XX.

[Inhoud]XX.IN DEN ZADEL.De groote zandwoestijn del Norte is de Sahara van Amerika, misschien minder uitgestrekt, maar veel doodscher en akeliger dan die van Afrika.Daar vindt men nog lachende oasen, door prachtige boomgroepen overschaduwd en door koele bronnen verfrischt. Maar in del Norte niets van dat alles. Onder een hemel als van geel koper strekken[195]zich onmetelijke vlakten uit van vaalgrijs zand, van horizont tot horizont, in iedere richting zand, niets dan zand; een fijn ontastbaar zand of veeleer fijn stof, dat de wind in groote wolken opjaagt, verplaatst en er mede voortwervelt, zoodat de gedaante der woestijn gedurig verandert en telkens nieuwe valleien gegraven en nieuwe heuvels worden opgehoopt, zoo vaak de ontzaglijkecordonazoer den mullen grond omwoelt.Grauwe rotsen, met een schraal en verschroeid mos bedekt, steken hier en daar de kale kruinen omhoog te midden van dezen chaos, die sinds het uur der schepping nog niet van gedaante veranderd is.De bison, de asshata, de snelle antilope ontvluchten deze woestijn, waar de mulle bodem hunne pooten weigert te dragen; de gieren alleen, met hun bloedig en loerend oog, vliegen bij troepen in dit onherbergzaam gewest om er een zeldzamen maar zekeren buit te zoeken; want deze woestenij is zoo vreeselijk, dat de Indianenzelvener zich niet dan sidderend in wagen en haar zoo snel mogelijkdoortrekken, wanneer zij naar hunne dorpen terug moeten na eenen rooftocht op Mexicaansch grondgebied; maar ondanks hunnen ongelooflijk snellen loop teekent zich hun spoor in eene onuitwischbare reeks van geraamten van muildieren en paarden, die zij bij gebrek aan voedsel verplicht zijn aan hun lot over te laten, en wier gebeente op den naakten bodem ligt te verbleeken en te verkalken, tot de van nieuws ontboeide storm het als met een doodskleed van zand bedekt.En toch, als had de hand des Scheppers, gelijk overal, ook in de dorre woestijn hare zorgende almacht willen ten toon spreiden, ziet men, bij zeer groote tusschenruimten,—o wonderbare verschijning! half in het zand begraven, te midden der ordeloos daarheen geworpen rotsen, een krachtigen boom oprijzen, met vervaarlijk dikken stam, die wellicht den storm van 10 à 20 eeuwen heeft getrotseerd en wiens dicht gebladerte den matten reiziger onder zijne schaduw eenige rust schijnt te willen bieden.Zulke boomen echter verlevendigen de doodelijke vlakte niet dan mijlen ver van elkander, en nooit of althans zeer zelden zal men er twee op dezelfde plaats bijeen vinden.Deze patriarchen der woestijn, eerwaardig door ouderdom en majestueuze eenzaamheid, worden door de jagers en woudloopers op hoogen prijs gesteld, en door de Indianen schier afgodisch vereerd.Doch wij herhalen het, behalve deze weinige mijlpalen, als onmerkbare stippen in de onmetelijke ruimte verloren, ziet men geen planten noch dieren in de gansche del Norte, niets dan zand, altoos zand.DeCasa Grandevan Montecuzoma, waar in dezen oogenblik de vrijcompagnie van den graaf de Lhorailles gekantonneerd lag, verhief zich, en verheft zich waarschijnlijk thans nog, aan de uiterste grens der prairie, hoogstens twee mijlen van de zandwoestijn.[196]De lijn van afscheiding tusschen deze twee gewesten is scherp en stout afgeteekend.Aan de eene zijde eene weelderig rijke en door overvloed van sap en groeikracht gekenmerkte plantenwereld; vroolijk groenende vlakten, bedekt met hoog en dicht gras, waarop dieren van allerlei soort weide en voedsel vinden; het zingen der vogels, het geschuifel der slangen, het loeien der bisons, het gonzen van duizende insekten, in een woord, het groote, krachtige, bovenal lustig werkzame leven dat door al de poriën dezer gezegende natuur heendringt en ademt.Aan de andere zijde eene eeuwige stilte des doods, een grauwe horizont, een oceaan van zand, welks onrustige golven van alle kanten voortdringen om de prairie te veroveren; maar geen struik of grashalm hoe gering ook, geen wortel, geen mos, niets dan stuivend zand!In deCasa Grande, na zijn gesprek met Cuchares, had de graaf zijne officieren teruggeroepen, en zich weder met hen vereenigd in vroolijk gezwets, gedrink en gelach.Eerst laat in den nacht stond men van tafel op om zich ter rust te begeven.Cuchares alleen sliep niet, hij lag te denken. Wij weten reeds, nagenoeg althans, met welk doel hij den graaf in deCasa Grandewas komen bezoeken.Met zonsopgang klonk de trompet voor de morgenwaak.De soldaten rezen op van den bedauwden grond, waar zij geslapen hadden, rekten hunne stramme leden en haastten zich om de nachtkoude te