XIX.

[Inhoud]XIX.IN DE PRAIRIE.De noordoostelijke grens van Mexico tot aan de oude thans verlaten en in puin vallende zendelingsposten der Jezuïeten, vormt den rand der groote prairie van deRio Gila, of Apacheria, die zich uitstrekt tot aan de onvruchtbare woestijn del Norte.In dit gedeelte der prairie spreidt de natuur om zoo te zeggen met verkwistende praalzucht, een rijkdom van groeikracht en vruchtbaarheid ten toon die men elders te vergeefs zou zoeken.Guetzalli was aangelegd op de bouwvallen van een der bovengenoemde, voorheen zoo bloeiende zendelingsposten der paters Jezuïeten, die sedert het decreet der uitdrijving uit deze streek verdwenen zijn.Zonder hier in eenige beschouwingen hetzij voor of tegen de Jezuïetenorde te treden, zullen wij alleen in ’t voorbijgaan zeggen, dat zij in dit gedeelte van Amerika groote diensten heeft bewezen; dat al de zendingsposten, door de paters in de wildernis gesticht, bloeiden; dat de Indianen van alle kanten toestroomden om zich onder hunne vaderlijke wetten te stellen, en dat sommige missiën, die wij bij name zouden kunnen noemen, niet minder dan zestig duizend bekeerlingen telden; ten bewijze van de deugd hunner instellingen kan men aanvoeren, dat toen de Jezuïeten van hooger hand bevel kregen hunne posten aan andere geestelijke broeders over te geven, de proselieten hun uit eigen beweging en met vele tranen smeekten om dit willekeurig bevel niet te gehoorzamen, hun aanbiedende om hen desnoods tegen alles te zullen verdedigen.Tot staving van dezen lof dien wij den Jezuïeten hoezeer spade toekennen, kan verder dienen, dat na hun vertrek de zendingsposten spoedig zijn vervallen, en de proselieten die zij met zooveel moeite in den schoot der Kerk hadden gebracht, allen tot het wilde leven zijn teruggekeerd; ofschoon na verloop van zoo vele jaren de geheugenis der weldaden hun door de zendelingen bewezen, nog altijd in het hart der Indianen leeft en een hoofdonderwerp uitmaakt hunner gesprekken, wanneer zij des avonds rondom hunne kampvuren samen keuvelen, over den goeden ouden tijd, toen de blanke vaders nog voor hen zorgden en waakten.Don Sylva de Torres wenschte zoo spoedig mogelijk en langs den kortsten weg de kolonie Guetzalli te bereiken; ongelukkig moest hij daartoe, om zoo te zeggen als een vogel door de lucht, eene uitgebreide landstreek doortrekken, waar geen spoor van pad of weg te vinden was; bovendien was hij door zijn gemis van plaatselijke kennis[187]genoodzaakt zich geheel op don Martial te verlaten, een uitmuntende gids ongetwijfeld waar het op schranderheid of kennis van de wildernis aankwam, maar in wien hij om andere redenen, daar hij zich niet recht rekenschap van wist te geven, niet veel vertrouwen stelde.Evenwel gaf de Tigrero, in schijn althans, bewijs van de meestevoorkomendheiden zorg voor den haciendero, voerde hem zooveel mogelijk langs begaanbare wegen, deed hem de moeielijkste plaatsen vermijden of omtrekken en waakte met voorbeeldigen ijver voor de veiligheid der kleine karavaan.Iederen avond kampeerde de troep op de kruin van een heuvel, vanwaar men tot op verren afstand kon uitzien, ten einde eene overrompeling te vermijden.Op den avond van den vierden dag, na een vermoeienden marsch over een verbrokkeld terrein, bereikten zij een heuvel, waar don Martial hun weder voorstelde te kampeeren.De haciendero nam dit voorstel des te gretiger aan, daar hij weinig aan deze manier van reizen gewoon, zich uiterst vermoeid gevoelde. Na een sober maal, uit gebraden maïskoeken en gestoofde, met piment gekruide en met pulque gedoopte peren bestaande, wikkelde don Sylva, zonder zelfs aan zijne vaste gewoonte te denken om na den maaltijd een cigarette te rooken, zich zorgvuldig in zijn mantel, strekte zich op den grond uit, met de voeten aan het vuur en het hoofd op een stapeltje zoden en zonk bijna onmiddellijk in een diepen slaap.Don Martial en Anita bleven eene poos stilzwijgend bij het vuur zitten met de oogen op den slapende gericht en met aandacht zijne ademhaling bespiedende. Eindelijk, toen de Tigrero overtuigd was dat de haciendero werkelijk sliep, wendde hij zich tot het meisje en fluisterde haar met eene zachte stem in ’t oor:»Vergeving,doñaAnita, vergeving!”»Vergeving! en waarom?” vroeg zij verwonderd.»Helaas! het is voor mij dat gij zooveel moet lijden.”»Egoïst,” riep zij met een bekoorlijken lach, »is het dan ook niet tevens voor mij, omdat ik u zoo bemin?”»O! dank!” riep hij, »gij geeft mij den moed terug dien ik in mijn hart voelde wegzinken. Maar o! hoe zal dit alles nog afloopen?”»Goed, daarvan ben ik overtuigd,” riep zij levendig, »wij hebben slechts een weinig geduld noodig; mijn vader, denk dat maar, zal spoedig voor u gewonnen zijn.”De Tigrero glimlachte droevig.»Ik kan u toch niet zoo eindeloos in de prairie laten zwerven.”»Dat is zoo,” hervatte zij bezorgd. »Wat zullen wij doen?”»Ik weet het niet. Sedert twee dagen doen wij niets anders dan om de kolonie heen zwerven, daar wij nauwelijks drie uren ver van verwijderd zijn, zonder dat ik den moed heb om er binnen te trekken.”»Helaas!” mompelde het meisje.[188]»Ach!doñaAnita!” vervolgde hij op zekeren toon van moedeloosheid, »waarom hebt gij toch zulk een vader?”»O spreek zoo niet,” riep zij hem schielijk de hand op den mond leggende als om hem te doen zwijgen, »waarom zoudt gij wanhopen? God is goed. Hij zal ons niet verlaten; wie weet hoe zich alles nog ten beste keert, laten wij op Hem vertrouwen?”»Maar, mijne lieve,” riep hij hoofdschuddend, »onze toestand is onhoudbaar. Langer zonder doel voorttrekken is onmogelijk. Uw vader, hoe weinig hij ook met dit land bekend is, zal eindelijk zien dat ik hem misleid, en dan kan ik niets meer bij hem uitrichten. Aan den anderen kant, als ik de kolonie binnen trok, zou ik u terugbrengen onder het juk van den man met wien men u dwingen wil te trouwen; tot zulke eene schandelijke dwaasheid kan ik niet besluiten. O! ik zou gaarne tien van mijne levensjaren geven om te weten wat ik doen moet.”Op dit oogenblik als had de hemel zijnen wensch gehoord en er onmiddellijk op willen antwoorden zag de Tigrero, wiens oogen werktuigelijk over de prairie weidden, waar alles thans in de diepste duisternis gedompeld lag, op korten afstand tusschen de hooge grashalmen een licht, op verschillende wijze herhaald, opsteken en bepaalde telegraphische figuren in de lucht beschrijven. En op hetzelfde oogenblik hoorde zijn geoefend oor zoo hij meende in de verte het gehinnik van een paard.»Dat is iets buitengewoons,” mompelde hij in zich zelven. »Wat zou dat beteekenen? Zou het een signaal zijn? Intusschen zijn wij hier alleen; ik heb den ganschen dag geen spoor of teeken van menschelijk leven ontdekt. En toch, dat licht en dat gehinnik, zoo onmiddellijk achter elkander …?”»Wat schort u, mijn vriend!” vroegdoñaAnita bezorgd. »Gij schijnt ongerust; welk gevaar bedreigt ons? Zeg het vrij. Gij weet, ik ben moedig, en bovendien wat zou ik vreezen daar ik u bij mij heb! Verzwijg mij niets. Er is zeker iets buitengewoons, is het niet?”»Nu ja,” antwoordde hij ronduit, daar hij het toch niet voor haar kon verbergen, »er gebeurt iets ongewoons; maar verontrust u niet, ik geloof niet dat gij iets te vreezen hebt.”»Maar wat is het dan? Ik heb niets gezien.”»Kijk eens, daar ginds,” zeide hij, de hand uitstrekkende.Het meisje keek scherp uit, en zag nu wat de Tigrero reeds eenige oogenblikken vroeger gezien had, een licht in de verte, dat als een roode stip in de duisternis schitterde en zeer bepaalde lijnen beschreef.»Dat is blijkbaar een signaal,” hernam de Tigrero, »daar moet iemand verscholen zijn.”»Wacht gij dan iemand?” vroeg zij.»Bepaald niemand, en toch, ik weet niet waarom, geloof ik dat dit signaal voor mij bestemd is.”[189]»Ja, maar gij weet wel wij zijn in de prairie en worden waarschijnlijk door een aantal Indiaansche jagers omringd; dus kan dat licht wel een signaal zijn dat zij elkander geven.”»Neen,doñaAnita, gij vergist u, wij worden althans op dit oogenblik niet door Indiaansche jagers omringd; ik weet zeker dat wij hier alleen zijn.”»Hoe kunt gij dat weten, vriend, daar gij geen oogenblik hiervandaanzijt geweest om het te onderzoeken?”»Mijn lievedoñaAnita,” antwoordde hij op ernstig nadrukkelijken toon, »de prairie is een open boek, waarin Gods hand duizend geheimen heeft opgeteekend, die de mensch, aan het leven der woestijn gewoon, er op iedere bladzijde leest: de wind die door de takken ruischt, het water dat over de keien der beek murmelt, de vogel die de lucht doorvliegt, het hert of de bison die in de vlakte graast, de alligator die zich omwentelt in het oeverslijk, zijn voor mij zoovele teekenen daar ik mij nooit in vergissen zal. Sedert twee dagen hebben wij geen spoor of teeken van de Roodhuiden ontdekt, de bisons en andere dieren die wij ontmoetten graasden rustig en zonder mistrouwen; de vogels vlogen ongestoord, en de alligators waren zoo diep onder het slib weggedoken dat men ze bijna niet zien kon. Al deze dieren ruiken de nadering van den mensch, vooral van den Indiaan reeds op verren afstand, en nauwelijks hebben zij er de lucht van, of zij vluchten met allen spoed, zoo groot is de vrees die de koning der schepping hun inboezemt. Ik herhaal u, wij zijn alleen, gansch alleen; dat signaal is dus zeker voor mij. En ziedaar, het begint op nieuw.”»’t Is waar, ik zie het duidelijk,” riepdoñaAnita.»Ik moet weten wat dit beduidt,” zeide hij, zijn geweer nemende.»O! don Martial; ik bid u, pas toch op! en wees voorzichtig. Denk om mij,” vervolgde zij angstig.»Maak u niet ongerust,doñaAnita, ik ben te lang woudlooper geweest om mij door zulk een grove list te laten beet nemen; tot flusjes! ik kom dadelijk weêr bij u.”Zonder verder naar het meisje te luisteren, dat hem met tranen en beden zocht te weêrhouden, liep hij snel ofschoon behoedzaam den heuvel af.In de vlakte komende bleef hij staan, om te zien waar hij was en wat hij verder doen moest.Zijn kamp lag op twee pijlschoten afstands van de Rio Gila bijna recht tegenover een groot eiland, dat inderdaad uit eene enkele rots bestaat, die ongeveer de gedaante van een mensch heeft en bijgevolg door de Apachende Meester des levens van den menschis genoemd.Bij hunne invallen op Mexicaansch grondgebied zullen de Roodhuiden nooit verzuimen dit eiland te bezoeken om er hunneofferandente brengen, eene ceremonie die hoofdzakelijk bestaat in dansen en[190]daarbij in het water werpen van tabak, dieren- of menschenhaar envederenvan vogels.De bovengenoemde rots, die er in de verte zeer wonderlijk en ontzagwekkend uitziet, is met twee holen doorboord, elk van twaalf honderd schreden lang en veertig breed, en de kruin heeft den vorm van een boog.Wat de opmerkzaamheid van den Tigrero bijzonder getroffen en hem terstond had doen besluiten het