[Inhoud]XIII.EEN WEDLOOP BIJ NACHT.De gebeurtenissen wisselden elkander in dezen nacht zoo snel af, dat wij, ten einde het front der hoofdzaken op eene lijn te houden, genoodzaakt zijn om gedurig van den eenen persoon tot den anderen over te gaan.Don Martial was rijk, zelfs buitengewoon rijk. Daarbij eergierig van aard en even krijgshaftig als ongestadig, had hij het vak van Tigrero, of tijgerjager, alleen bij de hand genomen om een gepast voorwendsel of ernstig doel te vinden voor zijne onophoudelijke omzwerving door de wildernissen, daar hij het grootste gedeelte van zijn onrustig leven had doorgebracht.De tigreros zijn gewoonlijk verdienstelijke woudloopers of jagers, die zich voor een zeker dagloon, en een premie voor elke huid bovendien, bij de hacienderos verhuren om de wilde beesten te schieten, die vaak de weerlooze kudden aanranden.Wat andere tigreros voor geld doen, deed hij voor zijn eigen genoegen of voor tijdverdrijf; aan de grenzen was hij zeer bemind en gezien, vooral bij de hacienderos, die in hem behalve den afgerichten en onverschrokken jager tevens een goed tafelvriend en volmaakt edelman wisten te waardeeren.Don Martial haddoñaAnita voor de eerste maal gezien toen zijn wisselvallig beroep hem bij toeval op een aan don Sylva toebehoorende hacienda bracht, waar hij in minder dan eene maand tijd een tiental jaguars en andere verscheurende dieren had gedood.Daar de Tigrero de schoone Anita, die hij niet leerde kennen zonder er smoorlijk op te verlieven, gedurig naging en bespiedde, had hij eens het geluk of ongeluk haar te ontmoeten juist op het oogenblik dat haar paard aan het hollen geraakte, en hij in de gelegenheid was haar te redden bijna ten koste van zijn eigen leven.Het was ten gevolge dezer gebeurtenis dat het meisje hem voor[124]het eerst opmerkte en toesprak, het overige is den lezer bekend.Na den brief vandoñaAnita gelezen te hebben had don Martial het eiland verlaten, vergezeld van Cuchares.Dit besluit had den lepero bitter teleurgesteld; hij verwenschte in zijn binnenste dat hij zoo dwaas was geweest om zich aan den man te verbinden, dien hij thans als met hangende ooren volgde en die hem van oogenblik tot oogenblik blootstelde om met een Indiaansche pijl doorschoten te worden, zonder eenig voordeel of zelfs prijswaardige reden. Intusschen was Cuchares de man niet om den Tigrero zijn kwade luim te toonen.Hij begreep dat er wel zeer geldige redenen moesten bestaan om tegen het vallen van den nacht een bivak te verlaten, waar men zoo goed tegen den aanval der wilde dieren beveiligd was en den bijstand der jagers op te geven, om zonder blijkbaar doel door de wildernis te gaan zwerven. Hij brandde van verlangen om deze redenen te leeren kennen, maar hij wist dat don Martial weinig sprak en vooral niet kon dulden dat men zijne geheimen zocht uit te vorschen, en daar de lepero ondanks al zijn hollebolligheid den Tigrero inwendig grooten eerbied, ja zelfs een goede dosis vrees toedroeg, stelde hij de talrijke vragen die hij hem te doen had uit tot gelegener oogenblik.De beide mannen reden dus stil naast elkander en vervolgden hun weg, terwijl zij den teugel achteloos op den hals hunner paarden lieten rusten en ieder voor zich zelven nadacht; Cuchares bemerkte echter weldra dat de Tigrero in plaats van zich dieper in het bosch te begeven, veeleer met opzet den rand van het water verkoos te volgen en zijn paard zoo dicht mogelijk bij de rivier te houden.Inmiddels nam de duisternis hand over hand toe; de meer verwijderde voorwerpen begonnen met de donkere massas aan den horizont samen te smelten, en weldra bevonden de beide ruiters zich in volslagen duisternis.Sinds eenigen tijd reeds had de lepero, hetzij door hoesten of door nu en dan een uitroep de aandacht van zijn tochtgenoot pogen gaande te maken; doch toen hij zag dat de nacht zoo donker als pik was geworden, terwijl de Tigrero er niet om scheen te geven maar steeds in den zelfden galop voortreed, verstoutte hij zich eindelijk het woord tot hem te richten.»Don Martial!” begon hij.»Wel?” antwoordde deze onverschillig.»Vindt gij niet dat het tijd wordt een weinig stil te houden?”»Om welke reden?”»Om welke reden?” herhaalde de lepero op een toon van verbazing.»Ja, wij zijn immers nog niet waar wij wezen moeten?”»Gaan wij dan ergens heen?”»Waartoe zouden wij anders onze vrienden verlaten hebben?”»Dat is waar. Maar waar gaan wij dan heen? Dat zou ik wel willen weten.”[125]»Gij zult het spoedig weten.”»Ik moet u zeggen dat ik er zeer naar verlang.”Er volgde weder een poos stilte en zij reden steeds verder.Zij hadden den heuvel van Guetzalli reeds ver achter zich en bereikten eene soort van kreek, die door hare sterke kromming bijna evenwijdig liep met het achtergedeelte der hacienda, wier donkere massa zich recht voor hen verhief en hen met hare schaduw verborg.Don Martial bleef staan.»Wij zijn er,” zeide hij.»Eindelijk!” bromde de lepero met een zucht van genoegen.»Dat wil zeggen,” hervatte de Tigrero; »dat de gemakkelijkste helft van onze onderneming voorbij is.”»Wij hebben dus eene onderneming.”»Pardi! denkt gij dan, mijn waarde, dat ik louter voor pleizier zoo laat in den nacht langs den oever der Rio Gila loop dwalen?”»Dat verwonderde mij ook al.”»Thans zal onze onderneming eigenlijk pas beginnen.”»Goed.”»Alleen moet ik u zeggen dat zij vrij gevaarlijk is; in allen gevalle reken ik op u.”»Ik dank u,” antwoordde Cuchares, terwijl hij een leelijk gezicht trok, dat voor een glimlach moest doorgaan.Ronduit gezegd, had de lepero liever gewild dat zijn vriend hem dit blijk van vertrouwen niet gegeven had.Don Martial vervolgde.»Dáár moeten wij heen,” zeide hij met de hand naar de rivier wijzende.»Wat! daar heen? naar de hacienda?”»Ja!”»Wilt gij u dan in de pan laten hakken?”»Hoezoo?”»Denkt gij dat wij de hacienda bereiken kunnen zonder ontdekt te worden?”»Daar zullen wij de proef van nemen.”»Ja, en als het ons niet gelukt, zullen die duivelsche Franschen, die zoo scherp op de loer liggen, ons voor wilden aanzien en kort en goed doodschieten.”»Daar is wel eenige kans op.”»Ik dank u hartelijk! ik blijf liever hier; want om u de waarheid te zeggen ben ik nog niet gek genoeg om met een vroolijk hart den leeuw in den muil te loopen; ga gij maar alleen, zoo gij er lust toe hebt; maar ik blijf hier.”De Tigrero kon zijn lach niet langer bedwingen.»Het gevaar is niet zoo groot als gij u verbeeldt, wij worden op[126]de hacienda verwacht, door iemand, die zonder twijfel den schildwacht zal weten te verwijderen van het punt waar wij aan land komen.”»Dat is wel mogelijk, maar ik verkies er liever niet de proef van te nemen, want een kogel weet van geen medelijden; en bovendien, die duivelsche Franschen schieten raak om van te beven.”De Tigrero antwoordde niet, hij scheen zelfs de aanmerking van zijn kameraad niet gehoord te hebben, zijne gedachten zwierven elders. In gebogen houding stond hij te luisteren.Sedert eenige minuten had de wildernis een zonderlinge gedaante bekomen, zij scheen te ontwaken: geluiden zonder naam rezen op uit de diepte der bosschen en struiken; dieren van allerlei soort sprongen verschrikt te voorschijn en snelden de avonturiers voorbij zonder hen te zien; de vogels uit hun eersten slaap opgewekt, vlogen op onder scherp krijschend geschreeuw en verhieven zich hoog in de lucht; op de rivier zag men de schimmen der wilde dieren, die haar met drift overzwommen om den anderen oever te bereiken. Ongetwijfeld ging er iets buitengewoons om in de prairiën.Van tijd tot tijd hoorde men in de verte geknetter en gekraak, gevolgd door een dof geloei als van een opkomenden vloed, dat van oogenblik tot oogenblik duidelijker werd.Aan den uitersten horizont vertoonde zich een breede roode band, die zich van minuut tot minuut uitbreidde, en het landschap kleurde met een glans van purper en goud en er een fantastisch voorkomen aan leende, omtrent als een toovertooneel met bengaalsche vuren.Reeds tweemaal waren er verbazende rookwolken, hier en daar met vonken besprenkeld, als rollende bergen over hunne hoofden voorbijgedreven.»Zeg, wat zou dat zijn?” riep de lepero; »zie toch onze paarden eens, don Martial.”Werkelijk stonden de edele dieren, met gerekte halzen en gestreken ooren, te hijgen van angst en te stampvoeten als zochten zij hunne meesters te ontsnappen.»Wat hun schort, caspita!” antwoordde de Tigrero bedaard, »zij ruiken den brand, anders niets.”»Hoedat den brand! denkt gij dan dat er brand is in de prairie?”»Ik denk het niet, maar ik weet het zeker, het hangt alleen van u zelven af om het te zien, even goed als ik.”»En wat moet dat beduiden?”»Niet veel bijzonders, het is maar zoo’n gewone streek van de Indianen, wij zijn immers in de Maan van Mexico, weet gij dat nog niet?”»Neem mij niet kwalijk; ik ben geen woudlooper; ik wil u wel zeggen dat mij dit alles zeer ongerust maakt en dat ik een goed ding zou willen geven als ik er uit was.”[127]De lepero gaf alle blijken van angst.»Gij lijkt wel een kind,” lachte don Martial; »weet gij dan niet dat het de Indianen zijn, die, om hun aantal te verbergen de prairie in brand hebben gestoken; zij volgen onmiddellijk op het vuur, zoo aanstonds zult gij hun oorlogskreet hooren weergalmen; achter dat gordijn van rook en vlammen, dat gedurig al nader komt, rukken zij op en zullen zij u weldra van alle kanten omsingelen. Als gij hier blijft, loopt gij op drieërlei wijze gevaar: hetzij om gebraden, gescalpeerd of gedood te worden, alle drie zeer onaangename zaken, die u als ik mij niet vergis maar half moeten bevallen. Geloof mij toch en doe wat ik u zeg, ga met mij mede; of wilt gij liever gedood worden, zeg het dan maar ronduit, er zit niets anders op. Hoe is ’t? wilt gij in de rivier afdalen? het vuur nadert: over drie minuten hebt gij geen tijd meer. Wat wilt gij?”»Ik volg u,” antwoordde de lepero met een bedrukte stem; »ik moet immers wel! Ik was dwaas, of de duivel heeft mij verleid om Guaymas te verlaten, waar ik zoo gelukkig was, waar ik niets behoefde te doen; en mij dan hier in zulke voetangels en klemmen te steken! Ik wil u wel zeggen, als ik er ooit levend afkom, dat het een knap man zal moeten zijn die mij hier ooit weer ziet.”»Ba, ba! dat zeggen ze altijd; laten wij ons haasten, de tijd dringt.”Werkelijk stond de wildernis over een uitgestrektheid van verscheidene mijlen in brand als de krater van een onmetelijken vulkaan, de vlammen golfden en rolden voort als de baren der zee; de dikste boomen wegmaaiend en verdelgend als stroohalmen.Uit het dikke koperroode rookgordijn dat den brand voorafging, sprongen nog gedurig gansche troepen wolven, bisons of jaguars te voorschijn, en stortten zich in de Rio Gila onder angstig gehuil, geloei en gebrul.Don Martial en de lepero daalden met hunne paarden in de rivier af.De schrandere dieren, door hun instinct geleid, drongen haastig voorwaarts naar den anderen oever.Dit gedeelte van de woestijn maakte wel een zonderling contrast met hetgeen zij verlaten hadden, dat veel had van een onmetelijk fornuis, vol onbestemde geluiden, schrik en jammerkreten en noodgeschrei; een zee van vuur wier grootsche en onverbiddelijke baren alles verzwolgen en verslonden wat haar in den weg stond; het ging over heuvels en dalen, rotsen en wildernissen en deed binnen weinige minuten alle voortbrengsels zoo planten als dieren verschroeien of in rook opgaan of in asch verstuiven.De Rio Gila, omstreeks dezen tijd des jaars door de gevallen regens in de Sierra Madre gezwollen, was dubbel zoo breed als gedurende den zomer, en uithoofde harer snelheid een gevaarlijke stroom; op het oogenblik echter dat onze twee avonturiers haar[128]overzwommen, hadden de menigte dieren die haar in dichte troepen tegelijkertijd zochten te passeeren hare kracht zoo zeer gebroken, dat zij den overtocht van den eenen oever naar den anderen in betrekkelijk korten tijd volbrachten.»Hé!” riep Cuchares op het oogenblik dat de paarden vasten grond onder de voeten kregen, en tegen den steilen kant opklauterden, »hebt gij mij niet gezegd, don Martial, dat wij naar de hacienda moesten? dan zijn wij dunkt mij niet op den rechten weg.”»Uw dunk is verkeerd, kameraad,” antwoordde don Martial; »onthoud deze les: als gij in de woestijn reist moet gij altijd doen of gij het doel ontwijkt dat gij bereiken wilt, anders komt gij er nooit.”»Dat wil zeggen.