verdrijven, door het verzorgen der paarden en het maken der noodige toebereidselen voor den ochtendmaaltijd.Binnen weinige minuten had het kamp dien levendigen en vroolijken toon aangenomen, die alle soldaten en inzonderheid de Fransche kenmerkt wanneer zij te velde zijn getrokken.In de ruime zaal derCasa Grandezaten de graaf en zijne luitenants op uitgedroogde bisonsschedels en hielden samen raad; de beraadslaging werd bijzonder levendig.»Binnen een uur,” zei de graaf, »gaan wij weder op marsch, wij hebben twintig muildieren beladen met levensmiddelen, tien met drinkwater, en acht met oorlogsbehoeften; derhalve hebben wij niets te vreezen.”»Dat is in zooverre waar,señorconde,” merkte de capataz aan, »maar.…”»Wat bedoelt gij daarmede?”»Wij hebben geen gidsen.”»Wat zouden wij met gidsen doen?” riep de graaf driftig, »wij behoeven het spoor der Apachen slechts te volgen, dat is dunkt mij voldoende.”Blas Vasquez schudde het hoofd.»Gij kent de del Norte niet,señoria,” sprak hij ronduit.[197]»Dat doe ik ook niet; het is de eerste maal dat de omstandigheden er mij heen voeren.”»Gij moogt den hemel bidden dat het niet tevens de laatste zij.”»Wat zegt gij daar?” riep de graaf inwendig huiverend.»Heer graaf, de del Norte is geen wildernis maar een draaikolk van wielend zand; de minste windvlaag in deze doodsche vlakte jaagt het zand in wolken omhoog en verzwelgt menschen en paarden, zonder een spoor van hen over te laten; alles verdwijnt er en wordt voor eeuwig als onder een doodkleed van zand begraven.”»Wel, wel!” riep de graaf nadenkend.»Geloof mij, heer graaf,” vervolgde de capataz, »ik raad u stellig af u met uw dappere kompagnie in die onverbiddelijke woestijn te wagen; niemand van u zou er weder uitkomen.”»Ondertusschen, de Apachen zijn ook menschen; zij zijn immers niets dapperder, noch beter gewapend dan wij?”»Dat geef ik toe.”»Welnu, en die trekken de del Norte wel door, van het noorden naar het zuiden en van het oosten naar het westen, en dat niet eens in het jaar maar tienmaal, ja zoo dikwijls het hun in den zin komt.”»Weet gij tot welken prijs dit geschiedt, heer graaf? hebt gij de lijken geteld die zij langs den weg achterlaten, als treurige merkteekens waar zij geweest zijn? En buitendien, gij kunt u niet met de Roodhuiden gelijk stellen, voor wie de woestijn geene geheimen meer heeft, zij kennen haar in volle lengte en breedte.”»Dus beweert gij,” riep de graaf ongeduldig, »dat.…”»Dat de Apachen door u herwaarts te lokken en door u twee dagen geleden aan te vallen, u een strik zoeken te spannen; zij willen u verleiden om hen in de woestijn te volgen, wel verzekerd niet alleen dat gij hen nooit zult inhalen, maar dat gij en al uw volk er uw gebeente zult laten.”»Gij zult mij intusschen moeten toestemmen, mijn waarde don Blas, dat het al zeer vreemd zou zijn, als er van al uwe peons geen enkele te vinden was die ons door de woestijn den weg kan wijzen. Wat duivel! het zijn toch Mexicanen.”»Jaseñoria, maar ik heb naar ik meen reeds meermalen de eer gehad u te doen opmerken, dat al deze lieden costenos, dat wil zeggen kustbewoners zijn, die vroeger nooit zoo diep in het binnenland zijn gedrongen.”»Wat moeten wij dan doen?” riep de graaf weifelend.»Naar de kolonie terugkeeren,” hernam de capataz; »ik zie er niets anders op.”»En don Sylva dan endoñaAnita, moeten wij die maar laten varen?”Blas Vasquez fronste de wenkbrauwen, zijn gelaat betrok zichtbaar, terwijl hij met een bewogen stem en op ernstigen toon antwoordde:[198]»Señoria, ik ben op het erf van de familie de Torres geboren, niemand kan sterker met lijf en ziel aan de beide door u genoemde personen verknocht zijn, dan ik. Maar niemand is tot het onmogelijke verplicht. De woestijn in te trekken, onder zulke omstandigheden als waarin wij ons bevinden, zou zijn God te verzoeken; wij mogen op geen wonderen rekenen en een wonderwerk alleen zou ons kunnen redden.”Er volgde een poos stilte, de woorden van den eerlijken capataz hadden op den graaf een indruk gemaakt, dien hij te vergeefs zocht meester te worden.De lepero bemerkte zijne aarzeling en trad terstond naderbij.»Waarom,” vroeg hij op fleemenden toon, »hebt gij mij niet gezegd dat gij een gids noodig hadt,señorconde?”»Waarom zou ik u dat gezegd hebben?”»’t Is waar ook, het was eigenlijk niet noodig, daar ik mij reeds als gids verbonden had om u naar don Sylva te geleiden, dat waart gij zeker vergeten.”»Weetgijdan den weg?”»Ja! ten minste zoo goed als iemand hem kennen kan die hem slechts tweemaal gegaan is.”»Vive Dios!” riep de graaf, »dan kunnen