X.

[Inhoud]X.VOOR DEN AANVAL.Op het eerste gefluit van den maukawis, dat wil zeggen, met het opgaan der zon, werden de avonturiers wakker.De nacht was rustig voorbijgegaan en hun slaap was door niets gestoord geworden; slechts een weinig verkleumd door den overvloedigen dauw, die hunne dekens geheel doortrokken had, haastten zij zich om op te staan, en eenige keeren het kamp op en neer te stappen, ten einde bij zich den bloedsomloop te herstellen en hunne verdoofde leden te ontgloeien.Met de eerste beweging die don Martial bij het opstaan maakte, viel er een mes van hem af op den grond. De Mexicaan raapte het op en slaakte een kreet van verbazing, bijna van schrik, terwijl hij het aan zijne kameraden liet zien.Het zoo onverwacht gevonden wapen was een scalpeermes, op het lemmer vertoonden zich nog sporen van bloed.Wij weten reeds wie het mes op de borst van den Tigrero gelegd had.»Wat beteekent dat?” riep hij, terwijl hij het wapen verontwaardigd omhoog hield.De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig. Bladz. 92.De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig. Bladz. 92.De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig.»Ooah!” riep hij verwonderd, »de Zwarte-Beer is hier geweest terwijl wij sliepen.”De jagers konden hun schrik niet verbergen.»Dat is onmogelijk,” beweerde Goedsmoeds.De Indiaan schudde van neen en liet hem het mes zien.»Ziedaar,” zeide hij, »’t is het scalpeermes van den Apache, het totem van zijn stam staat er op den steel ingesneden.”»Ja, waarlijk!”»De Zwarte-Beer is een vermaard krijgshoofd, zijn hart is groot genoeg om eene wereld te bevatten. Daar hij zich gedwongen zag de hem opgelegde voorwaarden te vervullen, heeft hij zijnen vijand willen bewijzen dat diens leven in zijne macht was en dat hij het hem ontnemen kon wanneer het hem goeddacht; dat is eenvoudig de beteekenis van het mes, nedergelegd op de borst van een slapendenYori—Spanjaard.”De avonturiers waren alles behalve op hun gemak over dezen[93]trek van stoutmoedigheid; zij beefden bij de gedachte dat hun leven in de macht had gestaan van den Apache, die zich niet verwaardigd had hen te dooden, maar alleen had willen toonen dat hij hen durfde trotseeren; den Mexicaan vooral ging bij dat idee eene rilling over het lijf.De Canadees was de eerste die zijne gewone bedaardheid terugkreeg.»Canario!” riep hij, »die Apachenhond heeft wel gedaan dat hij ons waarschuwde; nu zullen wij voortaan beter oppassen.”»Hm,” riep Cuchares met de handen in zijn dik en kroesig haar, »ik zou niet gaarne gescalpeerd worden.”»Bah!” antwoordde Goedsmoeds, »men komt er niet altijd even kaal af.”»Dat kan waar zijn, maar ik zou er niet gaarne de proef van nemen.”»Daar het intusschen geheel dag is geworden,” merkte don Louis aan, »geloof ik dat het voor mij tijd wordt om naar de hacienda te vertrekken, wat dunkt u?”»Wij hebben geen oogenblik te verliezen om de plannen des vijands te verijdelen,” drong don Martial nader aan.»Des te minder daar wij nog zekere maatregelen moeten nemen, waarover wij elkander hoe eer hoe beter dienen te verstaan,” zei Goedsmoeds.De Indiaan en de lepero gaven hunne toestemming alleen met een hoofdknik te kennen.»Bepalen wij vooraf onze eerste samenkomst,” hervatte Louis.»Gij kunt mij hier niet blijven wachten, waar de Indianen ons veel te gemakkelijk vinden zouden.”»Ja,” antwoordde Goedsmoeds zich bedenkend, »maar ik ben met deze streek niet goed bekend en ik zou zeer verlegen staan als ik een geschikt punt moest aanwijzen.”»Ik weet er wel een,” zei nu de Arendskop, »ik zal er u zelf brengen; onze bleeke broeder kan daar bij ons komen.”»Zeer goed, maar dan dien ik vooraf te weten welke plaats gij bedoelt.”»Laat mijn broeder zich daar niet over verontrusten, zoodra hij de groote hut uitkomt ben ik bij hem.”»Dan is alles in orde. Tot weerziens.”Louis zadelde zijn paard en reed weg in gestrekten draf in de richting der hacienda, die trouwens niet verder dan drie geweerschoten verwijderd lag van de plaats waar de avonturiers zich thans bevonden.Laten wij thans de jagers een poos alleen en zien wij wat er inmiddels in de hacienda gebeurd was.De graaf de Lhorailles stapte met een bezorgd gelaat op en neder in de benedenzaal, die tevens als vestibule voor het hoofdgebouw diende.Tegen wil en dank hield zijne ontmoeting met den Mexicaan hem[94]levendig bezig; hij wenschte gaarne metdoñaAnita in het bijzijn van haar vader een ronde verklaring te hooren, die alle onzekerheid zou opheffen, of althans den sleutel van het ten haren opzichte bestaande geheim zou aan de hand geven.Nog een andere omstandigheid had hem uit zijn humeur gebracht en verdubbelde zijne onrust:Met het aanbreken van den dag was Diego Leon, een zijner luitenants, bij hem gekomen met bericht, dat de Indiaan, dien hij den vorigen dag als gids had medegenomen, dien nacht spoorloos verdwenen was.De staat van zaken begon ernstig te worden; de Mexicaansche Maan was ophanden; de gids was blijkbaar een Indiaansche spion die zich van de sterkte der hacienda had willen verzekeren en van de beste middelen om haar te overrompelen.De Apachen en Comanchen konden niet veraf wezen,misschienzaten zij reeds in het hooge gras te loeren op een gunstig oogenblik om hunne onverzoenlijke vijanden te bestormen.De graaf ontveinsde zich daarbij niet, dat zoo zijn toestand moeielijk was, hij dit grootendeels aan zich zelven te wijten had.Van gouvernementswege met een gewichtig kommando belast, inzonderheid ten doel hebbende om de grenzen tegen de invallen der Indianen te beschermen, had hij nog hoegenaamd geen aanstalten gemaakt of maatregelen genomen om het mandaat te vervullen dat hem niet alleen was opgedragen, maar wat meer zegt, daar hij zelf om gevraagd had.De zoogenaamde Maan van Mexico zou binnen eene maand intreden; voor dien tijd was het volstrekt noodig om een beslissenden slag te slaan, die den Indianen een heilzamen schrik zou inboezemen en hen beletten zich te vereenigen, en alzoo hunne plannen te verijdelen.De graaf had hierover reeds een geruimen tijd nagedacht en was er zoo diep mede bezig, dat hij vergat naar zijne gasten te laten vragen, die hij den vorigen avond onder zijn dak had ontvangen.Op eens stond zijn oude luitenant voor hem.»Wat wilt gij, Martin?” vroeg hij hem.»Met uw verlof, kapitein, ik hoop niet dat ik u stoor of ongelegen kom, maar Diego Leon, die met acht man op de batterij aan de landtong de wacht heeft, heeft mij laten zeggen dat een ruiter verzoekt om binnen te komen, daar hij u over ernstige zaken spreken moet.”»Wie is die man?”»Een blanke, goed gekleed, en bereden op een uitmuntend paard.”»Heeft hij niets anders meer gezegd?”»Verschooning; nog dit: zeg aan uw kommandant dat ik een van de twee personen ben die hij in de Rancho van José heeft gesproken.”Het gelaat van den graaf helderde op.[95]»Laat hem binnen komen, het is een vriend.”De luitenant ging heen.Zoodra de graaf weder alleen was hervatte hij zijne wandeling.»Wat kan die man mij te zeggen hebben?” prevelde hij, »toen ik in de Rancho hem en zijn vriend aanbood om met mij mede te gaan, hebben zij beiden geweigerd. Wat kan hen zoo spoedig van besluit hebben doen veranderen? Bah! waartoe langer te gissen,” vervolgde hij, terwijl hij het trappelen van een paard op het patio hoorde; »ik zal het dadelijk weten.”Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen don Louis,binnengeleiddoor den luitenant, die op een wenk van den graaf zich terstond verwijderde.»Aan welk gelukkig toeval,” zei de graaf de Lhorailles beleefd, »dank ik de eer van een bezoek dat ik zoo weinig durfde verwachten?”Don Louis gaf hem zijne buiging even wellevend terug en antwoordde:»Het is geen gelukkig toeval dat mij herwaarts voer, integendeel de Hemel geve dat ik geen ongeluksbode moge zijn.”»Wat bedoelt gij daarmede,señor?” vroeg hij ongerust, »ik begrijp u niet.”»Ik zal het u dadelijk ophelderen. Maar laten wij Fransch spreken, als gij dat goedvindt; dan verstaan wij elkander beter,” zeide hij, terstond het Spaansch latende varen daar hij zich tot hiertoe van bediend had.»Wat!” riep de graaf verwonderd, »spreekt gij Fransch, mijnheer.”»Ja, mijnheer,” hernam Louis, »wat meer is, ik heb de eer uw landgenoot te zijn, en al ben ik,” vervolgde hij, »sinds bijna tien jaren uitlandig geweest, is het mij altijd een onbeschrijfelijk genoegen als ik mijne eigen taal mag spreken.”Toen de graaf hem dit hoorde zeggen, scheen hij dezelfde man niet meer.»O!” riep hij in vervoering, »laat ik u de hand drukken, mijnheer; twee Franschen, die elkander in dit verre land ontmoeten, zijn broeders: vergeten wij voor een poos de plaats waar wij zijn en spreken wij over Frankrijk, dat dierbare vaderland, dat ons zoo na aan het hart ligt en daar wij zoo ver af zijn.”»Helaas! mijnheer,” antwoordde Louis, die zijne ontroering bedwingen moest. »Ik gevoel mij gelukkig dat ik voor eenige oogenblikken mijne omgeving kan vergeten om de herinneringen van ons gemeenschappelijk vaderland te verlevendigen. Jammer slechts is het oogenblik ernstig en zijn de gevaren die u bedreigen zoo groot, dat de tijd dien wij dus met praten zouden verliezen, voor u de vreeselijkste gevolgen zou kunnen hebben.”»Gij doet mij schrikken, mijnheer. Wat is er dan gaande? welk vreeselijk nieuws hebt gij mij mede te deelen?”[96]»Ik heb u immers reeds gezegd, mijnheer, dat ik een Jobsbode was, en kwade tijding kwam brengen.”»Laat u dat niet bezwaren; wat het ook zij, door u gesproken zal het mij welkom zijn; wat kan ik op mijn tegenwoordigen post in de woestijn anders verwachten dan nu en dan een ongeluk?”»Ik hoop dat ik u het gevaar zal kunnen helpen afwenden, dat u thans boven het hoofd zweeft.”»Ik dank u voorshands voor uw broederlijke belangstelling, mijnheer; spreek nu vrij uit, wat gij mij ook moogt te vertellen hebben, ik zal u rustig aanhooren, ik verlang het te weten en luister met aandacht.”Zonder van zijne ontmoeting met den Tigrero te reppen, verhaalde don Louis thans den graaf, hoe hij toevallig een gesprek tusschen den gids en verscheidene Apachenhoofden had afgeluisterd, die in den omtrek der hacienda verscholen zaten en welk plan zij hadden gevormd om de kolonie te overrompelen.»Ziedaar, mijnheer,” zeide hij ten slotte, »oordeel nu zelf over het gewicht der tijding en over de maatregelen die gij zult moeten nemen om het plan uwer vijanden te verijdelen.”»Ik zeg u dank, mijnheer; reeds eenige minuten voor uwe komst, toen mijn luitenant mij kwam zeggen dat de gids verdwenen was, heb ik begrepen dat ik met een spion te doen had; wat gij mij meldt brengt dit vermoeden tot zekerheid. Zoo als gij wel zegt is er geen oogenblik te verliezen; ik zal mij onmiddellijk beraden om de noodige maatregelen te beramen.”Hij klopte op de tafel.Er kwam een peon binnen.»Roep den eersten luitenant,” zeide hij.Na een paar minuten verscheen Martin Leroux.»Luitenant,” zei de graaf, »gij moet met twintig ruiters al de omstreken drie mijlen in ’t rond gaan verkennen, want ik hoor daareven dat er Indianen in de nabijheid zijn die op ons loeren.”De oude soldaat boog zonder te antwoorden en verwijderde zich om te gehoorzamen.»Wacht even!” riep don Louis in ’t Fransch, hem met een wenk tegenhoudende; »nog een woord.”»Hé!” riep Martin Leroux met verwondering terugkeerende, »spreekt gij nu toch Fransch?”»Zoo als ge hoort,” antwoordde don Louis glimlachend.»Hadt gij het een of ander op te merken?” vroeg de graaf.»Ik woon reeds sinds lang in Amerika en in de woestijn, zoodat ik de Indianen heb leeren kennen en met hen in list kan wedijveren. Met uw verlof zal ik u eenigen raad geven dien ik meen dat u in de tegenwoordige omstandigheden niet ondienstig zal zijn.”»Pardi!” riep de graaf, »spreek op, waarde landsman, uw raad kon ons niet anders dan nuttig zijn, daar ben ik van overtuigd.”Op dit oogenblik trad don Sylva de kamer binnen.