XII

XIIAls zelfbewuste schepselen, die gemakkelijk in de dwaling verkeeren de gewaarwording voor het feit te houden, in wier bewustzijn de gewaarwording inderdaad het feit is,—er wordt een dieper doordenken vereischt om de gewaarwording uit het feit af te leiden,—zijn wij er niet erg om te berispen dat wij zooveel gewicht aan gevoel en aandoening hechten. Misschien zullen wij in het licht der koude redeneering toestemmen dat het huis niet de geschikte plaats is voor zooveel werk en dat de echtgenoote en moeder niet de aangewezen persoon is om het te verrichten. Deze verstandige meening verandert evenwel op geenerlei wijze ons gevoel over dit onderwerp. Dit gevoel, diep ingeworteld en overprikkeld, bedekt met een dikke laag het geheele veld van huiselijk leven. Niet wat wij er van denken (want wij hebben er nooit veel over na gedacht), maar wat wij er van voelen, stelt in dezen de som van onze meeningen vast. Vele zijn ware, rechtmatige, gewettigde gevoelens. Sommige zijn domme ongerijmdheden, niets anders dan reliquien uit lang vervlogen tijden, waarvan wij ons langzaam zullen ontdoen, zoodra wij wijzer worden.Men denke bijvoorbeeld eens na over het reeds lang bestaand geloof aan het “vrij zijn in eigen huis”. Er ligt voor velen iets terugstootends in het denkbeeld dat het voedsel gekookt zou worden buitenshuis, zelfs wanneer het in huis wordt opgedischt; meer nog in het idee dat het gezin uitgaat om te eten en nog meer dat de individuen afzonderlijk uitgaan om te eten. De bijzondere smaak van verschillende personen door het “koken tehuis” ontwikkeld, kon wel eens de eigen bruine kleurschakeering van de ham, het naar eigen smaak gekruid vischschoteltje, het eigen biscuittrommeltje moeten ontbeeren.Dit bezwaar moet eerlijk in aanmerking genomen worden en gedeeltelijk worden toegestemd. Een menu, hoe ruim ook uitgedacht door beroeps-koks, zal toch nooit dat vrij spel aan persoonlijke eigenaardigheden bieden als de menu’s, bereid door de talrijke op zich zelf staande koks die ons nu bedienen. Er zal dan een veel grooter keus in bestanddeelen zijn, maar de bereidingswijze en bediening zullen niet zooveel verschil opleveren. Het verschil zal gelijk staan met dat, wanneer ieder man zijn eigen jas maakte of door zijn eigen vrouwelijke bedienden liet maken en wanneer hij zijn keuze deed uit een aantal in voorraad gemaakte jassen of er een bij een beroeps-kleermaker bestelde.In een geregelden, als beroep uitgeoefenden, voedingsdienst zou een goede algemeene regelmaat heerschen, en voor bepaalde gelegenheden zou het werk van specialiteiten dienst kunnen doen. Wij hebben dit reeds lang kunnen opmerken bij de aanhoudende toename van beroepsmatig bereid voedsel, van de goedkoope eetgelegenheden tot de deftige restaurants, van de gewone scheepsbeschuit tot de fijne wafel. Doch ook wanneer men het “tehuis koken” eens zijn beroepsmatig bereide toevoegsels ontneemt, zou het heel veel minder worden. Wij bedenken niet hoe ver wij reeds in die richting gegaan zijn en hoe snel wij verder gaan.Een van de belangrijkste gevolgen van een voortdurend algemeene goede voedingswijze zal zijn, dat de volkssmaak verbeterd wordt. Wij zullen daarmede de waardeering van wat inderdaad goed voedsel is aankweeken, veel beter dan dit door de dwalende en onberedeneerdezelf-toegevendheid van de eigen tafel kan geschieden. Onze eenige maatstaf voor smaak in gekookt voedsel is thans persoonlijke eetlust en luim. Dat wij van een schotel houden is voldoende om er onze volle instemming aan te schenken. Maar van iets te houden is niets anders dan aanpassingsvermogen. Natuur zoekt steeds het organisme naar de omgeving te wijzigen en wanneer het organisme zoo gewijzigd is geworden, zoo aan de omgeving passend is gemaakt, dan houdt het van de omgeving. Vroeger zeide men: “het past mij”, wat duidelijk de bedoeling weergeeft.Elke natie, elk volk, elk gezin, elk individu houdt bovenal van die dingen waaraan het gewoon is geworden. Waarvan het anders zou hebben gehouden, indien het dat andere gehad had, kan men nimmer weten; maar het langzaam doordringen van nieuwe smaken en gewoonten, het tegenstribbelend in gebruik nemen van aardappelen, tomaten, maïs en andere nieuwe groenten door de menschen in oude landen, bewijst dat het toch mogelijk is verandering te brengen in hetgeen men lust.Door de beperkte macht van het gezin om in de voeding te voorzien en zijn onbekwaamheid om het te bereiden en door onze overdreven voorkeur voor enkele zaken, zijn wij in het kleine veld van keuze zeer vasthoudend geworden. Wij vinden onze eigen manier van doen bij het koken het best en wij keuren de wijze van doen van onze buren af, zonder eenig hoogeren maatstaf voor kritiek te hebben dan onzen onontwikkelden smaak. Wanneer wij van onze jeugd af gewend worden aan wetenschappelijk en met kunst bereid voedsel, dan zullen wij later weten wat goed is en daarvan kunnen genieten, zooals wij ook goede muziek leeren waardeeren, door ze te hooren.Als wij een ruimer keus en beter bereid voedselhebben leeren waardeeren, dan zullen wij ook leeren eenvoudigheid in het koken op prijs te stellen. Onder ons tegenwoordig systeem kunnen de meeste menschen het niet zoover brengen. Wanneer het koken wordt afgescheiden van het gezin, dan zullen wij langzamerhand ophouden er aandoeningen aan vast te knoopen; wij zullen het dan onpersoonlijk leeren beoordeelen op wetenschappelijken en artistieken grondslag. Dit zal natuurlijk niet beletten dat sommige personen een bijzonderen smaak hebben, maar deze zullen dan weten dat zij bijzonder zijn en ook hun buren zullen het weten. Het zal ook niet beletten dat een vrouw, die er veel van houdt nu en dan het een of ander te koken, om zich zelf of haar vrienden te tracteeren, een klein kooktoestel binnen haar bereik houdt, evenals zij een naaimachine of een kleine draaibank kan bezitten.Met betrekking tot het buitenshuis nuttigen van het voedsel ondervinden wij nog sterker tegenkanting door het bezwaar van onvrijheid, en wij ontwaren een sterk uitgesproken, zelfs pijnlijken tegenzin als wij deze functie van het huiselijk leven willen scheiden. Samen te eten vormt natuurlijk een tijdelijken band. Om een middel tot gedachtewisseling tusschen ongelijke personen vast te stellen, moet een of ander gemeenschappelijke grondslag gevonden worden,—een ceremonie, een of ander spel, eenig vermaak,—iets wat zij te zamen kunnen doen. En indien de personen die met elkander in verbinding wenschen te komen geen andere gemeenschappelijke basis hebben dan deze lichamelijke functie,—welke inderdaad zoo gemeenschappelijk is, dat zij niet alleen het geheele menschdom, maar ook het geheele dierenrijk insluit,—laten zij die dan vooral aangrijpen. Bij gelegenheden van algemeen maatschappelijk vreugdebetoon, waarbij een of andere gebeurtenis van algemeenbelang gevierd wordt, zal een feestmaal altijd een natuurlijke en voldoening gevende instelling zijn.Voor den oorspronkelijken echtgenoot die vocht voor zijn beroep, de oorspronkelijke vrouw die huishoudwerk deed voor het hare, de oorspronkelijke kinderen die alleen in lichamelijke verwantschap tot hun ouders stonden, voor dezulken was de gemeenschappelijke tafel de eenige gemeenschappelijke band; en hun eenvoudig voedsel schonk het middel dat niemand kwetsen kon. Doch in de hoogere ontwikkeling van het moderne leven is de etenskwestie volstrekt niet het eenige punt van algemeen belang der leden van een gezin en in geen geval het beste. De liefste, teederste, heiligste herinneringen van het familieleven staan niet met de tafel in verband, ofschoon menige vroolijke en pleizierige herinnering daarmede vereenigd kan zijn. Doch bij vele gebeurtenissen van diep gevoel, hetzij van vreugde of van pijn, wordt het ongevoelig verzadigen van een heele groep, drie keer daags aan tafel, een ondragelijke inspanning. Indien een groote verscheidenheid van goed voedsel altijd te verkrijgen was, zou een gezin te zamen kunnen gaan feest vieren, wanneer het dat verkoos; of te zamen eenvoudig gaan eten, wanneer het dat wilde; en elk individu kon alleen gaan, wanneer hij niet met het heele gezelschap verkoos te eten. Men behoeft dit niet te dwingen of te verhaasten, doch zoodra er steeds voedsel in voorraad bestaat, dat gemakkelijk binnen ieders bereik is, behoeft de maag niet langer verplicht te worden als familieband dienst te doen.Men heeft beweerd dat de lagere dieren in hunne redeloosheid alleen eten en dat menschen het eten tot een gezamenlijke functie gemaakt en het daardoor verheven hebben. De verheffing is het moeilijkst te bewijzen, wanneer wij de ruwe gewoonten, ziekelijken smaak endoodelijke ziekten, de geveinsdheid en ongemanierde gulzigheid en onmatigheid der menschen waarnemen. De dieren mogen lager staan dan wij, omdat zij eenvoudig eten wat goed voor hen is wanneer zij honger hebben, maar hun doel dient het goed.Een van de gevolgen, voortspruitende uit het maken van het eten tot een gezamenlijke functie is, dat hoe nauwgezetter wij die socialiseering doorvoeren, des te meer behoefte wij hebben bij onze maaltijden aan een groot aantal vreemden, die van het onderling gesprek zijn uitgesloten,—personen, die niet mede-eten, niet mede-spreken en die zelfs niet door het knippen der oogleden mogen verraden, dat zij eenig belang in het gesprokene stellen,—die alleen de grove benoodigdheden voor de gelegenheid op een zuiver koopcontract leveren en toedienen. Zulk een tegenwoordigheid van vreemden moet en doet het gesprek op een bepaalde hoogte houden. In een gezin zonder dienstbode zijn vader en moeder beide te vermoeid van het werken om den maaltijd tot een sociabele functie te maken, terwijl in gezinnen met een dienstbode het gesprek tot op zekere hoogte beperkt wordt. De uitwerking van ons gezamenlijk eten, hetzij in gezinnen of in grooter groepen, is niet in elk opzicht goed. De vraag moet gesteld worden of wij niet, vooral in dit geval, onze levenswijze verbeteren kunnen.Wanneer de kookkunst zich ten volle kan ontwikkelen en uitgeoefend wordt door hen, die door aangeboren talent en geduldige studie geleerd hebben, hoe het best aan de behoeften van het lichaam te gemoet gekomen kan worden, door een smakelijke en geschikte samenvoeging van de voedingsbestanddeelen, dan zullen wij beginnen te begrijpen, wat het voedsel voor ons beduidt en op welke wijze het menschelijk lichaam in goedegezondheid en volle kracht moet opgebouwd worden. Een wereld van reine, sterke, schoone mannen en vrouwen, die weten wat zij eten en drinken moeten en het nemen wanneer het noodig is, zal ons een hooger en verhevener vorm van verbond te aanschouwen geven, dan die veel geprezen gemeenschappelijke tafelverbonden. De tevreden ruwheid van het heden, de volhardende zelfzucht van overigens verstandige menschen, de vetheid en luiheid en zwakheid, de heele reeks digestie-stoornissen en het gebruik van velerlei kruiderijen, al deze ziekelijke verschijnselen zijn meerendeels toe te schrijven aan de abnormale aandacht aan het eten en koken geschonken en die zullen blijven bestaan, zoolang het eten als een familie-functie beschouwd blijft. Zoodra wij het eten en koken uit deze valsche verhouding hebben losgemaakt, door onze sexueel-economische verhouding te verbreken, zullen wij de natuurkrachten een kans geven hun eigen reinen weg in ons te volgen en ons beter te maken.Men vreest dat het private leven te huis bedreigd wordt door de invoering van beroeps-schoonmakers. Maar wij zullen zien dat een huis zonder keuken veel minder behoeft te worden schoongemaakt en dat het dagelijks in orde brengen van iemands eigen kamer heel gemakkelijk, door ieder die het doen wil, zelf kan geschieden. Velen wenschen zoo van harte, dat hun eigen kamer, hun persoonlijk verblijf, nooit anders dan door hun dierbaarste vrienden, hun naaste betrekkingen betreden wordt. Zoo ’n ideaal van privaat leven mag dwaas schijnen aan hen, die nu tevreden de ruwe openbaarheid van onze tegenwoordige levenswijze aannemen. Van alle bekende tegenstrijdigheden is er geen zoo ongerijmd dan ons te hooren pochen op ons “vrij zijn te huis”, en dat in een plaats waar wij volgaarne tot onze tafelgesprekken en onze kamerdiensten toelaten,—ja, tot het opmakenvan onze bedden en het hanteeren van onze kleedingstukken,—een volslagen vreemdeling, vreemdeling niet alleen door de nieuwe kennismaking of om het verkeerde begrip dat vreemde oogen zich onvermijdelijk van onze eigenaardigheden vormen, maar vreemdeling door geboorte, door opvoeding,—iemand die ons nooit geheel begrijpen kan.Ieder onzer die het betalen kan neemt zoo’n vreemdeling in huis, één of meer op eens en velen in opvolging. Indien wij, even als de barbaarsche koningen deden in de oude en bloedige zeeroover-geschiedenissen, hun tongen uitsneden, zoodat zij niets konden navertellen, dan nog zou het een vervelende indringerij blijven. Maar zooals zij nu zijn, met oogen om te zien, ooren om te hooren en tongen om te spreken, en geen andere belangen dan de onze om hun geest bezig te houden en met de wraaknemende uitvallen, volgende op het gedwongen stilzwijgen van hen die niet mogen “tegenspreken”; met dit opmerkzame en oververtellend leger, gehuisvest in den schoot der familie, moeten wij toch bitter glimlachen over ons dwaas ideaal van “het vrij zijn te huis.”Het vlugge werk van menschen die van beroep vegen, stoffen en schrobben en ontboden kunnen worden waar en wanneer wij ze in de kamers noodig hebben, is in elk geval niet zoo kwetsend voor het intieme leven als de tegenwoordige wijze van doen. De afschaffing van dienstboden en het optreden der vrouw op een maatschappelijk en voor haar persoon belangrijker gebied, zal in de wereld een nieuw begrip van de heiligheid van het huiselijk leven vestigen, de rechten van het individu in dezen doen gevoelen, zooals tot nu toe onbekend was.Nauw verwant aan het schoonmaak-vraagstuk is het inrichten en het meubileeren van de woning. De economisch afhankelijke vrouw, alle energie in haarkleine kooi verkwistende, stort een verwarde massa in die kleine ruimte uit, evenals een groote plant een hoop wortelen uitzendt in een kleinen pot. Zij heeft haar beperkte woning met een onbeperkt aantal dingen overvuld, nuttige en nuttelooze, sierlijke en smakelooze, gemakkelijke en ongemakkelijke zaken, en tot haar levenstaak behoort, deze zaken te bewaken en in orde te houden.De vrije vrouw, die zich geheel kan uiten in haar economische werkzaamheden en haar maatschappelijke positie, voelt zich niet gedrongen haar ziel uit te storten in antimacassars en photographiestandaards. Haar huis zal haar plaats van rust en niet van rustelooze bezigheid zijn, en zij zal inzien dat eenvoudigheid ten slotte het aangenaamst is. Hiervan zullen beterhygiënischevoorwaarden in de woningen en meer schoonheid en minder werk het gevolg zijn. De nieuwe omstandigheden, waardoor de waarde van het huiselijke leven verhoogd en het schoonheidsgevoel ontwikkeld zal worden, zullen het inwendige van onze woningen een beschaafder en liefelijker aanzien geven, en ze zullen zonder overmatige inspanning van den eigenaar in orde te houden zijn.Buiten en behalve deze betrekkelijk uiterlijke omstandigheden, ondervindt het gezin door de sexueel-economische verhouding geestelijke gevolgen, die niet allen een gunstigen invloed op onze ontwikkeling uitoefenen. Een van die gevolgen toont duidelijk op welke wijze de druk van deze verhouding werkt. Het private leven in onze huizen is een privaat leven van het gezin, een vereenigd privaat leven; dit verzekert ons niet,—integendeel werkt tegen,—het individueel privaat leven. Dit is een ander van de nog bestaande rudimenten van een levenswijze uit tijden die wij reeds lang ontgroeid zijn en die gehandhaafd blijven door het zorgvuldigbewaren van de primitieve gewoonten in den onveranderden toestand der vrouwen. In zeer vroege tijden kon een ruw en onverschillig volk in groote groepen in een kleine tent te zamen huizen, zonder ernstig ongerief of nadeel te ondervinden. De gevolgen van zulk groepeeren op moderne menschen kan men waarnemen in sommige wijken van groote steden, waar blokken huizen bij kamers verhuurd worden; zij zijn bepaald van demoraliseerenden aard.De menschelijke wezens gaan voort zich hoe langer hoe meer door kleine verschillen van elkander te onderscheiden, waardoor een eigen tehuis, of ten minste een eigen kamer voor elk individu een vereischte wordt. Deze behoefte wordt voor een deel in het familie-leven erkend en voor zoo ver de beurs het toelaat, wordt er aan te gemoet gekomen; maar voor de groote meerderheid der bevolking is dit een onmogelijkheid. Voor vrouwen in het bijzonder is de weelde van een eigen kameralleen voor de rijken weggelegd. Zelfs waar door den druk der maatschappelijke ontwikkeling voor een deel in deze behoefte voorzien wordt, daar werkt de druk van het familieleven haar aanhoudend tegen. Het tehuis is de eenige plaats op aarde waar niemand derfamilieledenware afzondering kan genieten. Een gezin is een ruwe samenvoeging van personen, verschillend in leeftijd, grootte, geslacht en karakter, die door geslachts-banden en economische behoeften te zamen gehouden worden; en de liefde die tusschen de verschillende familieleden bestaan moest, wordt door dien economischen druk niet vermeerderd, doch eerder verminderd. Een door economische krachten onderhouden liefde, is trouwens de soort niet welke de menschheid het meest noodig heeft.Elke neiging om zich tegenwoordig aan de oude sleurte onttrekken en een eigen leven te leiden, te leven naar eigen opvatting, wordt sterk tegengewerkt en door andere familieleden kwalijk genomen. Dit hindert de vrouwen meer dan de mannen, omdat de mannen zeer weinig te huis en zeer veel in de wereld leven. De man heeft zijn individueel leven, zijn persoonlijke uiting met de daaraan verbonden rechten, zijn kantoor, studeerkamer of werkplaats; de vrouwen en kinderen leven te huis, omdat zij moeten. Men beschouwt het van een vrouw slecht als zij elders veel tijd wenscht te besteden, en de kinderen laat men geen keuze. De historische neiging der vrouwen om “op straat te slenteren”; en van de kinderen om van huis te loopen, of om steeds ergens anders dan te huis te willen spelen; de onophoudelijke, nuttelooze, goed gemeende pogingen om “de jongens tehuis te houden”, deze feiten, saam genomen met de bepaalde hoeveelheid tijd die de man buitenshuis doorbrengt, vormen een vreemd commentaar op ons gewillig geloof dat wij “tehuis” leven en het prettig vinden. En toch binden de banden van tehuis ons met een zachten druk, dien slechts weinigen kunnen weerstaan. Wie weerstand bieden en het doorzetten volgens eigen opvatting te leven, betalen dit met verlatenheid en ontbering; zij moeten zooveel van hun dagelijksche comfort en genegenheid opofferen, dat vele anderen er door teruggeschrikt worden hun voorbeeld te volgen.Er bestaat geen enkele reden waarom deze pijnlijke keuze ons opgelegd behoeft te worden, geen reden waarom het huiselijk leven niet zoo ingericht kan worden, dat veroorloofd, ja, dat bevorderd zou worden, de hoogste ontwikkeling zijner persoonlijkheid te bereiken. Wij hebben behoefte aan het gezelschap van menschen die wij lief hebben, aan hun liefde en omgang. Dit zal bestaanblijven. Maar de gelegenheid om te koken en te eten, zooals in onze technisch onontwikkelde huizen, met alle daarmede samenhangende gebreken, is daarvoor niet noodzakelijk en behoeft niet te blijven.Wij houden het er meestal voor dat de woning, zooals zij nu is ingericht, voor ons het beste is. Wij verbeelden ons daar hooger opvattingen, edeler aandoeningen op te doen, daar onderricht te worden hoe wij moeten leven. De waarheid aan deze volksmeening ten grondslag liggende is, dat de liefde van de moeder voor het kind de basis vormt van alle hoogere wederkeerige liefde. Maar men vergeet dat achter moederliefde de krachtige aandrift tot geslachts-liefde, de zich te buiten gaande kracht van den geslachtslust ligt. De familie-verhoudingen die daarvan een gevolg zijn, staan niet zoo hoog als onze breeder, dieper, maatschappelijke verhoudingen.Voor het behoud van ons individueel leven hebben wij behoefte aan huiselijke geriefelijkheden. Het dragen en verdragen van het huiselijk leven, met zijn heerschenden en onophoudelijken invloed van den conservatieven geest der vrouw, houdt den onregelmatig snellen aandrang der mannelijke energie zeer goed in toom. Zoolang de wereld duurt zullen wij niet alleen aan individueele woningen behoefte hebben, maar ook aan het familieleven; een gemeenschappelijke scheede voor de onontloken blaadjes van elken nieuwen tak, bijeengehouden aan den ouderlijken stam, vóórdat zij ten slotte uiteen vallen.Stemmen wij dit alles toe, dan blijft nog te bestrijden de steeds toenemende slechte uitwerking, niet van het huiselijk leven als zoodanig, maar van de soort van huiselijk leven, welke op de sexueel-economische verhouding gegrondvest is. In een gezin, waarin de terecht overheerschende vrouwelijke energie op een primitieve ontwikkelingshoogte wordtgehouden, en de vrouw de vrije deelname aan de snelle, breede, voorwaartsche beweging der wereld wordt ontzegd, ondervinden al de leden den invloed daarvan. Waar de buitengewone behoefte om dingen te ontvangen zonder er iets voor terug te geven, in de eene sekse wordt bevorderd en de woeste begeerte om zooveel mogelijk te verkrijgen in de andere sekse zorgvuldig wordt aangekweekt, daar ondervindt het kind dezen invloed onophoudelijk en groeit op in het denkbeeld, dat het leven slechts bestaat in het hebben van eten en het verkrijgen van geld om er voor te betalen, en dat men alleen werkt om voedsel van den leverancier te huis te krijgen, het te koken en op te disschen. Dat zijn de op den voorgrond tredende handelingen in het huiselijk leven, zooals wij het geregeld hebben. De zorg waarin wij ons leven doorbrengen, de zaken die ons hinderen en kwellen, zijn zaken die wij reeds lang en lang geleden ontgroeid moesten zijn, indien het menschdom geregeld vooruitgegaan was. De man is vooruitgegaan, maar de vrouw bleef achter. Door erfelijkheid gaat zij vooruit, door ondervinding komt zij achteraan; altijd teruggeduwd tot een economischen graad van veleduizendenjaren geleden.Indien een man van den tegenwoordigen tijd met al zijn verstand en energie en hulpmiddelen gedwongen werd zijn levensdagen te slijten, jagend met pijl en boog, visschend met gepunte beensperen, hongerig wachtend bij zijn vallen en strikken, in de hoop een prooi te bemachtigen, zou hij op zijn vrouw en kinderen niet den verheffenden invloed van den waren mannenaard uit onzen tijd kunnen hebben. Zelfs wanneer hij hooger onderwijs genoten had, zelfs wanneer hij vele boeken te lezen had (en tijd had ze te lezen) en verheffenden omgang met anderen, dan nog zouden de economischebeslommeringenvan zijn leven, de aanhoudendedagelijksche druk van hetgeen hij voor zijn onderhoud te doen had, den groei van hoogere gaven belemmeren. Wanneer alle mannen tot nu toe jagers geweest waren dag in dag uit, zou de wereld nog woest en wild zijn. Omdat alle vrouwen steeds, dag in dag uit, dienstboden voor het gezin geweest zijn, leven zij nog in slaafschen toestand.Een huiselijk leven met een afhankelijke moeder en een dienstbode-echtgenoote is geen veredelende macht. Dat gevoelen wij allen nu en dan. De man, met den grooten vooruitgang der wereld zich ontwikkelende en ontplooiende, voelt zich tehuis door de domme gesprekken, het kleingeestig gekibbel en de dwaze en achterlijke begrippen klaarblijkelijk omlaag gaan. Het is daar behagelijk, bevredigend voor het gevoel, warm en zacht en mooi en geschikt gemaakt voor de behoeften van het zwakker en kleiner wezen dat gedwongen is er te verblijven. Het wordt zelfs als een deugd van den man aangemerkt, wanneer hij veel te huis is en het ter wille van zijn pantoffels en couranten, zijn haardvuur en avondmaal, zijn springveeren bed en schoon ondergoed boven andere plaatsen verkiest.Het kwaad schuilt ook niet in de liefde voor het tehuis en het er zooveel mogelijk vertoeven, maar in de soort van woning en in de soort van vrouwen die er gekweekt worden en in den graad van technische ontwikkeling die er heerscht. Wanneer men de richting van den tegenwoordigen vooruitgang volgt, behoeft men geen profeet te zijn om te zien waarheen ons huiselijk leven leidt. Van het hol en de tent en de hut tot een goed verdeeld huis, waarvan elk lid van het gezin zooveel ruimte voor zich alleen krijgt als verschaft kan worden; van de barsche heerschappij van den almachtigen patriarch met zijn stille, slaafsche vrouwen en babbelende kinderen,tot de betrekkelijke vrijheid, gelijkheid en geheel verschillende levenswijze van de leden uit een hedendaagsch beschaafd gezin; van den laagsten graad van nijverheid in het kamp der wilden, waar alles te zamen gekookt werd in denzelfden pot door éénzelfden persoon,—zonder zindelijkheid, zonder overleg, zonder toewijding,—tot de millioenen zeer verschillende handen die het gezin tegenwoordig op duizendvoudige wijze bedienen, hebben de man en de fabriek alles gedaan; de vrouw ging alleen buitenshuis om inkoopen te doen en stond binnenshuis op de nederigste plaats.Men lette op het nog belangrijker en opmerkelijker feit, dat waar in het historisch begin niets anders dan de woonplaats voor het gezin bestond, langzaam, met onze ontwikkeling ook de woning voor het individu zich ontwikkelde. De eerste verder gaande beweging van het maatschappelijk leven zal een vrijer dagelijksch verkeer onder de bevolking zijn. Langs rivieren en zeeën, van kano tot stoomboot; langs paden en wegen, van omnibus tot spoortrein; steeds sneller en vrijer, verder en vaker, stroomden de individueele menschelijke wezens naar buiten en mengden zich in het vrije maatschappelijk leven. In het begin was gastvrijheid de eenige toevlucht van den reiziger, het recht van den vreemdeling; maar door het toenemend verkeer ontstond—uit noodzakelijkheid—het organisch maaksel, de tijdelijke individueele woning, waardoor het reizen gemakkelijker werd. Van de meest oorspronkelijk karavansera tot onze hotels van eenige vierkante mijlen vloerruimte, heeft de herberg meer in de behoeften der sociale evolutie voorzien, dan ooit eenig eigen huis kon doen.Voor mannen, tot dusver de eenige volkomen ontwikkelde menschelijke wezens van hun tijd, was de gehuurde kamer de tijdelijke woning voor dat gedeelte van hunleven, waarin zij het eene gezin verlaten en nog geen ander gezin gevormd hadden. Voor de vrouw staat deze mogelijkheid thans ook open. Meer en meer matigen zich thans ook de vrouwen aan een woning, zelfs zonder een gezin, te hebben. Ook de familiewoning ondergaat meer en meer den invloed van den vooruitgang. Vroeger bleef men in hetzelfde huis wonen, soms vele geslachten lang. Thans veranderen wij herhaaldelijk, zelfs met groote gezinnen; veranderen wel is waar dikwijls tegen onzen zin en ten koste van vele huishoudelijke goederen, maar niettemin veranderen wij en moeten veranderen onder toenemende verbittering tegen de onhoudbare toestanden. En hieruit is ontstaan en heeft groote afmetingen aangenomen, dat ontzettend verschijnsel van onzen tijd “het familie-hotel.”Men overwege dit eens. Eerst de herberg, eens de eenige reddende toevlucht voor vermoeide reizigers. De vermoeide reiziger bemerkte evenwel reeds spoedig het verschil tusschen zijn individueele vrijheid dáár en zijn beperkingen tehuis en was gaarne bereid “zijn gemak in de herberg te zoeken.” Thans is de tijdelijke rustplaats voor ongehuwde mannen van voorheen een vaste woonplaats voor gezinnen geworden. Niet uit financieële noodzakelijkheid. Zij worden bewoond door menschen die geld genoeg hebben om een huis te bewonen. Die menschen begeeren echter geen eigen woning. Zij zijn vermoeid van het huishouden. Het is zoo moeilijk een huishouding te voeren, de dienstbodenkwestie is zoo lastig. De gezondheid van de vrouwen laat niet toe dat zij zich met huishoudelijke werkzaamheden vermoeien. Dit zijn de aangevoerde redenen.Maar onder deze vage begrippen en uitdrukkingen ligt hijgend en onrustig een langzaam stijgende maatschappelijke vloed. De oorspronkelijke woning, gebaseerdop de economische afhankelijkheid der vrouw met haar ongeorganiseerde werkzaamheden, haar slaafschen arbeid, haar verdoovenden invloed op individueele ontwikkeling, wordt met den dag onbruikbaarder voor de hedendaagsche mannen en vrouwen. Natuurlijk keeren zij er telkens uit noodzakelijkheid in terug, zoo lang verondersteld wordt dat huwelijk en kinderen baren een eigen woning vereischt; zoo lang onze diepste gevoelens en vroegste herinneringen er zoo nauw mede verbonden zijn. Maar door haar praktische gevolgen, die steeds sterker door de beurs van den man en de krachten van de vrouw gevoeld worden, zal de woning snel verdwijnen.Wij hebben dezen toestand zien aankomen en zijn ontstaan aan allerlei oorzaken, behalve aan de werkelijke, toegeschreven. Wij hebben het de mannen kwalijk genomen dat zij niet even als vroeger tehuis bleven. Wij hebben de vrouwen gelaakt omdat zij niet even goede huishoudsters zijn als vroeger. Wij hebben de kinderen berispt over hunne ontevredenheid, de dienstboden over hunne onbekwaamheid, de steenen en de kalkbak over hun slechte constructie. Maar wij hebben er nooit aan gedacht, de schuld op de instelling zelf te werpen en getracht die te verbeteren.In de verre Westersche prairiën, en overal in afgelegen boerenhofsteden, worden de hedendaagsche vrouwen, die men opgesloten houdt in hun beperkte woningen, bij velen tegelijk gek! Onze krankzinnigengestichten bevatten ook een grooter aantal krankzinnige vrouwen uit den boerenstand dan uit een andere klasse. In de steden, waar men minder tehuis leeft, schijnen de vrouwen het beter te verdragen. Daar is meer afleiding, zeggen de mannen en zij zoeken die. Daar heerscht meer vroolijkheid, amusement, afwisseling, zeggen de vrouwen en zij zoeken die. Doch in werkelijkheid voelt men de grootermaatschappelijke belangen en den drang van andere invloeden dan van den huiselijken kring.Velen vreezen den loop der dingen en wagen ijdele pogingen om hem tegen te houden. Er bestaat echter geen reden om angstig te zijn. Wij zullen onze woningen en onze gezinnen niet verliezen, noch iets van het geluk en het liefelijke dat er mede gepaard gaat. Maar wij zullen onze keukens verliezen, evenals wij onze wasscherij en bakkerij verloren hebben. De kookkachel zal het spinnewiel en het weefgetouw, de wolkaarde en de wolschaar volgen. Onze woningen zullen plaatsen worden om in te leven en te lieven, te rusten en te spelen, om alleen te zijn en om samen te zijn; en zij zullen niet langer verward en verlaagd worden door bijmenging van eenigen tak van nijverheid, welken dan ook.In zulke woningen zal in het familieleven een beschaafde, goede geest heerschen en de zorgen en arbeid die nu de rust daar bederven, zullen buitenshuis op een hooger arbeidsveld overgebracht kunnen worden. De verhouding van vrouw tot man en van moeder tot kind zal door deze uiterlijke verandering verbetering ondergaan. Al de persoonlijke familieverhoudingen zullen dan tot een zuiverder en voller groei komen.In de langdurige onderwerping der vrouw is niets zoo pijnlijk als het gevoel, dat de verlaging van het moederschap veroorzaakt wordt door dezelfde omstandigheden, die verondersteld werden deel er van uit te maken. Wij zien hoe de moeder steeds verlangt met haar kind te zijn, het altijd te kunnen helpen en dan moet zij ervaren, dat het kind met elk jaar meer van haar vervreemdt, dat het dingen leert die zij nooit mocht leeren, dingen doet die zij nooit mocht doen, alleen de wereld ingaat,—zijn wereld, doch niet de hare—en hard is het, het kind “te dragen, te verzorgen, te zoogen, te beminnenen dan te verliezen”, niet door de natuurlijke scheiding van groei en persoonlijk uiteenloopen, maar door de onnatuurlijke scheiding van valsch verdeelde klassen, de onontwikkelde vrouwen naast de steeds hooger ontwikkelde mannen. Dat is de kloof, gevormd nog vóór dat de jongen tien jaar oud is en die met elk jaar breeder wordt.Een economisch vrije moeder, een wereld-dienares in plaats van een dienstbode voor het gezin; een moeder die de wereld kent en er in leeft, kan voor haar kinderen veel meer zijn, dan ooit te voren mogelijk was. Het moederschap toegepast op de wereld, zal van die wereld een geschikter plaats voor het kind maken.XIIIWanneer wij ons de positie der vrouw onder economisch onafhankelijke omstandigheden voor den geest stellen, dan is de vrouw in haar positie als moeder voor velen het groote struikelblok.Wij zijn zoo gewoon geraakt aan de oude opvatting van het moederschap, wij gevoelen ons zoo overtuigd dat alle onderdeelen er van onderling met elkaar in betrekking staan en niet te vervangen zijn, en wij vreezen zoozeer door verandering van een daarvan de geheele verhouding in gevaar te brengen, dat wij ons van eenige wenschelijke verandering geen voorstelling kunnen maken.Wanneer bepaalde voorstellen voor zulk een verandering aan de hand worden gedaan,—maatregelen, waardoor kleine kinderen beter verzorgd zullen worden dan tegenwoordig,—dan loochenen wij òf de voordeelen van de voorgestelde verandering, òf wij beweren dat diezelfde voordeelen ook behaald kunnen worden onder ons tegenwoordig stelsel. Evenals wij bij het koken de eigen keukenmeid trachten te oefenen en onzen smaak te verbeteren, zoo trachten wij ook bij de verzorging van kleine kinderen de individueele moeder te oefenen en beter toestanden in eigen huis te scheppen; in beide gevallen de verhouding tusschen ons algemeen systeem en zijne bijzondere verschijnselen voorbijziende. Ofschoon bewezen kan worden dat de woning als plaats om kinderen groot te brengen, voor zoo ver het de lichamelijke omstandigheden betreft, geschikt gemaakt kan worden, handhaven wij daartegenover met krachtdezewaarheid: dat voor het geestelijk leven van het jonge kind het gezin met zijn leven vol aandoeningen geen geschikte omgeving is.Er is een tijd in de menschelijke geschiedenis geweest dat de woning ook voor het geestelijk leven van het kind de beste plaats was. Toen de vooruitgang zijn voornaamste drijfkracht aan de geslachts-drift ontleende en onze hoogste aandoeningen die waren, waardoor wij in familieverhouding samen bleven, was het natuurlijk voor het kind het beste een opvoeding en omgeving te hebben, waarin zulke aandoeningen gekweekt en versterkt werden. Maar in het levensstadium dat wij thans tegemoet