…?”»Dat wij vooreerst onze paarden in dit boschje dennen en acajou-ceders zullen vastmaken, waar zij volkomen veilig zullen zijn en daarna gaan wij naar de hacienda.”De Tigrero stapte terstond af, bracht zijn paard onder het lommer der hooge boomen, nam het den hoofdstel af om het vrij te laten grazen, deed het de kluisters aan en keerde naar den oever terug.Cuchares met de kracht der wanhoop gewapend, die in zekere omstandigheden den schijn aanneemt van waren heldenmoed, had het voorbeeld van zijn tochtgenoot in allen deele stiptelijk gevolgd. De eerzame lepero eindelijk besloten hebbende een dapper man te zijn, wel overtuigd dat hij anders verloren was, gaf zich over aan de luimen van zijne goede of kwade gesternte met het dwepende optimisme der mestiezen, die op dit punt voor de oosterlingen niet behoeven onder te doen.Wij hebben hierboven reeds te kennen gegeven, dat aan deze zijde der rivier alles in de diepste rust gedompeld lag; de avonturiers bevonden zich dus voor alle gevaar beveiligd.»Hoor eens,” riep de lepero opnieuw, »het rek is een beetje lang van hier naar de hacienda; ik geloof nooit dat ik zoo ver zal kunnen zwemmen.”»Geduld; als gij niet tegen een weinig moeite opziet, zullen wij zonder twijfel wel een middeltje vinden om ons den weg te bekorten. Ah! wacht, wat heb ik u gezegd,” riep hij een oogenblik later, hem met den vinger een kleine prauw aanwijzende, die in een smalle kreek aan een paal vast lag.»De kolonisten komen hier vaak visschen,” vervolgde hij, »zij hebben zoo een aantal prauwen van afstand tot afstand in de biezen verborgen. Wij zullen deze maar nemen, dan zijn wij binnen weinig minuten waar wij wezen moeten; kunt gij met de pagaaien omgaan?”»Ja, als ik niet bang behoef te wezen.”Don Martial keek hem eenigesecondenstrak aan en legde hem toenonzachtde hand op den schouder.»Hoor eens, vriend Cuchares,” zeide hij op een drogen, bijtenden[129]toon, »ik heb geen tijd om lang met u te praten, maar ik heb zeer ernstige redenen om te doen wat ik doe en ik eisch van u volkomen vertrouwen, zonder aarzeling of argwaan hoe ook genaamd; houd u dus voor gewaarschuwd. Gij kent mij, op de eerste verdachte beweging die gij maakt schiet ik u een kogel door den kop als een coyote. Kom, help mij nu de prauw los maken en wij gaan dadelijk op weg.”De lepero had het begrepen, hij onderwierp zich. Binnen een paar minuten was de prauw gereed en de twee mannen er in.De tocht dien zij te maken hadden om het achtergedeelte der hacienda te bereiken was niet bijzonder ver, maar met hindernissen bezaaid, en in vele opzichten gevaarlijk; vooreerst uithoofde van den sterken stroom, die wat meer zegt, een groot aantal doode boomen medesleepte, de meesten nog in hun volle gewei van takken en wortels, die half boven water drijvende, telkens dreigden de zwakke boot omver te werpen; vervolgens de menigte wilde dieren die uit vrees voor brand de rivier in dichte troepen overzwommen, zoodat de prauw wanneer zij in zulk eene als verdwaasd vluchtende manade bezet raakte, ontwijfelbaar zou worden verpletterd met al wat er in was; een derde gevaar dat de avonturiers liepen, was nog, dat de schildwachten, die hier en daar in het dichte hakhout verscholen zaten om de toegangen der kolonie aan den rivierkant te verdedigen, hun een kogel toezonden.Dit gevaar was echter niets in vergelijking der andere door ons opgenoemde, daar het zich liet aanzien dat de Franschen, door het schijnsel van den naderenden brand opgewekt, al hunne blikken naar het vaste land zouden richten. Voor het overige meende don Martial zeker te zijn dat hij van de schildwachts niets te vreezen had, daar men deze wel zou verwijderd hebben.Op een wenk van don Martial greep de lepero de pagaaien en zij staken van wal.De brand breidde zich snel uit in de richting van het westen en zette zijne verwoestingen met kracht voort.De prauw kon slechts langzaam en niet dan met de meeste voorzichtigheid vorderen, uithoofde van den sterken stroom en de menigte voorwerpen die de vaart belemmerden.Bleek als een lijk van angst, met stoppelende haren en van schrik uitpuilende oogen, hanteerde Cuchares de pagaaien en beval zijne ziel aan al de heiligen der vergulde legende van Spanje, meer dan ooit overtuigd dat hij niet goed af zou komen van de onderneming, waarin hij zich zoo onhandig gestoken had.Overigens schenen de omstandigheden zoo ernstig, dat zelfs de Tigrero al zijne onversaagdheid en vooral de opgewondenheid noodig had, waartoe zijn beoogde doel hem aanvuurde, om niet in den zelfden schrik te deelen die zijn kameraad bezielde.Hoe verder zij kwamen, hoe talrijker de hindernissen werden;[130]gedurig verplicht om de boomen te mijden, die in menigte op den stroom dreven en hun telkens den doortocht beletten, draaiden zij om zoo te zeggen als in een cirkel rond, kwamen wel tienmaal op hetzelfde punt terug en moesten schier aan alle kanten tegelijk acht geven, om niet omgeworpen te worden of door een warnet van onzichtbare of zichtbare wortels en takken te worden medegesleept.Zoo hadden zij reeds bijna twee uren met de grootste inspanning gevaren, en naderden zij eindelijk van lieverlede de hacienda, die zich als eene donkere massa tegen den helderen sterrenhemel afteekende. Plotseling klonk er een vervaarlijke kreet uit eenige honderd woeste kelen door de nachtelijke ruimte, onmiddellijk gevolgd door een donderende losbranding van grof geschut en klein geweer.«Santa Virgo!» riep Cuchares terwijl hij de pagaaien losliet en de handen samenvouwde, «wij zijn verloren.» Bladz. 130.«Santa Virgo!» riep Cuchares terwijl hij de pagaaien losliet en de handen samenvouwde, «wij zijn verloren.» Bladz. 130.»Santa Virgo!” riep Cuchares terwijl hij de pagaaien losliet en de handen samenvouwde, »wij zijn verloren.”»Carai!” zei de Tigrero, »integendeel, nu zijn wij behouden, de Indianen bestormen de kolonie, al de Franschen zijn dus op de wallen en niemand denkt meer aan ons.Wakker op! jongen, nog een paar riemslagen en wij zijn er.”»God geeft dat gij waarheid spreekt!” mompelde de lepero en hij begon weder te pagaaien, al was het ook met bevende hand.»Caramba! dat schijnt daar een ernstige aanval,” vervolgde de Tigrero. »Des te beter! hoe meer ze daar ginder vechten, hoe minder men hier op ons zal letten; maken wij intusschen voort.”Aan de zijde der landengte hoorde men het rumoer van den strijd, die met ieder oogenblik heviger scheen te worden.De twee avonturiers, in de schaduw onzichtbaar, pagaaiden stil voort en naderden meer en meer de hacienda.Don Martial wierp een bespiedenden blik in het rond; aan dit gedeelte van den oever, ofschoonnauwelijkseen half pistoolschot ver van de hacienda, was alles doodstil en roerloos. Niets deed vermoeden dat men hen bemerkt had.De Tigrero bukte naar zijn kameraad.»Houd op,” zeide hij zacht, »wij zijn aan.”»Hoedat! aan?” herhaalde de lepero met een ontsteld gezicht, »wij zijn nog veraf.”»Neen; op de plaats waar wij thans zijn hebt gij hoegenaamd niets te vreezen; blijf hier in de prauw, leg haar vast aan een boomstam in de nabijheid, om hier op mij te wachten.”»En gij dan?”»Ik? ik ga weg en laat u voor een paar uren alleen; houd vooral goed de wacht. Als gij iets bijzonders bespeurt, waarschuw mij dan door tweemaal op verschillende wijze te roepen als een waterhoen; hebt gij mij begrepen?”»Opperbest. Maar als ons eens onmiddellijk gevaar dreigde, wat moet ik dan doen?”[131]De Tigrero bedacht zich een oogenblik.»Welk gevaar zou u hier kunnen dreigen?” vroeg hij toen.»Dat weet ik niet,” zei Cuchares, »maar de Indianen zijn zulke kwaadaardige duivels; met hen moet men op alles bedacht zijn.”»Gij hebt gelijk. Welnu, als u eenig ernstig gevaar mocht bedreigen, maar alleen in dat enkele geval, hoor! moet gij nadat gij een signaal hebt gegeven, de prauw voortstuwen naar dat punt dat gij van hier zien kunt; die wortelboomen daar ginds bedoel ik: daar tusschen zijt gij volkomen beschut en daar kom ik onmiddellijk bij u.”»Goed, dat is afgesproken; maar dan, hoe zal ik weten waar ik u vinden moet.”»Ik zal tweemaal het geluid van den prairiehond nabootsen. Pas nu op, en wees voorzichtig.”»Gij kunt op mij rekenen.”De Tigrero ontdeed zich van de kleederen die hem hadden kunnen belemmeren, zooals zijnzarape, en zijnebotas vaqueras, en hield niet anders aan dan zijn broek en vest, stak zijn mes in zijn gordel, hing zijne pistolen, zijne buks en zijn patroontasch om, en bootste op eene bedriegelijke wijze het gefluit van denmaukawisna. Weldra klonk hetzelfde geluid van den oever; en de Tigrero, na zijn kameraad voor de laatste maal waakzaamheid te hebben aanbevolen, nam zijne wapens zorgvuldig op zijn hoofd en liet zich zacht in het water glijden. De lepero zag hem weldra rustig en met kracht wegzwemmen, koers houdende naar de hacienda; maar allengs begon de Tigrero in de verte te verdwijnen tot hij eindelijk in de schaduw van den oever onzichtbaar werd.Zoodra Cuchares alleen was, bekeek hij, zonder bepaald te weten waarom, zorgvuldig zijne wapens om te zien of ze wel goed in orde waren en deed nieuw kruit op de pan, ten einde gereed te zijn en niet weerloos overrompeld te worden; vervolgens gerustgesteld door de kalmte die in den omtrek bleef heerschen ging hij ondanks de waarschuwing van den Tigrero op den bodem der prauw liggen en schikte zich om te slapen.Het rumoer van den strijd was langzamerhand verminderd en had eindelijk geheel opgehouden, men hoorde niet meerschreeuwennoch schieten; de Indianen, door de kolonisten teruggeslagen, hadden van hun aanval afgezien. Ook de brand in de prairie was merkelijk verflauwd, kortom, de woestijn scheen tot hare gewone stilte en eenzaamheid teruggekeerd.De lepero lag op zijn rug op den bodem der prauw en keek naar de heldere sterren, die in het blauwe hemelruim schitterden en fonkelden. Zacht wiegelend op den schommelenden stroom gaf hij zich over aan onbezorgde droomen, en sloot nu en dan de oogen; eindelijk kwam hij op het geheimzinnige punt dat geen waken noch slapen meer heeten mag, en zou hij waarschijnlijk spoedig zijn ingedommeld, zoo hij niet even voordat hij bepaald de oogen zou sluiten,[132]gewetenshalve zijn reeds door slaap benevelden blik voor het laatst had rondgeslagen—wat zag hij? hij ontroerde er van, zou bijna een schreeuw hebben gegeven van angst en stond zoo haastig op, dat het weinig scheelde of hij had de prauw doen omslaan.Cuchares had een ontzettend visioen gehad, hij wreef zich de oogen om zich te verzekeren dat hij wakker was, en keek opnieuw rond.Wat hij voor een visioen had gehouden, was inderdaad iets wezenlijks; hij had wel goed gezien.Gelijk wij straks gezegd hebben dreven er een menigte doode boomen met takken en wortels op den stroom. Sedert eenigen tijd had zich een groot aantal dezer boomen in de nabijheid der prauw verzameld: zonder dat de lepero er eene voldoende reden voor kon vinden, te minder daar deze boomen terwijl zij natuurlijkerwijs den stroom van het water hadden moeten volgen, integendeel in allerlei richtingen dreven en in plaats van midden in de rivier te blijven veeleer den oever waar de hacienda op lag meer en meer naderden.Wat nog zonderlinger scheen, was dat de gang dezer vlottende stammen zich bepaald naar hetzelfde punt richtte, namelijk het uiteinde der landtong, juist achter de hacienda; voorts—het was inderdaad om van te huiveren—zag Cuchares te midden van al deze stammen, takken en wortels, vurige oogen schitteren, en akelige hoofden met afschuwelijke aangezichten opsteken.Er viel niet langer aan te twijfelen, in iederen boom zaten zes of meer Apachen; de Roodhuiden, na in hun eerste poging aan de landzijde gefaald te hebben, trachtten nu de kolonie aan den rivierkant te naderen en haar onder bedekking der boomen daar zij zich achter verscholen hielden, te overrompelen.De positie van den lepero was hachelijk.Tot dusver hadden de Indianen, te veel met het uitvoeren van hun plan bezig, zeker niet op de prauw gelet of zoo zij die al hadden gezien, er zich niet om bekreund, in den waan dat zij aan een der hunnen toebehoorde; met ieder oogenblik echter kon deze dwaling ontdekt en de lepero herkend worden, en dan wist hij maar al te goed dat hij verloren was.Reeds twee of drie malen was er voor een oogenblik eene hand aan het boord der ranke boot geslagen, maar als door bijzondere bewaring had de Indiaan die dit deed niet goedgevonden even in de prauw te kijken.Al deze en nog vele andere beschouwingen gingen den armen Cuchares door het hoofd, terwijl hij schijnbaar zoo gemakkelijk op zijn rug in de prauw lag, zacht wiegende op de hobbelende baren en terwijl hij boven zijn hoofd de heldere sterren aan het firmament zag blinken. Met een door schrik vertrokken aangezicht, bleek als de dood, in iedere hand een pistool krampachtig vastklemmend, en zich in stilte aan zijn bijzonderen beschermheilige aanbevelende, wachtte hij[133]de schrikkelijke uitkomst af die met iedere verloopende minuut dreigender werd.Hij behoefde niet lang te wachten.
