[Inhoud]XI.DE MEXICAANSCHE MAAN.Na zijn nachtelijk bezoek in het jagerskamp was de Zwarte-Beer met zijne ruiterschaar onmiddellijk op marsch gegaan naar zeker niet verafgelegen eiland, Chole-Heckel genaamd, een der uiterste posten van den stam der Apachen op de grenzen van Mexico.De Sachem met zijn troep bereikte dit eiland tegen het krieken van den dag. Daar ter plaatse heeft de Rio Gila hare grootste breedte,[103]beslaande elk der beide rivierarmen die het eiland insluiten, meer dan twee mijlen van den eenen oever tot den anderen.Chole-Heckel, dat zich midden in den stroom verheft en, uit de verte gezien, als een trotsche bloemenmand schijnt te drijven op het spiegelend watervlak, heeft ongeveer drie mijlen lengte bij eene mijl breedte, en is om zoo te zeggen eene reusachtige bouquet van bloeiende boomen en gewassen, die de welriekendste geuren uitwasemt en in wier welige takken eene ontelbare menigte vogels onder lustig gekweel en gesnater zich paart tot een melodisch natuurconcert.Onder de luisterrijke stralen der opgaande zon bood het eiland op dit oogenblik bovendien een ander, ongewoon en allerzonderlingst schouwspel, dat wel in staat was den blik van iederen reiziger te treffen, en geen Europeaan, zonder het gezien te hebben, zich ooit naar waarde zou kunnen verbeelden.Zoover het oog reikte, zoowel op het eiland zelf als aan de beide oevers der Rio Gila, zag men honderden tenten van bisonshuid of hutten van groene takken gevlochten, in geregelde orde, dicht aan elkander geplaatst en uitwendig met allerlei opzichtige stoffen versierd of met schreeuwende kleuren beschilderd, zoodat de bonte mengeling, thans door de gloeiende morgenzon beschenen, het oog deed schemeren.Tallooze kleine prauwen rond van vorm, uit samengenaaide paardenhuiden of meer rank en spits, uit holle boomstammen vervaardigd, doorkliefden de rivier in alle richtingen.De krijgslieden van den Zwarte-Beer stegen af en gaven hunnen paarden de vrijheid, die weldra begonnen te grazen en zich onder eene menigte anderen verstrooiden.Het opperhoofd begaf zich onmiddellijk naar de hutten en tenten, voor welke behalve wimpels van doek en vederbossen eene menigte haarschedels van beroemde in den krijg gedoode vijanden op de morgenkoelte wapperden, en ging tusschen de vrouwen door, die reeds druk bezig waren met het ochtendmaal te bereiden.De Zwarte-Beer werd echter bij zijne komst dadelijk herkend; iedereen haastte zich dus hem te gemoet te gaan en zich op zijn weg te scharen, om hem met een eerbiedige buiging te begroeten. Wat een Europeaan misschien moeielijk zou gelooven, is het diep ontzag dat alle Indianen, zonder uitzondering, hunnen opperhoofden toedragen. Vooral bij die Indianen, welke aan de voorvaderlijke gewoonten getrouw gebleven, de Europeesche beschaving met verachting hebben afgewezen om als vrije mannen in de onbeperkte savanen te kunnen omzwerven, is dit ontzag tot dweepzuchtige en schier tot afgodische vereering overgeslagen.De gouden met twee bisonshoorns versierde haarband die op het voorhoofd van den Zwarte-Beer prijkte, maakte hem terstond bij allen kenbaar en deed alom op zijn pad een levendig vreugdegejuich opgaan.[104]Eindelijk bereikte hij den oever der rivier; daar komende wenkte hij een man, die op korten afstand met zijne prauw lag te visschen; deze haastte zich te gehoorzamen, en de sachem stak den stroom over naar het eiland.Eene hut van takken stond aldaar voor hem gereed. Waarschijnlijk hadden de hier en daar verborgen schildwachts hem reeds uit de verte gadegeslagen, want op het oogenblik dat hij voet aan wal zette, trad een der opperhoofden met name de Kleine-Panter hem te gemoet.»Het groote opperhoofd is welkom bij zijne kinderen,” zeide hij met eene hoffelijke buiging voor den Zwarte-Beer; »o! heeft mijn vader eene goede reis gehad?”»Ik heb eene goede reis gehad, ik dank mijn broeder.”»Zoo mijn vader het goed vindt zal ik hem naar dejacal1geleiden die wij gebouwd hebben om hem te ontvangen.”»Laten wij gaan,” zei de sachem.De Kleine-Panter boog ten tweeden male en geleidde thans het opperhoofd langs een smal pad dat door de struiken gebaand was; weldra kwamen zij aan eene jacal die naar de wijze der Indianen, zoowel door hare grootte als door hare netheid en de schitterende kleuren waarmede zij beschilderd was, uitmuntte en aan hun ideaal van gemak of weelde beantwoordde.»Hier is mijns vaders huis,” zeide de Kleine-Panter terwijl hij eerbiedig defressada—wollen deken—ophief, die de jacal als een gordijn sloot, en toen een weinig ter zijde trad om den Zwarte-Beer door te laten.Deze trad binnen.»Mijn broeder volge mij,” zeide de Zwarte-Beer.DeKleine-Pantertrad achter hem binnen en liet het gordijn weder vallen.De jacal, ofschoon buitengewoon groot, verschilde overigens niet van die der andere Indianen; in het midden brandde een vuur; de Zwarte-Beer wenkte den anderen sachem om naast hem op een bisonsschedel te gaan zitten; nam er zelf een en beiden namen plaats bij het vuur.Na een poosje stilzwijgens, dat de sachems besteedden om deftig hunne pijp te rooken, richtte de Zwarte-Beer het woord tot den Kleine-Panter.»Zijn al de hoofden onzer volksstammen op het eiland Chole-Heckel vereenigd, zoo als ik bevolen had?”»Allen zijn er vereenigd.”»Wanneer zullen zij in mijne jacal komen?”»Dat hangt van mijn vader af; zij wachten op zijn welbehagen.”[105]De Zwarte-Beer begon weder stilzwijgend te rooken en op deze wijze verliep er een geruime tijd.»Is er gedurende den tijd, dat ik afwezig was, niets nieuws voorgevallen?” vroeg de Zwarte-Beer terwijl hij de asch uit zijn calumet op den nagel van den duim zijner linkerhand schudde.»Drie opperhoofden van de Comanchen der prairiën zijn hier gekomen, om als afgezanten van hun volk met de Apachen te onderhandelen.”»Ooah!” riep de Zwarte-Beer; »zijn het beroemde opperhoofden?”»Zij hebben tal van wolvenstaarten aan hunnemocksens2. Zij moeten dus wel dapper zijn.”De Zwarte-Beer boog toestemmend.»De een,” zegt men, »is de Spotvogel,” vervolgde de Kleine-Panter.»Is mijn broeder zeker van hetgeen hij mij zegt?” vroeg de sachem met belangstelling.»De Comanchenhoofden hebben geweigerd hun naam te zeggen, toen zij hoorden dat mijn vader afwezig was. Zij antwoordden dat zij zouden wachten tot hij terugkwam.”»Goed! Het zijn opperhoofden. Waar houden zij hun verblijf?”»Zij hebben een vuur ontstoken en er zich bij gelegerd.”»Zeer goed. De tijd is kostbaar: mijn broeder ga de Apachenhoofden zeggen dat ik hen rondom het raadsvuur wensch te vereenigen.”De Kleine-Panter stond op zonder te antwoorden en ging de jacal uit.Een uur lang ongeveer zat het opperhoofd alleen en in diepe gepeinzen verzonken; na verloop van dien tijd hoorde men daarbuiten de voetstappen van verscheidene mannen naderen: het gordijn der jacal werd opgeheven en de Kleine-Panter verscheen.»Wel?” zei de Zwarte-Beer.»De hoofden wachten op u.”»Laat hen binnenkomen.”De opperhoofden stonden reeds voor de hut.Zij waren tien in getal, allen in hun beste kostuum, op het schoonst versierd, beschilderd en gewapend als ten oorlog.Zij stapten zwijgend binnen, en namen plaats bij het vuur, na voor het opperhoofd gebogen en den zoom van zijn mantel gekust te hebben.Nauwelijks hadden zich al de opperhoofden in detoldo(raadshut) verzameld, of een troep Apachen-krijgslieden schaarde er zich omheen, ten einde de nieuwsgierigen te verwijderen en het geheim van de beraadslaging der sachems te verzekeren.Ondanks zijne zelfbeheersching kon de Zwarte-Beer zijne vreugde[106]niet bedwingen, toen hij zoo vele mannen bijeen zag die hem geheel waren toegedaan en met wier hulp hij zich zeker waande zijne dwaze plannen te kunnen uitvoeren.»Ik heet mijne broeders welkom!” zeide hij, hen met een wenk uitnoodigend op de bisonsschedels plaats te nemen, die rondom het vuur geschaard stonden, »ik heb hen met ongeduld verbeid.”De opperhoofden maakten eene buiging en gingen zitten. Het volgende oogenblik kwam de pijpdrager binnen met de groote calumet, die hij aan al de sachems rondpresenteerde, om er elk op zijn beurt een paar trekken uit te laten doen. Toen deze ceremonie was afgeloopen en de pijpdrager zich verwijderd had, werd de beraadslaging geopend.»Voor alle dingen,” zoo begon de Zwarte-Beer, »moet ik u van mijne zending verslag doen. De Zwarte-Beer heeft haar volkomen vervuld, hij is in de groote hut der blanken geweest, en heeft haar tot in de kleinste bijzonderheden onderzocht, hij kent het aantal bleekgezichten die haar verdedigen en als het uur komt om er mijne krijgslieden binnen te leiden zal de Zwarte-Beer overal den weg weten te vinden.”De hoofden bogen ten teeken van goedkeuring.»Die groote hut der blanken,” vervolgde de Zwarte-Beer, »is het eenige ernstige bezwaar dat onze onderneming in den weg staat.”»De Yoris zijn honden zonder moed, de Apachen zullen hen van vrouwenrokken voorzien en hen ons wildbraad laten gereed maken,” zei de Kleine-Panter met een schamperen grijns.De Zwarte-Beer schudde het hoofd.»De bleekgezichten der groote hut van Guetzalli zijn geene Yoris,” riep hij; »een sachem heeft hen gezien, het zijn wel degelijk mannen. Zij hebben meerendeels blauwe oogen en de kleur van hun haar is als die van het rijpe maïs, zij komen mij zeer dapper voor: laten mijne broeders zich niet vergissen!”»En weet mijn vader ook wie deze zijn?” vroeg een der sachems.»Dat weet de Zwarte-Beer niet, doch daar ginds bij het groote Zoutmeer, is hem gezegd dat zij een land bewonen zeer ver van hier tegen de opgaande zon: dat is alles.”»Die mannen hebben dus zeker geen boomen, noch vruchten, noch bisons in hun land, dat zij zoo ver komen om de onze te stelen.”»De bleekgezichten zijn onverzadelijk,” hernam de Zwarte-Beer; »zij vergeten dat de Groote Geest hun even als andere menschen slechts één mond en twee handen gegeven heeft; alles wat zij zien willen zij bezitten; de Wacondah, die zijne roode kinderen bemint, heeft ons in een rijk land doen geboren worden en ons met zijne gaven overstelpt, daarop zijn de bleekgezichten jaloersch en daarom zoeken zij ons gedurig te bestelen en er ons uit te verdrijven; maar de Apachen zijn dappere krijgslieden, zij zullen de jachtgronden weten[107]te verdedigen en te beschermen, die zij van hunne vaderen geërfd hebben, en beletten dat zij betreden worden door de voeten der vagebonden die van de overzijde van het groote Zoutmeer zijn gekomen, op hunne drijvende hutten van degroote medicijn.”3De opperhoofden juichten deze rede met geestdrift toe, daar zij hunne gevoelens zoo juist wedergaf en den bitteren haat uitdrukte die hen bezielde tegen de blanken, dat alles overwinnend en veroverend ras, dat gedurig voorwaarts dringt en de Roodhuiden steeds verder en verder in de wildernis terugdrijft en hun weldra niet langer de noodige ruimte zal laten om vrij te