gaan, waarin de familieverwantschap slechts een deel van het leven uitmaakt en de individuen, die in maatschappelijke verhouding tot ons staan onze hoogste toewijding behoeven, heeft het kind nieuwe behoeften gekregen.Hiermede wordt niet bedoeld, hetgeen de panische schrik aan het onberedeneerde verstand zal ingeven, dat onmiddellijk het tegenovergestelde, verbreking van den familiekring of vernietiging van het tehuis moet plaats vinden. Er wordt geen scheiding van moeder en kind bedoeld,—die oogenblikkelijke vrees uit het zuiver instinkt van dierlijk moederschap voortspruitende. Maar er wordt een andere grondslag in de familieverhouding bedoeld, het verwijderen van het vroeger economisch fundament en een andere methode van kindercultuur. Wij zijn immers niets meer gedwongen altijd dezelfde handelwijze van vroeger bij het verzorgen van kleine kinderen toe te passen, dan wij gehouden zijn haar bij de opvoeding van oudere kinderen of bij de bloemencultuur te handhaven. Het geheele menschelijk leven is in zijn waren aard voor verbetering vatbaar en het moederschap is daarvan niet uitgesloten. De verhoudingtusschen mannen en vrouwen, tusschen echtgenoot en echtgenoote, tusschen ouders en kinderen verandert onvermijdelijk met den maatschappelijken vooruitgang, maar wij willen dit niet altijd toegeven. Wij meenen dat elke verandering in het moederschap verkeerd moet zijn, omdat wij ons verbeelden dat de tegenwoordige toestand de juiste is.Onderzoeken wij dien echter, dan vinden wij dat de bestaande verhouding tusschen ouders en kinderen tehuis volstrekt niet is zooals wij die, als van zelf sprekend, hadden aangenomen. Wij bezitten allen zekere idealen van het huiselijk leven, het familieleven. Doch wanneer wij rondom ons zien, of wij lezen van honderde gevallen van ongelukkige gezinnen, die openlijk met elkaar in vijandschap leven, dan schrijven wij dat toe aan het individueel wangedrag der betrokken partijen, en blijven onvoorwaardelijk aan de innerlijke volmaaktheid van het familieleven gelooven. Doch wanneer, omgekeerd, menschen in deze verhouding in rust en liefde en hoffelijkheid te zamen leven, dan schrijven wij dat niet toe aan de individueele superioriteit en deugdzaamheid dier menschen, maar dan gebruiken wij dat gezin als voorbeeld om de schoonheid dier verhouding aan te toonen.Voor den nauwkeurigen sociologischen opmerker is evenwel de ware toedracht deze: zoolang de individueele en ras-vooruitgang het best door het nauwe verbond der familieleden gediend werden, was familie-genegenheid zeer sterk bij de menschen ontwikkeld. Zij voelden de werkelijke beperking en de onophoudelijke wrijving der verhouding niet. Zij berustten in de onbegrensde heerschappij van het hoofd der familie en de dwingelandij der lagere gezaghebbers, wijl zij geen van deze scherp omlijnde individueele bijzonderheden bezaten, welke zoo vijandelijk tegenover de familieverhouding staan.Maar wij hebben een stadium bereikt waarbij vooruitgang van het individu en het ras het best gediend worden door een steeds toenemend verschil der individuen en door een hooger en breeder opvatting van liefde en plicht. Deze verandering oefent op de geestelijke omstandigheden van het huiselijk leven een steeds nadeeliger invloed uit. Onophoudelijk hooren wij klagen over slechte manieren der hedendaagsche kinderen, over rusteloosheid der jeugd en over ouders die hun kinderen verlaten. Het is blijkbaar nu niet meer zoo gemakkelijk tehuis te leven als het vroeger was. Onze kinderen zijn niet onhandelbaarder dan de kinderen uit vroeger eeuwen, maar de toestanden waarin zij groot gebracht worden zijn niet meer geschikt de eigenschappen te ontwikkelen, die menschelijke wezens thans noodig hebben.Deze toenemende wrijving onder de familieleden moet uit een zedelijk oogpunt niet met vooroordeel beschouwd, maar met wetenschappelijke belangstelling bestudeerd worden. Indien onze gezinnen onder de tegenwoordige omstandigheden betrekkelijk niet op hun gemak zijn, zijn er dan geen toestanden te scheppen, waarin diezelfde gezinnen aangenamer kunnen leven? Neen: wij vreezen dat het niet kan. Wij meenen dat het goed is zooals de dingen nu zijn en dat het verkeerd is te wenschen dat zij veranderd worden. Wij meenen dat het zeer deugdzaam is in deze ongemakkelijke toestanden te berusten en dat wij bijzonder deugdzaam zijn, als wij de bestaande familieverhouding niet aantasten.Deugd is een betrekkelijke term. Menschelijke deugden veranderen jaar in jaar uit met de verandering van toestanden. Beschouwen wij eens de groote deugd van trouw,—onzen hoogsten naam voor plicht. Zij is een eigenschap die in het menschelijk leven waarde verkreeg, op het oogenblik dat wij dingen begonnen te doen, dieniet oogenblikkelijk en duidelijk merkbaar voor ons zelf voordeelig waren. Voortdurende ijver van een individu voor een op zich zelf niet aantrekkelijke taak, was een onontbeerlijke maatschappelijke hoedanigheid en werd daarom als deugd aangemerkt. Onveranderlijkheid, getrouwheid, oprechtheid, plichtsgevoel, die bewuste, vrijwillige houding van het individu, welke hem aan een te voren overeengekomen verhouding bindt, soms levenslang, al mocht het hem persoonlijk nog zooveel schaden, deze verhoudingen vormen het verband van het maatschappelijk lichaam. Zij zijn het grondbeginsel van het maatschappelijk bestaan.Een sociale deugd moet zich aan het persoonlijk geweten doen gevoelen door een erkend en aangenomen drang, een drang waarvoor wij buigen, een plicht tegenover anderen. Op die wijze kwam de deugd van trouw reeds vroegtijdig in duurzame achting; hetzij in den vorm van trouw aan het eens gegeven woord of de belofte, of trouw aan een vriend of een groep van vrienden die voor een of ander gemeenschappelijk doel tijdelijk vereenigd waren, of trouw aan een grooter en bestendiger verhouding. De hoogste vorm van trouw is natuurlijk trouw aan het grootst algemeen belang; en hier kunnen wij duidelijk den loop der ontwikkeling van deze eigenschap volgen.Eerst zien wij haar in het vage, nevelachtig samenhangen van de horde der wilden, dan in de strenge vereering der gezinnen,—dien onbegrensden plicht voor de hoogste toen bekende maatschappelijke groep. Het was in deze periode dat gehoorzaamheid aan ouders op onze schaal der deugden zoo hoog stond aangeschreven. De familietwisten, devendettader Corsicanen, zijn een over-ontwikkeling van deze deugd van familievereering. Daarna kwam trouw aan het opperhoofd, met voorbijgaan zelfs van trouw aan den vader. En met den Koning,—die dramatische verpersoonlijking van een natie,—“Zie! het Koninkrijk Engeland komt!”—werd trouw zelfs een hartstocht. Zij werd, en om goede redenen, boven elke andere deugd verheven, want het was niet, zooals verondersteld wordt, de persoon des Konings die zoo vereerd werd; het was de belichaamde natie, de ver-strekkende, gezamenlijke belangen van elken burger, het gemeenschappelijk welzijn, waarvoor het vrijwillig offer van elk individu gevraagd werd. Wij bezitten nog al deze phasen van trouw, in verschillend afnemende graden; maar wij verkrijgen thans ook een breeder opvatting van deze deugd, meer geschiktvoor onzentijd.De tegenwoordige maatschappelijke verhoudingen zijn hoofdzakelijk industrieele verhoudingen. Ons individueel leven, onze sociale rust en vooruitgang hangen meer af van onze economische verhoudingen dan van eenige andere. Gedurende langen tijd was de maatschappij alleen ingericht op een geslachts-basis, een godsdienstige basis of een militaire basis; elk van deze organisaties was van betrekkelijk kortstondigen duur; en de individuen die haar samenstelden werkten alleen op den economischen grondslag van het hulpeloos individualisme.Plicht is een maatschappelijk gevoel en ontwikkelt zich alleen met maatschappelijke organisatie. Toen onze burgerlijke organisatie eene nationale werd, ontwikkelden wij het gevoel van plicht voor den Staat. Toen de industrieele organisatie tot de tegenwoordige wereldomvattende ingewikkelde regeling aangegroeid was, toen wij het stadium bereikt hadden waarin onze plaats op aarde alleen houdbaar was door onze uitgestrekte en ingewikkelde economische verhouding, met haar snel kloppend en fijngevoelig samenstel van verkeer en algemeen onderling dienstbetoon, toen heeft het verstand ons voor de nieuwe sociale behoeften een nieuw soort trouwvoorgeschreven,—trouw aan ons werk. De machinist op zijn post blijvende tot hij sterft, opdat de passagiers in den trein behouden blijven; de kassier, liever de grootste kwellingen verdragende, dan het geheim van de brandkast te verraden,—dezulken zijn even trouw als de dienaar uit het feudale tijdperk die zijn meester tot den dood volgde, of de onderdaan die alles voor zijn koning opofferde. Beroepseer, verplichtingen tegenover het werk zelf, wat het ook kosten moge,—dat noemen wij trouw, geloofwaardigheid, de macht om stand te houden in een verhouding, die noodzakelijk is voor het maatschappelijk belang, zelfs wanneer het persoonlijk belang daarmede rechtstreeks in strijd is.De kinderen voor dit stadium van het menschelijk leven op te voeden, daarvoor is de eigen woning niet meer voldoende en de op zich zelf staande, primitieve, afhankelijke vrouw niet meer in staat. Niet dat de moeder geen krachtig en alles-overheerschend gevoel van trouw en plicht bezit, maar het is een plicht voor individuen, even als het was in het jaar één. In haar gedwongen nijverheids-beperking is zij onbekwaam, de hoogere arbeidsverdeeling en de loffelijke toewijding van een menschenleven aan den vooruitgang van zijn vak te waardeeren. Zij werd zoo slaafs mogelijk tot haar dagelijksche taak beperkt, dat geven wij toe; maar het kwam ook niet in haar op dat het ook haar plicht was het gehalte van haar arbeid in het belang der menschheid te verhoogen, noch dat het een zonde was den vooruitgang der wereld door haar tevreden berusting tegen te houden.Zij kan niet onderwijzen wat zij niet weet. Zij kan niet, met eenigen ernst, als plicht hoog houden, hetgeen zij zelf niet in toepassing brengt. Het kind leert meer van de deugden noodig voor het hedendaagsche leven,—van oprechtheid, rechtvaardigheid, vriendschap,gemeenschapszin en gemeenschappelijk handelen—in een openbare school dan in den besten familiekring onderwezen kan worden. Wij kunnen, zooveel wij willen, onze kinderen den grooten plicht zijn naaste lief te hebben en van dienst te zijn voorhouden; maar de zuigeling wordt geboren en het kind groeit op in een omgeving, waarin een geheel leven,—dat van zijn moeder,—gewijd wordt aan de vergrooting van haar gezin; en waarin een ander geheel leven,—dat van zijn vader,—zich overspant door de noodzakelijkheid van “zijn gezin te onderhouden”, zoodat verraad jegens de maatschappij gewoonlijk de prijs is, waarmede wij het gemak in de woning betalen. De man, die elk laag, valsch werk waarvoor hij gehuurd wordt verricht, werk dat voortbrenger en verbruiker beiden benadeelt; die zijn gaven en talenten beschikbaar stelt voor elken kooper die ze gebruiken kan, wordt door mannen verontschuldigd met wat zij noemen “plichten voor het gezin” en door het zedelijk gevoel der afhankelijke vrouwen niet gelaakt.Dit is de atmospheer waarin het tehuis opgevoede, door de moeder onderwezen kind opgroeit. Waarom zouden dan niet voedsel en kleederen en gemak van eigen familieleden een eerste plaats in zijn jonge ziel innemen? Ziet hij niet zijn eigen moeder, de boven allen geliefde, de boven alles volmaakte in zijne oogen, rustig haar dagen besteden in het regelen van die zaken, welke door vader’s onophoudelijk zwoegen verkregen zijn? Waarom zou hij, als hij groot is, niet voor zich zelf zorgen, met veronachtzaming van de belangen of ten nadeele van al de anderen, wanneer zijn vroegste, diepste indrukken gevormd worden onder een toewijding van zóó exclusieven aard?Het is niet de woning als plaats van familieleven enliefde die het kind bederft, maar de woning als middelpunt van een verwarden hoop werkzaamheden, laag in hun ongeregelden toestand en lager nog om hun zuiver persoonlijk karakter. Werk dat alleen voor eigen belang dient, staat het laagst. Daarop volgt het werk dat hoofdzakelijk voor het belang van eigen gezin moet dienen. Werk dat in het belang van meer en meer menschen, in steeds wijder kring verricht wordt, tot het ten laatste den heiligen geest die voor de geheele wereld zorgt nabij komt, is maatschappelijk werk in den volsten zin, en de hoogste vorm van dienstbaarheid dien wij kunnen bereiken.Het is dit persoonlijke in de huiselijke werkzaamheden, waardoor de huiselijke omgeving zoo hopeloos laag staat. De korte afstand tusschen inspanning voor en bereiking van het doel, de aanhoudende aandacht aan persoonlijke behoeften geschonken, is voor den man slecht, slechter nog voor de vrouw en het slechtst voor het kind. Van den aanvang af worden zijn levensindrukken daardoor verkleind. Het gewent hem de plichten tegenover zijn persoon te vergrooten en de plichten tegenover de maatschappij te verkleinen en het houdt zijn geschiktmaking voor een breeder levensopvatting zeer sterk tegen. Het dienstbode-moederschap, met al zijn onvermijdelijke beperkingen en ziekelijke gevolgen, is de begeleider van de economische afhankelijkheid der vrouw, het rechtstreeksch en onafwendbaar gevolg van de sexueel-economische verhouding.Het kind ondergaat dien invloed gedurende de jaren dat het voor indrukken het meest vatbaar is en voelt de slechte gevolgen er van zijn geheele leven door. De vrouw wordt er bestendig achterlijk door gehouden; de man in mindere mate, omdat hij door zijn normale maatschappelijke werkzaamheden tegelijkertijd meerontwikkelende invloeden ondervindt. Maar toch wordt ook hij nog in groote mate daardoor benadeeld, terwijl onze geheele beschaving er door belemmerd en in verkeerde richting gedreven wordt.Ook lijden wij hierdoor levenslang aan een sterk gevoel van eigenwaarde, een alle voegen te buiten gaande lichtgeraaktheid; wij eischen een bovenmatige aandacht en toewijding aan onze persoonlijkheid, omdat wij geboren en groot gebracht werden in een ware broeikast van deze hoedanigheden. Een klein kind dat een zeker aantal uren daags onder andere kleine kinderen doorbrengt, waarvoor wordt zorg gedragen omdat hij een klein kind is en niet omdat hij “mijn kindje” is, zal, groot geworden, een heel ander oordeel over zich zelf hebben dan het kind, dat opgroeit onder de onophoudelijke bewondering en liefkoozing van eigen familieleden. Het kind moet eens en voor altijd leeren, vriendelijk en zacht doch onverbiddelijk, dat het een kind is als velen.Wij erkennen dit allen zwakjes door het prijzen van groote gezinnen en door te zeggen dat “een eenig kind geneigd is om zelfzuchtig te worden.” Dat is ook het geval met een eenig gezin. Hoe vroeger en gemakkelijker een kind kan leeren dat menschelijk leven beteekent het leven van vele menschen en hun gedrag tegenover elkander, des te gelukkiger en voller en nuttiger zal zijn leven worden.Dit kan het kind zonder eenige moeite onder bepaalde omstandigheden geleerd worden, juist zoo als het zijn tegenwoordige zelfzucht en lichtgeraaktheid onder de tegenwoordige omstandigheden leert. Niet enkel temperatuur en dieet en rust en beweging oefenen invloed op een klein kind uit. “Hij vindt het zoo prettig als er notitie van hem genomen wordt”, zeggen wij. “Hij is zoo gelukkig wanneer hij een dozijn bewonderaars rondomzich ziet,” merken wij op. Maar wat leert onderwijl het jonge kind van dit alles? Welke indrukken vangt het op, zoodra het ziet en hoort en langzamerhand leert opmerken? Dank zij de rechtstreeksche gevolgtrekkingen die een helder, ontluikend verstand, dat nog niet over ervaring beschikt, maakt, leert het dat vrouwen in de wereld zijn om de menschen te bedienen, voor het eten te zorgen, te vegen en te schrobben en weg te ruimen; dat mannen geschapen zijn om dingen te huis te brengen, die hun naar gelang van omstandigheden afgebedeld of afgeperst moeten worden; dat kleine kinderen het voorwerp zijn van voortdurende bewondering, dat hun haar, handen of voeten bijzonder aantrekkelijk schijnen, dat zij het brandpunt van oplettendheid zijn, van hand tot hand gaan, geslingerd en gehost en vermaakt worden op de wildste manier, doch ook op zijde gezet en aan zich zelf overgelaten, zonder te overwegen wat het kind het liefst wil en het aangenaamst is.En dan te midden van zijn tintelend zelfbewustzijn en zijn zucht om geprezen te worden, moet het kind hooren dat het “ondeugend” is. Het verdriet, de schaamte, de woede over zulk een onrechtvaardigheid, de wanhopige verbijstering, de ziekelijke prikkelbaarheid of de verdooving van het geweten, het langzamerhand tot het teleurgesteld verstand doordringen van al deze vroegtijdige gewaarwordingen, doen het kind ten slotte haken naar zuiver persoonlijk genot en het legt zich toe om dat te bemachtigen. Dit zijn de ondervindingen die de meeste kinderen opdoen en die ook wij opdeden toen wij kinderen waren. Natuurlijk herinneren wij ons dat niet meer. Wij hielden natuurlijk van onze moeder en dachten dat zij volmaakt was. Vergelijkingen tusschen moeders te maken is moeilijkvoor een klein kind. Wij hielden natuurlijk van ons huis en droomden er nooit van, dat er ook nog een andere weg bestaat om groot gebracht te worden. En natuurlijk als wij zelf kinderen krijgen, brengen wij ze weder op dezelfde wijze groot. Welke andere weg bestaat er? Wat kan men er tegen hebben? Kinderen werden immers altijd tehuis groot gebracht. Is dat niet voldoende?En toch, verraderlijk, langzaam, onverzettelijk, terwijl wij ons zelf vleien met de gedachte dat de toestanden dezelfde blijven, veranderen zij onder onze oogen van jaar tot jaar, van dag tot dag. Opvoeding, zich zelf verschuilende achter een hoop boeken, maar al meer en meer bestaande in het groepeeren van kinderen en in het oefenen van eigenschappen die in den schoolcursus nimmer vermeld worden,—opvoeding, welke het menschelijk moederschap uitmaakt, kruipt al nader en nader naar haar ware plaats, haar beste werk,—de verzorging en opleiding van het kleine kind. Er zijn enkele vrouwen en ook enkele mannen die de menschheid ten hoogste aan zich verplichten door hun zorg voor kinderen. Dezulken moesten hun krachten niet concentreeren op eigen kinderen,—een zeer twijfelachtig voordeel voor de maatschappij—maar zij moesten zoo geplaatst worden dat hun talenten en geschiktheid, hun kennis en ondervinding, het grootst aantal kinderen ten goede konden komen. Er zijn vele vrouwen en vele mannen ook, die, ofschoon zij in staat zijn mooie, gezonde kinderen voort te brengen, niet bekwaam zijn hun een goede opvoeding te geven. Kinderen te baren is een persoonlijke zaak, een dierlijke functie. Opvoeding is een collectieve, menschelijke, maatschappelijke functie.Zooals wij nu het leven geregeld hebben, loopen onze kinderen de kans terwijl zij nog zuigelingen zijn, televen of te sterven, ten goede of ten kwade zich te ontwikkelen, naar gelang van de hoedanigheden der moeder, uit wie zij geboren worden. Een onverstandige moeder is geen beletsel voor een kind om een goede schoolopleiding en later een goede vakopleiding deelachtig te worden; maar de opvoeding in zijn prille jeugd, de belangrijkste in alle opzichten, is geheel in haar handen. Het is onnoodig aan te voeren dat moeders onderwezen moeten worden, hoe zij hunne moederplichten vervullen moeten. Men kan niet van elke moeder een goede schoolonderwijzeres of een goede vakonderwijzeres maken. Waarom verwacht men dan dat wel van iedere moeder eene goede opvoedster voor kleine kinderen gemaakt kan worden? Maar welke ook onze verwachtingen zijn, de ondervinding heeft geleerd dat niet allen er geschikt voor zijn; en onze verkeerd opgevoede kinderen, dezulken die de verkeerde stoffelijke behandeling te boven komen, groeien tot menschen op, zoo als wij ze rondom ons zien.De groei en verandering van het huiselijk en familieleven gaan aanhoudend hun gang onder en over en door onze vooroordeelen en overtuigingen heen; en ook de opvoeding van het kind is veranderd en een sociale functie geworden, hoewel wij ons nog verbeelden dat alles alleen door de moeder gedaan wordt.In haar vroegste en meest onvolledige openbaringen maakte opvoeding slechts deel uit van de individueele moederlijke functie wan het vrouwelijk dier. Maar van het oogenblik af dat de menschelijke geest in staat werd indrukken weer te geven en te ontvangen door middel van de spraak, hierdoor werd de macht verkregen kennis uit andere bronnen dan die van eigen ondervinding op te doen, hield de individueele moeder op, de eenige opvoedster van haar kind te zijn. De jonge wilde ontvangt niet alleen leiding van zijn angstige moeder, maarook van de hoofden en ouderen van zijn stam. Gedurende langen tijd beschouwde men de ouden van jaren als de eenige geschikte onderwijzers, omdat toen de meeste kennis uit persoonlijke ondervinding verkregen werd; en hoe ouder de persoon was, des te grooter was zijn ondervinding, indien natuurlijk, andere dingen gelijk waren, en die waren in dien tijd maar al te veel gelijk. Dit primitieve denkbeeld bestaat nog onder ons. Menschen matigen zich thans nog aan meer wijsheid te bezitten omdat zij ouder zijn, stellen enkel de som hunner ondervindingen tegenover een essentieeler en goed geregelde veelzijdigheid en vergeten geheel, dat de wijsheid die wij tegenwoordig bezitten niet uit een verzameling van feiten bestaat, maar in de macht om over die feiten met een bepaald doel na te denken.Sedert wij al meer en meer in staat zijn individueele ondervinding door literatuur te bewaren en aan anderen mede te deelen en de daardoor verkregen kennis door systematisch onderwijs te verspreiden, zien wij steeds jonger en jonger menschen bijv. rijker zijn in chemische of electrische ervaring dan “de oudste inwoner” in vroeger tijden kon geweest zijn. Daarom zijn de hedendaagsche onderwijzers niet meer de grijsaard en oude vrouw, maar de man of vrouw, die liefst zoo kort mogelijk geleden de verzamelde ondervinding der wereld opdeed. Evenals bij den onderwijzer een overgang van ouderdom tot jeugd plaats vond, evenzoo geschiedde dit bij de leerlingen. Bij de Grieken bezochten volwassen mannen de school. In de middeleeuwen vulden jonge mannen de inrichtingen van onderwijs. In onze verlichte eeuw kunnen jongens en ook meisjes gebruik maken van het zich steeds uitbreidend schoolonderricht.Thans is zelfs door de ontwikkeling van “den Kindergarten”het onderwijs tot de deur der kinderkamer genaderd. Zelfs ons stekeblind moederschap begint die deur te openen; en zoo zijn wij ten slotte genaderd tot de studie van kleine kinderen, wij leeren hun behoeften en gaven kennen en zien dat de opvoeding moet beginnen op het oogenblik dat het leven aanvangt. Het is geen gewaagde ketterij te beweren dat kleine kinderen een beter opvoeding noodig hebben dan de individueele moeder hun geeft. Wij bedoelen alleen een weinig verder uitstrekken van het zich geregeld uitbreidend systeem der menschelijke opvoeding, welke met toenemende beschaving toch zal komen. En daardoor zal niet meer inbreuk worden gemaakt op de rechten der moeder, de plichten der moeder, het genoegen der moeder, dan de school en vakschool doen.Wij denken immers geen kwaad van het moederschap, omdat onze lievelingen daags vele uren in de school gaan doorbrengen. De moeder wordt daarom niet voor zorgeloos, noch het kind voor te kort gedaan gehouden. Wij noemen het niet een “scheiding van moeder en kind.” Er zal ook niet meer kwaad of gevaar of verlies zijn, wanneer de kleine-kinderleeftijd in een omgeving van geoefende en voor hun taak opgeleide personen doorgebracht wordt, die hunne behoeften beter kennen en er beter aan te gemoet kunnen komen dan het voor de moeder alleen tehuis mogelijk is.Beter omgeving en beter zorg voor kleine kinderen, in ’t kort een beter opvoeding beteekent niet, zooals sommige moeders zich verbeelden, dat de zwakke zuigeling onderwezen wordt in lezen, of zelfs dat hij gezet zal worden aan het rangschikken van kleuren of vormen of geluiden, welke het jonge verstand geheimzinnig tot bloei zullen dwingen. Het beteekent hoofdzakelijk, een veel kalmer en rustiger leven dan mogelijkis in de drukke huishouding, voor het te vurig geliefkoosde en te zeer verzorgde kindje; en dat de indrukken die het ontvangt met inachtneming van zijne verstandelijke vermogens gekozen worden. De moeder zou niet uitgesloten maar geholpen worden, evenals zij nu door den onderwijzer en de school bijgestaan wordt.Tracht u eens, als gij wilt, een nieuwe wijze van de komst in het leven voor den geest te roepen;—de moederborst en moederarmen vervullen ook daar natuurlijk den dienst, welke geen ander hoe teeder ook, kan aanbrengen; maar waarbij tevens andere hulp zou zijn. De lange, gelukkige uren van de steeds langer wordende dagen zouden doorgebracht worden in zonnige, zacht gekleurde vertrekken, of tusschen gras en bloemen, of op het warme strand en aan het water. Er zouden vele andere kinderen zijn, kinderen van denzelfden leeftijd en dezelfde grootte, in kalme hulpvaardige vriendschap. Een jaar verschil in leeftijd beteekent voor kleine kinderen heel veel. Denkt eens aan de geestdrift van kleine kinderen, wanneer zij met makkertjes van dezelfde jaren spelen, omdat zij zich dan volkomen gelijk voelen; en bedenkt dan dat het tehuis groot gebrachte kindje zulke kameraadjes nooit heeft, tenzij er toevallig tweelingen zijn.In deze groote groep, in volle vriendschap levende, zou het kind onbewust de kennis opdoen, dat “wij” menschheid zijn, dat “wij” wezens zijn die moeten worden gevoed, bewaakt, gekleed, te slapen gelegd, gekust en geliefkoosd en vrijgelaten om te rollen en te spelen. Misschien zouden de moeder-uren de prettigste zijn. Dan zou het kind heelemaal alleen aan iemand toebehooren en dit zou om het contrast te beter gewaardeerd worden. Maar de lange, geregelde dagen zouden de rustige lessen van gelijkheid engemeenschappelijk belang brengen, in plaats van de koortsige persoonlijkheid van het alleen staande kindje in het één-kinder-huishouden, of de tallooze dwingelandijen en kibbelarijen van een kinderkamer vol broertjes en zusjes van zeer verschillenden leeftijd en verschillende gaven. Moeders, die er aan gewend zijn vele andere kleine kinderen dan hun eigen waar te nemen, zouden eensdeels beginnen iets te leeren van het klein-kinderwezen in het algemeen en daardoor dat levensstadium veel beter begrijpen, en anderdeels zouden zij leeren inzien, dat er verschil tusschen kleine kinderen bestaat en zoodoende een nieuw ideaal in hun groot werk van moederschap opdoen.Dit alleen is reden genoeg voor een ruimer opvatting van het moederschap. Zoolang nog ieder moeder alleen haar eigen kinderen in volle bewondering en hartstochtelijkheid aanstaart, niets wetende van anderen, zoolang zal deze dierlijke passie de zuiver menschelijke hoedanigheden van het kind over- of onderschatten. Zoolang dit voortduurt zullen wij opgroeien met het valsche, onvaste oordeel over ons zelf, dat ons in onze kindsheid is opgedrongen. Wij mogen te goed of te slecht van ons zelf denken, maar altijd denken wij te veel van ons zelf, als gevolg van die ongeoefende en onveranderde concentratie van moederlijk gevoel. Onze geheele houding tegenover het kind is te sterk persoonlijk. Door heel ons pijnlijk later leven kampen wij om aan dat valsche perspectief, door het primitieve moederschap onderwezen, te ontgroeien.Een klein kind, dat groot gebracht wordt met andere kleine kinderen zal nimmer die moeite en dat verdriet hebben. Hoezeer zijn moeder het ook mag liefhebben en hoeveel het ook van haar liefde geniet, het zal toch ondervinden, dat het voor het grootste gedeelte vanden tijd precies zoo behandeld wordt als andere kinderen van denzelfden leeftijd. Zulk een verandering zal voor het huiselijk en familieleven geen grooter verlies medebrengen dan de school of den Kindergarten doen. Zij zal het kleine kind niet van zijn moeder en de moeder niet van haar kind berooven. En zulk een verandering zou de moeder een aantal uren daags vrij geven om een gewoon mensch te zijn, een lid van een beschaafde gemeenschap, een economische voortbrengster, een zich ontwikkelend, zelfstandig individu. Deze ontwikkeling, vrijheid en macht zullen van haar een verstandiger, sterker en edeler moeder maken.Na alles wat gezegd is van de liefde en dankbaarheid voor onze onfeilbare moeder-kindermeid, moeten wij vrouwen toch wel een zeer hoogen dunk van onze persoonlijke belangrijkheid hebben om ons eigen werk zoo heilig te verklaren. De moeder in dienst der maatschappij, in plaats van in dienst van het gezin, zal haar ware moederplichten niet verwaarloozen. Zij zal haar kind even goed liefhebben, misschien beter, als zij er niet elk oogenblik mede in aanraking is; wanneer zij van zijn leven naar haar leven en terug van het hare tot het zijne gaat, met steeds nieuwe vreugde en nieuw verlangen. Zij zal de innige, groote vreugde van het moederschap veel frisscher in haar hart bewaren, in stem en oogen veel duidelijker uitdrukken, wanneer de uren van individueel werk haar geest een anderen uitweg gegeven hebben voor haar eigen deel wan den dag. Zij zal van haar werk, dat zij lief heeft en hoog stelt, naar het leven te huis en het leven van haar kind met graagte en met voortdurend welbehagen terugkeeren, gezuiverd als dit dan zal zijn van de duizend kleine kwellingen, oneenigheden en moeilijkheden die het nu zoo bederven.Ook het kind zal dit weldoende gevolg ondervinden. Menvergist zich als men meent dat het kleine kind, meer dan het oudere, juist de zorg en tegenwoordigheid van de moeder noodig heeft. Een zorgvuldig onderzoek heeft aangetoond dat een pas-geboren kind zijn eigen moeder en een pas-bevallen moeder haar eigen kind niet kent. Men kan ze verwisselen zonder dat een van beiden er iets van bemerkt.De diensten van een zoogster, een kindermeid, een grootmoeder worden door kleine kinderen dikwijls evenzeer gewaardeerd, soms beter, dan die van de eigen moeder. De zuiver lichamelijke zorg voor een jong kind kan even goed door de eene als door de andere verstandige, liefderijke hand gegeven worden. Het is de geoefende hand waaraan het kind voor deze zorg behoefte heeft, niet aan bloedverwantschap. Zoolang de moeder het heerlijke voorrecht behoudt haar kind te kunnen zoogen, behoeft zij nooit te vreezen dat iemand anders het kleine hartje dierbaarder zal zijn dan zij, de gezegende verschafster van het hoogste goed dat het kent. Een gezond, gelukkig, goed aangewend moederschap zal in staat zijn deze functie langer en beter te vervullen dan nu gewoonte is, tot groot voordeel voor het kind. Afgezien van deze speciale verwantschap, zal het aldus opgevoede kleine kind gemakkelijk het besef krijgen van een ander en breeder verwantschap.In de vrijheid en rust van zijn kinder-slaapkamer en speelkamer, in zijn dagelijkschen omgang met andere kinderen van zijn leeftijd, zal het een gevoel van de juiste menschelijke verhouding, als het ware, met de moedermelk in zich opnemen, een besef krijgen van de rechten van anderen en van zich zelf. In plaats van zich het leven te denken als iets waarin alle pret bestaat om door anderen rondgedragen en geliefkoosd te worden, of ook om door anderen getiranniseerd of onuitstaanbaarverveeld te worden, zal het kind het leven gaan beschouwen als een gelegenheid om zich ongehinderd te ontwikkelen, bekend te worden met zijn eigen ontluikende gaven van lichaam en geest, in een atmospheer van lichamelijke warmte en gemak en van kalme zielerust.Rechtstreeksche, geconcentreerde, onveranderlijke persoonlijke liefde is een te heete atmospheer voor een ontluikende ziel. Afwisseling met eenzaamheid, drift en onrechtvaardigheid brengt niet de gewenschte verandering. Een bedaard toegepaste liefde, door wijsheid verlicht, op rechtvaardigheid gegrondvest, en door de innige toewijding van de eigen moeder nu en dan afgewisseld, zou ons na weinige geslachten tot andere menschen maken. De neiging en uiting van ons geheele leven worden sterk gewijzigd door de omgeving in de kindsheid, en deze omgeving kan verbeterd worden, evenwel niet door de individueele moeder in de individueele woning.Er zijn drie redenen waarom de individueele moeder nooit geschikt gemaakt kan worden om alle zorg voor haar kinderen op zich te nemen. De eerste twee zijn te bekend om er lang bij stil te staan, de derde is zoo volstrekt afdoend, dat die alleen voldoende zou zijn.Ten eerste is niet elke vrouw met de bijzondere eigenschappen en gaven geboren, noodig om de juiste zorg voor kinderen op zich te nemen; zij bezit er geen aanleg voor. Ten tweede kan niet iedere vrouw de opleiding en oefening verkrijgen, noodig om haar geschikt te maken de juiste zorg voor kinderen op zich te nemen; zij is er niet voor opgeleid. Ten derde, zoolang elke vrouw alle zorg alleen voor eigen kinderen op zich neemt, kan nooit een vrouw de vereischte ondervinding er voor opdoen. Dat is de laatste hinderpaal. Dat houdt ons menschelijk moederschap achterlijk. Geen moeder weet meer dan haar moeder wist; geen moeder heeft ooithaar beroep geleerd; en onze kinderen ondergaan de goed-gemeende proefnemingen van een eindelooze reeks van amateur-opvoedsters.Wij trachten een kindermeid te krijgen, die ondervinding heeft. Wij zoeken een arts met ondervinding. Maar naar onze opinie is een moeder met ondervinding eenvoudig een, die veel kinderen gebaard heeft, alsof baren een opvoedend proces was!De angsten van het kraambed of de angsten van een kindersterfbed, hoe vaak ook ondervonden, dragen hoegenaamd niet bij tot de kennis van de moeder omtrent de juiste verzorging, kleeding, voeding en onderricht van het kind. De afdeeling opvoeding van het moederschap is geen persoonlijke functie; het is in haar waren aard een maatschappelijke functie; en in de volbrenging er van schieten wij betreurenswaardig te kort.De economisch onafhankelijke moeder, verruimd en bevrijd, versterkt en ontwikkeld door haar maatschappelijke taak, zal als moeder beter dienst bewijzen dan dit de afhankelijke moeder mogelijk is. Niets kan meer de belangen der menschheid bevorderen dan verstandiger zorg en breeder opgevatte liefde van een georganiseerd menschelijk moederschap over onze kleine kinderen. Zulk edeler moederschap, voortbrengende edeler kinderen en hen op edeler wijze groot brengende, zal een wereld mogelijk maken, zooals wij die wenschen. En deze verandering nadert overweldigend snel, ondanks onze dwaze vrees.

