VIII.

[Inhoud]VIII.HET VERTREK.Zoo als don Sylva de Torres aan zijne dochter gezegd had, was tegen zonsopgang alles gereed om te vertrekken.In Mexico en bovenal in Sonora, waar de wegen gewoonlijk het beste zijn, als zij ten eenenmale ontbreken, gaat het reizen geheel anders dan in Europa.Daar zijn geen openbare vracht- of postdiensten, geen pleisterplaatsen of paardenposterijen, veel min spoorwegen. Eene reis van eenige dagen kost oneindig veel zorg en beweging, men is dan verplicht alles bij zich te hebben, daar men niet zeker is iets onder weg te zullen vinden: bedden, tenten, levensmiddelen en water wel het meest; alles moet op muilezels gepakt en weggesleept worden; zonder deze voorzorgen, zou men gevaar loopen van honger of dorst om te komen of onder den blooten hemel te moeten overnachten.Daarbij moet men zich van een aanzienlijk, goed gewapend geleide voorzien, om den aanval van wilde beesten niet slechts, maar ook der Indianen en vooral der struikroovers af te weren, daar het dank zij de regeeringloosheid van dat ongelukkige land op alle wegen van Mexico van wemelt.Diensvolgens zal de lezer gemakkelijk begrijpen, dat don Sylva reikhalzend verlangde om Guaymas zoodra mogelijk te verlaten, toen, zoo als wij gezegd hebben, in den vroegen morgen alles voor zijn vertrek gereed was.De opene plaats voor het huis had veel van eene groote pleisterplaats; vijftien muildieren met pakken en balen beladen stonden te wachten tot dat men gereed was met de palankijn, in welkedoñaAnita de reis mede zou maken.Een veertigtal paarden, getuigd en gezadeld, met het vliegennet over den neus, en pistolen in de holsters, stonden in ringen aan den muur vastgemaakt, en een enkele peon afzonderlijk met een heerlijken,[70]kostbaar getuigden draver aan de hand, die voor don Sylva bestemd, ongeduldig stond te wuiven en te stampvoeten, knabbelende op het zilveren gebit, dat met schuim overdekt was.Kortom het was om doof te worden van al het geschreeuw, gelach en gedruisch.In de straat stond eene menigte volks te gapen, waaronder zich ook Cuchares en don Martial bevonden, die van hun toer naar de Rancho teruggekomen, met nieuwsgierigheid dit vertrek gadesloegen, daar zij niets van begrepen in dit vergevorderde jaargetij, zoo weinig geschikt voor een verblijf op het land, en zich verdiepten in allerlei gissingen die kant noch wal raakten, over deze zoo geheel buitengewone reis.Onder den hoop hier, hetzij toevallig of uit nieuwsgierigheid samengevloeid, bevond zich een man, blijkbaar een Indiaan, die schijnbaar achteloos tegen den muur geleund, evenwel het huis van don Sylva niet uit het oog verloor en met de meeste belangstelling al de bewegingen der talrijke bedienden van den haciendero gadesloeg.Deze persoon, nog jong, scheen een zoogenaamde Hiaqui-Indiaan, ofschoon een nauwlettend opmerker bij nader onderzoek het tegendeel zou gezegd hebben; in het breede voorhoofd van den man, zoowel als in zijn moeielijk te bedwingen fonkelend oog, en in den fieren mond, maar vooral in zijne forsche ledematen, die naar het model van den Griekschen Hercules schenen gevormd te zijn, was iets edels, vastberadens en onafhankelijks, dat veeleer den trotschen Comanch of den woesten Apache aanduidde, dan den meestal dommen Hiaqui. Onder de talrijke schaar dacht echter niemand zich met dezen Indiaan bezig te houden, die van zijnen kant wel zorg droeg de aandacht niet te trekken, maar zich zooveel mogelijk te verbergen.De Hiaquis komen zich gewoonlijk te Guaymas als werklieden of als lastdragers verhuren: daarom heeft de tegenwoordigheid van zulk een Indiaan niets vreemds.Eindelijk, tegen acht uren in den morgen, verscheen don Sylva de Torres met zijne dochter aan de hand, gekleed in een keurig reisgewaad, onder de peristyle van het huis.DoñaAnita was zoo bleek als kwam zij uit het graf; haar betrokken gelaat en gezwollen oogen bewezen maar al te zeer, hoeveel zij dien nacht geleden en welk een zelfbedwang zij op dit oogenblik noodig had, om niet voor aller oog in tranen uit te breken. Bij hare verschijning wisselden don Martial en Cuchares een snellen blik, terwijl op de lippen van den Indiaan een glimlach trilde van onbeschrijfelijke uitdrukking.De tegenwoordigheid van den haciendero herstelde als met een tooverslag de stilte; dearrierosplaatsten zich terstond aan het hoofd hunner muildieren; de peons, tot aan de tanden gewapend, stegen in den zadel en don Sylva, na zich met een oogopslag verzekerd te[71]hebben dat zijne bevelen stipt waren uitgevoerd, liet zijne dochter in de palankijn stappen, waar zij zich terstond in de kussens verborg als eenbengali1in een bed van rozeblaren.Op een wenk van den haciendero, begonnen de muilezels, kop aan staart achter elkander gebonden, achter denanaof moederezelin, die de bel aanhad, en onder geleide der peons, het huis uit te komen.Alvorens te paard te stijgen wendde don Sylva zich tot een zijner oudste bedienden, die met den stroohoed in de hand eerbiedig voor hem stond.»Adieu, no Pelucho,” zeide hij, »ik vertrouw u het huis toe, houd goed de wacht en draag zorg voor al wat er in is. Overigens laat ik u Pedrito en Florentio, die u kunnen helpen en aan wie gij de noodige orders zult geven, zoodat alles gedurende mijne afwezigheid goed gaat.”»Gij kunt volkomen gerust zijn,mi amo(meester),” antwoordde de grijsaard met een nederige buiging voor zijn meester, »het is Goddank niet voor het eerst dat gij mij hier alleen laat, ik geloof dat ik mij altijd goed van mijn plicht gekweten heb.”»Gij zijt een goed dienaar, no Pelucho,” antwoordde don Sylva met een vriendelijken lach, »ik kan u niet anders dan prijzen, ook ga ik ten volle gerust van hier.”»Dat God u zegene!mi amo, even als deNiña,” antwoordde de oude man, een kruis makende.»Tot weêrziens, no Pelucho,” zei nu het meisje terwijl zij even het hoofd uit de palankijn stak, »ik weet dat gij zorgen zult voor al wat van mij is.”De grijsaard boog, zichtbaar vergenoegd.Don Sylva gaf bevel om te vertrekken en de gansche karavaan zette zich in beweging naar de Rancho de San José. Het was een van die heerlijke ochtenden zooals men alleen in deze rijk gezegende streken vindt; het onweder gedurende den afgeloopen nacht had den hemel geheel schoon geveegd, die zich thans voordeed in een zacht blauw; de zon, die reeds vrij hoog boven den gezichteinder stond, verspreidde hare warme stralen, min of meer getemperd door de welriekende dampen die uit den grond opstegen; de atmospheer met frissche en versterkende geuren bezwangerd, was bijzonder doorzichtig en werd van tijd tot tijd door eene lichte koelte verfrischt; gansche scharen van vogels, van duizenderlei kleur en pluimaadje vlogen in alle richtingen, en de muildieren die achter de bellen dernana madrina—de moederezelin—aankwamen, draafden luchtig voort, onder het opwekkend gezang der arrieros.Zoo marcheerde de karavaan in opgeruimde stemming over de zandige[72]vlakte, wolken van stof opjagende, terwijl zij als eene lange kronkelende slang zich voortbewoog in de eindelooze bochten van den weg.Eene voorhoede uit tien peons bestaande nam de omstreken op en bespiedde hier en daar de struiken en heuvels van het golvende terrein. Don Sylva rookte eenesigaaren praatte met zijne dochter, terwijl eene achterhoede van twintig kloeke peons den trein sloot en voor de veiligheid van het convooi waakte.Wij herhalen hier, in dit land waar geen politie en bij gevolg geen openbaar toezicht bestaat, is eene reis van vier mijlen—want verder ligt de Rancho de San José niet van Guaymas—een even ernstige en zorgvereischende zaak als eene reis van honderd mijlen elders; de vijanden die men zou kunnen ontmoeten en met welke men ieder oogenblik te doen kan krijgen, hetzij roofzieke Indianen of verscheurende dieren, zijn te talrijk, te stoutmoedig en te tuk op roof en moord om te hunnen aanzien zijn leven alleen aan de vlugheid van zijn paard toe te vertrouwen.Men had Guaymas reeds ver achter zich, en de witte huizen waren sinds lang in de oneffenheden van het terrein verdwenen, toen decapataz, die zich tot hiertoe rustig aan het hoofd der karavaan had gehouden, op eens van daar terugkwam en in galop naar de palankijn reed, waar don Sylva de Torres zich nog steeds bevond.»Wel, Blas,” riep deze, »wat nieuws hebt gij? Onraad gezien voor ons uit?”»Nog niets,señoria, antwoordde de capataz, »alles gaat goed en binnen een uurtje komen wij aan de Rancho.”»Hoe komt gij dan zoo haastig naar mij toe?”»O, mijn hemel,señoria, het beteekent niet zoo veel, maar er loopt mij een idee door het hoofd, er is iets dat ik wilde aanwijzen.”»Ah zoo,” riep don Sylva, »wat, brave jongen?”»Kijk eens,señoria,” hervatte de capataz met de hand naar het zuidwesten wijzende.»Hé! wat zou dat beduiden? Daar is een vuur, als ik het wel heb.”»’t Is inderdaad een vuur,señoria; maar kijk eens hier,” en hij wees nu naar het zuid-oosten.»Dat is er nog een. Wie duivel toch stookt hier vuur op zulke hooge steilten, met welk oogmerk kan men dat gedaan hebben?”»O! maar dat is zoo moeielijk niet te begrijpen,señoria.”»Vindt gij dat, mijn jongen? wel, dan moest gij mij de zaak eens ophelderen.”»Met alle genoegen. Zie daar ginds,” zeide hij, met de hand naar den berg wijzende daar hij het eerste vuur gezien had, »die heuvel is deCerro del Gigante.”»Werkelijk.”»En deze,” vervolgde de capataz naar het tweede vuur wijzende, »is de Cerro de San Xavier.”[73]»Dat meen ik ook.”»ik weet het zeker.”»Welnu?”»Welnu, daar het eene bewezen waarheid is, dat een vuur niet van zelve kan ontstaan en dat bij eene hitte van veertig graden niemand lust zal hebben om voor aardigheid een vuur boven op den berg te gaan stoken.….”»Wat besluit gij er dan uit?”»Ik denk dat die vuren hetzij door roovers of door Indianen zijn aangelegd die de lucht hebben van onzen uittocht.”»Ja, ja, ja! wat gij daar zegt, is bondig geredeneerd, vriend; ga voort met uw verklaring, zij wekt mijne hoogste belangstelling.”De capataz of majordomo van don Sylva, was een kloeke borst van omtrent veertig jaren, een vent als een Herkules, en met hart en ziel aan zijn meester gehecht die wederkeerig in hem het grootste vertrouwen stelde. Op de minzame woorden van den haciendero boog de eerlijke man met een glimlach van zelfvoldoening.»O, maar ik heb zooveel niet meer te zeggen” riep hij, »niets anders dan dat deladrones(dieven), of wie het ook wezen mogen die op ons loeren, door dit signaal gewaarschuwd zijn dat don Sylva de Torres en zijne dochter van Guaymas op weg zijn naar de Rancho de San José.”»Waarlijk, gij hebt gelijk, ik heb dat alles over het hoofd gezien: ik dacht het minst niet aan de roofvogels van allerlei soort die op ons pad loeren. Maar alles wel ingezien, wat geven wij er om of de bandieten ons op de hielen zitten, wij zijn immers onder duizend getuigen op reis gegaan, zoo dat niemand er onkundig van behoeft te zijn, en bovendien wij zijn talrijk genoeg om voor geen aanranding te vreezen, maar zoo het mocht gebeuren dat eenige dier schelmen ons durven aanvallen, carcaras! dan zullen ze weten met wien ze te doen hebben, dat beloof ik u; trekken wij dus onbezorgd voort, beste vriend; ik zie niet in dat ons iets onaangenaams kan overkomen.”De capataz boog voor zijn meester en reed in galop naar zijne plaats aan het hoofd der karavaan terug.Een uur later bereikten zij zonder tegenspoed de Rancho.Don Sylva reed aan het rechter portier der palankijn en sprak tegen zijne dochter die hem slechts karige antwoorden gaf, al trachtte zij hare droefheid zoo veel mogelijk voor den scherpzienden blik van haren vader te verbergen, toen de haciendero zich op eens bij herhaling hoorde roepen: hij keek dadelijk om en was niet weinig verbaasd, daar hij in den man die hem zoo onverwachts tot verantwoording riep den graaf de Lhorailles herkende.»Hoe,señorgraaf, gij hier!” riep hij uit, »door welk zonderling toeval ontmoet ik u hier zoo dicht bij de haven, daar gij dezen nacht mij reeds zoover vooruit had moeten zijn?”[74]ZoodradoñaAnita den graaf zag kreeg zij een blos, zij trok zich schielijk terug en liet de gordijnen der palankijn neer.»O!” antwoordde de graaf met eene beleefde buiging, »tusschen nu en gisteren avond zijn er zekere dingen gebeurd die ik u vertellen zal, Don Sylva, dingen daar gij verwonderd van zult opkijken, ik verzeker u; maar het tegenwoordig oogenblik is niet geschikt om zulk eene historie te beginnen.”»Zooals gij gepast oordeelt, mijn vriend. Maar hoe is ’t met u, vertrekt gij, of blijft gij hier?”»Ik vertrek, ik vertrek! Ik ben alleen hier gebleven met oogmerk om u op te wachten; en zoo gij het goedvindt reizen wij samen; in plaats van u naar Guetzalli vooruit te gaan, komen wij er dan gezamenlijk aan.”»Met alle genoegen. Op marsch!” vervolgde hij met een wenk tegen den capataz.Laatstgenoemde had toen hij zijn meester met den graaf zag spreken, de karavaan halt laten maken. Thans trok zij weder op weg.De Rancho de San José was weldra achter den rug en nu eerst begon de eigenlijk gezegde reis.Voor de reizigers uit strekte zich de woestijn met hare onafzienbare zandvlakte, op wier geelachtigen bodem eene bochtige lijn, gevormd door het wit gebleekt gebeente der paarden en muildieren, die in de woestijn waren bezweken, het pad aanwees dat men te volgen had om niet te verdwalen.Omtrent twee honderd passen voor de karavaan uit, reed op een kreupelen ezel in sukkeldraf een man, hij zwaaide telkens links en rechts, en scheen half in slaap geraakt door de brandende zonnestralen die loodrecht op zijn bloot hoofd vielen.»Hei! Blas!” riep don Sylva tegen zijn majordomo, toen hij den eenzamen ruiter in ’t oog kreeg, »gij moest dien Indiaan daar voor ons uit eens gaan roepen; die weergasche Roodhuiden kennen de woestijn op hun duim, hij zou ons als gids kunnen dienen; dan loopen wij minder gevaar van verdwalen, want als wij ons soms mochten vergissen, zal hij ons zeker wel weder op den rechten weg brengen.”»Gij hebt gelijk,” zei de graaf, »in deze verduivelde zandvlakte is men nooit zeker van het rechte spoor.”»Ga hem roepen!” hervatte don Sylva.De capataz zette zijn paard in galop. Op eenigen afstand van den eenzamen reiziger gekomen bracht hij de handen aan zijn mond bij wijze van roeper:»Heila, José!” schreeuwde hij.In Mexico heeten al de mansos of geciviliseerde Indianen José, zoodat deze naam voor hen een soort van geslachtsnaam is geworden.De Indiaan keek om.