IX.

[Inhoud]IX.DE LEGERSCHANS IN DE WILDERNIS.Op ongeveer drie geweerschoten afstands van de hacienda, in een dicht bosch van lentisken, nopals en inktboomen, doormengd met eenige acajou-ceders, wilde katoen- en Peruboomen, steeg een uur voor zonsondergang een ruiter af, en kluisterde zijn paard—een heerlijken mustang met fonkelend oog, fieren hals en golvende manen. Nadat de ruiter een bespiedenden blik in het rond had geworpen, blijkbaar welvoldaan over de diepe heerschende stilte, maakte hij zich gereed om te kampeeren.De onbekende had de helft van zijne levensbaan reeds afgelegd: het was een Indiaansch krijgsman, lang en forsch van gestalte, en[81]gekleed in het kostuum der Comanchen in zijne grootste zuiverheid. Ofschoon reeds meer dan zestig jaar oud was hij nog vol levendigheid en kracht en vertoonde zich geen spoor van ouderdom of verval in zijne gespierde leden; de arendsveer die midden uit zijn oorlogskuif opstak deed hem kennen als een opperhoofd of sachem.Deze man was de Arendskop, het Comanchenhoofd, waarmede de lezer reeds in een vorig werk kennis heeft gemaakt1.Na zijne wapens afgedaan en zijn geweer te hebben in rust gebracht, verzamelde hij een hoop droog hout en stak het in brand. Vervolgens legde hij eenige ellen tasajo, een stuk hertebout en een half dozijn maïskoeken op de kolen. Onder het maken van deze toebereidsels voor een stevig souper, vulde hij zijne calumet en toen hij er mede klaar was ging hij bij het vuur zitten; en begon te rooken met al de bedaardheid die den Indianen eigen is en hen in geenerlei omstandigheden verlegen laat.Zoo gingen er twee uren vreedzaam voorbij, zonder dat de rust van het Indiaansch hoofd in het minst gestoord werd.De nacht was op den dag gevolgd, de duisternis had de wildernis ingenomen, en met haar begon het rijk der stilte en der eenzaamheid in de geheimzinnige diepte der prairiën.De Indiaan bleef steeds onbeweeglijk zitten en vergenoegde zich met nu en dan naar zijn paard om te zien, dat lustig zijne wilde doperwten en jonge bladrijzen knabbelde.Op eens echter stak de Arendskop het hoofd op, boog het lijf naar voren en zonder zich verder te verroeren greep hij naar zijn geweer, terwijl de mustang ophield met vreten, de ooren spitste en een krachtig gehinnik aanhief.Het bosch bleef intusschen even kalm: er was al de scherpte van een Indiaansch gehoor toe noodig om in deze stilte nog eenig verdacht geluid op te merken.Een oogenblik daarna werden de samengetrokken wenkbrauwen van het opperhoofd weder effen, hij hernam zijne onbezorgde houding en de beide voorvingers aan den mond brengende, bootste hij met zonderlinge juistheid, gedurende twee of drie minuten het welluidend gezang der centzontle of Mexicaanschen nachtegaal na; ook het paard had zijn afgebroken maaltijd weder hervat.Er verliep nauwelijks een minuut, of het geschrei van den watersperwer klonk tweemaal aan de zijde der rivier.Weldra hoorde men een gedruisch van paarden, vermengd met het kraken van takken en geschuifel van bladeren, en er verschenen twee ruiters.Het opperhoofd keek niet eens op om te zien wie het waren; hij had hen waarschijnlijk reeds herkend en wist dat zij, hetzij beiden of althans een van hen, bij hem zouden komen.[82]Deze twee ruiters waren don Louis en Goedsmoeds.Zij kluisterden hunne paarden bij dat van het opperhoofd, gingen op een stilzwijgenden wenk van den Indiaan bij het vuur zitten en vielen met kracht aan op het souper dat te hunnen gerieve was gereed gemaakt.Den vorigen dag van de Rancho vertrokken zijnde, hadden zij onafgebroken doorgereisd zonder een oogenblik te verliezen om bij den Arendskop te komen.De graaf de Lhorailles had hun in de pulqueria aangeboden om samen te reizen, maar dat aanbod was door Goedsmoeds geweigerd.Niet wetende met welk oogmerk de Indiaan hem in de woestijn had afgesproken, wilde hij niet gaarne een vreemdeling in de zaken van zijn vriend opening geven.Evenwel waren de drie mannen op den besten voet van elkander gescheiden en had de graaf don Louis en den Canadees uitgenoodigd om hem te Guetzalli te komen opzoeken, eene beleefdheid die zij min of meer uitwijkend beantwoordden.De sympathie is soms wonderlijk in hare uitwerkselen: de indruk door den graaf op de twee avonturiers gemaakt was voor hem zoo ongunstig geweest, dat deze, ofschoon zijn verzoek met welwillendheid ontvangende het niet raadzaam vonden, zich te laten kennen, maar te zijnen aanzien de meeste terughouding in acht te nemen, hunne voorzichtigheid zelfs zoo ver drijvende dat zij hunnen landaard voor hem verborgen hielden, en het gesprek bleven voortzetten in het Spaansch, ofschoon zij hem reeds bij zijn eerste woord voor een Franschman hadden herkend.Toen het souper geëindigd was, stopte Goedsmoeds zijne pijp en strekte de hand naar het vuur om er een brandhout uit te grijpen.»Wacht!” riep de Arendskop met drift.Dit was het eerste woord dat de Indiaan sprak; tot op dit oogenblik hadden de drie vrienden nog geen syllabe gewisseld.Goedsmoeds keek hem aan.»Wel!” riep hij, »wat is er dan nu weer voor nieuws?”»Ik weet het nog niet,” antwoordde het opperhoofd, »maar ik heb een verdacht geritsel in de bladeren gehoord, en op verren afstand van ons, onder den wind, zijn verscheidene buffels die vreedzaam liepen grazen, op eens op de vlucht gegaan, zonder dat ik er eenige reden voor zie.”»Zoo!” hernam de Canadees, »dat wordt ernstig; wat denkt gij er van, Louis?”»In de wildernis,” antwoordde deze bedaard, »heeft alles zijne oorzaak, en geschiedt er niets bij toeval; ik denk, onder verbetering, dat wij wel zullen doen, op onze hoede te zijn. Ei zie,” vervolgde hij opkijkende en zijnen vrienden een troep vogels wijzende, die snel boven hunne hoofden voorbij vlogen, »hebt gij ooit een troep condors op dit uur en zoo laag in de lucht zien vliegen?”[83]De Indiaan schudde het hoofd.»Er is iets aan de hand,” mompelde hij, »de Apachenhonden zijn op de jacht.”»’t Is mogelijk,” zei Goedsmoeds.»Voor alles,” merkte de Franschman aan, »laten wij het vuur uitdoen; het schijnsel, hoe zwak ook, zou ons kunnen verraden.”Zijne kameraden volgden zijn raad, het vuur werd oogenblikkelijk uitgedoofd.»Mijn bleeke broeder is voorzichtig,” zei het opperhoofd beleefd; »hij kent de woestijn, ik ben blijde dat ik hem bij mij zie.”Don Louis dankte den Indiaan met eene buiging.»Thans zijn wij nagenoeg onzichtbaar,” vervolgde Goedsmoeds, »dreigend gevaar hebben wij vooreerst niet te duchten, laten wij samen raad houden. Het opperhoofd was de eerste die onraad heeft bespeurd, hij moet ons uitleggen wat hij er van denkt.”De Indiaan wikkelde zich in zijn mantel en de drie mannen gingen zoo dicht bijeen zitten dat het gesprek fluisterend kon worden voortgezet.»Reeds dezen morgen met zonsopgang ben ik op reis gegaan,” zei de Arendskop; »en daar ik haast had om het afgesproken punt te bereiken, reed ik dwars door de prairie om de reis te bekorten. Maar den geheelen weg over zag ik duidelijke sporen van een talrijken troep ruiters, die sporen waren breed en vol, als gewoonlijk van een detachement dat sterk genoeg is om voor geen onverhoedsche aanranding te vreezen; ik heb die sporen een geruimen tijd kunnen waarnemen en volgen, tot zij op eens verdwenen waren, zonder dat ik ze bij mogelijkheid heb kunnen terugvinden.”»Te duivel!” mompelde de Canadees, »dat ziet er gek uit.”»In ’t eerst dacht ik mij met die sporen niet bezig te houden, maar later begon ik er ongerust over te worden en daarom heb ik gemeend er u van te moeten spreken.”»Om welke reden werdt gij ongerust?”»Ik denk, en als het wezen moet, durf ik wel zeggen ik weet het zeker, dat het door mij ontdekte spoor gericht is naar de groote hut der bleekgezichten te Guetzalli.”»Welken grond hebt gij voor die veronderstelling?” vroeg Louis.»Deze: op het uur dat de alligator den modderigen oever verlaat om zich weder in de Gila te dompelen, hoorde ik op korten afstand van mij een gedruisch van paarden, zoodat ik uit vrees van ontdekt te worden genoodzaakt was mij achter een boschje van wortelboomen en floripondio’s te verbergen; toen ik daar veilig zat keek ik uit en nu reed er geen boogschot ver van mij af een troep bleekgezichten voorbij, in de richting van Guetzalli.”»Ik begrijp er niets van,” riep Goedsmoeds, »ga voort.”»Ondanks al de zorg waarmede hij zich onkenbaar had zoeken te maken, herkende ik den man die de karavaan als gids diende, en[84]toen begreep ik terstond welk een helsch komplot die Apachen-honden hebben gesmeed.”»En wie is die man?”»O mijn broeder kent hem wel: het is Wahsho chegora—deZwarte-Beer—het voornaamste opperhoofd van den stam der Witte Raven.”»Als gij u daarin niet vergist hebt, hoofdman, dan zullen hier binnen kort vreeselijke dingen gebeuren; deZwarte-Beeris de onverzoenlijkste vijand der blanken.”»Dat is de eenige reden waarom ik mijn broeder heb willen spreken. Overigens gaat het ons niet aan; in de wildernis hebben wij genoeg met onze eigene zaken te doen, zonder dat wij ons met die van anderen bemoeien.”De Canadees schudde het hoofd.»Wat gij daar zegt is wel waar,” antwoordde hij, »wij zouden misschien wijs doen als wij de bewoners der hacienda aan hun lot overlaten en ons niet steken in zaken daar wij grooten last van kunnen hebben.”»Zijt gij dan voornemens werkelijk zoo te handelen,” vroeg de Franschman met drift.»Dat wil ik niet stellig zeggen,” hernam de Canadees, »maar het is een moeielijk geval; wij zullen met een talrijken vijand te doen krijgen.”»Ja, maar die men wil overrompelen zijn uwe landgenooten.”»Dat is waar, en dat maakt de zaak inderdaad zeer netelig, ik zou die ongelukkigen niet gaarne zien scalpeeren. Aan den anderen kant, als wij ons onbedacht in den strijd werpen, loopen wij gevaar om zelven er het slachtoffer van te worden.”»Waarom bedenkt gij er u zoo lang over?”»Pardi! om het voor en tegen goed na te gaan; ik aarzel altijd om mij in eene onderneming te wagen, daar ik te voren niet al de gevolgen van heb berekend; ben ik er eenmaal in, dan geef ik er minder om.”Don Louis kon zich moeielijk zonder lachen houden bij deze zonderlinge redeneering, en staarde zijn vriend aan.»Mijn besluit is genomen,” hervatte de Canadees een oogenblik later. »Eer de nacht voorbij is zullen wij zeker wat nieuws zien gebeuren; gaan wij dichter bij de rivier, ik twijfel niet of wij krijgen daar weldra de noodige aanwijzing om er ons plan naar te regelen. Onze paarden staan hier veilig, wij kunnen ze gerust achter laten, zij zouden ons bovendien maar belemmeren.”De drie mannen gingen plat op den grond liggen en kropen stil naar de rivier, in de door Goedsmoeds aangewezen richting.De nacht was heerlijk, de maan scheen in vollen luister en de dampkring was zoo doorzichtig dat men het kleinste voorwerp op grooten afstand kon onderscheiden.[85]De drie avonturiers kwamen eindelijk uit de struiken tevoorschijn, maar verborgen zich aan den rand der rivier, in een ondoordringbaar boschje, waar zij bleven wachten met al het geduld dat den woudloopers eigen is.De heerschende stilte in de woestijn was zoo diep, dat ook het zwakste geluid merkbaar werd; een vallend blad in het water, een keitje dat zich aan den oever loswoelde, het zacht en eentonig gemurmel van den stroom over zijn zandige bedding, de ritselende vleugelslag van een uil, die van tak tot tak sprong, was het eenige dat zich hooren liet.Zoo zaten de drie avonturiers reeds verscheidene uren onverdroten te waken, met open oog en ooren, met den vinger aan de gespannen buks, uit vrees van overrompeling en nog was er niets gebeurd dat de vermoedens van den Arendskop of de voorspellingen van Goedsmoeds kon versterken, toen Louis de hand van den Indiaan zacht aan zijn schouder voelde drukken, hem naar de rivier wijzende; de Franschman richtte zich op de knieën en keek uit.Eene bijna onmerkbare beweging beroerde de oppervlakte van het water, als zwom er een alligator voorbij.»Ha ha!” mompelde Goedsmoeds, »daar komt eindelijk wat wij zoo lang gewacht hebben, denk ik.”Een zwarte massa verscheen weldra, meer drijvend dan zwemmend, op de rivier en naderde van lieverlede de plaats waar de jagers zich verscholen hielden.Na verloop van eenige minuten hield de donkere massa, wat zij dan ook wezen mocht, stil en hoorde men verscheidene malen achtereen het gejank van den hond der prairiën.Weldra klonk het gehuil van den coyote met kracht en zoo dicht in de nabijheid, dat de drie wakers huns ondanks er van schrikten. Oogenblikkelijk zagen zij een man met beide handen van een acajou-eik afhangen en eensklaps op den grond vallen, geen zes passen ver van de plek waar zij zich bevonden.Die man was in Mexicaansche kleeding.»Kom hier, hoofdman,” zeide hij, half overluid tegen de zwarte massa in het water, zonder zich te dicht aan den oever te wagen. »Kom vrij, wij zijn alleen.”De toegesprokene zwarte massa, blijkbaar een Indiaan, kwam uit het water en kroop op handen en voeten naar den man uit den boom.»Mijn broeder spreekt te hard,” zeide hij; »in de woestijn is men nooit alleen; de bladeren hebben oogen en de boomen ooren.”»Bah! wat gij mij daar zegt is al te gek; wie duivel zou ons hier bespieden. Uwe krijgslieden er buiten gerekend, die waarschijnlijk in den omtrek verborgen zijn, kan niemand ons hier zien of hooren.”De Indiaan schudde bedenkelijk het hoofd.Nu deze op vasten bodem was, nauwelijks tien passen van onze[86]avonturiers, moest Goedsmoeds bekennen dat de Arendskop zich niet bedrogen had en dat de bedoelde man werkelijk niemand anders was dan de Zwarte-Beer.De beide mannen stonden een poosje zwijgend tegenover elkander.Eindelijk vatte de Mexicaan het woord weder op.»Gij hebt goed gemanoeuvreerd, hoofdman,” zeide hij op vleienden toon; »ik weet niet hoe gij het gedaan hebt gekregen, maar ik veronderstel dat het u gelukt is om binnen de hacienda te komen?”»Dat is het,” antwoordde de Indiaan.»Dan hebben wij nu niets meer te doen dan onze laatste maatregelen te beramen; gij zijt een groot opperhoofd, in wien ik het onbepaaldste vertrouwen stel; ziedaar wat ik u beloofd heb; ik behoefde u eerst later te betalen, maar ik wil dat er niet de minste reden van verwijt tusschen ons besta.”De Indiaan wees de hem aangeboden goudbeurs met weerzin terug.»De Zwarte-Beer heeft zich bedacht,” zeide hij koel.»In welk opzicht, als ik u vragen mag?”»Een krijgsman is geen vrouw dat hij noodeloos woorden zou verspillen; wat mijn broeder den Zwarten-Beer had aangeboden, weigert de Apache stellig.”»Dat wil zeggen?”»Dat alles tusschen ons verbroken is.”De Mexicaan onderdrukte met moeite zijne teleurstelling.»Derhalve hebt gij uwe krijgslieden niet gewaarschuwd; en zult gij wanneer ik het u beveel de hacienda niet aantasten?”»De Zwarte-Beer heeft zijne krijgers gewaarschuwd, hij zal de bleekgezichten aantasten.”»En wat zegt gij mij dan daar even? Ik moet u verklaren dat ik u niet begrijp, hoofdman.”»Dat komt omdat het bleekgezicht mij niet begrijpen wil: de Zwarte-Beer zal de hacienda wel aantasten, maar voor zijn eigen rekening.”»Dat was immers tusschen ons afgesproken, zoo ik meen?”»Ja, maar de Zwarte-Beer heeft de zingende vogel gezien, zijne tent is ledig, hij wil er de jonge bleeke maagd in huisvesten.”»Ellendeling!” riep de Mexicaan verbolgen, »moet gij mij aldus verraden?”»Waarin verraad ik het bleekgezicht?” antwoordde de Indiaan altijd onverstoord; »hij heeft mij een koop aangeboden, en ik heb dien geweigerd, daarin zie ik niets dan volkomen trouw en eerlijkheid.”De Mexicaan verbeet zich de lippen van woede; hij zag zich gevangen, en had niets meer te antwoorden.»Ik zal mij wreken!” riep hij stampvoetend.»De Zwarte-Beer is een machtig opperhoofd: hij lacht met het gekras der raven; het bleekgezicht kan niets tegen hem doen.”