[Inhoud]VII.EEN TWEEGEVECHT.Het was omtrent acht ure des avonds toen de graaf de Lhorailles de woning van don Sylva de Torres verliet. De feria de Plata was toen in haar vollen luister: de straten van Guaymas waren met eene vroolijk woelende menigte bedekt: aan alle kanten verhief zich het gejuich, gezang en gelach; stapels goud blonken op de monté-tafels, en verspreidden hun geelachtigen verleidelijken gloed in het heldere schijnsel der talrijke aan alle deuren en vensters schitterende lichten; hier en daar hoorde men devihuelasenjarabesstrijken en tokkelen uit de met drinkers en dansers opgevulde pulquerias. De graaf werkte zich met schouders en ellebogen zoo snel mogelijk door de dichte groepen die hem ieder oogenblik den doortocht versperden; maar zijn pas gehouden gesprek met don Sylva had hem in een te gelukkige luim gebracht dan dat hij er aan zou gedacht hebben om boos te worden over de tallooze stooten die hij ieder oogenblik ontving.Eindelijk, na ontelbare moeielijkheden en met verlies van dubbel ja driemaal zooveel tijd als hij onder andere omstandigheden noodig zou hebben gehad, gelukte het hem tegen tien uren des avonds zijn logement te bereiken.Hij had bijna een uur noodig gehad om ongeveer zes honderd passen ver te gaan.In de meson komende, ging de graaf onmiddellijk naar de corral om zijn paard te verzorgen, dat hij twee schoven alfalfa (spurrie) gaf; na vervolgens te hebben last gegeven dat men hem ten een ure wekken zou, zoo hij, dat wel niet waarschijnlijk was, nog niet op mocht zijn, begaf hij zich naar zijncuarto(kamer) ten einde eenige uren rust te nemen.De graaf was voornemens ten een ure des morgens te vertrekken, om de hitte van den dag te vermijden en meer op zijn gemak te reizen.Bovendien, na zijn gewichtig onderhoud met don Sylva, verlangde de edele avonturier zeer om alleen te zijn, ten einde nog eens het geluk te overdenken dat hem in den afgeloopen avond was te beurt gevallen en zulk eene schoone toekomst beloofde.Sedert zijne komst in Amerika had de graaf de Lhorailles—om hier een gemeenzame uitdrukking te bezigen—met ongehoord geluk gespeeld; alles liep hem mede, alles kwam zijne wenschen en plannen te gemoet; binnen weinige maanden stond de balans van zijn fortuin als volgt: het bezit van eene kolonie, onder de gunstigste vooruitzichten gegrondvest en bereid, op den weg van vooruitgang en bloei; daarbij in het volle genot zijner nationaliteit, met volkomen vrijheid van handelen, onafhankelijk en meester van alle partijen, was hij in dienst bij het Mexicaansch gouvernement, als kapitein[61]eener vrij-kompagnie van honderd vijftig man, hem geheel toegedaan en met wier behulp hij alles, zelfs de buitensporigste ondernemingen, zoo al niet uitvoeren dan ten minste wagen kon; ten slotte op het punt van te huwen met de eenige dochter van een man, die zooveel hij kon nagaan twintig maal millionair moest zijn, en wat de zaak zeker niet erger maakte, zijne aanstaande bruid was eene allerbekoorlijkste vrouw: ziedaar in korte trekken de stand van zijn tegenwoordig fortuin.Ongelukkig of gelukkig, al naar het oogpunt waaruit de lezer verkiest onzen held te bezien, had de voorspoedige man geen gevoel of hart meer voor iets:geblaseerddoor de bedwelmende buitensporigheden van het leven in Parijs, klopte zijn boezem niet meer onder de afwisselingen van vreugde, droefheid of vrees; alles in hem was gestorven. Zoo was hij juist de man om te slagen in het land waar het toeval hem geworpen had. In den grooten levensstrijd door hem in Amerika begonnen, had hij een groot voordeel op zijne mededingers, namelijk dat hij zich nooit door zijne hartstochten liet regeeren en, dank zijne onverstoorbare koelbloedigheid, in staat was om telkens de strikken te verijdelen die gedurig voor zijne voeten gespannen werden en waarover hij wist te triomfeeren zonder dat hij het zelf scheen te gevoelen.Na het boven gezegde zal het niet noodig zijn er bij te voegen dat hij de vrouw wier hand hij zocht, niet beminde; was zij jong en schoon, zooveel te beter; maar al ware zij oud en leelijk geweest, zou hij haar toch genomen hebben. Wat kon het hem schelen? hij zocht in dit huwelijk niets anders dan eene schitterende en benijdenswaardige partij.Kortom, bij den graaf de Lhorailles was alles berekening.Maar neen, wij vergissen ons in een enkel opzicht, de graaf de Lhorailles had ééne zwakke zijde, hij was eerzuchtig.Deze drift, een der hevigste roerselen die het menschelijk hart in beweging brengen, was misschien het eenige dat den graaf aan de maatschappij verbond.Die eerzucht was bij hem, vooral sedert de laatste maanden, tot zulk eene hoogte ontwikkeld dat hij er alles voor zou hebben opgeofferd.Maar wat was nu het doel van zijne eerzucht? wat was de eigenlijke droom zijner toekomst?Deze vraag zullen wij den lezer later waarschijnlijk tot in de kleinste bijzonderheden kunnen beantwoorden.De graaf, na zich ontkleed te hebben, ging naar bed, dat wil zeggen, wikkelde zich in zijn zarape en strekte zich op de brits, of liever het raam met lederen overtrek, dat in gansch Mexico dienen moet om onze bedden te vervangen, een meubel dat in Europa geheel onbekend is.Nauwelijks was hij gaan liggen of hij sliep in met de gerustheid[62]van een ijverig werkzaam man, voor wien ieder uur kostbaar is en die, daar hij slechts over weinige oogenblikken te beschikken heeft, zich haast om ze waar te nemen en slaapt, zoo als de Spanjaarden zeggen:a pierna suelta, hetgeen wij zouden kunnen vertalen door slapen »met gesloten vuisten.”Ten één ure des morgens, gelijk hij zich beloofd had, werd de graaf wakker, hij stak de eenigeceboaan die hem tot verlichting diende, bracht zijn toilet een weinig in orde, bekeek met zorg zijne pistolen en zijne karabijn, voelde of zijn zwaard wel vlug uit de scheede ging, en na de verdere voor iederen reiziger die op zijne veiligheid bedacht is onvermijdelijke voorzorgen, opende hij de deur der cuarto en begaf zich regelrecht naar de corral.Zijn paard vrat nog volmondig en lustig zijn laatste hapje spurrie; de graaf gaf het een maat haver toe, die het met een zacht gehinnik genoot; vervolgens legde hij zijn viervoetigen vriend den zadel op.In Mexico zal geen echt ruiter, tot welke klassedermaatschappij hij ook behoort, ooit aan anderen toevertrouwen om zijn paard te verzorgen, want in deze nog half wilde streken van Mexico hangt het lijfsbehoud van den ruiter grootendeels af van de kracht en vlugheid van zijn paard.De deur der herberg stond slechts op de klink, om den reizigers vrijheid te laten van komen of gaan naar verkiezing, zonder iemand anders in huis te verontrusten.De graaf stak eensigaarop, steeg in den zadel en reed in gestrekten draf den weg op van Guaymas naar de Rancho.Niets is aangenamer dan het reizen in Mexico bij nacht of in den vroegen morgen. De aarde, door de nachtelijke koelte met overvloedigen dauw besproeid, wasemt er de verkwikkendste en welriekendste geuren, wier heilzame invloed aan het lichaam al zijne kracht en aan den geest al zijne helderheid geeft.De maan, die weldra onder zou gaan, verlengde met haar bijna horizontaal invallend licht de schaduw der hier en daar langs den weg staande boomen, en gaf hun in de nachtelijke duisternis het aanzien van spoken.De donkerblauwe hemel was met een talloos heir van tintelende sterren bezaaid, te midden waarvan het Zuidelijk Kruis, aan hetwelk de Indianen den naam van Poron Chayké hebben gegeven, schitterde met onverdoofbaren glans. De wind schuifelde zacht door de takken, tusschen welke de blauwe nachtuil nu en dan zijn melodisch maar klagend gezang hooren liet, en waarmede zich in de diepten der wildernis het ernstig gebrul van puma en cougouar, of het hortend gemauw vanpanteren boschkat vermengde, of het schorre geblaf der op buit loerende coyotes.Bij zijn vertrek van Guaymas had de graaf zijn paard sterk aangezet, maar in weerwil van zich zelven, door den onweerstaanbaren[63]indruk van dezen verrukkelijken herfstnacht medegesleept, vertraagde hij ongemerkt den pas van zijn paard en gaf zich van lieverlede over aan den vollen stroom der gedachten, die gedurig in zijn brein opkwamen en hem weldra deden zinken in zoete mijmeringen.De afstammeling van een oud en hooghartig Fransch geslacht, hier in de woestijn alleen, liet in zijn geest den verdwenen luister van zijn sedert lang verduisterden naam voorbijgaan en zijn hart zwol van vreugd en van trots bij de gedachte, dat voor hem wellicht de taak was weggelegd, om, zoo niet den roem zijner voorzaten te herstellen, ten minste ditmaal voor altijd het fortuin zijner familie te vestigen, dat hij tot hiertoe zoozeer veronachtzaamd, althans zoo slecht had weten te bewaren.De grond, dien hij nu betrad, moest hem honderdvoudig teruggeven wat hij zoo dwaselijk verloren en verkwist had; het oogenblik was gekomen, waarop hij eindelijk vrij van alle banden de plannen zijner toekomst zou verwezenlijken, die hij zoo lang in zijn hoofd had ontworpen.Zoo reed hij stapvoets voort, midden in de wildernis en zoodanig in zijne eigene beschouwingen verdiept, dat hij geen acht sloeg op hetgeen er rondom hem gebeurde.De sterren aan den hemel begonnen te verbleeken en de een na de ander te verdwijnen. De dageraad teekende reeds een witte streep aan den uitersten horizont, die zich van lieverlede kleurde met roodachtige tinten; met de aannadering van den dag, werd de lucht koeler en frisscher, terwijl de graaf door het koude gevoel van den rijkelijk gevallen dauw der woestijn zoo te zeggen uit zijne sluimering gewekt, huiverend de plooien van zijn zarape om zijne schouders trok en zijn paard op nieuw in galop zette, met een verstoorden blik op den veranderden hemel en een wreveligen uitroep:»O! ik zal slagen, in weerwil van alles!”Verwaten uitdaging, op welke de hemel onmiddellijk scheen te willen antwoorden.Ofschoon de dag op het punt stond van aan te breken, was het alsof juist daarom de nacht, in zijne worsteling met de ochtendschemering, des te duisterder wilde worden, gelijk dit trouwens na het ondergaan der volle maan meermalen gebeurt, gedurende de weinige minuten die de verschijning der zon voorafgingen.De eerste huizen der rancho van San José begonnen zich reeds in de verte te vertoonen en hunne witte gevels in den dikken morgennevel op te steken, toen de graaf op eens kort achter zich op de keien van den weg den haastigen hoefslag van verscheidene paarden hoorde klinken, of althans meende te hooren weergalmen.In Amerika, bij nacht en op een eenzamen weg, is de ontmoeting van menschen altijd, of ten minste bijna altijd een teeken van dreigend gevaar.De graaf bleef staan om te luisteren, het geluid naderde snel.