XIIAls zelfbewuste schepselen, die gemakkelijk in de dwaling verkeeren de gewaarwording voor het feit te houden, in wier bewustzijn de gewaarwording inderdaad het feit is,—er wordt een dieper doordenken vereischt om de gewaarwording uit het feit af te leiden,—zijn wij er niet erg om te berispen dat wij zooveel gewicht aan gevoel en aandoening hechten. Misschien zullen wij in het licht der koude redeneering toestemmen dat het huis niet de geschikte plaats is voor zooveel werk en dat de echtgenoote en moeder niet de aangewezen persoon is om het te verrichten. Deze verstandige meening verandert evenwel op geenerlei wijze ons gevoel over dit onderwerp. Dit gevoel, diep ingeworteld en overprikkeld, bedekt met een dikke laag het geheele veld van huiselijk leven. Niet wat wij er van denken (want wij hebben er nooit veel over na gedacht), maar wat wij er van voelen, stelt in dezen de som van onze meeningen vast. Vele zijn ware, rechtmatige, gewettigde gevoelens. Sommige zijn domme ongerijmdheden, niets anders dan reliquien uit lang vervlogen tijden, waarvan wij ons langzaam zullen ontdoen, zoodra wij wijzer worden.Men denke bijvoorbeeld eens na over het reeds lang bestaand geloof aan het “vrij zijn in eigen huis”. Er ligt voor velen iets terugstootends in het denkbeeld dat het voedsel gekookt zou worden buitenshuis, zelfs wanneer het in huis wordt opgedischt; meer nog in het idee dat het gezin uitgaat om te eten en nog meer dat de individuen afzonderlijk uitgaan om te eten. De bijzondere smaak van verschillende personen door het “koken tehuis” ontwikkeld, kon wel eens de eigen bruine kleurschakeering van de ham, het naar eigen smaak gekruid vischschoteltje, het eigen biscuittrommeltje moeten ontbeeren.Dit bezwaar moet eerlijk in aanmerking genomen worden en gedeeltelijk worden toegestemd. Een menu, hoe ruim ook uitgedacht door beroeps-koks, zal toch nooit dat vrij spel aan persoonlijke eigenaardigheden bieden als de menu’s, bereid door de talrijke op zich zelf staande koks die ons nu bedienen. Er zal dan een veel grooter keus in bestanddeelen zijn, maar de bereidingswijze en bediening zullen niet zooveel verschil opleveren. Het verschil zal gelijk staan met dat, wanneer ieder man zijn eigen jas maakte of door zijn eigen vrouwelijke bedienden liet maken en wanneer hij zijn keuze deed uit een aantal in voorraad gemaakte jassen of er een bij een beroeps-kleermaker bestelde.In een geregelden, als beroep uitgeoefenden, voedingsdienst zou een goede algemeene regelmaat heerschen, en voor bepaalde gelegenheden zou het werk van specialiteiten dienst kunnen doen. Wij hebben dit reeds lang kunnen opmerken bij de aanhoudende toename van beroepsmatig bereid voedsel, van de goedkoope eetgelegenheden tot de deftige restaurants, van de gewone scheepsbeschuit tot de fijne wafel. Doch ook wanneer men het “tehuis koken” eens zijn beroepsmatig bereide toevoegsels ontneemt, zou het heel veel minder worden. Wij bedenken niet hoe ver wij reeds in die richting gegaan zijn en hoe snel wij verder gaan.Een van de belangrijkste gevolgen van een voortdurend algemeene goede voedingswijze zal zijn, dat de volkssmaak verbeterd wordt. Wij zullen daarmede de waardeering van wat inderdaad goed voedsel is aankweeken, veel beter dan dit door de dwalende en onberedeneerdezelf-toegevendheid van de eigen tafel kan geschieden. Onze eenige maatstaf voor smaak in gekookt voedsel is thans persoonlijke eetlust en luim. Dat wij van een schotel houden is voldoende om er onze volle instemming aan te schenken. Maar van iets te houden is niets anders dan aanpassingsvermogen. Natuur zoekt steeds het organisme naar de omgeving te wijzigen en wanneer het organisme zoo gewijzigd is geworden, zoo aan de omgeving passend is gemaakt, dan houdt het van de omgeving. Vroeger zeide men: “het past mij”, wat duidelijk de bedoeling weergeeft.Elke natie, elk volk, elk gezin, elk individu houdt bovenal van die dingen waaraan het gewoon is geworden. Waarvan het anders zou hebben gehouden, indien het dat andere gehad had, kan men nimmer weten; maar het langzaam doordringen van nieuwe smaken en gewoonten, het tegenstribbelend in gebruik nemen van aardappelen, tomaten, maïs en andere nieuwe groenten door de menschen in oude landen, bewijst dat het toch mogelijk is verandering te brengen in hetgeen men lust.Door de beperkte macht van het gezin om in de voeding te voorzien en zijn onbekwaamheid om het te bereiden en door onze overdreven voorkeur voor enkele zaken, zijn wij in het kleine veld van keuze zeer vasthoudend geworden. Wij vinden onze eigen manier van doen bij het koken het best en wij keuren de wijze van doen van onze buren af, zonder eenig hoogeren maatstaf voor kritiek te hebben dan onzen onontwikkelden smaak. Wanneer wij van onze jeugd af gewend worden aan wetenschappelijk en met kunst bereid voedsel, dan zullen wij later weten wat goed is en daarvan kunnen genieten, zooals wij ook goede muziek leeren waardeeren, door ze te hooren.Als wij een ruimer keus en beter bereid voedselhebben leeren waardeeren, dan zullen wij ook leeren eenvoudigheid in het koken op prijs te stellen. Onder ons tegenwoordig systeem kunnen de meeste menschen het niet zoover brengen. Wanneer het koken wordt afgescheiden van het gezin, dan zullen wij langzamerhand ophouden er aandoeningen aan vast te knoopen; wij zullen het dan onpersoonlijk leeren beoordeelen op wetenschappelijken en artistieken grondslag. Dit zal natuurlijk niet beletten dat sommige personen een bijzonderen smaak hebben, maar deze zullen dan weten dat zij bijzonder zijn en ook hun buren zullen het weten. Het zal ook niet beletten dat een vrouw, die er veel van houdt nu en dan het een of ander te koken, om zich zelf of haar vrienden te tracteeren, een klein kooktoestel binnen haar bereik houdt, evenals zij een naaimachine of een kleine draaibank kan bezitten.Met betrekking tot het buitenshuis nuttigen van het voedsel ondervinden wij nog sterker tegenkanting door het bezwaar van onvrijheid, en wij ontwaren een sterk uitgesproken, zelfs pijnlijken tegenzin als wij deze functie van het huiselijk leven willen scheiden. Samen te eten vormt natuurlijk een tijdelijken band. Om een middel tot gedachtewisseling tusschen ongelijke personen vast te stellen, moet een of ander gemeenschappelijke grondslag gevonden worden,—een ceremonie, een of ander spel, eenig vermaak,—iets wat zij te zamen kunnen doen. En indien de personen die met elkander in verbinding wenschen te komen geen andere gemeenschappelijke basis hebben dan deze lichamelijke functie,—welke inderdaad zoo gemeenschappelijk is, dat zij niet alleen het geheele menschdom, maar ook het geheele dierenrijk insluit,—laten zij die dan vooral aangrijpen. Bij gelegenheden van algemeen maatschappelijk vreugdebetoon, waarbij een of andere gebeurtenis van algemeenbelang gevierd wordt, zal een feestmaal altijd een natuurlijke en voldoening gevende instelling zijn.Voor den oorspronkelijken echtgenoot die vocht voor zijn beroep, de oorspronkelijke vrouw die huishoudwerk deed voor het hare, de oorspronkelijke kinderen die alleen in lichamelijke verwantschap tot hun ouders stonden, voor dezulken was de gemeenschappelijke tafel de eenige gemeenschappelijke band; en hun eenvoudig voedsel schonk het middel dat niemand kwetsen kon. Doch in de hoogere ontwikkeling van het moderne leven is de etenskwestie volstrekt niet het eenige punt van algemeen belang der leden van een gezin en in geen geval het beste. De liefste, teederste, heiligste herinneringen van het familieleven staan niet met de tafel in verband, ofschoon menige vroolijke en pleizierige herinnering daarmede vereenigd kan zijn. Doch bij vele gebeurtenissen van diep gevoel, hetzij van vreugde of van pijn, wordt het ongevoelig verzadigen van een heele groep, drie keer daags aan tafel, een ondragelijke inspanning. Indien een groote verscheidenheid van goed voedsel altijd te verkrijgen was, zou een gezin te zamen kunnen gaan feest vieren, wanneer het dat verkoos; of te zamen eenvoudig gaan eten, wanneer het dat wilde; en elk individu kon alleen gaan, wanneer hij niet met het heele gezelschap verkoos te eten. Men behoeft dit niet te dwingen of te verhaasten, doch zoodra er steeds voedsel in voorraad bestaat, dat gemakkelijk binnen ieders bereik is, behoeft de maag niet langer verplicht te worden als familieband dienst te doen.Men heeft beweerd dat de lagere dieren in hunne redeloosheid alleen eten en dat menschen het eten tot een gezamenlijke functie gemaakt en het daardoor verheven hebben. De verheffing is het moeilijkst te bewijzen, wanneer wij de ruwe gewoonten, ziekelijken smaak endoodelijke ziekten, de geveinsdheid en ongemanierde gulzigheid en onmatigheid der menschen waarnemen. De dieren mogen lager staan dan wij, omdat zij eenvoudig eten wat goed voor hen is wanneer zij honger hebben, maar hun doel dient het goed.Een van de gevolgen, voortspruitende uit het maken van het eten tot een gezamenlijke functie is, dat hoe nauwgezetter wij die socialiseering doorvoeren, des te meer behoefte wij hebben bij onze maaltijden aan een groot aantal vreemden, die van het onderling gesprek zijn uitgesloten,—personen, die niet mede-eten, niet mede-spreken en die zelfs niet door het knippen der oogleden mogen verraden, dat zij eenig belang in het gesprokene stellen,—die alleen de grove benoodigdheden voor de gelegenheid op een zuiver koopcontract leveren en toedienen. Zulk een tegenwoordigheid van vreemden moet en doet het gesprek op een bepaalde hoogte houden. In een gezin zonder dienstbode zijn vader en moeder beide te vermoeid van het werken om den maaltijd tot een sociabele functie te maken, terwijl in gezinnen met een dienstbode het gesprek tot op zekere hoogte beperkt wordt. De uitwerking van ons gezamenlijk eten, hetzij in gezinnen of in grooter groepen, is niet in elk opzicht goed. De vraag moet gesteld worden of wij niet, vooral in dit geval, onze levenswijze verbeteren kunnen.Wanneer de kookkunst zich ten volle kan ontwikkelen en uitgeoefend wordt door hen, die door aangeboren talent en geduldige studie geleerd hebben, hoe het best aan de behoeften van het lichaam te gemoet gekomen kan worden, door een smakelijke en geschikte samenvoeging van de voedingsbestanddeelen, dan zullen wij beginnen te begrijpen, wat het voedsel voor ons beduidt en op welke wijze het menschelijk lichaam in goedegezondheid en volle kracht moet opgebouwd worden. Een wereld van reine, sterke, schoone mannen en vrouwen, die weten wat zij eten en drinken moeten en het nemen wanneer het noodig is, zal ons een hooger en verhevener vorm van verbond te aanschouwen geven, dan die veel geprezen gemeenschappelijke tafelverbonden. De tevreden ruwheid van het heden, de volhardende zelfzucht van overigens verstandige menschen, de vetheid en luiheid en zwakheid, de heele reeks digestie-stoornissen en het gebruik van velerlei kruiderijen, al deze ziekelijke verschijnselen zijn meerendeels toe te schrijven aan de abnormale aandacht aan het eten en koken geschonken en die zullen blijven bestaan, zoolang het eten als een familie-functie beschouwd blijft. Zoodra wij het eten en koken uit deze valsche verhouding hebben losgemaakt, door onze sexueel-economische verhouding te verbreken, zullen wij de natuurkrachten een kans geven hun eigen reinen weg in ons te volgen en ons beter te maken.Men vreest dat het private leven te huis bedreigd wordt door de invoering van beroeps-schoonmakers. Maar wij zullen zien dat een huis zonder keuken veel minder behoeft te worden schoongemaakt en dat het dagelijks in orde brengen van iemands eigen kamer heel gemakkelijk, door ieder die het doen wil, zelf kan geschieden. Velen wenschen zoo van harte, dat hun eigen kamer, hun persoonlijk verblijf, nooit anders dan door hun dierbaarste vrienden, hun naaste betrekkingen betreden wordt. Zoo ’n ideaal van privaat leven mag dwaas schijnen aan hen, die nu tevreden de ruwe openbaarheid van onze tegenwoordige levenswijze aannemen. Van alle bekende tegenstrijdigheden is er geen zoo ongerijmd dan ons te hooren pochen op ons “vrij zijn te huis”, en dat in een plaats waar wij volgaarne tot onze tafelgesprekken en onze kamerdiensten toelaten,—ja, tot het opmakenvan onze bedden en het hanteeren van onze kleedingstukken,—een volslagen vreemdeling, vreemdeling niet alleen door de nieuwe kennismaking of om het verkeerde begrip dat vreemde oogen zich onvermijdelijk van onze eigenaardigheden vormen, maar vreemdeling door geboorte, door opvoeding,—iemand die ons nooit geheel begrijpen kan.Ieder onzer die het betalen kan neemt zoo’n vreemdeling in huis, één of meer op eens en velen in opvolging. Indien wij, even als de barbaarsche koningen deden in de oude en bloedige zeeroover-geschiedenissen, hun tongen uitsneden, zoodat zij niets konden navertellen, dan nog zou het een vervelende indringerij blijven. Maar zooals zij nu zijn, met oogen om te zien, ooren om te hooren en tongen om te spreken, en geen andere belangen dan de onze om hun geest bezig te houden en met de wraaknemende uitvallen, volgende op het gedwongen stilzwijgen van hen die niet mogen “tegenspreken”; met dit opmerkzame en oververtellend leger, gehuisvest in den schoot der familie, moeten wij toch bitter glimlachen over ons dwaas ideaal van “het vrij zijn te huis.”Het vlugge werk van menschen die van beroep vegen, stoffen en schrobben en ontboden kunnen worden waar en wanneer wij ze in de kamers noodig hebben, is in elk geval niet zoo kwetsend voor het intieme leven als de tegenwoordige wijze van doen. De afschaffing van dienstboden en het optreden der vrouw op een maatschappelijk en voor haar persoon belangrijker gebied, zal in de wereld een nieuw begrip van de heiligheid van het huiselijk leven vestigen, de rechten van het individu in dezen doen gevoelen, zooals tot nu toe onbekend was.Nauw verwant aan het schoonmaak-vraagstuk is het inrichten en het meubileeren van de woning. De economisch afhankelijke vrouw, alle energie in haarkleine kooi verkwistende, stort een verwarde massa in die kleine ruimte uit, evenals een groote plant een hoop wortelen uitzendt in een kleinen pot. Zij heeft haar beperkte woning met een onbeperkt aantal dingen overvuld, nuttige en nuttelooze, sierlijke en smakelooze, gemakkelijke en ongemakkelijke zaken, en tot haar levenstaak behoort, deze zaken te bewaken en in orde te houden.De vrije vrouw, die zich geheel kan uiten in haar economische werkzaamheden en haar maatschappelijke positie, voelt zich niet gedrongen haar ziel uit te storten in antimacassars en photographiestandaards. Haar huis zal haar plaats van rust en niet van rustelooze bezigheid zijn, en zij zal inzien dat eenvoudigheid ten slotte het aangenaamst is. Hiervan zullen beterhygiënischevoorwaarden in de woningen en meer schoonheid en minder werk het gevolg zijn. De nieuwe omstandigheden, waardoor de waarde van het huiselijke leven verhoogd en het schoonheidsgevoel ontwikkeld zal worden, zullen het inwendige van onze woningen een beschaafder en liefelijker aanzien geven, en ze zullen zonder overmatige inspanning van den eigenaar in orde te houden zijn.Buiten en behalve deze betrekkelijk uiterlijke omstandigheden, ondervindt het gezin door de sexueel-economische verhouding geestelijke gevolgen, die niet allen een gunstigen invloed op onze ontwikkeling uitoefenen. Een van die gevolgen toont duidelijk op welke wijze de druk van deze verhouding werkt. Het private leven in onze huizen is een privaat leven van het gezin, een vereenigd privaat leven; dit verzekert ons niet,—integendeel werkt tegen,—het individueel privaat leven. Dit is een ander van de nog bestaande rudimenten van een levenswijze uit tijden die wij reeds lang ontgroeid zijn en die gehandhaafd blijven door het zorgvuldigbewaren van de primitieve gewoonten in den onveranderden toestand der vrouwen. In zeer vroege tijden kon een ruw en onverschillig volk in groote groepen in een kleine tent te zamen huizen, zonder ernstig ongerief of nadeel te ondervinden. De gevolgen van zulk groepeeren op moderne menschen kan men waarnemen in sommige wijken van groote steden, waar blokken huizen bij kamers verhuurd worden; zij zijn bepaald van demoraliseerenden aard.De menschelijke wezens gaan voort zich hoe langer hoe meer door kleine verschillen van elkander te onderscheiden, waardoor een eigen tehuis, of ten minste een eigen kamer voor elk individu een vereischte wordt. Deze behoefte wordt voor een deel in het familie-leven erkend en voor zoo ver de beurs het toelaat, wordt er aan te gemoet gekomen; maar voor de groote meerderheid der bevolking is dit een onmogelijkheid. Voor vrouwen in het bijzonder is de weelde van een eigen kameralleen voor de rijken weggelegd. Zelfs waar door den druk der maatschappelijke ontwikkeling voor een deel in deze behoefte voorzien wordt, daar werkt de druk van het familieleven haar aanhoudend tegen. Het tehuis is de eenige plaats op aarde waar niemand derfamilieledenware afzondering kan genieten. Een gezin is een ruwe samenvoeging van personen, verschillend in leeftijd, grootte, geslacht en karakter, die door geslachts-banden en economische behoeften te zamen gehouden worden; en de liefde die tusschen de verschillende familieleden bestaan moest, wordt door dien economischen druk niet vermeerderd, doch eerder verminderd. Een door economische krachten onderhouden liefde, is trouwens de soort niet welke de menschheid het meest noodig heeft.Elke neiging om zich tegenwoordig aan de oude sleurte onttrekken en een eigen leven te leiden, te leven naar eigen opvatting, wordt sterk tegengewerkt en door andere familieleden kwalijk genomen. Dit hindert de vrouwen meer dan de mannen, omdat de mannen zeer weinig te huis en zeer veel in de wereld leven. De man heeft zijn individueel leven, zijn persoonlijke uiting met de daaraan verbonden rechten, zijn kantoor, studeerkamer of werkplaats; de vrouwen en kinderen leven te huis, omdat zij moeten. Men beschouwt het van een vrouw slecht als zij elders veel tijd wenscht te besteden, en de kinderen laat men geen keuze. De historische neiging der vrouwen om “op straat te slenteren”; en van de kinderen om van huis te loopen, of om steeds ergens anders dan te huis te willen spelen; de onophoudelijke, nuttelooze, goed gemeende pogingen om “de jongens tehuis te houden”, deze feiten, saam genomen met de bepaalde hoeveelheid tijd die de man buitenshuis doorbrengt, vormen een vreemd commentaar op ons gewillig geloof dat wij “tehuis” leven en het prettig vinden. En toch binden de banden van tehuis ons met een zachten druk, dien slechts weinigen kunnen weerstaan. Wie weerstand bieden en het doorzetten volgens eigen opvatting te leven, betalen dit met verlatenheid en ontbering; zij moeten zooveel van hun dagelijksche comfort en genegenheid opofferen, dat vele anderen er door teruggeschrikt worden hun voorbeeld te volgen.Er bestaat geen enkele reden waarom deze pijnlijke keuze ons opgelegd behoeft te worden, geen reden waarom het huiselijk leven niet zoo ingericht kan worden, dat veroorloofd, ja, dat bevorderd zou worden, de hoogste ontwikkeling zijner persoonlijkheid te bereiken. Wij hebben behoefte aan het gezelschap van menschen die wij lief hebben, aan hun liefde en omgang. Dit zal bestaanblijven. Maar de gelegenheid om te koken en te eten, zooals in onze technisch onontwikkelde huizen, met alle daarmede samenhangende gebreken, is daarvoor niet noodzakelijk en behoeft niet te blijven.Wij houden het er meestal voor dat de woning, zooals zij nu is ingericht, voor ons het beste is. Wij verbeelden ons daar hooger opvattingen, edeler aandoeningen op te doen, daar onderricht te worden hoe wij moeten leven. De waarheid aan deze volksmeening ten grondslag liggende is, dat de liefde van de moeder voor het kind de basis vormt van alle hoogere wederkeerige liefde. Maar men vergeet dat achter moederliefde de krachtige aandrift tot geslachts-liefde, de zich te buiten gaande kracht van den geslachtslust ligt. De familie-verhoudingen die daarvan een gevolg zijn, staan niet zoo hoog als onze breeder, dieper, maatschappelijke verhoudingen.Voor het behoud van ons individueel leven hebben wij behoefte aan huiselijke geriefelijkheden. Het dragen en verdragen van het huiselijk leven, met zijn heerschenden en onophoudelijken invloed van den conservatieven geest der vrouw, houdt den onregelmatig snellen aandrang der mannelijke energie zeer goed in toom. Zoolang de wereld duurt zullen wij niet alleen aan individueele woningen behoefte hebben, maar ook aan het familieleven; een gemeenschappelijke scheede voor de onontloken blaadjes van elken nieuwen tak, bijeengehouden aan den ouderlijken stam, vóórdat zij ten slotte uiteen vallen.Stemmen wij dit alles toe, dan blijft nog te bestrijden de steeds toenemende slechte uitwerking, niet van het huiselijk leven als zoodanig, maar van de soort van huiselijk leven, welke op de sexueel-economische verhouding gegrondvest is. In een gezin, waarin de terecht overheerschende vrouwelijke energie op een primitieve ontwikkelingshoogte wordtgehouden, en de vrouw de vrije deelname aan de snelle, breede, voorwaartsche beweging der wereld wordt ontzegd, ondervinden al de leden den invloed daarvan. Waar de buitengewone behoefte om dingen te ontvangen zonder er iets voor terug te geven, in de eene sekse wordt bevorderd en de woeste begeerte om zooveel mogelijk te verkrijgen in de andere sekse zorgvuldig wordt aangekweekt, daar ondervindt het kind dezen invloed onophoudelijk en groeit op in het denkbeeld, dat het leven slechts bestaat in het hebben van eten en het verkrijgen van geld om er voor te betalen, en dat men alleen werkt om voedsel van den leverancier te huis te krijgen, het te koken en op te disschen. Dat zijn de op den voorgrond tredende handelingen in het huiselijk leven, zooals wij het geregeld hebben. De zorg waarin wij ons leven doorbrengen, de zaken die ons hinderen en kwellen, zijn zaken die wij reeds lang en lang geleden ontgroeid moesten zijn, indien het menschdom geregeld vooruitgegaan was. De man is vooruitgegaan, maar de vrouw bleef achter. Door erfelijkheid gaat zij vooruit, door ondervinding komt zij achteraan; altijd teruggeduwd tot een economischen graad van veleduizendenjaren geleden.Indien een man van den tegenwoordigen tijd met al zijn verstand en energie en hulpmiddelen gedwongen werd zijn levensdagen te slijten, jagend met pijl en boog, visschend met gepunte beensperen, hongerig wachtend bij zijn vallen en strikken, in de hoop een prooi te bemachtigen, zou hij op zijn vrouw en kinderen niet den verheffenden invloed van den waren mannenaard uit onzen tijd kunnen hebben. Zelfs wanneer hij hooger onderwijs genoten had, zelfs wanneer hij vele boeken te lezen had (en tijd had ze te lezen) en verheffenden omgang met anderen, dan nog zouden de economischebeslommeringenvan zijn leven, de aanhoudendedagelijksche druk van hetgeen hij voor zijn onderhoud te doen had, den groei van hoogere gaven belemmeren. Wanneer alle mannen tot nu toe jagers geweest waren dag in dag uit, zou de wereld nog woest en wild zijn. Omdat alle vrouwen steeds, dag in dag uit, dienstboden voor het gezin geweest zijn, leven zij nog in slaafschen toestand.Een huiselijk leven met een afhankelijke moeder en een dienstbode-echtgenoote is geen veredelende macht. Dat gevoelen wij allen nu en dan. De man, met den grooten vooruitgang der wereld zich ontwikkelende en ontplooiende, voelt zich tehuis door de domme gesprekken, het kleingeestig gekibbel en de dwaze en achterlijke begrippen klaarblijkelijk omlaag gaan. Het is daar behagelijk, bevredigend voor het gevoel, warm en zacht en mooi en geschikt gemaakt voor de behoeften van het zwakker en kleiner wezen dat gedwongen is er te verblijven. Het wordt zelfs als een deugd van den man aangemerkt, wanneer hij veel te huis is en het ter wille van zijn pantoffels en couranten, zijn haardvuur en avondmaal, zijn springveeren bed en schoon ondergoed boven andere plaatsen verkiest.Het kwaad schuilt ook niet in de liefde voor het tehuis en het er zooveel mogelijk vertoeven, maar in de soort van woning en in de soort van vrouwen die er gekweekt worden en in den graad van technische ontwikkeling die er heerscht. Wanneer men de richting van den tegenwoordigen vooruitgang volgt, behoeft men geen profeet te zijn om te zien waarheen ons huiselijk leven leidt. Van het hol en de tent en de hut tot een goed verdeeld huis, waarvan elk lid van het gezin zooveel ruimte voor zich alleen krijgt als verschaft kan worden; van de barsche heerschappij van den almachtigen patriarch met zijn stille, slaafsche vrouwen en babbelende kinderen,tot de betrekkelijke vrijheid, gelijkheid en geheel verschillende levenswijze van de leden uit een hedendaagsch beschaafd gezin; van den laagsten graad van nijverheid in het kamp der wilden, waar alles te zamen gekookt werd in denzelfden pot door éénzelfden persoon,—zonder zindelijkheid, zonder overleg, zonder toewijding,—tot de millioenen zeer verschillende handen die het gezin tegenwoordig op duizendvoudige wijze bedienen, hebben de man en de fabriek alles gedaan; de vrouw ging alleen buitenshuis om inkoopen te doen en stond binnenshuis op de nederigste plaats.Men lette op het nog belangrijker en opmerkelijker feit, dat waar in het historisch begin niets anders dan de woonplaats voor het gezin bestond, langzaam, met onze ontwikkeling ook de woning voor het individu zich ontwikkelde. De eerste verder gaande beweging van het maatschappelijk leven zal een vrijer dagelijksch verkeer onder de bevolking zijn. Langs rivieren en zeeën, van kano tot stoomboot; langs paden en wegen, van omnibus tot spoortrein; steeds sneller en vrijer, verder en vaker, stroomden de individueele menschelijke wezens naar buiten en mengden zich in het vrije maatschappelijk leven. In het begin was gastvrijheid de eenige toevlucht van den reiziger, het recht van den vreemdeling; maar door het toenemend verkeer ontstond—uit noodzakelijkheid—het organisch maaksel, de tijdelijke individueele woning, waardoor het reizen gemakkelijker werd. Van de meest oorspronkelijk karavansera tot onze hotels van eenige vierkante mijlen vloerruimte, heeft de herberg meer in de behoeften der sociale evolutie voorzien, dan ooit eenig eigen huis kon doen.Voor mannen, tot dusver de eenige volkomen ontwikkelde menschelijke wezens van hun tijd, was de gehuurde kamer de tijdelijke woning voor dat gedeelte van hunleven, waarin zij het eene gezin verlaten en nog geen ander gezin gevormd hadden. Voor de vrouw staat deze mogelijkheid thans ook open. Meer en meer matigen zich thans ook de vrouwen aan een woning, zelfs zonder een gezin, te hebben. Ook de familiewoning ondergaat meer en meer den invloed van den vooruitgang. Vroeger bleef men in hetzelfde huis wonen, soms vele geslachten lang. Thans veranderen wij herhaaldelijk, zelfs met groote gezinnen; veranderen wel is waar dikwijls tegen onzen zin en ten koste van vele huishoudelijke goederen, maar niettemin veranderen wij en moeten veranderen onder toenemende verbittering tegen de onhoudbare toestanden. En hieruit is ontstaan en heeft groote afmetingen aangenomen, dat ontzettend verschijnsel van onzen tijd “het familie-hotel.”Men overwege dit eens. Eerst de herberg, eens de eenige reddende toevlucht voor vermoeide reizigers. De vermoeide reiziger bemerkte evenwel reeds spoedig het verschil tusschen zijn individueele vrijheid dáár en zijn beperkingen tehuis en was gaarne bereid “zijn gemak in de herberg te zoeken.” Thans is de tijdelijke rustplaats voor ongehuwde mannen van voorheen een vaste woonplaats voor gezinnen geworden. Niet uit financieële noodzakelijkheid. Zij worden bewoond door menschen die geld genoeg hebben om een huis te bewonen. Die menschen begeeren echter geen eigen woning. Zij zijn vermoeid van het huishouden. Het is zoo moeilijk een huishouding te voeren, de dienstbodenkwestie is zoo lastig. De gezondheid van de vrouwen laat niet toe dat zij zich met huishoudelijke werkzaamheden vermoeien. Dit zijn de aangevoerde redenen.Maar onder deze vage begrippen en uitdrukkingen ligt hijgend en onrustig een langzaam stijgende maatschappelijke vloed. De oorspronkelijke woning, gebaseerdop de economische afhankelijkheid der vrouw met haar ongeorganiseerde werkzaamheden, haar slaafschen arbeid, haar verdoovenden invloed op individueele ontwikkeling, wordt met den dag onbruikbaarder voor de hedendaagsche mannen en vrouwen. Natuurlijk keeren zij er telkens uit noodzakelijkheid in terug, zoo lang verondersteld wordt dat huwelijk en kinderen baren een eigen woning vereischt; zoo lang onze diepste gevoelens en vroegste herinneringen er zoo nauw mede verbonden zijn. Maar door haar praktische gevolgen, die steeds sterker door de beurs van den man en de krachten van de vrouw gevoeld worden, zal de woning snel verdwijnen.Wij hebben dezen toestand zien aankomen en zijn ontstaan aan allerlei oorzaken, behalve aan de werkelijke, toegeschreven. Wij hebben het de mannen kwalijk genomen dat zij niet even als vroeger tehuis bleven. Wij hebben de vrouwen gelaakt omdat zij niet even goede huishoudsters zijn als vroeger. Wij hebben de kinderen berispt over hunne ontevredenheid, de dienstboden over hunne onbekwaamheid, de steenen en de kalkbak over hun slechte constructie. Maar wij hebben er nooit aan gedacht, de schuld op de instelling zelf te werpen en getracht die te verbeteren.In de verre Westersche prairiën, en overal in afgelegen boerenhofsteden, worden de hedendaagsche vrouwen, die men opgesloten houdt in hun beperkte woningen, bij velen tegelijk gek! Onze krankzinnigengestichten bevatten ook een grooter aantal krankzinnige vrouwen uit den boerenstand dan uit een andere klasse. In de steden, waar men minder tehuis leeft, schijnen de vrouwen het beter te verdragen. Daar is meer afleiding, zeggen de mannen en zij zoeken die. Daar heerscht meer vroolijkheid, amusement, afwisseling, zeggen de vrouwen en zij zoeken die. Doch in werkelijkheid voelt men de grootermaatschappelijke belangen en den drang van andere invloeden dan van den huiselijken kring.Velen vreezen den loop der dingen en wagen ijdele pogingen om hem tegen te houden. Er bestaat echter geen reden om angstig te zijn. Wij zullen onze woningen en onze gezinnen niet verliezen, noch iets van het geluk en het liefelijke dat er mede gepaard gaat. Maar wij zullen onze keukens verliezen, evenals wij onze wasscherij en bakkerij verloren hebben. De kookkachel zal het spinnewiel en het weefgetouw, de wolkaarde en de wolschaar volgen. Onze woningen zullen plaatsen worden om in te leven en te lieven, te rusten en te spelen, om alleen te zijn en om samen te zijn; en zij zullen niet langer verward en verlaagd worden door bijmenging van eenigen tak van nijverheid, welken dan ook.In zulke woningen zal in het familieleven een beschaafde, goede geest heerschen en de zorgen en arbeid die nu de rust daar bederven, zullen buitenshuis op een hooger arbeidsveld overgebracht kunnen worden. De verhouding van vrouw tot man en van moeder tot kind zal door deze uiterlijke verandering verbetering ondergaan. Al de persoonlijke familieverhoudingen zullen dan tot een zuiverder en voller groei komen.In de langdurige onderwerping der vrouw is niets zoo pijnlijk als het gevoel, dat de verlaging van het moederschap veroorzaakt wordt door dezelfde omstandigheden, die verondersteld werden deel er van uit te maken. Wij zien hoe de moeder steeds verlangt met haar kind te zijn, het altijd te kunnen helpen en dan moet zij ervaren, dat het kind met elk jaar meer van haar vervreemdt, dat het dingen leert die zij nooit mocht leeren, dingen doet die zij nooit mocht doen, alleen de wereld ingaat,—zijn wereld, doch niet de hare—en hard is het, het kind “te dragen, te verzorgen, te zoogen, te beminnenen dan te verliezen”, niet door de natuurlijke scheiding van groei en persoonlijk uiteenloopen, maar door de onnatuurlijke scheiding van valsch verdeelde klassen, de onontwikkelde vrouwen naast de steeds hooger ontwikkelde mannen. Dat is de kloof, gevormd nog vóór dat de jongen tien jaar oud is en die met elk jaar breeder wordt.Een economisch vrije moeder, een wereld-dienares in plaats van een dienstbode voor het gezin; een moeder die de wereld kent en er in leeft, kan voor haar kinderen veel meer zijn, dan ooit te voren mogelijk was. Het moederschap toegepast op de wereld, zal van die wereld een geschikter plaats voor het kind maken.

