XII.

[Inhoud]XII.VROUWENLIST.Tegen den avond van den volgenden dag, met het opkomen der maan, volgens afspraak, gaf ook de Spotvogel zijn troep order om op te breken en den tocht te beginnen.Weldra had een kleine afdeeling ruiters, die als verspieders vooruit waren gezonden om de velden in vlam te zetten, brandende houten in de struiken geworpen, en na verloop van eenige minuten steeg er als een gordijn van vlammen ten hemel, dat den ganschen horizont bedekte.De Comanchen hadden de bevelen van het Apachenhoofd zoo snel en met zooveel overleg uitgevoerd, dat in minder dan een half uur al het omliggende land in de asch was gelegd.De Zwarte-Beer, die zich met de zijnen op het eiland verschanst had, was nog niet opgebroken. De sporen door de Comanchen achtergelaten, waren helaas! overal zichtbaar, want dit landschap, den vorigen morgen nog zoo schoon, zoo rijk en zoo bloeiend, geleek thans eene treurige dorre en eenzame woestijn; geen groen was er meer te zien, geen bloemen geurden er meer, geen vogeltjes zongen er meer als om strijd tusschen de takken!Het plan der Indianen was tot hiertoe volkomen gelukt en de kolonisten te Guetzalli zouden ontwijfelbaar overrompeld zijn geworden,[112]zoo Goedsmoeds en diens vrienden elkander niet op den weg der Indianen hadden aangetroffen.De Canadees was op zijne hoede.Bij het gezicht der eerste rookwolk die hij in de verte zag opgaan, had hij het voornemen der Roodhuiden begrepen en zonder een oogenblik te verliezen, den Arendskop naar de kolonie gezonden om don Louis te waarschuwen, dien de Indiaan, gelijk wij reeds gezien hebben, dicht bij de hacienda ontmoette.Intusschen kwamen achter den brand de Comanchen in vollen galop aanrennen, alles vertrappende en vernielende wat door het vuur mocht gespaard zijn.De nacht was volkomen gedaald toen de Spotvogel in het gezicht der kolonie kwam. In de veronderstelling dat de snelheid van zijn marsch den blanken geen tijd zou hebben gelaten om zich in staat van tegenweer te stellen, plaatste hij een gedeelte van zijn troep in hinderlaag en trok aan ’t hoofd der overigen, met al de in dergelijke gevallen gebruikelijke voorzorgen, langzaam voortkruipend naar de batterij aan de landengte.Niemand vertoonde zich daar; de taluds en de verschansingen schenen verlaten; de Spotvogel verhief zijn oorlogskreet, sprong plotseling te voorschijn en klauterde met zijne krijgslieden vlug als tijgerkatten tegen de verschansingen op; doch op het oogenblik dat de Comanchen aan de binnenschans meenden te kunnen afdalen, werd er een volle laag uit grof en klein geschut op de aanvallers gelost, die er bijna de helft van wegmaaide; de overblijvenden trokken ijlings terug en namen de vlucht.De Comanchen hadden een groot nadeel tegenover de blanken, daar zij van geen vuurwapenen voorzien waren. Het klein geweervuur decimeerde hen, terwijl zij niets anders hadden om het te beantwoorden dan hunne pijlen en werpspiesen, of ook steenen die zij met den slinger wierpen.Weldra, doch een weinig te laat, inziende dat de Franschen op hunne hoede waren, wilde de Spotvogel het door de geleden verliezen reeds merkelijk geschokte vertrouwen zijner krijgslieden niet verder door nuttelooze pogingen verzwakken. Hij trok dus met zijn detachement terug onder bedekking van het bosch, waar hij besloot het signaal van den Zwarte-Beer af te wachten eer hij zich opnieuw in beweging zette.Intusschen was don Louis met den Arendskop naar Goedsmoeds teruggekeerd. De Indiaan moest hierbij de geleider zijn en bracht hem, na verscheidene omwegen, bijna tegenover de batterij aan de landengte naar een dicht boschje cactus, aloë’s en floripondio’s.»Hier kan mijn broeder afstijgen,”zeide hij tot den Franschman, »wij zijn er.”»Wij zijn er! waarzoo dan?” vroeg don Louis vruchteloos de oogen opslaande.[113]Zonder te antwoorden nam de Indiaan het paard reeds bij den teugel, en bracht het weg; terwijl Louis naar alle zijden bleef uitkijken, maar al zijne pogingen waren vergeefs.»Wel,” vroeg hem de Arendskop toen hij zonder paard terugkwam, »heeft mijn broeder zich kunnen thuis vinden?”»Carai! neen hoofdman, ik geef het op.”De Indiaan lachte.»De bleekgezichten hebben mollenoogen,” zeide hij.»Dat is wel mogelijk; maar hoe dit wezen mag, zal ik u dankbaar zijn als gij mij de uwe wilt leenen.”»Goed, mijn broeder zal zien.”De Arendskop ging zoo lang als hij was op den grond liggen. Louis deed het zelfde, en beiden slopen nu op handen en voeten het boschje in. Na dit vermoeiende werk een kwartier te hebben voortgezet hield de Indiaan stil.»Laat mijn broeder nu eens zien,” zeide hij.Zij bevonden zich op een klein open grasveld van alle zijden door boomen en struiken ingesloten, die zoo volkomen door lianen en andere slingerplanten waren samengeweven, dat het zonder welervaren en scherp onderzoek onmogelijk was deze wijkplaats te ontdekken of zelfs te vermoeden.Hier zaten Goedsmoeds en de twee Mexicanen met philosofisch geduld, al rookende, op de terugkomst van hun uitgezonden vriend te wachten.»Welkom binnen,” riep de Canadees zoodra hij hen gewaar werd; »hoe vindt gij ons schuilhoekje? Charmant, niet waar? dat heeft de Arendskop voor ons uitgevonden, die weêrgasche Indianen hebben een bijzonderen neus om hinderlagen te zoeken, wij zijn hier zoo veilig als in de kathedraal te Quebec.”Gedurende dezen woordenvloed, dien Louis niet anders beantwoordde dan met een warmen handdruk, had de Franschman zich reeds bij zijne kameraden nedergezet en was hij met goeden eetlust begonnen de noodige eer te bewijzen aan het ontbijt dat deze voor hem bewaard hadden.»Maar waar zijn onze paarden?” vroeg hij.»Geen tien passen van hier en door niemand te vinden dan door ons zelf,” was het antwoord.»Zeer goed; en kunnen wij deze dadelijk krijgen als wij ze noodig hebben?”»Nu! dat zou ik denken.”»’t Is maar dat wij ze waarschijnlijk spoedig noodig zullen hebben.”»Maar laat ik u niet storen,” vervolgde hij zich zelven in de rede vallende, »ik doe niets dan babbelen, en denk er niet om dat gij wel grooten honger moet hebben; eet liever eerst, wij zullen straks wel praten.”»O! ik kan u zeer goed antwoord geven, al eet ik.”[114]»Neen, alles op zijn tijd; ontbijt maar eerst, wij zullen u straks wel hooren.”Nauwelijks had don Louis met eten gedaan of hij deed een uitvoerig verslag van de wijze waarop hij zijne zending volvoerd had.»Dat gaat alles naar wensch,” zei Goedsmoeds toen de Franschman zijn verhaal eindigde; »ik geloof dat wij vooreerst over het lot onzer landgenooten niet bezorgd behoeven te zijn, vooral met behulp der veertig peons van den capataz die den vijand tusschen twee vuren zullen brengen.”»Maar waar willen zij zich versteken?”»Dat gaat den Arendskop aan. Het opperhoofd is met deze streek door en door bekend, hij heeft hier lang gejaagd, ik ben zeker dat hij een geschikt punt voor de Mexicanen zal vinden; wat zegt gij er van, hoofdman?”»In de prairie kan men zich gemakkelijk verbergen,” zei de Indiaan lakoniek.»Ja,” merkte don Martial hierop aan, »maar één ding vergeet gij.”»Wat dan?”»Ik heb lang op de grenzen gewoond en ben dus met de taktiek der Indianen zeer goed bekend; als de Apachen eene vesting naderen laten zij zich altijd voorafgaan door een gordijn van rook; daartoe steken zij de vlakte in brand, die weldra niets anders zal zijn dan een zee van vlammen, tegen welke wij ons vruchteloos zullen verweren en die ons ten slotte zullen verslinden, zoo wij niet in tijds de noodige voorzorgen nemen.”»Dat is waar, het is een ernstig geval. Ongelukkig zie ik maar één middel om ons aan het dreigend gevaar te onttrekken, maar dat middel kunnen wij dan ook gebruiken.”»Welk middel bedoelt gij?”»Pardi! dat wij op de vlucht gaan.”»Dan weet ik wel een beter,” zei de Arendskop.»Gij, hoofdman? Dan zult gij toch wel zoo goed zijn het ons mede te deelen.”»Zoo de bleekgezichten slechts gelieven te luisteren. De Rio Gila, gelijk alle andere rivieren, voert op haar stroom doode boomen mede en somwijlen in zulk eene groote menigte, dat zij haar op zekere plaatsen verstoppen en blijven liggen; door den tijd schuiven die boomen zich dichter aaneen en vlechten de takken zich samen; vervolgens groeien er waterplanten tusschen, die ze nog nauwer verbinden; zand en aarde verzamelen er zich op, er groeit gras en riet en weldra andere kruiden op, zoodat deze ontzaglijk groote houtvlotten in de verte er als wezenlijke eilanden uitzien, tot eindelijk een hevige storm of een hooggezwollen vloed het vlottende eiland losrukt, den stroom afvoert en langzamerhand vaneen scheurt of geheel vernietigt.”»Ja, dat weet ik, hoofdman, daarvan heb ik meer dan eens voorbeelden gezien,” antwoordde Goedsmoeds, »zulke vlottende eilanden[115]gelijken vaak zoo zeer naar vaste, dat iemand, al is hij aan het leven in de wildernis en aan de grootsche tooneelen aldaar gewoon, er toch door bedrogen wordt. Ik begrijp wel waar gij heen wilt en welk voordeel wij van uw idee zouden kunnen trekken, als ik maar eenige kans zag om dat middel te gebruiken, maar dat is ongelukkigerwijs niet het geval.”»Ooah!dat is gemakkelijk genoeg,” hervatte de Arendskop, »het oog van een Indiaan is goed, hij ziet op drie boogschot afstand alles. Even boven de groote hut der bleekgezichten ligt een van die kleine vloteilanden, geen vijftig passen van den oever; heeft mijn broeder dat niet opgemerkt?”»Inderdaad!” riep Goedsmoeds »wat gij zegt is volkomen waar. Ik herinner mij thans dat eiland, daar had ik volstrekt niet aan gedacht.”»Wat de plaatselijke ligging betreft heeft het niets van den brand te duchten,” merkte Louis aan; »als het groot genoeg is om ons allen te bergen, zou het ons bij uitstek van dienst kunnen zijn als voorpost.”»Wij hebben geen oogenblik te verliezen, maar moeten er dadelijk heen om het te onderzoeken, en als wij zeker zijn dat het ons de noodige veiligheid aanbiedt, zullen wij er dadelijk gebruik van maken en er de peons heenbrengen.”»Op weg dus en niet langer geaarzeld,” riep de Tigrero opstaande.De anderen deden hetzelfde, en de vijf mannen verlieten het boschkamp.Na hunne paarden te hebben teruggevonden, namen zij hunne richting naar het eiland onder geleide van den Arendskop.De Sachem had zich niet bedrogen; met den onfeilbaren blik die zijnen landgenooten eigen is, had hij alles gezien en herkend en het welgekozen punt met de meeste juistheid beoordeeld.Een ander voordeel kwam den avonturiers te stade: een dichte strook van zoogenaamde wortelboomen, die den oever omzoomde, stak ver genoeg in den stroom uit om den afstand tusschen het eiland en het vaste land merkelijk te verminderen en tevens eene natuurlijke bedekking te vormen voor de peons, die in het lange gras verscholen zaten; terwijl de Indianen zich onmogelijk in de wortelboomen zouden kunnen nestelen om van daar hunne vijanden te bestoken, maar integendeel door dezen zonder gevaar zouden worden gedecimeerd.Het eiland zelf, dat wij zoo zullen blijven noemen, ofschoon het eigenlijk een vlot moest heeten, was met een dichte massa droog, sterk en ongeveer twee ellen hoog rietgras bedekt, waarachter mannen en paarden geheel onzichtbaar waren. Na de volbrachte verkenning vestigden Goedsmoeds en de beide Mexicanen hun kamp in het centrum, terwijl don Louis en de Arendskop weder naar den anderen oever terugkeerden om den capataz en zijne peons te gemoet te gaan.Don Martial had weinig lust hen te vergezellen, hij vreesde, zoo[116]dicht in de nabijheid der kolonie zijnde, door don Sylvaherkendte worden en wenschte liever zoo lang mogelijk zijn incognito te bewaren, dat ter bevordering zijner latere plannen volstrekt noodig was.Louis, die hem eerst gevraagd had of hij mede wilde gaan, drong niet verder bij hem aan, en scheen zijne weigering stilzwijgend goed te keuren.Het eigenlijke van de zaak was dat de graaf Prébois, zonder te kunnen zeggen waarom, een heimelijken afkeer gevoelde van den Tigrero, wiens sluwe en gedurig aarzelende houding hem zeer tegen de borst hadden gestuit.De Arendskop en Louis, overtuigd dat de Zwarte-Beer zich stellig met zijn detachement verwijderd had, zonder spionnen in de prairie achter te laten, achtten het onnoodig om de peons eerst een langen en vermoeienden omweg te laten maken alvorens hunne bestemming te bereiken; bij gevolg verborgen zij zich in een boschje dicht bij de landengte, ten einde hen daar af te wachten en regelrecht naar het afgesproken punt te geleiden.Intusschen had het bericht van den graaf de Prébois Crancé in de kolonie Guetzalli alles op stelten gezet. Want ofschoon de Indianen sedert de grondvesting der hacienda reeds meermalen getracht hadden de Franschen te verontrusten, waren hunne pogingen van weinig beteekenis geweest, eerst nu zouden de kolonisten voor den eersten keer tot een ernstigen strijd met hunne woeste geburen worden geroepen.De graaf de Lhorailles had ongeveer over twee honderdDauph’yeerste beschikken, afkomstig uit Valparaiso, Guyaquil, Callao en andere havens aan de stille Zuidzee, waar het van gelukzoekers van allerlei soort wemelt.Zijn troep was een zonderling samenraapsel van alle nationaliteiten uit de twee halfronden des aardbols; meerendeels, echter waren het Franschen, half bandieten, half soldaten, losbollen of vagebonden, die in den chef hunner eigen vrije keus onbepaald vertrouwen stelden.Het bericht van den voorgenomen aanval der Apachen werd door het garnizoen met een vroolijken juichkreet ontvangen. Schieten en vechten was voor deze avonturiers zoo veel als een pleizierpartij, of, zoo als zij het in hunne schilderachtige taal noemden, een geschikte gelegenheid om zich op te frisschen, en voor schimmelen of roesten te bewaren.Wat meer is wenschten zij den Apachen een lesje te geven en te laten zien welk onderscheid er bestond tusschen de Kreolen en kolonisten, daar zij van eeuwen her mede te kampen hadden gehad en de Europeanen, die zij nog niet kenden.De graaf behoefde hun dus niet aan te bevelen zich ferm te houden, integendeel was hij verplicht hun ijver te matigen en tot voorzichtigheid te vermanen, hun belovende dat hij hun spoedig gelegenheid zou verschaffen zich met de Roodhuiden in open kamp te meten.