[97]»Zoo, beste vriend!” vervolgde de graaf, toen hij hem zag, »gij komt juist van pas, wij hebben u zeer noodig; uwe kennis van de zeden der Indianen zal ons zeer te stade komen.”»Wat is er toch gaande?” vroeg de haciendero met een hoffelijken groet tegen de aanwezigen.»Er is gaande, dat de Apachen ons met eenen aanval bedreigen.”»O! dat is erg, vriend; wat denkt gij te doen?”»Dat weet ik nog niet. Ik had mijn luitenant Martin reeds gelast om de omstreken te gaan opnemen, maar deze heer, in wien ik de eer heb u een mijner landgenooten voor te stellen, schijnt van een ander gevoelen.”»De caballero heeft gelijk,” antwoordde de Mexicaan met eene buiging voor don Louis;—»maar vooreerst, zijt gij wel zoo zeker van dien aanval?”»Mijnheer is opzettelijk herwaarts gekomen om mij te waarschuwen.”»Dan valt er niet meer aan te twijfelen, en moeten de noodige voorzorgen onverwijld genomen worden. En hoe denkt de caballero er over?”»Dat wilde hij mij juist opgeven toen gij binnen kwaamt.”»Laat ik dan uw onderhoud niet langer storen; ik luister, spreek, mijnheer.”Don Louis boog en nam het woord.»Caballero,” sprak hij, zich tot don Sylva wendende; »wat ik zeggen zal, is inzonderheid voor de Franscheseñoresbestemd, die te veel aan de oorlogen der blanken in Europa gewoon, niets begrijpen van de wijze waarop de Indianen hier te werk gaan.”»Dat is waar,” merkte de graaf aan.»Bah!” riep Leroux, terwijl hij met zeker gevoel van eigenwaarde zijn knevelbaard opstreek, »dan zullen wij hooren.”»Pas maar op dat het niet tot uw nadeel zij!” vervolgde don Louis. »De Indiaansche oorlog is een krijg van listen en hinderlagen. Geen vijand zal u ooit in het open veld aantasten; hij houdt zich altijd schuil en zoo hij slechts overwinnaar blijft is ieder middel hem welkom, bovenal verraad. Vijf honderd Apachen, onder aanvoering van een stoutmoedig opperhoofd, zouden het in de prairie tegen uwe beste soldaten volhouden, hen afmatten en decimeeren, zonder dat deze ooit tot een bepaald treffen konden komen.”»Zoo?” mompelde de graaf. »Is dit hun eenige manier van strijdvoeren?”»De eenige,” bevestigde de haciendero.»Hm!” riep Leroux, »dat heeft dunkt mij veel van den oorlog in Afrika.”»Niet zoo veel als gij denkt. De Arabieren vertoonen zich nog, terwijl de Apachen, zooals ik u reeds gezegd heb, zich niet dan in de uiterste noodzakelijkheid bloot geven.”»Dus is mijn plan om eene verkenning naar buiten te bewerkstelligen.…”[98]»Onuitvoerbaar om twee redenen: òf uwe ruiters, hoezeer door tal van vijanden omgeven, zouden er niet een van te zien krijgen; òf zij zouden in een hinderlaag worden gelokt, waar zij ondanks wonderen van dapperheid tot den laatsten man zouden sneuvelen.”»Al wat deze heer zegt is volkomen juist; het laat zich wel hooren dat hij met den Indiaanschen oorlog grondig bekend is en zich menigmaal met deIndios bravoszal gemeten hebben.”»Die ondervinding heb ik met mijn aardsch geluk moeten betalen, mijne geliefden zijn door deze woeste vijanden vermoord,” antwoordde don Louis treurig; »bereid u op een gelijk lot zoo gij niet op uwe hoede zijt. Ik weet hoe veel het aan uw ridderlijken volksaard kost om zulk een gedragslijn te volgen; maar als ik u raden mag is het uwe eenige kans op behoud.”»Wij hebben hier verscheidene vrouwen en kinderen, uwe dochter, don Sylva, bovenal: wij moeten haar niet alleen volstrekt buiten gevaar stellen, maar zelfs voor den minsten schrik behoeden. Ik vereenig mij dus geheel met het gevoelen van mijnheer Louis en ben voornemens om met de meeste omzichtigheid te werk te gaan.”»Ik zeg u dank, zoo voor mij als voor mijne dochter.”»Maar nu, mijnheer, daar wij reeds zoo veel goeden raad van u gehoord hebben moet gij het er niet bij laten, maar uw werk de kroon opzetten door mij te zeggen wat gij in mijne plaats doen zoudt?”»Mijnheer,” antwoordde Louis ernstig, »wat ik zou doen is dit: de Apachen zullen u stellig aanvallen, om zekere reden, die ik wel weet maar te beuzelachtig reken om er ons thans mede op te houden; zij maken het welgelukken van dezen aanval tot een punt van eer; versterk u dus hier zoo veel gij maar kunt. Gij hebt een aanzienlijk garnizoen, uit beproefde mannen samengesteld; bij gevolg zijn alle kansen bijna in uw voordeel.”»Ik heb zeventig dappere Franschen, allen oud-gedienden, die weten wat oorlogvoeren is.”»Achter goede muren en wel gewapend is dat meer dan gij er noodig hebt.”»Behalve nog de veertig peons, op de Indianenjacht afgericht, die ik heb medegebracht,”zei don Sylva.»Zijn die mannen op dit oogenblik hier?” vroeg don Louis met drift.»Ja, mijnheer.”»O, dat vereenvoudigt de zaak aanmerkelijk; geloof mij, mijne heeren, nu zijn het de Indianen die het meeste te duchten hebben.”»Verklaar u nader.”»Allerwaarschijnlijkst zult gij aan de zijde der rivier worden aangetast; misschien zullen de Indianen om uwe krachten te verdeelen een gewaanden aanval op het fort aan de landengte doen, maar dat punt is te goed versterkt dan dat zij in ernst zouden beproeven het[99]te veroveren; ik herhaal u dus dat de vijand zijne hoofdmacht aan den rivierkant zal samentrekken.”»Ik moet u doen opmerken, mijnheer,” zei de luitenant, »dat de rivier op dit oogenblik onbevaarbaar is, door de duizende boomstammen die de jongste onweders in de bergen hebben losgerukt en die zij op haar stroom medevoert.”»Ik weet niet of de rivier al dan niet bevaarbaar is,” antwoordde don Louis beslissend; »maar daarvan ben ik overtuigd, dat de Apachen u van die zijde zullen aantasten.”»In ieder geval, en om niet onvoorziens overrompeld te worden, zal ik twee stukken van de batterij aan de landengte laten nemen; daar blijven er dan nog vier over, hetgeen meer dan voldoende is; ik zal die twee stukken zoo laten stellen dat zij de rivier bestrijken en ze tevens maskeeren zoodat zij niet kunnen gezien worden. Gij hebt mij verstaan, Leroux? laat vervolgens een der lange veldstukken op het plat der mirador in batterij stellen, dan bestrijken wij den loop der Gila ook van dien kant. Ga nu, en zorg dat mijne orders onmiddellijk worden uitgevoerd.”De oude soldaat ging heen zonder te antwoorden, om de bevelen van zijn chef uit te voeren.»Gij ziet, mijne heeren,” vervolgde de graaf zoodra zijn luitenant weg was, »dat ik mij den raad dien gij mij geeft dadelijk ten nutte maak; ik beken dat ik van den Indiaanschen oorlog volstrekt geen ondervinding heb en zeg u nogmaals, dat ik mij gelukkig reken door u zoo goed geholpen te worden.”»Mijnheer Louis heeft alles vooruit gezien,” zeide de haciendero, »even als hij, denk ik dat de kolonie aan de rivierzijde het meest bloot ligt.”»Nog een woord,” hervatte de Franschman.»Spreek, mijnheer.”»Hebt gij niet gezegd, caballero, dat gij veertig peons hadt medegebracht, allen in den krijg welervaren mannen en dat zij op dit oogenblik hier zijn?”»Ja, dat heb ik gezegd, en het is de zuivere waarheid.”»Zeer goed. Laat ik u dan ook daarin raden, mijne heeren; wat ik hier zeggen zal is maar eene eenvoudige opmerking, maar ik geloof dat gij van de peons meesterlijk partij zoudt kunnen trekken en u van de overwinning verzekeren door uwe vijanden tusschen twee vuren te brengen.”»Dat zou het ook. Maar hoe meent gij het dan? gij hebt zelf daar zoo even nog gezegd, dat het eene onvergeeflijke onvoorzichtigheid zou zijn om een detachement van ons volk op verkenning uit te zenden.”»Dat heb ik ook gezegd en dat zeg ik nog. In de bosschen en struiken namelijk zijn, terwijl wij hier spreken, duizend oogen op de hacienda gevestigd, zoodat er niemand in of uit kan gaan zonder dat zij het zien.”[100]»Welnu?”»Maar heb ik u dan ook niet gezegd dat deze oorlog een oorlog van listen en hinderlagen was?”»Dat hebt gij zeker; en toch moet ik u bekennen dat ik niet begrijp waar gij heen wilt.”»Dat is toch zoo moeielijk niet om te begrijpen; ik zal het u in twee woorden zeggen.”»Alles wat ik verlang,” zei don Sylva.»Señorcaballero,” hervatte don Louis zich tot don Sylva wendende, »denkt gij hier te blijven?”»Ja, om zekere gewichtige redenen zal ik hier vrij lang moeten vertoeven.”»Ik heb voor het minst geen oogmerk,señor, mij in uwe intieme zaken te mengen, geloof mij,señor, als ik maar weet of gij hier blijft.”»Ja.”»Perfect. Hebt gij onder uwe peons een getrouw man, op wien gij kunt rekenen zoo goed als op u zelven?”»Cascaras!dat zou ik denken: ik heb Blas Vasquez.”»Zonder onbescheiden te zijn,señor, moet ik u vragen wie is deze Blas Vasquez, zooals gij hem noemt, daar ik de eer niet heb hem te kennen.”»Blas Vasquez is mijn capataz of majordomo (hofmeester) een flinke vent, daar ik des noods op kan rekenen zoo goed als op mij zelven.”»Nu, dan is alles in orde, dat maakt de zaak zoo eenvoudig mogelijk.”»Ik zie nog volstrekt niet hoe,” riep de graaf.»Gij zult het aanstonds zien,” hernam don Louis.»Hoe eer hoe liever, vriend.”»Uw capataz zal zich, onder bepaalde instructiën, eer wij een uur verder zijn aan het hoofd der peons stellen en openlijk uittrekken op weg naar Guaymas; doch twee of drie uren van hier,op eene plaats die wij nader zullen bepalen moet hij post vatten: het overige gaat ons aan en zal door mijne vrienden en mij worden geregeld.”»Ja, ik begrijp uw plan: de peons door u met overleg verborgen, zullen de Indianen in den rug aantasten zoodra de strijd tusschen hen en ons hier begint.”»Dat is werkelijk mijn plan.”»Maar de Apachen?”»Welnu?”»Denkt gij, dat zij een troep blanken ongemoeid van hier zullen laten vertrekken?”»De Indianen zijn te slim om er zich tegen te verzetten. Wat zouden zij er bij winnen, een troep aan te tasten die geen bagage bij zich heeft en daar dus niets van te halen is? Zulk een strijd[101]zou alleen hunne stelling kunnen verraden, en daar zullen zij zich wel voor wachten. Neen, neen, wees gerust, caballero, zij zullen zich niet verroeren; zij hebben er te veel belang bij om onzichtbaar te blijven, of verbeelden het zich althans, daar zij niet weten dat gij voor hen gewaarschuwd zijt.”»En gij, wat denkt gij te doen?”»Ik? de Indianen hebben mij ongetwijfeld herwaarts zien komen; zij weten dat ik hier ben; als ik tegelijk met u vertrok zou ik alles verklappen. Ik ga dus alleen weg, zoo als ik gekomen ben, en dat wel oogenblikkelijk.”»Uw plan is zoo eenvoudig en zoo goed overlegd, dat het wel slagen moet. Ontvang onzen dank, mijnheer, en noem ons uw naam, opdat wij den man mogen kennen aan wien wij zoo veel verplichting hebben.”»Waartoe zou dat dienen, mijnheer?”»Ik voeg mijn verzoek bij dat van mijn vriendGaëtano, caballero, om u te dringen, den naam te openbaren van een man wiens aandenken zoo diep in onze harten staat gegrift.”Don Louis aarzelde. Zonder recht te weten waarom, voelde hij zich ongenegen om tegenover den graaf de Lhorailles zijn incognito te verbreken.De beide heeren hielden echter zoo dringend en zoo beleefd bij hem aan, dat hij, bij gebreke van stellingen en redelijken grond om onbekend te blijven, zich liet overhalen zijn naam bekend te maken.»Caballeros,” zeide hij eindelijk, »ik ben de graaf Louis Edouard Maxime de Prébois Crancé.”»Wij zijn vrienden, niet waar, mijnheer de graaf?” zeide de Lhorailles hem de hand toestekende.»Wat ik voor u doe, strekt dunkt mij daarvan tot bewijs,” antwoordde hij met een hoffelijke buiging, maar zonder de hand te drukken die hem werd aangeboden.»Ik dank u,” zei de graaf zonder naar ’t scheen de teruggetrokken houding van don Louis op te merken. »Denkt gij ons spoedig te verlaten?”»Ik moet u, met uwe dringende bezigheden alleen laten. Zoo gij er niets tegen hebt, neem ik dadelijk mijn afscheid.”»Toch niet zonder ten minste vooraf met ons ontbeten te hebben?”»Gij zult mij verschoonen, de tijd dringt ons. Mijne vrienden, die ik reeds sedert een paar uren verlaten heb, zullen zich over mijn lang uitblijven zeer ongerust maken.”»Daar zij weten dat gij bij mij zijt, mijnheer, is zoo iets toch onmogelijk,” zei de graaf min of meer geraakt.»Zij weten niet dat ik hier zonder letsel ben aangekomen.”»Dat verandert de zaak, dan wil ik u niet langer ophouden, nogmaals dank, mijnheer.”[102]»Ik heb volgens mijn geweten gehandeld, mijnheer, gij hebt mij voor niets te danken.”De drie heeren gingen nu de zaal uit en wandelden samen naar de landengte, al pratende over onverschillige zaken. Nauwelijks waren zij half op weg, of zij ontmoetten don Blas, den capataz. Don Sylva wenkte hem te naderen en gaf hem toen in weinige woorden te kennen op welke gebeurtenissen men zich voorbereidde en welke rol hij daarbij zou moeten spelen.»Voto a Dios!” riep de wakkere hofmeester vroolijk, »ik dank u, don Sylva, voor dat goede nieuws. Wij zullen dus eindelijk met die verwenschte Apachen aan den slag komen. Caraï! zij zullen wat zien, dat zweer ik u.”»Dat is u wel toevertrouwd, Blas, ik verlaat mij geheel op u.”»Maar op welke hoogte moet ik dezen caballero afwachten!”»Inderdaad! wij hebben de plaats nog niet bepaald.”»Inderdaad!” herhaalde don Louis. »Ongeveer drie mijlen van hier in de richting van Guaymas waar de weg een bocht maakt, ligt een eenzame heuvel, zoo ik meen heet hijel Pan de Azucar; daar kunt gij u gerust verbergen zonder vrees van ontdekt te worden. Ik zal daar met mijne vrienden bij u komen.”»Dat is afgesproken. Tegen hoe laat zoo wat?”»Dat kan ik u nog niet bepaald zeggen; het hangt van omstandigheden af.”Eenige minuten later keerde don Louis naar de prairie terug terwijl de graaf de Lhorailles en de beide Mexicanen zich bezig hielden met de noodige toebereidsels voor eene ernstige verdediging der hacienda.»’t Is toch zonderling,”mompeldedon Louis in zich zelven terwijl hij in snellen galop wegreed, »al is die man mijn landgenoot en al zal ik eerlang misschien mijn leven voor hem wagen, gevoel ik voor hem geen de minste sympathie.”Op eens maakte zijn paard een zijsprong, en de Franschman, zoo plotseling in zijne beschouwingen gestoord, hield op.De Arendskop stond voor hem.