wij voorwaarts en er is geen reden meer om ons langer op te houden.”»Diego Leon, laat onmiddellijk in den zadel blazen, en gij, mijn brave kameraad, wees onze gids, gij zult ondervinden dat ik niet ondankbaar ben.”»O,Señorconde, gij kunt u gerust op mij verlaten,” antwoordde de lepero met een dubbelzinnigen lach, »ik verzeker u dat ik u brengen zal waar gij wezen moet.”»Dat is al wat ik van u verlang.”Blas Vasquez, met het gewone instinkt van wantrouwen dat alle eerlijke zielen is aangeboren en terstond spreekt wanneer zij met slechte karakters in aanraking komen, gevoelde voor den lepero onwillekeurig een onverwinnelijken afkeer. Deze afkeer bezielde hem reeds van het eerste oogenblik dat Cuchares den vorigen avond in de zaal verscheen. Hij hield hem dus scherp in ’t oog terwijl hij met den graaf de Lhorailles sprak, en zoodra de lepero zweeg gaf hij den graaf een wenk. Deze kwam ongemerkt naar hem toe.De capataz ging met hem naar een afgelegen hoek der zaal en fluisterde hem in ’t oor:»Wees op uwe hoede, kapitein, die kerel bedriegt u.”»Weet gij dat zeker?”»Neen, maar ik ben er van overtuigd.”»Hoe dat?”»Eene inwendige stem zegt het mij.”»Hebt gij er het bewijs voor?”»Geen het minste.”[199]»Loop heen dan, gij zijt dwaas, de vrees benevelt uw verstand.”»De hemel geve dat ik mij niet bedrieg!”»Hoor eens, vriend, gij zijt niet verplicht ons te volgen. Blijf hier gerust op ons wachten, dan kunt gij de gevaren ontgaan die gij meent dat ons bedreigen.”De capataz richtte zich fier op in zijne volle lengte, en zei met een blik vol majesteit maar zoo koel en bedaard mogelijk:»Het is genoeg, donGaëtan. Ik heb het mijne gedaan door u te waarschuwen zooals mijn geweten dat gebood. Gij wilt mijn raad niet aannemen, dat staat u vrij, ik heb mijn plicht naar behooren gedaan. Gij wilt voorwaarts trekken; ik zal u volgen en hoop u weldra te bewijzen, dat terwijl ik voorzichtig was, ik tevens wanneer het wezen moet zoo dapper ben als de dapperste.”»Ik zeg u dank,” antwoordde de graaf, hem met warmte de hand drukkende, »ik dacht wel dat gij mij niet verlaten zoudt.”Op dit oogenblik verhief zich buiten de zaal een geweldig leven, en stormde de luitenant Diego Leon driftig de zaal binnen.»Wat is dat, luitenant?” vroeg hem de graaf gestreng, »hoe zijt gij zoo verschrikt en waarom komt gij zoo onstuimig binnen?”»Kapitein,” antwoordde de luitenant met eene hijgende stem, »de kompagnie is in opstand.”»Wat! wat zegt gij daar, luitenant, zijn mijne ruiters oproerig?”»Ja, kapitein.”»Ha!” riep hij op zijn knevel bijtende, »en waarom zijn zij oproerig, als ik verzoeken mag?”»Omdat zij de woestijn niet in willen.”»Willen zij niet,” herhaalde de graaf met nadruk op ieder syllabe, »weet gij wel zeker wat gij daar zegt, luitenant?”»Ik zweer het u, kapitein, hoor maar hoe zij te werk gaan.”Werkelijk hoorde men daar buiten vloeken, razen en tieren en werd het rumoer met ieder oogenblik sterker zoo dat het eindelijk hoogst bedenkelijk scheen.»O ho! dat wordt dunkt mij ernstig,” hervatte donGaëtan.»Ernstiger dan gij denkt, kapitein; ik zweer u, de gansche kompagnie slaat aan ’t muiten, de rebellen hebben hunne geweren geladen, zij omsingelen het huis en doen niets dan schreeuwen en dreigen, zij zeggen dat zij u spreken willen en zweren dat zij goedschiks of kwaadschiks verkrijgen zullen wat zij verlangen.”»Dat zou ik wel eens zien willen,” zei de graaf altoos bedaard terwijl hij reeds naar de deur trad.»Blijf hier, kapitein!” riepen de officieren hem vooruitsnellend om hem tegen te houden; »de manschappen kennen zich zelven niet, het zou u een ongeluk kunnen kosten.”»Loop heen, mijne heeren!” antwoordde hij, hen met een koelzinnigen wenk terugwijzend, »gij zijt dwaas: zij kennen mij nog niet, ik zal die bandieten toonen dat ik waard ben hen te kommandeeren.”[200]Zonder naar verdere afmaning te hooren, trad hij bedaard en met fermen tred de zaal door en naar buiten.Wat er gebeurd was laten wij hier volgen.De peons van Blas Vasquez hadden sedert de laatste dagen, terwijl zij met de kompagnie van donGaëtanin de ruïnen bivakkeerden, aan de Franschen, niet zonder de noodige overdrijving, allerlei sombere en akelige historie’s nopens de woestijn del Norte verteld en over dit verwenscht gewest bijzonderheden aan ’t licht gebracht, die wel in staat waren om den stoutsten het haar te doen stoppelen. Ongelukkigerwijs kampeerde de kompagnie zoo als wij reeds gezegd hebben nauwelijks twee mijlen ver van de del Norte; zoo dat bij het maken van kleine uitstappen, de sombere aanblik der woestijn aan de