ademen, veelmin rustig naar hun zin en wijze te leven.»De groote natie der Comanchen van het Meer, die zich de Koningin der Prairiën noemt, heeft naar ons volk drie beroemde krijgslieden afgevaardigd. Het doel dezer ambassade is mij onbekend, maar mijns bedunkens kan het niet anders dan vredelievend zijn. Behaagt het u, hoofden mijns volks, hen onder u te ontvangen en te vergunnen met ons de vredespijp te rooken rondom het vuur van den raad?”»Mijn vader is een zeer wijze sachem,” antwoordde de Kleine-Panter; »hij weet, wanneer hij dit wil, de verborgenste gedachten zijner vijanden te raden; wat hij doet zal welgedaan zijn; de hoofden van zijn volk zullen zich gelukkig rekenen zich te gedragen naar den raad dien hij hun zal gelieven te geven.”De Zwarte-Beer liet zijn blik over de vergadering weiden om zich te verzekeren of de Kleine-Panter wel het algemeene gevoelen had uitgesproken.Al de leden van den raad bogen zwijgend het hoofd, ten teeken van goedkeuring.De sachem glimlachte hoogmoedig, toen hij zag dat zijne mede-opperhoofden hem zoo wel begrepen hadden en wendde zich onmiddellijk tot den Kleine-Panter:»Dat mijne broeders de opperhoofden der Comanchen binnengeleid worden,” zeide hij.Deze woorden werden uitgesproken op een toon van majesteit, daar een Europeesch vorst die in zijn parlement voorzit zich aan kon spiegelen.De Kleine-Panter ging de hut uit om het ontvangen bevel ten uitvoer te brengen.Gedurende zijne afwezigheid, die vrij lang aanhield, werd er geen woord tusschen de sachems gewisseld; daar zaten zij op hunne bisonsschedels, met de ellebogen op de knieën, de kin op de handpalmen, onbewegelijk en zwijgend, strak voor zich te kijken, en naar het scheen in het diepste nadenken verzonken.[108]De Kleine-Panter kwam eindelijk terug, met de drie Comanchenhoofden in zijn gevolg.Bij hunne komst stonden de Apachenhoofden op en begroetten hen met eene plechtstatige buiging. De Comanchen gaven hunne begroeting niet minder plechtstatig terug, doch namen een diep stilzwijgen in acht en bleven staan wachten tot men hen het eerst zou toespreken.Het waren drie kloeke, jonge mannen, rank van gestalte, krijgshaftig van houding, met vrijen blik en nadenkend voorhoofd. Terwijl zij daar zoo stonden in hun nationaal kostuum, met opgeheven hoofd, de hand fier op de rechterheup, hadden zij iets edels en oprechts, dat terstond belangstelling wekte en vertrouwen inboezemde. Inzonderheid een van hen, de jongste der drie—hij kon nauwelijks vijf en twintig jaar geweest zijn—was, naar zijn uiterlijk voorkomen te oordeelen, iemand van hoogeren aanleg en rang; zijne strenge gelaatstrekken, de glans van zijn schitterenden oogopslag, zijne houding vol zwier en majesteit, alles deed hem reeds dadelijk kennen als een man uit duizend.Hij heette de Spot-Vogel en zooals de bos condorsveeren in zijn oorlogskuif aanduidde, was hij een der voornaamste krijgshoofden van zijn stam.Zonder zich daarom aan onbescheiden nieuwsgierigheid schuldig te maken, vestigden de Apachen op hunne nieuwe gasten dien doordringenden blik van onderzoek, dien de Indianen in zulk eene hooge mate bezitten.De Comanchen, ofschoon zij gevoelden dat aller oog op hen gericht was en zij het mikpunt waren der algemeene belangstelling, hielden zich alsof zij hiervan niets bemerkten en geen spier bewoog zich op hun strak gelaat.Machiavelli, de schrijver van denVorst, was, bij de Roodhuiden vergeleken, slechts een kind in zake van politiek en staatslist. Deze arme ongeleerde wildemannen, zooals men ze uit onkunde vaak noemt, zijn de leepste en geslepenste diplomaten die er bestaan kunnen.Na eenige oogenblikken stilte, deed de Zwarte-Beer een stap voorwaarts en naderde hij de Comanchen, de rechterhand uitstrekkende met de palm naar voren.»Ik acht mij gelukkig,” zeide hij, »de Comanchen van het Meer te ontvangen onder mijn totem, en hen te begroeten te midden van mijn volk. Dat zij plaats nemen aan het vuur van onzen raad en de vredescalumet rooken met hunne broederen.”»Zoo zij het,” antwoordde de Spotvogel op strengen toon; »zijn wij niet allen kinderen van den Wacondah?”En zonder er verder een woord bij te voegen nam hij, gevolgd door de andere opperhoofden, plaats bij het vuur van den raad in gelijken rang met de Apachen.Het gesprek bleef andermaal steken. Ieder rookte in stilte.[109]Eindelijk, toen in de calumets niets meer was overgebleven dan de asch, wendde de Zwarte-Beer zich met een glimlach tot den Spotvogel.»Mijne broeders de Comanchen van het Meer waren zeker niet ver van hier op de bisonsjacht: en toen hebben zij gedacht hunnen broeders de Apachen een bezoek te brengen. Ik zeg hun hiervoor dank.”De Spotvogel boog en antwoordde:»De Comanchen van het Meer zijn nog ver weg, op het jachtveld der antilopen aan de Rio del Norte, alleen de Spotvogel en weinige getrouwe krijgslieden van zijn stam liggen hier in den omtrek gekampeerd.”»De Spotvogel is een beroemd opperhoofd in de prairie,” antwoordde de Apache vleiend; »de Zwarte-Beer acht zich gelukkig hem te zien. Een zoo groot krijgsman als mijn broeder doet zulk een verren tocht niet zonder een bepaald en gewichtig doel.”»De Zwarte-Beer heeft wel geraden: de Spotvogel is herwaarts gekomen om de banden der vriendschap tusschen hem en zijne broeders de Apachen nader toe te halen. Waarom toch zouden wij elkander een grondgebied betwisten daar wij beiden gelijk recht op hebben? Zouden wij niet wijzer doen met het tusschen ons te verdeelen? Moeten de Roode menschen elkander nog langer onderling verdelgen? Zou het niet beter zijn bij het vuur van den raad, de oorlogsbijl zoo diep te begraven, dat voortaan wanneer een Apache een Comanch ontmoet, deze in hem niets anders ziet dan een welbeminden broeder? De bleekgezichten, die met iedere maan meer en meer onze bezittingen innemen, voeren immers tegen ons een te bitteren oorlog, dan dat wij door onze inwendige geschillen hun overmoed zouden in de hand werken?”De Zwarte-Beer stond op en strekte den arm gezagvoerend uit.»Mijn broeder de Spotvogel heeft gelijk,” zeide hij, »slechts één gevoel behoort ons voortaan te leiden, vaderlandsliefde; stellen wij dus onze kleine hatelijkheden ter zijde, om aan niets anders te denken dan aan de vrijheid! De bleekgezichten weten volstrekt niets van onze plannen; gedurende de weinige dagen, door mij te Guaymas doorgebracht, was ik in staat mij hiervan te overtuigen; onze onverhoedsche inval zal dus voor hen een bliksemstraal zijn, die hen van schrik doet verstijven; onze enkele aannadering reeds maakt hen half overwonnen.”Er volgde eene diepe stilte.De Spotvogel liet nu zijn blik kalm en fier over de vergadering rondgaan, en riep:»Binnen twee maal vier en twintig uren begint de Mexicaansche Maan. Roodhuiden en krijgslieden, zouden wij haar laten voorbijgaan zonder een van die stoutmoedige invallen te hebben gewaagd, welke wij in dezen tijd des jaars gewoon zijn te doen? Bovenal is er eene bezitting[110]daar wij als een orkaan op moeten losstormen; die bezitting, nog kort geleden door bleekgezichten gevestigd, die geen Yoris zijn, is voor ons eene voortdurende bedreiging. Ik wil niet met u dingen, hoofden der Apachen, maar ik kom u, zoo gij de kolonie Guetzalli wilt aantasten, ronduit een onderstand van vier honderd uitgelezen Comanchen-krijgslieden aanbieden, aan welks hoofd ik mij stellen zal.”Dit voorstel deed de aanwezigen van vreugde sidderen.»Ik neem met vreugde het voorstel mijns broeders aan,” riep de Zwarte-Beer. »Ook ik heb nagenoeg een gelijk aantal krijgslieden onder mijn bevel; onze beide troepen zullen, naar ik hoop, genoeg zijn om de kolonie der bleekgezichten geheel te vernietigen. Morgen, met het opkomen der maan, zetten wij ons in beweging.”De sachems verwijderden zich.De Zwarte-Beer en de Spotvogel bleven alleen.Deze twee opperhoofden genoten bij hun stam eene gelijke vermaardheid, beiden werden door hunne onderhoorigen schier aangebeden.Zij beschouwden elkander eene poos met zwijgende belangstelling. Tot dusver waren zij altijd vijanden geweest en hadden nimmer gelegenheid gehad elkander te zien dan met de wapenen in de hand.»Ik zeg mijn broeder dank, voor zijn vriendelijk aanbod,” zei de Zwarte-Beer eindelijk. »In de tegenwoordige omstandigheden zal zijne hulp ons zeer te stade komen, maar als de overwinning eenmaal beslist is, zullen de voordeelen gelijkelijk tusschen de twee natiën verdeeld worden.”De Spotvogel boog.»Welk plan heeft mijn broeder zich voorgesteld?” vroeg hij.»Een zeer eenvoudig plan. De Comanchen zijn geachte ruiters; met mijn broeder als aanvoerder moeten zij onverwinnelijk zijn. Zoodra de maan aan den hemel schijnt, zal de Spotvogel met zijne krijgslieden opbreken naar Guetzalli en al het land voor zich uit afbranden, om een zwart gordijn van rook tusschen hem en den vijand op te halen, dat dezen beletten zal hen te zien aankomen of hunne sterkte te tellen. Indien de bleekgezichten, hetgeen echter niet waarschijnlijk is, vedetten buiten hunne groote hut hebben geplaatst om onze nadering te bespieden, zal mijn broeder trachten deze vedetten op te lichten en hen terstond laten dooden, om te beletten dat zij hunne vrienden waarschuwen. In de tegenwoordige onderneming, even als zulks bij vorige gelegenheden telken jare plaats had, moet alles wat den bleekgezichten behoort, huizen, hutten en jacals, met vuur worden verbrand, alsmede het vee geroofd en naar achteren worden vervoerd. Voor Guetzalli komende, zal mijn broeder zich zoo geschikt mogelijk in hinderlaag stellen en het sein afwachten dat ik hem geven zal om de bleekgezichten aan te vallen.”»Goed. Mijn broeder is een opperhoofd vol beleid; hij zal zeker slagen; alles wat mijn broeder mij bevolen heeft, zal ik stipt uitvoeren.[111]Maar wat zal mijn broeder zelf intusschen doen, terwijl ik mij met dit gedeelte van ons plan belast?”De Zwarte-Beer begon te glimlachen op eene wijze die zich niet laat beschrijven.»Dat zal mijn broeder zien,” zeide hij den Comanch met de hand op den schouder kloppende, »hij late het opperhoofd vrij begaan, ik beloof mijn broeder eene schoone overwinning.”»Goed,” antwoordde de Comanch; »mijn broeder is de eerste man van zijn stam, hij weet hoe hij zich gedragen moet; de Apachen zijn geene vrouwen. Ik ga terstond naar mijne krijgslieden.”»Goed, mijn broeder heeft mij begrepen, morgen als de maan opkomt.”De Spotvogel boog en de twee opperhoofden scheidden, naar het scheen op den meest vriendschappelijken voet.Eenige minuten later kwam in den kamp der Apachen alles in beweging. De vrouwen braken de tenten af, laadden de muildieren op, de kinderen hielpen de paarden opvangen en zadelen, kortom, men maakte met allen spoed aanstalten voor een onverwijld vertrek.1Takkenhut↑2Sandalen.↑3Dezen term gebruiken de Indianen voor alles wat hun onbegrijpelijk voorkomt.↑