Als zelfbewuste schepselen, die gemakkelijk in de dwaling verkeeren de gewaarwording voor het feit te houden, in wier bewustzijn de gewaarwording inderdaad het feit is,—er wordt een dieper doordenken vereischt om de gewaarwording uit het feit af te leiden,—zijn wij er niet erg om te berispen dat wij zooveel gewicht aan gevoel en aandoening hechten. Misschien zullen wij in het licht der koude redeneering toestemmen dat het huis niet de geschikte plaats is voor zooveel werk en dat de echtgenoote en moeder niet de aangewezen persoon is om het te verrichten. Deze verstandige meening verandert evenwel op geenerlei wijze ons gevoel over dit onderwerp. Dit gevoel, diep ingeworteld en overprikkeld, bedekt met een dikke laag het geheele veld van huiselijk leven. Niet wat wij er van denken (want wij hebben er nooit veel over na gedacht), maar wat wij er van voelen, stelt in dezen de som van onze meeningen vast. Vele zijn ware, rechtmatige, gewettigde gevoelens. Sommige zijn domme ongerijmdheden, niets anders dan reliquien uit lang vervlogen tijden, waarvan wij ons langzaam zullen ontdoen, zoodra wij wijzer worden.

Men denke bijvoorbeeld eens na over het reeds lang bestaand geloof aan het “vrij zijn in eigen huis”. Er ligt voor velen iets terugstootends in het denkbeeld dat het voedsel gekookt zou worden buitenshuis, zelfs wanneer het in huis wordt opgedischt; meer nog in het idee dat het gezin uitgaat om te eten en nog meer dat de individuen afzonderlijk uitgaan om te eten. De bijzondere smaak van verschillende personen door het “koken tehuis” ontwikkeld, kon wel eens de eigen bruine kleurschakeering van de ham, het naar eigen smaak gekruid vischschoteltje, het eigen biscuittrommeltje moeten ontbeeren.