[Inhoud]X.VOOR DEN AANVAL.Op het eerste gefluit van den maukawis, dat wil zeggen, met het opgaan der zon, werden de avonturiers wakker.De nacht was rustig voorbijgegaan en hun slaap was door niets gestoord geworden; slechts een weinig verkleumd door den overvloedigen dauw, die hunne dekens geheel doortrokken had, haastten zij zich om op te staan, en eenige keeren het kamp op en neer te stappen, ten einde bij zich den bloedsomloop te herstellen en hunne verdoofde leden te ontgloeien.Met de eerste beweging die don Martial bij het opstaan maakte, viel er een mes van hem af op den grond. De Mexicaan raapte het op en slaakte een kreet van verbazing, bijna van schrik, terwijl hij het aan zijne kameraden liet zien.Het zoo onverwacht gevonden wapen was een scalpeermes, op het lemmer vertoonden zich nog sporen van bloed.Wij weten reeds wie het mes op de borst van den Tigrero gelegd had.»Wat beteekent dat?” riep hij, terwijl hij het wapen verontwaardigd omhoog hield.De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig. Bladz. 92.De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig. Bladz. 92.De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig.»Ooah!” riep hij verwonderd, »de Zwarte-Beer is hier geweest terwijl wij sliepen.”De jagers konden hun schrik niet verbergen.»Dat is onmogelijk,” beweerde Goedsmoeds.De Indiaan schudde van neen en liet hem het mes zien.»Ziedaar,” zeide hij, »’t is het scalpeermes van den Apache, het totem van zijn stam staat er op den steel ingesneden.”»Ja, waarlijk!”»De Zwarte-Beer is een vermaard krijgshoofd, zijn hart is groot genoeg om eene wereld te bevatten. Daar hij zich gedwongen zag de hem opgelegde voorwaarden te vervullen, heeft hij zijnen vijand willen bewijzen dat diens leven in zijne macht was en dat hij het hem ontnemen kon wanneer het hem goeddacht; dat is eenvoudig de beteekenis van het mes, nedergelegd op de borst van een slapendenYori—Spanjaard.”De avonturiers waren alles behalve op hun gemak over dezen[93]trek van stoutmoedigheid; zij beefden bij de gedachte dat hun leven in de macht had gestaan van den Apache, die zich niet verwaardigd had hen te dooden, maar alleen had willen toonen dat hij hen durfde trotseeren; den Mexicaan vooral ging bij dat idee eene rilling over het lijf.De Canadees was de eerste die zijne gewone bedaardheid terugkreeg.»Canario!” riep hij, »die Apachenhond heeft wel gedaan dat hij ons waarschuwde; nu zullen wij voortaan beter oppassen.”»Hm,” riep Cuchares met de handen in zijn dik en kroesig haar, »ik zou niet gaarne gescalpeerd worden.”»Bah!” antwoordde Goedsmoeds, »men komt er niet altijd even kaal af.”»Dat kan waar zijn, maar ik zou er niet gaarne de proef van nemen.”»Daar het intusschen geheel dag is geworden,” merkte don Louis aan, »geloof ik dat het voor mij tijd wordt om naar de hacienda te vertrekken, wat dunkt u?”»Wij hebben geen oogenblik te verliezen om de plannen des vijands te verijdelen,” drong don Martial nader aan.»Des te minder daar wij nog zekere maatregelen moeten nemen, waarover wij elkander hoe eer hoe beter dienen te verstaan,” zei Goedsmoeds.De Indiaan en de lepero gaven hunne toestemming alleen met een hoofdknik te kennen.»Bepalen wij vooraf onze eerste samenkomst,” hervatte Louis.»Gij kunt mij hier niet blijven wachten, waar de Indianen ons veel te gemakkelijk vinden zouden.”»Ja,” antwoordde Goedsmoeds zich bedenkend, »maar ik ben met deze streek niet goed bekend en ik zou zeer verlegen staan als ik een geschikt punt moest aanwijzen.”»Ik weet er wel een,” zei nu de Arendskop, »ik zal er u zelf brengen; onze bleeke broeder kan daar bij ons komen.”»Zeer goed, maar dan dien ik vooraf te weten welke plaats gij bedoelt.”»Laat mijn broeder zich daar niet over verontrusten, zoodra hij de groote hut uitkomt ben ik bij hem.”»Dan is alles in orde. Tot weerziens.”Louis zadelde zijn paard en reed weg in gestrekten draf in de richting der hacienda, die trouwens niet verder dan drie geweerschoten verwijderd lag van de plaats waar de avonturiers zich thans bevonden.Laten wij thans de jagers een poos alleen en zien wij wat er inmiddels in de hacienda gebeurd was.De graaf de Lhorailles stapte met een bezorgd gelaat op en neder in de benedenzaal, die tevens als vestibule voor het hoofdgebouw diende.Tegen wil en dank hield zijne ontmoeting met den Mexicaan hem[94]levendig bezig; hij wenschte gaarne metdoñaAnita in het bijzijn van haar vader een ronde verklaring te hooren, die alle onzekerheid zou opheffen, of althans den sleutel van het ten haren opzichte bestaande geheim zou aan de hand geven.Nog een andere omstandigheid had hem uit zijn humeur gebracht en verdubbelde zijne onrust:Met het aanbreken van den dag was Diego Leon, een zijner luitenants, bij hem gekomen met bericht, dat de Indiaan, dien hij den vorigen dag als gids had medegenomen, dien nacht spoorloos verdwenen was.De staat van zaken begon ernstig te worden; de Mexicaansche Maan was ophanden; de gids was blijkbaar een Indiaansche spion die zich van de sterkte der hacienda had willen verzekeren en van de beste middelen om haar te overrompelen.De Apachen en Comanchen konden niet veraf wezen,misschienzaten zij reeds in het hooge gras te loeren op een gunstig oogenblik om hunne onverzoenlijke vijanden te bestormen.De graaf ontveinsde zich daarbij niet, dat zoo zijn toestand moeielijk was, hij dit grootendeels aan zich zelven te wijten had.Van gouvernementswege met een gewichtig kommando belast, inzonderheid ten doel hebbende om de grenzen tegen de invallen der Indianen te beschermen, had hij nog hoegenaamd geen aanstalten gemaakt of maatregelen genomen om het mandaat te vervullen dat hem niet alleen was opgedragen, maar wat meer zegt, daar hij zelf om gevraagd had.De zoogenaamde Maan van Mexico zou binnen eene maand intreden; voor dien tijd was het volstrekt noodig om een beslissenden slag te slaan, die den Indianen een heilzamen schrik zou inboezemen en hen beletten zich te vereenigen, en alzoo hunne plannen te verijdelen.De graaf had hierover reeds een geruimen tijd nagedacht en was er zoo diep mede bezig, dat hij vergat naar zijne gasten te laten vragen, die hij den vorigen avond onder zijn dak had ontvangen.Op eens stond zijn oude luitenant voor hem.»Wat wilt gij, Martin?” vroeg hij hem.»Met uw verlof, kapitein, ik hoop niet dat ik u stoor of ongelegen kom, maar Diego Leon, die met acht man op de batterij aan de landtong de wacht heeft, heeft mij laten zeggen dat een ruiter verzoekt om binnen te komen, daar hij u over ernstige zaken spreken moet.”»Wie is die man?”»Een blanke, goed gekleed, en bereden op een uitmuntend paard.”»Heeft hij niets anders meer gezegd?”»Verschooning; nog dit: zeg aan uw kommandant dat ik een van de twee personen ben die hij in de Rancho van José heeft gesproken.”Het gelaat van den graaf helderde op.[95]»Laat hem binnen komen, het is een vriend.”De luitenant ging heen.Zoodra de graaf weder alleen was hervatte hij zijne wandeling.»Wat kan die man mij te zeggen hebben?” prevelde hij, »toen ik in de Rancho hem en zijn vriend aanbood om met mij mede te gaan, hebben zij beiden geweigerd. Wat kan hen zoo spoedig van besluit hebben doen veranderen? Bah! waartoe langer te gissen,” vervolgde hij, terwijl hij het trappelen van een paard op het patio hoorde; »ik zal het dadelijk weten.”Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen don Louis,binnengeleiddoor den luitenant, die op een wenk van den graaf zich terstond verwijderde.»Aan welk gelukkig toeval,” zei de graaf de Lhorailles beleefd, »dank ik de eer van een bezoek dat ik zoo weinig durfde verwachten?”Don Louis gaf hem zijne buiging even wellevend terug en antwoordde:»Het is geen gelukkig toeval dat mij herwaarts voer, integendeel de Hemel geve dat ik geen ongeluksbode moge zijn.”»Wat bedoelt gij daarmede,señor?” vroeg hij ongerust, »ik begrijp u niet.”»Ik zal het u dadelijk ophelderen. Maar laten wij Fransch spreken, als gij dat goedvindt; dan verstaan wij elkander beter,” zeide hij, terstond het Spaansch latende varen daar hij zich tot hiertoe van bediend had.»Wat!” riep de graaf verwonderd, »spreekt gij Fransch, mijnheer.”»Ja, mijnheer,” hernam Louis, »wat meer is, ik heb de eer uw landgenoot te zijn, en al ben ik,” vervolgde hij, »sinds bijna tien jaren uitlandig geweest, is het mij altijd een onbeschrijfelijk genoegen als ik mijne eigen taal mag spreken.”Toen de graaf hem dit hoorde zeggen, scheen hij dezelfde man niet meer.»O!” riep hij in vervoering, »laat ik u de hand drukken, mijnheer; twee Franschen, die elkander in dit verre land ontmoeten, zijn broeders: vergeten wij voor een poos de plaats waar wij zijn en spreken wij over Frankrijk, dat dierbare vaderland, dat ons zoo na aan het hart ligt en daar wij zoo ver af zijn.”»Helaas! mijnheer,” antwoordde Louis, die zijne ontroering bedwingen moest. »Ik gevoel mij gelukkig dat ik voor eenige oogenblikken mijne omgeving kan vergeten om de herinneringen van ons gemeenschappelijk vaderland te verlevendigen. Jammer slechts is het oogenblik ernstig en zijn de gevaren die u bedreigen zoo groot, dat de tijd dien wij dus met praten zouden verliezen, voor u de vreeselijkste gevolgen zou kunnen hebben.”»Gij doet mij schrikken, mijnheer. Wat is er dan gaande? welk vreeselijk nieuws hebt gij mij mede te deelen?”[96]»Ik heb u immers reeds gezegd, mijnheer, dat ik een Jobsbode was, en kwade tijding kwam brengen.”»Laat u dat niet bezwaren; wat het ook zij, door u gesproken zal het mij welkom zijn; wat kan ik op mijn tegenwoordigen post in de woestijn anders verwachten dan nu en dan een ongeluk?”»Ik hoop dat ik u het gevaar zal kunnen helpen afwenden, dat u thans boven het hoofd zweeft.”»Ik dank u voorshands voor uw broederlijke belangstelling, mijnheer; spreek nu vrij uit, wat gij mij ook moogt te vertellen hebben, ik zal u rustig aanhooren, ik verlang het te weten en luister met aandacht.”Zonder van zijne ontmoeting met den Tigrero te reppen, verhaalde don Louis thans den graaf, hoe hij toevallig een gesprek tusschen den gids en verscheidene Apachenhoofden had afgeluisterd, die in den omtrek der hacienda verscholen zaten en welk plan zij hadden gevormd om de kolonie te overrompelen.»Ziedaar, mijnheer,” zeide hij ten slotte, »oordeel nu zelf over het gewicht der tijding en over de maatregelen die gij zult moeten nemen om het plan uwer vijanden te verijdelen.”»Ik zeg u dank, mijnheer; reeds eenige minuten voor uwe komst, toen mijn luitenant mij kwam zeggen dat de gids verdwenen was, heb ik begrepen dat ik met een spion te doen had; wat gij mij meldt brengt dit vermoeden tot zekerheid. Zoo als gij wel zegt is er geen oogenblik te verliezen; ik zal mij onmiddellijk beraden om de noodige maatregelen te beramen.”Hij klopte op de tafel.Er kwam een peon binnen.»Roep den eersten luitenant,” zeide hij.Na een paar minuten verscheen Martin Leroux.»Luitenant,” zei de graaf, »gij moet met twintig ruiters al de omstreken drie mijlen in ’t rond gaan verkennen, want ik hoor daareven dat er Indianen in de nabijheid zijn die op ons loeren.”De oude soldaat boog zonder te antwoorden en verwijderde zich om te gehoorzamen.»Wacht even!” riep don Louis in ’t Fransch, hem met een wenk tegenhoudende; »nog een woord.”»Hé!” riep Martin Leroux met verwondering terugkeerende, »spreekt gij nu toch Fransch?”»Zoo als ge hoort,” antwoordde don Louis glimlachend.»Hadt gij het een of ander op te merken?” vroeg de graaf.»Ik woon reeds sinds lang in Amerika en in de woestijn, zoodat ik de Indianen heb leeren kennen en met hen in list kan wedijveren. Met uw verlof zal ik u eenigen raad geven dien ik meen dat u in de tegenwoordige omstandigheden niet ondienstig zal zijn.”»Pardi!” riep de graaf, »spreek op, waarde landsman, uw raad kon ons niet anders dan nuttig zijn, daar ben ik van overtuigd.”Op dit oogenblik trad don Sylva de kamer binnen.