[Inhoud]XI.DE MEXICAANSCHE MAAN.Na zijn nachtelijk bezoek in het jagerskamp was de Zwarte-Beer met zijne ruiterschaar onmiddellijk op marsch gegaan naar zeker niet verafgelegen eiland, Chole-Heckel genaamd, een der uiterste posten van den stam der Apachen op de grenzen van Mexico.De Sachem met zijn troep bereikte dit eiland tegen het krieken van den dag. Daar ter plaatse heeft de Rio Gila hare grootste breedte,[103]beslaande elk der beide rivierarmen die het eiland insluiten, meer dan twee mijlen van den eenen oever tot den anderen.Chole-Heckel, dat zich midden in den stroom verheft en, uit de verte gezien, als een trotsche bloemenmand schijnt te drijven op het spiegelend watervlak, heeft ongeveer drie mijlen lengte bij eene mijl breedte, en is om zoo te zeggen eene reusachtige bouquet van bloeiende boomen en gewassen, die de welriekendste geuren uitwasemt en in wier welige takken eene ontelbare menigte vogels onder lustig gekweel en gesnater zich paart tot een melodisch natuurconcert.Onder de luisterrijke stralen der opgaande zon bood het eiland op dit oogenblik bovendien een ander, ongewoon en allerzonderlingst schouwspel, dat wel in staat was den blik van iederen reiziger te treffen, en geen Europeaan, zonder het gezien te hebben, zich ooit naar waarde zou kunnen verbeelden.Zoover het oog reikte, zoowel op het eiland zelf als aan de beide oevers der Rio Gila, zag men honderden tenten van bisonshuid of hutten van groene takken gevlochten, in geregelde orde, dicht aan elkander geplaatst en uitwendig met allerlei opzichtige stoffen versierd of met schreeuwende kleuren beschilderd, zoodat de bonte mengeling, thans door de gloeiende morgenzon beschenen, het oog deed schemeren.Tallooze kleine prauwen rond van vorm, uit samengenaaide paardenhuiden of meer rank en spits, uit holle boomstammen vervaardigd, doorkliefden de rivier in alle richtingen.De krijgslieden van den Zwarte-Beer stegen af en gaven hunnen paarden de vrijheid, die weldra begonnen te grazen en zich onder eene menigte anderen verstrooiden.Het opperhoofd begaf zich onmiddellijk naar de hutten en tenten, voor welke behalve wimpels van doek en vederbossen eene menigte haarschedels van beroemde in den krijg gedoode vijanden op de morgenkoelte wapperden, en ging tusschen de vrouwen door, die reeds druk bezig waren met het ochtendmaal te bereiden.De Zwarte-Beer werd echter bij zijne komst dadelijk herkend; iedereen haastte zich dus hem te gemoet te gaan en zich op zijn weg te scharen, om hem met een eerbiedige buiging te begroeten. Wat een Europeaan misschien moeielijk zou gelooven, is het diep ontzag dat alle Indianen, zonder uitzondering, hunnen opperhoofden toedragen. Vooral bij die Indianen, welke aan de voorvaderlijke gewoonten getrouw gebleven, de Europeesche beschaving met verachting hebben afgewezen om als vrije mannen in de onbeperkte savanen te kunnen omzwerven, is dit ontzag tot dweepzuchtige en schier tot afgodische vereering overgeslagen.De gouden met twee bisonshoorns versierde haarband die op het voorhoofd van den Zwarte-Beer prijkte, maakte hem terstond bij allen kenbaar en deed alom op zijn pad een levendig vreugdegejuich opgaan.[104]Eindelijk bereikte hij den oever der rivier; daar komende wenkte hij een man, die op korten afstand met zijne prauw lag te visschen; deze haastte zich te gehoorzamen, en de sachem stak den stroom over naar het eiland.Eene hut van takken stond aldaar voor hem gereed. Waarschijnlijk hadden de hier en daar verborgen schildwachts hem reeds uit de verte gadegeslagen, want op het oogenblik dat hij voet aan wal zette, trad een der opperhoofden met name de Kleine-Panter hem te gemoet.»Het groote opperhoofd is welkom bij zijne kinderen,” zeide hij met eene hoffelijke buiging voor den Zwarte-Beer; »o! heeft mijn vader eene goede reis gehad?”»Ik heb eene goede reis gehad, ik dank mijn broeder.”»Zoo mijn vader het goed vindt zal ik hem naar dejacal1geleiden die wij gebouwd hebben om hem te ontvangen.”»Laten wij gaan,” zei de sachem.De Kleine-Panter boog ten tweeden male en geleidde thans het opperhoofd langs een smal pad dat door de struiken gebaand was; weldra kwamen zij aan eene jacal die naar de wijze der Indianen, zoowel door hare grootte als door hare netheid en de schitterende kleuren waarmede zij beschilderd was, uitmuntte en aan hun ideaal van gemak of weelde beantwoordde.»Hier is mijns vaders huis,” zeide de Kleine-Panter terwijl hij eerbiedig defressada—wollen deken—ophief, die de jacal als een gordijn sloot, en toen een weinig ter zijde trad om den Zwarte-Beer door te laten.Deze trad binnen.»Mijn broeder volge mij,” zeide de Zwarte-Beer.DeKleine-Pantertrad achter hem binnen en liet het gordijn weder vallen.De jacal, ofschoon buitengewoon groot, verschilde overigens niet van die der andere Indianen; in het midden brandde een vuur; de Zwarte-Beer wenkte den anderen sachem om naast hem op een bisonsschedel te gaan zitten; nam er zelf een en beiden namen plaats bij het vuur.Na een poosje stilzwijgens, dat de sachems besteedden om deftig hunne pijp te rooken, richtte de Zwarte-Beer het woord tot den Kleine-Panter.»Zijn al de hoofden onzer volksstammen op het eiland Chole-Heckel vereenigd, zoo als ik bevolen had?”»Allen zijn er vereenigd.”»Wanneer zullen zij in mijne jacal komen?”»Dat hangt van mijn vader af; zij wachten op zijn welbehagen.”[105]De Zwarte-Beer begon weder stilzwijgend te rooken en op deze wijze verliep er een geruime tijd.»Is er gedurende den tijd, dat ik afwezig was, niets nieuws voorgevallen?” vroeg de Zwarte-Beer terwijl hij de asch uit zijn calumet op den nagel van den duim zijner linkerhand schudde.»Drie opperhoofden van de Comanchen der prairiën zijn hier gekomen, om als afgezanten van hun volk met de Apachen te onderhandelen.”»Ooah!” riep de Zwarte-Beer; »zijn het beroemde opperhoofden?”»Zij hebben tal van wolvenstaarten aan hunnemocksens2. Zij moeten dus wel dapper zijn.”De Zwarte-Beer boog toestemmend.»De een,” zegt men, »is de Spotvogel,” vervolgde de Kleine-Panter.»Is mijn broeder zeker van hetgeen hij mij zegt?” vroeg de sachem met belangstelling.»De Comanchenhoofden hebben geweigerd hun naam te zeggen, toen zij hoorden dat mijn vader afwezig was. Zij antwoordden dat zij zouden wachten tot hij terugkwam.”»Goed! Het zijn opperhoofden. Waar houden zij hun verblijf?”»Zij hebben een vuur ontstoken en er zich bij gelegerd.”»Zeer goed. De tijd is kostbaar: mijn broeder ga de Apachenhoofden zeggen dat ik hen rondom het raadsvuur wensch te vereenigen.”De Kleine-Panter stond op zonder te antwoorden en ging de jacal uit.Een uur lang ongeveer zat het opperhoofd alleen en in diepe gepeinzen verzonken; na verloop van dien tijd hoorde men daarbuiten de voetstappen van verscheidene mannen naderen: het gordijn der jacal werd opgeheven en de Kleine-Panter verscheen.»Wel?” zei de Zwarte-Beer.»De hoofden wachten op u.”»Laat hen binnenkomen.”De opperhoofden stonden reeds voor de hut.Zij waren tien in getal, allen in hun beste kostuum, op het schoonst versierd, beschilderd en gewapend als ten oorlog.Zij stapten zwijgend binnen, en namen plaats bij het vuur, na voor het opperhoofd gebogen en den zoom van zijn mantel gekust te hebben.Nauwelijks hadden zich al de opperhoofden in detoldo(raadshut) verzameld, of een troep Apachen-krijgslieden schaarde er zich omheen, ten einde de nieuwsgierigen te verwijderen en het geheim van de beraadslaging der sachems te verzekeren.Ondanks zijne zelfbeheersching kon de Zwarte-Beer zijne vreugde[106]niet bedwingen, toen hij zoo vele mannen bijeen zag die hem geheel waren toegedaan en met wier hulp hij zich zeker waande zijne dwaze plannen te kunnen uitvoeren.»Ik heet mijne broeders welkom!” zeide hij, hen met een wenk uitnoodigend op de bisonsschedels plaats te nemen, die rondom het vuur geschaard stonden, »ik heb hen met ongeduld verbeid.”De opperhoofden maakten eene buiging en gingen zitten. Het volgende oogenblik kwam de pijpdrager binnen met de groote calumet, die hij aan al de sachems rondpresenteerde, om er elk op zijn beurt een paar trekken uit te laten doen. Toen deze ceremonie was afgeloopen en de pijpdrager zich verwijderd had, werd de beraadslaging geopend.»Voor alle dingen,” zoo begon de Zwarte-Beer, »moet ik u van mijne zending verslag doen. De Zwarte-Beer heeft haar volkomen vervuld, hij is in de groote hut der blanken geweest, en heeft haar tot in de kleinste bijzonderheden onderzocht, hij kent het aantal bleekgezichten die haar verdedigen en als het uur komt om er mijne krijgslieden binnen te leiden zal de Zwarte-Beer overal den weg weten te vinden.”De hoofden bogen ten teeken van goedkeuring.»Die groote hut der blanken,” vervolgde de Zwarte-Beer, »is het eenige ernstige bezwaar dat onze onderneming in den weg staat.”»De Yoris zijn honden zonder moed, de Apachen zullen hen van vrouwenrokken voorzien en hen ons wildbraad laten gereed maken,” zei de Kleine-Panter met een schamperen grijns.De Zwarte-Beer schudde het hoofd.»De bleekgezichten der groote hut van Guetzalli zijn geene Yoris,” riep hij; »een sachem heeft hen gezien, het zijn wel degelijk mannen. Zij hebben meerendeels blauwe oogen en de kleur van hun haar is als die van het rijpe maïs, zij komen mij zeer dapper voor: laten mijne broeders zich niet vergissen!”»En weet mijn vader ook wie deze zijn?” vroeg een der sachems.»Dat weet de Zwarte-Beer niet, doch daar ginds bij het groote Zoutmeer, is hem gezegd dat zij een land bewonen zeer ver van hier tegen de opgaande zon: dat is alles.”»Die mannen hebben dus zeker geen boomen, noch vruchten, noch bisons in hun land, dat zij zoo ver komen om de onze te stelen.”»De bleekgezichten zijn onverzadelijk,” hernam de Zwarte-Beer; »zij vergeten dat de Groote Geest hun even als andere menschen slechts één mond en twee handen gegeven heeft; alles wat zij zien willen zij bezitten; de Wacondah, die zijne roode kinderen bemint, heeft ons in een rijk land doen geboren worden en ons met zijne gaven overstelpt, daarop zijn de bleekgezichten jaloersch en daarom zoeken zij ons gedurig te bestelen en er ons uit te verdrijven; maar de Apachen zijn dappere krijgslieden, zij zullen de jachtgronden weten[107]te verdedigen en te beschermen, die zij van hunne vaderen geërfd hebben, en beletten dat zij betreden worden door de voeten der vagebonden die van de overzijde van het groote Zoutmeer zijn gekomen, op hunne drijvende hutten van degroote medicijn.”3De opperhoofden juichten deze rede met geestdrift toe, daar zij hunne gevoelens zoo juist wedergaf en den bitteren haat uitdrukte die hen bezielde tegen de blanken, dat alles overwinnend en veroverend ras, dat gedurig voorwaarts dringt en de Roodhuiden steeds verder en verder in de wildernis terugdrijft en hun weldra niet langer de noodige ruimte zal laten om vrij te ademen, veelmin