Dit bezwaar moet eerlijk in aanmerking genomen worden en gedeeltelijk worden toegestemd. Een menu, hoe ruim ook uitgedacht door beroeps-koks, zal toch nooit dat vrij spel aan persoonlijke eigenaardigheden bieden als de menu’s, bereid door de talrijke op zich zelf staande koks die ons nu bedienen. Er zal dan een veel grooter keus in bestanddeelen zijn, maar de bereidingswijze en bediening zullen niet zooveel verschil opleveren. Het verschil zal gelijk staan met dat, wanneer ieder man zijn eigen jas maakte of door zijn eigen vrouwelijke bedienden liet maken en wanneer hij zijn keuze deed uit een aantal in voorraad gemaakte jassen of er een bij een beroeps-kleermaker bestelde.

In een geregelden, als beroep uitgeoefenden, voedingsdienst zou een goede algemeene regelmaat heerschen, en voor bepaalde gelegenheden zou het werk van specialiteiten dienst kunnen doen. Wij hebben dit reeds lang kunnen opmerken bij de aanhoudende toename van beroepsmatig bereid voedsel, van de goedkoope eetgelegenheden tot de deftige restaurants, van de gewone scheepsbeschuit tot de fijne wafel. Doch ook wanneer men het “tehuis koken” eens zijn beroepsmatig bereide toevoegsels ontneemt, zou het heel veel minder worden. Wij bedenken niet hoe ver wij reeds in die richting gegaan zijn en hoe snel wij verder gaan.

Een van de belangrijkste gevolgen van een voortdurend algemeene goede voedingswijze zal zijn, dat de volkssmaak verbeterd wordt. Wij zullen daarmede de waardeering van wat inderdaad goed voedsel is aankweeken, veel beter dan dit door de dwalende en onberedeneerdezelf-toegevendheid van de eigen tafel kan geschieden. Onze eenige maatstaf voor smaak in gekookt voedsel is thans persoonlijke eetlust en luim. Dat wij van een schotel houden is voldoende om er onze volle instemming aan te schenken. Maar van iets te houden is niets anders dan aanpassingsvermogen. Natuur zoekt steeds het organisme naar de omgeving te wijzigen en wanneer het organisme zoo gewijzigd is geworden, zoo aan de omgeving passend is gemaakt, dan houdt het van de omgeving. Vroeger zeide men: “het past mij”, wat duidelijk de bedoeling weergeeft.

Elke natie, elk volk, elk gezin, elk individu houdt bovenal van die dingen waaraan het gewoon is geworden. Waarvan het anders zou hebben gehouden, indien het dat andere gehad had, kan men nimmer weten; maar het langzaam doordringen van nieuwe smaken en gewoonten, het tegenstribbelend in gebruik nemen van aardappelen, tomaten, maïs en andere nieuwe groenten door de menschen in oude landen, bewijst dat het toch mogelijk is verandering te brengen in hetgeen men lust.

Door de beperkte macht van het gezin om in de voeding te voorzien en zijn onbekwaamheid om het te bereiden en door onze overdreven voorkeur voor enkele zaken, zijn wij in het kleine veld van keuze zeer vasthoudend geworden. Wij vinden onze eigen manier van doen bij het koken het best en wij keuren de wijze van doen van onze buren af, zonder eenig hoogeren maatstaf voor kritiek te hebben dan onzen onontwikkelden smaak. Wanneer wij van onze jeugd af gewend worden aan wetenschappelijk en met kunst bereid voedsel, dan zullen wij later weten wat goed is en daarvan kunnen genieten, zooals wij ook goede muziek leeren waardeeren, door ze te hooren.

Als wij een ruimer keus en beter bereid voedselhebben leeren waardeeren, dan zullen wij ook leeren eenvoudigheid in het koken op prijs te stellen. Onder ons tegenwoordig systeem kunnen de meeste menschen het niet zoover brengen. Wanneer het koken wordt afgescheiden van het gezin, dan zullen wij langzamerhand ophouden er aandoeningen aan vast te knoopen; wij zullen het dan onpersoonlijk leeren beoordeelen op wetenschappelijken en artistieken grondslag. Dit zal natuurlijk niet beletten dat sommige personen een bijzonderen smaak hebben, maar deze zullen dan weten dat zij bijzonder zijn en ook hun buren zullen het weten. Het zal ook niet beletten dat een vrouw, die er veel van houdt nu en dan het een of ander te koken, om zich zelf of haar vrienden te tracteeren, een klein kooktoestel binnen haar bereik houdt, evenals zij een naaimachine of een kleine draaibank kan bezitten.

Met betrekking tot het buitenshuis nuttigen van het voedsel ondervinden wij nog sterker tegenkanting door het bezwaar van onvrijheid, en wij ontwaren een sterk uitgesproken, zelfs pijnlijken tegenzin als wij deze functie van het huiselijk leven willen scheiden. Samen te eten vormt natuurlijk een tijdelijken band. Om een middel tot gedachtewisseling tusschen ongelijke personen vast te stellen, moet een of ander gemeenschappelijke grondslag gevonden worden,—een ceremonie, een of ander spel, eenig vermaak,—iets wat zij te zamen kunnen doen. En indien de personen die met elkander in verbinding wenschen te komen geen andere gemeenschappelijke basis hebben dan deze lichamelijke functie,—welke inderdaad zoo gemeenschappelijk is, dat zij niet alleen het geheele menschdom, maar ook het geheele dierenrijk insluit,—laten zij die dan vooral aangrijpen. Bij gelegenheden van algemeen maatschappelijk vreugdebetoon, waarbij een of andere gebeurtenis van algemeenbelang gevierd wordt, zal een feestmaal altijd een natuurlijke en voldoening gevende instelling zijn.

Voor den oorspronkelijken echtgenoot die vocht voor zijn beroep, de oorspronkelijke vrouw die huishoudwerk deed voor het hare, de oorspronkelijke kinderen die alleen in lichamelijke verwantschap tot hun ouders stonden, voor dezulken was de gemeenschappelijke tafel de eenige gemeenschappelijke band; en hun eenvoudig voedsel schonk het middel dat niemand kwetsen kon. Doch in de hoogere ontwikkeling van het moderne leven is de etenskwestie volstrekt niet het eenige punt van algemeen belang der leden van een gezin en in geen geval het beste. De liefste, teederste, heiligste herinneringen van het familieleven staan niet met de tafel in verband, ofschoon menige vroolijke en pleizierige herinnering daarmede vereenigd kan zijn. Doch bij vele gebeurtenissen van diep gevoel, hetzij van vreugde of van pijn, wordt het ongevoelig verzadigen van een heele groep, drie keer daags aan tafel, een ondragelijke inspanning. Indien een groote verscheidenheid van goed voedsel altijd te verkrijgen was, zou een gezin te zamen kunnen gaan feest vieren, wanneer het dat verkoos; of te zamen eenvoudig gaan eten, wanneer het dat wilde; en elk individu kon alleen gaan, wanneer hij niet met het heele gezelschap verkoos te eten. Men behoeft dit niet te dwingen of te verhaasten, doch zoodra er steeds voedsel in voorraad bestaat, dat gemakkelijk binnen ieders bereik is, behoeft de maag niet langer verplicht te worden als familieband dienst te doen.

Men heeft beweerd dat de lagere dieren in hunne redeloosheid alleen eten en dat menschen het eten tot een gezamenlijke functie gemaakt en het daardoor verheven hebben. De verheffing is het moeilijkst te bewijzen, wanneer wij de ruwe gewoonten, ziekelijken smaak endoodelijke ziekten, de geveinsdheid en ongemanierde gulzigheid en onmatigheid der menschen waarnemen. De dieren mogen lager staan dan wij, omdat zij eenvoudig eten wat goed voor hen is wanneer zij honger hebben, maar hun doel dient het goed.

Een van de gevolgen, voortspruitende uit het maken van het eten tot een gezamenlijke functie is, dat hoe nauwgezetter wij die socialiseering doorvoeren, des te meer behoefte wij hebben bij onze maaltijden aan een groot aantal vreemden, die van het onderling gesprek zijn uitgesloten,—personen, die niet mede-eten, niet mede-spreken en die zelfs niet door het knippen der oogleden mogen verraden, dat zij eenig belang in het gesprokene stellen,—die alleen de grove benoodigdheden voor de gelegenheid op een zuiver koopcontract leveren en toedienen. Zulk een tegenwoordigheid van vreemden moet en doet het gesprek op een bepaalde hoogte houden. In een gezin zonder dienstbode zijn vader en moeder beide te vermoeid van het werken om den maaltijd tot een sociabele functie te maken, terwijl in gezinnen met een dienstbode het gesprek tot op zekere hoogte beperkt wordt. De uitwerking van ons gezamenlijk eten, hetzij in gezinnen of in grooter groepen, is niet in elk opzicht goed. De vraag moet gesteld worden of wij niet, vooral in dit geval, onze levenswijze verbeteren kunnen.

Wanneer de kookkunst zich ten volle kan ontwikkelen en uitgeoefend wordt door hen, die door aangeboren talent en geduldige studie geleerd hebben, hoe het best aan de behoeften van het lichaam te gemoet gekomen kan worden, door een smakelijke en geschikte samenvoeging van de voedingsbestanddeelen, dan zullen wij beginnen te begrijpen, wat het voedsel voor ons beduidt en op welke wijze het menschelijk lichaam in goedegezondheid en volle kracht moet opgebouwd worden. Een wereld van reine, sterke, schoone mannen en vrouwen, die weten wat zij eten en drinken moeten en het nemen wanneer het noodig is, zal ons een hooger en verhevener vorm van verbond te aanschouwen geven, dan die veel geprezen gemeenschappelijke tafelverbonden. De tevreden ruwheid van het heden, de volhardende zelfzucht van overigens verstandige menschen, de vetheid en luiheid en zwakheid, de heele reeks digestie-stoornissen en het gebruik van velerlei kruiderijen, al deze ziekelijke verschijnselen zijn meerendeels toe te schrijven aan de abnormale aandacht aan het eten en koken geschonken en die zullen blijven bestaan, zoolang het eten als een familie-functie beschouwd blijft. Zoodra wij het eten en koken uit deze valsche verhouding hebben losgemaakt, door onze sexueel-economische verhouding te verbreken, zullen wij de natuurkrachten een kans geven hun eigen reinen weg in ons te volgen en ons beter te maken.

Men vreest dat het private leven te huis bedreigd wordt door de invoering van beroeps-schoonmakers. Maar wij zullen zien dat een huis zonder keuken veel minder behoeft te worden schoongemaakt en dat het dagelijks in orde brengen van iemands eigen kamer heel gemakkelijk, door ieder die het doen wil, zelf kan geschieden. Velen wenschen zoo van harte, dat hun eigen kamer, hun persoonlijk verblijf, nooit anders dan door hun dierbaarste vrienden, hun naaste betrekkingen betreden wordt. Zoo ’n ideaal van privaat leven mag dwaas schijnen aan hen, die nu tevreden de ruwe openbaarheid van onze tegenwoordige levenswijze aannemen. Van alle bekende tegenstrijdigheden is er geen zoo ongerijmd dan ons te hooren pochen op ons “vrij zijn te huis”, en dat in een plaats waar wij volgaarne tot onze tafelgesprekken en onze kamerdiensten toelaten,—ja, tot het opmakenvan onze bedden en het hanteeren van onze kleedingstukken,—een volslagen vreemdeling, vreemdeling niet alleen door de nieuwe kennismaking of om het verkeerde begrip dat vreemde oogen zich onvermijdelijk van onze eigenaardigheden vormen, maar vreemdeling door geboorte, door opvoeding,—iemand die ons nooit geheel begrijpen kan.

Ieder onzer die het betalen kan neemt zoo’n vreemdeling in huis, één of meer op eens en velen in opvolging. Indien wij, even als de barbaarsche koningen deden in de oude en bloedige zeeroover-geschiedenissen, hun tongen uitsneden, zoodat zij niets konden navertellen, dan nog zou het een vervelende indringerij blijven. Maar zooals zij nu zijn, met oogen om te zien, ooren om te hooren en tongen om te spreken, en geen andere belangen dan de onze om hun geest bezig te houden en met de wraaknemende uitvallen, volgende op het gedwongen stilzwijgen van hen die niet mogen “tegenspreken”; met dit opmerkzame en oververtellend leger, gehuisvest in den schoot der familie, moeten wij toch bitter glimlachen over ons dwaas ideaal van “het vrij zijn te huis.”

Het vlugge werk van menschen die van beroep vegen, stoffen en schrobben en ontboden kunnen worden waar en wanneer wij ze in de kamers noodig hebben, is in elk geval niet zoo kwetsend voor het intieme leven als de tegenwoordige wijze van doen. De afschaffing van dienstboden en het optreden der vrouw op een maatschappelijk en voor haar persoon belangrijker gebied, zal in de wereld een nieuw begrip van de heiligheid van het huiselijk leven vestigen, de rechten van het individu in dezen doen gevoelen, zooals tot nu toe onbekend was.

Nauw verwant aan het schoonmaak-vraagstuk is het inrichten en het meubileeren van de woning. De economisch afhankelijke vrouw, alle energie in haarkleine kooi verkwistende, stort een verwarde massa in die kleine ruimte uit, evenals een groote plant een hoop wortelen uitzendt in een kleinen pot. Zij heeft haar beperkte woning met een onbeperkt aantal dingen overvuld, nuttige en nuttelooze, sierlijke en smakelooze, gemakkelijke en ongemakkelijke zaken, en tot haar levenstaak behoort, deze zaken te bewaken en in orde te houden.

De vrije vrouw, die zich geheel kan uiten in haar economische werkzaamheden en haar maatschappelijke positie, voelt zich niet gedrongen haar ziel uit te storten in antimacassars en photographiestandaards. Haar huis zal haar plaats van rust en niet van rustelooze bezigheid zijn, en zij zal inzien dat eenvoudigheid ten slotte het aangenaamst is. Hiervan zullen beterhygiënischevoorwaarden in de woningen en meer schoonheid en minder werk het gevolg zijn. De nieuwe omstandigheden, waardoor de waarde van het huiselijke leven verhoogd en het schoonheidsgevoel ontwikkeld zal worden, zullen het inwendige van onze woningen een beschaafder en liefelijker aanzien geven, en ze zullen zonder overmatige inspanning van den eigenaar in orde te houden zijn.

Buiten en behalve deze betrekkelijk uiterlijke omstandigheden, ondervindt het gezin door de sexueel-economische verhouding geestelijke gevolgen, die niet allen een gunstigen invloed op onze ontwikkeling uitoefenen. Een van die gevolgen toont duidelijk op welke wijze de druk van deze verhouding werkt. Het private leven in onze huizen is een privaat leven van het gezin, een vereenigd privaat leven; dit verzekert ons niet,—integendeel werkt tegen,—het individueel privaat leven. Dit is een ander van de nog bestaande rudimenten van een levenswijze uit tijden die wij reeds lang ontgroeid zijn en die gehandhaafd blijven door het zorgvuldigbewaren van de primitieve gewoonten in den onveranderden toestand der vrouwen. In zeer vroege tijden kon een ruw en onverschillig volk in groote groepen in een kleine tent te zamen huizen, zonder ernstig ongerief of nadeel te ondervinden. De gevolgen van zulk groepeeren op moderne menschen kan men waarnemen in sommige wijken van groote steden, waar blokken huizen bij kamers verhuurd worden; zij zijn bepaald van demoraliseerenden aard.

De menschelijke wezens gaan voort zich hoe langer hoe meer door kleine verschillen van elkander te onderscheiden, waardoor een eigen tehuis, of ten minste een eigen kamer voor elk individu een vereischte wordt. Deze behoefte wordt voor een deel in het familie-leven erkend en voor zoo ver de beurs het toelaat, wordt er aan te gemoet gekomen; maar voor de groote meerderheid der bevolking is dit een onmogelijkheid. Voor vrouwen in het bijzonder is de weelde van een eigen kameralleen voor de rijken weggelegd. Zelfs waar door den druk der maatschappelijke ontwikkeling voor een deel in deze behoefte voorzien wordt, daar werkt de druk van het familieleven haar aanhoudend tegen. Het tehuis is de eenige plaats op aarde waar niemand derfamilieledenware afzondering kan genieten. Een gezin is een ruwe samenvoeging van personen, verschillend in leeftijd, grootte, geslacht en karakter, die door geslachts-banden en economische behoeften te zamen gehouden worden; en de liefde die tusschen de verschillende familieleden bestaan moest, wordt door dien economischen druk niet vermeerderd, doch eerder verminderd. Een door economische krachten onderhouden liefde, is trouwens de soort niet welke de menschheid het meest noodig heeft.

Elke neiging om zich tegenwoordig aan de oude sleurte onttrekken en een eigen leven te leiden, te leven naar eigen opvatting, wordt sterk tegengewerkt en door andere familieleden kwalijk genomen. Dit hindert de vrouwen meer dan de mannen, omdat de mannen zeer weinig te huis en zeer veel in de wereld leven. De man heeft zijn individueel leven, zijn persoonlijke uiting met de daaraan verbonden rechten, zijn kantoor, studeerkamer of werkplaats; de vrouwen en kinderen leven te huis, omdat zij moeten. Men beschouwt het van een vrouw slecht als zij elders veel tijd wenscht te besteden, en de kinderen laat men geen keuze. De historische neiging der vrouwen om “op straat te slenteren”; en van de kinderen om van huis te loopen, of om steeds ergens anders dan te huis te willen spelen; de onophoudelijke, nuttelooze, goed gemeende pogingen om “de jongens tehuis te houden”, deze feiten, saam genomen met de bepaalde hoeveelheid tijd die de man buitenshuis doorbrengt, vormen een vreemd commentaar op ons gewillig geloof dat wij “tehuis” leven en het prettig vinden. En toch binden de banden van tehuis ons met een zachten druk, dien slechts weinigen kunnen weerstaan. Wie weerstand bieden en het doorzetten volgens eigen opvatting te leven, betalen dit met verlatenheid en ontbering; zij moeten zooveel van hun dagelijksche comfort en genegenheid opofferen, dat vele anderen er door teruggeschrikt worden hun voorbeeld te volgen.

Er bestaat geen enkele reden waarom deze pijnlijke keuze ons opgelegd behoeft te worden, geen reden waarom het huiselijk leven niet zoo ingericht kan worden, dat veroorloofd, ja, dat bevorderd zou worden, de hoogste ontwikkeling zijner persoonlijkheid te bereiken. Wij hebben behoefte aan het gezelschap van menschen die wij lief hebben, aan hun liefde en omgang. Dit zal bestaanblijven. Maar de gelegenheid om te koken en te eten, zooals in onze technisch onontwikkelde huizen, met alle daarmede samenhangende gebreken, is daarvoor niet noodzakelijk en behoeft niet te blijven.

Wij houden het er meestal voor dat de woning, zooals zij nu is ingericht, voor ons het beste is. Wij verbeelden ons daar hooger opvattingen, edeler aandoeningen op te doen, daar onderricht te worden hoe wij moeten leven. De waarheid aan deze volksmeening ten grondslag liggende is, dat de liefde van de moeder voor het kind de basis vormt van alle hoogere wederkeerige liefde. Maar men vergeet dat achter moederliefde de krachtige aandrift tot geslachts-liefde, de zich te buiten gaande kracht van den geslachtslust ligt. De familie-verhoudingen die daarvan een gevolg zijn, staan niet zoo hoog als onze breeder, dieper, maatschappelijke verhoudingen.

Voor het behoud van ons individueel leven hebben wij behoefte aan huiselijke geriefelijkheden. Het dragen en verdragen van het huiselijk leven, met zijn heerschenden en onophoudelijken invloed van den conservatieven geest der vrouw, houdt den onregelmatig snellen aandrang der mannelijke energie zeer goed in toom. Zoolang de wereld duurt zullen wij niet alleen aan individueele woningen behoefte hebben, maar ook aan het familieleven; een gemeenschappelijke scheede voor de onontloken blaadjes van elken nieuwen tak, bijeengehouden aan den ouderlijken stam, vóórdat zij ten slotte uiteen vallen.

Stemmen wij dit alles toe, dan blijft nog te bestrijden de steeds toenemende slechte uitwerking, niet van het huiselijk leven als zoodanig, maar van de soort van huiselijk leven, welke op de sexueel-economische verhouding gegrondvest is. In een gezin, waarin de terecht overheerschende vrouwelijke energie op een primitieve ontwikkelingshoogte wordtgehouden, en de vrouw de vrije deelname aan de snelle, breede, voorwaartsche beweging der wereld wordt ontzegd, ondervinden al de leden den invloed daarvan. Waar de buitengewone behoefte om dingen te ontvangen zonder er iets voor terug te geven, in de eene sekse wordt bevorderd en de woeste begeerte om zooveel mogelijk te verkrijgen in de andere sekse zorgvuldig wordt aangekweekt, daar ondervindt het kind dezen invloed onophoudelijk en groeit op in het denkbeeld, dat het leven slechts bestaat in het hebben van eten en het verkrijgen van geld om er voor te betalen, en dat men alleen werkt om voedsel van den leverancier te huis te krijgen, het te koken en op te disschen. Dat zijn de op den voorgrond tredende handelingen in het huiselijk leven, zooals wij het geregeld hebben. De zorg waarin wij ons leven doorbrengen, de zaken die ons hinderen en kwellen, zijn zaken die wij reeds lang en lang geleden ontgroeid moesten zijn, indien het menschdom geregeld vooruitgegaan was. De man is vooruitgegaan, maar de vrouw bleef achter. Door erfelijkheid gaat zij vooruit, door ondervinding komt zij achteraan; altijd teruggeduwd tot een economischen graad van veleduizendenjaren geleden.

Indien een man van den tegenwoordigen tijd met al zijn verstand en energie en hulpmiddelen gedwongen werd zijn levensdagen te slijten, jagend met pijl en boog, visschend met gepunte beensperen, hongerig wachtend bij zijn vallen en strikken, in de hoop een prooi te bemachtigen, zou hij op zijn vrouw en kinderen niet den verheffenden invloed van den waren mannenaard uit onzen tijd kunnen hebben. Zelfs wanneer hij hooger onderwijs genoten had, zelfs wanneer hij vele boeken te lezen had (en tijd had ze te lezen) en verheffenden omgang met anderen, dan nog zouden de economischebeslommeringenvan zijn leven, de aanhoudendedagelijksche druk van hetgeen hij voor zijn onderhoud te doen had, den groei van hoogere gaven belemmeren. Wanneer alle mannen tot nu toe jagers geweest waren dag in dag uit, zou de wereld nog woest en wild zijn. Omdat alle vrouwen steeds, dag in dag uit, dienstboden voor het gezin geweest zijn, leven zij nog in slaafschen toestand.

Een huiselijk leven met een afhankelijke moeder en een dienstbode-echtgenoote is geen veredelende macht. Dat gevoelen wij allen nu en dan. De man, met den grooten vooruitgang der wereld zich ontwikkelende en ontplooiende, voelt zich tehuis door de domme gesprekken, het kleingeestig gekibbel en de dwaze en achterlijke begrippen klaarblijkelijk omlaag gaan. Het is daar behagelijk, bevredigend voor het gevoel, warm en zacht en mooi en geschikt gemaakt voor de behoeften van het zwakker en kleiner wezen dat gedwongen is er te verblijven. Het wordt zelfs als een deugd van den man aangemerkt, wanneer hij veel te huis is en het ter wille van zijn pantoffels en couranten, zijn haardvuur en avondmaal, zijn springveeren bed en schoon ondergoed boven andere plaatsen verkiest.

Het kwaad schuilt ook niet in de liefde voor het tehuis en het er zooveel mogelijk vertoeven, maar in de soort van woning en in de soort van vrouwen die er gekweekt worden en in den graad van technische ontwikkeling die er heerscht. Wanneer men de richting van den tegenwoordigen vooruitgang volgt, behoeft men geen profeet te zijn om te zien waarheen ons huiselijk leven leidt. Van het hol en de tent en de hut tot een goed verdeeld huis, waarvan elk lid van het gezin zooveel ruimte voor zich alleen krijgt als verschaft kan worden; van de barsche heerschappij van den almachtigen patriarch met zijn stille, slaafsche vrouwen en babbelende kinderen,tot de betrekkelijke vrijheid, gelijkheid en geheel verschillende levenswijze van de leden uit een hedendaagsch beschaafd gezin; van den laagsten graad van nijverheid in het kamp der wilden, waar alles te zamen gekookt werd in denzelfden pot door éénzelfden persoon,—zonder zindelijkheid, zonder overleg, zonder toewijding,—tot de millioenen zeer verschillende handen die het gezin tegenwoordig op duizendvoudige wijze bedienen, hebben de man en de fabriek alles gedaan; de vrouw ging alleen buitenshuis om inkoopen te doen en stond binnenshuis op de nederigste plaats.

Men lette op het nog belangrijker en opmerkelijker feit, dat waar in het historisch begin niets anders dan de woonplaats voor het gezin bestond, langzaam, met onze ontwikkeling ook de woning voor het individu zich ontwikkelde. De eerste verder gaande beweging van het maatschappelijk leven zal een vrijer dagelijksch verkeer onder de bevolking zijn. Langs rivieren en zeeën, van kano tot stoomboot; langs paden en wegen, van omnibus tot spoortrein; steeds sneller en vrijer, verder en vaker, stroomden de individueele menschelijke wezens naar buiten en mengden zich in het vrije maatschappelijk leven. In het begin was gastvrijheid de eenige toevlucht van den reiziger, het recht van den vreemdeling; maar door het toenemend verkeer ontstond—uit noodzakelijkheid—het organisch maaksel, de tijdelijke individueele woning, waardoor het reizen gemakkelijker werd. Van de meest oorspronkelijk karavansera tot onze hotels van eenige vierkante mijlen vloerruimte, heeft de herberg meer in de behoeften der sociale evolutie voorzien, dan ooit eenig eigen huis kon doen.

Voor mannen, tot dusver de eenige volkomen ontwikkelde menschelijke wezens van hun tijd, was de gehuurde kamer de tijdelijke woning voor dat gedeelte van hunleven, waarin zij het eene gezin verlaten en nog geen ander gezin gevormd hadden. Voor de vrouw staat deze mogelijkheid thans ook open. Meer en meer matigen zich thans ook de vrouwen aan een woning, zelfs zonder een gezin, te hebben. Ook de familiewoning ondergaat meer en meer den invloed van den vooruitgang. Vroeger bleef men in hetzelfde huis wonen, soms vele geslachten lang. Thans veranderen wij herhaaldelijk, zelfs met groote gezinnen; veranderen wel is waar dikwijls tegen onzen zin en ten koste van vele huishoudelijke goederen, maar niettemin veranderen wij en moeten veranderen onder toenemende verbittering tegen de onhoudbare toestanden. En hieruit is ontstaan en heeft groote afmetingen aangenomen, dat ontzettend verschijnsel van onzen tijd “het familie-hotel.”

Men overwege dit eens. Eerst de herberg, eens de eenige reddende toevlucht voor vermoeide reizigers. De vermoeide reiziger bemerkte evenwel reeds spoedig het verschil tusschen zijn individueele vrijheid dáár en zijn beperkingen tehuis en was gaarne bereid “zijn gemak in de herberg te zoeken.” Thans is de tijdelijke rustplaats voor ongehuwde mannen van voorheen een vaste woonplaats voor gezinnen geworden. Niet uit financieële noodzakelijkheid. Zij worden bewoond door menschen die geld genoeg hebben om een huis te bewonen. Die menschen begeeren echter geen eigen woning. Zij zijn vermoeid van het huishouden. Het is zoo moeilijk een huishouding te voeren, de dienstbodenkwestie is zoo lastig. De gezondheid van de vrouwen laat niet toe dat zij zich met huishoudelijke werkzaamheden vermoeien. Dit zijn de aangevoerde redenen.