[64]De Franschman was dapper, dit had hij bij menige gelegenheid getoond; intusschen gevoelde hij weinig lust om ergens op weg onverhoeds overvallen en wellicht jammerlijk vermoord te worden.Hij keek in het rond, om zich te vergewissen hoeveel kans er was om zich te redden, in geval de aankomende ruiters vijanden mochten zijn.Het terrein was geheel kaal en effen, geen enkele boom, of kuil, of heuvel achter welke hij zich zou kunnen verschansen.Op twee honderd passen afstands verhieven zich, zooals wij reeds gezegd hebben, de eerste huizen der Rancho.De graaf nam dadelijk zijn besluit. Hij gaf zijn paard de sporen en reed in vliegenden galop in de richting van San José.Het bleek weldra dat de vreemdelingen zijn voornemen hadden geraden, want ook zij versnelden den gang hunner paarden merkelijk.Zoo verliepen een paar minuten, terwijl het gedruisch van den galop al meer en meer duidelijk werd.De Franschman begreep dus dat het op hem gemunt was, en dat de vreemde ruiters, wie zij ook wezen mochten, hem zochten in te halen.Hij wierp een blik achterwaarts, en bemerkte in de donkere verte twee schaduwen, die recht op hem aanhielden en in onbeteugelde vaart naderden.Intusschen had de graaf de Rancho bereikt; door de nabijheid der huizen gerustgesteld en niet gaarne voor een wellicht ingebeeld gevaar willende vluchten, wendde hij zijn paard plotseling om en posteerde zich dwars in de straat met een pistool in iedere hand.De vreemdelingen renden aan met onverpoosde snelheid; weldra waren zij geen twintig passen meer van den graaf verwijderd.»Wie daar?” riep hij met een luide en ferme stem.De onbekenden antwoordden niet, maar schenen nog harder door te zetten.»Wie daar?” herhaalde de graaf, »houdt op, of ik schiet.”Hij sprak dit op zulk een beslisten toon en met een zoo onverschrokken houding, dat de onbekenden, na een oogenblik aarzelens bleven staan.Zij waren met hun beiden.De dag, die meer en meer begon aan te breken, veroorloofde den graaf hen volkomen te onderscheiden. Zij waren gekleed als Mexicanen, maar vreemd voor dit land, waar de bandieten zich weinig bekommeren hun gelaat te vertoonen, waren zij gemaskerd.»Heila! bazen,” riep de graaf, »wat beduidt die hardnekkige vervolging?”»Dat is waarschijnlijk omdat wij u gaarne wilden inhalen,” antwoordde eene holle stemsarcastisch.»Hebt gij het dan op mij gemunt?”»Ja, zoo gij de vreemdeling zijt die zich de graaf de Lhorailles noemt.”[65]»Juist; ik ben de graaf de Lhorailles,” zeide hij onverschrokken.»Goed, dan hebben wij elkander een woordje te zeggen.”»Daar heb ik niets tegen, al moet ik uit uw voorkomen opmaken dat gij bandieten zijt; zoo het u misschien om mijn beurs te doen is, neemt die en gaat uws weegs, ik heb niet veel tijd.”»Uw beurs moogt gij behouden, caballero: het is uw leven, niet uw geld dat wij u willen ontnemen.”»Ah zoo! dat is hier dan eene aanranding vooraf en een moord daarna?”»Niet geraden: wij stellen u een eerlijken strijd voor.”»Hm! een eerlijken strijd,” riep de graaf, »van twee tegen een, dat is mijns inziens toch wel een weinig ongelijk.”»Daarin zoudt gij gelijk hebben, wanneer het zoo was,” antwoordde degene die tot dusver het woord had gedaan, »maar mijn kameraad is hier alleen om het gevecht aan te zien, niet om er deel aan te nemen.”De graaf bedacht zich een oogenblik.»Pardi!” riep hij ten slotte, »het is wel een raar avontuur! een duël in Mexico en met een Mexicaan!.…. dat is tot hiertoe nog nooit gezien.”»Dat is waar, caballero, maar er is een begin voor alles.”»Al scherts genoeg; ik heb er niets tegen om te strijden en hoop u te bewijzen dat ik wel durf; maar eer ik uw voorstel aanneem, zou ik gaarne weten waarom gij mij noodzaakt met u te vechten.”»Waartoe zou dat dienen?”»Waartoe zou dat dienen? Caspita! omdat ik het weten wil. Gij begrijpt wel, dat ik hier mijn tijd niet kan verspillen met al de slechthoofden den hals te breken die mij op weg ontmoeten en goedvinden om zich met mij te meten.”»Laat het u dan voldoende zijn te weten dat ik u haat.”»Caramba! daar was ik genoegzaam zeker van, maar dewijl gij er op staat om uw aangezicht voor mij te bedekken, zou ik u toch gaarne eenmaal willen herkennen.”»Al woorden genoeg,” hervatte de onbekende, »de tijd vliegt heen; wij hebben reeds veel te lang geredekaveld.”»Welnu, meester, als het er zoo mede gelegen is, houd u dan gereed ik zeg u vooruit, dat ik voornemens ben op u beiden te schieten: een Franschman is niet verlegen om twee Mexicaansche bandieten het hoofd te bieden.”»Zoo als gij goedvindt,”»Voorwaarts!”»Voorwaarts!”De drie ruiters spoorden hunne paarden en reden op elkander in; toen zij elkander ontmoetten schoten zij hunne pistolen op elkander af, daarop trokken zij hunne sabels.De strijd was kort, maar hevig; een der onbekenden, licht gewond,[66]werd door zijn paard weggevoerd en verdween in een wolk van stof. De graaf, even door een kogel geraakt, voelde zijn woede ten top gestegen en verdubbelde zijne pogingen om zijn vijand meester te worden of althans buiten gevecht te stellen; maar hij had met een moeielijken tegenstander te doen, een man van verbazende behendigheid en in kracht ten minste met hem gelijk.Hij zag zijne oogen als gloeiende kolen schitteren door de gaten van zijn masker, terwijl hij met ongelooflijke snelheid om hem heen reed en zijn paard de stoutste sprongen en wendingen deed maken, hem gedurig aanvallende, nu met de spits en dan met het scherp van zijn sabel, en tegelijk zorg dragende dat hij buiten het bereik der slagen van zijn tegenpartij bleef.De graaf verspilde tegen zijn onvermoeiden vijand zijn kracht te vergeefs; zijne bewegingen begonnen aan vaardigheid en juistheid te verliezen, zijn gezicht werd beneveld, het zweet gudste van zijne slapen. De aanvallen zijner stilzwijgende tegenpartij daarentegen werden des te sneller; de uitslag van den strijd was niet meer te betwijfelen, toen de Franschman plotseling een strik op zijne schouders voelde, en eer hij er aan dacht om er zich van te ontdoen, zoo onzacht uit den zadel gerukt en op den grond werd geworpen, dat hij bijna bewusteloos bleef liggen, zonder zich te kunnen bewegen.Den tweeden onbekende was het, na een dollen rit van eenige minuten, eindelijk gelukt zijn paard weder meester te worden; en toen met allen spoed naar de plaats van het gevecht terug gereden, zonder dat de twee verbitterde kampioenen door de hitte des strijds zijne tegenwoordigheid opmerkten, had hij het noodig geoordeeld den strijd te doen eindigen en zijn reata nemende had hij den graaf gelasseerd.Zoodra de onbekende zijn vijand zag vallen, steeg hij van zijn paard en liep naar hem toe.Zijne eerste zorg was den Franschman van den strik te bevrijden, die hem bijna worgde, vervolgens poogde hij hem weer tot bewustzijn te brengen, hetgeen niet veel tijd vorderde.»Ha!” riep de graaf met een bitteren glimlach, terwijl hij opstond en de armen op de borst kruiste, »durft gij dat een eerlijken strijd noemen?”»Gij alleen hebt de schuld van hetgeen er gebeurd is,” antwoordde de andere, »daar gij mijne voorstellen niet hebt willen aannemen.”De Franschman verwaardigde zich niet hierover te redeneeren, hij vergenoegde zich met verachtelijk de schouders op te halen.»Uw leven heb ik gewonnen,” vervolgde zijn weerpartij.»Ja, door een schelmstuk; maar wat kan het mij schelen! vermoord mij en maak er een eind aan.”»Ik wil u niet dooden.”»Wat wilt gij dan?”»U een raad geven.”[67]»Mij?”»Ja, u.”De graaf grinnikte.»Gij zijt een gek, waarde heer.”»Niet zoo erg als gij denkt. Luister aandachtig naar hetgeen ik u te zeggen heb.”»Zoo ik hopen mocht daardoor des te eerder van uwe tegenwoordigheid ontslagen te worden, zou ik het doen.”»Hoor dan,señorconde de Lhorailles, uwe komst hier te lande heeft twee personen in ’t ongeluk gestort.”»Loop heen, gij houdt mij voor den gek.”»Ik spreek in vollen ernst. Don Sylva de Torres heeft u de hand zijner dochter beloofd.”»Wat gaat u dat aan?”»Antwoord.”»Het is zoo, waarom zoude ik het loochenen?”»DoñaAnita bemint u niet.”»Hoe kunt gij dat weten?” riep de graaf met een schamperen lach.»Ik weet het, en ik weet bovendien dat zij een ander bemint.”»Welnu en wat nog meer?”»En dat die andere haar bemint.”»Des te gekker voor hem, want ik zal haar nooit afstaan, dat zweer ik u.”»Gij hebt ongelijk,señorconde, gij zult haar afstaan, of gij sterft.”»Het een zoo min als het ander!” riep de onstuimige Franschman, die thans van zijn val geheel hersteld was. »Ik herzeg u dat ik Anita zal huwen. Bemint zij mij niet, hetgeen ik echter betwijfel, welnu dat is een ongeluk; ik hoop dat zij later te mijnen opzichte wel van meening zal veranderen; ik wil dat huwelijk, en niemand is in staat het te verhinderen.”De gemaskerde had hem met de hevigste ontroering aangehoord, zijne oogen fonkelden van woede, hij stampvoette van spijt; het gelukte hem echter zijn gevoel te overmeesteren en hij antwoordde met eene kalme en bedaarde stem:»Zie wel toe wat gij doet, caballero; ik heb gezworen u te waarschuwen, en ik waarschuw u eerlijk en trouw, de Hemel geve dat mijne woorden in uw hart weerklank vinden en dat gij den raad volgen zult dien ik u geef!.… De eerste keer dat het lot ons weer bij elkander brengt, moet een van ons beiden sterven.”»Ik zal de noodige voorzorgen nemen, wees daar gerust op; intusschen doet gij verkeerd dat gij de tegenwoordige gelegenheid niet waarneemt om mij te dooden; want die zult gij nooit terug vinden.”De twee gemaskerden waren weder te paard gestegen.«Graaf de Lhorailles,» zei de eene, «wees op uw hoede.» Bladz. 67.«Graaf de Lhorailles,» zei de eene,«wees op uw hoede.»Bladz. 67.»Graaf de Lhorailles,” zei de eene, zich nogmaals tot den Franschman wendende, »wees op uwe hoede, ik heb op u een groot voordeel;[68]ik ken u en gij kent mij niet, het zal mij dus altijd gemakkelijk zijn u te bereiken, als ik dat wil. Wij Mexicanen zijn van Indiaansch en Spaansch bloed, wij zijn vurig in het haten, wees gewaarschuwd!”Na eene beleefde buiging voor den graaf barstte hij los in een spotachtigen schaterlach, gaf zijn paard de sporen en vertrok in duizelingwekkende vaart, gevolgd door zijn zwijgenden kameraad.De graaf oogde hem na met een peinzenden blik tot zij in de schemering verdwenen waren; hij schudde eenige malen het hoofd als of hij er de sombere gedachten wilde wegschudden die hem tegen wil en dank bestormden; toen raapte hij zijn sabel en hier en daar verstrooide pistolen op, nam zijn paard bij den teugel en stapte langzaam naar de pulqueria in welker nabijheid de strijd was voorgevallen.Het licht dat door de slecht gevoegde planken der deur scheen en het gezang en gelach, dat hij daar binnen hoorde deden hem veronderstellen, dat hij in de herberg nog wel een tijdelijk nachtverblijf zou vinden.»Hm!” mompelde hij half overluid terwijl hij voorttrad, »de bandiet heeft gelijk, hij kent mij, en ik zal hem onmogelijk weer kunnen vinden. Vive Dios! daar heb ik mij een mooien haat op den hals gehaald! Bah!” vervolgde hij, »wat geef ik er om! Ik was al te gelukkig, ik had een vijand noodig. Bij mijn ziel! laat men doen wat men wil, al zou de duivel zelf tegen mij samenspannen, zweer ik, dat niets mij bewegen zal de hand vandoñaAnita af te staan,”Op dit oogenblik bevond hij zich voor de pulqueria, waar hij op de deur klopte.Van nature niet zeer geduldig en bovendien vergramd door hetgeen hem overkomen was en door den vreeselijken kamp dien hij had moeten verduren, was de graaf op het punt van zijne bedreiging uit te voeren en de deur aan spaanders te breken toen zij eindelijk geopend werd.»Valge me dios?” riep hij verbolgen, »laat gij de menschen voor uw huis vermoorden zonder hun te hulp te komen.”»Zoo!” riep de pulquero levendig met zekere nieuwsgierigheid, »is er iemand vermoord?”»Neen, Goddank!” hervatte de graaf, »maar het scheelde weinig, of ik was dood.”»O!” riep de pulquero onverschillig, »als men zich wilde storen aan allen die bij nacht om hulp roepen, dan zou men de handen vol hebben, en daarbij, als de politie er achter komt, heeft men er maar last van.”De graaf haalde de schouders op en trad binnen, met zijn paard aan den toom achter zich; terwijl de deur onmiddellijk gesloten werd.De graaf de Lhorailles wist nog niet dat al wie in Mexico een lijk opneemt, of zich tegen den moordenaar civiele partij stelt, verplicht[69]is om de kosten van het gerecht, die soms enorm hoog loopen te betalen, en ten slotte toch geen verhaal of recht voor het slachtoffer kan krijgen.Men is in geheel Mexico hiervan zoo vast overtuigd, dat als er een manslag plaats heeft, iedereen zich uit de voeten maakt zonder het slachtoffer hulp te verlenen, daar dit, ingeval er de dood op volgt, voor hem die er zich mede bemoeid heeft de grootste onaangenaamheden veroorzaakt.In Sonora doet men nog erger, zoodra er een oploop is, en een doode valt, sluit iedereen zijne deur.