vermeende signaal nader te gaan onderzoeken, was dat het van dit eiland was uitgegaan, een ongewoon verschijnsel, des te meer daar hij wist dat de Indianen voor dit eiland eene bijgeloovige vrees koesteren, zoodat geen Roodhuid hoe dapper hij ook wezen mocht gewaagd zou hebben er den nacht door te brengen. Zijne bekendheid met die vrees had hem terstond bewogen om het geheimzinnig signaal nader te onderzoeken.Er groeide hoog en dicht gras tot aan den rand der rivier. Daar komende onder bedekking van dichte tot een ondoordringbaar warnet in elkander gegroeide wortelboomen en waterwilgen, sloop de Tigrero behoedzaam naar den vrij steilen oever, en toen hij dezen bereikt had, greep hij een overhangenden tak en liet zich in het water zakken, zoodat zijne indompeling geen het minste geplas maakte.Toen zijn geweer met de eene hand boven water houdende, om het voor nat worden te bewaren, zwom hij met de andere hand de rivier over naar het eiland.De afstand was kort, de Tigrero was een goed zwemmer, weldra bereikte hij het punt waar hij wilde aanlanden.Nauwelijks was hij aan wal of hij ging op zijn buik liggen en kroop door de struiken, zorgvuldig achtgevend op het minste geluid en zoo scherp mogelijk rondziende in de duisternis.Hij zag of hoorde niets; nu stond hij op en liep naar een der holen en grotten, aan welks ingang hij het schijnsel van een vuur zag blinken. Bij dat vuur zat een man, met het hoofd op de beide handpalmen geleund, zoo rustig te rooken alsof hij in een pulqueria te Guaymas gezeten was.Na dezen man eene minuut lang te hebben bespied, kon hij nauwelijks een vroolijken uitroep bedwingen en trad hij zonder zich langer te verbergen regelrecht naar hem toe.Hij had zijn ouden vertrouweling, Cuchares den lepero herkend.Het gedruisch der voetstappen van den Tigrero deed Cuchares opkijken.»Wel, wel! komt gij eindelijk, don Martial!” riep hij, »ik heb mij een uur lang vermoeid met alle seinen te geven die ik bedenken kon, zonder dat gij u verwaardigd hebt mij te antwoorden.”»Ja, mijn waarde,” zei de Tigrero vroolijk, »als ik had kunnen vermoeden dat gij het waart, zou ik reeds lang hier zijn geweest; maar ik was zoo ver van u te verwachten.”»Wel ingezien hebt gij gelijk, en in eene streek als hier kan men niet te voorzichtig zijn.”[191]»Maar zeg mij, is er wat nieuws?” hervatte de Tigrero terwijl hij dicht bij het vuur plaats nam, om zijne druipnatte kleeren te drogen.»Caspita!of er wat nieuws is! anders zaagt gij mij zeker niet hier.”»Dat’s waar; gij zijt een goede kameraad, ik dank u dat gij gekomen zijt; gij weet wel dat ik goed onthouden kan?”»Dat weet ik.”»Ter zake, zeg mij wat hebt gij mij mede te deelen; ik heb haast om uw nieuws te hooren, en vooraf nog eene vraag.”»Welke?”»Is het goed?”»Onverbeterlijk; gij zult het zelf kunnen beoordeelen.”»Carai!als dat zoo is, neem dan dezen ring, dien ik niet verplicht was u te geven voordat onze zaken geheel waren afgedaan; maar wees verzekerd, als wij onze rekening sluiten, zal ik nog wel iets vinden dat u bevallen zal.”De oogen van den lepero schitterden van blijdschap en begeerigheid; hij nam den ring en borg hem bij den anderen dien hij eenige dagen te voren ontvangen had.»Ik dank u,” zeide hij, »Vive Dios! Het is een pleizier om zaken met u te doen: gij knibbelt ten minste niet.”»Thans uw nieuws.”»Hier is het, kort, maar goed. Elseñorconde, radeloos over het verdwijnen zijner bruid, die hij meent dat door de Apachen is opgelicht, heeft zich aan ’t hoofd zijner kompagnie gesteld, is van de hacienda vertrokken en doorkruist thans de prairie in alle richtingen om den Zwarte-Beer na te zetten.”»Carai! dat is de gelukkigste tijding die gij mij ooit brengen kondt. En wat denkt gij nu te doen?”»Wel, wij zijn immers afgesproken datel conde.…”»Zonder twijfel!” viel de Tigrero hem in de rede; »maar dan moeten wij hem eerst aantreffen, hetgeen naar ik meen thans niet gemakkelijk gaan zal.”»Integendeel.”»Hoe dan?”»Wel,señordon Martial, zoudt gij mij nu de oneer willen aandoen van te zeggen dat ik eenpavo—een kalkoen—ben.”»Wel neen, compadre, maar.…”»Maar gij denkt het toch; dan moet ik u tot mijn genoegen zeggen dat gij u bedriegt; gedurende de weinige oogenblikken die ik in de hacienda was, heb ik zooveel mogelijk navraag gedaan en mij goed laten inlichten, en daar ik mij in mijn geleende kwaliteit als boodschapper aanmeldde, heeft niemand eenig bezwaar gemaakt mij te antwoorden. Het schijnt dat de Apachen in plaats van veld te winnen, door de Franschen, daar zij in parenthesis den schrik van[192]hebben gezet, zoo dapper zijn afgeslagen dat zij zich naar de woestijn del Norte hebben teruggetrokken, om hunne dorpen te bereiken; el conde zet hen na, niet waar?”»Ja, dat hebt gij mij gezegd.”»Welnu, naar alle waarschijnlijkheid zal hij zich niet in die woestijn durven wagen.”»Natuurlijk niet,” riep de Tigrero huiverend, »hoe dapper hij ook wezen mag.”»Zeer goed! en dan kan hij slechts op één punt post vatten.”»Aan deCasa Grande!” riep don Martial schielijk.»Juist! Ik ben dus zeker dat ik hem daar ontmoeten zal.”»Slapperment! dan moet gij daar dadelijk heen.”»Ik ga op weg zoodra gij vertrokken zijt.”De Tigrero staarde hem met zekere verbazing aan.»Diablo! Cuchares,” riep hij een oogenblik later, »gij zijt eenkordaatman, ik acht mij gelukkig dat ik mij in u niet bedrogen heb.”»Wat belieft u,” antwoordde de schelm zedig terwijl hij met zijne grijze oogen kwaadaardig knipte, »de betrekkingen die ik met u heb aangegaan zijn zoo aangenaam dat ik de macht niet heb u iets te weigeren.”Beiden schoten in een lach over dezen tamelijk dubbelzinnigen kwinkslag.»Welnu, daar alles tusschen ons is afgesproken,” hervatte don Martial, »kunnen wij scheiden.”»Hoe zijt gij hier gekomen?” vroeg de lepero.»Dat kunt gij dunkt mij wel zien, al zwemmende.… En gij?”»Op mijn paard. Ik zou u wel aanbieden u weder aan wal te brengen, maar wij moeten elk een anderen kant uit.”»Voor het oogenblik nog niet.”»Denkt gij dan spoedig naar ginds te gaan?”»Waarschijnlijk,” riep hij met een dubbelzinnigen glimlach.»O! dan zullen wij elkander spoedig weêrzien.”»Ik hoop ja.”»Hoor eens, don Martial, daar ik zie dat uwe kleederen volkomen droog zijn, zou het mij spijten als gij u voor de tweede maal moest nat maken, ik geloof dat er eene prauw in de nabijheid is; gij weet dat de Indianen die overal gereed hebben en ergens verbergen.”De Tigrero trad de grot in, keek rond en zag werkelijk een prauw, ordelijk met de daarbij behoorende pagaaien tegen den wand geplaatst; hij nam haar onbeschroomd op, en droeg haar op zijne schouders naar den rivierkant.»Maar eer wij verder gaan, zeg eens, waarom hebt gij deze plaats gekozen om bij mij te komen?”»Om niet gestoord te worden; of zou het u bevallen zijn, dat iemand ons gesprek had beluisterd!”»Neen, dat stem ik u toe. Kom, tot weêrziens dan.”[193]»Tot weêrziens!”De twee mannen scheidden, Cuchares om een verren tocht te beginnen, en don Martial om naar zijn kampement terug te keeren.Zij hadden zich intusschen bedrogen, toen zij meenden door niemand beluisterd te worden.Nauwelijkshadden zij het eiland verlaten en zich in verschillende richting verwijderd, of er stak uit eene dichte massa dahlia’s en floripondio’s aan den ingang der grot een leelijk hoofd op, dat omzichtig links en rechts rondkeek; vervolgens, een oogenblik later, werden de takken meer en meer uit elkander geduwd en volgde op het hoofd het geheele lichaam, en weldra trad een Apache-Indiaan, als oorlogsman beschilderd en gewapend te voorschijn.Die Indiaan was de Zwarte-Beer.»Ooah!” mompelde hij met een dreigend gebaar, »de bleekgezichten zijn honden, de Apachen-krijgslieden zullen hen op den voet volgen.”Nadat hij nog een poosje den helderen sterrenhemel had aangekeken ging hij de grot in.Intusschen had de Tigrero zijn kamp weder bereikt.DoñaAnita, ongerust over zijn lang uitblijven, wachtte hem met angstige bezorgdheid.»Wel?” vroeg zij, hem te gemoet snellende, zoodra zij hem zag aankomen.»Goed nieuws,” antwoordde hij.»O, wat heb ik in angst gezeten.”»Ik zeg u dank, het is juist gegaan zoo als ik verwacht had; het signaal was werkelijk voor mij.”»Dat.…”»Ik heb een vriend ontmoet die mij de middelen heeft verschaft om uit de valsche stelling te geraken waarin wij ons bevinden.”»Op welke wijs?”»Verontrust u over niets, zeg ik u en laat mij begaan.”Het meisje gehoorzaamde stilzwijgend en ondanks hare nieuwsgierigheid, verwijderde zij zich in de jacal,—eene hut van samengevlochten takken—die voor haar was gereed gemaakt, zonder don Martial verder te vragen wat er van was.In plaats van te slapen vlijde de Tigrero zich onder een boom neer, kruiste de armen op de borst en bleef onbeweeglijk zitten, in sombere gepeinzen verzonken tot de dag aankwam.Met het opgaan der zon stond hij op, stapte eenige malen op en neder om de stramme vadsigheid van den nacht te verdrijven en riep zijne kameraden.Tien minuten later hervatte de kleine troep weder den marsch.»O ho! don Martial, wat zijt gij er vroeg bij, dezen morgen,” riep de haciendero.»Hebt gij dan niet opgemerkt dat wij vooraf niet ontbeten hebben, zoo als wij anders alle dagen deden?”[194]»Caramba, neen!”»Weet gij waarom? ’t Is omdat wij heden te Guetzalli zullen ontbijten, daar wij over twee uren aankomen.”»Ah! te weerga!” riepdehaciendero, »dat hoor ik met bijzonder genoegen.”»Niet waar?”»Ik verzeker u van ja.”DoñaAnita had toen zij dit gesprek hoorde don Martial een ongerusten blik toegeworpen, maar zijn gelaat stond zoo kalm en hij glimlachte zoo vroolijk, dat zij onmiddellijk tot bedaren kwam, wel vermoedende dat de stilzwijgendheid van den Tigrero te haren opzichte haar eene aangename verrassing wilde bereiden.Zooals don Martial gezegd had, kwam de karavaan twee uren later werkelijk aan de kolonie.Nauwelijks waren zij door de schildwachts herkend, of de valbrug aan de landengte werd neergelaten en zij reden de hacienda binnen, waar zij met al de vereischte eerbewijzen ontvangen werden.DoñaAnita, die geen oog van den Tigreroaf had, werd beurtelings bleek en rood, daar zij zijne volkomen bedaardheid volstrekt niet begreep.Zij stapten af op de tweede binnenplaats, voor de groote deur.»Waar is toch de graaf de Lhorailles?” vroeg don Sylva, ten hoogste verwonderd dat hij zijn aanstaanden schoonzoon niet zag verschijnen om hem naar behooren te ontvangen.»Mijnheer de graaf zal wanhopig zijn als hij hoort dat gij zijt teruggekomen terwijl hij afwezig is,” antwoordde de majordomo met een stroom van verontschuldigingen.»Is hij dan van huis?”»Ja,señoria.”»Maar komt hij spoedig terug?”»Dat denk ik niet; de kapitein is vertrokken aan het hoofd van zijne gansche compagnie, om de Roodhuiden te vervolgen.”Dat bericht klonk don Sylva als een donderslag.De Tigrero endoñaAnita wisselden een blik van genoegen.