[97]»Zoo, beste vriend!” vervolgde de graaf, toen hij hem zag, »gij komt juist van pas, wij hebben u zeer noodig; uwe kennis van de zeden der Indianen zal ons zeer te stade komen.”»Wat is er toch gaande?” vroeg de haciendero met een hoffelijken groet tegen de aanwezigen.»Er is gaande, dat de Apachen ons met eenen aanval bedreigen.”»O! dat is erg, vriend; wat denkt gij te doen?”»Dat weet ik nog niet. Ik had mijn luitenant Martin reeds gelast om de omstreken te gaan opnemen, maar deze heer, in wien ik de eer heb u een mijner landgenooten voor te stellen, schijnt van een ander gevoelen.”»De caballero heeft gelijk,” antwoordde de Mexicaan met eene buiging voor don Louis;—»maar vooreerst, zijt gij wel zoo zeker van dien aanval?”»Mijnheer is opzettelijk herwaarts gekomen om mij te waarschuwen.”»Dan valt er niet meer aan te twijfelen, en moeten de noodige voorzorgen onverwijld genomen worden. En hoe denkt de caballero er over?”»Dat wilde hij mij juist opgeven toen gij binnen kwaamt.”»Laat ik dan uw onderhoud niet langer storen; ik luister, spreek, mijnheer.”Don Louis boog en nam het woord.»Caballero,” sprak hij, zich tot don Sylva wendende; »wat ik zeggen zal, is inzonderheid voor de Franscheseñoresbestemd, die te veel aan de oorlogen der blanken in Europa gewoon, niets begrijpen van de wijze waarop de Indianen hier te werk gaan.”»Dat is waar,” merkte de graaf aan.»Bah!” riep Leroux, terwijl hij met zeker gevoel van eigenwaarde zijn knevelbaard opstreek, »dan zullen wij hooren.”»Pas maar op dat het niet tot uw nadeel zij!” vervolgde don Louis. »De Indiaansche oorlog is een krijg van listen en hinderlagen. Geen vijand zal u ooit in het open veld aantasten; hij houdt zich altijd schuil en zoo hij slechts overwinnaar blijft is ieder middel hem welkom, bovenal verraad. Vijf honderd Apachen, onder aanvoering van een stoutmoedig opperhoofd, zouden het in de prairie tegen uwe beste soldaten volhouden, hen afmatten en decimeeren, zonder dat deze ooit tot een bepaald treffen konden komen.”»Zoo?” mompelde de graaf. »Is dit hun eenige manier van strijdvoeren?”»De eenige,” bevestigde de haciendero.»Hm!” riep Leroux, »dat heeft dunkt mij veel van den oorlog in Afrika.”»Niet zoo veel als gij denkt. De Arabieren vertoonen zich nog, terwijl de Apachen, zooals ik u reeds gezegd heb, zich niet dan in de uiterste noodzakelijkheid bloot geven.”»Dus is mijn plan om eene verkenning naar buiten te bewerkstelligen.…”[98]»Onuitvoerbaar om twee redenen: òf uwe ruiters, hoezeer door tal van vijanden omgeven, zouden er niet een van te zien krijgen; òf zij zouden in een hinderlaag worden gelokt, waar zij ondanks wonderen van dapperheid tot den laatsten man zouden sneuvelen.”»Al wat deze heer zegt is volkomen juist; het laat zich wel hooren dat hij met den Indiaanschen oorlog grondig bekend is en zich menigmaal met deIndios bravoszal gemeten hebben.”»Die ondervinding heb ik met mijn aardsch geluk moeten betalen, mijne geliefden zijn door deze woeste vijanden vermoord,” antwoordde don Louis treurig; »bereid u op een gelijk lot zoo gij niet op uwe hoede zijt. Ik weet hoe veel het aan uw ridderlijken volksaard kost om zulk een gedragslijn te volgen; maar als ik u raden mag is het uwe eenige kans op behoud.”»Wij hebben hier verscheidene vrouwen en kinderen, uwe dochter, don Sylva, bovenal: wij moeten haar niet alleen volstrekt buiten gevaar stellen, maar zelfs voor den minsten schrik behoeden. Ik vereenig mij dus geheel met het gevoelen van mijnheer Louis en ben voornemens om met de meeste omzichtigheid te werk te gaan.”»Ik zeg u dank, zoo voor mij als voor mijne dochter.”»Maar nu, mijnheer, daar wij reeds zoo veel goeden raad van u gehoord hebben moet gij het er niet bij laten, maar uw werk de kroon opzetten door mij te zeggen wat gij in mijne plaats doen zoudt?”»Mijnheer,” antwoordde Louis ernstig, »wat ik zou doen is dit: de Apachen zullen u stellig aanvallen, om zekere reden, die ik wel weet maar te beuzelachtig reken om er ons thans mede op te houden; zij maken het welgelukken van dezen aanval tot een punt van eer; versterk u dus hier zoo veel gij maar kunt. Gij hebt een aanzienlijk garnizoen, uit beproefde mannen samengesteld; bij gevolg zijn alle kansen bijna in uw voordeel.”»Ik heb zeventig dappere Franschen, allen oud-gedienden, die weten wat oorlogvoeren is.”»Achter goede muren en wel gewapend is dat meer dan gij er noodig hebt.”»Behalve nog de veertig peons, op de Indianenjacht afgericht, die ik heb medegebracht,”zei don Sylva.»Zijn die mannen op dit oogenblik hier?” vroeg don Louis met drift.»Ja, mijnheer.”»O, dat vereenvoudigt de zaak aanmerkelijk; geloof mij, mijne heeren, nu zijn het de Indianen die het meeste te duchten hebben.”»Verklaar u nader.”»Allerwaarschijnlijkst zult gij aan de zijde der rivier worden aangetast; misschien zullen de Indianen om uwe krachten te verdeelen een gewaanden aanval op het fort aan de landengte doen, maar dat punt is te goed versterkt dan dat zij in ernst zouden beproeven het[99]te veroveren; ik herhaal u dus dat de vijand zijne hoofdmacht aan den rivierkant zal samentrekken.”»Ik moet u doen opmerken, mijnheer,” zei de luitenant, »dat de rivier op dit oogenblik onbevaarbaar is, door de duizende boomstammen die de jongste onweders in de bergen hebben losgerukt en die zij op haar stroom medevoert.”»Ik weet niet of de rivier al dan niet bevaarbaar is,” antwoordde don Louis beslissend; »maar daarvan ben ik overtuigd, dat de Apachen u van die zijde zullen aantasten.”»In ieder geval, en om niet onvoorziens overrompeld te worden, zal ik twee stukken van de batterij aan de landengte laten nemen; daar blijven er dan nog vier over, hetgeen meer dan voldoende is; ik zal die twee stukken zoo laten stellen dat zij de rivier bestrijken en ze tevens maskeeren zoodat zij niet kunnen gezien worden. Gij hebt mij verstaan, Leroux? laat vervolgens een der lange veldstukken op het plat der mirador in batterij stellen, dan bestrijken wij den loop der Gila ook van dien kant. Ga nu, en zorg dat mijne orders onmiddellijk worden uitgevoerd.”De oude soldaat ging heen zonder te antwoorden, om de bevelen van zijn chef uit te voeren.»Gij ziet, mijne heeren,” vervolgde de graaf zoodra zijn luitenant weg was, »dat ik mij den raad dien gij mij geeft dadelijk ten nutte maak; ik beken dat ik van den Indiaanschen oorlog volstrekt geen ondervinding heb en zeg u nogmaals, dat ik mij gelukkig reken door u zoo goed geholpen te worden.”»Mijnheer Louis heeft alles vooruit gezien,” zeide de haciendero, »even als hij, denk ik dat de kolonie aan de rivierzijde het meest bloot ligt.”»Nog een woord,” hervatte de Franschman.»Spreek, mijnheer.”»Hebt gij niet gezegd, caballero, dat gij veertig peons hadt medegebracht, allen in den krijg welervaren mannen en dat zij op dit oogenblik hier zijn?”»Ja, dat heb ik gezegd, en het is de zuivere waarheid.”»Zeer goed. Laat ik u dan ook daarin raden, mijne heeren; wat ik hier zeggen zal is maar eene eenvoudige opmerking, maar ik geloof dat gij van de peons meesterlijk partij zoudt kunnen trekken en u van de overwinning verzekeren door uwe vijanden tusschen twee vuren te brengen.”»Dat zou het ook. Maar hoe meent gij het dan? gij hebt zelf daar zoo even nog gezegd, dat het eene onvergeeflijke onvoorzichtigheid zou zijn om een detachement van ons volk op verkenning uit te zenden.”»Dat heb ik ook gezegd en dat zeg ik nog. In de bosschen en struiken namelijk zijn, terwijl wij hier spreken, duizend oogen op de hacienda gevestigd, zoodat er niemand in of uit kan gaan zonder dat zij het zien.”[100]»Welnu?”»Maar heb ik u dan ook niet gezegd dat deze oorlog een oorlog van listen en hinderlagen was?”»Dat hebt gij zeker; en toch moet ik u bekennen dat ik niet begrijp waar gij heen wilt.”»Dat is toch zoo moeielijk niet om te begrijpen; ik zal het u in twee woorden zeggen.”»Alles wat ik verlang,” zei don Sylva.»Señorcaballero,” hervatte don Louis zich tot don Sylva wendende, »denkt gij hier te blijven?”»Ja, om zekere gewichtige redenen zal ik hier vrij lang moeten vertoeven.”»Ik heb voor het minst geen oogmerk,señor, mij in uwe intieme zaken te mengen, geloof mij,señor, als ik maar weet of gij hier blijft.”»Ja.”»Perfect. Hebt gij onder uwe peons een getrouw man, op wien gij kunt rekenen zoo goed als op u zelven?”»Cascaras!dat zou ik denken: ik heb Blas Vasquez.”»Zonder onbescheiden te zijn,señor, moet ik u vragen wie is deze Blas Vasquez, zooals gij hem noemt, daar ik de eer niet heb hem te kennen.”»Blas Vasquez is mijn capataz of majordomo (hofmeester) een flinke vent, daar ik des noods op kan rekenen zoo goed als op mij zelven.”»Nu, dan is alles in orde, dat maakt de zaak zoo eenvoudig mogelijk.”»Ik zie nog volstrekt niet hoe,” riep de graaf.»Gij zult het aanstonds zien,” hernam don Louis.»Hoe eer hoe liever, vriend.”»Uw capataz zal zich, onder bepaalde instructiën, eer wij een uur verder zijn aan het hoofd der peons stellen en openlijk uittrekken op weg naar Guaymas; doch twee of drie uren van hier,op eene plaats die wij nader zullen bepalen moet hij post vatten: het overige gaat ons aan en zal door mijne vrienden en mij worden geregeld.”»Ja, ik begrijp uw plan: de peons door u met overleg verborgen, zullen de Indianen in den rug aantasten zoodra de strijd tusschen hen en ons hier begint.”»Dat is werkelijk mijn plan.”»Maar de Apachen?”»Welnu?”»Denkt gij, dat zij een troep blanken ongemoeid van hier zullen laten vertrekken?”»De Indianen zijn te slim om er zich tegen te verzetten. Wat zouden zij er bij winnen, een troep aan te tasten die geen bagage bij zich heeft en daar dus niets van te halen is? Zulk een strijd[101]zou alleen hunne stelling kunnen verraden, en daar zullen zij zich wel voor wachten. Neen, neen, wees gerust, caballero, zij zullen zich niet verroeren; zij hebben er te veel belang bij om onzichtbaar te blijven, of verbeelden het zich althans, daar zij niet weten dat gij voor hen gewaarschuwd zijt.”»En gij, wat denkt gij te doen?”»Ik? de Indianen hebben mij ongetwijfeld herwaarts zien komen; zij weten dat ik hier ben; als ik tegelijk met u vertrok zou ik alles verklappen. Ik ga dus alleen weg, zoo als ik gekomen ben, en dat wel oogenblikkelijk.”»Uw plan is zoo eenvoudig en zoo goed overlegd, dat het wel slagen moet. Ontvang onzen dank, mijnheer, en noem ons uw naam, opdat wij den man mogen kennen aan wien wij zoo veel verplichting hebben.”»Waartoe zou dat dienen, mijnheer?”»Ik voeg mijn verzoek bij dat van mijn vriendGaëtano, caballero, om u te dringen, den naam te openbaren van een man wiens aandenken zoo diep in onze harten staat gegrift.”Don Louis aarzelde. Zonder recht te weten waarom, voelde hij zich ongenegen om tegenover den graaf de Lhorailles zijn incognito te verbreken.De beide heeren hielden echter zoo dringend en zoo beleefd bij hem aan, dat hij, bij gebreke van stellingen en redelijken grond om onbekend te blijven, zich liet overhalen zijn naam bekend te maken.»Caballeros,” zeide hij eindelijk, »ik ben de graaf Louis Edouard Maxime de Prébois Crancé.”»Wij zijn vrienden, niet waar, mijnheer de graaf?” zeide de Lhorailles hem de hand toestekende.»Wat ik voor u doe, strekt dunkt mij daarvan tot bewijs,” antwoordde hij met een hoffelijke buiging, maar zonder de hand te drukken die hem werd aangeboden.»Ik dank u,” zei de graaf zonder naar ’t scheen de teruggetrokken houding van don Louis op te merken. »Denkt gij ons spoedig te verlaten?”»Ik moet u, met uwe dringende bezigheden alleen laten. Zoo gij er niets tegen hebt, neem ik dadelijk mijn afscheid.”»Toch niet zonder ten minste vooraf met ons ontbeten te hebben?”»Gij zult mij verschoonen, de tijd dringt ons. Mijne vrienden, die ik reeds sedert een paar uren verlaten heb, zullen zich over mijn lang uitblijven zeer ongerust maken.”»Daar zij weten dat gij bij mij zijt, mijnheer, is zoo iets toch onmogelijk,” zei de graaf min of meer geraakt.»Zij weten niet dat ik hier zonder letsel ben aangekomen.”»Dat verandert de zaak, dan wil ik u niet langer ophouden, nogmaals dank, mijnheer.”[102]»Ik heb volgens mijn geweten gehandeld, mijnheer, gij hebt mij voor niets te danken.”De drie heeren gingen nu de zaal uit en wandelden samen naar de landengte, al pratende over onverschillige zaken. Nauwelijks waren zij half op weg, of zij ontmoetten don Blas, den capataz. Don Sylva wenkte hem te naderen en gaf hem toen in weinige woorden te kennen op welke gebeurtenissen men zich voorbereidde en welke rol hij daarbij zou moeten spelen.»Voto a Dios!” riep de wakkere hofmeester vroolijk, »ik dank u, don Sylva, voor dat goede nieuws. Wij zullen dus eindelijk met die verwenschte Apachen aan den slag komen. Caraï! zij zullen wat zien, dat zweer ik u.”»Dat is u wel toevertrouwd, Blas, ik verlaat mij geheel op u.”»Maar op welke hoogte moet ik dezen caballero afwachten!”»Inderdaad! wij hebben de plaats nog niet bepaald.”»Inderdaad!” herhaalde don Louis. »Ongeveer drie mijlen van hier in de richting van Guaymas waar de weg een bocht maakt, ligt een eenzame heuvel, zoo ik meen heet hijel Pan de Azucar; daar kunt gij u gerust verbergen zonder vrees van ontdekt te worden. Ik zal daar met mijne vrienden bij u komen.”»Dat is afgesproken. Tegen hoe laat zoo wat?”»Dat kan ik u nog niet bepaald zeggen; het hangt van omstandigheden af.”Eenige minuten later keerde don Louis naar de prairie terug terwijl de graaf de Lhorailles en de beide Mexicanen zich bezig hielden met de noodige toebereidsels voor eene ernstige verdediging der hacienda.»’t Is toch zonderling,”mompeldedon Louis in zich zelven terwijl hij in snellen galop wegreed, »al is die man mijn landgenoot en al zal ik eerlang misschien mijn leven voor hem wagen, gevoel ik voor hem geen de minste sympathie.”Op eens maakte zijn paard een zijsprong, en de Franschman, zoo plotseling in zijne beschouwingen gestoord, hield op.De Arendskop stond voor hem.