[Inhoud]VII.EEN TWEEGEVECHT.Het was omtrent acht ure des avonds toen de graaf de Lhorailles de woning van don Sylva de Torres verliet. De feria de Plata was toen in haar vollen luister: de straten van Guaymas waren met eene vroolijk woelende menigte bedekt: aan alle kanten verhief zich het gejuich, gezang en gelach; stapels goud blonken op de monté-tafels, en verspreidden hun geelachtigen verleidelijken gloed in het heldere schijnsel der talrijke aan alle deuren en vensters schitterende lichten; hier en daar hoorde men devihuelasenjarabesstrijken en tokkelen uit de met drinkers en dansers opgevulde pulquerias. De graaf werkte zich met schouders en ellebogen zoo snel mogelijk door de dichte groepen die hem ieder oogenblik den doortocht versperden; maar zijn pas gehouden gesprek met don Sylva had hem in een te gelukkige luim gebracht dan dat hij er aan zou gedacht hebben om boos te worden over de tallooze stooten die hij ieder oogenblik ontving.Eindelijk, na ontelbare moeielijkheden en met verlies van dubbel ja driemaal zooveel tijd als hij onder andere omstandigheden noodig zou hebben gehad, gelukte het hem tegen tien uren des avonds zijn logement te bereiken.Hij had bijna een uur noodig gehad om ongeveer zes honderd passen ver te gaan.In de meson komende, ging de graaf onmiddellijk naar de corral om zijn paard te verzorgen, dat hij twee schoven alfalfa (spurrie) gaf; na vervolgens te hebben last gegeven dat men hem ten een ure wekken zou, zoo hij, dat wel niet waarschijnlijk was, nog niet op mocht zijn, begaf hij zich naar zijncuarto(kamer) ten einde eenige uren rust te nemen.De graaf was voornemens ten een ure des morgens te vertrekken, om de hitte van den dag te vermijden en meer op zijn gemak te reizen.Bovendien, na zijn gewichtig onderhoud met don Sylva, verlangde de edele avonturier zeer om alleen te zijn, ten einde nog eens het geluk te overdenken dat hem in den afgeloopen avond was te beurt gevallen en zulk eene schoone toekomst beloofde.Sedert zijne komst in Amerika had de graaf de Lhorailles—om hier een gemeenzame uitdrukking te bezigen—met ongehoord geluk gespeeld; alles liep hem mede, alles kwam zijne wenschen en plannen te gemoet; binnen weinige maanden stond de balans van zijn fortuin als volgt: het bezit van eene kolonie, onder de gunstigste vooruitzichten gegrondvest en bereid, op den weg van vooruitgang en bloei; daarbij in het volle genot zijner nationaliteit, met volkomen vrijheid van handelen, onafhankelijk en meester van alle partijen, was hij in dienst bij het Mexicaansch gouvernement, als kapitein[61]eener vrij-kompagnie van honderd vijftig man, hem geheel toegedaan en met wier behulp hij alles, zelfs de buitensporigste ondernemingen, zoo al niet uitvoeren dan ten minste wagen kon; ten slotte op het punt van te huwen met de eenige dochter van een man, die zooveel hij kon nagaan twintig maal millionair moest zijn, en wat de zaak zeker niet erger maakte, zijne aanstaande bruid was eene allerbekoorlijkste vrouw: ziedaar in korte trekken de stand van zijn tegenwoordig fortuin.Ongelukkig of gelukkig, al naar het oogpunt waaruit de lezer verkiest onzen held te bezien, had de voorspoedige man geen gevoel of hart meer voor iets:geblaseerddoor de bedwelmende buitensporigheden van het leven in Parijs, klopte zijn boezem niet meer onder de afwisselingen van vreugde, droefheid of vrees; alles in hem was gestorven. Zoo was hij juist de man om te slagen in het land waar het toeval hem geworpen had. In den grooten levensstrijd door hem in Amerika begonnen, had hij een groot voordeel op zijne mededingers, namelijk dat hij zich nooit door zijne hartstochten liet regeeren en, dank zijne onverstoorbare koelbloedigheid, in staat was om telkens de strikken te verijdelen die gedurig voor zijne voeten gespannen werden en waarover hij wist te triomfeeren zonder dat hij het zelf scheen te gevoelen.Na het boven gezegde zal het niet noodig zijn er bij te voegen dat hij de vrouw wier hand hij zocht, niet beminde; was zij jong en schoon, zooveel te beter; maar al ware zij oud en leelijk geweest, zou hij haar toch genomen hebben. Wat kon het hem schelen? hij zocht in dit huwelijk niets anders dan eene schitterende en benijdenswaardige partij.Kortom, bij den graaf de Lhorailles was alles berekening.Maar neen, wij vergissen ons in een enkel opzicht, de graaf de Lhorailles had ééne zwakke zijde, hij was eerzuchtig.Deze drift, een der hevigste roerselen die het menschelijk hart in beweging brengen, was misschien het eenige dat den graaf aan de maatschappij verbond.Die eerzucht was bij hem, vooral sedert de laatste maanden, tot zulk eene hoogte ontwikkeld dat hij er alles voor zou hebben opgeofferd.Maar wat was nu het doel van zijne eerzucht? wat was de eigenlijke droom zijner toekomst?Deze vraag zullen wij den lezer later waarschijnlijk tot in de kleinste bijzonderheden kunnen beantwoorden.De graaf, na zich ontkleed te hebben, ging naar bed, dat wil zeggen, wikkelde zich in zijn zarape en strekte zich op de brits, of liever het raam met lederen overtrek, dat in gansch Mexico dienen moet om onze bedden te vervangen, een meubel dat in Europa geheel onbekend is.Nauwelijks was hij gaan liggen of hij sliep in met de gerustheid[62]van een ijverig werkzaam man, voor wien ieder uur kostbaar is en die, daar hij slechts over weinige oogenblikken te beschikken heeft, zich haast om ze waar te nemen en slaapt, zoo als de Spanjaarden zeggen:a pierna suelta, hetgeen wij zouden kunnen vertalen door slapen »met gesloten vuisten.”Ten één ure des morgens, gelijk hij zich beloofd had, werd de graaf wakker, hij stak de eenigeceboaan die hem tot verlichting diende, bracht zijn toilet een weinig in orde, bekeek met zorg zijne pistolen en zijne karabijn, voelde of zijn zwaard wel vlug uit de scheede ging, en na de verdere voor iederen reiziger die op zijne veiligheid bedacht is onvermijdelijke voorzorgen, opende hij de deur der cuarto en begaf zich regelrecht naar de corral.Zijn paard vrat nog volmondig en lustig zijn laatste hapje spurrie; de graaf gaf het een maat haver toe, die het met een zacht gehinnik genoot; vervolgens legde hij zijn viervoetigen vriend den zadel op.In Mexico zal geen echt ruiter, tot welke klassedermaatschappij hij ook behoort, ooit aan anderen toevertrouwen om zijn paard te verzorgen, want in deze nog half wilde streken van Mexico hangt het lijfsbehoud van den ruiter grootendeels af van de kracht en vlugheid van zijn paard.De deur der herberg stond slechts op de klink, om den reizigers vrijheid te laten van komen of gaan naar verkiezing, zonder iemand anders in huis te verontrusten.De graaf stak eensigaarop, steeg in den zadel en reed in gestrekten draf den weg op van Guaymas naar de Rancho.Niets is aangenamer dan het reizen in Mexico bij nacht of in den vroegen morgen. De aarde, door de nachtelijke koelte met overvloedigen dauw besproeid, wasemt er de verkwikkendste en welriekendste geuren, wier heilzame invloed aan het lichaam al zijne kracht en aan den geest al zijne helderheid geeft.De maan, die weldra onder zou gaan, verlengde met haar bijna horizontaal invallend licht de schaduw der hier en daar langs den weg staande boomen, en gaf hun in de nachtelijke duisternis het aanzien van spoken.De donkerblauwe hemel was met een talloos heir van tintelende sterren bezaaid, te midden waarvan het Zuidelijk Kruis, aan hetwelk de Indianen den naam van Poron Chayké hebben gegeven, schitterde met onverdoofbaren glans. De wind schuifelde zacht door de takken, tusschen welke de blauwe nachtuil nu en dan zijn melodisch maar klagend gezang hooren liet, en waarmede zich in de diepten der wildernis het ernstig gebrul van puma en cougouar, of het hortend gemauw vanpanteren boschkat vermengde, of het schorre geblaf der op buit loerende coyotes.Bij zijn vertrek van Guaymas had de graaf zijn paard sterk aangezet, maar in weerwil van zich zelven, door den onweerstaanbaren[63]indruk van dezen verrukkelijken herfstnacht medegesleept, vertraagde hij ongemerkt den pas van zijn paard en gaf zich van lieverlede over aan den vollen stroom der gedachten, die gedurig in zijn brein opkwamen en hem weldra deden zinken in zoete mijmeringen.De afstammeling van een oud en hooghartig Fransch geslacht, hier in de woestijn alleen, liet in zijn geest den verdwenen luister van zijn sedert lang verduisterden naam voorbijgaan en zijn hart zwol van vreugd en van trots bij de gedachte, dat voor hem wellicht de taak was weggelegd, om, zoo niet den roem zijner voorzaten te herstellen, ten minste ditmaal voor altijd het fortuin zijner familie te vestigen, dat hij tot hiertoe zoozeer veronachtzaamd, althans zoo slecht had weten te bewaren.De grond, dien hij nu betrad, moest hem honderdvoudig teruggeven wat hij zoo dwaselijk verloren en verkwist had; het oogenblik was gekomen, waarop hij eindelijk vrij van alle banden de plannen zijner toekomst zou verwezenlijken, die hij zoo lang in zijn hoofd had ontworpen.Zoo reed hij stapvoets voort, midden in de wildernis en zoodanig in zijne eigene beschouwingen verdiept, dat hij geen acht sloeg op hetgeen er rondom hem gebeurde.De sterren aan den hemel begonnen te verbleeken en de een na de ander te verdwijnen. De dageraad teekende reeds een witte streep aan den uitersten horizont, die zich van lieverlede kleurde met roodachtige tinten; met de aannadering van den dag, werd de lucht koeler en frisscher, terwijl de graaf door het koude gevoel van den rijkelijk gevallen dauw der woestijn zoo te zeggen uit zijne sluimering gewekt, huiverend de plooien van zijn zarape om zijne schouders trok en zijn paard op nieuw in galop zette, met een verstoorden blik op den veranderden hemel en een wreveligen uitroep:»O! ik zal slagen, in weerwil van alles!”Verwaten uitdaging, op welke de hemel onmiddellijk scheen te willen antwoorden.Ofschoon de dag op het punt stond van aan te breken, was het alsof juist daarom de nacht, in zijne worsteling met de ochtendschemering, des te duisterder wilde worden, gelijk dit trouwens na het ondergaan der volle maan meermalen gebeurt, gedurende de weinige minuten die de verschijning der zon voorafgingen.De eerste huizen der rancho van San José begonnen zich reeds in de verte te vertoonen en hunne witte gevels in den dikken morgennevel op te steken, toen de graaf op eens kort achter zich op de keien van den weg den haastigen hoefslag van verscheidene paarden hoorde klinken, of althans meende te hooren weergalmen.In Amerika, bij nacht en op een eenzamen weg, is de ontmoeting van menschen altijd, of ten minste bijna altijd een teeken van dreigend gevaar.De graaf bleef staan om te luisteren, het geluid naderde snel.