigenaardige vereeniging der geslachten, waarbij de vrouw zich van den man bedient als middel om haar doel te bereiken,—de moeder-vader die het werk doet voor het hulpelooze wezen dat hij aan zijn hart koestert; de parasiet-gezellin die zelfs verslindt waar zij het meest moest voeden,—is de toestand geboren reeds herhaaldelijk aangeduid: dat de vrouw door den man onderhouden wordt uit geslachtslust. Uit vrees dat hij haar zal verliezen voedt hij haar, en door den nood gedwongen, ook haar jongen. Zij, haar voedsel verdienende door haar geslachtsleven wordt oversekst en werkt daardoor met steeds toenemende prikkeling op zijn geslachts-neigingen en daar deze neigingen verband moeten houden met zijn economisch kunnen, sporen zij hem tot economisch handelen aan en bevordert de vrouw zoodoende de nijverheid en elken vooruitgang. Maar,—en hier volgt nu het natuurlijke einde van een onnatuurlijken toestand, een toestand die wel is waar een tijdlang zijn doel diende, doch die de kiemen van eigen ondergang medevoerde—de geslachtsdrift, versterkt als zij werd door den abnormalen druk van de economische zijde der verhouding, werd zoo overdreven ontwikkeld, dat zij strekte tot vernietiging van individu en ras beide; en zulke karakter-hoedanigheden ontstonden daardoor, dat ook deze strekten tot ons nadeel en onze vernietiging.Een verhouding die onvermijdelijk een abnormale ontwikkeling voortbrengt, kan op den duur niet gehandhaafdworden. Het toepassen der geslachtsdrift als een sociale kracht heeft zulk een onbegrensde overdrijving van geslachtslust ten gevolge gehad, dat het sexueel in de onnatuurlijke ondeugden der moderne beschaving, en maatschappelijk in de gespannen economische verhouding tusschen voortbrenger en verbruiker, waardoor de maatschappij in tweeën is gedeeld, tot uitdrukking komt. De sexueel-economische verhouding dient om de sociale ontwikkeling tot een zekere hoogte op te voeren. Nadat die hoogte bereikt is, moet een hooger verhouding aangenomen worden òf het proces houdt op opheffend te zijn; het ras gaat dan te gronde door ziekelijke werking van eigen krachten en een jonger ras komt op, om het geheele verloop van sociale evolutie op nieuw te beginnen.Onder den prikkel der sexueel-economische verhouding verhief zich de eene beschavingstoestand na den anderen, om telkens weder onder te gaan in vermoeiende opeenvolging. Ons is het overgelaten een nieuwer, een beter vorm van geslachtsverhouding en daarmee gepaard gaande economische verhouding te ontwikkelen en zoodoende de vruchten te plukken van voorafgaande civilisatie en opgevoerd te worden tot hooger wezens. De ware en duurzame maatschappelijke vooruitgang, verder dan wij thans gekomen zijn, is gebaseerd op onderlinge menschenliefde, niet uitsluitend op onderlinge geslachtsliefde; hij vereischt een economisch samenstel dat voor menschelijke behoeften en niet voor geslachts-behoeften georganiseerd is. De sexueel-economische verhouding voerde den man tot die hoogte op, waarop hij volkomen mensch kan zijn. Zij verhief en ontwikkelde den menschelijken geest tot hij in staat was die groote sociale belangen te begrijpen en tevolbrengen, waarin een opvolgend leven zijn uiting moet vinden. Maarindien het menschdom deze nieuwe krachten niet ziet, ze niet voelt, ze niet trouw dient, dan wordt de hoogte van waar elke verdere vooruitgang moet voortschrijden niet bereikt, en daalt het weder. Telkens en telkens was de maatschappij reeds tot op die hoogte gestegen, bleef dan in gebreke de nieuwe plichten te aanvaarden en zonk terug.Thans zullen wij niet weder dalen, want het sociale bewustzijn is ten slotte zoo’n bezielende kracht in man en vrouw beide geworden, dat wij duidelijk gevoelen dat ons menschelijk leven niet ten volle door het geslachtsleven alleen geleefd kan worden. Wij zijn reeds zoo ver geïndividualiseerd, zoo ver gesocialiseerd, dat mannen kunnen werken zonder de aansporing van den overdreven geslachtsprikkel, werken voor een ander doel dan alleen voor vrouw en kinderen; terwijl de vrouwen, zonder in den slaafschen toestand van economische afhankelijkheid gebracht te zijn, kunnen liefhebben en dienen,—ja beter liefhebben en meer dienen. De geslachtsprikkel begint en eindigt in de individuen. De sociale zin is een hooger iets, een betere zaak, waar een breeder, edeler leven mede gepaard gaat, een leven zooals wij het nooit zullen leeren kennen, zoolang het alleen op een geslachts-basis rust.Daarenboven moet men goed begrijpen, wat reeds in wijden kring vaag gevoeld wordt, dat de hoogere ontwikkeling van het sociale leven, die op de economische onafhankelijkheid der vrouwen volgt, een hooger geslachtsleven mogelijk maakt dan tot dusver bekend was. Even snel als de mensch tot op een bepaalde hoogte in maatschappelijken vooruitgang stijgt, even snel verslijt en vergaat deze oorspronkelijke vorm van geslachts-vereeniging; dan gevoelt men ook hoe onvoldaan een zoodanige vereeniging laat en hoe kwetsend zij is. In hethedendaagsche leven is dit reeds duidelijk merkbaar. De lange, zekere, opgaande strooming van het menschelijk ras naar het monogame huwelijk wordt niet langer gesteund, maar belemmerd door de economische zijde van de verhouding. Het beste huwelijk is dat hetwelk gesloten is door de beste individuen; doch heden ten dage voelen de beste individuen van beide seksen zich steeds meer gekwetst door de economische basis van ons huwelijk, een basis die in mannen en vrouwen die eigenschappen en de daaruit voortvloeiende industrieele toestanden voortbrengt en in stand houdt, welke het huwelijk met elken dag moeilijker en wisselvalliger maken.Daarom moest de vrouwenbeweging door ieder rechtschapen en helderziend man zoowel als vrouw begroet worden als de beste vrucht van deze eeuw. De vooruitstrevende banier voert tot zinspreuk: “gelijkheid voor de wet”, de vrouw een aandeel in het politieke leven; maar de voornaamste vooruitgang is en zal zijn economische vrijheid en gelijkheid. Zoolang leven op aarde bestaat, zullen de economische voorwaarden van elken bestaanden levensvorm er den grondslag van vormen en den toestand beheerschen; het menschelijk leven maakt hierop geen uitzondering. Een maatschappij, wier economische eenheid een geslachts-verbond is, kan zich niet boven een zekere hoogte economisch ontwikkelen; evenmin als een maatschappij, zooals de patriarchale, wier politieke eenheid een geslachts-verbond was, zich boven een zekere hoogte politiek kon verheffen.De laatste bevrijding van het individu zal de laatste vereeniging van individuen mogelijk maken. Zoolang de zonen zich moesten buigen voor den wil van een patriarchalen vader was democratie een onmogelijkheid. Democratie beteekent, vereischt, is, persoonlijke vrijheid. Zoolang de sexueel-economische verhouding het huisgezinmaakt tot het doel waarvoor wij werken, is geen hooger samenleven dan wij thans bereikt hebben mogelijk. Doch zoodra de vrouwen vrije, economische, maatschappelijke factoren geworden zijn, wordt een volkomen maatschappelijke vereeniging van individuen met collectieve voortbrenging mogelijk. Met zulk een vèr strekkende vereeniging, wordt ook een vereeniging tusschen man en vrouw mogelijk, zooals de wereld zich die reeds lang te vergeefs gedroomd heeft.

Een toestand die reeds zoolang bestaat, zoo algemeen voorkomt en zoo standvastig was als de sexueel-economische verhouding in het menschdom, kon niet in den loop der sociale evolutie opgenomen en gehandhaafd zijn, indien hij geen natuurlijke oorzaken had gehad. De grootste kracht van den individueelen wil kon op den duur geen toestand gaande houden, waardoor de maatschappij zooveel nadeel berokkend wordt. Kerk en Staat en maatschappelijke vormen gaan met onzen vooruitgang mede, wij kunnen ze nooit lang tegenhouden, zoodra de tijd voor verderen vooruitgang gekomen is. Er is dus een tijd geweest dat de sexueel-economische verhouding voor de maatschappij voordeelig was. Nu zij dit niet meer is, is “de vrouwenbeweging” ontstaan en wij zien hoe van jaar tot jaar, van dag tot dag de toestand onder onze oogen verandert, ondanks ons traditioneel verzet. De verandering in deze bladzijden besproken, is dan ook niet voorspeld en wordt hier niet aanbevolen, zij heeft reeds onder de kracht der sociale evolutie plaats gevonden en zij behoeft alleen tot ons bewustzijn door te dringen om den nutteloozen maar prikkelenden tegenstand onzer zelfmisleiding te overwinnen.

De aanvankelijke noodzakelijkheid van deze kenmerkende menschelijke verschijnselen ligt diep verscholen onder de elementaire krachten van het maatschappelijk leven. De verhoudingen die noodig waren om het individueel organisme tot stand te brengen, lieten ons inden steek toen zij dienst moesten doen bij de verdere ontwikkeling van organisatie, van het individueel tot het sociaal organisme. Samenwerking vereischt eerst het bestaan van een gemeenschappelijk belang en daarna de vestiging der gemeenschappelijke bewustwording. Het gemeenschappelijk belang der individueele cellen om op gemakkelijker manier aan voedsel te komen, bracht hen tot nauwer aaneensluiting. Toen dit nauwer verbond tot stand gebracht was, werd hun gemeenschappelijk bestaan een éénheid, één zijn, een iets met een eigen bewust leven. In de hoogste ontwikkeling van het meest samengesteld en fijnst uitgewerkt organisme gaat dit altijd door. Er moet een gemeenschappelijk belang bestaan, dat door al deze samenwerkende bedrijvigheid bevorderd wordt; en er moet een gemeenschappelijk bewustzijn aanwezig zijn, waardoor het zeer gemakkelijk wordt het gemeenschappelijk belang te dienen.

Wanneer de samenstellende cellen in onze weefsels beginnen ineen te krimpen en door gebrek aan voedsel achteruit te gaan; wanneer de verschillende organen van ons lichaam vermoeid zijn van niets-doen en knorrig hun natuurlijke beweging eischen, dan zegt de mensch niet, “mijn weefsels eischen nieuwen toevoer”, of “mijn organen verlangen naar werk”, maar hij zegt: “Ik heb honger”. Dat “Ik”, de persoonlijke bewustheid, die de gewillige samenwerking van al de deelen van het lichaam leidt, zet zich aan het werk om voedsel te verkrijgen. De sociale evolutie berust op dit algemeen belang. Individueele menschen hebben bij zulk een sociaal verbond voordeel en daarom sluiten zij zulk een verbond. Zulk een verbond vereischt een gemeenschappelijk bewustzijn, waardoor de gecoördineerde werking kan plaats grijpen; en de geheele loop van sociale ontwikkeling wordt door de voortdurende uitbreiding van ditsociale bewustzijn en zijn noodzakelijk begeleidende gevolgen gekenmerkt.

De taal is ons beste middel tot onderlinge gedachtewisseling en voert op tot letterkunde. Het menschelijk verstand is het maatschappelijk orgaan, waardoor wij onderling verbonden zijn. Daaruit vloeit de stroom der gedachten, die ons in staat stelt samen te werken. Door datgene wat het verstand met anderen gemeen heeft, kan men elkander begrijpen; en het is om die reden dat tot op zekere hoogte gemeenschappelijke opvoeding onontbeerlijk is voor vrije maatschappelijke ontwikkeling.

In het allervroegste begin van dit proces, toen het menschelijk dier nog niets dan een dier was,—maar een individu,—ontstond reeds de gebiedende eisch voor de vaststelling van een algemeen bewustzijn tusschen deze tot hiertoe onverzoenlijke dieren. De eerste stap door de natuur in deze richting gedaan, wordt gevonden in de betrekking tusschen moeder en kind. Waar de jongen na de geboorte geheel afhankelijk blijven van de moeder; waar de functiën van een afzonderlijk levend lichaam de hulp noodig hebben van een ander afzonderlijk levend lichaam, daar bestaat een wederzijdsche behoefte, het eigenlijk instinkt, dat deze wederzijds op elkaar inwerkende persoonlijkheden te zamen houdt. Dat instinkt noemen wij liefde. Het kind heeft de moederborst noodig. De moederborst heeft behoefte aan het kind. Daardoor werd tusschen moeder en kind reeds liefde geboren, toen het vaderschap nog niets meer was dan een oogenblikkelijke gebeurtenis. Maar het gemeenschappelijk gevoel, de wederzijdsche aantrekking tusschen moeder en kind hield hier onvoorwaardelijk op. Zij was in omvang tot deze nauwste verhouding begrensd; in duur tot de periode der kindsheid.

Het gemeenschappelijk belang van de menschen moet echter door de ras-eigenschappen gediend worden en niet hoofdzakelijk door de geslachts-functiën der vrouw of de plichten der moeder ten opzichte van haar kind. Toen het mannetje, door zijn aard gedreven, telkens inbreuk maakte op de vrijheid van het vrouwtje tot zij ten laatste tot den staat van economische afhankelijkheid gebracht was, matigde hij zich daarbij de positie van verzorger aan voor dit schepsel, dat niet langer in staat was voor zich zelf te zorgen. Hij was echter niet enkel verplicht in haar behoeften te voorzien, maar hij moest ook een deel van de gedwarsboomde moederplichten op zich nemen. Hij werd en bleef tot op heden een soort van man-moeder, in het scheppen van deze merkwaardige positie alleen staande. Het gemeenschappelijk belang, dat nu niet alleen tusschen moeder en kind, maar tusschen vader, moeder en kind bestond, ontwikkelde een verdergaand gemeenschappelijk gevoel. Aangezien de vader het kind niet door geslachts-functiën, maar door ras-functiën diende, leidde deze betrekking tot een veel verdere en duurzamere ontwikkeling dan die van de moeder alleen ooit kon bereikt hebben. Zoowel liefde als ijver zijn door de kracht der moederlijke energie in de wereld gekomen. Door den onvermoeiden wensch der moeder om haar jongen van dienst te zijn, begon zij het eerst met de beoefening der kunsten en bedrijven, waarvan wij thans leven. Toen de mannelijke wilde nog niets was dan een jager en strijder, op die wijze uiting gevende aan mannelijke energie, toen bracht de vrouwelijke wilde op dezelfde natuurlijke wijze haar behoudende kracht van vrouwelijke energie tot uitwerking. Zij verzamelde en bewaarde voedsel voor het kind, evenals de kiemcel, in de onbewuste stilte der natuur, voedsel verzamelt en bewaart. Zij omhuldehet kind met kleedingstukken en bouwde er een schuilplaats voor, even natuurlijk als zij te voren de ongeboren vrucht verwarmde en een schuilplaats bood in haar lichaam. Moederlijke energie, die door ons kunstig samengesteld lichaam naar buiten werkt, is de bron van productieven arbeid, is de voornaamste stroom van maatschappelijk leven.