X.VOOR DEN AANVAL.

Op het eerste gefluit van den maukawis, dat wil zeggen, met het opgaan der zon, werden de avonturiers wakker.De nacht was rustig voorbijgegaan en hun slaap was door niets gestoord geworden; slechts een weinig verkleumd door den overvloedigen dauw, die hunne dekens geheel doortrokken had, haastten zij zich om op te staan, en eenige keeren het kamp op en neer te stappen, ten einde bij zich den bloedsomloop te herstellen en hunne verdoofde leden te ontgloeien.Met de eerste beweging die don Martial bij het opstaan maakte, viel er een mes van hem af op den grond. De Mexicaan raapte het op en slaakte een kreet van verbazing, bijna van schrik, terwijl hij het aan zijne kameraden liet zien.Het zoo onverwacht gevonden wapen was een scalpeermes, op het lemmer vertoonden zich nog sporen van bloed.Wij weten reeds wie het mes op de borst van den Tigrero gelegd had.»Wat beteekent dat?” riep hij, terwijl hij het wapen verontwaardigd omhoog hield.De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig. Bladz. 92.De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig. Bladz. 92.De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig.»Ooah!” riep hij verwonderd, »de Zwarte-Beer is hier geweest terwijl wij sliepen.”De jagers konden hun schrik niet verbergen.»Dat is onmogelijk,” beweerde Goedsmoeds.De Indiaan schudde van neen en liet hem het mes zien.»Ziedaar,” zeide hij, »’t is het scalpeermes van den Apache, het totem van zijn stam staat er op den steel ingesneden.”»Ja, waarlijk!”»De Zwarte-Beer is een vermaard krijgshoofd, zijn hart is groot genoeg om eene wereld te bevatten. Daar hij zich gedwongen zag de hem opgelegde voorwaarden te vervullen, heeft hij zijnen vijand willen bewijzen dat diens leven in zijne macht was en dat hij het hem ontnemen kon wanneer het hem goeddacht; dat is eenvoudig de beteekenis van het mes, nedergelegd op de borst van een slapendenYori—Spanjaard.”De avonturiers waren alles behalve op hun gemak over dezen[93]trek van stoutmoedigheid; zij beefden bij de gedachte dat hun leven in de macht had gestaan van den Apache, die zich niet verwaardigd had hen te dooden, maar alleen had willen toonen dat hij hen durfde trotseeren; den Mexicaan vooral ging bij dat idee eene rilling over het lijf.De Canadees was de eerste die zijne gewone bedaardheid terugkreeg.»Canario!” riep hij, »die Apachenhond heeft wel gedaan dat hij ons waarschuwde; nu zullen wij voortaan beter oppassen.”»Hm,” riep Cuchares met de handen in zijn dik en kroesig haar, »ik zou niet gaarne gescalpeerd worden.”»Bah!” antwoordde Goedsmoeds, »men komt er niet altijd even kaal af.”»Dat kan waar zijn, maar ik zou er niet gaarne de proef van nemen.”»Daar het intusschen geheel dag is geworden,” merkte don Louis aan, »geloof ik dat het voor mij tijd wordt om naar de hacienda te vertrekken, wat dunkt u?”»Wij hebben geen oogenblik te verliezen om de plannen des vijands te verijdelen,” drong don Martial nader aan.»Des te minder daar wij nog zekere maatregelen moeten nemen, waarover wij elkander hoe eer hoe beter dienen te verstaan,” zei Goedsmoeds.De Indiaan en de lepero gaven hunne toestemming alleen met een hoofdknik te kennen.»Bepalen wij vooraf onze eerste samenkomst,” hervatte Louis.»Gij kunt mij hier niet blijven wachten, waar de Indianen ons veel te gemakkelijk vinden zouden.”»Ja,” antwoordde Goedsmoeds zich bedenkend, »maar ik ben met deze streek niet goed bekend en ik zou zeer verlegen staan als ik een geschikt punt moest aanwijzen.”»Ik weet er wel een,” zei nu de Arendskop, »ik zal er u zelf brengen; onze bleeke broeder kan daar bij ons komen.”»Zeer goed, maar dan dien ik vooraf te weten welke plaats gij bedoelt.”»Laat mijn broeder zich daar niet over verontrusten, zoodra hij de groote hut uitkomt ben ik bij hem.”»Dan is alles in orde. Tot weerziens.”Louis zadelde zijn paard en reed weg in gestrekten draf in de richting der hacienda, die trouwens niet verder dan drie geweerschoten verwijderd lag van de plaats waar de avonturiers zich thans bevonden.Laten wij thans de jagers een poos alleen en zien wij wat er inmiddels in de hacienda gebeurd was.De graaf de Lhorailles stapte met een bezorgd gelaat op en neder in de benedenzaal, die tevens als vestibule voor het hoofdgebouw diende.Tegen wil en dank hield zijne ontmoeting met den Mexicaan hem[94]levendig bezig; hij wenschte gaarne metdoñaAnita in het bijzijn van haar vader een ronde verklaring te hooren, die alle onzekerheid zou opheffen, of althans den sleutel van het ten haren opzichte bestaande geheim zou aan de hand geven.Nog een andere omstandigheid had hem uit zijn humeur gebracht en verdubbelde zijne onrust:Met het aanbreken van den dag was Diego Leon, een zijner luitenants, bij hem gekomen met bericht, dat de Indiaan, dien hij den vorigen dag als gids had medegenomen, dien nacht spoorloos verdwenen was.De staat van zaken begon ernstig te worden; de Mexicaansche Maan was ophanden; de gids was blijkbaar een Indiaansche spion die zich van de sterkte der hacienda had willen verzekeren en van de beste middelen om haar te overrompelen.De Apachen en Comanchen konden niet veraf wezen,misschienzaten zij reeds in het hooge gras te loeren op een gunstig oogenblik om hunne onverzoenlijke vijanden te bestormen.De graaf ontveinsde zich daarbij niet, dat zoo zijn toestand moeielijk was, hij dit grootendeels aan zich zelven te wijten had.Van gouvernementswege met een gewichtig kommando belast, inzonderheid ten doel hebbende om de grenzen tegen de invallen der Indianen te beschermen, had hij nog hoegenaamd geen aanstalten gemaakt of maatregelen genomen om het mandaat te vervullen dat hem niet alleen was opgedragen, maar wat meer zegt, daar hij zelf om gevraagd had.De zoogenaamde Maan van Mexico zou binnen eene maand intreden; voor dien tijd was het volstrekt noodig om een beslissenden slag te slaan, die den Indianen een heilzamen schrik zou inboezemen en hen beletten zich te vereenigen, en alzoo hunne plannen te verijdelen.De graaf had hierover reeds een geruimen tijd nagedacht en was er zoo diep mede bezig, dat hij vergat naar zijne gasten te laten vragen, die hij den vorigen avond onder zijn dak had ontvangen.Op eens stond zijn oude luitenant voor hem.»Wat wilt gij, Martin?” vroeg hij hem.»Met uw verlof, kapitein, ik hoop niet dat ik u stoor of ongelegen kom, maar Diego Leon, die met acht man op de batterij aan de landtong de wacht heeft, heeft mij laten zeggen dat een ruiter verzoekt om binnen te komen, daar hij u over ernstige zaken spreken moet.”»Wie is die man?”»Een blanke, goed gekleed, en bereden op een uitmuntend paard.”»Heeft hij niets anders meer gezegd?”»Verschooning; nog dit: zeg aan uw kommandant dat ik een van de twee personen ben die hij in de Rancho van José heeft gesproken.”Het gelaat van den graaf helderde op.[95]»Laat hem binnen komen, het is een vriend.”De luitenant ging heen.Zoodra de graaf weder alleen was hervatte hij zijne wandeling.»Wat kan die man mij te zeggen hebben?” prevelde hij, »toen ik in de Rancho hem en zijn vriend aanbood om met mij mede te gaan, hebben zij beiden geweigerd. Wat kan hen zoo spoedig van besluit hebben doen veranderen? Bah! waartoe langer te gissen,” vervolgde hij, terwijl hij het trappelen van een paard op het patio hoorde; »ik zal het dadelijk weten.”Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen don Louis,binnengeleiddoor den luitenant, die op een wenk van den graaf zich terstond verwijderde.»Aan welk gelukkig toeval,” zei de graaf de Lhorailles beleefd, »dank ik de eer van een bezoek dat ik zoo weinig durfde verwachten?”Don Louis gaf hem zijne buiging even wellevend terug en antwoordde:»Het is geen gelukkig toeval dat mij herwaarts voer, integendeel de Hemel geve dat ik geen ongeluksbode moge zijn.”»Wat bedoelt gij daarmede,señor?” vroeg hij ongerust, »ik begrijp u niet.”»Ik zal het u dadelijk ophelderen. Maar laten wij Fransch spreken, als gij dat goedvindt; dan verstaan wij elkander beter,” zeide hij, terstond het Spaansch latende varen daar hij zich tot hiertoe van bediend had.»Wat!” riep de graaf verwonderd, »spreekt gij Fransch, mijnheer.”»Ja, mijnheer,” hernam Louis, »wat meer is, ik heb de eer uw landgenoot te zijn, en al ben ik,” vervolgde hij, »sinds bijna tien jaren uitlandig geweest, is het mij altijd een onbeschrijfelijk genoegen als ik mijne eigen taal mag spreken.”Toen de graaf hem dit hoorde zeggen, scheen hij dezelfde man niet meer.»O!” riep hij in vervoering, »laat ik u de hand drukken, mijnheer; twee Franschen, die elkander in dit verre land ontmoeten, zijn broeders: vergeten wij voor een poos de plaats waar wij zijn en spreken wij over Frankrijk, dat dierbare vaderland, dat ons zoo na aan het hart ligt en daar wij zoo ver af zijn.”»Helaas! mijnheer,” antwoordde Louis, die zijne ontroering bedwingen moest. »Ik gevoel mij gelukkig dat ik voor eenige oogenblikken mijne omgeving kan vergeten om de herinneringen van ons gemeenschappelijk vaderland te verlevendigen. Jammer slechts is het oogenblik ernstig en zijn de gevaren die u bedreigen zoo groot, dat de tijd dien wij dus met praten zouden verliezen, voor u de vreeselijkste gevolgen zou kunnen hebben.”»Gij doet mij schrikken, mijnheer. Wat is er dan gaande? welk vreeselijk nieuws hebt gij mij mede te deelen?”[96]»Ik heb u immers reeds gezegd, mijnheer, dat ik een Jobsbode was, en kwade tijding kwam brengen.”»Laat u dat niet bezwaren; wat het ook zij, door u gesproken zal het mij welkom zijn; wat kan ik op mijn tegenwoordigen post in de woestijn anders verwachten dan nu en dan een ongeluk?”»Ik hoop dat ik u het gevaar zal kunnen helpen afwenden, dat u thans boven het hoofd zweeft.”»Ik dank u voorshands voor uw broederlijke belangstelling, mijnheer; spreek nu vrij uit, wat gij mij ook moogt te vertellen hebben, ik zal u rustig aanhooren, ik verlang het te weten en luister met aandacht.”Zonder van zijne ontmoeting met den Tigrero te reppen, verhaalde don Louis thans den graaf, hoe hij toevallig een gesprek tusschen den gids en verscheidene Apachenhoofden had afgeluisterd, die in den omtrek der hacienda verscholen zaten en welk plan zij hadden gevormd om de kolonie te overrompelen.»Ziedaar, mijnheer,” zeide hij ten slotte, »oordeel nu zelf over het gewicht der tijding en over de maatregelen die gij zult moeten nemen om het plan uwer vijanden te verijdelen.”»Ik zeg u dank, mijnheer; reeds eenige minuten voor uwe komst, toen mijn luitenant mij kwam zeggen dat de gids verdwenen was, heb ik begrepen dat ik met een spion te doen had; wat gij mij meldt brengt dit vermoeden tot zekerheid. Zoo als gij wel zegt is er geen oogenblik te verliezen; ik zal mij onmiddellijk beraden om de noodige maatregelen te beramen.”Hij klopte op de tafel.Er kwam een peon binnen.»Roep den eersten luitenant,” zeide hij.Na een paar minuten verscheen Martin Leroux.»Luitenant,” zei de graaf, »gij moet met twintig ruiters al de omstreken drie mijlen in ’t rond gaan verkennen, want ik hoor daareven dat er Indianen in de nabijheid zijn die op ons loeren.”De oude soldaat boog zonder te antwoorden en verwijderde zich om te gehoorzamen.»Wacht even!” riep don Louis in ’t Fransch, hem met een wenk tegenhoudende; »nog een woord.”»Hé!” riep Martin Leroux met verwondering terugkeerende, »spreekt gij nu toch Fransch?”»Zoo als ge hoort,” antwoordde don Louis glimlachend.»Hadt gij het een of ander op te merken?” vroeg de graaf.»Ik woon reeds sinds lang in Amerika en in de woestijn, zoodat ik de Indianen heb leeren kennen en met hen in list kan wedijveren. Met uw verlof zal ik u eenigen raad geven dien ik meen dat u in de tegenwoordige omstandigheden niet ondienstig zal zijn.”»Pardi!” riep de graaf, »spreek op, waarde landsman, uw raad kon ons niet anders dan nuttig zijn, daar ben ik van overtuigd.”Op dit oogenblik trad don Sylva de kamer binnen.