[75]»Wat moet gij hebben?” vroeg hij onverschillig.Het was dezelfde persoon dien wij te Guaymas met zoo veel aandacht de reisaanstalten van den haciendero hebben zien beschouwen.Was hij toevallig dezen weg uitgereden, of met opzet?Dit is eene vraag die niemand had kunnen beantwoorden.Blas Velazquez was wat men in Mexico eenhombre de a caballo, wij zouden zeggen een geboren ridder, noemt, sedert lang op de hoogte van al de listen der Indianen, zoowel als met de jacht op wilde dieren. Hij wierp den reiziger een doordringenden blik toe, dien deze met volmaakte onverschilligheid doorstond. Het hoofd eenigszins verlegen gebukt, de handen op den hals van zijn ezel en de naakte beenen er links en rechts af hangende, was hij de volslagen type van eenmansoIndiaan, die door de vernederende en slaafsche behandeling der blanken bijna tot een redeloos dier is geworden.De capataz schudde onvoldaan het hoofd, zijn onderzoek was alles behalve naar wensch; intusschen, na eene minuut aarzelens, hervatte hij zijn verhoor.»Wat maakt gij hier zoo alleen op den weg, José?” vroeg hij.»Ik kom van del Puerto, waar ik mij als timmermansknecht had verhuurd; ik ben er omtrent eene maand gebleven, en toen ik er de kleine som daar het mij alleen om te doen was had overgewonnen, ben ik gisteren weder vertrokken en keer naar mijn dorp terug.”Dit alles klonk zoo waarschijnlijk als men verlangen kon; de meeste Hiaqui Indianen deden zoo; en bovendien, wat reden kon deze man hebben om te liegen? Hij was alleen, en ongewapend; de karavaan daarentegen was talrijk en bestond uit dappere mannen; er was dus geen het minste gevaar te vreezen.»En hebt gij braaf geld gewonnen?” hervatte de capataz.»Ja,” zei de Indiaan met een zegevierend gezicht, »vijf piasters en nog drie meer.”»Oho! José, gij zijt rijk.”De Hiaqui glimlachte dubbelzinnig.»Ja,” zeide hij, »de Tiburon2heeft geld.”»Heet gij de Tiburon?” hernam de capataz wantrouwig, »dat is geen mooie naam.”»He! waarom niet? De bleekgezichten hebben dien aan hun rooden zoon gegeven, hij vindt hem mooi, omdat hij van hen afkomstig is en hij zal hem houden.”»Ligt uw dorp nog ver van hier?”»Als ik een goed paard had, zou ik er in drie dagen kunnen zijn, mijn stamdorp ligt tusschen de Gila en Guetzalli.”»Zijt gij bekend te Guetzalli?”De Indiaan trok minachtend de schouders op.»De Roodhuiden kennen al de jachtgronden aan de Gila,” zeide hij.[76]Op dit oogenblik had de karavaan de beide sprekers ingehaald.»Wel, Blas,” vroeg don Sylva, »wat is dat voor een man?”»Een Hiaqui-Indiaan, die eene kleine som geld te Puerto heeft overgewonnen en naar zijn dorp terugkeert.”»Zou hij ons van dienst kunnen zijn?»Ik denk het wel, zijn stam, zegt hij, ligt tusschen de Gila en de kolonie te Guetzalli.”»Ah zoo!” riep de graaf die thans naderbij kwam, »behoort hij dan misschien tot den stam van het Witte Paard?”»Ja,” zei de Indiaan.»O! dan sta ik borg voor den man,” riep de graaf levendig, »dat zijn zeer zachtzinnige Indianen, het zijn ellendige arme drommels, die bijna van honger sterven; ik gebruik hen dikwijls op de hacienda.”»Hoor eens,” hervatte don Sylva, den Roodhuid vriendelijk op den schouder kloppende,»wij moeten naar Guetzalli.”»Goed.”»En wij hebben een trouwen en eerlijken gids noodig.”»De Tiburon is arm, hij heeft niets dan een zwakken ezel, zoodat hij de bleekgezichten niet zal kunnen bijhouden.”»Maak u daar niet ongerust over,” liet er de haciendero op volgen; »ik zal u een paard laten geven zoo als gij er nog nooit een bereden hebt; en als gij ons eerlijk dient, zal ik bij onze komst aan de hacienda nog tien piasters voegen bij die gij reeds hebt. Bevalt u dat?”De oogen van den Indiaan schitterden van begeerlijkheid bij dit voorstel.»Waar is het paard?” vroeg hij.»Daar is het,” antwoordde de capataz terwijl hij hem een heerlijken draver aanwees die een der peons hem bracht.De Roodhuid beschouwde het paard met het oog van een kenner.»Gij aanvaardt dus den koop?” vroeg de haciendero.»Ja,” antwoordde de Roodhuid.»Kom dan maar gezwind van uw ezel en wij vertrekken dadelijk.”»Ik kan mijn ezel niet verlaten; hij is een goed dier, dat mij lang dienst heeft gedaan.”»Wees daar niet bezorgd over, hij komt met de pakezels achteraan.”De Indiaan gaf een wenk van toestemming en antwoordde niets; eenige oogenblikken daarna zat hij behoorlijk op zijn paard en ging de karavaan weder op weg.Alleen de capataz scheen niet veel vertrouwen te stellen in den zoo zonderling aangetroffen gids.»Ik zal hem in het oog houden,” mompelde hij in zich zelven.De tocht werd dien ganschen dag zonder verdere stoornis voortgezet, en den volgenden dag bereikte men de Rio Gila.[77]De oevers der Rio Gila maken door hunne vruchtbaarheid een sterk contrast met de dorre vlakten in hare nabijheid; de reis van don Sylva, ofschoon hervat op het oogenblik toen de zon in het toppunt stond en hare stralen loodrecht nederschoot, was nu niets anders dan een aangename wandelrit van weinige uren, onder de schaduw van het loofrijkst geboomte dat hier met een in ons klimaat onbekenden wasdom opschiet.Het was ongeveer drie uren in den namiddag toen onze reizigers nauwelijks vijftig passen voor zich uit de kolonie Guetzalli zagen liggen, welke door den graaf de Lhorailles gesticht en ofschoon nog geen drie jaren tellende, reeds eene aanzienlijke uitbreiding had bekomen en tot in hooge mate ontwikkeld was.Deze kolonie bestond uit eene hacienda of landhoeve, rondom welke de arbeiderswoningen in groepen verspreid lagen; wij zullen haar in weinige woorden beschrijven.De hacienda verhief zich op een schiereiland van drie mijlen in den omtrek, met bosschen, akkers en weidevelden, in welke laatsten meer dan vier duizend stuks vee vrijelijk liepen grazen, die des avonds in parken dicht bij het huis werden samengebracht. Aan drie zijden door de rivier omgeven, diende deze haar als een natuurlijke schans; de smalle landtong van nauwelijks acht ellen breedte, die haar met het vaste land verbond, werd bestreken door eene batterij van vijf stukken grof geschut, behoorlijk gedekt door aardewerken en versterkt door eene diepe met water gevulde gracht.Het heerenhuis, door hooge gecreneleerde muren omringd en aan de vier hoeken met torens versterkt, was een soort van vesting, op zich zelf reeds voldoende in staat om een geregeld beleg te verduren, dank zij de acht kanonnen op de vier hoektorens, die al de toegangen verdedigden. Het bestond uit een hoofdgebouw, twee verdiepingen hoog en met een plat dak; in den voorgevel waren tien vensters, en links en rechts stonden twee andere gebouwen met den rug naar voren gekeerd; het een dienende tot bergplaats voor granen en hooi en het ander tot woonhuis voor den capataz of hofmeester en de talrijke bedienden der hacienda.Eene breede stoep, voorzien van eene dubbele ijzeren balie, sierlijk bewerkt en bekroond met eene veranda, geleidde naar de vertrekken van den graaf, die op de wijze der landhoeven inSpaansch-Amerikaeven eenvoudig als smaakvol en schilderachtig waren gemeubeld.Tusschen het woonhuis en den ringmuur, waarin tegenover de stoep een cederhouten deur was van vijf duim dik en met sterke ijzeren platen beslagen, lag een groote welonderhouden Engelsche tuin zeer fraai aangelegd en zoo dicht beplant dat men geen tien passen er doorheen kon zien. De ruimte achter het huis was voor stallen en parken bestemd, waar men iederen avond het vee in opsloot, en verder eene groote open plaats, waar men op zekeren[78]tijd des jaars gewoon was dematanza del ganado—de slacht voor den wintervoorraad te houden.Geen schilderachtiger gezicht laat zich denken dan de aanblik van dit witte huis, dat men reeds in de verte kon zien liggen, half verscholen achter de welige bosschages als achter een gordijn van groen daar het oog met welgevallen op bleef rusten.Uit de vensters der bovenverdieping had men aan de eene zijde het onbelemmerde uitzicht over de ruime vlakte en aan de andere over de Rio Gila, die als een breed zilver lint in de grilligste bochten voortkronkelde en zich in onafzienbare verte verloor in het nevelig verschiet van den blauwenden horizont.Sedert de Apachen bijna op het punt waren geweest van de hacienda te bemachtigen, was er op het dak van het hoofdgebouw een mirador of wachttoren geplaatst, in welken nacht en dag een schildwacht op den uitkijk stond om de omstreken te bewaken, en dadelijk door middel van een koehoorn moest waarschuwen als hij een vreemdeling de kolonie zag naderen.Bovendien werd de batterij aan de landengte door een post van zes man bewaakt, terwijl de kanonnen altijd geladen stonden om bij den minsten onraad los te branden.Zoo was de karavaan nog ver van de hacienda verwijderd, toen hare komst aldaar werd opgemerkt en een der luitenants van den graaf, een oud soldaat uit Afrika met name Martin Leroux, volgens order, te paard achter de verschansing zich gereed hield om de nieuw aankomenden te ondervragen zoodra zij onder het bereik zijner stem zouden zijn.Don Sylva was intusschen met de wachtorde der hacienda ten volle bekend, eene dienstregeling trouwens die op alle buitenbezittingen der blanken gevolgd werd; want op de posten aan de grenzen, waar men voor de aanvallen en strooptochten der Indianen onophoudelijk blootstond, was men wel genoodzaakt om gedurig op zijne hoede te zijn.Eén ding echter begreep de Mexicaan niet recht, namelijk dat de eigen luitenant van den graaf, die hem ongetwijfeld moest hebben herkend, hem niet dadelijk de deuren had geopend.Hij deed dit terstond aan den graaf opmerken.»Daar zou hij verkeerd aan hebben gedaan,” zeide deze, »de kolonie Guetzalli is een gewapende post en altoos in staat van oorlog; de wachtorde moet dus stipt gevolgd worden voor ieder die zich aanmeldt, wie dan ook; van deze stipte waarneming hangt het algemeen welzijn af. Martin heeft mij reeds lang herkend, dat weet ik zeker, maar hij vooronderstelt dat ik door de Indianen gevangen zou kunnen zijn, en dat zij mij in schijn vrij lieten, om de kolonie des te beter te kunnen overrompelen. Ik verzeker u, dat mijn brave luitenant ons niet door zal laten, alvorens hij overtuigd is dat er onder onze Europeesche kleederen geen Roodhuiden schuilen.”»Ja,” mompelde don Sylva in zich zelven, »dat is maar al te[79]juist; die Europeanen denken om alles, zij zijn ons ver vooruit.”De karavaan was thans nauwelijks twintig passen ver van de hacienda.»Ik geloof” zeide de graaf, »als wij ten minste geen hagelbui van kogels op het lijf willen krijgen, dat wij wijs zullen doen van hier stil te houden.”»Hoe dat!” riep don Sylva verschrikt, »zouden zij schieten?”»Zonder twijfel.”De beide mannen hielden hunne paarden in en bleven staan wachten tot men hen ondervroeg.»Wiedaar!” riep eene krachtvolle stem in ’t Fransch van achter de batterij.»Wel, wat vindt gij er nu van, don Sylva?” vroeg hij den haciendero.»’t Is iets ongehoords?” mompelde don Sylva.»Vrienden!” riep nu de graaf in antwoord op de vraag van den schildwacht, »Lhorailles en de vrijheid.”»Alles wel! De poort open!” kommandeerde de stem, »het zijn vrienden, zoo als ik hoop dat de Hemel ons nog dikwijls zenden zal.”De peons lieten de brug neêr, de eenige toegang om in de hacienda te komen.De karavaan trok nu binnen, en de brug werd onmiddellijk achter hem weder opgehaald.»Gij zult het mij niet kwalijk nemen, kapitein,” zeide Martin Leroux terwijl hij den graaf eerbiedig te gemoet trad, »maar ofschoon ik u zeer goed herkende, wij leven in een land waar men mijns bedunkens niet te voorzichtig kan zijn.”»Gij hebt uw plicht gedaan, luitenant, ik kan u niet anders dan geluk wenschen. Wat is er voor nieuws?”»Niet veel bijzonders: een troep jagers, door mij in de wildernis gevonden, heeft mij bericht dat zij een verlaten vuur op de vlakte hebben ontdekt; ik denk dat er weer Indianen om ons heen zwerven.”»Wij zullen een wakend oog op hen houden.”»O, ik houd goed de wacht, vooral tegenwoordig nu wij de maand naderen die de Comanchen zoo brutaal zijn de Maan van Mexico te noemen; ik zou er niets tegen hebben als zij eens bij ons kwamen, om hun een les te kunnen geven die zij in ’t vervolg konden onthouden.”»Ik ben het volkomen met u eens; verdubbelen wij dus onze waakzaamheid en alles zal wel gaan.”»Hebt gij mij geen andere orders te geven?”»Neen.”»Dan wil ik gaan, kapitein; gij weet dat gij mij het algemeen toezicht hebt opgedragen, ik moet dus een weinig overal zijn.”»Ga, luitenant, laat ik u niet langer ophouden.”De oude soldaat boog voor zijn kommandant en verwijderde zich, terwijl hij onder de hand den capataz minzaam groette, die hem volgde met de peons van don Sylva en de pakezels.[80]De graaf zelf geleidde zijne vrienden naar dat gedeelte van het hoofdgebouw, dat voor de vreemde gasten bestemd was, en waar een appartement met alle noodige gemakken voor hen was ingericht.»Neem nu een weinig rust, don Sylva,” zeide hij tegen den haciendero, »gij zult wel vermoeid zijn van de reis zoo wel alsdoñaAnita; morgen met uw goedvinden, spreken wij wel over onze zaken.”»Zoo als gij verlangt, vriend.”De graaf boog voor zijne gasten. Sedert hij het meisje ontmoet had was er nog geen woord tusschen hem en haar gewisseld.Op het voorplein ontmoette de graaf den Hiaqui, die een pijp rookte en op zijn gemak rondslenterde; hij trad naar hem toe.»Ziedaar de tien piasters die ik u beloofd heb,” zeide hij.»Dank u,” zeide de Indiaan terwijl hij ze aannam.»Wat gaat gij nu doen?”»Rusten tot morgen, en dan keer ik tot mijne broeders terug.”»Hebt gij zoo veel haast hen weder te zien?”»Ik! o neen.”»Blijf dan hier.”»Om wat te doen?”»Dat zal ik u zeggen: misschien zal ik u binnen een paar dagen noodig hebben.”»Krijg ik daar geld voor?”»Volop; zijt gij nu tevreden?”»Ja.”»Dus blijft gij?”»Ja, ik blijf.”De graaf verwijderde zich, zonder den vreemden blik op te merken dien de Indiaan hem toewierp.1Bengaalsche vink.↑2De haas.↑

