VI.

[Inhoud]VI.DOOR HET VENSTER.ToendoñaAnita de salon verliet om zich naar hare slaapkamer te begeven, oogde de graaf haar zoo lang mogelijk na, daar hij niets scheen te begrijpen van haar zonderling gedrag jegens hem, vooral uit hoofde der bijzondere betrekking waarin zij tegenover elkander waren geplaatst, ter zake van het huwelijk dat hen weldra voor levenslang zou verbinden. Na echter eenige minuten te hebben nagedacht, schudde bij eindelijk het hoofd, als wilde hij de treurige gedachten verdrijven die hem bestormden, en wendde zich tot zijn toekomstigen schoonvader.»Spreken wij over onze zaken,” zeide hij; »zoo gij immers wilt.”»Hebt gij mij dan iets nieuws mede te deelen?”»Een aantal zaken.”»Gewichtige?”»Dat zult gij zelf beoordeelen.”»Laat hooren dan. Ik ben ongeduldig om ze te vernemen.”»Gaan wij ordelijk voort. Gij weet, vriend, waarom ik Guetzalli verlaten had.”»Volkomen. Zijt gij goed geslaagd?”»Geheel naar mijne verwachting. Dank zij zekere brieven, die ik had medegebracht en vooral ten gevolge uwer welwillende aanbeveling, heeft de generaal Marcos zich jegens mij zeer genegen getoond. De wijze waarop hij mij ontving was allerminzaamst, kortom, hij verleende mij zijn naam in blanko, met volmacht niet alleen om honderd vijftig man aan te werven, maar zelfs dubbel zoo veel als ik dit noodig oordeelde.”»O! dat is heerlijk, inderdaad.”»Niet waar? Bovendien heeft hij mij gezegd, dat hij in een oorlog als die welken ik thans ging ondernemen, want een jacht op de Apachen is niets minder dan een oorlog, mij volkomen vrijheid liet om naar eigen goedvinden te handelen, en keurde bij voorbaat alles goed wat door mij gedaan zou worden, wel overtuigd, voegde hij er bij, dat het alleszins strekken zou tot roem en voordeel van Mexico.”»Wel, dat hoor ik met veel genoegen, vriend. Maar hoe zijt gij thans voornemens te handelen na zulk een gelukkigen afloop?”»Ik ben vooreerst besloten om van hier onmiddellijk naar Guetzalli te vertrekken, dat ik reeds sedert drie weken verlaten heb. Ik moet noodzakelijk naar mijne kolonie terug, om te zien of alles geregeld gaat en mijn volk gelukkig is. Bovendien zou ik, alvorens mij, misschien voor langen tijd, met het grootste gedeelte mijner manschappen te verwijderen, de kolonisten gaarne tegen eene overrompeling beveiligen, door rondom mijne bezittingen eenige werken aan te leggen,[52]zoodat de achterblijvenden in staat zijn iederen aanval der wilden met kracht af te weren. Dit is van des te meer belang, omdat Guetzalli in zekeren zin altijd mijn hoofdkwartier blijven moet.”»Dat is zoo. En wanneer denkt gij te vertrekken?”»Heden avond.”»Zoo spoedig reeds?”»Ik moet wel. Gij zelf weet hoe zeer de tijd dringt.”»Inderdaad. Hebt gij mij niets anders meer te zeggen?”»Vergeef mij, ik heb u nog eene andere vraag te doen, die ik met opzet voor het laatst bewaard heb.”»Is zij dan zoo belangrijk?”»Van het hoogste belang.”»O, dan moet ik haar hooren, vriend, spreek op, dadelijk.”»Bij mijne komst hier te lande,” hervatte de graaf, »toen de onderneming, die ik thans God zij dank! tot een goed einde heb gebracht, nog slechts op het papier bestond, waart gij zoo welwillend,señordon Sylva, om niet alleen uw onmetelijk crediet, maar ook uwe onberekenbare rijkdommen te mijner beschikking te stellen.”»Dat is zoo,” zei de Mexicaan glimlachend.»Welnu, ik heb van uw aanbod ruimschoots gebruik gemaakt, menigmaal uit uw geldkist geput en over uw crediet zoo dikwijls beschikt als de gelegenheid het vorderde; vergun mij thans het eene gedeelte mijner verplichting aan u te kwijten, terwijl ik erken dat ik het andere gedeelte u vooreerst zal moeten schuldig blijven. Zie hier,” vervolgde hij, een papier uit zijne portefeuille nemende, »hier is een wisselbrief, ten bedrage van honderd duizend piasters, betaalbaar op zicht en getrokken op Walter Blount en Comp. bankiers te Mexico. Ik acht mij gelukkig, don Sylva, in staat te zijn deze schuld zoo gereedelijk af te doen, niet omdat.…”»Met uw welnemen,” viel de haciendero hem in de rede, terwijl hij den wissel, dien de graaf hem aanbood, met drift afwees, »maar ik geloof dat wij elkander op dit oogenblik niet goed begrijpen.”»Hoezoo niet?”»Tot opheldering zal ik u zeggen: bij uwe komst te Guaymas, mijnheer de graaf, kwaamt gij bij mij met een dringenden aanbevelingsbrief van wege een man met wien ik, zonder daarom ooit intiem aan hem verbonden te zijn, nochtans eenige jaren geleden zeer groote geldelijke betrekkingen heb gehad. De baron van Spurtzheim stelde u aan mij voor, meer als een beminden zoon dan als een vriend voor wien men zich partij stelt. Ik heb mijn huis wagenwijd voor u opengezet. Ik was verplicht zulks te doen. Later, toen ik u leerde kennen en het grootsche en edele in uw karakter heb kunnen waardeeren, zijn onze aanvankelijk koele betrekkingen nauwer geworden en bood ik u de hand mijner dochter, die gij hebt aangenomen.”»Tot mijn onuitsprekelijk geluk!” riep de graaf.[53]»Zeer goed,” hernam de haciendero glimlachend, »het geld dus dat ik van een onbekende zou kunnen terug ontvangen, en dat hij mij als zoodanig wettig verschuldigd was, dat geld behoort aan mijn schoonzoon. Verscheur dus, bid ik u, dien wisselbrief, waarde graaf, en denken wij niet verder om dat bagatel.”»Juist!” riep de graaf schielijk en op verdrietigen toon, »dat is juist wat mij hindert; ik ben uw schoonzoon nog niet en, als ik het u zeggen moet, ik vrees dat ik het nooit worden zal.”»En wat geeft u aanleiding om daarvoor te vreezen? Hebt gij niet mijne belofte? Het woord van don Sylva de Torres, waarde heer graaf de Lhorailles, is een waarborg, dien nog nooit iemand heeft durven in twijfel trekken.”»Daar twijfel ik ook in ’t minst niet aan, don Sylva; het is niet voor u dat ik vrees.”»Voor wie dan?”»VoordoñaAnita.”»Voor mijne dochter?”»Ja.”»Wat zegt gij, vriend! dat vereischt nadere opheldering, want ik zweer u dat ik het volstrekt niet begrijp” riep don Sylva, terwijl hij driftig opstond en onrustig het salon op en neder trad.»Mijn hemel, don Sylva!” riep de graaf, »het spijt mij waarlijk dat ik dit bezwaar bij u heb ter sprake moeten brengen, want ik bemindoñaAnita; maar de liefde, zooals gij weet, is ergdenkend; en ofschoon uwe dochter altijd lief en goed voor mij geweest is, heb ik haar sedert onze verloving gadegeslagen en als ik het u bekennen moet geloof ik stellig dat zij mij niet bemint.”»Gij zijt dwaas, don Gaëtano; de meisjes weten zoo min wie zij beminnen als wie zij niet beminnen. Bekommer u niet over die kinderachtige grillen; ik heb u beloofd dat zij uwe vrouw zal worden, en dat zal zij.”»Maar zoo zij nu evenwel een ander beminde, zou ik u niet willen.…”»Kom, loop heen! dat is nu toch wat al te gek. Anita bemint geen ander dan u, dat weet ik zeker; en ziedaar, ik zal er u op eens van verzekeren; gij vertrekt heden avond hebt gij gezegd naar Guetzalli?”»Ja, nog dezen avond.”»Zeer goed; laat dan kamers in gereedheid brengen voor mij en mijne dochter, en binnen weinige dagen komen wij bij u in de hacienda logeeren.”»Zou dat mogelijk zijn?” riep de graaf verheugd.»Morgen met het krieken van den dag vertrekken wij; dus haast u.”»O! duizendmaal dank.”»Goed, zijt gij nu gerustgesteld?”[54]»Niemand kan gelukkiger zijn dan ik.”Na nog eenige woorden te hebben gewisseld namen de twee mannen afscheid, met de belofte dat zij elkander spoedig weêr zouden zien.Don Sylva was gewoon om in zijn huis door niemand tegengesproken te worden of zijne bevelen in omvraag te brengen; wel overtuigd van Anita’s gehoorzaamheid, liet hij haar met de kamenier zeggen, dat zij zich den volgenden morgen tegen zonsopgang voor eenetamelijkverre reis moest gereed maken.Dit bericht klonk het meisje als een donderslag in de ooren.Half flauw van den schrik zeeg zij op een stoel neder en smolt weg in tranen; zij gevoelde maar al te duidelijk dat deze reis niets dan een voorwendsel was, om haar van haren beminde te scheiden en haar weêrloos over te leveren aan den man dien zij verfoeide, en aan wien men haar ongevraagd ongeweigerd dacht uit te huwelijken.Zoo bleef zij eenige uren lang zitten, geheel in zich zelve verzonken, aan de wanhoop ten prooi, zonder te denken aan de welkome rust, die zij toch niet zou gevonden hebben, want zij wist dat de slaap hare gezwollen en roodgeweende oogleden niet zou sluiten.Allengs waren alle geluiden in de stad verdoofd, alles sliep of althans scheen te slapen; ook het huis van don Sylva was geheel donker, slechts een enkel flauw licht blonk als eene eenzame ster door de glasruiten van Anita’s venster, en bewees datzijten minste nog waakte.Op dit oogenblik vertoonden zich twee onzekere en vreesachtige schimmen op den muur tegenover het huis van den haciendero; twee mannen in lange mantels gehuld, bleven staan en keken naar het flauw verlichte venster, met eene oplettendheid zoo strak als alleen aan dieven of aan verliefden eigen is.De twee door ons genoemde mannen behoorden ongetwijfeld tot de laatstgenoemde kategorie.»Hm!” riep de een met eene halfgesmoorde stem, »dus zijt gij zeker van hetgeen gij beweert, Cuchares?”»Zoo zeker als ik hoop zalig te worden,señordon Martial,” antwoordde de andere op denzelfden toon, »ik heb dien verwenschten Engelschman in huis zien komen juist toen ik er was; en don Sylva scheen op den besten voet met zoo’n duivelschen ketter.”Wij moeten in ’t voorbijgaan aanmerken, dat de Mexicanen eenige jaren geleden en wellicht ook nu nog alle vreemdelingen, ongevraagd tot welke natie zij behooren, voor Engelschen houden en bij gevolg als ketters aanmerken; de vreemdelingen zagen zich dus, zelfs buiten hun weten gerangschikt onder de lieden die men zonder misdadig te zijn kon dooden, ja wier vermoording integendeel bijna als een verdienstelijk werk werd beschouwd.Tot lof van de Mexicanen moeten wij er dan ook bijvoegen, dat[55]zij bij elke voorkomende gelegenheid de zoogenaamde Engelschen omhals brachten, met eenen ijver die van hunne welbegrepen vroomheid alleszins getuigenis gaf.Don Martial antwoordde:»Op mijn woord als Tigrero, die kerel is mij reeds tweemaal in den weg gekomen en tweemaal heb ik hem gespaard, maar laat hij zich wachten voor den derden keer.”»O!” riep Cuchares, »de eerwaarde pater Becchio heeft mij gezegd dat ik altijd een goeden aflaat kon verdienen met een Engelschman tesnijden1(cortar). Ik heb het voordeel nog niet gehad om er een te ontmoeten, al ben ik er ongeveer acht schuldig op mijne rekening met pater Becchio. Ik heb grooten lust om met dezen een begin te maken, dat ware ten minste zooveel gewonnen.”»Wees gewaarschuwd, om uw leven, picaro, die man hoort mij toe.”»Dan spreken wij er niet meer van,” antwoordde Cuchares met een gesmoorden zucht; »ik laat hem voor u. Maar in allen geval het spijt mij, ofschoon deniñahem hartelijk schijnt te verfoeien.”»Hebt gij bewijs voor hetgeen gij daar zegt?”»Is er beter bewijs dan de afkeer dien zij hem betoont als hij komt,ik heb haar bij deze gelegenheid zien verbleeken als een doek, zonder dat er eenige andere denkbare reden voor kon bestaan.”»O! ik zou duizend oncen willen missen om te weten wat er van is?”»Wie belet u dat? de heele wereld slaapt, niemand zal u zien: vijftien voet! hooger is het niet. Ik ben zeker dat Anita blijde zou zijn als zij eens met u kon praten.”»O! als ik dat kon denken,” mompelde hij aarzelend met een zijdelingschen blik naar het altijd verlichte venster.»Misschien! wie weet of zij niet op u wacht!”»Zwijg, ellendeling.”»Wat weêrga! luister toch; als het waar is wat ik heb hooren vertellen, moet het arme kind erg in de verknijping zitten, om er niet meer van te zeggen; zij heeft dringend hulp noodig.”»Wat zegt men van haar? laat hooren, maar kort.”»Eenvoudig dit: datdoñaAnita de Torresvandaagover acht dagen trouwen zal met den Engelschman don Gaëtano.”»Gij liegt, deugniet,” riep de Tigrero met kwalijk verholen woede; »als ik mij niet weêrhield, zou ik u met mijn ponjaard de woorden teruggeven die gij daar gesproken hebt.”»Daar zoudt gij verkeerd aan doen,” hervatte de andere zonder zijne bedaardheid te verliezen; »ik ben slechts de echo, die herhaalt wat hij heeft hooren zeggen, meer niet. Gij zijt de eenigste in Guaymas die van dat nieuws niets weet. In allen geval is dat niet te verwonderen, daar gij eerst heden avond in de stad terug zijt gekomen na eene maand afwezigheid.”