[97]»Zoo, beste vriend!” vervolgde de graaf, toen hij hem zag, »gij komt juist van pas, wij hebben u zeer noodig; uwe kennis van de zeden der Indianen zal ons zeer te stade komen.”»Wat is er toch gaande?” vroeg de haciendero met een hoffelijken groet tegen de aanwezigen.»Er is gaande, dat de Apachen ons met eenen aanval bedreigen.”»O! dat is erg, vriend; wat denkt gij te doen?”»Dat weet ik nog niet. Ik had mijn luitenant Martin reeds gelast om de omstreken te gaan opnemen, maar deze heer, in wien ik de eer heb u een mijner landgenooten voor te stellen, schijnt van een ander gevoelen.”»De caballero heeft gelijk,” antwoordde de Mexicaan met eene buiging voor don Louis;—»maar vooreerst, zijt gij wel zoo zeker van dien aanval?”»Mijnheer is opzettelijk herwaarts gekomen om mij te waarschuwen.”»Dan valt er niet meer aan te twijfelen, en moeten de noodige voorzorgen onverwijld genomen worden. En hoe denkt de caballero er over?”»Dat wilde hij mij juist opgeven toen gij binnen kwaamt.”»Laat ik dan uw onderhoud niet langer storen; ik luister, spreek, mijnheer.”Don Louis boog en nam het woord.»Caballero,” sprak hij, zich tot don Sylva wendende; »wat ik zeggen zal, is inzonderheid voor de Franscheseñoresbestemd, die te veel aan de oorlogen der blanken in Europa gewoon, niets begrijpen van de wijze waarop de Indianen hier te werk gaan.”»Dat is waar,” merkte de graaf aan.»Bah!” riep Leroux, terwijl hij met zeker gevoel van eigenwaarde zijn knevelbaard opstreek, »dan zullen wij hooren.”»Pas maar op dat het niet tot uw nadeel zij!” vervolgde don Louis. »De Indiaansche oorlog is een krijg van listen en hinderlagen. Geen vijand zal u ooit in het open veld aantasten; hij houdt zich altijd schuil en zoo hij slechts overwinnaar blijft is ieder middel hem welkom, bovenal verraad. Vijf honderd Apachen, onder aanvoering van een stoutmoedig opperhoofd, zouden het in de prairie tegen uwe beste soldaten volhouden, hen afmatten en decimeeren, zonder dat deze ooit tot een bepaald treffen konden komen.”»Zoo?” mompelde de graaf. »Is dit hun eenige manier van strijdvoeren?”»De eenige,” bevestigde de haciendero.»Hm!” riep Leroux, »dat heeft dunkt mij veel van den oorlog in Afrika.”»Niet zoo veel als gij denkt. De Arabieren vertoonen zich nog, terwijl de Apachen, zooals ik u reeds gezegd heb, zich niet dan in de uiterste noodzakelijkheid bloot geven.”»Dus is mijn plan om eene verkenning naar buiten te bewerkstelligen.…”[98]»Onuitvoerbaar om twee redenen: òf uwe ruiters, hoezeer door tal van vijanden omgeven, zouden er niet een van te zien krijgen; òf zij zouden in een hinderlaag worden gelokt, waar zij ondanks wonderen van dapperheid tot den laatsten man zouden sneuvelen.”»Al wat deze heer zegt is volkomen juist; het laat zich wel hooren dat hij met den Indiaanschen oorlog grondig bekend is en zich menigmaal met deIndios bravoszal gemeten hebben.”»Die ondervinding heb ik met mijn aardsch geluk moeten betalen, mijne geliefden zijn door deze woeste vijanden vermoord,” antwoordde don Louis treurig; »bereid u op een gelijk lot zoo gij niet op uwe hoede zijt. Ik weet hoe veel het aan uw ridderlijken volksaard kost om zulk een gedragslijn te volgen; maar als ik u raden mag is het uwe eenige kans op behoud.”»Wij hebben hier verscheidene vrouwen en kinderen, uwe dochter, don Sylva, bovenal: wij moeten haar niet alleen volstrekt buiten gevaar stellen, maar zelfs voor den minsten schrik behoeden. Ik vereenig mij dus geheel met het gevoelen van mijnheer Louis en ben voornemens om met de meeste omzichtigheid te werk te gaan.”»Ik zeg u dank, zoo voor mij als voor mijne dochter.”»Maar nu, mijnheer, daar wij reeds zoo veel goeden raad van u gehoord hebben moet gij het er niet bij laten, maar uw werk de kroon opzetten door mij te zeggen wat gij in mijne plaats doen zoudt?”»Mijnheer,” antwoordde Louis ernstig, »wat ik zou doen is dit: de Apachen zullen u stellig aanvallen, om zekere reden, die ik wel weet maar te beuzelachtig reken om er ons thans mede op te houden; zij maken het welgelukken van dezen aanval tot een punt van eer; versterk u dus hier zoo veel gij maar kunt. Gij hebt een aanzienlijk garnizoen, uit beproefde mannen samengesteld; bij gevolg zijn alle kansen bijna in uw voordeel.”»Ik heb zeventig dappere Franschen, allen oud-gedienden, die weten wat oorlogvoeren is.”»Achter goede muren en wel gewapend is dat meer dan gij er noodig hebt.”»Behalve nog de veertig peons, op de Indianenjacht afgericht, die ik heb medegebracht,”zei don Sylva.»Zijn die mannen op dit oogenblik hier?” vroeg don Louis met drift.»Ja, mijnheer.”»O, dat vereenvoudigt de zaak aanmerkelijk; geloof mij, mijne heeren, nu zijn het de Indianen die het meeste te duchten hebben.”»Verklaar u nader.”»Allerwaarschijnlijkst zult gij aan de zijde der rivier worden aangetast; misschien zullen de Indianen om uwe krachten te verdeelen een gewaanden aanval op het fort aan de landengte doen, maar dat punt is te goed versterkt dan dat zij in ernst zouden beproeven het[99]te veroveren; ik herhaal u dus dat de vijand zijne hoofdmacht aan den rivierkant zal samentrekken.”»Ik moet u doen opmerken, mijnheer,” zei de luitenant, »dat de rivier op dit oogenblik onbevaarbaar is, door de duizende boomstammen die de jongste onweders in de bergen hebben losgerukt en die zij op haar stroom medevoert.”»Ik weet niet of de rivier al dan niet bevaarbaar is,” antwoordde don Louis beslissend; »maar daarvan ben ik overtuigd, dat de Apachen u van die zijde zullen aantasten.”»In ieder geval, en om niet onvoorziens overrompeld te worden, zal ik twee stukken van de batterij aan de landengte laten nemen; daar blijven er dan nog vier over, hetgeen meer dan voldoende is; ik zal die twee stukken zoo laten stellen dat zij de rivier bestrijken en ze tevens maskeeren zoodat zij niet kunnen gezien worden. Gij hebt mij verstaan, Leroux? laat vervolgens een der lange veldstukken op het plat der mirador in batterij stellen, dan bestrijken wij den loop der Gila ook van dien kant. Ga nu, en zorg dat mijne orders onmiddellijk worden uitgevoerd.”De oude soldaat ging heen zonder te antwoorden, om de bevelen van zijn chef uit te voeren.»Gij ziet, mijne heeren,” vervolgde de graaf zoodra zijn luitenant weg was, »dat ik mij den raad dien gij mij geeft dadelijk ten nutte maak; ik beken dat ik van den Indiaanschen oorlog volstrekt geen ondervinding heb en zeg u nogmaals, dat ik mij gelukkig reken door u zoo goed geholpen te worden.”»Mijnheer Louis heeft alles vooruit gezien,” zeide de haciendero, »even als hij, denk ik dat de kolonie aan de rivierzijde het meest bloot ligt.”»Nog een woord,” hervatte de Franschman.»Spreek, mijnheer.”»Hebt gij niet gezegd, caballero, dat gij veertig peons hadt medegebracht, allen in den krijg welervaren mannen en dat zij op dit oogenblik hier zijn?”»Ja, dat heb ik gezegd, en het is de zuivere waarheid.”»Zeer goed. Laat ik u dan ook daarin raden, mijne heeren; wat ik hier zeggen zal is maar eene eenvoudige opmerking, maar ik geloof dat gij van de peons meesterlijk partij zoudt kunnen trekken en u van de overwinning verzekeren door uwe vijanden tusschen twee vuren te brengen.”»Dat zou het ook. Maar hoe meent gij het dan? gij hebt zelf daar zoo even nog gezegd, dat het eene onvergeeflijke onvoorzichtigheid zou zijn om een detachement van ons volk op verkenning uit te zenden.”»Dat heb ik ook gezegd en dat zeg ik nog. In de bosschen en struiken namelijk zijn, terwijl wij hier spreken, duizend oogen op de hacienda gevestigd, zoodat er niemand in of uit kan gaan zonder dat zij het zien.”[100]»Welnu?”»Maar heb ik u dan ook niet gezegd dat deze oorlog een oorlog van listen en hinderlagen was?”»Dat hebt gij zeker; en toch moet ik u bekennen dat ik niet begrijp waar gij heen wilt.”»Dat is toch zoo moeielijk niet om te begrijpen; ik zal het u in twee woorden zeggen.”»Alles wat ik verlang,” zei don Sylva.»Señorcaballero,” hervatte don Louis zich tot don Sylva wendende, »denkt gij hier te blijven?”»Ja, om zekere gewichtige redenen zal ik hier vrij lang moeten vertoeven.”»Ik heb voor het minst geen oogmerk,señor, mij in uwe intieme zaken te mengen, geloof mij,señor, als ik maar weet of gij hier blijft.”»Ja.”»Perfect. Hebt gij onder uwe peons een getrouw man, op wien gij kunt rekenen zoo goed als op u zelven?”»Cascaras!dat zou ik denken: ik heb Blas Vasquez.”»Zonder onbescheiden te zijn,señor, moet ik u vragen wie is deze Blas Vasquez, zooals gij hem noemt, daar ik de eer niet heb hem te kennen.”»Blas Vasquez is mijn capataz of majordomo (hofmeester) een flinke vent, daar ik des noods op kan rekenen zoo goed als op mij zelven.”»Nu, dan is alles in orde, dat maakt de zaak zoo eenvoudig mogelijk.”»Ik zie nog volstrekt niet hoe,” riep de graaf.»Gij zult het aanstonds zien,” hernam don Louis.»Hoe eer hoe liever, vriend.”»Uw capataz zal zich, onder bepaalde instructiën, eer wij een uur verder zijn aan het hoofd der peons stellen en openlijk uittrekken op weg naar Guaymas; doch twee of drie uren van hier,op eene plaats die wij nader zullen bepalen moet hij post vatten: het overige gaat ons aan en zal door mijne vrienden en mij worden geregeld.”»Ja, ik begrijp uw plan: de peons door u met overleg verborgen, zullen de Indianen in den rug aantasten zoodra de strijd tusschen hen en ons hier begint.”»Dat is werkelijk mijn plan.”»Maar de Apachen?”»Welnu?”»Denkt gij, dat zij een troep blanken ongemoeid van hier zullen laten vertrekken?”»De Indianen zijn te slim om er zich tegen te verzetten. Wat zouden zij er bij winnen, een troep aan te tasten die geen bagage bij zich heeft en daar dus niets van te halen is? Zulk een strijd[101]zou alleen hunne stelling kunnen verraden, en daar zullen zij zich wel voor wachten. Neen, neen, wees gerust, caballero, zij zullen zich niet verroeren; zij hebben er te veel belang bij om onzichtbaar te blijven, of verbeelden het zich althans, daar zij niet weten dat gij voor hen gewaarschuwd zijt.”»En gij, wat denkt gij te doen?”»Ik? de Indianen hebben mij ongetwijfeld herwaarts zien komen; zij weten dat ik hier ben; als ik tegelijk met u vertrok zou ik alles verklappen. Ik ga dus alleen weg, zoo als ik gekomen ben, en dat wel oogenblikkelijk.”»Uw plan is zoo eenvoudig en zoo goed overlegd, dat het wel slagen moet. Ontvang onzen dank, mijnheer, en noem ons uw naam, opdat wij den man mogen kennen aan wien wij zoo veel verplichting hebben.”»Waartoe zou dat dienen, mijnheer?”»Ik voeg mijn verzoek bij dat van mijn vriendGaëtano, caballero, om u te dringen, den naam te openbaren van een man wiens aandenken zoo diep in onze harten staat gegrift.”Don Louis aarzelde. Zonder recht te weten waarom, voelde hij zich ongenegen om tegenover den graaf de Lhorailles zijn incognito te verbreken.De beide heeren hielden echter zoo dringend en zoo beleefd bij hem aan, dat hij, bij gebreke van stellingen en redelijken grond om onbekend te blijven, zich liet overhalen zijn naam bekend te maken.»Caballeros,” zeide hij eindelijk, »ik ben de graaf Louis Edouard Maxime de Prébois Crancé.”»Wij zijn vrienden, niet waar, mijnheer de graaf?” zeide de Lhorailles hem de hand toestekende.»Wat ik voor u doe, strekt dunkt mij daarvan tot bewijs,” antwoordde hij met een hoffelijke buiging, maar zonder de hand te drukken die hem werd aangeboden.»Ik dank u,” zei de graaf zonder naar ’t scheen de teruggetrokken houding van don Louis op te merken. »Denkt gij ons spoedig te verlaten?”»Ik moet u, met uwe dringende bezigheden alleen laten. Zoo gij er niets tegen hebt, neem ik dadelijk mijn afscheid.”»Toch niet zonder ten minste vooraf met ons ontbeten te hebben?”»Gij zult mij verschoonen, de tijd dringt ons. Mijne vrienden, die ik reeds sedert een paar uren verlaten heb, zullen zich over mijn lang uitblijven zeer ongerust maken.”»Daar zij weten dat gij bij mij zijt, mijnheer, is zoo iets toch onmogelijk,” zei de graaf min of meer geraakt.»Zij weten niet dat ik hier zonder letsel ben aangekomen.”»Dat verandert de zaak, dan wil ik u niet langer ophouden, nogmaals dank, mijnheer.”[102]»Ik heb volgens mijn geweten gehandeld, mijnheer, gij hebt mij voor niets te danken.”De drie heeren gingen nu de zaal uit en wandelden samen naar de landengte, al pratende over onverschillige zaken. Nauwelijks waren zij half op weg, of zij ontmoetten don Blas, den capataz. Don Sylva wenkte hem te naderen en gaf hem toen in weinige woorden te kennen op welke gebeurtenissen men zich voorbereidde en welke rol hij daarbij zou moeten spelen.»Voto a Dios!” riep de wakkere hofmeester vroolijk, »ik dank u, don Sylva, voor dat goede nieuws. Wij zullen dus eindelijk met die verwenschte Apachen aan den slag komen. Caraï! zij zullen wat zien, dat zweer ik u.”»Dat is u wel toevertrouwd, Blas, ik verlaat mij geheel op u.”»Maar op welke hoogte moet ik dezen caballero afwachten!”»Inderdaad! wij hebben de plaats nog niet bepaald.”»Inderdaad!” herhaalde don Louis. »Ongeveer drie mijlen van hier in de richting van Guaymas waar de weg een bocht maakt, ligt een eenzame heuvel, zoo ik meen heet hijel Pan de Azucar; daar kunt gij u gerust verbergen zonder vrees van ontdekt te worden. Ik zal daar met mijne vrienden bij u komen.”»Dat is afgesproken. Tegen hoe laat zoo wat?”»Dat kan ik u nog niet bepaald zeggen; het hangt van omstandigheden af.”Eenige minuten later keerde don Louis naar de prairie terug terwijl de graaf de Lhorailles en de beide Mexicanen zich bezig hielden met de noodige toebereidsels voor eene ernstige verdediging der hacienda.»’t Is toch zonderling,”mompeldedon Louis in zich zelven terwijl hij in snellen galop wegreed, »al is die man mijn landgenoot en al zal ik eerlang misschien mijn leven voor hem wagen, gevoel ik voor hem geen de minste sympathie.”Op eens maakte zijn paard een zijsprong, en de Franschman, zoo plotseling in zijne beschouwingen gestoord, hield op.De Arendskop stond voor hem.