Maar onder deze vage begrippen en uitdrukkingen ligt hijgend en onrustig een langzaam stijgende maatschappelijke vloed. De oorspronkelijke woning, gebaseerdop de economische afhankelijkheid der vrouw met haar ongeorganiseerde werkzaamheden, haar slaafschen arbeid, haar verdoovenden invloed op individueele ontwikkeling, wordt met den dag onbruikbaarder voor de hedendaagsche mannen en vrouwen. Natuurlijk keeren zij er telkens uit noodzakelijkheid in terug, zoo lang verondersteld wordt dat huwelijk en kinderen baren een eigen woning vereischt; zoo lang onze diepste gevoelens en vroegste herinneringen er zoo nauw mede verbonden zijn. Maar door haar praktische gevolgen, die steeds sterker door de beurs van den man en de krachten van de vrouw gevoeld worden, zal de woning snel verdwijnen.

Wij hebben dezen toestand zien aankomen en zijn ontstaan aan allerlei oorzaken, behalve aan de werkelijke, toegeschreven. Wij hebben het de mannen kwalijk genomen dat zij niet even als vroeger tehuis bleven. Wij hebben de vrouwen gelaakt omdat zij niet even goede huishoudsters zijn als vroeger. Wij hebben de kinderen berispt over hunne ontevredenheid, de dienstboden over hunne onbekwaamheid, de steenen en de kalkbak over hun slechte constructie. Maar wij hebben er nooit aan gedacht, de schuld op de instelling zelf te werpen en getracht die te verbeteren.

In de verre Westersche prairiën, en overal in afgelegen boerenhofsteden, worden de hedendaagsche vrouwen, die men opgesloten houdt in hun beperkte woningen, bij velen tegelijk gek! Onze krankzinnigengestichten bevatten ook een grooter aantal krankzinnige vrouwen uit den boerenstand dan uit een andere klasse. In de steden, waar men minder tehuis leeft, schijnen de vrouwen het beter te verdragen. Daar is meer afleiding, zeggen de mannen en zij zoeken die. Daar heerscht meer vroolijkheid, amusement, afwisseling, zeggen de vrouwen en zij zoeken die. Doch in werkelijkheid voelt men de grootermaatschappelijke belangen en den drang van andere invloeden dan van den huiselijken kring.

Velen vreezen den loop der dingen en wagen ijdele pogingen om hem tegen te houden. Er bestaat echter geen reden om angstig te zijn. Wij zullen onze woningen en onze gezinnen niet verliezen, noch iets van het geluk en het liefelijke dat er mede gepaard gaat. Maar wij zullen onze keukens verliezen, evenals wij onze wasscherij en bakkerij verloren hebben. De kookkachel zal het spinnewiel en het weefgetouw, de wolkaarde en de wolschaar volgen. Onze woningen zullen plaatsen worden om in te leven en te lieven, te rusten en te spelen, om alleen te zijn en om samen te zijn; en zij zullen niet langer verward en verlaagd worden door bijmenging van eenigen tak van nijverheid, welken dan ook.

In zulke woningen zal in het familieleven een beschaafde, goede geest heerschen en de zorgen en arbeid die nu de rust daar bederven, zullen buitenshuis op een hooger arbeidsveld overgebracht kunnen worden. De verhouding van vrouw tot man en van moeder tot kind zal door deze uiterlijke verandering verbetering ondergaan. Al de persoonlijke familieverhoudingen zullen dan tot een zuiverder en voller groei komen.

In de langdurige onderwerping der vrouw is niets zoo pijnlijk als het gevoel, dat de verlaging van het moederschap veroorzaakt wordt door dezelfde omstandigheden, die verondersteld werden deel er van uit te maken. Wij zien hoe de moeder steeds verlangt met haar kind te zijn, het altijd te kunnen helpen en dan moet zij ervaren, dat het kind met elk jaar meer van haar vervreemdt, dat het dingen leert die zij nooit mocht leeren, dingen doet die zij nooit mocht doen, alleen de wereld ingaat,—zijn wereld, doch niet de hare—en hard is het, het kind “te dragen, te verzorgen, te zoogen, te beminnenen dan te verliezen”, niet door de natuurlijke scheiding van groei en persoonlijk uiteenloopen, maar door de onnatuurlijke scheiding van valsch verdeelde klassen, de onontwikkelde vrouwen naast de steeds hooger ontwikkelde mannen. Dat is de kloof, gevormd nog vóór dat de jongen tien jaar oud is en die met elk jaar breeder wordt.

Een economisch vrije moeder, een wereld-dienares in plaats van een dienstbode voor het gezin; een moeder die de wereld kent en er in leeft, kan voor haar kinderen veel meer zijn, dan ooit te voren mogelijk was. Het moederschap toegepast op de wereld, zal van die wereld een geschikter plaats voor het kind maken.

XIIIWanneer wij ons de positie der vrouw onder economisch onafhankelijke omstandigheden voor den geest stellen, dan is de vrouw in haar positie als moeder voor velen het groote struikelblok.Wij zijn zoo gewoon geraakt aan de oude opvatting van het moederschap, wij gevoelen ons zoo overtuigd dat alle onderdeelen er van onderling met elkaar in betrekking staan en niet te vervangen zijn, en wij vreezen zoozeer door verandering van een daarvan de geheele verhouding in gevaar te brengen, dat wij ons van eenige wenschelijke verandering geen voorstelling kunnen maken.Wanneer bepaalde voorstellen voor zulk een verandering aan de hand worden gedaan,—maatregelen, waardoor kleine kinderen beter verzorgd zullen worden dan tegenwoordig,—dan loochenen wij òf de voordeelen van de voorgestelde verandering, òf wij beweren dat diezelfde voordeelen ook behaald kunnen worden onder ons tegenwoordig stelsel. Evenals wij bij het koken de eigen keukenmeid trachten te oefenen en onzen smaak te verbeteren, zoo trachten wij ook bij de verzorging van kleine kinderen de individueele moeder te oefenen en beter toestanden in eigen huis te scheppen; in beide gevallen de verhouding tusschen ons algemeen systeem en zijne bijzondere verschijnselen voorbijziende. Ofschoon bewezen kan worden dat de woning als plaats om kinderen groot te brengen, voor zoo ver het de lichamelijke omstandigheden betreft, geschikt gemaakt kan worden, handhaven wij daartegenover met krachtdezewaarheid: dat voor het geestelijk leven van het jonge kind het gezin met zijn leven vol aandoeningen geen geschikte omgeving is.Er is een tijd in de menschelijke geschiedenis geweest dat de woning ook voor het geestelijk leven van het kind de beste plaats was. Toen de vooruitgang zijn voornaamste drijfkracht aan de geslachts-drift ontleende en onze hoogste aandoeningen die waren, waardoor wij in familieverhouding samen bleven, was het natuurlijk voor het kind het beste een opvoeding en omgeving te hebben, waarin zulke aandoeningen gekweekt en versterkt werden. Maar in het levensstadium dat wij thans tegemoet gaan, waarin de familieverwantschap slechts een deel van het leven uitmaakt en de individuen, die in maatschappelijke verhouding tot ons staan onze hoogste toewijding behoeven, heeft het kind nieuwe behoeften gekregen.Hiermede wordt niet bedoeld, hetgeen de panische schrik aan het onberedeneerde verstand zal ingeven, dat onmiddellijk het tegenovergestelde, verbreking van den familiekring of vernietiging van het tehuis moet plaats vinden. Er wordt geen scheiding van moeder en kind bedoeld,—die oogenblikkelijke vrees uit het zuiver instinkt van dierlijk moederschap voortspruitende. Maar er wordt een andere grondslag in de familieverhouding bedoeld, het verwijderen van het vroeger economisch fundament en een andere methode van kindercultuur. Wij zijn immers niets meer gedwongen altijd dezelfde handelwijze van vroeger bij het verzorgen van kleine kinderen toe te passen, dan wij gehouden zijn haar bij de opvoeding van oudere kinderen of bij de bloemencultuur te handhaven. Het geheele menschelijk leven is in zijn waren aard voor verbetering vatbaar en het moederschap is daarvan niet uitgesloten. De verhoudingtusschen mannen en vrouwen, tusschen echtgenoot en echtgenoote, tusschen ouders en kinderen verandert onvermijdelijk met den maatschappelijken vooruitgang, maar wij willen dit niet altijd toegeven. Wij meenen dat elke verandering in het moederschap verkeerd moet zijn, omdat wij ons verbeelden dat de tegenwoordige toestand de juiste is.Onderzoeken wij dien echter, dan vinden wij dat de bestaande verhouding tusschen ouders en kinderen tehuis volstrekt niet is zooals wij die, als van zelf sprekend, hadden aangenomen. Wij bezitten allen zekere idealen van het huiselijk leven, het familieleven. Doch wanneer wij rondom ons zien, of wij lezen van honderde gevallen van ongelukkige gezinnen, die openlijk met elkaar in vijandschap leven, dan schrijven wij dat toe aan het individueel wangedrag der betrokken partijen, en blijven onvoorwaardelijk aan de innerlijke volmaaktheid van het familieleven gelooven. Doch wanneer, omgekeerd, menschen in deze verhouding in rust en liefde en hoffelijkheid te zamen leven, dan schrijven wij dat niet toe aan de individueele superioriteit en deugdzaamheid dier menschen, maar dan gebruiken wij dat gezin als voorbeeld om de schoonheid dier verhouding aan te toonen.Voor den nauwkeurigen sociologischen opmerker is evenwel de ware toedracht deze: zoolang de individueele en ras-vooruitgang het best door het nauwe verbond der familieleden gediend werden, was familie-genegenheid zeer sterk bij de menschen ontwikkeld. Zij voelden de werkelijke beperking en de onophoudelijke wrijving der verhouding niet. Zij berustten in de onbegrensde heerschappij van het hoofd der familie en de dwingelandij der lagere gezaghebbers, wijl zij geen van deze scherp omlijnde individueele bijzonderheden bezaten, welke zoo vijandelijk tegenover de familieverhouding staan.Maar wij hebben een stadium bereikt waarbij vooruitgang van het individu en het ras het best gediend worden door een steeds toenemend verschil der individuen en door een hooger en breeder opvatting van liefde en plicht. Deze verandering oefent op de geestelijke omstandigheden van het huiselijk leven een steeds nadeeliger invloed uit. Onophoudelijk hooren wij klagen over slechte manieren der hedendaagsche kinderen, over rusteloosheid der jeugd en over ouders die hun kinderen verlaten. Het is blijkbaar nu niet meer zoo gemakkelijk tehuis te leven als het vroeger was. Onze kinderen zijn niet onhandelbaarder dan de kinderen uit vroeger eeuwen, maar de toestanden waarin zij groot gebracht worden zijn niet meer geschikt de eigenschappen te ontwikkelen, die menschelijke wezens thans noodig hebben.Deze toenemende wrijving onder de familieleden moet uit een zedelijk oogpunt niet met vooroordeel beschouwd, maar met wetenschappelijke belangstelling bestudeerd worden. Indien onze gezinnen onder de tegenwoordige omstandigheden betrekkelijk niet op hun gemak zijn, zijn er dan geen toestanden te scheppen, waarin diezelfde gezinnen aangenamer kunnen leven? Neen: wij vreezen dat het niet kan. Wij meenen dat het goed is zooals de dingen nu zijn en dat het verkeerd is te wenschen dat zij veranderd worden. Wij meenen dat het zeer deugdzaam is in deze ongemakkelijke toestanden te berusten en dat wij bijzonder deugdzaam zijn, als wij de bestaande familieverhouding niet aantasten.Deugd is een betrekkelijke term. Menschelijke deugden veranderen jaar in jaar uit met de verandering van toestanden. Beschouwen wij eens de groote deugd van trouw,—onzen hoogsten naam voor plicht. Zij is een eigenschap die in het menschelijk leven waarde verkreeg, op het oogenblik dat wij dingen begonnen te doen, dieniet oogenblikkelijk en duidelijk merkbaar voor ons zelf voordeelig waren. Voortdurende ijver van een individu voor een op zich zelf niet aantrekkelijke taak, was een onontbeerlijke maatschappelijke hoedanigheid en werd daarom als deugd aangemerkt. Onveranderlijkheid, getrouwheid, oprechtheid, plichtsgevoel, die bewuste, vrijwillige houding van het individu, welke hem aan een te voren overeengekomen verhouding bindt, soms levenslang, al mocht het hem persoonlijk nog zooveel schaden, deze verhoudingen vormen het verband van het maatschappelijk lichaam. Zij zijn het grondbeginsel van het maatschappelijk bestaan.Een sociale deugd moet zich aan het persoonlijk geweten doen gevoelen door een erkend en aangenomen drang, een drang waarvoor wij buigen, een plicht tegenover anderen. Op die wijze kwam de deugd van trouw reeds vroegtijdig in duurzame achting; hetzij in den vorm van trouw aan het eens gegeven woord of de belofte, of trouw aan een vriend of een groep van vrienden die voor een of ander gemeenschappelijk doel tijdelijk vereenigd waren, of trouw aan een grooter en bestendiger verhouding. De hoogste vorm van trouw is natuurlijk trouw aan het grootst algemeen belang; en hier kunnen wij duidelijk den loop der ontwikkeling van deze eigenschap volgen.Eerst zien wij haar in het vage, nevelachtig samenhangen van de horde der wilden, dan in de strenge vereering der gezinnen,—dien onbegrensden plicht voor de hoogste toen bekende maatschappelijke groep. Het was in deze periode dat gehoorzaamheid aan ouders op onze schaal der deugden zoo hoog stond aangeschreven. De familietwisten, devendettader Corsicanen, zijn een over-ontwikkeling van deze deugd van familievereering. Daarna kwam trouw aan het opperhoofd, met voorbijgaan zelfs van trouw aan den vader. En met den Koning,—die dramatische verpersoonlijking van een natie,—“Zie! het Koninkrijk Engeland komt!”—werd trouw zelfs een hartstocht. Zij werd, en om goede redenen, boven elke andere deugd verheven, want het was niet, zooals verondersteld wordt, de persoon des Konings die zoo vereerd werd; het was de belichaamde natie, de ver-strekkende, gezamenlijke belangen van elken burger, het gemeenschappelijk welzijn, waarvoor het vrijwillig offer van elk individu gevraagd werd. Wij bezitten nog al deze phasen van trouw, in verschillend afnemende graden; maar wij verkrijgen thans ook een breeder opvatting van deze deugd, meer geschiktvoor onzentijd.De tegenwoordige maatschappelijke verhoudingen zijn hoofdzakelijk industrieele verhoudingen. Ons individueel leven, onze sociale rust en vooruitgang hangen meer af van onze economische verhoudingen dan van eenige andere. Gedurende langen tijd was de maatschappij alleen ingericht op een geslachts-basis, een godsdienstige basis of een militaire basis; elk van deze organisaties was van betrekkelijk kortstondigen duur; en de individuen die haar samenstelden werkten alleen op den economischen grondslag van het hulpeloos individualisme.Plicht is een maatschappelijk gevoel en ontwikkelt zich alleen met maatschappelijke organisatie. Toen onze burgerlijke organisatie eene nationale werd, ontwikkelden wij het gevoel van plicht voor den Staat. Toen de industrieele organisatie tot de tegenwoordige wereldomvattende ingewikkelde regeling aangegroeid was, toen wij het stadium bereikt hadden waarin onze plaats op aarde alleen houdbaar was door onze uitgestrekte en ingewikkelde economische verhouding, met haar snel kloppend en fijngevoelig samenstel van verkeer en algemeen onderling dienstbetoon, toen heeft het verstand ons voor de nieuwe sociale behoeften een nieuw soort trouwvoorgeschreven,—trouw aan ons werk. De machinist op zijn post blijvende tot hij sterft, opdat de passagiers in den trein behouden blijven; de kassier, liever de grootste kwellingen verdragende, dan het geheim van de brandkast te verraden,—dezulken zijn even trouw als de dienaar uit het feudale tijdperk die zijn meester tot den dood volgde, of de onderdaan die alles voor zijn koning opofferde. Beroepseer, verplichtingen tegenover het werk zelf, wat het ook kosten moge,—dat noemen wij trouw, geloofwaardigheid, de macht om stand te houden in een verhouding, die noodzakelijk is voor het maatschappelijk belang, zelfs wanneer het persoonlijk belang daarmede rechtstreeks in strijd is.De kinderen voor dit stadium van het menschelijk leven op te voeden, daarvoor is de eigen woning niet meer voldoende en de op zich zelf staande, primitieve, afhankelijke vrouw niet meer in staat. Niet dat de moeder geen krachtig en alles-overheerschend gevoel van trouw en plicht bezit, maar het is een plicht voor individuen, even als het was in het jaar één. In haar gedwongen nijverheids-beperking is zij onbekwaam, de hoogere arbeidsverdeeling en de loffelijke toewijding van een menschenleven aan den vooruitgang van zijn vak te waardeeren. Zij werd zoo slaafs mogelijk tot haar dagelijksche taak beperkt, dat geven wij toe; maar het kwam ook niet in haar op dat het ook haar plicht was het gehalte van haar arbeid in het belang der menschheid te verhoogen, noch dat het een zonde was den vooruitgang der wereld door haar tevreden berusting tegen te houden.Zij kan niet onderwijzen wat zij niet weet. Zij kan niet, met eenigen ernst, als plicht hoog houden, hetgeen zij zelf niet in toepassing brengt. Het kind leert meer van de deugden noodig voor het hedendaagsche leven,—van oprechtheid, rechtvaardigheid, vriendschap,gemeenschapszin en gemeenschappelijk handelen—in een openbare school dan in den besten familiekring onderwezen kan worden. Wij kunnen, zooveel wij willen, onze kinderen den grooten plicht zijn naaste lief te hebben en van dienst te zijn voorhouden; maar de zuigeling wordt geboren en het kind groeit op in een omgeving, waarin een geheel leven,—dat van zijn moeder,—gewijd wordt aan de vergrooting van haar gezin; en waarin een ander geheel leven,—dat van zijn vader,—zich overspant door de noodzakelijkheid van “zijn gezin te onderhouden”, zoodat verraad jegens de maatschappij gewoonlijk de prijs is, waarmede wij het gemak in de woning betalen. De man, die elk laag, valsch werk waarvoor hij gehuurd wordt verricht, werk dat voortbrenger en verbruiker beiden benadeelt; die zijn gaven en talenten beschikbaar stelt voor elken kooper die ze gebruiken kan, wordt door mannen verontschuldigd met wat zij noemen “plichten voor het gezin” en door het zedelijk gevoel der afhankelijke vrouwen niet gelaakt.Dit is de atmospheer waarin het tehuis opgevoede, door de moeder onderwezen kind opgroeit. Waarom zouden dan niet voedsel en kleederen en gemak van eigen familieleden een eerste plaats in zijn jonge ziel innemen? Ziet hij niet zijn eigen moeder, de boven allen geliefde, de boven alles volmaakte in zijne oogen, rustig haar dagen besteden in het regelen van die zaken, welke door vader’s onophoudelijk zwoegen verkregen zijn? Waarom zou hij, als hij groot is, niet voor zich zelf zorgen, met veronachtzaming van de belangen of ten nadeele van al de anderen, wanneer zijn vroegste, diepste indrukken gevormd worden onder een toewijding van zóó exclusieven aard?Het is niet de woning als plaats van familieleven enliefde die het kind bederft, maar de woning als middelpunt van een verwarden hoop werkzaamheden, laag in hun ongeregelden toestand en lager nog om hun zuiver persoonlijk karakter. Werk dat alleen voor eigen belang dient, staat het laagst. Daarop volgt het werk dat hoofdzakelijk voor het belang van eigen gezin moet dienen. Werk dat in het belang van meer en meer menschen, in steeds wijder kring verricht wordt, tot het ten laatste den heiligen geest die voor de geheele wereld zorgt nabij komt, is maatschappelijk werk in den volsten zin, en de hoogste vorm van dienstbaarheid dien wij kunnen bereiken.Het is dit persoonlijke in de huiselijke werkzaamheden, waardoor de huiselijke omgeving zoo hopeloos laag staat. De korte afstand tusschen inspanning voor en bereiking van het doel, de aanhoudende aandacht aan persoonlijke behoeften geschonken, is voor den man slecht, slechter nog voor de vrouw en het slechtst voor het kind. Van den aanvang af worden zijn levensindrukken daardoor verkleind. Het gewent hem de plichten tegenover zijn persoon te vergrooten en de plichten tegenover de maatschappij te verkleinen en het houdt zijn geschiktmaking voor een breeder levensopvatting zeer sterk tegen. Het dienstbode-moederschap, met al zijn onvermijdelijke beperkingen en ziekelijke gevolgen, is de begeleider van de economische afhankelijkheid der vrouw, het rechtstreeksch en onafwendbaar gevolg van de sexueel-economische verhouding.Het kind ondergaat dien invloed gedurende de jaren dat het voor indrukken het meest vatbaar is en voelt de slechte gevolgen er van zijn geheele leven door. De vrouw wordt er bestendig achterlijk door gehouden; de man in mindere mate, omdat hij door zijn normale maatschappelijke werkzaamheden tegelijkertijd meerontwikkelende invloeden ondervindt. Maar toch wordt ook hij nog in groote mate daardoor benadeeld, terwijl onze geheele beschaving er door belemmerd en in verkeerde richting gedreven wordt.Ook lijden wij hierdoor levenslang aan een sterk gevoel van eigenwaarde, een alle voegen te buiten gaande lichtgeraaktheid; wij eischen een bovenmatige aandacht en toewijding aan onze persoonlijkheid, omdat wij geboren en groot gebracht werden in een ware broeikast van deze hoedanigheden. Een klein kind dat een zeker aantal uren daags onder andere kleine kinderen doorbrengt, waarvoor wordt zorg gedragen omdat hij een klein kind is en niet omdat hij “mijn kindje” is, zal, groot geworden, een heel ander oordeel over zich zelf hebben dan het kind, dat opgroeit onder de onophoudelijke bewondering en liefkoozing van eigen familieleden. Het kind moet eens en voor altijd leeren, vriendelijk en zacht doch onverbiddelijk, dat het een kind is als velen.Wij erkennen dit allen zwakjes door het prijzen van groote gezinnen en door te zeggen dat “een eenig kind geneigd is om zelfzuchtig te worden.” Dat is ook het geval met een eenig gezin. Hoe vroeger en gemakkelijker een kind kan leeren dat menschelijk leven beteekent het leven van vele menschen en hun gedrag tegenover elkander, des te gelukkiger en voller en nuttiger zal zijn leven worden.Dit kan het kind zonder eenige moeite onder bepaalde omstandigheden geleerd worden, juist zoo als het zijn tegenwoordige zelfzucht en lichtgeraaktheid onder de tegenwoordige omstandigheden leert. Niet enkel temperatuur en dieet en rust en beweging oefenen invloed op een klein kind uit. “Hij vindt het zoo prettig als er notitie van hem genomen wordt”, zeggen wij. “Hij is zoo gelukkig wanneer hij een dozijn bewonderaars rondomzich ziet,” merken wij op. Maar wat leert onderwijl het jonge kind van dit alles? Welke indrukken vangt het op, zoodra het ziet en hoort en langzamerhand leert opmerken? Dank zij de rechtstreeksche gevolgtrekkingen die een helder, ontluikend verstand, dat nog niet over ervaring beschikt, maakt, leert het dat vrouwen in de wereld zijn om de menschen te bedienen, voor het eten te zorgen, te vegen en te schrobben en weg te ruimen; dat mannen geschapen zijn om dingen te huis te brengen, die hun naar gelang van omstandigheden afgebedeld of afgeperst moeten worden; dat kleine kinderen het voorwerp zijn van voortdurende bewondering, dat hun haar, handen of voeten bijzonder aantrekkelijk schijnen, dat zij het brandpunt van oplettendheid zijn, van hand tot hand gaan, geslingerd en gehost en vermaakt worden op de wildste manier, doch ook op zijde gezet en aan zich zelf overgelaten, zonder te overwegen wat het kind het liefst wil en het aangenaamst is.En dan te midden van zijn tintelend zelfbewustzijn en zijn zucht om geprezen te worden, moet het kind hooren dat het “ondeugend” is. Het verdriet, de schaamte, de woede over zulk een onrechtvaardigheid, de wanhopige verbijstering, de ziekelijke prikkelbaarheid of de verdooving van het geweten, het langzamerhand tot het teleurgesteld verstand doordringen van al deze vroegtijdige gewaarwordingen, doen het kind ten slotte haken naar zuiver persoonlijk genot en het legt zich toe om dat te bemachtigen. Dit zijn de ondervindingen die de meeste kinderen opdoen en die ook wij opdeden toen wij kinderen waren. Natuurlijk herinneren wij ons dat niet meer. Wij hielden natuurlijk van onze moeder en dachten dat zij volmaakt was. Vergelijkingen tusschen moeders te maken is moeilijkvoor een klein kind. Wij hielden natuurlijk van ons huis en droomden er nooit van, dat er ook nog een andere weg bestaat om groot gebracht te worden. En natuurlijk als wij zelf kinderen krijgen, brengen wij ze weder op dezelfde wijze groot. Welke andere weg bestaat er? Wat kan men er tegen hebben? Kinderen werden immers altijd tehuis groot gebracht. Is dat niet voldoende?En toch, verraderlijk, langzaam, onverzettelijk, terwijl wij ons zelf vleien met de gedachte dat de toestanden dezelfde blijven, veranderen zij onder onze oogen van jaar tot jaar, van dag tot dag. Opvoeding, zich zelf verschuilende achter een hoop boeken, maar al meer en meer bestaande in het groepeeren van kinderen en in het oefenen van eigenschappen die in den schoolcursus nimmer vermeld worden,—opvoeding, welke het menschelijk moederschap uitmaakt, kruipt al nader en nader naar haar ware plaats, haar beste werk,—de verzorging en opleiding van het kleine kind. Er zijn enkele vrouwen en ook enkele mannen die de menschheid ten hoogste aan zich verplichten door hun zorg voor kinderen. Dezulken moesten hun krachten niet concentreeren op eigen kinderen,—een zeer twijfelachtig voordeel voor de maatschappij—maar zij moesten zoo geplaatst worden dat hun talenten en geschiktheid, hun kennis en ondervinding, het grootst aantal kinderen ten goede konden komen. Er zijn vele vrouwen en vele mannen ook, die, ofschoon zij in staat zijn mooie, gezonde kinderen voort te brengen, niet bekwaam zijn hun een goede opvoeding te geven. Kinderen te baren is een persoonlijke zaak, een dierlijke functie. Opvoeding is een collectieve, menschelijke, maatschappelijke functie.Zooals wij nu het leven geregeld hebben, loopen onze kinderen de kans terwijl zij nog zuigelingen zijn, televen of te sterven, ten goede of ten kwade zich te ontwikkelen, naar gelang van de hoedanigheden der moeder, uit wie zij geboren worden. Een onverstandige moeder is geen beletsel voor een kind om een goede schoolopleiding en later een goede vakopleiding deelachtig te worden; maar de opvoeding in zijn prille jeugd, de belangrijkste in alle opzichten, is geheel in haar handen. Het is onnoodig aan te voeren dat moeders onderwezen moeten worden, hoe zij hunne moederplichten vervullen moeten. Men kan niet van elke moeder een goede schoolonderwijzeres of een goede vakonderwijzeres maken. Waarom verwacht men dan dat wel van iedere moeder eene goede opvoedster voor kleine kinderen gemaakt kan worden? Maar welke ook onze verwachtingen zijn, de ondervinding heeft geleerd dat niet allen er geschikt voor zijn; en onze verkeerd opgevoede kinderen, dezulken die de verkeerde stoffelijke behandeling te boven komen, groeien tot menschen op, zoo als wij ze rondom ons zien.De groei en verandering van het huiselijk en familieleven gaan aanhoudend hun gang onder en over en door onze vooroordeelen en overtuigingen heen; en ook de opvoeding van het kind is veranderd en een sociale functie geworden, hoewel wij ons nog verbeelden dat alles alleen door de moeder gedaan wordt.In haar vroegste en meest onvolledige openbaringen maakte opvoeding slechts deel uit van de individueele moederlijke functie wan het vrouwelijk dier. Maar van het oogenblik af dat de menschelijke geest in staat werd indrukken weer te geven en te ontvangen door middel van de spraak, hierdoor werd de macht verkregen kennis uit andere bronnen dan die van eigen ondervinding op te doen, hield de individueele moeder op, de eenige opvoedster van haar kind te zijn. De jonge wilde ontvangt niet alleen leiding van zijn angstige moeder, maarook van de hoofden en ouderen van zijn stam. Gedurende langen tijd beschouwde men de ouden van jaren als de eenige geschikte onderwijzers, omdat toen de meeste kennis uit persoonlijke ondervinding verkregen werd; en hoe ouder de persoon was, des te grooter was zijn ondervinding, indien natuurlijk, andere dingen gelijk waren, en die waren in dien tijd maar al te veel gelijk. Dit primitieve denkbeeld bestaat nog onder ons. Menschen matigen zich thans nog aan meer wijsheid te bezitten omdat zij ouder zijn, stellen enkel de som hunner ondervindingen tegenover een essentieeler en goed geregelde veelzijdigheid en vergeten geheel, dat de wijsheid die wij tegenwoordig bezitten niet uit een verzameling van feiten bestaat, maar in de macht om over die feiten met een bepaald doel na te denken.Sedert wij al meer en meer in staat zijn individueele ondervinding door literatuur te bewaren en aan anderen mede te deelen en de daardoor verkregen kennis door systematisch onderwijs te verspreiden, zien wij steeds jonger en jonger menschen bijv. rijker zijn in chemische of electrische ervaring dan “de oudste inwoner” in vroeger tijden kon geweest zijn. Daarom zijn de hedendaagsche onderwijzers niet meer de grijsaard en oude vrouw, maar de man of vrouw, die liefst zoo kort mogelijk geleden de verzamelde ondervinding der wereld opdeed. Evenals bij den onderwijzer een overgang van ouderdom tot jeugd plaats vond, evenzoo geschiedde dit bij de leerlingen. Bij de Grieken bezochten volwassen mannen de school. In de middeleeuwen vulden jonge mannen de inrichtingen van onderwijs. In onze verlichte eeuw kunnen jongens en ook meisjes gebruik maken van het zich steeds uitbreidend schoolonderricht.Thans is zelfs door de ontwikkeling van “den Kindergarten”het onderwijs tot de deur der kinderkamer genaderd. Zelfs ons stekeblind moederschap begint die deur te openen; en zoo zijn wij ten slotte genaderd tot de studie van kleine kinderen, wij leeren hun behoeften en gaven kennen en zien dat de opvoeding moet beginnen op het oogenblik dat het leven aanvangt. Het is geen gewaagde ketterij te beweren dat kleine kinderen een beter opvoeding noodig hebben dan de individueele moeder hun geeft. Wij bedoelen alleen een weinig verder uitstrekken van het zich geregeld uitbreidend systeem der menschelijke opvoeding, welke met toenemende beschaving toch zal komen. En daardoor zal niet meer inbreuk worden gemaakt op de rechten der moeder, de plichten der moeder, het genoegen der moeder, dan de school en vakschool doen.Wij denken immers geen kwaad van het moederschap, omdat onze lievelingen daags vele uren in de school gaan doorbrengen. De moeder wordt daarom niet voor zorgeloos, noch het kind voor te kort gedaan gehouden. Wij noemen het niet een “scheiding van moeder en kind.” Er zal ook niet meer kwaad of gevaar of verlies zijn, wanneer de kleine-kinderleeftijd in een omgeving van geoefende en voor hun taak opgeleide personen doorgebracht wordt, die hunne behoeften beter kennen en er beter aan te gemoet kunnen komen dan het voor de moeder alleen tehuis mogelijk is.Beter omgeving en beter zorg voor kleine kinderen, in ’t kort een beter opvoeding beteekent niet, zooals sommige moeders zich verbeelden, dat de zwakke zuigeling onderwezen wordt in lezen, of zelfs dat hij gezet zal worden aan het rangschikken van kleuren of vormen of geluiden, welke het jonge verstand geheimzinnig tot bloei zullen dwingen. Het beteekent hoofdzakelijk, een veel kalmer en rustiger leven dan mogelijkis in de drukke huishouding, voor het te vurig geliefkoosde en te zeer verzorgde kindje; en dat de indrukken die het ontvangt met inachtneming van zijne verstandelijke vermogens gekozen worden. De moeder zou niet uitgesloten maar geholpen worden, evenals zij nu door den onderwijzer en de school bijgestaan wordt.Tracht u eens, als gij wilt, een nieuwe wijze van de komst in het leven voor den geest te roepen;—de moederborst en moederarmen vervullen ook daar natuurlijk den dienst, welke geen ander hoe teeder ook, kan aanbrengen; maar waarbij tevens andere hulp zou zijn. De lange, gelukkige uren van de steeds langer wordende dagen zouden doorgebracht worden in zonnige, zacht gekleurde vertrekken, of tusschen gras en bloemen, of op het warme strand en aan het water. Er zouden vele andere kinderen zijn, kinderen van denzelfden leeftijd en dezelfde grootte, in kalme hulpvaardige vriendschap. Een jaar verschil in leeftijd beteekent voor kleine kinderen heel veel. Denkt eens aan de geestdrift van kleine kinderen, wanneer zij met makkertjes van dezelfde jaren spelen, omdat zij zich dan volkomen gelijk voelen; en bedenkt dan dat het tehuis groot gebrachte kindje zulke kameraadjes nooit heeft, tenzij er toevallig tweelingen zijn.In deze groote groep, in volle vriendschap levende, zou het kind onbewust de kennis opdoen, dat “wij” menschheid zijn, dat “wij” wezens zijn die moeten worden gevoed, bewaakt, gekleed, te slapen gelegd, gekust en geliefkoosd en vrijgelaten om te rollen en te spelen. Misschien zouden de moeder-uren de prettigste zijn. Dan zou het kind heelemaal alleen aan iemand toebehooren en dit zou om het contrast te beter gewaardeerd worden. Maar de lange, geregelde dagen zouden de rustige lessen van gelijkheid engemeenschappelijk belang brengen, in plaats van de koortsige persoonlijkheid van het alleen staande kindje in het één-kinder-huishouden, of de tallooze dwingelandijen en kibbelarijen van een kinderkamer vol broertjes en zusjes van zeer verschillenden leeftijd en verschillende gaven. Moeders, die er aan gewend zijn vele andere kleine kinderen dan hun eigen waar te nemen, zouden eensdeels beginnen iets te leeren van het klein-kinderwezen in het algemeen en daardoor dat levensstadium veel beter begrijpen, en anderdeels zouden zij leeren inzien, dat er verschil tusschen kleine kinderen bestaat en zoodoende een nieuw ideaal in hun groot werk van moederschap opdoen.Dit alleen is reden genoeg voor een ruimer opvatting van het moederschap. Zoolang nog ieder moeder alleen haar eigen kinderen in volle bewondering en hartstochtelijkheid aanstaart, niets wetende van anderen, zoolang zal deze dierlijke passie de zuiver menschelijke hoedanigheden van het kind over- of onderschatten. Zoolang dit voortduurt zullen wij opgroeien met het valsche, onvaste oordeel over ons zelf, dat ons in onze kindsheid is opgedrongen. Wij mogen te goed of te slecht van ons zelf denken, maar altijd denken wij te veel van ons zelf, als gevolg van die ongeoefende en onveranderde concentratie van moederlijk gevoel. Onze geheele houding tegenover het kind is te sterk persoonlijk. Door heel ons pijnlijk later leven kampen wij om aan dat valsche perspectief, door het primitieve moederschap onderwezen, te ontgroeien.Een klein kind, dat groot gebracht wordt met andere kleine kinderen zal nimmer die moeite en dat verdriet hebben. Hoezeer zijn moeder het ook mag liefhebben en hoeveel het ook van haar liefde geniet, het zal toch ondervinden, dat het voor het grootste gedeelte vanden tijd precies zoo behandeld wordt als andere kinderen van denzelfden leeftijd. Zulk een verandering zal voor het huiselijk en familieleven geen grooter verlies medebrengen dan de school of den Kindergarten doen. Zij zal het kleine kind niet van zijn moeder en de moeder niet van haar kind berooven. En zulk een verandering zou de moeder een aantal uren daags vrij geven om een gewoon mensch te zijn, een lid van een beschaafde gemeenschap, een economische voortbrengster, een zich ontwikkelend, zelfstandig individu. Deze ontwikkeling, vrijheid en macht zullen van haar een verstandiger, sterker en edeler moeder maken.Na alles wat gezegd is van de liefde en dankbaarheid voor onze onfeilbare moeder-kindermeid, moeten wij vrouwen toch wel een zeer hoogen dunk van onze persoonlijke belangrijkheid hebben om ons eigen werk zoo heilig te verklaren. De moeder in dienst der maatschappij, in plaats van in dienst van het gezin, zal haar ware moederplichten niet verwaarloozen. Zij zal haar kind even goed liefhebben, misschien beter, als zij er niet elk oogenblik mede in aanraking is; wanneer zij van zijn leven naar haar leven en terug van het hare tot het zijne gaat, met steeds nieuwe vreugde en nieuw verlangen. Zij zal de innige, groote vreugde van het moederschap veel frisscher in haar hart bewaren, in stem en oogen veel duidelijker uitdrukken, wanneer de uren van individueel werk haar geest een anderen uitweg gegeven hebben voor haar eigen deel wan den dag. Zij zal van haar werk, dat zij lief heeft en hoog stelt, naar het leven te huis en het leven van haar kind met graagte en met voortdurend welbehagen terugkeeren, gezuiverd als dit dan zal zijn van de duizend kleine kwellingen, oneenigheden en moeilijkheden die het nu zoo bederven.Ook het kind zal dit weldoende gevolg ondervinden. Menvergist zich als men meent dat het kleine kind, meer dan het oudere, juist de zorg en tegenwoordigheid van de moeder noodig heeft. Een zorgvuldig onderzoek heeft aangetoond dat een pas-geboren kind zijn eigen moeder en een pas-bevallen moeder haar eigen kind niet kent. Men kan ze verwisselen zonder dat een van beiden er iets van bemerkt.De diensten van een zoogster, een kindermeid, een grootmoeder worden door kleine kinderen dikwijls evenzeer gewaardeerd, soms beter, dan die van de eigen moeder. De zuiver lichamelijke zorg voor een jong kind kan even goed door de eene als door de andere verstandige, liefderijke hand gegeven worden. Het is de geoefende hand waaraan het kind voor deze zorg behoefte heeft, niet aan bloedverwantschap. Zoolang de moeder het heerlijke voorrecht behoudt haar kind te kunnen zoogen, behoeft zij nooit te vreezen dat iemand anders het kleine hartje dierbaarder zal zijn dan zij, de gezegende verschafster van het hoogste goed dat het kent. Een gezond, gelukkig, goed aangewend moederschap zal in staat zijn deze functie langer en beter te vervullen dan nu gewoonte is, tot groot voordeel voor het kind. Afgezien van deze speciale verwantschap, zal het aldus opgevoede kleine kind gemakkelijk het besef krijgen van een ander en breeder verwantschap.In de vrijheid en rust van zijn kinder-slaapkamer en speelkamer, in zijn dagelijkschen omgang met andere kinderen van zijn leeftijd, zal het een gevoel van de juiste menschelijke verhouding, als het ware, met de moedermelk in zich opnemen, een besef krijgen van de rechten van anderen en van zich zelf. In plaats van zich het leven te denken als iets waarin alle pret bestaat om door anderen rondgedragen en geliefkoosd te worden, of ook om door anderen getiranniseerd of onuitstaanbaarverveeld te worden, zal het kind het leven gaan beschouwen als een gelegenheid om zich ongehinderd te ontwikkelen, bekend te worden met zijn eigen ontluikende gaven van lichaam en geest, in een atmospheer van lichamelijke warmte en gemak en van kalme zielerust.Rechtstreeksche, geconcentreerde, onveranderlijke persoonlijke liefde is een te heete atmospheer voor een ontluikende ziel. Afwisseling met eenzaamheid, drift en onrechtvaardigheid brengt niet de gewenschte verandering. Een bedaard toegepaste liefde, door wijsheid verlicht, op rechtvaardigheid gegrondvest, en door de innige toewijding van de eigen moeder nu en dan afgewisseld, zou ons na weinige geslachten tot andere menschen maken. De neiging en uiting van ons geheele leven worden sterk gewijzigd door de omgeving in de kindsheid, en deze omgeving kan verbeterd worden, evenwel niet door de individueele moeder in de individueele woning.Er zijn drie redenen waarom de individueele moeder nooit geschikt gemaakt kan worden om alle zorg voor haar kinderen op zich te nemen. De eerste twee zijn te bekend om er lang bij stil te staan, de derde is zoo volstrekt afdoend, dat die alleen voldoende zou zijn.Ten eerste is niet elke vrouw met de bijzondere eigenschappen en gaven geboren, noodig om de juiste zorg voor kinderen op zich te nemen; zij bezit er geen aanleg voor. Ten tweede kan niet iedere vrouw de opleiding en oefening verkrijgen, noodig om haar geschikt te maken de juiste zorg voor kinderen op zich te nemen; zij is er niet voor opgeleid. Ten derde, zoolang elke vrouw alle zorg alleen voor eigen kinderen op zich neemt, kan nooit een vrouw de vereischte ondervinding er voor opdoen. Dat is de laatste hinderpaal. Dat houdt ons menschelijk moederschap achterlijk. Geen moeder weet meer dan haar moeder wist; geen moeder heeft ooithaar beroep geleerd; en onze kinderen ondergaan de goed-gemeende proefnemingen van een eindelooze reeks van amateur-opvoedsters.Wij trachten een kindermeid te krijgen, die ondervinding heeft. Wij zoeken een arts met ondervinding. Maar naar onze opinie is een moeder met ondervinding eenvoudig een, die veel kinderen gebaard heeft, alsof baren een opvoedend proces was!De angsten van het kraambed of de angsten van een kindersterfbed, hoe vaak ook ondervonden, dragen hoegenaamd niet bij tot de kennis van de moeder omtrent de juiste verzorging, kleeding, voeding en onderricht van het kind. De afdeeling opvoeding van het moederschap is geen persoonlijke functie; het is in haar waren aard een maatschappelijke functie; en in de volbrenging er van schieten wij betreurenswaardig te kort.De economisch onafhankelijke moeder, verruimd en bevrijd, versterkt en ontwikkeld door haar maatschappelijke taak, zal als moeder beter dienst bewijzen dan dit de afhankelijke moeder mogelijk is. Niets kan meer de belangen der menschheid bevorderen dan verstandiger zorg en breeder opgevatte liefde van een georganiseerd menschelijk moederschap over onze kleine kinderen. Zulk edeler moederschap, voortbrengende edeler kinderen en hen op edeler wijze groot brengende, zal een wereld mogelijk maken, zooals wij die wenschen. En deze verandering nadert overweldigend snel, ondanks onze dwaze vrees.