[56]»Dat is waar, wat dan gedaan?”»Caraï! naar goeden raad luisteren en doen wat ik u zeg.”De Tigrero keek een geruime poos naar het venster, en liet het hoofd besluiteloos hangen.»Wat zal ze wel zeggen, als zij mij ziet?” mompelde hij.»Caramba!” riep de lepero opsarcastischentoon, »wat zij zal zeggen? Wees welkom,alma mia(beste vriend) dat is klaar, carai! Gij zijt toch geen kind, don Martial, om voor een vrouwenblik te beven? De gelegenheid heeft slechts drie haren, in de liefde zoowel als in den oorlog; men moet haar aangrijpen als zij zich voordoet, of men loopt gevaar dat zij nooit weêrkomt.”De Mexicaan naderde den lepero tot hij hem bijna aanraakte, en staarde hem diep in de groene kattenoogen.»Cuchares,” zeide hij met eene zware nadrukkelijke stem, »ik verlaat mij op u. Gij kent mij; ik heb u zoo menigmaal geholpen maar als gij nu mijn vertrouwen teleurstelt, dood ik u als een coyote.”De Tigrero sprak deze woorden op zulk een toon van stille woede, dat de lepero, die zeer wel wist met welk een man hij te doen had, tegen wil en dank bleek werd en beefde als een riet.»Ik ben in alles tot uw dienst, don Martial,” antwoordde hij met eene stem die hij vruchteloos poogde ferm te houden; »wat er ook gebeure, gij kunt op mij rekenen: wat moet ik voor u doen?”»Niets, wachten, opletten en bij het minste geluid dat u als onraad voorkomt of bij den eersten zweem van vijand dien gij in de duisternis ziet mij onmiddellijk waarschuwen.”»Reken op mij, doe uwe zaken; ik ben stom en doof, en zal gedurende uwe afwezigheid voor u waken als een zoon voor zijnen vader.”»Goed!” riep de Tigrero.Hij trad eenige stappen terug, maakte de reata los die om zijn middel geslagen was, hield haar in de rechterhand gereed, sloeg de oogen op, berekende den afstand en toen de reata eenige malen met kracht boven zijn hoofd slingerende wierp hij haar naar het balkon vandoñaAnita.De strik hechtte zich aan een der ijzeren punten der balustrade en bleef stevig vast zitten.»Denk om uwe belofte!” zei de Tigrero zich tot Cuchares wendende.»Ga uw gang,” antwoordde deze terwijl hij tegen den muur aan de overzijde post vatte en de beenen over elkander kruiste, »ik sta borg voor alles.”De Mexicaan nam genoegen of scheen althans genoegen te nemen met deze verzekering; hij greep de reata, en van zijne plaats opspringende als een van diepantersdie hij zoo vaak had vervolgd in de savane, palmde hij zich met de vuisten naar boven en bereikte na eenigesecondenhet balkon.[57]Hij stapte over de balustrade en naderde het venster.DoñaAnita zat in halfliggende houding op haar armstoel te slapen.Het arme kind, bleek en ontdaan, de oogen door tranen gezwollen, was eindelijk overmeesterd door den slaap die zijne rechten op jeugdige en krachtvolle naturen nimmer verliest. Hare marmerbleeke wangen vertoonden nog de sporen der pas geweende tranen. Martial begluurde met verteederden blik zijne beminde, zonder haar te durven naderen. Zoo in haar slaap verrast, kwam het meisje hem bekoorlijker voor dan ooit, een aureool van reinheid en onschuld scheen te zweven boven haar hoofd, als om hare rust heilig en onschendbaar te bewaken.Na eene lange en onverzaadbare beschouwing, besloot de Tigrero eindelijk nader te treden.Het venster, dat slechts op een kier stond, daar Anita zeker niet gedacht had op die wijze in te slapen, week terug voor den minsten stoot van don Martial; hij deed nog een stap en stond in de slaapkamer vandoñaAnita.De indruk van dit vertrek, waar alles zoo kalm, zoo maagdelijk rein en ordelijk was, boezemde den Tigrero een ongewoon gevoel van eerbied in, zijn hart klopte in zijne borst als of het zou barsten, en in zijne hartstochtelijke opwinding tusschen liefde en vrees waggelde hij voort en zonk op de knieën naast zijne beminde.Het meisje opende de oogen.»O!” riep zij, toen zij don Martial zag, »Gode zij dank die u te mijner hulpe zendt.”De Tigrero keek tot haar op, met vochtigen blik en hijgende borst.Maar plotseling rees Anita overeind, zij kwam tot bezinning en daarmede tot de schuchtere vrees die alle vrouwen is aangeboren.»Ga heen!” riep zij terwijl zij zich in den versten hoek der kamer terugtrok, »ga heen, caballero. Hoe komt gij hier? wie heeft u bij mij ingeleid? Antwoord, antwoord mij dadelijk!”De Tigrero boog deemoedig het hoofd.»God alleen heeft mij hier gebracht,señorita,” riep hij met eennauwelijkshoorbare stem, »zooals gij zelf hebt gezegd,señorita. O! vergeef mij dat ik u aldus heb durven verrassen. Ik heb een groven misslag begaan, dat weet ik; maar een ongeluk bedreigt u, dat heb ik gevoeld en geraden; gij zijt alleen, zonder hulp en ik kwam hier om het u te zeggen;señorita, ik ben wel zeer gering en zeer onwaard u te dienen, doch gij hebt een trouw en vastberaden hart noodig, dat bied ik u aan; neem mijn bloed, neem mijn leven, ik zou mij gelukkig achten voor u te mogen sterven. In ’s hemels naam,señorita, in naam van al wat u lief is op de wereld! wijs mijn verzoek niet van de hand; mijn arm en mijn hart zijn tot uwe beschikking.”Deze woorden werden met eene door hartstocht bewogen stem uitgesproken,[58]terwijl don Martial midden in de kamer geknield lag, met de handen gevouwen en de oogen opdoñaAnita gericht, met een smachtenden blik, waarin zijne gansche ziel zich uitdrukte.DoñaAnita keek den jongman wederkeerig strak aan, als om zich van zijne oprechte bedoeling te verzekeren, en zonder het hoofd af te wenden naderde zij hem langzaam, aarzelend en bevend, tegen wil en dank. Toen zij dicht bij hem kwam stond zij een oogenblik besluiteloos, maar legde hem eindelijk hare kleine blanke hand op de schouders en bracht haar gelaat zoo dicht bij het zijne dat hij haar frisschen adem op zijn voorhoofd voelde en hare geparfumeerde lokken zijne wangen streelden.»Gij bemint mij dus, don Martial?” vroeg zij met een welluidende stem.»O!” prevelde de jongman schier tot waanzinnigheid verliefd door deze zoete gewaarwording.De Mexicaansche boog zich over den Tigrero en raakte met hare rozenlippen zijn klam voorhoofd.»Welaan,” zeide zij, oogenblikkelijk terugspringende als eene verschrikte hinde, terwijl een purperen blos hare wangen kleurde uit schaamte over den stap dien zij had gewaagd, »nu moogt gij mij verdedigen, don Martial, want voor God, die ons ziet en hoort, ben ik uwe vrouw.”De Tigrero vloog op als geëlectriseerd door dezen gloeienden kus. Met een fier voorhoofd en tintelenden blik, sloot hij het meisje in zijne armen, leidde haar in een hoek van de kamer naar een zilveren statuet van de heilige Maagd, voor hetwelk eene welriekende lamp brandde.»Kniel,señora!” zeide hij met bezielde stem terwijl hij zelf de knie reeds boog.DoñaAnita gehoorzaamde.»Heilige Mater dolorosa!” hervatte don Martial, »NuestraSeñorade la Soledad, troosteres der bedroefden. Gij die de harten beproeft, gij ziet de reinheid onzer wenschen en de heiligheid onzer liefde. In uwe tegenwoordigheid neem ikdoñaAnita de Torres tot vrouwe. Ik zweer haar te zullen verdedigen en beschermen tegen en voor allen, met mijn goed en leven in den strijd dien ik heden aanga voor het heil van haar die ik bemin en die ik van heden af beschouw als mijne echte en deugdelijke bruid.”Na deze gelofte met eene duidelijke en krachtvolle stem te hebben uitgesproken, wendde de Tigrero zich naar het meisje.»Nu is het uwe beurt,señorita,” zeide hij.DoñaAnita vouwde de handen en sloeg de oogen vol tranen op naar het heilige beeld.»NuestraSeñorade la Soledad,” stamelde zij met eene diepe, door aandoening geschokte stem, »gij, mijne eenige beschermster van den dag mijner geboorte af, gij weet of ik u getrouw was, ik zweer dat[59]alles wat deze man heeft gezegd waarheid is; ik neem hem tot echtgenoot voor u, en zal nooit een anderen nemen.”Zij stonden op.DoñaAnita trok den Tigrero naar het balkon.»Vertrek!” zeide zij, »de vrouw van don Martial moet niet verdacht worden: vertrek, mijn echtgenoot en mijn broeder; de man aan wien men mij wil overleveren heet de graaf de Lhorailles. Morgen eer de zon opgaat, gaan wij waarschijnlijk op reis naar zijne hacienda.”»En hij?”»Is dezen nacht reeds vertrokken.”»Waarheen?”»Dat weet ik niet?”»Ik zal hem dooden?”»Tot weerziens, don Martial, tot weerziens!”»Tot weerziens!doñaAnita, houd moed, ik waak over u.”En na haar een kus op het voorhoofd te hebben gedrukt, stapte hij over de balustrade, greep de reata en liet zich in de straat afglijden.»Helaas! helaas!” murmelde zij met een gesmoorden zucht, »wat heb ik gedaan! … Heilige Maagd, gij alleen kunt mij den moed wedergeven die mij ontzinkt!”Zij liet het gordijn neder dat voor het venster hing en keerde terug om voor het Madonnabeeld te knielen, maar deinsde oogenblikkelijk achterwaarts met een uitroep van schrik.Op twee passen afstand stond don Sylva de Torres met gefronste wenkbrauwen en een streng gelaat.»DoñaAnita, mijne dochter,” zeide hij met een langzame, hortende stem, »ik heb alles gezien en gehoord; spaar dus, verzoek ik u, eene nuttelooze ontkenning.”»Vader!.…” stamelde het arme kind met een gebroken stem.»Zwijg!” hervatte don Sylva, »het is thans drie ure. Wij vertrekken met zonsopgang, en binnen veertien dagen wordt gij de vrouw van den graaf don Gaëtano de Lhorailles.”Zonder er verder een woord bij te voegen stapte hij langzaam de kamer uit en sloot de deur achter zich toe.Alleen achtergebleven, stonddoñaAnita in gebogen houding bij de deur als om te luisteren, zij wierp een verwilderden blik om zich heen, deed eenige wankelende stappen voorwaarts, sloeg de beide handen krampachtig naar de benauwde toegeschroefde keel, gaf een verscheurenden gil en stortte op den vloer neder.Zij lag in onmacht.[60]1Gemeenzame term onder het volk in Mexico, voor omhalsbrengen.↑