Doch niet voordat deze reuzenkracht zich met andere krachten kon vereenigen om coöperatief op te treden en zoodoende den verwoestenden invloed, die door den blinden wedijver der mannelijke energie ontstond, kon te boven komen, kon ons menschelijk leven zijn volle rasontwikkeling intreden. Dit werd door de onderdrukking van de vrije uiting der moederlijke energie in de vrouw en haar overbrenging op den man tot stand gebracht. De twee krachten werden daardoor vereenigd en door den man kwamen zij tot openbaring. Het was een van de kalme, eenvoudige wonderen der natuur, doch niet wonderlijker dan dat de natuur de onschuldige, gulzige bij, die meent dat zij eenvoudig haar voedsel zoekt, tot tusschenpersoon laat dienen om de vele bloemen gelegenheid tot voortplanting te geven. De bij mocht zich eens beleedigd toonen als zij wist welk ambt zij vervulde en dat de natuur het voedsel voor haar juist zoo geborgen had dat zij verplicht werd dezen dienst te vervullen. De onderwerping van de vrouw heeft tot een zeer hoogen graad de vermoederlijking van den man ten gevolge gehad. Hij werd nu gedwongen nieuwe functiën op zich te nemen, die voor mannelijke energie alleen onmogelijk waren. Hij moest nu beginnen iemand buiten en behalve zich zelf te leeren liefhebben en verzorgen. Hij moest leeren werken, dienen, menschelijk zijn. Door de hevig overprikkelde geslachtsdrift werd het menschelijk ras het lange, steile pad van vooruitgang opgeleid en opgedreven overalle hindernissen, door alle gevaren, de vergezellende verschijnselen van ziekte en zonde medevoerende (en deze overwinnende), in weerwil van alles hooger en hooger, totdat ten laatste een graad van ontwikkeling bereikt wordt, waarin de uitbreiding van menschendienst en menschenliefde een beteren weg mogelijk maakt. Door de werking van zijn eigen begeerten, door al het bijkomende kwaad, werd de man voor een deel moeder, waardoor beiden, man en vrouw, in staat waren mensch te worden. Het was een belangrijke stap in den vooruitgang van ons ras, een middel om tot een einddoel te geraken. Zij moet niet als een buitengewone moederlijke opoffering beschouwd worden, maar als een nieuw en volmaakt systeem van vaderlijke opoffering: het mannetje van het genus mensch door behoefte aan geslachtsbevrediging gedwongen tot het uitoefenen van moederlijke plichten. De natuurlijke verwoestende neigingen van den man werden langzamerhand in de behoudende neigingen van de vrouw omgezet en wel zoo in ’t oogloopend, dat het proces door de geheele geschiedenis heen opgemerkt werd. Door middel van de natuurkeus en onafgebroken oefening werden in het mannetje tot zijn groot voordeel het instinkt en de gewoonten van het vrouwtje tot ontwikkeling gebracht. In individueel economische verhouding was de vrouw afhankelijk van den man. Zij leefde in een staat van hulpelooze slavernij. Zij werd met onuitsprekelijke onrechtvaardigheid en wreedheid behandeld. Maar de processen in de natuur storen zich in ’t geheel niet aan zulke omstandigheden. Om de tegenstrijdige geslachtsneigingen van twee dieren zoodanig te vermengen dat zij een vruchtdragende macht van een zegevierend ras worden, wordt een pijnlijk proces vereischt, maar dat komt er niet op aan. Het was noodzakelijk en het werd volbracht. Er moet een eind komenaan de bittere gevoelens welke in deze eeuw tusschen de beide seksen ontstaan zijn. Hoewel de vrouw van heden recht heeft op een andere positie, behoeft zij over het verleden geen wrok te toonen, noch schaamte, noch gevoel van onrecht. Met een volkomen zekerheid van de vroegere superioriteit van haar sekse en de sociologische noodzakelijkheid van hare tijdelijke onderdrukking, behoorde zij alleen hoogen, teederen trots te voelen over haar eeuwenlang geduldig wachten en lijden, totdat de man langzaam kon opklimmen om het tot volkomen ras-gelijkheid met haar te brengen. Zij kon wachten; zij kon lijden.

Het is hoog tijd dat vrouwen hare ware positie beginnen te begrijpen, voor nu en voor altijd, en te zien hoe weinig de lange jaren van slavernij die veranderd hebben. Het was niet in het belang van het ras om de behoudende levensprocessen zoo geheel alleen aan de vrouwen over te laten, en den man slechts de rol van tijdelijken bemiddelaar in de voortplanting en niets anders toe te bedeelen. Zijn grootte, kracht en woestheid,—bewonderenswaardige hoedanigheden tot instandhouding van een individueel dier,—waren niet de meest gewenschte eigenschappen om het menschelijk ras te ontwikkelen. Wij hebben het meest behoefte aan coördinatievermogen,—de gemakkelijkheid van vereenigen,—aan de macht om te maken en te bewaren, meer dan aan die om te verteren en te vernietigen. Dat waren vrouwelijke hoedanigheden. Uit eigen natuur handelende kon de man geen hoedanigheden openbaren die hij niet bezat. Als de meester van de vrouw zich verheffende, als haar dienaar geketend, heeft hij door die vreemde samenvoeging van functiën deze hoedanigheden onder de zware wet der noodzakelijkheid verworven. Oorspronkelijk werkten man en vrouw op verschillende wijze, hij verteerde en verwoestte, zij bewaarde en bouwde. Zij was de diepe,voortgaande voorname stroom van het leven, terwijl hij de werkzame variant was, die dat leven hielp wijzigen en uitbreiden, doch meer als helper dan als dader. Er waren en er zijn nog rassen die zich zelf voortplanten zonder de hulp van het mannelijk organisme,—bij de hermaphroditen en door parthenogenesis.

Terwijl de evolutie der diersoorten voortschreed, vinden wij een lange reeks van werkdadige proefnemingen in mannetjes,—zeer zwakke, voorbijgaande en ondergeschikte verschijningen in den beginne,—zich langzamerhand ontwikkelende tot voller en voller gelijkheid met de vrouwtjes. In sommige lagere vormen, zooals in rotiferen, insekten en crustaceæ, worden de meest inferieure mannetjes gevonden, soms zijn zij er in het geheel niet, of als zij bestaan dan hebben zij geen ander nut dan als bemiddelaar bij de voortplanting. Het meest bekende voorbeeld hiervan komt bij de bijen voor, waar de hommel, nadat hij zijn functiën verricht heeft, sterft of anders door de krachtige mede-moeders van den zwerm omgebracht wordt. Ook de gewone spin heeft een zwak mannetje, dat al bevende zijn éénig klein doel uitvoert en dan door zijn vrouwtje opgegeten wordt. Zij isdespin, de aanhoudende vliegenvangster. Hij is niets anders dan een vruchtbaarmakende bemiddelaar. De kleine, groene plantenluis, die zoo menigvuldig op onze rozestruiken voorkomt, kan zich door parthenogenesis voortplanten, zoolang de omstandigheden gunstig zijn, dat wil zeggen, zoolang het warm en er genoeg te eten is. Zoodra echter de toestanden slechter worden, ontwikkelen er zich mannetjes en dan vindt de dualistische wijze van voortplanting plaats.

In de twee groote levensprocessen van zelf-behoud en ras-behoud is het vrouwtje bij de lagere diersoorten voor het eerste altijd beter toegerust dan het mannetje envoor het ras-behoud draagt zij bijna den geheelen last. De korte duur van zijn functioneel nut is niets in vergelijking van den langen drachttijd voor haar en de diensten die zij in vele gevallen den jongen nog na hun geboorte bewijst. Ras-behoud is bijna geheel een vrouwelijke functie geweest, somtijds zelfs uitsluitend. Maar het is gebleken in het belang van het ras te zijn om twee hoog ontwikkelde ouders te hebben in plaats van een. Van daar dat gelijkheid van beide seksen langzaam ontwikkeld werd, niet alleen door het mannetje bij de voortplanting een belangrijker plaats te doen innemen, maar door ras-eigenschappen in hem, die tot nog toe slechts een voortplantende bemiddelaar was geweest, tot ontwikkeling te brengen. Het laatste stadium in dit proces was de verheffing van het mannetje van het geslacht mensch tot volle ras-gelijkheid met het vrouwtje en dit sloot haar tijdelijke onderwerping in. Haar lichamelijke en geestelijke neigingen zijn beide in het organisme van den man overgeplant geworden. Hij werd tot de werkende moeder van de wereld bevorderd. De sexueel-economische verhouding was noodzakelijk om het mannetje van het menschenras te verheffen en te verbreeden, te verdiepen en te verzachten, vrouwelijker en daardoor meer menschelijk te maken. Indien de vrouw haar geheele persoonlijke vrijheid en werkzaamheid behouden had, dan ware zij de meerdere van den man gebleven, maar zouden beiden in ontwikkeling zijn blijven staan. Aangezien de vrouw niet de neiging bezat om afwisseling in haar werkzaamheden te brengen, waardoor de man zich onderscheidde, vereenigde zich de uitzettende kracht van mannelijke energie met de behoudende en opbouwende macht van de vrouwelijke energie. De expansieve en veranderlijke mannelijke energie, die in den nieuwen toestand verplicht was te strijden vooropbouwenden arbeid, heeft dien arbeid meer vooruitgebracht en meer doen afwisselen dan wanneer dit alleen door toedoen der vrouw had moeten plaats vinden. Met haar rijkdom van macht en geduld, haar liefde tot werken en tot geven, verricht zij nog steeds dezelfde primitieve werkzaamheden. Hij ongeduldig wordende wanneer er hindernissen op zijn weg liggen, met zijn afkeer van werken, splitst zijn werk in duizende afzonderlijke werkzaamheden en spoort ontelbare wegen op om zijn taak te verlichten. Aangezien met mannelijke energie vrouwelijke functiën volbracht moesten worden, werd onze industrie tot hare tegenwoordige ontwikkeling gebracht. Zonder de economische afhankelijkheid van de vrouw, zou de man nog enkel de jager en vechter, de dooder, de verwoester zijn; terwijl zij nog steeds als de ijverige moeder, zonder verandering of verbetering, zou fungeeren.

“Wat Israëls kinderen liefst opbouwden,Egypte’s kinderen liefst neerhouwden”.

“Wat Israëls kinderen liefst opbouwden,

Egypte’s kinderen liefst neerhouwden”.

zegt een oud rijmtje, maar op die wijze zou de wereld niet veel verder komen. De vrouw heeft in haar ondergeschikte positie, onder allerlei bezwaren en door de dikke muren van haar gevangenis haar opbouwende kracht op den man overgebracht en door hem de opbouwing der wereld tot stand doen komen. Zijn zuiver individualistische energie, die alleen door de macht van geslachts-aantrekking in bedwang werd gehouden, had juist dezen vereenigingsvorm, met zijn sterk overdreven geslachtsleven noodig, om die taak te volbrengen. De abnormale geslachtsontwikkeling van de vrouw, door allerlei wetten in toom gehouden, heeft als een onstuimige bron gewerkt op den eenigen vrij handelenden persoon in de maatschappij,—den man. Door dezen sterken prikkel kon hij bergen verzetten. De geheele wereld heeft het opgemerkt en bewonderendheeft men geroepen: “O, ’t is liefde, ’t is liefde, ’t is liefde, waarom de wereld draait”. Dat was inderdaad zoo, of ten minste die heeft den man door de wereld voortgedreven in een langen zwerftocht van strijd en overwinning, van werken en zwoegen. En ieder man die bemint en zegt: “Ik ben de uwe, doe met mij wat gij wilt,” kent die macht en vereert haar.

Tot zoo ver is de menschelijke ontwikkeling tot stand gekomen door de macht der mannelijke energie, die door den prikkel van de geslachtsdrift en door de opeengehoopte onderdrukte vrouwelijke energie tot werkzaamheid aangespoord werd. Vrouwen hebben haar periode van onderwerping betaald gekregen met een overwonnen wereld en de beschaving van den man.

De vrouwen moeten, ondanks den zielestrijd en de lange donkere jaren van bitter leed, van schande en van afgrijzen, niet vergeten dat zij het ten minste zoo ver gebracht hebben en, dank zij de gezegende macht der heriditeit, niet zoo ten achter zijn gekomen, dat een paar geslachten van vrijheid hen niet weder op gelijken voet met hun tijd zal brengen. Wanneer de eeuwen van slavernij en oneer, van marteling en pijn, van grievende onrechtvaardigheid en vernederende onderdrukking de vrouwen lang toeschijnen, laten zij zich dan de geologische tijden, die millioenen en millioenen jaren te binnen roepen, toen onvolkomen ontwikkelde, pygmeïsche, parasitische mannetjes streden voor hun bestaan en al of niet door de vrouwtjes gebruikt werden, zooals dat het beste uitkwam. Welke reeks vrouwen of bijwijven werd ooit zoo’n onteerende plaats aangewezen als aan de vele mannetjes der cirrhopedes (een soort weekdieren), die door hunne zorgdragende vrouwtjes tusschen de schalen worden rondgedragen, omdat zij bang zijn er een of twee van te zullen verliezen! Geen verwaarloozing van oudeverwelkte vrouwen kan vergeleken worden met den smadelijken, onopgemerkten dood van den hommelbij, die mishandeld, uitgehongerd, in was gemetseld en alleen aangehouden wordt om voor een oogenblik zijn geslachts-functie uit te oefenen en zelfs daarvoor niet bepaald noodig is! Geen Blauwbaard-geschiedenis of wreedheid van een bruid-doodenden Oosterschen Koning kan in onbarmhartigheid wedijveren met de ruwe slachting van het ongelukkig kleine mannetje-spin, dat door zijn wreede echtgenoote op haar huwelijksmaal genuttigd wordt! In de geschiedenis der menschheid werd nooit tegen vrouwen zooveel geweld gepleegd als tegen die hulpelooze mannetjes in lagere diersoorten. Den grootsten duur van het leven is het vrouwtje de heerscheres op aarde geweest. Tot ons ras toe is het vrouwtje minstens altijd gelijk geweest aan het mannetje en in ons ras werd zij gedurende de vroegere ontwikkelingsperiode door het mannetje onder het juk gebracht voor zulk een groot rassenbelang, zulk een schoon en edel doel, dat dit offer nooit moest worden geteld, noch betreurd door de vrouwen die haar macht kennen. Om de opbouwing van het menschelijk leven op aarde mogelijk te maken heeft de vrouw zich zelf op den achtergrond geplaatst, en—inniger, teederder, liefderijker nog,—om haar woeste geslachtsmakkers tot een vrij en edel broederschap op te heffen, om de menschelijke ziel in hare dierbare zonen hooger op te voeren, zoude zij niet alleen dit verdragen hebben, maar zelfs meer,—en zij zou het glimlachend, edelmoedig, verheugd hebben gedragen voor hun geluk en dat van de wereld.