[117]De lezer herinnert zich zonder twijfel, dat het Mexicaansche gouvernement de kolonie Guetzalli aan den graaf de Lhorailles hadafgestaan, onder beding dat hij de Apachen en Comanchen nadrukkelijk zou bestrijden, ten einde hen van de Mexicaansche grenzen te verwijderen, die zij reeds lang gewoon waren op zekeren tijd des jaars te verwoesten.Op deze voorwaarde van het verdrag maakte hij zijne soldaten inzonderheid opmerkzaam.Zoodra dus de noodige maatregelen van verdediging genomen waren, namelijk aan ieder zijn post aangewezen en de wapenen en krijgsbehoeften rondgedeeld, verliet de graaf zich op zijne twee luitenants, den Biskayer Diego Leon en Martin Leroux, twee oude krijgsmannen, op welke hij meende te kunnen vertrouwen; vervolgens rekende hij op Blas Vasquez en diens peons.Daar het wel waarschijnlijk was dat de Indianen spionnen in den omtrek der kolonie gelaten hadden, trachtte hij dezen in den waan te brengen dat de peons werkelijk vertrokken waren; dientengevolge werden er verscheidene muilezels geladen met leeftocht als voor eene verre reis; vervolgens stelde de wel onderrichte capataz zich aan het hoofd van zijn troep en vertrok uit de kolonie met de karabijn op de heup.De Lhorailles, don Sylva en de andere bewoners oogden met licht verklaarbare belangstelling het kleine detachement na, zich gereed houdende het te ondersteunen zoo het mocht worden aangevallen.Maar geen muis bewoog zich in de prairie, alles bleef kalm en rustig en weldra waren de Mexicanen in het hooge gras verdwenen.»Ik begrijp de taktiek der Indianen niet,” mompelde don Sylva in zich zelven. »Er schuilt zeker weder een fijne streek onder, dat zij dien kleinen troep zoo stil laten vertrekken, die hun zulk een schoone kans op voordeel scheen te beloven.”»Wij zullen spoedig weten wat er van is,” antwoordde de graaf; »overigens zijn wij gereed hen te ontvangen; het spijt mij slechts datdoñaAnita zich hier bevindt, niet dat zij eenig persoonlijk gevaar loopt, maar het tumult van den strijd mocht haar verschrikken.”»Gij vergist u, heer graaf,” zeidoñaAnita die op dit oogenblik het huis uitkwam; »wees voor mij maar niet bevreesd, ik ben eene echte Mexicaansche en geen van die kleine teere Europeesche poppetjes, die bij het geringste alarm eene flauwte krijgen of in onmacht vallen. Ik heb zoo vaak in veel moeielijker omstandigheden dan de tegenwoordige den oorlogskreet der Apachen in mijn oor hooren weergalmen, zonder iets van dien angst te gevoelen dien gij thans voor mij schijnt te duchten.”Na deze woorden op fieren en minachtenden toon te hebben uitgesproken, daar de vrouwen zich tegen den man dien zij niet beminnen zoo behendig van weten te bedienen, traddoñaAnita den graaf voorbij zonder hem aan te zien en nam zij haar vader bij den arm.[118]De Franschman antwoordde niet; hij verbeet zich de lippen dat er het bloed voorstond, maakte eene beleefde buiging en deed alsof hij van den scherpen zet niets begrepen had, zich voorbehoudende om dit verschil nader te vereffenen; want, ofschoon hij zijne bruid eigenlijk niet beminde, kon hij toch, gelijk meestal onder dergelijke omstandigheden, niet dulden dat zij door een ander bemind wierd, en allerminst dat zij zich jegens hem zoo trotsch en onverschillig toonde.De snelle gang der jongste gebeurtenissen hadden hem echter tot dusver belet om metdoñaAnita tot eene beslissende verklaring te komen.De rijke mijnhoudersdochter, in Mexico geboren en in de nabuurschap der Indianen opgevoed, was een Andalusische van top tot teen, vurig en hartstochtelijk, en alleen handelend op den snellen indruk van haar hart en gevoel. Innig verliefd en door hare liefde voor don Martial gevrijwaard, had zij den graaf de Lhorailles in koelen bloede beoordeeld en onder den oppervlakkigen schijn zijner galante ridderlijkheid aldra den speculant ontdekt, die haar terstond een onverbiddelijken afkeer inboezemde. Zoo werd haar besluit onmiddellijk genomen om zich zonder voorbehoud buiten de mogelijkheid te stellen ooit zijne vrouw te kunnen worden. Maar een openlijken strijd tegen haar vader te beginnen .… daar zag zij tegen op .… om zich daaraan te wagen, kende zij te goed het oude Spaansche bloed dat in zijne aderen bruiste. De kracht der vrouwen, is hare schijnbare zwakheid; haar middel van verdediging is de list. Evenzeer Indiaansch als Spaansch van karakter, koos zij de list als het geduchte wapen der vrouwen dat haar soms zoo gevaarlijk maakt.Blas Vasquez, de oude hofmeester van don Sylva, haddoñaAnita zien geboren worden; zijne vrouw had haar gezoogd, met andere woorden hij was zoo innig aan het meisje verknocht dat hij op een wenk van haar, ja zijne ziel aan den duivel zou hebben verpand.Toen de graaf de Prébois Crancé op de hacienda was gekomen, had zijne verschijning hare belangstelling zeer gaande gemaakt en nauwelijks was hij weder vertrokken of zij sprak er den capataz over en vroeg hem met een onverschillig gezicht opheldering, die haar oude vriend natuurlijk geen bezwaar vond haar te geven, des te minder, daar weldra ieder in de kolonie weten zou, en weten moest, welk nieuws de graaf Louis had aangebracht; wat echter niemand kon weten en wat doordoñaAnita alleen bij onbedriegelijk instinct geraden werd, was dat don Martial zich onder de jagers bevond die in de nabijheid der kolonie verscholen lagen.Toen don Martial haar te Guaymas verliet, had hij haar gezegd dat hij over haar zou waken en haar aan het haar dreigende lot zou weten te onttrekken; het lag dus in de reden dat hij haar gevolgd zou zijn, en hieraan twijfelde zij geen oogenblik. Volgens haar begrip, moest hij ontegenzeggelijk deel uitmaken van de heldhaftige vriendenschaar die in dezen stond, terwijl zij de kolonie zochten te redden, tevens voor haar behoud werkzaam waren.[119]De eenige logika die stellig spreekt en nimmer bedriegt, is die van het hart; wij althans hebben gezien datdoñaAnita, door haar gevoel geleid, juist had geredeneerd.Toen zij van den capataz al de inlichtingen bekomen had die zij verlangde, zeide zij:»Don Blas, het is wel waarschijnlijk, als gij bij dezen aanval op de kolonie de gevorderde diensten hebt bewezen, dat mijn vader of donGaëtanou, daar zij uw volk dan niet meer noodig hebben, order zullen geven om naar Guaymas terug te keeren.”»Ja, waarschijnlijk wel,señorita,” antwoordde de brave capataz.»Dan zult gij mij ook wel een kleinen dienst willen bewijzen, niet waar?” vroeg zij, hem op het vriendelijkst toelachende.»Gij weet immers wel,señorita, dat ik voor u door een vuurzou loopen?”»Nu, zoo zwaar zal ik uwe vriendschap niet op de proef stellen, waarde don Blas; intusschen dank ik u wel voor uwe goede gevoelens jegens mij.”»Wat kan ik doen om u aangenaam te zijn?”»O! een heel gemakkelijk ding.”»Zoo!”»Och hemel! ja,” riep zij op luchthartigen toon; »gij weet wel dat ik sedert lang de gekheid heb gehad om met alle geweld een voetkleedje van tijgervellen in mijne slaapkamer te verlangen.”»Neen,” antwoordde hij oprecht, »dat wist ik niet.”»Hé!.… welnu, dan zeg ik het u thans; dus weet gij het nu.”»En ik zal het niet meer vergeten,señorita, dat beloof ik u.”»Dank u, don Blas; maar dat is eigenlijk niet wat ik verlang.”»Wat dan?”»Wel, dat gij hier twee tijgervellen bezorgdet, bedoel ik.”»Zeer goed; welnu, zoodra ik een dag vrij heb, kunt gij er op rekenen dat ik ze u bezorg.”»O, maar het is niet noodig dat gij u om een gril van mij in gevaar zoudt begeven en misschien met die schrikkelijke beesten een ongeluk krijgen.”»Kom,señorita!” riep hij een weinig geaffronteerd.»Neen, dat wil ik volstrekt niet; ik weet een goed middel om ze gemakkelijk te bekomen.”»Nu, des te beter dan; en wat is dat?”»Er is sedert eenige dagen te Guaymas een vermaarde tijgerjager gekomen.…”»Don Martial Asuzena?” viel hij haar met drift in de rede.»Kent gij hem?”»Wie zou don Martial den Tigrero niet kennen?”»Dat valt dan goed meê.”»Hoedat meê.”»Wel, van zijne laatste jacht in de prairiën van het Westen heeft de Tigrero naar ik hoor een aantal prachtige jaguarsvellen medegebracht,[120]die hij zeker voor een goeden prijs wel zal willen afstaan.”»Daar twijfel ik niet aan.”»Nu,” riep zij, een klein verzegeld briefje uit haar boezem voor den dag halende, »hier heb ik een paar woorden die gij den Tigrero moet overhandigen. Ik schrijf hem dat ik de vellen bereid wil hebben en wat ik er hem voor betalen wil. Ziedaar is geld;” vervolgde zij hem eene beurs ter hand stellende, »gij zult dat wel voor mij regelen zoo als gij denkt dat goed is.”»Gij hadt hem zelfs niet eens behoeven te schrijven,señorita,” merkte de capataz aan.»Met uw welnemen, vriend, maar gij hebt aan zooveel zaken te denken, dat ik niet weet of zulk eene kleinigheid niet licht uit het hoofd zou kunnen gaan.”»Alles is mogelijk,señorita, dus dat ook; maar zooals gij het wilt is het altijd beter.”»Niet waar? dat is dus afgesproken, gij zult mijneboodschap doen?”»Kunt gij daaraan twijfelen?”»Neen, don Blas. Wacht! nog iets: zeg geen woord aan mijn vader; gij weet hoe goed hij is; hij zou ze mij cadeau willen maken en ik wil deze kleinigheid volstrekt uit mijn eigen beurs betalen.”De capataz lachte met een gezicht alsof hij het wel met haar wist. De goede man gevoelde zich gelukkig dat hij in een geheim mocht deelen, hoe gering dan ook, van zijn troetelkind, zooals hij zijne jonge meesteres gewoonlijk noemde.»Het blijft onder ons,” zeide hij, »ik ben zoo stom als een visch.”DoñaAnita knipoogde hem vriendelijk toe, en verwijderde zich met een vergenoegd lachje.Wat beduidde die brief? en waarom had zij dien geschreven?Dat zullen wij straks zien.Dien geheelen dag viel er op de hacienda niets bijzonders voor; alleen zocht de graaf de LhoraillesdoñaAnita verscheidene keeren te zien en tot een ernstig gesprek over te halen, dat deze echter telkens wist te ontwijken.Blas Vasquez vertrok in de richting van Guaymas en stelde zich aan het hoofd van zijn troep, die het terstond in vollen galop zette uit vrees van overrompeld te worden.Nauwelijks was hij buiten het gezicht der kolonie en omtrent twintig minuten ver in het hooge prairiegras verdwenen, of plotseling sprongen er twee mannen op zijn pad te voorschijn, die de paarden tegenhielden en vlak voor hem bleven staan.Van deze twee mannen was de eene, zooals uit alles bleek een Indiaan; in den anderen herkende de capataz dadelijk denzelfden persoon dien hij des morgens op de hacienda gezien had.Blas Vasquez wenkte zijn troep om halt te maken en reed de beide vreemdelingen alleen te gemoet.[121]»Door welk toeval ontmoet ik u hier,señorFrances?” zeide hij, »wij zijn hier nog ver van het punt dat gij mij als standplaats hebt aangewezen.”Hierop boog hij beleefd.Don Louis boog insgelijks.»Wij zijn wel is waar ver van ons punt van afspraak,” antwoordde hij, »doch daar wij geen spoor van Apachen in de prairie hebben gevonden, achtten wij het onnoodig u zulk een langen omweg te laten maken; ik ben dus afgezonden om u naar de hinderlaag te geleiden die wij voor u gekozen hebben.”»Gij hebt welgedaan. Moeten wij nu nog lang marcheeren?”»Neen, geen kwartier ver meer; wij gaan naar een eilandje dat gij van hier reeds kunt zien, als gij u een weinig in de stijgbeugels opheft,” voegde hij er bij, met de hand in de richting van het bedoelde eiland wijzende.»Ei zoo!” riep de capataz, »dat punt is goed gekozen; van daar bestrijken wij de heele rivier.”»Juist daarom hebben wij ons bij dat punt bepaald.”»Wil dan onze gids maar zijn,señorFrances; wij zullen u volgen.”Het detachement hervatte den marsch. Gelijk don Louis gezegd had, werden de capataz en zijne veertig peons thans bij de vijf avonturiers op het eiland gekampeerd en zoo goed door het lange gras en de wortelboomen gedekt, dat men van de beide rivieroevers onmogelijk iets van hen kon bemerken.Zoodra de capataz zijn plicht als hoofdman van het detachement had volbracht, nam hij plaats aan het bivakvuur bij zijne nieuwe vrienden, aan welke don Louis hem voorstelde.De eerste persoon dien don Blas hier vond was don Martial de Tigrero.Bij deze ontmoeting kon hij zijne verrassing kwalijk verbergen.»Caspita!” riep hij met een hartelijken lach, »wat zonderlinge ontmoeting!”»Hoedat?” vroeg de Mexicaan tamelijk onthutst over deze herkenning, die hij gansch niet verwachtte, daar hij meende bij den capataz niet bekend te zijn.»Is u niet don Martial Asuzena, de Tigrero?” vervolgde Blas Vasquez.»Die ben ik,” antwoordde don Martial meer en meer ongerust.»Mijn hemel! het zou mij vrij wat moeite gekost hebben u te Guaymas te vinden, en ik dacht waarlijk niet dat ik zoo gelukkig zou zijn u hier reeds aan te treffen.”»Verklaar u nader als ik u verzoeken mag, ik begrijp niets van hetgeen gij zegt.”»Ik heb eene boodschap voor u van wege mijne jonge meesteres.”»Wat zegt gij!” riep de Tigrero, wiens hart klopte van verrassing.[122]»Niets anders dan hetgeen ik zeg;doñaAnita wil naar het schijnt een paar tijgervellen van u koopen.”»Van mij?”»Welzeker.”Don Martial keek hem met zulk een verwezen blik aan, dat de ronde capataz begon te schateren van lachen. Dit gelach bracht den jongman tot bezinning en deed hem bevroeden dat er misschien een geheim achter verscholen lag en dat hij, wanneer hij nog langer vreemd opkeek, bij den eenvoudigen hofmeester licht andere vermoedens zou opwekken die deze thans niet bezat, daar hij niets van het groote geheim wist.»Inderdaad,” zeide hij alsof hij zich iets herinnerde, »ik geloof dat ik eenigen tijd geleden …”»Ha!” viel hem de capataz in de rede, »dat dacht ik wel half; welnu, zij heeft mij met een brief belast, dien ik u bij mijne eerste ontmoeting zou overhandigen.”»Een brief! van wie?”»Wel, van mijne jonge meesteres zelve, denk ik.”»VandoñaAnita?”»Ja, van wie anders?”»Geef hem mij dadelijk!” riep de Tigrero in vervoering.De capataz haalde den brief uit zijn zak, en don Martial ontrukte hem dien meer dan hij die aannam, brak het zegel met bevende hand open en las den inhoud.Toen hij hem gelezen had stak hij hem in zijne borst.»Wel, wat schrijft nu mijne meesteres?”»Niets anders dan hetgeen gij mij gezegd hebt,” antwoordde de Tigrero min of meer stotterend.Blas Vasquez schudde het hoofd.»Hm! die man heeft zeker iets dat hij voor mij niet wil weten,” mompelde hij. »ZoudoñaAnita mij soms gefopt hebben?”Intusschen was de Tigrero opgestaan en stapte driftig op en neer, alsof er een belangrijk ontwerp bij hem omging; eindelijk trad hij naar Goedsmoeds, die stil zat te rooken, bukte aan zijn oor en fluisterde hem eenige woorden in, die de Canadees toestemmend beantwoordde. Een lichtstraal van vreugde blonk op het sombere gelaat van den Tigrero en terwijl hij Cuchares een wenk gaf verlieten zij samen het bivak.Eenige minuten daarna zaten don Martial en de lepero reeds te paard, en staken de rivier over die het eiland van het vaste land afscheidde.De capataz bemerkte hen eerst toen zij aan de overzijde aan land stapten.Hij slaakte een kreet van verbazing.»Caspita,” riep hij, »de Tigrero schijnt ons te verlaten; waar of hij heen gaat?”[123]Goedsmoeds keek don Blas aan met een schalksch gezicht, half zuur, half zoet, en antwoordde op schertsenden toon:»Wie weet? misschien gaat hij een antwoord brengen op den brief dien hij van u ontvangen heeft.”»Dat zou niet onmogelijk zijn,” hernam de capataz nadenkend, daar hij niet recht wist wat hij er op zeggen zou.Op dit oogenblik ging de zon majestueus onder, in een zee van gouden en purperen dampen, achter de besneeuwde toppen van de hooge bergen der Sierra Madre; de nacht zou weldra zijn zwarten mantel over het sluimerende aardrijk uitspreiden.