[Inhoud]VI.DOOR HET VENSTER.ToendoñaAnita de salon verliet om zich naar hare slaapkamer te begeven, oogde de graaf haar zoo lang mogelijk na, daar hij niets scheen te begrijpen van haar zonderling gedrag jegens hem, vooral uit hoofde der bijzondere betrekking waarin zij tegenover elkander waren geplaatst, ter zake van het huwelijk dat hen weldra voor levenslang zou verbinden. Na echter eenige minuten te hebben nagedacht, schudde bij eindelijk het hoofd, als wilde hij de treurige gedachten verdrijven die hem bestormden, en wendde zich tot zijn toekomstigen schoonvader.»Spreken wij over onze zaken,” zeide hij; »zoo gij immers wilt.”»Hebt gij mij dan iets nieuws mede te deelen?”»Een aantal zaken.”»Gewichtige?”»Dat zult gij zelf beoordeelen.”»Laat hooren dan. Ik ben ongeduldig om ze te vernemen.”»Gaan wij ordelijk voort. Gij weet, vriend, waarom ik Guetzalli verlaten had.”»Volkomen. Zijt gij goed geslaagd?”»Geheel naar mijne verwachting. Dank zij zekere brieven, die ik had medegebracht en vooral ten gevolge uwer welwillende aanbeveling, heeft de generaal Marcos zich jegens mij zeer genegen getoond. De wijze waarop hij mij ontving was allerminzaamst, kortom, hij verleende mij zijn naam in blanko, met volmacht niet alleen om honderd vijftig man aan te werven, maar zelfs dubbel zoo veel als ik dit noodig oordeelde.”»O! dat is heerlijk, inderdaad.”»Niet waar? Bovendien heeft hij mij gezegd, dat hij in een oorlog als die welken ik thans ging ondernemen, want een jacht op de Apachen is niets minder dan een oorlog, mij volkomen vrijheid liet om naar eigen goedvinden te handelen, en keurde bij voorbaat alles goed wat door mij gedaan zou worden, wel overtuigd, voegde hij er bij, dat het alleszins strekken zou tot roem en voordeel van Mexico.”»Wel, dat hoor ik met veel genoegen, vriend. Maar hoe zijt gij thans voornemens te handelen na zulk een gelukkigen afloop?”»Ik ben vooreerst besloten om van hier onmiddellijk naar Guetzalli te vertrekken, dat ik reeds sedert drie weken verlaten heb. Ik moet noodzakelijk naar mijne kolonie terug, om te zien of alles geregeld gaat en mijn volk gelukkig is. Bovendien zou ik, alvorens mij, misschien voor langen tijd, met het grootste gedeelte mijner manschappen te verwijderen, de kolonisten gaarne tegen eene overrompeling beveiligen, door rondom mijne bezittingen eenige werken aan te leggen,[52]zoodat de achterblijvenden in staat zijn iederen aanval der wilden met kracht af te weren. Dit is van des te meer belang, omdat Guetzalli in zekeren zin altijd mijn hoofdkwartier blijven moet.”»Dat is zoo. En wanneer denkt gij te vertrekken?”»Heden avond.”»Zoo spoedig reeds?”»Ik moet wel. Gij zelf weet hoe zeer de tijd dringt.”»Inderdaad. Hebt gij mij niets anders meer te zeggen?”»Vergeef mij, ik heb u nog eene andere vraag te doen, die ik met opzet voor het laatst bewaard heb.”»Is zij dan zoo belangrijk?”»Van het hoogste belang.”»O, dan moet ik haar hooren, vriend, spreek op, dadelijk.”»Bij mijne komst hier te lande,” hervatte de graaf, »toen de onderneming, die ik thans God zij dank! tot een goed einde heb gebracht, nog slechts op het papier bestond, waart gij zoo welwillend,señordon Sylva, om niet alleen uw onmetelijk crediet, maar ook uwe onberekenbare rijkdommen te mijner beschikking te stellen.”»Dat is zoo,” zei de Mexicaan glimlachend.»Welnu, ik heb van uw aanbod ruimschoots gebruik gemaakt, menigmaal uit uw geldkist geput en over uw crediet zoo dikwijls beschikt als de gelegenheid het vorderde; vergun mij thans het eene gedeelte mijner verplichting aan u te kwijten, terwijl ik erken dat ik het andere gedeelte u vooreerst zal moeten schuldig blijven. Zie hier,” vervolgde hij, een papier uit zijne portefeuille nemende, »hier is een wisselbrief, ten bedrage van honderd duizend piasters, betaalbaar op zicht en getrokken op Walter Blount en Comp. bankiers te Mexico. Ik acht mij gelukkig, don Sylva, in staat te zijn deze schuld zoo gereedelijk af te doen, niet omdat.…”»Met uw welnemen,” viel de haciendero hem in de rede, terwijl hij den wissel, dien de graaf hem aanbood, met drift afwees, »maar ik geloof dat wij elkander op dit oogenblik niet goed begrijpen.”»Hoezoo niet?”»Tot opheldering zal ik u zeggen: bij uwe komst te Guaymas, mijnheer de graaf, kwaamt gij bij mij met een dringenden aanbevelingsbrief van wege een man met wien ik, zonder daarom ooit intiem aan hem verbonden te zijn, nochtans eenige jaren geleden zeer groote geldelijke betrekkingen heb gehad. De baron van Spurtzheim stelde u aan mij voor, meer als een beminden zoon dan als een vriend voor wien men zich partij stelt. Ik heb mijn huis wagenwijd voor u opengezet. Ik was verplicht zulks te doen. Later, toen ik u leerde kennen en het grootsche en edele in uw karakter heb kunnen waardeeren, zijn onze aanvankelijk koele betrekkingen nauwer geworden en bood ik u de hand mijner dochter, die gij hebt aangenomen.”»Tot mijn onuitsprekelijk geluk!” riep de graaf.[53]»Zeer goed,” hernam de haciendero glimlachend, »het geld dus dat ik van een onbekende zou kunnen terug ontvangen, en dat hij mij als zoodanig wettig verschuldigd was, dat geld behoort aan mijn schoonzoon. Verscheur dus, bid ik u, dien wisselbrief, waarde graaf, en denken wij niet verder om dat bagatel.”»Juist!” riep de graaf schielijk en op verdrietigen toon, »dat is juist wat mij hindert; ik ben uw schoonzoon nog niet en, als ik het u zeggen moet, ik vrees dat ik het nooit worden zal.”»En wat geeft u aanleiding om daarvoor te vreezen? Hebt gij niet mijne belofte? Het woord van don Sylva de Torres, waarde heer graaf de Lhorailles, is een waarborg, dien nog nooit iemand heeft durven in twijfel trekken.”»Daar twijfel ik ook in ’t minst niet aan, don Sylva; het is niet voor u dat ik vrees.”»Voor wie dan?”»VoordoñaAnita.”»Voor mijne dochter?”»Ja.”»Wat zegt gij, vriend! dat vereischt nadere opheldering, want ik zweer u dat ik het volstrekt niet begrijp” riep don Sylva, terwijl hij driftig opstond en onrustig het salon op en neder trad.»Mijn hemel, don Sylva!” riep de graaf, »het spijt mij waarlijk dat ik dit bezwaar bij u heb ter sprake moeten brengen, want ik bemindoñaAnita; maar de liefde, zooals gij weet, is ergdenkend; en ofschoon uwe dochter altijd lief en goed voor mij geweest is, heb ik haar sedert onze verloving gadegeslagen en als ik het u bekennen moet geloof ik stellig dat zij mij niet bemint.”»Gij zijt dwaas, don Gaëtano; de meisjes weten zoo min wie zij beminnen als wie zij niet beminnen. Bekommer u niet over die kinderachtige grillen; ik heb u beloofd dat zij uwe vrouw zal worden, en dat zal zij.”»Maar zoo zij nu evenwel een ander beminde, zou ik u niet willen.…”»Kom, loop heen! dat is nu toch wat al te gek. Anita bemint geen ander dan u, dat weet ik zeker; en ziedaar, ik zal er u op eens van verzekeren; gij vertrekt heden avond hebt gij gezegd naar Guetzalli?”»Ja, nog dezen avond.”»Zeer goed; laat dan kamers in gereedheid brengen voor mij en mijne dochter, en binnen weinige dagen komen wij bij u in de hacienda logeeren.”»Zou dat mogelijk zijn?” riep de graaf verheugd.»Morgen met het krieken van den dag vertrekken wij; dus haast u.”»O! duizendmaal dank.”»Goed, zijt gij nu gerustgesteld?”[54]»Niemand kan gelukkiger zijn dan ik.”Na nog eenige woorden te hebben gewisseld namen de twee mannen afscheid, met de belofte dat zij elkander spoedig weêr zouden zien.Don Sylva was gewoon om in zijn huis door niemand tegengesproken te worden of zijne bevelen in omvraag te brengen; wel overtuigd van Anita’s gehoorzaamheid, liet hij haar met de kamenier zeggen, dat zij zich den volgenden morgen tegen zonsopgang voor eenetamelijkverre reis moest gereed maken.Dit bericht klonk het meisje als een donderslag in de ooren.Half flauw van den schrik zeeg zij op een stoel neder en smolt weg in tranen; zij gevoelde maar al te duidelijk dat deze reis niets dan een voorwendsel was, om haar van haren beminde te scheiden en haar weêrloos over te leveren aan den man dien zij verfoeide, en aan wien men haar ongevraagd ongeweigerd dacht uit te huwelijken.Zoo bleef zij eenige uren lang zitten, geheel in zich zelve verzonken, aan de wanhoop ten prooi, zonder te denken aan de welkome rust, die zij toch niet zou gevonden hebben, want zij wist dat de slaap hare gezwollen en roodgeweende oogleden niet zou sluiten.Allengs waren alle geluiden in de stad verdoofd, alles sliep of althans scheen te slapen; ook het huis van don Sylva was geheel donker, slechts een enkel flauw licht blonk als eene eenzame ster door de glasruiten van Anita’s venster, en bewees datzijten minste nog waakte.Op dit oogenblik vertoonden zich twee onzekere en vreesachtige schimmen op den muur tegenover het huis van den haciendero; twee mannen in lange mantels gehuld, bleven staan en keken naar het flauw verlichte venster, met eene oplettendheid zoo strak als alleen aan dieven of aan verliefden eigen is.De twee door ons genoemde mannen behoorden ongetwijfeld tot de laatstgenoemde kategorie.»Hm!” riep de een met eene halfgesmoorde stem, »dus zijt gij zeker van hetgeen gij beweert, Cuchares?”»Zoo zeker als ik hoop zalig te worden,señordon Martial,” antwoordde de andere op denzelfden toon, »ik heb dien verwenschten Engelschman in huis zien komen juist toen ik er was; en don Sylva scheen op den besten voet met zoo’n duivelschen ketter.”Wij moeten in ’t voorbijgaan aanmerken, dat de Mexicanen eenige jaren geleden en wellicht ook nu nog alle vreemdelingen, ongevraagd tot welke natie zij behooren, voor Engelschen houden en bij gevolg als ketters aanmerken; de vreemdelingen zagen zich dus, zelfs buiten hun weten gerangschikt onder de lieden die men zonder misdadig te zijn kon dooden, ja wier vermoording integendeel bijna als een verdienstelijk werk werd beschouwd.Tot lof van de Mexicanen moeten wij er dan ook bijvoegen, dat[55]zij bij elke voorkomende gelegenheid de zoogenaamde Engelschen omhals brachten, met eenen ijver die van hunne welbegrepen vroomheid alleszins getuigenis gaf.Don Martial antwoordde:»Op mijn woord als Tigrero, die kerel is mij reeds tweemaal in den weg gekomen en tweemaal heb ik hem gespaard, maar laat hij zich wachten voor den derden keer.”»O!” riep Cuchares, »de eerwaarde pater Becchio heeft mij gezegd dat ik altijd een goeden aflaat kon verdienen met een Engelschman tesnijden1(cortar). Ik heb het voordeel nog niet gehad om er een te ontmoeten, al ben ik er ongeveer acht schuldig op mijne rekening met pater Becchio. Ik heb grooten lust om met dezen een begin te maken, dat ware ten minste zooveel gewonnen.”»Wees gewaarschuwd, om uw leven, picaro, die man hoort mij toe.”»Dan spreken wij er niet meer van,” antwoordde Cuchares met een gesmoorden zucht; »ik laat hem voor u. Maar in allen geval het spijt mij, ofschoon deniñahem hartelijk schijnt te verfoeien.”»Hebt gij bewijs voor hetgeen gij daar zegt?”»Is er beter bewijs dan de afkeer dien zij hem betoont als hij komt,ik heb haar bij deze gelegenheid zien verbleeken als een doek, zonder dat er eenige andere denkbare reden voor kon bestaan.”»O! ik zou duizend oncen willen missen om te weten wat er van is?”»Wie belet u dat? de heele wereld slaapt, niemand zal u zien: vijftien voet! hooger is het niet. Ik ben zeker dat Anita blijde zou zijn als zij eens met u kon praten.”»O! als ik dat kon denken,” mompelde hij aarzelend met een zijdelingschen blik naar het altijd verlichte venster.»Misschien! wie weet of zij niet op u wacht!”»Zwijg, ellendeling.”»Wat weêrga! luister toch; als het waar is wat ik heb hooren vertellen, moet het arme kind erg in de verknijping zitten, om er niet meer van te zeggen; zij heeft dringend hulp noodig.”»Wat zegt men van haar? laat hooren, maar kort.”»Eenvoudig dit: datdoñaAnita de Torresvandaagover acht dagen trouwen zal met den Engelschman don Gaëtano.”»Gij liegt, deugniet,” riep de Tigrero met kwalijk verholen woede; »als ik mij niet weêrhield, zou ik u met mijn ponjaard de woorden teruggeven die gij daar gesproken hebt.”»Daar zoudt gij verkeerd aan doen,” hervatte de andere zonder zijne bedaardheid te verliezen; »ik ben slechts de echo, die herhaalt wat hij heeft hooren zeggen, meer niet. Gij zijt de eenigste in Guaymas die van dat nieuws niets weet. In allen geval is dat niet te verwonderen, daar gij eerst heden avond in de stad terug zijt gekomen na eene maand afwezigheid.”