Op het eerste gefluit van den maukawis, dat wil zeggen, met het opgaan der zon, werden de avonturiers wakker.

De nacht was rustig voorbijgegaan en hun slaap was door niets gestoord geworden; slechts een weinig verkleumd door den overvloedigen dauw, die hunne dekens geheel doortrokken had, haastten zij zich om op te staan, en eenige keeren het kamp op en neer te stappen, ten einde bij zich den bloedsomloop te herstellen en hunne verdoofde leden te ontgloeien.

Met de eerste beweging die don Martial bij het opstaan maakte, viel er een mes van hem af op den grond. De Mexicaan raapte het op en slaakte een kreet van verbazing, bijna van schrik, terwijl hij het aan zijne kameraden liet zien.

Het zoo onverwacht gevonden wapen was een scalpeermes, op het lemmer vertoonden zich nog sporen van bloed.

Wij weten reeds wie het mes op de borst van den Tigrero gelegd had.

»Wat beteekent dat?” riep hij, terwijl hij het wapen verontwaardigd omhoog hield.

De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig. Bladz. 92.De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig. Bladz. 92.

De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig. Bladz. 92.

De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig.

»Ooah!” riep hij verwonderd, »de Zwarte-Beer is hier geweest terwijl wij sliepen.”

De jagers konden hun schrik niet verbergen.

»Dat is onmogelijk,” beweerde Goedsmoeds.

De Indiaan schudde van neen en liet hem het mes zien.

»Ziedaar,” zeide hij, »’t is het scalpeermes van den Apache, het totem van zijn stam staat er op den steel ingesneden.”

»Ja, waarlijk!”

»De Zwarte-Beer is een vermaard krijgshoofd, zijn hart is groot genoeg om eene wereld te bevatten. Daar hij zich gedwongen zag de hem opgelegde voorwaarden te vervullen, heeft hij zijnen vijand willen bewijzen dat diens leven in zijne macht was en dat hij het hem ontnemen kon wanneer het hem goeddacht; dat is eenvoudig de beteekenis van het mes, nedergelegd op de borst van een slapendenYori—Spanjaard.”

De avonturiers waren alles behalve op hun gemak over dezen[93]trek van stoutmoedigheid; zij beefden bij de gedachte dat hun leven in de macht had gestaan van den Apache, die zich niet verwaardigd had hen te dooden, maar alleen had willen toonen dat hij hen durfde trotseeren; den Mexicaan vooral ging bij dat idee eene rilling over het lijf.

De Canadees was de eerste die zijne gewone bedaardheid terugkreeg.

»Canario!” riep hij, »die Apachenhond heeft wel gedaan dat hij ons waarschuwde; nu zullen wij voortaan beter oppassen.”

»Hm,” riep Cuchares met de handen in zijn dik en kroesig haar, »ik zou niet gaarne gescalpeerd worden.”

»Bah!” antwoordde Goedsmoeds, »men komt er niet altijd even kaal af.”

»Dat kan waar zijn, maar ik zou er niet gaarne de proef van nemen.”

»Daar het intusschen geheel dag is geworden,” merkte don Louis aan, »geloof ik dat het voor mij tijd wordt om naar de hacienda te vertrekken, wat dunkt u?”

»Wij hebben geen oogenblik te verliezen om de plannen des vijands te verijdelen,” drong don Martial nader aan.

»Des te minder daar wij nog zekere maatregelen moeten nemen, waarover wij elkander hoe eer hoe beter dienen te verstaan,” zei Goedsmoeds.

De Indiaan en de lepero gaven hunne toestemming alleen met een hoofdknik te kennen.

»Bepalen wij vooraf onze eerste samenkomst,” hervatte Louis.

»Gij kunt mij hier niet blijven wachten, waar de Indianen ons veel te gemakkelijk vinden zouden.”

»Ja,” antwoordde Goedsmoeds zich bedenkend, »maar ik ben met deze streek niet goed bekend en ik zou zeer verlegen staan als ik een geschikt punt moest aanwijzen.”

»Ik weet er wel een,” zei nu de Arendskop, »ik zal er u zelf brengen; onze bleeke broeder kan daar bij ons komen.”

»Zeer goed, maar dan dien ik vooraf te weten welke plaats gij bedoelt.”

»Laat mijn broeder zich daar niet over verontrusten, zoodra hij de groote hut uitkomt ben ik bij hem.”

»Dan is alles in orde. Tot weerziens.”

Louis zadelde zijn paard en reed weg in gestrekten draf in de richting der hacienda, die trouwens niet verder dan drie geweerschoten verwijderd lag van de plaats waar de avonturiers zich thans bevonden.

Laten wij thans de jagers een poos alleen en zien wij wat er inmiddels in de hacienda gebeurd was.

De graaf de Lhorailles stapte met een bezorgd gelaat op en neder in de benedenzaal, die tevens als vestibule voor het hoofdgebouw diende.

Tegen wil en dank hield zijne ontmoeting met den Mexicaan hem[94]levendig bezig; hij wenschte gaarne metdoñaAnita in het bijzijn van haar vader een ronde verklaring te hooren, die alle onzekerheid zou opheffen, of althans den sleutel van het ten haren opzichte bestaande geheim zou aan de hand geven.

Nog een andere omstandigheid had hem uit zijn humeur gebracht en verdubbelde zijne onrust:

Met het aanbreken van den dag was Diego Leon, een zijner luitenants, bij hem gekomen met bericht, dat de Indiaan, dien hij den vorigen dag als gids had medegenomen, dien nacht spoorloos verdwenen was.

De staat van zaken begon ernstig te worden; de Mexicaansche Maan was ophanden; de gids was blijkbaar een Indiaansche spion die zich van de sterkte der hacienda had willen verzekeren en van de beste middelen om haar te overrompelen.

De Apachen en Comanchen konden niet veraf wezen,misschienzaten zij reeds in het hooge gras te loeren op een gunstig oogenblik om hunne onverzoenlijke vijanden te bestormen.

De graaf ontveinsde zich daarbij niet, dat zoo zijn toestand moeielijk was, hij dit grootendeels aan zich zelven te wijten had.

Van gouvernementswege met een gewichtig kommando belast, inzonderheid ten doel hebbende om de grenzen tegen de invallen der Indianen te beschermen, had hij nog hoegenaamd geen aanstalten gemaakt of maatregelen genomen om het mandaat te vervullen dat hem niet alleen was opgedragen, maar wat meer zegt, daar hij zelf om gevraagd had.

De zoogenaamde Maan van Mexico zou binnen eene maand intreden; voor dien tijd was het volstrekt noodig om een beslissenden slag te slaan, die den Indianen een heilzamen schrik zou inboezemen en hen beletten zich te vereenigen, en alzoo hunne plannen te verijdelen.

De graaf had hierover reeds een geruimen tijd nagedacht en was er zoo diep mede bezig, dat hij vergat naar zijne gasten te laten vragen, die hij den vorigen avond onder zijn dak had ontvangen.

Op eens stond zijn oude luitenant voor hem.

»Wat wilt gij, Martin?” vroeg hij hem.

»Met uw verlof, kapitein, ik hoop niet dat ik u stoor of ongelegen kom, maar Diego Leon, die met acht man op de batterij aan de landtong de wacht heeft, heeft mij laten zeggen dat een ruiter verzoekt om binnen te komen, daar hij u over ernstige zaken spreken moet.”

»Wie is die man?”

»Een blanke, goed gekleed, en bereden op een uitmuntend paard.”

»Heeft hij niets anders meer gezegd?”

»Verschooning; nog dit: zeg aan uw kommandant dat ik een van de twee personen ben die hij in de Rancho van José heeft gesproken.”

Het gelaat van den graaf helderde op.[95]

»Laat hem binnen komen, het is een vriend.”

De luitenant ging heen.

Zoodra de graaf weder alleen was hervatte hij zijne wandeling.

»Wat kan die man mij te zeggen hebben?” prevelde hij, »toen ik in de Rancho hem en zijn vriend aanbood om met mij mede te gaan, hebben zij beiden geweigerd. Wat kan hen zoo spoedig van besluit hebben doen veranderen? Bah! waartoe langer te gissen,” vervolgde hij, terwijl hij het trappelen van een paard op het patio hoorde; »ik zal het dadelijk weten.”

Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen don Louis,binnengeleiddoor den luitenant, die op een wenk van den graaf zich terstond verwijderde.

»Aan welk gelukkig toeval,” zei de graaf de Lhorailles beleefd, »dank ik de eer van een bezoek dat ik zoo weinig durfde verwachten?”

Don Louis gaf hem zijne buiging even wellevend terug en antwoordde:

»Het is geen gelukkig toeval dat mij herwaarts voer, integendeel de Hemel geve dat ik geen ongeluksbode moge zijn.”

»Wat bedoelt gij daarmede,señor?” vroeg hij ongerust, »ik begrijp u niet.”

»Ik zal het u dadelijk ophelderen. Maar laten wij Fransch spreken, als gij dat goedvindt; dan verstaan wij elkander beter,” zeide hij, terstond het Spaansch latende varen daar hij zich tot hiertoe van bediend had.

»Wat!” riep de graaf verwonderd, »spreekt gij Fransch, mijnheer.”

»Ja, mijnheer,” hernam Louis, »wat meer is, ik heb de eer uw landgenoot te zijn, en al ben ik,” vervolgde hij, »sinds bijna tien jaren uitlandig geweest, is het mij altijd een onbeschrijfelijk genoegen als ik mijne eigen taal mag spreken.”

Toen de graaf hem dit hoorde zeggen, scheen hij dezelfde man niet meer.

»O!” riep hij in vervoering, »laat ik u de hand drukken, mijnheer; twee Franschen, die elkander in dit verre land ontmoeten, zijn broeders: vergeten wij voor een poos de plaats waar wij zijn en spreken wij over Frankrijk, dat dierbare vaderland, dat ons zoo na aan het hart ligt en daar wij zoo ver af zijn.”

»Helaas! mijnheer,” antwoordde Louis, die zijne ontroering bedwingen moest. »Ik gevoel mij gelukkig dat ik voor eenige oogenblikken mijne omgeving kan vergeten om de herinneringen van ons gemeenschappelijk vaderland te verlevendigen. Jammer slechts is het oogenblik ernstig en zijn de gevaren die u bedreigen zoo groot, dat de tijd dien wij dus met praten zouden verliezen, voor u de vreeselijkste gevolgen zou kunnen hebben.”

»Gij doet mij schrikken, mijnheer. Wat is er dan gaande? welk vreeselijk nieuws hebt gij mij mede te deelen?”[96]

»Ik heb u immers reeds gezegd, mijnheer, dat ik een Jobsbode was, en kwade tijding kwam brengen.”

»Laat u dat niet bezwaren; wat het ook zij, door u gesproken zal het mij welkom zijn; wat kan ik op mijn tegenwoordigen post in de woestijn anders verwachten dan nu en dan een ongeluk?”

»Ik hoop dat ik u het gevaar zal kunnen helpen afwenden, dat u thans boven het hoofd zweeft.”

»Ik dank u voorshands voor uw broederlijke belangstelling, mijnheer; spreek nu vrij uit, wat gij mij ook moogt te vertellen hebben, ik zal u rustig aanhooren, ik verlang het te weten en luister met aandacht.”

Zonder van zijne ontmoeting met den Tigrero te reppen, verhaalde don Louis thans den graaf, hoe hij toevallig een gesprek tusschen den gids en verscheidene Apachenhoofden had afgeluisterd, die in den omtrek der hacienda verscholen zaten en welk plan zij hadden gevormd om de kolonie te overrompelen.

»Ziedaar, mijnheer,” zeide hij ten slotte, »oordeel nu zelf over het gewicht der tijding en over de maatregelen die gij zult moeten nemen om het plan uwer vijanden te verijdelen.”

»Ik zeg u dank, mijnheer; reeds eenige minuten voor uwe komst, toen mijn luitenant mij kwam zeggen dat de gids verdwenen was, heb ik begrepen dat ik met een spion te doen had; wat gij mij meldt brengt dit vermoeden tot zekerheid. Zoo als gij wel zegt is er geen oogenblik te verliezen; ik zal mij onmiddellijk beraden om de noodige maatregelen te beramen.”

Hij klopte op de tafel.

Er kwam een peon binnen.

»Roep den eersten luitenant,” zeide hij.

Na een paar minuten verscheen Martin Leroux.

»Luitenant,” zei de graaf, »gij moet met twintig ruiters al de omstreken drie mijlen in ’t rond gaan verkennen, want ik hoor daareven dat er Indianen in de nabijheid zijn die op ons loeren.”

De oude soldaat boog zonder te antwoorden en verwijderde zich om te gehoorzamen.

»Wacht even!” riep don Louis in ’t Fransch, hem met een wenk tegenhoudende; »nog een woord.”

»Hé!” riep Martin Leroux met verwondering terugkeerende, »spreekt gij nu toch Fransch?”

»Zoo als ge hoort,” antwoordde don Louis glimlachend.

»Hadt gij het een of ander op te merken?” vroeg de graaf.

»Ik woon reeds sinds lang in Amerika en in de woestijn, zoodat ik de Indianen heb leeren kennen en met hen in list kan wedijveren. Met uw verlof zal ik u eenigen raad geven dien ik meen dat u in de tegenwoordige omstandigheden niet ondienstig zal zijn.”

»Pardi!” riep de graaf, »spreek op, waarde landsman, uw raad kon ons niet anders dan nuttig zijn, daar ben ik van overtuigd.”

Op dit oogenblik trad don Sylva de kamer binnen.[97]

»Zoo, beste vriend!” vervolgde de graaf, toen hij hem zag, »gij komt juist van pas, wij hebben u zeer noodig; uwe kennis van de zeden der Indianen zal ons zeer te stade komen.”

»Wat is er toch gaande?” vroeg de haciendero met een hoffelijken groet tegen de aanwezigen.

»Er is gaande, dat de Apachen ons met eenen aanval bedreigen.”

»O! dat is erg, vriend; wat denkt gij te doen?”

»Dat weet ik nog niet. Ik had mijn luitenant Martin reeds gelast om de omstreken te gaan opnemen, maar deze heer, in wien ik de eer heb u een mijner landgenooten voor te stellen, schijnt van een ander gevoelen.”

»De caballero heeft gelijk,” antwoordde de Mexicaan met eene buiging voor don Louis;—»maar vooreerst, zijt gij wel zoo zeker van dien aanval?”

»Mijnheer is opzettelijk herwaarts gekomen om mij te waarschuwen.”

»Dan valt er niet meer aan te twijfelen, en moeten de noodige voorzorgen onverwijld genomen worden. En hoe denkt de caballero er over?”

»Dat wilde hij mij juist opgeven toen gij binnen kwaamt.”

»Laat ik dan uw onderhoud niet langer storen; ik luister, spreek, mijnheer.”

Don Louis boog en nam het woord.

»Caballero,” sprak hij, zich tot don Sylva wendende; »wat ik zeggen zal, is inzonderheid voor de Franscheseñoresbestemd, die te veel aan de oorlogen der blanken in Europa gewoon, niets begrijpen van de wijze waarop de Indianen hier te werk gaan.”

»Dat is waar,” merkte de graaf aan.