akelige voorstelling die hun door de peons gegeven was niet weinig kracht bijzette.Al de soldaten van den graaf de Lhorailles waren fransche Dauph’yeers, meerendeels lieden zonder eer of geweten, onverlaten door merg en been, maar dapper en, even als alle andere Franschen, gemakkelijk op te winden of op te ruien en even gereed ten kwade als ten goede. Sedert zij zich onder het kommando van den graaf de Lhorailles bevonden, had hij hen bij meer dan eene gelegenheid onversaagd tegen den vijand zien aanrukken, en toch gehoorzaamden zij hem niet dan met zekeren weerzin.De graaf de Lhorailles bezat in hun oog groote gebreken: vooreerst dat hij graaf, ten tweede dat hij te beschaafd was, zijne stem was hun te zacht, zijne manieren waren te kiesch en te verwijfd; zij konden zich niet verbeelden dat zulk een fijn edelman, zoo keurig gekleed, gedast en gehandschoend in staat was hen groote dingen te doen uitrichten, zij hadden liever een kommandant gezien van krachtigen bouw, ruwe stem, en brutale manieren, met wien zij alzoo meer op zekeren voet van gelijkheid stonden.Vroeg in den morgen was onder hen het gerucht verspreid, dat het kamp zou worden opgebroken en dat de kompagnie met allen spoed de woestijn zou intrekken om de Apachen te vervolgen.Reeds dadelijk waren er samenscholingen gevormd, scherpe aanmerkingen gemaakt en de hoofden warm geworden; weldra begon de weêrstand zich in stilte te organiseeren, en toen de luitenant Diego Leon werkelijk order kwam brengen om het kamp op te breken werd hij met gelach, gefluit en spotternij ontvangen, men had hem zotte vragen gedaan en beschimpt, kortom hij zag zich eindelijk genoodzaakt voor de onlusten en opschudding te wijken en naar den kapitein terug te keeren, om van den verkeerden loop der zaken verslag te doen.In zulke omstandigheden zijne kalmte of zelfbeheersching te verliezen of voor het oproer plaats te ruimen, is het grootste gebrek dat een officier bezitten kan: hij moet zich desnoods liever laten dooden dan een duim breed uit den weg te gaan.[201]Bij oproer voert de eerste inwilliging gereedelijk tot meerdere en dan moet onvermijdelijk het volgende gebeuren: dat de rebellen hun eigen sterkte beginnen op te nemen en tegelijkertijd hunne officieren gaan schatten; zij gevoelen welk een overwicht de brutale kracht hen voor het oogenblik reeds geeft en maken onmiddellijk misbruik van de zwakheid of werkeloosheid hunner chefs, niet om een eenvoudige wijziging ten gunste hunner grieven te bewerken maar veeleer om een radicale verandering te vorderen.Dit was ook werkelijk hier het geval: nauwelijks had de luitenant zich verwijderd, of men beschouwde zijn vertrek reeds als een overwinning. De soldaten begonnen voort te redeneeren, onder opruiing, zoo als gewoonlijk, door diegenen onder hen, die het vlugste babbelen of het hardste schreeuwen konden; het was nu niet langer weigeren om de woestijn in te trekken, maar men zou andere officieren benoemen en dadelijk naar de kolonie terugkeeren; de geheele staf moest worden veranderd, en de officieren gekozen bij stemming, door de soldaten zelf, en vooral dezulken die bij hunne kameraden het meeste vertrouwen genoten, dat is, vaak de meest partijdige, waanwijze en verwardste stijfhoofden.De gisting had thans haar hoogste punt bereikt: de soldaten zwaaiden woest met de wapens, en voeren uit in de grofste bedreigingen tegen den graaf en zijne luitenants.Op eens ging de deur derCasa Grandeopen en de graaf trad naar buiten.Hij was bleek maar kalm, en liet zijn vasten blik rondgaan over de muitende menigte, die om hem heen tierde en bulderde.»De kapitein! daar is de kapitein!” riepen eenigen der soldaten.»Laten wij hem een kop kleiner maken!” riepen anderen.»Weg met hem! dood hem!” brulden sommigen.Allen stormden met blanke wapens en onder het uitbraken van dreigementen en verwenschingen op hem af.De graaf deinsde niet terug, integendeel deed hij een stap vooruit.Hij had een fijnesigaarvan maïsstroo in den mond en rookte met al de regelmatigheid van een saletjonker die gereed is zijn middagslaapje te doen.Er is niets dat de oproerige massa meer ontzag inboezemt dan koelbloedigheid en moed zonder praalvertooning.Er volgde een tempo in den opstand.De muitende menigte kwam voor een oogenblik tot staan.De kapitein en zijne soldaten beschouwden elkander als twee tijgers, die hunne wederzijdsche krachten meten, alvorens den sprong te wagen om elkander te verscheuren.De graaf maakte zich het oogenblik der door hem te weeg gebrachte stilte ten nutte om het woord te nemen.»Wat