[87]Met een sprong sneller dan eene gedachte wierp de Mexicaan zich op den Apache, greep hem bij de keel, trok zijn mes en hief het reeds op om hem te treffen.Maar de Indiaan had de bewegingen van zijn tegenpartij te goed in ’t oog gehouden; met een niet minder snellen wrong, ontrukte hij zich aan diens vuist en stond met een sprong buiten zijn bereik.»De bleekmuil heeft een sachem durven aantasten,” zeide hij met eene heesche stem, »hij zal sterven.”De Mexicaan haalde de schouders op en greep de pistolen in zijn gordel.Het is moeielijk te gissen hoe dit tooneel zou zijn afgeloopen, zoo er geen nieuw geval tusschen beide gekomen ware, dat de geheele toedracht van gedaante deed veranderen.Uit den zelfden boom, daar weinige minuten te voren de Mexicaan in verborgen had gezeten, kwam plotseling een tweede persoon te voorschijn, en viel juist op den Apache, dien hij op den grond wierp en volkomen weerloos maakte, eer hij door dezen onverhoedschen aanval verschrikt er aan denken kon zich te verdedigen.»Wat is dat?” fluisterde Goedsmoeds met een gesmoorden lach, tegen zijne vrienden, »hoe veel duivels zitten er toch in dienacajou-ceder?”De Mexicaan en de man die hem zoo in tijds ter hulp kwam, hadden den Apache binnen weinige oogenblikken met eene reata zoo stijf vast gebonden, dat hij geen lid meer verroeren kon.»Nu zijt gij in mijne macht, hoofdman,” zei de Mexicaan, »en nu zult gij wel moeten toestemmen in hetgeen ik verlang.”De Apache meesmuilde en maakte een scherp gefluit.Op dit signaal kwamen eensklaps alsof zij uit den grond oprezen een vijftigtal Indiaansche krijgslieden van alle kanten toeschieten, en wel met zooveel spoed, dat de twee Mexicanen zich oogenblikkelijk binnen een ondoordringbaren kring van vijanden zagen opgesloten.»Te duivel!” riep Goedsmoeds bij zich zelven, »dat begint ingewikkelder te worden; hoe zullen zij zich daaruit redden?”»En wij dan?” lispelde don Louis hem in ’t oor.De Canadees beantwoordde hem met dat veelbeteekenend schouderophalen, dat in alle talen, zoo veel wil zeggen als »in vredesnaam, als het God behaagt!” en begon opnieuw met de meeste belangstelling te turen hoe dit ingewikkelde tooneel zou afloopen.»Cuchares,” hoorde hij den Mexicaan tegen zijn kameraad zeggen, »houd dien kerel goed vast, en dood hem als een hond bij de minste beweging, die hij maakt.”»Wees maar gerust, don Martial, antwoordde de lepero terwijl hij uit zijn jachtlaars een mes te voorschijn bracht, welks blauwe lemmer in het maanlicht glinsterde.»Waartoe besluit de Zwarte-Beer?” hervatte don Martial tegen den sachem, die weerloos aan zijne voeten lag.[88]»Het leven van een opperhoofd is in uwe macht, hond van een bleekmuil; neem het zoo gij durft!” antwoordde de Apache met een minachtenden grijns.»Ik zal u niet dooden; niet omdat ik bang ben, want dat gevoel ken ik niet,” riep de Mexicaan, »maar omdat ik het beneden mij acht het bloed te storten van een vijand die weerloos is, al is die vijand een onreine hond en een valsche coyote zoo als gij.”»Dood mij, zeg ik u, als gij kunt, maar scheld mij niet uit. Haast u, want als mijne krijgslieden hun geduld verliezen zullen zij u aan hunne woede opofferen, en dan sterft gij ongewroken.”»Gij schertst, uwe krijgslieden zullen zich niet verroeren zoo lang ik u hier vast heb, dat weet gij wel. Ik wil u liever den vrede aanbieden.”»Vrede!” riep de sachem en er fonkelde een heldere blik uit zijn oog, »op welke voorwaarden?”»Op twee voorwaarden.”»Goed.”»Cuchares, ontdoe dien man van de lasso; maar houd hem altijd in het oog.”De lepero gehoorzaamde.»Dank u,” zeide de Zwarte-Beer zich op de knieën oprichtende; »spreek, mijne ooren zijn geopend. Welke zijn uwe voorwaarden?”»Vooreerst dat het mij en mijn kameraad vrij zal staan ons te verwijderen waarheen wij willen,”»Goed, ten tweede.”»Ten tweede dat gij u verbindt om bij uwe krijgslieden te blijven en niet weder onder dezelfde vermomming naar de hacienda te gaan, ten minste niet in de eerste vier en twintig uren.”»Is dat alles?”»Dat is alles.”»Hoor mij op mijne beurt, bleekgezicht. Ik neem uwe voorwaarden aan, maar ik wil u de mijne zeggen.”»Spreek.”»Ik zal de hacienda niet weder binnentrekken dan met de arendsveer in mijn oorlogskuif, en aan het hoofd van mijne krijgslieden, en dat zal zijn eer de zon driemaal achter de hooge bergtoppen van het westen geslapen heeft.”»Gij pocht, Apache; ’t is onmogelijk dat gij de hacienda binnenkomt anders dan door verraad.”»Wij zullen zien,” zeide hij, en liet er met een dreigenden glimlach op volgen: »de vogel die zingt zal in de hut van een Apachenhoofd wonen en er het wild voor hem braden.”De Mexicaan haalde minachtend de schouders op.»Beproef het om de hacienda te nemen en u van het meisje meester te maken,” zeide hij.»Ik zal het beproeven. Geef mij uwe hand!”[89]»Ziedaar.”De Zwarte-Beer wendde zich naar zijne krijgslieden en met de hand van den Tigrero in de zijne, sprak hij met luider stem en op een toon van de hoogste majesteit:»Broeders, dit bleekgezicht is de vriend van den Zwarte-Beer, dat niemand hem lastig zij.”De krijgslieden bogen eerbiedig en verwijderden zich links en rechts, om de twee blanken door te laten.»Vaarwel,” zeide de Zwarte-Beer zijn vijand groetende, »binnen vier en twintig uren volg ik uw spoor.”»Gij vergist u, Apachenhond,” antwoordde don Martial trotsch, »ik integendeel zal het uwe volgen.”»Goed!dan zijn wij in ieder geval zeker dat wij elkander weer ontmoeten,” hernam de Zwarte-Beer.Hij verwijderde zich langzaam met fieren en vasten tred, gevolgd door zijne krijgslieden, terwijl hunne stappen weldra in de diepte van het bosch verdwenen.»Bij mijne ziel, don Martial,” sprak de lepero, »ik geloof dat gij verkeerd hebt gedaan met den Indiaanschen rekel zoo gemakkelijk te laten ontsnappen.”De Tigrero haalde de schouders op.»Moest ik mij dan niet uit de klem zoeken te redden daar wij in waren,” zeide hij. »Bah! de partij is remise. Zoeken wij onze paarden.”»Wacht nog even, als gij er niets tegen hebt,” riep nu op eens Goedsmoeds, zijn schuilhoek verlatende en ongedwongen te voorschijn tredende, gevolgd door zijne twee kameraden.»Wat is dat?” riep Cuchares, onmiddellijk zijn mes grijpende, terwijl don Martial bedaard de hand aan zijne pistolen sloeg.»Wat het is, caballero?” hernam Goedsmoeds op vredelievenden toon, »dat ziet gij wel, zou ik denken.”»Ik zie drie mannen.”»Juist, daar hebt gij gelijk in, drie mannen die ongezien het tooneel hebben aanschouwd, dat gij zoo braaf hebt afgespeeld; drie mannen die zich gereed hielden om u bij te springen in geval van nood en die u thans nog aanbieden gemeene zaak met u te maken, om met u de plundering der hacienda te helpen beletten daar de Apachen stellig het voornemen toe hebben: komt u dat gelegen?”»Dat hangt er van af,” meesmuilde de Tigrero, »ik moet eerst nog weten wat u beweegt om aldus te handelen.”»Vooreerst om u een genoegen te doen,” hernam Goedsmoeds beleefd, »ten tweede omdat ik die arme kolonisten voor het scalpeermes dier vervloekte Roodhuiden wil bewaren.”»In dat geval neem ik uw voorstel van ganscher harte aan.”»Volg ons dan naar ons kamp, daar kunnen wij samen ons plan van den veldtocht bespreken.”Zoodra Cuchares begreep dat de lieden die hier op zulk eene zonderlinge[90]wijs verschenen, bepaaldelijk vrienden waren, had hij zich gehaast zijn mes weder in zijne laars te steken en was hij de paarden gaan halen, die zij op korten afstand hadden gelaten. Hij kwam juist terug, de beide paarden aan de hand leidende, en nu gingen de vijf mannen gezamenlijk naar het kampement.»Neem u in acht,” zei Goedsmoeds tegen don Martial, »gij hebt u dezen nacht een onverzoenlijken vijand gemaakt, zoo gij u niet haast den Zwarte-Beer te dooden zal hij zich bij de een of andere gelegenheid op u wreken; de Apachen vergeven nimmer eene beleediging.”»Dat weet ik; en ik zal er mijne maatregelen naar nemen, stel u gerust.”»Dat is uwe zaak. Misschien hadt gij beter gedaan hem uit den weg te ruimen toen hij in uwe macht was, onverschillig wat er het gevolg van zou geweest zijn.”»Kon ik dan raden dat ik zoo dicht bij mij vrienden had? O! had ik dat maar geweten.”»Geen nazorgen, wat gedaan is is gedaan, daar kan men niet meer op terugkomen.”»Zoudt gij denken dat die man zijne voorwaarden stipt zal nakomen?”»Gij schijnt den Zwarte-Beer niet te kennen; die man is hooghartig, hij heeft zijne vaste begrippen van trouw en riddereer. Hebt gij niet gezien hoe hij bij zijne onderhandeling met u geen list heeft willen gebruiken; wat hij sprak was altijd rond en oprecht.”»Dat is zoo.”»Wees daarom verzekerd dat hij zijne belofte zal houden.”Hier bleef het gesprek steken. Don Martial was op eens nadenkend geworden, de bedreigingen van den Apache gaven hem nu des te meer stof tot bezorgdheid.Zij bereikten het kamp.De Arendskop ging dadelijk aan ’t werk om een vuur aan te leggen.»Wat doet gij?” riep Goedsmoeds terstond, »zoo zult gij immers onze tegenwoordigheid verraden.”»Neen,” antwoordde de Indiaan hoofdschuddend, »de Zwarte-Beer is met zijn volk vertrokken; zij zijn thans reeds ver van hier; waarom zouden wij onnoodige voorzorgen gebruiken?”Weldra vlamde het vuur knappend omhoog. De vijf mannen gingen er bij zitten, staken hunne pijpen aan en begonnen deftig te rooken.»Ik moet bekennen,” hervatte de Canadees een oogenblik later,»zonder de door u betoonde koelbloedigheid, weet ik niet hoe gij u uit den nood zoudt hebben gered.”»Laten wij thans zien hoe wij het voornemen van die duivelsche kerels het best zullen verijdelen,” riep de Mexicaan.[91]»O! dat is eenvoudig genoeg,” zei Louis, »een van ons gaat morgen naar de hacienda en verwittigt den eigenaar van hetgeen er dezen nacht gebeurd is, dan kan hij op zijne hoede zijn en alles is in orde.”»Ja, ik denk wel dat dit het beste middel is en dat wij het moeten gebruiken,” zei Goedsmoeds.»Vijf mannen zijn niets tegen vijfhonderd,” merkte de Arendskop aan; »wij moeten de bleekgezichten waarschuwen.”»Dat is juist wat wij voornemens zijn te doen, hoofdman,” zei de Tigrero; »maar wie van ons zal zich nu met die taak belasten en naar de hacienda gaan? Mijn kameraad en ik kunnen er ons niet aanmelden.”»Waarom niet! ik zou nu haast denken dat er een liefdehistorie onder loopt,” riep de Canadees schalks, »en dan begrijp ik wel dat het u moeielijk valt, om.…”»Laten wij er niet langer over haspelen,” viel Louis hem in de rede;»morgen, met zonsopgang ga ik naar de hacienda, ik neem die taak op mij en hoop den eigenaar in allen deele behoorlijk in te lichten omtrent het gevaar dat hem boven het hoofd hangt.”»Goed; dat is afgesproken en daarmede is alles gezegd,” riep Goedsmoeds.»Zeer goed,” zei don Martial, »dan zeggen mijn kameraad en ik, zoodra onze paarden hebben uitgerust, u hier vaarwel en keeren naar Guaymas terug,”»Toch niet, met uw welnemen,” zei de Franschman schielijk, »ik geloof dat gij beter zult doen, hier zoo lang te wachten tot ik van de hacienda terugkom, om te weten hoe het met mijn boodschap afloopt, dat gaat u nog meer aan dan ons, zou ik denken.”De Mexicaan onderdrukte met moeite een opkomend gevoel van tegenzin.»Gij hebt gelijk,” zeide hij, »daar dacht ik niet aan. Ik zal wachten tot gij terugkomt.”De jagers wisselden nog eenige woorden samen, toen wikkelden zij zich in hunne dekens, legden zich op den grond neder en waren weldra in slaap.De diepste stilte heerschte thans in het sombere boschkamp, dat slechts flauw verlicht werd door den rooden gloed van het uitstervende vuur.Reeds twee uren ongeveer hadden de avonturiers geslapen, toen de struiken zachtjes werden uiteengeschoven, en een man verscheen.Hij bleef een oogenblik staan, zoo het scheen om te luisteren; daarop kroop hij zonder het minste gedruisch te maken voort naar de plek waar de Tigrero gerust sliep.Dichter bij gekomen, en in het schijnsel van het vuur, had men hem duidelijk genoeg als den Zwarte-Beer kunnen onderkennen. Het Apachenhoofd haalde zijn scalpeermes uit zijn gordel en legde het[92]zacht op de borst van den Tigrero; toen nog eens rondkijkende om zich te verzekeren dat de vijf mannen gerust sliepen, verwijderde hij zich met dezelfde voorzichtigheid als hij gekomen was en verdween weldra in de struiken, die zich achter hem sloten.1Ziede Pelsjagers van de Arkansas.↑