[Inhoud]VIII.HET VERTREK.Zoo als don Sylva de Torres aan zijne dochter gezegd had, was tegen zonsopgang alles gereed om te vertrekken.In Mexico en bovenal in Sonora, waar de wegen gewoonlijk het beste zijn, als zij ten eenenmale ontbreken, gaat het reizen geheel anders dan in Europa.Daar zijn geen openbare vracht- of postdiensten, geen pleisterplaatsen of paardenposterijen, veel min spoorwegen. Eene reis van eenige dagen kost oneindig veel zorg en beweging, men is dan verplicht alles bij zich te hebben, daar men niet zeker is iets onder weg te zullen vinden: bedden, tenten, levensmiddelen en water wel het meest; alles moet op muilezels gepakt en weggesleept worden; zonder deze voorzorgen, zou men gevaar loopen van honger of dorst om te komen of onder den blooten hemel te moeten overnachten.Daarbij moet men zich van een aanzienlijk, goed gewapend geleide voorzien, om den aanval van wilde beesten niet slechts, maar ook der Indianen en vooral der struikroovers af te weren, daar het dank zij de regeeringloosheid van dat ongelukkige land op alle wegen van Mexico van wemelt.Diensvolgens zal de lezer gemakkelijk begrijpen, dat don Sylva reikhalzend verlangde om Guaymas zoodra mogelijk te verlaten, toen, zoo als wij gezegd hebben, in den vroegen morgen alles voor zijn vertrek gereed was.De opene plaats voor het huis had veel van eene groote pleisterplaats; vijftien muildieren met pakken en balen beladen stonden te wachten tot dat men gereed was met de palankijn, in welkedoñaAnita de reis mede zou maken.Een veertigtal paarden, getuigd en gezadeld, met het vliegennet over den neus, en pistolen in de holsters, stonden in ringen aan den muur vastgemaakt, en een enkele peon afzonderlijk met een heerlijken,[70]kostbaar getuigden draver aan de hand, die voor don Sylva bestemd, ongeduldig stond te wuiven en te stampvoeten, knabbelende op het zilveren gebit, dat met schuim overdekt was.Kortom het was om doof te worden van al het geschreeuw, gelach en gedruisch.In de straat stond eene menigte volks te gapen, waaronder zich ook Cuchares en don Martial bevonden, die van hun toer naar de Rancho teruggekomen, met nieuwsgierigheid dit vertrek gadesloegen, daar zij niets van begrepen in dit vergevorderde jaargetij, zoo weinig geschikt voor een verblijf op het land, en zich verdiepten in allerlei gissingen die kant noch wal raakten, over deze zoo geheel buitengewone reis.Onder den hoop hier, hetzij toevallig of uit nieuwsgierigheid samengevloeid, bevond zich een man, blijkbaar een Indiaan, die schijnbaar achteloos tegen den muur geleund, evenwel het huis van don Sylva niet uit het oog verloor en met de meeste belangstelling al de bewegingen der talrijke bedienden van den haciendero gadesloeg.Deze persoon, nog jong, scheen een zoogenaamde Hiaqui-Indiaan, ofschoon een nauwlettend opmerker bij nader onderzoek het tegendeel zou gezegd hebben; in het breede voorhoofd van den man, zoowel als in zijn moeielijk te bedwingen fonkelend oog, en in den fieren mond, maar vooral in zijne forsche ledematen, die naar het model van den Griekschen Hercules schenen gevormd te zijn, was iets edels, vastberadens en onafhankelijks, dat veeleer den trotschen Comanch of den woesten Apache aanduidde, dan den meestal dommen Hiaqui. Onder de talrijke schaar dacht echter niemand zich met dezen Indiaan bezig te houden, die van zijnen kant wel zorg droeg de aandacht niet te trekken, maar zich zooveel mogelijk te verbergen.De Hiaquis komen zich gewoonlijk te Guaymas als werklieden of als lastdragers verhuren: daarom heeft de tegenwoordigheid van zulk een Indiaan niets vreemds.Eindelijk, tegen acht uren in den morgen, verscheen don Sylva de Torres met zijne dochter aan de hand, gekleed in een keurig reisgewaad, onder de peristyle van het huis.DoñaAnita was zoo bleek als kwam zij uit het graf; haar betrokken gelaat en gezwollen oogen bewezen maar al te zeer, hoeveel zij dien nacht geleden en welk een zelfbedwang zij op dit oogenblik noodig had, om niet voor aller oog in tranen uit te breken. Bij hare verschijning wisselden don Martial en Cuchares een snellen blik, terwijl op de lippen van den Indiaan een glimlach trilde van onbeschrijfelijke uitdrukking.De tegenwoordigheid van den haciendero herstelde als met een tooverslag de stilte; dearrierosplaatsten zich terstond aan het hoofd hunner muildieren; de peons, tot aan de tanden gewapend, stegen in den zadel en don Sylva, na zich met een oogopslag verzekerd te[71]hebben dat zijne bevelen stipt waren uitgevoerd, liet zijne dochter in de palankijn stappen, waar zij zich terstond in de kussens verborg als eenbengali1in een bed van rozeblaren.Op een wenk van den haciendero, begonnen de muilezels, kop aan staart achter elkander gebonden, achter denanaof moederezelin, die de bel aanhad, en onder geleide der peons, het huis uit te komen.Alvorens te paard te stijgen wendde don Sylva zich tot een zijner oudste bedienden, die met den stroohoed in de hand eerbiedig voor hem stond.»Adieu, no Pelucho,” zeide hij, »ik vertrouw u het huis toe, houd goed de wacht en draag zorg voor al wat er in is. Overigens laat ik u Pedrito en Florentio, die u kunnen helpen en aan wie gij de noodige orders zult geven, zoodat alles gedurende mijne afwezigheid goed gaat.”»Gij kunt volkomen gerust zijn,mi amo(meester),” antwoordde de grijsaard met een nederige buiging voor zijn meester, »het is Goddank niet voor het eerst dat gij mij hier alleen laat, ik geloof dat ik mij altijd goed van mijn plicht gekweten heb.”»Gij zijt een goed dienaar, no Pelucho,” antwoordde don Sylva met een vriendelijken lach, »ik kan u niet anders dan prijzen, ook ga ik ten volle gerust van hier.”»Dat God u zegene!mi amo, even als deNiña,” antwoordde de oude man, een kruis makende.»Tot weêrziens, no Pelucho,” zei nu het meisje terwijl zij even het hoofd uit de palankijn stak, »ik weet dat gij zorgen zult voor al wat van mij is.”De grijsaard boog, zichtbaar vergenoegd.Don Sylva gaf bevel om te vertrekken en de gansche karavaan zette zich in beweging naar de Rancho de San José. Het was een van die heerlijke ochtenden zooals men alleen in deze rijk gezegende streken vindt; het onweder gedurende den afgeloopen nacht had den hemel geheel schoon geveegd, die zich thans voordeed in een zacht blauw; de zon, die reeds vrij hoog boven den gezichteinder stond, verspreidde hare warme stralen, min of meer getemperd door de welriekende dampen die uit den grond opstegen; de atmospheer met frissche en versterkende geuren bezwangerd, was bijzonder doorzichtig en werd van tijd tot tijd door eene lichte koelte verfrischt; gansche scharen van vogels, van duizenderlei kleur en pluimaadje vlogen in alle richtingen, en de muildieren die achter de bellen dernana madrina—de moederezelin—aankwamen, draafden luchtig voort, onder het opwekkend gezang der arrieros.Zoo marcheerde de karavaan in opgeruimde stemming over de zandige[72]vlakte, wolken van stof opjagende, terwijl zij als eene lange kronkelende slang zich voortbewoog in de eindelooze bochten van den weg.Eene voorhoede uit tien peons bestaande nam de omstreken op en bespiedde hier en daar de struiken en heuvels van het golvende terrein. Don Sylva rookte eenesigaaren praatte met zijne dochter, terwijl eene achterhoede van twintig kloeke peons den trein sloot en voor de veiligheid van het convooi waakte.Wij herhalen hier, in dit land waar geen politie en bij gevolg geen openbaar toezicht bestaat, is eene reis van vier mijlen—want verder ligt de Rancho de San José niet van Guaymas—een even ernstige en zorgvereischende zaak als eene reis van honderd mijlen elders; de vijanden die men zou kunnen ontmoeten en met welke men ieder oogenblik te doen kan krijgen, hetzij roofzieke Indianen of verscheurende dieren, zijn te talrijk, te stoutmoedig en te tuk op roof en moord om te hunnen aanzien zijn leven alleen aan de vlugheid van zijn paard toe te vertrouwen.Men had Guaymas reeds ver achter zich, en de witte huizen waren sinds lang in de oneffenheden van het terrein verdwenen, toen decapataz, die zich tot hiertoe rustig aan het hoofd der karavaan had gehouden, op eens van daar terugkwam en in galop naar de palankijn reed, waar don Sylva de Torres zich nog steeds bevond.»Wel, Blas,” riep deze, »wat nieuws hebt gij? Onraad gezien voor ons uit?”»Nog niets,señoria, antwoordde de capataz, »alles gaat goed en binnen een uurtje komen wij aan de Rancho.”»Hoe komt gij dan zoo haastig naar mij toe?”»O, mijn hemel,señoria, het beteekent niet zoo veel, maar er loopt mij een idee door het hoofd, er is iets dat ik wilde aanwijzen.”»Ah zoo,” riep don Sylva, »wat, brave jongen?”»Kijk eens,señoria,” hervatte de capataz met de hand naar het zuidwesten wijzende.»Hé! wat zou dat beduiden? Daar is een vuur, als ik het wel heb.”»’t Is inderdaad een vuur,señoria; maar kijk eens hier,” en hij wees nu naar het zuid-oosten.»Dat is er nog een. Wie duivel toch stookt hier vuur op zulke hooge steilten, met welk oogmerk kan men dat gedaan hebben?”»O! maar dat is zoo moeielijk niet te begrijpen,señoria.”»Vindt gij dat, mijn jongen? wel, dan moest gij mij de zaak eens ophelderen.”»Met alle genoegen. Zie daar ginds,” zeide hij, met de hand naar den berg wijzende daar hij het eerste vuur gezien had, »die heuvel is deCerro del Gigante.”»Werkelijk.”»En deze,” vervolgde de capataz naar het tweede vuur wijzende, »is de Cerro de San Xavier.”[73]»Dat meen ik ook.”»ik weet het zeker.”»Welnu?”»Welnu, daar het eene bewezen waarheid is, dat een vuur niet van zelve kan ontstaan en dat bij eene hitte van veertig graden niemand lust zal hebben om voor aardigheid een vuur boven op den berg te gaan stoken.….”»Wat besluit gij er dan uit?”»Ik denk dat die vuren hetzij door roovers of door Indianen zijn aangelegd die de lucht hebben van onzen uittocht.”»Ja, ja, ja! wat gij daar zegt, is bondig geredeneerd, vriend; ga voort met uw verklaring, zij wekt mijne hoogste belangstelling.”De capataz of majordomo van don Sylva, was een kloeke borst van omtrent veertig jaren, een vent als een Herkules, en met hart en ziel aan zijn meester gehecht die wederkeerig in hem het grootste vertrouwen stelde. Op de minzame woorden van den haciendero boog de eerlijke man met een glimlach van zelfvoldoening.»O, maar ik heb zooveel niet meer te zeggen” riep hij, »niets anders dan dat deladrones(dieven), of wie het ook wezen mogen die op ons loeren, door dit signaal gewaarschuwd zijn dat don Sylva de Torres en zijne dochter van Guaymas op weg zijn naar de Rancho de San José.”»Waarlijk, gij hebt gelijk, ik heb dat alles over het hoofd gezien: ik dacht het minst niet aan de roofvogels van allerlei soort die op ons pad loeren. Maar alles wel ingezien, wat geven wij er om of de bandieten ons op de hielen zitten, wij zijn immers onder duizend getuigen op reis gegaan, zoo dat niemand er onkundig van behoeft te zijn, en bovendien wij zijn talrijk genoeg om voor geen aanranding te vreezen, maar zoo het mocht gebeuren dat eenige dier schelmen ons durven aanvallen, carcaras! dan zullen ze weten met wien ze te doen hebben, dat beloof ik u; trekken wij dus onbezorgd voort, beste vriend; ik zie niet in dat ons iets onaangenaams kan overkomen.”De capataz boog voor zijn meester en reed in galop naar zijne plaats aan het hoofd der karavaan terug.Een uur later bereikten zij zonder tegenspoed de Rancho.Don Sylva reed aan het rechter portier der palankijn en sprak tegen zijne dochter die hem slechts karige antwoorden gaf, al trachtte zij hare droefheid zoo veel mogelijk voor den scherpzienden blik van haren vader te verbergen, toen de haciendero zich op eens bij herhaling hoorde roepen: hij keek dadelijk om en was niet weinig verbaasd, daar hij in den man die hem zoo onverwachts tot verantwoording riep den graaf de Lhorailles herkende.»Hoe,señorgraaf, gij hier!” riep hij uit, »door welk zonderling toeval ontmoet ik u hier zoo dicht bij de haven, daar gij dezen nacht mij reeds zoover vooruit had moeten zijn?”[74]ZoodradoñaAnita den graaf zag kreeg zij een blos, zij trok zich schielijk terug en liet de gordijnen der palankijn neer.»O!” antwoordde de graaf met eene beleefde buiging, »tusschen nu en gisteren avond zijn er zekere dingen gebeurd die ik u vertellen zal, Don Sylva, dingen daar gij verwonderd van zult opkijken, ik verzeker u; maar het tegenwoordig oogenblik is niet geschikt om zulk eene historie te beginnen.”»Zooals gij gepast oordeelt, mijn vriend. Maar hoe is ’t met u, vertrekt gij, of blijft gij hier?”»Ik vertrek, ik vertrek! Ik ben alleen hier gebleven met oogmerk om u op te wachten; en zoo gij het goedvindt reizen wij samen; in plaats van u naar Guetzalli vooruit te gaan, komen wij er dan gezamenlijk aan.”»Met alle genoegen. Op marsch!” vervolgde hij met een wenk tegen den capataz.Laatstgenoemde had toen hij zijn meester met den graaf zag spreken, de karavaan halt laten maken. Thans trok zij weder op weg.De Rancho de San José was weldra achter den rug en nu eerst begon de eigenlijk gezegde reis.Voor de reizigers uit strekte zich de woestijn met hare onafzienbare zandvlakte, op wier geelachtigen bodem eene bochtige lijn, gevormd door het wit gebleekt gebeente der paarden en muildieren, die in de woestijn waren bezweken, het pad aanwees dat men te volgen had om niet te verdwalen.Omtrent twee honderd passen voor de karavaan uit, reed op een kreupelen ezel in sukkeldraf een man, hij zwaaide telkens links en rechts, en scheen half in slaap geraakt door de brandende zonnestralen die loodrecht op zijn bloot hoofd vielen.»Hei! Blas!” riep don Sylva tegen zijn majordomo, toen hij den eenzamen ruiter in ’t oog kreeg, »gij moest dien Indiaan daar voor ons uit eens gaan roepen; die weergasche Roodhuiden kennen de woestijn op hun duim, hij zou ons als gids kunnen dienen; dan loopen wij minder gevaar van verdwalen, want als wij ons soms mochten vergissen, zal hij ons zeker wel weder op den rechten weg brengen.”»Gij hebt gelijk,” zei de graaf, »in deze verduivelde zandvlakte is men nooit zeker van het rechte spoor.”»Ga hem roepen!” hervatte don Sylva.De capataz zette zijn paard in galop. Op eenigen afstand van den eenzamen reiziger gekomen bracht hij de handen aan zijn mond bij wijze van roeper:»Heila, José!” schreeuwde hij.In Mexico heeten al de mansos of geciviliseerde Indianen José, zoodat deze naam voor hen een soort van geslachtsnaam is geworden.De Indiaan keek om.