[Inhoud]XIII.EEN WEDLOOP BIJ NACHT.De gebeurtenissen wisselden elkander in dezen nacht zoo snel af, dat wij, ten einde het front der hoofdzaken op eene lijn te houden, genoodzaakt zijn om gedurig van den eenen persoon tot den anderen over te gaan.Don Martial was rijk, zelfs buitengewoon rijk. Daarbij eergierig van aard en even krijgshaftig als ongestadig, had hij het vak van Tigrero, of tijgerjager, alleen bij de hand genomen om een gepast voorwendsel of ernstig doel te vinden voor zijne onophoudelijke omzwerving door de wildernissen, daar hij het grootste gedeelte van zijn onrustig leven had doorgebracht.De tigreros zijn gewoonlijk verdienstelijke woudloopers of jagers, die zich voor een zeker dagloon, en een premie voor elke huid bovendien, bij de hacienderos verhuren om de wilde beesten te schieten, die vaak de weerlooze kudden aanranden.Wat andere tigreros voor geld doen, deed hij voor zijn eigen genoegen of voor tijdverdrijf; aan de grenzen was hij zeer bemind en gezien, vooral bij de hacienderos, die in hem behalve den afgerichten en onverschrokken jager tevens een goed tafelvriend en volmaakt edelman wisten te waardeeren.Don Martial haddoñaAnita voor de eerste maal gezien toen zijn wisselvallig beroep hem bij toeval op een aan don Sylva toebehoorende hacienda bracht, waar hij in minder dan eene maand tijd een tiental jaguars en andere verscheurende dieren had gedood.Daar de Tigrero de schoone Anita, die hij niet leerde kennen zonder er smoorlijk op te verlieven, gedurig naging en bespiedde, had hij eens het geluk of ongeluk haar te ontmoeten juist op het oogenblik dat haar paard aan het hollen geraakte, en hij in de gelegenheid was haar te redden bijna ten koste van zijn eigen leven.Het was ten gevolge dezer gebeurtenis dat het meisje hem voor[124]het eerst opmerkte en toesprak, het overige is den lezer bekend.Na den brief vandoñaAnita gelezen te hebben had don Martial het eiland verlaten, vergezeld van Cuchares.Dit besluit had den lepero bitter teleurgesteld; hij verwenschte in zijn binnenste dat hij zoo dwaas was geweest om zich aan den man te verbinden, dien hij thans als met hangende ooren volgde en die hem van oogenblik tot oogenblik blootstelde om met een Indiaansche pijl doorschoten te worden, zonder eenig voordeel of zelfs prijswaardige reden. Intusschen was Cuchares de man niet om den Tigrero zijn kwade luim te toonen.Hij begreep dat er wel zeer geldige redenen moesten bestaan om tegen het vallen van den nacht een bivak te verlaten, waar men zoo goed tegen den aanval der wilde dieren beveiligd was en den bijstand der jagers op te geven, om zonder blijkbaar doel door de wildernis te gaan zwerven. Hij brandde van verlangen om deze redenen te leeren kennen, maar hij wist dat don Martial weinig sprak en vooral niet kon dulden dat men zijne geheimen zocht uit te vorschen, en daar de lepero ondanks al zijn hollebolligheid den Tigrero inwendig grooten eerbied, ja zelfs een goede dosis vrees toedroeg, stelde hij de talrijke vragen die hij hem te doen had uit tot gelegener oogenblik.De beide mannen reden dus stil naast elkander en vervolgden hun weg, terwijl zij den teugel achteloos op den hals hunner paarden lieten rusten en ieder voor zich zelven nadacht; Cuchares bemerkte echter weldra dat de Tigrero in plaats van zich dieper in het bosch te begeven, veeleer met opzet den rand van het water verkoos te volgen en zijn paard zoo dicht mogelijk bij de rivier te houden.Inmiddels nam de duisternis hand over hand toe; de meer verwijderde voorwerpen begonnen met de donkere massas aan den horizont samen te smelten, en weldra bevonden de beide ruiters zich in volslagen duisternis.Sinds eenigen tijd reeds had de lepero, hetzij door hoesten of door nu en dan een uitroep de aandacht van zijn tochtgenoot pogen gaande te maken; doch toen hij zag dat de nacht zoo donker als pik was geworden, terwijl de Tigrero er niet om scheen te geven maar steeds in den zelfden galop voortreed, verstoutte hij zich eindelijk het woord tot hem te richten.»Don Martial!” begon hij.»Wel?” antwoordde deze onverschillig.»Vindt gij niet dat het tijd wordt een weinig stil te houden?”»Om welke reden?”»Om welke reden?” herhaalde de lepero op een toon van verbazing.»Ja, wij zijn immers nog niet waar wij wezen moeten?”»Gaan wij dan ergens heen?”»Waartoe zouden wij anders onze vrienden verlaten hebben?”»Dat is waar. Maar waar gaan wij dan heen? Dat zou ik wel willen weten.”[125]»Gij zult het spoedig weten.”»Ik moet u zeggen dat ik er zeer naar verlang.”Er volgde weder een poos stilte en zij reden steeds verder.Zij hadden den heuvel van Guetzalli reeds ver achter zich en bereikten eene soort van kreek, die door hare sterke kromming bijna evenwijdig liep met het achtergedeelte der hacienda, wier donkere massa zich recht voor hen verhief en hen met hare schaduw verborg.Don Martial bleef staan.»Wij zijn er,” zeide hij.»Eindelijk!” bromde de lepero met een zucht van genoegen.»Dat wil zeggen,” hervatte de Tigrero; »dat de gemakkelijkste helft van onze onderneming voorbij is.”»Wij hebben dus eene onderneming.”»Pardi! denkt gij dan, mijn waarde, dat ik louter voor pleizier zoo laat in den nacht langs den oever der Rio Gila loop dwalen?”»Dat verwonderde mij ook al.”»Thans zal onze onderneming eigenlijk pas beginnen.”»Goed.”»Alleen moet ik u zeggen dat zij vrij gevaarlijk is; in allen gevalle reken ik op u.”»Ik dank u,” antwoordde Cuchares, terwijl hij een leelijk gezicht trok, dat voor een glimlach moest doorgaan.Ronduit gezegd, had de lepero liever gewild dat zijn vriend hem dit blijk van vertrouwen niet gegeven had.Don Martial vervolgde.»Dáár moeten wij heen,” zeide hij met de hand naar de rivier wijzende.»Wat! daar heen? naar de hacienda?”»Ja!”»Wilt gij u dan in de pan laten hakken?”»Hoezoo?”»Denkt gij dat wij de hacienda bereiken kunnen zonder ontdekt te worden?”»Daar zullen wij de proef van nemen.”»Ja, en als het ons niet gelukt, zullen die duivelsche Franschen, die zoo scherp op de loer liggen, ons voor wilden aanzien en kort en goed doodschieten.”»Daar is wel eenige kans op.”»Ik dank u hartelijk! ik blijf liever hier; want om u de waarheid te zeggen ben ik nog niet gek genoeg om met een vroolijk hart den leeuw in den muil te loopen; ga gij maar alleen, zoo gij er lust toe hebt; maar ik blijf hier.”De Tigrero kon zijn lach niet langer bedwingen.»Het gevaar is niet zoo groot als gij u verbeeldt, wij worden op[126]de hacienda verwacht, door iemand, die zonder twijfel den schildwacht zal weten te verwijderen van het punt waar wij aan land komen.”»Dat is wel mogelijk, maar ik verkies er liever niet de proef van te nemen, want een kogel weet van geen medelijden; en bovendien, die duivelsche Franschen schieten raak om van te beven.”De Tigrero antwoordde niet, hij scheen zelfs de aanmerking van zijn kameraad niet gehoord te hebben, zijne gedachten zwierven elders. In gebogen houding stond hij te luisteren.Sedert eenige minuten had de wildernis een zonderlinge gedaante bekomen, zij scheen te ontwaken: geluiden zonder naam rezen op uit de diepte der bosschen en struiken; dieren van allerlei soort sprongen verschrikt te voorschijn en snelden de avonturiers voorbij zonder hen te zien; de vogels uit hun eersten slaap opgewekt, vlogen op onder scherp krijschend geschreeuw en verhieven zich hoog in de lucht; op de rivier zag men de schimmen der wilde dieren, die haar met drift overzwommen om den anderen oever te bereiken. Ongetwijfeld ging er iets buitengewoons om in de prairiën.Van tijd tot tijd hoorde men in de verte geknetter en gekraak, gevolgd door een dof geloei als van een opkomenden vloed, dat van oogenblik tot oogenblik duidelijker werd.Aan den uitersten horizont vertoonde zich een breede roode band, die zich van minuut tot minuut uitbreidde, en het landschap kleurde met een glans van purper en goud en er een fantastisch voorkomen aan leende, omtrent als een toovertooneel met bengaalsche vuren.Reeds tweemaal waren er verbazende rookwolken, hier en daar met vonken besprenkeld, als rollende bergen over hunne hoofden voorbijgedreven.»Zeg, wat zou dat zijn?” riep de lepero; »zie toch onze paarden eens, don Martial.”Werkelijk stonden de edele dieren, met gerekte halzen en gestreken ooren, te hijgen van angst en te stampvoeten als zochten zij hunne meesters te ontsnappen.»Wat hun schort, caspita!” antwoordde de Tigrero bedaard, »zij ruiken den brand, anders niets.”»Hoedat den brand! denkt gij dan dat er brand is in de prairie?”»Ik denk het niet, maar ik weet het zeker, het hangt alleen van u zelven af om het te zien, even goed als ik.”»En wat moet dat beduiden?”»Niet veel bijzonders, het is maar zoo’n gewone streek van de Indianen, wij zijn immers in de Maan van Mexico, weet gij dat nog niet?”»Neem mij niet kwalijk; ik ben geen woudlooper; ik wil u wel zeggen dat mij dit alles zeer ongerust maakt en dat ik een goed ding zou willen geven als ik er uit was.”[127]De lepero gaf alle blijken van angst.»Gij lijkt wel een kind,” lachte don Martial; »weet gij dan niet dat het de Indianen zijn, die, om hun aantal te verbergen de prairie in brand hebben gestoken; zij volgen onmiddellijk op het vuur, zoo aanstonds zult gij hun oorlogskreet hooren weergalmen; achter dat gordijn van rook en vlammen, dat gedurig al nader komt, rukken zij op en zullen zij u weldra van alle kanten omsingelen. Als gij hier blijft, loopt gij op drieërlei wijze gevaar: hetzij om gebraden, gescalpeerd of gedood te worden, alle drie zeer onaangename zaken, die u als ik mij niet vergis maar half moeten bevallen. Geloof mij toch en doe wat ik u zeg, ga met mij mede; of wilt gij liever gedood worden, zeg het dan maar ronduit, er zit niets anders op. Hoe is ’t? wilt gij in de rivier afdalen? het vuur nadert: over drie minuten hebt gij geen tijd meer. Wat wilt gij?”»Ik volg u,” antwoordde de lepero met een bedrukte stem; »ik moet immers wel! Ik was dwaas, of de duivel heeft mij verleid om Guaymas te verlaten, waar ik zoo gelukkig was, waar ik niets behoefde te doen; en mij dan hier in zulke voetangels en klemmen te steken! Ik wil u wel zeggen, als ik er ooit levend afkom, dat het een knap man zal moeten zijn die mij hier ooit weer ziet.”»Ba, ba! dat zeggen ze altijd; laten wij ons haasten, de tijd dringt.”Werkelijk stond de wildernis over een uitgestrektheid van verscheidene mijlen in brand als de krater van een onmetelijken vulkaan, de vlammen golfden en rolden voort als de baren der zee; de dikste boomen wegmaaiend en verdelgend als stroohalmen.Uit het dikke koperroode rookgordijn dat den brand voorafging, sprongen nog gedurig gansche troepen wolven, bisons of jaguars te voorschijn, en stortten zich in de Rio Gila onder angstig gehuil, geloei en gebrul.Don Martial en de lepero daalden met hunne paarden in de rivier af.De schrandere dieren, door hun instinct geleid, drongen haastig voorwaarts naar den anderen oever.Dit gedeelte van de woestijn maakte wel een zonderling contrast met hetgeen zij verlaten hadden, dat veel had van een onmetelijk fornuis, vol onbestemde geluiden, schrik en jammerkreten en noodgeschrei; een zee van vuur wier grootsche en onverbiddelijke baren alles verzwolgen en verslonden wat haar in den weg stond; het ging over heuvels en dalen, rotsen en wildernissen en deed binnen weinige minuten alle voortbrengsels zoo planten als dieren verschroeien of in rook opgaan of in asch verstuiven.De Rio Gila, omstreeks dezen tijd des jaars door de gevallen regens in de Sierra Madre gezwollen, was dubbel zoo breed als gedurende den zomer, en uithoofde harer snelheid een gevaarlijke stroom; op het oogenblik echter dat onze twee avonturiers haar[128]overzwommen, hadden de menigte dieren die haar in dichte troepen tegelijkertijd zochten te passeeren hare kracht zoo zeer gebroken, dat zij den overtocht van den eenen oever naar den anderen in betrekkelijk korten tijd volbrachten.»Hé!” riep Cuchares op het oogenblik dat de paarden vasten grond onder de voeten kregen, en tegen den steilen kant opklauterden, »hebt gij mij niet gezegd, don Martial, dat wij naar de hacienda moesten? dan zijn wij dunkt mij niet op den rechten weg.”»Uw dunk is verkeerd, kameraad,” antwoordde don Martial; »onthoud deze les: als gij in de woestijn reist moet gij altijd doen of gij het doel ontwijkt dat gij bereiken wilt, anders komt gij er nooit.”»Dat wil zeggen.