wilt gij?” vroeg hij met een kalme stem, terwijl hij bedaard[202]de sigaar uit zijn mond nam, en met helderen blik het blauwe rookzuiltje volgde dat krullend omhoog steeg.Bij deze vraag van hun kapitein was de eerste indruk der begoocheling gebroken; het geschreeuw en getier begon met verdubbelde woede, de muiters waren over zich zelven verontwaardigd dat zij zich een oogenblik door de ferme houding van den kapitein hadden laten beteugelen.Allen spraken te gelijk; zij bestormden den graaf aan alle kanten, trokken hem links en rechts, om het eerst gehoor te krijgen.Ingesloten, gedrongen, gesleurd door zoo vele kerels, die alle krijgstucht vergetende zich zeker waanden van straffeloosheid, in een land waar geen openbare gerechtigheid bestaat anders dan in naam, verloor de graaf nochtans zijne zelfstandigheid niet en bleef zijne koelbloedigheid zich volkomen gelijk.Hij liet de soldaten eenige minuten met vlammende blikken en schuimende lippen naar hartelust schreeuwen en uitrazen; eerst toen hij dacht dat het lang genoeg had geduurd hervatte hij met een even kalme en bedaarde stem als den vorigen keer:»Mijne vrienden, ’t is niet mogelijk om langer op deze wijs gesprek te voeren; ik begrijp geen woord van al wat gij zegt. Laat een uwer kameraden zich belasten met mij uit aller naam uwe grieven voor te stellen; en indien ik ze billijk en gegrond vind zal ik er recht op doen, weest daarvan verzekerd.”Na deze woorden luid en krachtig te hebben uitgesproken, plaatste de graaf zich met den schouder tegen den deurpost geleund, kruiste de armen op de borst en begon weder rustig zijne sigaar te rooken, in schijn onverschillig voor al wat er omging.De koelbloedigheid en fermiteit door den graaf de Lhorailles van het begin af aan den dag gelegd, had reeds goede vruchten gedragen; hij had een aantal harten onder zijne beste soldaten gewonnen; wel is waar durfden deze nog niet openlijk voor hun chef partij kiezen, maar ondersteunden toch met warmte het door hem gedane voorstel.»De kapitein heeft gelijk,” zeiden zij; »als wij zoo voortgaan hem allen te gelijk een hoop zotteklap in de ooren te toeten, is het niet mogelijk dat hij er een woord van begrijpt.”»Wat de kapitein eischt is niet meer dan billijk,” herhaalden anderen, »hoe kan hij ons recht doen als wij hem niet klaar en duidelijk uiteenzetten wat wij willen.”Het oproer had dus een grooten stap achterwaarts gedaan, het sprak reeds niet meer van het afzetten der officieren, maar bepaalde zich met aan den kapitein om recht te vragen.Eindelijk, na veel over en weder sprekens tusschen de muiters onderling, werd een van hen aangewezen om voor allen het woord te voeren.Dit individu, kort en gezet van gestalte, vierkant van schouders,[203]forsch gespierd van leden, met een schelmachtig gezicht, opgeluisterd door twee kleine grijze oogen, die fonkelden van list en kwaadaardigheid, kortom, een slecht sujet door en door,de type van een avonturier der laagste klasse bij wien alles zich oploste in moord en plundering.Deze man, bekend onder den naam van Curtius, was Parijzenaar van geboorte, een gewezen straatjongen uit de voorstad Saint-Marceau. Oud soldaat, oud matroos, kende hij alle vakken, behalve misschien dat van eerlijk man. Sedert zijne komst in de kolonie had hij zich steeds onderscheiden door zijne oproerigheid, brutaalheid en vooral door zijne pochende grootspraak. Hij beroemde zich dat hij acht dooden schuldig was, met andere woorden, dat hij acht maal een manslag had begaan. Onwillekeurig waren zijne kameraden bang voor hem.Toen zij hem hadden aangewezen om voor allen het woord te voeren, wierp hij met een vuiststoot zijn hoed op een oor en riep tegen zijne kameraden op schamperen toon:»Gij zult eens zien hoe ik dat varken zal wasschen!” en hiermede stapte de ploert half dansend, half sluipend naar den kapitein, die hem zag naderen en in het oog hield met een onbeschrijfelijken glimlach op de lippen.Plotseling was de woelige menigte doodstil geworden, alle harten klopten sterker, de aangezichten stonden angstig, ieder gevoelde werktuigelijk dat er iets buitengewoons en beslissends gebeuren zou.Toen Curtius den kapitein tot op twee passen genaderd was, bleef hij staan en nam hij zijn kommandant op van het hoofd tot de voeten op een alleronbeschaamdste manier.»Als ik het zeggen moet, kapitein,” begon hij, »is dit de zaak.…”De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een pistool uit zijn gordel. Bladz. 203.De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een pistool uit zijn gordel. Bladz. 