[75]»Wat moet gij hebben?” vroeg hij onverschillig.Het was dezelfde persoon dien wij te Guaymas met zoo veel aandacht de reisaanstalten van den haciendero hebben zien beschouwen.Was hij toevallig dezen weg uitgereden, of met opzet?Dit is eene vraag die niemand had kunnen beantwoorden.Blas Velazquez was wat men in Mexico eenhombre de a caballo, wij zouden zeggen een geboren ridder, noemt, sedert lang op de hoogte van al de listen der Indianen, zoowel als met de jacht op wilde dieren. Hij wierp den reiziger een doordringenden blik toe, dien deze met volmaakte onverschilligheid doorstond. Het hoofd eenigszins verlegen gebukt, de handen op den hals van zijn ezel en de naakte beenen er links en rechts af hangende, was hij de volslagen type van eenmansoIndiaan, die door de vernederende en slaafsche behandeling der blanken bijna tot een redeloos dier is geworden.De capataz schudde onvoldaan het hoofd, zijn onderzoek was alles behalve naar wensch; intusschen, na eene minuut aarzelens, hervatte hij zijn verhoor.»Wat maakt gij hier zoo alleen op den weg, José?” vroeg hij.»Ik kom van del Puerto, waar ik mij als timmermansknecht had verhuurd; ik ben er omtrent eene maand gebleven, en toen ik er de kleine som daar het mij alleen om te doen was had overgewonnen, ben ik gisteren weder vertrokken en keer naar mijn dorp terug.”Dit alles klonk zoo waarschijnlijk als men verlangen kon; de meeste Hiaqui Indianen deden zoo; en bovendien, wat reden kon deze man hebben om te liegen? Hij was alleen, en ongewapend; de karavaan daarentegen was talrijk en bestond uit dappere mannen; er was dus geen het minste gevaar te vreezen.»En hebt gij braaf geld gewonnen?” hervatte de capataz.»Ja,” zei de Indiaan met een zegevierend gezicht, »vijf piasters en nog drie meer.”»Oho! José, gij zijt rijk.”De Hiaqui glimlachte dubbelzinnig.»Ja,” zeide hij, »de Tiburon2heeft geld.”»Heet gij de Tiburon?” hernam de capataz wantrouwig, »dat is geen mooie naam.”»He! waarom niet? De bleekgezichten hebben dien aan hun rooden zoon gegeven, hij vindt hem mooi, omdat hij van hen afkomstig is en hij zal hem houden.”»Ligt uw dorp nog ver van hier?”»Als ik een goed paard had, zou ik er in drie dagen kunnen zijn, mijn stamdorp ligt tusschen de Gila en Guetzalli.”»Zijt gij bekend te Guetzalli?”De Indiaan trok minachtend de schouders op.»De Roodhuiden kennen al de jachtgronden aan de Gila,” zeide hij.[76]Op dit oogenblik had de karavaan de beide sprekers ingehaald.»Wel, Blas,” vroeg don Sylva, »wat is dat voor een man?”»Een Hiaqui-Indiaan, die eene kleine som geld te Puerto heeft overgewonnen en naar zijn dorp terugkeert.”»Zou hij ons van dienst kunnen zijn?»Ik denk het wel, zijn stam, zegt hij, ligt tusschen de Gila en de kolonie te Guetzalli.”»Ah zoo!” riep de graaf die thans naderbij kwam, »behoort hij dan misschien tot den stam van het Witte Paard?”»Ja,” zei de Indiaan.»O! dan sta ik borg voor den man,” riep de graaf levendig, »dat zijn zeer zachtzinnige Indianen, het zijn ellendige arme drommels, die bijna van honger sterven; ik gebruik hen dikwijls op de hacienda.”»Hoor eens,” hervatte don Sylva, den Roodhuid vriendelijk op den schouder kloppende,»wij moeten naar Guetzalli.”»Goed.”»En wij hebben een trouwen en eerlijken gids noodig.”»De Tiburon is arm, hij heeft niets dan een zwakken ezel, zoodat hij de bleekgezichten niet zal kunnen bijhouden.”»Maak u daar niet ongerust over,” liet er de haciendero op volgen; »ik zal u een paard laten geven zoo als gij er nog nooit een bereden hebt; en als gij ons eerlijk dient, zal ik bij onze komst aan de hacienda nog tien piasters voegen bij die gij reeds hebt. Bevalt u dat?”De oogen van den Indiaan schitterden van begeerlijkheid bij dit voorstel.»Waar is het paard?” vroeg hij.»Daar is het,” antwoordde de capataz terwijl hij hem een heerlijken draver aanwees die een der peons hem bracht.De Roodhuid beschouwde het paard met het oog van een kenner.»Gij aanvaardt dus den koop?” vroeg de haciendero.»Ja,” antwoordde de Roodhuid.»Kom dan maar gezwind van uw ezel en wij vertrekken dadelijk.”»Ik kan mijn ezel niet verlaten; hij is een goed dier, dat mij lang dienst heeft gedaan.”»Wees daar niet bezorgd over, hij komt met de pakezels achteraan.”De Indiaan gaf een wenk van toestemming en antwoordde niets; eenige oogenblikken daarna zat hij behoorlijk op zijn paard en ging de karavaan weder op weg.Alleen de capataz scheen niet veel vertrouwen te stellen in den zoo zonderling aangetroffen gids.»Ik zal hem in het oog houden,” mompelde hij in zich zelven.De tocht werd dien ganschen dag zonder verdere stoornis voortgezet, en den volgenden dag bereikte men de Rio Gila.[77]De oevers der Rio Gila maken door hunne vruchtbaarheid een sterk contrast met de dorre vlakten in hare nabijheid; de reis van don Sylva, ofschoon hervat op het oogenblik toen de zon in het toppunt stond en hare stralen loodrecht nederschoot, was nu niets anders dan een aangename wandelrit van weinige uren, onder de schaduw van het loofrijkst geboomte dat hier met een in ons klimaat onbekenden wasdom opschiet.Het was ongeveer drie uren in den namiddag toen onze reizigers nauwelijks vijftig passen voor zich uit de kolonie Guetzalli zagen liggen, welke door den graaf de Lhorailles gesticht en ofschoon nog geen drie jaren tellende, reeds eene aanzienlijke uitbreiding had bekomen en tot in hooge mate ontwikkeld was.Deze kolonie bestond uit eene hacienda of landhoeve, rondom welke de arbeiderswoningen in groepen verspreid lagen; wij zullen haar in weinige woorden beschrijven.De hacienda verhief zich op een schiereiland van drie mijlen in den omtrek, met bosschen, akkers en weidevelden, in welke laatsten meer dan vier duizend stuks vee vrijelijk liepen grazen, die des avonds in parken dicht bij het huis werden samengebracht. Aan drie zijden door de rivier omgeven, diende deze haar als een natuurlijke schans; de smalle landtong van nauwelijks acht ellen breedte, die haar met het vaste land verbond, werd bestreken door eene batterij van vijf stukken grof geschut, behoorlijk gedekt door aardewerken en versterkt door eene diepe met water gevulde gracht.Het heerenhuis, door hooge gecreneleerde muren omringd en aan de vier hoeken met torens versterkt, was een soort van vesting, op zich zelf reeds voldoende in staat om een geregeld beleg te verduren, dank zij de acht kanonnen op de vier hoektorens, die al de toegangen verdedigden. Het bestond uit een hoofdgebouw, twee verdiepingen hoog en met een plat dak; in den voorgevel waren tien vensters, en links en rechts stonden twee andere gebouwen met den rug naar voren gekeerd; het een dienende tot bergplaats voor granen en hooi en het ander tot woonhuis voor den capataz of hofmeester en de talrijke bedienden der hacienda.Eene breede stoep, voorzien van eene dubbele ijzeren balie, sierlijk bewerkt en bekroond met eene veranda, geleidde naar de vertrekken van den graaf, die op de wijze der landhoeven inSpaansch-Amerikaeven eenvoudig als smaakvol en schilderachtig waren gemeubeld.Tusschen het woonhuis en den ringmuur, waarin tegenover de stoep een cederhouten deur was van vijf duim dik en met sterke ijzeren platen beslagen, lag een groote welonderhouden Engelsche tuin zeer fraai aangelegd en zoo dicht beplant dat men geen tien passen er doorheen kon zien. De ruimte achter het huis was voor stallen en parken bestemd, waar men iederen avond het vee in opsloot, en verder eene groote open plaats, waar men op zekeren[78]tijd des jaars gewoon was dematanza del ganado—de slacht voor den wintervoorraad te houden.Geen schilderachtiger gezicht laat zich denken dan de aanblik van dit witte huis, dat men reeds in de verte kon zien liggen, half verscholen achter de welige bosschages als achter een gordijn van groen daar het oog met welgevallen op bleef rusten.Uit de vensters der bovenverdieping had men aan de eene zijde het onbelemmerde uitzicht over de ruime vlakte en aan de andere over de Rio Gila, die als een breed zilver lint in de grilligste bochten voortkronkelde en zich in onafzienbare verte verloor in het nevelig verschiet van den blauwenden horizont.Sedert de Apachen bijna op het punt waren geweest van de hacienda te bemachtigen, was er op het dak van het hoofdgebouw een mirador of wachttoren geplaatst, in welken nacht en dag een schildwacht op den uitkijk stond om de omstreken te bewaken, en dadelijk door middel van een koehoorn moest waarschuwen als hij een vreemdeling de kolonie zag naderen.Bovendien werd de batterij aan de landengte door een post van zes man bewaakt, terwijl de kanonnen altijd geladen stonden om bij den minsten onraad los te branden.Zoo was de karavaan nog ver van de hacienda verwijderd, toen hare komst aldaar werd opgemerkt en een der luitenants van den graaf, een oud soldaat uit Afrika met name Martin Leroux, volgens order, te paard achter de verschansing zich gereed hield om de nieuw aankomenden te ondervragen zoodra zij onder het bereik zijner stem zouden zijn.Don Sylva was intusschen met de wachtorde der hacienda ten volle bekend, eene dienstregeling trouwens die op alle buitenbezittingen der blanken gevolgd werd; want op de posten aan de grenzen, waar men voor de aanvallen en strooptochten der Indianen onophoudelijk blootstond, was men wel genoodzaakt om gedurig op zijne hoede te zijn.Eén ding echter begreep de Mexicaan niet recht, namelijk dat de eigen luitenant van den graaf, die hem ongetwijfeld moest hebben herkend, hem niet dadelijk de deuren had geopend.Hij deed dit terstond aan den graaf opmerken.»Daar zou hij verkeerd aan hebben gedaan,” zeide deze, »de kolonie Guetzalli is een gewapende post en altoos in staat van oorlog; de wachtorde moet dus stipt gevolgd worden voor ieder die zich aanmeldt, wie dan ook; van deze stipte waarneming hangt het algemeen welzijn af. Martin heeft mij reeds lang herkend, dat weet ik zeker, maar hij vooronderstelt dat ik door de Indianen gevangen zou kunnen zijn, en dat zij mij in schijn vrij lieten, om de kolonie des te beter te kunnen overrompelen. Ik verzeker u, dat mijn brave luitenant ons niet door zal laten, alvorens hij overtuigd is dat er onder onze Europeesche kleederen geen Roodhuiden schuilen.”»Ja,” mompelde don Sylva in zich zelven, »dat is maar al te[79]juist; die Europeanen denken om alles, zij zijn ons ver vooruit.”De karavaan was thans nauwelijks twintig passen ver van de hacienda.»Ik geloof” zeide de graaf, »als wij ten minste geen hagelbui van kogels op het lijf willen krijgen, dat wij wijs zullen doen van hier stil te houden.”»Hoe dat!” riep don Sylva verschrikt, »zouden zij schieten?”»Zonder twijfel.”De beide mannen hielden hunne paarden in en bleven staan wachten tot men hen ondervroeg.»Wiedaar!” riep eene krachtvolle stem in ’t Fransch van achter de batterij.»Wel, wat vindt gij er nu van, don Sylva?” vroeg hij den haciendero.»’t Is iets ongehoords?” mompelde don Sylva.»Vrienden!” riep nu de graaf in antwoord op de vraag van den schildwacht, »Lhorailles en de vrijheid.”»Alles wel! De poort open!” kommandeerde de stem, »het zijn vrienden, zoo als ik hoop dat de Hemel ons nog dikwijls zenden zal.”De peons lieten de brug neêr, de eenige toegang om in de hacienda te komen.De karavaan trok nu binnen, en de brug werd onmiddellijk achter hem weder opgehaald.»Gij zult het mij niet kwalijk nemen, kapitein,” zeide Martin Leroux terwijl hij den graaf eerbiedig te gemoet trad, »maar ofschoon ik u zeer goed herkende, wij leven in een land waar men mijns bedunkens niet te voorzichtig kan zijn.”»Gij hebt uw plicht gedaan, luitenant, ik kan u niet anders dan geluk wenschen. Wat is er voor nieuws?”»Niet veel bijzonders: een troep jagers, door mij in de wildernis gevonden, heeft mij bericht dat zij een verlaten vuur op de vlakte hebben ontdekt; ik denk dat er weer Indianen om ons heen zwerven.”»Wij zullen een wakend oog op hen houden.”»O, ik houd goed de wacht, vooral tegenwoordig nu wij de maand naderen die de Comanchen zoo brutaal zijn de Maan van Mexico te noemen; ik zou er niets tegen hebben als zij eens bij ons kwamen, om hun een les te kunnen geven die zij in ’t vervolg konden onthouden.”»Ik ben het volkomen met u eens; verdubbelen wij dus onze waakzaamheid en alles zal wel gaan.”»Hebt gij mij geen andere orders te geven?”»Neen.”»Dan wil ik gaan, kapitein; gij weet dat gij mij het algemeen toezicht hebt opgedragen, ik moet dus een weinig overal zijn.”»Ga, luitenant, laat ik u niet langer ophouden.”De oude soldaat boog voor zijn kommandant en verwijderde zich, terwijl hij onder de hand den capataz minzaam groette, die hem volgde met de peons van don Sylva en de pakezels.[80]De graaf zelf geleidde zijne vrienden naar dat gedeelte van het hoofdgebouw, dat voor de vreemde gasten bestemd was, en waar een appartement met alle noodige gemakken voor hen was ingericht.»Neem nu een weinig rust, don Sylva,” zeide hij tegen den haciendero, »gij zult wel vermoeid zijn van de reis zoo wel alsdoñaAnita; morgen met uw goedvinden, spreken wij wel over onze zaken.”»Zoo als gij verlangt, vriend.”De graaf boog voor zijne gasten. Sedert hij het meisje ontmoet had was er nog geen woord tusschen hem en haar gewisseld.Op het voorplein ontmoette de graaf den Hiaqui, die een pijp rookte en op zijn gemak rondslenterde; hij trad naar hem toe.»Ziedaar de tien piasters die ik u beloofd heb,” zeide hij.»Dank u,” zeide de Indiaan terwijl hij ze aannam.»Wat gaat gij nu doen?”»Rusten tot morgen, en dan keer ik tot mijne broeders terug.”»Hebt gij zoo veel haast hen weder te zien?”»Ik! o neen.”»Blijf dan hier.”»Om wat te doen?”»Dat zal ik u zeggen: misschien zal ik u binnen een paar dagen noodig hebben.”»Krijg ik daar geld voor?”»Volop; zijt gij nu tevreden?”»Ja.”»Dus blijft gij?”»Ja, ik blijf.”De graaf verwijderde zich, zonder den vreemden blik op te merken dien de Indiaan hem toewierp.1Bengaalsche vink.↑2De haas.↑