…?”»Dat wij vooreerst onze paarden in dit boschje dennen en acajou-ceders zullen vastmaken, waar zij volkomen veilig zullen zijn en daarna gaan wij naar de hacienda.”De Tigrero stapte terstond af, bracht zijn paard onder het lommer der hooge boomen, nam het den hoofdstel af om het vrij te laten grazen, deed het de kluisters aan en keerde naar den oever terug.Cuchares met de kracht der wanhoop gewapend, die in zekere omstandigheden den schijn aanneemt van waren heldenmoed, had het voorbeeld van zijn tochtgenoot in allen deele stiptelijk gevolgd. De eerzame lepero eindelijk besloten hebbende een dapper man te zijn, wel overtuigd dat hij anders verloren was, gaf zich over aan de luimen van zijne goede of kwade gesternte met het dwepende optimisme der mestiezen, die op dit punt voor de oosterlingen niet behoeven onder te doen.Wij hebben hierboven reeds te kennen gegeven, dat aan deze zijde der rivier alles in de diepste rust gedompeld lag; de avonturiers bevonden zich dus voor alle gevaar beveiligd.»Hoor eens,” riep de lepero opnieuw, »het rek is een beetje lang van hier naar de hacienda; ik geloof nooit dat ik zoo ver zal kunnen zwemmen.”»Geduld; als gij niet tegen een weinig moeite opziet, zullen wij zonder twijfel wel een middeltje vinden om ons den weg te bekorten. Ah! wacht, wat heb ik u gezegd,” riep hij een oogenblik later, hem met den vinger een kleine prauw aanwijzende, die in een smalle kreek aan een paal vast lag.»De kolonisten komen hier vaak visschen,” vervolgde hij, »zij hebben zoo een aantal prauwen van afstand tot afstand in de biezen verborgen. Wij zullen deze maar nemen, dan zijn wij binnen weinig minuten waar wij wezen moeten; kunt gij met de pagaaien omgaan?”»Ja, als ik niet bang behoef te wezen.”Don Martial keek hem eenigesecondenstrak aan en legde hem toenonzachtde hand op den schouder.»Hoor eens, vriend Cuchares,” zeide hij op een drogen, bijtenden[129]toon, »ik heb geen tijd om lang met u te praten, maar ik heb zeer ernstige redenen om te doen wat ik doe en ik eisch van u volkomen vertrouwen, zonder aarzeling of argwaan hoe ook genaamd; houd u dus voor gewaarschuwd. Gij kent mij, op de eerste verdachte beweging die gij maakt schiet ik u een kogel door den kop als een coyote. Kom, help mij nu de prauw los maken en wij gaan dadelijk op weg.”De lepero had het begrepen, hij onderwierp zich. Binnen een paar minuten was de prauw gereed en de twee mannen er in.De tocht dien zij te maken hadden om het achtergedeelte der hacienda te bereiken was niet bijzonder ver, maar met hindernissen bezaaid, en in vele opzichten gevaarlijk; vooreerst uithoofde van den sterken stroom, die wat meer zegt, een groot aantal doode boomen medesleepte, de meesten nog in hun volle gewei van takken en wortels, die half boven water drijvende, telkens dreigden de zwakke boot omver te werpen; vervolgens de menigte wilde dieren die uit vrees voor brand de rivier in dichte troepen overzwommen, zoodat de prauw wanneer zij in zulk eene als verdwaasd vluchtende manade bezet raakte, ontwijfelbaar zou worden verpletterd met al wat er in was; een derde gevaar dat de avonturiers liepen, was nog, dat de schildwachten, die hier en daar in het dichte hakhout verscholen zaten om de toegangen der kolonie aan den rivierkant te verdedigen, hun een kogel toezonden.Dit gevaar was echter niets in vergelijking der andere door ons opgenoemde, daar het zich liet aanzien dat de Franschen, door het schijnsel van den naderenden brand opgewekt, al hunne blikken naar het vaste land zouden richten. Voor het overige meende don Martial zeker te zijn dat hij van de schildwachts niets te vreezen had, daar men deze wel zou verwijderd hebben.Op een wenk van don Martial greep de lepero de pagaaien en zij staken van wal.De brand breidde zich snel uit in de richting van het westen en zette zijne verwoestingen met kracht voort.De prauw kon slechts langzaam en niet dan met de meeste voorzichtigheid vorderen, uithoofde van den sterken stroom en de menigte voorwerpen die de vaart belemmerden.Bleek als een lijk van angst, met stoppelende haren en van schrik uitpuilende oogen, hanteerde Cuchares de pagaaien en beval zijne ziel aan al de heiligen der vergulde legende van Spanje, meer dan ooit overtuigd dat hij niet goed af zou komen van de onderneming, waarin hij zich zoo onhandig gestoken had.Overigens schenen de omstandigheden zoo ernstig, dat zelfs de Tigrero al zijne onversaagdheid en vooral de opgewondenheid noodig had, waartoe zijn beoogde doel hem aanvuurde, om niet in den zelfden schrik te deelen die zijn kameraad bezielde.Hoe verder zij kwamen, hoe talrijker de hindernissen werden;[130]gedurig verplicht om de boomen te mijden, die in menigte op den stroom dreven en hun telkens den doortocht beletten, draaiden zij om zoo te zeggen als in een cirkel rond, kwamen wel tienmaal op hetzelfde punt terug en moesten schier aan alle kanten tegelijk acht geven, om niet omgeworpen te worden of door een warnet van onzichtbare of zichtbare wortels en takken te worden medegesleept.Zoo hadden zij reeds bijna twee uren met de grootste inspanning gevaren, en naderden zij eindelijk van lieverlede de hacienda, die zich als eene donkere massa tegen den helderen sterrenhemel afteekende. Plotseling klonk er een vervaarlijke kreet uit eenige honderd woeste kelen door de nachtelijke ruimte, onmiddellijk gevolgd door een donderende losbranding van grof geschut en klein geweer.«Santa Virgo!» riep Cuchares terwijl hij de pagaaien losliet en de handen samenvouwde, «wij zijn verloren.» Bladz. 130.«Santa Virgo!» riep Cuchares terwijl hij de pagaaien losliet en de handen samenvouwde, «wij zijn verloren.» Bladz. 130.»Santa Virgo!” riep Cuchares terwijl hij de pagaaien losliet en de handen samenvouwde, »wij zijn verloren.”»Carai!” zei de Tigrero, »integendeel, nu zijn wij behouden, de Indianen bestormen de kolonie, al de Franschen zijn dus op de wallen en niemand denkt meer aan ons.Wakker op! jongen, nog een paar riemslagen en wij zijn er.”»God geeft dat gij waarheid spreekt!” mompelde de lepero en hij begon weder te pagaaien, al was het ook met bevende hand.»Caramba! dat schijnt daar een ernstige aanval,” vervolgde de Tigrero. »Des te beter! hoe meer ze daar ginder vechten, hoe minder men hier op ons zal letten; maken wij intusschen voort.”Aan de zijde der landengte hoorde men het rumoer van den strijd, die met ieder oogenblik heviger scheen te worden.De twee avonturiers, in de schaduw onzichtbaar, pagaaiden stil voort en naderden meer en meer de hacienda.Don Martial wierp een bespiedenden blik in het rond; aan dit gedeelte van den oever, ofschoonnauwelijkseen half pistoolschot ver van de hacienda, was alles doodstil en roerloos. Niets deed vermoeden dat men hen bemerkt had.De Tigrero bukte naar zijn kameraad.»Houd op,” zeide hij zacht, »wij zijn aan.”»Hoedat! aan?” herhaalde de lepero met een ontsteld gezicht, »wij zijn nog veraf.”»Neen; op de plaats waar wij thans zijn hebt gij hoegenaamd niets te vreezen; blijf hier in de prauw, leg haar vast aan een boomstam in de nabijheid, om hier op mij te wachten.”»En gij dan?”»Ik? ik ga weg en laat u voor een paar uren alleen; houd vooral goed de wacht. Als gij iets bijzonders bespeurt, waarschuw mij dan door tweemaal op verschillende wijze te roepen als een waterhoen; hebt gij mij begrepen?”»Opperbest. Maar als ons eens onmiddellijk gevaar dreigde, wat moet ik dan doen?”[131]De Tigrero bedacht zich een oogenblik.»Welk gevaar zou u hier kunnen dreigen?” vroeg hij toen.»Dat weet ik niet,” zei Cuchares, »maar de Indianen zijn zulke kwaadaardige duivels; met hen moet men op alles bedacht zijn.”»Gij hebt gelijk. Welnu, als u eenig ernstig gevaar mocht bedreigen, maar alleen in dat enkele geval, hoor! moet gij nadat gij een signaal hebt gegeven, de prauw voortstuwen naar dat punt dat gij van hier zien kunt; die wortelboomen daar ginds bedoel ik: daar tusschen zijt gij volkomen beschut en daar kom ik onmiddellijk bij u.”»Goed, dat is afgesproken; maar dan, hoe zal ik weten waar ik u vinden moet.”»Ik zal tweemaal het geluid van den prairiehond nabootsen. Pas nu op, en wees voorzichtig.”»Gij kunt op mij rekenen.”De Tigrero ontdeed zich van de kleederen die hem hadden kunnen belemmeren, zooals zijnzarape, en zijnebotas vaqueras, en hield niet anders aan dan zijn broek en vest, stak zijn mes in zijn gordel, hing zijne pistolen, zijne buks en zijn patroontasch om, en bootste op eene bedriegelijke wijze het gefluit van denmaukawisna. Weldra klonk hetzelfde geluid van den oever; en de Tigrero, na zijn kameraad voor de laatste maal waakzaamheid te hebben aanbevolen, nam zijne wapens zorgvuldig op zijn hoofd en liet zich zacht in het water glijden. De lepero zag hem weldra rustig en met kracht wegzwemmen, koers houdende naar de hacienda; maar allengs begon de Tigrero in de verte te verdwijnen tot hij eindelijk in de schaduw van den oever onzichtbaar werd.Zoodra Cuchares alleen was, bekeek hij, zonder bepaald te weten waarom, zorgvuldig zijne wapens om te zien of ze wel goed in orde waren en deed nieuw kruit op de pan, ten einde gereed te zijn en niet weerloos overrompeld te worden; vervolgens gerustgesteld door de kalmte die in den omtrek bleef heerschen ging hij ondanks de waarschuwing van den Tigrero op den bodem der prauw liggen en schikte zich om te slapen.Het rumoer van den strijd was langzamerhand verminderd en had eindelijk geheel opgehouden, men hoorde niet meerschreeuwennoch schieten; de Indianen, door de kolonisten teruggeslagen, hadden van hun aanval afgezien. Ook de brand in de prairie was merkelijk verflauwd, kortom, de woestijn scheen tot hare gewone stilte en eenzaamheid teruggekeerd.De lepero lag op zijn rug op den bodem der prauw en keek naar de heldere sterren, die in het blauwe hemelruim schitterden en fonkelden. Zacht wiegelend op den schommelenden stroom gaf hij zich over aan onbezorgde droomen, en sloot nu en dan de oogen; eindelijk kwam hij op het geheimzinnige punt dat geen waken noch slapen meer heeten mag, en zou hij waarschijnlijk spoedig zijn ingedommeld, zoo hij niet even voordat hij bepaald de oogen zou sluiten,[132]gewetenshalve zijn reeds door slaap benevelden blik voor het laatst had rondgeslagen—wat zag hij? hij ontroerde er van, zou bijna een schreeuw hebben gegeven van angst en stond zoo haastig op, dat het weinig scheelde of hij had de prauw doen omslaan.Cuchares had een ontzettend visioen gehad, hij wreef zich de oogen om zich te verzekeren dat hij wakker was, en keek opnieuw rond.Wat hij voor een visioen had gehouden, was inderdaad iets wezenlijks; hij had wel goed gezien.Gelijk wij straks gezegd hebben dreven er een menigte doode boomen met takken en wortels op den stroom. Sedert eenigen tijd had zich een groot aantal dezer boomen in de nabijheid der prauw verzameld: zonder dat de lepero er eene voldoende reden voor kon vinden, te minder daar deze boomen terwijl zij natuurlijkerwijs den stroom van het water hadden moeten volgen, integendeel in allerlei richtingen dreven en in plaats van midden in de rivier te blijven veeleer den oever waar de hacienda op lag meer en meer naderden.Wat nog zonderlinger scheen, was dat de gang dezer vlottende stammen zich bepaald naar hetzelfde punt richtte, namelijk het uiteinde der landtong, juist achter de hacienda; voorts—het was inderdaad om van te huiveren—zag Cuchares te midden van al deze stammen, takken en wortels, vurige oogen schitteren, en akelige hoofden met afschuwelijke aangezichten opsteken.Er viel niet langer aan te twijfelen, in iederen boom zaten zes of meer Apachen; de Roodhuiden, na in hun eerste poging aan de landzijde gefaald te hebben, trachtten nu de kolonie aan den rivierkant te naderen en haar onder bedekking der boomen daar zij zich achter verscholen hielden, te overrompelen.De positie van den lepero was hachelijk.Tot dusver hadden de Indianen, te veel met het uitvoeren van hun plan bezig, zeker niet op de prauw gelet of zoo zij die al hadden gezien, er zich niet om bekreund, in den waan dat zij aan een der hunnen toebehoorde; met ieder oogenblik echter kon deze dwaling ontdekt en de lepero herkend worden, en dan wist hij maar al te goed dat hij verloren was.Reeds twee of drie malen was er voor een oogenblik eene hand aan het boord der ranke boot geslagen, maar als door bijzondere bewaring had de Indiaan die dit deed niet goedgevonden even in de prauw te kijken.Al deze en nog vele andere beschouwingen gingen den armen Cuchares door het hoofd, terwijl hij schijnbaar zoo gemakkelijk op zijn rug in de prauw lag, zacht wiegende op de hobbelende baren en terwijl hij boven zijn hoofd de heldere sterren aan het firmament zag blinken. Met een door schrik vertrokken aangezicht, bleek als de dood, in iedere hand een pistool krampachtig vastklemmend, en zich in stilte aan zijn bijzonderen beschermheilige aanbevelende, wachtte hij[133]de schrikkelijke uitkomst af die met iedere verloopende minuut dreigender werd.Hij behoefde niet lang te wachten.
XIII.EEN WEDLOOP BIJ NACHT.