203.De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een pistool uit zijn gordel, en schoot er hem mede door het hoofd.De bandiet rolde in het stof met een gebroken schedel.De graaf stak zijn revolver weder weg en keek koelbloedig rond.»Is er nog iemand die iets te zeggen heeft,” vroeg hij met eene ferme stem.Geen van hen durfde bijna te ademen, de bandieten waren op eens lammeren geworden.Zij bleven zwijgend staan voor hun chef als boetelingen voor hun meester; zij hadden hem begrepen.De graaf meesmuilde minachtend.»Neem dat kreng weg,” zeide hij terwijl hij met den voet tegen het lijk schopte, »wij zijn Dauph’yeers; wee! die de termen van ons contract durft schenden, ik dood hem als een hond; hangt dezen ellendeling op met de beenen aan een boom, dan mogen de gieren hem verslinden. Binnen tien minuten geef ik het sein om op te zitten, wee hem die niet gereed is!”[204]Na deze verpletterende toespraak ging de graaf weder in huis met denzelfden vasten tred als hij er uit was gekomen.Het oproer was gestild, de woeste bandieten hadden den ijzeren klauw gevoeld die onder den fluweelen handschoen verborgen zat, thans waren zij voor altijd getemd en zouden zij zich laten dooden zonder een klacht te durven uiten.»Het moet gezegd worden,” mompelden de soldaten onder elkander, »de kommandant is een ruwe gast, zijne oogen zullen niet licht overloopen.”Ieder haastte zich nu om voor het vertrek gereed te zijn.Tien minuten daarna, zoo als hij had aangekondigd, verscheen de kapitein weder; de kompagnie zat reeds in den zadel en stond in orde geschaard en gereed om op marsch te gaan.De kapitein glimlachte en gaf order om te vertrekken.»Hm!” bromde Cuchares in zich zelven, »’t is wel jammer dat don Martial zulke schoone diamanten heeft. Anders zou ik hem, na hetgeen ik hier gezien heb, gaarne zijn woord teruggeven.”Weldra was de gansche vrijkompagnie, met den kapitein aan het hoofd, verdwenen in de stofwolken van de woestijn del Norte.

[Inhoud]XX.IN DEN ZADEL.De groote zandwoestijn del Norte is de Sahara van Amerika, misschien minder uitgestrekt, maar veel doodscher en akeliger dan die van Afrika.Daar vindt men nog lachende oasen, door prachtige boomgroepen overschaduwd en door koele bronnen verfrischt. Maar in del Norte niets van dat alles. Onder een hemel als van geel koper strekken[195]zich onmetelijke vlakten uit van vaalgrijs zand, van horizont tot horizont, in iedere richting zand, niets dan zand; een fijn ontastbaar zand of veeleer fijn stof, dat de wind in groote wolken opjaagt, verplaatst en er mede voortwervelt, zoodat de gedaante der woestijn gedurig verandert en telkens nieuwe valleien gegraven en nieuwe heuvels worden opgehoopt, zoo vaak de ontzaglijkecordonazoer den mullen grond omwoelt.Grauwe rotsen, met een schraal en verschroeid mos bedekt, steken hier en daar de kale kruinen omhoog te midden van dezen chaos, die sinds het uur der schepping nog niet van gedaante veranderd is.De bison, de asshata, de snelle antilope ontvluchten deze woestijn, waar de mulle bodem hunne pooten weigert te dragen; de gieren alleen, met hun bloedig en loerend oog, vliegen bij troepen in dit onherbergzaam gewest om er een zeldzamen maar zekeren buit te zoeken; want deze woestenij is zoo vreeselijk, dat de Indianenzelvener zich niet dan sidderend in wagen en haar zoo snel mogelijkdoortrekken, wanneer zij naar hunne dorpen terug moeten na eenen rooftocht op Mexicaansch grondgebied; maar ondanks hunnen ongelooflijk snellen loop teekent zich hun spoor in eene onuitwischbare reeks van geraamten van muildieren en paarden, die zij bij gebrek aan voedsel verplicht zijn aan hun lot over te laten, en wier gebeente op den naakten bodem ligt te verbleeken en te verkalken, tot de van nieuws ontboeide storm het als met een doodskleed van zand bedekt.En toch, als had de hand des Scheppers, gelijk overal, ook in de dorre woestijn hare zorgende almacht willen ten toon spreiden, ziet men, bij zeer groote tusschenruimten,—o wonderbare verschijning! half in het zand begraven, te midden der ordeloos daarheen geworpen rotsen, een krachtigen boom oprijzen, met vervaarlijk dikken stam, die wellicht den storm van 10 à 20 eeuwen heeft getrotseerd en wiens dicht gebladerte den matten reiziger onder zijne schaduw eenige rust schijnt te willen bieden.Zulke boomen echter verlevendigen de doodelijke vlakte niet dan mijlen ver van elkander, en nooit of althans zeer zelden zal men er twee op dezelfde plaats bijeen vinden.Deze patriarchen der woestijn, eerwaardig door ouderdom en majestueuze eenzaamheid, worden door de jagers en woudloopers op hoogen prijs gesteld, en door de Indianen schier afgodisch vereerd.Doch wij herhalen het, behalve deze weinige mijlpalen, als onmerkbare stippen in de onmetelijke ruimte verloren, ziet men geen planten noch dieren in de gansche del Norte, niets dan zand, altoos zand.DeCasa Grandevan Montecuzoma, waar in dezen oogenblik de vrijcompagnie van den graaf de Lhorailles gekantonneerd lag, verhief zich, en verheft zich waarschijnlijk thans nog, aan de uiterste grens der prairie, hoogstens twee mijlen van de zandwoestijn.