[Inhoud]IX.DE LEGERSCHANS IN DE WILDERNIS.Op ongeveer drie geweerschoten afstands van de hacienda, in een dicht bosch van lentisken, nopals en inktboomen, doormengd met eenige acajou-ceders, wilde katoen- en Peruboomen, steeg een uur voor zonsondergang een ruiter af, en kluisterde zijn paard—een heerlijken mustang met fonkelend oog, fieren hals en golvende manen. Nadat de ruiter een bespiedenden blik in het rond had geworpen, blijkbaar welvoldaan over de diepe heerschende stilte, maakte hij zich gereed om te kampeeren.De onbekende had de helft van zijne levensbaan reeds afgelegd: het was een Indiaansch krijgsman, lang en forsch van gestalte, en[81]gekleed in het kostuum der Comanchen in zijne grootste zuiverheid. Ofschoon reeds meer dan zestig jaar oud was hij nog vol levendigheid en kracht en vertoonde zich geen spoor van ouderdom of verval in zijne gespierde leden; de arendsveer die midden uit zijn oorlogskuif opstak deed hem kennen als een opperhoofd of sachem.Deze man was de Arendskop, het Comanchenhoofd, waarmede de lezer reeds in een vorig werk kennis heeft gemaakt1.Na zijne wapens afgedaan en zijn geweer te hebben in rust gebracht, verzamelde hij een hoop droog hout en stak het in brand. Vervolgens legde hij eenige ellen tasajo, een stuk hertebout en een half dozijn maïskoeken op de kolen. Onder het maken van deze toebereidsels voor een stevig souper, vulde hij zijne calumet en toen hij er mede klaar was ging hij bij het vuur zitten; en begon te rooken met al de bedaardheid die den Indianen eigen is en hen in geenerlei omstandigheden verlegen laat.Zoo gingen er twee uren vreedzaam voorbij, zonder dat de rust van het Indiaansch hoofd in het minst gestoord werd.De nacht was op den dag gevolgd, de duisternis had de wildernis ingenomen, en met haar begon het rijk der stilte en der eenzaamheid in de geheimzinnige diepte der prairiën.De Indiaan bleef steeds onbeweeglijk zitten en vergenoegde zich met nu en dan naar zijn paard om te zien, dat lustig zijne wilde doperwten en jonge bladrijzen knabbelde.Op eens echter stak de Arendskop het hoofd op, boog het lijf naar voren en zonder zich verder te verroeren greep hij naar zijn geweer, terwijl de mustang ophield met vreten, de ooren spitste en een krachtig gehinnik aanhief.Het bosch bleef intusschen even kalm: er was al de scherpte van een Indiaansch gehoor toe noodig om in deze stilte nog eenig verdacht geluid op te merken.Een oogenblik daarna werden de samengetrokken wenkbrauwen van het opperhoofd weder effen, hij hernam zijne onbezorgde houding en de beide voorvingers aan den mond brengende, bootste hij met zonderlinge juistheid, gedurende twee of drie minuten het welluidend gezang der centzontle of Mexicaanschen nachtegaal na; ook het paard had zijn afgebroken maaltijd weder hervat.Er verliep nauwelijks een minuut, of het geschrei van den watersperwer klonk tweemaal aan de zijde der rivier.Weldra hoorde men een gedruisch van paarden, vermengd met het kraken van takken en geschuifel van bladeren, en er verschenen twee ruiters.Het opperhoofd keek niet eens op om te zien wie het waren; hij had hen waarschijnlijk reeds herkend en wist dat zij, hetzij beiden of althans een van hen, bij hem zouden komen.[82]Deze twee ruiters waren don Louis en Goedsmoeds.Zij kluisterden hunne paarden bij dat van het opperhoofd, gingen op een stilzwijgenden wenk van den Indiaan bij het vuur zitten en vielen met kracht aan op het souper dat te hunnen gerieve was gereed gemaakt.Den vorigen dag van de Rancho vertrokken zijnde, hadden zij onafgebroken doorgereisd zonder een oogenblik te verliezen om bij den Arendskop te komen.De graaf de Lhorailles had hun in de pulqueria aangeboden om samen te reizen, maar dat aanbod was door Goedsmoeds geweigerd.Niet wetende met welk oogmerk de Indiaan hem in de woestijn had afgesproken, wilde hij niet gaarne een vreemdeling in de zaken van zijn vriend opening geven.Evenwel waren de drie mannen op den besten voet van elkander gescheiden en had de graaf don Louis en den Canadees uitgenoodigd om hem te Guetzalli te komen opzoeken, eene beleefdheid die zij min of meer uitwijkend beantwoordden.De sympathie is soms wonderlijk in hare uitwerkselen: de indruk door den graaf op de twee avonturiers gemaakt was voor hem zoo ongunstig geweest, dat deze, ofschoon zijn verzoek met welwillendheid ontvangende het niet raadzaam vonden, zich te laten kennen, maar te zijnen aanzien de meeste terughouding in acht te nemen, hunne voorzichtigheid zelfs zoo ver drijvende dat zij hunnen landaard voor hem verborgen hielden, en het gesprek bleven voortzetten in het Spaansch, ofschoon zij hem reeds bij zijn eerste woord voor een Franschman hadden herkend.Toen het souper geëindigd was, stopte Goedsmoeds zijne pijp en strekte de hand naar het vuur om er een brandhout uit te grijpen.»Wacht!” riep de Arendskop met drift.Dit was het eerste woord dat de Indiaan sprak; tot op dit oogenblik hadden de drie vrienden nog geen syllabe gewisseld.Goedsmoeds keek hem aan.»Wel!” riep hij, »wat is er dan nu weer voor nieuws?”»Ik weet het nog niet,” antwoordde het opperhoofd, »maar ik heb een verdacht geritsel in de bladeren gehoord, en op verren afstand van ons, onder den wind, zijn verscheidene buffels die vreedzaam liepen grazen, op eens op de vlucht gegaan, zonder dat ik er eenige reden voor zie.”»Zoo!” hernam de Canadees, »dat wordt ernstig; wat denkt gij er van, Louis?”»In de wildernis,” antwoordde deze bedaard, »heeft alles zijne oorzaak, en geschiedt er niets bij toeval; ik denk, onder verbetering, dat wij wel zullen doen, op onze hoede te zijn. Ei zie,” vervolgde hij opkijkende en zijnen vrienden een troep vogels wijzende, die snel boven hunne hoofden voorbij vlogen, »hebt gij ooit een troep condors op dit uur en zoo laag in de lucht zien vliegen?”[83]De Indiaan schudde het hoofd.»Er is iets aan de hand,” mompelde hij, »de Apachenhonden zijn op de jacht.”»’t Is mogelijk,” zei Goedsmoeds.»Voor alles,” merkte de Franschman aan, »laten wij het vuur uitdoen; het schijnsel, hoe zwak ook, zou ons kunnen verraden.”Zijne kameraden volgden zijn raad, het vuur werd oogenblikkelijk uitgedoofd.»Mijn bleeke broeder is voorzichtig,” zei het opperhoofd beleefd; »hij kent de woestijn, ik ben blijde dat ik hem bij mij zie.”Don Louis dankte den Indiaan met eene buiging.»Thans zijn wij nagenoeg onzichtbaar,” vervolgde Goedsmoeds, »dreigend gevaar hebben wij vooreerst niet te duchten, laten wij samen raad houden. Het opperhoofd was de eerste die onraad heeft bespeurd, hij moet ons uitleggen wat hij er van denkt.”De Indiaan wikkelde zich in zijn mantel en de drie mannen gingen zoo dicht bijeen zitten dat het gesprek fluisterend kon worden voortgezet.»Reeds dezen morgen met zonsopgang ben ik op reis gegaan,” zei de Arendskop; »en daar ik haast had om het afgesproken punt te bereiken, reed ik dwars door de prairie om de reis te bekorten. Maar den geheelen weg over zag ik duidelijke sporen van een talrijken troep ruiters, die sporen waren breed en vol, als gewoonlijk van een detachement dat sterk genoeg is om voor geen onverhoedsche aanranding te vreezen; ik heb die sporen een geruimen tijd kunnen waarnemen en volgen, tot zij op eens verdwenen waren, zonder dat ik ze bij mogelijkheid heb kunnen terugvinden.”»Te duivel!” mompelde de Canadees, »dat ziet er gek uit.”»In ’t eerst dacht ik mij met die sporen niet bezig te houden, maar later begon ik er ongerust over te worden en daarom heb ik gemeend er u van te moeten spreken.”»Om welke reden werdt gij ongerust?”»Ik denk, en als het wezen moet, durf ik wel zeggen ik weet het zeker, dat het door mij ontdekte spoor gericht is naar de groote hut der bleekgezichten te Guetzalli.”»Welken grond hebt gij voor die veronderstelling?” vroeg Louis.»Deze: op het uur dat de alligator den modderigen oever verlaat om zich weder in de Gila te dompelen, hoorde ik op korten afstand van mij een gedruisch van paarden, zoodat ik uit vrees van ontdekt te worden genoodzaakt was mij achter een boschje van wortelboomen en floripondio’s te verbergen; toen ik daar veilig zat keek ik uit en nu reed er geen boogschot ver van mij af een troep bleekgezichten voorbij, in de richting van Guetzalli.”»Ik begrijp er niets van,” riep Goedsmoeds, »ga voort.”»Ondanks al de zorg waarmede hij zich onkenbaar had zoeken te maken, herkende ik den man die de karavaan als gids diende, en[84]toen begreep ik terstond welk een helsch komplot die Apachen-honden hebben gesmeed.”»En wie is die man?”»O mijn broeder kent hem wel: het is Wahsho chegora—deZwarte-Beer—het voornaamste opperhoofd van den stam der Witte Raven.”»Als gij u daarin niet vergist hebt, hoofdman, dan zullen hier binnen kort vreeselijke dingen gebeuren; deZwarte-Beeris de onverzoenlijkste vijand der blanken.”»Dat is de eenige reden waarom ik mijn broeder heb willen spreken. Overigens gaat het ons niet aan; in de wildernis hebben wij genoeg met onze eigene zaken te doen, zonder dat wij ons met die van anderen bemoeien.”De Canadees schudde het hoofd.»Wat gij daar zegt is wel waar,” antwoordde hij, »wij zouden misschien wijs doen als wij de bewoners der hacienda aan hun lot overlaten en ons niet steken in zaken daar wij grooten last van kunnen hebben.”»Zijt gij dan voornemens werkelijk zoo te handelen,” vroeg de Franschman met drift.»Dat wil ik niet stellig zeggen,” hernam de Canadees, »maar het is een moeielijk geval; wij zullen met een talrijken vijand te doen krijgen.”»Ja, maar die men wil overrompelen zijn uwe landgenooten.”»Dat is waar, en dat maakt de zaak inderdaad zeer netelig, ik zou die ongelukkigen niet gaarne zien scalpeeren. Aan den anderen kant, als wij ons onbedacht in den strijd werpen, loopen wij gevaar om zelven er het slachtoffer van te worden.”»Waarom bedenkt gij er u zoo lang over?”»Pardi! om het voor en tegen goed na te gaan; ik aarzel altijd om mij in eene onderneming te wagen, daar ik te voren niet al de gevolgen van heb berekend; ben ik er eenmaal in, dan geef ik er minder om.”Don Louis kon zich moeielijk zonder lachen houden bij deze zonderlinge redeneering, en staarde zijn vriend aan.»Mijn besluit is genomen,” hervatte de Canadees een oogenblik later. »Eer de nacht voorbij is zullen wij zeker wat nieuws zien gebeuren; gaan wij dichter bij de rivier, ik twijfel niet of wij krijgen daar weldra de noodige aanwijzing om er ons plan naar te regelen. Onze paarden staan hier veilig, wij kunnen ze gerust achter laten, zij zouden ons bovendien maar belemmeren.”De drie mannen gingen plat op den grond liggen en kropen stil naar de rivier, in de door Goedsmoeds aangewezen richting.De nacht was heerlijk, de maan scheen in vollen luister en de dampkring was zoo doorzichtig dat men het kleinste voorwerp op grooten afstand kon onderscheiden.[85]De drie avonturiers kwamen eindelijk uit de struiken tevoorschijn, maar verborgen zich aan den rand der rivier, in een ondoordringbaar boschje, waar zij bleven wachten met al het geduld dat den woudloopers eigen is.De heerschende stilte in de woestijn was zoo diep, dat ook het zwakste geluid merkbaar werd; een vallend blad in het water, een keitje dat zich aan den oever loswoelde, het zacht en eentonig gemurmel van den stroom over zijn zandige bedding, de ritselende vleugelslag van een uil, die van tak tot tak sprong, was het eenige dat zich hooren liet.Zoo zaten de drie avonturiers reeds verscheidene uren onverdroten te waken, met open oog en ooren, met den vinger aan de gespannen buks, uit vrees van overrompeling en nog was er niets gebeurd dat de vermoedens van den Arendskop of de voorspellingen van Goedsmoeds kon versterken, toen Louis de hand van den Indiaan zacht aan zijn schouder voelde drukken, hem naar de rivier wijzende; de Franschman richtte zich op de knieën en keek uit.Eene bijna onmerkbare beweging beroerde de oppervlakte van het water, als zwom er een alligator voorbij.»Ha ha!” mompelde Goedsmoeds, »daar komt eindelijk wat wij zoo lang gewacht hebben, denk ik.”Een zwarte massa verscheen weldra, meer drijvend dan zwemmend, op de rivier en naderde van lieverlede de plaats waar de jagers zich verscholen hielden.Na verloop van eenige minuten hield de donkere massa, wat zij dan ook wezen mocht, stil en hoorde men verscheidene malen achtereen het gejank van den hond der prairiën.Weldra klonk het gehuil van den coyote met kracht en zoo dicht in de nabijheid, dat de drie wakers huns ondanks er van schrikten. Oogenblikkelijk zagen zij een man met beide handen van een acajou-eik afhangen en eensklaps op den grond vallen, geen zes passen ver van de plek waar zij zich bevonden.Die man was in Mexicaansche kleeding.»Kom hier, hoofdman,” zeide hij, half overluid tegen de zwarte massa in het water, zonder zich te dicht aan den oever te wagen. »Kom vrij, wij zijn alleen.”De toegesprokene zwarte massa, blijkbaar een Indiaan, kwam uit het water en kroop op handen en voeten naar den man uit den boom.»Mijn broeder spreekt te hard,” zeide hij; »in de woestijn is men nooit alleen; de bladeren hebben oogen en de boomen ooren.”»Bah! wat gij mij daar zegt is al te gek; wie duivel zou ons hier bespieden. Uwe krijgslieden er buiten gerekend, die waarschijnlijk in den omtrek verborgen zijn, kan niemand ons hier zien of hooren.”De Indiaan schudde bedenkelijk het hoofd.Nu deze op vasten bodem was, nauwelijks tien passen van onze[86]avonturiers, moest Goedsmoeds bekennen dat de Arendskop zich niet bedrogen had en dat de bedoelde man werkelijk niemand anders was dan de Zwarte-Beer.De beide mannen stonden een poosje zwijgend tegenover elkander.Eindelijk vatte de Mexicaan het woord weder op.»Gij hebt goed gemanoeuvreerd, hoofdman,” zeide hij op vleienden toon; »ik weet niet hoe gij het gedaan hebt gekregen, maar ik veronderstel dat het u gelukt is om binnen de hacienda te komen?”»Dat is het,” antwoordde de Indiaan.»Dan hebben wij nu niets meer te doen dan onze laatste maatregelen te beramen; gij zijt een groot opperhoofd, in wien ik het onbepaaldste vertrouwen stel; ziedaar wat ik u beloofd heb; ik behoefde u eerst later te betalen, maar ik wil dat er niet de minste reden van verwijt tusschen ons besta.”De Indiaan wees de hem aangeboden goudbeurs met weerzin terug.»De Zwarte-Beer heeft zich bedacht,” zeide hij koel.»In welk opzicht, als ik u vragen mag?”»Een krijgsman is geen vrouw dat hij noodeloos woorden zou verspillen; wat mijn broeder den Zwarten-Beer had aangeboden, weigert de Apache stellig.”»Dat wil zeggen?”»Dat alles tusschen ons verbroken is.”De Mexicaan onderdrukte met moeite zijne teleurstelling.»Derhalve hebt gij uwe krijgslieden niet gewaarschuwd; en zult gij wanneer ik het u beveel de hacienda niet aantasten?”»De Zwarte-Beer heeft zijne krijgers gewaarschuwd, hij zal de bleekgezichten aantasten.”»En wat zegt gij mij dan daar even? Ik moet u verklaren dat ik u niet begrijp, hoofdman.”»Dat komt omdat het bleekgezicht mij niet begrijpen wil: de Zwarte-Beer zal de hacienda wel aantasten, maar voor zijn eigen rekening.”»Dat was immers tusschen ons afgesproken, zoo ik meen?”»Ja, maar de Zwarte-Beer heeft de zingende vogel gezien, zijne tent is ledig, hij wil er de jonge bleeke maagd in huisvesten.”»Ellendeling!” riep de Mexicaan verbolgen, »moet gij mij aldus verraden?”»Waarin verraad ik het bleekgezicht?” antwoordde de Indiaan altijd onverstoord; »hij heeft mij een koop aangeboden, en ik heb dien geweigerd, daarin zie ik niets dan volkomen trouw en eerlijkheid.”De Mexicaan verbeet zich de lippen van woede; hij zag zich gevangen, en had niets meer te antwoorden.»Ik zal mij wreken!” riep hij stampvoetend.»De Zwarte-Beer is een machtig opperhoofd: hij lacht met het gekras der raven; het bleekgezicht kan niets tegen hem doen.”