De gebeurtenissen wisselden elkander in dezen nacht zoo snel af, dat wij, ten einde het front der hoofdzaken op eene lijn te houden, genoodzaakt zijn om gedurig van den eenen persoon tot den anderen over te gaan.Don Martial was rijk, zelfs buitengewoon rijk. Daarbij eergierig van aard en even krijgshaftig als ongestadig, had hij het vak van Tigrero, of tijgerjager, alleen bij de hand genomen om een gepast voorwendsel of ernstig doel te vinden voor zijne onophoudelijke omzwerving door de wildernissen, daar hij het grootste gedeelte van zijn onrustig leven had doorgebracht.De tigreros zijn gewoonlijk verdienstelijke woudloopers of jagers, die zich voor een zeker dagloon, en een premie voor elke huid bovendien, bij de hacienderos verhuren om de wilde beesten te schieten, die vaak de weerlooze kudden aanranden.Wat andere tigreros voor geld doen, deed hij voor zijn eigen genoegen of voor tijdverdrijf; aan de grenzen was hij zeer bemind en gezien, vooral bij de hacienderos, die in hem behalve den afgerichten en onverschrokken jager tevens een goed tafelvriend en volmaakt edelman wisten te waardeeren.Don Martial haddoñaAnita voor de eerste maal gezien toen zijn wisselvallig beroep hem bij toeval op een aan don Sylva toebehoorende hacienda bracht, waar hij in minder dan eene maand tijd een tiental jaguars en andere verscheurende dieren had gedood.Daar de Tigrero de schoone Anita, die hij niet leerde kennen zonder er smoorlijk op te verlieven, gedurig naging en bespiedde, had hij eens het geluk of ongeluk haar te ontmoeten juist op het oogenblik dat haar paard aan het hollen geraakte, en hij in de gelegenheid was haar te redden bijna ten koste van zijn eigen leven.Het was ten gevolge dezer gebeurtenis dat het meisje hem voor[124]het eerst opmerkte en toesprak, het overige is den lezer bekend.Na den brief vandoñaAnita gelezen te hebben had don Martial het eiland verlaten, vergezeld van Cuchares.Dit besluit had den lepero bitter teleurgesteld; hij verwenschte in zijn binnenste dat hij zoo dwaas was geweest om zich aan den man te verbinden, dien hij thans als met hangende ooren volgde en die hem van oogenblik tot oogenblik blootstelde om met een Indiaansche pijl doorschoten te worden, zonder eenig voordeel of zelfs prijswaardige reden. Intusschen was Cuchares de man niet om den Tigrero zijn kwade luim te toonen.Hij begreep dat er wel zeer geldige redenen moesten bestaan om tegen het vallen van den nacht een bivak te verlaten, waar men zoo goed tegen den aanval der wilde dieren beveiligd was en den bijstand der jagers op te geven, om zonder blijkbaar doel door de wildernis te gaan zwerven. Hij brandde van verlangen om deze redenen te leeren kennen, maar hij wist dat don Martial weinig sprak en vooral niet kon dulden dat men zijne geheimen zocht uit te vorschen, en daar de lepero ondanks al zijn hollebolligheid den Tigrero inwendig grooten eerbied, ja zelfs een goede dosis vrees toedroeg, stelde hij de talrijke vragen die hij hem te doen had uit tot gelegener oogenblik.De beide mannen reden dus stil naast elkander en vervolgden hun weg, terwijl zij den teugel achteloos op den hals hunner paarden lieten rusten en ieder voor zich zelven nadacht; Cuchares bemerkte echter weldra dat de Tigrero in plaats van zich dieper in het bosch te begeven, veeleer met opzet den rand van het water verkoos te volgen en zijn paard zoo dicht mogelijk bij de rivier te houden.Inmiddels nam de duisternis hand over hand toe; de meer verwijderde voorwerpen begonnen met de donkere massas aan den horizont samen te smelten, en weldra bevonden de beide ruiters zich in volslagen duisternis.Sinds eenigen tijd reeds had de lepero, hetzij door hoesten of door nu en dan een uitroep de aandacht van zijn tochtgenoot pogen gaande te maken; doch toen hij zag dat de nacht zoo donker als pik was geworden, terwijl de Tigrero er niet om scheen te geven maar steeds in den zelfden galop voortreed, verstoutte hij zich eindelijk het woord tot hem te richten.»Don Martial!” begon hij.»Wel?” antwoordde deze onverschillig.»Vindt gij niet dat het tijd wordt een weinig stil te houden?”»Om welke reden?”»Om welke reden?” herhaalde de lepero op een toon van verbazing.»Ja, wij zijn immers nog niet waar wij wezen moeten?”»Gaan wij dan ergens heen?”»Waartoe zouden wij anders onze vrienden verlaten hebben?”»Dat is waar. Maar waar gaan wij dan heen? Dat zou ik wel willen weten.”[125]»Gij zult het spoedig weten.”»Ik moet u zeggen dat ik er zeer naar verlang.”Er volgde weder een poos stilte en zij reden steeds verder.Zij hadden den heuvel van Guetzalli reeds ver achter zich en bereikten eene soort van kreek, die door hare sterke kromming bijna evenwijdig liep met het achtergedeelte der hacienda, wier donkere massa zich recht voor hen verhief en hen met hare schaduw verborg.Don Martial bleef staan.»Wij zijn er,” zeide hij.»Eindelijk!” bromde de lepero met een zucht van genoegen.»Dat wil zeggen,” hervatte de Tigrero; »dat de gemakkelijkste helft van onze onderneming voorbij is.”»Wij hebben dus eene onderneming.”»Pardi! denkt gij dan, mijn waarde, dat ik louter voor pleizier zoo laat in den nacht langs den oever der Rio Gila loop dwalen?”»Dat verwonderde mij ook al.”»Thans zal onze onderneming eigenlijk pas beginnen.”»Goed.”»Alleen moet ik u zeggen dat zij vrij gevaarlijk is; in allen gevalle reken ik op u.”»Ik dank u,” antwoordde Cuchares, terwijl hij een leelijk gezicht trok, dat voor een glimlach moest doorgaan.Ronduit gezegd, had de lepero liever gewild dat zijn vriend hem dit blijk van vertrouwen niet gegeven had.Don Martial vervolgde.»Dáár moeten wij heen,” zeide hij met de hand naar de rivier wijzende.»Wat! daar heen? naar de hacienda?”»Ja!”»Wilt gij u dan in de pan laten hakken?”»Hoezoo?”»Denkt gij dat wij de hacienda bereiken kunnen zonder ontdekt te worden?”»Daar zullen wij de proef van nemen.”»Ja, en als het ons niet gelukt, zullen die duivelsche Franschen, die zoo scherp op de loer liggen, ons voor wilden aanzien en kort en goed doodschieten.”»Daar is wel eenige kans op.”»Ik dank u hartelijk! ik blijf liever hier; want om u de waarheid te zeggen ben ik nog niet gek genoeg om met een vroolijk hart den leeuw in den muil te loopen; ga gij maar alleen, zoo gij er lust toe hebt; maar ik blijf hier.”De Tigrero kon zijn lach niet langer bedwingen.»Het gevaar is niet zoo groot als gij u verbeeldt, wij worden op[126]de hacienda verwacht, door iemand, die zonder twijfel den schildwacht zal weten te verwijderen van het punt waar wij aan land komen.”»Dat is wel mogelijk, maar ik verkies er liever niet de proef van te nemen, want een kogel weet van geen medelijden; en bovendien, die duivelsche Franschen schieten raak om van te beven.”De Tigrero antwoordde niet, hij scheen zelfs de aanmerking van zijn kameraad niet gehoord te hebben, zijne gedachten zwierven elders. In gebogen houding stond hij te luisteren.Sedert eenige minuten had de wildernis een zonderlinge gedaante bekomen, zij scheen te ontwaken: geluiden zonder naam rezen op uit de diepte der bosschen en struiken; dieren van allerlei soort sprongen verschrikt te voorschijn en snelden de avonturiers voorbij zonder hen te zien; de vogels uit hun eersten slaap opgewekt, vlogen op onder scherp krijschend geschreeuw en verhieven zich hoog in de lucht; op de rivier zag men de schimmen der wilde dieren, die haar met drift overzwommen om den anderen oever te bereiken. Ongetwijfeld ging er iets buitengewoons om in de prairiën.Van tijd tot tijd hoorde men in de verte geknetter en gekraak, gevolgd door een dof geloei als van een opkomenden vloed, dat van oogenblik tot oogenblik duidelijker werd.Aan den uitersten horizont vertoonde zich een breede roode band, die zich van minuut tot minuut uitbreidde, en het landschap kleurde met een glans van purper en goud en er een fantastisch voorkomen aan leende, omtrent als een toovertooneel met bengaalsche vuren.Reeds tweemaal waren er verbazende rookwolken, hier en daar met vonken besprenkeld, als rollende bergen over hunne hoofden voorbijgedreven.»Zeg, wat zou dat zijn?” riep de lepero; »zie toch onze paarden eens, don Martial.”Werkelijk stonden de edele dieren, met gerekte halzen en gestreken ooren, te hijgen van angst en te stampvoeten als zochten zij hunne meesters te ontsnappen.»Wat hun schort, caspita!” antwoordde de Tigrero bedaard, »zij ruiken den brand, anders niets.”»Hoedat den brand! denkt gij dan dat er brand is in de prairie?”»Ik denk het niet, maar ik weet het zeker, het hangt alleen van u zelven af om het te zien, even goed als ik.”»En wat moet dat beduiden?”»Niet veel bijzonders, het is maar zoo’n gewone streek van de Indianen, wij zijn immers in de Maan van Mexico, weet gij dat nog niet?”»Neem mij niet kwalijk; ik ben geen woudlooper; ik wil u wel zeggen dat mij dit alles zeer ongerust maakt en dat ik een goed ding zou willen geven als ik er uit was.”[127]De lepero gaf alle blijken van angst.»Gij lijkt wel een kind,” lachte don Martial; »weet gij dan niet dat het de Indianen zijn, die, om hun aantal te verbergen de prairie in brand hebben gestoken; zij volgen onmiddellijk op het vuur, zoo aanstonds zult gij hun oorlogskreet hooren weergalmen; achter dat gordijn van rook en vlammen, dat gedurig al nader komt, rukken zij op en zullen zij u weldra van alle kanten omsingelen. Als gij hier blijft, loopt gij op drieërlei wijze gevaar: hetzij om gebraden, gescalpeerd of gedood te worden, alle drie zeer onaangename zaken, die u als ik mij niet vergis maar half moeten bevallen. Geloof mij toch en doe wat ik u zeg, ga met mij mede; of wilt gij liever gedood worden, zeg het dan maar ronduit, er zit niets anders op. Hoe is ’t? wilt gij in de rivier afdalen? het vuur nadert: over drie minuten hebt gij geen tijd meer. Wat wilt gij?”»Ik volg u,” antwoordde de lepero met een bedrukte stem; »ik moet immers wel! Ik was dwaas, of de duivel heeft mij verleid om Guaymas te verlaten, waar ik zoo gelukkig was, waar ik niets behoefde te doen; en mij dan hier in zulke voetangels en klemmen te steken! Ik wil u wel zeggen, als ik er ooit levend afkom, dat het een knap man zal moeten zijn die mij hier ooit weer ziet.”»Ba, ba! dat zeggen ze altijd; laten wij ons haasten, de tijd dringt.”Werkelijk stond de wildernis over een uitgestrektheid van verscheidene mijlen in brand als de krater van een onmetelijken vulkaan, de vlammen golfden en rolden voort als de baren der zee; de dikste boomen wegmaaiend en verdelgend als stroohalmen.Uit het dikke koperroode rookgordijn dat den brand voorafging, sprongen nog gedurig gansche troepen wolven, bisons of jaguars te voorschijn, en stortten zich in de Rio Gila onder angstig gehuil, geloei en gebrul.Don Martial en de lepero daalden met hunne paarden in de rivier af.De schrandere dieren, door hun instinct geleid, drongen haastig voorwaarts naar den anderen oever.Dit gedeelte van de woestijn maakte wel een zonderling contrast met hetgeen zij verlaten hadden, dat veel had van een onmetelijk fornuis, vol onbestemde geluiden, schrik en jammerkreten en noodgeschrei; een zee van vuur wier grootsche en onverbiddelijke baren alles verzwolgen en verslonden wat haar in den weg stond; het ging over heuvels en dalen, rotsen en wildernissen en deed binnen weinige minuten alle voortbrengsels zoo planten als dieren verschroeien of in rook opgaan of in asch verstuiven.De Rio Gila, omstreeks dezen tijd des jaars door de gevallen regens in de Sierra Madre gezwollen, was dubbel zoo breed als gedurende den zomer, en uithoofde harer snelheid een gevaarlijke stroom; op het oogenblik echter dat onze twee avonturiers haar[128]overzwommen, hadden de menigte dieren die haar in dichte troepen tegelijkertijd zochten te passeeren hare kracht zoo zeer gebroken, dat zij den overtocht van den eenen oever naar den anderen in betrekkelijk korten tijd volbrachten.»Hé!” riep Cuchares op het oogenblik dat de paarden vasten grond onder de voeten kregen, en tegen den steilen kant opklauterden, »hebt gij mij niet gezegd, don Martial, dat wij naar de hacienda moesten? dan zijn wij dunkt mij niet op den rechten weg.”»Uw dunk is verkeerd, kameraad,” antwoordde don Martial; »onthoud deze les: als gij in de woestijn reist moet gij altijd doen of gij het doel ontwijkt dat gij bereiken wilt, anders komt gij er nooit.”»Dat wil zeggen.