[56]»Dat is waar, wat dan gedaan?”»Caraï! naar goeden raad luisteren en doen wat ik u zeg.”De Tigrero keek een geruime poos naar het venster, en liet het hoofd besluiteloos hangen.»Wat zal ze wel zeggen, als zij mij ziet?” mompelde hij.»Caramba!” riep de lepero opsarcastischentoon, »wat zij zal zeggen? Wees welkom,alma mia(beste vriend) dat is klaar, carai! Gij zijt toch geen kind, don Martial, om voor een vrouwenblik te beven? De gelegenheid heeft slechts drie haren, in de liefde zoowel als in den oorlog; men moet haar aangrijpen als zij zich voordoet, of men loopt gevaar dat zij nooit weêrkomt.”De Mexicaan naderde den lepero tot hij hem bijna aanraakte, en staarde hem diep in de groene kattenoogen.»Cuchares,” zeide hij met eene zware nadrukkelijke stem, »ik verlaat mij op u. Gij kent mij; ik heb u zoo menigmaal geholpen maar als gij nu mijn vertrouwen teleurstelt, dood ik u als een coyote.”De Tigrero sprak deze woorden op zulk een toon van stille woede, dat de lepero, die zeer wel wist met welk een man hij te doen had, tegen wil en dank bleek werd en beefde als een riet.»Ik ben in alles tot uw dienst, don Martial,” antwoordde hij met eene stem die hij vruchteloos poogde ferm te houden; »wat er ook gebeure, gij kunt op mij rekenen: wat moet ik voor u doen?”»Niets, wachten, opletten en bij het minste geluid dat u als onraad voorkomt of bij den eersten zweem van vijand dien gij in de duisternis ziet mij onmiddellijk waarschuwen.”»Reken op mij, doe uwe zaken; ik ben stom en doof, en zal gedurende uwe afwezigheid voor u waken als een zoon voor zijnen vader.”»Goed!” riep de Tigrero.Hij trad eenige stappen terug, maakte de reata los die om zijn middel geslagen was, hield haar in de rechterhand gereed, sloeg de oogen op, berekende den afstand en toen de reata eenige malen met kracht boven zijn hoofd slingerende wierp hij haar naar het balkon vandoñaAnita.De strik hechtte zich aan een der ijzeren punten der balustrade en bleef stevig vast zitten.»Denk om uwe belofte!” zei de Tigrero zich tot Cuchares wendende.»Ga uw gang,” antwoordde deze terwijl hij tegen den muur aan de overzijde post vatte en de beenen over elkander kruiste, »ik sta borg voor alles.”De Mexicaan nam genoegen of scheen althans genoegen te nemen met deze verzekering; hij greep de reata, en van zijne plaats opspringende als een van diepantersdie hij zoo vaak had vervolgd in de savane, palmde hij zich met de vuisten naar boven en bereikte na eenigesecondenhet balkon.[57]Hij stapte over de balustrade en naderde het venster.DoñaAnita zat in halfliggende houding op haar armstoel te slapen.Het arme kind, bleek en ontdaan, de oogen door tranen gezwollen, was eindelijk overmeesterd door den slaap die zijne rechten op jeugdige en krachtvolle naturen nimmer verliest. Hare marmerbleeke wangen vertoonden nog de sporen der pas geweende tranen. Martial begluurde met verteederden blik zijne beminde, zonder haar te durven naderen. Zoo in haar slaap verrast, kwam het meisje hem bekoorlijker voor dan ooit, een aureool van reinheid en onschuld scheen te zweven boven haar hoofd, als om hare rust heilig en onschendbaar te bewaken.Na eene lange en onverzaadbare beschouwing, besloot de Tigrero eindelijk nader te treden.Het venster, dat slechts op een kier stond, daar Anita zeker niet gedacht had op die wijze in te slapen, week terug voor den minsten stoot van don Martial; hij deed nog een stap en stond in de slaapkamer vandoñaAnita.De indruk van dit vertrek, waar alles zoo kalm, zoo maagdelijk rein en ordelijk was, boezemde den Tigrero een ongewoon gevoel van eerbied in, zijn hart klopte in zijne borst als of het zou barsten, en in zijne hartstochtelijke opwinding tusschen liefde en vrees waggelde hij voort en zonk op de knieën naast zijne beminde.Het meisje opende de oogen.»O!” riep zij, toen zij don Martial zag, »Gode zij dank die u te mijner hulpe zendt.”De Tigrero keek tot haar op, met vochtigen blik en hijgende borst.Maar plotseling rees Anita overeind, zij kwam tot bezinning en daarmede tot de schuchtere vrees die alle vrouwen is aangeboren.»Ga heen!” riep zij terwijl zij zich in den versten hoek der kamer terugtrok, »ga heen, caballero. Hoe komt gij hier? wie heeft u bij mij ingeleid? Antwoord, antwoord mij dadelijk!”De Tigrero boog deemoedig het hoofd.»God alleen heeft mij hier gebracht,señorita,” riep hij met eennauwelijkshoorbare stem, »zooals gij zelf hebt gezegd,señorita. O! vergeef mij dat ik u aldus heb durven verrassen. Ik heb een groven misslag begaan, dat weet ik; maar een ongeluk bedreigt u, dat heb ik gevoeld en geraden; gij zijt alleen, zonder hulp en ik kwam hier om het u te zeggen;señorita, ik ben wel zeer gering en zeer onwaard u te dienen, doch gij hebt een trouw en vastberaden hart noodig, dat bied ik u aan; neem mijn bloed, neem mijn leven, ik zou mij gelukkig achten voor u te mogen sterven. In ’s hemels naam,señorita, in naam van al wat u lief is op de wereld! wijs mijn verzoek niet van de hand; mijn arm en mijn hart zijn tot uwe beschikking.”Deze woorden werden met eene door hartstocht bewogen stem uitgesproken,[58]terwijl don Martial midden in de kamer geknield lag, met de handen gevouwen en de oogen opdoñaAnita gericht, met een smachtenden blik, waarin zijne gansche ziel zich uitdrukte.DoñaAnita keek den jongman wederkeerig strak aan, als om zich van zijne oprechte bedoeling te verzekeren, en zonder het hoofd af te wenden naderde zij hem langzaam, aarzelend en bevend, tegen wil en dank. Toen zij dicht bij hem kwam stond zij een oogenblik besluiteloos, maar legde hem eindelijk hare kleine blanke hand op de schouders en bracht haar gelaat zoo dicht bij het zijne dat hij haar frisschen adem op zijn voorhoofd voelde en hare geparfumeerde lokken zijne wangen streelden.»Gij bemint mij dus, don Martial?” vroeg zij met een welluidende stem.»O!” prevelde de jongman schier tot waanzinnigheid verliefd door deze zoete gewaarwording.De Mexicaansche boog zich over den Tigrero en raakte met hare rozenlippen zijn klam voorhoofd.»Welaan,” zeide zij, oogenblikkelijk terugspringende als eene verschrikte hinde, terwijl een purperen blos hare wangen kleurde uit schaamte over den stap dien zij had gewaagd, »nu moogt gij mij verdedigen, don Martial, want voor God, die ons ziet en hoort, ben ik uwe vrouw.”De Tigrero vloog op als geëlectriseerd door dezen gloeienden kus. Met een fier voorhoofd en tintelenden blik, sloot hij het meisje in zijne armen, leidde haar in een hoek van de kamer naar een zilveren statuet van de heilige Maagd, voor hetwelk eene welriekende lamp brandde.»Kniel,señora!” zeide hij met bezielde stem terwijl hij zelf de knie reeds boog.DoñaAnita gehoorzaamde.»Heilige Mater dolorosa!” hervatte don Martial, »NuestraSeñorade la Soledad, troosteres der bedroefden. Gij die de harten beproeft, gij ziet de reinheid onzer wenschen en de heiligheid onzer liefde. In uwe tegenwoordigheid neem ikdoñaAnita de Torres tot vrouwe. Ik zweer haar te zullen verdedigen en beschermen tegen en voor allen, met mijn goed en leven in den strijd dien ik heden aanga voor het heil van haar die ik bemin en die ik van heden af beschouw als mijne echte en deugdelijke bruid.”Na deze gelofte met eene duidelijke en krachtvolle stem te hebben uitgesproken, wendde de Tigrero zich naar het meisje.»Nu is het uwe beurt,señorita,” zeide hij.DoñaAnita vouwde de handen en sloeg de oogen vol tranen op naar het heilige beeld.»NuestraSeñorade la Soledad,” stamelde zij met eene diepe, door aandoening geschokte stem, »gij, mijne eenige beschermster van den dag mijner geboorte af, gij weet of ik u getrouw was, ik zweer dat[59]alles wat deze man heeft gezegd waarheid is; ik neem hem tot echtgenoot voor u, en zal nooit een anderen nemen.”Zij stonden op.DoñaAnita trok den Tigrero naar het balkon.»Vertrek!” zeide zij, »de vrouw van don Martial moet niet verdacht worden: vertrek, mijn echtgenoot en mijn broeder; de man aan wien men mij wil overleveren heet de graaf de Lhorailles. Morgen eer de zon opgaat, gaan wij waarschijnlijk op reis naar zijne hacienda.”»En hij?”»Is dezen nacht reeds vertrokken.”»Waarheen?”»Dat weet ik niet?”»Ik zal hem dooden?”»Tot weerziens, don Martial, tot weerziens!”»Tot weerziens!doñaAnita, houd moed, ik waak over u.”En na haar een kus op het voorhoofd te hebben gedrukt, stapte hij over de balustrade, greep de reata en liet zich in de straat afglijden.»Helaas! helaas!” murmelde zij met een gesmoorden zucht, »wat heb ik gedaan! … Heilige Maagd, gij alleen kunt mij den moed wedergeven die mij ontzinkt!”Zij liet het gordijn neder dat voor het venster hing en keerde terug om voor het Madonnabeeld te knielen, maar deinsde oogenblikkelijk achterwaarts met een uitroep van schrik.Op twee passen afstand stond don Sylva de Torres met gefronste wenkbrauwen en een streng gelaat.»DoñaAnita, mijne dochter,” zeide hij met een langzame, hortende stem, »ik heb alles gezien en gehoord; spaar dus, verzoek ik u, eene nuttelooze ontkenning.”»Vader!.…” stamelde het arme kind met een gebroken stem.»Zwijg!” hervatte don Sylva, »het is thans drie ure. Wij vertrekken met zonsopgang, en binnen veertien dagen wordt gij de vrouw van den graaf don Gaëtano de Lhorailles.”Zonder er verder een woord bij te voegen stapte hij langzaam de kamer uit en sloot de deur achter zich toe.Alleen achtergebleven, stonddoñaAnita in gebogen houding bij de deur als om te luisteren, zij wierp een verwilderden blik om zich heen, deed eenige wankelende stappen voorwaarts, sloeg de beide handen krampachtig naar de benauwde toegeschroefde keel, gaf een verscheurenden gil en stortte op den vloer neder.Zij lag in onmacht.[60]1Gemeenzame term onder het volk in Mexico, voor omhalsbrengen.↑