[196]De lijn van afscheiding tusschen deze twee gewesten is scherp en stout afgeteekend.Aan de eene zijde eene weelderig rijke en door overvloed van sap en groeikracht gekenmerkte plantenwereld; vroolijk groenende vlakten, bedekt met hoog en dicht gras, waarop dieren van allerlei soort weide en voedsel vinden; het zingen der vogels, het geschuifel der slangen, het loeien der bisons, het gonzen van duizende insekten, in een woord, het groote, krachtige, bovenal lustig werkzame leven dat door al de poriën dezer gezegende natuur heendringt en ademt.Aan de andere zijde eene eeuwige stilte des doods, een grauwe horizont, een oceaan van zand, welks onrustige golven van alle kanten voortdringen om de prairie te veroveren; maar geen struik of grashalm hoe gering ook, geen wortel, geen mos, niets dan stuivend zand!In deCasa Grande, na zijn gesprek met Cuchares, had de graaf zijne officieren teruggeroepen, en zich weder met hen vereenigd in vroolijk gezwets, gedrink en gelach.Eerst laat in den nacht stond men van tafel op om zich ter rust te begeven.Cuchares alleen sliep niet, hij lag te denken. Wij weten reeds, nagenoeg althans, met welk doel hij den graaf in deCasa Grandewas komen bezoeken.Met zonsopgang klonk de trompet voor de morgenwaak.De soldaten rezen op van den bedauwden grond, waar zij geslapen hadden, rekten hunne stramme leden en haastten zich om de nachtkoude te verdrijven, door het verzorgen der paarden en het maken der noodige toebereidselen voor den ochtendmaaltijd.Binnen weinige minuten had het kamp dien levendigen en vroolijken toon aangenomen, die alle soldaten en inzonderheid de Fransche kenmerkt wanneer zij te velde zijn getrokken.In de ruime zaal derCasa Grandezaten de graaf en zijne luitenants op uitgedroogde bisonsschedels en hielden samen raad; de beraadslaging werd bijzonder levendig.»Binnen een uur,” zei de graaf, »gaan wij weder op marsch, wij hebben twintig muildieren beladen met levensmiddelen, tien met drinkwater, en acht met oorlogsbehoeften; derhalve hebben wij niets te vreezen.”»Dat is in zooverre waar,señorconde,” merkte de capataz aan, »maar.…”»Wat bedoelt gij daarmede?”»Wij hebben geen gidsen.”»Wat zouden wij met gidsen doen?” riep de graaf driftig, »wij behoeven het spoor der Apachen slechts te volgen, dat is dunkt mij voldoende.”Blas Vasquez schudde het hoofd.»Gij kent de del Norte niet,señoria,” sprak hij ronduit.[197]»Dat doe ik ook niet; het is de eerste maal dat de omstandigheden er mij heen voeren.”»Gij moogt den hemel bidden dat het niet tevens de laatste zij.”»Wat zegt gij daar?” riep de graaf inwendig huiverend.»Heer graaf, de del Norte is geen wildernis maar een draaikolk van wielend zand; de minste windvlaag in deze doodsche vlakte jaagt het zand in wolken omhoog en verzwelgt menschen en paarden, zonder een spoor van hen over te laten; alles verdwijnt er en wordt voor eeuwig als onder een doodkleed van zand begraven.”»Wel, wel!” riep de graaf nadenkend.»Geloof mij, heer graaf,” vervolgde de capataz, »ik raad u stellig af u met uw dappere kompagnie in die onverbiddelijke woestijn te wagen; niemand van u zou er weder uitkomen.”»Ondertusschen, de Apachen zijn ook menschen; zij zijn immers niets dapperder, noch beter gewapend dan wij?”»Dat geef ik toe.”»Welnu, en die trekken de del Norte wel door, van het noorden naar het zuiden en van het oosten naar het westen, en dat niet eens in het jaar maar tienmaal, ja zoo dikwijls het hun in den zin komt.”»Weet gij tot welken prijs dit geschiedt, heer graaf? hebt gij de lijken geteld die zij langs den weg achterlaten, als treurige merkteekens waar zij geweest zijn? En buitendien, gij kunt u niet met de Roodhuiden gelijk stellen, voor wie de woestijn geene geheimen meer heeft, zij kennen haar in volle lengte en breedte.”»Dus beweert gij,” riep de graaf ongeduldig, »dat.