[87]Met een sprong sneller dan eene gedachte wierp de Mexicaan zich op den Apache, greep hem bij de keel, trok zijn mes en hief het reeds op om hem te treffen.Maar de Indiaan had de bewegingen van zijn tegenpartij te goed in ’t oog gehouden; met een niet minder snellen wrong, ontrukte hij zich aan diens vuist en stond met een sprong buiten zijn bereik.»De bleekmuil heeft een sachem durven aantasten,” zeide hij met eene heesche stem, »hij zal sterven.”De Mexicaan haalde de schouders op en greep de pistolen in zijn gordel.Het is moeielijk te gissen hoe dit tooneel zou zijn afgeloopen, zoo er geen nieuw geval tusschen beide gekomen ware, dat de geheele toedracht van gedaante deed veranderen.Uit den zelfden boom, daar weinige minuten te voren de Mexicaan in verborgen had gezeten, kwam plotseling een tweede persoon te voorschijn, en viel juist op den Apache, dien hij op den grond wierp en volkomen weerloos maakte, eer hij door dezen onverhoedschen aanval verschrikt er aan denken kon zich te verdedigen.»Wat is dat?” fluisterde Goedsmoeds met een gesmoorden lach, tegen zijne vrienden, »hoe veel duivels zitten er toch in dienacajou-ceder?”De Mexicaan en de man die hem zoo in tijds ter hulp kwam, hadden den Apache binnen weinige oogenblikken met eene reata zoo stijf vast gebonden, dat hij geen lid meer verroeren kon.»Nu zijt gij in mijne macht, hoofdman,” zei de Mexicaan, »en nu zult gij wel moeten toestemmen in hetgeen ik verlang.”De Apache meesmuilde en maakte een scherp gefluit.Op dit signaal kwamen eensklaps alsof zij uit den grond oprezen een vijftigtal Indiaansche krijgslieden van alle kanten toeschieten, en wel met zooveel spoed, dat de twee Mexicanen zich oogenblikkelijk binnen een ondoordringbaren kring van vijanden zagen opgesloten.»Te duivel!” riep Goedsmoeds bij zich zelven, »dat begint ingewikkelder te worden; hoe zullen zij zich daaruit redden?”»En wij dan?” lispelde don Louis hem in ’t oor.De Canadees beantwoordde hem met dat veelbeteekenend schouderophalen, dat in alle talen, zoo veel wil zeggen als »in vredesnaam, als het God behaagt!” en begon opnieuw met de meeste belangstelling te turen hoe dit ingewikkelde tooneel zou afloopen.»Cuchares,” hoorde hij den Mexicaan tegen zijn kameraad zeggen, »houd dien kerel goed vast, en dood hem als een hond bij de minste beweging, die hij maakt.”»Wees maar gerust, don Martial, antwoordde de lepero terwijl hij uit zijn jachtlaars een mes te voorschijn bracht, welks blauwe lemmer in het maanlicht glinsterde.»Waartoe besluit de Zwarte-Beer?” hervatte don Martial tegen den sachem, die weerloos aan zijne voeten lag.[88]»Het leven van een opperhoofd is in uwe macht, hond van een bleekmuil; neem het zoo gij durft!” antwoordde de Apache met een minachtenden grijns.»Ik zal u niet dooden; niet omdat ik bang ben, want dat gevoel ken ik niet,” riep de Mexicaan, »maar omdat ik het beneden mij acht het bloed te storten van een vijand die weerloos is, al is die vijand een onreine hond en een valsche coyote zoo als gij.”»Dood mij, zeg ik u, als gij kunt, maar scheld mij niet uit. Haast u, want als mijne krijgslieden hun geduld verliezen zullen zij u aan hunne woede opofferen, en dan sterft gij ongewroken.”»Gij schertst, uwe krijgslieden zullen zich niet verroeren zoo lang ik u hier vast heb, dat weet gij wel. Ik wil u liever den vrede aanbieden.”»Vrede!” riep de sachem en er fonkelde een heldere blik uit zijn oog, »op welke voorwaarden?”»Op twee voorwaarden.”»Goed.”»Cuchares, ontdoe dien man van de lasso; maar houd hem altijd in het oog.”De lepero gehoorzaamde.»Dank u,” zeide de Zwarte-Beer zich op de knieën oprichtende; »spreek, mijne ooren zijn geopend. Welke zijn uwe voorwaarden?”»Vooreerst dat het mij en mijn kameraad vrij zal staan ons te verwijderen waarheen wij willen,”»Goed, ten tweede.”»Ten tweede dat gij u verbindt om bij uwe krijgslieden te blijven en niet weder onder dezelfde vermomming naar de hacienda te gaan, ten minste niet in de eerste vier en twintig uren.”»Is dat alles?”»Dat is alles.”»Hoor mij op mijne beurt, bleekgezicht. Ik neem uwe voorwaarden aan, maar ik wil u de mijne zeggen.”»Spreek.”»Ik zal de hacienda niet weder binnentrekken dan met de arendsveer in mijn oorlogskuif, en aan het hoofd van mijne krijgslieden, en dat zal zijn eer de zon driemaal achter de hooge bergtoppen van het westen geslapen heeft.”»Gij pocht, Apache; ’t is onmogelijk dat gij de hacienda binnenkomt anders dan door verraad.”»Wij zullen zien,” zeide hij, en liet er met een dreigenden glimlach op volgen: »de vogel die zingt zal in de hut van een Apachenhoofd wonen en er het wild voor hem braden.”De Mexicaan haalde minachtend de schouders op.»Beproef het om de hacienda te nemen en u van het meisje meester te maken,” zeide hij.»Ik zal het beproeven. Geef mij uwe hand!”[89]»Ziedaar.”De Zwarte-Beer wendde zich naar zijne krijgslieden en met de hand van den Tigrero in de zijne, sprak hij met luider stem en op een toon van de hoogste majesteit:»Broeders, dit bleekgezicht is de vriend van den Zwarte-Beer, dat niemand hem lastig zij.”De krijgslieden bogen eerbiedig en verwijderden zich links en rechts, om de twee blanken door te laten.»Vaarwel,” zeide de Zwarte-Beer zijn vijand groetende, »binnen vier en twintig uren volg ik uw spoor.”»Gij vergist u, Apachenhond,” antwoordde don Martial trotsch, »ik integendeel zal het uwe volgen.”»Goed!dan zijn wij in ieder geval zeker dat wij elkander weer ontmoeten,” hernam de Zwarte-Beer.Hij verwijderde zich langzaam met fieren en vasten tred, gevolgd door zijne krijgslieden, terwijl hunne stappen weldra in de diepte van het bosch verdwenen.»Bij mijne ziel, don Martial,” sprak de lepero, »ik geloof dat gij verkeerd hebt gedaan met den Indiaanschen rekel zoo gemakkelijk te laten ontsnappen.”De Tigrero haalde de schouders op.»Moest ik mij dan niet uit de klem zoeken te redden daar wij in waren,” zeide hij. »Bah! de partij is remise. Zoeken wij onze paarden.”»Wacht nog even, als gij er niets tegen hebt,” riep nu op eens Goedsmoeds, zijn schuilhoek verlatende en ongedwongen te voorschijn tredende, gevolgd door zijne twee kameraden.»Wat is dat?” riep Cuchares, onmiddellijk zijn mes grijpende, terwijl don Martial bedaard de hand aan zijne pistolen sloeg.»Wat het is, caballero?” hernam Goedsmoeds op vredelievenden toon, »dat ziet gij wel, zou ik denken.”»Ik zie drie mannen.”»Juist, daar hebt gij gelijk in, drie mannen die ongezien het tooneel hebben aanschouwd, dat gij zoo braaf hebt afgespeeld; drie mannen die zich gereed hielden om u bij te springen in geval van nood en die u thans nog aanbieden gemeene zaak met u te maken, om met u de plundering der hacienda te helpen beletten daar de Apachen stellig het voornemen toe hebben: komt u dat gelegen?”»Dat hangt er van af,” meesmuilde de Tigrero, »ik moet eerst nog weten wat u beweegt om aldus te handelen.”»Vooreerst om u een genoegen te doen,” hernam Goedsmoeds beleefd, »ten tweede omdat ik die arme kolonisten voor het scalpeermes dier vervloekte Roodhuiden wil bewaren.”»In dat geval neem ik uw voorstel van ganscher harte aan.”»Volg ons dan naar ons kamp, daar kunnen wij samen ons plan van den veldtocht bespreken.”Zoodra Cuchares begreep dat de lieden die hier op zulk eene zonderlinge[90]wijs verschenen, bepaaldelijk vrienden waren, had hij zich gehaast zijn mes weder in zijne laars te steken en was hij de paarden gaan halen, die zij op korten afstand hadden gelaten. Hij kwam juist terug, de beide paarden aan de hand leidende, en nu gingen de vijf mannen gezamenlijk naar het kampement.»Neem u in acht,” zei Goedsmoeds tegen don Martial, »gij hebt u dezen nacht een onverzoenlijken vijand gemaakt, zoo gij u niet haast den Zwarte-Beer te dooden zal hij zich bij de een of andere gelegenheid op u wreken; de Apachen vergeven nimmer eene beleediging.”»Dat weet ik; en ik zal er mijne maatregelen naar nemen, stel u gerust.”»Dat is uwe zaak. Misschien hadt gij beter gedaan hem uit den weg te ruimen toen hij in uwe macht was, onverschillig wat er het gevolg van zou geweest zijn.”»Kon ik dan raden dat ik zoo dicht bij mij vrienden had? O! had ik dat maar geweten.”»Geen nazorgen, wat gedaan is is gedaan, daar kan men niet meer op terugkomen.”»Zoudt gij denken dat die man zijne voorwaarden stipt zal nakomen?”»Gij schijnt den Zwarte-Beer niet te kennen; die man is hooghartig, hij heeft zijne vaste begrippen van trouw en riddereer. Hebt gij niet gezien hoe hij bij zijne onderhandeling met u geen list heeft willen gebruiken; wat hij sprak was altijd rond en oprecht.”»Dat is zoo.”»Wees daarom verzekerd dat hij zijne belofte zal houden.”Hier bleef het gesprek steken. Don Martial was op eens nadenkend geworden, de bedreigingen van den Apache gaven hem nu des te meer stof tot bezorgdheid.Zij bereikten het kamp.De Arendskop ging dadelijk aan ’t werk om een vuur aan te leggen.»Wat doet gij?” riep Goedsmoeds terstond, »zoo zult gij immers onze tegenwoordigheid verraden.”»Neen,” antwoordde de Indiaan hoofdschuddend, »de Zwarte-Beer is met zijn volk vertrokken; zij zijn thans reeds ver van hier; waarom zouden wij onnoodige voorzorgen gebruiken?”Weldra vlamde het vuur knappend omhoog. De vijf mannen gingen er bij zitten, staken hunne pijpen aan en begonnen deftig te rooken.»Ik moet bekennen,” hervatte de Canadees een oogenblik later,»zonder de door u betoonde koelbloedigheid, weet ik niet hoe gij u uit den nood zoudt hebben gered.”»Laten wij thans zien hoe wij het voornemen van die duivelsche kerels het best zullen verijdelen,” riep de Mexicaan.[91]»O! dat is eenvoudig genoeg,” zei Louis, »een van ons gaat morgen naar de hacienda en verwittigt den eigenaar van hetgeen er dezen nacht gebeurd is, dan kan hij op zijne hoede zijn en alles is in orde.”»Ja, ik denk wel dat dit het beste middel is en dat wij het moeten gebruiken,” zei Goedsmoeds.»Vijf mannen zijn niets tegen vijfhonderd,” merkte de Arendskop aan; »wij moeten de bleekgezichten waarschuwen.”»Dat is juist wat wij voornemens zijn te doen, hoofdman,” zei de Tigrero; »maar wie van ons zal zich nu met die taak belasten en naar de hacienda gaan? Mijn kameraad en ik kunnen er ons niet aanmelden.”»Waarom niet! ik zou nu haast denken dat er een liefdehistorie onder loopt,” riep de Canadees schalks, »en dan begrijp ik wel dat het u moeielijk valt, om.…”»Laten wij er niet langer over haspelen,” viel Louis hem in de rede;»morgen, met zonsopgang ga ik naar de hacienda, ik neem die taak op mij en hoop den eigenaar in allen deele behoorlijk in te lichten omtrent het gevaar dat hem boven het hoofd hangt.”»Goed; dat is afgesproken en daarmede is alles gezegd,” riep Goedsmoeds.»Zeer goed,” zei don Martial, »dan zeggen mijn kameraad en ik, zoodra onze paarden hebben uitgerust, u hier vaarwel en keeren naar Guaymas terug,”»Toch niet, met uw welnemen,” zei de Franschman schielijk, »ik geloof dat gij beter zult doen, hier zoo lang te wachten tot ik van de hacienda terugkom, om te weten hoe het met mijn boodschap afloopt, dat gaat u nog meer aan dan ons, zou ik denken.”De Mexicaan onderdrukte met moeite een opkomend gevoel van tegenzin.»Gij hebt gelijk,” zeide hij, »daar dacht ik niet aan. Ik zal wachten tot gij terugkomt.”De jagers wisselden nog eenige woorden samen, toen wikkelden zij zich in hunne dekens, legden zich op den grond neder en waren weldra in slaap.De diepste stilte heerschte thans in het sombere boschkamp, dat slechts flauw verlicht werd door den rooden gloed van het uitstervende vuur.Reeds twee uren ongeveer hadden de avonturiers geslapen, toen de struiken zachtjes werden uiteengeschoven, en een man verscheen.Hij bleef een oogenblik staan, zoo het scheen om te luisteren; daarop kroop hij zonder het minste gedruisch te maken voort naar de plek waar de Tigrero gerust sliep.Dichter bij gekomen, en in het schijnsel van het vuur, had men hem duidelijk genoeg als den Zwarte-Beer kunnen onderkennen. Het Apachenhoofd haalde zijn scalpeermes uit zijn gordel en legde het[92]zacht op de borst van den Tigrero; toen nog eens rondkijkende om zich te verzekeren dat de vijf mannen gerust sliepen, verwijderde hij zich met dezelfde voorzichtigheid als hij gekomen was en verdween weldra in de struiken, die zich achter hem sloten.1Ziede Pelsjagers van de Arkansas.↑