VI.DOOR HET VENSTER.

ToendoñaAnita de salon verliet om zich naar hare slaapkamer te begeven, oogde de graaf haar zoo lang mogelijk na, daar hij niets scheen te begrijpen van haar zonderling gedrag jegens hem, vooral uit hoofde der bijzondere betrekking waarin zij tegenover elkander waren geplaatst, ter zake van het huwelijk dat hen weldra voor levenslang zou verbinden. Na echter eenige minuten te hebben nagedacht, schudde bij eindelijk het hoofd, als wilde hij de treurige gedachten verdrijven die hem bestormden, en wendde zich tot zijn toekomstigen schoonvader.»Spreken wij over onze zaken,” zeide hij; »zoo gij immers wilt.”»Hebt gij mij dan iets nieuws mede te deelen?”»Een aantal zaken.”»Gewichtige?”»Dat zult gij zelf beoordeelen.”»Laat hooren dan. Ik ben ongeduldig om ze te vernemen.”»Gaan wij ordelijk voort. Gij weet, vriend, waarom ik Guetzalli verlaten had.”»Volkomen. Zijt gij goed geslaagd?”»Geheel naar mijne verwachting. Dank zij zekere brieven, die ik had medegebracht en vooral ten gevolge uwer welwillende aanbeveling, heeft de generaal Marcos zich jegens mij zeer genegen getoond. De wijze waarop hij mij ontving was allerminzaamst, kortom, hij verleende mij zijn naam in blanko, met volmacht niet alleen om honderd vijftig man aan te werven, maar zelfs dubbel zoo veel als ik dit noodig oordeelde.”»O! dat is heerlijk, inderdaad.”»Niet waar? Bovendien heeft hij mij gezegd, dat hij in een oorlog als die welken ik thans ging ondernemen, want een jacht op de Apachen is niets minder dan een oorlog, mij volkomen vrijheid liet om naar eigen goedvinden te handelen, en keurde bij voorbaat alles goed wat door mij gedaan zou worden, wel overtuigd, voegde hij er bij, dat het alleszins strekken zou tot roem en voordeel van Mexico.”»Wel, dat hoor ik met veel genoegen, vriend. Maar hoe zijt gij thans voornemens te handelen na zulk een gelukkigen afloop?”»Ik ben vooreerst besloten om van hier onmiddellijk naar Guetzalli te vertrekken, dat ik reeds sedert drie weken verlaten heb. Ik moet noodzakelijk naar mijne kolonie terug, om te zien of alles geregeld gaat en mijn volk gelukkig is. Bovendien zou ik, alvorens mij, misschien voor langen tijd, met het grootste gedeelte mijner manschappen te verwijderen, de kolonisten gaarne tegen eene overrompeling beveiligen, door rondom mijne bezittingen eenige werken aan te leggen,[52]zoodat de achterblijvenden in staat zijn iederen aanval der wilden met kracht af te weren. Dit is van des te meer belang, omdat Guetzalli in zekeren zin altijd mijn hoofdkwartier blijven moet.”»Dat is zoo. En wanneer denkt gij te vertrekken?”»Heden avond.”»Zoo spoedig reeds?”»Ik moet wel. Gij zelf weet hoe zeer de tijd dringt.”»Inderdaad. Hebt gij mij niets anders meer te zeggen?”»Vergeef mij, ik heb u nog eene andere vraag te doen, die ik met opzet voor het laatst bewaard heb.”»Is zij dan zoo belangrijk?”»Van het hoogste belang.”»O, dan moet ik haar hooren, vriend, spreek op, dadelijk.”»Bij mijne komst hier te lande,” hervatte de graaf, »toen de onderneming, die ik thans God zij dank! tot een goed einde heb gebracht, nog slechts op het papier bestond, waart gij zoo welwillend,señordon Sylva, om niet alleen uw onmetelijk crediet, maar ook uwe onberekenbare rijkdommen te mijner beschikking te stellen.”»Dat is zoo,” zei de Mexicaan glimlachend.»Welnu, ik heb van uw aanbod ruimschoots gebruik gemaakt, menigmaal uit uw geldkist geput en over uw crediet zoo dikwijls beschikt als de gelegenheid het vorderde; vergun mij thans het eene gedeelte mijner verplichting aan u te kwijten, terwijl ik erken dat ik het andere gedeelte u vooreerst zal moeten schuldig blijven. Zie hier,” vervolgde hij, een papier uit zijne portefeuille nemende, »hier is een wisselbrief, ten bedrage van honderd duizend piasters, betaalbaar op zicht en getrokken op Walter Blount en Comp. bankiers te Mexico. Ik acht mij gelukkig, don Sylva, in staat te zijn deze schuld zoo gereedelijk af te doen, niet omdat.…”»Met uw welnemen,” viel de haciendero hem in de rede, terwijl hij den wissel, dien de graaf hem aanbood, met drift afwees, »maar ik geloof dat wij elkander op dit oogenblik niet goed begrijpen.”»Hoezoo niet?”»Tot opheldering zal ik u zeggen: bij uwe komst te Guaymas, mijnheer de graaf, kwaamt gij bij mij met een dringenden aanbevelingsbrief van wege een man met wien ik, zonder daarom ooit intiem aan hem verbonden te zijn, nochtans eenige jaren geleden zeer groote geldelijke betrekkingen heb gehad. De baron van Spurtzheim stelde u aan mij voor, meer als een beminden zoon dan als een vriend voor wien men zich partij stelt. Ik heb mijn huis wagenwijd voor u opengezet. Ik was verplicht zulks te doen. Later, toen ik u leerde kennen en het grootsche en edele in uw karakter heb kunnen waardeeren, zijn onze aanvankelijk koele betrekkingen nauwer geworden en bood ik u de hand mijner dochter, die gij hebt aangenomen.”»Tot mijn onuitsprekelijk geluk!” riep de graaf.[53]»Zeer goed,” hernam de haciendero glimlachend, »het geld dus dat ik van een onbekende zou kunnen terug ontvangen, en dat hij mij als zoodanig wettig verschuldigd was, dat geld behoort aan mijn schoonzoon. Verscheur dus, bid ik u, dien wisselbrief, waarde graaf, en denken wij niet verder om dat bagatel.”»Juist!” riep de graaf schielijk en op verdrietigen toon, »dat is juist wat mij hindert; ik ben uw schoonzoon nog niet en, als ik het u zeggen moet, ik vrees dat ik het nooit worden zal.”»En wat geeft u aanleiding om daarvoor te vreezen? Hebt gij niet mijne belofte? Het woord van don Sylva de Torres, waarde heer graaf de Lhorailles, is een waarborg, dien nog nooit iemand heeft durven in twijfel trekken.”»Daar twijfel ik ook in ’t minst niet aan, don Sylva; het is niet voor u dat ik vrees.”»Voor wie dan?”»VoordoñaAnita.”»Voor mijne dochter?”»Ja.”»Wat zegt gij, vriend! dat vereischt nadere opheldering, want ik zweer u dat ik het volstrekt niet begrijp” riep don Sylva, terwijl hij driftig opstond en onrustig het salon op en neder trad.»Mijn hemel, don Sylva!” riep de graaf, »het spijt mij waarlijk dat ik dit bezwaar bij u heb ter sprake moeten brengen, want ik bemindoñaAnita; maar de liefde, zooals gij weet, is ergdenkend; en ofschoon uwe dochter altijd lief en goed voor mij geweest is, heb ik haar sedert onze verloving gadegeslagen en als ik het u bekennen moet geloof ik stellig dat zij mij niet bemint.”»Gij zijt dwaas, don Gaëtano; de meisjes weten zoo min wie zij beminnen als wie zij niet beminnen. Bekommer u niet over die kinderachtige grillen; ik heb u beloofd dat zij uwe vrouw zal worden, en dat zal zij.”»Maar zoo zij nu evenwel een ander beminde, zou ik u niet willen.…”»Kom, loop heen! dat is nu toch wat al te gek. Anita bemint geen ander dan u, dat weet ik zeker; en ziedaar, ik zal er u op eens van verzekeren; gij vertrekt heden avond hebt gij gezegd naar Guetzalli?”»Ja, nog dezen avond.”»Zeer goed; laat dan kamers in gereedheid brengen voor mij en mijne dochter, en binnen weinige dagen komen wij bij u in de hacienda logeeren.”»Zou dat mogelijk zijn?” riep de graaf verheugd.»Morgen met het krieken van den dag vertrekken wij; dus haast u.”»O! duizendmaal dank.”»Goed, zijt gij nu gerustgesteld?”[54]»Niemand kan gelukkiger zijn dan ik.”Na nog eenige woorden te hebben gewisseld namen de twee mannen afscheid, met de belofte dat zij elkander spoedig weêr zouden zien.Don Sylva was gewoon om in zijn huis door niemand tegengesproken te worden of zijne bevelen in omvraag te brengen; wel overtuigd van Anita’s gehoorzaamheid, liet hij haar met de kamenier zeggen, dat zij zich den volgenden morgen tegen zonsopgang voor eenetamelijkverre reis moest gereed maken.Dit bericht klonk het meisje als een donderslag in de ooren.Half flauw van den schrik zeeg zij op een stoel neder en smolt weg in tranen; zij gevoelde maar al te duidelijk dat deze reis niets dan een voorwendsel was, om haar van haren beminde te scheiden en haar weêrloos over te leveren aan den man dien zij verfoeide, en aan wien men haar ongevraagd ongeweigerd dacht uit te huwelijken.Zoo bleef zij eenige uren lang zitten, geheel in zich zelve verzonken, aan de wanhoop ten prooi, zonder te denken aan de welkome rust, die zij toch niet zou gevonden hebben, want zij wist dat de slaap hare gezwollen en roodgeweende oogleden niet zou sluiten.Allengs waren alle geluiden in de stad verdoofd, alles sliep of althans scheen te slapen; ook het huis van don Sylva was geheel donker, slechts een enkel flauw licht blonk als eene eenzame ster door de glasruiten van Anita’s venster, en bewees datzijten minste nog waakte.Op dit oogenblik vertoonden zich twee onzekere en vreesachtige schimmen op den muur tegenover het huis van den haciendero; twee mannen in lange mantels gehuld, bleven staan en keken naar het flauw verlichte venster, met eene oplettendheid zoo strak als alleen aan dieven of aan verliefden eigen is.De twee door ons genoemde mannen behoorden ongetwijfeld tot de laatstgenoemde kategorie.»Hm!” riep de een met eene halfgesmoorde stem, »dus zijt gij zeker van hetgeen gij beweert, Cuchares?”»Zoo zeker als ik hoop zalig te worden,señordon Martial,” antwoordde de andere op denzelfden toon, »ik heb dien verwenschten Engelschman in huis zien komen juist toen ik er was; en don Sylva scheen op den besten voet met zoo’n duivelschen ketter.”Wij moeten in ’t voorbijgaan aanmerken, dat de Mexicanen eenige jaren geleden en wellicht ook nu nog alle vreemdelingen, ongevraagd tot welke natie zij behooren, voor Engelschen houden en bij gevolg als ketters aanmerken; de vreemdelingen zagen zich dus, zelfs buiten hun weten gerangschikt onder de lieden die men zonder misdadig te zijn kon dooden, ja wier vermoording integendeel bijna als een verdienstelijk werk werd beschouwd.Tot lof van de Mexicanen moeten wij er dan ook bijvoegen, dat[55]zij bij elke voorkomende gelegenheid de zoogenaamde Engelschen omhals brachten, met eenen ijver die van hunne welbegrepen vroomheid alleszins getuigenis gaf.Don Martial antwoordde:»Op mijn woord als Tigrero, die kerel is mij reeds tweemaal in den weg gekomen en tweemaal heb ik hem gespaard, maar laat hij zich wachten voor den derden keer.”»O!” riep Cuchares, »de eerwaarde pater Becchio heeft mij gezegd dat ik altijd een goeden aflaat kon verdienen met een Engelschman tesnijden1(cortar). Ik heb het voordeel nog niet gehad om er een te ontmoeten, al ben ik er ongeveer acht schuldig op mijne rekening met pater Becchio. Ik heb grooten lust om met dezen een begin te maken, dat ware ten minste zooveel gewonnen.”»Wees gewaarschuwd, om uw leven, picaro, die man hoort mij toe.”»Dan spreken wij er niet meer van,” antwoordde Cuchares met een gesmoorden zucht; »ik laat hem voor u. Maar in allen geval het spijt mij, ofschoon deniñahem hartelijk schijnt te verfoeien.”»Hebt gij bewijs voor hetgeen gij daar zegt?”»Is er beter bewijs dan de afkeer dien zij hem betoont als hij komt,ik heb haar bij deze gelegenheid zien verbleeken als een doek, zonder dat er eenige andere denkbare reden voor kon bestaan.”»O! ik zou duizend oncen willen missen om te weten wat er van is?”»Wie belet u dat? de heele wereld slaapt, niemand zal u zien: vijftien voet! hooger is het niet. Ik ben zeker dat Anita blijde zou zijn als zij eens met u kon praten.”»O! als ik dat kon denken,” mompelde hij aarzelend met een zijdelingschen blik naar het altijd verlichte venster.»Misschien! wie weet of zij niet op u wacht!”»Zwijg, ellendeling.”»Wat weêrga! luister toch; als het waar is wat ik heb hooren vertellen, moet het arme kind erg in de verknijping zitten, om er niet meer van te zeggen; zij heeft dringend hulp noodig.”»Wat zegt men van haar? laat hooren, maar kort.”»Eenvoudig dit: datdoñaAnita de Torresvandaagover acht dagen trouwen zal met den Engelschman don Gaëtano.”»Gij liegt, deugniet,” riep de Tigrero met kwalijk verholen woede; »als ik mij niet weêrhield, zou ik u met mijn ponjaard de woorden teruggeven die gij daar gesproken hebt.”»Daar zoudt gij verkeerd aan doen,” hervatte de andere zonder zijne bedaardheid te verliezen; »ik ben slechts de echo, die herhaalt wat hij heeft hooren zeggen, meer niet. Gij zijt de eenigste in Guaymas die van dat nieuws niets weet. In allen geval is dat niet te verwonderen, daar gij eerst heden avond in de stad terug zijt gekomen na eene maand afwezigheid.”