[Inhoud]XII.VROUWENLIST.Tegen den avond van den volgenden dag, met het opkomen der maan, volgens afspraak, gaf ook de Spotvogel zijn troep order om op te breken en den tocht te beginnen.Weldra had een kleine afdeeling ruiters, die als verspieders vooruit waren gezonden om de velden in vlam te zetten, brandende houten in de struiken geworpen, en na verloop van eenige minuten steeg er als een gordijn van vlammen ten hemel, dat den ganschen horizont bedekte.De Comanchen hadden de bevelen van het Apachenhoofd zoo snel en met zooveel overleg uitgevoerd, dat in minder dan een half uur al het omliggende land in de asch was gelegd.De Zwarte-Beer, die zich met de zijnen op het eiland verschanst had, was nog niet opgebroken. De sporen door de Comanchen achtergelaten, waren helaas! overal zichtbaar, want dit landschap, den vorigen morgen nog zoo schoon, zoo rijk en zoo bloeiend, geleek thans eene treurige dorre en eenzame woestijn; geen groen was er meer te zien, geen bloemen geurden er meer, geen vogeltjes zongen er meer als om strijd tusschen de takken!Het plan der Indianen was tot hiertoe volkomen gelukt en de kolonisten te Guetzalli zouden ontwijfelbaar overrompeld zijn geworden,[112]zoo Goedsmoeds en diens vrienden elkander niet op den weg der Indianen hadden aangetroffen.De Canadees was op zijne hoede.Bij het gezicht der eerste rookwolk die hij in de verte zag opgaan, had hij het voornemen der Roodhuiden begrepen en zonder een oogenblik te verliezen, den Arendskop naar de kolonie gezonden om don Louis te waarschuwen, dien de Indiaan, gelijk wij reeds gezien hebben, dicht bij de hacienda ontmoette.Intusschen kwamen achter den brand de Comanchen in vollen galop aanrennen, alles vertrappende en vernielende wat door het vuur mocht gespaard zijn.De nacht was volkomen gedaald toen de Spotvogel in het gezicht der kolonie kwam. In de veronderstelling dat de snelheid van zijn marsch den blanken geen tijd zou hebben gelaten om zich in staat van tegenweer te stellen, plaatste hij een gedeelte van zijn troep in hinderlaag en trok aan ’t hoofd der overigen, met al de in dergelijke gevallen gebruikelijke voorzorgen, langzaam voortkruipend naar de batterij aan de landengte.Niemand vertoonde zich daar; de taluds en de verschansingen schenen verlaten; de Spotvogel verhief zijn oorlogskreet, sprong plotseling te voorschijn en klauterde met zijne krijgslieden vlug als tijgerkatten tegen de verschansingen op; doch op het oogenblik dat de Comanchen aan de binnenschans meenden te kunnen afdalen, werd er een volle laag uit grof en klein geschut op de aanvallers gelost, die er bijna de helft van wegmaaide; de overblijvenden trokken ijlings terug en namen de vlucht.De Comanchen hadden een groot nadeel tegenover de blanken, daar zij van geen vuurwapenen voorzien waren. Het klein geweervuur decimeerde hen, terwijl zij niets anders hadden om het te beantwoorden dan hunne pijlen en werpspiesen, of ook steenen die zij met den slinger wierpen.Weldra, doch een weinig te laat, inziende dat de Franschen op hunne hoede waren, wilde de Spotvogel het door de geleden verliezen reeds merkelijk geschokte vertrouwen zijner krijgslieden niet verder door nuttelooze pogingen verzwakken. Hij trok dus met zijn detachement terug onder bedekking van het bosch, waar hij besloot het signaal van den Zwarte-Beer af te wachten eer hij zich opnieuw in beweging zette.Intusschen was don Louis met den Arendskop naar Goedsmoeds teruggekeerd. De Indiaan moest hierbij de geleider zijn en bracht hem, na verscheidene omwegen, bijna tegenover de batterij aan de landengte naar een dicht boschje cactus, aloë’s en floripondio’s.»Hier kan mijn broeder afstijgen,”zeide hij tot den Franschman, »wij zijn er.”»Wij zijn er! waarzoo dan?” vroeg don Louis vruchteloos de oogen opslaande.[113]Zonder te antwoorden nam de Indiaan het paard reeds bij den teugel, en bracht het weg; terwijl Louis naar alle zijden bleef uitkijken, maar al zijne pogingen waren vergeefs.»Wel,” vroeg hem de Arendskop toen hij zonder paard terugkwam, »heeft mijn broeder zich kunnen thuis vinden?”»Carai! neen hoofdman, ik geef het op.”De Indiaan lachte.»De bleekgezichten hebben mollenoogen,” zeide hij.»Dat is wel mogelijk; maar hoe dit wezen mag, zal ik u dankbaar zijn als gij mij de uwe wilt leenen.”»Goed, mijn broeder zal zien.”De Arendskop ging zoo lang als hij was op den grond liggen. Louis deed het zelfde, en beiden slopen nu op handen en voeten het boschje in. Na dit vermoeiende werk een kwartier te hebben voortgezet hield de Indiaan stil.»Laat mijn broeder nu eens zien,” zeide hij.Zij bevonden zich op een klein open grasveld van alle zijden door boomen en struiken ingesloten, die zoo volkomen door lianen en andere slingerplanten waren samengeweven, dat het zonder welervaren en scherp onderzoek onmogelijk was deze wijkplaats te ontdekken of zelfs te vermoeden.Hier zaten Goedsmoeds en de twee Mexicanen met philosofisch geduld, al rookende, op de terugkomst van hun uitgezonden vriend te wachten.»Welkom binnen,” riep de Canadees zoodra hij hen gewaar werd; »hoe vindt gij ons schuilhoekje? Charmant, niet waar? dat heeft de Arendskop voor ons uitgevonden, die weêrgasche Indianen hebben een bijzonderen neus om hinderlagen te zoeken, wij zijn hier zoo veilig als in de kathedraal te Quebec.”Gedurende dezen woordenvloed, dien Louis niet anders beantwoordde dan met een warmen handdruk, had de Franschman zich reeds bij zijne kameraden nedergezet en was hij met goeden eetlust begonnen de noodige eer te bewijzen aan het ontbijt dat deze voor hem bewaard hadden.»Maar waar zijn onze paarden?” vroeg hij.»Geen tien passen van hier en door niemand te vinden dan door ons zelf,” was het antwoord.»Zeer goed; en kunnen wij deze dadelijk krijgen als wij ze noodig hebben?”»Nu! dat zou ik denken.”»’t Is maar dat wij ze waarschijnlijk spoedig noodig zullen hebben.”»Maar laat ik u niet storen,” vervolgde hij zich zelven in de rede vallende, »ik doe niets dan babbelen, en denk er niet om dat gij wel grooten honger moet hebben; eet liever eerst, wij zullen straks wel praten.”»O! ik kan u zeer goed antwoord geven, al eet ik.”[114]»Neen, alles op zijn tijd; ontbijt maar eerst, wij zullen u straks wel hooren.”Nauwelijks had don Louis met eten gedaan of hij deed een uitvoerig verslag van de wijze waarop hij zijne zending volvoerd had.»Dat gaat alles naar wensch,” zei Goedsmoeds toen de Franschman zijn verhaal eindigde; »ik geloof dat wij vooreerst over het lot onzer landgenooten niet bezorgd behoeven te zijn, vooral met behulp der veertig peons van den capataz die den vijand tusschen twee vuren zullen brengen.”»Maar waar willen zij zich versteken?”»Dat gaat den Arendskop aan. Het opperhoofd is met deze streek door en door bekend, hij heeft hier lang gejaagd, ik ben zeker dat hij een geschikt punt voor de Mexicanen zal vinden; wat zegt gij er van, hoofdman?”»In de prairie kan men zich gemakkelijk verbergen,” zei de Indiaan lakoniek.»Ja,” merkte don Martial hierop aan, »maar één ding vergeet gij.”»Wat dan?”»Ik heb lang op de grenzen gewoond en ben dus met de taktiek der Indianen zeer goed bekend; als de Apachen eene vesting naderen laten zij zich altijd voorafgaan door een gordijn van rook; daartoe steken zij de vlakte in brand, die weldra niets anders zal zijn dan een zee van vlammen, tegen welke wij ons vruchteloos zullen verweren en die ons ten slotte zullen verslinden, zoo wij niet in tijds de noodige voorzorgen nemen.”»Dat is waar, het is een ernstig geval. Ongelukkig zie ik maar één middel om ons aan het dreigend gevaar te onttrekken, maar dat middel kunnen wij dan ook gebruiken.”»Welk middel bedoelt gij?”»Pardi! dat wij op de vlucht gaan.”»Dan weet ik wel een beter,” zei de Arendskop.»Gij, hoofdman? Dan zult gij toch wel zoo goed zijn het ons mede te deelen.”»Zoo de bleekgezichten slechts gelieven te luisteren. De Rio Gila, gelijk alle andere rivieren, voert op haar stroom doode boomen mede en somwijlen in zulk eene groote menigte, dat zij haar op zekere plaatsen verstoppen en blijven liggen; door den tijd schuiven die boomen zich dichter aaneen en vlechten de takken zich samen; vervolgens groeien er waterplanten tusschen, die ze nog nauwer verbinden; zand en aarde verzamelen er zich op, er groeit gras en riet en weldra andere kruiden op, zoodat deze ontzaglijk groote houtvlotten in de verte er als wezenlijke eilanden uitzien, tot eindelijk een hevige storm of een hooggezwollen vloed het vlottende eiland losrukt, den stroom afvoert en langzamerhand vaneen scheurt of geheel vernietigt.”»Ja, dat weet ik, hoofdman, daarvan heb ik meer dan eens voorbeelden gezien,” antwoordde Goedsmoeds, »zulke vlottende eilanden[115]gelijken vaak zoo zeer naar vaste, dat iemand, al is hij aan het leven in de wildernis en aan de grootsche tooneelen aldaar gewoon, er toch door bedrogen wordt. Ik begrijp wel waar gij heen wilt en welk voordeel wij van uw idee zouden kunnen trekken, als ik maar eenige kans zag om dat middel te gebruiken, maar dat is ongelukkigerwijs niet het geval.”»Ooah!dat is gemakkelijk genoeg,” hervatte de Arendskop, »het oog van een Indiaan is goed, hij ziet op drie boogschot afstand alles. Even boven de groote hut der bleekgezichten ligt een van die kleine vloteilanden, geen vijftig passen van den oever; heeft mijn broeder dat niet opgemerkt?”»Inderdaad!” riep Goedsmoeds »wat gij zegt is volkomen waar. Ik herinner mij thans dat eiland, daar had ik volstrekt niet aan gedacht.”»Wat de plaatselijke ligging betreft heeft het niets van den brand te duchten,” merkte Louis aan; »als het groot genoeg is om ons allen te bergen, zou het ons bij uitstek van dienst kunnen zijn als voorpost.”»Wij hebben geen oogenblik te verliezen, maar moeten er dadelijk heen om het te onderzoeken, en als wij zeker zijn dat het ons de noodige veiligheid aanbiedt, zullen wij er dadelijk gebruik van maken en er de peons heenbrengen.”»Op weg dus en niet langer geaarzeld,” riep de Tigrero opstaande.De anderen deden hetzelfde, en de vijf mannen verlieten het boschkamp.Na hunne paarden te hebben teruggevonden, namen zij hunne richting naar het eiland onder geleide van den Arendskop.De Sachem had zich niet bedrogen; met den onfeilbaren blik die zijnen landgenooten eigen is, had hij alles gezien en herkend en het welgekozen punt met de meeste juistheid beoordeeld.Een ander voordeel kwam den avonturiers te stade: een dichte strook van zoogenaamde wortelboomen, die den oever omzoomde, stak ver genoeg in den stroom uit om den afstand tusschen het eiland en het vaste land merkelijk te verminderen en tevens eene natuurlijke bedekking te vormen voor de peons, die in het lange gras verscholen zaten; terwijl de Indianen zich onmogelijk in de wortelboomen zouden kunnen nestelen om van daar hunne vijanden te bestoken, maar integendeel door dezen zonder gevaar zouden worden gedecimeerd.Het eiland zelf, dat wij zoo zullen blijven noemen, ofschoon het eigenlijk een vlot moest heeten, was met een dichte massa droog, sterk en ongeveer twee ellen hoog rietgras bedekt, waarachter mannen en paarden geheel onzichtbaar waren. Na de volbrachte verkenning vestigden Goedsmoeds en de beide Mexicanen hun kamp in het centrum, terwijl don Louis en de Arendskop weder naar den anderen oever terugkeerden om den capataz en zijne peons te gemoet te gaan.Don Martial had weinig lust hen te vergezellen, hij vreesde, zoo[116]dicht in de nabijheid der kolonie zijnde, door don Sylvaherkendte worden en wenschte liever zoo lang mogelijk zijn incognito te bewaren, dat ter bevordering zijner latere plannen volstrekt noodig was.Louis, die hem eerst gevraagd had of hij mede wilde gaan, drong niet verder bij hem aan, en scheen zijne weigering stilzwijgend goed te keuren.Het eigenlijke van de zaak was dat de graaf Prébois, zonder te kunnen zeggen waarom, een heimelijken afkeer gevoelde van den Tigrero, wiens sluwe en gedurig aarzelende houding hem zeer tegen de borst hadden gestuit.De Arendskop en Louis, overtuigd dat de Zwarte-Beer zich stellig met zijn detachement verwijderd had, zonder spionnen in de prairie achter te laten, achtten het onnoodig om de peons eerst een langen en vermoeienden omweg te laten maken alvorens hunne bestemming te bereiken; bij gevolg verborgen zij zich in een boschje dicht bij de landengte, ten einde hen daar af te wachten en regelrecht naar het afgesproken punt te geleiden.Intusschen had het bericht van den graaf de Prébois Crancé in de kolonie Guetzalli alles op stelten gezet. Want ofschoon de Indianen sedert de grondvesting der hacienda reeds meermalen getracht hadden de Franschen te verontrusten, waren hunne pogingen van weinig beteekenis geweest, eerst nu zouden de kolonisten voor den eersten keer tot een ernstigen strijd met hunne woeste geburen worden geroepen.De graaf de Lhorailles had ongeveer over twee honderdDauph’yeerste beschikken, afkomstig uit Valparaiso, Guyaquil, Callao en andere havens aan de stille Zuidzee, waar het van gelukzoekers van allerlei soort wemelt.Zijn troep was een zonderling samenraapsel van alle nationaliteiten uit de twee halfronden des aardbols; meerendeels, echter waren het Franschen, half bandieten, half soldaten, losbollen of vagebonden, die in den chef hunner eigen vrije keus onbepaald vertrouwen stelden.Het bericht van den voorgenomen aanval der Apachen werd door het garnizoen met een vroolijken juichkreet ontvangen. Schieten en vechten was voor deze avonturiers zoo veel als een pleizierpartij, of, zoo als zij het in hunne schilderachtige taal noemden, een geschikte gelegenheid om zich op te frisschen, en voor schimmelen of roesten te bewaren.Wat meer is wenschten zij den Apachen een lesje te geven en te laten zien welk onderscheid er bestond tusschen de Kreolen en kolonisten, daar zij van eeuwen her mede te kampen hadden gehad en de Europeanen, die zij nog niet kenden.De graaf behoefde hun dus niet aan te bevelen zich ferm te houden, integendeel was hij verplicht hun ijver te matigen en tot voorzichtigheid te vermanen, hun belovende dat hij hun spoedig gelegenheid zou verschaffen zich met de Roodhuiden in open kamp te meten.