Doch nu die lange periode van opoffering voorbij is, nu de tijd gekomen is dat noch de man, noch de wereld bij haar onderwerping meer voordeel heeft, nu zij langzamerhand er toe overgaat zich persoonlijk te uiten,in volle vrijheid te genieten van haar ras-bekwaamheden, zich te plaatsen op den troon in plaats van er achter, nu zou het harer onwaardig zijn om leedgevoel te toonen over hetgeen zij ondervonden heeft.

Zoo moet het opgevat worden, zelfs wanneer men toestemt dat het individu en de gemeenschap groot nadeel ondervonden door in de vrouw de ras-ontwikkeling tegen te houden en de geslachts-ontwikkeling, met hare gevolgen, in de hand te werken. Zelfs wanneer men verder aanneemt dat onze groote toewijding aan het moederschap niet als een voordeel voor de menschheid kan worden beschouwd, dan blijft het toch waar dat onze sexueel-economische verhouding, met het gevolg dat het menschelijk leven alleen door den man vooruit gestuwd werd, door sterke geslachtsdrift tot werkzaamheid werd aangespoord, wat het welzijn van het individu en het ras, zooals reeds werd opgemerkt, op velerlei wijze heeft bevorderd; en wel door het overnemen van vrouwelijke functiën door den man; door het vermengen van beider hoedanigheden, waarvan onze tegenwoordige beschavingstoestand het resultaat is; door een hooger ontwikkelde strijdmacht in den man, waarvan ras-verovering, zoowel door oorlog als door handel, het gevolg was; door toenemende productiviteit, als gevolg van het op zich nemen van moederlijke functiën; en door dat de geslachts-verhouding in hoofdzaak afhankelijk werd van de macht van den man om er voor te kunnen betalen. Zelfs het moederschap heeft bij deze verhouding zijdelings gewonnen. Ofschoon de moeder zelf in haar moederdiensten rechtstreeks belemmerd werd, diende zij het ras veel meer door de mannen tot ijver te prikkelen dan door zelf eenig werk te verrichten; en het kind heeft ten slotte meer door de moederlijk-vaderlijke diensten geprofiteerd dan hetdoor de moederdiensten alleen zou hebben genoten.

Men zal waarschijnlijk toestemmen dat dit alles vroeger zoo geweest is; maar dan zal onmiddellijk de vraag volgen: indien het zoo duidelijk is dat de onderwerping der vrouw vroeger nuttig en noodig was en dat de slechte, afschuwelijke sexueel-economische verhouding toch ten slotte in het belang van het ras was, hoe weten wij dan dat de tijd voor verandering is aangebroken? Hoofdzakelijk omdat wij reeds bezig zijn te veranderen. Maatschappelijke ontwikkeling komt niet tot stand door het verkondigen van nieuwe theorieën of door het schrijven van boeken. Toen Rousseau over gelijkheid schreef, werd het vrije Frankrijk reeds geboren, trilde de geest des tijds reeds in de menschelijke ziel, en wie ooren had om te hooren hoorde, wie schrijven kon schreef. De toestand der kettingslavernij, die haar natuurlijk einde naderde, deed Garrison en Phillips en Harriet Beecher Stowe ontwaken. Zij maakten de beweging niet. Het einde van de economische afhankelijkheid der vrouwen is nabij, omdat het nut er van voor het ras afnemende is. Wij hebben reeds een stadium van menschelijke verhoudingen bereikt, waarin wij onzen socialen plicht in botsing voelen komen met onze geslachtsbanden, die gedurende zulk een langen tijd de eenige banden zijn geweest die wij erkenden. De algemeene bewustwording der menschheid, de zin voor sociale behoeften en sociale plichten openbaart zich in mannen en vrouwen beiden. De tijd is aangebroken dat wij voor dieper en hooger prikkels dan die van de geslachts-drift vatbaar zijn; het sociale instinkt is thans sterk genoeg om ons tot volle werkzaamheid aan te sporen. Dit is duidelijk in den tweelingstrijd die heden ten dage de geheele wereld beroert,—den strijd tusschen de geslachten en tusschen de klassen,—“de vrouwenbeweging”en “de arbeidersbeweging”. Beide namen zijn niet geheel juist. Beide stempelen tot een klasse-gebeurtenis, wat inderdaad een sociale gebeurtenis is, en wat vraagstukken zijn, die het belang van het geheele menschdom in zich sluiten. Maar natuurlijk voelen de vrouwen het meest het pijnlijke van eigen toestand. Zij komen persoonlijk in opstand en meenen dat zij bij de verandering het meest zullen gebaat worden. Zoo gevoelt ook de arbeidende klasse het meest de toenemende onrechtvaardigheid van haar toestand en komt natuurlijk onder dezelfde overtuiging daartegen in verzet. Sociologisch beteekenen deze beide omstandigheden, welke sommigen zoo pijnlijk en zoo schrikwekkend vinden, slechts één ding,—de toeneming van sociale bewustwording. De vooruitgang van sociale organisatie heeft in gelijke mate individualisatie doen ontstaan, die ten slotte zelfs tot de vrouwen, zelfs tot den laagsten trap van onbekwame arbeiders, is doorgedrongen. Deze hoogere graad van individualisatie kenmerkt zich in een scherp persoonlijk bewustzijn van de gebreken van een toestand, die voorheen weinig gevoeld werden. Met deze hoogere ontwikkeling van het individueel bewustzijn en er een deel van uitmakende, gaat een evenredige toeneming van maatschappelijk bewustzijn gepaard. Wij hebben de ontwikkelingshoogte bereikt om voor elkander zorg te dragen.

De vrouwenbeweging berust niet alleen op een hooger staande persoonlijkheid der vrouw en haar diepe verontwaardiging over onrechtvaardigheid, maar op het breede, diepe solidariteitsgevoel der vrouwen. De vrouwenbeweging is een harmonische beweging, gegrondvest op de erkenning van een algemeen kwaad en op het zoeken naar een algemeen goed. Hetzelfde is het geval met de arbeidersbeweging. Zij is niet ontstaan doordatde individueele werkman beter opgevoed, hooger ontwikkeld is dan de domme boer van vroeger, maar door dat met het scherper persoonlijk bewustzijn een grooter sociaal bewustzijn gepaard ging, zonder hetwelk geen klasse haar toestand verbeteren kan. De bijkomende eigenaardigheden van onze sexueel-economische verhouding hebben zich zóó ver ontwikkeld, dat zij het voortduren van deze verhouding verbieden. In de economische wereld hebben de overdreven mannelijkheid met haar woesten wedijver en primitief individualisme, en de overdreven vrouwelijkheid met haar overmatig verbruik en hinderlijke afhankelijkheid thans een stadium bereikt, waardoor zij meer kwaad dan goed uitrichten.

De moderne vrouw die met elken dag zich meer gaat wijden aan een bepaald vak, waarvoor zij den vereischten aanleg van den zich voortdurend meer bekwamenden man heeft geërfd, komt door de zich ontwikkelende ras-hoedanigheden in opstand tegen de primitieve beperkingen van een zuiver sexueele verhouding. De wensch om te produceeren,—deze kenmerkende eigenschap van den mensch,—vergenoegt zich niet langer met een staat waarin alleen de reproductie van het geslacht wordt toegestaan. In ons tegenwoordig stadium van sociale evolutie wordt het voor de vrouwen steeds moeilijker en pijnlijker haar toestand van economische afhankelijkheid te verdragen en daarom scheppen zij zich een andere positie. Dit wil niet zeggen dat op een gegeven oogenblik alle vrouwen economisch onafhankelijk aaneengeschaard zullen staan, maar dat een langzaam aangroeiend aantal vrouwen, nu reeds zoo groot dat de geheele wereld ze opmerkt, bij de meest geavanceerde volkeren reeds dit vrije standpunt inneemt. Groote sociale verbeteringen komen langzaam, gelijkhet veel-golvig opkomen van den vloed; het zijn geen plotselinge sprongen over gapende kloven.

Maar, behalve dat wij voor het eerst duidelijk bemerken dat onze vreemde verhouding haar einde nadert, kunnen wij ook zien, hoe zij door eigen werking krachten ontwikkelt, die aan haar bestaan of aan het onze een einde moesten maken. Door onze eigenaardige vereeniging der geslachten, waarbij de vrouw zich van den man bedient als middel om haar doel te bereiken,—de moeder-vader die het werk doet voor het hulpelooze wezen dat hij aan zijn hart koestert; de parasiet-gezellin die zelfs verslindt waar zij het meest moest voeden,—is de toestand geboren reeds herhaaldelijk aangeduid: dat de vrouw door den man onderhouden wordt uit geslachtslust. Uit vrees dat hij haar zal verliezen voedt hij haar, en door den nood gedwongen, ook haar jongen. Zij, haar voedsel verdienende door haar geslachtsleven wordt oversekst en werkt daardoor met steeds toenemende prikkeling op zijn geslachts-neigingen en daar deze neigingen verband moeten houden met zijn economisch kunnen, sporen zij hem tot economisch handelen aan en bevordert de vrouw zoodoende de nijverheid en elken vooruitgang. Maar,—en hier volgt nu het natuurlijke einde van een onnatuurlijken toestand, een toestand die wel is waar een tijdlang zijn doel diende, doch die de kiemen van eigen ondergang medevoerde—de geslachtsdrift, versterkt als zij werd door den abnormalen druk van de economische zijde der verhouding, werd zoo overdreven ontwikkeld, dat zij strekte tot vernietiging van individu en ras beide; en zulke karakter-hoedanigheden ontstonden daardoor, dat ook deze strekten tot ons nadeel en onze vernietiging.

Een verhouding die onvermijdelijk een abnormale ontwikkeling voortbrengt, kan op den duur niet gehandhaafdworden. Het toepassen der geslachtsdrift als een sociale kracht heeft zulk een onbegrensde overdrijving van geslachtslust ten gevolge gehad, dat het sexueel in de onnatuurlijke ondeugden der moderne beschaving, en maatschappelijk in de gespannen economische verhouding tusschen voortbrenger en verbruiker, waardoor de maatschappij in tweeën is gedeeld, tot uitdrukking komt. De sexueel-economische verhouding dient om de sociale ontwikkeling tot een zekere hoogte op te voeren. Nadat die hoogte bereikt is, moet een hooger verhouding aangenomen worden òf het proces houdt op opheffend te zijn; het ras gaat dan te gronde door ziekelijke werking van eigen krachten en een jonger ras komt op, om het geheele verloop van sociale evolutie op nieuw te beginnen.

Onder den prikkel der sexueel-economische verhouding verhief zich de eene beschavingstoestand na den anderen, om telkens weder onder te gaan in vermoeiende opeenvolging. Ons is het overgelaten een nieuwer, een beter vorm van geslachtsverhouding en daarmee gepaard gaande economische verhouding te ontwikkelen en zoodoende de vruchten te plukken van voorafgaande civilisatie en opgevoerd te worden tot hooger wezens. De ware en duurzame maatschappelijke vooruitgang, verder dan wij thans gekomen zijn, is gebaseerd op onderlinge menschenliefde, niet uitsluitend op onderlinge geslachtsliefde; hij vereischt een economisch samenstel dat voor menschelijke behoeften en niet voor geslachts-behoeften georganiseerd is. De sexueel-economische verhouding voerde den man tot die hoogte op, waarop hij volkomen mensch kan zijn. Zij verhief en ontwikkelde den menschelijken geest tot hij in staat was die groote sociale belangen te begrijpen en tevolbrengen, waarin een opvolgend leven zijn uiting moet vinden. Maarindien het menschdom deze nieuwe krachten niet ziet, ze niet voelt, ze niet trouw dient, dan wordt de hoogte van waar elke verdere vooruitgang moet voortschrijden niet bereikt, en daalt het weder. Telkens en telkens was de maatschappij reeds tot op die hoogte gestegen, bleef dan in gebreke de nieuwe plichten te aanvaarden en zonk terug.

Thans zullen wij niet weder dalen, want het sociale bewustzijn is ten slotte zoo’n bezielende kracht in man en vrouw beide geworden, dat wij duidelijk gevoelen dat ons menschelijk leven niet ten volle door het geslachtsleven alleen geleefd kan worden. Wij zijn reeds zoo ver geïndividualiseerd, zoo ver gesocialiseerd, dat mannen kunnen werken zonder de aansporing van den overdreven geslachtsprikkel, werken voor een ander doel dan alleen voor vrouw en kinderen; terwijl de vrouwen, zonder in den slaafschen toestand van economische afhankelijkheid gebracht te zijn, kunnen liefhebben en dienen,—ja beter liefhebben en meer dienen. De geslachtsprikkel begint en eindigt in de individuen. De sociale zin is een hooger iets, een betere zaak, waar een breeder, edeler leven mede gepaard gaat, een leven zooals wij het nooit zullen leeren kennen, zoolang het alleen op een geslachts-basis rust.

Daarenboven moet men goed begrijpen, wat reeds in wijden kring vaag gevoeld wordt, dat de hoogere ontwikkeling van het sociale leven, die op de economische onafhankelijkheid der vrouwen volgt, een hooger geslachtsleven mogelijk maakt dan tot dusver bekend was. Even snel als de mensch tot op een bepaalde hoogte in maatschappelijken vooruitgang stijgt, even snel verslijt en vergaat deze oorspronkelijke vorm van geslachts-vereeniging; dan gevoelt men ook hoe onvoldaan een zoodanige vereeniging laat en hoe kwetsend zij is. In hethedendaagsche leven is dit reeds duidelijk merkbaar. De lange, zekere, opgaande strooming van het menschelijk ras naar het monogame huwelijk wordt niet langer gesteund, maar belemmerd door de economische zijde van de verhouding. Het beste huwelijk is dat hetwelk gesloten is door de beste individuen; doch heden ten dage voelen de beste individuen van beide seksen zich steeds meer gekwetst door de economische basis van ons huwelijk, een basis die in mannen en vrouwen die eigenschappen en de daaruit voortvloeiende industrieele toestanden voortbrengt en in stand houdt, welke het huwelijk met elken dag moeilijker en wisselvalliger maken.

Daarom moest de vrouwenbeweging door ieder rechtschapen en helderziend man zoowel als vrouw begroet worden als de beste vrucht van deze eeuw. De vooruitstrevende banier voert tot zinspreuk: “gelijkheid voor de wet”, de vrouw een aandeel in het politieke leven; maar de voornaamste vooruitgang is en zal zijn economische vrijheid en gelijkheid. Zoolang leven op aarde bestaat, zullen de economische voorwaarden van elken bestaanden levensvorm er den grondslag van vormen en den toestand beheerschen; het menschelijk leven maakt hierop geen uitzondering. Een maatschappij, wier economische eenheid een geslachts-verbond is, kan zich niet boven een zekere hoogte economisch ontwikkelen; evenmin als een maatschappij, zooals de patriarchale, wier politieke eenheid een geslachts-verbond was, zich boven een zekere hoogte politiek kon verheffen.