…?”»Dat wij vooreerst onze paarden in dit boschje dennen en acajou-ceders zullen vastmaken, waar zij volkomen veilig zullen zijn en daarna gaan wij naar de hacienda.”De Tigrero stapte terstond af, bracht zijn paard onder het lommer der hooge boomen, nam het den hoofdstel af om het vrij te laten grazen, deed het de kluisters aan en keerde naar den oever terug.Cuchares met de kracht der wanhoop gewapend, die in zekere omstandigheden den schijn aanneemt van waren heldenmoed, had het voorbeeld van zijn tochtgenoot in allen deele stiptelijk gevolgd. De eerzame lepero eindelijk besloten hebbende een dapper man te zijn, wel overtuigd dat hij anders verloren was, gaf zich over aan de luimen van zijne goede of kwade gesternte met het dwepende optimisme der mestiezen, die op dit punt voor de oosterlingen niet behoeven onder te doen.Wij hebben hierboven reeds te kennen gegeven, dat aan deze zijde der rivier alles in de diepste rust gedompeld lag; de avonturiers bevonden zich dus voor alle gevaar beveiligd.»Hoor eens,” riep de lepero opnieuw, »het rek is een beetje lang van hier naar de hacienda; ik geloof nooit dat ik zoo ver zal kunnen zwemmen.”»Geduld; als gij niet tegen een weinig moeite opziet, zullen wij zonder twijfel wel een middeltje vinden om ons den weg te bekorten. Ah! wacht, wat heb ik u gezegd,” riep hij een oogenblik later, hem met den vinger een kleine prauw aanwijzende, die in een smalle kreek aan een paal vast lag.»De kolonisten komen hier vaak visschen,” vervolgde hij, »zij hebben zoo een aantal prauwen van afstand tot afstand in de biezen verborgen. Wij zullen deze maar nemen, dan zijn wij binnen weinig minuten waar wij wezen moeten; kunt gij met de pagaaien omgaan?”»Ja, als ik niet bang behoef te wezen.”Don Martial keek hem eenigesecondenstrak aan en legde hem toenonzachtde hand op den schouder.»Hoor eens, vriend Cuchares,” zeide hij op een drogen, bijtenden[129]toon, »ik heb geen tijd om lang met u te praten, maar ik heb zeer ernstige redenen om te doen wat ik doe en ik eisch van u volkomen vertrouwen, zonder aarzeling of argwaan hoe ook genaamd; houd u dus voor gewaarschuwd. Gij kent mij, op de eerste verdachte beweging die gij maakt schiet ik u een kogel door den kop als een coyote. Kom, help mij nu de prauw los maken en wij gaan dadelijk op weg.”De lepero had het begrepen, hij onderwierp zich. Binnen een paar minuten was de prauw gereed en de twee mannen er in.De tocht dien zij te maken hadden om het achtergedeelte der hacienda te bereiken was niet bijzonder ver, maar met hindernissen bezaaid, en in vele opzichten gevaarlijk; vooreerst uithoofde van den sterken stroom, die wat meer zegt, een groot aantal doode boomen medesleepte, de meesten nog in hun volle gewei van takken en wortels, die half boven water drijvende, telkens dreigden de zwakke boot omver te werpen; vervolgens de menigte wilde dieren die uit vrees voor brand de rivier in dichte troepen overzwommen, zoodat de prauw wanneer zij in zulk eene als verdwaasd vluchtende manade bezet raakte, ontwijfelbaar zou worden verpletterd met al wat er in was; een derde gevaar dat de avonturiers liepen, was nog, dat de schildwachten, die hier en daar in het dichte hakhout verscholen zaten om de toegangen der kolonie aan den rivierkant te verdedigen, hun een kogel toezonden.Dit gevaar was echter niets in vergelijking der andere door ons opgenoemde, daar het zich liet aanzien dat de Franschen, door het schijnsel van den naderenden brand opgewekt, al hunne blikken naar het vaste land zouden richten. Voor het overige meende don Martial zeker te zijn dat hij van de schildwachts niets te vreezen had, daar men deze wel zou verwijderd hebben.Op een wenk van don Martial greep de lepero de pagaaien en zij staken van wal.De brand breidde zich snel uit in de richting van het westen en zette zijne verwoestingen met kracht voort.De prauw kon slechts langzaam en niet dan met de meeste voorzichtigheid vorderen, uithoofde van den sterken stroom en de menigte voorwerpen die de vaart belemmerden.Bleek als een lijk van angst, met stoppelende haren en van schrik uitpuilende oogen, hanteerde Cuchares de pagaaien en beval zijne ziel aan al de heiligen der vergulde legende van Spanje, meer dan ooit overtuigd dat hij niet goed af zou komen van de onderneming, waarin hij zich zoo onhandig gestoken had.Overigens schenen de omstandigheden zoo ernstig, dat zelfs de Tigrero al zijne onversaagdheid en vooral de opgewondenheid noodig had, waartoe zijn beoogde doel hem aanvuurde, om niet in den zelfden schrik te deelen die zijn kameraad bezielde.Hoe verder zij kwamen, hoe talrijker de hindernissen werden;[130]gedurig verplicht om de boomen te mijden, die in menigte op den stroom dreven en hun telkens den doortocht beletten, draaiden zij om zoo te zeggen als in een cirkel rond, kwamen wel tienmaal op hetzelfde punt terug en moesten schier aan alle kanten tegelijk acht geven, om niet omgeworpen te worden of door een warnet van onzichtbare of zichtbare wortels en takken te worden medegesleept.Zoo hadden zij reeds bijna twee uren met de grootste inspanning gevaren, en naderden zij eindelijk van lieverlede de hacienda, die zich als eene donkere massa tegen den helderen sterrenhemel afteekende. Plotseling klonk er een vervaarlijke kreet uit eenige honderd woeste kelen door de nachtelijke ruimte, onmiddellijk gevolgd door een donderende losbranding van grof geschut en klein geweer.«Santa Virgo!» riep Cuchares terwijl hij de pagaaien losliet en de handen samenvouwde, «wij zijn verloren.» Bladz. 130.«Santa Virgo!» riep Cuchares terwijl hij de pagaaien losliet en de handen samenvouwde, «wij zijn verloren.» Bladz. 130.»Santa Virgo!” riep Cuchares terwijl hij de pagaaien losliet en de handen samenvouwde, »wij zijn verloren.”»Carai!” zei de Tigrero, »integendeel, nu zijn wij behouden, de Indianen bestormen de kolonie, al de Franschen zijn dus op de wallen en niemand denkt meer aan ons.Wakker op! jongen, nog een paar riemslagen en wij zijn er.”»God geeft dat gij waarheid spreekt!” mompelde de lepero en hij begon weder te pagaaien, al was het ook met bevende hand.»Caramba! dat schijnt daar een ernstige aanval,” vervolgde de Tigrero. »Des te beter! hoe meer ze daar ginder vechten, hoe minder men hier op ons zal letten; maken wij intusschen voort.”Aan de zijde der landengte hoorde men het rumoer van den strijd, die met ieder oogenblik heviger scheen te worden.De twee avonturiers, in de schaduw onzichtbaar, pagaaiden stil voort en naderden meer en meer de hacienda.Don Martial wierp een bespiedenden blik in het rond; aan dit gedeelte van den oever, ofschoonnauwelijkseen half pistoolschot ver van de hacienda, was alles doodstil en roerloos. Niets deed vermoeden dat men hen bemerkt had.De Tigrero bukte naar zijn kameraad.»Houd op,” zeide hij zacht, »wij zijn aan.”»Hoedat! aan?” herhaalde de lepero met een ontsteld gezicht, »wij zijn nog veraf.”»Neen; op de plaats waar wij thans zijn hebt gij hoegenaamd niets te vreezen; blijf hier in de prauw, leg haar vast aan een boomstam in de nabijheid, om hier op mij te wachten.”»En gij dan?”»Ik? ik ga weg en laat u voor een paar uren alleen; houd vooral goed de wacht. Als gij iets bijzonders bespeurt, waarschuw mij dan door tweemaal op verschillende wijze te roepen als een waterhoen; hebt gij mij begrepen?”»Opperbest. Maar als ons eens onmiddellijk gevaar dreigde, wat moet ik dan doen?”[131]De Tigrero bedacht zich een oogenblik.»Welk gevaar zou u hier kunnen dreigen?” vroeg hij toen.»Dat weet ik niet,” zei Cuchares, »maar de Indianen zijn zulke kwaadaardige duivels; met hen moet men op alles bedacht zijn.”»Gij hebt gelijk. Welnu, als u eenig ernstig gevaar mocht bedreigen, maar alleen in dat enkele geval, hoor! moet gij nadat gij een signaal hebt gegeven, de prauw voortstuwen naar dat punt dat gij van hier zien kunt; die wortelboomen daar ginds bedoel ik: daar tusschen zijt gij volkomen beschut en daar kom ik onmiddellijk bij u.”»Goed, dat is afgesproken; maar dan, hoe zal ik weten waar ik u vinden moet.”»Ik zal tweemaal het geluid van den prairiehond nabootsen. Pas nu op, en wees voorzichtig.”»Gij kunt op mij rekenen.”De Tigrero ontdeed zich van de kleederen die hem hadden kunnen belemmeren, zooals zijnzarape, en zijnebotas vaqueras, en hield niet anders aan dan zijn broek en vest, stak zijn mes in zijn gordel, hing zijne pistolen, zijne buks en zijn patroontasch om, en bootste op eene bedriegelijke wijze het gefluit van denmaukawisna. Weldra klonk hetzelfde geluid van den oever; en de Tigrero, na zijn kameraad voor de laatste maal waakzaamheid te hebben aanbevolen, nam zijne wapens zorgvuldig op zijn hoofd en liet zich zacht in het water glijden. De lepero zag hem weldra rustig en met kracht wegzwemmen, koers houdende naar de hacienda; maar allengs begon de Tigrero in de verte te verdwijnen tot hij eindelijk in de schaduw van den oever onzichtbaar werd.Zoodra Cuchares alleen was, bekeek hij, zonder bepaald te weten waarom, zorgvuldig zijne wapens om te zien of ze wel goed in orde waren en deed nieuw kruit op de pan, ten einde gereed te zijn en niet weerloos overrompeld te worden; vervolgens gerustgesteld door de kalmte die in den omtrek bleef heerschen ging hij ondanks de waarschuwing van den Tigrero op den bodem der prauw liggen en schikte zich om te slapen.Het rumoer van den strijd was langzamerhand verminderd en had eindelijk geheel opgehouden, men hoorde niet meerschreeuwennoch schieten; de Indianen, door de kolonisten teruggeslagen, hadden van hun aanval afgezien. Ook de brand in de prairie was merkelijk verflauwd, kortom, de woestijn scheen tot hare gewone stilte en eenzaamheid teruggekeerd.De lepero lag op zijn rug op den bodem der prauw en keek naar de heldere sterren, die in het blauwe hemelruim schitterden en fonkelden. Zacht wiegelend op den schommelenden stroom gaf hij zich over aan onbezorgde droomen, en sloot nu en dan de oogen; eindelijk kwam hij op het geheimzinnige punt dat geen waken noch slapen meer heeten mag, en zou hij waarschijnlijk spoedig zijn ingedommeld, zoo hij niet even voordat hij bepaald de oogen zou sluiten,[132]gewetenshalve zijn reeds door slaap benevelden blik voor het laatst had rondgeslagen—wat zag hij? hij ontroerde er van, zou bijna een schreeuw hebben gegeven van angst en stond zoo haastig op, dat het weinig scheelde of hij had de prauw doen omslaan.Cuchares had een ontzettend visioen gehad, hij wreef zich de oogen om zich te verzekeren dat hij wakker was, en keek opnieuw rond.Wat hij voor een visioen had gehouden, was inderdaad iets wezenlijks; hij had wel goed gezien.Gelijk wij straks gezegd hebben dreven er een menigte doode boomen met takken en wortels op den stroom. Sedert eenigen tijd had zich een groot aantal dezer boomen in de nabijheid der prauw verzameld: zonder dat de lepero er eene voldoende reden voor kon vinden, te minder daar deze boomen terwijl zij natuurlijkerwijs den stroom van het water hadden moeten volgen, integendeel in allerlei richtingen dreven en in plaats van midden in de rivier te blijven veeleer den oever waar de hacienda op lag meer en meer naderden.Wat nog zonderlinger scheen, was dat de gang dezer vlottende stammen zich bepaald naar hetzelfde punt richtte, namelijk het uiteinde der landtong, juist achter de hacienda; voorts—het was inderdaad om van te huiveren—zag Cuchares te midden van al deze stammen, takken en wortels, vurige oogen schitteren, en akelige hoofden met afschuwelijke aangezichten opsteken.Er viel niet langer aan te twijfelen, in iederen boom zaten zes of meer Apachen; de Roodhuiden, na in hun eerste poging aan de landzijde gefaald te hebben, trachtten nu de kolonie aan den rivierkant te naderen en haar onder bedekking der boomen daar zij zich achter verscholen hielden, te overrompelen.De positie van den lepero was hachelijk.Tot dusver hadden de Indianen, te veel met het uitvoeren van hun plan bezig, zeker niet op de prauw gelet of zoo zij die al hadden gezien, er zich niet om bekreund, in den waan dat zij aan een der hunnen toebehoorde; met ieder oogenblik echter kon deze dwaling ontdekt en de lepero herkend worden, en dan wist hij maar al te goed dat hij verloren was.Reeds twee of drie malen was er voor een oogenblik eene hand aan het boord der ranke boot geslagen, maar als door bijzondere bewaring had de Indiaan die dit deed niet goedgevonden even in de prauw te kijken.Al deze en nog vele andere beschouwingen gingen den armen Cuchares door het hoofd, terwijl hij schijnbaar zoo gemakkelijk op zijn rug in de prauw lag, zacht wiegende op de hobbelende baren en terwijl hij boven zijn hoofd de heldere sterren aan het firmament zag blinken. Met een door schrik vertrokken aangezicht, bleek als de dood, in iedere hand een pistool krampachtig vastklemmend, en zich in stilte aan zijn bijzonderen beschermheilige aanbevelende, wachtte hij[133]de schrikkelijke uitkomst af die met iedere verloopende minuut dreigender werd.Hij behoefde niet lang te wachten.
De gebeurtenissen wisselden elkander in dezen nacht zoo snel af, dat wij, ten einde het front der hoofdzaken op eene lijn te houden, genoodzaakt zijn om gedurig van den eenen persoon tot den anderen over te gaan.