VIII.HET VERTREK.

Zoo als don Sylva de Torres aan zijne dochter gezegd had, was tegen zonsopgang alles gereed om te vertrekken.In Mexico en bovenal in Sonora, waar de wegen gewoonlijk het beste zijn, als zij ten eenenmale ontbreken, gaat het reizen geheel anders dan in Europa.Daar zijn geen openbare vracht- of postdiensten, geen pleisterplaatsen of paardenposterijen, veel min spoorwegen. Eene reis van eenige dagen kost oneindig veel zorg en beweging, men is dan verplicht alles bij zich te hebben, daar men niet zeker is iets onder weg te zullen vinden: bedden, tenten, levensmiddelen en water wel het meest; alles moet op muilezels gepakt en weggesleept worden; zonder deze voorzorgen, zou men gevaar loopen van honger of dorst om te komen of onder den blooten hemel te moeten overnachten.Daarbij moet men zich van een aanzienlijk, goed gewapend geleide voorzien, om den aanval van wilde beesten niet slechts, maar ook der Indianen en vooral der struikroovers af te weren, daar het dank zij de regeeringloosheid van dat ongelukkige land op alle wegen van Mexico van wemelt.Diensvolgens zal de lezer gemakkelijk begrijpen, dat don Sylva reikhalzend verlangde om Guaymas zoodra mogelijk te verlaten, toen, zoo als wij gezegd hebben, in den vroegen morgen alles voor zijn vertrek gereed was.De opene plaats voor het huis had veel van eene groote pleisterplaats; vijftien muildieren met pakken en balen beladen stonden te wachten tot dat men gereed was met de palankijn, in welkedoñaAnita de reis mede zou maken.Een veertigtal paarden, getuigd en gezadeld, met het vliegennet over den neus, en pistolen in de holsters, stonden in ringen aan den muur vastgemaakt, en een enkele peon afzonderlijk met een heerlijken,[70]kostbaar getuigden draver aan de hand, die voor don Sylva bestemd, ongeduldig stond te wuiven en te stampvoeten, knabbelende op het zilveren gebit, dat met schuim overdekt was.Kortom het was om doof te worden van al het geschreeuw, gelach en gedruisch.In de straat stond eene menigte volks te gapen, waaronder zich ook Cuchares en don Martial bevonden, die van hun toer naar de Rancho teruggekomen, met nieuwsgierigheid dit vertrek gadesloegen, daar zij niets van begrepen in dit vergevorderde jaargetij, zoo weinig geschikt voor een verblijf op het land, en zich verdiepten in allerlei gissingen die kant noch wal raakten, over deze zoo geheel buitengewone reis.Onder den hoop hier, hetzij toevallig of uit nieuwsgierigheid samengevloeid, bevond zich een man, blijkbaar een Indiaan, die schijnbaar achteloos tegen den muur geleund, evenwel het huis van don Sylva niet uit het oog verloor en met de meeste belangstelling al de bewegingen der talrijke bedienden van den haciendero gadesloeg.Deze persoon, nog jong, scheen een zoogenaamde Hiaqui-Indiaan, ofschoon een nauwlettend opmerker bij nader onderzoek het tegendeel zou gezegd hebben; in het breede voorhoofd van den man, zoowel als in zijn moeielijk te bedwingen fonkelend oog, en in den fieren mond, maar vooral in zijne forsche ledematen, die naar het model van den Griekschen Hercules schenen gevormd te zijn, was iets edels, vastberadens en onafhankelijks, dat veeleer den trotschen Comanch of den woesten Apache aanduidde, dan den meestal dommen Hiaqui. Onder de talrijke schaar dacht echter niemand zich met dezen Indiaan bezig te houden, die van zijnen kant wel zorg droeg de aandacht niet te trekken, maar zich zooveel mogelijk te verbergen.De Hiaquis komen zich gewoonlijk te Guaymas als werklieden of als lastdragers verhuren: daarom heeft de tegenwoordigheid van zulk een Indiaan niets vreemds.Eindelijk, tegen acht uren in den morgen, verscheen don Sylva de Torres met zijne dochter aan de hand, gekleed in een keurig reisgewaad, onder de peristyle van het huis.DoñaAnita was zoo bleek als kwam zij uit het graf; haar betrokken gelaat en gezwollen oogen bewezen maar al te zeer, hoeveel zij dien nacht geleden en welk een zelfbedwang zij op dit oogenblik noodig had, om niet voor aller oog in tranen uit te breken. Bij hare verschijning wisselden don Martial en Cuchares een snellen blik, terwijl op de lippen van den Indiaan een glimlach trilde van onbeschrijfelijke uitdrukking.De tegenwoordigheid van den haciendero herstelde als met een tooverslag de stilte; dearrierosplaatsten zich terstond aan het hoofd hunner muildieren; de peons, tot aan de tanden gewapend, stegen in den zadel en don Sylva, na zich met een oogopslag verzekerd te[71]hebben dat zijne bevelen stipt waren uitgevoerd, liet zijne dochter in de palankijn stappen, waar zij zich terstond in de kussens verborg als eenbengali1in een bed van rozeblaren.Op een wenk van den haciendero, begonnen de muilezels, kop aan staart achter elkander gebonden, achter denanaof moederezelin, die de bel aanhad, en onder geleide der peons, het huis uit te komen.Alvorens te paard te stijgen wendde don Sylva zich tot een zijner oudste bedienden, die met den stroohoed in de hand eerbiedig voor hem stond.»Adieu, no Pelucho,” zeide hij, »ik vertrouw u het huis toe, houd goed de wacht en draag zorg voor al wat er in is. Overigens laat ik u Pedrito en Florentio, die u kunnen helpen en aan wie gij de noodige orders zult geven, zoodat alles gedurende mijne afwezigheid goed gaat.”»Gij kunt volkomen gerust zijn,mi amo(meester),” antwoordde de grijsaard met een nederige buiging voor zijn meester, »het is Goddank niet voor het eerst dat gij mij hier alleen laat, ik geloof dat ik mij altijd goed van mijn plicht gekweten heb.”»Gij zijt een goed dienaar, no Pelucho,” antwoordde don Sylva met een vriendelijken lach, »ik kan u niet anders dan prijzen, ook ga ik ten volle gerust van hier.”»Dat God u zegene!mi amo, even als deNiña,” antwoordde de oude man, een kruis makende.»Tot weêrziens, no Pelucho,” zei nu het meisje terwijl zij even het hoofd uit de palankijn stak, »ik weet dat gij zorgen zult voor al wat van mij is.”De grijsaard boog, zichtbaar vergenoegd.Don Sylva gaf bevel om te vertrekken en de gansche karavaan zette zich in beweging naar de Rancho de San José. Het was een van die heerlijke ochtenden zooals men alleen in deze rijk gezegende streken vindt; het onweder gedurende den afgeloopen nacht had den hemel geheel schoon geveegd, die zich thans voordeed in een zacht blauw; de zon, die reeds vrij hoog boven den gezichteinder stond, verspreidde hare warme stralen, min of meer getemperd door de welriekende dampen die uit den grond opstegen; de atmospheer met frissche en versterkende geuren bezwangerd, was bijzonder doorzichtig en werd van tijd tot tijd door eene lichte koelte verfrischt; gansche scharen van vogels, van duizenderlei kleur en pluimaadje vlogen in alle richtingen, en de muildieren die achter de bellen dernana madrina—de moederezelin—aankwamen, draafden luchtig voort, onder het opwekkend gezang der arrieros.Zoo marcheerde de karavaan in opgeruimde stemming over de zandige[72]vlakte, wolken van stof opjagende, terwijl zij als eene lange kronkelende slang zich voortbewoog in de eindelooze bochten van den weg.Eene voorhoede uit tien peons bestaande nam de omstreken op en bespiedde hier en daar de struiken en heuvels van het golvende terrein. Don Sylva rookte eenesigaaren praatte met zijne dochter, terwijl eene achterhoede van twintig kloeke peons den trein sloot en voor de veiligheid van het convooi waakte.Wij herhalen hier, in dit land waar geen politie en bij gevolg geen openbaar toezicht bestaat, is eene reis van vier mijlen—want verder ligt de Rancho de San José niet van Guaymas—een even ernstige en zorgvereischende zaak als eene reis van honderd mijlen elders; de vijanden die men zou kunnen ontmoeten en met welke men ieder oogenblik te doen kan krijgen, hetzij roofzieke Indianen of verscheurende dieren, zijn te talrijk, te stoutmoedig en te tuk op roof en moord om te hunnen aanzien zijn leven alleen aan de vlugheid van zijn paard toe te vertrouwen.Men had Guaymas reeds ver achter zich, en de witte huizen waren sinds lang in de oneffenheden van het terrein verdwenen, toen decapataz, die zich tot hiertoe rustig aan het hoofd der karavaan had gehouden, op eens van daar terugkwam en in galop naar de palankijn reed, waar don Sylva de Torres zich nog steeds bevond.»Wel, Blas,” riep deze, »wat nieuws hebt gij? Onraad gezien voor ons uit?”»Nog niets,señoria, antwoordde de capataz, »alles gaat goed en binnen een uurtje komen wij aan de Rancho.”»Hoe komt gij dan zoo haastig naar mij toe?”»O, mijn hemel,señoria, het beteekent niet zoo veel, maar er loopt mij een idee door het hoofd, er is iets dat ik wilde aanwijzen.”»Ah zoo,” riep don Sylva, »wat, brave jongen?”»Kijk eens,señoria,” hervatte de capataz met de hand naar het zuidwesten wijzende.»Hé! wat zou dat beduiden? Daar is een vuur, als ik het wel heb.”»’t Is inderdaad een vuur,señoria; maar kijk eens hier,” en hij wees nu naar het zuid-oosten.»Dat is er nog een. Wie duivel toch stookt hier vuur op zulke hooge steilten, met welk oogmerk kan men dat gedaan hebben?”»O! maar dat is zoo moeielijk niet te begrijpen,señoria.”»Vindt gij dat, mijn jongen? wel, dan moest gij mij de zaak eens ophelderen.”»Met alle genoegen. Zie daar ginds,” zeide hij, met de hand naar den berg wijzende daar hij het eerste vuur gezien had, »die heuvel is deCerro del Gigante.”»Werkelijk.”»En deze,” vervolgde de capataz naar het tweede vuur wijzende, »is de Cerro de San Xavier.”[73]»Dat meen ik ook.”»ik weet het zeker.”»Welnu?”»Welnu, daar het eene bewezen waarheid is, dat een vuur niet van zelve kan ontstaan en dat bij eene hitte van veertig graden niemand lust zal hebben om voor aardigheid een vuur boven op den berg te gaan stoken.….”»Wat besluit gij er dan uit?”»Ik denk dat die vuren hetzij door roovers of door Indianen zijn aangelegd die de lucht hebben van onzen uittocht.”»Ja, ja, ja! wat gij daar zegt, is bondig geredeneerd, vriend; ga voort met uw verklaring, zij wekt mijne hoogste belangstelling.”De capataz of majordomo van don Sylva, was een kloeke borst van omtrent veertig jaren, een vent als een Herkules, en met hart en ziel aan zijn meester gehecht die wederkeerig in hem het grootste vertrouwen stelde. Op de minzame woorden van den haciendero boog de eerlijke man met een glimlach van zelfvoldoening.»O, maar ik heb zooveel niet meer te zeggen” riep hij, »niets anders dan dat deladrones(dieven), of wie het ook wezen mogen die op ons loeren, door dit signaal gewaarschuwd zijn dat don Sylva de Torres en zijne dochter van Guaymas op weg zijn naar de Rancho de San José.”»Waarlijk, gij hebt gelijk, ik heb dat alles over het hoofd gezien: ik dacht het minst niet aan de roofvogels van allerlei soort die op ons pad loeren. Maar alles wel ingezien, wat geven wij er om of de bandieten ons op de hielen zitten, wij zijn immers onder duizend getuigen op reis gegaan, zoo dat niemand er onkundig van behoeft te zijn, en bovendien wij zijn talrijk genoeg om voor geen aanranding te vreezen, maar zoo het mocht gebeuren dat eenige dier schelmen ons durven aanvallen, carcaras! dan zullen ze weten met wien ze te doen hebben, dat beloof ik u; trekken wij dus onbezorgd voort, beste vriend; ik zie niet in dat ons iets onaangenaams kan overkomen.”De capataz boog voor zijn meester en reed in galop naar zijne plaats aan het hoofd der karavaan terug.Een uur later bereikten zij zonder tegenspoed de Rancho.Don Sylva reed aan het rechter portier der palankijn en sprak tegen zijne dochter die hem slechts karige antwoorden gaf, al trachtte zij hare droefheid zoo veel mogelijk voor den scherpzienden blik van haren vader te verbergen, toen de haciendero zich op eens bij herhaling hoorde roepen: hij keek dadelijk om en was niet weinig verbaasd, daar hij in den man die hem zoo onverwachts tot verantwoording riep den graaf de Lhorailles herkende.»Hoe,señorgraaf, gij hier!” riep hij uit, »door welk zonderling toeval ontmoet ik u hier zoo dicht bij de haven, daar gij dezen nacht mij reeds zoover vooruit had moeten zijn?”[74]ZoodradoñaAnita den graaf zag kreeg zij een blos, zij trok zich schielijk terug en liet de gordijnen der palankijn neer.»O!” antwoordde de graaf met eene beleefde buiging, »tusschen nu en gisteren avond zijn er zekere dingen gebeurd die ik u vertellen zal, Don Sylva, dingen daar gij verwonderd van zult opkijken, ik verzeker u; maar het tegenwoordig oogenblik is niet geschikt om zulk eene historie te beginnen.”»Zooals gij gepast oordeelt, mijn vriend. Maar hoe is ’t met u, vertrekt gij, of blijft gij hier?”»Ik vertrek, ik vertrek! Ik ben alleen hier gebleven met oogmerk om u op te wachten; en zoo gij het goedvindt reizen wij samen; in plaats van u naar Guetzalli vooruit te gaan, komen wij er dan gezamenlijk aan.”»Met alle genoegen. Op marsch!” vervolgde hij met een wenk tegen den capataz.Laatstgenoemde had toen hij zijn meester met den graaf zag spreken, de karavaan halt laten maken. Thans trok zij weder op weg.De Rancho de San José was weldra achter den rug en nu eerst begon de eigenlijk gezegde reis.Voor de reizigers uit strekte zich de woestijn met hare onafzienbare zandvlakte, op wier geelachtigen bodem eene bochtige lijn, gevormd door het wit gebleekt gebeente der paarden en muildieren, die in de woestijn waren bezweken, het pad aanwees dat men te volgen had om niet te verdwalen.Omtrent twee honderd passen voor de karavaan uit, reed op een kreupelen ezel in sukkeldraf een man, hij zwaaide telkens links en rechts, en scheen half in slaap geraakt door de brandende zonnestralen die loodrecht op zijn bloot hoofd vielen.»Hei! Blas!” riep don Sylva tegen zijn majordomo, toen hij den eenzamen ruiter in ’t oog kreeg, »gij moest dien Indiaan daar voor ons uit eens gaan roepen; die weergasche Roodhuiden kennen de woestijn op hun duim, hij zou ons als gids kunnen dienen; dan loopen wij minder gevaar van verdwalen, want als wij ons soms mochten vergissen, zal hij ons zeker wel weder op den rechten weg brengen.”»Gij hebt gelijk,” zei de graaf, »in deze verduivelde zandvlakte is men nooit zeker van het rechte spoor.”»Ga hem roepen!” hervatte don Sylva.De capataz zette zijn paard in galop. Op eenigen afstand van den eenzamen reiziger gekomen bracht hij de handen aan zijn mond bij wijze van roeper:»Heila, José!” schreeuwde hij.In Mexico heeten al de mansos of geciviliseerde Indianen José, zoodat deze naam voor hen een soort van geslachtsnaam is geworden.De Indiaan keek om.