rustig naar hun zin en wijze te leven.»De groote natie der Comanchen van het Meer, die zich de Koningin der Prairiën noemt, heeft naar ons volk drie beroemde krijgslieden afgevaardigd. Het doel dezer ambassade is mij onbekend, maar mijns bedunkens kan het niet anders dan vredelievend zijn. Behaagt het u, hoofden mijns volks, hen onder u te ontvangen en te vergunnen met ons de vredespijp te rooken rondom het vuur van den raad?”»Mijn vader is een zeer wijze sachem,” antwoordde de Kleine-Panter; »hij weet, wanneer hij dit wil, de verborgenste gedachten zijner vijanden te raden; wat hij doet zal welgedaan zijn; de hoofden van zijn volk zullen zich gelukkig rekenen zich te gedragen naar den raad dien hij hun zal gelieven te geven.”De Zwarte-Beer liet zijn blik over de vergadering weiden om zich te verzekeren of de Kleine-Panter wel het algemeene gevoelen had uitgesproken.Al de leden van den raad bogen zwijgend het hoofd, ten teeken van goedkeuring.De sachem glimlachte hoogmoedig, toen hij zag dat zijne mede-opperhoofden hem zoo wel begrepen hadden en wendde zich onmiddellijk tot den Kleine-Panter:»Dat mijne broeders de opperhoofden der Comanchen binnengeleid worden,” zeide hij.Deze woorden werden uitgesproken op een toon van majesteit, daar een Europeesch vorst die in zijn parlement voorzit zich aan kon spiegelen.De Kleine-Panter ging de hut uit om het ontvangen bevel ten uitvoer te brengen.Gedurende zijne afwezigheid, die vrij lang aanhield, werd er geen woord tusschen de sachems gewisseld; daar zaten zij op hunne bisonsschedels, met de ellebogen op de knieën, de kin op de handpalmen, onbewegelijk en zwijgend, strak voor zich te kijken, en naar het scheen in het diepste nadenken verzonken.[108]De Kleine-Panter kwam eindelijk terug, met de drie Comanchenhoofden in zijn gevolg.Bij hunne komst stonden de Apachenhoofden op en begroetten hen met eene plechtstatige buiging. De Comanchen gaven hunne begroeting niet minder plechtstatig terug, doch namen een diep stilzwijgen in acht en bleven staan wachten tot men hen het eerst zou toespreken.Het waren drie kloeke, jonge mannen, rank van gestalte, krijgshaftig van houding, met vrijen blik en nadenkend voorhoofd. Terwijl zij daar zoo stonden in hun nationaal kostuum, met opgeheven hoofd, de hand fier op de rechterheup, hadden zij iets edels en oprechts, dat terstond belangstelling wekte en vertrouwen inboezemde. Inzonderheid een van hen, de jongste der drie—hij kon nauwelijks vijf en twintig jaar geweest zijn—was, naar zijn uiterlijk voorkomen te oordeelen, iemand van hoogeren aanleg en rang; zijne strenge gelaatstrekken, de glans van zijn schitterenden oogopslag, zijne houding vol zwier en majesteit, alles deed hem reeds dadelijk kennen als een man uit duizend.Hij heette de Spot-Vogel en zooals de bos condorsveeren in zijn oorlogskuif aanduidde, was hij een der voornaamste krijgshoofden van zijn stam.Zonder zich daarom aan onbescheiden nieuwsgierigheid schuldig te maken, vestigden de Apachen op hunne nieuwe gasten dien doordringenden blik van onderzoek, dien de Indianen in zulk eene hooge mate bezitten.De Comanchen, ofschoon zij gevoelden dat aller oog op hen gericht was en zij het mikpunt waren der algemeene belangstelling, hielden zich alsof zij hiervan niets bemerkten en geen spier bewoog zich op hun strak gelaat.Machiavelli, de schrijver van denVorst, was, bij de Roodhuiden vergeleken, slechts een kind in zake van politiek en staatslist. Deze arme ongeleerde wildemannen, zooals men ze uit onkunde vaak noemt, zijn de leepste en geslepenste diplomaten die er bestaan kunnen.Na eenige oogenblikken stilte, deed de Zwarte-Beer een stap voorwaarts en naderde hij de Comanchen, de rechterhand uitstrekkende met de palm naar voren.»Ik acht mij gelukkig,” zeide hij, »de Comanchen van het Meer te ontvangen onder mijn totem, en hen te begroeten te midden van mijn volk. Dat zij plaats nemen aan het vuur van onzen raad en de vredescalumet rooken met hunne broederen.”»Zoo zij het,” antwoordde de Spotvogel op strengen toon; »zijn wij niet allen kinderen van den Wacondah?”En zonder er verder een woord bij te voegen nam hij, gevolgd door de andere opperhoofden, plaats bij het vuur van den raad in gelijken rang met de Apachen.Het gesprek bleef andermaal steken. Ieder rookte in stilte.[109]Eindelijk, toen in de calumets niets meer was overgebleven dan de asch, wendde de Zwarte-Beer zich met een glimlach tot den Spotvogel.»Mijne broeders de Comanchen van het Meer waren zeker niet ver van hier op de bisonsjacht: en toen hebben zij gedacht hunnen broeders de Apachen een bezoek te brengen. Ik zeg hun hiervoor dank.”De Spotvogel boog en antwoordde:»De Comanchen van het Meer zijn nog ver weg, op het jachtveld der antilopen aan de Rio del Norte, alleen de Spotvogel en weinige getrouwe krijgslieden van zijn stam liggen hier in den omtrek gekampeerd.”»De Spotvogel is een beroemd opperhoofd in de prairie,” antwoordde de Apache vleiend; »de Zwarte-Beer acht zich gelukkig hem te zien. Een zoo groot krijgsman als mijn broeder doet zulk een verren tocht niet zonder een bepaald en gewichtig doel.”»De Zwarte-Beer heeft wel geraden: de Spotvogel is herwaarts gekomen om de banden der vriendschap tusschen hem en zijne broeders de Apachen nader toe te halen. Waarom toch zouden wij elkander een grondgebied betwisten daar wij beiden gelijk recht op hebben? Zouden wij niet wijzer doen met het tusschen ons te verdeelen? Moeten de Roode menschen elkander nog langer onderling verdelgen? Zou het niet beter zijn bij het vuur van den raad, de oorlogsbijl zoo diep te begraven, dat voortaan wanneer een Apache een Comanch ontmoet, deze in hem niets anders ziet dan een welbeminden broeder? De bleekgezichten, die met iedere maan meer en meer onze bezittingen innemen, voeren immers tegen ons een te bitteren oorlog, dan dat wij door onze inwendige geschillen hun overmoed zouden in de hand werken?”De Zwarte-Beer stond op en strekte den arm gezagvoerend uit.»Mijn broeder de Spotvogel heeft gelijk,” zeide hij, »slechts één gevoel behoort ons voortaan te leiden, vaderlandsliefde; stellen wij dus onze kleine hatelijkheden ter zijde, om aan niets anders te denken dan aan de vrijheid! De bleekgezichten weten volstrekt niets van onze plannen; gedurende de weinige dagen, door mij te Guaymas doorgebracht, was ik in staat mij hiervan te overtuigen; onze onverhoedsche inval zal dus voor hen een bliksemstraal zijn, die hen van schrik doet verstijven; onze enkele aannadering reeds maakt hen half overwonnen.”Er volgde eene diepe stilte.De Spotvogel liet nu zijn blik kalm en fier over de vergadering rondgaan, en riep:»Binnen twee maal vier en twintig uren begint de Mexicaansche Maan. Roodhuiden en krijgslieden, zouden wij haar laten voorbijgaan zonder een van die stoutmoedige invallen te hebben gewaagd, welke wij in dezen tijd des jaars gewoon zijn te doen? Bovenal is er eene bezitting[110]daar wij als een orkaan op moeten losstormen; die bezitting, nog kort geleden door bleekgezichten gevestigd, die geen Yoris zijn, is voor ons eene voortdurende bedreiging. Ik wil niet met u dingen, hoofden der Apachen, maar ik kom u, zoo gij de kolonie Guetzalli wilt aantasten, ronduit een onderstand van vier honderd uitgelezen Comanchen-krijgslieden aanbieden, aan welks hoofd ik mij stellen zal.”Dit voorstel deed de aanwezigen van vreugde sidderen.»Ik neem met vreugde het voorstel mijns broeders aan,” riep de Zwarte-Beer. »Ook ik heb nagenoeg een gelijk aantal krijgslieden onder mijn bevel; onze beide troepen zullen, naar ik hoop, genoeg zijn om de kolonie der bleekgezichten geheel te vernietigen. Morgen, met het opkomen der maan, zetten wij ons in beweging.”De sachems verwijderden zich.De Zwarte-Beer en de Spotvogel bleven alleen.Deze twee opperhoofden genoten bij hun stam eene gelijke vermaardheid, beiden werden door hunne onderhoorigen schier aangebeden.Zij beschouwden elkander eene poos met zwijgende belangstelling. Tot dusver waren zij altijd vijanden geweest en hadden nimmer gelegenheid gehad elkander te zien dan met de wapenen in de hand.»Ik zeg mijn broeder dank, voor zijn vriendelijk aanbod,” zei de Zwarte-Beer eindelijk. »In de tegenwoordige omstandigheden zal zijne hulp ons zeer te stade komen, maar als de overwinning eenmaal beslist is, zullen de voordeelen gelijkelijk tusschen de twee natiën verdeeld worden.”De Spotvogel boog.»Welk plan heeft mijn broeder zich voorgesteld?” vroeg hij.»Een zeer eenvoudig plan. De Comanchen zijn geachte ruiters; met mijn broeder als aanvoerder moeten zij onverwinnelijk zijn. Zoodra de maan aan den hemel schijnt, zal de Spotvogel met zijne krijgslieden opbreken naar Guetzalli en al het land voor zich uit afbranden, om een zwart gordijn van rook tusschen hem en den vijand op te halen, dat dezen beletten zal hen te zien aankomen of hunne sterkte te tellen. Indien de bleekgezichten, hetgeen echter niet waarschijnlijk is, vedetten buiten hunne groote hut hebben geplaatst om onze nadering te bespieden, zal mijn broeder trachten deze vedetten op te lichten en hen terstond laten dooden, om te beletten dat zij hunne vrienden waarschuwen. In de tegenwoordige onderneming, even als zulks bij vorige gelegenheden telken jare plaats had, moet alles wat den bleekgezichten behoort, huizen, hutten en jacals, met vuur worden verbrand, alsmede het vee geroofd en naar achteren worden vervoerd. Voor Guetzalli komende, zal mijn broeder zich zoo geschikt mogelijk in hinderlaag stellen en het sein afwachten dat ik hem geven zal om de bleekgezichten aan te vallen.”»Goed. Mijn broeder is een opperhoofd vol beleid; hij zal zeker slagen; alles wat mijn broeder mij bevolen heeft, zal ik stipt uitvoeren.[111]Maar wat zal mijn broeder zelf intusschen doen, terwijl ik mij met dit gedeelte van ons plan belast?”De Zwarte-Beer begon te glimlachen op eene wijze die zich niet laat beschrijven.»Dat zal mijn broeder zien,” zeide hij den Comanch met de hand op den schouder kloppende, »hij late het opperhoofd vrij begaan, ik beloof mijn broeder eene schoone overwinning.”»Goed,” antwoordde de Comanch; »mijn broeder is de eerste man van zijn stam, hij weet hoe hij zich gedragen moet; de Apachen zijn geene vrouwen. Ik ga terstond naar mijne krijgslieden.”»Goed, mijn broeder heeft mij begrepen, morgen als de maan opkomt.”De Spotvogel boog en de twee opperhoofden scheidden, naar het scheen op den meest vriendschappelijken voet.Eenige minuten later kwam in den kamp der Apachen alles in beweging. De vrouwen braken de tenten af, laadden de muildieren op, de kinderen hielpen de paarden opvangen en zadelen, kortom, men maakte met allen spoed aanstalten voor een onverwijld vertrek.1Takkenhut↑2Sandalen.↑3Dezen term gebruiken de Indianen voor alles wat hun onbegrijpelijk voorkomt.↑
XI.DE MEXICAANSCHE MAAN.