Don Martial was rijk, zelfs buitengewoon rijk. Daarbij eergierig van aard en even krijgshaftig als ongestadig, had hij het vak van Tigrero, of tijgerjager, alleen bij de hand genomen om een gepast voorwendsel of ernstig doel te vinden voor zijne onophoudelijke omzwerving door de wildernissen, daar hij het grootste gedeelte van zijn onrustig leven had doorgebracht.
De tigreros zijn gewoonlijk verdienstelijke woudloopers of jagers, die zich voor een zeker dagloon, en een premie voor elke huid bovendien, bij de hacienderos verhuren om de wilde beesten te schieten, die vaak de weerlooze kudden aanranden.
Wat andere tigreros voor geld doen, deed hij voor zijn eigen genoegen of voor tijdverdrijf; aan de grenzen was hij zeer bemind en gezien, vooral bij de hacienderos, die in hem behalve den afgerichten en onverschrokken jager tevens een goed tafelvriend en volmaakt edelman wisten te waardeeren.
Don Martial haddoñaAnita voor de eerste maal gezien toen zijn wisselvallig beroep hem bij toeval op een aan don Sylva toebehoorende hacienda bracht, waar hij in minder dan eene maand tijd een tiental jaguars en andere verscheurende dieren had gedood.
Daar de Tigrero de schoone Anita, die hij niet leerde kennen zonder er smoorlijk op te verlieven, gedurig naging en bespiedde, had hij eens het geluk of ongeluk haar te ontmoeten juist op het oogenblik dat haar paard aan het hollen geraakte, en hij in de gelegenheid was haar te redden bijna ten koste van zijn eigen leven.
Het was ten gevolge dezer gebeurtenis dat het meisje hem voor[124]het eerst opmerkte en toesprak, het overige is den lezer bekend.
Na den brief vandoñaAnita gelezen te hebben had don Martial het eiland verlaten, vergezeld van Cuchares.
Dit besluit had den lepero bitter teleurgesteld; hij verwenschte in zijn binnenste dat hij zoo dwaas was geweest om zich aan den man te verbinden, dien hij thans als met hangende ooren volgde en die hem van oogenblik tot oogenblik blootstelde om met een Indiaansche pijl doorschoten te worden, zonder eenig voordeel of zelfs prijswaardige reden. Intusschen was Cuchares de man niet om den Tigrero zijn kwade luim te toonen.
Hij begreep dat er wel zeer geldige redenen moesten bestaan om tegen het vallen van den nacht een bivak te verlaten, waar men zoo goed tegen den aanval der wilde dieren beveiligd was en den bijstand der jagers op te geven, om zonder blijkbaar doel door de wildernis te gaan zwerven. Hij brandde van verlangen om deze redenen te leeren kennen, maar hij wist dat don Martial weinig sprak en vooral niet kon dulden dat men zijne geheimen zocht uit te vorschen, en daar de lepero ondanks al zijn hollebolligheid den Tigrero inwendig grooten eerbied, ja zelfs een goede dosis vrees toedroeg, stelde hij de talrijke vragen die hij hem te doen had uit tot gelegener oogenblik.
De beide mannen reden dus stil naast elkander en vervolgden hun weg, terwijl zij den teugel achteloos op den hals hunner paarden lieten rusten en ieder voor zich zelven nadacht; Cuchares bemerkte echter weldra dat de Tigrero in plaats van zich dieper in het bosch te begeven, veeleer met opzet den rand van het water verkoos te volgen en zijn paard zoo dicht mogelijk bij de rivier te houden.
Inmiddels nam de duisternis hand over hand toe; de meer verwijderde voorwerpen begonnen met de donkere massas aan den horizont samen te smelten, en weldra bevonden de beide ruiters zich in volslagen duisternis.
Sinds eenigen tijd reeds had de lepero, hetzij door hoesten of door nu en dan een uitroep de aandacht van zijn tochtgenoot pogen gaande te maken; doch toen hij zag dat de nacht zoo donker als pik was geworden, terwijl de Tigrero er niet om scheen te geven maar steeds in den zelfden galop voortreed, verstoutte hij zich eindelijk het woord tot hem te richten.
»Don Martial!” begon hij.
»Wel?” antwoordde deze onverschillig.
»Vindt gij niet dat het tijd wordt een weinig stil te houden?”
»Om welke reden?”
»Om welke reden?” herhaalde de lepero op een toon van verbazing.
»Ja, wij zijn immers nog niet waar wij wezen moeten?”
»Gaan wij dan ergens heen?”
»Waartoe zouden wij anders onze vrienden verlaten hebben?”
»Dat is waar. Maar waar gaan wij dan heen? Dat zou ik wel willen weten.”[125]
»Gij zult het spoedig weten.”
»Ik moet u zeggen dat ik er zeer naar verlang.”
Er volgde weder een poos stilte en zij reden steeds verder.
Zij hadden den heuvel van Guetzalli reeds ver achter zich en bereikten eene soort van kreek, die door hare sterke kromming bijna evenwijdig liep met het achtergedeelte der hacienda, wier donkere massa zich recht voor hen verhief en hen met hare schaduw verborg.
Don Martial bleef staan.
»Wij zijn er,” zeide hij.
»Eindelijk!” bromde de lepero met een zucht van genoegen.
»Dat wil zeggen,” hervatte de Tigrero; »dat de gemakkelijkste helft van onze onderneming voorbij is.”
»Wij hebben dus eene onderneming.”
»Pardi! denkt gij dan, mijn waarde, dat ik louter voor pleizier zoo laat in den nacht langs den oever der Rio Gila loop dwalen?”
»Dat verwonderde mij ook al.”
»Thans zal onze onderneming eigenlijk pas beginnen.”
»Goed.”
»Alleen moet ik u zeggen dat zij vrij gevaarlijk is; in allen gevalle reken ik op u.”
»Ik dank u,” antwoordde Cuchares, terwijl hij een leelijk gezicht trok, dat voor een glimlach moest doorgaan.
Ronduit gezegd, had de lepero liever gewild dat zijn vriend hem dit blijk van vertrouwen niet gegeven had.
Don Martial vervolgde.
»Dáár moeten wij heen,” zeide hij met de hand naar de rivier wijzende.
»Wat! daar heen? naar de hacienda?”
»Ja!”
»Wilt gij u dan in de pan laten hakken?”
»Hoezoo?”
»Denkt gij dat wij de hacienda bereiken kunnen zonder ontdekt te worden?”
»Daar zullen wij de proef van nemen.”
»Ja, en als het ons niet gelukt, zullen die duivelsche Franschen, die zoo scherp op de loer liggen, ons voor wilden aanzien en kort en goed doodschieten.”
»Daar is wel eenige kans op.”
»Ik dank u hartelijk! ik blijf liever hier; want om u de waarheid te zeggen ben ik nog niet gek genoeg om met een vroolijk hart den leeuw in den muil te loopen; ga gij maar alleen, zoo gij er lust toe hebt; maar ik blijf hier.”
De Tigrero kon zijn lach niet langer bedwingen.
»Het gevaar is niet zoo groot als gij u verbeeldt, wij worden op[126]de hacienda verwacht, door iemand, die zonder twijfel den schildwacht zal weten te verwijderen van het punt waar wij aan land komen.”
»Dat is wel mogelijk, maar ik verkies er liever niet de proef van te nemen, want een kogel weet van geen medelijden; en bovendien, die duivelsche Franschen schieten raak om van te beven.”
De Tigrero antwoordde niet, hij scheen zelfs de aanmerking van zijn kameraad niet gehoord te hebben, zijne gedachten zwierven elders. In gebogen houding stond hij te luisteren.
Sedert eenige minuten had de wildernis een zonderlinge gedaante bekomen, zij scheen te ontwaken: geluiden zonder naam rezen op uit de diepte der bosschen en struiken; dieren van allerlei soort sprongen verschrikt te voorschijn en snelden de avonturiers voorbij zonder hen te zien; de vogels uit hun eersten slaap opgewekt, vlogen op onder scherp krijschend geschreeuw en verhieven zich hoog in de lucht; op de rivier zag men de schimmen der wilde dieren, die haar met drift overzwommen om den anderen oever te bereiken. Ongetwijfeld ging er iets buitengewoons om in de prairiën.
Van tijd tot tijd hoorde men in de verte geknetter en gekraak, gevolgd door een dof geloei als van een opkomenden vloed, dat van oogenblik tot oogenblik duidelijker werd.
Aan den uitersten horizont vertoonde zich een breede roode band, die zich van minuut tot minuut uitbreidde, en het landschap kleurde met een glans van purper en goud en er een fantastisch voorkomen aan leende, omtrent als een toovertooneel met bengaalsche vuren.
Reeds tweemaal waren er verbazende rookwolken, hier en daar met vonken besprenkeld, als rollende bergen over hunne hoofden voorbijgedreven.
»Zeg, wat zou dat zijn?” riep de lepero; »zie toch onze paarden eens, don Martial.”
Werkelijk stonden de edele dieren, met gerekte halzen en gestreken ooren, te hijgen van angst en te stampvoeten als zochten zij hunne meesters te ontsnappen.
»Wat hun schort, caspita!” antwoordde de Tigrero bedaard, »zij ruiken den brand, anders niets.”
»Hoedat den brand! denkt gij dan dat er brand is in de prairie?”
»Ik denk het niet, maar ik weet het zeker, het hangt alleen van u zelven af om het te zien, even goed als ik.”
»En wat moet dat beduiden?”
»Niet veel bijzonders, het is maar zoo’n gewone streek van de Indianen, wij zijn immers in de Maan van Mexico, weet gij dat nog niet?”
»Neem mij niet kwalijk; ik ben geen woudlooper; ik wil u wel zeggen dat mij dit alles zeer ongerust maakt en dat ik een goed ding zou willen geven als ik er uit was.”[127]
De lepero gaf alle blijken van angst.
»Gij lijkt wel een kind,” lachte don Martial; »weet gij dan niet dat het de Indianen zijn, die, om hun aantal te verbergen de prairie in brand hebben gestoken; zij volgen onmiddellijk op het vuur, zoo aanstonds zult gij hun oorlogskreet hooren weergalmen; achter dat gordijn van rook en vlammen, dat gedurig al nader komt, rukken zij op en zullen zij u weldra van alle kanten omsingelen. Als gij hier blijft, loopt gij op drieërlei wijze gevaar: hetzij om gebraden, gescalpeerd of gedood te worden, alle drie zeer onaangename zaken, die u als ik mij niet vergis maar half moeten bevallen. Geloof mij toch en doe wat ik u zeg, ga met mij mede; of wilt gij liever gedood worden, zeg het dan maar ronduit, er zit niets anders op. Hoe is ’t? wilt gij in de rivier afdalen? het vuur nadert: over drie minuten hebt gij geen tijd meer. Wat wilt gij?”
»Ik volg u,” antwoordde de lepero met een bedrukte stem; »ik moet immers wel! Ik was dwaas, of de duivel heeft mij verleid om Guaymas te verlaten, waar ik zoo gelukkig was, waar ik niets behoefde te doen; en mij dan hier in zulke voetangels en klemmen te steken! Ik wil u wel zeggen, als ik er ooit levend afkom, dat het een knap man zal moeten zijn die mij hier ooit weer ziet.”
»Ba, ba! dat zeggen ze altijd; laten wij ons haasten, de tijd dringt.”
Werkelijk stond de wildernis over een uitgestrektheid van verscheidene mijlen in brand als de krater van een onmetelijken vulkaan, de vlammen golfden en rolden voort als de baren der zee; de dikste boomen wegmaaiend en verdelgend als stroohalmen.
Uit het dikke koperroode rookgordijn dat den brand voorafging, sprongen nog gedurig gansche troepen wolven, bisons of jaguars te voorschijn, en stortten zich in de Rio Gila onder angstig gehuil, geloei en gebrul.
Don Martial en de lepero daalden met hunne paarden in de rivier af.
De schrandere dieren, door hun instinct geleid, drongen haastig voorwaarts naar den anderen oever.
Dit gedeelte van de woestijn maakte wel een zonderling contrast met hetgeen zij verlaten hadden, dat veel had van een onmetelijk fornuis, vol onbestemde geluiden, schrik en jammerkreten en noodgeschrei; een zee van vuur wier grootsche en onverbiddelijke baren alles verzwolgen en verslonden wat haar in den weg stond; het ging over heuvels en dalen, rotsen en wildernissen en deed binnen weinige minuten alle voortbrengsels zoo planten als dieren verschroeien of in rook opgaan of in asch verstuiven.
De Rio Gila, omstreeks dezen tijd des jaars door de gevallen regens in de Sierra Madre gezwollen, was dubbel zoo breed als gedurende den zomer, en uithoofde harer snelheid een gevaarlijke stroom; op het oogenblik echter dat onze twee avonturiers haar[128]overzwommen, hadden de menigte dieren die haar in dichte troepen tegelijkertijd zochten te passeeren hare kracht zoo zeer gebroken, dat zij den overtocht van den eenen oever naar den anderen in betrekkelijk korten tijd volbrachten.
»Hé!” riep Cuchares op het oogenblik dat de paarden vasten grond onder de voeten kregen, en tegen den steilen kant opklauterden, »hebt gij mij niet gezegd, don Martial, dat wij naar de hacienda moesten? dan zijn wij dunkt mij niet op den rechten weg.”
»Uw dunk is verkeerd, kameraad,” antwoordde don Martial; »onthoud deze les: als gij in de woestijn reist moet gij altijd doen of gij het doel ontwijkt dat gij bereiken wilt, anders komt gij er nooit.”
»Dat wil zeggen.…?”
»Dat wij vooreerst onze paarden in dit boschje dennen en acajou-ceders zullen vastmaken, waar zij volkomen veilig zullen zijn en daarna gaan wij naar de hacienda.”
De Tigrero stapte terstond af, bracht zijn paard onder het lommer der hooge boomen, nam het den hoofdstel af om het vrij te laten grazen, deed het de kluisters aan en keerde naar den oever terug.