IX.DE LEGERSCHANS IN DE WILDERNIS.

Op ongeveer drie geweerschoten afstands van de hacienda, in een dicht bosch van lentisken, nopals en inktboomen, doormengd met eenige acajou-ceders, wilde katoen- en Peruboomen, steeg een uur voor zonsondergang een ruiter af, en kluisterde zijn paard—een heerlijken mustang met fonkelend oog, fieren hals en golvende manen. Nadat de ruiter een bespiedenden blik in het rond had geworpen, blijkbaar welvoldaan over de diepe heerschende stilte, maakte hij zich gereed om te kampeeren.De onbekende had de helft van zijne levensbaan reeds afgelegd: het was een Indiaansch krijgsman, lang en forsch van gestalte, en[81]gekleed in het kostuum der Comanchen in zijne grootste zuiverheid. Ofschoon reeds meer dan zestig jaar oud was hij nog vol levendigheid en kracht en vertoonde zich geen spoor van ouderdom of verval in zijne gespierde leden; de arendsveer die midden uit zijn oorlogskuif opstak deed hem kennen als een opperhoofd of sachem.Deze man was de Arendskop, het Comanchenhoofd, waarmede de lezer reeds in een vorig werk kennis heeft gemaakt1.Na zijne wapens afgedaan en zijn geweer te hebben in rust gebracht, verzamelde hij een hoop droog hout en stak het in brand. Vervolgens legde hij eenige ellen tasajo, een stuk hertebout en een half dozijn maïskoeken op de kolen. Onder het maken van deze toebereidsels voor een stevig souper, vulde hij zijne calumet en toen hij er mede klaar was ging hij bij het vuur zitten; en begon te rooken met al de bedaardheid die den Indianen eigen is en hen in geenerlei omstandigheden verlegen laat.Zoo gingen er twee uren vreedzaam voorbij, zonder dat de rust van het Indiaansch hoofd in het minst gestoord werd.De nacht was op den dag gevolgd, de duisternis had de wildernis ingenomen, en met haar begon het rijk der stilte en der eenzaamheid in de geheimzinnige diepte der prairiën.De Indiaan bleef steeds onbeweeglijk zitten en vergenoegde zich met nu en dan naar zijn paard om te zien, dat lustig zijne wilde doperwten en jonge bladrijzen knabbelde.Op eens echter stak de Arendskop het hoofd op, boog het lijf naar voren en zonder zich verder te verroeren greep hij naar zijn geweer, terwijl de mustang ophield met vreten, de ooren spitste en een krachtig gehinnik aanhief.Het bosch bleef intusschen even kalm: er was al de scherpte van een Indiaansch gehoor toe noodig om in deze stilte nog eenig verdacht geluid op te merken.Een oogenblik daarna werden de samengetrokken wenkbrauwen van het opperhoofd weder effen, hij hernam zijne onbezorgde houding en de beide voorvingers aan den mond brengende, bootste hij met zonderlinge juistheid, gedurende twee of drie minuten het welluidend gezang der centzontle of Mexicaanschen nachtegaal na; ook het paard had zijn afgebroken maaltijd weder hervat.Er verliep nauwelijks een minuut, of het geschrei van den watersperwer klonk tweemaal aan de zijde der rivier.Weldra hoorde men een gedruisch van paarden, vermengd met het kraken van takken en geschuifel van bladeren, en er verschenen twee ruiters.Het opperhoofd keek niet eens op om te zien wie het waren; hij had hen waarschijnlijk reeds herkend en wist dat zij, hetzij beiden of althans een van hen, bij hem zouden komen.[82]Deze twee ruiters waren don Louis en Goedsmoeds.Zij kluisterden hunne paarden bij dat van het opperhoofd, gingen op een stilzwijgenden wenk van den Indiaan bij het vuur zitten en vielen met kracht aan op het souper dat te hunnen gerieve was gereed gemaakt.Den vorigen dag van de Rancho vertrokken zijnde, hadden zij onafgebroken doorgereisd zonder een oogenblik te verliezen om bij den Arendskop te komen.De graaf de Lhorailles had hun in de pulqueria aangeboden om samen te reizen, maar dat aanbod was door Goedsmoeds geweigerd.Niet wetende met welk oogmerk de Indiaan hem in de woestijn had afgesproken, wilde hij niet gaarne een vreemdeling in de zaken van zijn vriend opening geven.Evenwel waren de drie mannen op den besten voet van elkander gescheiden en had de graaf don Louis en den Canadees uitgenoodigd om hem te Guetzalli te komen opzoeken, eene beleefdheid die zij min of meer uitwijkend beantwoordden.De sympathie is soms wonderlijk in hare uitwerkselen: de indruk door den graaf op de twee avonturiers gemaakt was voor hem zoo ongunstig geweest, dat deze, ofschoon zijn verzoek met welwillendheid ontvangende het niet raadzaam vonden, zich te laten kennen, maar te zijnen aanzien de meeste terughouding in acht te nemen, hunne voorzichtigheid zelfs zoo ver drijvende dat zij hunnen landaard voor hem verborgen hielden, en het gesprek bleven voortzetten in het Spaansch, ofschoon zij hem reeds bij zijn eerste woord voor een Franschman hadden herkend.Toen het souper geëindigd was, stopte Goedsmoeds zijne pijp en strekte de hand naar het vuur om er een brandhout uit te grijpen.»Wacht!” riep de Arendskop met drift.Dit was het eerste woord dat de Indiaan sprak; tot op dit oogenblik hadden de drie vrienden nog geen syllabe gewisseld.Goedsmoeds keek hem aan.»Wel!” riep hij, »wat is er dan nu weer voor nieuws?”»Ik weet het nog niet,” antwoordde het opperhoofd, »maar ik heb een verdacht geritsel in de bladeren gehoord, en op verren afstand van ons, onder den wind, zijn verscheidene buffels die vreedzaam liepen grazen, op eens op de vlucht gegaan, zonder dat ik er eenige reden voor zie.”»Zoo!” hernam de Canadees, »dat wordt ernstig; wat denkt gij er van, Louis?”»In de wildernis,” antwoordde deze bedaard, »heeft alles zijne oorzaak, en geschiedt er niets bij toeval; ik denk, onder verbetering, dat wij wel zullen doen, op onze hoede te zijn. Ei zie,” vervolgde hij opkijkende en zijnen vrienden een troep vogels wijzende, die snel boven hunne hoofden voorbij vlogen, »hebt gij ooit een troep condors op dit uur en zoo laag in de lucht zien vliegen?”[83]De Indiaan schudde het hoofd.»Er is iets aan de hand,” mompelde hij, »de Apachenhonden zijn op de jacht.”»’t Is mogelijk,” zei Goedsmoeds.»Voor alles,” merkte de Franschman aan, »laten wij het vuur uitdoen; het schijnsel, hoe zwak ook, zou ons kunnen verraden.”Zijne kameraden volgden zijn raad, het vuur werd oogenblikkelijk uitgedoofd.»Mijn bleeke broeder is voorzichtig,” zei het opperhoofd beleefd; »hij kent de woestijn, ik ben blijde dat ik hem bij mij zie.”Don Louis dankte den Indiaan met eene buiging.»Thans zijn wij nagenoeg onzichtbaar,” vervolgde Goedsmoeds, »dreigend gevaar hebben wij vooreerst niet te duchten, laten wij samen raad houden. Het opperhoofd was de eerste die onraad heeft bespeurd, hij moet ons uitleggen wat hij er van denkt.”De Indiaan wikkelde zich in zijn mantel en de drie mannen gingen zoo dicht bijeen zitten dat het gesprek fluisterend kon worden voortgezet.»Reeds dezen morgen met zonsopgang ben ik op reis gegaan,” zei de Arendskop; »en daar ik haast had om het afgesproken punt te bereiken, reed ik dwars door de prairie om de reis te bekorten. Maar den geheelen weg over zag ik duidelijke sporen van een talrijken troep ruiters, die sporen waren breed en vol, als gewoonlijk van een detachement dat sterk genoeg is om voor geen onverhoedsche aanranding te vreezen; ik heb die sporen een geruimen tijd kunnen waarnemen en volgen, tot zij op eens verdwenen waren, zonder dat ik ze bij mogelijkheid heb kunnen terugvinden.”»Te duivel!” mompelde de Canadees, »dat ziet er gek uit.”»In ’t eerst dacht ik mij met die sporen niet bezig te houden, maar later begon ik er ongerust over te worden en daarom heb ik gemeend er u van te moeten spreken.”»Om welke reden werdt gij ongerust?”»Ik denk, en als het wezen moet, durf ik wel zeggen ik weet het zeker, dat het door mij ontdekte spoor gericht is naar de groote hut der bleekgezichten te Guetzalli.”»Welken grond hebt gij voor die veronderstelling?” vroeg Louis.»Deze: op het uur dat de alligator den modderigen oever verlaat om zich weder in de Gila te dompelen, hoorde ik op korten afstand van mij een gedruisch van paarden, zoodat ik uit vrees van ontdekt te worden genoodzaakt was mij achter een boschje van wortelboomen en floripondio’s te verbergen; toen ik daar veilig zat keek ik uit en nu reed er geen boogschot ver van mij af een troep bleekgezichten voorbij, in de richting van Guetzalli.”»Ik begrijp er niets van,” riep Goedsmoeds, »ga voort.”»Ondanks al de zorg waarmede hij zich onkenbaar had zoeken te maken, herkende ik den man die de karavaan als gids diende, en[84]toen begreep ik terstond welk een helsch komplot die Apachen-honden hebben gesmeed.”»En wie is die man?”»O mijn broeder kent hem wel: het is Wahsho chegora—deZwarte-Beer—het voornaamste opperhoofd van den stam der Witte Raven.”»Als gij u daarin niet vergist hebt, hoofdman, dan zullen hier binnen kort vreeselijke dingen gebeuren; deZwarte-Beeris de onverzoenlijkste vijand der blanken.”»Dat is de eenige reden waarom ik mijn broeder heb willen spreken. Overigens gaat het ons niet aan; in de wildernis hebben wij genoeg met onze eigene zaken te doen, zonder dat wij ons met die van anderen bemoeien.”De Canadees schudde het hoofd.»Wat gij daar zegt is wel waar,” antwoordde hij, »wij zouden misschien wijs doen als wij de bewoners der hacienda aan hun lot overlaten en ons niet steken in zaken daar wij grooten last van kunnen hebben.”»Zijt gij dan voornemens werkelijk zoo te handelen,” vroeg de Franschman met drift.»Dat wil ik niet stellig zeggen,” hernam de Canadees, »maar het is een moeielijk geval; wij zullen met een talrijken vijand te doen krijgen.”»Ja, maar die men wil overrompelen zijn uwe landgenooten.”»Dat is waar, en dat maakt de zaak inderdaad zeer netelig, ik zou die ongelukkigen niet gaarne zien scalpeeren. Aan den anderen kant, als wij ons onbedacht in den strijd werpen, loopen wij gevaar om zelven er het slachtoffer van te worden.”»Waarom bedenkt gij er u zoo lang over?”»Pardi! om het voor en tegen goed na te gaan; ik aarzel altijd om mij in eene onderneming te wagen, daar ik te voren niet al de gevolgen van heb berekend; ben ik er eenmaal in, dan geef ik er minder om.”Don Louis kon zich moeielijk zonder lachen houden bij deze zonderlinge redeneering, en staarde zijn vriend aan.»Mijn besluit is genomen,” hervatte de Canadees een oogenblik later. »Eer de nacht voorbij is zullen wij zeker wat nieuws zien gebeuren; gaan wij dichter bij de rivier, ik twijfel niet of wij krijgen daar weldra de noodige aanwijzing om er ons plan naar te regelen. Onze paarden staan hier veilig, wij kunnen ze gerust achter laten, zij zouden ons bovendien maar belemmeren.”De drie mannen gingen plat op den grond liggen en kropen stil naar de rivier, in de door Goedsmoeds aangewezen richting.De nacht was heerlijk, de maan scheen in vollen luister en de dampkring was zoo doorzichtig dat men het kleinste voorwerp op grooten afstand kon onderscheiden.[85]De drie avonturiers kwamen eindelijk uit de struiken tevoorschijn, maar verborgen zich aan den rand der rivier, in een ondoordringbaar boschje, waar zij bleven wachten met al het geduld dat den woudloopers eigen is.De heerschende stilte in de woestijn was zoo diep, dat ook het zwakste geluid merkbaar werd; een vallend blad in het water, een keitje dat zich aan den oever loswoelde, het zacht en eentonig gemurmel van den stroom over zijn zandige bedding, de ritselende vleugelslag van een uil, die van tak tot tak sprong, was het eenige dat zich hooren liet.Zoo zaten de drie avonturiers reeds verscheidene uren onverdroten te waken, met open oog en ooren, met den vinger aan de gespannen buks, uit vrees van overrompeling en nog was er niets gebeurd dat de vermoedens van den Arendskop of de voorspellingen van Goedsmoeds kon versterken, toen Louis de hand van den Indiaan zacht aan zijn schouder voelde drukken, hem naar de rivier wijzende; de Franschman richtte zich op de knieën en keek uit.Eene bijna onmerkbare beweging beroerde de oppervlakte van het water, als zwom er een alligator voorbij.»Ha ha!” mompelde Goedsmoeds, »daar komt eindelijk wat wij zoo lang gewacht hebben, denk ik.”Een zwarte massa verscheen weldra, meer drijvend dan zwemmend, op de rivier en naderde van lieverlede de plaats waar de jagers zich verscholen hielden.Na verloop van eenige minuten hield de donkere massa, wat zij dan ook wezen mocht, stil en hoorde men verscheidene malen achtereen het gejank van den hond der prairiën.Weldra klonk het gehuil van den coyote met kracht en zoo dicht in de nabijheid, dat de drie wakers huns ondanks er van schrikten. Oogenblikkelijk zagen zij een man met beide handen van een acajou-eik afhangen en eensklaps op den grond vallen, geen zes passen ver van de plek waar zij zich bevonden.Die man was in Mexicaansche kleeding.»Kom hier, hoofdman,” zeide hij, half overluid tegen de zwarte massa in het water, zonder zich te dicht aan den oever te wagen. »Kom vrij, wij zijn alleen.”De toegesprokene zwarte massa, blijkbaar een Indiaan, kwam uit het water en kroop op handen en voeten naar den man uit den boom.»Mijn broeder spreekt te hard,” zeide hij; »in de woestijn is men nooit alleen; de bladeren hebben oogen en de boomen ooren.”»Bah! wat gij mij daar zegt is al te gek; wie duivel zou ons hier bespieden. Uwe krijgslieden er buiten gerekend, die waarschijnlijk in den omtrek verborgen zijn, kan niemand ons hier zien of hooren.”De Indiaan schudde bedenkelijk het hoofd.Nu deze op vasten bodem was, nauwelijks tien passen van onze[86]avonturiers, moest Goedsmoeds bekennen dat de Arendskop zich niet bedrogen had en dat de bedoelde man werkelijk niemand anders was dan de Zwarte-Beer.De beide mannen stonden een poosje zwijgend tegenover elkander.Eindelijk vatte de Mexicaan het woord weder op.»Gij hebt goed gemanoeuvreerd, hoofdman,” zeide hij op vleienden toon; »ik weet niet hoe gij het gedaan hebt gekregen, maar ik veronderstel dat het u gelukt is om binnen de hacienda te komen?”»Dat is het,” antwoordde de Indiaan.»Dan hebben wij nu niets meer te doen dan onze laatste maatregelen te beramen; gij zijt een groot opperhoofd, in wien ik het onbepaaldste vertrouwen stel; ziedaar wat ik u beloofd heb; ik behoefde u eerst later te betalen, maar ik wil dat er niet de minste reden van verwijt tusschen ons besta.”De Indiaan wees de hem aangeboden goudbeurs met weerzin terug.»De Zwarte-Beer heeft zich bedacht,” zeide hij koel.»In welk opzicht, als ik u vragen mag?”»Een krijgsman is geen vrouw dat hij noodeloos woorden zou verspillen; wat mijn broeder den Zwarten-Beer had aangeboden, weigert de Apache stellig.”»Dat wil zeggen?”»Dat alles tusschen ons verbroken is.”De Mexicaan onderdrukte met moeite zijne teleurstelling.»Derhalve hebt gij uwe krijgslieden niet gewaarschuwd; en zult gij wanneer ik het u beveel de hacienda niet aantasten?”»De Zwarte-Beer heeft zijne krijgers gewaarschuwd, hij zal de bleekgezichten aantasten.”»En wat zegt gij mij dan daar even? Ik moet u verklaren dat ik u niet begrijp, hoofdman.”»Dat komt omdat het bleekgezicht mij niet begrijpen wil: de Zwarte-Beer zal de hacienda wel aantasten, maar voor zijn eigen rekening.”»Dat was immers tusschen ons afgesproken, zoo ik meen?”»Ja, maar de Zwarte-Beer heeft de zingende vogel gezien, zijne tent is ledig, hij wil er de jonge bleeke maagd in huisvesten.”»Ellendeling!” riep de Mexicaan verbolgen, »moet gij mij aldus verraden?”»Waarin verraad ik het bleekgezicht?” antwoordde de Indiaan altijd onverstoord; »hij heeft mij een koop aangeboden, en ik heb dien geweigerd, daarin zie ik niets dan volkomen trouw en eerlijkheid.”De Mexicaan verbeet zich de lippen van woede; hij zag zich gevangen, en had niets meer te antwoorden.»Ik zal mij wreken!” riep hij stampvoetend.»De Zwarte-Beer is een machtig opperhoofd: hij lacht met het gekras der raven; het bleekgezicht kan niets tegen hem doen.”