[64]De Franschman was dapper, dit had hij bij menige gelegenheid getoond; intusschen gevoelde hij weinig lust om ergens op weg onverhoeds overvallen en wellicht jammerlijk vermoord te worden.Hij keek in het rond, om zich te vergewissen hoeveel kans er was om zich te redden, in geval de aankomende ruiters vijanden mochten zijn.Het terrein was geheel kaal en effen, geen enkele boom, of kuil, of heuvel achter welke hij zich zou kunnen verschansen.Op twee honderd passen afstands verhieven zich, zooals wij reeds gezegd hebben, de eerste huizen der Rancho.De graaf nam dadelijk zijn besluit. Hij gaf zijn paard de sporen en reed in vliegenden galop in de richting van San José.Het bleek weldra dat de vreemdelingen zijn voornemen hadden geraden, want ook zij versnelden den gang hunner paarden merkelijk.Zoo verliepen een paar minuten, terwijl het gedruisch van den galop al meer en meer duidelijk werd.De Franschman begreep dus dat het op hem gemunt was, en dat de vreemde ruiters, wie zij ook wezen mochten, hem zochten in te halen.Hij wierp een blik achterwaarts, en bemerkte in de donkere verte twee schaduwen, die recht op hem aanhielden en in onbeteugelde vaart naderden.Intusschen had de graaf de Rancho bereikt; door de nabijheid der huizen gerustgesteld en niet gaarne voor een wellicht ingebeeld gevaar willende vluchten, wendde hij zijn paard plotseling om en posteerde zich dwars in de straat met een pistool in iedere hand.De vreemdelingen renden aan met onverpoosde snelheid; weldra waren zij geen twintig passen meer van den graaf verwijderd.»Wie daar?” riep hij met een luide en ferme stem.De onbekenden antwoordden niet, maar schenen nog harder door te zetten.»Wie daar?” herhaalde de graaf, »houdt op, of ik schiet.”Hij sprak dit op zulk een beslisten toon en met een zoo onverschrokken houding, dat de onbekenden, na een oogenblik aarzelens bleven staan.Zij waren met hun beiden.De dag, die meer en meer begon aan te breken, veroorloofde den graaf hen volkomen te onderscheiden. Zij waren gekleed als Mexicanen, maar vreemd voor dit land, waar de bandieten zich weinig bekommeren hun gelaat te vertoonen, waren zij gemaskerd.»Heila! bazen,” riep de graaf, »wat beduidt die hardnekkige vervolging?”»Dat is waarschijnlijk omdat wij u gaarne wilden inhalen,” antwoordde eene holle stemsarcastisch.»Hebt gij het dan op mij gemunt?”»Ja, zoo gij de vreemdeling zijt die zich de graaf de Lhorailles noemt.”[65]»Juist; ik ben de graaf de Lhorailles,” zeide hij onverschrokken.»Goed, dan hebben wij elkander een woordje te zeggen.”»Daar heb ik niets tegen, al moet ik uit uw voorkomen opmaken dat gij bandieten zijt; zoo het u misschien om mijn beurs te doen is, neemt die en gaat uws weegs, ik heb niet veel tijd.”»Uw beurs moogt gij behouden, caballero: het is uw leven, niet uw geld dat wij u willen ontnemen.”»Ah zoo! dat is hier dan eene aanranding vooraf en een moord daarna?”»Niet geraden: wij stellen u een eerlijken strijd voor.”»Hm! een eerlijken strijd,” riep de graaf, »van twee tegen een, dat is mijns inziens toch wel een weinig ongelijk.”»Daarin zoudt gij gelijk hebben, wanneer het zoo was,” antwoordde degene die tot dusver het woord had gedaan, »maar mijn kameraad is hier alleen om het gevecht aan te zien, niet om er deel aan te nemen.”De graaf bedacht zich een oogenblik.»Pardi!” riep hij ten slotte, »het is wel een raar avontuur! een duël in Mexico en met een Mexicaan!.…. dat is tot hiertoe nog nooit gezien.”»Dat is waar, caballero, maar er is een begin voor alles.”»Al scherts genoeg; ik heb er niets tegen om te strijden en hoop u te bewijzen dat ik wel durf; maar eer ik uw voorstel aanneem, zou ik gaarne weten waarom gij mij noodzaakt met u te vechten.”»Waartoe zou dat dienen?”»Waartoe zou dat dienen? Caspita! omdat ik het weten wil. Gij begrijpt wel, dat ik hier mijn tijd niet kan verspillen met al de slechthoofden den hals te breken die mij op weg ontmoeten en goedvinden om zich met mij te meten.”»Laat het u dan voldoende zijn te weten dat ik u haat.”»Caramba! daar was ik genoegzaam zeker van, maar dewijl gij er op staat om uw aangezicht voor mij te bedekken, zou ik u toch gaarne eenmaal willen herkennen.”»Al woorden genoeg,” hervatte de onbekende, »de tijd vliegt heen; wij hebben reeds veel te lang geredekaveld.”»Welnu, meester, als het er zoo mede gelegen is, houd u dan gereed ik zeg u vooruit, dat ik voornemens ben op u beiden te schieten: een Franschman is niet verlegen om twee Mexicaansche bandieten het hoofd te bieden.”»Zoo als gij goedvindt,”»Voorwaarts!”»Voorwaarts!”De drie ruiters spoorden hunne paarden en reden op elkander in; toen zij elkander ontmoetten schoten zij hunne pistolen op elkander af, daarop trokken zij hunne sabels.De strijd was kort, maar hevig; een der onbekenden, licht gewond,[66]werd door zijn paard weggevoerd en verdween in een wolk van stof. De graaf, even door een kogel geraakt, voelde zijn woede ten top gestegen en verdubbelde zijne pogingen om zijn vijand meester te worden of althans buiten gevecht te stellen; maar hij had met een moeielijken tegenstander te doen, een man van verbazende behendigheid en in kracht ten minste met hem gelijk.Hij zag zijne oogen als gloeiende kolen schitteren door de gaten van zijn masker, terwijl hij met ongelooflijke snelheid om hem heen reed en zijn paard de stoutste sprongen en wendingen deed maken, hem gedurig aanvallende, nu met de spits en dan met het scherp van zijn sabel, en tegelijk zorg dragende dat hij buiten het bereik der slagen van zijn tegenpartij bleef.De graaf verspilde tegen zijn onvermoeiden vijand zijn kracht te vergeefs; zijne bewegingen begonnen aan vaardigheid en juistheid te verliezen, zijn gezicht werd beneveld, het zweet gudste van zijne slapen. De aanvallen zijner stilzwijgende tegenpartij daarentegen werden des te sneller; de uitslag van den strijd was niet meer te betwijfelen, toen de Franschman plotseling een strik op zijne schouders voelde, en eer hij er aan dacht om er zich van te ontdoen, zoo onzacht uit den zadel gerukt en op den grond werd geworpen, dat hij bijna bewusteloos bleef liggen, zonder zich te kunnen bewegen.Den tweeden onbekende was het, na een dollen rit van eenige minuten, eindelijk gelukt zijn paard weder meester te worden; en toen met allen spoed naar de plaats van het gevecht terug gereden, zonder dat de twee verbitterde kampioenen door de hitte des strijds zijne tegenwoordigheid opmerkten, had hij het noodig geoordeeld den strijd te doen eindigen en zijn reata nemende had hij den graaf gelasseerd.Zoodra de onbekende zijn vijand zag vallen, steeg hij van zijn paard en liep naar hem toe.Zijne eerste zorg was den Franschman van den strik te bevrijden, die hem bijna worgde, vervolgens poogde hij hem weer tot bewustzijn te brengen, hetgeen niet veel tijd vorderde.»Ha!” riep de graaf met een bitteren glimlach, terwijl hij opstond en de armen op de borst kruiste, »durft gij dat een eerlijken strijd noemen?”»Gij alleen hebt de schuld van hetgeen er gebeurd is,” antwoordde de andere, »daar gij mijne voorstellen niet hebt willen aannemen.”De Franschman verwaardigde zich niet hierover te redeneeren, hij vergenoegde zich met verachtelijk de schouders op te halen.»Uw leven heb ik gewonnen,” vervolgde zijn weerpartij.»Ja, door een schelmstuk; maar wat kan het mij schelen! vermoord mij en maak er een eind aan.”»Ik wil u niet dooden.”»Wat wilt gij dan?”»U een raad geven.”[67]»Mij?”»Ja, u.”De graaf grinnikte.»Gij zijt een gek, waarde heer.”»Niet zoo erg als gij denkt. Luister aandachtig naar hetgeen ik u te zeggen heb.”»Zoo ik hopen mocht daardoor des te eerder van uwe tegenwoordigheid ontslagen te worden, zou ik het doen.”»Hoor dan,señorconde de Lhorailles, uwe komst hier te lande heeft twee personen in ’t ongeluk gestort.”»Loop heen, gij houdt mij voor den gek.”»Ik spreek in vollen ernst. Don Sylva de Torres heeft u de hand zijner dochter beloofd.”»Wat gaat u dat aan?”»Antwoord.”»Het is zoo, waarom zoude ik het loochenen?”»DoñaAnita bemint u niet.”»Hoe kunt gij dat weten?” riep de graaf met een schamperen lach.»Ik weet het, en ik weet bovendien dat zij een ander bemint.”»Welnu en wat nog meer?”»En dat die andere haar bemint.”»Des te gekker voor hem, want ik zal haar nooit afstaan, dat zweer ik u.”»Gij hebt ongelijk,señorconde, gij zult haar afstaan, of gij sterft.”»Het een zoo min als het ander!” riep de onstuimige Franschman, die thans van zijn val geheel hersteld was. »Ik herzeg u dat ik Anita zal huwen. Bemint zij mij niet, hetgeen ik echter betwijfel, welnu dat is een ongeluk; ik hoop dat zij later te mijnen opzichte wel van meening zal veranderen; ik wil dat huwelijk, en niemand is in staat het te verhinderen.”De gemaskerde had hem met de hevigste ontroering aangehoord, zijne oogen fonkelden van woede, hij stampvoette van spijt; het gelukte hem echter zijn gevoel te overmeesteren en hij antwoordde met eene kalme en bedaarde stem:»Zie wel toe wat gij doet, caballero; ik heb gezworen u te waarschuwen, en ik waarschuw u eerlijk en trouw, de Hemel geve dat mijne woorden in uw hart weerklank vinden en dat gij den raad volgen zult dien ik u geef!.… De eerste keer dat het lot ons weer bij elkander brengt, moet een van ons beiden sterven.”»Ik zal de noodige voorzorgen nemen, wees daar gerust op; intusschen doet gij verkeerd dat gij de tegenwoordige gelegenheid niet waarneemt om mij te dooden; want die zult gij nooit terug vinden.”De twee gemaskerden waren weder te paard gestegen.«Graaf de Lhorailles,» zei de eene, «wees op uw hoede.» Bladz. 67.«Graaf de Lhorailles,» zei de eene,«wees op uw hoede.»Bladz. 67.»Graaf de Lhorailles,” zei de eene, zich nogmaals tot den Franschman wendende, »wees op uwe hoede, ik heb op u een groot voordeel;[68]ik ken u en gij kent mij niet, het zal mij dus altijd gemakkelijk zijn u te bereiken, als ik dat wil. Wij Mexicanen zijn van Indiaansch en Spaansch bloed, wij zijn vurig in het haten, wees gewaarschuwd!”Na eene beleefde buiging voor den graaf barstte hij los in een spotachtigen schaterlach, gaf zijn paard de sporen en vertrok in duizelingwekkende vaart, gevolgd door zijn zwijgenden kameraad.De graaf oogde hem na met een peinzenden blik tot zij in de schemering verdwenen waren; hij schudde eenige malen het hoofd als of hij er de sombere gedachten wilde wegschudden die hem tegen wil en dank bestormden; toen raapte hij zijn sabel en hier en daar verstrooide pistolen op, nam zijn paard bij den teugel en stapte langzaam naar de pulqueria in welker nabijheid de strijd was voorgevallen.Het licht dat door de slecht gevoegde planken der deur scheen en het gezang en gelach, dat hij daar binnen hoorde deden hem veronderstellen, dat hij in de herberg nog wel een tijdelijk nachtverblijf zou vinden.»Hm!” mompelde hij half overluid terwijl hij voorttrad, »de bandiet heeft gelijk, hij kent mij, en ik zal hem onmogelijk weer kunnen vinden. Vive Dios! daar heb ik mij een mooien haat op den hals gehaald! Bah!” vervolgde hij, »wat geef ik er om! Ik was al te gelukkig, ik had een vijand noodig. Bij mijn ziel! laat men doen wat men wil, al zou de duivel zelf tegen mij samenspannen, zweer ik, dat niets mij bewegen zal de hand vandoñaAnita af te staan,”Op dit oogenblik bevond hij zich voor de pulqueria, waar hij op de deur klopte.Van nature niet zeer geduldig en bovendien vergramd door hetgeen hem overkomen was en door den vreeselijken kamp dien hij had moeten verduren, was de graaf op het punt van zijne bedreiging uit te voeren en de deur aan spaanders te breken toen zij eindelijk geopend werd.»Valge me dios?” riep hij verbolgen, »laat gij de menschen voor uw huis vermoorden zonder hun te hulp te komen.”»Zoo!” riep de pulquero levendig met zekere nieuwsgierigheid, »is er iemand vermoord?”»Neen, Goddank!” hervatte de graaf, »maar het scheelde weinig, of ik was dood.”»O!” riep de pulquero onverschillig, »als men zich wilde storen aan allen die bij nacht om hulp roepen, dan zou men de handen vol hebben, en daarbij, als de politie er achter komt, heeft men er maar last van.”De graaf haalde de schouders op en trad binnen, met zijn paard aan den toom achter zich; terwijl de deur onmiddellijk gesloten werd.De graaf de Lhorailles wist nog niet dat al wie in Mexico een lijk opneemt, of zich tegen den moordenaar civiele partij stelt, verplicht[69]is om de kosten van het gerecht, die soms enorm hoog loopen te betalen, en ten slotte toch geen verhaal of recht voor het slachtoffer kan krijgen.Men is in geheel Mexico hiervan zoo vast overtuigd, dat als er een manslag plaats heeft, iedereen zich uit de voeten maakt zonder het slachtoffer hulp te verlenen, daar dit, ingeval er de dood op volgt, voor hem die er zich mede bemoeid heeft de grootste onaangenaamheden veroorzaakt.In Sonora doet men nog erger, zoodra er een oploop is, en een doode valt, sluit iedereen zijne deur.
VII.EEN TWEEGEVECHT.