[75]»Wat moet gij hebben?” vroeg hij onverschillig.Het was dezelfde persoon dien wij te Guaymas met zoo veel aandacht de reisaanstalten van den haciendero hebben zien beschouwen.Was hij toevallig dezen weg uitgereden, of met opzet?Dit is eene vraag die niemand had kunnen beantwoorden.Blas Velazquez was wat men in Mexico eenhombre de a caballo, wij zouden zeggen een geboren ridder, noemt, sedert lang op de hoogte van al de listen der Indianen, zoowel als met de jacht op wilde dieren. Hij wierp den reiziger een doordringenden blik toe, dien deze met volmaakte onverschilligheid doorstond. Het hoofd eenigszins verlegen gebukt, de handen op den hals van zijn ezel en de naakte beenen er links en rechts af hangende, was hij de volslagen type van eenmansoIndiaan, die door de vernederende en slaafsche behandeling der blanken bijna tot een redeloos dier is geworden.De capataz schudde onvoldaan het hoofd, zijn onderzoek was alles behalve naar wensch; intusschen, na eene minuut aarzelens, hervatte hij zijn verhoor.»Wat maakt gij hier zoo alleen op den weg, José?” vroeg hij.»Ik kom van del Puerto, waar ik mij als timmermansknecht had verhuurd; ik ben er omtrent eene maand gebleven, en toen ik er de kleine som daar het mij alleen om te doen was had overgewonnen, ben ik gisteren weder vertrokken en keer naar mijn dorp terug.”Dit alles klonk zoo waarschijnlijk als men verlangen kon; de meeste Hiaqui Indianen deden zoo; en bovendien, wat reden kon deze man hebben om te liegen? Hij was alleen, en ongewapend; de karavaan daarentegen was talrijk en bestond uit dappere mannen; er was dus geen het minste gevaar te vreezen.»En hebt gij braaf geld gewonnen?” hervatte de capataz.»Ja,” zei de Indiaan met een zegevierend gezicht, »vijf piasters en nog drie meer.”»Oho! José, gij zijt rijk.”De Hiaqui glimlachte dubbelzinnig.»Ja,” zeide hij, »de Tiburon2heeft geld.”»Heet gij de Tiburon?” hernam de capataz wantrouwig, »dat is geen mooie naam.”»He! waarom niet? De bleekgezichten hebben dien aan hun rooden zoon gegeven, hij vindt hem mooi, omdat hij van hen afkomstig is en hij zal hem houden.”»Ligt uw dorp nog ver van hier?”»Als ik een goed paard had, zou ik er in drie dagen kunnen zijn, mijn stamdorp ligt tusschen de Gila en Guetzalli.”»Zijt gij bekend te Guetzalli?”De Indiaan trok minachtend de schouders op.»De Roodhuiden kennen al de jachtgronden aan de Gila,” zeide hij.[76]Op dit oogenblik had de karavaan de beide sprekers ingehaald.»Wel, Blas,” vroeg don Sylva, »wat is dat voor een man?”»Een Hiaqui-Indiaan, die eene kleine som geld te Puerto heeft overgewonnen en naar zijn dorp terugkeert.”»Zou hij ons van dienst kunnen zijn?»Ik denk het wel, zijn stam, zegt hij, ligt tusschen de Gila en de kolonie te Guetzalli.”»Ah zoo!” riep de graaf die thans naderbij kwam, »behoort hij dan misschien tot den stam van het Witte Paard?”»Ja,” zei de Indiaan.»O! dan sta ik borg voor den man,” riep de graaf levendig, »dat zijn zeer zachtzinnige Indianen, het zijn ellendige arme drommels, die bijna van honger sterven; ik gebruik hen dikwijls op de hacienda.”»Hoor eens,” hervatte don Sylva, den Roodhuid vriendelijk op den schouder kloppende,»wij moeten naar Guetzalli.”»Goed.”»En wij hebben een trouwen en eerlijken gids noodig.”»De Tiburon is arm, hij heeft niets dan een zwakken ezel, zoodat hij de bleekgezichten niet zal kunnen bijhouden.”»Maak u daar niet ongerust over,” liet er de haciendero op volgen; »ik zal u een paard laten geven zoo als gij er nog nooit een bereden hebt; en als gij ons eerlijk dient, zal ik bij onze komst aan de hacienda nog tien piasters voegen bij die gij reeds hebt. Bevalt u dat?”De oogen van den Indiaan schitterden van begeerlijkheid bij dit voorstel.»Waar is het paard?” vroeg hij.»Daar is het,” antwoordde de capataz terwijl hij hem een heerlijken draver aanwees die een der peons hem bracht.De Roodhuid beschouwde het paard met het oog van een kenner.»Gij aanvaardt dus den koop?” vroeg de haciendero.»Ja,” antwoordde de Roodhuid.»Kom dan maar gezwind van uw ezel en wij vertrekken dadelijk.”»Ik kan mijn ezel niet verlaten; hij is een goed dier, dat mij lang dienst heeft gedaan.”»Wees daar niet bezorgd over, hij komt met de pakezels achteraan.”De Indiaan gaf een wenk van toestemming en antwoordde niets; eenige oogenblikken daarna zat hij behoorlijk op zijn paard en ging de karavaan weder op weg.Alleen de capataz scheen niet veel vertrouwen te stellen in den zoo zonderling aangetroffen gids.»Ik zal hem in het oog houden,” mompelde hij in zich zelven.De tocht werd dien ganschen dag zonder verdere stoornis voortgezet, en den volgenden dag bereikte men de Rio Gila.[77]De oevers der Rio Gila maken door hunne vruchtbaarheid een sterk contrast met de dorre vlakten in hare nabijheid; de reis van don Sylva, ofschoon hervat op het oogenblik toen de zon in het toppunt stond en hare stralen loodrecht nederschoot, was nu niets anders dan een aangename wandelrit van weinige uren, onder de schaduw van het loofrijkst geboomte dat hier met een in ons klimaat onbekenden wasdom opschiet.Het was ongeveer drie uren in den namiddag toen onze reizigers nauwelijks vijftig passen voor zich uit de kolonie Guetzalli zagen liggen, welke door den graaf de Lhorailles gesticht en ofschoon nog geen drie jaren tellende, reeds eene aanzienlijke uitbreiding had bekomen en tot in hooge mate ontwikkeld was.Deze kolonie bestond uit eene hacienda of landhoeve, rondom welke de arbeiderswoningen in groepen verspreid lagen; wij zullen haar in weinige woorden beschrijven.De hacienda verhief zich op een schiereiland van drie mijlen in den omtrek, met bosschen, akkers en weidevelden, in welke laatsten meer dan vier duizend stuks vee vrijelijk liepen grazen, die des avonds in parken dicht bij het huis werden samengebracht. Aan drie zijden door de rivier omgeven, diende deze haar als een natuurlijke schans; de smalle landtong van nauwelijks acht ellen breedte, die haar met het vaste land verbond, werd bestreken door eene batterij van vijf stukken grof geschut, behoorlijk gedekt door aardewerken en versterkt door eene diepe met water gevulde gracht.Het heerenhuis, door hooge gecreneleerde muren omringd en aan de vier hoeken met torens versterkt, was een soort van vesting, op zich zelf reeds voldoende in staat om een geregeld beleg te verduren, dank zij de acht kanonnen op de vier hoektorens, die al de toegangen verdedigden. Het bestond uit een hoofdgebouw, twee verdiepingen hoog en met een plat dak; in den voorgevel waren tien vensters, en links en rechts stonden twee andere gebouwen met den rug naar voren gekeerd; het een dienende tot bergplaats voor granen en hooi en het ander tot woonhuis voor den capataz of hofmeester en de talrijke bedienden der hacienda.Eene breede stoep, voorzien van eene dubbele ijzeren balie, sierlijk bewerkt en bekroond met eene veranda, geleidde naar de vertrekken van den graaf, die op de wijze der landhoeven inSpaansch-Amerikaeven eenvoudig als smaakvol en schilderachtig waren gemeubeld.Tusschen het woonhuis en den ringmuur, waarin tegenover de stoep een cederhouten deur was van vijf duim dik en met sterke ijzeren platen beslagen, lag een groote welonderhouden Engelsche tuin zeer fraai aangelegd en zoo dicht beplant dat men geen tien passen er doorheen kon zien. De ruimte achter het huis was voor stallen en parken bestemd, waar men iederen avond het vee in opsloot, en verder eene groote open plaats, waar men op zekeren[78]tijd des jaars gewoon was dematanza del ganado—de slacht voor den wintervoorraad te houden.Geen schilderachtiger gezicht laat zich denken dan de aanblik van dit witte huis, dat men reeds in de verte kon zien liggen, half verscholen achter de welige bosschages als achter een gordijn van groen daar het oog met welgevallen op bleef rusten.Uit de vensters der bovenverdieping had men aan de eene zijde het onbelemmerde uitzicht over de ruime vlakte en aan de andere over de Rio Gila, die als een breed zilver lint in de grilligste bochten voortkronkelde en zich in onafzienbare verte verloor in het nevelig verschiet van den blauwenden horizont.Sedert de Apachen bijna op het punt waren geweest van de hacienda te bemachtigen, was er op het dak van het hoofdgebouw een mirador of wachttoren geplaatst, in welken nacht en dag een schildwacht op den uitkijk stond om de omstreken te bewaken, en dadelijk door middel van een koehoorn moest waarschuwen als hij een vreemdeling de kolonie zag naderen.Bovendien werd de batterij aan de landengte door een post van zes man bewaakt, terwijl de kanonnen altijd geladen stonden om bij den minsten onraad los te branden.Zoo was de karavaan nog ver van de hacienda verwijderd, toen hare komst aldaar werd opgemerkt en een der luitenants van den graaf, een oud soldaat uit Afrika met name Martin Leroux, volgens order, te paard achter de verschansing zich gereed hield om de nieuw aankomenden te ondervragen zoodra zij onder het bereik zijner stem zouden zijn.Don Sylva was intusschen met de wachtorde der hacienda ten volle bekend, eene dienstregeling trouwens die op alle buitenbezittingen der blanken gevolgd werd; want op de posten aan de grenzen, waar men voor de aanvallen en strooptochten der Indianen onophoudelijk blootstond, was men wel genoodzaakt om gedurig op zijne hoede te zijn.Eén ding echter begreep de Mexicaan niet recht, namelijk dat de eigen luitenant van den graaf, die hem ongetwijfeld moest hebben herkend, hem niet dadelijk de deuren had geopend.Hij deed dit terstond aan den graaf opmerken.»Daar zou hij verkeerd aan hebben gedaan,” zeide deze, »de kolonie Guetzalli is een gewapende post en altoos in staat van oorlog; de wachtorde moet dus stipt gevolgd worden voor ieder die zich aanmeldt, wie dan ook; van deze stipte waarneming hangt het algemeen welzijn af. Martin heeft mij reeds lang herkend, dat weet ik zeker, maar hij vooronderstelt dat ik door de Indianen gevangen zou kunnen zijn, en dat zij mij in schijn vrij lieten, om de kolonie des te beter te kunnen overrompelen. Ik verzeker u, dat mijn brave luitenant ons niet door zal laten, alvorens hij overtuigd is dat er onder onze Europeesche kleederen geen Roodhuiden schuilen.”»Ja,” mompelde don Sylva in zich zelven, »dat is maar al te[79]juist; die Europeanen denken om alles, zij zijn ons ver vooruit.”De karavaan was thans nauwelijks twintig passen ver van de hacienda.»Ik geloof” zeide de graaf, »als wij ten minste geen hagelbui van kogels op het lijf willen krijgen, dat wij wijs zullen doen van hier stil te houden.”»Hoe dat!” riep don Sylva verschrikt, »zouden zij schieten?”»Zonder twijfel.”De beide mannen hielden hunne paarden in en bleven staan wachten tot men hen ondervroeg.»Wiedaar!” riep eene krachtvolle stem in ’t Fransch van achter de batterij.»Wel, wat vindt gij er nu van, don Sylva?” vroeg hij den haciendero.»’t Is iets ongehoords?” mompelde don Sylva.»Vrienden!” riep nu de graaf in antwoord op de vraag van den schildwacht, »Lhorailles en de vrijheid.”»Alles wel! De poort open!” kommandeerde de stem, »het zijn vrienden, zoo als ik hoop dat de Hemel ons nog dikwijls zenden zal.”De peons lieten de brug neêr, de eenige toegang om in de hacienda te komen.De karavaan trok nu binnen, en de brug werd onmiddellijk achter hem weder opgehaald.»Gij zult het mij niet kwalijk nemen, kapitein,” zeide Martin Leroux terwijl hij den graaf eerbiedig te gemoet trad, »maar ofschoon ik u zeer goed herkende, wij leven in een land waar men mijns bedunkens niet te voorzichtig kan zijn.”»Gij hebt uw plicht gedaan, luitenant, ik kan u niet anders dan geluk wenschen. Wat is er voor nieuws?”»Niet veel bijzonders: een troep jagers, door mij in de wildernis gevonden, heeft mij bericht dat zij een verlaten vuur op de vlakte hebben ontdekt; ik denk dat er weer Indianen om ons heen zwerven.”»Wij zullen een wakend oog op hen houden.”»O, ik houd goed de wacht, vooral tegenwoordig nu wij de maand naderen die de Comanchen zoo brutaal zijn de Maan van Mexico te noemen; ik zou er niets tegen hebben als zij eens bij ons kwamen, om hun een les te kunnen geven die zij in ’t vervolg konden onthouden.”»Ik ben het volkomen met u eens; verdubbelen wij dus onze waakzaamheid en alles zal wel gaan.”»Hebt gij mij geen andere orders te geven?”»Neen.”»Dan wil ik gaan, kapitein; gij weet dat gij mij het algemeen toezicht hebt opgedragen, ik moet dus een weinig overal zijn.”»Ga, luitenant, laat ik u niet langer ophouden.”De oude soldaat boog voor zijn kommandant en verwijderde zich, terwijl hij onder de hand den capataz minzaam groette, die hem volgde met de peons van don Sylva en de pakezels.[80]De graaf zelf geleidde zijne vrienden naar dat gedeelte van het hoofdgebouw, dat voor de vreemde gasten bestemd was, en waar een appartement met alle noodige gemakken voor hen was ingericht.»Neem nu een weinig rust, don Sylva,” zeide hij tegen den haciendero, »gij zult wel vermoeid zijn van de reis zoo wel alsdoñaAnita; morgen met uw goedvinden, spreken wij wel over onze zaken.”»Zoo als gij verlangt, vriend.”De graaf boog voor zijne gasten. Sedert hij het meisje ontmoet had was er nog geen woord tusschen hem en haar gewisseld.Op het voorplein ontmoette de graaf den Hiaqui, die een pijp rookte en op zijn gemak rondslenterde; hij trad naar hem toe.»Ziedaar de tien piasters die ik u beloofd heb,” zeide hij.»Dank u,” zeide de Indiaan terwijl hij ze aannam.»Wat gaat gij nu doen?”»Rusten tot morgen, en dan keer ik tot mijne broeders terug.”»Hebt gij zoo veel haast hen weder te zien?”»Ik! o neen.”»Blijf dan hier.”»Om wat te doen?”»Dat zal ik u zeggen: misschien zal ik u binnen een paar dagen noodig hebben.”»Krijg ik daar geld voor?”»Volop; zijt gij nu tevreden?”»Ja.”»Dus blijft gij?”»Ja, ik blijf.”De graaf verwijderde zich, zonder den vreemden blik op te merken dien de Indiaan hem toewierp.