[117]De lezer herinnert zich zonder twijfel, dat het Mexicaansche gouvernement de kolonie Guetzalli aan den graaf de Lhorailles hadafgestaan, onder beding dat hij de Apachen en Comanchen nadrukkelijk zou bestrijden, ten einde hen van de Mexicaansche grenzen te verwijderen, die zij reeds lang gewoon waren op zekeren tijd des jaars te verwoesten.Op deze voorwaarde van het verdrag maakte hij zijne soldaten inzonderheid opmerkzaam.Zoodra dus de noodige maatregelen van verdediging genomen waren, namelijk aan ieder zijn post aangewezen en de wapenen en krijgsbehoeften rondgedeeld, verliet de graaf zich op zijne twee luitenants, den Biskayer Diego Leon en Martin Leroux, twee oude krijgsmannen, op welke hij meende te kunnen vertrouwen; vervolgens rekende hij op Blas Vasquez en diens peons.Daar het wel waarschijnlijk was dat de Indianen spionnen in den omtrek der kolonie gelaten hadden, trachtte hij dezen in den waan te brengen dat de peons werkelijk vertrokken waren; dientengevolge werden er verscheidene muilezels geladen met leeftocht als voor eene verre reis; vervolgens stelde de wel onderrichte capataz zich aan het hoofd van zijn troep en vertrok uit de kolonie met de karabijn op de heup.De Lhorailles, don Sylva en de andere bewoners oogden met licht verklaarbare belangstelling het kleine detachement na, zich gereed houdende het te ondersteunen zoo het mocht worden aangevallen.Maar geen muis bewoog zich in de prairie, alles bleef kalm en rustig en weldra waren de Mexicanen in het hooge gras verdwenen.»Ik begrijp de taktiek der Indianen niet,” mompelde don Sylva in zich zelven. »Er schuilt zeker weder een fijne streek onder, dat zij dien kleinen troep zoo stil laten vertrekken, die hun zulk een schoone kans op voordeel scheen te beloven.”»Wij zullen spoedig weten wat er van is,” antwoordde de graaf; »overigens zijn wij gereed hen te ontvangen; het spijt mij slechts datdoñaAnita zich hier bevindt, niet dat zij eenig persoonlijk gevaar loopt, maar het tumult van den strijd mocht haar verschrikken.”»Gij vergist u, heer graaf,” zeidoñaAnita die op dit oogenblik het huis uitkwam; »wees voor mij maar niet bevreesd, ik ben eene echte Mexicaansche en geen van die kleine teere Europeesche poppetjes, die bij het geringste alarm eene flauwte krijgen of in onmacht vallen. Ik heb zoo vaak in veel moeielijker omstandigheden dan de tegenwoordige den oorlogskreet der Apachen in mijn oor hooren weergalmen, zonder iets van dien angst te gevoelen dien gij thans voor mij schijnt te duchten.”Na deze woorden op fieren en minachtenden toon te hebben uitgesproken, daar de vrouwen zich tegen den man dien zij niet beminnen zoo behendig van weten te bedienen, traddoñaAnita den graaf voorbij zonder hem aan te zien en nam zij haar vader bij den arm.[118]De Franschman antwoordde niet; hij verbeet zich de lippen dat er het bloed voorstond, maakte eene beleefde buiging en deed alsof hij van den scherpen zet niets begrepen had, zich voorbehoudende om dit verschil nader te vereffenen; want, ofschoon hij zijne bruid eigenlijk niet beminde, kon hij toch, gelijk meestal onder dergelijke omstandigheden, niet dulden dat zij door een ander bemind wierd, en allerminst dat zij zich jegens hem zoo trotsch en onverschillig toonde.De snelle gang der jongste gebeurtenissen hadden hem echter tot dusver belet om metdoñaAnita tot eene beslissende verklaring te komen.De rijke mijnhoudersdochter, in Mexico geboren en in de nabuurschap der Indianen opgevoed, was een Andalusische van top tot teen, vurig en hartstochtelijk, en alleen handelend op den snellen indruk van haar hart en gevoel. Innig verliefd en door hare liefde voor don Martial gevrijwaard, had zij den graaf de Lhorailles in koelen bloede beoordeeld en onder den oppervlakkigen schijn zijner galante ridderlijkheid aldra den speculant ontdekt, die haar terstond een onverbiddelijken afkeer inboezemde. Zoo werd haar besluit onmiddellijk genomen om zich zonder voorbehoud buiten de mogelijkheid te stellen ooit zijne vrouw te kunnen worden. Maar een openlijken strijd tegen haar vader te beginnen .… daar zag zij tegen op .… om zich daaraan te wagen, kende zij te goed het oude Spaansche bloed dat in zijne aderen bruiste. De kracht der vrouwen, is hare schijnbare zwakheid; haar middel van verdediging is de list. Evenzeer Indiaansch als Spaansch van karakter, koos zij de list als het geduchte wapen der vrouwen dat haar soms zoo gevaarlijk maakt.Blas Vasquez, de oude hofmeester van don Sylva, haddoñaAnita zien geboren worden; zijne vrouw had haar gezoogd, met andere woorden hij was zoo innig aan het meisje verknocht dat hij op een wenk van haar, ja zijne ziel aan den duivel zou hebben verpand.Toen de graaf de Prébois Crancé op de hacienda was gekomen, had zijne verschijning hare belangstelling zeer gaande gemaakt en nauwelijks was hij weder vertrokken of zij sprak er den capataz over en vroeg hem met een onverschillig gezicht opheldering, die haar oude vriend natuurlijk geen bezwaar vond haar te geven, des te minder, daar weldra ieder in de kolonie weten zou, en weten moest, welk nieuws de graaf Louis had aangebracht; wat echter niemand kon weten en wat doordoñaAnita alleen bij onbedriegelijk instinct geraden werd, was dat don Martial zich onder de jagers bevond die in de nabijheid der kolonie verscholen lagen.Toen don Martial haar te Guaymas verliet, had hij haar gezegd dat hij over haar zou waken en haar aan het haar dreigende lot zou weten te onttrekken; het lag dus in de reden dat hij haar gevolgd zou zijn, en hieraan twijfelde zij geen oogenblik. Volgens haar begrip, moest hij ontegenzeggelijk deel uitmaken van de heldhaftige vriendenschaar die in dezen stond, terwijl zij de kolonie zochten te redden, tevens voor haar behoud werkzaam waren.[119]De eenige logika die stellig spreekt en nimmer bedriegt, is die van het hart; wij althans hebben gezien datdoñaAnita, door haar gevoel geleid, juist had geredeneerd.Toen zij van den capataz al de inlichtingen bekomen had die zij verlangde, zeide zij:»Don Blas, het is wel waarschijnlijk, als gij bij dezen aanval op de kolonie de gevorderde diensten hebt bewezen, dat mijn vader of donGaëtanou, daar zij uw volk dan niet meer noodig hebben, order zullen geven om naar Guaymas terug te keeren.”»Ja, waarschijnlijk wel,señorita,” antwoordde de brave capataz.»Dan zult gij mij ook wel een kleinen dienst willen bewijzen, niet waar?” vroeg zij, hem op het vriendelijkst toelachende.»Gij weet immers wel,señorita, dat ik voor u door een vuurzou loopen?”»Nu, zoo zwaar zal ik uwe vriendschap niet op de proef stellen, waarde don Blas; intusschen dank ik u wel voor uwe goede gevoelens jegens mij.”»Wat kan ik doen om u aangenaam te zijn?”»O! een heel gemakkelijk ding.”»Zoo!”»Och hemel! ja,” riep zij op luchthartigen toon; »gij weet wel dat ik sedert lang de gekheid heb gehad om met alle geweld een voetkleedje van tijgervellen in mijne slaapkamer te verlangen.”»Neen,” antwoordde hij oprecht, »dat wist ik niet.”»Hé!.… welnu, dan zeg ik het u thans; dus weet gij het nu.”»En ik zal het niet meer vergeten,señorita, dat beloof ik u.”»Dank u, don Blas; maar dat is eigenlijk niet wat ik verlang.”»Wat dan?”»Wel, dat gij hier twee tijgervellen bezorgdet, bedoel ik.”»Zeer goed; welnu, zoodra ik een dag vrij heb, kunt gij er op rekenen dat ik ze u bezorg.”»O, maar het is niet noodig dat gij u om een gril van mij in gevaar zoudt begeven en misschien met die schrikkelijke beesten een ongeluk krijgen.”»Kom,señorita!” riep hij een weinig geaffronteerd.»Neen, dat wil ik volstrekt niet; ik weet een goed middel om ze gemakkelijk te bekomen.”»Nu, des te beter dan; en wat is dat?”»Er is sedert eenige dagen te Guaymas een vermaarde tijgerjager gekomen.…”»Don Martial Asuzena?” viel hij haar met drift in de rede.»Kent gij hem?”»Wie zou don Martial den Tigrero niet kennen?”»Dat valt dan goed meê.”»Hoedat meê.”»Wel, van zijne laatste jacht in de prairiën van het Westen heeft de Tigrero naar ik hoor een aantal prachtige jaguarsvellen medegebracht,[120]die hij zeker voor een goeden prijs wel zal willen afstaan.”»Daar twijfel ik niet aan.”»Nu,” riep zij, een klein verzegeld briefje uit haar boezem voor den dag halende, »hier heb ik een paar woorden die gij den Tigrero moet overhandigen. Ik schrijf hem dat ik de vellen bereid wil hebben en wat ik er hem voor betalen wil. Ziedaar is geld;” vervolgde zij hem eene beurs ter hand stellende, »gij zult dat wel voor mij regelen zoo als gij denkt dat goed is.”»Gij hadt hem zelfs niet eens behoeven te schrijven,señorita,” merkte de capataz aan.»Met uw welnemen, vriend, maar gij hebt aan zooveel zaken te denken, dat ik niet weet of zulk eene kleinigheid niet licht uit het hoofd zou kunnen gaan.”»Alles is mogelijk,señorita, dus dat ook; maar zooals gij het wilt is het altijd beter.”»Niet waar? dat is dus afgesproken, gij zult mijneboodschap doen?”»Kunt gij daaraan twijfelen?”»Neen, don Blas. Wacht! nog iets: zeg geen woord aan mijn vader; gij weet hoe goed hij is; hij zou ze mij cadeau willen maken en ik wil deze kleinigheid volstrekt uit mijn eigen beurs betalen.”De capataz lachte met een gezicht alsof hij het wel met haar wist. De goede man gevoelde zich gelukkig dat hij in een geheim mocht deelen, hoe gering dan ook, van zijn troetelkind, zooals hij zijne jonge meesteres gewoonlijk noemde.»Het blijft onder ons,” zeide hij, »ik ben zoo stom als een visch.”DoñaAnita knipoogde hem vriendelijk toe, en verwijderde zich met een vergenoegd lachje.Wat beduidde die brief? en waarom had zij dien geschreven?Dat zullen wij straks zien.Dien geheelen dag viel er op de hacienda niets bijzonders voor; alleen zocht de graaf de LhoraillesdoñaAnita verscheidene keeren te zien en tot een ernstig gesprek over te halen, dat deze echter telkens wist te ontwijken.Blas Vasquez vertrok in de richting van Guaymas en stelde zich aan het hoofd van zijn troep, die het terstond in vollen galop zette uit vrees van overrompeld te worden.Nauwelijks was hij buiten het gezicht der kolonie en omtrent twintig minuten ver in het hooge prairiegras verdwenen, of plotseling sprongen er twee mannen op zijn pad te voorschijn, die de paarden tegenhielden en vlak voor hem bleven staan.Van deze twee mannen was de eene, zooals uit alles bleek een Indiaan; in den anderen herkende de capataz dadelijk denzelfden persoon dien hij des morgens op de hacienda gezien had.Blas Vasquez wenkte zijn troep om halt te maken en reed de beide vreemdelingen alleen te gemoet.[121]»Door welk toeval ontmoet ik u hier,señorFrances?” zeide hij, »wij zijn hier nog ver van het punt dat gij mij als standplaats hebt aangewezen.”Hierop boog hij beleefd.Don Louis boog insgelijks.»Wij zijn wel is waar ver van ons punt van afspraak,” antwoordde hij, »doch daar wij geen spoor van Apachen in de prairie hebben gevonden, achtten wij het onnoodig u zulk een langen omweg te laten maken; ik ben dus afgezonden om u naar de hinderlaag te geleiden die wij voor u gekozen hebben.”»Gij hebt welgedaan. Moeten wij nu nog lang marcheeren?”»Neen, geen kwartier ver meer; wij gaan naar een eilandje dat gij van hier reeds kunt zien, als gij u een weinig in de stijgbeugels opheft,” voegde hij er bij, met de hand in de richting van het bedoelde eiland wijzende.»Ei zoo!” riep de capataz, »dat punt is goed gekozen; van daar bestrijken wij de heele rivier.”»Juist daarom hebben wij ons bij dat punt bepaald.”»Wil dan onze gids maar zijn,señorFrances; wij zullen u volgen.”Het detachement hervatte den marsch. Gelijk don Louis gezegd had, werden de capataz en zijne veertig peons thans bij de vijf avonturiers op het eiland gekampeerd en zoo goed door het lange gras en de wortelboomen gedekt, dat men van de beide rivieroevers onmogelijk iets van hen kon bemerken.Zoodra de capataz zijn plicht als hoofdman van het detachement had volbracht, nam hij plaats aan het bivakvuur bij zijne nieuwe vrienden, aan welke don Louis hem voorstelde.De eerste persoon dien don Blas hier vond was don Martial de Tigrero.Bij deze ontmoeting kon hij zijne verrassing kwalijk verbergen.»Caspita!” riep hij met een hartelijken lach, »wat zonderlinge ontmoeting!”»Hoedat?” vroeg de Mexicaan tamelijk onthutst over deze herkenning, die hij gansch niet verwachtte, daar hij meende bij den capataz niet bekend te zijn.»Is u niet don Martial Asuzena, de Tigrero?” vervolgde Blas Vasquez.»Die ben ik,” antwoordde don Martial meer en meer ongerust.»Mijn hemel! het zou mij vrij wat moeite gekost hebben u te Guaymas te vinden, en ik dacht waarlijk niet dat ik zoo gelukkig zou zijn u hier reeds aan te treffen.”»Verklaar u nader als ik u verzoeken mag, ik begrijp niets van hetgeen gij zegt.”»Ik heb eene boodschap voor u van wege mijne jonge meesteres.”»Wat zegt gij!” riep de Tigrero, wiens hart klopte van verrassing.[122]»Niets anders dan hetgeen ik zeg;doñaAnita wil naar het schijnt een paar tijgervellen van u koopen.”»Van mij?”»Welzeker.”Don Martial keek hem met zulk een verwezen blik aan, dat de ronde capataz begon te schateren van lachen. Dit gelach bracht den jongman tot bezinning en deed hem bevroeden dat er misschien een geheim achter verscholen lag en dat hij, wanneer hij nog langer vreemd opkeek, bij den eenvoudigen hofmeester licht andere vermoedens zou opwekken die deze thans niet bezat, daar hij niets van het groote geheim wist.»Inderdaad,” zeide hij alsof hij zich iets herinnerde, »ik geloof dat ik eenigen tijd geleden …”»Ha!” viel hem de capataz in de rede, »dat dacht ik wel half; welnu, zij heeft mij met een brief belast, dien ik u bij mijne eerste ontmoeting zou overhandigen.”»Een brief! van wie?”»Wel, van mijne jonge meesteres zelve, denk ik.”»VandoñaAnita?”»Ja, van wie anders?”»Geef hem mij dadelijk!” riep de Tigrero in vervoering.De capataz haalde den brief uit zijn zak, en don Martial ontrukte hem dien meer dan hij die aannam, brak het zegel met bevende hand open en las den inhoud.Toen hij hem gelezen had stak hij hem in zijne borst.»Wel, wat schrijft nu mijne meesteres?”»Niets anders dan hetgeen gij mij gezegd hebt,” antwoordde de Tigrero min of meer stotterend.Blas Vasquez schudde het hoofd.»Hm! die man heeft zeker iets dat hij voor mij niet wil weten,” mompelde hij. »ZoudoñaAnita mij soms gefopt hebben?”Intusschen was de Tigrero opgestaan en stapte driftig op en neer, alsof er een belangrijk ontwerp bij hem omging; eindelijk trad hij naar Goedsmoeds, die stil zat te rooken, bukte aan zijn oor en fluisterde hem eenige woorden in, die de Canadees toestemmend beantwoordde. Een lichtstraal van vreugde blonk op het sombere gelaat van den Tigrero en terwijl hij Cuchares een wenk gaf verlieten zij samen het bivak.Eenige minuten daarna zaten don Martial en de lepero reeds te paard, en staken de rivier over die het eiland van het vaste land afscheidde.De capataz bemerkte hen eerst toen zij aan de overzijde aan land stapten.Hij slaakte een kreet van verbazing.»Caspita,” riep hij, »de Tigrero schijnt ons te verlaten; waar of hij heen gaat?”[123]Goedsmoeds keek don Blas aan met een schalksch gezicht, half zuur, half zoet, en antwoordde op schertsenden toon:»Wie weet? misschien gaat hij een antwoord brengen op den brief dien hij van u ontvangen heeft.”»Dat zou niet onmogelijk zijn,” hernam de capataz nadenkend, daar hij niet recht wist wat hij er op zeggen zou.Op dit oogenblik ging de zon majestueus onder, in een zee van gouden en purperen dampen, achter de besneeuwde toppen van de hooge bergen der Sierra Madre; de nacht zou weldra zijn zwarten mantel over het sluimerende aardrijk uitspreiden.