[56]»Dat is waar, wat dan gedaan?”»Caraï! naar goeden raad luisteren en doen wat ik u zeg.”De Tigrero keek een geruime poos naar het venster, en liet het hoofd besluiteloos hangen.»Wat zal ze wel zeggen, als zij mij ziet?” mompelde hij.»Caramba!” riep de lepero opsarcastischentoon, »wat zij zal zeggen? Wees welkom,alma mia(beste vriend) dat is klaar, carai! Gij zijt toch geen kind, don Martial, om voor een vrouwenblik te beven? De gelegenheid heeft slechts drie haren, in de liefde zoowel als in den oorlog; men moet haar aangrijpen als zij zich voordoet, of men loopt gevaar dat zij nooit weêrkomt.”De Mexicaan naderde den lepero tot hij hem bijna aanraakte, en staarde hem diep in de groene kattenoogen.»Cuchares,” zeide hij met eene zware nadrukkelijke stem, »ik verlaat mij op u. Gij kent mij; ik heb u zoo menigmaal geholpen maar als gij nu mijn vertrouwen teleurstelt, dood ik u als een coyote.”De Tigrero sprak deze woorden op zulk een toon van stille woede, dat de lepero, die zeer wel wist met welk een man hij te doen had, tegen wil en dank bleek werd en beefde als een riet.»Ik ben in alles tot uw dienst, don Martial,” antwoordde hij met eene stem die hij vruchteloos poogde ferm te houden; »wat er ook gebeure, gij kunt op mij rekenen: wat moet ik voor u doen?”»Niets, wachten, opletten en bij het minste geluid dat u als onraad voorkomt of bij den eersten zweem van vijand dien gij in de duisternis ziet mij onmiddellijk waarschuwen.”»Reken op mij, doe uwe zaken; ik ben stom en doof, en zal gedurende uwe afwezigheid voor u waken als een zoon voor zijnen vader.”»Goed!” riep de Tigrero.Hij trad eenige stappen terug, maakte de reata los die om zijn middel geslagen was, hield haar in de rechterhand gereed, sloeg de oogen op, berekende den afstand en toen de reata eenige malen met kracht boven zijn hoofd slingerende wierp hij haar naar het balkon vandoñaAnita.De strik hechtte zich aan een der ijzeren punten der balustrade en bleef stevig vast zitten.»Denk om uwe belofte!” zei de Tigrero zich tot Cuchares wendende.»Ga uw gang,” antwoordde deze terwijl hij tegen den muur aan de overzijde post vatte en de beenen over elkander kruiste, »ik sta borg voor alles.”De Mexicaan nam genoegen of scheen althans genoegen te nemen met deze verzekering; hij greep de reata, en van zijne plaats opspringende als een van diepantersdie hij zoo vaak had vervolgd in de savane, palmde hij zich met de vuisten naar boven en bereikte na eenigesecondenhet balkon.[57]Hij stapte over de balustrade en naderde het venster.DoñaAnita zat in halfliggende houding op haar armstoel te slapen.Het arme kind, bleek en ontdaan, de oogen door tranen gezwollen, was eindelijk overmeesterd door den slaap die zijne rechten op jeugdige en krachtvolle naturen nimmer verliest. Hare marmerbleeke wangen vertoonden nog de sporen der pas geweende tranen. Martial begluurde met verteederden blik zijne beminde, zonder haar te durven naderen. Zoo in haar slaap verrast, kwam het meisje hem bekoorlijker voor dan ooit, een aureool van reinheid en onschuld scheen te zweven boven haar hoofd, als om hare rust heilig en onschendbaar te bewaken.Na eene lange en onverzaadbare beschouwing, besloot de Tigrero eindelijk nader te treden.Het venster, dat slechts op een kier stond, daar Anita zeker niet gedacht had op die wijze in te slapen, week terug voor den minsten stoot van don Martial; hij deed nog een stap en stond in de slaapkamer vandoñaAnita.De indruk van dit vertrek, waar alles zoo kalm, zoo maagdelijk rein en ordelijk was, boezemde den Tigrero een ongewoon gevoel van eerbied in, zijn hart klopte in zijne borst als of het zou barsten, en in zijne hartstochtelijke opwinding tusschen liefde en vrees waggelde hij voort en zonk op de knieën naast zijne beminde.Het meisje opende de oogen.»O!” riep zij, toen zij don Martial zag, »Gode zij dank die u te mijner hulpe zendt.”De Tigrero keek tot haar op, met vochtigen blik en hijgende borst.Maar plotseling rees Anita overeind, zij kwam tot bezinning en daarmede tot de schuchtere vrees die alle vrouwen is aangeboren.»Ga heen!” riep zij terwijl zij zich in den versten hoek der kamer terugtrok, »ga heen, caballero. Hoe komt gij hier? wie heeft u bij mij ingeleid? Antwoord, antwoord mij dadelijk!”De Tigrero boog deemoedig het hoofd.»God alleen heeft mij hier gebracht,señorita,” riep hij met eennauwelijkshoorbare stem, »zooals gij zelf hebt gezegd,señorita. O! vergeef mij dat ik u aldus heb durven verrassen. Ik heb een groven misslag begaan, dat weet ik; maar een ongeluk bedreigt u, dat heb ik gevoeld en geraden; gij zijt alleen, zonder hulp en ik kwam hier om het u te zeggen;señorita, ik ben wel zeer gering en zeer onwaard u te dienen, doch gij hebt een trouw en vastberaden hart noodig, dat bied ik u aan; neem mijn bloed, neem mijn leven, ik zou mij gelukkig achten voor u te mogen sterven. In ’s hemels naam,señorita, in naam van al wat u lief is op de wereld! wijs mijn verzoek niet van de hand; mijn arm en mijn hart zijn tot uwe beschikking.”Deze woorden werden met eene door hartstocht bewogen stem uitgesproken,[58]terwijl don Martial midden in de kamer geknield lag, met de handen gevouwen en de oogen opdoñaAnita gericht, met een smachtenden blik, waarin zijne gansche ziel zich uitdrukte.DoñaAnita keek den jongman wederkeerig strak aan, als om zich van zijne oprechte bedoeling te verzekeren, en zonder het hoofd af te wenden naderde zij hem langzaam, aarzelend en bevend, tegen wil en dank. Toen zij dicht bij hem kwam stond zij een oogenblik besluiteloos, maar legde hem eindelijk hare kleine blanke hand op de schouders en bracht haar gelaat zoo dicht bij het zijne dat hij haar frisschen adem op zijn voorhoofd voelde en hare geparfumeerde lokken zijne wangen streelden.»Gij bemint mij dus, don Martial?” vroeg zij met een welluidende stem.»O!” prevelde de jongman schier tot waanzinnigheid verliefd door deze zoete gewaarwording.De Mexicaansche boog zich over den Tigrero en raakte met hare rozenlippen zijn klam voorhoofd.»Welaan,” zeide zij, oogenblikkelijk terugspringende als eene verschrikte hinde, terwijl een purperen blos hare wangen kleurde uit schaamte over den stap dien zij had gewaagd, »nu moogt gij mij verdedigen, don Martial, want voor God, die ons ziet en hoort, ben ik uwe vrouw.”De Tigrero vloog op als geëlectriseerd door dezen gloeienden kus. Met een fier voorhoofd en tintelenden blik, sloot hij het meisje in zijne armen, leidde haar in een hoek van de kamer naar een zilveren statuet van de heilige Maagd, voor hetwelk eene welriekende lamp brandde.»Kniel,señora!” zeide hij met bezielde stem terwijl hij zelf de knie reeds boog.DoñaAnita gehoorzaamde.»Heilige Mater dolorosa!” hervatte don Martial, »NuestraSeñorade la Soledad, troosteres der bedroefden. Gij die de harten beproeft, gij ziet de reinheid onzer wenschen en de heiligheid onzer liefde. In uwe tegenwoordigheid neem ikdoñaAnita de Torres tot vrouwe. Ik zweer haar te zullen verdedigen en beschermen tegen en voor allen, met mijn goed en leven in den strijd dien ik heden aanga voor het heil van haar die ik bemin en die ik van heden af beschouw als mijne echte en deugdelijke bruid.”Na deze gelofte met eene duidelijke en krachtvolle stem te hebben uitgesproken, wendde de Tigrero zich naar het meisje.»Nu is het uwe beurt,señorita,” zeide hij.DoñaAnita vouwde de handen en sloeg de oogen vol tranen op naar het heilige beeld.»NuestraSeñorade la Soledad,” stamelde zij met eene diepe, door aandoening geschokte stem, »gij, mijne eenige beschermster van den dag mijner geboorte af, gij weet of ik u getrouw was, ik zweer dat[59]alles wat deze man heeft gezegd waarheid is; ik neem hem tot echtgenoot voor u, en zal nooit een anderen nemen.”Zij stonden op.DoñaAnita trok den Tigrero naar het balkon.»Vertrek!” zeide zij, »de vrouw van don Martial moet niet verdacht worden: vertrek, mijn echtgenoot en mijn broeder; de man aan wien men mij wil overleveren heet de graaf de Lhorailles. Morgen eer de zon opgaat, gaan wij waarschijnlijk op reis naar zijne hacienda.”»En hij?”»Is dezen nacht reeds vertrokken.”»Waarheen?”»Dat weet ik niet?”»Ik zal hem dooden?”»Tot weerziens, don Martial, tot weerziens!”»Tot weerziens!doñaAnita, houd moed, ik waak over u.”En na haar een kus op het voorhoofd te hebben gedrukt, stapte hij over de balustrade, greep de reata en liet zich in de straat afglijden.»Helaas! helaas!” murmelde zij met een gesmoorden zucht, »wat heb ik gedaan! … Heilige Maagd, gij alleen kunt mij den moed wedergeven die mij ontzinkt!”Zij liet het gordijn neder dat voor het venster hing en keerde terug om voor het Madonnabeeld te knielen, maar deinsde oogenblikkelijk achterwaarts met een uitroep van schrik.Op twee passen afstand stond don Sylva de Torres met gefronste wenkbrauwen en een streng gelaat.»DoñaAnita, mijne dochter,” zeide hij met een langzame, hortende stem, »ik heb alles gezien en gehoord; spaar dus, verzoek ik u, eene nuttelooze ontkenning.”»Vader!.…” stamelde het arme kind met een gebroken stem.»Zwijg!” hervatte don Sylva, »het is thans drie ure. Wij vertrekken met zonsopgang, en binnen veertien dagen wordt gij de vrouw van den graaf don Gaëtano de Lhorailles.”Zonder er verder een woord bij te voegen stapte hij langzaam de kamer uit en sloot de deur achter zich toe.Alleen achtergebleven, stonddoñaAnita in gebogen houding bij de deur als om te luisteren, zij wierp een verwilderden blik om zich heen, deed eenige wankelende stappen voorwaarts, sloeg de beide handen krampachtig naar de benauwde toegeschroefde keel, gaf een verscheurenden gil en stortte op den vloer neder.Zij lag in onmacht.[60]