Het was omtrent acht ure des avonds toen de graaf de Lhorailles de woning van don Sylva de Torres verliet. De feria de Plata was toen in haar vollen luister: de straten van Guaymas waren met eene vroolijk woelende menigte bedekt: aan alle kanten verhief zich het gejuich, gezang en gelach; stapels goud blonken op de monté-tafels, en verspreidden hun geelachtigen verleidelijken gloed in het heldere schijnsel der talrijke aan alle deuren en vensters schitterende lichten; hier en daar hoorde men devihuelasenjarabesstrijken en tokkelen uit de met drinkers en dansers opgevulde pulquerias. De graaf werkte zich met schouders en ellebogen zoo snel mogelijk door de dichte groepen die hem ieder oogenblik den doortocht versperden; maar zijn pas gehouden gesprek met don Sylva had hem in een te gelukkige luim gebracht dan dat hij er aan zou gedacht hebben om boos te worden over de tallooze stooten die hij ieder oogenblik ontving.Eindelijk, na ontelbare moeielijkheden en met verlies van dubbel ja driemaal zooveel tijd als hij onder andere omstandigheden noodig zou hebben gehad, gelukte het hem tegen tien uren des avonds zijn logement te bereiken.Hij had bijna een uur noodig gehad om ongeveer zes honderd passen ver te gaan.In de meson komende, ging de graaf onmiddellijk naar de corral om zijn paard te verzorgen, dat hij twee schoven alfalfa (spurrie) gaf; na vervolgens te hebben last gegeven dat men hem ten een ure wekken zou, zoo hij, dat wel niet waarschijnlijk was, nog niet op mocht zijn, begaf hij zich naar zijncuarto(kamer) ten einde eenige uren rust te nemen.De graaf was voornemens ten een ure des morgens te vertrekken, om de hitte van den dag te vermijden en meer op zijn gemak te reizen.Bovendien, na zijn gewichtig onderhoud met don Sylva, verlangde de edele avonturier zeer om alleen te zijn, ten einde nog eens het geluk te overdenken dat hem in den afgeloopen avond was te beurt gevallen en zulk eene schoone toekomst beloofde.Sedert zijne komst in Amerika had de graaf de Lhorailles—om hier een gemeenzame uitdrukking te bezigen—met ongehoord geluk gespeeld; alles liep hem mede, alles kwam zijne wenschen en plannen te gemoet; binnen weinige maanden stond de balans van zijn fortuin als volgt: het bezit van eene kolonie, onder de gunstigste vooruitzichten gegrondvest en bereid, op den weg van vooruitgang en bloei; daarbij in het volle genot zijner nationaliteit, met volkomen vrijheid van handelen, onafhankelijk en meester van alle partijen, was hij in dienst bij het Mexicaansch gouvernement, als kapitein[61]eener vrij-kompagnie van honderd vijftig man, hem geheel toegedaan en met wier behulp hij alles, zelfs de buitensporigste ondernemingen, zoo al niet uitvoeren dan ten minste wagen kon; ten slotte op het punt van te huwen met de eenige dochter van een man, die zooveel hij kon nagaan twintig maal millionair moest zijn, en wat de zaak zeker niet erger maakte, zijne aanstaande bruid was eene allerbekoorlijkste vrouw: ziedaar in korte trekken de stand van zijn tegenwoordig fortuin.Ongelukkig of gelukkig, al naar het oogpunt waaruit de lezer verkiest onzen held te bezien, had de voorspoedige man geen gevoel of hart meer voor iets:geblaseerddoor de bedwelmende buitensporigheden van het leven in Parijs, klopte zijn boezem niet meer onder de afwisselingen van vreugde, droefheid of vrees; alles in hem was gestorven. Zoo was hij juist de man om te slagen in het land waar het toeval hem geworpen had. In den grooten levensstrijd door hem in Amerika begonnen, had hij een groot voordeel op zijne mededingers, namelijk dat hij zich nooit door zijne hartstochten liet regeeren en, dank zijne onverstoorbare koelbloedigheid, in staat was om telkens de strikken te verijdelen die gedurig voor zijne voeten gespannen werden en waarover hij wist te triomfeeren zonder dat hij het zelf scheen te gevoelen.Na het boven gezegde zal het niet noodig zijn er bij te voegen dat hij de vrouw wier hand hij zocht, niet beminde; was zij jong en schoon, zooveel te beter; maar al ware zij oud en leelijk geweest, zou hij haar toch genomen hebben. Wat kon het hem schelen? hij zocht in dit huwelijk niets anders dan eene schitterende en benijdenswaardige partij.Kortom, bij den graaf de Lhorailles was alles berekening.Maar neen, wij vergissen ons in een enkel opzicht, de graaf de Lhorailles had ééne zwakke zijde, hij was eerzuchtig.Deze drift, een der hevigste roerselen die het menschelijk hart in beweging brengen, was misschien het eenige dat den graaf aan de maatschappij verbond.Die eerzucht was bij hem, vooral sedert de laatste maanden, tot zulk eene hoogte ontwikkeld dat hij er alles voor zou hebben opgeofferd.Maar wat was nu het doel van zijne eerzucht? wat was de eigenlijke droom zijner toekomst?Deze vraag zullen wij den lezer later waarschijnlijk tot in de kleinste bijzonderheden kunnen beantwoorden.De graaf, na zich ontkleed te hebben, ging naar bed, dat wil zeggen, wikkelde zich in zijn zarape en strekte zich op de brits, of liever het raam met lederen overtrek, dat in gansch Mexico dienen moet om onze bedden te vervangen, een meubel dat in Europa geheel onbekend is.Nauwelijks was hij gaan liggen of hij sliep in met de gerustheid[62]van een ijverig werkzaam man, voor wien ieder uur kostbaar is en die, daar hij slechts over weinige oogenblikken te beschikken heeft, zich haast om ze waar te nemen en slaapt, zoo als de Spanjaarden zeggen:a pierna suelta, hetgeen wij zouden kunnen vertalen door slapen »met gesloten vuisten.”Ten één ure des morgens, gelijk hij zich beloofd had, werd de graaf wakker, hij stak de eenigeceboaan die hem tot verlichting diende, bracht zijn toilet een weinig in orde, bekeek met zorg zijne pistolen en zijne karabijn, voelde of zijn zwaard wel vlug uit de scheede ging, en na de verdere voor iederen reiziger die op zijne veiligheid bedacht is onvermijdelijke voorzorgen, opende hij de deur der cuarto en begaf zich regelrecht naar de corral.Zijn paard vrat nog volmondig en lustig zijn laatste hapje spurrie; de graaf gaf het een maat haver toe, die het met een zacht gehinnik genoot; vervolgens legde hij zijn viervoetigen vriend den zadel op.In Mexico zal geen echt ruiter, tot welke klassedermaatschappij hij ook behoort, ooit aan anderen toevertrouwen om zijn paard te verzorgen, want in deze nog half wilde streken van Mexico hangt het lijfsbehoud van den ruiter grootendeels af van de kracht en vlugheid van zijn paard.De deur der herberg stond slechts op de klink, om den reizigers vrijheid te laten van komen of gaan naar verkiezing, zonder iemand anders in huis te verontrusten.De graaf stak eensigaarop, steeg in den zadel en reed in gestrekten draf den weg op van Guaymas naar de Rancho.Niets is aangenamer dan het reizen in Mexico bij nacht of in den vroegen morgen. De aarde, door de nachtelijke koelte met overvloedigen dauw besproeid, wasemt er de verkwikkendste en welriekendste geuren, wier heilzame invloed aan het lichaam al zijne kracht en aan den geest al zijne helderheid geeft.De maan, die weldra onder zou gaan, verlengde met haar bijna horizontaal invallend licht de schaduw der hier en daar langs den weg staande boomen, en gaf hun in de nachtelijke duisternis het aanzien van spoken.De donkerblauwe hemel was met een talloos heir van tintelende sterren bezaaid, te midden waarvan het Zuidelijk Kruis, aan hetwelk de Indianen den naam van Poron Chayké hebben gegeven, schitterde met onverdoofbaren glans. De wind schuifelde zacht door de takken, tusschen welke de blauwe nachtuil nu en dan zijn melodisch maar klagend gezang hooren liet, en waarmede zich in de diepten der wildernis het ernstig gebrul van puma en cougouar, of het hortend gemauw vanpanteren boschkat vermengde, of het schorre geblaf der op buit loerende coyotes.Bij zijn vertrek van Guaymas had de graaf zijn paard sterk aangezet, maar in weerwil van zich zelven, door den onweerstaanbaren[63]indruk van dezen verrukkelijken herfstnacht medegesleept, vertraagde hij ongemerkt den pas van zijn paard en gaf zich van lieverlede over aan den vollen stroom der gedachten, die gedurig in zijn brein opkwamen en hem weldra deden zinken in zoete mijmeringen.De afstammeling van een oud en hooghartig Fransch geslacht, hier in de woestijn alleen, liet in zijn geest den verdwenen luister van zijn sedert lang verduisterden naam voorbijgaan en zijn hart zwol van vreugd en van trots bij de gedachte, dat voor hem wellicht de taak was weggelegd, om, zoo niet den roem zijner voorzaten te herstellen, ten minste ditmaal voor altijd het fortuin zijner familie te vestigen, dat hij tot hiertoe zoozeer veronachtzaamd, althans zoo slecht had weten te bewaren.De grond, dien hij nu betrad, moest hem honderdvoudig teruggeven wat hij zoo dwaselijk verloren en verkwist had; het oogenblik was gekomen, waarop hij eindelijk vrij van alle banden de plannen zijner toekomst zou verwezenlijken, die hij zoo lang in zijn hoofd had ontworpen.Zoo reed hij stapvoets voort, midden in de wildernis en zoodanig in zijne eigene beschouwingen verdiept, dat hij geen acht sloeg op hetgeen er rondom hem gebeurde.De sterren aan den hemel begonnen te verbleeken en de een na de ander te verdwijnen. De dageraad teekende reeds een witte streep aan den uitersten horizont, die zich van lieverlede kleurde met roodachtige tinten; met de aannadering van den dag, werd de lucht koeler en frisscher, terwijl de graaf door het koude gevoel van den rijkelijk gevallen dauw der woestijn zoo te zeggen uit zijne sluimering gewekt, huiverend de plooien van zijn zarape om zijne schouders trok en zijn paard op nieuw in galop zette, met een verstoorden blik op den veranderden hemel en een wreveligen uitroep:»O! ik zal slagen, in weerwil van alles!”Verwaten uitdaging, op welke de hemel onmiddellijk scheen te willen antwoorden.Ofschoon de dag op het punt stond van aan te breken, was het alsof juist daarom de nacht, in zijne worsteling met de ochtendschemering, des te duisterder wilde worden, gelijk dit trouwens na het ondergaan der volle maan meermalen gebeurt, gedurende de weinige minuten die de verschijning der zon voorafgingen.De eerste huizen der rancho van San José begonnen zich reeds in de verte te vertoonen en hunne witte gevels in den dikken morgennevel op te steken, toen de graaf op eens kort achter zich op de keien van den weg den haastigen hoefslag van verscheidene paarden hoorde klinken, of althans meende te hooren weergalmen.In Amerika, bij nacht en op een eenzamen weg, is de ontmoeting van menschen altijd, of ten minste bijna altijd een teeken van dreigend gevaar.De graaf bleef staan om te luisteren, het geluid naderde snel.