XII.VROUWENLIST.

Tegen den avond van den volgenden dag, met het opkomen der maan, volgens afspraak, gaf ook de Spotvogel zijn troep order om op te breken en den tocht te beginnen.Weldra had een kleine afdeeling ruiters, die als verspieders vooruit waren gezonden om de velden in vlam te zetten, brandende houten in de struiken geworpen, en na verloop van eenige minuten steeg er als een gordijn van vlammen ten hemel, dat den ganschen horizont bedekte.De Comanchen hadden de bevelen van het Apachenhoofd zoo snel en met zooveel overleg uitgevoerd, dat in minder dan een half uur al het omliggende land in de asch was gelegd.De Zwarte-Beer, die zich met de zijnen op het eiland verschanst had, was nog niet opgebroken. De sporen door de Comanchen achtergelaten, waren helaas! overal zichtbaar, want dit landschap, den vorigen morgen nog zoo schoon, zoo rijk en zoo bloeiend, geleek thans eene treurige dorre en eenzame woestijn; geen groen was er meer te zien, geen bloemen geurden er meer, geen vogeltjes zongen er meer als om strijd tusschen de takken!Het plan der Indianen was tot hiertoe volkomen gelukt en de kolonisten te Guetzalli zouden ontwijfelbaar overrompeld zijn geworden,[112]zoo Goedsmoeds en diens vrienden elkander niet op den weg der Indianen hadden aangetroffen.De Canadees was op zijne hoede.Bij het gezicht der eerste rookwolk die hij in de verte zag opgaan, had hij het voornemen der Roodhuiden begrepen en zonder een oogenblik te verliezen, den Arendskop naar de kolonie gezonden om don Louis te waarschuwen, dien de Indiaan, gelijk wij reeds gezien hebben, dicht bij de hacienda ontmoette.Intusschen kwamen achter den brand de Comanchen in vollen galop aanrennen, alles vertrappende en vernielende wat door het vuur mocht gespaard zijn.De nacht was volkomen gedaald toen de Spotvogel in het gezicht der kolonie kwam. In de veronderstelling dat de snelheid van zijn marsch den blanken geen tijd zou hebben gelaten om zich in staat van tegenweer te stellen, plaatste hij een gedeelte van zijn troep in hinderlaag en trok aan ’t hoofd der overigen, met al de in dergelijke gevallen gebruikelijke voorzorgen, langzaam voortkruipend naar de batterij aan de landengte.Niemand vertoonde zich daar; de taluds en de verschansingen schenen verlaten; de Spotvogel verhief zijn oorlogskreet, sprong plotseling te voorschijn en klauterde met zijne krijgslieden vlug als tijgerkatten tegen de verschansingen op; doch op het oogenblik dat de Comanchen aan de binnenschans meenden te kunnen afdalen, werd er een volle laag uit grof en klein geschut op de aanvallers gelost, die er bijna de helft van wegmaaide; de overblijvenden trokken ijlings terug en namen de vlucht.De Comanchen hadden een groot nadeel tegenover de blanken, daar zij van geen vuurwapenen voorzien waren. Het klein geweervuur decimeerde hen, terwijl zij niets anders hadden om het te beantwoorden dan hunne pijlen en werpspiesen, of ook steenen die zij met den slinger wierpen.Weldra, doch een weinig te laat, inziende dat de Franschen op hunne hoede waren, wilde de Spotvogel het door de geleden verliezen reeds merkelijk geschokte vertrouwen zijner krijgslieden niet verder door nuttelooze pogingen verzwakken. Hij trok dus met zijn detachement terug onder bedekking van het bosch, waar hij besloot het signaal van den Zwarte-Beer af te wachten eer hij zich opnieuw in beweging zette.Intusschen was don Louis met den Arendskop naar Goedsmoeds teruggekeerd. De Indiaan moest hierbij de geleider zijn en bracht hem, na verscheidene omwegen, bijna tegenover de batterij aan de landengte naar een dicht boschje cactus, aloë’s en floripondio’s.»Hier kan mijn broeder afstijgen,”zeide hij tot den Franschman, »wij zijn er.”»Wij zijn er! waarzoo dan?” vroeg don Louis vruchteloos de oogen opslaande.[113]Zonder te antwoorden nam de Indiaan het paard reeds bij den teugel, en bracht het weg; terwijl Louis naar alle zijden bleef uitkijken, maar al zijne pogingen waren vergeefs.»Wel,” vroeg hem de Arendskop toen hij zonder paard terugkwam, »heeft mijn broeder zich kunnen thuis vinden?”»Carai! neen hoofdman, ik geef het op.”De Indiaan lachte.»De bleekgezichten hebben mollenoogen,” zeide hij.»Dat is wel mogelijk; maar hoe dit wezen mag, zal ik u dankbaar zijn als gij mij de uwe wilt leenen.”»Goed, mijn broeder zal zien.”De Arendskop ging zoo lang als hij was op den grond liggen. Louis deed het zelfde, en beiden slopen nu op handen en voeten het boschje in. Na dit vermoeiende werk een kwartier te hebben voortgezet hield de Indiaan stil.»Laat mijn broeder nu eens zien,” zeide hij.Zij bevonden zich op een klein open grasveld van alle zijden door boomen en struiken ingesloten, die zoo volkomen door lianen en andere slingerplanten waren samengeweven, dat het zonder welervaren en scherp onderzoek onmogelijk was deze wijkplaats te ontdekken of zelfs te vermoeden.Hier zaten Goedsmoeds en de twee Mexicanen met philosofisch geduld, al rookende, op de terugkomst van hun uitgezonden vriend te wachten.»Welkom binnen,” riep de Canadees zoodra hij hen gewaar werd; »hoe vindt gij ons schuilhoekje? Charmant, niet waar? dat heeft de Arendskop voor ons uitgevonden, die weêrgasche Indianen hebben een bijzonderen neus om hinderlagen te zoeken, wij zijn hier zoo veilig als in de kathedraal te Quebec.”Gedurende dezen woordenvloed, dien Louis niet anders beantwoordde dan met een warmen handdruk, had de Franschman zich reeds bij zijne kameraden nedergezet en was hij met goeden eetlust begonnen de noodige eer te bewijzen aan het ontbijt dat deze voor hem bewaard hadden.»Maar waar zijn onze paarden?” vroeg hij.»Geen tien passen van hier en door niemand te vinden dan door ons zelf,” was het antwoord.»Zeer goed; en kunnen wij deze dadelijk krijgen als wij ze noodig hebben?”»Nu! dat zou ik denken.”»’t Is maar dat wij ze waarschijnlijk spoedig noodig zullen hebben.”»Maar laat ik u niet storen,” vervolgde hij zich zelven in de rede vallende, »ik doe niets dan babbelen, en denk er niet om dat gij wel grooten honger moet hebben; eet liever eerst, wij zullen straks wel praten.”»O! ik kan u zeer goed antwoord geven, al eet ik.”[114]»Neen, alles op zijn tijd; ontbijt maar eerst, wij zullen u straks wel hooren.”Nauwelijks had don Louis met eten gedaan of hij deed een uitvoerig verslag van de wijze waarop hij zijne zending volvoerd had.»Dat gaat alles naar wensch,” zei Goedsmoeds toen de Franschman zijn verhaal eindigde; »ik geloof dat wij vooreerst over het lot onzer landgenooten niet bezorgd behoeven te zijn, vooral met behulp der veertig peons van den capataz die den vijand tusschen twee vuren zullen brengen.”»Maar waar willen zij zich versteken?”»Dat gaat den Arendskop aan. Het opperhoofd is met deze streek door en door bekend, hij heeft hier lang gejaagd, ik ben zeker dat hij een geschikt punt voor de Mexicanen zal vinden; wat zegt gij er van, hoofdman?”»In de prairie kan men zich gemakkelijk verbergen,” zei de Indiaan lakoniek.»Ja,” merkte don Martial hierop aan, »maar één ding vergeet gij.”»Wat dan?”»Ik heb lang op de grenzen gewoond en ben dus met de taktiek der Indianen zeer goed bekend; als de Apachen eene vesting naderen laten zij zich altijd voorafgaan door een gordijn van rook; daartoe steken zij de vlakte in brand, die weldra niets anders zal zijn dan een zee van vlammen, tegen welke wij ons vruchteloos zullen verweren en die ons ten slotte zullen verslinden, zoo wij niet in tijds de noodige voorzorgen nemen.”»Dat is waar, het is een ernstig geval. Ongelukkig zie ik maar één middel om ons aan het dreigend gevaar te onttrekken, maar dat middel kunnen wij dan ook gebruiken.”»Welk middel bedoelt gij?”»Pardi! dat wij op de vlucht gaan.”»Dan weet ik wel een beter,” zei de Arendskop.»Gij, hoofdman? Dan zult gij toch wel zoo goed zijn het ons mede te deelen.”»Zoo de bleekgezichten slechts gelieven te luisteren. De Rio Gila, gelijk alle andere rivieren, voert op haar stroom doode boomen mede en somwijlen in zulk eene groote menigte, dat zij haar op zekere plaatsen verstoppen en blijven liggen; door den tijd schuiven die boomen zich dichter aaneen en vlechten de takken zich samen; vervolgens groeien er waterplanten tusschen, die ze nog nauwer verbinden; zand en aarde verzamelen er zich op, er groeit gras en riet en weldra andere kruiden op, zoodat deze ontzaglijk groote houtvlotten in de verte er als wezenlijke eilanden uitzien, tot eindelijk een hevige storm of een hooggezwollen vloed het vlottende eiland losrukt, den stroom afvoert en langzamerhand vaneen scheurt of geheel vernietigt.”»Ja, dat weet ik, hoofdman, daarvan heb ik meer dan eens voorbeelden gezien,” antwoordde Goedsmoeds, »zulke vlottende eilanden[115]gelijken vaak zoo zeer naar vaste, dat iemand, al is hij aan het leven in de wildernis en aan de grootsche tooneelen aldaar gewoon, er toch door bedrogen wordt. Ik begrijp wel waar gij heen wilt en welk voordeel wij van uw idee zouden kunnen trekken, als ik maar eenige kans zag om dat middel te gebruiken, maar dat is ongelukkigerwijs niet het geval.”»Ooah!dat is gemakkelijk genoeg,” hervatte de Arendskop, »het oog van een Indiaan is goed, hij ziet op drie boogschot afstand alles. Even boven de groote hut der bleekgezichten ligt een van die kleine vloteilanden, geen vijftig passen van den oever; heeft mijn broeder dat niet opgemerkt?”»Inderdaad!” riep Goedsmoeds »wat gij zegt is volkomen waar. Ik herinner mij thans dat eiland, daar had ik volstrekt niet aan gedacht.”»Wat de plaatselijke ligging betreft heeft het niets van den brand te duchten,” merkte Louis aan; »als het groot genoeg is om ons allen te bergen, zou het ons bij uitstek van dienst kunnen zijn als voorpost.”»Wij hebben geen oogenblik te verliezen, maar moeten er dadelijk heen om het te onderzoeken, en als wij zeker zijn dat het ons de noodige veiligheid aanbiedt, zullen wij er dadelijk gebruik van maken en er de peons heenbrengen.”»Op weg dus en niet langer geaarzeld,” riep de Tigrero opstaande.De anderen deden hetzelfde, en de vijf mannen verlieten het boschkamp.Na hunne paarden te hebben teruggevonden, namen zij hunne richting naar het eiland onder geleide van den Arendskop.De Sachem had zich niet bedrogen; met den onfeilbaren blik die zijnen landgenooten eigen is, had hij alles gezien en herkend en het welgekozen punt met de meeste juistheid beoordeeld.Een ander voordeel kwam den avonturiers te stade: een dichte strook van zoogenaamde wortelboomen, die den oever omzoomde, stak ver genoeg in den stroom uit om den afstand tusschen het eiland en het vaste land merkelijk te verminderen en tevens eene natuurlijke bedekking te vormen voor de peons, die in het lange gras verscholen zaten; terwijl de Indianen zich onmogelijk in de wortelboomen zouden kunnen nestelen om van daar hunne vijanden te bestoken, maar integendeel door dezen zonder gevaar zouden worden gedecimeerd.Het eiland zelf, dat wij zoo zullen blijven noemen, ofschoon het eigenlijk een vlot moest heeten, was met een dichte massa droog, sterk en ongeveer twee ellen hoog rietgras bedekt, waarachter mannen en paarden geheel onzichtbaar waren. Na de volbrachte verkenning vestigden Goedsmoeds en de beide Mexicanen hun kamp in het centrum, terwijl don Louis en de Arendskop weder naar den anderen oever terugkeerden om den capataz en zijne peons te gemoet te gaan.Don Martial had weinig lust hen te vergezellen, hij vreesde, zoo[116]dicht in de nabijheid der kolonie zijnde, door don Sylvaherkendte worden en wenschte liever zoo lang mogelijk zijn incognito te bewaren, dat ter bevordering zijner latere plannen volstrekt noodig was.Louis, die hem eerst gevraagd had of hij mede wilde gaan, drong niet verder bij hem aan, en scheen zijne weigering stilzwijgend goed te keuren.Het eigenlijke van de zaak was dat de graaf Prébois, zonder te kunnen zeggen waarom, een heimelijken afkeer gevoelde van den Tigrero, wiens sluwe en gedurig aarzelende houding hem zeer tegen de borst hadden gestuit.De Arendskop en Louis, overtuigd dat de Zwarte-Beer zich stellig met zijn detachement verwijderd had, zonder spionnen in de prairie achter te laten, achtten het onnoodig om de peons eerst een langen en vermoeienden omweg te laten maken alvorens hunne bestemming te bereiken; bij gevolg verborgen zij zich in een boschje dicht bij de landengte, ten einde hen daar af te wachten en regelrecht naar het afgesproken punt te geleiden.Intusschen had het bericht van den graaf de Prébois Crancé in de kolonie Guetzalli alles op stelten gezet. Want ofschoon de Indianen sedert de grondvesting der hacienda reeds meermalen getracht hadden de Franschen te verontrusten, waren hunne pogingen van weinig beteekenis geweest, eerst nu zouden de kolonisten voor den eersten keer tot een ernstigen strijd met hunne woeste geburen worden geroepen.De graaf de Lhorailles had ongeveer over twee honderdDauph’yeerste beschikken, afkomstig uit Valparaiso, Guyaquil, Callao en andere havens aan de stille Zuidzee, waar het van gelukzoekers van allerlei soort wemelt.Zijn troep was een zonderling samenraapsel van alle nationaliteiten uit de twee halfronden des aardbols; meerendeels, echter waren het Franschen, half bandieten, half soldaten, losbollen of vagebonden, die in den chef hunner eigen vrije keus onbepaald vertrouwen stelden.Het bericht van den voorgenomen aanval der Apachen werd door het garnizoen met een vroolijken juichkreet ontvangen. Schieten en vechten was voor deze avonturiers zoo veel als een pleizierpartij, of, zoo als zij het in hunne schilderachtige taal noemden, een geschikte gelegenheid om zich op te frisschen, en voor schimmelen of roesten te bewaren.Wat meer is wenschten zij den Apachen een lesje te geven en te laten zien welk onderscheid er bestond tusschen de Kreolen en kolonisten, daar zij van eeuwen her mede te kampen hadden gehad en de Europeanen, die zij nog niet kenden.De graaf behoefde hun dus niet aan te bevelen zich ferm te houden, integendeel was hij verplicht hun ijver te matigen en tot voorzichtigheid te vermanen, hun belovende dat hij hun spoedig gelegenheid zou verschaffen zich met de Roodhuiden in open kamp te meten.