Na zijn nachtelijk bezoek in het jagerskamp was de Zwarte-Beer met zijne ruiterschaar onmiddellijk op marsch gegaan naar zeker niet verafgelegen eiland, Chole-Heckel genaamd, een der uiterste posten van den stam der Apachen op de grenzen van Mexico.De Sachem met zijn troep bereikte dit eiland tegen het krieken van den dag. Daar ter plaatse heeft de Rio Gila hare grootste breedte,[103]beslaande elk der beide rivierarmen die het eiland insluiten, meer dan twee mijlen van den eenen oever tot den anderen.Chole-Heckel, dat zich midden in den stroom verheft en, uit de verte gezien, als een trotsche bloemenmand schijnt te drijven op het spiegelend watervlak, heeft ongeveer drie mijlen lengte bij eene mijl breedte, en is om zoo te zeggen eene reusachtige bouquet van bloeiende boomen en gewassen, die de welriekendste geuren uitwasemt en in wier welige takken eene ontelbare menigte vogels onder lustig gekweel en gesnater zich paart tot een melodisch natuurconcert.Onder de luisterrijke stralen der opgaande zon bood het eiland op dit oogenblik bovendien een ander, ongewoon en allerzonderlingst schouwspel, dat wel in staat was den blik van iederen reiziger te treffen, en geen Europeaan, zonder het gezien te hebben, zich ooit naar waarde zou kunnen verbeelden.Zoover het oog reikte, zoowel op het eiland zelf als aan de beide oevers der Rio Gila, zag men honderden tenten van bisonshuid of hutten van groene takken gevlochten, in geregelde orde, dicht aan elkander geplaatst en uitwendig met allerlei opzichtige stoffen versierd of met schreeuwende kleuren beschilderd, zoodat de bonte mengeling, thans door de gloeiende morgenzon beschenen, het oog deed schemeren.Tallooze kleine prauwen rond van vorm, uit samengenaaide paardenhuiden of meer rank en spits, uit holle boomstammen vervaardigd, doorkliefden de rivier in alle richtingen.De krijgslieden van den Zwarte-Beer stegen af en gaven hunnen paarden de vrijheid, die weldra begonnen te grazen en zich onder eene menigte anderen verstrooiden.Het opperhoofd begaf zich onmiddellijk naar de hutten en tenten, voor welke behalve wimpels van doek en vederbossen eene menigte haarschedels van beroemde in den krijg gedoode vijanden op de morgenkoelte wapperden, en ging tusschen de vrouwen door, die reeds druk bezig waren met het ochtendmaal te bereiden.De Zwarte-Beer werd echter bij zijne komst dadelijk herkend; iedereen haastte zich dus hem te gemoet te gaan en zich op zijn weg te scharen, om hem met een eerbiedige buiging te begroeten. Wat een Europeaan misschien moeielijk zou gelooven, is het diep ontzag dat alle Indianen, zonder uitzondering, hunnen opperhoofden toedragen. Vooral bij die Indianen, welke aan de voorvaderlijke gewoonten getrouw gebleven, de Europeesche beschaving met verachting hebben afgewezen om als vrije mannen in de onbeperkte savanen te kunnen omzwerven, is dit ontzag tot dweepzuchtige en schier tot afgodische vereering overgeslagen.De gouden met twee bisonshoorns versierde haarband die op het voorhoofd van den Zwarte-Beer prijkte, maakte hem terstond bij allen kenbaar en deed alom op zijn pad een levendig vreugdegejuich opgaan.[104]Eindelijk bereikte hij den oever der rivier; daar komende wenkte hij een man, die op korten afstand met zijne prauw lag te visschen; deze haastte zich te gehoorzamen, en de sachem stak den stroom over naar het eiland.Eene hut van takken stond aldaar voor hem gereed. Waarschijnlijk hadden de hier en daar verborgen schildwachts hem reeds uit de verte gadegeslagen, want op het oogenblik dat hij voet aan wal zette, trad een der opperhoofden met name de Kleine-Panter hem te gemoet.»Het groote opperhoofd is welkom bij zijne kinderen,” zeide hij met eene hoffelijke buiging voor den Zwarte-Beer; »o! heeft mijn vader eene goede reis gehad?”»Ik heb eene goede reis gehad, ik dank mijn broeder.”»Zoo mijn vader het goed vindt zal ik hem naar dejacal1geleiden die wij gebouwd hebben om hem te ontvangen.”»Laten wij gaan,” zei de sachem.De Kleine-Panter boog ten tweeden male en geleidde thans het opperhoofd langs een smal pad dat door de struiken gebaand was; weldra kwamen zij aan eene jacal die naar de wijze der Indianen, zoowel door hare grootte als door hare netheid en de schitterende kleuren waarmede zij beschilderd was, uitmuntte en aan hun ideaal van gemak of weelde beantwoordde.»Hier is mijns vaders huis,” zeide de Kleine-Panter terwijl hij eerbiedig defressada—wollen deken—ophief, die de jacal als een gordijn sloot, en toen een weinig ter zijde trad om den Zwarte-Beer door te laten.Deze trad binnen.»Mijn broeder volge mij,” zeide de Zwarte-Beer.DeKleine-Pantertrad achter hem binnen en liet het gordijn weder vallen.De jacal, ofschoon buitengewoon groot, verschilde overigens niet van die der andere Indianen; in het midden brandde een vuur; de Zwarte-Beer wenkte den anderen sachem om naast hem op een bisonsschedel te gaan zitten; nam er zelf een en beiden namen plaats bij het vuur.Na een poosje stilzwijgens, dat de sachems besteedden om deftig hunne pijp te rooken, richtte de Zwarte-Beer het woord tot den Kleine-Panter.»Zijn al de hoofden onzer volksstammen op het eiland Chole-Heckel vereenigd, zoo als ik bevolen had?”»Allen zijn er vereenigd.”»Wanneer zullen zij in mijne jacal komen?”»Dat hangt van mijn vader af; zij wachten op zijn welbehagen.”[105]De Zwarte-Beer begon weder stilzwijgend te rooken en op deze wijze verliep er een geruime tijd.»Is er gedurende den tijd, dat ik afwezig was, niets nieuws voorgevallen?” vroeg de Zwarte-Beer terwijl hij de asch uit zijn calumet op den nagel van den duim zijner linkerhand schudde.»Drie opperhoofden van de Comanchen der prairiën zijn hier gekomen, om als afgezanten van hun volk met de Apachen te onderhandelen.”»Ooah!” riep de Zwarte-Beer; »zijn het beroemde opperhoofden?”»Zij hebben tal van wolvenstaarten aan hunnemocksens2. Zij moeten dus wel dapper zijn.”De Zwarte-Beer boog toestemmend.»De een,” zegt men, »is de Spotvogel,” vervolgde de Kleine-Panter.»Is mijn broeder zeker van hetgeen hij mij zegt?” vroeg de sachem met belangstelling.»De Comanchenhoofden hebben geweigerd hun naam te zeggen, toen zij hoorden dat mijn vader afwezig was. Zij antwoordden dat zij zouden wachten tot hij terugkwam.”»Goed! Het zijn opperhoofden. Waar houden zij hun verblijf?”»Zij hebben een vuur ontstoken en er zich bij gelegerd.”»Zeer goed. De tijd is kostbaar: mijn broeder ga de Apachenhoofden zeggen dat ik hen rondom het raadsvuur wensch te vereenigen.”De Kleine-Panter stond op zonder te antwoorden en ging de jacal uit.Een uur lang ongeveer zat het opperhoofd alleen en in diepe gepeinzen verzonken; na verloop van dien tijd hoorde men daarbuiten de voetstappen van verscheidene mannen naderen: het gordijn der jacal werd opgeheven en de Kleine-Panter verscheen.»Wel?” zei de Zwarte-Beer.»De hoofden wachten op u.”»Laat hen binnenkomen.”De opperhoofden stonden reeds voor de hut.Zij waren tien in getal, allen in hun beste kostuum, op het schoonst versierd, beschilderd en gewapend als ten oorlog.Zij stapten zwijgend binnen, en namen plaats bij het vuur, na voor het opperhoofd gebogen en den zoom van zijn mantel gekust te hebben.Nauwelijks hadden zich al de opperhoofden in detoldo(raadshut) verzameld, of een troep Apachen-krijgslieden schaarde er zich omheen, ten einde de nieuwsgierigen te verwijderen en het geheim van de beraadslaging der sachems te verzekeren.Ondanks zijne zelfbeheersching kon de Zwarte-Beer zijne vreugde[106]niet bedwingen, toen hij zoo vele mannen bijeen zag die hem geheel waren toegedaan en met wier hulp hij zich zeker waande zijne dwaze plannen te kunnen uitvoeren.»Ik heet mijne broeders welkom!” zeide hij, hen met een wenk uitnoodigend op de bisonsschedels plaats te nemen, die rondom het vuur geschaard stonden, »ik heb hen met ongeduld verbeid.”De opperhoofden maakten eene buiging en gingen zitten. Het volgende oogenblik kwam de pijpdrager binnen met de groote calumet, die hij aan al de sachems rondpresenteerde, om er elk op zijn beurt een paar trekken uit te laten doen. Toen deze ceremonie was afgeloopen en de pijpdrager zich verwijderd had, werd de beraadslaging geopend.»Voor alle dingen,” zoo begon de Zwarte-Beer, »moet ik u van mijne zending verslag doen. De Zwarte-Beer heeft haar volkomen vervuld, hij is in de groote hut der blanken geweest, en heeft haar tot in de kleinste bijzonderheden onderzocht, hij kent het aantal bleekgezichten die haar verdedigen en als het uur komt om er mijne krijgslieden binnen te leiden zal de Zwarte-Beer overal den weg weten te vinden.”De hoofden bogen ten teeken van goedkeuring.»Die groote hut der blanken,” vervolgde de Zwarte-Beer, »is het eenige ernstige bezwaar dat onze onderneming in den weg staat.”»De Yoris zijn honden zonder moed, de Apachen zullen hen van vrouwenrokken voorzien en hen ons wildbraad laten gereed maken,” zei de Kleine-Panter met een schamperen grijns.De Zwarte-Beer schudde het hoofd.»De bleekgezichten der groote hut van Guetzalli zijn geene Yoris,” riep hij; »een sachem heeft hen gezien, het zijn wel degelijk mannen. Zij hebben meerendeels blauwe oogen en de kleur van hun haar is als die van het rijpe maïs, zij komen mij zeer dapper voor: laten mijne broeders zich niet vergissen!”»En weet mijn vader ook wie deze zijn?” vroeg een der sachems.»Dat weet de Zwarte-Beer niet, doch daar ginds bij het groote Zoutmeer, is hem gezegd dat zij een land bewonen zeer ver van hier tegen de opgaande zon: dat is alles.”»Die mannen hebben dus zeker geen boomen, noch vruchten, noch bisons in hun land, dat zij zoo ver komen om de onze te stelen.”»De bleekgezichten zijn onverzadelijk,” hernam de Zwarte-Beer; »zij vergeten dat de Groote Geest hun even als andere menschen slechts één mond en twee handen gegeven heeft; alles wat zij zien willen zij bezitten; de Wacondah, die zijne roode kinderen bemint, heeft ons in een rijk land doen geboren worden en ons met zijne gaven overstelpt, daarop zijn de bleekgezichten jaloersch en daarom zoeken zij ons gedurig te bestelen en er ons uit te verdrijven; maar de Apachen zijn dappere krijgslieden, zij zullen de jachtgronden weten[107]te verdedigen en te beschermen, die zij van hunne vaderen geërfd hebben, en beletten dat zij betreden worden door de voeten der vagebonden die van de overzijde van het groote Zoutmeer zijn gekomen, op hunne drijvende hutten van degroote medicijn.”3De opperhoofden juichten deze rede met geestdrift toe, daar zij hunne gevoelens zoo juist wedergaf en den bitteren haat uitdrukte die hen bezielde tegen de blanken, dat alles overwinnend en veroverend ras, dat gedurig voorwaarts dringt en de Roodhuiden steeds verder en verder in de wildernis terugdrijft en hun weldra niet langer de noodige ruimte zal laten om vrij te ademen, veelmin rustig naar hun zin en wijze te leven.»De groote natie der Comanchen van het Meer, die zich de Koningin der Prairiën noemt, heeft naar ons volk drie beroemde krijgslieden afgevaardigd. Het doel dezer ambassade is mij onbekend, maar mijns bedunkens kan het niet anders dan vredelievend zijn. Behaagt het u, hoofden mijns volks, hen onder u te ontvangen en te vergunnen met ons de vredespijp te rooken rondom het vuur van den raad?”»Mijn vader is een zeer wijze sachem,” antwoordde de Kleine-Panter; »hij weet, wanneer hij dit wil, de verborgenste gedachten zijner vijanden te raden; wat hij doet zal welgedaan zijn; de hoofden van zijn volk zullen zich gelukkig rekenen zich te gedragen naar den raad dien hij hun zal gelieven te geven.”De Zwarte-Beer liet zijn blik over de vergadering weiden om zich te verzekeren of de Kleine-Panter wel het algemeene gevoelen had uitgesproken.Al de leden van den raad bogen zwijgend het hoofd, ten teeken van goedkeuring.De sachem glimlachte hoogmoedig, toen hij zag dat zijne mede-opperhoofden hem zoo wel begrepen hadden en wendde zich onmiddellijk tot den Kleine-Panter:»Dat mijne broeders de opperhoofden der Comanchen binnengeleid worden,” zeide hij.Deze woorden werden uitgesproken op een toon van majesteit, daar een Europeesch vorst die in zijn parlement voorzit zich aan kon spiegelen.De Kleine-Panter ging de hut uit om het ontvangen bevel ten uitvoer te brengen.Gedurende zijne afwezigheid, die vrij lang aanhield, werd er geen woord tusschen de sachems gewisseld; daar zaten zij op hunne bisonsschedels, met de ellebogen op de knieën, de kin op de handpalmen, onbewegelijk en zwijgend, strak voor zich te kijken, en naar het scheen in het diepste nadenken verzonken.