De laatste bevrijding van het individu zal de laatste vereeniging van individuen mogelijk maken. Zoolang de zonen zich moesten buigen voor den wil van een patriarchalen vader was democratie een onmogelijkheid. Democratie beteekent, vereischt, is, persoonlijke vrijheid. Zoolang de sexueel-economische verhouding het huisgezinmaakt tot het doel waarvoor wij werken, is geen hooger samenleven dan wij thans bereikt hebben mogelijk. Doch zoodra de vrouwen vrije, economische, maatschappelijke factoren geworden zijn, wordt een volkomen maatschappelijke vereeniging van individuen met collectieve voortbrenging mogelijk. Met zulk een vèr strekkende vereeniging, wordt ook een vereeniging tusschen man en vrouw mogelijk, zooals de wereld zich die reeds lang te vergeefs gedroomd heeft.

VIIIMet zoo’n onmisbare en ingrijpende verandering in het menschelijk leven als deze verandering van economischen grondslag in de positie der vrouwen, doen wij goed eindelijk meer aandacht te schenken aan de verklaring van alledaagsche feiten in ons gewone leven, die door elken oppervlakkigen lezer begrepen kunnen worden, indien hij ten minste weet, hoe hij moet lezen. In den regel begrijpen wij niets van de belangrijkste openbaringen aan de menschheid,—de teekenen des tijds. Geschiedkundige crisissen, welke langzaam haar hoogtepunt bereikt hebben, barsten plotseling over ons los, nog voor de overgroote meerderheid van het volk bemerkt dat er iets gaande is. Het eerste geweer dat te Fort Sumter werd afgeschoten, was een buitengewone verrassing voor de meeste burgers der Vereenigde Staten. Toen de adel van Frankrijk werd vernietigd, hadden slechts weinigen dit genoegzaam voorzien om het te voorkomen.Gelukkig wachten de wetten der sociale evolutie niet op onze erkenning of aanneming er van, zij gaan onverbiddelijk haar gang. Zoo is de verandering, grooter en belangrijker dan de wereld ooit aanschouwd heeft, het langzaam oprijzen van de eeuwenlang onderdrukte vrouw tot volkomen ras-gelijkheid met den man, reeds lang genoeg rondom ons gaande geweest, om opgemerkt te kunnen worden. Zij verscheen om velerlei redenen in Amerika eerder en sterker dan ergens elders.Het Anglo-Saksisch bloed, dat engelsch mengselwaarvan Tennyson zingt,—“Saksisch, Normandisch en Deensch zijn wij”,—toont de krachtigste uiting van den laatsten stroom van frisch rassen-leven van het Noorden; van deze krachtige rassen, waar de vrouwen meer gelijk waren aan de mannen en de mannen er niet minder mannelijk om waren. De sterke, levendige geest van den godsdienst-opstand in de nieuwe kerk, die protesteerde tegen en zich los maakte van de oude, deed de ziel der vrouw even goed als die van den man ontwaken en in de gelijkheid van het martelaarschap leerden beide seksen naast elkander staan. Daarna, in het durven en zich blootstellen, het harde werken en de bittere ontbering van het pioniers-leven der eerste kolonisten, was de aanwezigheid der vrouwen werkelijk van het hoogste belang en had haar arbeid groote economische waarde. Geslachts-afhankelijkheid werd bijna niet gevoeld. Zij die de kogels goot en de geweren laadde, terwijl de mannen ze afvuurden, was mede-verdediger van huis en haard. Zij die de wol kamde, verfde, spon en weefde was mede-kostwinner van het gezin. Mannen en vrouwen zonden te zamen hunne gebeden op, werkten te zamen en vochten te zamen in betrekkelijke gelijkheid. De ontwikkeling der democratie heeft ons echter meer dan alles de volmaaktste individualisatie gebracht die de wereld ooit aanschouwd heeft. Ofschoon dit in het politieke leven alleen door de mannen wordt geuit, is toch het karakter dat het heeft voortgebracht, ook door hun dochters geërfd. De democratische Federatie die in haar organische vereeniging terugwerkt op individuen, heeft in Amerika den geest der menschen zoo vrij gemaakt, zoo versterkt, zoo aangemoedigd, dat zij de slavernij hebben afgeworpen, en, door denzelfden prikkel in beweging gebracht, den langen strijd voor wettelijke gelijkstelling der vrouw zijn begonnen.Deze strijd is in Amerika reeds 50 jaren onvermoeid gestreden en nadert thans met snelle schreden zegevierend zijn einde. Het is niet alleen dat in vier Staten ten volle het kiesrecht wordt uitgeoefend door beide seksen, noch dat in vierentwintig andere Staten het kiesrecht voor een deel aan de vrouwen is toegekend, wat wij onder vooruitgang rekenen; maar wij vinden in de wettelijke en maatschappelijke, geestelijke en lichamelijke veranderingen het bewijs dat de moeder der wereld haar rechte plaats in de maatschappij gaat innemen. Hebben wij niet reeds opgemerkt dat de moderne vrouw in grootte, kracht en vlugheid gewonnen heeft? De moderne vrouw, die geest en lichaam staalt, vertegenwoordigt het nieuwe type, waarlijk een edel type. De heldinnen van novellen en drama’s hebben tegenwoordig reeds een ander karakter dan die van het begin dezer eeuw. Niet alleen dat men ze uiterlijk anders schetst, maar zij gedragen zich ook anders. De valsche sentimentaliteit, de valsche preutschheid, de valsche teederheid, de buitengewone valschheid van de overdreven complimenten en kruipende hoffelijkheid, welke met al die andere valschheden hand aan hand gaan, verdwijnen langzamerhand. De vrouwen beginnen oprechter, flinker, sterker, gezonder en werkzaam, bekwaam, vrij te worden, meer menschelijk in elk opzicht.De verandering in opvoeding is voor een groot deel de oorzaak hiervan en zal er later een gevolg van worden. Dag aan dag vallen hinderpalen neder. Meer en meer worden wegen voor de vrouw geopend waar zij haar geest kan verrijken, en gretig maakt zij daarvan gebruik. Niet alleen onze leerlingen, maar zelfs onze onderwijzers zijn meestal vrouwen. En het heldere en krachtige verstand der vrouwen toont telkenmale hoe onrechtvaardig de laffe beleediging was, waarmede menvroeger steeds verachtelijk sprak van “vrouwelijk verstand.” Vrouwelijk verstand bestaat niet. Hersenen zijn geen geslachtsorganen. Wij zouden even goed van een vrouwelijke lever kunnen spreken.Aanhoudend gaat de vrouw vooruit in kunsten en wetenschappen, handel en ambachten; doch het is zeer dom met deze betrekkelijke vorderingen aanspraak op superioriteit op dit gebied van vrouwen boven mannen te maken of zelfs hunne gelijkheid hieruit te willen afleiden. Meer voor dit doel geschikt, en wat ook gemakkelijker aangetoond kan worden, is de superioriteit der hedendaagsche vrouwen boven die van vroeger tijden, de onbegrensde nieuwe ontwikkeling van ras-hoedanigheden in de vrouw. Zouden wij ons nog in spreekwoorden uitdrukken, dan zouden onze moderne spreekwoorden niet meer met zulk een verpletterende, onbeteugelde verachting van de hedendaagsche vrouwen spreken, als deze onfeilbare uitspraken der volksmeening vroeger deden.De volksgeest van heden wordt weergegeven in novellen en romans, eenvoudige verzen en humoristische toespelingen. Onze verandering in omstandigheden en verandering van gevoelens blijkt uit hetgeen door de meeste auteurs vrij geschreven en door de meeste menschen vrij gelezen wordt. In oude romans was de vrouw alleen mooi, voornaam, deugdzaam en soms “talentvol”. Zij deed niets dan beminnen en haten, gehoorzamen of niet gehoorzamen, hier en daar werd zij aan schurken, helden en slechte ouders overgeleverd, werd uitgescholden, viel in zwijm of barstte in tranen uit, al naar het best bij de gelegenheid paste.De hedendaagsche roman ruimt de vrouw hoe langer hoe grooter plaats in de handeling van het verhaal in. Er worden persoonlijke bijzonderheden van haar vermeld, buiten en behalve haar lichamelijke schoonheid. En zij isniet meer tevreden met er eenvoudig “te zijn”, zij “doet” ook werkelijk iets. Onze romanheldinnen bezitten thans eigenschappen van moed, lijdzaamheid, kracht, overleg, en de macht om een goed overlegd plan snel uit te voeren. Zij hebben een eigen oordeel en een eigen doel, en zelfs wanneer, zooals in zoovele gevallen door de meer reactionaire novellisten beschreven wordt, de pogingen van de heldin volkomen nutteloos blijken en zij meestal vrij onberedeneerd ten slotte toch haar toevlucht neemt tot een huwelijk met economische afhankelijkheid, dan ontbraken toch de pogingen niet. Afkeuren mag hij, zijn kunst gebruiken om te veroordeelen en te verguizen mag hij, maar de ware novellist is verplicht om de kenmerkende verschijnselen van dezen tijd te boekstaven, en geen teeken is meer kenschetsend voor dezen tijd, dan de steeds toenemende individualisatie der vrouwen. Lichtelijk, doch met gelijke onfeilbare waarheid, vertoonen het vernuft en de humor tegenwoordig dezelfde ontwikkeling. De meeste van onze tegenwoordige aardigheden op vrouwen hebben betrekking op haar “nieuwheid”, haar geavanceerdheid.Geen sociologische verandering, die in belangrijkheid gelijk was aan deze duidelijk opgemerkte verbetering van een geheele sekse, heeft ooit in één eeuw plaats gegrepen. Onophoudelijk gaat de spil waar alles om draait, de groote verandering in de economische verhouding, haar gang. Zij volgt een geheel natuurlijke, richting. Even als het toenemend gebruik van machines de ruwe lichaamskracht in waarde doet verminderen en ontwikkeld verstand en ervaring in waarde doet stijgen, zoo eischt ook de druk van industrieele toestanden een steeds hoogeren graad van arbeidsverdeeling en leidt tot het verdwijnen van dit overblijfsel uit het patriarchale tijdperk,—het gezin als een economische eenheid.De vrouwen zijn door den druk der noodzakelijkheid tegen haar zin op het veld der economische werkzaamheid aangeland. Voor haar langzaamheid en begeerigheid, een gevolg van eeuwenlange afhankelijkheid, is die verandering volstrekt niet aantrekkelijk. Vele vrouwen werken alleen omdat zij moeten, en niet langer dan tot zij kunnen trouwen en “onderhouden worden.” Ook de mannen, die in de macht van het geld en in de geringe soort dankbaarheid en toewijding die er mede gekocht kan worden behagen scheppen, verwerpen en bestrijden de verandering; maar door dit alles wordt de loop van den socialen vooruitgang slechts weinig gewijzigd.Een sprekend feit is de toenemende wensch van jonge meisjes om onafhankelijk te worden, om een eigen loopbaan te hebben, ten minste voor een tijd, en het steeds aangroeiend bezwaar van tallooze gehuwde vrouwen om hun man nederig om geld te vragen, om te bedelen voor hun onderhoud. Meer en meer geven vaders hun dochters en mannen hun vrouwen een vast jaargeld—een afzonderlijk bedrag, dat zij naar eigen goedvinden kunnen gebruiken. Het gevoel van persoonlijke onafhankelijkheid bij de tegenwoordige vrouwen is een zeker bewijs dat er verandering is gekomen.De invoering der machines, waardoor een tijd geleden vele takken van industrie uit het huis verdreven werden, beroofde de vrouw geheel van hare economische waarde; maar thans verheft zij zich en volgt haar verloren spinnewiel en weefstoel naar hun nieuwe plaats, de fabriek. Er is tegenwoordig nauwelijks een industrie aan te wijzen waarin niet eenige vrouwen werkzaam gevonden worden. Door heel Amerika vindt men vrouwelijke werklieden buiten den onbetaalden arbeid van het gezin; bij de laatste volkstelling waren er reeds drie millioen. Dit is zulk een bekend feit en wordt op zoo verschillendewijzen door een zoo groot aantal personen gevoeld dat het tot herhaalde en breedvoerige bespreking en verschillende opvatting aanleiding geeft. Zonder ons hier te verdiepen in de onmiddellijke vóór- of nadeelen hiervan voor de industrie, halen wij dit alleen als een onbetwistbaar bewijs aan van de radicale verandering in de economische positie der vrouwen, zooals die zich thans aan ons voordoet. Voor onze oogen zien wij de vrouw van jaar tot jaar nieuwe banen betreden, maar met deze feiten uit een persoonlijk oogpunt te beschouwen, bleven wij in gebreke den aard der verandering naar waarde te schatten.Overwegen wij eens de veranderde gezins-verhouding, die met de verandering in de positie der vrouwen gepaard gaat. Geheel afgescheiden van de gespannen verhouding in het huwelijk, worden ook de andere takken van het familieleven door de vreemde nieuwe krachten geïnfluenceerd en beantwoorden er aan. “Toen ik een meisje was”, zucht de grijze moeder, “zaten wij zusters allen stil te naaien, terwijl moeder ons voorlas. Nu gaan mijn dochters allen naar een verschillende club!” Zij zucht, laat ons dat niet onopgemerkt laten. Wij voelen altijd bezwaar veranderingen in die uitingen van het leven te maken, waaraan wij een ethische beteekenis hebben gegeven. Dat al de dochters zouden naaien terwijl de moeder hardop voorlas, werd als goed beschouwd en daarom acht men het verkeerd dat de dochters naar verschillende clubs gaan, omdat hierin gevaar schuilt voor het huiselijk leven. In de periode van gezamenlijk naaien en lezen waren de zoo vergaderde vrouwen even nauw verwant in industrieele en intellectueele ontwikkeling als in familie-verwantschap. Zij konden allen hetzelfde werk doen en zij hielden er van om het te doen. Zij konden allen hetzelfde boeklezen en zij hielden er van om het te lezen. (En lezen werd een halve eeuw geleden, half als een deugd, half als een kunst beschouwd). Van daar het gemak waarmede zulk een groep vrouwen hun gemeenschappelijk werk en hun gemeenschappelijk genoegen opvatten.De steeds grooter wordende individualisatie door het democratisch leven brengt onvermijdelijk in onze dochters even goed als in onze zonen verandering. Niet alle meisjes houden meer van naaien, velen kunnen het zelfs niet. Nu bij elkaar te gaan zitten naaien, zou in plaats van een harmonisch proces te zijn, op verschillende wijze rusteloosheid, afkeer en zenuwachtige prikkelbaarheid te weeg brengen. En wat het hardop lezen aangaat, het is nu niet meer zoo gemakkelijk een boek te vinden, waarin een goed onderwezen gezin van moderne meisjes en de moeder allen te zamen belang zouden stellen. Met het zich meer specialiseeren, meer differentieeren van het menschenras worden de eenvoudige banden van het familieleven minder sterk gevoeld, terwijl de meer samengestelde banden van het sociale leven krachtiger tot ons spreken; en dit is voor vrouwen zoowel als voor mannen een volmaakt natuurlijk en gewild proces.Het moet in het voorbijgaan even worden opgemerkt, dat een van de oorzaken van hetgeen men “Americanitis” noemt, gevonden wordt in de toenemende zenuwachtige inspanning om het familieverband te behouden, wat voornamelijk op de vrouwen van invloed is. Nu zij persoonlijk meer zelfstandig worden, lijden zij meer onder de primitieve en onbeteekenende toestanden van het familieleven uit vroegeren tijd. Wat “een vrouw” en “een moeder” verondersteld werd volkomen geschikt te vinden, vindt de ontwikkelde vrouw van heden, die tevens een persoonlijkheid werd, dikwijls leelijk en ongeschikt,—een wantje waar zij een handschoenbegeert. De huiselijke zorgen en werkzaamheden die nog niet op de hoogte van den tijd zijn gebracht, laten haar toenemende ontwikkeling geen vrij spel. Waar de embryonische samenvoeging van kok-verpleegster-waschvrouw-kamermeid-huishoudster-naaister-kindermeid tevreden was met een “van alle markten thuis” en niets geheel meester te zijn, daar lijdt de vrouw, die zich in staat voelt in één van die zaken uit te munten, doch daarnaast minder van de andere af te weten dubbel, wanneer zij genoodzaakt wordt te doen waartoe zij zich niet in staat voelt en te laten wat zij goed zou kunnen doen. Het met zorg ontwikkeld modern verstand ondervindt door de botsing en schok van het wel een dozijn keeren daags veranderen van het soort arbeid een bepaald nadeel, een verlies van zenuwkracht. Met de breeder maatschappelijke ontwikkeling van de hedendaagsche vrouw gaat gepaard een geschiktheid en verlangen naar een ruimer arbeidsveld, naar een meer georganiseerde wijze van werken voor grooter doeleinden, waardoor het algemeen belang meer gediend wordt, terwijl de sterke persoonlijke grenzen van de meer primitieve huiselijke plichten, belangen en methoden steeds zwaarder gaan drukken. En deze druk en spanning moet met den vooruitgang der vrouwen grooter worden, totdat de nieuwe functioneele macht zich zelf een organische uiting verschaft en de verouderde huiselijke werkzaamheden onder handen genomen en georganiseerd worden, evenals de andere arbeid van het moderne leven.Onderwijl evenwel lijden de besten en de meest op den voorgrond tredende vrouwen zeer veel; de maatschappelijke vooruitgang wordt sterk belemmerd door de moeilijkheid om oude toestanden aan nieuwe levensvoorwaarden passend te maken. Men moet toch bedenken dat het niet de wezenlijke verhoudingen van vrouw enmoeder zijn, welke door deze verandering gewijzigd worden, maar dat alleen de huishoudelijke werkzaamheden die uit de economische afhankelijkheid van vrouw en moeder voortspruiten en die tot nu toe verondersteld werden een deel van haar functiën te zijn, veranderen zullen. De verandering die wij ondergaan maakt in geen enkel opzicht inbreuk op de ware familieverhoudingen, huwelijk, ouderschap; doch alleen op die onder-verhoudingen, die in een vroeger tijd tehuis behooren en nu langzamerhand gaan verdwijnen. De familie als een geheel, een economisch en maatschappelijke eenheid, blijft niet bestaan zooals zij was. De banden tusschen broeder en zuster, neven en nichten en bloedverwanten in het algemeen, worden langzamerhand minder sterk en zijn verplicht plaats te maken voor nieuwe banden, die een beter verbond zullen vormen.De verandering werkt opvallender bij vrouwen dan bij mannen, omdat onder haar langer de meer oorspronkelijke phasen van het familieleven bleven bestaan. Een van de meest in het oog vallende teekenen is de eisch der vrouwen niet alleen van eigen geld, maar van eigen werk, om zich persoonlijk te kunnen uiten. Zij die zich verzetten tegen vrouwen-arbeid op grond dat zij niet moeten wedijveren met mannen of niet verplicht moeten worden te strijden voor haar bestaan, beschouwen het werken alleen als middel om