[117]De lezer herinnert zich zonder twijfel, dat het Mexicaansche gouvernement de kolonie Guetzalli aan den graaf de Lhorailles hadafgestaan, onder beding dat hij de Apachen en Comanchen nadrukkelijk zou bestrijden, ten einde hen van de Mexicaansche grenzen te verwijderen, die zij reeds lang gewoon waren op zekeren tijd des jaars te verwoesten.Op deze voorwaarde van het verdrag maakte hij zijne soldaten inzonderheid opmerkzaam.Zoodra dus de noodige maatregelen van verdediging genomen waren, namelijk aan ieder zijn post aangewezen en de wapenen en krijgsbehoeften rondgedeeld, verliet de graaf zich op zijne twee luitenants, den Biskayer Diego Leon en Martin Leroux, twee oude krijgsmannen, op welke hij meende te kunnen vertrouwen; vervolgens rekende hij op Blas Vasquez en diens peons.Daar het wel waarschijnlijk was dat de Indianen spionnen in den omtrek der kolonie gelaten hadden, trachtte hij dezen in den waan te brengen dat de peons werkelijk vertrokken waren; dientengevolge werden er verscheidene muilezels geladen met leeftocht als voor eene verre reis; vervolgens stelde de wel onderrichte capataz zich aan het hoofd van zijn troep en vertrok uit de kolonie met de karabijn op de heup.De Lhorailles, don Sylva en de andere bewoners oogden met licht verklaarbare belangstelling het kleine detachement na, zich gereed houdende het te ondersteunen zoo het mocht worden aangevallen.Maar geen muis bewoog zich in de prairie, alles bleef kalm en rustig en weldra waren de Mexicanen in het hooge gras verdwenen.»Ik begrijp de taktiek der Indianen niet,” mompelde don Sylva in zich zelven. »Er schuilt zeker weder een fijne streek onder, dat zij dien kleinen troep zoo stil laten vertrekken, die hun zulk een schoone kans op voordeel scheen te beloven.”»Wij zullen spoedig weten wat er van is,” antwoordde de graaf; »overigens zijn wij gereed hen te ontvangen; het spijt mij slechts datdoñaAnita zich hier bevindt, niet dat zij eenig persoonlijk gevaar loopt, maar het tumult van den strijd mocht haar verschrikken.”»Gij vergist u, heer graaf,” zeidoñaAnita die op dit oogenblik het huis uitkwam; »wees voor mij maar niet bevreesd, ik ben eene echte Mexicaansche en geen van die kleine teere Europeesche poppetjes, die bij het geringste alarm eene flauwte krijgen of in onmacht vallen. Ik heb zoo vaak in veel moeielijker omstandigheden dan de tegenwoordige den oorlogskreet der Apachen in mijn oor hooren weergalmen, zonder iets van dien angst te gevoelen dien gij thans voor mij schijnt te duchten.”Na deze woorden op fieren en minachtenden toon te hebben uitgesproken, daar de vrouwen zich tegen den man dien zij niet beminnen zoo behendig van weten te bedienen, traddoñaAnita den graaf voorbij zonder hem aan te zien en nam zij haar vader bij den arm.[118]De Franschman antwoordde niet; hij verbeet zich de lippen dat er het bloed voorstond, maakte eene beleefde buiging en deed alsof hij van den scherpen zet niets begrepen had, zich voorbehoudende om dit verschil nader te vereffenen; want, ofschoon hij zijne bruid eigenlijk niet beminde, kon hij toch, gelijk meestal onder dergelijke omstandigheden, niet dulden dat zij door een ander bemind wierd, en allerminst dat zij zich jegens hem zoo trotsch en onverschillig toonde.De snelle gang der jongste gebeurtenissen hadden hem echter tot dusver belet om metdoñaAnita tot eene beslissende verklaring te komen.De rijke mijnhoudersdochter, in Mexico geboren en in de nabuurschap der Indianen opgevoed, was een Andalusische van top tot teen, vurig en hartstochtelijk, en alleen handelend op den snellen indruk van haar hart en gevoel. Innig verliefd en door hare liefde voor don Martial gevrijwaard, had zij den graaf de Lhorailles in koelen bloede beoordeeld en onder den oppervlakkigen schijn zijner galante ridderlijkheid aldra den speculant ontdekt, die haar terstond een onverbiddelijken afkeer inboezemde. Zoo werd haar besluit onmiddellijk genomen om zich zonder voorbehoud buiten de mogelijkheid te stellen ooit zijne vrouw te kunnen worden. Maar een openlijken strijd tegen haar vader te beginnen .… daar zag zij tegen op .… om zich daaraan te wagen, kende zij te goed het oude Spaansche bloed dat in zijne aderen bruiste. De kracht der vrouwen, is hare schijnbare zwakheid; haar middel van verdediging is de list. Evenzeer Indiaansch als Spaansch van karakter, koos zij de list als het geduchte wapen der vrouwen dat haar soms zoo gevaarlijk maakt.Blas Vasquez, de oude hofmeester van don Sylva, haddoñaAnita zien geboren worden; zijne vrouw had haar gezoogd, met andere woorden hij was zoo innig aan het meisje verknocht dat hij op een wenk van haar, ja zijne ziel aan den duivel zou hebben verpand.Toen de graaf de Prébois Crancé op de hacienda was gekomen, had zijne verschijning hare belangstelling zeer gaande gemaakt en nauwelijks was hij weder vertrokken of zij sprak er den capataz over en vroeg hem met een onverschillig gezicht opheldering, die haar oude vriend natuurlijk geen bezwaar vond haar te geven, des te minder, daar weldra ieder in de kolonie weten zou, en weten moest, welk nieuws de graaf Louis had aangebracht; wat echter niemand kon weten en wat doordoñaAnita alleen bij onbedriegelijk instinct geraden werd, was dat don Martial zich onder de jagers bevond die in de nabijheid der kolonie verscholen lagen.Toen don Martial haar te Guaymas verliet, had hij haar gezegd dat hij over haar zou waken en haar aan het haar dreigende lot zou weten te onttrekken; het lag dus in de reden dat hij haar gevolgd zou zijn, en hieraan twijfelde zij geen oogenblik. Volgens haar begrip, moest hij ontegenzeggelijk deel uitmaken van de heldhaftige vriendenschaar die in dezen stond, terwijl zij de kolonie zochten te redden, tevens voor haar behoud werkzaam waren.[119]De eenige logika die stellig spreekt en nimmer bedriegt, is die van het hart; wij althans hebben gezien datdoñaAnita, door haar gevoel geleid, juist had geredeneerd.Toen zij van den capataz al de inlichtingen bekomen had die zij verlangde, zeide zij:»Don Blas, het is wel waarschijnlijk, als gij bij dezen aanval op de kolonie de gevorderde diensten hebt bewezen, dat mijn vader of donGaëtanou, daar zij uw volk dan niet meer noodig hebben, order zullen geven om naar Guaymas terug te keeren.”»Ja, waarschijnlijk wel,señorita,” antwoordde de brave capataz.»Dan zult gij mij ook wel een kleinen dienst willen bewijzen, niet waar?” vroeg zij, hem op het vriendelijkst toelachende.»Gij weet immers wel,señorita, dat ik voor u door een vuurzou loopen?”»Nu, zoo zwaar zal ik uwe vriendschap niet op de proef stellen, waarde don Blas; intusschen dank ik u wel voor uwe goede gevoelens jegens mij.”»Wat kan ik doen om u aangenaam te zijn?”»O! een heel gemakkelijk ding.”»Zoo!”»Och hemel! ja,” riep zij op luchthartigen toon; »gij weet wel dat ik sedert lang de gekheid heb gehad om met alle geweld een voetkleedje van tijgervellen in mijne slaapkamer te verlangen.”»Neen,” antwoordde hij oprecht, »dat wist ik niet.”»Hé!.… welnu, dan zeg ik het u thans; dus weet gij het nu.”»En ik zal het niet meer vergeten,señorita, dat beloof ik u.”»Dank u, don Blas; maar dat is eigenlijk niet wat ik verlang.”»Wat dan?”»Wel, dat gij hier twee tijgervellen bezorgdet, bedoel ik.”»Zeer goed; welnu, zoodra ik een dag vrij heb, kunt gij er op rekenen dat ik ze u bezorg.”»O, maar het is niet noodig dat gij u om een gril van mij in gevaar zoudt begeven en misschien met die schrikkelijke beesten een ongeluk krijgen.”»Kom,señorita!” riep hij een weinig geaffronteerd.»Neen, dat wil ik volstrekt niet; ik weet een goed middel om ze gemakkelijk te bekomen.”»Nu, des te beter dan; en wat is dat?”»Er is sedert eenige dagen te Guaymas een vermaarde tijgerjager gekomen.…”»Don Martial Asuzena?” viel hij haar met drift in de rede.»Kent gij hem?”»Wie zou don Martial den Tigrero niet kennen?”»Dat valt dan goed meê.”»Hoedat meê.”»Wel, van zijne laatste jacht in de prairiën van het Westen heeft de Tigrero naar ik hoor een aantal prachtige jaguarsvellen medegebracht,[120]die hij zeker voor een goeden prijs wel zal willen afstaan.”»Daar twijfel ik niet aan.”»Nu,” riep zij, een klein verzegeld briefje uit haar boezem voor den dag halende, »hier heb ik een paar woorden die gij den Tigrero moet overhandigen. Ik schrijf hem dat ik de vellen bereid wil hebben en wat ik er hem voor betalen wil. Ziedaar is geld;” vervolgde zij hem eene beurs ter hand stellende, »gij zult dat wel voor mij regelen zoo als gij denkt dat goed is.”»Gij hadt hem zelfs niet eens behoeven te schrijven,señorita,” merkte de capataz aan.»Met uw welnemen, vriend, maar gij hebt aan zooveel zaken te denken, dat ik niet weet of zulk eene kleinigheid niet licht uit het hoofd zou kunnen gaan.”»Alles is mogelijk,señorita, dus dat ook; maar zooals gij het wilt is het altijd beter.”»Niet waar? dat is dus afgesproken, gij zult mijneboodschap doen?”»Kunt gij daaraan twijfelen?”»Neen, don Blas. Wacht! nog iets: zeg geen woord aan mijn vader; gij weet hoe goed hij is; hij zou ze mij cadeau willen maken en ik wil deze kleinigheid volstrekt uit mijn eigen beurs betalen.”De capataz lachte met een gezicht alsof hij het wel met haar wist. De goede man gevoelde zich gelukkig dat hij in een geheim mocht deelen, hoe gering dan ook, van zijn troetelkind, zooals hij zijne jonge meesteres gewoonlijk noemde.»Het blijft onder ons,” zeide hij, »ik ben zoo stom als een visch.”DoñaAnita knipoogde hem vriendelijk toe, en verwijderde zich met een vergenoegd lachje.Wat beduidde die brief? en waarom had zij dien geschreven?Dat zullen wij straks zien.Dien geheelen dag viel er op de hacienda niets bijzonders voor; alleen zocht de graaf de LhoraillesdoñaAnita verscheidene keeren te zien en tot een ernstig gesprek over te halen, dat deze echter telkens wist te ontwijken.Blas Vasquez vertrok in de richting van Guaymas en stelde zich aan het hoofd van zijn troep, die het terstond in vollen galop zette uit vrees van overrompeld te worden.Nauwelijks was hij buiten het gezicht der kolonie en omtrent twintig minuten ver in het hooge prairiegras verdwenen, of plotseling sprongen er twee mannen op zijn pad te voorschijn, die de paarden tegenhielden en vlak voor hem bleven staan.Van deze twee mannen was de eene, zooals uit alles bleek een Indiaan; in den anderen herkende de capataz dadelijk denzelfden persoon dien hij des morgens op de hacienda gezien had.Blas Vasquez wenkte zijn troep om halt te maken en reed de beide vreemdelingen alleen te gemoet.[121]»Door welk toeval ontmoet ik u hier,señorFrances?” zeide hij, »wij zijn hier nog ver van het punt dat gij mij als standplaats hebt aangewezen.”Hierop boog hij beleefd.Don Louis boog insgelijks.»Wij zijn wel is waar ver van ons punt van afspraak,” antwoordde hij, »doch daar wij geen spoor van Apachen in de prairie hebben gevonden, achtten wij het onnoodig u zulk een langen omweg te laten maken; ik ben dus afgezonden om u naar de hinderlaag te geleiden die wij voor u gekozen hebben.”»Gij hebt welgedaan. Moeten wij nu nog lang marcheeren?”»Neen, geen kwartier ver meer; wij gaan naar een eilandje dat gij van hier reeds kunt zien, als gij u een weinig in de stijgbeugels opheft,” voegde hij er bij, met de hand in de richting van het bedoelde eiland wijzende.»Ei zoo!” riep de capataz, »dat punt is goed gekozen; van daar bestrijken wij de heele rivier.”»Juist daarom hebben wij ons bij dat punt bepaald.”»Wil dan onze gids maar zijn,señorFrances; wij zullen u volgen.”Het detachement hervatte den marsch. Gelijk don Louis gezegd had, werden de capataz en zijne veertig peons thans bij de vijf avonturiers op het eiland gekampeerd en zoo goed door het lange gras en de wortelboomen gedekt, dat men van de beide rivieroevers onmogelijk iets van hen kon bemerken.Zoodra de capataz zijn plicht als hoofdman van het detachement had volbracht, nam hij plaats aan het bivakvuur bij zijne nieuwe vrienden, aan welke don Louis hem voorstelde.De eerste persoon dien don Blas hier vond was don Martial de Tigrero.Bij deze ontmoeting kon hij zijne verrassing kwalijk verbergen.»Caspita!” riep hij met een hartelijken lach, »wat zonderlinge ontmoeting!”»Hoedat?” vroeg de Mexicaan tamelijk onthutst over deze herkenning, die hij gansch niet verwachtte, daar hij meende bij den capataz niet bekend te zijn.»Is u niet don Martial Asuzena, de Tigrero?” vervolgde Blas Vasquez.»Die ben ik,” antwoordde don Martial meer en meer ongerust.»Mijn hemel! het zou mij vrij wat moeite gekost hebben u te Guaymas te vinden, en ik dacht waarlijk niet dat ik zoo gelukkig zou zijn u hier reeds aan te treffen.”»Verklaar u nader als ik u verzoeken mag, ik begrijp niets van hetgeen gij zegt.”»Ik heb eene boodschap voor u van wege mijne jonge meesteres.”»Wat zegt gij!” riep de Tigrero, wiens hart klopte van verrassing.[122]»Niets anders dan hetgeen ik zeg;doñaAnita wil naar het schijnt een paar tijgervellen van u koopen.”»Van mij?”»Welzeker.”Don Martial keek hem met zulk een verwezen blik aan, dat de ronde capataz begon te schateren van lachen. Dit gelach bracht den jongman tot bezinning en deed hem bevroeden dat er misschien een geheim achter verscholen lag en dat hij, wanneer hij nog langer vreemd opkeek, bij den eenvoudigen hofmeester licht andere vermoedens zou opwekken die deze thans niet bezat, daar hij niets van het groote geheim wist.»Inderdaad,” zeide hij alsof hij zich iets herinnerde, »ik geloof dat ik eenigen tijd geleden …”»Ha!” viel hem de capataz in de rede, »dat dacht ik wel half; welnu, zij heeft mij met een brief belast, dien ik u bij mijne eerste ontmoeting zou overhandigen.”»Een brief! van wie?”»Wel, van mijne jonge meesteres zelve, denk ik.”»VandoñaAnita?”»Ja, van wie anders?”»Geef hem mij dadelijk!” riep de Tigrero in vervoering.De capataz haalde den brief uit zijn zak, en don Martial ontrukte hem dien meer dan hij die aannam, brak het zegel met bevende hand open en las den inhoud.Toen hij hem gelezen had stak hij hem in zijne borst.»Wel, wat schrijft nu mijne meesteres?”»Niets anders dan hetgeen gij mij gezegd hebt,” antwoordde de Tigrero min of meer stotterend.Blas Vasquez schudde het hoofd.»Hm! die man heeft zeker iets dat hij voor mij niet wil weten,” mompelde hij. »ZoudoñaAnita mij soms gefopt hebben?”Intusschen was de Tigrero opgestaan en stapte driftig op en neer, alsof er een belangrijk ontwerp bij hem omging; eindelijk trad hij naar Goedsmoeds, die stil zat te rooken, bukte aan zijn oor en fluisterde hem eenige woorden in, die de Canadees toestemmend beantwoordde. Een lichtstraal van vreugde blonk op het sombere gelaat van den Tigrero en terwijl hij Cuchares een wenk gaf verlieten zij samen het bivak.Eenige minuten daarna zaten don Martial en de lepero reeds te paard, en staken de rivier over die het eiland van het vaste land afscheidde.De capataz bemerkte hen eerst toen zij aan de overzijde aan land stapten.Hij slaakte een kreet van verbazing.»Caspita,” riep hij, »de Tigrero schijnt ons te verlaten; waar of hij heen gaat?”[123]Goedsmoeds keek don Blas aan met een schalksch gezicht, half zuur, half zoet, en antwoordde op schertsenden toon:»Wie weet? misschien gaat hij een antwoord brengen op den brief dien hij van u ontvangen heeft.”»Dat zou niet onmogelijk zijn,” hernam de capataz nadenkend, daar hij niet recht wist wat hij er op zeggen zou.Op dit oogenblik ging de zon majestueus onder, in een zee van gouden en purperen dampen, achter de besneeuwde toppen van de hooge bergen der Sierra Madre; de nacht zou weldra zijn zwarten mantel over het sluimerende aardrijk uitspreiden.