[Inhoud]XIX.IN DE PRAIRIE.De noordoostelijke grens van Mexico tot aan de oude thans verlaten en in puin vallende zendelingsposten der Jezuïeten, vormt den rand der groote prairie van deRio Gila, of Apacheria, die zich uitstrekt tot aan de onvruchtbare woestijn del Norte.In dit gedeelte der prairie spreidt de natuur om zoo te zeggen met verkwistende praalzucht, een rijkdom van groeikracht en vruchtbaarheid ten toon die men elders te vergeefs zou zoeken.Guetzalli was aangelegd op de bouwvallen van een der bovengenoemde, voorheen zoo bloeiende zendelingsposten der paters Jezuïeten, die sedert het decreet der uitdrijving uit deze streek verdwenen zijn.Zonder hier in eenige beschouwingen hetzij voor of tegen de Jezuïetenorde te treden, zullen wij alleen in ’t voorbijgaan zeggen, dat zij in dit gedeelte van Amerika groote diensten heeft bewezen; dat al de zendingsposten, door de paters in de wildernis gesticht, bloeiden; dat de Indianen van alle kanten toestroomden om zich onder hunne vaderlijke wetten te stellen, en dat sommige missiën, die wij bij name zouden kunnen noemen, niet minder dan zestig duizend bekeerlingen telden; ten bewijze van de deugd hunner instellingen kan men aanvoeren, dat toen de Jezuïeten van hooger hand bevel kregen hunne posten aan andere geestelijke broeders over te geven, de proselieten hun uit eigen beweging en met vele tranen smeekten om dit willekeurig bevel niet te gehoorzamen, hun aanbiedende om hen desnoods tegen alles te zullen verdedigen.Tot staving van dezen lof dien wij den Jezuïeten hoezeer spade toekennen, kan verder dienen, dat na hun vertrek de zendingsposten spoedig zijn vervallen, en de proselieten die zij met zooveel moeite in den schoot der Kerk hadden gebracht, allen tot het wilde leven zijn teruggekeerd; ofschoon na verloop van zoo vele jaren de geheugenis der weldaden hun door de zendelingen bewezen, nog altijd in het hart der Indianen leeft en een hoofdonderwerp uitmaakt hunner gesprekken, wanneer zij des avonds rondom hunne kampvuren samen keuvelen, over den goeden ouden tijd, toen de blanke vaders nog voor hen zorgden en waakten.Don Sylva de Torres wenschte zoo spoedig mogelijk en langs den kortsten weg de kolonie Guetzalli te bereiken; ongelukkig moest hij daartoe, om zoo te zeggen als een vogel door de lucht, eene uitgebreide landstreek doortrekken, waar geen spoor van pad of weg te vinden was; bovendien was hij door zijn gemis van plaatselijke kennis[187]genoodzaakt zich geheel op don Martial te verlaten, een uitmuntende gids ongetwijfeld waar het op schranderheid of kennis van de wildernis aankwam, maar in wien hij om andere redenen, daar hij zich niet recht rekenschap van wist te geven, niet veel vertrouwen stelde.Evenwel gaf de Tigrero, in schijn althans, bewijs van de meestevoorkomendheiden zorg voor den haciendero, voerde hem zooveel mogelijk langs begaanbare wegen, deed hem de moeielijkste plaatsen vermijden of omtrekken en waakte met voorbeeldigen ijver voor de veiligheid der kleine karavaan.Iederen avond kampeerde de troep op de kruin van een heuvel, vanwaar men tot op verren afstand kon uitzien, ten einde eene overrompeling te vermijden.Op den avond van den vierden dag, na een vermoeienden marsch over een verbrokkeld terrein, bereikten zij een heuvel, waar don Martial hun weder voorstelde te kampeeren.De haciendero nam dit voorstel des te gretiger aan, daar hij weinig aan deze manier van reizen gewoon, zich uiterst vermoeid gevoelde. Na een sober maal, uit gebraden maïskoeken en gestoofde, met piment gekruide en met pulque gedoopte peren bestaande, wikkelde don Sylva, zonder zelfs aan zijne vaste gewoonte te denken om na den maaltijd een cigarette te rooken, zich zorgvuldig in zijn mantel, strekte zich op den grond uit, met de voeten aan het vuur en het hoofd op een stapeltje zoden en zonk bijna onmiddellijk in een diepen slaap.Don Martial en Anita bleven eene poos stilzwijgend bij het vuur zitten met de oogen op den slapende gericht en met aandacht zijne ademhaling bespiedende. Eindelijk, toen de Tigrero overtuigd was dat de haciendero werkelijk sliep, wendde hij zich tot het meisje en fluisterde haar met eene zachte stem in ’t oor:»Vergeving,doñaAnita, vergeving!”»Vergeving! en waarom?” vroeg zij verwonderd.»Helaas! het is voor mij dat gij zooveel moet lijden.”»Egoïst,” riep zij met een bekoorlijken lach, »is het dan ook niet tevens voor mij, omdat ik u zoo bemin?”»O! dank!” riep hij, »gij geeft mij den moed terug dien ik in mijn hart voelde wegzinken. Maar o! hoe zal dit alles nog afloopen?”»Goed, daarvan ben ik overtuigd,” riep zij levendig, »wij hebben slechts een weinig geduld noodig; mijn vader, denk dat maar, zal spoedig voor u gewonnen zijn.”De Tigrero glimlachte droevig.»Ik kan u toch niet zoo eindeloos in de prairie laten zwerven.”»Dat is zoo,” hervatte zij bezorgd. »Wat zullen wij doen?”»Ik weet het niet. Sedert twee dagen doen wij niets anders dan om de kolonie heen zwerven, daar wij nauwelijks drie uren ver van verwijderd zijn, zonder dat ik den moed heb om er binnen te trekken.”»Helaas!” mompelde het meisje.[188]»Ach!doñaAnita!” vervolgde hij op zekeren toon van moedeloosheid, »waarom hebt gij toch zulk een vader?”»O spreek zoo niet,” riep zij hem schielijk de hand op den mond leggende als om hem te doen zwijgen, »waarom zoudt gij wanhopen? God is goed. Hij zal ons niet verlaten; wie weet hoe zich alles nog ten beste keert, laten wij op Hem vertrouwen?”»Maar, mijne lieve,” riep hij hoofdschuddend, »onze toestand is onhoudbaar. Langer zonder doel voorttrekken is onmogelijk. Uw vader, hoe weinig hij ook met dit land bekend is, zal eindelijk zien dat ik hem misleid, en dan kan ik niets meer bij hem uitrichten. Aan den anderen kant, als ik de kolonie binnen trok, zou ik u terugbrengen onder het juk van den man met wien men u dwingen wil te trouwen; tot zulke eene schandelijke dwaasheid kan ik niet besluiten. O! ik zou gaarne tien van mijne levensjaren geven om te weten wat ik doen moet.”Op dit oogenblik als had de hemel zijnen wensch gehoord en er onmiddellijk op willen antwoorden zag de Tigrero, wiens oogen werktuigelijk over de prairie weidden, waar alles thans in de diepste duisternis gedompeld lag, op korten afstand tusschen de hooge grashalmen een licht, op verschillende wijze herhaald, opsteken en bepaalde telegraphische figuren in de lucht beschrijven. En op hetzelfde oogenblik hoorde zijn geoefend oor zoo hij meende in de verte het gehinnik van een paard.»Dat is iets buitengewoons,” mompelde hij in zich zelven. »Wat zou dat beteekenen? Zou het een signaal zijn? Intusschen zijn wij hier alleen; ik heb den ganschen dag geen spoor of teeken van menschelijk leven ontdekt. En toch, dat licht en dat gehinnik, zoo onmiddellijk achter elkander …?”»Wat schort u, mijn vriend!” vroegdoñaAnita bezorgd. »Gij schijnt ongerust; welk gevaar bedreigt ons? Zeg het vrij. Gij weet, ik ben moedig, en bovendien wat zou ik vreezen daar ik u bij mij heb! Verzwijg mij niets. Er is zeker iets buitengewoons, is het niet?”»Nu ja,” antwoordde hij ronduit, daar hij het toch niet voor haar kon verbergen, »er gebeurt iets ongewoons; maar verontrust u niet, ik geloof niet dat gij iets te vreezen hebt.”»Maar wat is het dan? Ik heb niets gezien.”»Kijk eens, daar ginds,” zeide hij, de hand uitstrekkende.Het meisje keek scherp uit, en zag nu wat de Tigrero reeds eenige oogenblikken vroeger gezien had, een licht in de verte, dat als een roode stip in de duisternis schitterde en zeer bepaalde lijnen beschreef.»Dat is blijkbaar een signaal,” hernam de Tigrero, »daar moet iemand verscholen zijn.”»Wacht gij dan iemand?” vroeg zij.»Bepaald niemand, en toch, ik weet niet waarom, geloof ik dat dit signaal voor mij bestemd is.”[189]»Ja, maar gij weet wel wij zijn in de prairie en worden waarschijnlijk door een aantal Indiaansche jagers omringd; dus kan dat licht wel een signaal zijn dat zij elkander geven.”»Neen,doñaAnita, gij vergist u, wij worden althans op dit oogenblik niet door Indiaansche jagers omringd; ik weet zeker dat wij hier alleen zijn.”»Hoe kunt gij dat weten, vriend, daar gij geen oogenblik hiervandaanzijt geweest om het te onderzoeken?”»Mijn lievedoñaAnita,” antwoordde hij op ernstig nadrukkelijken toon, »de prairie is een open boek, waarin Gods hand duizend geheimen heeft opgeteekend, die de mensch, aan het leven der woestijn gewoon, er op iedere bladzijde leest: de wind die door de takken ruischt, het water dat over de keien der beek murmelt, de vogel die de lucht doorvliegt, het hert of de bison die in de vlakte graast, de alligator die zich omwentelt in het oeverslijk, zijn voor mij zoovele teekenen daar ik mij nooit in vergissen zal. Sedert twee dagen hebben wij geen spoor of teeken van de Roodhuiden ontdekt, de bisons en andere dieren die wij ontmoetten graasden rustig en zonder mistrouwen; de vogels vlogen ongestoord, en de alligators waren zoo diep onder het slib weggedoken dat men ze bijna niet zien kon. Al deze dieren ruiken de nadering van den mensch, vooral van den Indiaan reeds op verren afstand, en nauwelijks hebben zij er de lucht van, of zij vluchten met allen spoed, zoo groot is de vrees die de koning der schepping hun inboezemt. Ik herhaal u, wij zijn alleen, gansch alleen; dat signaal is dus zeker voor mij. En ziedaar, het begint op nieuw.”»’t Is waar, ik zie het duidelijk,” riepdoñaAnita.»Ik moet weten wat dit beduidt,” zeide hij, zijn geweer nemende.»O! don Martial; ik bid u, pas toch op! en wees voorzichtig. Denk om mij,” vervolgde zij angstig.»Maak u niet ongerust,doñaAnita, ik ben te lang woudlooper geweest om mij door zulk een grove list te laten beet nemen; tot flusjes! ik kom dadelijk weêr bij u.”Zonder verder naar het meisje te luisteren, dat hem met tranen en beden zocht te weêrhouden, liep hij snel ofschoon behoedzaam den heuvel af.In de vlakte komende bleef hij staan, om te zien waar hij was en wat hij verder doen moest.Zijn kamp lag op twee pijlschoten afstands van de Rio Gila bijna recht tegenover een groot eiland, dat inderdaad uit eene enkele rots bestaat, die ongeveer de gedaante van een mensch heeft en bijgevolg door de Apachende Meester des levens van den menschis genoemd.Bij hunne invallen op Mexicaansch grondgebied zullen de Roodhuiden nooit verzuimen dit eiland te bezoeken om er hunneofferandente brengen, eene ceremonie die hoofdzakelijk bestaat in dansen en[190]daarbij in het water werpen van tabak, dieren- of menschenhaar envederenvan vogels.De bovengenoemde rots, die er in de verte zeer wonderlijk en ontzagwekkend uitziet, is met twee holen doorboord, elk van twaalf honderd schreden lang en veertig breed, en de kruin heeft den vorm van een boog.Wat de opmerkzaamheid van den Tigrero bijzonder getroffen en hem terstond had doen besluiten het vermeende