Wanneer wij ons de positie der vrouw onder economisch onafhankelijke omstandigheden voor den geest stellen, dan is de vrouw in haar positie als moeder voor velen het groote struikelblok.

Wij zijn zoo gewoon geraakt aan de oude opvatting van het moederschap, wij gevoelen ons zoo overtuigd dat alle onderdeelen er van onderling met elkaar in betrekking staan en niet te vervangen zijn, en wij vreezen zoozeer door verandering van een daarvan de geheele verhouding in gevaar te brengen, dat wij ons van eenige wenschelijke verandering geen voorstelling kunnen maken.

Wanneer bepaalde voorstellen voor zulk een verandering aan de hand worden gedaan,—maatregelen, waardoor kleine kinderen beter verzorgd zullen worden dan tegenwoordig,—dan loochenen wij òf de voordeelen van de voorgestelde verandering, òf wij beweren dat diezelfde voordeelen ook behaald kunnen worden onder ons tegenwoordig stelsel. Evenals wij bij het koken de eigen keukenmeid trachten te oefenen en onzen smaak te verbeteren, zoo trachten wij ook bij de verzorging van kleine kinderen de individueele moeder te oefenen en beter toestanden in eigen huis te scheppen; in beide gevallen de verhouding tusschen ons algemeen systeem en zijne bijzondere verschijnselen voorbijziende. Ofschoon bewezen kan worden dat de woning als plaats om kinderen groot te brengen, voor zoo ver het de lichamelijke omstandigheden betreft, geschikt gemaakt kan worden, handhaven wij daartegenover met krachtdezewaarheid: dat voor het geestelijk leven van het jonge kind het gezin met zijn leven vol aandoeningen geen geschikte omgeving is.

Er is een tijd in de menschelijke geschiedenis geweest dat de woning ook voor het geestelijk leven van het kind de beste plaats was. Toen de vooruitgang zijn voornaamste drijfkracht aan de geslachts-drift ontleende en onze hoogste aandoeningen die waren, waardoor wij in familieverhouding samen bleven, was het natuurlijk voor het kind het beste een opvoeding en omgeving te hebben, waarin zulke aandoeningen gekweekt en versterkt werden. Maar in het levensstadium dat wij thans tegemoet gaan, waarin de familieverwantschap slechts een deel van het leven uitmaakt en de individuen, die in maatschappelijke verhouding tot ons staan onze hoogste toewijding behoeven, heeft het kind nieuwe behoeften gekregen.

Hiermede wordt niet bedoeld, hetgeen de panische schrik aan het onberedeneerde verstand zal ingeven, dat onmiddellijk het tegenovergestelde, verbreking van den familiekring of vernietiging van het tehuis moet plaats vinden. Er wordt geen scheiding van moeder en kind bedoeld,—die oogenblikkelijke vrees uit het zuiver instinkt van dierlijk moederschap voortspruitende. Maar er wordt een andere grondslag in de familieverhouding bedoeld, het verwijderen van het vroeger economisch fundament en een andere methode van kindercultuur. Wij zijn immers niets meer gedwongen altijd dezelfde handelwijze van vroeger bij het verzorgen van kleine kinderen toe te passen, dan wij gehouden zijn haar bij de opvoeding van oudere kinderen of bij de bloemencultuur te handhaven. Het geheele menschelijk leven is in zijn waren aard voor verbetering vatbaar en het moederschap is daarvan niet uitgesloten. De verhoudingtusschen mannen en vrouwen, tusschen echtgenoot en echtgenoote, tusschen ouders en kinderen verandert onvermijdelijk met den maatschappelijken vooruitgang, maar wij willen dit niet altijd toegeven. Wij meenen dat elke verandering in het moederschap verkeerd moet zijn, omdat wij ons verbeelden dat de tegenwoordige toestand de juiste is.

Onderzoeken wij dien echter, dan vinden wij dat de bestaande verhouding tusschen ouders en kinderen tehuis volstrekt niet is zooals wij die, als van zelf sprekend, hadden aangenomen. Wij bezitten allen zekere idealen van het huiselijk leven, het familieleven. Doch wanneer wij rondom ons zien, of wij lezen van honderde gevallen van ongelukkige gezinnen, die openlijk met elkaar in vijandschap leven, dan schrijven wij dat toe aan het individueel wangedrag der betrokken partijen, en blijven onvoorwaardelijk aan de innerlijke volmaaktheid van het familieleven gelooven. Doch wanneer, omgekeerd, menschen in deze verhouding in rust en liefde en hoffelijkheid te zamen leven, dan schrijven wij dat niet toe aan de individueele superioriteit en deugdzaamheid dier menschen, maar dan gebruiken wij dat gezin als voorbeeld om de schoonheid dier verhouding aan te toonen.

Voor den nauwkeurigen sociologischen opmerker is evenwel de ware toedracht deze: zoolang de individueele en ras-vooruitgang het best door het nauwe verbond der familieleden gediend werden, was familie-genegenheid zeer sterk bij de menschen ontwikkeld. Zij voelden de werkelijke beperking en de onophoudelijke wrijving der verhouding niet. Zij berustten in de onbegrensde heerschappij van het hoofd der familie en de dwingelandij der lagere gezaghebbers, wijl zij geen van deze scherp omlijnde individueele bijzonderheden bezaten, welke zoo vijandelijk tegenover de familieverhouding staan.

Maar wij hebben een stadium bereikt waarbij vooruitgang van het individu en het ras het best gediend worden door een steeds toenemend verschil der individuen en door een hooger en breeder opvatting van liefde en plicht. Deze verandering oefent op de geestelijke omstandigheden van het huiselijk leven een steeds nadeeliger invloed uit. Onophoudelijk hooren wij klagen over slechte manieren der hedendaagsche kinderen, over rusteloosheid der jeugd en over ouders die hun kinderen verlaten. Het is blijkbaar nu niet meer zoo gemakkelijk tehuis te leven als het vroeger was. Onze kinderen zijn niet onhandelbaarder dan de kinderen uit vroeger eeuwen, maar de toestanden waarin zij groot gebracht worden zijn niet meer geschikt de eigenschappen te ontwikkelen, die menschelijke wezens thans noodig hebben.

Deze toenemende wrijving onder de familieleden moet uit een zedelijk oogpunt niet met vooroordeel beschouwd, maar met wetenschappelijke belangstelling bestudeerd worden. Indien onze gezinnen onder de tegenwoordige omstandigheden betrekkelijk niet op hun gemak zijn, zijn er dan geen toestanden te scheppen, waarin diezelfde gezinnen aangenamer kunnen leven? Neen: wij vreezen dat het niet kan. Wij meenen dat het goed is zooals de dingen nu zijn en dat het verkeerd is te wenschen dat zij veranderd worden. Wij meenen dat het zeer deugdzaam is in deze ongemakkelijke toestanden te berusten en dat wij bijzonder deugdzaam zijn, als wij de bestaande familieverhouding niet aantasten.

Deugd is een betrekkelijke term. Menschelijke deugden veranderen jaar in jaar uit met de verandering van toestanden. Beschouwen wij eens de groote deugd van trouw,—onzen hoogsten naam voor plicht. Zij is een eigenschap die in het menschelijk leven waarde verkreeg, op het oogenblik dat wij dingen begonnen te doen, dieniet oogenblikkelijk en duidelijk merkbaar voor ons zelf voordeelig waren. Voortdurende ijver van een individu voor een op zich zelf niet aantrekkelijke taak, was een onontbeerlijke maatschappelijke hoedanigheid en werd daarom als deugd aangemerkt. Onveranderlijkheid, getrouwheid, oprechtheid, plichtsgevoel, die bewuste, vrijwillige houding van het individu, welke hem aan een te voren overeengekomen verhouding bindt, soms levenslang, al mocht het hem persoonlijk nog zooveel schaden, deze verhoudingen vormen het verband van het maatschappelijk lichaam. Zij zijn het grondbeginsel van het maatschappelijk bestaan.

Een sociale deugd moet zich aan het persoonlijk geweten doen gevoelen door een erkend en aangenomen drang, een drang waarvoor wij buigen, een plicht tegenover anderen. Op die wijze kwam de deugd van trouw reeds vroegtijdig in duurzame achting; hetzij in den vorm van trouw aan het eens gegeven woord of de belofte, of trouw aan een vriend of een groep van vrienden die voor een of ander gemeenschappelijk doel tijdelijk vereenigd waren, of trouw aan een grooter en bestendiger verhouding. De hoogste vorm van trouw is natuurlijk trouw aan het grootst algemeen belang; en hier kunnen wij duidelijk den loop der ontwikkeling van deze eigenschap volgen.

Eerst zien wij haar in het vage, nevelachtig samenhangen van de horde der wilden, dan in de strenge vereering der gezinnen,—dien onbegrensden plicht voor de hoogste toen bekende maatschappelijke groep. Het was in deze periode dat gehoorzaamheid aan ouders op onze schaal der deugden zoo hoog stond aangeschreven. De familietwisten, devendettader Corsicanen, zijn een over-ontwikkeling van deze deugd van familievereering. Daarna kwam trouw aan het opperhoofd, met voorbijgaan zelfs van trouw aan den vader. En met den Koning,—die dramatische verpersoonlijking van een natie,—“Zie! het Koninkrijk Engeland komt!”—werd trouw zelfs een hartstocht. Zij werd, en om goede redenen, boven elke andere deugd verheven, want het was niet, zooals verondersteld wordt, de persoon des Konings die zoo vereerd werd; het was de belichaamde natie, de ver-strekkende, gezamenlijke belangen van elken burger, het gemeenschappelijk welzijn, waarvoor het vrijwillig offer van elk individu gevraagd werd. Wij bezitten nog al deze phasen van trouw, in verschillend afnemende graden; maar wij verkrijgen thans ook een breeder opvatting van deze deugd, meer geschiktvoor onzentijd.

De tegenwoordige maatschappelijke verhoudingen zijn hoofdzakelijk industrieele verhoudingen. Ons individueel leven, onze sociale rust en vooruitgang hangen meer af van onze economische verhoudingen dan van eenige andere. Gedurende langen tijd was de maatschappij alleen ingericht op een geslachts-basis, een godsdienstige basis of een militaire basis; elk van deze organisaties was van betrekkelijk kortstondigen duur; en de individuen die haar samenstelden werkten alleen op den economischen grondslag van het hulpeloos individualisme.

Plicht is een maatschappelijk gevoel en ontwikkelt zich alleen met maatschappelijke organisatie. Toen onze burgerlijke organisatie eene nationale werd, ontwikkelden wij het gevoel van plicht voor den Staat. Toen de industrieele organisatie tot de tegenwoordige wereldomvattende ingewikkelde regeling aangegroeid was, toen wij het stadium bereikt hadden waarin onze plaats op aarde alleen houdbaar was door onze uitgestrekte en ingewikkelde economische verhouding, met haar snel kloppend en fijngevoelig samenstel van verkeer en algemeen onderling dienstbetoon, toen heeft het verstand ons voor de nieuwe sociale behoeften een nieuw soort trouwvoorgeschreven,—trouw aan ons werk. De machinist op zijn post blijvende tot hij sterft, opdat de passagiers in den trein behouden blijven; de kassier, liever de grootste kwellingen verdragende, dan het geheim van de brandkast te verraden,—dezulken zijn even trouw als de dienaar uit het feudale tijdperk die zijn meester tot den dood volgde, of de onderdaan die alles voor zijn koning opofferde. Beroepseer, verplichtingen tegenover het werk zelf, wat het ook kosten moge,—dat noemen wij trouw, geloofwaardigheid, de macht om stand te houden in een verhouding, die noodzakelijk is voor het maatschappelijk belang, zelfs wanneer het persoonlijk belang daarmede rechtstreeks in strijd is.