[108]De Kleine-Panter kwam eindelijk terug, met de drie Comanchenhoofden in zijn gevolg.Bij hunne komst stonden de Apachenhoofden op en begroetten hen met eene plechtstatige buiging. De Comanchen gaven hunne begroeting niet minder plechtstatig terug, doch namen een diep stilzwijgen in acht en bleven staan wachten tot men hen het eerst zou toespreken.Het waren drie kloeke, jonge mannen, rank van gestalte, krijgshaftig van houding, met vrijen blik en nadenkend voorhoofd. Terwijl zij daar zoo stonden in hun nationaal kostuum, met opgeheven hoofd, de hand fier op de rechterheup, hadden zij iets edels en oprechts, dat terstond belangstelling wekte en vertrouwen inboezemde. Inzonderheid een van hen, de jongste der drie—hij kon nauwelijks vijf en twintig jaar geweest zijn—was, naar zijn uiterlijk voorkomen te oordeelen, iemand van hoogeren aanleg en rang; zijne strenge gelaatstrekken, de glans van zijn schitterenden oogopslag, zijne houding vol zwier en majesteit, alles deed hem reeds dadelijk kennen als een man uit duizend.Hij heette de Spot-Vogel en zooals de bos condorsveeren in zijn oorlogskuif aanduidde, was hij een der voornaamste krijgshoofden van zijn stam.Zonder zich daarom aan onbescheiden nieuwsgierigheid schuldig te maken, vestigden de Apachen op hunne nieuwe gasten dien doordringenden blik van onderzoek, dien de Indianen in zulk eene hooge mate bezitten.De Comanchen, ofschoon zij gevoelden dat aller oog op hen gericht was en zij het mikpunt waren der algemeene belangstelling, hielden zich alsof zij hiervan niets bemerkten en geen spier bewoog zich op hun strak gelaat.Machiavelli, de schrijver van denVorst, was, bij de Roodhuiden vergeleken, slechts een kind in zake van politiek en staatslist. Deze arme ongeleerde wildemannen, zooals men ze uit onkunde vaak noemt, zijn de leepste en geslepenste diplomaten die er bestaan kunnen.Na eenige oogenblikken stilte, deed de Zwarte-Beer een stap voorwaarts en naderde hij de Comanchen, de rechterhand uitstrekkende met de palm naar voren.»Ik acht mij gelukkig,” zeide hij, »de Comanchen van het Meer te ontvangen onder mijn totem, en hen te begroeten te midden van mijn volk. Dat zij plaats nemen aan het vuur van onzen raad en de vredescalumet rooken met hunne broederen.”»Zoo zij het,” antwoordde de Spotvogel op strengen toon; »zijn wij niet allen kinderen van den Wacondah?”En zonder er verder een woord bij te voegen nam hij, gevolgd door de andere opperhoofden, plaats bij het vuur van den raad in gelijken rang met de Apachen.Het gesprek bleef andermaal steken. Ieder rookte in stilte.[109]Eindelijk, toen in de calumets niets meer was overgebleven dan de asch, wendde de Zwarte-Beer zich met een glimlach tot den Spotvogel.»Mijne broeders de Comanchen van het Meer waren zeker niet ver van hier op de bisonsjacht: en toen hebben zij gedacht hunnen broeders de Apachen een bezoek te brengen. Ik zeg hun hiervoor dank.”De Spotvogel boog en antwoordde:»De Comanchen van het Meer zijn nog ver weg, op het jachtveld der antilopen aan de Rio del Norte, alleen de Spotvogel en weinige getrouwe krijgslieden van zijn stam liggen hier in den omtrek gekampeerd.”»De Spotvogel is een beroemd opperhoofd in de prairie,” antwoordde de Apache vleiend; »de Zwarte-Beer acht zich gelukkig hem te zien. Een zoo groot krijgsman als mijn broeder doet zulk een verren tocht niet zonder een bepaald en gewichtig doel.”»De Zwarte-Beer heeft wel geraden: de Spotvogel is herwaarts gekomen om de banden der vriendschap tusschen hem en zijne broeders de Apachen nader toe te halen. Waarom toch zouden wij elkander een grondgebied betwisten daar wij beiden gelijk recht op hebben? Zouden wij niet wijzer doen met het tusschen ons te verdeelen? Moeten de Roode menschen elkander nog langer onderling verdelgen? Zou het niet beter zijn bij het vuur van den raad, de oorlogsbijl zoo diep te begraven, dat voortaan wanneer een Apache een Comanch ontmoet, deze in hem niets anders ziet dan een welbeminden broeder? De bleekgezichten, die met iedere maan meer en meer onze bezittingen innemen, voeren immers tegen ons een te bitteren oorlog, dan dat wij door onze inwendige geschillen hun overmoed zouden in de hand werken?”De Zwarte-Beer stond op en strekte den arm gezagvoerend uit.»Mijn broeder de Spotvogel heeft gelijk,” zeide hij, »slechts één gevoel behoort ons voortaan te leiden, vaderlandsliefde; stellen wij dus onze kleine hatelijkheden ter zijde, om aan niets anders te denken dan aan de vrijheid! De bleekgezichten weten volstrekt niets van onze plannen; gedurende de weinige dagen, door mij te Guaymas doorgebracht, was ik in staat mij hiervan te overtuigen; onze onverhoedsche inval zal dus voor hen een bliksemstraal zijn, die hen van schrik doet verstijven; onze enkele aannadering reeds maakt hen half overwonnen.”Er volgde eene diepe stilte.De Spotvogel liet nu zijn blik kalm en fier over de vergadering rondgaan, en riep:»Binnen twee maal vier en twintig uren begint de Mexicaansche Maan. Roodhuiden en krijgslieden, zouden wij haar laten voorbijgaan zonder een van die stoutmoedige invallen te hebben gewaagd, welke wij in dezen tijd des jaars gewoon zijn te doen? Bovenal is er eene bezitting[110]daar wij als een orkaan op moeten losstormen; die bezitting, nog kort geleden door bleekgezichten gevestigd, die geen Yoris zijn, is voor ons eene voortdurende bedreiging. Ik wil niet met u dingen, hoofden der Apachen, maar ik kom u, zoo gij de kolonie Guetzalli wilt aantasten, ronduit een onderstand van vier honderd uitgelezen Comanchen-krijgslieden aanbieden, aan welks hoofd ik mij stellen zal.”Dit voorstel deed de aanwezigen van vreugde sidderen.»Ik neem met vreugde het voorstel mijns broeders aan,” riep de Zwarte-Beer. »Ook ik heb nagenoeg een gelijk aantal krijgslieden onder mijn bevel; onze beide troepen zullen, naar ik hoop, genoeg zijn om de kolonie der bleekgezichten geheel te vernietigen. Morgen, met het opkomen der maan, zetten wij ons in beweging.”De sachems verwijderden zich.De Zwarte-Beer en de Spotvogel bleven alleen.Deze twee opperhoofden genoten bij hun stam eene gelijke vermaardheid, beiden werden door hunne onderhoorigen schier aangebeden.Zij beschouwden elkander eene poos met zwijgende belangstelling. Tot dusver waren zij altijd vijanden geweest en hadden nimmer gelegenheid gehad elkander te zien dan met de wapenen in de hand.»Ik zeg mijn broeder dank, voor zijn vriendelijk aanbod,” zei de Zwarte-Beer eindelijk. »In de tegenwoordige omstandigheden zal zijne hulp ons zeer te stade komen, maar als de overwinning eenmaal beslist is, zullen de voordeelen gelijkelijk tusschen de twee natiën verdeeld worden.”De Spotvogel boog.»Welk plan heeft mijn broeder zich voorgesteld?” vroeg hij.»Een zeer eenvoudig plan. De Comanchen zijn geachte ruiters; met mijn broeder als aanvoerder moeten zij onverwinnelijk zijn. Zoodra de maan aan den hemel schijnt, zal de Spotvogel met zijne krijgslieden opbreken naar Guetzalli en al het land voor zich uit afbranden, om een zwart gordijn van rook tusschen hem en den vijand op te halen, dat dezen beletten zal hen te zien aankomen of hunne sterkte te tellen. Indien de bleekgezichten, hetgeen echter niet waarschijnlijk is, vedetten buiten hunne groote hut hebben geplaatst om onze nadering te bespieden, zal mijn broeder trachten deze vedetten op te lichten en hen terstond laten dooden, om te beletten dat zij hunne vrienden waarschuwen. In de tegenwoordige onderneming, even als zulks bij vorige gelegenheden telken jare plaats had, moet alles wat den bleekgezichten behoort, huizen, hutten en jacals, met vuur worden verbrand, alsmede het vee geroofd en naar achteren worden vervoerd. Voor Guetzalli komende, zal mijn broeder zich zoo geschikt mogelijk in hinderlaag stellen en het sein afwachten dat ik hem geven zal om de bleekgezichten aan te vallen.”»Goed. Mijn broeder is een opperhoofd vol beleid; hij zal zeker slagen; alles wat mijn broeder mij bevolen heeft, zal ik stipt uitvoeren.[111]Maar wat zal mijn broeder zelf intusschen doen, terwijl ik mij met dit gedeelte van ons plan belast?”De Zwarte-Beer begon te glimlachen op eene wijze die zich niet laat beschrijven.»Dat zal mijn broeder zien,” zeide hij den Comanch met de hand op den schouder kloppende, »hij late het opperhoofd vrij begaan, ik beloof mijn broeder eene schoone overwinning.”»Goed,” antwoordde de Comanch; »mijn broeder is de eerste man van zijn stam, hij weet hoe hij zich gedragen moet; de Apachen zijn geene vrouwen. Ik ga terstond naar mijne krijgslieden.”»Goed, mijn broeder heeft mij begrepen, morgen als de maan opkomt.”De Spotvogel boog en de twee opperhoofden scheidden, naar het scheen op den meest vriendschappelijken voet.Eenige minuten later kwam in den kamp der Apachen alles in beweging. De vrouwen braken de tenten af, laadden de muildieren op, de kinderen hielpen de paarden opvangen en zadelen, kortom, men maakte met allen spoed aanstalten voor een onverwijld vertrek.
Na zijn nachtelijk bezoek in het jagerskamp was de Zwarte-Beer met zijne ruiterschaar onmiddellijk op marsch gegaan naar zeker niet verafgelegen eiland, Chole-Heckel genaamd, een der uiterste posten van den stam der Apachen op de grenzen van Mexico.
De Sachem met zijn troep bereikte dit eiland tegen het krieken van den dag. Daar ter plaatse heeft de Rio Gila hare grootste breedte,[103]beslaande elk der beide rivierarmen die het eiland insluiten, meer dan twee mijlen van den eenen oever tot den anderen.