signaal nader te gaan onderzoeken, was dat het van dit eiland was uitgegaan, een ongewoon verschijnsel, des te meer daar hij wist dat de Indianen voor dit eiland eene bijgeloovige vrees koesteren, zoodat geen Roodhuid hoe dapper hij ook wezen mocht gewaagd zou hebben er den nacht door te brengen. Zijne bekendheid met die vrees had hem terstond bewogen om het geheimzinnig signaal nader te onderzoeken.Er groeide hoog en dicht gras tot aan den rand der rivier. Daar komende onder bedekking van dichte tot een ondoordringbaar warnet in elkander gegroeide wortelboomen en waterwilgen, sloop de Tigrero behoedzaam naar den vrij steilen oever, en toen hij dezen bereikt had, greep hij een overhangenden tak en liet zich in het water zakken, zoodat zijne indompeling geen het minste geplas maakte.Toen zijn geweer met de eene hand boven water houdende, om het voor nat worden te bewaren, zwom hij met de andere hand de rivier over naar het eiland.De afstand was kort, de Tigrero was een goed zwemmer, weldra bereikte hij het punt waar hij wilde aanlanden.Nauwelijks was hij aan wal of hij ging op zijn buik liggen en kroop door de struiken, zorgvuldig achtgevend op het minste geluid en zoo scherp mogelijk rondziende in de duisternis.Hij zag of hoorde niets; nu stond hij op en liep naar een der holen en grotten, aan welks ingang hij het schijnsel van een vuur zag blinken. Bij dat vuur zat een man, met het hoofd op de beide handpalmen geleund, zoo rustig te rooken alsof hij in een pulqueria te Guaymas gezeten was.Na dezen man eene minuut lang te hebben bespied, kon hij nauwelijks een vroolijken uitroep bedwingen en trad hij zonder zich langer te verbergen regelrecht naar hem toe.Hij had zijn ouden vertrouweling, Cuchares den lepero herkend.Het gedruisch der voetstappen van den Tigrero deed Cuchares opkijken.»Wel, wel! komt gij eindelijk, don Martial!” riep hij, »ik heb mij een uur lang vermoeid met alle seinen te geven die ik bedenken kon, zonder dat gij u verwaardigd hebt mij te antwoorden.”»Ja, mijn waarde,” zei de Tigrero vroolijk, »als ik had kunnen vermoeden dat gij het waart, zou ik reeds lang hier zijn geweest; maar ik was zoo ver van u te verwachten.”»Wel ingezien hebt gij gelijk, en in eene streek als hier kan men niet te voorzichtig zijn.”[191]»Maar zeg mij, is er wat nieuws?” hervatte de Tigrero terwijl hij dicht bij het vuur plaats nam, om zijne druipnatte kleeren te drogen.»Caspita!of er wat nieuws is! anders zaagt gij mij zeker niet hier.”»Dat’s waar; gij zijt een goede kameraad, ik dank u dat gij gekomen zijt; gij weet wel dat ik goed onthouden kan?”»Dat weet ik.”»Ter zake, zeg mij wat hebt gij mij mede te deelen; ik heb haast om uw nieuws te hooren, en vooraf nog eene vraag.”»Welke?”»Is het goed?”»Onverbeterlijk; gij zult het zelf kunnen beoordeelen.”»Carai!als dat zoo is, neem dan dezen ring, dien ik niet verplicht was u te geven voordat onze zaken geheel waren afgedaan; maar wees verzekerd, als wij onze rekening sluiten, zal ik nog wel iets vinden dat u bevallen zal.”De oogen van den lepero schitterden van blijdschap en begeerigheid; hij nam den ring en borg hem bij den anderen dien hij eenige dagen te voren ontvangen had.»Ik dank u,” zeide hij, »Vive Dios! Het is een pleizier om zaken met u te doen: gij knibbelt ten minste niet.”»Thans uw nieuws.”»Hier is het, kort, maar goed. Elseñorconde, radeloos over het verdwijnen zijner bruid, die hij meent dat door de Apachen is opgelicht, heeft zich aan ’t hoofd zijner kompagnie gesteld, is van de hacienda vertrokken en doorkruist thans de prairie in alle richtingen om den Zwarte-Beer na te zetten.”»Carai! dat is de gelukkigste tijding die gij mij ooit brengen kondt. En wat denkt gij nu te doen?”»Wel, wij zijn immers afgesproken datel conde.…”»Zonder twijfel!” viel de Tigrero hem in de rede; »maar dan moeten wij hem eerst aantreffen, hetgeen naar ik meen thans niet gemakkelijk gaan zal.”»Integendeel.”»Hoe dan?”»Wel,señordon Martial, zoudt gij mij nu de oneer willen aandoen van te zeggen dat ik eenpavo—een kalkoen—ben.”»Wel neen, compadre, maar.…”»Maar gij denkt het toch; dan moet ik u tot mijn genoegen zeggen dat gij u bedriegt; gedurende de weinige oogenblikken die ik in de hacienda was, heb ik zooveel mogelijk navraag gedaan en mij goed laten inlichten, en daar ik mij in mijn geleende kwaliteit als boodschapper aanmeldde, heeft niemand eenig bezwaar gemaakt mij te antwoorden. Het schijnt dat de Apachen in plaats van veld te winnen, door de Franschen, daar zij in parenthesis den schrik van[192]hebben gezet, zoo dapper zijn afgeslagen dat zij zich naar de woestijn del Norte hebben teruggetrokken, om hunne dorpen te bereiken; el conde zet hen na, niet waar?”»Ja, dat hebt gij mij gezegd.”»Welnu, naar alle waarschijnlijkheid zal hij zich niet in die woestijn durven wagen.”»Natuurlijk niet,” riep de Tigrero huiverend, »hoe dapper hij ook wezen mag.”»Zeer goed! en dan kan hij slechts op één punt post vatten.”»Aan deCasa Grande!” riep don Martial schielijk.»Juist! Ik ben dus zeker dat ik hem daar ontmoeten zal.”»Slapperment! dan moet gij daar dadelijk heen.”»Ik ga op weg zoodra gij vertrokken zijt.”De Tigrero staarde hem met zekere verbazing aan.»Diablo! Cuchares,” riep hij een oogenblik later, »gij zijt eenkordaatman, ik acht mij gelukkig dat ik mij in u niet bedrogen heb.”»Wat belieft u,” antwoordde de schelm zedig terwijl hij met zijne grijze oogen kwaadaardig knipte, »de betrekkingen die ik met u heb aangegaan zijn zoo aangenaam dat ik de macht niet heb u iets te weigeren.”Beiden schoten in een lach over dezen tamelijk dubbelzinnigen kwinkslag.»Welnu, daar alles tusschen ons is afgesproken,” hervatte don Martial, »kunnen wij scheiden.”»Hoe zijt gij hier gekomen?” vroeg de lepero.»Dat kunt gij dunkt mij wel zien, al zwemmende.… En gij?”»Op mijn paard. Ik zou u wel aanbieden u weder aan wal te brengen, maar wij moeten elk een anderen kant uit.”»Voor het oogenblik nog niet.”»Denkt gij dan spoedig naar ginds te gaan?”»Waarschijnlijk,” riep hij met een dubbelzinnigen glimlach.»O! dan zullen wij elkander spoedig weêrzien.”»Ik hoop ja.”»Hoor eens, don Martial, daar ik zie dat uwe kleederen volkomen droog zijn, zou het mij spijten als gij u voor de tweede maal moest nat maken, ik geloof dat er eene prauw in de nabijheid is; gij weet dat de Indianen die overal gereed hebben en ergens verbergen.”De Tigrero trad de grot in, keek rond en zag werkelijk een prauw, ordelijk met de daarbij behoorende pagaaien tegen den wand geplaatst; hij nam haar onbeschroomd op, en droeg haar op zijne schouders naar den rivierkant.»Maar eer wij verder gaan, zeg eens, waarom hebt gij deze plaats gekozen om bij mij te komen?”»Om niet gestoord te worden; of zou het u bevallen zijn, dat iemand ons gesprek had beluisterd!”»Neen, dat stem ik u toe. Kom, tot weêrziens dan.”[193]»Tot weêrziens!”De twee mannen scheidden, Cuchares om een verren tocht te beginnen, en don Martial om naar zijn kampement terug te keeren.Zij hadden zich intusschen bedrogen, toen zij meenden door niemand beluisterd te worden.Nauwelijkshadden zij het eiland verlaten en zich in verschillende richting verwijderd, of er stak uit eene dichte massa dahlia’s en floripondio’s aan den ingang der grot een leelijk hoofd op, dat omzichtig links en rechts rondkeek; vervolgens, een oogenblik later, werden de takken meer en meer uit elkander geduwd en volgde op het hoofd het geheele lichaam, en weldra trad een Apache-Indiaan, als oorlogsman beschilderd en gewapend te voorschijn.Die Indiaan was de Zwarte-Beer.»Ooah!” mompelde hij met een dreigend gebaar, »de bleekgezichten zijn honden, de Apachen-krijgslieden zullen hen op den voet volgen.”Nadat hij nog een poosje den helderen sterrenhemel had aangekeken ging hij de grot in.Intusschen had de Tigrero zijn kamp weder bereikt.DoñaAnita, ongerust over zijn lang uitblijven, wachtte hem met angstige bezorgdheid.»Wel?” vroeg zij, hem te gemoet snellende, zoodra zij hem zag aankomen.»Goed nieuws,” antwoordde hij.»O, wat heb ik in angst gezeten.”»Ik zeg u dank, het is juist gegaan zoo als ik verwacht had; het signaal was werkelijk voor mij.”»Dat.…”»Ik heb een vriend ontmoet die mij de middelen heeft verschaft om uit de valsche stelling te geraken waarin wij ons bevinden.”»Op welke wijs?”»Verontrust u over niets, zeg ik u en laat mij begaan.”Het meisje gehoorzaamde stilzwijgend en ondanks hare nieuwsgierigheid, verwijderde zij zich in de jacal,—eene hut van samengevlochten takken—die voor haar was gereed gemaakt, zonder don Martial verder te vragen wat er van was.In plaats van te slapen vlijde de Tigrero zich onder een boom neer, kruiste de armen op de borst en bleef onbeweeglijk zitten, in sombere gepeinzen verzonken tot de dag aankwam.Met het opgaan der zon stond hij op, stapte eenige malen op en neder om de stramme vadsigheid van den nacht te verdrijven en riep zijne kameraden.Tien minuten later hervatte de kleine troep weder den marsch.»O ho! don Martial, wat zijt gij er vroeg bij, dezen morgen,” riep de haciendero.»Hebt gij dan niet opgemerkt dat wij vooraf niet ontbeten hebben, zoo als wij anders alle dagen deden?”[194]»Caramba, neen!”»Weet gij waarom? ’t Is omdat wij heden te Guetzalli zullen ontbijten, daar wij over twee uren aankomen.”»Ah! te weerga!” riepdehaciendero, »dat hoor ik met bijzonder genoegen.”»Niet waar?”»Ik verzeker u van ja.”DoñaAnita had toen zij dit gesprek hoorde don Martial een ongerusten blik toegeworpen, maar zijn gelaat stond zoo kalm en hij glimlachte zoo vroolijk, dat zij onmiddellijk tot bedaren kwam, wel vermoedende dat de stilzwijgendheid van den Tigrero te haren opzichte haar eene aangename verrassing wilde bereiden.Zooals don Martial gezegd had, kwam de karavaan twee uren later werkelijk aan de kolonie.Nauwelijks waren zij door de schildwachts herkend, of de valbrug aan de landengte werd neergelaten en zij reden de hacienda binnen, waar zij met al de vereischte eerbewijzen ontvangen werden.DoñaAnita, die geen oog van den Tigreroaf had, werd beurtelings bleek en rood, daar zij zijne volkomen bedaardheid volstrekt niet begreep.Zij stapten af op de tweede binnenplaats, voor de groote deur.»Waar is toch de graaf de Lhorailles?” vroeg don Sylva, ten hoogste verwonderd dat hij zijn aanstaanden schoonzoon niet zag verschijnen om hem naar behooren te ontvangen.»Mijnheer de graaf zal wanhopig zijn als hij hoort dat gij zijt teruggekomen terwijl hij afwezig is,” antwoordde de majordomo met een stroom van verontschuldigingen.»Is hij dan van huis?”»Ja,señoria.”»Maar komt hij spoedig terug?”»Dat denk ik niet; de kapitein is vertrokken aan het hoofd van zijne gansche compagnie, om de Roodhuiden te vervolgen.”Dat bericht klonk don Sylva als een donderslag.De Tigrero endoñaAnita wisselden een blik van genoegen.