De kinderen voor dit stadium van het menschelijk leven op te voeden, daarvoor is de eigen woning niet meer voldoende en de op zich zelf staande, primitieve, afhankelijke vrouw niet meer in staat. Niet dat de moeder geen krachtig en alles-overheerschend gevoel van trouw en plicht bezit, maar het is een plicht voor individuen, even als het was in het jaar één. In haar gedwongen nijverheids-beperking is zij onbekwaam, de hoogere arbeidsverdeeling en de loffelijke toewijding van een menschenleven aan den vooruitgang van zijn vak te waardeeren. Zij werd zoo slaafs mogelijk tot haar dagelijksche taak beperkt, dat geven wij toe; maar het kwam ook niet in haar op dat het ook haar plicht was het gehalte van haar arbeid in het belang der menschheid te verhoogen, noch dat het een zonde was den vooruitgang der wereld door haar tevreden berusting tegen te houden.

Zij kan niet onderwijzen wat zij niet weet. Zij kan niet, met eenigen ernst, als plicht hoog houden, hetgeen zij zelf niet in toepassing brengt. Het kind leert meer van de deugden noodig voor het hedendaagsche leven,—van oprechtheid, rechtvaardigheid, vriendschap,gemeenschapszin en gemeenschappelijk handelen—in een openbare school dan in den besten familiekring onderwezen kan worden. Wij kunnen, zooveel wij willen, onze kinderen den grooten plicht zijn naaste lief te hebben en van dienst te zijn voorhouden; maar de zuigeling wordt geboren en het kind groeit op in een omgeving, waarin een geheel leven,—dat van zijn moeder,—gewijd wordt aan de vergrooting van haar gezin; en waarin een ander geheel leven,—dat van zijn vader,—zich overspant door de noodzakelijkheid van “zijn gezin te onderhouden”, zoodat verraad jegens de maatschappij gewoonlijk de prijs is, waarmede wij het gemak in de woning betalen. De man, die elk laag, valsch werk waarvoor hij gehuurd wordt verricht, werk dat voortbrenger en verbruiker beiden benadeelt; die zijn gaven en talenten beschikbaar stelt voor elken kooper die ze gebruiken kan, wordt door mannen verontschuldigd met wat zij noemen “plichten voor het gezin” en door het zedelijk gevoel der afhankelijke vrouwen niet gelaakt.

Dit is de atmospheer waarin het tehuis opgevoede, door de moeder onderwezen kind opgroeit. Waarom zouden dan niet voedsel en kleederen en gemak van eigen familieleden een eerste plaats in zijn jonge ziel innemen? Ziet hij niet zijn eigen moeder, de boven allen geliefde, de boven alles volmaakte in zijne oogen, rustig haar dagen besteden in het regelen van die zaken, welke door vader’s onophoudelijk zwoegen verkregen zijn? Waarom zou hij, als hij groot is, niet voor zich zelf zorgen, met veronachtzaming van de belangen of ten nadeele van al de anderen, wanneer zijn vroegste, diepste indrukken gevormd worden onder een toewijding van zóó exclusieven aard?

Het is niet de woning als plaats van familieleven enliefde die het kind bederft, maar de woning als middelpunt van een verwarden hoop werkzaamheden, laag in hun ongeregelden toestand en lager nog om hun zuiver persoonlijk karakter. Werk dat alleen voor eigen belang dient, staat het laagst. Daarop volgt het werk dat hoofdzakelijk voor het belang van eigen gezin moet dienen. Werk dat in het belang van meer en meer menschen, in steeds wijder kring verricht wordt, tot het ten laatste den heiligen geest die voor de geheele wereld zorgt nabij komt, is maatschappelijk werk in den volsten zin, en de hoogste vorm van dienstbaarheid dien wij kunnen bereiken.

Het is dit persoonlijke in de huiselijke werkzaamheden, waardoor de huiselijke omgeving zoo hopeloos laag staat. De korte afstand tusschen inspanning voor en bereiking van het doel, de aanhoudende aandacht aan persoonlijke behoeften geschonken, is voor den man slecht, slechter nog voor de vrouw en het slechtst voor het kind. Van den aanvang af worden zijn levensindrukken daardoor verkleind. Het gewent hem de plichten tegenover zijn persoon te vergrooten en de plichten tegenover de maatschappij te verkleinen en het houdt zijn geschiktmaking voor een breeder levensopvatting zeer sterk tegen. Het dienstbode-moederschap, met al zijn onvermijdelijke beperkingen en ziekelijke gevolgen, is de begeleider van de economische afhankelijkheid der vrouw, het rechtstreeksch en onafwendbaar gevolg van de sexueel-economische verhouding.

Het kind ondergaat dien invloed gedurende de jaren dat het voor indrukken het meest vatbaar is en voelt de slechte gevolgen er van zijn geheele leven door. De vrouw wordt er bestendig achterlijk door gehouden; de man in mindere mate, omdat hij door zijn normale maatschappelijke werkzaamheden tegelijkertijd meerontwikkelende invloeden ondervindt. Maar toch wordt ook hij nog in groote mate daardoor benadeeld, terwijl onze geheele beschaving er door belemmerd en in verkeerde richting gedreven wordt.

Ook lijden wij hierdoor levenslang aan een sterk gevoel van eigenwaarde, een alle voegen te buiten gaande lichtgeraaktheid; wij eischen een bovenmatige aandacht en toewijding aan onze persoonlijkheid, omdat wij geboren en groot gebracht werden in een ware broeikast van deze hoedanigheden. Een klein kind dat een zeker aantal uren daags onder andere kleine kinderen doorbrengt, waarvoor wordt zorg gedragen omdat hij een klein kind is en niet omdat hij “mijn kindje” is, zal, groot geworden, een heel ander oordeel over zich zelf hebben dan het kind, dat opgroeit onder de onophoudelijke bewondering en liefkoozing van eigen familieleden. Het kind moet eens en voor altijd leeren, vriendelijk en zacht doch onverbiddelijk, dat het een kind is als velen.

Wij erkennen dit allen zwakjes door het prijzen van groote gezinnen en door te zeggen dat “een eenig kind geneigd is om zelfzuchtig te worden.” Dat is ook het geval met een eenig gezin. Hoe vroeger en gemakkelijker een kind kan leeren dat menschelijk leven beteekent het leven van vele menschen en hun gedrag tegenover elkander, des te gelukkiger en voller en nuttiger zal zijn leven worden.

Dit kan het kind zonder eenige moeite onder bepaalde omstandigheden geleerd worden, juist zoo als het zijn tegenwoordige zelfzucht en lichtgeraaktheid onder de tegenwoordige omstandigheden leert. Niet enkel temperatuur en dieet en rust en beweging oefenen invloed op een klein kind uit. “Hij vindt het zoo prettig als er notitie van hem genomen wordt”, zeggen wij. “Hij is zoo gelukkig wanneer hij een dozijn bewonderaars rondomzich ziet,” merken wij op. Maar wat leert onderwijl het jonge kind van dit alles? Welke indrukken vangt het op, zoodra het ziet en hoort en langzamerhand leert opmerken? Dank zij de rechtstreeksche gevolgtrekkingen die een helder, ontluikend verstand, dat nog niet over ervaring beschikt, maakt, leert het dat vrouwen in de wereld zijn om de menschen te bedienen, voor het eten te zorgen, te vegen en te schrobben en weg te ruimen; dat mannen geschapen zijn om dingen te huis te brengen, die hun naar gelang van omstandigheden afgebedeld of afgeperst moeten worden; dat kleine kinderen het voorwerp zijn van voortdurende bewondering, dat hun haar, handen of voeten bijzonder aantrekkelijk schijnen, dat zij het brandpunt van oplettendheid zijn, van hand tot hand gaan, geslingerd en gehost en vermaakt worden op de wildste manier, doch ook op zijde gezet en aan zich zelf overgelaten, zonder te overwegen wat het kind het liefst wil en het aangenaamst is.

En dan te midden van zijn tintelend zelfbewustzijn en zijn zucht om geprezen te worden, moet het kind hooren dat het “ondeugend” is. Het verdriet, de schaamte, de woede over zulk een onrechtvaardigheid, de wanhopige verbijstering, de ziekelijke prikkelbaarheid of de verdooving van het geweten, het langzamerhand tot het teleurgesteld verstand doordringen van al deze vroegtijdige gewaarwordingen, doen het kind ten slotte haken naar zuiver persoonlijk genot en het legt zich toe om dat te bemachtigen. Dit zijn de ondervindingen die de meeste kinderen opdoen en die ook wij opdeden toen wij kinderen waren. Natuurlijk herinneren wij ons dat niet meer. Wij hielden natuurlijk van onze moeder en dachten dat zij volmaakt was. Vergelijkingen tusschen moeders te maken is moeilijkvoor een klein kind. Wij hielden natuurlijk van ons huis en droomden er nooit van, dat er ook nog een andere weg bestaat om groot gebracht te worden. En natuurlijk als wij zelf kinderen krijgen, brengen wij ze weder op dezelfde wijze groot. Welke andere weg bestaat er? Wat kan men er tegen hebben? Kinderen werden immers altijd tehuis groot gebracht. Is dat niet voldoende?

En toch, verraderlijk, langzaam, onverzettelijk, terwijl wij ons zelf vleien met de gedachte dat de toestanden dezelfde blijven, veranderen zij onder onze oogen van jaar tot jaar, van dag tot dag. Opvoeding, zich zelf verschuilende achter een hoop boeken, maar al meer en meer bestaande in het groepeeren van kinderen en in het oefenen van eigenschappen die in den schoolcursus nimmer vermeld worden,—opvoeding, welke het menschelijk moederschap uitmaakt, kruipt al nader en nader naar haar ware plaats, haar beste werk,—de verzorging en opleiding van het kleine kind. Er zijn enkele vrouwen en ook enkele mannen die de menschheid ten hoogste aan zich verplichten door hun zorg voor kinderen. Dezulken moesten hun krachten niet concentreeren op eigen kinderen,—een zeer twijfelachtig voordeel voor de maatschappij—maar zij moesten zoo geplaatst worden dat hun talenten en geschiktheid, hun kennis en ondervinding, het grootst aantal kinderen ten goede konden komen. Er zijn vele vrouwen en vele mannen ook, die, ofschoon zij in staat zijn mooie, gezonde kinderen voort te brengen, niet bekwaam zijn hun een goede opvoeding te geven. Kinderen te baren is een persoonlijke zaak, een dierlijke functie. Opvoeding is een collectieve, menschelijke, maatschappelijke functie.

Zooals wij nu het leven geregeld hebben, loopen onze kinderen de kans terwijl zij nog zuigelingen zijn, televen of te sterven, ten goede of ten kwade zich te ontwikkelen, naar gelang van de hoedanigheden der moeder, uit wie zij geboren worden. Een onverstandige moeder is geen beletsel voor een kind om een goede schoolopleiding en later een goede vakopleiding deelachtig te worden; maar de opvoeding in zijn prille jeugd, de belangrijkste in alle opzichten, is geheel in haar handen. Het is onnoodig aan te voeren dat moeders onderwezen moeten worden, hoe zij hunne moederplichten vervullen moeten. Men kan niet van elke moeder een goede schoolonderwijzeres of een goede vakonderwijzeres maken. Waarom verwacht men dan dat wel van iedere moeder eene goede opvoedster voor kleine kinderen gemaakt kan worden? Maar welke ook onze verwachtingen zijn, de ondervinding heeft geleerd dat niet allen er geschikt voor zijn; en onze verkeerd opgevoede kinderen, dezulken die de verkeerde stoffelijke behandeling te boven komen, groeien tot menschen op, zoo als wij ze rondom ons zien.

De groei en verandering van het huiselijk en familieleven gaan aanhoudend hun gang onder en over en door onze vooroordeelen en overtuigingen heen; en ook de opvoeding van het kind is veranderd en een sociale functie geworden, hoewel wij ons nog verbeelden dat alles alleen door de moeder gedaan wordt.

In haar vroegste en meest onvolledige openbaringen maakte opvoeding slechts deel uit van de individueele moederlijke functie wan het vrouwelijk dier. Maar van het oogenblik af dat de menschelijke geest in staat werd indrukken weer te geven en te ontvangen door middel van de spraak, hierdoor werd de macht verkregen kennis uit andere bronnen dan die van eigen ondervinding op te doen, hield de individueele moeder op, de eenige opvoedster van haar kind te zijn. De jonge wilde ontvangt niet alleen leiding van zijn angstige moeder, maarook van de hoofden en ouderen van zijn stam. Gedurende langen tijd beschouwde men de ouden van jaren als de eenige geschikte onderwijzers, omdat toen de meeste kennis uit persoonlijke ondervinding verkregen werd; en hoe ouder de persoon was, des te grooter was zijn ondervinding, indien natuurlijk, andere dingen gelijk waren, en die waren in dien tijd maar al te veel gelijk. Dit primitieve denkbeeld bestaat nog onder ons. Menschen matigen zich thans nog aan meer wijsheid te bezitten omdat zij ouder zijn, stellen enkel de som hunner ondervindingen tegenover een essentieeler en goed geregelde veelzijdigheid en vergeten geheel, dat de wijsheid die wij tegenwoordig bezitten niet uit een verzameling van feiten bestaat, maar in de macht om over die feiten met een bepaald doel na te denken.

Sedert wij al meer en meer in staat zijn individueele ondervinding door literatuur te bewaren en aan anderen mede te deelen en de daardoor verkregen kennis door systematisch onderwijs te verspreiden, zien wij steeds jonger en jonger menschen bijv. rijker zijn in chemische of electrische ervaring dan “de oudste inwoner” in vroeger tijden kon geweest zijn. Daarom zijn de hedendaagsche onderwijzers niet meer de grijsaard en oude vrouw, maar de man of vrouw, die liefst zoo kort mogelijk geleden de verzamelde ondervinding der wereld opdeed. Evenals bij den onderwijzer een overgang van ouderdom tot jeugd plaats vond, evenzoo geschiedde dit bij de leerlingen. Bij de Grieken bezochten volwassen mannen de school. In de middeleeuwen vulden jonge mannen de inrichtingen van onderwijs. In onze verlichte eeuw kunnen jongens en ook meisjes gebruik maken van het zich steeds uitbreidend schoolonderricht.

Thans is zelfs door de ontwikkeling van “den Kindergarten”het onderwijs tot de deur der kinderkamer genaderd. Zelfs ons stekeblind moederschap begint die deur te openen; en zoo zijn wij ten slotte genaderd tot de studie van kleine kinderen, wij leeren hun behoeften en gaven kennen en zien dat de opvoeding moet beginnen op het oogenblik dat het leven aanvangt. Het is geen gewaagde ketterij te beweren dat kleine kinderen een beter opvoeding noodig hebben dan de individueele moeder hun geeft. Wij bedoelen alleen een weinig verder uitstrekken van het zich geregeld uitbreidend systeem der menschelijke opvoeding, welke met toenemende beschaving toch zal komen. En daardoor zal niet meer inbreuk worden gemaakt op de rechten der moeder, de plichten der moeder, het genoegen der moeder, dan de school en vakschool doen.

Wij denken immers geen kwaad van het moederschap, omdat onze lievelingen daags vele uren in de school gaan doorbrengen. De moeder wordt daarom niet voor zorgeloos, noch het kind voor te kort gedaan gehouden. Wij noemen het niet een “scheiding van moeder en kind.” Er zal ook niet meer kwaad of gevaar of verlies zijn, wanneer de kleine-kinderleeftijd in een omgeving van geoefende en voor hun taak opgeleide personen doorgebracht wordt, die hunne behoeften beter kennen en er beter aan te gemoet kunnen komen dan het voor de moeder alleen tehuis mogelijk is.

Beter omgeving en beter zorg voor kleine kinderen, in ’t kort een beter opvoeding beteekent niet, zooals sommige moeders zich verbeelden, dat de zwakke zuigeling onderwezen wordt in lezen, of zelfs dat hij gezet zal worden aan het rangschikken van kleuren of vormen of geluiden, welke het jonge verstand geheimzinnig tot bloei zullen dwingen. Het beteekent hoofdzakelijk, een veel kalmer en rustiger leven dan mogelijkis in de drukke huishouding, voor het te vurig geliefkoosde en te zeer verzorgde kindje; en dat de indrukken die het ontvangt met inachtneming van zijne verstandelijke vermogens gekozen worden. De moeder zou niet uitgesloten maar geholpen worden, evenals zij nu door den onderwijzer en de school bijgestaan wordt.

Tracht u eens, als gij wilt, een nieuwe wijze van de komst in het leven voor den geest te roepen;—de moederborst en moederarmen vervullen ook daar natuurlijk den dienst, welke geen ander hoe teeder ook, kan aanbrengen; maar waarbij tevens andere hulp zou zijn. De lange, gelukkige uren van de steeds langer wordende dagen zouden doorgebracht worden in zonnige, zacht gekleurde vertrekken, of tusschen gras en bloemen, of op het warme strand en aan het water. Er zouden vele andere kinderen zijn, kinderen van denzelfden leeftijd en dezelfde grootte, in kalme hulpvaardige vriendschap. Een jaar verschil in leeftijd beteekent voor kleine kinderen heel veel. Denkt eens aan de geestdrift van kleine kinderen, wanneer zij met makkertjes van dezelfde jaren spelen, omdat zij zich dan volkomen gelijk voelen; en bedenkt dan dat het tehuis groot gebrachte kindje zulke kameraadjes nooit heeft, tenzij er toevallig tweelingen zijn.

In deze groote groep, in volle vriendschap levende, zou het kind onbewust de kennis opdoen, dat “wij” menschheid zijn, dat “wij” wezens zijn die moeten worden gevoed, bewaakt, gekleed, te slapen gelegd, gekust en geliefkoosd en vrijgelaten om te rollen en te spelen. Misschien zouden de moeder-uren de prettigste zijn. Dan zou het kind heelemaal alleen aan iemand toebehooren en dit zou om het contrast te beter gewaardeerd worden. Maar de lange, geregelde dagen zouden de rustige lessen van gelijkheid engemeenschappelijk belang brengen, in plaats van de koortsige persoonlijkheid van het alleen staande kindje in het één-kinder-huishouden, of de tallooze dwingelandijen en kibbelarijen van een kinderkamer vol broertjes en zusjes van zeer verschillenden leeftijd en verschillende gaven. Moeders, die er aan gewend zijn vele andere kleine kinderen dan hun eigen waar te nemen, zouden eensdeels beginnen iets te leeren van het klein-kinderwezen in het algemeen en daardoor dat levensstadium veel beter begrijpen, en anderdeels zouden zij leeren inzien, dat er verschil tusschen kleine kinderen bestaat en zoodoende een nieuw ideaal in hun groot werk van moederschap opdoen.

Dit alleen is reden genoeg voor een ruimer opvatting van het moederschap. Zoolang nog ieder moeder alleen haar eigen kinderen in volle bewondering en hartstochtelijkheid aanstaart, niets wetende van anderen, zoolang zal deze dierlijke passie de zuiver menschelijke hoedanigheden van het kind over- of onderschatten. Zoolang dit voortduurt zullen wij opgroeien met het valsche, onvaste oordeel over ons zelf, dat ons in onze kindsheid is opgedrongen. Wij mogen te goed of te slecht van ons zelf denken, maar altijd denken wij te veel van ons zelf, als gevolg van die ongeoefende en onveranderde concentratie van moederlijk gevoel. Onze geheele houding tegenover het kind is te sterk persoonlijk. Door heel ons pijnlijk later leven kampen wij om aan dat valsche perspectief, door het primitieve moederschap onderwezen, te ontgroeien.

Een klein kind, dat groot gebracht wordt met andere kleine kinderen zal nimmer die moeite en dat verdriet hebben. Hoezeer zijn moeder het ook mag liefhebben en hoeveel het ook van haar liefde geniet, het zal toch ondervinden, dat het voor het grootste gedeelte vanden tijd precies zoo behandeld wordt als andere kinderen van denzelfden leeftijd. Zulk een verandering zal voor het huiselijk en familieleven geen grooter verlies medebrengen dan de school of den Kindergarten doen. Zij zal het kleine kind niet van zijn moeder en de moeder niet van haar kind berooven. En zulk een verandering zou de moeder een aantal uren daags vrij geven om een gewoon mensch te zijn, een lid van een beschaafde gemeenschap, een economische voortbrengster, een zich ontwikkelend, zelfstandig individu. Deze ontwikkeling, vrijheid en macht zullen van haar een verstandiger, sterker en edeler moeder maken.

Na alles wat gezegd is van de liefde en dankbaarheid voor onze onfeilbare moeder-kindermeid, moeten wij vrouwen toch wel een zeer hoogen dunk van onze persoonlijke belangrijkheid hebben om ons eigen werk zoo heilig te verklaren. De moeder in dienst der maatschappij, in plaats van in dienst van het gezin, zal haar ware moederplichten niet verwaarloozen. Zij zal haar kind even goed liefhebben, misschien beter, als zij er niet elk oogenblik mede in aanraking is; wanneer zij van zijn leven naar haar leven en terug van het hare tot het zijne gaat, met steeds nieuwe vreugde en nieuw verlangen. Zij zal de innige, groote vreugde van het moederschap veel frisscher in haar hart bewaren, in stem en oogen veel duidelijker uitdrukken, wanneer de uren van individueel werk haar geest een anderen uitweg gegeven hebben voor haar eigen deel wan den dag. Zij zal van haar werk, dat zij lief heeft en hoog stelt, naar het leven te huis en het leven van haar kind met graagte en met voortdurend welbehagen terugkeeren, gezuiverd als dit dan zal zijn van de duizend kleine kwellingen, oneenigheden en moeilijkheden die het nu zoo bederven.

Ook het kind zal dit weldoende gevolg ondervinden. Menvergist zich als men meent dat het kleine kind, meer dan het oudere, juist de zorg en tegenwoordigheid van de moeder noodig heeft. Een zorgvuldig onderzoek heeft aangetoond dat een pas-geboren kind zijn eigen moeder en een pas-bevallen moeder haar eigen kind niet kent. Men kan ze verwisselen zonder dat een van beiden er iets van bemerkt.

De diensten van een zoogster, een kindermeid, een grootmoeder worden door kleine kinderen dikwijls evenzeer gewaardeerd, soms beter, dan die van de eigen moeder. De zuiver lichamelijke zorg voor een jong kind kan even goed door de eene als door de andere verstandige, liefderijke hand gegeven worden. Het is de geoefende hand waaraan het kind voor deze zorg behoefte heeft, niet aan bloedverwantschap. Zoolang de moeder het heerlijke voorrecht behoudt haar kind te kunnen zoogen, behoeft zij nooit te vreezen dat iemand anders het kleine hartje dierbaarder zal zijn dan zij, de gezegende verschafster van het hoogste goed dat het kent. Een gezond, gelukkig, goed aangewend moederschap zal in staat zijn deze functie langer en beter te vervullen dan nu gewoonte is, tot groot voordeel voor het kind. Afgezien van deze speciale verwantschap, zal het aldus opgevoede kleine kind gemakkelijk het besef krijgen van een ander en breeder verwantschap.

In de vrijheid en rust van zijn kinder-slaapkamer en speelkamer, in zijn dagelijkschen omgang met andere kinderen van zijn leeftijd, zal het een gevoel van de juiste menschelijke verhouding, als het ware, met de moedermelk in zich opnemen, een besef krijgen van de rechten van anderen en van zich zelf. In plaats van zich het leven te denken als iets waarin alle pret bestaat om door anderen rondgedragen en geliefkoosd te worden, of ook om door anderen getiranniseerd of onuitstaanbaarverveeld te worden, zal het kind het leven gaan beschouwen als een gelegenheid om zich ongehinderd te ontwikkelen, bekend te worden met zijn eigen ontluikende gaven van lichaam en geest, in een atmospheer van lichamelijke warmte en gemak en van kalme zielerust.

Rechtstreeksche, geconcentreerde, onveranderlijke persoonlijke liefde is een te heete atmospheer voor een ontluikende ziel. Afwisseling met eenzaamheid, drift en onrechtvaardigheid brengt niet de gewenschte verandering. Een bedaard toegepaste liefde, door wijsheid verlicht, op rechtvaardigheid gegrondvest, en door de innige toewijding van de eigen moeder nu en dan afgewisseld, zou ons na weinige geslachten tot andere menschen maken. De neiging en uiting van ons geheele leven worden sterk gewijzigd door de omgeving in de kindsheid, en deze omgeving kan verbeterd worden, evenwel niet door de individueele moeder in de individueele woning.

Er zijn drie redenen waarom de individueele moeder nooit geschikt gemaakt kan worden om alle zorg voor haar kinderen op zich te nemen. De eerste twee zijn te bekend om er lang bij stil te staan, de derde is zoo volstrekt afdoend, dat die alleen voldoende zou zijn.

Ten eerste is niet elke vrouw met de bijzondere eigenschappen en gaven geboren, noodig om de juiste zorg voor kinderen op zich te nemen; zij bezit er geen aanleg voor. Ten tweede kan niet iedere vrouw de opleiding en oefening verkrijgen, noodig om haar geschikt te maken de juiste zorg voor kinderen op zich te nemen; zij is er niet voor opgeleid. Ten derde, zoolang elke vrouw alle zorg alleen voor eigen kinderen op zich neemt, kan nooit een vrouw de vereischte ondervinding er voor opdoen. Dat is de laatste hinderpaal. Dat houdt ons menschelijk moederschap achterlijk. Geen moeder weet meer dan haar moeder wist; geen moeder heeft ooithaar beroep geleerd; en onze kinderen ondergaan de goed-gemeende proefnemingen van een eindelooze reeks van amateur-opvoedsters.

Wij trachten een kindermeid te krijgen, die ondervinding heeft. Wij zoeken een arts met ondervinding. Maar naar onze opinie is een moeder met ondervinding eenvoudig een, die veel kinderen gebaard heeft, alsof baren een opvoedend proces was!

De angsten van het kraambed of de angsten van een kindersterfbed, hoe vaak ook ondervonden, dragen hoegenaamd niet bij tot de kennis van de moeder omtrent de juiste verzorging, kleeding, voeding en onderricht van het kind. De afdeeling opvoeding van het moederschap is geen persoonlijke functie; het is in haar waren aard een maatschappelijke functie; en in de volbrenging er van schieten wij betreurenswaardig te kort.

De economisch onafhankelijke moeder, verruimd en bevrijd, versterkt en ontwikkeld door haar maatschappelijke taak, zal als moeder beter dienst bewijzen dan dit de afhankelijke moeder mogelijk is. Niets kan meer de belangen der menschheid bevorderen dan verstandiger zorg en breeder opgevatte liefde van een georganiseerd menschelijk moederschap over onze kleine kinderen. Zulk edeler moederschap, voortbrengende edeler kinderen en hen op edeler wijze groot brengende, zal een wereld mogelijk maken, zooals wij die wenschen. En deze verandering nadert overweldigend snel, ondanks onze dwaze vrees.


Back to IndexNext