[87]Met een sprong sneller dan eene gedachte wierp de Mexicaan zich op den Apache, greep hem bij de keel, trok zijn mes en hief het reeds op om hem te treffen.Maar de Indiaan had de bewegingen van zijn tegenpartij te goed in ’t oog gehouden; met een niet minder snellen wrong, ontrukte hij zich aan diens vuist en stond met een sprong buiten zijn bereik.»De bleekmuil heeft een sachem durven aantasten,” zeide hij met eene heesche stem, »hij zal sterven.”De Mexicaan haalde de schouders op en greep de pistolen in zijn gordel.Het is moeielijk te gissen hoe dit tooneel zou zijn afgeloopen, zoo er geen nieuw geval tusschen beide gekomen ware, dat de geheele toedracht van gedaante deed veranderen.Uit den zelfden boom, daar weinige minuten te voren de Mexicaan in verborgen had gezeten, kwam plotseling een tweede persoon te voorschijn, en viel juist op den Apache, dien hij op den grond wierp en volkomen weerloos maakte, eer hij door dezen onverhoedschen aanval verschrikt er aan denken kon zich te verdedigen.»Wat is dat?” fluisterde Goedsmoeds met een gesmoorden lach, tegen zijne vrienden, »hoe veel duivels zitten er toch in dienacajou-ceder?”De Mexicaan en de man die hem zoo in tijds ter hulp kwam, hadden den Apache binnen weinige oogenblikken met eene reata zoo stijf vast gebonden, dat hij geen lid meer verroeren kon.»Nu zijt gij in mijne macht, hoofdman,” zei de Mexicaan, »en nu zult gij wel moeten toestemmen in hetgeen ik verlang.”De Apache meesmuilde en maakte een scherp gefluit.Op dit signaal kwamen eensklaps alsof zij uit den grond oprezen een vijftigtal Indiaansche krijgslieden van alle kanten toeschieten, en wel met zooveel spoed, dat de twee Mexicanen zich oogenblikkelijk binnen een ondoordringbaren kring van vijanden zagen opgesloten.»Te duivel!” riep Goedsmoeds bij zich zelven, »dat begint ingewikkelder te worden; hoe zullen zij zich daaruit redden?”»En wij dan?” lispelde don Louis hem in ’t oor.De Canadees beantwoordde hem met dat veelbeteekenend schouderophalen, dat in alle talen, zoo veel wil zeggen als »in vredesnaam, als het God behaagt!” en begon opnieuw met de meeste belangstelling te turen hoe dit ingewikkelde tooneel zou afloopen.»Cuchares,” hoorde hij den Mexicaan tegen zijn kameraad zeggen, »houd dien kerel goed vast, en dood hem als een hond bij de minste beweging, die hij maakt.”»Wees maar gerust, don Martial, antwoordde de lepero terwijl hij uit zijn jachtlaars een mes te voorschijn bracht, welks blauwe lemmer in het maanlicht glinsterde.»Waartoe besluit de Zwarte-Beer?” hervatte don Martial tegen den sachem, die weerloos aan zijne voeten lag.[88]»Het leven van een opperhoofd is in uwe macht, hond van een bleekmuil; neem het zoo gij durft!” antwoordde de Apache met een minachtenden grijns.»Ik zal u niet dooden; niet omdat ik bang ben, want dat gevoel ken ik niet,” riep de Mexicaan, »maar omdat ik het beneden mij acht het bloed te storten van een vijand die weerloos is, al is die vijand een onreine hond en een valsche coyote zoo als gij.”»Dood mij, zeg ik u, als gij kunt, maar scheld mij niet uit. Haast u, want als mijne krijgslieden hun geduld verliezen zullen zij u aan hunne woede opofferen, en dan sterft gij ongewroken.”»Gij schertst, uwe krijgslieden zullen zich niet verroeren zoo lang ik u hier vast heb, dat weet gij wel. Ik wil u liever den vrede aanbieden.”»Vrede!” riep de sachem en er fonkelde een heldere blik uit zijn oog, »op welke voorwaarden?”»Op twee voorwaarden.”»Goed.”»Cuchares, ontdoe dien man van de lasso; maar houd hem altijd in het oog.”De lepero gehoorzaamde.»Dank u,” zeide de Zwarte-Beer zich op de knieën oprichtende; »spreek, mijne ooren zijn geopend. Welke zijn uwe voorwaarden?”»Vooreerst dat het mij en mijn kameraad vrij zal staan ons te verwijderen waarheen wij willen,”»Goed, ten tweede.”»Ten tweede dat gij u verbindt om bij uwe krijgslieden te blijven en niet weder onder dezelfde vermomming naar de hacienda te gaan, ten minste niet in de eerste vier en twintig uren.”»Is dat alles?”»Dat is alles.”»Hoor mij op mijne beurt, bleekgezicht. Ik neem uwe voorwaarden aan, maar ik wil u de mijne zeggen.”»Spreek.”»Ik zal de hacienda niet weder binnentrekken dan met de arendsveer in mijn oorlogskuif, en aan het hoofd van mijne krijgslieden, en dat zal zijn eer de zon driemaal achter de hooge bergtoppen van het westen geslapen heeft.”»Gij pocht, Apache; ’t is onmogelijk dat gij de hacienda binnenkomt anders dan door verraad.”»Wij zullen zien,” zeide hij, en liet er met een dreigenden glimlach op volgen: »de vogel die zingt zal in de hut van een Apachenhoofd wonen en er het wild voor hem braden.”De Mexicaan haalde minachtend de schouders op.»Beproef het om de hacienda te nemen en u van het meisje meester te maken,” zeide hij.»Ik zal het beproeven. Geef mij uwe hand!”[89]»Ziedaar.”De Zwarte-Beer wendde zich naar zijne krijgslieden en met de hand van den Tigrero in de zijne, sprak hij met luider stem en op een toon van de hoogste majesteit:»Broeders, dit bleekgezicht is de vriend van den Zwarte-Beer, dat niemand hem lastig zij.”De krijgslieden bogen eerbiedig en verwijderden zich links en rechts, om de twee blanken door te laten.»Vaarwel,” zeide de Zwarte-Beer zijn vijand groetende, »binnen vier en twintig uren volg ik uw spoor.”»Gij vergist u, Apachenhond,” antwoordde don Martial trotsch, »ik integendeel zal het uwe volgen.”»Goed!dan zijn wij in ieder geval zeker dat wij elkander weer ontmoeten,” hernam de Zwarte-Beer.Hij verwijderde zich langzaam met fieren en vasten tred, gevolgd door zijne krijgslieden, terwijl hunne stappen weldra in de diepte van het bosch verdwenen.»Bij mijne ziel, don Martial,” sprak de lepero, »ik geloof dat gij verkeerd hebt gedaan met den Indiaanschen rekel zoo gemakkelijk te laten ontsnappen.”De Tigrero haalde de schouders op.»Moest ik mij dan niet uit de klem zoeken te redden daar wij in waren,” zeide hij. »Bah! de partij is remise. Zoeken wij onze paarden.”»Wacht nog even, als gij er niets tegen hebt,” riep nu op eens Goedsmoeds, zijn schuilhoek verlatende en ongedwongen te voorschijn tredende, gevolgd door zijne twee kameraden.»Wat is dat?” riep Cuchares, onmiddellijk zijn mes grijpende, terwijl don Martial bedaard de hand aan zijne pistolen sloeg.»Wat het is, caballero?” hernam Goedsmoeds op vredelievenden toon, »dat ziet gij wel, zou ik denken.”»Ik zie drie mannen.”»Juist, daar hebt gij gelijk in, drie mannen die ongezien het tooneel hebben aanschouwd, dat gij zoo braaf hebt afgespeeld; drie mannen die zich gereed hielden om u bij te springen in geval van nood en die u thans nog aanbieden gemeene zaak met u te maken, om met u de plundering der hacienda te helpen beletten daar de Apachen stellig het voornemen toe hebben: komt u dat gelegen?”»Dat hangt er van af,” meesmuilde de Tigrero, »ik moet eerst nog weten wat u beweegt om aldus te handelen.”»Vooreerst om u een genoegen te doen,” hernam Goedsmoeds beleefd, »ten tweede omdat ik die arme kolonisten voor het scalpeermes dier vervloekte Roodhuiden wil bewaren.”»In dat geval neem ik uw voorstel van ganscher harte aan.”»Volg ons dan naar ons kamp, daar kunnen wij samen ons plan van den veldtocht bespreken.”Zoodra Cuchares begreep dat de lieden die hier op zulk eene zonderlinge[90]wijs verschenen, bepaaldelijk vrienden waren, had hij zich gehaast zijn mes weder in zijne laars te steken en was hij de paarden gaan halen, die zij op korten afstand hadden gelaten. Hij kwam juist terug, de beide paarden aan de hand leidende, en nu gingen de vijf mannen gezamenlijk naar het kampement.»Neem u in acht,” zei Goedsmoeds tegen don Martial, »gij hebt u dezen nacht een onverzoenlijken vijand gemaakt, zoo gij u niet haast den Zwarte-Beer te dooden zal hij zich bij de een of andere gelegenheid op u wreken; de Apachen vergeven nimmer eene beleediging.”»Dat weet ik; en ik zal er mijne maatregelen naar nemen, stel u gerust.”»Dat is uwe zaak. Misschien hadt gij beter gedaan hem uit den weg te ruimen toen hij in uwe macht was, onverschillig wat er het gevolg van zou geweest zijn.”»Kon ik dan raden dat ik zoo dicht bij mij vrienden had? O! had ik dat maar geweten.”»Geen nazorgen, wat gedaan is is gedaan, daar kan men niet meer op terugkomen.”»Zoudt gij denken dat die man zijne voorwaarden stipt zal nakomen?”»Gij schijnt den Zwarte-Beer niet te kennen; die man is hooghartig, hij heeft zijne vaste begrippen van trouw en riddereer. Hebt gij niet gezien hoe hij bij zijne onderhandeling met u geen list heeft willen gebruiken; wat hij sprak was altijd rond en oprecht.”»Dat is zoo.”»Wees daarom verzekerd dat hij zijne belofte zal houden.”Hier bleef het gesprek steken. Don Martial was op eens nadenkend geworden, de bedreigingen van den Apache gaven hem nu des te meer stof tot bezorgdheid.Zij bereikten het kamp.De Arendskop ging dadelijk aan ’t werk om een vuur aan te leggen.»Wat doet gij?” riep Goedsmoeds terstond, »zoo zult gij immers onze tegenwoordigheid verraden.”»Neen,” antwoordde de Indiaan hoofdschuddend, »de Zwarte-Beer is met zijn volk vertrokken; zij zijn thans reeds ver van hier; waarom zouden wij onnoodige voorzorgen gebruiken?”Weldra vlamde het vuur knappend omhoog. De vijf mannen gingen er bij zitten, staken hunne pijpen aan en begonnen deftig te rooken.»Ik moet bekennen,” hervatte de Canadees een oogenblik later,»zonder de door u betoonde koelbloedigheid, weet ik niet hoe gij u uit den nood zoudt hebben gered.”»Laten wij thans zien hoe wij het voornemen van die duivelsche kerels het best zullen verijdelen,” riep de Mexicaan.[91]»O! dat is eenvoudig genoeg,” zei Louis, »een van ons gaat morgen naar de hacienda en verwittigt den eigenaar van hetgeen er dezen nacht gebeurd is, dan kan hij op zijne hoede zijn en alles is in orde.”»Ja, ik denk wel dat dit het beste middel is en dat wij het moeten gebruiken,” zei Goedsmoeds.»Vijf mannen zijn niets tegen vijfhonderd,” merkte de Arendskop aan; »wij moeten de bleekgezichten waarschuwen.”»Dat is juist wat wij voornemens zijn te doen, hoofdman,” zei de Tigrero; »maar wie van ons zal zich nu met die taak belasten en naar de hacienda gaan? Mijn kameraad en ik kunnen er ons niet aanmelden.”»Waarom niet! ik zou nu haast denken dat er een liefdehistorie onder loopt,” riep de Canadees schalks, »en dan begrijp ik wel dat het u moeielijk valt, om.…”»Laten wij er niet langer over haspelen,” viel Louis hem in de rede;»morgen, met zonsopgang ga ik naar de hacienda, ik neem die taak op mij en hoop den eigenaar in allen deele behoorlijk in te lichten omtrent het gevaar dat hem boven het hoofd hangt.”»Goed; dat is afgesproken en daarmede is alles gezegd,” riep Goedsmoeds.»Zeer goed,” zei don Martial, »dan zeggen mijn kameraad en ik, zoodra onze paarden hebben uitgerust, u hier vaarwel en keeren naar Guaymas terug,”»Toch niet, met uw welnemen,” zei de Franschman schielijk, »ik geloof dat gij beter zult doen, hier zoo lang te wachten tot ik van de hacienda terugkom, om te weten hoe het met mijn boodschap afloopt, dat gaat u nog meer aan dan ons, zou ik denken.”De Mexicaan onderdrukte met moeite een opkomend gevoel van tegenzin.»Gij hebt gelijk,” zeide hij, »daar dacht ik niet aan. Ik zal wachten tot gij terugkomt.”De jagers wisselden nog eenige woorden samen, toen wikkelden zij zich in hunne dekens, legden zich op den grond neder en waren weldra in slaap.De diepste stilte heerschte thans in het sombere boschkamp, dat slechts flauw verlicht werd door den rooden gloed van het uitstervende vuur.Reeds twee uren ongeveer hadden de avonturiers geslapen, toen de struiken zachtjes werden uiteengeschoven, en een man verscheen.Hij bleef een oogenblik staan, zoo het scheen om te luisteren; daarop kroop hij zonder het minste gedruisch te maken voort naar de plek waar de Tigrero gerust sliep.Dichter bij gekomen, en in het schijnsel van het vuur, had men hem duidelijk genoeg als den Zwarte-Beer kunnen onderkennen. Het Apachenhoofd haalde zijn scalpeermes uit zijn gordel en legde het[92]zacht op de borst van den Tigrero; toen nog eens rondkijkende om zich te verzekeren dat de vijf mannen gerust sliepen, verwijderde hij zich met dezelfde voorzichtigheid als hij gekomen was en verdween weldra in de struiken, die zich achter hem sloten.