XIX.IN DE PRAIRIE.

De noordoostelijke grens van Mexico tot aan de oude thans verlaten en in puin vallende zendelingsposten der Jezuïeten, vormt den rand der groote prairie van deRio Gila, of Apacheria, die zich uitstrekt tot aan de onvruchtbare woestijn del Norte.In dit gedeelte der prairie spreidt de natuur om zoo te zeggen met verkwistende praalzucht, een rijkdom van groeikracht en vruchtbaarheid ten toon die men elders te vergeefs zou zoeken.Guetzalli was aangelegd op de bouwvallen van een der bovengenoemde, voorheen zoo bloeiende zendelingsposten der paters Jezuïeten, die sedert het decreet der uitdrijving uit deze streek verdwenen zijn.Zonder hier in eenige beschouwingen hetzij voor of tegen de Jezuïetenorde te treden, zullen wij alleen in ’t voorbijgaan zeggen, dat zij in dit gedeelte van Amerika groote diensten heeft bewezen; dat al de zendingsposten, door de paters in de wildernis gesticht, bloeiden; dat de Indianen van alle kanten toestroomden om zich onder hunne vaderlijke wetten te stellen, en dat sommige missiën, die wij bij name zouden kunnen noemen, niet minder dan zestig duizend bekeerlingen telden; ten bewijze van de deugd hunner instellingen kan men aanvoeren, dat toen de Jezuïeten van hooger hand bevel kregen hunne posten aan andere geestelijke broeders over te geven, de proselieten hun uit eigen beweging en met vele tranen smeekten om dit willekeurig bevel niet te gehoorzamen, hun aanbiedende om hen desnoods tegen alles te zullen verdedigen.Tot staving van dezen lof dien wij den Jezuïeten hoezeer spade toekennen, kan verder dienen, dat na hun vertrek de zendingsposten spoedig zijn vervallen, en de proselieten die zij met zooveel moeite in den schoot der Kerk hadden gebracht, allen tot het wilde leven zijn teruggekeerd; ofschoon na verloop van zoo vele jaren de geheugenis der weldaden hun door de zendelingen bewezen, nog altijd in het hart der Indianen leeft en een hoofdonderwerp uitmaakt hunner gesprekken, wanneer zij des avonds rondom hunne kampvuren samen keuvelen, over den goeden ouden tijd, toen de blanke vaders nog voor hen zorgden en waakten.Don Sylva de Torres wenschte zoo spoedig mogelijk en langs den kortsten weg de kolonie Guetzalli te bereiken; ongelukkig moest hij daartoe, om zoo te zeggen als een vogel door de lucht, eene uitgebreide landstreek doortrekken, waar geen spoor van pad of weg te vinden was; bovendien was hij door zijn gemis van plaatselijke kennis[187]genoodzaakt zich geheel op don Martial te verlaten, een uitmuntende gids ongetwijfeld waar het op schranderheid of kennis van de wildernis aankwam, maar in wien hij om andere redenen, daar hij zich niet recht rekenschap van wist te geven, niet veel vertrouwen stelde.Evenwel gaf de Tigrero, in schijn althans, bewijs van de meestevoorkomendheiden zorg voor den haciendero, voerde hem zooveel mogelijk langs begaanbare wegen, deed hem de moeielijkste plaatsen vermijden of omtrekken en waakte met voorbeeldigen ijver voor de veiligheid der kleine karavaan.Iederen avond kampeerde de troep op de kruin van een heuvel, vanwaar men tot op verren afstand kon uitzien, ten einde eene overrompeling te vermijden.Op den avond van den vierden dag, na een vermoeienden marsch over een verbrokkeld terrein, bereikten zij een heuvel, waar don Martial hun weder voorstelde te kampeeren.De haciendero nam dit voorstel des te gretiger aan, daar hij weinig aan deze manier van reizen gewoon, zich uiterst vermoeid gevoelde. Na een sober maal, uit gebraden maïskoeken en gestoofde, met piment gekruide en met pulque gedoopte peren bestaande, wikkelde don Sylva, zonder zelfs aan zijne vaste gewoonte te denken om na den maaltijd een cigarette te rooken, zich zorgvuldig in zijn mantel, strekte zich op den grond uit, met de voeten aan het vuur en het hoofd op een stapeltje zoden en zonk bijna onmiddellijk in een diepen slaap.Don Martial en Anita bleven eene poos stilzwijgend bij het vuur zitten met de oogen op den slapende gericht en met aandacht zijne ademhaling bespiedende. Eindelijk, toen de Tigrero overtuigd was dat de haciendero werkelijk sliep, wendde hij zich tot het meisje en fluisterde haar met eene zachte stem in ’t oor:»Vergeving,doñaAnita, vergeving!”»Vergeving! en waarom?” vroeg zij verwonderd.»Helaas! het is voor mij dat gij zooveel moet lijden.”»Egoïst,” riep zij met een bekoorlijken lach, »is het dan ook niet tevens voor mij, omdat ik u zoo bemin?”»O! dank!” riep hij, »gij geeft mij den moed terug dien ik in mijn hart voelde wegzinken. Maar o! hoe zal dit alles nog afloopen?”»Goed, daarvan ben ik overtuigd,” riep zij levendig, »wij hebben slechts een weinig geduld noodig; mijn vader, denk dat maar, zal spoedig voor u gewonnen zijn.”De Tigrero glimlachte droevig.»Ik kan u toch niet zoo eindeloos in de prairie laten zwerven.”»Dat is zoo,” hervatte zij bezorgd. »Wat zullen wij doen?”»Ik weet het niet. Sedert twee dagen doen wij niets anders dan om de kolonie heen zwerven, daar wij nauwelijks drie uren ver van verwijderd zijn, zonder dat ik den moed heb om er binnen te trekken.”»Helaas!” mompelde het meisje.[188]»Ach!doñaAnita!” vervolgde hij op zekeren toon van moedeloosheid, »waarom hebt gij toch zulk een vader?”»O spreek zoo niet,” riep zij hem schielijk de hand op den mond leggende als om hem te doen zwijgen, »waarom zoudt gij wanhopen? God is goed. Hij zal ons niet verlaten; wie weet hoe zich alles nog ten beste keert, laten wij op Hem vertrouwen?”»Maar, mijne lieve,” riep hij hoofdschuddend, »onze toestand is onhoudbaar. Langer zonder doel voorttrekken is onmogelijk. Uw vader, hoe weinig hij ook met dit land bekend is, zal eindelijk zien dat ik hem misleid, en dan kan ik niets meer bij hem uitrichten. Aan den anderen kant, als ik de kolonie binnen trok, zou ik u terugbrengen onder het juk van den man met wien men u dwingen wil te trouwen; tot zulke eene schandelijke dwaasheid kan ik niet besluiten. O! ik zou gaarne tien van mijne levensjaren geven om te weten wat ik doen moet.”Op dit oogenblik als had de hemel zijnen wensch gehoord en er onmiddellijk op willen antwoorden zag de Tigrero, wiens oogen werktuigelijk over de prairie weidden, waar alles thans in de diepste duisternis gedompeld lag, op korten afstand tusschen de hooge grashalmen een licht, op verschillende wijze herhaald, opsteken en bepaalde telegraphische figuren in de lucht beschrijven. En op hetzelfde oogenblik hoorde zijn geoefend oor zoo hij meende in de verte het gehinnik van een paard.»Dat is iets buitengewoons,” mompelde hij in zich zelven. »Wat zou dat beteekenen? Zou het een signaal zijn? Intusschen zijn wij hier alleen; ik heb den ganschen dag geen spoor of teeken van menschelijk leven ontdekt. En toch, dat licht en dat gehinnik, zoo onmiddellijk achter elkander …?”»Wat schort u, mijn vriend!” vroegdoñaAnita bezorgd. »Gij schijnt ongerust; welk gevaar bedreigt ons? Zeg het vrij. Gij weet, ik ben moedig, en bovendien wat zou ik vreezen daar ik u bij mij heb! Verzwijg mij niets. Er is zeker iets buitengewoons, is het niet?”»Nu ja,” antwoordde hij ronduit, daar hij het toch niet voor haar kon verbergen, »er gebeurt iets ongewoons; maar verontrust u niet, ik geloof niet dat gij iets te vreezen hebt.”»Maar wat is het dan? Ik heb niets gezien.”»Kijk eens, daar ginds,” zeide hij, de hand uitstrekkende.Het meisje keek scherp uit, en zag nu wat de Tigrero reeds eenige oogenblikken vroeger gezien had, een licht in de verte, dat als een roode stip in de duisternis schitterde en zeer bepaalde lijnen beschreef.»Dat is blijkbaar een signaal,” hernam de Tigrero, »daar moet iemand verscholen zijn.”»Wacht gij dan iemand?” vroeg zij.»Bepaald niemand, en toch, ik weet niet waarom, geloof ik dat dit signaal voor mij bestemd is.”[189]»Ja, maar gij weet wel wij zijn in de prairie en worden waarschijnlijk door een aantal Indiaansche jagers omringd; dus kan dat licht wel een signaal zijn dat zij elkander geven.”»Neen,doñaAnita, gij vergist u, wij worden althans op dit oogenblik niet door Indiaansche jagers omringd; ik weet zeker dat wij hier alleen zijn.”»Hoe kunt gij dat weten, vriend, daar gij geen oogenblik hiervandaanzijt geweest om het te onderzoeken?”»Mijn lievedoñaAnita,” antwoordde hij op ernstig nadrukkelijken toon, »de prairie is een open boek, waarin Gods hand duizend geheimen heeft opgeteekend, die de mensch, aan het leven der woestijn gewoon, er op iedere bladzijde leest: de wind die door de takken ruischt, het water dat over de keien der beek murmelt, de vogel die de lucht doorvliegt, het hert of de bison die in de vlakte graast, de alligator die zich omwentelt in het oeverslijk, zijn voor mij zoovele teekenen daar ik mij nooit in vergissen zal. Sedert twee dagen hebben wij geen spoor of teeken van de Roodhuiden ontdekt, de bisons en andere dieren die wij ontmoetten graasden rustig en zonder mistrouwen; de vogels vlogen ongestoord, en de alligators waren zoo diep onder het slib weggedoken dat men ze bijna niet zien kon. Al deze dieren ruiken de nadering van den mensch, vooral van den Indiaan reeds op verren afstand, en nauwelijks hebben zij er de lucht van, of zij vluchten met allen spoed, zoo groot is de vrees die de koning der schepping hun inboezemt. Ik herhaal u, wij zijn alleen, gansch alleen; dat signaal is dus zeker voor mij. En ziedaar, het begint op nieuw.”»’t Is waar, ik zie het duidelijk,” riepdoñaAnita.»Ik moet weten wat dit beduidt,” zeide hij, zijn geweer nemende.»O! don Martial; ik bid u, pas toch op! en wees voorzichtig. Denk om mij,” vervolgde zij angstig.»Maak u niet ongerust,doñaAnita, ik ben te lang woudlooper geweest om mij door zulk een grove list te laten beet nemen; tot flusjes! ik kom dadelijk weêr bij u.”Zonder verder naar het meisje te luisteren, dat hem met tranen en beden zocht te weêrhouden, liep hij snel ofschoon behoedzaam den heuvel af.In de vlakte komende bleef hij staan, om te zien waar hij was en wat hij verder doen moest.Zijn kamp lag op twee pijlschoten afstands van de Rio Gila bijna recht tegenover een groot eiland, dat inderdaad uit eene enkele rots bestaat, die ongeveer de gedaante van een mensch heeft en bijgevolg door de Apachende Meester des levens van den menschis genoemd.Bij hunne invallen op Mexicaansch grondgebied zullen de Roodhuiden nooit verzuimen dit eiland te bezoeken om er hunneofferandente brengen, eene ceremonie die hoofdzakelijk bestaat in dansen en[190]daarbij in het water werpen van tabak, dieren- of menschenhaar envederenvan vogels.De bovengenoemde rots, die er in de verte zeer wonderlijk en ontzagwekkend uitziet, is met twee holen doorboord, elk van twaalf honderd schreden lang en veertig breed, en de kruin heeft den vorm van een boog.Wat de opmerkzaamheid van den Tigrero bijzonder getroffen en hem terstond had doen besluiten het vermeende