»Bah!” riep Leroux, terwijl hij met zeker gevoel van eigenwaarde zijn knevelbaard opstreek, »dan zullen wij hooren.”

»Pas maar op dat het niet tot uw nadeel zij!” vervolgde don Louis. »De Indiaansche oorlog is een krijg van listen en hinderlagen. Geen vijand zal u ooit in het open veld aantasten; hij houdt zich altijd schuil en zoo hij slechts overwinnaar blijft is ieder middel hem welkom, bovenal verraad. Vijf honderd Apachen, onder aanvoering van een stoutmoedig opperhoofd, zouden het in de prairie tegen uwe beste soldaten volhouden, hen afmatten en decimeeren, zonder dat deze ooit tot een bepaald treffen konden komen.”

»Zoo?” mompelde de graaf. »Is dit hun eenige manier van strijdvoeren?”

»De eenige,” bevestigde de haciendero.

»Hm!” riep Leroux, »dat heeft dunkt mij veel van den oorlog in Afrika.”

»Niet zoo veel als gij denkt. De Arabieren vertoonen zich nog, terwijl de Apachen, zooals ik u reeds gezegd heb, zich niet dan in de uiterste noodzakelijkheid bloot geven.”

»Dus is mijn plan om eene verkenning naar buiten te bewerkstelligen.…”[98]

»Onuitvoerbaar om twee redenen: òf uwe ruiters, hoezeer door tal van vijanden omgeven, zouden er niet een van te zien krijgen; òf zij zouden in een hinderlaag worden gelokt, waar zij ondanks wonderen van dapperheid tot den laatsten man zouden sneuvelen.”

»Al wat deze heer zegt is volkomen juist; het laat zich wel hooren dat hij met den Indiaanschen oorlog grondig bekend is en zich menigmaal met deIndios bravoszal gemeten hebben.”

»Die ondervinding heb ik met mijn aardsch geluk moeten betalen, mijne geliefden zijn door deze woeste vijanden vermoord,” antwoordde don Louis treurig; »bereid u op een gelijk lot zoo gij niet op uwe hoede zijt. Ik weet hoe veel het aan uw ridderlijken volksaard kost om zulk een gedragslijn te volgen; maar als ik u raden mag is het uwe eenige kans op behoud.”

»Wij hebben hier verscheidene vrouwen en kinderen, uwe dochter, don Sylva, bovenal: wij moeten haar niet alleen volstrekt buiten gevaar stellen, maar zelfs voor den minsten schrik behoeden. Ik vereenig mij dus geheel met het gevoelen van mijnheer Louis en ben voornemens om met de meeste omzichtigheid te werk te gaan.”

»Ik zeg u dank, zoo voor mij als voor mijne dochter.”

»Maar nu, mijnheer, daar wij reeds zoo veel goeden raad van u gehoord hebben moet gij het er niet bij laten, maar uw werk de kroon opzetten door mij te zeggen wat gij in mijne plaats doen zoudt?”

»Mijnheer,” antwoordde Louis ernstig, »wat ik zou doen is dit: de Apachen zullen u stellig aanvallen, om zekere reden, die ik wel weet maar te beuzelachtig reken om er ons thans mede op te houden; zij maken het welgelukken van dezen aanval tot een punt van eer; versterk u dus hier zoo veel gij maar kunt. Gij hebt een aanzienlijk garnizoen, uit beproefde mannen samengesteld; bij gevolg zijn alle kansen bijna in uw voordeel.”

»Ik heb zeventig dappere Franschen, allen oud-gedienden, die weten wat oorlogvoeren is.”

»Achter goede muren en wel gewapend is dat meer dan gij er noodig hebt.”

»Behalve nog de veertig peons, op de Indianenjacht afgericht, die ik heb medegebracht,”zei don Sylva.

»Zijn die mannen op dit oogenblik hier?” vroeg don Louis met drift.

»Ja, mijnheer.”

»O, dat vereenvoudigt de zaak aanmerkelijk; geloof mij, mijne heeren, nu zijn het de Indianen die het meeste te duchten hebben.”

»Verklaar u nader.”

»Allerwaarschijnlijkst zult gij aan de zijde der rivier worden aangetast; misschien zullen de Indianen om uwe krachten te verdeelen een gewaanden aanval op het fort aan de landengte doen, maar dat punt is te goed versterkt dan dat zij in ernst zouden beproeven het[99]te veroveren; ik herhaal u dus dat de vijand zijne hoofdmacht aan den rivierkant zal samentrekken.”

»Ik moet u doen opmerken, mijnheer,” zei de luitenant, »dat de rivier op dit oogenblik onbevaarbaar is, door de duizende boomstammen die de jongste onweders in de bergen hebben losgerukt en die zij op haar stroom medevoert.”

»Ik weet niet of de rivier al dan niet bevaarbaar is,” antwoordde don Louis beslissend; »maar daarvan ben ik overtuigd, dat de Apachen u van die zijde zullen aantasten.”

»In ieder geval, en om niet onvoorziens overrompeld te worden, zal ik twee stukken van de batterij aan de landengte laten nemen; daar blijven er dan nog vier over, hetgeen meer dan voldoende is; ik zal die twee stukken zoo laten stellen dat zij de rivier bestrijken en ze tevens maskeeren zoodat zij niet kunnen gezien worden. Gij hebt mij verstaan, Leroux? laat vervolgens een der lange veldstukken op het plat der mirador in batterij stellen, dan bestrijken wij den loop der Gila ook van dien kant. Ga nu, en zorg dat mijne orders onmiddellijk worden uitgevoerd.”

De oude soldaat ging heen zonder te antwoorden, om de bevelen van zijn chef uit te voeren.

»Gij ziet, mijne heeren,” vervolgde de graaf zoodra zijn luitenant weg was, »dat ik mij den raad dien gij mij geeft dadelijk ten nutte maak; ik beken dat ik van den Indiaanschen oorlog volstrekt geen ondervinding heb en zeg u nogmaals, dat ik mij gelukkig reken door u zoo goed geholpen te worden.”

»Mijnheer Louis heeft alles vooruit gezien,” zeide de haciendero, »even als hij, denk ik dat de kolonie aan de rivierzijde het meest bloot ligt.”

»Nog een woord,” hervatte de Franschman.

»Spreek, mijnheer.”

»Hebt gij niet gezegd, caballero, dat gij veertig peons hadt medegebracht, allen in den krijg welervaren mannen en dat zij op dit oogenblik hier zijn?”

»Ja, dat heb ik gezegd, en het is de zuivere waarheid.”

»Zeer goed. Laat ik u dan ook daarin raden, mijne heeren; wat ik hier zeggen zal is maar eene eenvoudige opmerking, maar ik geloof dat gij van de peons meesterlijk partij zoudt kunnen trekken en u van de overwinning verzekeren door uwe vijanden tusschen twee vuren te brengen.”

»Dat zou het ook. Maar hoe meent gij het dan? gij hebt zelf daar zoo even nog gezegd, dat het eene onvergeeflijke onvoorzichtigheid zou zijn om een detachement van ons volk op verkenning uit te zenden.”

»Dat heb ik ook gezegd en dat zeg ik nog. In de bosschen en struiken namelijk zijn, terwijl wij hier spreken, duizend oogen op de hacienda gevestigd, zoodat er niemand in of uit kan gaan zonder dat zij het zien.”[100]

»Welnu?”

»Maar heb ik u dan ook niet gezegd dat deze oorlog een oorlog van listen en hinderlagen was?”

»Dat hebt gij zeker; en toch moet ik u bekennen dat ik niet begrijp waar gij heen wilt.”

»Dat is toch zoo moeielijk niet om te begrijpen; ik zal het u in twee woorden zeggen.”

»Alles wat ik verlang,” zei don Sylva.

»Señorcaballero,” hervatte don Louis zich tot don Sylva wendende, »denkt gij hier te blijven?”

»Ja, om zekere gewichtige redenen zal ik hier vrij lang moeten vertoeven.”

»Ik heb voor het minst geen oogmerk,señor, mij in uwe intieme zaken te mengen, geloof mij,señor, als ik maar weet of gij hier blijft.”

»Ja.”

»Perfect. Hebt gij onder uwe peons een getrouw man, op wien gij kunt rekenen zoo goed als op u zelven?”

»Cascaras!dat zou ik denken: ik heb Blas Vasquez.”

»Zonder onbescheiden te zijn,señor, moet ik u vragen wie is deze Blas Vasquez, zooals gij hem noemt, daar ik de eer niet heb hem te kennen.”

»Blas Vasquez is mijn capataz of majordomo (hofmeester) een flinke vent, daar ik des noods op kan rekenen zoo goed als op mij zelven.”

»Nu, dan is alles in orde, dat maakt de zaak zoo eenvoudig mogelijk.”

»Ik zie nog volstrekt niet hoe,” riep de graaf.

»Gij zult het aanstonds zien,” hernam don Louis.

»Hoe eer hoe liever, vriend.”

»Uw capataz zal zich, onder bepaalde instructiën, eer wij een uur verder zijn aan het hoofd der peons stellen en openlijk uittrekken op weg naar Guaymas; doch twee of drie uren van hier,op eene plaats die wij nader zullen bepalen moet hij post vatten: het overige gaat ons aan en zal door mijne vrienden en mij worden geregeld.”

»Ja, ik begrijp uw plan: de peons door u met overleg verborgen, zullen de Indianen in den rug aantasten zoodra de strijd tusschen hen en ons hier begint.”

»Dat is werkelijk mijn plan.”

»Maar de Apachen?”

»Welnu?”

»Denkt gij, dat zij een troep blanken ongemoeid van hier zullen laten vertrekken?”

»De Indianen zijn te slim om er zich tegen te verzetten. Wat zouden zij er bij winnen, een troep aan te tasten die geen bagage bij zich heeft en daar dus niets van te halen is? Zulk een strijd[101]zou alleen hunne stelling kunnen verraden, en daar zullen zij zich wel voor wachten. Neen, neen, wees gerust, caballero, zij zullen zich niet verroeren; zij hebben er te veel belang bij om onzichtbaar te blijven, of verbeelden het zich althans, daar zij niet weten dat gij voor hen gewaarschuwd zijt.”

»En gij, wat denkt gij te doen?”

»Ik? de Indianen hebben mij ongetwijfeld herwaarts zien komen; zij weten dat ik hier ben; als ik tegelijk met u vertrok zou ik alles verklappen. Ik ga dus alleen weg, zoo als ik gekomen ben, en dat wel oogenblikkelijk.”

»Uw plan is zoo eenvoudig en zoo goed overlegd, dat het wel slagen moet. Ontvang onzen dank, mijnheer, en noem ons uw naam, opdat wij den man mogen kennen aan wien wij zoo veel verplichting hebben.”

»Waartoe zou dat dienen, mijnheer?”

»Ik voeg mijn verzoek bij dat van mijn vriendGaëtano, caballero, om u te dringen, den naam te openbaren van een man wiens aandenken zoo diep in onze harten staat gegrift.”

Don Louis aarzelde. Zonder recht te weten waarom, voelde hij zich ongenegen om tegenover den graaf de Lhorailles zijn incognito te verbreken.

De beide heeren hielden echter zoo dringend en zoo beleefd bij hem aan, dat hij, bij gebreke van stellingen en redelijken grond om onbekend te blijven, zich liet overhalen zijn naam bekend te maken.

»Caballeros,” zeide hij eindelijk, »ik ben de graaf Louis Edouard Maxime de Prébois Crancé.”

»Wij zijn vrienden, niet waar, mijnheer de graaf?” zeide de Lhorailles hem de hand toestekende.

»Wat ik voor u doe, strekt dunkt mij daarvan tot bewijs,” antwoordde hij met een hoffelijke buiging, maar zonder de hand te drukken die hem werd aangeboden.

»Ik dank u,” zei de graaf zonder naar ’t scheen de teruggetrokken houding van don Louis op te merken. »Denkt gij ons spoedig te verlaten?”

»Ik moet u, met uwe dringende bezigheden alleen laten. Zoo gij er niets tegen hebt, neem ik dadelijk mijn afscheid.”

»Toch niet zonder ten minste vooraf met ons ontbeten te hebben?”

»Gij zult mij verschoonen, de tijd dringt ons. Mijne vrienden, die ik reeds sedert een paar uren verlaten heb, zullen zich over mijn lang uitblijven zeer ongerust maken.”

»Daar zij weten dat gij bij mij zijt, mijnheer, is zoo iets toch onmogelijk,” zei de graaf min of meer geraakt.

»Zij weten niet dat ik hier zonder letsel ben aangekomen.”

»Dat verandert de zaak, dan wil ik u niet langer ophouden, nogmaals dank, mijnheer.”[102]

»Ik heb volgens mijn geweten gehandeld, mijnheer, gij hebt mij voor niets te danken.”

De drie heeren gingen nu de zaal uit en wandelden samen naar de landengte, al pratende over onverschillige zaken. Nauwelijks waren zij half op weg, of zij ontmoetten don Blas, den capataz. Don Sylva wenkte hem te naderen en gaf hem toen in weinige woorden te kennen op welke gebeurtenissen men zich voorbereidde en welke rol hij daarbij zou moeten spelen.

»Voto a Dios!” riep de wakkere hofmeester vroolijk, »ik dank u, don Sylva, voor dat goede nieuws. Wij zullen dus eindelijk met die verwenschte Apachen aan den slag komen. Caraï! zij zullen wat zien, dat zweer ik u.”

»Dat is u wel toevertrouwd, Blas, ik verlaat mij geheel op u.”

»Maar op welke hoogte moet ik dezen caballero afwachten!”

»Inderdaad! wij hebben de plaats nog niet bepaald.”

»Inderdaad!” herhaalde don Louis. »Ongeveer drie mijlen van hier in de richting van Guaymas waar de weg een bocht maakt, ligt een eenzame heuvel, zoo ik meen heet hijel Pan de Azucar; daar kunt gij u gerust verbergen zonder vrees van ontdekt te worden. Ik zal daar met mijne vrienden bij u komen.”

»Dat is afgesproken. Tegen hoe laat zoo wat?”

»Dat kan ik u nog niet bepaald zeggen; het hangt van omstandigheden af.”

Eenige minuten later keerde don Louis naar de prairie terug terwijl de graaf de Lhorailles en de beide Mexicanen zich bezig hielden met de noodige toebereidsels voor eene ernstige verdediging der hacienda.

»’t Is toch zonderling,”mompeldedon Louis in zich zelven terwijl hij in snellen galop wegreed, »al is die man mijn landgenoot en al zal ik eerlang misschien mijn leven voor hem wagen, gevoel ik voor hem geen de minste sympathie.”

Op eens maakte zijn paard een zijsprong, en de Franschman, zoo plotseling in zijne beschouwingen gestoord, hield op.

De Arendskop stond voor hem.


Back to IndexNext