geld te verdienen. Zij moeten bedenken dat menschenarbeid een uiting van bekwaamheid is, dat “te doen” en “te maken” niet alleen hoog genot verschaft, maar dat het onontbeerlijk is voor een gezonde lichamelijke en geestelijke ontwikkeling. Slechts weinige hedendaagsche meisjes blijven in gebreke om op de een of andere wijze dezen wensch voor persoonlijke uiting te kennen te geven. Dit zien wij niet alleen in de klassen der maatschappij waarmen gedwongen is te werken, maar zelfs onder de rijke vrouwen vinden wij dezelfde krachtige uiting van normale ras-energie. Houtsnijden, ijzersmeden, photographeeren, japonnen maken volgens de regelen der kunst,—om het even wat het is, maar onze tegenwoordige meisjes willen allen iets doen. Het is een zeer gezonde toestand die wijst op de ontwikkeling van raskenmerken in de vrouwen en een evenredige vermindering van geslachtskenmerken, tot deze hun normale verhouding weder zullen hebben ingenomen.De vrouw ondergaat thans in lichaam en geest, in alles wat met het leven in verband staat een zegenrijke verandering; terwijl zij vroeger in hoofdzaak een geslachtswezen was, ontwikkelt zij zich thans tot een volmaakt menschelijk wezen dat niet minder een ware vrouw is, nu zij meer een waar mensch wordt. Wat ons beangstigt en mishaagt bij het zien van deze dingen komt voort uit ons dwaas wanbegrip dat ras-functiën mannelijke functiën zijn. Er wordt veel inspanning nutteloos verbruikt met te willen aantoonen dat vrouwen geslachtloos en mannelijk zullen worden, door deze menschelijke plichten op zich te nemen. Men zegt ons dat het voor de kindsheid en voor den ouderdom karakteristiek is slechts weinig geslachtelijk onderscheiden te zijn en dat aanneming van eigenschappen die de andere sekse eigen zijn, een verval of een onontwikkelden toestand bewijst. Bij elk ras zijn de jongen minder geslachtelijk onderscheiden en van de ouden van dagen zijn de kenmerkende geslachts-eigenschappen somtijds verwisseld, bijv. het kraaien van oude hennen of het groeien van een baard bij oude vrouwen. Het is om die reden dat men ons overtuigen wil dat de poging der vrouwen om mannelijke economische functiën te verrichten een verminderde beschaving bewijst en diep betreurd moetworden. Er zou eenige reden voor die opvatting zijn, indien de gewone ras-werkzaamheden van de menschheid, waaraan de vrouwen nu zoo ijverig deelnemen, inderdaad mannelijke functien waren. Maar dat zijn zij niet. Wij kunnen onze ziekelijke denkbeelden omtrent geslachts-onderscheid niet bespottelijker uitdrukken dan door dezen liefelijken eisch om alle menschelijke levensprocessen tot geslachts-functien van den man te verklaren. “Mannelijk” en “vrouwelijk” heeft alleen betrekking op reproductieve geslachts-functien, op de processen van ras-behoud. De processen van zelf behoud zijn ras-functien, anders voor iedere diersoort, doch gelijk voor beide geslachten.Indien kon aangetoond worden dat de hedendaagsche vrouwen een baard kregen of bijv. van bekkenbeenderen veranderden, of basstemmen ontwikkelden, of dat zij in hun nieuwe werkzaamheden de vernietigende kracht, den ruwen oorlogzuchtigen aard, of de intense geslachts-ijdelheid van den man vertoonden, dan zou er reden zijn om zich ongerust te maken. Maar men vond steeds bij elk onderzoek dat ingesteld werd naar vrouwen die werkzaam waren, dat zij toch vrouwen bleven, en dit schijnt voor vele eenvoudige zielen een verrassing geweest te zijn. Een vrouwelijk paard is niet minder vrouwelijk dan een vrouwelijke zeester, maar zij heeft meer functien. Zij kan meer dingen doen, is een hooger ontwikkeld organisme, heeft meer verstand, en met dit alles is zij zelfs vrouwelijker in haar meer uitgewerkte en verder strekkende voortplantingsprocessen. Zoo zal ook de “moderne vrouw” niet minder vrouw zijn dan de “ouderwetsche vrouw”, ofschoon zij ook meer functien verricht, meer dingen kan doen, een fijner ontwikkeld, organisme heeft en meer verstand bezit. Zij zal met dit alles vrouwelijker zijn, daardoor zal zij veel beter voorde kinderen zorg dragen dan met onze tegenwoordige verspillende, betreurenswaardige methode, waarbij wij, evenals een kabeljauw, vijftig percent van de jongen verloren laten gaan, mogelijk is. Een gehuwd paar, zegt de wetenschappelijke dictator in allen ernst, heeft gemiddeld vier kinderen noodig om de bevolking op de tegenwoordige hoogte te houden, twee om de ouders te vervangen en twee om dood te gaan,—een pleizierige manier van doen en eene die veel tot den goeden naam van ons moederschap bijdraagt!De snelle uitbreiding van den werkkring der moderne vrouw heeft niets te maken met de verwisseling van sommige mannelijke en vrouwelijke eigenschappen; dit is eenvoudig een voortgang in menschelijke ontwikkeling waarbij de eigenschappen aan beide seksen eigen, nu duidelijker aan het licht komen, en wat in zijne gevolgen zeer heilzaam is. Ieder die het leven rondom ons gadeslaat moet de verandering in de toestanden opmerken. Het is jammer dat wij het belang er van niet genoeg weten te waardeeren. Want de groei en het krachtig optreden van het gemeenschapsgevoel onder ons allen, is een even duidelijk en merkbaar teeken van het moderne leven als de verandering in de positie der vrouw, en beide zijn nauw verwant.Nooit te voren hebben de menschen zooveel voor anderen gevoeld. Van de beginnende uiting van grooter belangstelling in en hulpvaardigheid voor andere menschelijke wezens, tot aan de laatste uiting van de vage, blinde, weifelende beweging voor internationale rechtvaardigheid en wetten, worden de gemoederen heden ten dage in beroering gebracht. Het geheele maatschappelijk lichaam krijgt tegenwoordig plotselinge gevoelsrillingen, wanneer in het een of ander deel van de wereld groote droefheid of reden tot vreugde heerscht. Toenhet bericht van “de negerhut van Oom Tom” het hart van alle menschen had aangegrepen en in vuurgloed gezet had; het vuur van menschelijke liefde en medelijden dat in ons allen latent is en dat steeds verlangt naar een gelegenheid tot gemeenschappelijke uiting, toen bleek dat in elk beschaafd land de menschen van onzen tijd over sommige onderwerpen gelijk denken. Niets kon in den tijd van Perikles, Augustinus of zelfs van Elisabeth den geest zoo hebben wakker geschud, omdat de menschheid in dien tijd nog niet zoo ver gesocialiseerd en zoo ver geindividualiseerd was om in staat te zijn zoo gemeenschappelijk te voelen.Uitvindingen en wetenschappelijke ontdekkingen werken er voortdurend toe mede om de wereld thans tot eenheid te brengen. Dikwijls wordt beweerd dat het verstand van de Grieken of van de groote denkers der Middeleeuwen sterker en grooter was dan het verstand der hedendaagsche menschen. Misschien is dat waar. Evenzoo waren de lichamen van een megatherium (voorwereldlijk gordeldier) en een ichthyosaurus (voorwereldlijke hagedis) sterker en grooter dan de lichamen der hedendaagsche dieren. Toch stonden zij in organische ontwikkeling lager. De maatstaf voor maatschappelijken vooruitgang ligt niet zoozeer in de bekwaamheid van het individu, als wel in de organische verhouding der individuen, waardoor de vooruitgang van ieder afzonderlijk ten bate komt aan allen. Emerson heeft meer voor Amerika gedaan dan Plato kon doen voor Griekenland. Plato heeft inderdaad meer voor Amerika gedaan dan hij kon doen voor Griekenland, omdat door de drukpers en de openbare scholen het denken vrijer werd en wat gedacht werd gemakkelijker aan anderen kon worden medegedeeld.Menschelijke vooruitgang moet gezocht worden in hetvolmaken der maatschappelijke organisatie, en hierin gaan wij thans met reuzenschreden vooruit. Terwijl bij de meer oorspronkelijke volkeren alleen nadeel gevoeld werd, wanneer het individu daardoor aan zijn lichaam of in zijn persoonlijke belangen getroffen werd, en later wanneer het zijn natie of kerk betrof, is tegenwoordig het gevoel reeds zoo ontwikkeld, dat wij in verzet komen wanneer vreemde natiën onrechtvaardig behandeld worden. De beschaafde wereld heeft geleden onder de martelingen in Armenië, ofschoon de wijze waarop de maatschappij aan hare verontwaardiging lucht geeft nog niet de juiste is om het sociale gevoel en den socialen wil ten volle tot uitvoering te brengen.1Altijd ontstaat eerst de functie en dan het orgaan; het menschelijk hart en de menschelijke geest, welke het hart en de geest der maatschappij zijn, moeten eerst lang gevoeld en gedacht hebben, alvorens het maatschappelijk lichaam zich krachtig kan uiten.Het maatschappelijk voelen en denken wordt elken dag krachtiger en werkzamer. In onze lastige pogingen om tot internationale arbitrage te komen; in de half-gewilde verbonden en overeenkomsten tusschen groote volkeren; in de samenwerking der geheele menschheid om zeeën en bergen en woestijnen door stoom en electriciteit over te steken; in het vestigen van zulke wereld-functiën als de internationale postdienst;—in deze uiterlijke zaken begint onze maatschappelijke eenheid reeds te werken. Wie heeft op het meer bekende terrein van het huiselijk leven niet opgemerkt hoe velen van ons bestendig worden bezig gehouden voor de belangender gemeenschap, zelfs ten koste van hun eigen-belang. Aanvankelijk werden vrouwen die belangstelling toonden in den gang der maatschappij met spot overladen door zulke personen als een juffrouw Pieterse of mevrouw Smit, ofschoon enkele vrouwen, die zoo groot waren of zoo voor godsdienst en philanthropie ijverden, dat zij achting afdwongen, vrouwen als de heilige Elisabeth Frij, Clara Burton en Florence Nightingale, hieraan ontkwamen. Doch beide categorieën van vrouwen behooren tot denzelfden tijd, maken deel uit van dezelfde verschijnselen. Tegenwoordig is er in geheel Amerika, om niet van andere landen te spreken, nauwelijks één verstandige vrouw te vinden, die niet op de eene of andere wijze werkzaam deelneemt aan een maatschappelijk belang, die niet erkent, dat zij nog andere plichten te vervullen heeft, buiten die welke alleen haar eigen bloedverwanten ten goede komen.De beweging voor het vormen van verschillende bonden voor vrouwen is een van de belangrijkste sociologische verschijnselen van deze eeuw,—eigenlijk van alle eeuwen,—omdat zij de eerste bedeesde pogingen tot sociale organisatie van deze zoo lang ongesocialiseerde leden van ons ras aantoont. Het maatschappelijk leven moet onvoorwaardelijk organisatie ten grondslag hebben. De militaire organisatie welke vrede bevordert, de industrieele organisatie waardoor het leven onderhouden wordt en alle opvoedkundige, godsdienstige, liefdadige organisatiën welke voor onze hoogere behoeften zorgen, stellen de wezenlijke factoren van die sociale werkzaamheid samen, waarin wij als individuen leven en opgroeien; en het is daarom duidelijk dat, terwijl vrouwen aan deze organisatiën vroeger niet deelnamen, zij ook niet aan het sociale leven deelnamen. Haar hoofdzakelijke verhouding tot de maatschappij waseen persoonlijke, een dierlijke, een sexueele verhouding. Zij brachten de menschen voort waaruit de maatschappij was samengesteld, maar zij maakten geen deel uit van de maatschappij. Natuurlijk waren zij in hunne hoedanigheid onmisbaar, maar evenmin als wij voedsel een deel noemen van de maatschappij omdat de menschen niet bestaan kunnen zonder te eten, evenmin mogen wij de vrouwen een deel van de maatschappij noemen, omdat menschen niet bestaan kunnen zonder geboren te worden. Vrouwen hebben menschen gemaakt, die de wereld maakten en men behoeft geen vrees te koesteren dat zij niet altijd daarmede zullen voortgaan. Maar tot nu toe speelden zij een zeer onbeteekenende rol in de door haar zonen gemaakte wereld.De eenige vorm van organisatie voor de vrouwen was langen tijd de ongehuwde godsdienstige gemeenschap. Deze is haar altijd dierbaar geweest. Evenals thans vele vrouwen haar onafhankelijkheid niet willen opofferen voor een ongewenscht huwelijk, zoo vluchtten er vroeger velen voor een gevreesd huwelijk naar de gemeenschappelijke onafhankelijkheid van het klooster. De liefde der vrouwen voor de Kerk vindt haar grondslag niet alleen in godsdienstige gevoelens, maar in de zucht van den mensch om gezamenlijke belangen te dienen en gemeenschappelijken arbeid te verrichten; en de vrouwen konden daarvoor in de Kerk alleen bevrediging vinden. Daar konden zij ten minste te zamen zijn. Daar konden zij voelen met anderen, werken met anderen,—het hoogste menschelijk genot. Toen de Kerk haar werkzaamheden uitbreidde, vond zij overal in de vrouwen haar vlijtigste en vertrouwdste arbeiders. Te zamen te werken, te zamen fondsen te vormen voor een gemeenschappelijk doel, voor een nieuw gebouw of een nieuwe geestelijke, voor plaatselijke, liefdadige instellingen ofvoor zendingen in den vreemde,—als het maar betrof samenwerking voor andere behoeften dan die van het huisgezin,—dit is altijd met blijdschap door de strijdende menschelijke ziel der vrouwen aanvaard. Toen het mogelijk werd samen te werken voor andere dan godsdienstige doeleinden,—toen de vrouwen groote maatschappelijke belangen mochten dienen, bijv. het werk mochten doen in de ambulances gedurende den laatsten Amerikaanschen oorlog, waren zij overal onmiddellijk bereid in deze behoefte te voorzien. De oprichting en uitbreiding van de grootste vrouwen-organisatie, de Women’s Christian Temperance Union (christelijke-vrouwen-geheel-onthouders-vereeniging) heeft op nieuw aangetoond hoe bereidwillig het hart van de vrouw is, om andere dan persoonlijke belangen te dienen. Door heel Amerika verrijzen de vrouwenbonden thans als paddestoelen uit den grond. De bonden vereenigen en verbinden zich tot stedelijke bonden, staatsbonden, nationale bonden en zelfs tot wereldbonden. Met elken dag neemt het gevoel van menschelijke eenheid onder vrouwen toe. Dit niet op te merken is onmogelijk. Deze nieuwe groei in het sociale leven, dit plotseling en buitengewoon versterken van onze beste krachten in haar allereerste levensuiting niet met voldoening en bewondering gade te slaan, is alleen reeds een bewijs hoe blind wij zijn voor den waren menschelijken vooruitgang en hoe onverstandig wij zijn ons zoo te hebben gehecht aan ons buitensporig geslachts-kenmerk.Een van de meest gewaardeerde teekenen van dezen vooruitgang is de zielegrootheid die in het leven wordt uitgestort. Het is een overal opgemerkt feit dat onder den druk van ons modern zaken-leven de eerzucht en het idealisme aan het afnemen zijn en van lager gehalte worden. Wij worden opgevoed om overtuigingen geweten en eergevoel ondergeschikt te maken aan de eischen van succes in zaken, onze edelste gaven op te offeren voor de meest onedele praktijken, met de laffe verontschuldiging: “een mensch moet leven.”In deze levensphase komt thans een nieuwe geest,—de geest van vrouwen als Elisabeth Cady Stanton en Susan B. Anthony; van dr. Elisabeth Blackwell en haar schitterende zusterschaar; van al de vrouwen die geleden en gestreden hebben een halve eeuw lang, die met kracht den weg baanden met opoffering van zoo veel wat haar lief en dierbaar was, naar het veld van vrijheid, haar zoo lang ontzegd,—niet voor zich zelf alleen, maar ook voor anderen. Wij hebben het luide uitgebazuind dat de huishouding en het huisgezin onder zulk een loop van zaken zouden lijden. Wij hebben niet weinig er aan meegedaan de onaantrekkelijke en onvrouwelijke figuren onder deze vrouwen die de voorhoede vormden bespottelijk te helpen maken.Maar weinigen van ons dachten er over na, hoeveel geestkracht er noodig was om de lieve oude paadjes, door zoo vele voeten plat getreden, te verlaten en heel alleen nieuwe wegen te banen en die te volgen. De aard van de inspanning bracht mede en de aard van den tegenstand dien zij zich op den hals gehaald hadden leidde er toe, om de zachte bekoorlijkheden en bevalligheden van den over-vrouwelijken staat te verliezen; doch de vrouwen die volgen en zachtjes de treden beklimmen die deze groote voorgangsters zoo ijverig op gebouwd hebben, kunnen het nieuwe werk op de nieuwe wegen verrichten en toch veel behouden van hetgeen deze krachtige heldinnen hebben moeten opofferen.Niet doctor zijn maakt een vrouw onvrouwelijk, maar de behandeling welke de eerste vrouwelijke medischestudenten en doctoren van hare mannelijke collega’s ontvingen, was van dien aard dat het mannen onmannelijk maakte. Die tijd is reeds lang voorbij. De poorten zijn bijna alle geopend, ten minste in sommige landen;—de ras-bekwaamheden der vrouwen kunnen zich thans vrij ontwikkelen, zoo als uit den aard der zaak wel zal geschieden. Het voornaamste struikelblok ligt nu in het verwrongen karakter van de vrouw zelf.Hoe groot ook de vrouwen mogen zijn die in elk opzicht den hoogsten geest des tijds belichamen, de zware erfenis van de jaren die achter ons liggen blijft toch nog op ons drukken, er bestaan nog tallooze zwakke, kleinzielige vrouwen, die geen hooger begeerten kennen dan die van een verliefd guineesch biggetje. Ook deze vrouwen zullen tot werken gebracht en haar over-ontwikkelde geslachts-aard tot de normale ontwikkeling terug gevoerd worden, door het onzekere bestaan van een afhankelijk, onproductief leven. Zij moeten eerst erkennen dat zij benadeeld worden. Zij moeten de moeilijkheid waarin zij verkeeren begrijpen en die moedig en flink onder de oogen zien.Maar dit is een zaak van persoonlijke wilskracht, van subjectieve bewustwording. Wat wij in de zaak zien en waarin wij ons verheugen is dat, met of zonder haar bewusten wil, met of zonder de toestemming en de hulp van mannen, zelfs ondanks de historische dwaasheid van enkele vrouwen om zwaren tegenstand te bieden aan den vooruitgang der anderen,—het wijfje van ons ras zekere en snelle vorderingen maakt in menschelijke ontwikkeling.1Terwijl ik dit werk vertaal lijdt de gansche beschaafde wereld onder het onrecht, dat de Zuid-Afrikaansche Republieken door Engeland wordt aangedaan en het gevoel van onmacht om daaraan een eind te maken.