signaal nader te gaan onderzoeken, was dat het van dit eiland was uitgegaan, een ongewoon verschijnsel, des te meer daar hij wist dat de Indianen voor dit eiland eene bijgeloovige vrees koesteren, zoodat geen Roodhuid hoe dapper hij ook wezen mocht gewaagd zou hebben er den nacht door te brengen. Zijne bekendheid met die vrees had hem terstond bewogen om het geheimzinnig signaal nader te onderzoeken.Er groeide hoog en dicht gras tot aan den rand der rivier. Daar komende onder bedekking van dichte tot een ondoordringbaar warnet in elkander gegroeide wortelboomen en waterwilgen, sloop de Tigrero behoedzaam naar den vrij steilen oever, en toen hij dezen bereikt had, greep hij een overhangenden tak en liet zich in het water zakken, zoodat zijne indompeling geen het minste geplas maakte.Toen zijn geweer met de eene hand boven water houdende, om het voor nat worden te bewaren, zwom hij met de andere hand de rivier over naar het eiland.De afstand was kort, de Tigrero was een goed zwemmer, weldra bereikte hij het punt waar hij wilde aanlanden.Nauwelijks was hij aan wal of hij ging op zijn buik liggen en kroop door de struiken, zorgvuldig achtgevend op het minste geluid en zoo scherp mogelijk rondziende in de duisternis.Hij zag of hoorde niets; nu stond hij op en liep naar een der holen en grotten, aan welks ingang hij het schijnsel van een vuur zag blinken. Bij dat vuur zat een man, met het hoofd op de beide handpalmen geleund, zoo rustig te rooken alsof hij in een pulqueria te Guaymas gezeten was.Na dezen man eene minuut lang te hebben bespied, kon hij nauwelijks een vroolijken uitroep bedwingen en trad hij zonder zich langer te verbergen regelrecht naar hem toe.Hij had zijn ouden vertrouweling, Cuchares den lepero herkend.Het gedruisch der voetstappen van den Tigrero deed Cuchares opkijken.»Wel, wel! komt gij eindelijk, don Martial!” riep hij, »ik heb mij een uur lang vermoeid met alle seinen te geven die ik bedenken kon, zonder dat gij u verwaardigd hebt mij te antwoorden.”»Ja, mijn waarde,” zei de Tigrero vroolijk, »als ik had kunnen vermoeden dat gij het waart, zou ik reeds lang hier zijn geweest; maar ik was zoo ver van u te verwachten.”»Wel ingezien hebt gij gelijk, en in eene streek als hier kan men niet te voorzichtig zijn.”[191]»Maar zeg mij, is er wat nieuws?” hervatte de Tigrero terwijl hij dicht bij het vuur plaats nam, om zijne druipnatte kleeren te drogen.»Caspita!of er wat nieuws is! anders zaagt gij mij zeker niet hier.”»Dat’s waar; gij zijt een goede kameraad, ik dank u dat gij gekomen zijt; gij weet wel dat ik goed onthouden kan?”»Dat weet ik.”»Ter zake, zeg mij wat hebt gij mij mede te deelen; ik heb haast om uw nieuws te hooren, en vooraf nog eene vraag.”»Welke?”»Is het goed?”»Onverbeterlijk; gij zult het zelf kunnen beoordeelen.”»Carai!als dat zoo is, neem dan dezen ring, dien ik niet verplicht was u te geven voordat onze zaken geheel waren afgedaan; maar wees verzekerd, als wij onze rekening sluiten, zal ik nog wel iets vinden dat u bevallen zal.”De oogen van den lepero schitterden van blijdschap en begeerigheid; hij nam den ring en borg hem bij den anderen dien hij eenige dagen te voren ontvangen had.»Ik dank u,” zeide hij, »Vive Dios! Het is een pleizier om zaken met u te doen: gij knibbelt ten minste niet.”»Thans uw nieuws.”»Hier is het, kort, maar goed. Elseñorconde, radeloos over het verdwijnen zijner bruid, die hij meent dat door de Apachen is opgelicht, heeft zich aan ’t hoofd zijner kompagnie gesteld, is van de hacienda vertrokken en doorkruist thans de prairie in alle richtingen om den Zwarte-Beer na te zetten.”»Carai! dat is de gelukkigste tijding die gij mij ooit brengen kondt. En wat denkt gij nu te doen?”»Wel, wij zijn immers afgesproken datel conde.…”»Zonder twijfel!” viel de Tigrero hem in de rede; »maar dan moeten wij hem eerst aantreffen, hetgeen naar ik meen thans niet gemakkelijk gaan zal.”»Integendeel.”»Hoe dan?”»Wel,señordon Martial, zoudt gij mij nu de oneer willen aandoen van te zeggen dat ik eenpavo—een kalkoen—ben.”»Wel neen, compadre, maar.…”»Maar gij denkt het toch; dan moet ik u tot mijn genoegen zeggen dat gij u bedriegt; gedurende de weinige oogenblikken die ik in de hacienda was, heb ik zooveel mogelijk navraag gedaan en mij goed laten inlichten, en daar ik mij in mijn geleende kwaliteit als boodschapper aanmeldde, heeft niemand eenig bezwaar gemaakt mij te antwoorden. Het schijnt dat de Apachen in plaats van veld te winnen, door de Franschen, daar zij in parenthesis den schrik van[192]hebben gezet, zoo dapper zijn afgeslagen dat zij zich naar de woestijn del Norte hebben teruggetrokken, om hunne dorpen te bereiken; el conde zet hen na, niet waar?”»Ja, dat hebt gij mij gezegd.”»Welnu, naar alle waarschijnlijkheid zal hij zich niet in die woestijn durven wagen.”»Natuurlijk niet,” riep de Tigrero huiverend, »hoe dapper hij ook wezen mag.”»Zeer goed! en dan kan hij slechts op één punt post vatten.”»Aan deCasa Grande!” riep don Martial schielijk.»Juist! Ik ben dus zeker dat ik hem daar ontmoeten zal.”»Slapperment! dan moet gij daar dadelijk heen.”»Ik ga op weg zoodra gij vertrokken zijt.”De Tigrero staarde hem met zekere verbazing aan.»Diablo! Cuchares,” riep hij een oogenblik later, »gij zijt eenkordaatman, ik acht mij gelukkig dat ik mij in u niet bedrogen heb.”»Wat belieft u,” antwoordde de schelm zedig terwijl hij met zijne grijze oogen kwaadaardig knipte, »de betrekkingen die ik met u heb aangegaan zijn zoo aangenaam dat ik de macht niet heb u iets te weigeren.”Beiden schoten in een lach over dezen tamelijk dubbelzinnigen kwinkslag.»Welnu, daar alles tusschen ons is afgesproken,” hervatte don Martial, »kunnen wij scheiden.”»Hoe zijt gij hier gekomen?” vroeg de lepero.»Dat kunt gij dunkt mij wel zien, al zwemmende.… En gij?”»Op mijn paard. Ik zou u wel aanbieden u weder aan wal te brengen, maar wij moeten elk een anderen kant uit.”»Voor het oogenblik nog niet.”»Denkt gij dan spoedig naar ginds te gaan?”»Waarschijnlijk,” riep hij met een dubbelzinnigen glimlach.»O! dan zullen wij elkander spoedig weêrzien.”»Ik hoop ja.”»Hoor eens, don Martial, daar ik zie dat uwe kleederen volkomen droog zijn, zou het mij spijten als gij u voor de tweede maal moest nat maken, ik geloof dat er eene prauw in de nabijheid is; gij weet dat de Indianen die overal gereed hebben en ergens verbergen.”De Tigrero trad de grot in, keek rond en zag werkelijk een prauw, ordelijk met de daarbij behoorende pagaaien tegen den wand geplaatst; hij nam haar onbeschroomd op, en droeg haar op zijne schouders naar den rivierkant.»Maar eer wij verder gaan, zeg eens, waarom hebt gij deze plaats gekozen om bij mij te komen?”»Om niet gestoord te worden; of zou het u bevallen zijn, dat iemand ons gesprek had beluisterd!”»Neen, dat stem ik u toe. Kom, tot weêrziens dan.”[193]»Tot weêrziens!”De twee mannen scheidden, Cuchares om een verren tocht te beginnen, en don Martial om naar zijn kampement terug te keeren.Zij hadden zich intusschen bedrogen, toen zij meenden door niemand beluisterd te worden.Nauwelijkshadden zij het eiland verlaten en zich in verschillende richting verwijderd, of er stak uit eene dichte massa dahlia’s en floripondio’s aan den ingang der grot een leelijk hoofd op, dat omzichtig links en rechts rondkeek; vervolgens, een oogenblik later, werden de takken meer en meer uit elkander geduwd en volgde op het hoofd het geheele lichaam, en weldra trad een Apache-Indiaan, als oorlogsman beschilderd en gewapend te voorschijn.Die Indiaan was de Zwarte-Beer.»Ooah!” mompelde hij met een dreigend gebaar, »de bleekgezichten zijn honden, de Apachen-krijgslieden zullen hen op den voet volgen.”Nadat hij nog een poosje den helderen sterrenhemel had aangekeken ging hij de grot in.Intusschen had de Tigrero zijn kamp weder bereikt.DoñaAnita, ongerust over zijn lang uitblijven, wachtte hem met angstige bezorgdheid.»Wel?” vroeg zij, hem te gemoet snellende, zoodra zij hem zag aankomen.»Goed nieuws,” antwoordde hij.»O, wat heb ik in angst gezeten.”»Ik zeg u dank, het is juist gegaan zoo als ik verwacht had; het signaal was werkelijk voor mij.”»Dat.…”»Ik heb een vriend ontmoet die mij de middelen heeft verschaft om uit de valsche stelling te geraken waarin wij ons bevinden.”»Op welke wijs?”»Verontrust u over niets, zeg ik u en laat mij begaan.”Het meisje gehoorzaamde stilzwijgend en ondanks hare nieuwsgierigheid, verwijderde zij zich in de jacal,—eene hut van samengevlochten takken—die voor haar was gereed gemaakt, zonder don Martial verder te vragen wat er van was.In plaats van te slapen vlijde de Tigrero zich onder een boom neer, kruiste de armen op de borst en bleef onbeweeglijk zitten, in sombere gepeinzen verzonken tot de dag aankwam.Met het opgaan der zon stond hij op, stapte eenige malen op en neder om de stramme vadsigheid van den nacht te verdrijven en riep zijne kameraden.Tien minuten later hervatte de kleine troep weder den marsch.»O ho! don Martial, wat zijt gij er vroeg bij, dezen morgen,” riep de haciendero.»Hebt gij dan niet opgemerkt dat wij vooraf niet ontbeten hebben, zoo als wij anders alle dagen deden?”[194]»Caramba, neen!”»Weet gij waarom? ’t Is omdat wij heden te Guetzalli zullen ontbijten, daar wij over twee uren aankomen.”»Ah! te weerga!” riepdehaciendero, »dat hoor ik met bijzonder genoegen.”»Niet waar?”»Ik verzeker u van ja.”DoñaAnita had toen zij dit gesprek hoorde don Martial een ongerusten blik toegeworpen, maar zijn gelaat stond zoo kalm en hij glimlachte zoo vroolijk, dat zij onmiddellijk tot bedaren kwam, wel vermoedende dat de stilzwijgendheid van den Tigrero te haren opzichte haar eene aangename verrassing wilde bereiden.Zooals don Martial gezegd had, kwam de karavaan twee uren later werkelijk aan de kolonie.Nauwelijks waren zij door de schildwachts herkend, of de valbrug aan de landengte werd neergelaten en zij reden de hacienda binnen, waar zij met al de vereischte eerbewijzen ontvangen werden.DoñaAnita, die geen oog van den Tigreroaf had, werd beurtelings bleek en rood, daar zij zijne volkomen bedaardheid volstrekt niet begreep.Zij stapten af op de tweede binnenplaats, voor de groote deur.»Waar is toch de graaf de Lhorailles?” vroeg don Sylva, ten hoogste verwonderd dat hij zijn aanstaanden schoonzoon niet zag verschijnen om hem naar behooren te ontvangen.»Mijnheer de graaf zal wanhopig zijn als hij hoort dat gij zijt teruggekomen terwijl hij afwezig is,” antwoordde de majordomo met een stroom van verontschuldigingen.»Is hij dan van huis?”»Ja,señoria.”»Maar komt hij spoedig terug?”»Dat denk ik niet; de kapitein is vertrokken aan het hoofd van zijne gansche compagnie, om de Roodhuiden te vervolgen.”Dat bericht klonk don Sylva als een donderslag.De Tigrero endoñaAnita wisselden een blik van genoegen.