[64]De Franschman was dapper, dit had hij bij menige gelegenheid getoond; intusschen gevoelde hij weinig lust om ergens op weg onverhoeds overvallen en wellicht jammerlijk vermoord te worden.Hij keek in het rond, om zich te vergewissen hoeveel kans er was om zich te redden, in geval de aankomende ruiters vijanden mochten zijn.Het terrein was geheel kaal en effen, geen enkele boom, of kuil, of heuvel achter welke hij zich zou kunnen verschansen.Op twee honderd passen afstands verhieven zich, zooals wij reeds gezegd hebben, de eerste huizen der Rancho.De graaf nam dadelijk zijn besluit. Hij gaf zijn paard de sporen en reed in vliegenden galop in de richting van San José.Het bleek weldra dat de vreemdelingen zijn voornemen hadden geraden, want ook zij versnelden den gang hunner paarden merkelijk.Zoo verliepen een paar minuten, terwijl het gedruisch van den galop al meer en meer duidelijk werd.De Franschman begreep dus dat het op hem gemunt was, en dat de vreemde ruiters, wie zij ook wezen mochten, hem zochten in te halen.Hij wierp een blik achterwaarts, en bemerkte in de donkere verte twee schaduwen, die recht op hem aanhielden en in onbeteugelde vaart naderden.Intusschen had de graaf de Rancho bereikt; door de nabijheid der huizen gerustgesteld en niet gaarne voor een wellicht ingebeeld gevaar willende vluchten, wendde hij zijn paard plotseling om en posteerde zich dwars in de straat met een pistool in iedere hand.De vreemdelingen renden aan met onverpoosde snelheid; weldra waren zij geen twintig passen meer van den graaf verwijderd.»Wie daar?” riep hij met een luide en ferme stem.De onbekenden antwoordden niet, maar schenen nog harder door te zetten.»Wie daar?” herhaalde de graaf, »houdt op, of ik schiet.”Hij sprak dit op zulk een beslisten toon en met een zoo onverschrokken houding, dat de onbekenden, na een oogenblik aarzelens bleven staan.Zij waren met hun beiden.De dag, die meer en meer begon aan te breken, veroorloofde den graaf hen volkomen te onderscheiden. Zij waren gekleed als Mexicanen, maar vreemd voor dit land, waar de bandieten zich weinig bekommeren hun gelaat te vertoonen, waren zij gemaskerd.»Heila! bazen,” riep de graaf, »wat beduidt die hardnekkige vervolging?”»Dat is waarschijnlijk omdat wij u gaarne wilden inhalen,” antwoordde eene holle stemsarcastisch.»Hebt gij het dan op mij gemunt?”»Ja, zoo gij de vreemdeling zijt die zich de graaf de Lhorailles noemt.”[65]»Juist; ik ben de graaf de Lhorailles,” zeide hij onverschrokken.»Goed, dan hebben wij elkander een woordje te zeggen.”»Daar heb ik niets tegen, al moet ik uit uw voorkomen opmaken dat gij bandieten zijt; zoo het u misschien om mijn beurs te doen is, neemt die en gaat uws weegs, ik heb niet veel tijd.”»Uw beurs moogt gij behouden, caballero: het is uw leven, niet uw geld dat wij u willen ontnemen.”»Ah zoo! dat is hier dan eene aanranding vooraf en een moord daarna?”»Niet geraden: wij stellen u een eerlijken strijd voor.”»Hm! een eerlijken strijd,” riep de graaf, »van twee tegen een, dat is mijns inziens toch wel een weinig ongelijk.”»Daarin zoudt gij gelijk hebben, wanneer het zoo was,” antwoordde degene die tot dusver het woord had gedaan, »maar mijn kameraad is hier alleen om het gevecht aan te zien, niet om er deel aan te nemen.”De graaf bedacht zich een oogenblik.»Pardi!” riep hij ten slotte, »het is wel een raar avontuur! een duël in Mexico en met een Mexicaan!.…. dat is tot hiertoe nog nooit gezien.”»Dat is waar, caballero, maar er is een begin voor alles.”»Al scherts genoeg; ik heb er niets tegen om te strijden en hoop u te bewijzen dat ik wel durf; maar eer ik uw voorstel aanneem, zou ik gaarne weten waarom gij mij noodzaakt met u te vechten.”»Waartoe zou dat dienen?”»Waartoe zou dat dienen? Caspita! omdat ik het weten wil. Gij begrijpt wel, dat ik hier mijn tijd niet kan verspillen met al de slechthoofden den hals te breken die mij op weg ontmoeten en goedvinden om zich met mij te meten.”»Laat het u dan voldoende zijn te weten dat ik u haat.”»Caramba! daar was ik genoegzaam zeker van, maar dewijl gij er op staat om uw aangezicht voor mij te bedekken, zou ik u toch gaarne eenmaal willen herkennen.”»Al woorden genoeg,” hervatte de onbekende, »de tijd vliegt heen; wij hebben reeds veel te lang geredekaveld.”»Welnu, meester, als het er zoo mede gelegen is, houd u dan gereed ik zeg u vooruit, dat ik voornemens ben op u beiden te schieten: een Franschman is niet verlegen om twee Mexicaansche bandieten het hoofd te bieden.”»Zoo als gij goedvindt,”»Voorwaarts!”»Voorwaarts!”De drie ruiters spoorden hunne paarden en reden op elkander in; toen zij elkander ontmoetten schoten zij hunne pistolen op elkander af, daarop trokken zij hunne sabels.De strijd was kort, maar hevig; een der onbekenden, licht gewond,[66]werd door zijn paard weggevoerd en verdween in een wolk van stof. De graaf, even door een kogel geraakt, voelde zijn woede ten top gestegen en verdubbelde zijne pogingen om zijn vijand meester te worden of althans buiten gevecht te stellen; maar hij had met een moeielijken tegenstander te doen, een man van verbazende behendigheid en in kracht ten minste met hem gelijk.Hij zag zijne oogen als gloeiende kolen schitteren door de gaten van zijn masker, terwijl hij met ongelooflijke snelheid om hem heen reed en zijn paard de stoutste sprongen en wendingen deed maken, hem gedurig aanvallende, nu met de spits en dan met het scherp van zijn sabel, en tegelijk zorg dragende dat hij buiten het bereik der slagen van zijn tegenpartij bleef.De graaf verspilde tegen zijn onvermoeiden vijand zijn kracht te vergeefs; zijne bewegingen begonnen aan vaardigheid en juistheid te verliezen, zijn gezicht werd beneveld, het zweet gudste van zijne slapen. De aanvallen zijner stilzwijgende tegenpartij daarentegen werden des te sneller; de uitslag van den strijd was niet meer te betwijfelen, toen de Franschman plotseling een strik op zijne schouders voelde, en eer hij er aan dacht om er zich van te ontdoen, zoo onzacht uit den zadel gerukt en op den grond werd geworpen, dat hij bijna bewusteloos bleef liggen, zonder zich te kunnen bewegen.Den tweeden onbekende was het, na een dollen rit van eenige minuten, eindelijk gelukt zijn paard weder meester te worden; en toen met allen spoed naar de plaats van het gevecht terug gereden, zonder dat de twee verbitterde kampioenen door de hitte des strijds zijne tegenwoordigheid opmerkten, had hij het noodig geoordeeld den strijd te doen eindigen en zijn reata nemende had hij den graaf gelasseerd.Zoodra de onbekende zijn vijand zag vallen, steeg hij van zijn paard en liep naar hem toe.Zijne eerste zorg was den Franschman van den strik te bevrijden, die hem bijna worgde, vervolgens poogde hij hem weer tot bewustzijn te brengen, hetgeen niet veel tijd vorderde.»Ha!” riep de graaf met een bitteren glimlach, terwijl hij opstond en de armen op de borst kruiste, »durft gij dat een eerlijken strijd noemen?”»Gij alleen hebt de schuld van hetgeen er gebeurd is,” antwoordde de andere, »daar gij mijne voorstellen niet hebt willen aannemen.”De Franschman verwaardigde zich niet hierover te redeneeren, hij vergenoegde zich met verachtelijk de schouders op te halen.»Uw leven heb ik gewonnen,” vervolgde zijn weerpartij.»Ja, door een schelmstuk; maar wat kan het mij schelen! vermoord mij en maak er een eind aan.”»Ik wil u niet dooden.”»Wat wilt gij dan?”»U een raad geven.”[67]»Mij?”»Ja, u.”De graaf grinnikte.»Gij zijt een gek, waarde heer.”»Niet zoo erg als gij denkt. Luister aandachtig naar hetgeen ik u te zeggen heb.”»Zoo ik hopen mocht daardoor des te eerder van uwe tegenwoordigheid ontslagen te worden, zou ik het doen.”»Hoor dan,señorconde de Lhorailles, uwe komst hier te lande heeft twee personen in ’t ongeluk gestort.”»Loop heen, gij houdt mij voor den gek.”»Ik spreek in vollen ernst. Don Sylva de Torres heeft u de hand zijner dochter beloofd.”»Wat gaat u dat aan?”»Antwoord.”»Het is zoo, waarom zoude ik het loochenen?”»DoñaAnita bemint u niet.”»Hoe kunt gij dat weten?” riep de graaf met een schamperen lach.»Ik weet het, en ik weet bovendien dat zij een ander bemint.”»Welnu en wat nog meer?”»En dat die andere haar bemint.”»Des te gekker voor hem, want ik zal haar nooit afstaan, dat zweer ik u.”»Gij hebt ongelijk,señorconde, gij zult haar afstaan, of gij sterft.”»Het een zoo min als het ander!” riep de onstuimige Franschman, die thans van zijn val geheel hersteld was. »Ik herzeg u dat ik Anita zal huwen. Bemint zij mij niet, hetgeen ik echter betwijfel, welnu dat is een ongeluk; ik hoop dat zij later te mijnen opzichte wel van meening zal veranderen; ik wil dat huwelijk, en niemand is in staat het te verhinderen.”De gemaskerde had hem met de hevigste ontroering aangehoord, zijne oogen fonkelden van woede, hij stampvoette van spijt; het gelukte hem echter zijn gevoel te overmeesteren en hij antwoordde met eene kalme en bedaarde stem:»Zie wel toe wat gij doet, caballero; ik heb gezworen u te waarschuwen, en ik waarschuw u eerlijk en trouw, de Hemel geve dat mijne woorden in uw hart weerklank vinden en dat gij den raad volgen zult dien ik u geef!.… De eerste keer dat het lot ons weer bij elkander brengt, moet een van ons beiden sterven.”»Ik zal de noodige voorzorgen nemen, wees daar gerust op; intusschen doet gij verkeerd dat gij de tegenwoordige gelegenheid niet waarneemt om mij te dooden; want die zult gij nooit terug vinden.”De twee gemaskerden waren weder te paard gestegen.«Graaf de Lhorailles,» zei de eene, «wees op uw hoede.» Bladz. 67.«Graaf de Lhorailles,» zei de eene,«wees op uw hoede.»Bladz. 67.»Graaf de Lhorailles,” zei de eene, zich nogmaals tot den Franschman wendende, »wees op uwe hoede, ik heb op u een groot voordeel;[68]ik ken u en gij kent mij niet, het zal mij dus altijd gemakkelijk zijn u te bereiken, als ik dat wil. Wij Mexicanen zijn van Indiaansch en Spaansch bloed, wij zijn vurig in het haten, wees gewaarschuwd!”Na eene beleefde buiging voor den graaf barstte hij los in een spotachtigen schaterlach, gaf zijn paard de sporen en vertrok in duizelingwekkende vaart, gevolgd door zijn zwijgenden kameraad.De graaf oogde hem na met een peinzenden blik tot zij in de schemering verdwenen waren; hij schudde eenige malen het hoofd als of hij er de sombere gedachten wilde wegschudden die hem tegen wil en dank bestormden; toen raapte hij zijn sabel en hier en daar verstrooide pistolen op, nam zijn paard bij den teugel en stapte langzaam naar de pulqueria in welker nabijheid de strijd was voorgevallen.Het licht dat door de slecht gevoegde planken der deur scheen en het gezang en gelach, dat hij daar binnen hoorde deden hem veronderstellen, dat hij in de herberg nog wel een tijdelijk nachtverblijf zou vinden.»Hm!” mompelde hij half overluid terwijl hij voorttrad, »de bandiet heeft gelijk, hij kent mij, en ik zal hem onmogelijk weer kunnen vinden. Vive Dios! daar heb ik mij een mooien haat op den hals gehaald! Bah!” vervolgde hij, »wat geef ik er om! Ik was al te gelukkig, ik had een vijand noodig. Bij mijn ziel! laat men doen wat men wil, al zou de duivel zelf tegen mij samenspannen, zweer ik, dat niets mij bewegen zal de hand vandoñaAnita af te staan,”Op dit oogenblik bevond hij zich voor de pulqueria, waar hij op de deur klopte.Van nature niet zeer geduldig en bovendien vergramd door hetgeen hem overkomen was en door den vreeselijken kamp dien hij had moeten verduren, was de graaf op het punt van zijne bedreiging uit te voeren en de deur aan spaanders te breken toen zij eindelijk geopend werd.»Valge me dios?” riep hij verbolgen, »laat gij de menschen voor uw huis vermoorden zonder hun te hulp te komen.”»Zoo!” riep de pulquero levendig met zekere nieuwsgierigheid, »is er iemand vermoord?”»Neen, Goddank!” hervatte de graaf, »maar het scheelde weinig, of ik was dood.”»O!” riep de pulquero onverschillig, »als men zich wilde storen aan allen die bij nacht om hulp roepen, dan zou men de handen vol hebben, en daarbij, als de politie er achter komt, heeft men er maar last van.”De graaf haalde de schouders op en trad binnen, met zijn paard aan den toom achter zich; terwijl de deur onmiddellijk gesloten werd.De graaf de Lhorailles wist nog niet dat al wie in Mexico een lijk opneemt, of zich tegen den moordenaar civiele partij stelt, verplicht[69]is om de kosten van het gerecht, die soms enorm hoog loopen te betalen, en ten slotte toch geen verhaal of recht voor het slachtoffer kan krijgen.Men is in geheel Mexico hiervan zoo vast overtuigd, dat als er een manslag plaats heeft, iedereen zich uit de voeten maakt zonder het slachtoffer hulp te verlenen, daar dit, ingeval er de dood op volgt, voor hem die er zich mede bemoeid heeft de grootste onaangenaamheden veroorzaakt.In Sonora doet men nog erger, zoodra er een oploop is, en een doode valt, sluit iedereen zijne deur.