Met zoo’n onmisbare en ingrijpende verandering in het menschelijk leven als deze verandering van economischen grondslag in de positie der vrouwen, doen wij goed eindelijk meer aandacht te schenken aan de verklaring van alledaagsche feiten in ons gewone leven, die door elken oppervlakkigen lezer begrepen kunnen worden, indien hij ten minste weet, hoe hij moet lezen. In den regel begrijpen wij niets van de belangrijkste openbaringen aan de menschheid,—de teekenen des tijds. Geschiedkundige crisissen, welke langzaam haar hoogtepunt bereikt hebben, barsten plotseling over ons los, nog voor de overgroote meerderheid van het volk bemerkt dat er iets gaande is. Het eerste geweer dat te Fort Sumter werd afgeschoten, was een buitengewone verrassing voor de meeste burgers der Vereenigde Staten. Toen de adel van Frankrijk werd vernietigd, hadden slechts weinigen dit genoegzaam voorzien om het te voorkomen.

Gelukkig wachten de wetten der sociale evolutie niet op onze erkenning of aanneming er van, zij gaan onverbiddelijk haar gang. Zoo is de verandering, grooter en belangrijker dan de wereld ooit aanschouwd heeft, het langzaam oprijzen van de eeuwenlang onderdrukte vrouw tot volkomen ras-gelijkheid met den man, reeds lang genoeg rondom ons gaande geweest, om opgemerkt te kunnen worden. Zij verscheen om velerlei redenen in Amerika eerder en sterker dan ergens elders.

Het Anglo-Saksisch bloed, dat engelsch mengselwaarvan Tennyson zingt,—“Saksisch, Normandisch en Deensch zijn wij”,—toont de krachtigste uiting van den laatsten stroom van frisch rassen-leven van het Noorden; van deze krachtige rassen, waar de vrouwen meer gelijk waren aan de mannen en de mannen er niet minder mannelijk om waren. De sterke, levendige geest van den godsdienst-opstand in de nieuwe kerk, die protesteerde tegen en zich los maakte van de oude, deed de ziel der vrouw even goed als die van den man ontwaken en in de gelijkheid van het martelaarschap leerden beide seksen naast elkander staan. Daarna, in het durven en zich blootstellen, het harde werken en de bittere ontbering van het pioniers-leven der eerste kolonisten, was de aanwezigheid der vrouwen werkelijk van het hoogste belang en had haar arbeid groote economische waarde. Geslachts-afhankelijkheid werd bijna niet gevoeld. Zij die de kogels goot en de geweren laadde, terwijl de mannen ze afvuurden, was mede-verdediger van huis en haard. Zij die de wol kamde, verfde, spon en weefde was mede-kostwinner van het gezin. Mannen en vrouwen zonden te zamen hunne gebeden op, werkten te zamen en vochten te zamen in betrekkelijke gelijkheid. De ontwikkeling der democratie heeft ons echter meer dan alles de volmaaktste individualisatie gebracht die de wereld ooit aanschouwd heeft. Ofschoon dit in het politieke leven alleen door de mannen wordt geuit, is toch het karakter dat het heeft voortgebracht, ook door hun dochters geërfd. De democratische Federatie die in haar organische vereeniging terugwerkt op individuen, heeft in Amerika den geest der menschen zoo vrij gemaakt, zoo versterkt, zoo aangemoedigd, dat zij de slavernij hebben afgeworpen, en, door denzelfden prikkel in beweging gebracht, den langen strijd voor wettelijke gelijkstelling der vrouw zijn begonnen.

Deze strijd is in Amerika reeds 50 jaren onvermoeid gestreden en nadert thans met snelle schreden zegevierend zijn einde. Het is niet alleen dat in vier Staten ten volle het kiesrecht wordt uitgeoefend door beide seksen, noch dat in vierentwintig andere Staten het kiesrecht voor een deel aan de vrouwen is toegekend, wat wij onder vooruitgang rekenen; maar wij vinden in de wettelijke en maatschappelijke, geestelijke en lichamelijke veranderingen het bewijs dat de moeder der wereld haar rechte plaats in de maatschappij gaat innemen. Hebben wij niet reeds opgemerkt dat de moderne vrouw in grootte, kracht en vlugheid gewonnen heeft? De moderne vrouw, die geest en lichaam staalt, vertegenwoordigt het nieuwe type, waarlijk een edel type. De heldinnen van novellen en drama’s hebben tegenwoordig reeds een ander karakter dan die van het begin dezer eeuw. Niet alleen dat men ze uiterlijk anders schetst, maar zij gedragen zich ook anders. De valsche sentimentaliteit, de valsche preutschheid, de valsche teederheid, de buitengewone valschheid van de overdreven complimenten en kruipende hoffelijkheid, welke met al die andere valschheden hand aan hand gaan, verdwijnen langzamerhand. De vrouwen beginnen oprechter, flinker, sterker, gezonder en werkzaam, bekwaam, vrij te worden, meer menschelijk in elk opzicht.

De verandering in opvoeding is voor een groot deel de oorzaak hiervan en zal er later een gevolg van worden. Dag aan dag vallen hinderpalen neder. Meer en meer worden wegen voor de vrouw geopend waar zij haar geest kan verrijken, en gretig maakt zij daarvan gebruik. Niet alleen onze leerlingen, maar zelfs onze onderwijzers zijn meestal vrouwen. En het heldere en krachtige verstand der vrouwen toont telkenmale hoe onrechtvaardig de laffe beleediging was, waarmede menvroeger steeds verachtelijk sprak van “vrouwelijk verstand.” Vrouwelijk verstand bestaat niet. Hersenen zijn geen geslachtsorganen. Wij zouden even goed van een vrouwelijke lever kunnen spreken.

Aanhoudend gaat de vrouw vooruit in kunsten en wetenschappen, handel en ambachten; doch het is zeer dom met deze betrekkelijke vorderingen aanspraak op superioriteit op dit gebied van vrouwen boven mannen te maken of zelfs hunne gelijkheid hieruit te willen afleiden. Meer voor dit doel geschikt, en wat ook gemakkelijker aangetoond kan worden, is de superioriteit der hedendaagsche vrouwen boven die van vroeger tijden, de onbegrensde nieuwe ontwikkeling van ras-hoedanigheden in de vrouw. Zouden wij ons nog in spreekwoorden uitdrukken, dan zouden onze moderne spreekwoorden niet meer met zulk een verpletterende, onbeteugelde verachting van de hedendaagsche vrouwen spreken, als deze onfeilbare uitspraken der volksmeening vroeger deden.

De volksgeest van heden wordt weergegeven in novellen en romans, eenvoudige verzen en humoristische toespelingen. Onze verandering in omstandigheden en verandering van gevoelens blijkt uit hetgeen door de meeste auteurs vrij geschreven en door de meeste menschen vrij gelezen wordt. In oude romans was de vrouw alleen mooi, voornaam, deugdzaam en soms “talentvol”. Zij deed niets dan beminnen en haten, gehoorzamen of niet gehoorzamen, hier en daar werd zij aan schurken, helden en slechte ouders overgeleverd, werd uitgescholden, viel in zwijm of barstte in tranen uit, al naar het best bij de gelegenheid paste.