De noordoostelijke grens van Mexico tot aan de oude thans verlaten en in puin vallende zendelingsposten der Jezuïeten, vormt den rand der groote prairie van deRio Gila, of Apacheria, die zich uitstrekt tot aan de onvruchtbare woestijn del Norte.

In dit gedeelte der prairie spreidt de natuur om zoo te zeggen met verkwistende praalzucht, een rijkdom van groeikracht en vruchtbaarheid ten toon die men elders te vergeefs zou zoeken.

Guetzalli was aangelegd op de bouwvallen van een der bovengenoemde, voorheen zoo bloeiende zendelingsposten der paters Jezuïeten, die sedert het decreet der uitdrijving uit deze streek verdwenen zijn.

Zonder hier in eenige beschouwingen hetzij voor of tegen de Jezuïetenorde te treden, zullen wij alleen in ’t voorbijgaan zeggen, dat zij in dit gedeelte van Amerika groote diensten heeft bewezen; dat al de zendingsposten, door de paters in de wildernis gesticht, bloeiden; dat de Indianen van alle kanten toestroomden om zich onder hunne vaderlijke wetten te stellen, en dat sommige missiën, die wij bij name zouden kunnen noemen, niet minder dan zestig duizend bekeerlingen telden; ten bewijze van de deugd hunner instellingen kan men aanvoeren, dat toen de Jezuïeten van hooger hand bevel kregen hunne posten aan andere geestelijke broeders over te geven, de proselieten hun uit eigen beweging en met vele tranen smeekten om dit willekeurig bevel niet te gehoorzamen, hun aanbiedende om hen desnoods tegen alles te zullen verdedigen.

Tot staving van dezen lof dien wij den Jezuïeten hoezeer spade toekennen, kan verder dienen, dat na hun vertrek de zendingsposten spoedig zijn vervallen, en de proselieten die zij met zooveel moeite in den schoot der Kerk hadden gebracht, allen tot het wilde leven zijn teruggekeerd; ofschoon na verloop van zoo vele jaren de geheugenis der weldaden hun door de zendelingen bewezen, nog altijd in het hart der Indianen leeft en een hoofdonderwerp uitmaakt hunner gesprekken, wanneer zij des avonds rondom hunne kampvuren samen keuvelen, over den goeden ouden tijd, toen de blanke vaders nog voor hen zorgden en waakten.

Don Sylva de Torres wenschte zoo spoedig mogelijk en langs den kortsten weg de kolonie Guetzalli te bereiken; ongelukkig moest hij daartoe, om zoo te zeggen als een vogel door de lucht, eene uitgebreide landstreek doortrekken, waar geen spoor van pad of weg te vinden was; bovendien was hij door zijn gemis van plaatselijke kennis[187]genoodzaakt zich geheel op don Martial te verlaten, een uitmuntende gids ongetwijfeld waar het op schranderheid of kennis van de wildernis aankwam, maar in wien hij om andere redenen, daar hij zich niet recht rekenschap van wist te geven, niet veel vertrouwen stelde.

Evenwel gaf de Tigrero, in schijn althans, bewijs van de meestevoorkomendheiden zorg voor den haciendero, voerde hem zooveel mogelijk langs begaanbare wegen, deed hem de moeielijkste plaatsen vermijden of omtrekken en waakte met voorbeeldigen ijver voor de veiligheid der kleine karavaan.

Iederen avond kampeerde de troep op de kruin van een heuvel, vanwaar men tot op verren afstand kon uitzien, ten einde eene overrompeling te vermijden.

Op den avond van den vierden dag, na een vermoeienden marsch over een verbrokkeld terrein, bereikten zij een heuvel, waar don Martial hun weder voorstelde te kampeeren.

De haciendero nam dit voorstel des te gretiger aan, daar hij weinig aan deze manier van reizen gewoon, zich uiterst vermoeid gevoelde. Na een sober maal, uit gebraden maïskoeken en gestoofde, met piment gekruide en met pulque gedoopte peren bestaande, wikkelde don Sylva, zonder zelfs aan zijne vaste gewoonte te denken om na den maaltijd een cigarette te rooken, zich zorgvuldig in zijn mantel, strekte zich op den grond uit, met de voeten aan het vuur en het hoofd op een stapeltje zoden en zonk bijna onmiddellijk in een diepen slaap.

Don Martial en Anita bleven eene poos stilzwijgend bij het vuur zitten met de oogen op den slapende gericht en met aandacht zijne ademhaling bespiedende. Eindelijk, toen de Tigrero overtuigd was dat de haciendero werkelijk sliep, wendde hij zich tot het meisje en fluisterde haar met eene zachte stem in ’t oor:

»Vergeving,doñaAnita, vergeving!”

»Vergeving! en waarom?” vroeg zij verwonderd.

»Helaas! het is voor mij dat gij zooveel moet lijden.”

»Egoïst,” riep zij met een bekoorlijken lach, »is het dan ook niet tevens voor mij, omdat ik u zoo bemin?”

»O! dank!” riep hij, »gij geeft mij den moed terug dien ik in mijn hart voelde wegzinken. Maar o! hoe zal dit alles nog afloopen?”

»Goed, daarvan ben ik overtuigd,” riep zij levendig, »wij hebben slechts een weinig geduld noodig; mijn vader, denk dat maar, zal spoedig voor u gewonnen zijn.”

De Tigrero glimlachte droevig.

»Ik kan u toch niet zoo eindeloos in de prairie laten zwerven.”

»Dat is zoo,” hervatte zij bezorgd. »Wat zullen wij doen?”

»Ik weet het niet. Sedert twee dagen doen wij niets anders dan om de kolonie heen zwerven, daar wij nauwelijks drie uren ver van verwijderd zijn, zonder dat ik den moed heb om er binnen te trekken.”

»Helaas!” mompelde het meisje.[188]

»Ach!doñaAnita!” vervolgde hij op zekeren toon van moedeloosheid, »waarom hebt gij toch zulk een vader?”

»O spreek zoo niet,” riep zij hem schielijk de hand op den mond leggende als om hem te doen zwijgen, »waarom zoudt gij wanhopen? God is goed. Hij zal ons niet verlaten; wie weet hoe zich alles nog ten beste keert, laten wij op Hem vertrouwen?”

»Maar, mijne lieve,” riep hij hoofdschuddend, »onze toestand is onhoudbaar. Langer zonder doel voorttrekken is onmogelijk. Uw vader, hoe weinig hij ook met dit land bekend is, zal eindelijk zien dat ik hem misleid, en dan kan ik niets meer bij hem uitrichten. Aan den anderen kant, als ik de kolonie binnen trok, zou ik u terugbrengen onder het juk van den man met wien men u dwingen wil te trouwen; tot zulke eene schandelijke dwaasheid kan ik niet besluiten. O! ik zou gaarne tien van mijne levensjaren geven om te weten wat ik doen moet.”

Op dit oogenblik als had de hemel zijnen wensch gehoord en er onmiddellijk op willen antwoorden zag de Tigrero, wiens oogen werktuigelijk over de prairie weidden, waar alles thans in de diepste duisternis gedompeld lag, op korten afstand tusschen de hooge grashalmen een licht, op verschillende wijze herhaald, opsteken en bepaalde telegraphische figuren in de lucht beschrijven. En op hetzelfde oogenblik hoorde zijn geoefend oor zoo hij meende in de verte het gehinnik van een paard.

»Dat is iets buitengewoons,” mompelde hij in zich zelven. »Wat zou dat beteekenen? Zou het een signaal zijn? Intusschen zijn wij hier alleen; ik heb den ganschen dag geen spoor of teeken van menschelijk leven ontdekt. En toch, dat licht en dat gehinnik, zoo onmiddellijk achter elkander …?”

»Wat schort u, mijn vriend!” vroegdoñaAnita bezorgd. »Gij schijnt ongerust; welk gevaar bedreigt ons? Zeg het vrij. Gij weet, ik ben moedig, en bovendien wat zou ik vreezen daar ik u bij mij heb! Verzwijg mij niets. Er is zeker iets buitengewoons, is het niet?”

»Nu ja,” antwoordde hij ronduit, daar hij het toch niet voor haar kon verbergen, »er gebeurt iets ongewoons; maar verontrust u niet, ik geloof niet dat gij iets te vreezen hebt.”

»Maar wat is het dan? Ik heb niets gezien.”

»Kijk eens, daar ginds,” zeide hij, de hand uitstrekkende.

Het meisje keek scherp uit, en zag nu wat de Tigrero reeds eenige oogenblikken vroeger gezien had, een licht in de verte, dat als een roode stip in de duisternis schitterde en zeer bepaalde lijnen beschreef.

»Dat is blijkbaar een signaal,” hernam de Tigrero, »daar moet iemand verscholen zijn.”

»Wacht gij dan iemand?” vroeg zij.

»Bepaald niemand, en toch, ik weet niet waarom, geloof ik dat dit signaal voor mij bestemd is.”[189]

»Ja, maar gij weet wel wij zijn in de prairie en worden waarschijnlijk door een aantal Indiaansche jagers omringd; dus kan dat licht wel een signaal zijn dat zij elkander geven.”

»Neen,doñaAnita, gij vergist u, wij worden althans op dit oogenblik niet door Indiaansche jagers omringd; ik weet zeker dat wij hier alleen zijn.”

»Hoe kunt gij dat weten, vriend, daar gij geen oogenblik hiervandaanzijt geweest om het te onderzoeken?”

»Mijn lievedoñaAnita,” antwoordde hij op ernstig nadrukkelijken toon, »de prairie is een open boek, waarin Gods hand duizend geheimen heeft opgeteekend, die de mensch, aan het leven der woestijn gewoon, er op iedere bladzijde leest: de wind die door de takken ruischt, het water dat over de keien der beek murmelt, de vogel die de lucht doorvliegt, het hert of de bison die in de vlakte graast, de alligator die zich omwentelt in het oeverslijk, zijn voor mij zoovele teekenen daar ik mij nooit in vergissen zal. Sedert twee dagen hebben wij geen spoor of teeken van de Roodhuiden ontdekt, de bisons en andere dieren die wij ontmoetten graasden rustig en zonder mistrouwen; de vogels vlogen ongestoord, en de alligators waren zoo diep onder het slib weggedoken dat men ze bijna niet zien kon. Al deze dieren ruiken de nadering van den mensch, vooral van den Indiaan reeds op verren afstand, en nauwelijks hebben zij er de lucht van, of zij vluchten met allen spoed, zoo groot is de vrees die de koning der schepping hun inboezemt. Ik herhaal u, wij zijn alleen, gansch alleen; dat signaal is dus zeker voor mij. En ziedaar, het begint op nieuw.”

»’t Is waar, ik zie het duidelijk,” riepdoñaAnita.

»Ik moet weten wat dit beduidt,” zeide hij, zijn geweer nemende.

»O! don Martial; ik bid u, pas toch op! en wees voorzichtig. Denk om mij,” vervolgde zij angstig.

»Maak u niet ongerust,doñaAnita, ik ben te lang woudlooper geweest om mij door zulk een grove list te laten beet nemen; tot flusjes! ik kom dadelijk weêr bij u.”

Zonder verder naar het meisje te luisteren, dat hem met tranen en beden zocht te weêrhouden, liep hij snel ofschoon behoedzaam den heuvel af.

In de vlakte komende bleef hij staan, om te zien waar hij was en wat hij verder doen moest.

Zijn kamp lag op twee pijlschoten afstands van de Rio Gila bijna recht tegenover een groot eiland, dat inderdaad uit eene enkele rots bestaat, die ongeveer de gedaante van een mensch heeft en bijgevolg door de Apachende Meester des levens van den menschis genoemd.

Bij hunne invallen op Mexicaansch grondgebied zullen de Roodhuiden nooit verzuimen dit eiland te bezoeken om er hunneofferandente brengen, eene ceremonie die hoofdzakelijk bestaat in dansen en[190]daarbij in het water werpen van tabak, dieren- of menschenhaar envederenvan vogels.

De bovengenoemde rots, die er in de verte zeer wonderlijk en ontzagwekkend uitziet, is met twee holen doorboord, elk van twaalf honderd schreden lang en veertig breed, en de kruin heeft den vorm van een boog.

Wat de opmerkzaamheid van den Tigrero bijzonder getroffen en hem terstond had doen besluiten het vermeende signaal nader te gaan onderzoeken, was dat het van dit eiland was uitgegaan, een ongewoon verschijnsel, des te meer daar hij wist dat de Indianen voor dit eiland eene bijgeloovige vrees koesteren, zoodat geen Roodhuid hoe dapper hij ook wezen mocht gewaagd zou hebben er den nacht door te brengen. Zijne bekendheid met die vrees had hem terstond bewogen om het geheimzinnig signaal nader te onderzoeken.