Cuchares met de kracht der wanhoop gewapend, die in zekere omstandigheden den schijn aanneemt van waren heldenmoed, had het voorbeeld van zijn tochtgenoot in allen deele stiptelijk gevolgd. De eerzame lepero eindelijk besloten hebbende een dapper man te zijn, wel overtuigd dat hij anders verloren was, gaf zich over aan de luimen van zijne goede of kwade gesternte met het dwepende optimisme der mestiezen, die op dit punt voor de oosterlingen niet behoeven onder te doen.
Wij hebben hierboven reeds te kennen gegeven, dat aan deze zijde der rivier alles in de diepste rust gedompeld lag; de avonturiers bevonden zich dus voor alle gevaar beveiligd.
»Hoor eens,” riep de lepero opnieuw, »het rek is een beetje lang van hier naar de hacienda; ik geloof nooit dat ik zoo ver zal kunnen zwemmen.”
»Geduld; als gij niet tegen een weinig moeite opziet, zullen wij zonder twijfel wel een middeltje vinden om ons den weg te bekorten. Ah! wacht, wat heb ik u gezegd,” riep hij een oogenblik later, hem met den vinger een kleine prauw aanwijzende, die in een smalle kreek aan een paal vast lag.
»De kolonisten komen hier vaak visschen,” vervolgde hij, »zij hebben zoo een aantal prauwen van afstand tot afstand in de biezen verborgen. Wij zullen deze maar nemen, dan zijn wij binnen weinig minuten waar wij wezen moeten; kunt gij met de pagaaien omgaan?”
»Ja, als ik niet bang behoef te wezen.”
Don Martial keek hem eenigesecondenstrak aan en legde hem toenonzachtde hand op den schouder.
»Hoor eens, vriend Cuchares,” zeide hij op een drogen, bijtenden[129]toon, »ik heb geen tijd om lang met u te praten, maar ik heb zeer ernstige redenen om te doen wat ik doe en ik eisch van u volkomen vertrouwen, zonder aarzeling of argwaan hoe ook genaamd; houd u dus voor gewaarschuwd. Gij kent mij, op de eerste verdachte beweging die gij maakt schiet ik u een kogel door den kop als een coyote. Kom, help mij nu de prauw los maken en wij gaan dadelijk op weg.”
De lepero had het begrepen, hij onderwierp zich. Binnen een paar minuten was de prauw gereed en de twee mannen er in.
De tocht dien zij te maken hadden om het achtergedeelte der hacienda te bereiken was niet bijzonder ver, maar met hindernissen bezaaid, en in vele opzichten gevaarlijk; vooreerst uithoofde van den sterken stroom, die wat meer zegt, een groot aantal doode boomen medesleepte, de meesten nog in hun volle gewei van takken en wortels, die half boven water drijvende, telkens dreigden de zwakke boot omver te werpen; vervolgens de menigte wilde dieren die uit vrees voor brand de rivier in dichte troepen overzwommen, zoodat de prauw wanneer zij in zulk eene als verdwaasd vluchtende manade bezet raakte, ontwijfelbaar zou worden verpletterd met al wat er in was; een derde gevaar dat de avonturiers liepen, was nog, dat de schildwachten, die hier en daar in het dichte hakhout verscholen zaten om de toegangen der kolonie aan den rivierkant te verdedigen, hun een kogel toezonden.
Dit gevaar was echter niets in vergelijking der andere door ons opgenoemde, daar het zich liet aanzien dat de Franschen, door het schijnsel van den naderenden brand opgewekt, al hunne blikken naar het vaste land zouden richten. Voor het overige meende don Martial zeker te zijn dat hij van de schildwachts niets te vreezen had, daar men deze wel zou verwijderd hebben.
Op een wenk van don Martial greep de lepero de pagaaien en zij staken van wal.
De brand breidde zich snel uit in de richting van het westen en zette zijne verwoestingen met kracht voort.
De prauw kon slechts langzaam en niet dan met de meeste voorzichtigheid vorderen, uithoofde van den sterken stroom en de menigte voorwerpen die de vaart belemmerden.
Bleek als een lijk van angst, met stoppelende haren en van schrik uitpuilende oogen, hanteerde Cuchares de pagaaien en beval zijne ziel aan al de heiligen der vergulde legende van Spanje, meer dan ooit overtuigd dat hij niet goed af zou komen van de onderneming, waarin hij zich zoo onhandig gestoken had.
Overigens schenen de omstandigheden zoo ernstig, dat zelfs de Tigrero al zijne onversaagdheid en vooral de opgewondenheid noodig had, waartoe zijn beoogde doel hem aanvuurde, om niet in den zelfden schrik te deelen die zijn kameraad bezielde.
Hoe verder zij kwamen, hoe talrijker de hindernissen werden;[130]gedurig verplicht om de boomen te mijden, die in menigte op den stroom dreven en hun telkens den doortocht beletten, draaiden zij om zoo te zeggen als in een cirkel rond, kwamen wel tienmaal op hetzelfde punt terug en moesten schier aan alle kanten tegelijk acht geven, om niet omgeworpen te worden of door een warnet van onzichtbare of zichtbare wortels en takken te worden medegesleept.
Zoo hadden zij reeds bijna twee uren met de grootste inspanning gevaren, en naderden zij eindelijk van lieverlede de hacienda, die zich als eene donkere massa tegen den helderen sterrenhemel afteekende. Plotseling klonk er een vervaarlijke kreet uit eenige honderd woeste kelen door de nachtelijke ruimte, onmiddellijk gevolgd door een donderende losbranding van grof geschut en klein geweer.
«Santa Virgo!» riep Cuchares terwijl hij de pagaaien losliet en de handen samenvouwde, «wij zijn verloren.» Bladz. 130.«Santa Virgo!» riep Cuchares terwijl hij de pagaaien losliet en de handen samenvouwde, «wij zijn verloren.» Bladz. 130.
«Santa Virgo!» riep Cuchares terwijl hij de pagaaien losliet en de handen samenvouwde, «wij zijn verloren.» Bladz. 130.
»Santa Virgo!” riep Cuchares terwijl hij de pagaaien losliet en de handen samenvouwde, »wij zijn verloren.”
»Carai!” zei de Tigrero, »integendeel, nu zijn wij behouden, de Indianen bestormen de kolonie, al de Franschen zijn dus op de wallen en niemand denkt meer aan ons.Wakker op! jongen, nog een paar riemslagen en wij zijn er.”
»God geeft dat gij waarheid spreekt!” mompelde de lepero en hij begon weder te pagaaien, al was het ook met bevende hand.
»Caramba! dat schijnt daar een ernstige aanval,” vervolgde de Tigrero. »Des te beter! hoe meer ze daar ginder vechten, hoe minder men hier op ons zal letten; maken wij intusschen voort.”
Aan de zijde der landengte hoorde men het rumoer van den strijd, die met ieder oogenblik heviger scheen te worden.
De twee avonturiers, in de schaduw onzichtbaar, pagaaiden stil voort en naderden meer en meer de hacienda.
Don Martial wierp een bespiedenden blik in het rond; aan dit gedeelte van den oever, ofschoonnauwelijkseen half pistoolschot ver van de hacienda, was alles doodstil en roerloos. Niets deed vermoeden dat men hen bemerkt had.
De Tigrero bukte naar zijn kameraad.
»Houd op,” zeide hij zacht, »wij zijn aan.”
»Hoedat! aan?” herhaalde de lepero met een ontsteld gezicht, »wij zijn nog veraf.”
»Neen; op de plaats waar wij thans zijn hebt gij hoegenaamd niets te vreezen; blijf hier in de prauw, leg haar vast aan een boomstam in de nabijheid, om hier op mij te wachten.”
»En gij dan?”
»Ik? ik ga weg en laat u voor een paar uren alleen; houd vooral goed de wacht. Als gij iets bijzonders bespeurt, waarschuw mij dan door tweemaal op verschillende wijze te roepen als een waterhoen; hebt gij mij begrepen?”
»Opperbest. Maar als ons eens onmiddellijk gevaar dreigde, wat moet ik dan doen?”[131]
De Tigrero bedacht zich een oogenblik.
»Welk gevaar zou u hier kunnen dreigen?” vroeg hij toen.
»Dat weet ik niet,” zei Cuchares, »maar de Indianen zijn zulke kwaadaardige duivels; met hen moet men op alles bedacht zijn.”
»Gij hebt gelijk. Welnu, als u eenig ernstig gevaar mocht bedreigen, maar alleen in dat enkele geval, hoor! moet gij nadat gij een signaal hebt gegeven, de prauw voortstuwen naar dat punt dat gij van hier zien kunt; die wortelboomen daar ginds bedoel ik: daar tusschen zijt gij volkomen beschut en daar kom ik onmiddellijk bij u.”
»Goed, dat is afgesproken; maar dan, hoe zal ik weten waar ik u vinden moet.”
»Ik zal tweemaal het geluid van den prairiehond nabootsen. Pas nu op, en wees voorzichtig.”
»Gij kunt op mij rekenen.”
De Tigrero ontdeed zich van de kleederen die hem hadden kunnen belemmeren, zooals zijnzarape, en zijnebotas vaqueras, en hield niet anders aan dan zijn broek en vest, stak zijn mes in zijn gordel, hing zijne pistolen, zijne buks en zijn patroontasch om, en bootste op eene bedriegelijke wijze het gefluit van denmaukawisna. Weldra klonk hetzelfde geluid van den oever; en de Tigrero, na zijn kameraad voor de laatste maal waakzaamheid te hebben aanbevolen, nam zijne wapens zorgvuldig op zijn hoofd en liet zich zacht in het water glijden. De lepero zag hem weldra rustig en met kracht wegzwemmen, koers houdende naar de hacienda; maar allengs begon de Tigrero in de verte te verdwijnen tot hij eindelijk in de schaduw van den oever onzichtbaar werd.
Zoodra Cuchares alleen was, bekeek hij, zonder bepaald te weten waarom, zorgvuldig zijne wapens om te zien of ze wel goed in orde waren en deed nieuw kruit op de pan, ten einde gereed te zijn en niet weerloos overrompeld te worden; vervolgens gerustgesteld door de kalmte die in den omtrek bleef heerschen ging hij ondanks de waarschuwing van den Tigrero op den bodem der prauw liggen en schikte zich om te slapen.
Het rumoer van den strijd was langzamerhand verminderd en had eindelijk geheel opgehouden, men hoorde niet meerschreeuwennoch schieten; de Indianen, door de kolonisten teruggeslagen, hadden van hun aanval afgezien. Ook de brand in de prairie was merkelijk verflauwd, kortom, de woestijn scheen tot hare gewone stilte en eenzaamheid teruggekeerd.
De lepero lag op zijn rug op den bodem der prauw en keek naar de heldere sterren, die in het blauwe hemelruim schitterden en fonkelden. Zacht wiegelend op den schommelenden stroom gaf hij zich over aan onbezorgde droomen, en sloot nu en dan de oogen; eindelijk kwam hij op het geheimzinnige punt dat geen waken noch slapen meer heeten mag, en zou hij waarschijnlijk spoedig zijn ingedommeld, zoo hij niet even voordat hij bepaald de oogen zou sluiten,[132]gewetenshalve zijn reeds door slaap benevelden blik voor het laatst had rondgeslagen—wat zag hij? hij ontroerde er van, zou bijna een schreeuw hebben gegeven van angst en stond zoo haastig op, dat het weinig scheelde of hij had de prauw doen omslaan.
Cuchares had een ontzettend visioen gehad, hij wreef zich de oogen om zich te verzekeren dat hij wakker was, en keek opnieuw rond.
Wat hij voor een visioen had gehouden, was inderdaad iets wezenlijks; hij had wel goed gezien.
Gelijk wij straks gezegd hebben dreven er een menigte doode boomen met takken en wortels op den stroom. Sedert eenigen tijd had zich een groot aantal dezer boomen in de nabijheid der prauw verzameld: zonder dat de lepero er eene voldoende reden voor kon vinden, te minder daar deze boomen terwijl zij natuurlijkerwijs den stroom van het water hadden moeten volgen, integendeel in allerlei richtingen dreven en in plaats van midden in de rivier te blijven veeleer den oever waar de hacienda op lag meer en meer naderden.
Wat nog zonderlinger scheen, was dat de gang dezer vlottende stammen zich bepaald naar hetzelfde punt richtte, namelijk het uiteinde der landtong, juist achter de hacienda; voorts—het was inderdaad om van te huiveren—zag Cuchares te midden van al deze stammen, takken en wortels, vurige oogen schitteren, en akelige hoofden met afschuwelijke aangezichten opsteken.
Er viel niet langer aan te twijfelen, in iederen boom zaten zes of meer Apachen; de Roodhuiden, na in hun eerste poging aan de landzijde gefaald te hebben, trachtten nu de kolonie aan den rivierkant te naderen en haar onder bedekking der boomen daar zij zich achter verscholen hielden, te overrompelen.
De positie van den lepero was hachelijk.
Tot dusver hadden de Indianen, te veel met het uitvoeren van hun plan bezig, zeker niet op de prauw gelet of zoo zij die al hadden gezien, er zich niet om bekreund, in den waan dat zij aan een der hunnen toebehoorde; met ieder oogenblik echter kon deze dwaling ontdekt en de lepero herkend worden, en dan wist hij maar al te goed dat hij verloren was.
Reeds twee of drie malen was er voor een oogenblik eene hand aan het boord der ranke boot geslagen, maar als door bijzondere bewaring had de Indiaan die dit deed niet goedgevonden even in de prauw te kijken.
Al deze en nog vele andere beschouwingen gingen den armen Cuchares door het hoofd, terwijl hij schijnbaar zoo gemakkelijk op zijn rug in de prauw lag, zacht wiegende op de hobbelende baren en terwijl hij boven zijn hoofd de heldere sterren aan het firmament zag blinken. Met een door schrik vertrokken aangezicht, bleek als de dood, in iedere hand een pistool krampachtig vastklemmend, en zich in stilte aan zijn bijzonderen beschermheilige aanbevelende, wachtte hij[133]de schrikkelijke uitkomst af die met iedere verloopende minuut dreigender werd.
Hij behoefde niet lang te wachten.