Tegen den avond van den volgenden dag, met het opkomen der maan, volgens afspraak, gaf ook de Spotvogel zijn troep order om op te breken en den tocht te beginnen.

Weldra had een kleine afdeeling ruiters, die als verspieders vooruit waren gezonden om de velden in vlam te zetten, brandende houten in de struiken geworpen, en na verloop van eenige minuten steeg er als een gordijn van vlammen ten hemel, dat den ganschen horizont bedekte.

De Comanchen hadden de bevelen van het Apachenhoofd zoo snel en met zooveel overleg uitgevoerd, dat in minder dan een half uur al het omliggende land in de asch was gelegd.

De Zwarte-Beer, die zich met de zijnen op het eiland verschanst had, was nog niet opgebroken. De sporen door de Comanchen achtergelaten, waren helaas! overal zichtbaar, want dit landschap, den vorigen morgen nog zoo schoon, zoo rijk en zoo bloeiend, geleek thans eene treurige dorre en eenzame woestijn; geen groen was er meer te zien, geen bloemen geurden er meer, geen vogeltjes zongen er meer als om strijd tusschen de takken!

Het plan der Indianen was tot hiertoe volkomen gelukt en de kolonisten te Guetzalli zouden ontwijfelbaar overrompeld zijn geworden,[112]zoo Goedsmoeds en diens vrienden elkander niet op den weg der Indianen hadden aangetroffen.

De Canadees was op zijne hoede.

Bij het gezicht der eerste rookwolk die hij in de verte zag opgaan, had hij het voornemen der Roodhuiden begrepen en zonder een oogenblik te verliezen, den Arendskop naar de kolonie gezonden om don Louis te waarschuwen, dien de Indiaan, gelijk wij reeds gezien hebben, dicht bij de hacienda ontmoette.

Intusschen kwamen achter den brand de Comanchen in vollen galop aanrennen, alles vertrappende en vernielende wat door het vuur mocht gespaard zijn.

De nacht was volkomen gedaald toen de Spotvogel in het gezicht der kolonie kwam. In de veronderstelling dat de snelheid van zijn marsch den blanken geen tijd zou hebben gelaten om zich in staat van tegenweer te stellen, plaatste hij een gedeelte van zijn troep in hinderlaag en trok aan ’t hoofd der overigen, met al de in dergelijke gevallen gebruikelijke voorzorgen, langzaam voortkruipend naar de batterij aan de landengte.

Niemand vertoonde zich daar; de taluds en de verschansingen schenen verlaten; de Spotvogel verhief zijn oorlogskreet, sprong plotseling te voorschijn en klauterde met zijne krijgslieden vlug als tijgerkatten tegen de verschansingen op; doch op het oogenblik dat de Comanchen aan de binnenschans meenden te kunnen afdalen, werd er een volle laag uit grof en klein geschut op de aanvallers gelost, die er bijna de helft van wegmaaide; de overblijvenden trokken ijlings terug en namen de vlucht.

De Comanchen hadden een groot nadeel tegenover de blanken, daar zij van geen vuurwapenen voorzien waren. Het klein geweervuur decimeerde hen, terwijl zij niets anders hadden om het te beantwoorden dan hunne pijlen en werpspiesen, of ook steenen die zij met den slinger wierpen.

Weldra, doch een weinig te laat, inziende dat de Franschen op hunne hoede waren, wilde de Spotvogel het door de geleden verliezen reeds merkelijk geschokte vertrouwen zijner krijgslieden niet verder door nuttelooze pogingen verzwakken. Hij trok dus met zijn detachement terug onder bedekking van het bosch, waar hij besloot het signaal van den Zwarte-Beer af te wachten eer hij zich opnieuw in beweging zette.

Intusschen was don Louis met den Arendskop naar Goedsmoeds teruggekeerd. De Indiaan moest hierbij de geleider zijn en bracht hem, na verscheidene omwegen, bijna tegenover de batterij aan de landengte naar een dicht boschje cactus, aloë’s en floripondio’s.

»Hier kan mijn broeder afstijgen,”zeide hij tot den Franschman, »wij zijn er.”

»Wij zijn er! waarzoo dan?” vroeg don Louis vruchteloos de oogen opslaande.[113]

Zonder te antwoorden nam de Indiaan het paard reeds bij den teugel, en bracht het weg; terwijl Louis naar alle zijden bleef uitkijken, maar al zijne pogingen waren vergeefs.

»Wel,” vroeg hem de Arendskop toen hij zonder paard terugkwam, »heeft mijn broeder zich kunnen thuis vinden?”

»Carai! neen hoofdman, ik geef het op.”

De Indiaan lachte.

»De bleekgezichten hebben mollenoogen,” zeide hij.

»Dat is wel mogelijk; maar hoe dit wezen mag, zal ik u dankbaar zijn als gij mij de uwe wilt leenen.”

»Goed, mijn broeder zal zien.”

De Arendskop ging zoo lang als hij was op den grond liggen. Louis deed het zelfde, en beiden slopen nu op handen en voeten het boschje in. Na dit vermoeiende werk een kwartier te hebben voortgezet hield de Indiaan stil.

»Laat mijn broeder nu eens zien,” zeide hij.

Zij bevonden zich op een klein open grasveld van alle zijden door boomen en struiken ingesloten, die zoo volkomen door lianen en andere slingerplanten waren samengeweven, dat het zonder welervaren en scherp onderzoek onmogelijk was deze wijkplaats te ontdekken of zelfs te vermoeden.

Hier zaten Goedsmoeds en de twee Mexicanen met philosofisch geduld, al rookende, op de terugkomst van hun uitgezonden vriend te wachten.

»Welkom binnen,” riep de Canadees zoodra hij hen gewaar werd; »hoe vindt gij ons schuilhoekje? Charmant, niet waar? dat heeft de Arendskop voor ons uitgevonden, die weêrgasche Indianen hebben een bijzonderen neus om hinderlagen te zoeken, wij zijn hier zoo veilig als in de kathedraal te Quebec.”

Gedurende dezen woordenvloed, dien Louis niet anders beantwoordde dan met een warmen handdruk, had de Franschman zich reeds bij zijne kameraden nedergezet en was hij met goeden eetlust begonnen de noodige eer te bewijzen aan het ontbijt dat deze voor hem bewaard hadden.

»Maar waar zijn onze paarden?” vroeg hij.

»Geen tien passen van hier en door niemand te vinden dan door ons zelf,” was het antwoord.

»Zeer goed; en kunnen wij deze dadelijk krijgen als wij ze noodig hebben?”

»Nu! dat zou ik denken.”

»’t Is maar dat wij ze waarschijnlijk spoedig noodig zullen hebben.”

»Maar laat ik u niet storen,” vervolgde hij zich zelven in de rede vallende, »ik doe niets dan babbelen, en denk er niet om dat gij wel grooten honger moet hebben; eet liever eerst, wij zullen straks wel praten.”

»O! ik kan u zeer goed antwoord geven, al eet ik.”[114]

»Neen, alles op zijn tijd; ontbijt maar eerst, wij zullen u straks wel hooren.”

Nauwelijks had don Louis met eten gedaan of hij deed een uitvoerig verslag van de wijze waarop hij zijne zending volvoerd had.

»Dat gaat alles naar wensch,” zei Goedsmoeds toen de Franschman zijn verhaal eindigde; »ik geloof dat wij vooreerst over het lot onzer landgenooten niet bezorgd behoeven te zijn, vooral met behulp der veertig peons van den capataz die den vijand tusschen twee vuren zullen brengen.”

»Maar waar willen zij zich versteken?”

»Dat gaat den Arendskop aan. Het opperhoofd is met deze streek door en door bekend, hij heeft hier lang gejaagd, ik ben zeker dat hij een geschikt punt voor de Mexicanen zal vinden; wat zegt gij er van, hoofdman?”

»In de prairie kan men zich gemakkelijk verbergen,” zei de Indiaan lakoniek.

»Ja,” merkte don Martial hierop aan, »maar één ding vergeet gij.”

»Wat dan?”

»Ik heb lang op de grenzen gewoond en ben dus met de taktiek der Indianen zeer goed bekend; als de Apachen eene vesting naderen laten zij zich altijd voorafgaan door een gordijn van rook; daartoe steken zij de vlakte in brand, die weldra niets anders zal zijn dan een zee van vlammen, tegen welke wij ons vruchteloos zullen verweren en die ons ten slotte zullen verslinden, zoo wij niet in tijds de noodige voorzorgen nemen.”

»Dat is waar, het is een ernstig geval. Ongelukkig zie ik maar één middel om ons aan het dreigend gevaar te onttrekken, maar dat middel kunnen wij dan ook gebruiken.”

»Welk middel bedoelt gij?”

»Pardi! dat wij op de vlucht gaan.”

»Dan weet ik wel een beter,” zei de Arendskop.

»Gij, hoofdman? Dan zult gij toch wel zoo goed zijn het ons mede te deelen.”

»Zoo de bleekgezichten slechts gelieven te luisteren. De Rio Gila, gelijk alle andere rivieren, voert op haar stroom doode boomen mede en somwijlen in zulk eene groote menigte, dat zij haar op zekere plaatsen verstoppen en blijven liggen; door den tijd schuiven die boomen zich dichter aaneen en vlechten de takken zich samen; vervolgens groeien er waterplanten tusschen, die ze nog nauwer verbinden; zand en aarde verzamelen er zich op, er groeit gras en riet en weldra andere kruiden op, zoodat deze ontzaglijk groote houtvlotten in de verte er als wezenlijke eilanden uitzien, tot eindelijk een hevige storm of een hooggezwollen vloed het vlottende eiland losrukt, den stroom afvoert en langzamerhand vaneen scheurt of geheel vernietigt.”

»Ja, dat weet ik, hoofdman, daarvan heb ik meer dan eens voorbeelden gezien,” antwoordde Goedsmoeds, »zulke vlottende eilanden[115]gelijken vaak zoo zeer naar vaste, dat iemand, al is hij aan het leven in de wildernis en aan de grootsche tooneelen aldaar gewoon, er toch door bedrogen wordt. Ik begrijp wel waar gij heen wilt en welk voordeel wij van uw idee zouden kunnen trekken, als ik maar eenige kans zag om dat middel te gebruiken, maar dat is ongelukkigerwijs niet het geval.”

»Ooah!dat is gemakkelijk genoeg,” hervatte de Arendskop, »het oog van een Indiaan is goed, hij ziet op drie boogschot afstand alles. Even boven de groote hut der bleekgezichten ligt een van die kleine vloteilanden, geen vijftig passen van den oever; heeft mijn broeder dat niet opgemerkt?”

»Inderdaad!” riep Goedsmoeds »wat gij zegt is volkomen waar. Ik herinner mij thans dat eiland, daar had ik volstrekt niet aan gedacht.”

»Wat de plaatselijke ligging betreft heeft het niets van den brand te duchten,” merkte Louis aan; »als het groot genoeg is om ons allen te bergen, zou het ons bij uitstek van dienst kunnen zijn als voorpost.”

»Wij hebben geen oogenblik te verliezen, maar moeten er dadelijk heen om het te onderzoeken, en als wij zeker zijn dat het ons de noodige veiligheid aanbiedt, zullen wij er dadelijk gebruik van maken en er de peons heenbrengen.”

»Op weg dus en niet langer geaarzeld,” riep de Tigrero opstaande.

De anderen deden hetzelfde, en de vijf mannen verlieten het boschkamp.

Na hunne paarden te hebben teruggevonden, namen zij hunne richting naar het eiland onder geleide van den Arendskop.

De Sachem had zich niet bedrogen; met den onfeilbaren blik die zijnen landgenooten eigen is, had hij alles gezien en herkend en het welgekozen punt met de meeste juistheid beoordeeld.

Een ander voordeel kwam den avonturiers te stade: een dichte strook van zoogenaamde wortelboomen, die den oever omzoomde, stak ver genoeg in den stroom uit om den afstand tusschen het eiland en het vaste land merkelijk te verminderen en tevens eene natuurlijke bedekking te vormen voor de peons, die in het lange gras verscholen zaten; terwijl de Indianen zich onmogelijk in de wortelboomen zouden kunnen nestelen om van daar hunne vijanden te bestoken, maar integendeel door dezen zonder gevaar zouden worden gedecimeerd.

Het eiland zelf, dat wij zoo zullen blijven noemen, ofschoon het eigenlijk een vlot moest heeten, was met een dichte massa droog, sterk en ongeveer twee ellen hoog rietgras bedekt, waarachter mannen en paarden geheel onzichtbaar waren. Na de volbrachte verkenning vestigden Goedsmoeds en de beide Mexicanen hun kamp in het centrum, terwijl don Louis en de Arendskop weder naar den anderen oever terugkeerden om den capataz en zijne peons te gemoet te gaan.

Don Martial had weinig lust hen te vergezellen, hij vreesde, zoo[116]dicht in de nabijheid der kolonie zijnde, door don Sylvaherkendte worden en wenschte liever zoo lang mogelijk zijn incognito te bewaren, dat ter bevordering zijner latere plannen volstrekt noodig was.

Louis, die hem eerst gevraagd had of hij mede wilde gaan, drong niet verder bij hem aan, en scheen zijne weigering stilzwijgend goed te keuren.

Het eigenlijke van de zaak was dat de graaf Prébois, zonder te kunnen zeggen waarom, een heimelijken afkeer gevoelde van den Tigrero, wiens sluwe en gedurig aarzelende houding hem zeer tegen de borst hadden gestuit.

De Arendskop en Louis, overtuigd dat de Zwarte-Beer zich stellig met zijn detachement verwijderd had, zonder spionnen in de prairie achter te laten, achtten het onnoodig om de peons eerst een langen en vermoeienden omweg te laten maken alvorens hunne bestemming te bereiken; bij gevolg verborgen zij zich in een boschje dicht bij de landengte, ten einde hen daar af te wachten en regelrecht naar het afgesproken punt te geleiden.

Intusschen had het bericht van den graaf de Prébois Crancé in de kolonie Guetzalli alles op stelten gezet. Want ofschoon de Indianen sedert de grondvesting der hacienda reeds meermalen getracht hadden de Franschen te verontrusten, waren hunne pogingen van weinig beteekenis geweest, eerst nu zouden de kolonisten voor den eersten keer tot een ernstigen strijd met hunne woeste geburen worden geroepen.

De graaf de Lhorailles had ongeveer over twee honderdDauph’yeerste beschikken, afkomstig uit Valparaiso, Guyaquil, Callao en andere havens aan de stille Zuidzee, waar het van gelukzoekers van allerlei soort wemelt.

Zijn troep was een zonderling samenraapsel van alle nationaliteiten uit de twee halfronden des aardbols; meerendeels, echter waren het Franschen, half bandieten, half soldaten, losbollen of vagebonden, die in den chef hunner eigen vrije keus onbepaald vertrouwen stelden.

Het bericht van den voorgenomen aanval der Apachen werd door het garnizoen met een vroolijken juichkreet ontvangen. Schieten en vechten was voor deze avonturiers zoo veel als een pleizierpartij, of, zoo als zij het in hunne schilderachtige taal noemden, een geschikte gelegenheid om zich op te frisschen, en voor schimmelen of roesten te bewaren.

Wat meer is wenschten zij den Apachen een lesje te geven en te laten zien welk onderscheid er bestond tusschen de Kreolen en kolonisten, daar zij van eeuwen her mede te kampen hadden gehad en de Europeanen, die zij nog niet kenden.

De graaf behoefde hun dus niet aan te bevelen zich ferm te houden, integendeel was hij verplicht hun ijver te matigen en tot voorzichtigheid te vermanen, hun belovende dat hij hun spoedig gelegenheid zou verschaffen zich met de Roodhuiden in open kamp te meten.[117]

De lezer herinnert zich zonder twijfel, dat het Mexicaansche gouvernement de kolonie Guetzalli aan den graaf de Lhorailles hadafgestaan, onder beding dat hij de Apachen en Comanchen nadrukkelijk zou bestrijden, ten einde hen van de Mexicaansche grenzen te verwijderen, die zij reeds lang gewoon waren op zekeren tijd des jaars te verwoesten.

Op deze voorwaarde van het verdrag maakte hij zijne soldaten inzonderheid opmerkzaam.

Zoodra dus de noodige maatregelen van verdediging genomen waren, namelijk aan ieder zijn post aangewezen en de wapenen en krijgsbehoeften rondgedeeld, verliet de graaf zich op zijne twee luitenants, den Biskayer Diego Leon en Martin Leroux, twee oude krijgsmannen, op welke hij meende te kunnen vertrouwen; vervolgens rekende hij op Blas Vasquez en diens peons.

Daar het wel waarschijnlijk was dat de Indianen spionnen in den omtrek der kolonie gelaten hadden, trachtte hij dezen in den waan te brengen dat de peons werkelijk vertrokken waren; dientengevolge werden er verscheidene muilezels geladen met leeftocht als voor eene verre reis; vervolgens stelde de wel onderrichte capataz zich aan het hoofd van zijn troep en vertrok uit de kolonie met de karabijn op de heup.