Er groeide hoog en dicht gras tot aan den rand der rivier. Daar komende onder bedekking van dichte tot een ondoordringbaar warnet in elkander gegroeide wortelboomen en waterwilgen, sloop de Tigrero behoedzaam naar den vrij steilen oever, en toen hij dezen bereikt had, greep hij een overhangenden tak en liet zich in het water zakken, zoodat zijne indompeling geen het minste geplas maakte.

Toen zijn geweer met de eene hand boven water houdende, om het voor nat worden te bewaren, zwom hij met de andere hand de rivier over naar het eiland.

De afstand was kort, de Tigrero was een goed zwemmer, weldra bereikte hij het punt waar hij wilde aanlanden.

Nauwelijks was hij aan wal of hij ging op zijn buik liggen en kroop door de struiken, zorgvuldig achtgevend op het minste geluid en zoo scherp mogelijk rondziende in de duisternis.

Hij zag of hoorde niets; nu stond hij op en liep naar een der holen en grotten, aan welks ingang hij het schijnsel van een vuur zag blinken. Bij dat vuur zat een man, met het hoofd op de beide handpalmen geleund, zoo rustig te rooken alsof hij in een pulqueria te Guaymas gezeten was.

Na dezen man eene minuut lang te hebben bespied, kon hij nauwelijks een vroolijken uitroep bedwingen en trad hij zonder zich langer te verbergen regelrecht naar hem toe.

Hij had zijn ouden vertrouweling, Cuchares den lepero herkend.

Het gedruisch der voetstappen van den Tigrero deed Cuchares opkijken.

»Wel, wel! komt gij eindelijk, don Martial!” riep hij, »ik heb mij een uur lang vermoeid met alle seinen te geven die ik bedenken kon, zonder dat gij u verwaardigd hebt mij te antwoorden.”

»Ja, mijn waarde,” zei de Tigrero vroolijk, »als ik had kunnen vermoeden dat gij het waart, zou ik reeds lang hier zijn geweest; maar ik was zoo ver van u te verwachten.”

»Wel ingezien hebt gij gelijk, en in eene streek als hier kan men niet te voorzichtig zijn.”[191]

»Maar zeg mij, is er wat nieuws?” hervatte de Tigrero terwijl hij dicht bij het vuur plaats nam, om zijne druipnatte kleeren te drogen.

»Caspita!of er wat nieuws is! anders zaagt gij mij zeker niet hier.”

»Dat’s waar; gij zijt een goede kameraad, ik dank u dat gij gekomen zijt; gij weet wel dat ik goed onthouden kan?”

»Dat weet ik.”

»Ter zake, zeg mij wat hebt gij mij mede te deelen; ik heb haast om uw nieuws te hooren, en vooraf nog eene vraag.”

»Welke?”

»Is het goed?”

»Onverbeterlijk; gij zult het zelf kunnen beoordeelen.”

»Carai!als dat zoo is, neem dan dezen ring, dien ik niet verplicht was u te geven voordat onze zaken geheel waren afgedaan; maar wees verzekerd, als wij onze rekening sluiten, zal ik nog wel iets vinden dat u bevallen zal.”

De oogen van den lepero schitterden van blijdschap en begeerigheid; hij nam den ring en borg hem bij den anderen dien hij eenige dagen te voren ontvangen had.

»Ik dank u,” zeide hij, »Vive Dios! Het is een pleizier om zaken met u te doen: gij knibbelt ten minste niet.”

»Thans uw nieuws.”

»Hier is het, kort, maar goed. Elseñorconde, radeloos over het verdwijnen zijner bruid, die hij meent dat door de Apachen is opgelicht, heeft zich aan ’t hoofd zijner kompagnie gesteld, is van de hacienda vertrokken en doorkruist thans de prairie in alle richtingen om den Zwarte-Beer na te zetten.”

»Carai! dat is de gelukkigste tijding die gij mij ooit brengen kondt. En wat denkt gij nu te doen?”

»Wel, wij zijn immers afgesproken datel conde.…”

»Zonder twijfel!” viel de Tigrero hem in de rede; »maar dan moeten wij hem eerst aantreffen, hetgeen naar ik meen thans niet gemakkelijk gaan zal.”

»Integendeel.”

»Hoe dan?”

»Wel,señordon Martial, zoudt gij mij nu de oneer willen aandoen van te zeggen dat ik eenpavo—een kalkoen—ben.”

»Wel neen, compadre, maar.…”

»Maar gij denkt het toch; dan moet ik u tot mijn genoegen zeggen dat gij u bedriegt; gedurende de weinige oogenblikken die ik in de hacienda was, heb ik zooveel mogelijk navraag gedaan en mij goed laten inlichten, en daar ik mij in mijn geleende kwaliteit als boodschapper aanmeldde, heeft niemand eenig bezwaar gemaakt mij te antwoorden. Het schijnt dat de Apachen in plaats van veld te winnen, door de Franschen, daar zij in parenthesis den schrik van[192]hebben gezet, zoo dapper zijn afgeslagen dat zij zich naar de woestijn del Norte hebben teruggetrokken, om hunne dorpen te bereiken; el conde zet hen na, niet waar?”

»Ja, dat hebt gij mij gezegd.”

»Welnu, naar alle waarschijnlijkheid zal hij zich niet in die woestijn durven wagen.”

»Natuurlijk niet,” riep de Tigrero huiverend, »hoe dapper hij ook wezen mag.”

»Zeer goed! en dan kan hij slechts op één punt post vatten.”

»Aan deCasa Grande!” riep don Martial schielijk.

»Juist! Ik ben dus zeker dat ik hem daar ontmoeten zal.”

»Slapperment! dan moet gij daar dadelijk heen.”

»Ik ga op weg zoodra gij vertrokken zijt.”

De Tigrero staarde hem met zekere verbazing aan.

»Diablo! Cuchares,” riep hij een oogenblik later, »gij zijt eenkordaatman, ik acht mij gelukkig dat ik mij in u niet bedrogen heb.”

»Wat belieft u,” antwoordde de schelm zedig terwijl hij met zijne grijze oogen kwaadaardig knipte, »de betrekkingen die ik met u heb aangegaan zijn zoo aangenaam dat ik de macht niet heb u iets te weigeren.”

Beiden schoten in een lach over dezen tamelijk dubbelzinnigen kwinkslag.

»Welnu, daar alles tusschen ons is afgesproken,” hervatte don Martial, »kunnen wij scheiden.”

»Hoe zijt gij hier gekomen?” vroeg de lepero.

»Dat kunt gij dunkt mij wel zien, al zwemmende.… En gij?”

»Op mijn paard. Ik zou u wel aanbieden u weder aan wal te brengen, maar wij moeten elk een anderen kant uit.”

»Voor het oogenblik nog niet.”

»Denkt gij dan spoedig naar ginds te gaan?”

»Waarschijnlijk,” riep hij met een dubbelzinnigen glimlach.

»O! dan zullen wij elkander spoedig weêrzien.”

»Ik hoop ja.”

»Hoor eens, don Martial, daar ik zie dat uwe kleederen volkomen droog zijn, zou het mij spijten als gij u voor de tweede maal moest nat maken, ik geloof dat er eene prauw in de nabijheid is; gij weet dat de Indianen die overal gereed hebben en ergens verbergen.”

De Tigrero trad de grot in, keek rond en zag werkelijk een prauw, ordelijk met de daarbij behoorende pagaaien tegen den wand geplaatst; hij nam haar onbeschroomd op, en droeg haar op zijne schouders naar den rivierkant.

»Maar eer wij verder gaan, zeg eens, waarom hebt gij deze plaats gekozen om bij mij te komen?”

»Om niet gestoord te worden; of zou het u bevallen zijn, dat iemand ons gesprek had beluisterd!”

»Neen, dat stem ik u toe. Kom, tot weêrziens dan.”[193]

»Tot weêrziens!”

De twee mannen scheidden, Cuchares om een verren tocht te beginnen, en don Martial om naar zijn kampement terug te keeren.

Zij hadden zich intusschen bedrogen, toen zij meenden door niemand beluisterd te worden.

Nauwelijkshadden zij het eiland verlaten en zich in verschillende richting verwijderd, of er stak uit eene dichte massa dahlia’s en floripondio’s aan den ingang der grot een leelijk hoofd op, dat omzichtig links en rechts rondkeek; vervolgens, een oogenblik later, werden de takken meer en meer uit elkander geduwd en volgde op het hoofd het geheele lichaam, en weldra trad een Apache-Indiaan, als oorlogsman beschilderd en gewapend te voorschijn.

Die Indiaan was de Zwarte-Beer.

»Ooah!” mompelde hij met een dreigend gebaar, »de bleekgezichten zijn honden, de Apachen-krijgslieden zullen hen op den voet volgen.”

Nadat hij nog een poosje den helderen sterrenhemel had aangekeken ging hij de grot in.

Intusschen had de Tigrero zijn kamp weder bereikt.

DoñaAnita, ongerust over zijn lang uitblijven, wachtte hem met angstige bezorgdheid.

»Wel?” vroeg zij, hem te gemoet snellende, zoodra zij hem zag aankomen.

»Goed nieuws,” antwoordde hij.

»O, wat heb ik in angst gezeten.”

»Ik zeg u dank, het is juist gegaan zoo als ik verwacht had; het signaal was werkelijk voor mij.”

»Dat.…”

»Ik heb een vriend ontmoet die mij de middelen heeft verschaft om uit de valsche stelling te geraken waarin wij ons bevinden.”

»Op welke wijs?”

»Verontrust u over niets, zeg ik u en laat mij begaan.”

Het meisje gehoorzaamde stilzwijgend en ondanks hare nieuwsgierigheid, verwijderde zij zich in de jacal,—eene hut van samengevlochten takken—die voor haar was gereed gemaakt, zonder don Martial verder te vragen wat er van was.

In plaats van te slapen vlijde de Tigrero zich onder een boom neer, kruiste de armen op de borst en bleef onbeweeglijk zitten, in sombere gepeinzen verzonken tot de dag aankwam.

Met het opgaan der zon stond hij op, stapte eenige malen op en neder om de stramme vadsigheid van den nacht te verdrijven en riep zijne kameraden.

Tien minuten later hervatte de kleine troep weder den marsch.

»O ho! don Martial, wat zijt gij er vroeg bij, dezen morgen,” riep de haciendero.

»Hebt gij dan niet opgemerkt dat wij vooraf niet ontbeten hebben, zoo als wij anders alle dagen deden?”[194]

»Caramba, neen!”

»Weet gij waarom? ’t Is omdat wij heden te Guetzalli zullen ontbijten, daar wij over twee uren aankomen.”

»Ah! te weerga!” riepdehaciendero, »dat hoor ik met bijzonder genoegen.”

»Niet waar?”

»Ik verzeker u van ja.”

DoñaAnita had toen zij dit gesprek hoorde don Martial een ongerusten blik toegeworpen, maar zijn gelaat stond zoo kalm en hij glimlachte zoo vroolijk, dat zij onmiddellijk tot bedaren kwam, wel vermoedende dat de stilzwijgendheid van den Tigrero te haren opzichte haar eene aangename verrassing wilde bereiden.

Zooals don Martial gezegd had, kwam de karavaan twee uren later werkelijk aan de kolonie.

Nauwelijks waren zij door de schildwachts herkend, of de valbrug aan de landengte werd neergelaten en zij reden de hacienda binnen, waar zij met al de vereischte eerbewijzen ontvangen werden.

DoñaAnita, die geen oog van den Tigreroaf had, werd beurtelings bleek en rood, daar zij zijne volkomen bedaardheid volstrekt niet begreep.

Zij stapten af op de tweede binnenplaats, voor de groote deur.

»Waar is toch de graaf de Lhorailles?” vroeg don Sylva, ten hoogste verwonderd dat hij zijn aanstaanden schoonzoon niet zag verschijnen om hem naar behooren te ontvangen.

»Mijnheer de graaf zal wanhopig zijn als hij hoort dat gij zijt teruggekomen terwijl hij afwezig is,” antwoordde de majordomo met een stroom van verontschuldigingen.

»Is hij dan van huis?”

»Ja,señoria.”

»Maar komt hij spoedig terug?”

»Dat denk ik niet; de kapitein is vertrokken aan het hoofd van zijne gansche compagnie, om de Roodhuiden te vervolgen.”

Dat bericht klonk don Sylva als een donderslag.

De Tigrero endoñaAnita wisselden een blik van genoegen.


Back to IndexNext