Zoo als don Sylva de Torres aan zijne dochter gezegd had, was tegen zonsopgang alles gereed om te vertrekken.

In Mexico en bovenal in Sonora, waar de wegen gewoonlijk het beste zijn, als zij ten eenenmale ontbreken, gaat het reizen geheel anders dan in Europa.

Daar zijn geen openbare vracht- of postdiensten, geen pleisterplaatsen of paardenposterijen, veel min spoorwegen. Eene reis van eenige dagen kost oneindig veel zorg en beweging, men is dan verplicht alles bij zich te hebben, daar men niet zeker is iets onder weg te zullen vinden: bedden, tenten, levensmiddelen en water wel het meest; alles moet op muilezels gepakt en weggesleept worden; zonder deze voorzorgen, zou men gevaar loopen van honger of dorst om te komen of onder den blooten hemel te moeten overnachten.

Daarbij moet men zich van een aanzienlijk, goed gewapend geleide voorzien, om den aanval van wilde beesten niet slechts, maar ook der Indianen en vooral der struikroovers af te weren, daar het dank zij de regeeringloosheid van dat ongelukkige land op alle wegen van Mexico van wemelt.

Diensvolgens zal de lezer gemakkelijk begrijpen, dat don Sylva reikhalzend verlangde om Guaymas zoodra mogelijk te verlaten, toen, zoo als wij gezegd hebben, in den vroegen morgen alles voor zijn vertrek gereed was.

De opene plaats voor het huis had veel van eene groote pleisterplaats; vijftien muildieren met pakken en balen beladen stonden te wachten tot dat men gereed was met de palankijn, in welkedoñaAnita de reis mede zou maken.

Een veertigtal paarden, getuigd en gezadeld, met het vliegennet over den neus, en pistolen in de holsters, stonden in ringen aan den muur vastgemaakt, en een enkele peon afzonderlijk met een heerlijken,[70]kostbaar getuigden draver aan de hand, die voor don Sylva bestemd, ongeduldig stond te wuiven en te stampvoeten, knabbelende op het zilveren gebit, dat met schuim overdekt was.

Kortom het was om doof te worden van al het geschreeuw, gelach en gedruisch.

In de straat stond eene menigte volks te gapen, waaronder zich ook Cuchares en don Martial bevonden, die van hun toer naar de Rancho teruggekomen, met nieuwsgierigheid dit vertrek gadesloegen, daar zij niets van begrepen in dit vergevorderde jaargetij, zoo weinig geschikt voor een verblijf op het land, en zich verdiepten in allerlei gissingen die kant noch wal raakten, over deze zoo geheel buitengewone reis.

Onder den hoop hier, hetzij toevallig of uit nieuwsgierigheid samengevloeid, bevond zich een man, blijkbaar een Indiaan, die schijnbaar achteloos tegen den muur geleund, evenwel het huis van don Sylva niet uit het oog verloor en met de meeste belangstelling al de bewegingen der talrijke bedienden van den haciendero gadesloeg.

Deze persoon, nog jong, scheen een zoogenaamde Hiaqui-Indiaan, ofschoon een nauwlettend opmerker bij nader onderzoek het tegendeel zou gezegd hebben; in het breede voorhoofd van den man, zoowel als in zijn moeielijk te bedwingen fonkelend oog, en in den fieren mond, maar vooral in zijne forsche ledematen, die naar het model van den Griekschen Hercules schenen gevormd te zijn, was iets edels, vastberadens en onafhankelijks, dat veeleer den trotschen Comanch of den woesten Apache aanduidde, dan den meestal dommen Hiaqui. Onder de talrijke schaar dacht echter niemand zich met dezen Indiaan bezig te houden, die van zijnen kant wel zorg droeg de aandacht niet te trekken, maar zich zooveel mogelijk te verbergen.

De Hiaquis komen zich gewoonlijk te Guaymas als werklieden of als lastdragers verhuren: daarom heeft de tegenwoordigheid van zulk een Indiaan niets vreemds.

Eindelijk, tegen acht uren in den morgen, verscheen don Sylva de Torres met zijne dochter aan de hand, gekleed in een keurig reisgewaad, onder de peristyle van het huis.

DoñaAnita was zoo bleek als kwam zij uit het graf; haar betrokken gelaat en gezwollen oogen bewezen maar al te zeer, hoeveel zij dien nacht geleden en welk een zelfbedwang zij op dit oogenblik noodig had, om niet voor aller oog in tranen uit te breken. Bij hare verschijning wisselden don Martial en Cuchares een snellen blik, terwijl op de lippen van den Indiaan een glimlach trilde van onbeschrijfelijke uitdrukking.

De tegenwoordigheid van den haciendero herstelde als met een tooverslag de stilte; dearrierosplaatsten zich terstond aan het hoofd hunner muildieren; de peons, tot aan de tanden gewapend, stegen in den zadel en don Sylva, na zich met een oogopslag verzekerd te[71]hebben dat zijne bevelen stipt waren uitgevoerd, liet zijne dochter in de palankijn stappen, waar zij zich terstond in de kussens verborg als eenbengali1in een bed van rozeblaren.

Op een wenk van den haciendero, begonnen de muilezels, kop aan staart achter elkander gebonden, achter denanaof moederezelin, die de bel aanhad, en onder geleide der peons, het huis uit te komen.

Alvorens te paard te stijgen wendde don Sylva zich tot een zijner oudste bedienden, die met den stroohoed in de hand eerbiedig voor hem stond.

»Adieu, no Pelucho,” zeide hij, »ik vertrouw u het huis toe, houd goed de wacht en draag zorg voor al wat er in is. Overigens laat ik u Pedrito en Florentio, die u kunnen helpen en aan wie gij de noodige orders zult geven, zoodat alles gedurende mijne afwezigheid goed gaat.”

»Gij kunt volkomen gerust zijn,mi amo(meester),” antwoordde de grijsaard met een nederige buiging voor zijn meester, »het is Goddank niet voor het eerst dat gij mij hier alleen laat, ik geloof dat ik mij altijd goed van mijn plicht gekweten heb.”

»Gij zijt een goed dienaar, no Pelucho,” antwoordde don Sylva met een vriendelijken lach, »ik kan u niet anders dan prijzen, ook ga ik ten volle gerust van hier.”

»Dat God u zegene!mi amo, even als deNiña,” antwoordde de oude man, een kruis makende.

»Tot weêrziens, no Pelucho,” zei nu het meisje terwijl zij even het hoofd uit de palankijn stak, »ik weet dat gij zorgen zult voor al wat van mij is.”

De grijsaard boog, zichtbaar vergenoegd.

Don Sylva gaf bevel om te vertrekken en de gansche karavaan zette zich in beweging naar de Rancho de San José. Het was een van die heerlijke ochtenden zooals men alleen in deze rijk gezegende streken vindt; het onweder gedurende den afgeloopen nacht had den hemel geheel schoon geveegd, die zich thans voordeed in een zacht blauw; de zon, die reeds vrij hoog boven den gezichteinder stond, verspreidde hare warme stralen, min of meer getemperd door de welriekende dampen die uit den grond opstegen; de atmospheer met frissche en versterkende geuren bezwangerd, was bijzonder doorzichtig en werd van tijd tot tijd door eene lichte koelte verfrischt; gansche scharen van vogels, van duizenderlei kleur en pluimaadje vlogen in alle richtingen, en de muildieren die achter de bellen dernana madrina—de moederezelin—aankwamen, draafden luchtig voort, onder het opwekkend gezang der arrieros.

Zoo marcheerde de karavaan in opgeruimde stemming over de zandige[72]vlakte, wolken van stof opjagende, terwijl zij als eene lange kronkelende slang zich voortbewoog in de eindelooze bochten van den weg.

Eene voorhoede uit tien peons bestaande nam de omstreken op en bespiedde hier en daar de struiken en heuvels van het golvende terrein. Don Sylva rookte eenesigaaren praatte met zijne dochter, terwijl eene achterhoede van twintig kloeke peons den trein sloot en voor de veiligheid van het convooi waakte.

Wij herhalen hier, in dit land waar geen politie en bij gevolg geen openbaar toezicht bestaat, is eene reis van vier mijlen—want verder ligt de Rancho de San José niet van Guaymas—een even ernstige en zorgvereischende zaak als eene reis van honderd mijlen elders; de vijanden die men zou kunnen ontmoeten en met welke men ieder oogenblik te doen kan krijgen, hetzij roofzieke Indianen of verscheurende dieren, zijn te talrijk, te stoutmoedig en te tuk op roof en moord om te hunnen aanzien zijn leven alleen aan de vlugheid van zijn paard toe te vertrouwen.

Men had Guaymas reeds ver achter zich, en de witte huizen waren sinds lang in de oneffenheden van het terrein verdwenen, toen decapataz, die zich tot hiertoe rustig aan het hoofd der karavaan had gehouden, op eens van daar terugkwam en in galop naar de palankijn reed, waar don Sylva de Torres zich nog steeds bevond.

»Wel, Blas,” riep deze, »wat nieuws hebt gij? Onraad gezien voor ons uit?”

»Nog niets,señoria, antwoordde de capataz, »alles gaat goed en binnen een uurtje komen wij aan de Rancho.”

»Hoe komt gij dan zoo haastig naar mij toe?”

»O, mijn hemel,señoria, het beteekent niet zoo veel, maar er loopt mij een idee door het hoofd, er is iets dat ik wilde aanwijzen.”

»Ah zoo,” riep don Sylva, »wat, brave jongen?”

»Kijk eens,señoria,” hervatte de capataz met de hand naar het zuidwesten wijzende.

»Hé! wat zou dat beduiden? Daar is een vuur, als ik het wel heb.”

»’t Is inderdaad een vuur,señoria; maar kijk eens hier,” en hij wees nu naar het zuid-oosten.

»Dat is er nog een. Wie duivel toch stookt hier vuur op zulke hooge steilten, met welk oogmerk kan men dat gedaan hebben?”

»O! maar dat is zoo moeielijk niet te begrijpen,señoria.”

»Vindt gij dat, mijn jongen? wel, dan moest gij mij de zaak eens ophelderen.”

»Met alle genoegen. Zie daar ginds,” zeide hij, met de hand naar den berg wijzende daar hij het eerste vuur gezien had, »die heuvel is deCerro del Gigante.”

»Werkelijk.”

»En deze,” vervolgde de capataz naar het tweede vuur wijzende, »is de Cerro de San Xavier.”[73]

»Dat meen ik ook.”

»ik weet het zeker.”

»Welnu?”

»Welnu, daar het eene bewezen waarheid is, dat een vuur niet van zelve kan ontstaan en dat bij eene hitte van veertig graden niemand lust zal hebben om voor aardigheid een vuur boven op den berg te gaan stoken.….”

»Wat besluit gij er dan uit?”

»Ik denk dat die vuren hetzij door roovers of door Indianen zijn aangelegd die de lucht hebben van onzen uittocht.”

»Ja, ja, ja! wat gij daar zegt, is bondig geredeneerd, vriend; ga voort met uw verklaring, zij wekt mijne hoogste belangstelling.”

De capataz of majordomo van don Sylva, was een kloeke borst van omtrent veertig jaren, een vent als een Herkules, en met hart en ziel aan zijn meester gehecht die wederkeerig in hem het grootste vertrouwen stelde. Op de minzame woorden van den haciendero boog de eerlijke man met een glimlach van zelfvoldoening.

»O, maar ik heb zooveel niet meer te zeggen” riep hij, »niets anders dan dat deladrones(dieven), of wie het ook wezen mogen die op ons loeren, door dit signaal gewaarschuwd zijn dat don Sylva de Torres en zijne dochter van Guaymas op weg zijn naar de Rancho de San José.”

»Waarlijk, gij hebt gelijk, ik heb dat alles over het hoofd gezien: ik dacht het minst niet aan de roofvogels van allerlei soort die op ons pad loeren. Maar alles wel ingezien, wat geven wij er om of de bandieten ons op de hielen zitten, wij zijn immers onder duizend getuigen op reis gegaan, zoo dat niemand er onkundig van behoeft te zijn, en bovendien wij zijn talrijk genoeg om voor geen aanranding te vreezen, maar zoo het mocht gebeuren dat eenige dier schelmen ons durven aanvallen, carcaras! dan zullen ze weten met wien ze te doen hebben, dat beloof ik u; trekken wij dus onbezorgd voort, beste vriend; ik zie niet in dat ons iets onaangenaams kan overkomen.”

De capataz boog voor zijn meester en reed in galop naar zijne plaats aan het hoofd der karavaan terug.

Een uur later bereikten zij zonder tegenspoed de Rancho.

Don Sylva reed aan het rechter portier der palankijn en sprak tegen zijne dochter die hem slechts karige antwoorden gaf, al trachtte zij hare droefheid zoo veel mogelijk voor den scherpzienden blik van haren vader te verbergen, toen de haciendero zich op eens bij herhaling hoorde roepen: hij keek dadelijk om en was niet weinig verbaasd, daar hij in den man die hem zoo onverwachts tot verantwoording riep den graaf de Lhorailles herkende.

»Hoe,señorgraaf, gij hier!” riep hij uit, »door welk zonderling toeval ontmoet ik u hier zoo dicht bij de haven, daar gij dezen nacht mij reeds zoover vooruit had moeten zijn?”[74]

ZoodradoñaAnita den graaf zag kreeg zij een blos, zij trok zich schielijk terug en liet de gordijnen der palankijn neer.

»O!” antwoordde de graaf met eene beleefde buiging, »tusschen nu en gisteren avond zijn er zekere dingen gebeurd die ik u vertellen zal, Don Sylva, dingen daar gij verwonderd van zult opkijken, ik verzeker u; maar het tegenwoordig oogenblik is niet geschikt om zulk eene historie te beginnen.”

»Zooals gij gepast oordeelt, mijn vriend. Maar hoe is ’t met u, vertrekt gij, of blijft gij hier?”

»Ik vertrek, ik vertrek! Ik ben alleen hier gebleven met oogmerk om u op te wachten; en zoo gij het goedvindt reizen wij samen; in plaats van u naar Guetzalli vooruit te gaan, komen wij er dan gezamenlijk aan.”

»Met alle genoegen. Op marsch!” vervolgde hij met een wenk tegen den capataz.

Laatstgenoemde had toen hij zijn meester met den graaf zag spreken, de karavaan halt laten maken. Thans trok zij weder op weg.

De Rancho de San José was weldra achter den rug en nu eerst begon de eigenlijk gezegde reis.

Voor de reizigers uit strekte zich de woestijn met hare onafzienbare zandvlakte, op wier geelachtigen bodem eene bochtige lijn, gevormd door het wit gebleekt gebeente der paarden en muildieren, die in de woestijn waren bezweken, het pad aanwees dat men te volgen had om niet te verdwalen.

Omtrent twee honderd passen voor de karavaan uit, reed op een kreupelen ezel in sukkeldraf een man, hij zwaaide telkens links en rechts, en scheen half in slaap geraakt door de brandende zonnestralen die loodrecht op zijn bloot hoofd vielen.

»Hei! Blas!” riep don Sylva tegen zijn majordomo, toen hij den eenzamen ruiter in ’t oog kreeg, »gij moest dien Indiaan daar voor ons uit eens gaan roepen; die weergasche Roodhuiden kennen de woestijn op hun duim, hij zou ons als gids kunnen dienen; dan loopen wij minder gevaar van verdwalen, want als wij ons soms mochten vergissen, zal hij ons zeker wel weder op den rechten weg brengen.”

»Gij hebt gelijk,” zei de graaf, »in deze verduivelde zandvlakte is men nooit zeker van het rechte spoor.”

»Ga hem roepen!” hervatte don Sylva.

De capataz zette zijn paard in galop. Op eenigen afstand van den eenzamen reiziger gekomen bracht hij de handen aan zijn mond bij wijze van roeper:

»Heila, José!” schreeuwde hij.

In Mexico heeten al de mansos of geciviliseerde Indianen José, zoodat deze naam voor hen een soort van geslachtsnaam is geworden.

De Indiaan keek om.[75]

»Wat moet gij hebben?” vroeg hij onverschillig.

Het was dezelfde persoon dien wij te Guaymas met zoo veel aandacht de reisaanstalten van den haciendero hebben zien beschouwen.