Op ongeveer drie geweerschoten afstands van de hacienda, in een dicht bosch van lentisken, nopals en inktboomen, doormengd met eenige acajou-ceders, wilde katoen- en Peruboomen, steeg een uur voor zonsondergang een ruiter af, en kluisterde zijn paard—een heerlijken mustang met fonkelend oog, fieren hals en golvende manen. Nadat de ruiter een bespiedenden blik in het rond had geworpen, blijkbaar welvoldaan over de diepe heerschende stilte, maakte hij zich gereed om te kampeeren.

De onbekende had de helft van zijne levensbaan reeds afgelegd: het was een Indiaansch krijgsman, lang en forsch van gestalte, en[81]gekleed in het kostuum der Comanchen in zijne grootste zuiverheid. Ofschoon reeds meer dan zestig jaar oud was hij nog vol levendigheid en kracht en vertoonde zich geen spoor van ouderdom of verval in zijne gespierde leden; de arendsveer die midden uit zijn oorlogskuif opstak deed hem kennen als een opperhoofd of sachem.

Deze man was de Arendskop, het Comanchenhoofd, waarmede de lezer reeds in een vorig werk kennis heeft gemaakt1.

Na zijne wapens afgedaan en zijn geweer te hebben in rust gebracht, verzamelde hij een hoop droog hout en stak het in brand. Vervolgens legde hij eenige ellen tasajo, een stuk hertebout en een half dozijn maïskoeken op de kolen. Onder het maken van deze toebereidsels voor een stevig souper, vulde hij zijne calumet en toen hij er mede klaar was ging hij bij het vuur zitten; en begon te rooken met al de bedaardheid die den Indianen eigen is en hen in geenerlei omstandigheden verlegen laat.

Zoo gingen er twee uren vreedzaam voorbij, zonder dat de rust van het Indiaansch hoofd in het minst gestoord werd.

De nacht was op den dag gevolgd, de duisternis had de wildernis ingenomen, en met haar begon het rijk der stilte en der eenzaamheid in de geheimzinnige diepte der prairiën.

De Indiaan bleef steeds onbeweeglijk zitten en vergenoegde zich met nu en dan naar zijn paard om te zien, dat lustig zijne wilde doperwten en jonge bladrijzen knabbelde.

Op eens echter stak de Arendskop het hoofd op, boog het lijf naar voren en zonder zich verder te verroeren greep hij naar zijn geweer, terwijl de mustang ophield met vreten, de ooren spitste en een krachtig gehinnik aanhief.

Het bosch bleef intusschen even kalm: er was al de scherpte van een Indiaansch gehoor toe noodig om in deze stilte nog eenig verdacht geluid op te merken.

Een oogenblik daarna werden de samengetrokken wenkbrauwen van het opperhoofd weder effen, hij hernam zijne onbezorgde houding en de beide voorvingers aan den mond brengende, bootste hij met zonderlinge juistheid, gedurende twee of drie minuten het welluidend gezang der centzontle of Mexicaanschen nachtegaal na; ook het paard had zijn afgebroken maaltijd weder hervat.

Er verliep nauwelijks een minuut, of het geschrei van den watersperwer klonk tweemaal aan de zijde der rivier.

Weldra hoorde men een gedruisch van paarden, vermengd met het kraken van takken en geschuifel van bladeren, en er verschenen twee ruiters.

Het opperhoofd keek niet eens op om te zien wie het waren; hij had hen waarschijnlijk reeds herkend en wist dat zij, hetzij beiden of althans een van hen, bij hem zouden komen.[82]

Deze twee ruiters waren don Louis en Goedsmoeds.

Zij kluisterden hunne paarden bij dat van het opperhoofd, gingen op een stilzwijgenden wenk van den Indiaan bij het vuur zitten en vielen met kracht aan op het souper dat te hunnen gerieve was gereed gemaakt.

Den vorigen dag van de Rancho vertrokken zijnde, hadden zij onafgebroken doorgereisd zonder een oogenblik te verliezen om bij den Arendskop te komen.

De graaf de Lhorailles had hun in de pulqueria aangeboden om samen te reizen, maar dat aanbod was door Goedsmoeds geweigerd.

Niet wetende met welk oogmerk de Indiaan hem in de woestijn had afgesproken, wilde hij niet gaarne een vreemdeling in de zaken van zijn vriend opening geven.

Evenwel waren de drie mannen op den besten voet van elkander gescheiden en had de graaf don Louis en den Canadees uitgenoodigd om hem te Guetzalli te komen opzoeken, eene beleefdheid die zij min of meer uitwijkend beantwoordden.

De sympathie is soms wonderlijk in hare uitwerkselen: de indruk door den graaf op de twee avonturiers gemaakt was voor hem zoo ongunstig geweest, dat deze, ofschoon zijn verzoek met welwillendheid ontvangende het niet raadzaam vonden, zich te laten kennen, maar te zijnen aanzien de meeste terughouding in acht te nemen, hunne voorzichtigheid zelfs zoo ver drijvende dat zij hunnen landaard voor hem verborgen hielden, en het gesprek bleven voortzetten in het Spaansch, ofschoon zij hem reeds bij zijn eerste woord voor een Franschman hadden herkend.

Toen het souper geëindigd was, stopte Goedsmoeds zijne pijp en strekte de hand naar het vuur om er een brandhout uit te grijpen.

»Wacht!” riep de Arendskop met drift.

Dit was het eerste woord dat de Indiaan sprak; tot op dit oogenblik hadden de drie vrienden nog geen syllabe gewisseld.

Goedsmoeds keek hem aan.

»Wel!” riep hij, »wat is er dan nu weer voor nieuws?”

»Ik weet het nog niet,” antwoordde het opperhoofd, »maar ik heb een verdacht geritsel in de bladeren gehoord, en op verren afstand van ons, onder den wind, zijn verscheidene buffels die vreedzaam liepen grazen, op eens op de vlucht gegaan, zonder dat ik er eenige reden voor zie.”

»Zoo!” hernam de Canadees, »dat wordt ernstig; wat denkt gij er van, Louis?”

»In de wildernis,” antwoordde deze bedaard, »heeft alles zijne oorzaak, en geschiedt er niets bij toeval; ik denk, onder verbetering, dat wij wel zullen doen, op onze hoede te zijn. Ei zie,” vervolgde hij opkijkende en zijnen vrienden een troep vogels wijzende, die snel boven hunne hoofden voorbij vlogen, »hebt gij ooit een troep condors op dit uur en zoo laag in de lucht zien vliegen?”[83]

De Indiaan schudde het hoofd.

»Er is iets aan de hand,” mompelde hij, »de Apachenhonden zijn op de jacht.”

»’t Is mogelijk,” zei Goedsmoeds.

»Voor alles,” merkte de Franschman aan, »laten wij het vuur uitdoen; het schijnsel, hoe zwak ook, zou ons kunnen verraden.”

Zijne kameraden volgden zijn raad, het vuur werd oogenblikkelijk uitgedoofd.

»Mijn bleeke broeder is voorzichtig,” zei het opperhoofd beleefd; »hij kent de woestijn, ik ben blijde dat ik hem bij mij zie.”

Don Louis dankte den Indiaan met eene buiging.

»Thans zijn wij nagenoeg onzichtbaar,” vervolgde Goedsmoeds, »dreigend gevaar hebben wij vooreerst niet te duchten, laten wij samen raad houden. Het opperhoofd was de eerste die onraad heeft bespeurd, hij moet ons uitleggen wat hij er van denkt.”

De Indiaan wikkelde zich in zijn mantel en de drie mannen gingen zoo dicht bijeen zitten dat het gesprek fluisterend kon worden voortgezet.

»Reeds dezen morgen met zonsopgang ben ik op reis gegaan,” zei de Arendskop; »en daar ik haast had om het afgesproken punt te bereiken, reed ik dwars door de prairie om de reis te bekorten. Maar den geheelen weg over zag ik duidelijke sporen van een talrijken troep ruiters, die sporen waren breed en vol, als gewoonlijk van een detachement dat sterk genoeg is om voor geen onverhoedsche aanranding te vreezen; ik heb die sporen een geruimen tijd kunnen waarnemen en volgen, tot zij op eens verdwenen waren, zonder dat ik ze bij mogelijkheid heb kunnen terugvinden.”

»Te duivel!” mompelde de Canadees, »dat ziet er gek uit.”

»In ’t eerst dacht ik mij met die sporen niet bezig te houden, maar later begon ik er ongerust over te worden en daarom heb ik gemeend er u van te moeten spreken.”

»Om welke reden werdt gij ongerust?”

»Ik denk, en als het wezen moet, durf ik wel zeggen ik weet het zeker, dat het door mij ontdekte spoor gericht is naar de groote hut der bleekgezichten te Guetzalli.”

»Welken grond hebt gij voor die veronderstelling?” vroeg Louis.

»Deze: op het uur dat de alligator den modderigen oever verlaat om zich weder in de Gila te dompelen, hoorde ik op korten afstand van mij een gedruisch van paarden, zoodat ik uit vrees van ontdekt te worden genoodzaakt was mij achter een boschje van wortelboomen en floripondio’s te verbergen; toen ik daar veilig zat keek ik uit en nu reed er geen boogschot ver van mij af een troep bleekgezichten voorbij, in de richting van Guetzalli.”

»Ik begrijp er niets van,” riep Goedsmoeds, »ga voort.”

»Ondanks al de zorg waarmede hij zich onkenbaar had zoeken te maken, herkende ik den man die de karavaan als gids diende, en[84]toen begreep ik terstond welk een helsch komplot die Apachen-honden hebben gesmeed.”

»En wie is die man?”

»O mijn broeder kent hem wel: het is Wahsho chegora—deZwarte-Beer—het voornaamste opperhoofd van den stam der Witte Raven.”

»Als gij u daarin niet vergist hebt, hoofdman, dan zullen hier binnen kort vreeselijke dingen gebeuren; deZwarte-Beeris de onverzoenlijkste vijand der blanken.”

»Dat is de eenige reden waarom ik mijn broeder heb willen spreken. Overigens gaat het ons niet aan; in de wildernis hebben wij genoeg met onze eigene zaken te doen, zonder dat wij ons met die van anderen bemoeien.”

De Canadees schudde het hoofd.

»Wat gij daar zegt is wel waar,” antwoordde hij, »wij zouden misschien wijs doen als wij de bewoners der hacienda aan hun lot overlaten en ons niet steken in zaken daar wij grooten last van kunnen hebben.”

»Zijt gij dan voornemens werkelijk zoo te handelen,” vroeg de Franschman met drift.

»Dat wil ik niet stellig zeggen,” hernam de Canadees, »maar het is een moeielijk geval; wij zullen met een talrijken vijand te doen krijgen.”

»Ja, maar die men wil overrompelen zijn uwe landgenooten.”

»Dat is waar, en dat maakt de zaak inderdaad zeer netelig, ik zou die ongelukkigen niet gaarne zien scalpeeren. Aan den anderen kant, als wij ons onbedacht in den strijd werpen, loopen wij gevaar om zelven er het slachtoffer van te worden.”

»Waarom bedenkt gij er u zoo lang over?”

»Pardi! om het voor en tegen goed na te gaan; ik aarzel altijd om mij in eene onderneming te wagen, daar ik te voren niet al de gevolgen van heb berekend; ben ik er eenmaal in, dan geef ik er minder om.”

Don Louis kon zich moeielijk zonder lachen houden bij deze zonderlinge redeneering, en staarde zijn vriend aan.

»Mijn besluit is genomen,” hervatte de Canadees een oogenblik later. »Eer de nacht voorbij is zullen wij zeker wat nieuws zien gebeuren; gaan wij dichter bij de rivier, ik twijfel niet of wij krijgen daar weldra de noodige aanwijzing om er ons plan naar te regelen. Onze paarden staan hier veilig, wij kunnen ze gerust achter laten, zij zouden ons bovendien maar belemmeren.”

De drie mannen gingen plat op den grond liggen en kropen stil naar de rivier, in de door Goedsmoeds aangewezen richting.

De nacht was heerlijk, de maan scheen in vollen luister en de dampkring was zoo doorzichtig dat men het kleinste voorwerp op grooten afstand kon onderscheiden.[85]

De drie avonturiers kwamen eindelijk uit de struiken tevoorschijn, maar verborgen zich aan den rand der rivier, in een ondoordringbaar boschje, waar zij bleven wachten met al het geduld dat den woudloopers eigen is.

De heerschende stilte in de woestijn was zoo diep, dat ook het zwakste geluid merkbaar werd; een vallend blad in het water, een keitje dat zich aan den oever loswoelde, het zacht en eentonig gemurmel van den stroom over zijn zandige bedding, de ritselende vleugelslag van een uil, die van tak tot tak sprong, was het eenige dat zich hooren liet.

Zoo zaten de drie avonturiers reeds verscheidene uren onverdroten te waken, met open oog en ooren, met den vinger aan de gespannen buks, uit vrees van overrompeling en nog was er niets gebeurd dat de vermoedens van den Arendskop of de voorspellingen van Goedsmoeds kon versterken, toen Louis de hand van den Indiaan zacht aan zijn schouder voelde drukken, hem naar de rivier wijzende; de Franschman richtte zich op de knieën en keek uit.

Eene bijna onmerkbare beweging beroerde de oppervlakte van het water, als zwom er een alligator voorbij.

»Ha ha!” mompelde Goedsmoeds, »daar komt eindelijk wat wij zoo lang gewacht hebben, denk ik.”

Een zwarte massa verscheen weldra, meer drijvend dan zwemmend, op de rivier en naderde van lieverlede de plaats waar de jagers zich verscholen hielden.

Na verloop van eenige minuten hield de donkere massa, wat zij dan ook wezen mocht, stil en hoorde men verscheidene malen achtereen het gejank van den hond der prairiën.

Weldra klonk het gehuil van den coyote met kracht en zoo dicht in de nabijheid, dat de drie wakers huns ondanks er van schrikten. Oogenblikkelijk zagen zij een man met beide handen van een acajou-eik afhangen en eensklaps op den grond vallen, geen zes passen ver van de plek waar zij zich bevonden.

Die man was in Mexicaansche kleeding.

»Kom hier, hoofdman,” zeide hij, half overluid tegen de zwarte massa in het water, zonder zich te dicht aan den oever te wagen. »Kom vrij, wij zijn alleen.”

De toegesprokene zwarte massa, blijkbaar een Indiaan, kwam uit het water en kroop op handen en voeten naar den man uit den boom.

»Mijn broeder spreekt te hard,” zeide hij; »in de woestijn is men nooit alleen; de bladeren hebben oogen en de boomen ooren.”

»Bah! wat gij mij daar zegt is al te gek; wie duivel zou ons hier bespieden. Uwe krijgslieden er buiten gerekend, die waarschijnlijk in den omtrek verborgen zijn, kan niemand ons hier zien of hooren.”

De Indiaan schudde bedenkelijk het hoofd.

Nu deze op vasten bodem was, nauwelijks tien passen van onze[86]avonturiers, moest Goedsmoeds bekennen dat de Arendskop zich niet bedrogen had en dat de bedoelde man werkelijk niemand anders was dan de Zwarte-Beer.

De beide mannen stonden een poosje zwijgend tegenover elkander.

Eindelijk vatte de Mexicaan het woord weder op.

»Gij hebt goed gemanoeuvreerd, hoofdman,” zeide hij op vleienden toon; »ik weet niet hoe gij het gedaan hebt gekregen, maar ik veronderstel dat het u gelukt is om binnen de hacienda te komen?”

»Dat is het,” antwoordde de Indiaan.

»Dan hebben wij nu niets meer te doen dan onze laatste maatregelen te beramen; gij zijt een groot opperhoofd, in wien ik het onbepaaldste vertrouwen stel; ziedaar wat ik u beloofd heb; ik behoefde u eerst later te betalen, maar ik wil dat er niet de minste reden van verwijt tusschen ons besta.”

De Indiaan wees de hem aangeboden goudbeurs met weerzin terug.

»De Zwarte-Beer heeft zich bedacht,” zeide hij koel.

»In welk opzicht, als ik u vragen mag?”

»Een krijgsman is geen vrouw dat hij noodeloos woorden zou verspillen; wat mijn broeder den Zwarten-Beer had aangeboden, weigert de Apache stellig.”

»Dat wil zeggen?”

»Dat alles tusschen ons verbroken is.”

De Mexicaan onderdrukte met moeite zijne teleurstelling.

»Derhalve hebt gij uwe krijgslieden niet gewaarschuwd; en zult gij wanneer ik het u beveel de hacienda niet aantasten?”