Chole-Heckel, dat zich midden in den stroom verheft en, uit de verte gezien, als een trotsche bloemenmand schijnt te drijven op het spiegelend watervlak, heeft ongeveer drie mijlen lengte bij eene mijl breedte, en is om zoo te zeggen eene reusachtige bouquet van bloeiende boomen en gewassen, die de welriekendste geuren uitwasemt en in wier welige takken eene ontelbare menigte vogels onder lustig gekweel en gesnater zich paart tot een melodisch natuurconcert.
Onder de luisterrijke stralen der opgaande zon bood het eiland op dit oogenblik bovendien een ander, ongewoon en allerzonderlingst schouwspel, dat wel in staat was den blik van iederen reiziger te treffen, en geen Europeaan, zonder het gezien te hebben, zich ooit naar waarde zou kunnen verbeelden.
Zoover het oog reikte, zoowel op het eiland zelf als aan de beide oevers der Rio Gila, zag men honderden tenten van bisonshuid of hutten van groene takken gevlochten, in geregelde orde, dicht aan elkander geplaatst en uitwendig met allerlei opzichtige stoffen versierd of met schreeuwende kleuren beschilderd, zoodat de bonte mengeling, thans door de gloeiende morgenzon beschenen, het oog deed schemeren.
Tallooze kleine prauwen rond van vorm, uit samengenaaide paardenhuiden of meer rank en spits, uit holle boomstammen vervaardigd, doorkliefden de rivier in alle richtingen.
De krijgslieden van den Zwarte-Beer stegen af en gaven hunnen paarden de vrijheid, die weldra begonnen te grazen en zich onder eene menigte anderen verstrooiden.
Het opperhoofd begaf zich onmiddellijk naar de hutten en tenten, voor welke behalve wimpels van doek en vederbossen eene menigte haarschedels van beroemde in den krijg gedoode vijanden op de morgenkoelte wapperden, en ging tusschen de vrouwen door, die reeds druk bezig waren met het ochtendmaal te bereiden.
De Zwarte-Beer werd echter bij zijne komst dadelijk herkend; iedereen haastte zich dus hem te gemoet te gaan en zich op zijn weg te scharen, om hem met een eerbiedige buiging te begroeten. Wat een Europeaan misschien moeielijk zou gelooven, is het diep ontzag dat alle Indianen, zonder uitzondering, hunnen opperhoofden toedragen. Vooral bij die Indianen, welke aan de voorvaderlijke gewoonten getrouw gebleven, de Europeesche beschaving met verachting hebben afgewezen om als vrije mannen in de onbeperkte savanen te kunnen omzwerven, is dit ontzag tot dweepzuchtige en schier tot afgodische vereering overgeslagen.
De gouden met twee bisonshoorns versierde haarband die op het voorhoofd van den Zwarte-Beer prijkte, maakte hem terstond bij allen kenbaar en deed alom op zijn pad een levendig vreugdegejuich opgaan.[104]
Eindelijk bereikte hij den oever der rivier; daar komende wenkte hij een man, die op korten afstand met zijne prauw lag te visschen; deze haastte zich te gehoorzamen, en de sachem stak den stroom over naar het eiland.
Eene hut van takken stond aldaar voor hem gereed. Waarschijnlijk hadden de hier en daar verborgen schildwachts hem reeds uit de verte gadegeslagen, want op het oogenblik dat hij voet aan wal zette, trad een der opperhoofden met name de Kleine-Panter hem te gemoet.
»Het groote opperhoofd is welkom bij zijne kinderen,” zeide hij met eene hoffelijke buiging voor den Zwarte-Beer; »o! heeft mijn vader eene goede reis gehad?”
»Ik heb eene goede reis gehad, ik dank mijn broeder.”
»Zoo mijn vader het goed vindt zal ik hem naar dejacal1geleiden die wij gebouwd hebben om hem te ontvangen.”
»Laten wij gaan,” zei de sachem.
De Kleine-Panter boog ten tweeden male en geleidde thans het opperhoofd langs een smal pad dat door de struiken gebaand was; weldra kwamen zij aan eene jacal die naar de wijze der Indianen, zoowel door hare grootte als door hare netheid en de schitterende kleuren waarmede zij beschilderd was, uitmuntte en aan hun ideaal van gemak of weelde beantwoordde.
»Hier is mijns vaders huis,” zeide de Kleine-Panter terwijl hij eerbiedig defressada—wollen deken—ophief, die de jacal als een gordijn sloot, en toen een weinig ter zijde trad om den Zwarte-Beer door te laten.
Deze trad binnen.
»Mijn broeder volge mij,” zeide de Zwarte-Beer.
DeKleine-Pantertrad achter hem binnen en liet het gordijn weder vallen.
De jacal, ofschoon buitengewoon groot, verschilde overigens niet van die der andere Indianen; in het midden brandde een vuur; de Zwarte-Beer wenkte den anderen sachem om naast hem op een bisonsschedel te gaan zitten; nam er zelf een en beiden namen plaats bij het vuur.
Na een poosje stilzwijgens, dat de sachems besteedden om deftig hunne pijp te rooken, richtte de Zwarte-Beer het woord tot den Kleine-Panter.
»Zijn al de hoofden onzer volksstammen op het eiland Chole-Heckel vereenigd, zoo als ik bevolen had?”
»Allen zijn er vereenigd.”
»Wanneer zullen zij in mijne jacal komen?”
»Dat hangt van mijn vader af; zij wachten op zijn welbehagen.”[105]
De Zwarte-Beer begon weder stilzwijgend te rooken en op deze wijze verliep er een geruime tijd.
»Is er gedurende den tijd, dat ik afwezig was, niets nieuws voorgevallen?” vroeg de Zwarte-Beer terwijl hij de asch uit zijn calumet op den nagel van den duim zijner linkerhand schudde.
»Drie opperhoofden van de Comanchen der prairiën zijn hier gekomen, om als afgezanten van hun volk met de Apachen te onderhandelen.”
»Ooah!” riep de Zwarte-Beer; »zijn het beroemde opperhoofden?”
»Zij hebben tal van wolvenstaarten aan hunnemocksens2. Zij moeten dus wel dapper zijn.”
De Zwarte-Beer boog toestemmend.
»De een,” zegt men, »is de Spotvogel,” vervolgde de Kleine-Panter.
»Is mijn broeder zeker van hetgeen hij mij zegt?” vroeg de sachem met belangstelling.
»De Comanchenhoofden hebben geweigerd hun naam te zeggen, toen zij hoorden dat mijn vader afwezig was. Zij antwoordden dat zij zouden wachten tot hij terugkwam.”
»Goed! Het zijn opperhoofden. Waar houden zij hun verblijf?”
»Zij hebben een vuur ontstoken en er zich bij gelegerd.”
»Zeer goed. De tijd is kostbaar: mijn broeder ga de Apachenhoofden zeggen dat ik hen rondom het raadsvuur wensch te vereenigen.”
De Kleine-Panter stond op zonder te antwoorden en ging de jacal uit.
Een uur lang ongeveer zat het opperhoofd alleen en in diepe gepeinzen verzonken; na verloop van dien tijd hoorde men daarbuiten de voetstappen van verscheidene mannen naderen: het gordijn der jacal werd opgeheven en de Kleine-Panter verscheen.
»Wel?” zei de Zwarte-Beer.
»De hoofden wachten op u.”
»Laat hen binnenkomen.”
De opperhoofden stonden reeds voor de hut.
Zij waren tien in getal, allen in hun beste kostuum, op het schoonst versierd, beschilderd en gewapend als ten oorlog.
Zij stapten zwijgend binnen, en namen plaats bij het vuur, na voor het opperhoofd gebogen en den zoom van zijn mantel gekust te hebben.
Nauwelijks hadden zich al de opperhoofden in detoldo(raadshut) verzameld, of een troep Apachen-krijgslieden schaarde er zich omheen, ten einde de nieuwsgierigen te verwijderen en het geheim van de beraadslaging der sachems te verzekeren.
Ondanks zijne zelfbeheersching kon de Zwarte-Beer zijne vreugde[106]niet bedwingen, toen hij zoo vele mannen bijeen zag die hem geheel waren toegedaan en met wier hulp hij zich zeker waande zijne dwaze plannen te kunnen uitvoeren.
»Ik heet mijne broeders welkom!” zeide hij, hen met een wenk uitnoodigend op de bisonsschedels plaats te nemen, die rondom het vuur geschaard stonden, »ik heb hen met ongeduld verbeid.”
De opperhoofden maakten eene buiging en gingen zitten. Het volgende oogenblik kwam de pijpdrager binnen met de groote calumet, die hij aan al de sachems rondpresenteerde, om er elk op zijn beurt een paar trekken uit te laten doen. Toen deze ceremonie was afgeloopen en de pijpdrager zich verwijderd had, werd de beraadslaging geopend.
»Voor alle dingen,” zoo begon de Zwarte-Beer, »moet ik u van mijne zending verslag doen. De Zwarte-Beer heeft haar volkomen vervuld, hij is in de groote hut der blanken geweest, en heeft haar tot in de kleinste bijzonderheden onderzocht, hij kent het aantal bleekgezichten die haar verdedigen en als het uur komt om er mijne krijgslieden binnen te leiden zal de Zwarte-Beer overal den weg weten te vinden.”
De hoofden bogen ten teeken van goedkeuring.
»Die groote hut der blanken,” vervolgde de Zwarte-Beer, »is het eenige ernstige bezwaar dat onze onderneming in den weg staat.”
»De Yoris zijn honden zonder moed, de Apachen zullen hen van vrouwenrokken voorzien en hen ons wildbraad laten gereed maken,” zei de Kleine-Panter met een schamperen grijns.
De Zwarte-Beer schudde het hoofd.
»De bleekgezichten der groote hut van Guetzalli zijn geene Yoris,” riep hij; »een sachem heeft hen gezien, het zijn wel degelijk mannen. Zij hebben meerendeels blauwe oogen en de kleur van hun haar is als die van het rijpe maïs, zij komen mij zeer dapper voor: laten mijne broeders zich niet vergissen!”
»En weet mijn vader ook wie deze zijn?” vroeg een der sachems.
»Dat weet de Zwarte-Beer niet, doch daar ginds bij het groote Zoutmeer, is hem gezegd dat zij een land bewonen zeer ver van hier tegen de opgaande zon: dat is alles.”
»Die mannen hebben dus zeker geen boomen, noch vruchten, noch bisons in hun land, dat zij zoo ver komen om de onze te stelen.”
»De bleekgezichten zijn onverzadelijk,” hernam de Zwarte-Beer; »zij vergeten dat de Groote Geest hun even als andere menschen slechts één mond en twee handen gegeven heeft; alles wat zij zien willen zij bezitten; de Wacondah, die zijne roode kinderen bemint, heeft ons in een rijk land doen geboren worden en ons met zijne gaven overstelpt, daarop zijn de bleekgezichten jaloersch en daarom zoeken zij ons gedurig te bestelen en er ons uit te verdrijven; maar de Apachen zijn dappere krijgslieden, zij zullen de jachtgronden weten[107]te verdedigen en te beschermen, die zij van hunne vaderen geërfd hebben, en beletten dat zij betreden worden door de voeten der vagebonden die van de overzijde van het groote Zoutmeer zijn gekomen, op hunne drijvende hutten van degroote medicijn.”3
De opperhoofden juichten deze rede met geestdrift toe, daar zij hunne gevoelens zoo juist wedergaf en den bitteren haat uitdrukte die hen bezielde tegen de blanken, dat alles overwinnend en veroverend ras, dat gedurig voorwaarts dringt en de Roodhuiden steeds verder en verder in de wildernis terugdrijft en hun weldra niet langer de noodige ruimte zal laten om vrij te ademen, veelmin rustig naar hun zin en wijze te leven.
»De groote natie der Comanchen van het Meer, die zich de Koningin der Prairiën noemt, heeft naar ons volk drie beroemde krijgslieden afgevaardigd. Het doel dezer ambassade is mij onbekend, maar mijns bedunkens kan het niet anders dan vredelievend zijn. Behaagt het u, hoofden mijns volks, hen onder u te ontvangen en te vergunnen met ons de vredespijp te rooken rondom het vuur van den raad?”