Was hij toevallig dezen weg uitgereden, of met opzet?

Dit is eene vraag die niemand had kunnen beantwoorden.

Blas Velazquez was wat men in Mexico eenhombre de a caballo, wij zouden zeggen een geboren ridder, noemt, sedert lang op de hoogte van al de listen der Indianen, zoowel als met de jacht op wilde dieren. Hij wierp den reiziger een doordringenden blik toe, dien deze met volmaakte onverschilligheid doorstond. Het hoofd eenigszins verlegen gebukt, de handen op den hals van zijn ezel en de naakte beenen er links en rechts af hangende, was hij de volslagen type van eenmansoIndiaan, die door de vernederende en slaafsche behandeling der blanken bijna tot een redeloos dier is geworden.

De capataz schudde onvoldaan het hoofd, zijn onderzoek was alles behalve naar wensch; intusschen, na eene minuut aarzelens, hervatte hij zijn verhoor.

»Wat maakt gij hier zoo alleen op den weg, José?” vroeg hij.

»Ik kom van del Puerto, waar ik mij als timmermansknecht had verhuurd; ik ben er omtrent eene maand gebleven, en toen ik er de kleine som daar het mij alleen om te doen was had overgewonnen, ben ik gisteren weder vertrokken en keer naar mijn dorp terug.”

Dit alles klonk zoo waarschijnlijk als men verlangen kon; de meeste Hiaqui Indianen deden zoo; en bovendien, wat reden kon deze man hebben om te liegen? Hij was alleen, en ongewapend; de karavaan daarentegen was talrijk en bestond uit dappere mannen; er was dus geen het minste gevaar te vreezen.

»En hebt gij braaf geld gewonnen?” hervatte de capataz.

»Ja,” zei de Indiaan met een zegevierend gezicht, »vijf piasters en nog drie meer.”

»Oho! José, gij zijt rijk.”

De Hiaqui glimlachte dubbelzinnig.

»Ja,” zeide hij, »de Tiburon2heeft geld.”

»Heet gij de Tiburon?” hernam de capataz wantrouwig, »dat is geen mooie naam.”

»He! waarom niet? De bleekgezichten hebben dien aan hun rooden zoon gegeven, hij vindt hem mooi, omdat hij van hen afkomstig is en hij zal hem houden.”

»Ligt uw dorp nog ver van hier?”

»Als ik een goed paard had, zou ik er in drie dagen kunnen zijn, mijn stamdorp ligt tusschen de Gila en Guetzalli.”

»Zijt gij bekend te Guetzalli?”

De Indiaan trok minachtend de schouders op.

»De Roodhuiden kennen al de jachtgronden aan de Gila,” zeide hij.[76]

Op dit oogenblik had de karavaan de beide sprekers ingehaald.

»Wel, Blas,” vroeg don Sylva, »wat is dat voor een man?”

»Een Hiaqui-Indiaan, die eene kleine som geld te Puerto heeft overgewonnen en naar zijn dorp terugkeert.”

»Zou hij ons van dienst kunnen zijn?

»Ik denk het wel, zijn stam, zegt hij, ligt tusschen de Gila en de kolonie te Guetzalli.”

»Ah zoo!” riep de graaf die thans naderbij kwam, »behoort hij dan misschien tot den stam van het Witte Paard?”

»Ja,” zei de Indiaan.

»O! dan sta ik borg voor den man,” riep de graaf levendig, »dat zijn zeer zachtzinnige Indianen, het zijn ellendige arme drommels, die bijna van honger sterven; ik gebruik hen dikwijls op de hacienda.”

»Hoor eens,” hervatte don Sylva, den Roodhuid vriendelijk op den schouder kloppende,»wij moeten naar Guetzalli.”

»Goed.”

»En wij hebben een trouwen en eerlijken gids noodig.”

»De Tiburon is arm, hij heeft niets dan een zwakken ezel, zoodat hij de bleekgezichten niet zal kunnen bijhouden.”

»Maak u daar niet ongerust over,” liet er de haciendero op volgen; »ik zal u een paard laten geven zoo als gij er nog nooit een bereden hebt; en als gij ons eerlijk dient, zal ik bij onze komst aan de hacienda nog tien piasters voegen bij die gij reeds hebt. Bevalt u dat?”

De oogen van den Indiaan schitterden van begeerlijkheid bij dit voorstel.

»Waar is het paard?” vroeg hij.

»Daar is het,” antwoordde de capataz terwijl hij hem een heerlijken draver aanwees die een der peons hem bracht.

De Roodhuid beschouwde het paard met het oog van een kenner.

»Gij aanvaardt dus den koop?” vroeg de haciendero.

»Ja,” antwoordde de Roodhuid.

»Kom dan maar gezwind van uw ezel en wij vertrekken dadelijk.”

»Ik kan mijn ezel niet verlaten; hij is een goed dier, dat mij lang dienst heeft gedaan.”

»Wees daar niet bezorgd over, hij komt met de pakezels achteraan.”

De Indiaan gaf een wenk van toestemming en antwoordde niets; eenige oogenblikken daarna zat hij behoorlijk op zijn paard en ging de karavaan weder op weg.

Alleen de capataz scheen niet veel vertrouwen te stellen in den zoo zonderling aangetroffen gids.

»Ik zal hem in het oog houden,” mompelde hij in zich zelven.

De tocht werd dien ganschen dag zonder verdere stoornis voortgezet, en den volgenden dag bereikte men de Rio Gila.[77]

De oevers der Rio Gila maken door hunne vruchtbaarheid een sterk contrast met de dorre vlakten in hare nabijheid; de reis van don Sylva, ofschoon hervat op het oogenblik toen de zon in het toppunt stond en hare stralen loodrecht nederschoot, was nu niets anders dan een aangename wandelrit van weinige uren, onder de schaduw van het loofrijkst geboomte dat hier met een in ons klimaat onbekenden wasdom opschiet.

Het was ongeveer drie uren in den namiddag toen onze reizigers nauwelijks vijftig passen voor zich uit de kolonie Guetzalli zagen liggen, welke door den graaf de Lhorailles gesticht en ofschoon nog geen drie jaren tellende, reeds eene aanzienlijke uitbreiding had bekomen en tot in hooge mate ontwikkeld was.

Deze kolonie bestond uit eene hacienda of landhoeve, rondom welke de arbeiderswoningen in groepen verspreid lagen; wij zullen haar in weinige woorden beschrijven.

De hacienda verhief zich op een schiereiland van drie mijlen in den omtrek, met bosschen, akkers en weidevelden, in welke laatsten meer dan vier duizend stuks vee vrijelijk liepen grazen, die des avonds in parken dicht bij het huis werden samengebracht. Aan drie zijden door de rivier omgeven, diende deze haar als een natuurlijke schans; de smalle landtong van nauwelijks acht ellen breedte, die haar met het vaste land verbond, werd bestreken door eene batterij van vijf stukken grof geschut, behoorlijk gedekt door aardewerken en versterkt door eene diepe met water gevulde gracht.

Het heerenhuis, door hooge gecreneleerde muren omringd en aan de vier hoeken met torens versterkt, was een soort van vesting, op zich zelf reeds voldoende in staat om een geregeld beleg te verduren, dank zij de acht kanonnen op de vier hoektorens, die al de toegangen verdedigden. Het bestond uit een hoofdgebouw, twee verdiepingen hoog en met een plat dak; in den voorgevel waren tien vensters, en links en rechts stonden twee andere gebouwen met den rug naar voren gekeerd; het een dienende tot bergplaats voor granen en hooi en het ander tot woonhuis voor den capataz of hofmeester en de talrijke bedienden der hacienda.

Eene breede stoep, voorzien van eene dubbele ijzeren balie, sierlijk bewerkt en bekroond met eene veranda, geleidde naar de vertrekken van den graaf, die op de wijze der landhoeven inSpaansch-Amerikaeven eenvoudig als smaakvol en schilderachtig waren gemeubeld.

Tusschen het woonhuis en den ringmuur, waarin tegenover de stoep een cederhouten deur was van vijf duim dik en met sterke ijzeren platen beslagen, lag een groote welonderhouden Engelsche tuin zeer fraai aangelegd en zoo dicht beplant dat men geen tien passen er doorheen kon zien. De ruimte achter het huis was voor stallen en parken bestemd, waar men iederen avond het vee in opsloot, en verder eene groote open plaats, waar men op zekeren[78]tijd des jaars gewoon was dematanza del ganado—de slacht voor den wintervoorraad te houden.

Geen schilderachtiger gezicht laat zich denken dan de aanblik van dit witte huis, dat men reeds in de verte kon zien liggen, half verscholen achter de welige bosschages als achter een gordijn van groen daar het oog met welgevallen op bleef rusten.

Uit de vensters der bovenverdieping had men aan de eene zijde het onbelemmerde uitzicht over de ruime vlakte en aan de andere over de Rio Gila, die als een breed zilver lint in de grilligste bochten voortkronkelde en zich in onafzienbare verte verloor in het nevelig verschiet van den blauwenden horizont.

Sedert de Apachen bijna op het punt waren geweest van de hacienda te bemachtigen, was er op het dak van het hoofdgebouw een mirador of wachttoren geplaatst, in welken nacht en dag een schildwacht op den uitkijk stond om de omstreken te bewaken, en dadelijk door middel van een koehoorn moest waarschuwen als hij een vreemdeling de kolonie zag naderen.

Bovendien werd de batterij aan de landengte door een post van zes man bewaakt, terwijl de kanonnen altijd geladen stonden om bij den minsten onraad los te branden.

Zoo was de karavaan nog ver van de hacienda verwijderd, toen hare komst aldaar werd opgemerkt en een der luitenants van den graaf, een oud soldaat uit Afrika met name Martin Leroux, volgens order, te paard achter de verschansing zich gereed hield om de nieuw aankomenden te ondervragen zoodra zij onder het bereik zijner stem zouden zijn.

Don Sylva was intusschen met de wachtorde der hacienda ten volle bekend, eene dienstregeling trouwens die op alle buitenbezittingen der blanken gevolgd werd; want op de posten aan de grenzen, waar men voor de aanvallen en strooptochten der Indianen onophoudelijk blootstond, was men wel genoodzaakt om gedurig op zijne hoede te zijn.

Eén ding echter begreep de Mexicaan niet recht, namelijk dat de eigen luitenant van den graaf, die hem ongetwijfeld moest hebben herkend, hem niet dadelijk de deuren had geopend.

Hij deed dit terstond aan den graaf opmerken.

»Daar zou hij verkeerd aan hebben gedaan,” zeide deze, »de kolonie Guetzalli is een gewapende post en altoos in staat van oorlog; de wachtorde moet dus stipt gevolgd worden voor ieder die zich aanmeldt, wie dan ook; van deze stipte waarneming hangt het algemeen welzijn af. Martin heeft mij reeds lang herkend, dat weet ik zeker, maar hij vooronderstelt dat ik door de Indianen gevangen zou kunnen zijn, en dat zij mij in schijn vrij lieten, om de kolonie des te beter te kunnen overrompelen. Ik verzeker u, dat mijn brave luitenant ons niet door zal laten, alvorens hij overtuigd is dat er onder onze Europeesche kleederen geen Roodhuiden schuilen.”

»Ja,” mompelde don Sylva in zich zelven, »dat is maar al te[79]juist; die Europeanen denken om alles, zij zijn ons ver vooruit.”

De karavaan was thans nauwelijks twintig passen ver van de hacienda.

»Ik geloof” zeide de graaf, »als wij ten minste geen hagelbui van kogels op het lijf willen krijgen, dat wij wijs zullen doen van hier stil te houden.”

»Hoe dat!” riep don Sylva verschrikt, »zouden zij schieten?”

»Zonder twijfel.”

De beide mannen hielden hunne paarden in en bleven staan wachten tot men hen ondervroeg.

»Wiedaar!” riep eene krachtvolle stem in ’t Fransch van achter de batterij.

»Wel, wat vindt gij er nu van, don Sylva?” vroeg hij den haciendero.

»’t Is iets ongehoords?” mompelde don Sylva.

»Vrienden!” riep nu de graaf in antwoord op de vraag van den schildwacht, »Lhorailles en de vrijheid.”

»Alles wel! De poort open!” kommandeerde de stem, »het zijn vrienden, zoo als ik hoop dat de Hemel ons nog dikwijls zenden zal.”

De peons lieten de brug neêr, de eenige toegang om in de hacienda te komen.

De karavaan trok nu binnen, en de brug werd onmiddellijk achter hem weder opgehaald.

»Gij zult het mij niet kwalijk nemen, kapitein,” zeide Martin Leroux terwijl hij den graaf eerbiedig te gemoet trad, »maar ofschoon ik u zeer goed herkende, wij leven in een land waar men mijns bedunkens niet te voorzichtig kan zijn.”

»Gij hebt uw plicht gedaan, luitenant, ik kan u niet anders dan geluk wenschen. Wat is er voor nieuws?”

»Niet veel bijzonders: een troep jagers, door mij in de wildernis gevonden, heeft mij bericht dat zij een verlaten vuur op de vlakte hebben ontdekt; ik denk dat er weer Indianen om ons heen zwerven.”

»Wij zullen een wakend oog op hen houden.”

»O, ik houd goed de wacht, vooral tegenwoordig nu wij de maand naderen die de Comanchen zoo brutaal zijn de Maan van Mexico te noemen; ik zou er niets tegen hebben als zij eens bij ons kwamen, om hun een les te kunnen geven die zij in ’t vervolg konden onthouden.”

»Ik ben het volkomen met u eens; verdubbelen wij dus onze waakzaamheid en alles zal wel gaan.”

»Hebt gij mij geen andere orders te geven?”

»Neen.”

»Dan wil ik gaan, kapitein; gij weet dat gij mij het algemeen toezicht hebt opgedragen, ik moet dus een weinig overal zijn.”

»Ga, luitenant, laat ik u niet langer ophouden.”

De oude soldaat boog voor zijn kommandant en verwijderde zich, terwijl hij onder de hand den capataz minzaam groette, die hem volgde met de peons van don Sylva en de pakezels.[80]

De graaf zelf geleidde zijne vrienden naar dat gedeelte van het hoofdgebouw, dat voor de vreemde gasten bestemd was, en waar een appartement met alle noodige gemakken voor hen was ingericht.

»Neem nu een weinig rust, don Sylva,” zeide hij tegen den haciendero, »gij zult wel vermoeid zijn van de reis zoo wel alsdoñaAnita; morgen met uw goedvinden, spreken wij wel over onze zaken.”

»Zoo als gij verlangt, vriend.”

De graaf boog voor zijne gasten. Sedert hij het meisje ontmoet had was er nog geen woord tusschen hem en haar gewisseld.

Op het voorplein ontmoette de graaf den Hiaqui, die een pijp rookte en op zijn gemak rondslenterde; hij trad naar hem toe.

»Ziedaar de tien piasters die ik u beloofd heb,” zeide hij.

»Dank u,” zeide de Indiaan terwijl hij ze aannam.

»Wat gaat gij nu doen?”

»Rusten tot morgen, en dan keer ik tot mijne broeders terug.”

»Hebt gij zoo veel haast hen weder te zien?”

»Ik! o neen.”

»Blijf dan hier.”

»Om wat te doen?”

»Dat zal ik u zeggen: misschien zal ik u binnen een paar dagen noodig hebben.”

»Krijg ik daar geld voor?”

»Volop; zijt gij nu tevreden?”

»Ja.”

»Dus blijft gij?”

»Ja, ik blijf.”

De graaf verwijderde zich, zonder den vreemden blik op te merken dien de Indiaan hem toewierp.

1Bengaalsche vink.↑2De haas.↑

1Bengaalsche vink.↑2De haas.↑

1Bengaalsche vink.↑

1Bengaalsche vink.↑

2De haas.↑

2De haas.↑


Back to IndexNext