De hedendaagsche roman ruimt de vrouw hoe langer hoe grooter plaats in de handeling van het verhaal in. Er worden persoonlijke bijzonderheden van haar vermeld, buiten en behalve haar lichamelijke schoonheid. En zij isniet meer tevreden met er eenvoudig “te zijn”, zij “doet” ook werkelijk iets. Onze romanheldinnen bezitten thans eigenschappen van moed, lijdzaamheid, kracht, overleg, en de macht om een goed overlegd plan snel uit te voeren. Zij hebben een eigen oordeel en een eigen doel, en zelfs wanneer, zooals in zoovele gevallen door de meer reactionaire novellisten beschreven wordt, de pogingen van de heldin volkomen nutteloos blijken en zij meestal vrij onberedeneerd ten slotte toch haar toevlucht neemt tot een huwelijk met economische afhankelijkheid, dan ontbraken toch de pogingen niet. Afkeuren mag hij, zijn kunst gebruiken om te veroordeelen en te verguizen mag hij, maar de ware novellist is verplicht om de kenmerkende verschijnselen van dezen tijd te boekstaven, en geen teeken is meer kenschetsend voor dezen tijd, dan de steeds toenemende individualisatie der vrouwen. Lichtelijk, doch met gelijke onfeilbare waarheid, vertoonen het vernuft en de humor tegenwoordig dezelfde ontwikkeling. De meeste van onze tegenwoordige aardigheden op vrouwen hebben betrekking op haar “nieuwheid”, haar geavanceerdheid.

Geen sociologische verandering, die in belangrijkheid gelijk was aan deze duidelijk opgemerkte verbetering van een geheele sekse, heeft ooit in één eeuw plaats gegrepen. Onophoudelijk gaat de spil waar alles om draait, de groote verandering in de economische verhouding, haar gang. Zij volgt een geheel natuurlijke, richting. Even als het toenemend gebruik van machines de ruwe lichaamskracht in waarde doet verminderen en ontwikkeld verstand en ervaring in waarde doet stijgen, zoo eischt ook de druk van industrieele toestanden een steeds hoogeren graad van arbeidsverdeeling en leidt tot het verdwijnen van dit overblijfsel uit het patriarchale tijdperk,—het gezin als een economische eenheid.

De vrouwen zijn door den druk der noodzakelijkheid tegen haar zin op het veld der economische werkzaamheid aangeland. Voor haar langzaamheid en begeerigheid, een gevolg van eeuwenlange afhankelijkheid, is die verandering volstrekt niet aantrekkelijk. Vele vrouwen werken alleen omdat zij moeten, en niet langer dan tot zij kunnen trouwen en “onderhouden worden.” Ook de mannen, die in de macht van het geld en in de geringe soort dankbaarheid en toewijding die er mede gekocht kan worden behagen scheppen, verwerpen en bestrijden de verandering; maar door dit alles wordt de loop van den socialen vooruitgang slechts weinig gewijzigd.

Een sprekend feit is de toenemende wensch van jonge meisjes om onafhankelijk te worden, om een eigen loopbaan te hebben, ten minste voor een tijd, en het steeds aangroeiend bezwaar van tallooze gehuwde vrouwen om hun man nederig om geld te vragen, om te bedelen voor hun onderhoud. Meer en meer geven vaders hun dochters en mannen hun vrouwen een vast jaargeld—een afzonderlijk bedrag, dat zij naar eigen goedvinden kunnen gebruiken. Het gevoel van persoonlijke onafhankelijkheid bij de tegenwoordige vrouwen is een zeker bewijs dat er verandering is gekomen.

De invoering der machines, waardoor een tijd geleden vele takken van industrie uit het huis verdreven werden, beroofde de vrouw geheel van hare economische waarde; maar thans verheft zij zich en volgt haar verloren spinnewiel en weefstoel naar hun nieuwe plaats, de fabriek. Er is tegenwoordig nauwelijks een industrie aan te wijzen waarin niet eenige vrouwen werkzaam gevonden worden. Door heel Amerika vindt men vrouwelijke werklieden buiten den onbetaalden arbeid van het gezin; bij de laatste volkstelling waren er reeds drie millioen. Dit is zulk een bekend feit en wordt op zoo verschillendewijzen door een zoo groot aantal personen gevoeld dat het tot herhaalde en breedvoerige bespreking en verschillende opvatting aanleiding geeft. Zonder ons hier te verdiepen in de onmiddellijke vóór- of nadeelen hiervan voor de industrie, halen wij dit alleen als een onbetwistbaar bewijs aan van de radicale verandering in de economische positie der vrouwen, zooals die zich thans aan ons voordoet. Voor onze oogen zien wij de vrouw van jaar tot jaar nieuwe banen betreden, maar met deze feiten uit een persoonlijk oogpunt te beschouwen, bleven wij in gebreke den aard der verandering naar waarde te schatten.

Overwegen wij eens de veranderde gezins-verhouding, die met de verandering in de positie der vrouwen gepaard gaat. Geheel afgescheiden van de gespannen verhouding in het huwelijk, worden ook de andere takken van het familieleven door de vreemde nieuwe krachten geïnfluenceerd en beantwoorden er aan. “Toen ik een meisje was”, zucht de grijze moeder, “zaten wij zusters allen stil te naaien, terwijl moeder ons voorlas. Nu gaan mijn dochters allen naar een verschillende club!” Zij zucht, laat ons dat niet onopgemerkt laten. Wij voelen altijd bezwaar veranderingen in die uitingen van het leven te maken, waaraan wij een ethische beteekenis hebben gegeven. Dat al de dochters zouden naaien terwijl de moeder hardop voorlas, werd als goed beschouwd en daarom acht men het verkeerd dat de dochters naar verschillende clubs gaan, omdat hierin gevaar schuilt voor het huiselijk leven. In de periode van gezamenlijk naaien en lezen waren de zoo vergaderde vrouwen even nauw verwant in industrieele en intellectueele ontwikkeling als in familie-verwantschap. Zij konden allen hetzelfde werk doen en zij hielden er van om het te doen. Zij konden allen hetzelfde boeklezen en zij hielden er van om het te lezen. (En lezen werd een halve eeuw geleden, half als een deugd, half als een kunst beschouwd). Van daar het gemak waarmede zulk een groep vrouwen hun gemeenschappelijk werk en hun gemeenschappelijk genoegen opvatten.

De steeds grooter wordende individualisatie door het democratisch leven brengt onvermijdelijk in onze dochters even goed als in onze zonen verandering. Niet alle meisjes houden meer van naaien, velen kunnen het zelfs niet. Nu bij elkaar te gaan zitten naaien, zou in plaats van een harmonisch proces te zijn, op verschillende wijze rusteloosheid, afkeer en zenuwachtige prikkelbaarheid te weeg brengen. En wat het hardop lezen aangaat, het is nu niet meer zoo gemakkelijk een boek te vinden, waarin een goed onderwezen gezin van moderne meisjes en de moeder allen te zamen belang zouden stellen. Met het zich meer specialiseeren, meer differentieeren van het menschenras worden de eenvoudige banden van het familieleven minder sterk gevoeld, terwijl de meer samengestelde banden van het sociale leven krachtiger tot ons spreken; en dit is voor vrouwen zoowel als voor mannen een volmaakt natuurlijk en gewild proces.

Het moet in het voorbijgaan even worden opgemerkt, dat een van de oorzaken van hetgeen men “Americanitis” noemt, gevonden wordt in de toenemende zenuwachtige inspanning om het familieverband te behouden, wat voornamelijk op de vrouwen van invloed is. Nu zij persoonlijk meer zelfstandig worden, lijden zij meer onder de primitieve en onbeteekenende toestanden van het familieleven uit vroegeren tijd. Wat “een vrouw” en “een moeder” verondersteld werd volkomen geschikt te vinden, vindt de ontwikkelde vrouw van heden, die tevens een persoonlijkheid werd, dikwijls leelijk en ongeschikt,—een wantje waar zij een handschoenbegeert. De huiselijke zorgen en werkzaamheden die nog niet op de hoogte van den tijd zijn gebracht, laten haar toenemende ontwikkeling geen vrij spel. Waar de embryonische samenvoeging van kok-verpleegster-waschvrouw-kamermeid-huishoudster-naaister-kindermeid tevreden was met een “van alle markten thuis” en niets geheel meester te zijn, daar lijdt de vrouw, die zich in staat voelt in één van die zaken uit te munten, doch daarnaast minder van de andere af te weten dubbel, wanneer zij genoodzaakt wordt te doen waartoe zij zich niet in staat voelt en te laten wat zij goed zou kunnen doen. Het met zorg ontwikkeld modern verstand ondervindt door de botsing en schok van het wel een dozijn keeren daags veranderen van het soort arbeid een bepaald nadeel, een verlies van zenuwkracht. Met de breeder maatschappelijke ontwikkeling van de hedendaagsche vrouw gaat gepaard een geschiktheid en verlangen naar een ruimer arbeidsveld, naar een meer georganiseerde wijze van werken voor grooter doeleinden, waardoor het algemeen belang meer gediend wordt, terwijl de sterke persoonlijke grenzen van de meer primitieve huiselijke plichten, belangen en methoden steeds zwaarder gaan drukken. En deze druk en spanning moet met den vooruitgang der vrouwen grooter worden, totdat de nieuwe functioneele macht zich zelf een organische uiting verschaft en de verouderde huiselijke werkzaamheden onder handen genomen en georganiseerd worden, evenals de andere arbeid van het moderne leven.

Onderwijl evenwel lijden de besten en de meest op den voorgrond tredende vrouwen zeer veel; de maatschappelijke vooruitgang wordt sterk belemmerd door de moeilijkheid om oude toestanden aan nieuwe levensvoorwaarden passend te maken. Men moet toch bedenken dat het niet de wezenlijke verhoudingen van vrouw enmoeder zijn, welke door deze verandering gewijzigd worden, maar dat alleen de huishoudelijke werkzaamheden die uit de economische afhankelijkheid van vrouw en moeder voortspruiten en die tot nu toe verondersteld werden een deel van haar functiën te zijn, veranderen zullen. De verandering die wij ondergaan maakt in geen enkel opzicht inbreuk op de ware familieverhoudingen, huwelijk, ouderschap; doch alleen op die onder-verhoudingen, die in een vroeger tijd tehuis behooren en nu langzamerhand gaan verdwijnen. De familie als een geheel, een economisch en maatschappelijke eenheid, blijft niet bestaan zooals zij was. De banden tusschen broeder en zuster, neven en nichten en bloedverwanten in het algemeen, worden langzamerhand minder sterk en zijn verplicht plaats te maken voor nieuwe banden, die een beter verbond zullen vormen.

De verandering werkt opvallender bij vrouwen dan bij mannen, omdat onder haar langer de meer oorspronkelijke phasen van het familieleven bleven bestaan. Een van de meest in het oog vallende teekenen is de eisch der vrouwen niet alleen van eigen geld, maar van eigen werk, om zich persoonlijk te kunnen uiten. Zij die zich verzetten tegen vrouwen-arbeid op grond dat zij niet moeten wedijveren met mannen of niet verplicht moeten worden te strijden voor haar bestaan, beschouwen het werken alleen als middel om geld te verdienen. Zij moeten bedenken dat menschenarbeid een uiting van bekwaamheid is, dat “te doen” en “te maken” niet alleen hoog genot verschaft, maar dat het onontbeerlijk is voor een gezonde lichamelijke en geestelijke ontwikkeling. Slechts weinige hedendaagsche meisjes blijven in gebreke om op de een of andere wijze dezen wensch voor persoonlijke uiting te kennen te geven. Dit zien wij niet alleen in de klassen der maatschappij waarmen gedwongen is te werken, maar zelfs onder de rijke vrouwen vinden wij dezelfde krachtige uiting van normale ras-energie. Houtsnijden, ijzersmeden, photographeeren, japonnen maken volgens de regelen der kunst,—om het even wat het is, maar onze tegenwoordige meisjes willen allen iets doen. Het is een zeer gezonde toestand die wijst op de ontwikkeling van raskenmerken in de vrouwen en een evenredige vermindering van geslachtskenmerken, tot deze hun normale verhouding weder zullen hebben ingenomen.

De vrouw ondergaat thans in lichaam en geest, in alles wat met het leven in verband staat een zegenrijke verandering; terwijl zij vroeger in hoofdzaak een geslachtswezen was, ontwikkelt zij zich thans tot een volmaakt menschelijk wezen dat niet minder een ware vrouw is, nu zij meer een waar mensch wordt. Wat ons beangstigt en mishaagt bij het zien van deze dingen komt voort uit ons dwaas wanbegrip dat ras-functiën mannelijke functiën zijn. Er wordt veel inspanning nutteloos verbruikt met te willen aantoonen dat vrouwen geslachtloos en mannelijk zullen worden, door deze menschelijke plichten op zich te nemen. Men zegt ons dat het voor de kindsheid en voor den ouderdom karakteristiek is slechts weinig geslachtelijk onderscheiden te zijn en dat aanneming van eigenschappen die de andere sekse eigen zijn, een verval of een onontwikkelden toestand bewijst. Bij elk ras zijn de jongen minder geslachtelijk onderscheiden en van de ouden van dagen zijn de kenmerkende geslachts-eigenschappen somtijds verwisseld, bijv. het kraaien van oude hennen of het groeien van een baard bij oude vrouwen. Het is om die reden dat men ons overtuigen wil dat de poging der vrouwen om mannelijke economische functiën te verrichten een verminderde beschaving bewijst en diep betreurd moetworden. Er zou eenige reden voor die opvatting zijn, indien de gewone ras-werkzaamheden van de menschheid, waaraan de vrouwen nu zoo ijverig deelnemen, inderdaad mannelijke functien waren. Maar dat zijn zij niet. Wij kunnen onze ziekelijke denkbeelden omtrent geslachts-onderscheid niet bespottelijker uitdrukken dan door dezen liefelijken eisch om alle menschelijke levensprocessen tot geslachts-functien van den man te verklaren. “Mannelijk” en “vrouwelijk” heeft alleen betrekking op reproductieve geslachts-functien, op de processen van ras-behoud. De processen van zelf behoud zijn ras-functien, anders voor iedere diersoort, doch gelijk voor beide geslachten.

Indien kon aangetoond worden dat de hedendaagsche vrouwen een baard kregen of bijv. van bekkenbeenderen veranderden, of basstemmen ontwikkelden, of dat zij in hun nieuwe werkzaamheden de vernietigende kracht, den ruwen oorlogzuchtigen aard, of de intense geslachts-ijdelheid van den man vertoonden, dan zou er reden zijn om zich ongerust te maken. Maar men vond steeds bij elk onderzoek dat ingesteld werd naar vrouwen die werkzaam waren, dat zij toch vrouwen bleven, en dit schijnt voor vele eenvoudige zielen een verrassing geweest te zijn. Een vrouwelijk paard is niet minder vrouwelijk dan een vrouwelijke zeester, maar zij heeft meer functien. Zij kan meer dingen doen, is een hooger ontwikkeld organisme, heeft meer verstand, en met dit alles is zij zelfs vrouwelijker in haar meer uitgewerkte en verder strekkende voortplantingsprocessen. Zoo zal ook de “moderne vrouw” niet minder vrouw zijn dan de “ouderwetsche vrouw”, ofschoon zij ook meer functien verricht, meer dingen kan doen, een fijner ontwikkeld, organisme heeft en meer verstand bezit. Zij zal met dit alles vrouwelijker zijn, daardoor zal zij veel beter voorde kinderen zorg dragen dan met onze tegenwoordige verspillende, betreurenswaardige methode, waarbij wij, evenals een kabeljauw, vijftig percent van de jongen verloren laten gaan, mogelijk is. Een gehuwd paar, zegt de wetenschappelijke dictator in allen ernst, heeft gemiddeld vier kinderen noodig om de bevolking op de tegenwoordige hoogte te houden, twee om de ouders te vervangen en twee om dood te gaan,—een pleizierige manier van doen en eene die veel tot den goeden naam van ons moederschap bijdraagt!