Het was omtrent acht ure des avonds toen de graaf de Lhorailles de woning van don Sylva de Torres verliet. De feria de Plata was toen in haar vollen luister: de straten van Guaymas waren met eene vroolijk woelende menigte bedekt: aan alle kanten verhief zich het gejuich, gezang en gelach; stapels goud blonken op de monté-tafels, en verspreidden hun geelachtigen verleidelijken gloed in het heldere schijnsel der talrijke aan alle deuren en vensters schitterende lichten; hier en daar hoorde men devihuelasenjarabesstrijken en tokkelen uit de met drinkers en dansers opgevulde pulquerias. De graaf werkte zich met schouders en ellebogen zoo snel mogelijk door de dichte groepen die hem ieder oogenblik den doortocht versperden; maar zijn pas gehouden gesprek met don Sylva had hem in een te gelukkige luim gebracht dan dat hij er aan zou gedacht hebben om boos te worden over de tallooze stooten die hij ieder oogenblik ontving.
Eindelijk, na ontelbare moeielijkheden en met verlies van dubbel ja driemaal zooveel tijd als hij onder andere omstandigheden noodig zou hebben gehad, gelukte het hem tegen tien uren des avonds zijn logement te bereiken.
Hij had bijna een uur noodig gehad om ongeveer zes honderd passen ver te gaan.
In de meson komende, ging de graaf onmiddellijk naar de corral om zijn paard te verzorgen, dat hij twee schoven alfalfa (spurrie) gaf; na vervolgens te hebben last gegeven dat men hem ten een ure wekken zou, zoo hij, dat wel niet waarschijnlijk was, nog niet op mocht zijn, begaf hij zich naar zijncuarto(kamer) ten einde eenige uren rust te nemen.
De graaf was voornemens ten een ure des morgens te vertrekken, om de hitte van den dag te vermijden en meer op zijn gemak te reizen.
Bovendien, na zijn gewichtig onderhoud met don Sylva, verlangde de edele avonturier zeer om alleen te zijn, ten einde nog eens het geluk te overdenken dat hem in den afgeloopen avond was te beurt gevallen en zulk eene schoone toekomst beloofde.
Sedert zijne komst in Amerika had de graaf de Lhorailles—om hier een gemeenzame uitdrukking te bezigen—met ongehoord geluk gespeeld; alles liep hem mede, alles kwam zijne wenschen en plannen te gemoet; binnen weinige maanden stond de balans van zijn fortuin als volgt: het bezit van eene kolonie, onder de gunstigste vooruitzichten gegrondvest en bereid, op den weg van vooruitgang en bloei; daarbij in het volle genot zijner nationaliteit, met volkomen vrijheid van handelen, onafhankelijk en meester van alle partijen, was hij in dienst bij het Mexicaansch gouvernement, als kapitein[61]eener vrij-kompagnie van honderd vijftig man, hem geheel toegedaan en met wier behulp hij alles, zelfs de buitensporigste ondernemingen, zoo al niet uitvoeren dan ten minste wagen kon; ten slotte op het punt van te huwen met de eenige dochter van een man, die zooveel hij kon nagaan twintig maal millionair moest zijn, en wat de zaak zeker niet erger maakte, zijne aanstaande bruid was eene allerbekoorlijkste vrouw: ziedaar in korte trekken de stand van zijn tegenwoordig fortuin.
Ongelukkig of gelukkig, al naar het oogpunt waaruit de lezer verkiest onzen held te bezien, had de voorspoedige man geen gevoel of hart meer voor iets:geblaseerddoor de bedwelmende buitensporigheden van het leven in Parijs, klopte zijn boezem niet meer onder de afwisselingen van vreugde, droefheid of vrees; alles in hem was gestorven. Zoo was hij juist de man om te slagen in het land waar het toeval hem geworpen had. In den grooten levensstrijd door hem in Amerika begonnen, had hij een groot voordeel op zijne mededingers, namelijk dat hij zich nooit door zijne hartstochten liet regeeren en, dank zijne onverstoorbare koelbloedigheid, in staat was om telkens de strikken te verijdelen die gedurig voor zijne voeten gespannen werden en waarover hij wist te triomfeeren zonder dat hij het zelf scheen te gevoelen.
Na het boven gezegde zal het niet noodig zijn er bij te voegen dat hij de vrouw wier hand hij zocht, niet beminde; was zij jong en schoon, zooveel te beter; maar al ware zij oud en leelijk geweest, zou hij haar toch genomen hebben. Wat kon het hem schelen? hij zocht in dit huwelijk niets anders dan eene schitterende en benijdenswaardige partij.
Kortom, bij den graaf de Lhorailles was alles berekening.
Maar neen, wij vergissen ons in een enkel opzicht, de graaf de Lhorailles had ééne zwakke zijde, hij was eerzuchtig.
Deze drift, een der hevigste roerselen die het menschelijk hart in beweging brengen, was misschien het eenige dat den graaf aan de maatschappij verbond.
Die eerzucht was bij hem, vooral sedert de laatste maanden, tot zulk eene hoogte ontwikkeld dat hij er alles voor zou hebben opgeofferd.
Maar wat was nu het doel van zijne eerzucht? wat was de eigenlijke droom zijner toekomst?
Deze vraag zullen wij den lezer later waarschijnlijk tot in de kleinste bijzonderheden kunnen beantwoorden.
De graaf, na zich ontkleed te hebben, ging naar bed, dat wil zeggen, wikkelde zich in zijn zarape en strekte zich op de brits, of liever het raam met lederen overtrek, dat in gansch Mexico dienen moet om onze bedden te vervangen, een meubel dat in Europa geheel onbekend is.
Nauwelijks was hij gaan liggen of hij sliep in met de gerustheid[62]van een ijverig werkzaam man, voor wien ieder uur kostbaar is en die, daar hij slechts over weinige oogenblikken te beschikken heeft, zich haast om ze waar te nemen en slaapt, zoo als de Spanjaarden zeggen:a pierna suelta, hetgeen wij zouden kunnen vertalen door slapen »met gesloten vuisten.”
Ten één ure des morgens, gelijk hij zich beloofd had, werd de graaf wakker, hij stak de eenigeceboaan die hem tot verlichting diende, bracht zijn toilet een weinig in orde, bekeek met zorg zijne pistolen en zijne karabijn, voelde of zijn zwaard wel vlug uit de scheede ging, en na de verdere voor iederen reiziger die op zijne veiligheid bedacht is onvermijdelijke voorzorgen, opende hij de deur der cuarto en begaf zich regelrecht naar de corral.
Zijn paard vrat nog volmondig en lustig zijn laatste hapje spurrie; de graaf gaf het een maat haver toe, die het met een zacht gehinnik genoot; vervolgens legde hij zijn viervoetigen vriend den zadel op.
In Mexico zal geen echt ruiter, tot welke klassedermaatschappij hij ook behoort, ooit aan anderen toevertrouwen om zijn paard te verzorgen, want in deze nog half wilde streken van Mexico hangt het lijfsbehoud van den ruiter grootendeels af van de kracht en vlugheid van zijn paard.
De deur der herberg stond slechts op de klink, om den reizigers vrijheid te laten van komen of gaan naar verkiezing, zonder iemand anders in huis te verontrusten.
De graaf stak eensigaarop, steeg in den zadel en reed in gestrekten draf den weg op van Guaymas naar de Rancho.
Niets is aangenamer dan het reizen in Mexico bij nacht of in den vroegen morgen. De aarde, door de nachtelijke koelte met overvloedigen dauw besproeid, wasemt er de verkwikkendste en welriekendste geuren, wier heilzame invloed aan het lichaam al zijne kracht en aan den geest al zijne helderheid geeft.
De maan, die weldra onder zou gaan, verlengde met haar bijna horizontaal invallend licht de schaduw der hier en daar langs den weg staande boomen, en gaf hun in de nachtelijke duisternis het aanzien van spoken.
De donkerblauwe hemel was met een talloos heir van tintelende sterren bezaaid, te midden waarvan het Zuidelijk Kruis, aan hetwelk de Indianen den naam van Poron Chayké hebben gegeven, schitterde met onverdoofbaren glans. De wind schuifelde zacht door de takken, tusschen welke de blauwe nachtuil nu en dan zijn melodisch maar klagend gezang hooren liet, en waarmede zich in de diepten der wildernis het ernstig gebrul van puma en cougouar, of het hortend gemauw vanpanteren boschkat vermengde, of het schorre geblaf der op buit loerende coyotes.
Bij zijn vertrek van Guaymas had de graaf zijn paard sterk aangezet, maar in weerwil van zich zelven, door den onweerstaanbaren[63]indruk van dezen verrukkelijken herfstnacht medegesleept, vertraagde hij ongemerkt den pas van zijn paard en gaf zich van lieverlede over aan den vollen stroom der gedachten, die gedurig in zijn brein opkwamen en hem weldra deden zinken in zoete mijmeringen.
De afstammeling van een oud en hooghartig Fransch geslacht, hier in de woestijn alleen, liet in zijn geest den verdwenen luister van zijn sedert lang verduisterden naam voorbijgaan en zijn hart zwol van vreugd en van trots bij de gedachte, dat voor hem wellicht de taak was weggelegd, om, zoo niet den roem zijner voorzaten te herstellen, ten minste ditmaal voor altijd het fortuin zijner familie te vestigen, dat hij tot hiertoe zoozeer veronachtzaamd, althans zoo slecht had weten te bewaren.
De grond, dien hij nu betrad, moest hem honderdvoudig teruggeven wat hij zoo dwaselijk verloren en verkwist had; het oogenblik was gekomen, waarop hij eindelijk vrij van alle banden de plannen zijner toekomst zou verwezenlijken, die hij zoo lang in zijn hoofd had ontworpen.
Zoo reed hij stapvoets voort, midden in de wildernis en zoodanig in zijne eigene beschouwingen verdiept, dat hij geen acht sloeg op hetgeen er rondom hem gebeurde.
De sterren aan den hemel begonnen te verbleeken en de een na de ander te verdwijnen. De dageraad teekende reeds een witte streep aan den uitersten horizont, die zich van lieverlede kleurde met roodachtige tinten; met de aannadering van den dag, werd de lucht koeler en frisscher, terwijl de graaf door het koude gevoel van den rijkelijk gevallen dauw der woestijn zoo te zeggen uit zijne sluimering gewekt, huiverend de plooien van zijn zarape om zijne schouders trok en zijn paard op nieuw in galop zette, met een verstoorden blik op den veranderden hemel en een wreveligen uitroep:
»O! ik zal slagen, in weerwil van alles!”
Verwaten uitdaging, op welke de hemel onmiddellijk scheen te willen antwoorden.
Ofschoon de dag op het punt stond van aan te breken, was het alsof juist daarom de nacht, in zijne worsteling met de ochtendschemering, des te duisterder wilde worden, gelijk dit trouwens na het ondergaan der volle maan meermalen gebeurt, gedurende de weinige minuten die de verschijning der zon voorafgingen.
De eerste huizen der rancho van San José begonnen zich reeds in de verte te vertoonen en hunne witte gevels in den dikken morgennevel op te steken, toen de graaf op eens kort achter zich op de keien van den weg den haastigen hoefslag van verscheidene paarden hoorde klinken, of althans meende te hooren weergalmen.
In Amerika, bij nacht en op een eenzamen weg, is de ontmoeting van menschen altijd, of ten minste bijna altijd een teeken van dreigend gevaar.
De graaf bleef staan om te luisteren, het geluid naderde snel.[64]
De Franschman was dapper, dit had hij bij menige gelegenheid getoond; intusschen gevoelde hij weinig lust om ergens op weg onverhoeds overvallen en wellicht jammerlijk vermoord te worden.
Hij keek in het rond, om zich te vergewissen hoeveel kans er was om zich te redden, in geval de aankomende ruiters vijanden mochten zijn.
Het terrein was geheel kaal en effen, geen enkele boom, of kuil, of heuvel achter welke hij zich zou kunnen verschansen.
Op twee honderd passen afstands verhieven zich, zooals wij reeds gezegd hebben, de eerste huizen der Rancho.
De graaf nam dadelijk zijn besluit. Hij gaf zijn paard de sporen en reed in vliegenden galop in de richting van San José.
Het bleek weldra dat de vreemdelingen zijn voornemen hadden geraden, want ook zij versnelden den gang hunner paarden merkelijk.
Zoo verliepen een paar minuten, terwijl het gedruisch van den galop al meer en meer duidelijk werd.
De Franschman begreep dus dat het op hem gemunt was, en dat de vreemde ruiters, wie zij ook wezen mochten, hem zochten in te halen.
Hij wierp een blik achterwaarts, en bemerkte in de donkere verte twee schaduwen, die recht op hem aanhielden en in onbeteugelde vaart naderden.
Intusschen had de graaf de Rancho bereikt; door de nabijheid der huizen gerustgesteld en niet gaarne voor een wellicht ingebeeld gevaar willende vluchten, wendde hij zijn paard plotseling om en posteerde zich dwars in de straat met een pistool in iedere hand.
De vreemdelingen renden aan met onverpoosde snelheid; weldra waren zij geen twintig passen meer van den graaf verwijderd.
»Wie daar?” riep hij met een luide en ferme stem.
De onbekenden antwoordden niet, maar schenen nog harder door te zetten.