ToendoñaAnita de salon verliet om zich naar hare slaapkamer te begeven, oogde de graaf haar zoo lang mogelijk na, daar hij niets scheen te begrijpen van haar zonderling gedrag jegens hem, vooral uit hoofde der bijzondere betrekking waarin zij tegenover elkander waren geplaatst, ter zake van het huwelijk dat hen weldra voor levenslang zou verbinden. Na echter eenige minuten te hebben nagedacht, schudde bij eindelijk het hoofd, als wilde hij de treurige gedachten verdrijven die hem bestormden, en wendde zich tot zijn toekomstigen schoonvader.

»Spreken wij over onze zaken,” zeide hij; »zoo gij immers wilt.”

»Hebt gij mij dan iets nieuws mede te deelen?”

»Een aantal zaken.”

»Gewichtige?”

»Dat zult gij zelf beoordeelen.”

»Laat hooren dan. Ik ben ongeduldig om ze te vernemen.”

»Gaan wij ordelijk voort. Gij weet, vriend, waarom ik Guetzalli verlaten had.”

»Volkomen. Zijt gij goed geslaagd?”

»Geheel naar mijne verwachting. Dank zij zekere brieven, die ik had medegebracht en vooral ten gevolge uwer welwillende aanbeveling, heeft de generaal Marcos zich jegens mij zeer genegen getoond. De wijze waarop hij mij ontving was allerminzaamst, kortom, hij verleende mij zijn naam in blanko, met volmacht niet alleen om honderd vijftig man aan te werven, maar zelfs dubbel zoo veel als ik dit noodig oordeelde.”

»O! dat is heerlijk, inderdaad.”

»Niet waar? Bovendien heeft hij mij gezegd, dat hij in een oorlog als die welken ik thans ging ondernemen, want een jacht op de Apachen is niets minder dan een oorlog, mij volkomen vrijheid liet om naar eigen goedvinden te handelen, en keurde bij voorbaat alles goed wat door mij gedaan zou worden, wel overtuigd, voegde hij er bij, dat het alleszins strekken zou tot roem en voordeel van Mexico.”

»Wel, dat hoor ik met veel genoegen, vriend. Maar hoe zijt gij thans voornemens te handelen na zulk een gelukkigen afloop?”

»Ik ben vooreerst besloten om van hier onmiddellijk naar Guetzalli te vertrekken, dat ik reeds sedert drie weken verlaten heb. Ik moet noodzakelijk naar mijne kolonie terug, om te zien of alles geregeld gaat en mijn volk gelukkig is. Bovendien zou ik, alvorens mij, misschien voor langen tijd, met het grootste gedeelte mijner manschappen te verwijderen, de kolonisten gaarne tegen eene overrompeling beveiligen, door rondom mijne bezittingen eenige werken aan te leggen,[52]zoodat de achterblijvenden in staat zijn iederen aanval der wilden met kracht af te weren. Dit is van des te meer belang, omdat Guetzalli in zekeren zin altijd mijn hoofdkwartier blijven moet.”

»Dat is zoo. En wanneer denkt gij te vertrekken?”

»Heden avond.”

»Zoo spoedig reeds?”

»Ik moet wel. Gij zelf weet hoe zeer de tijd dringt.”

»Inderdaad. Hebt gij mij niets anders meer te zeggen?”

»Vergeef mij, ik heb u nog eene andere vraag te doen, die ik met opzet voor het laatst bewaard heb.”

»Is zij dan zoo belangrijk?”

»Van het hoogste belang.”

»O, dan moet ik haar hooren, vriend, spreek op, dadelijk.”

»Bij mijne komst hier te lande,” hervatte de graaf, »toen de onderneming, die ik thans God zij dank! tot een goed einde heb gebracht, nog slechts op het papier bestond, waart gij zoo welwillend,señordon Sylva, om niet alleen uw onmetelijk crediet, maar ook uwe onberekenbare rijkdommen te mijner beschikking te stellen.”

»Dat is zoo,” zei de Mexicaan glimlachend.

»Welnu, ik heb van uw aanbod ruimschoots gebruik gemaakt, menigmaal uit uw geldkist geput en over uw crediet zoo dikwijls beschikt als de gelegenheid het vorderde; vergun mij thans het eene gedeelte mijner verplichting aan u te kwijten, terwijl ik erken dat ik het andere gedeelte u vooreerst zal moeten schuldig blijven. Zie hier,” vervolgde hij, een papier uit zijne portefeuille nemende, »hier is een wisselbrief, ten bedrage van honderd duizend piasters, betaalbaar op zicht en getrokken op Walter Blount en Comp. bankiers te Mexico. Ik acht mij gelukkig, don Sylva, in staat te zijn deze schuld zoo gereedelijk af te doen, niet omdat.…”

»Met uw welnemen,” viel de haciendero hem in de rede, terwijl hij den wissel, dien de graaf hem aanbood, met drift afwees, »maar ik geloof dat wij elkander op dit oogenblik niet goed begrijpen.”

»Hoezoo niet?”

»Tot opheldering zal ik u zeggen: bij uwe komst te Guaymas, mijnheer de graaf, kwaamt gij bij mij met een dringenden aanbevelingsbrief van wege een man met wien ik, zonder daarom ooit intiem aan hem verbonden te zijn, nochtans eenige jaren geleden zeer groote geldelijke betrekkingen heb gehad. De baron van Spurtzheim stelde u aan mij voor, meer als een beminden zoon dan als een vriend voor wien men zich partij stelt. Ik heb mijn huis wagenwijd voor u opengezet. Ik was verplicht zulks te doen. Later, toen ik u leerde kennen en het grootsche en edele in uw karakter heb kunnen waardeeren, zijn onze aanvankelijk koele betrekkingen nauwer geworden en bood ik u de hand mijner dochter, die gij hebt aangenomen.”

»Tot mijn onuitsprekelijk geluk!” riep de graaf.[53]

»Zeer goed,” hernam de haciendero glimlachend, »het geld dus dat ik van een onbekende zou kunnen terug ontvangen, en dat hij mij als zoodanig wettig verschuldigd was, dat geld behoort aan mijn schoonzoon. Verscheur dus, bid ik u, dien wisselbrief, waarde graaf, en denken wij niet verder om dat bagatel.”

»Juist!” riep de graaf schielijk en op verdrietigen toon, »dat is juist wat mij hindert; ik ben uw schoonzoon nog niet en, als ik het u zeggen moet, ik vrees dat ik het nooit worden zal.”

»En wat geeft u aanleiding om daarvoor te vreezen? Hebt gij niet mijne belofte? Het woord van don Sylva de Torres, waarde heer graaf de Lhorailles, is een waarborg, dien nog nooit iemand heeft durven in twijfel trekken.”

»Daar twijfel ik ook in ’t minst niet aan, don Sylva; het is niet voor u dat ik vrees.”

»Voor wie dan?”

»VoordoñaAnita.”

»Voor mijne dochter?”

»Ja.”

»Wat zegt gij, vriend! dat vereischt nadere opheldering, want ik zweer u dat ik het volstrekt niet begrijp” riep don Sylva, terwijl hij driftig opstond en onrustig het salon op en neder trad.

»Mijn hemel, don Sylva!” riep de graaf, »het spijt mij waarlijk dat ik dit bezwaar bij u heb ter sprake moeten brengen, want ik bemindoñaAnita; maar de liefde, zooals gij weet, is ergdenkend; en ofschoon uwe dochter altijd lief en goed voor mij geweest is, heb ik haar sedert onze verloving gadegeslagen en als ik het u bekennen moet geloof ik stellig dat zij mij niet bemint.”

»Gij zijt dwaas, don Gaëtano; de meisjes weten zoo min wie zij beminnen als wie zij niet beminnen. Bekommer u niet over die kinderachtige grillen; ik heb u beloofd dat zij uwe vrouw zal worden, en dat zal zij.”

»Maar zoo zij nu evenwel een ander beminde, zou ik u niet willen.…”

»Kom, loop heen! dat is nu toch wat al te gek. Anita bemint geen ander dan u, dat weet ik zeker; en ziedaar, ik zal er u op eens van verzekeren; gij vertrekt heden avond hebt gij gezegd naar Guetzalli?”

»Ja, nog dezen avond.”

»Zeer goed; laat dan kamers in gereedheid brengen voor mij en mijne dochter, en binnen weinige dagen komen wij bij u in de hacienda logeeren.”

»Zou dat mogelijk zijn?” riep de graaf verheugd.

»Morgen met het krieken van den dag vertrekken wij; dus haast u.”

»O! duizendmaal dank.”

»Goed, zijt gij nu gerustgesteld?”[54]

»Niemand kan gelukkiger zijn dan ik.”

Na nog eenige woorden te hebben gewisseld namen de twee mannen afscheid, met de belofte dat zij elkander spoedig weêr zouden zien.

Don Sylva was gewoon om in zijn huis door niemand tegengesproken te worden of zijne bevelen in omvraag te brengen; wel overtuigd van Anita’s gehoorzaamheid, liet hij haar met de kamenier zeggen, dat zij zich den volgenden morgen tegen zonsopgang voor eenetamelijkverre reis moest gereed maken.

Dit bericht klonk het meisje als een donderslag in de ooren.

Half flauw van den schrik zeeg zij op een stoel neder en smolt weg in tranen; zij gevoelde maar al te duidelijk dat deze reis niets dan een voorwendsel was, om haar van haren beminde te scheiden en haar weêrloos over te leveren aan den man dien zij verfoeide, en aan wien men haar ongevraagd ongeweigerd dacht uit te huwelijken.

Zoo bleef zij eenige uren lang zitten, geheel in zich zelve verzonken, aan de wanhoop ten prooi, zonder te denken aan de welkome rust, die zij toch niet zou gevonden hebben, want zij wist dat de slaap hare gezwollen en roodgeweende oogleden niet zou sluiten.

Allengs waren alle geluiden in de stad verdoofd, alles sliep of althans scheen te slapen; ook het huis van don Sylva was geheel donker, slechts een enkel flauw licht blonk als eene eenzame ster door de glasruiten van Anita’s venster, en bewees datzijten minste nog waakte.

Op dit oogenblik vertoonden zich twee onzekere en vreesachtige schimmen op den muur tegenover het huis van den haciendero; twee mannen in lange mantels gehuld, bleven staan en keken naar het flauw verlichte venster, met eene oplettendheid zoo strak als alleen aan dieven of aan verliefden eigen is.

De twee door ons genoemde mannen behoorden ongetwijfeld tot de laatstgenoemde kategorie.

»Hm!” riep de een met eene halfgesmoorde stem, »dus zijt gij zeker van hetgeen gij beweert, Cuchares?”

»Zoo zeker als ik hoop zalig te worden,señordon Martial,” antwoordde de andere op denzelfden toon, »ik heb dien verwenschten Engelschman in huis zien komen juist toen ik er was; en don Sylva scheen op den besten voet met zoo’n duivelschen ketter.”

Wij moeten in ’t voorbijgaan aanmerken, dat de Mexicanen eenige jaren geleden en wellicht ook nu nog alle vreemdelingen, ongevraagd tot welke natie zij behooren, voor Engelschen houden en bij gevolg als ketters aanmerken; de vreemdelingen zagen zich dus, zelfs buiten hun weten gerangschikt onder de lieden die men zonder misdadig te zijn kon dooden, ja wier vermoording integendeel bijna als een verdienstelijk werk werd beschouwd.

Tot lof van de Mexicanen moeten wij er dan ook bijvoegen, dat[55]zij bij elke voorkomende gelegenheid de zoogenaamde Engelschen omhals brachten, met eenen ijver die van hunne welbegrepen vroomheid alleszins getuigenis gaf.

Don Martial antwoordde:

»Op mijn woord als Tigrero, die kerel is mij reeds tweemaal in den weg gekomen en tweemaal heb ik hem gespaard, maar laat hij zich wachten voor den derden keer.”

»O!” riep Cuchares, »de eerwaarde pater Becchio heeft mij gezegd dat ik altijd een goeden aflaat kon verdienen met een Engelschman tesnijden1(cortar). Ik heb het voordeel nog niet gehad om er een te ontmoeten, al ben ik er ongeveer acht schuldig op mijne rekening met pater Becchio. Ik heb grooten lust om met dezen een begin te maken, dat ware ten minste zooveel gewonnen.”

»Wees gewaarschuwd, om uw leven, picaro, die man hoort mij toe.”

»Dan spreken wij er niet meer van,” antwoordde Cuchares met een gesmoorden zucht; »ik laat hem voor u. Maar in allen geval het spijt mij, ofschoon deniñahem hartelijk schijnt te verfoeien.”

»Hebt gij bewijs voor hetgeen gij daar zegt?”

»Is er beter bewijs dan de afkeer dien zij hem betoont als hij komt,ik heb haar bij deze gelegenheid zien verbleeken als een doek, zonder dat er eenige andere denkbare reden voor kon bestaan.”

»O! ik zou duizend oncen willen missen om te weten wat er van is?”

»Wie belet u dat? de heele wereld slaapt, niemand zal u zien: vijftien voet! hooger is het niet. Ik ben zeker dat Anita blijde zou zijn als zij eens met u kon praten.”