»De Zwarte-Beer heeft zijne krijgers gewaarschuwd, hij zal de bleekgezichten aantasten.”

»En wat zegt gij mij dan daar even? Ik moet u verklaren dat ik u niet begrijp, hoofdman.”

»Dat komt omdat het bleekgezicht mij niet begrijpen wil: de Zwarte-Beer zal de hacienda wel aantasten, maar voor zijn eigen rekening.”

»Dat was immers tusschen ons afgesproken, zoo ik meen?”

»Ja, maar de Zwarte-Beer heeft de zingende vogel gezien, zijne tent is ledig, hij wil er de jonge bleeke maagd in huisvesten.”

»Ellendeling!” riep de Mexicaan verbolgen, »moet gij mij aldus verraden?”

»Waarin verraad ik het bleekgezicht?” antwoordde de Indiaan altijd onverstoord; »hij heeft mij een koop aangeboden, en ik heb dien geweigerd, daarin zie ik niets dan volkomen trouw en eerlijkheid.”

De Mexicaan verbeet zich de lippen van woede; hij zag zich gevangen, en had niets meer te antwoorden.

»Ik zal mij wreken!” riep hij stampvoetend.

»De Zwarte-Beer is een machtig opperhoofd: hij lacht met het gekras der raven; het bleekgezicht kan niets tegen hem doen.”[87]

Met een sprong sneller dan eene gedachte wierp de Mexicaan zich op den Apache, greep hem bij de keel, trok zijn mes en hief het reeds op om hem te treffen.

Maar de Indiaan had de bewegingen van zijn tegenpartij te goed in ’t oog gehouden; met een niet minder snellen wrong, ontrukte hij zich aan diens vuist en stond met een sprong buiten zijn bereik.

»De bleekmuil heeft een sachem durven aantasten,” zeide hij met eene heesche stem, »hij zal sterven.”

De Mexicaan haalde de schouders op en greep de pistolen in zijn gordel.

Het is moeielijk te gissen hoe dit tooneel zou zijn afgeloopen, zoo er geen nieuw geval tusschen beide gekomen ware, dat de geheele toedracht van gedaante deed veranderen.

Uit den zelfden boom, daar weinige minuten te voren de Mexicaan in verborgen had gezeten, kwam plotseling een tweede persoon te voorschijn, en viel juist op den Apache, dien hij op den grond wierp en volkomen weerloos maakte, eer hij door dezen onverhoedschen aanval verschrikt er aan denken kon zich te verdedigen.

»Wat is dat?” fluisterde Goedsmoeds met een gesmoorden lach, tegen zijne vrienden, »hoe veel duivels zitten er toch in dienacajou-ceder?”

De Mexicaan en de man die hem zoo in tijds ter hulp kwam, hadden den Apache binnen weinige oogenblikken met eene reata zoo stijf vast gebonden, dat hij geen lid meer verroeren kon.

»Nu zijt gij in mijne macht, hoofdman,” zei de Mexicaan, »en nu zult gij wel moeten toestemmen in hetgeen ik verlang.”

De Apache meesmuilde en maakte een scherp gefluit.

Op dit signaal kwamen eensklaps alsof zij uit den grond oprezen een vijftigtal Indiaansche krijgslieden van alle kanten toeschieten, en wel met zooveel spoed, dat de twee Mexicanen zich oogenblikkelijk binnen een ondoordringbaren kring van vijanden zagen opgesloten.

»Te duivel!” riep Goedsmoeds bij zich zelven, »dat begint ingewikkelder te worden; hoe zullen zij zich daaruit redden?”

»En wij dan?” lispelde don Louis hem in ’t oor.

De Canadees beantwoordde hem met dat veelbeteekenend schouderophalen, dat in alle talen, zoo veel wil zeggen als »in vredesnaam, als het God behaagt!” en begon opnieuw met de meeste belangstelling te turen hoe dit ingewikkelde tooneel zou afloopen.

»Cuchares,” hoorde hij den Mexicaan tegen zijn kameraad zeggen, »houd dien kerel goed vast, en dood hem als een hond bij de minste beweging, die hij maakt.”

»Wees maar gerust, don Martial, antwoordde de lepero terwijl hij uit zijn jachtlaars een mes te voorschijn bracht, welks blauwe lemmer in het maanlicht glinsterde.

»Waartoe besluit de Zwarte-Beer?” hervatte don Martial tegen den sachem, die weerloos aan zijne voeten lag.[88]

»Het leven van een opperhoofd is in uwe macht, hond van een bleekmuil; neem het zoo gij durft!” antwoordde de Apache met een minachtenden grijns.

»Ik zal u niet dooden; niet omdat ik bang ben, want dat gevoel ken ik niet,” riep de Mexicaan, »maar omdat ik het beneden mij acht het bloed te storten van een vijand die weerloos is, al is die vijand een onreine hond en een valsche coyote zoo als gij.”

»Dood mij, zeg ik u, als gij kunt, maar scheld mij niet uit. Haast u, want als mijne krijgslieden hun geduld verliezen zullen zij u aan hunne woede opofferen, en dan sterft gij ongewroken.”

»Gij schertst, uwe krijgslieden zullen zich niet verroeren zoo lang ik u hier vast heb, dat weet gij wel. Ik wil u liever den vrede aanbieden.”

»Vrede!” riep de sachem en er fonkelde een heldere blik uit zijn oog, »op welke voorwaarden?”

»Op twee voorwaarden.”

»Goed.”

»Cuchares, ontdoe dien man van de lasso; maar houd hem altijd in het oog.”

De lepero gehoorzaamde.

»Dank u,” zeide de Zwarte-Beer zich op de knieën oprichtende; »spreek, mijne ooren zijn geopend. Welke zijn uwe voorwaarden?”

»Vooreerst dat het mij en mijn kameraad vrij zal staan ons te verwijderen waarheen wij willen,”

»Goed, ten tweede.”

»Ten tweede dat gij u verbindt om bij uwe krijgslieden te blijven en niet weder onder dezelfde vermomming naar de hacienda te gaan, ten minste niet in de eerste vier en twintig uren.”

»Is dat alles?”

»Dat is alles.”

»Hoor mij op mijne beurt, bleekgezicht. Ik neem uwe voorwaarden aan, maar ik wil u de mijne zeggen.”

»Spreek.”

»Ik zal de hacienda niet weder binnentrekken dan met de arendsveer in mijn oorlogskuif, en aan het hoofd van mijne krijgslieden, en dat zal zijn eer de zon driemaal achter de hooge bergtoppen van het westen geslapen heeft.”

»Gij pocht, Apache; ’t is onmogelijk dat gij de hacienda binnenkomt anders dan door verraad.”

»Wij zullen zien,” zeide hij, en liet er met een dreigenden glimlach op volgen: »de vogel die zingt zal in de hut van een Apachenhoofd wonen en er het wild voor hem braden.”

De Mexicaan haalde minachtend de schouders op.

»Beproef het om de hacienda te nemen en u van het meisje meester te maken,” zeide hij.

»Ik zal het beproeven. Geef mij uwe hand!”[89]

»Ziedaar.”

De Zwarte-Beer wendde zich naar zijne krijgslieden en met de hand van den Tigrero in de zijne, sprak hij met luider stem en op een toon van de hoogste majesteit:

»Broeders, dit bleekgezicht is de vriend van den Zwarte-Beer, dat niemand hem lastig zij.”

De krijgslieden bogen eerbiedig en verwijderden zich links en rechts, om de twee blanken door te laten.

»Vaarwel,” zeide de Zwarte-Beer zijn vijand groetende, »binnen vier en twintig uren volg ik uw spoor.”

»Gij vergist u, Apachenhond,” antwoordde don Martial trotsch, »ik integendeel zal het uwe volgen.”

»Goed!dan zijn wij in ieder geval zeker dat wij elkander weer ontmoeten,” hernam de Zwarte-Beer.

Hij verwijderde zich langzaam met fieren en vasten tred, gevolgd door zijne krijgslieden, terwijl hunne stappen weldra in de diepte van het bosch verdwenen.

»Bij mijne ziel, don Martial,” sprak de lepero, »ik geloof dat gij verkeerd hebt gedaan met den Indiaanschen rekel zoo gemakkelijk te laten ontsnappen.”

De Tigrero haalde de schouders op.

»Moest ik mij dan niet uit de klem zoeken te redden daar wij in waren,” zeide hij. »Bah! de partij is remise. Zoeken wij onze paarden.”

»Wacht nog even, als gij er niets tegen hebt,” riep nu op eens Goedsmoeds, zijn schuilhoek verlatende en ongedwongen te voorschijn tredende, gevolgd door zijne twee kameraden.

»Wat is dat?” riep Cuchares, onmiddellijk zijn mes grijpende, terwijl don Martial bedaard de hand aan zijne pistolen sloeg.

»Wat het is, caballero?” hernam Goedsmoeds op vredelievenden toon, »dat ziet gij wel, zou ik denken.”

»Ik zie drie mannen.”

»Juist, daar hebt gij gelijk in, drie mannen die ongezien het tooneel hebben aanschouwd, dat gij zoo braaf hebt afgespeeld; drie mannen die zich gereed hielden om u bij te springen in geval van nood en die u thans nog aanbieden gemeene zaak met u te maken, om met u de plundering der hacienda te helpen beletten daar de Apachen stellig het voornemen toe hebben: komt u dat gelegen?”

»Dat hangt er van af,” meesmuilde de Tigrero, »ik moet eerst nog weten wat u beweegt om aldus te handelen.”

»Vooreerst om u een genoegen te doen,” hernam Goedsmoeds beleefd, »ten tweede omdat ik die arme kolonisten voor het scalpeermes dier vervloekte Roodhuiden wil bewaren.”

»In dat geval neem ik uw voorstel van ganscher harte aan.”

»Volg ons dan naar ons kamp, daar kunnen wij samen ons plan van den veldtocht bespreken.”

Zoodra Cuchares begreep dat de lieden die hier op zulk eene zonderlinge[90]wijs verschenen, bepaaldelijk vrienden waren, had hij zich gehaast zijn mes weder in zijne laars te steken en was hij de paarden gaan halen, die zij op korten afstand hadden gelaten. Hij kwam juist terug, de beide paarden aan de hand leidende, en nu gingen de vijf mannen gezamenlijk naar het kampement.

»Neem u in acht,” zei Goedsmoeds tegen don Martial, »gij hebt u dezen nacht een onverzoenlijken vijand gemaakt, zoo gij u niet haast den Zwarte-Beer te dooden zal hij zich bij de een of andere gelegenheid op u wreken; de Apachen vergeven nimmer eene beleediging.”

»Dat weet ik; en ik zal er mijne maatregelen naar nemen, stel u gerust.”

»Dat is uwe zaak. Misschien hadt gij beter gedaan hem uit den weg te ruimen toen hij in uwe macht was, onverschillig wat er het gevolg van zou geweest zijn.”

»Kon ik dan raden dat ik zoo dicht bij mij vrienden had? O! had ik dat maar geweten.”

»Geen nazorgen, wat gedaan is is gedaan, daar kan men niet meer op terugkomen.”

»Zoudt gij denken dat die man zijne voorwaarden stipt zal nakomen?”

»Gij schijnt den Zwarte-Beer niet te kennen; die man is hooghartig, hij heeft zijne vaste begrippen van trouw en riddereer. Hebt gij niet gezien hoe hij bij zijne onderhandeling met u geen list heeft willen gebruiken; wat hij sprak was altijd rond en oprecht.”

»Dat is zoo.”

»Wees daarom verzekerd dat hij zijne belofte zal houden.”

Hier bleef het gesprek steken. Don Martial was op eens nadenkend geworden, de bedreigingen van den Apache gaven hem nu des te meer stof tot bezorgdheid.

Zij bereikten het kamp.

De Arendskop ging dadelijk aan ’t werk om een vuur aan te leggen.

»Wat doet gij?” riep Goedsmoeds terstond, »zoo zult gij immers onze tegenwoordigheid verraden.”

»Neen,” antwoordde de Indiaan hoofdschuddend, »de Zwarte-Beer is met zijn volk vertrokken; zij zijn thans reeds ver van hier; waarom zouden wij onnoodige voorzorgen gebruiken?”

Weldra vlamde het vuur knappend omhoog. De vijf mannen gingen er bij zitten, staken hunne pijpen aan en begonnen deftig te rooken.

»Ik moet bekennen,” hervatte de Canadees een oogenblik later,»zonder de door u betoonde koelbloedigheid, weet ik niet hoe gij u uit den nood zoudt hebben gered.”

»Laten wij thans zien hoe wij het voornemen van die duivelsche kerels het best zullen verijdelen,” riep de Mexicaan.[91]

»O! dat is eenvoudig genoeg,” zei Louis, »een van ons gaat morgen naar de hacienda en verwittigt den eigenaar van hetgeen er dezen nacht gebeurd is, dan kan hij op zijne hoede zijn en alles is in orde.”

»Ja, ik denk wel dat dit het beste middel is en dat wij het moeten gebruiken,” zei Goedsmoeds.

»Vijf mannen zijn niets tegen vijfhonderd,” merkte de Arendskop aan; »wij moeten de bleekgezichten waarschuwen.”

»Dat is juist wat wij voornemens zijn te doen, hoofdman,” zei de Tigrero; »maar wie van ons zal zich nu met die taak belasten en naar de hacienda gaan? Mijn kameraad en ik kunnen er ons niet aanmelden.”

»Waarom niet! ik zou nu haast denken dat er een liefdehistorie onder loopt,” riep de Canadees schalks, »en dan begrijp ik wel dat het u moeielijk valt, om.…”

»Laten wij er niet langer over haspelen,” viel Louis hem in de rede;»morgen, met zonsopgang ga ik naar de hacienda, ik neem die taak op mij en hoop den eigenaar in allen deele behoorlijk in te lichten omtrent het gevaar dat hem boven het hoofd hangt.”

»Goed; dat is afgesproken en daarmede is alles gezegd,” riep Goedsmoeds.

»Zeer goed,” zei don Martial, »dan zeggen mijn kameraad en ik, zoodra onze paarden hebben uitgerust, u hier vaarwel en keeren naar Guaymas terug,”

»Toch niet, met uw welnemen,” zei de Franschman schielijk, »ik geloof dat gij beter zult doen, hier zoo lang te wachten tot ik van de hacienda terugkom, om te weten hoe het met mijn boodschap afloopt, dat gaat u nog meer aan dan ons, zou ik denken.”

De Mexicaan onderdrukte met moeite een opkomend gevoel van tegenzin.

»Gij hebt gelijk,” zeide hij, »daar dacht ik niet aan. Ik zal wachten tot gij terugkomt.”

De jagers wisselden nog eenige woorden samen, toen wikkelden zij zich in hunne dekens, legden zich op den grond neder en waren weldra in slaap.

De diepste stilte heerschte thans in het sombere boschkamp, dat slechts flauw verlicht werd door den rooden gloed van het uitstervende vuur.

Reeds twee uren ongeveer hadden de avonturiers geslapen, toen de struiken zachtjes werden uiteengeschoven, en een man verscheen.

Hij bleef een oogenblik staan, zoo het scheen om te luisteren; daarop kroop hij zonder het minste gedruisch te maken voort naar de plek waar de Tigrero gerust sliep.

Dichter bij gekomen, en in het schijnsel van het vuur, had men hem duidelijk genoeg als den Zwarte-Beer kunnen onderkennen. Het Apachenhoofd haalde zijn scalpeermes uit zijn gordel en legde het[92]zacht op de borst van den Tigrero; toen nog eens rondkijkende om zich te verzekeren dat de vijf mannen gerust sliepen, verwijderde hij zich met dezelfde voorzichtigheid als hij gekomen was en verdween weldra in de struiken, die zich achter hem sloten.

1Ziede Pelsjagers van de Arkansas.↑

1Ziede Pelsjagers van de Arkansas.↑

1Ziede Pelsjagers van de Arkansas.↑

1Ziede Pelsjagers van de Arkansas.↑


Back to IndexNext