»Mijn vader is een zeer wijze sachem,” antwoordde de Kleine-Panter; »hij weet, wanneer hij dit wil, de verborgenste gedachten zijner vijanden te raden; wat hij doet zal welgedaan zijn; de hoofden van zijn volk zullen zich gelukkig rekenen zich te gedragen naar den raad dien hij hun zal gelieven te geven.”
De Zwarte-Beer liet zijn blik over de vergadering weiden om zich te verzekeren of de Kleine-Panter wel het algemeene gevoelen had uitgesproken.
Al de leden van den raad bogen zwijgend het hoofd, ten teeken van goedkeuring.
De sachem glimlachte hoogmoedig, toen hij zag dat zijne mede-opperhoofden hem zoo wel begrepen hadden en wendde zich onmiddellijk tot den Kleine-Panter:
»Dat mijne broeders de opperhoofden der Comanchen binnengeleid worden,” zeide hij.
Deze woorden werden uitgesproken op een toon van majesteit, daar een Europeesch vorst die in zijn parlement voorzit zich aan kon spiegelen.
De Kleine-Panter ging de hut uit om het ontvangen bevel ten uitvoer te brengen.
Gedurende zijne afwezigheid, die vrij lang aanhield, werd er geen woord tusschen de sachems gewisseld; daar zaten zij op hunne bisonsschedels, met de ellebogen op de knieën, de kin op de handpalmen, onbewegelijk en zwijgend, strak voor zich te kijken, en naar het scheen in het diepste nadenken verzonken.[108]
De Kleine-Panter kwam eindelijk terug, met de drie Comanchenhoofden in zijn gevolg.
Bij hunne komst stonden de Apachenhoofden op en begroetten hen met eene plechtstatige buiging. De Comanchen gaven hunne begroeting niet minder plechtstatig terug, doch namen een diep stilzwijgen in acht en bleven staan wachten tot men hen het eerst zou toespreken.
Het waren drie kloeke, jonge mannen, rank van gestalte, krijgshaftig van houding, met vrijen blik en nadenkend voorhoofd. Terwijl zij daar zoo stonden in hun nationaal kostuum, met opgeheven hoofd, de hand fier op de rechterheup, hadden zij iets edels en oprechts, dat terstond belangstelling wekte en vertrouwen inboezemde. Inzonderheid een van hen, de jongste der drie—hij kon nauwelijks vijf en twintig jaar geweest zijn—was, naar zijn uiterlijk voorkomen te oordeelen, iemand van hoogeren aanleg en rang; zijne strenge gelaatstrekken, de glans van zijn schitterenden oogopslag, zijne houding vol zwier en majesteit, alles deed hem reeds dadelijk kennen als een man uit duizend.
Hij heette de Spot-Vogel en zooals de bos condorsveeren in zijn oorlogskuif aanduidde, was hij een der voornaamste krijgshoofden van zijn stam.
Zonder zich daarom aan onbescheiden nieuwsgierigheid schuldig te maken, vestigden de Apachen op hunne nieuwe gasten dien doordringenden blik van onderzoek, dien de Indianen in zulk eene hooge mate bezitten.
De Comanchen, ofschoon zij gevoelden dat aller oog op hen gericht was en zij het mikpunt waren der algemeene belangstelling, hielden zich alsof zij hiervan niets bemerkten en geen spier bewoog zich op hun strak gelaat.
Machiavelli, de schrijver van denVorst, was, bij de Roodhuiden vergeleken, slechts een kind in zake van politiek en staatslist. Deze arme ongeleerde wildemannen, zooals men ze uit onkunde vaak noemt, zijn de leepste en geslepenste diplomaten die er bestaan kunnen.
Na eenige oogenblikken stilte, deed de Zwarte-Beer een stap voorwaarts en naderde hij de Comanchen, de rechterhand uitstrekkende met de palm naar voren.
»Ik acht mij gelukkig,” zeide hij, »de Comanchen van het Meer te ontvangen onder mijn totem, en hen te begroeten te midden van mijn volk. Dat zij plaats nemen aan het vuur van onzen raad en de vredescalumet rooken met hunne broederen.”
»Zoo zij het,” antwoordde de Spotvogel op strengen toon; »zijn wij niet allen kinderen van den Wacondah?”
En zonder er verder een woord bij te voegen nam hij, gevolgd door de andere opperhoofden, plaats bij het vuur van den raad in gelijken rang met de Apachen.
Het gesprek bleef andermaal steken. Ieder rookte in stilte.[109]
Eindelijk, toen in de calumets niets meer was overgebleven dan de asch, wendde de Zwarte-Beer zich met een glimlach tot den Spotvogel.
»Mijne broeders de Comanchen van het Meer waren zeker niet ver van hier op de bisonsjacht: en toen hebben zij gedacht hunnen broeders de Apachen een bezoek te brengen. Ik zeg hun hiervoor dank.”
De Spotvogel boog en antwoordde:
»De Comanchen van het Meer zijn nog ver weg, op het jachtveld der antilopen aan de Rio del Norte, alleen de Spotvogel en weinige getrouwe krijgslieden van zijn stam liggen hier in den omtrek gekampeerd.”
»De Spotvogel is een beroemd opperhoofd in de prairie,” antwoordde de Apache vleiend; »de Zwarte-Beer acht zich gelukkig hem te zien. Een zoo groot krijgsman als mijn broeder doet zulk een verren tocht niet zonder een bepaald en gewichtig doel.”
»De Zwarte-Beer heeft wel geraden: de Spotvogel is herwaarts gekomen om de banden der vriendschap tusschen hem en zijne broeders de Apachen nader toe te halen. Waarom toch zouden wij elkander een grondgebied betwisten daar wij beiden gelijk recht op hebben? Zouden wij niet wijzer doen met het tusschen ons te verdeelen? Moeten de Roode menschen elkander nog langer onderling verdelgen? Zou het niet beter zijn bij het vuur van den raad, de oorlogsbijl zoo diep te begraven, dat voortaan wanneer een Apache een Comanch ontmoet, deze in hem niets anders ziet dan een welbeminden broeder? De bleekgezichten, die met iedere maan meer en meer onze bezittingen innemen, voeren immers tegen ons een te bitteren oorlog, dan dat wij door onze inwendige geschillen hun overmoed zouden in de hand werken?”
De Zwarte-Beer stond op en strekte den arm gezagvoerend uit.
»Mijn broeder de Spotvogel heeft gelijk,” zeide hij, »slechts één gevoel behoort ons voortaan te leiden, vaderlandsliefde; stellen wij dus onze kleine hatelijkheden ter zijde, om aan niets anders te denken dan aan de vrijheid! De bleekgezichten weten volstrekt niets van onze plannen; gedurende de weinige dagen, door mij te Guaymas doorgebracht, was ik in staat mij hiervan te overtuigen; onze onverhoedsche inval zal dus voor hen een bliksemstraal zijn, die hen van schrik doet verstijven; onze enkele aannadering reeds maakt hen half overwonnen.”
Er volgde eene diepe stilte.
De Spotvogel liet nu zijn blik kalm en fier over de vergadering rondgaan, en riep:
»Binnen twee maal vier en twintig uren begint de Mexicaansche Maan. Roodhuiden en krijgslieden, zouden wij haar laten voorbijgaan zonder een van die stoutmoedige invallen te hebben gewaagd, welke wij in dezen tijd des jaars gewoon zijn te doen? Bovenal is er eene bezitting[110]daar wij als een orkaan op moeten losstormen; die bezitting, nog kort geleden door bleekgezichten gevestigd, die geen Yoris zijn, is voor ons eene voortdurende bedreiging. Ik wil niet met u dingen, hoofden der Apachen, maar ik kom u, zoo gij de kolonie Guetzalli wilt aantasten, ronduit een onderstand van vier honderd uitgelezen Comanchen-krijgslieden aanbieden, aan welks hoofd ik mij stellen zal.”
Dit voorstel deed de aanwezigen van vreugde sidderen.
»Ik neem met vreugde het voorstel mijns broeders aan,” riep de Zwarte-Beer. »Ook ik heb nagenoeg een gelijk aantal krijgslieden onder mijn bevel; onze beide troepen zullen, naar ik hoop, genoeg zijn om de kolonie der bleekgezichten geheel te vernietigen. Morgen, met het opkomen der maan, zetten wij ons in beweging.”
De sachems verwijderden zich.
De Zwarte-Beer en de Spotvogel bleven alleen.
Deze twee opperhoofden genoten bij hun stam eene gelijke vermaardheid, beiden werden door hunne onderhoorigen schier aangebeden.
Zij beschouwden elkander eene poos met zwijgende belangstelling. Tot dusver waren zij altijd vijanden geweest en hadden nimmer gelegenheid gehad elkander te zien dan met de wapenen in de hand.
»Ik zeg mijn broeder dank, voor zijn vriendelijk aanbod,” zei de Zwarte-Beer eindelijk. »In de tegenwoordige omstandigheden zal zijne hulp ons zeer te stade komen, maar als de overwinning eenmaal beslist is, zullen de voordeelen gelijkelijk tusschen de twee natiën verdeeld worden.”
De Spotvogel boog.
»Welk plan heeft mijn broeder zich voorgesteld?” vroeg hij.
»Een zeer eenvoudig plan. De Comanchen zijn geachte ruiters; met mijn broeder als aanvoerder moeten zij onverwinnelijk zijn. Zoodra de maan aan den hemel schijnt, zal de Spotvogel met zijne krijgslieden opbreken naar Guetzalli en al het land voor zich uit afbranden, om een zwart gordijn van rook tusschen hem en den vijand op te halen, dat dezen beletten zal hen te zien aankomen of hunne sterkte te tellen. Indien de bleekgezichten, hetgeen echter niet waarschijnlijk is, vedetten buiten hunne groote hut hebben geplaatst om onze nadering te bespieden, zal mijn broeder trachten deze vedetten op te lichten en hen terstond laten dooden, om te beletten dat zij hunne vrienden waarschuwen. In de tegenwoordige onderneming, even als zulks bij vorige gelegenheden telken jare plaats had, moet alles wat den bleekgezichten behoort, huizen, hutten en jacals, met vuur worden verbrand, alsmede het vee geroofd en naar achteren worden vervoerd. Voor Guetzalli komende, zal mijn broeder zich zoo geschikt mogelijk in hinderlaag stellen en het sein afwachten dat ik hem geven zal om de bleekgezichten aan te vallen.”
»Goed. Mijn broeder is een opperhoofd vol beleid; hij zal zeker slagen; alles wat mijn broeder mij bevolen heeft, zal ik stipt uitvoeren.[111]Maar wat zal mijn broeder zelf intusschen doen, terwijl ik mij met dit gedeelte van ons plan belast?”
De Zwarte-Beer begon te glimlachen op eene wijze die zich niet laat beschrijven.
»Dat zal mijn broeder zien,” zeide hij den Comanch met de hand op den schouder kloppende, »hij late het opperhoofd vrij begaan, ik beloof mijn broeder eene schoone overwinning.”
»Goed,” antwoordde de Comanch; »mijn broeder is de eerste man van zijn stam, hij weet hoe hij zich gedragen moet; de Apachen zijn geene vrouwen. Ik ga terstond naar mijne krijgslieden.”
»Goed, mijn broeder heeft mij begrepen, morgen als de maan opkomt.”
De Spotvogel boog en de twee opperhoofden scheidden, naar het scheen op den meest vriendschappelijken voet.
Eenige minuten later kwam in den kamp der Apachen alles in beweging. De vrouwen braken de tenten af, laadden de muildieren op, de kinderen hielpen de paarden opvangen en zadelen, kortom, men maakte met allen spoed aanstalten voor een onverwijld vertrek.
1Takkenhut↑2Sandalen.↑3Dezen term gebruiken de Indianen voor alles wat hun onbegrijpelijk voorkomt.↑
1Takkenhut↑2Sandalen.↑3Dezen term gebruiken de Indianen voor alles wat hun onbegrijpelijk voorkomt.↑
1Takkenhut↑
1Takkenhut↑
2Sandalen.↑
2Sandalen.↑
3Dezen term gebruiken de Indianen voor alles wat hun onbegrijpelijk voorkomt.↑
3Dezen term gebruiken de Indianen voor alles wat hun onbegrijpelijk voorkomt.↑