»O! als ik dat kon denken,” mompelde hij aarzelend met een zijdelingschen blik naar het altijd verlichte venster.

»Misschien! wie weet of zij niet op u wacht!”

»Zwijg, ellendeling.”

»Wat weêrga! luister toch; als het waar is wat ik heb hooren vertellen, moet het arme kind erg in de verknijping zitten, om er niet meer van te zeggen; zij heeft dringend hulp noodig.”

»Wat zegt men van haar? laat hooren, maar kort.”

»Eenvoudig dit: datdoñaAnita de Torresvandaagover acht dagen trouwen zal met den Engelschman don Gaëtano.”

»Gij liegt, deugniet,” riep de Tigrero met kwalijk verholen woede; »als ik mij niet weêrhield, zou ik u met mijn ponjaard de woorden teruggeven die gij daar gesproken hebt.”

»Daar zoudt gij verkeerd aan doen,” hervatte de andere zonder zijne bedaardheid te verliezen; »ik ben slechts de echo, die herhaalt wat hij heeft hooren zeggen, meer niet. Gij zijt de eenigste in Guaymas die van dat nieuws niets weet. In allen geval is dat niet te verwonderen, daar gij eerst heden avond in de stad terug zijt gekomen na eene maand afwezigheid.”[56]

»Dat is waar, wat dan gedaan?”

»Caraï! naar goeden raad luisteren en doen wat ik u zeg.”

De Tigrero keek een geruime poos naar het venster, en liet het hoofd besluiteloos hangen.

»Wat zal ze wel zeggen, als zij mij ziet?” mompelde hij.

»Caramba!” riep de lepero opsarcastischentoon, »wat zij zal zeggen? Wees welkom,alma mia(beste vriend) dat is klaar, carai! Gij zijt toch geen kind, don Martial, om voor een vrouwenblik te beven? De gelegenheid heeft slechts drie haren, in de liefde zoowel als in den oorlog; men moet haar aangrijpen als zij zich voordoet, of men loopt gevaar dat zij nooit weêrkomt.”

De Mexicaan naderde den lepero tot hij hem bijna aanraakte, en staarde hem diep in de groene kattenoogen.

»Cuchares,” zeide hij met eene zware nadrukkelijke stem, »ik verlaat mij op u. Gij kent mij; ik heb u zoo menigmaal geholpen maar als gij nu mijn vertrouwen teleurstelt, dood ik u als een coyote.”

De Tigrero sprak deze woorden op zulk een toon van stille woede, dat de lepero, die zeer wel wist met welk een man hij te doen had, tegen wil en dank bleek werd en beefde als een riet.

»Ik ben in alles tot uw dienst, don Martial,” antwoordde hij met eene stem die hij vruchteloos poogde ferm te houden; »wat er ook gebeure, gij kunt op mij rekenen: wat moet ik voor u doen?”

»Niets, wachten, opletten en bij het minste geluid dat u als onraad voorkomt of bij den eersten zweem van vijand dien gij in de duisternis ziet mij onmiddellijk waarschuwen.”

»Reken op mij, doe uwe zaken; ik ben stom en doof, en zal gedurende uwe afwezigheid voor u waken als een zoon voor zijnen vader.”

»Goed!” riep de Tigrero.

Hij trad eenige stappen terug, maakte de reata los die om zijn middel geslagen was, hield haar in de rechterhand gereed, sloeg de oogen op, berekende den afstand en toen de reata eenige malen met kracht boven zijn hoofd slingerende wierp hij haar naar het balkon vandoñaAnita.

De strik hechtte zich aan een der ijzeren punten der balustrade en bleef stevig vast zitten.

»Denk om uwe belofte!” zei de Tigrero zich tot Cuchares wendende.

»Ga uw gang,” antwoordde deze terwijl hij tegen den muur aan de overzijde post vatte en de beenen over elkander kruiste, »ik sta borg voor alles.”

De Mexicaan nam genoegen of scheen althans genoegen te nemen met deze verzekering; hij greep de reata, en van zijne plaats opspringende als een van diepantersdie hij zoo vaak had vervolgd in de savane, palmde hij zich met de vuisten naar boven en bereikte na eenigesecondenhet balkon.[57]

Hij stapte over de balustrade en naderde het venster.

DoñaAnita zat in halfliggende houding op haar armstoel te slapen.

Het arme kind, bleek en ontdaan, de oogen door tranen gezwollen, was eindelijk overmeesterd door den slaap die zijne rechten op jeugdige en krachtvolle naturen nimmer verliest. Hare marmerbleeke wangen vertoonden nog de sporen der pas geweende tranen. Martial begluurde met verteederden blik zijne beminde, zonder haar te durven naderen. Zoo in haar slaap verrast, kwam het meisje hem bekoorlijker voor dan ooit, een aureool van reinheid en onschuld scheen te zweven boven haar hoofd, als om hare rust heilig en onschendbaar te bewaken.

Na eene lange en onverzaadbare beschouwing, besloot de Tigrero eindelijk nader te treden.

Het venster, dat slechts op een kier stond, daar Anita zeker niet gedacht had op die wijze in te slapen, week terug voor den minsten stoot van don Martial; hij deed nog een stap en stond in de slaapkamer vandoñaAnita.

De indruk van dit vertrek, waar alles zoo kalm, zoo maagdelijk rein en ordelijk was, boezemde den Tigrero een ongewoon gevoel van eerbied in, zijn hart klopte in zijne borst als of het zou barsten, en in zijne hartstochtelijke opwinding tusschen liefde en vrees waggelde hij voort en zonk op de knieën naast zijne beminde.

Het meisje opende de oogen.

»O!” riep zij, toen zij don Martial zag, »Gode zij dank die u te mijner hulpe zendt.”

De Tigrero keek tot haar op, met vochtigen blik en hijgende borst.

Maar plotseling rees Anita overeind, zij kwam tot bezinning en daarmede tot de schuchtere vrees die alle vrouwen is aangeboren.

»Ga heen!” riep zij terwijl zij zich in den versten hoek der kamer terugtrok, »ga heen, caballero. Hoe komt gij hier? wie heeft u bij mij ingeleid? Antwoord, antwoord mij dadelijk!”

De Tigrero boog deemoedig het hoofd.

»God alleen heeft mij hier gebracht,señorita,” riep hij met eennauwelijkshoorbare stem, »zooals gij zelf hebt gezegd,señorita. O! vergeef mij dat ik u aldus heb durven verrassen. Ik heb een groven misslag begaan, dat weet ik; maar een ongeluk bedreigt u, dat heb ik gevoeld en geraden; gij zijt alleen, zonder hulp en ik kwam hier om het u te zeggen;señorita, ik ben wel zeer gering en zeer onwaard u te dienen, doch gij hebt een trouw en vastberaden hart noodig, dat bied ik u aan; neem mijn bloed, neem mijn leven, ik zou mij gelukkig achten voor u te mogen sterven. In ’s hemels naam,señorita, in naam van al wat u lief is op de wereld! wijs mijn verzoek niet van de hand; mijn arm en mijn hart zijn tot uwe beschikking.”

Deze woorden werden met eene door hartstocht bewogen stem uitgesproken,[58]terwijl don Martial midden in de kamer geknield lag, met de handen gevouwen en de oogen opdoñaAnita gericht, met een smachtenden blik, waarin zijne gansche ziel zich uitdrukte.

DoñaAnita keek den jongman wederkeerig strak aan, als om zich van zijne oprechte bedoeling te verzekeren, en zonder het hoofd af te wenden naderde zij hem langzaam, aarzelend en bevend, tegen wil en dank. Toen zij dicht bij hem kwam stond zij een oogenblik besluiteloos, maar legde hem eindelijk hare kleine blanke hand op de schouders en bracht haar gelaat zoo dicht bij het zijne dat hij haar frisschen adem op zijn voorhoofd voelde en hare geparfumeerde lokken zijne wangen streelden.

»Gij bemint mij dus, don Martial?” vroeg zij met een welluidende stem.

»O!” prevelde de jongman schier tot waanzinnigheid verliefd door deze zoete gewaarwording.

De Mexicaansche boog zich over den Tigrero en raakte met hare rozenlippen zijn klam voorhoofd.

»Welaan,” zeide zij, oogenblikkelijk terugspringende als eene verschrikte hinde, terwijl een purperen blos hare wangen kleurde uit schaamte over den stap dien zij had gewaagd, »nu moogt gij mij verdedigen, don Martial, want voor God, die ons ziet en hoort, ben ik uwe vrouw.”

De Tigrero vloog op als geëlectriseerd door dezen gloeienden kus. Met een fier voorhoofd en tintelenden blik, sloot hij het meisje in zijne armen, leidde haar in een hoek van de kamer naar een zilveren statuet van de heilige Maagd, voor hetwelk eene welriekende lamp brandde.

»Kniel,señora!” zeide hij met bezielde stem terwijl hij zelf de knie reeds boog.

DoñaAnita gehoorzaamde.

»Heilige Mater dolorosa!” hervatte don Martial, »NuestraSeñorade la Soledad, troosteres der bedroefden. Gij die de harten beproeft, gij ziet de reinheid onzer wenschen en de heiligheid onzer liefde. In uwe tegenwoordigheid neem ikdoñaAnita de Torres tot vrouwe. Ik zweer haar te zullen verdedigen en beschermen tegen en voor allen, met mijn goed en leven in den strijd dien ik heden aanga voor het heil van haar die ik bemin en die ik van heden af beschouw als mijne echte en deugdelijke bruid.”

Na deze gelofte met eene duidelijke en krachtvolle stem te hebben uitgesproken, wendde de Tigrero zich naar het meisje.

»Nu is het uwe beurt,señorita,” zeide hij.

DoñaAnita vouwde de handen en sloeg de oogen vol tranen op naar het heilige beeld.

»NuestraSeñorade la Soledad,” stamelde zij met eene diepe, door aandoening geschokte stem, »gij, mijne eenige beschermster van den dag mijner geboorte af, gij weet of ik u getrouw was, ik zweer dat[59]alles wat deze man heeft gezegd waarheid is; ik neem hem tot echtgenoot voor u, en zal nooit een anderen nemen.”

Zij stonden op.

DoñaAnita trok den Tigrero naar het balkon.

»Vertrek!” zeide zij, »de vrouw van don Martial moet niet verdacht worden: vertrek, mijn echtgenoot en mijn broeder; de man aan wien men mij wil overleveren heet de graaf de Lhorailles. Morgen eer de zon opgaat, gaan wij waarschijnlijk op reis naar zijne hacienda.”

»En hij?”

»Is dezen nacht reeds vertrokken.”

»Waarheen?”

»Dat weet ik niet?”

»Ik zal hem dooden?”

»Tot weerziens, don Martial, tot weerziens!”

»Tot weerziens!doñaAnita, houd moed, ik waak over u.”

En na haar een kus op het voorhoofd te hebben gedrukt, stapte hij over de balustrade, greep de reata en liet zich in de straat afglijden.

»Helaas! helaas!” murmelde zij met een gesmoorden zucht, »wat heb ik gedaan! … Heilige Maagd, gij alleen kunt mij den moed wedergeven die mij ontzinkt!”

Zij liet het gordijn neder dat voor het venster hing en keerde terug om voor het Madonnabeeld te knielen, maar deinsde oogenblikkelijk achterwaarts met een uitroep van schrik.

Op twee passen afstand stond don Sylva de Torres met gefronste wenkbrauwen en een streng gelaat.

»DoñaAnita, mijne dochter,” zeide hij met een langzame, hortende stem, »ik heb alles gezien en gehoord; spaar dus, verzoek ik u, eene nuttelooze ontkenning.”

»Vader!.…” stamelde het arme kind met een gebroken stem.

»Zwijg!” hervatte don Sylva, »het is thans drie ure. Wij vertrekken met zonsopgang, en binnen veertien dagen wordt gij de vrouw van den graaf don Gaëtano de Lhorailles.”

Zonder er verder een woord bij te voegen stapte hij langzaam de kamer uit en sloot de deur achter zich toe.

Alleen achtergebleven, stonddoñaAnita in gebogen houding bij de deur als om te luisteren, zij wierp een verwilderden blik om zich heen, deed eenige wankelende stappen voorwaarts, sloeg de beide handen krampachtig naar de benauwde toegeschroefde keel, gaf een verscheurenden gil en stortte op den vloer neder.

Zij lag in onmacht.[60]

1Gemeenzame term onder het volk in Mexico, voor omhalsbrengen.↑

1Gemeenzame term onder het volk in Mexico, voor omhalsbrengen.↑

1Gemeenzame term onder het volk in Mexico, voor omhalsbrengen.↑

1Gemeenzame term onder het volk in Mexico, voor omhalsbrengen.↑


Back to IndexNext