De Lhorailles, don Sylva en de andere bewoners oogden met licht verklaarbare belangstelling het kleine detachement na, zich gereed houdende het te ondersteunen zoo het mocht worden aangevallen.

Maar geen muis bewoog zich in de prairie, alles bleef kalm en rustig en weldra waren de Mexicanen in het hooge gras verdwenen.

»Ik begrijp de taktiek der Indianen niet,” mompelde don Sylva in zich zelven. »Er schuilt zeker weder een fijne streek onder, dat zij dien kleinen troep zoo stil laten vertrekken, die hun zulk een schoone kans op voordeel scheen te beloven.”

»Wij zullen spoedig weten wat er van is,” antwoordde de graaf; »overigens zijn wij gereed hen te ontvangen; het spijt mij slechts datdoñaAnita zich hier bevindt, niet dat zij eenig persoonlijk gevaar loopt, maar het tumult van den strijd mocht haar verschrikken.”

»Gij vergist u, heer graaf,” zeidoñaAnita die op dit oogenblik het huis uitkwam; »wees voor mij maar niet bevreesd, ik ben eene echte Mexicaansche en geen van die kleine teere Europeesche poppetjes, die bij het geringste alarm eene flauwte krijgen of in onmacht vallen. Ik heb zoo vaak in veel moeielijker omstandigheden dan de tegenwoordige den oorlogskreet der Apachen in mijn oor hooren weergalmen, zonder iets van dien angst te gevoelen dien gij thans voor mij schijnt te duchten.”

Na deze woorden op fieren en minachtenden toon te hebben uitgesproken, daar de vrouwen zich tegen den man dien zij niet beminnen zoo behendig van weten te bedienen, traddoñaAnita den graaf voorbij zonder hem aan te zien en nam zij haar vader bij den arm.[118]

De Franschman antwoordde niet; hij verbeet zich de lippen dat er het bloed voorstond, maakte eene beleefde buiging en deed alsof hij van den scherpen zet niets begrepen had, zich voorbehoudende om dit verschil nader te vereffenen; want, ofschoon hij zijne bruid eigenlijk niet beminde, kon hij toch, gelijk meestal onder dergelijke omstandigheden, niet dulden dat zij door een ander bemind wierd, en allerminst dat zij zich jegens hem zoo trotsch en onverschillig toonde.

De snelle gang der jongste gebeurtenissen hadden hem echter tot dusver belet om metdoñaAnita tot eene beslissende verklaring te komen.

De rijke mijnhoudersdochter, in Mexico geboren en in de nabuurschap der Indianen opgevoed, was een Andalusische van top tot teen, vurig en hartstochtelijk, en alleen handelend op den snellen indruk van haar hart en gevoel. Innig verliefd en door hare liefde voor don Martial gevrijwaard, had zij den graaf de Lhorailles in koelen bloede beoordeeld en onder den oppervlakkigen schijn zijner galante ridderlijkheid aldra den speculant ontdekt, die haar terstond een onverbiddelijken afkeer inboezemde. Zoo werd haar besluit onmiddellijk genomen om zich zonder voorbehoud buiten de mogelijkheid te stellen ooit zijne vrouw te kunnen worden. Maar een openlijken strijd tegen haar vader te beginnen .… daar zag zij tegen op .… om zich daaraan te wagen, kende zij te goed het oude Spaansche bloed dat in zijne aderen bruiste. De kracht der vrouwen, is hare schijnbare zwakheid; haar middel van verdediging is de list. Evenzeer Indiaansch als Spaansch van karakter, koos zij de list als het geduchte wapen der vrouwen dat haar soms zoo gevaarlijk maakt.

Blas Vasquez, de oude hofmeester van don Sylva, haddoñaAnita zien geboren worden; zijne vrouw had haar gezoogd, met andere woorden hij was zoo innig aan het meisje verknocht dat hij op een wenk van haar, ja zijne ziel aan den duivel zou hebben verpand.

Toen de graaf de Prébois Crancé op de hacienda was gekomen, had zijne verschijning hare belangstelling zeer gaande gemaakt en nauwelijks was hij weder vertrokken of zij sprak er den capataz over en vroeg hem met een onverschillig gezicht opheldering, die haar oude vriend natuurlijk geen bezwaar vond haar te geven, des te minder, daar weldra ieder in de kolonie weten zou, en weten moest, welk nieuws de graaf Louis had aangebracht; wat echter niemand kon weten en wat doordoñaAnita alleen bij onbedriegelijk instinct geraden werd, was dat don Martial zich onder de jagers bevond die in de nabijheid der kolonie verscholen lagen.

Toen don Martial haar te Guaymas verliet, had hij haar gezegd dat hij over haar zou waken en haar aan het haar dreigende lot zou weten te onttrekken; het lag dus in de reden dat hij haar gevolgd zou zijn, en hieraan twijfelde zij geen oogenblik. Volgens haar begrip, moest hij ontegenzeggelijk deel uitmaken van de heldhaftige vriendenschaar die in dezen stond, terwijl zij de kolonie zochten te redden, tevens voor haar behoud werkzaam waren.[119]

De eenige logika die stellig spreekt en nimmer bedriegt, is die van het hart; wij althans hebben gezien datdoñaAnita, door haar gevoel geleid, juist had geredeneerd.

Toen zij van den capataz al de inlichtingen bekomen had die zij verlangde, zeide zij:

»Don Blas, het is wel waarschijnlijk, als gij bij dezen aanval op de kolonie de gevorderde diensten hebt bewezen, dat mijn vader of donGaëtanou, daar zij uw volk dan niet meer noodig hebben, order zullen geven om naar Guaymas terug te keeren.”

»Ja, waarschijnlijk wel,señorita,” antwoordde de brave capataz.

»Dan zult gij mij ook wel een kleinen dienst willen bewijzen, niet waar?” vroeg zij, hem op het vriendelijkst toelachende.

»Gij weet immers wel,señorita, dat ik voor u door een vuurzou loopen?”

»Nu, zoo zwaar zal ik uwe vriendschap niet op de proef stellen, waarde don Blas; intusschen dank ik u wel voor uwe goede gevoelens jegens mij.”

»Wat kan ik doen om u aangenaam te zijn?”

»O! een heel gemakkelijk ding.”

»Zoo!”

»Och hemel! ja,” riep zij op luchthartigen toon; »gij weet wel dat ik sedert lang de gekheid heb gehad om met alle geweld een voetkleedje van tijgervellen in mijne slaapkamer te verlangen.”

»Neen,” antwoordde hij oprecht, »dat wist ik niet.”

»Hé!.… welnu, dan zeg ik het u thans; dus weet gij het nu.”

»En ik zal het niet meer vergeten,señorita, dat beloof ik u.”

»Dank u, don Blas; maar dat is eigenlijk niet wat ik verlang.”

»Wat dan?”

»Wel, dat gij hier twee tijgervellen bezorgdet, bedoel ik.”

»Zeer goed; welnu, zoodra ik een dag vrij heb, kunt gij er op rekenen dat ik ze u bezorg.”

»O, maar het is niet noodig dat gij u om een gril van mij in gevaar zoudt begeven en misschien met die schrikkelijke beesten een ongeluk krijgen.”

»Kom,señorita!” riep hij een weinig geaffronteerd.

»Neen, dat wil ik volstrekt niet; ik weet een goed middel om ze gemakkelijk te bekomen.”

»Nu, des te beter dan; en wat is dat?”

»Er is sedert eenige dagen te Guaymas een vermaarde tijgerjager gekomen.…”

»Don Martial Asuzena?” viel hij haar met drift in de rede.

»Kent gij hem?”

»Wie zou don Martial den Tigrero niet kennen?”

»Dat valt dan goed meê.”

»Hoedat meê.”

»Wel, van zijne laatste jacht in de prairiën van het Westen heeft de Tigrero naar ik hoor een aantal prachtige jaguarsvellen medegebracht,[120]die hij zeker voor een goeden prijs wel zal willen afstaan.”

»Daar twijfel ik niet aan.”

»Nu,” riep zij, een klein verzegeld briefje uit haar boezem voor den dag halende, »hier heb ik een paar woorden die gij den Tigrero moet overhandigen. Ik schrijf hem dat ik de vellen bereid wil hebben en wat ik er hem voor betalen wil. Ziedaar is geld;” vervolgde zij hem eene beurs ter hand stellende, »gij zult dat wel voor mij regelen zoo als gij denkt dat goed is.”

»Gij hadt hem zelfs niet eens behoeven te schrijven,señorita,” merkte de capataz aan.

»Met uw welnemen, vriend, maar gij hebt aan zooveel zaken te denken, dat ik niet weet of zulk eene kleinigheid niet licht uit het hoofd zou kunnen gaan.”

»Alles is mogelijk,señorita, dus dat ook; maar zooals gij het wilt is het altijd beter.”

»Niet waar? dat is dus afgesproken, gij zult mijneboodschap doen?”

»Kunt gij daaraan twijfelen?”

»Neen, don Blas. Wacht! nog iets: zeg geen woord aan mijn vader; gij weet hoe goed hij is; hij zou ze mij cadeau willen maken en ik wil deze kleinigheid volstrekt uit mijn eigen beurs betalen.”

De capataz lachte met een gezicht alsof hij het wel met haar wist. De goede man gevoelde zich gelukkig dat hij in een geheim mocht deelen, hoe gering dan ook, van zijn troetelkind, zooals hij zijne jonge meesteres gewoonlijk noemde.

»Het blijft onder ons,” zeide hij, »ik ben zoo stom als een visch.”

DoñaAnita knipoogde hem vriendelijk toe, en verwijderde zich met een vergenoegd lachje.

Wat beduidde die brief? en waarom had zij dien geschreven?

Dat zullen wij straks zien.

Dien geheelen dag viel er op de hacienda niets bijzonders voor; alleen zocht de graaf de LhoraillesdoñaAnita verscheidene keeren te zien en tot een ernstig gesprek over te halen, dat deze echter telkens wist te ontwijken.

Blas Vasquez vertrok in de richting van Guaymas en stelde zich aan het hoofd van zijn troep, die het terstond in vollen galop zette uit vrees van overrompeld te worden.

Nauwelijks was hij buiten het gezicht der kolonie en omtrent twintig minuten ver in het hooge prairiegras verdwenen, of plotseling sprongen er twee mannen op zijn pad te voorschijn, die de paarden tegenhielden en vlak voor hem bleven staan.

Van deze twee mannen was de eene, zooals uit alles bleek een Indiaan; in den anderen herkende de capataz dadelijk denzelfden persoon dien hij des morgens op de hacienda gezien had.

Blas Vasquez wenkte zijn troep om halt te maken en reed de beide vreemdelingen alleen te gemoet.[121]

»Door welk toeval ontmoet ik u hier,señorFrances?” zeide hij, »wij zijn hier nog ver van het punt dat gij mij als standplaats hebt aangewezen.”

Hierop boog hij beleefd.

Don Louis boog insgelijks.

»Wij zijn wel is waar ver van ons punt van afspraak,” antwoordde hij, »doch daar wij geen spoor van Apachen in de prairie hebben gevonden, achtten wij het onnoodig u zulk een langen omweg te laten maken; ik ben dus afgezonden om u naar de hinderlaag te geleiden die wij voor u gekozen hebben.”

»Gij hebt welgedaan. Moeten wij nu nog lang marcheeren?”

»Neen, geen kwartier ver meer; wij gaan naar een eilandje dat gij van hier reeds kunt zien, als gij u een weinig in de stijgbeugels opheft,” voegde hij er bij, met de hand in de richting van het bedoelde eiland wijzende.

»Ei zoo!” riep de capataz, »dat punt is goed gekozen; van daar bestrijken wij de heele rivier.”

»Juist daarom hebben wij ons bij dat punt bepaald.”

»Wil dan onze gids maar zijn,señorFrances; wij zullen u volgen.”

Het detachement hervatte den marsch. Gelijk don Louis gezegd had, werden de capataz en zijne veertig peons thans bij de vijf avonturiers op het eiland gekampeerd en zoo goed door het lange gras en de wortelboomen gedekt, dat men van de beide rivieroevers onmogelijk iets van hen kon bemerken.

Zoodra de capataz zijn plicht als hoofdman van het detachement had volbracht, nam hij plaats aan het bivakvuur bij zijne nieuwe vrienden, aan welke don Louis hem voorstelde.

De eerste persoon dien don Blas hier vond was don Martial de Tigrero.

Bij deze ontmoeting kon hij zijne verrassing kwalijk verbergen.

»Caspita!” riep hij met een hartelijken lach, »wat zonderlinge ontmoeting!”

»Hoedat?” vroeg de Mexicaan tamelijk onthutst over deze herkenning, die hij gansch niet verwachtte, daar hij meende bij den capataz niet bekend te zijn.

»Is u niet don Martial Asuzena, de Tigrero?” vervolgde Blas Vasquez.

»Die ben ik,” antwoordde don Martial meer en meer ongerust.

»Mijn hemel! het zou mij vrij wat moeite gekost hebben u te Guaymas te vinden, en ik dacht waarlijk niet dat ik zoo gelukkig zou zijn u hier reeds aan te treffen.”

»Verklaar u nader als ik u verzoeken mag, ik begrijp niets van hetgeen gij zegt.”

»Ik heb eene boodschap voor u van wege mijne jonge meesteres.”

»Wat zegt gij!” riep de Tigrero, wiens hart klopte van verrassing.[122]

»Niets anders dan hetgeen ik zeg;doñaAnita wil naar het schijnt een paar tijgervellen van u koopen.”

»Van mij?”

»Welzeker.”

Don Martial keek hem met zulk een verwezen blik aan, dat de ronde capataz begon te schateren van lachen. Dit gelach bracht den jongman tot bezinning en deed hem bevroeden dat er misschien een geheim achter verscholen lag en dat hij, wanneer hij nog langer vreemd opkeek, bij den eenvoudigen hofmeester licht andere vermoedens zou opwekken die deze thans niet bezat, daar hij niets van het groote geheim wist.

»Inderdaad,” zeide hij alsof hij zich iets herinnerde, »ik geloof dat ik eenigen tijd geleden …”

»Ha!” viel hem de capataz in de rede, »dat dacht ik wel half; welnu, zij heeft mij met een brief belast, dien ik u bij mijne eerste ontmoeting zou overhandigen.”

»Een brief! van wie?”

»Wel, van mijne jonge meesteres zelve, denk ik.”

»VandoñaAnita?”

»Ja, van wie anders?”

»Geef hem mij dadelijk!” riep de Tigrero in vervoering.

De capataz haalde den brief uit zijn zak, en don Martial ontrukte hem dien meer dan hij die aannam, brak het zegel met bevende hand open en las den inhoud.

Toen hij hem gelezen had stak hij hem in zijne borst.

»Wel, wat schrijft nu mijne meesteres?”

»Niets anders dan hetgeen gij mij gezegd hebt,” antwoordde de Tigrero min of meer stotterend.

Blas Vasquez schudde het hoofd.

»Hm! die man heeft zeker iets dat hij voor mij niet wil weten,” mompelde hij. »ZoudoñaAnita mij soms gefopt hebben?”

Intusschen was de Tigrero opgestaan en stapte driftig op en neer, alsof er een belangrijk ontwerp bij hem omging; eindelijk trad hij naar Goedsmoeds, die stil zat te rooken, bukte aan zijn oor en fluisterde hem eenige woorden in, die de Canadees toestemmend beantwoordde. Een lichtstraal van vreugde blonk op het sombere gelaat van den Tigrero en terwijl hij Cuchares een wenk gaf verlieten zij samen het bivak.

Eenige minuten daarna zaten don Martial en de lepero reeds te paard, en staken de rivier over die het eiland van het vaste land afscheidde.

De capataz bemerkte hen eerst toen zij aan de overzijde aan land stapten.

Hij slaakte een kreet van verbazing.

»Caspita,” riep hij, »de Tigrero schijnt ons te verlaten; waar of hij heen gaat?”[123]

Goedsmoeds keek don Blas aan met een schalksch gezicht, half zuur, half zoet, en antwoordde op schertsenden toon:

»Wie weet? misschien gaat hij een antwoord brengen op den brief dien hij van u ontvangen heeft.”

»Dat zou niet onmogelijk zijn,” hernam de capataz nadenkend, daar hij niet recht wist wat hij er op zeggen zou.

Op dit oogenblik ging de zon majestueus onder, in een zee van gouden en purperen dampen, achter de besneeuwde toppen van de hooge bergen der Sierra Madre; de nacht zou weldra zijn zwarten mantel over het sluimerende aardrijk uitspreiden.


Back to IndexNext