»Wie daar?” herhaalde de graaf, »houdt op, of ik schiet.”
Hij sprak dit op zulk een beslisten toon en met een zoo onverschrokken houding, dat de onbekenden, na een oogenblik aarzelens bleven staan.
Zij waren met hun beiden.
De dag, die meer en meer begon aan te breken, veroorloofde den graaf hen volkomen te onderscheiden. Zij waren gekleed als Mexicanen, maar vreemd voor dit land, waar de bandieten zich weinig bekommeren hun gelaat te vertoonen, waren zij gemaskerd.
»Heila! bazen,” riep de graaf, »wat beduidt die hardnekkige vervolging?”
»Dat is waarschijnlijk omdat wij u gaarne wilden inhalen,” antwoordde eene holle stemsarcastisch.
»Hebt gij het dan op mij gemunt?”
»Ja, zoo gij de vreemdeling zijt die zich de graaf de Lhorailles noemt.”[65]
»Juist; ik ben de graaf de Lhorailles,” zeide hij onverschrokken.
»Goed, dan hebben wij elkander een woordje te zeggen.”
»Daar heb ik niets tegen, al moet ik uit uw voorkomen opmaken dat gij bandieten zijt; zoo het u misschien om mijn beurs te doen is, neemt die en gaat uws weegs, ik heb niet veel tijd.”
»Uw beurs moogt gij behouden, caballero: het is uw leven, niet uw geld dat wij u willen ontnemen.”
»Ah zoo! dat is hier dan eene aanranding vooraf en een moord daarna?”
»Niet geraden: wij stellen u een eerlijken strijd voor.”
»Hm! een eerlijken strijd,” riep de graaf, »van twee tegen een, dat is mijns inziens toch wel een weinig ongelijk.”
»Daarin zoudt gij gelijk hebben, wanneer het zoo was,” antwoordde degene die tot dusver het woord had gedaan, »maar mijn kameraad is hier alleen om het gevecht aan te zien, niet om er deel aan te nemen.”
De graaf bedacht zich een oogenblik.
»Pardi!” riep hij ten slotte, »het is wel een raar avontuur! een duël in Mexico en met een Mexicaan!.…. dat is tot hiertoe nog nooit gezien.”
»Dat is waar, caballero, maar er is een begin voor alles.”
»Al scherts genoeg; ik heb er niets tegen om te strijden en hoop u te bewijzen dat ik wel durf; maar eer ik uw voorstel aanneem, zou ik gaarne weten waarom gij mij noodzaakt met u te vechten.”
»Waartoe zou dat dienen?”
»Waartoe zou dat dienen? Caspita! omdat ik het weten wil. Gij begrijpt wel, dat ik hier mijn tijd niet kan verspillen met al de slechthoofden den hals te breken die mij op weg ontmoeten en goedvinden om zich met mij te meten.”
»Laat het u dan voldoende zijn te weten dat ik u haat.”
»Caramba! daar was ik genoegzaam zeker van, maar dewijl gij er op staat om uw aangezicht voor mij te bedekken, zou ik u toch gaarne eenmaal willen herkennen.”
»Al woorden genoeg,” hervatte de onbekende, »de tijd vliegt heen; wij hebben reeds veel te lang geredekaveld.”
»Welnu, meester, als het er zoo mede gelegen is, houd u dan gereed ik zeg u vooruit, dat ik voornemens ben op u beiden te schieten: een Franschman is niet verlegen om twee Mexicaansche bandieten het hoofd te bieden.”
»Zoo als gij goedvindt,”
»Voorwaarts!”
»Voorwaarts!”
De drie ruiters spoorden hunne paarden en reden op elkander in; toen zij elkander ontmoetten schoten zij hunne pistolen op elkander af, daarop trokken zij hunne sabels.
De strijd was kort, maar hevig; een der onbekenden, licht gewond,[66]werd door zijn paard weggevoerd en verdween in een wolk van stof. De graaf, even door een kogel geraakt, voelde zijn woede ten top gestegen en verdubbelde zijne pogingen om zijn vijand meester te worden of althans buiten gevecht te stellen; maar hij had met een moeielijken tegenstander te doen, een man van verbazende behendigheid en in kracht ten minste met hem gelijk.
Hij zag zijne oogen als gloeiende kolen schitteren door de gaten van zijn masker, terwijl hij met ongelooflijke snelheid om hem heen reed en zijn paard de stoutste sprongen en wendingen deed maken, hem gedurig aanvallende, nu met de spits en dan met het scherp van zijn sabel, en tegelijk zorg dragende dat hij buiten het bereik der slagen van zijn tegenpartij bleef.
De graaf verspilde tegen zijn onvermoeiden vijand zijn kracht te vergeefs; zijne bewegingen begonnen aan vaardigheid en juistheid te verliezen, zijn gezicht werd beneveld, het zweet gudste van zijne slapen. De aanvallen zijner stilzwijgende tegenpartij daarentegen werden des te sneller; de uitslag van den strijd was niet meer te betwijfelen, toen de Franschman plotseling een strik op zijne schouders voelde, en eer hij er aan dacht om er zich van te ontdoen, zoo onzacht uit den zadel gerukt en op den grond werd geworpen, dat hij bijna bewusteloos bleef liggen, zonder zich te kunnen bewegen.
Den tweeden onbekende was het, na een dollen rit van eenige minuten, eindelijk gelukt zijn paard weder meester te worden; en toen met allen spoed naar de plaats van het gevecht terug gereden, zonder dat de twee verbitterde kampioenen door de hitte des strijds zijne tegenwoordigheid opmerkten, had hij het noodig geoordeeld den strijd te doen eindigen en zijn reata nemende had hij den graaf gelasseerd.
Zoodra de onbekende zijn vijand zag vallen, steeg hij van zijn paard en liep naar hem toe.
Zijne eerste zorg was den Franschman van den strik te bevrijden, die hem bijna worgde, vervolgens poogde hij hem weer tot bewustzijn te brengen, hetgeen niet veel tijd vorderde.
»Ha!” riep de graaf met een bitteren glimlach, terwijl hij opstond en de armen op de borst kruiste, »durft gij dat een eerlijken strijd noemen?”
»Gij alleen hebt de schuld van hetgeen er gebeurd is,” antwoordde de andere, »daar gij mijne voorstellen niet hebt willen aannemen.”
De Franschman verwaardigde zich niet hierover te redeneeren, hij vergenoegde zich met verachtelijk de schouders op te halen.
»Uw leven heb ik gewonnen,” vervolgde zijn weerpartij.
»Ja, door een schelmstuk; maar wat kan het mij schelen! vermoord mij en maak er een eind aan.”
»Ik wil u niet dooden.”
»Wat wilt gij dan?”
»U een raad geven.”[67]
»Mij?”
»Ja, u.”
De graaf grinnikte.
»Gij zijt een gek, waarde heer.”
»Niet zoo erg als gij denkt. Luister aandachtig naar hetgeen ik u te zeggen heb.”
»Zoo ik hopen mocht daardoor des te eerder van uwe tegenwoordigheid ontslagen te worden, zou ik het doen.”
»Hoor dan,señorconde de Lhorailles, uwe komst hier te lande heeft twee personen in ’t ongeluk gestort.”
»Loop heen, gij houdt mij voor den gek.”
»Ik spreek in vollen ernst. Don Sylva de Torres heeft u de hand zijner dochter beloofd.”
»Wat gaat u dat aan?”
»Antwoord.”
»Het is zoo, waarom zoude ik het loochenen?”
»DoñaAnita bemint u niet.”
»Hoe kunt gij dat weten?” riep de graaf met een schamperen lach.
»Ik weet het, en ik weet bovendien dat zij een ander bemint.”
»Welnu en wat nog meer?”
»En dat die andere haar bemint.”
»Des te gekker voor hem, want ik zal haar nooit afstaan, dat zweer ik u.”
»Gij hebt ongelijk,señorconde, gij zult haar afstaan, of gij sterft.”
»Het een zoo min als het ander!” riep de onstuimige Franschman, die thans van zijn val geheel hersteld was. »Ik herzeg u dat ik Anita zal huwen. Bemint zij mij niet, hetgeen ik echter betwijfel, welnu dat is een ongeluk; ik hoop dat zij later te mijnen opzichte wel van meening zal veranderen; ik wil dat huwelijk, en niemand is in staat het te verhinderen.”
De gemaskerde had hem met de hevigste ontroering aangehoord, zijne oogen fonkelden van woede, hij stampvoette van spijt; het gelukte hem echter zijn gevoel te overmeesteren en hij antwoordde met eene kalme en bedaarde stem:
»Zie wel toe wat gij doet, caballero; ik heb gezworen u te waarschuwen, en ik waarschuw u eerlijk en trouw, de Hemel geve dat mijne woorden in uw hart weerklank vinden en dat gij den raad volgen zult dien ik u geef!.… De eerste keer dat het lot ons weer bij elkander brengt, moet een van ons beiden sterven.”
»Ik zal de noodige voorzorgen nemen, wees daar gerust op; intusschen doet gij verkeerd dat gij de tegenwoordige gelegenheid niet waarneemt om mij te dooden; want die zult gij nooit terug vinden.”
De twee gemaskerden waren weder te paard gestegen.
«Graaf de Lhorailles,» zei de eene, «wees op uw hoede.» Bladz. 67.«Graaf de Lhorailles,» zei de eene,«wees op uw hoede.»Bladz. 67.
«Graaf de Lhorailles,» zei de eene,«wees op uw hoede.»Bladz. 67.
»Graaf de Lhorailles,” zei de eene, zich nogmaals tot den Franschman wendende, »wees op uwe hoede, ik heb op u een groot voordeel;[68]ik ken u en gij kent mij niet, het zal mij dus altijd gemakkelijk zijn u te bereiken, als ik dat wil. Wij Mexicanen zijn van Indiaansch en Spaansch bloed, wij zijn vurig in het haten, wees gewaarschuwd!”
Na eene beleefde buiging voor den graaf barstte hij los in een spotachtigen schaterlach, gaf zijn paard de sporen en vertrok in duizelingwekkende vaart, gevolgd door zijn zwijgenden kameraad.
De graaf oogde hem na met een peinzenden blik tot zij in de schemering verdwenen waren; hij schudde eenige malen het hoofd als of hij er de sombere gedachten wilde wegschudden die hem tegen wil en dank bestormden; toen raapte hij zijn sabel en hier en daar verstrooide pistolen op, nam zijn paard bij den teugel en stapte langzaam naar de pulqueria in welker nabijheid de strijd was voorgevallen.
Het licht dat door de slecht gevoegde planken der deur scheen en het gezang en gelach, dat hij daar binnen hoorde deden hem veronderstellen, dat hij in de herberg nog wel een tijdelijk nachtverblijf zou vinden.
»Hm!” mompelde hij half overluid terwijl hij voorttrad, »de bandiet heeft gelijk, hij kent mij, en ik zal hem onmogelijk weer kunnen vinden. Vive Dios! daar heb ik mij een mooien haat op den hals gehaald! Bah!” vervolgde hij, »wat geef ik er om! Ik was al te gelukkig, ik had een vijand noodig. Bij mijn ziel! laat men doen wat men wil, al zou de duivel zelf tegen mij samenspannen, zweer ik, dat niets mij bewegen zal de hand vandoñaAnita af te staan,”
Op dit oogenblik bevond hij zich voor de pulqueria, waar hij op de deur klopte.
Van nature niet zeer geduldig en bovendien vergramd door hetgeen hem overkomen was en door den vreeselijken kamp dien hij had moeten verduren, was de graaf op het punt van zijne bedreiging uit te voeren en de deur aan spaanders te breken toen zij eindelijk geopend werd.
»Valge me dios?” riep hij verbolgen, »laat gij de menschen voor uw huis vermoorden zonder hun te hulp te komen.”
»Zoo!” riep de pulquero levendig met zekere nieuwsgierigheid, »is er iemand vermoord?”
»Neen, Goddank!” hervatte de graaf, »maar het scheelde weinig, of ik was dood.”
»O!” riep de pulquero onverschillig, »als men zich wilde storen aan allen die bij nacht om hulp roepen, dan zou men de handen vol hebben, en daarbij, als de politie er achter komt, heeft men er maar last van.”
De graaf haalde de schouders op en trad binnen, met zijn paard aan den toom achter zich; terwijl de deur onmiddellijk gesloten werd.
De graaf de Lhorailles wist nog niet dat al wie in Mexico een lijk opneemt, of zich tegen den moordenaar civiele partij stelt, verplicht[69]is om de kosten van het gerecht, die soms enorm hoog loopen te betalen, en ten slotte toch geen verhaal of recht voor het slachtoffer kan krijgen.
Men is in geheel Mexico hiervan zoo vast overtuigd, dat als er een manslag plaats heeft, iedereen zich uit de voeten maakt zonder het slachtoffer hulp te verlenen, daar dit, ingeval er de dood op volgt, voor hem die er zich mede bemoeid heeft de grootste onaangenaamheden veroorzaakt.
In Sonora doet men nog erger, zoodra er een oploop is, en een doode valt, sluit iedereen zijne deur.