De snelle uitbreiding van den werkkring der moderne vrouw heeft niets te maken met de verwisseling van sommige mannelijke en vrouwelijke eigenschappen; dit is eenvoudig een voortgang in menschelijke ontwikkeling waarbij de eigenschappen aan beide seksen eigen, nu duidelijker aan het licht komen, en wat in zijne gevolgen zeer heilzaam is. Ieder die het leven rondom ons gadeslaat moet de verandering in de toestanden opmerken. Het is jammer dat wij het belang er van niet genoeg weten te waardeeren. Want de groei en het krachtig optreden van het gemeenschapsgevoel onder ons allen, is een even duidelijk en merkbaar teeken van het moderne leven als de verandering in de positie der vrouw, en beide zijn nauw verwant.

Nooit te voren hebben de menschen zooveel voor anderen gevoeld. Van de beginnende uiting van grooter belangstelling in en hulpvaardigheid voor andere menschelijke wezens, tot aan de laatste uiting van de vage, blinde, weifelende beweging voor internationale rechtvaardigheid en wetten, worden de gemoederen heden ten dage in beroering gebracht. Het geheele maatschappelijk lichaam krijgt tegenwoordig plotselinge gevoelsrillingen, wanneer in het een of ander deel van de wereld groote droefheid of reden tot vreugde heerscht. Toenhet bericht van “de negerhut van Oom Tom” het hart van alle menschen had aangegrepen en in vuurgloed gezet had; het vuur van menschelijke liefde en medelijden dat in ons allen latent is en dat steeds verlangt naar een gelegenheid tot gemeenschappelijke uiting, toen bleek dat in elk beschaafd land de menschen van onzen tijd over sommige onderwerpen gelijk denken. Niets kon in den tijd van Perikles, Augustinus of zelfs van Elisabeth den geest zoo hebben wakker geschud, omdat de menschheid in dien tijd nog niet zoo ver gesocialiseerd en zoo ver geindividualiseerd was om in staat te zijn zoo gemeenschappelijk te voelen.

Uitvindingen en wetenschappelijke ontdekkingen werken er voortdurend toe mede om de wereld thans tot eenheid te brengen. Dikwijls wordt beweerd dat het verstand van de Grieken of van de groote denkers der Middeleeuwen sterker en grooter was dan het verstand der hedendaagsche menschen. Misschien is dat waar. Evenzoo waren de lichamen van een megatherium (voorwereldlijk gordeldier) en een ichthyosaurus (voorwereldlijke hagedis) sterker en grooter dan de lichamen der hedendaagsche dieren. Toch stonden zij in organische ontwikkeling lager. De maatstaf voor maatschappelijken vooruitgang ligt niet zoozeer in de bekwaamheid van het individu, als wel in de organische verhouding der individuen, waardoor de vooruitgang van ieder afzonderlijk ten bate komt aan allen. Emerson heeft meer voor Amerika gedaan dan Plato kon doen voor Griekenland. Plato heeft inderdaad meer voor Amerika gedaan dan hij kon doen voor Griekenland, omdat door de drukpers en de openbare scholen het denken vrijer werd en wat gedacht werd gemakkelijker aan anderen kon worden medegedeeld.

Menschelijke vooruitgang moet gezocht worden in hetvolmaken der maatschappelijke organisatie, en hierin gaan wij thans met reuzenschreden vooruit. Terwijl bij de meer oorspronkelijke volkeren alleen nadeel gevoeld werd, wanneer het individu daardoor aan zijn lichaam of in zijn persoonlijke belangen getroffen werd, en later wanneer het zijn natie of kerk betrof, is tegenwoordig het gevoel reeds zoo ontwikkeld, dat wij in verzet komen wanneer vreemde natiën onrechtvaardig behandeld worden. De beschaafde wereld heeft geleden onder de martelingen in Armenië, ofschoon de wijze waarop de maatschappij aan hare verontwaardiging lucht geeft nog niet de juiste is om het sociale gevoel en den socialen wil ten volle tot uitvoering te brengen.1Altijd ontstaat eerst de functie en dan het orgaan; het menschelijk hart en de menschelijke geest, welke het hart en de geest der maatschappij zijn, moeten eerst lang gevoeld en gedacht hebben, alvorens het maatschappelijk lichaam zich krachtig kan uiten.

Het maatschappelijk voelen en denken wordt elken dag krachtiger en werkzamer. In onze lastige pogingen om tot internationale arbitrage te komen; in de half-gewilde verbonden en overeenkomsten tusschen groote volkeren; in de samenwerking der geheele menschheid om zeeën en bergen en woestijnen door stoom en electriciteit over te steken; in het vestigen van zulke wereld-functiën als de internationale postdienst;—in deze uiterlijke zaken begint onze maatschappelijke eenheid reeds te werken. Wie heeft op het meer bekende terrein van het huiselijk leven niet opgemerkt hoe velen van ons bestendig worden bezig gehouden voor de belangender gemeenschap, zelfs ten koste van hun eigen-belang. Aanvankelijk werden vrouwen die belangstelling toonden in den gang der maatschappij met spot overladen door zulke personen als een juffrouw Pieterse of mevrouw Smit, ofschoon enkele vrouwen, die zoo groot waren of zoo voor godsdienst en philanthropie ijverden, dat zij achting afdwongen, vrouwen als de heilige Elisabeth Frij, Clara Burton en Florence Nightingale, hieraan ontkwamen. Doch beide categorieën van vrouwen behooren tot denzelfden tijd, maken deel uit van dezelfde verschijnselen. Tegenwoordig is er in geheel Amerika, om niet van andere landen te spreken, nauwelijks één verstandige vrouw te vinden, die niet op de eene of andere wijze werkzaam deelneemt aan een maatschappelijk belang, die niet erkent, dat zij nog andere plichten te vervullen heeft, buiten die welke alleen haar eigen bloedverwanten ten goede komen.

De beweging voor het vormen van verschillende bonden voor vrouwen is een van de belangrijkste sociologische verschijnselen van deze eeuw,—eigenlijk van alle eeuwen,—omdat zij de eerste bedeesde pogingen tot sociale organisatie van deze zoo lang ongesocialiseerde leden van ons ras aantoont. Het maatschappelijk leven moet onvoorwaardelijk organisatie ten grondslag hebben. De militaire organisatie welke vrede bevordert, de industrieele organisatie waardoor het leven onderhouden wordt en alle opvoedkundige, godsdienstige, liefdadige organisatiën welke voor onze hoogere behoeften zorgen, stellen de wezenlijke factoren van die sociale werkzaamheid samen, waarin wij als individuen leven en opgroeien; en het is daarom duidelijk dat, terwijl vrouwen aan deze organisatiën vroeger niet deelnamen, zij ook niet aan het sociale leven deelnamen. Haar hoofdzakelijke verhouding tot de maatschappij waseen persoonlijke, een dierlijke, een sexueele verhouding. Zij brachten de menschen voort waaruit de maatschappij was samengesteld, maar zij maakten geen deel uit van de maatschappij. Natuurlijk waren zij in hunne hoedanigheid onmisbaar, maar evenmin als wij voedsel een deel noemen van de maatschappij omdat de menschen niet bestaan kunnen zonder te eten, evenmin mogen wij de vrouwen een deel van de maatschappij noemen, omdat menschen niet bestaan kunnen zonder geboren te worden. Vrouwen hebben menschen gemaakt, die de wereld maakten en men behoeft geen vrees te koesteren dat zij niet altijd daarmede zullen voortgaan. Maar tot nu toe speelden zij een zeer onbeteekenende rol in de door haar zonen gemaakte wereld.

De eenige vorm van organisatie voor de vrouwen was langen tijd de ongehuwde godsdienstige gemeenschap. Deze is haar altijd dierbaar geweest. Evenals thans vele vrouwen haar onafhankelijkheid niet willen opofferen voor een ongewenscht huwelijk, zoo vluchtten er vroeger velen voor een gevreesd huwelijk naar de gemeenschappelijke onafhankelijkheid van het klooster. De liefde der vrouwen voor de Kerk vindt haar grondslag niet alleen in godsdienstige gevoelens, maar in de zucht van den mensch om gezamenlijke belangen te dienen en gemeenschappelijken arbeid te verrichten; en de vrouwen konden daarvoor in de Kerk alleen bevrediging vinden. Daar konden zij ten minste te zamen zijn. Daar konden zij voelen met anderen, werken met anderen,—het hoogste menschelijk genot. Toen de Kerk haar werkzaamheden uitbreidde, vond zij overal in de vrouwen haar vlijtigste en vertrouwdste arbeiders. Te zamen te werken, te zamen fondsen te vormen voor een gemeenschappelijk doel, voor een nieuw gebouw of een nieuwe geestelijke, voor plaatselijke, liefdadige instellingen ofvoor zendingen in den vreemde,—als het maar betrof samenwerking voor andere behoeften dan die van het huisgezin,—dit is altijd met blijdschap door de strijdende menschelijke ziel der vrouwen aanvaard. Toen het mogelijk werd samen te werken voor andere dan godsdienstige doeleinden,—toen de vrouwen groote maatschappelijke belangen mochten dienen, bijv. het werk mochten doen in de ambulances gedurende den laatsten Amerikaanschen oorlog, waren zij overal onmiddellijk bereid in deze behoefte te voorzien. De oprichting en uitbreiding van de grootste vrouwen-organisatie, de Women’s Christian Temperance Union (christelijke-vrouwen-geheel-onthouders-vereeniging) heeft op nieuw aangetoond hoe bereidwillig het hart van de vrouw is, om andere dan persoonlijke belangen te dienen. Door heel Amerika verrijzen de vrouwenbonden thans als paddestoelen uit den grond. De bonden vereenigen en verbinden zich tot stedelijke bonden, staatsbonden, nationale bonden en zelfs tot wereldbonden. Met elken dag neemt het gevoel van menschelijke eenheid onder vrouwen toe. Dit niet op te merken is onmogelijk. Deze nieuwe groei in het sociale leven, dit plotseling en buitengewoon versterken van onze beste krachten in haar allereerste levensuiting niet met voldoening en bewondering gade te slaan, is alleen reeds een bewijs hoe blind wij zijn voor den waren menschelijken vooruitgang en hoe onverstandig wij zijn ons zoo te hebben gehecht aan ons buitensporig geslachts-kenmerk.

Een van de meest gewaardeerde teekenen van dezen vooruitgang is de zielegrootheid die in het leven wordt uitgestort. Het is een overal opgemerkt feit dat onder den druk van ons modern zaken-leven de eerzucht en het idealisme aan het afnemen zijn en van lager gehalte worden. Wij worden opgevoed om overtuigingen geweten en eergevoel ondergeschikt te maken aan de eischen van succes in zaken, onze edelste gaven op te offeren voor de meest onedele praktijken, met de laffe verontschuldiging: “een mensch moet leven.”

In deze levensphase komt thans een nieuwe geest,—de geest van vrouwen als Elisabeth Cady Stanton en Susan B. Anthony; van dr. Elisabeth Blackwell en haar schitterende zusterschaar; van al de vrouwen die geleden en gestreden hebben een halve eeuw lang, die met kracht den weg baanden met opoffering van zoo veel wat haar lief en dierbaar was, naar het veld van vrijheid, haar zoo lang ontzegd,—niet voor zich zelf alleen, maar ook voor anderen. Wij hebben het luide uitgebazuind dat de huishouding en het huisgezin onder zulk een loop van zaken zouden lijden. Wij hebben niet weinig er aan meegedaan de onaantrekkelijke en onvrouwelijke figuren onder deze vrouwen die de voorhoede vormden bespottelijk te helpen maken.

Maar weinigen van ons dachten er over na, hoeveel geestkracht er noodig was om de lieve oude paadjes, door zoo vele voeten plat getreden, te verlaten en heel alleen nieuwe wegen te banen en die te volgen. De aard van de inspanning bracht mede en de aard van den tegenstand dien zij zich op den hals gehaald hadden leidde er toe, om de zachte bekoorlijkheden en bevalligheden van den over-vrouwelijken staat te verliezen; doch de vrouwen die volgen en zachtjes de treden beklimmen die deze groote voorgangsters zoo ijverig op gebouwd hebben, kunnen het nieuwe werk op de nieuwe wegen verrichten en toch veel behouden van hetgeen deze krachtige heldinnen hebben moeten opofferen.

Niet doctor zijn maakt een vrouw onvrouwelijk, maar de behandeling welke de eerste vrouwelijke medischestudenten en doctoren van hare mannelijke collega’s ontvingen, was van dien aard dat het mannen onmannelijk maakte. Die tijd is reeds lang voorbij. De poorten zijn bijna alle geopend, ten minste in sommige landen;—de ras-bekwaamheden der vrouwen kunnen zich thans vrij ontwikkelen, zoo als uit den aard der zaak wel zal geschieden. Het voornaamste struikelblok ligt nu in het verwrongen karakter van de vrouw zelf.

Hoe groot ook de vrouwen mogen zijn die in elk opzicht den hoogsten geest des tijds belichamen, de zware erfenis van de jaren die achter ons liggen blijft toch nog op ons drukken, er bestaan nog tallooze zwakke, kleinzielige vrouwen, die geen hooger begeerten kennen dan die van een verliefd guineesch biggetje. Ook deze vrouwen zullen tot werken gebracht en haar over-ontwikkelde geslachts-aard tot de normale ontwikkeling terug gevoerd worden, door het onzekere bestaan van een afhankelijk, onproductief leven. Zij moeten eerst erkennen dat zij benadeeld worden. Zij moeten de moeilijkheid waarin zij verkeeren begrijpen en die moedig en flink onder de oogen zien.

Maar dit is een zaak van persoonlijke wilskracht, van subjectieve bewustwording. Wat wij in de zaak zien en waarin wij ons verheugen is dat, met of zonder haar bewusten wil, met of zonder de toestemming en de hulp van mannen, zelfs ondanks de historische dwaasheid van enkele vrouwen om zwaren tegenstand te bieden aan den vooruitgang der anderen,—het wijfje van ons ras zekere en snelle vorderingen maakt in menschelijke ontwikkeling.

1Terwijl ik dit werk vertaal lijdt de gansche beschaafde wereld onder het onrecht, dat de Zuid-Afrikaansche Republieken door Engeland wordt aangedaan en het gevoel van onmacht om daaraan een eind te maken.

1Terwijl ik dit werk vertaal lijdt de gansche beschaafde wereld onder het onrecht, dat de Zuid-Afrikaansche Republieken door Engeland wordt aangedaan en het gevoel van onmacht om daaraan een eind te maken.


Back to IndexNext