…”»Dat de Apachen door u herwaarts te lokken en door u twee dagen geleden aan te vallen, u een strik zoeken te spannen; zij willen u verleiden om hen in de woestijn te volgen, wel verzekerd niet alleen dat gij hen nooit zult inhalen, maar dat gij en al uw volk er uw gebeente zult laten.”»Gij zult mij intusschen moeten toestemmen, mijn waarde don Blas, dat het al zeer vreemd zou zijn, als er van al uwe peons geen enkele te vinden was die ons door de woestijn den weg kan wijzen. Wat duivel! het zijn toch Mexicanen.”»Jaseñoria, maar ik heb naar ik meen reeds meermalen de eer gehad u te doen opmerken, dat al deze lieden costenos, dat wil zeggen kustbewoners zijn, die vroeger nooit zoo diep in het binnenland zijn gedrongen.”»Wat moeten wij dan doen?” riep de graaf weifelend.»Naar de kolonie terugkeeren,” hernam de capataz; »ik zie er niets anders op.”»En don Sylva dan endoñaAnita, moeten wij die maar laten varen?”Blas Vasquez fronste de wenkbrauwen, zijn gelaat betrok zichtbaar, terwijl hij met een bewogen stem en op ernstigen toon antwoordde:[198]»Señoria, ik ben op het erf van de familie de Torres geboren, niemand kan sterker met lijf en ziel aan de beide door u genoemde personen verknocht zijn, dan ik. Maar niemand is tot het onmogelijke verplicht. De woestijn in te trekken, onder zulke omstandigheden als waarin wij ons bevinden, zou zijn God te verzoeken; wij mogen op geen wonderen rekenen en een wonderwerk alleen zou ons kunnen redden.”Er volgde een poos stilte, de woorden van den eerlijken capataz hadden op den graaf een indruk gemaakt, dien hij te vergeefs zocht meester te worden.De lepero bemerkte zijne aarzeling en trad terstond naderbij.»Waarom,” vroeg hij op fleemenden toon, »hebt gij mij niet gezegd dat gij een gids noodig hadt,señorconde?”»Waarom zou ik u dat gezegd hebben?”»’t Is waar ook, het was eigenlijk niet noodig, daar ik mij reeds als gids verbonden had om u naar don Sylva te geleiden, dat waart gij zeker vergeten.”»Weetgijdan den weg?”»Ja! ten minste zoo goed als iemand hem kennen kan die hem slechts tweemaal gegaan is.”»Vive Dios!” riep de graaf, »dan kunnen wij voorwaarts en er is geen reden meer om ons langer op te houden.”»Diego Leon, laat onmiddellijk in den zadel blazen, en gij, mijn brave kameraad, wees onze gids, gij zult ondervinden dat ik niet ondankbaar ben.”»O,Señorconde, gij kunt u gerust op mij verlaten,” antwoordde de lepero met een dubbelzinnigen lach, »ik verzeker u dat ik u brengen zal waar gij wezen moet.”»Dat is al wat ik van u verlang.”Blas Vasquez, met het gewone instinkt van wantrouwen dat alle eerlijke zielen is aangeboren en terstond spreekt wanneer zij met slechte karakters in aanraking komen, gevoelde voor den lepero onwillekeurig een onverwinnelijken afkeer. Deze afkeer bezielde hem reeds van het eerste oogenblik dat Cuchares den vorigen avond in de zaal verscheen. Hij hield hem dus scherp in ’t oog terwijl hij met den graaf de Lhorailles sprak, en zoodra de lepero zweeg gaf hij den graaf een wenk. Deze kwam ongemerkt naar hem toe.De capataz ging met hem naar een afgelegen hoek der zaal en fluisterde hem in ’t oor:»Wees op uwe hoede, kapitein, die kerel bedriegt u.”»Weet gij dat zeker?”»Neen, maar ik ben er van overtuigd.”»Hoe dat?”»Eene inwendige stem zegt het mij.”»Hebt gij er het bewijs voor?”»Geen het minste.”[199]»Loop heen dan, gij zijt dwaas, de vrees benevelt uw verstand.”»De hemel geve dat ik mij niet bedrieg!”»Hoor eens, vriend, gij zijt niet verplicht ons te volgen. Blijf hier gerust op ons wachten, dan kunt gij de gevaren ontgaan die gij meent dat ons bedreigen.”De capataz richtte zich fier op in zijne volle lengte, en zei met een blik vol majesteit maar zoo koel en bedaard mogelijk:»Het is genoeg, donGaëtan. Ik heb het mijne gedaan door u te waarschuwen zooals mijn geweten dat gebood. Gij wilt mijn raad niet aannemen, dat staat u vrij, ik heb mijn plicht naar behooren gedaan. Gij wilt voorwaarts trekken; ik zal u volgen en hoop u weldra te bewijzen, dat terwijl ik voorzichtig was, ik tevens wanneer het wezen moet zoo dapper ben als de dapperste.”»Ik zeg u dank,” antwoordde de graaf, hem met warmte de hand drukkende, »ik dacht wel dat gij mij niet verlaten zoudt.”Op dit oogenblik verhief zich buiten de zaal een geweldig leven, en stormde de luitenant Diego Leon driftig de zaal binnen.»Wat is dat, luitenant?” vroeg hem de graaf gestreng, »hoe zijt gij zoo verschrikt en waarom komt gij zoo onstuimig binnen?”»Kapitein,” antwoordde de luitenant met eene hijgende stem, »de kompagnie is in opstand.”»Wat! wat zegt gij daar, luitenant, zijn mijne ruiters oproerig?”»Ja, kapitein.”»Ha!” riep hij op zijn knevel bijtende, »en waarom zijn zij oproerig, als ik verzoeken mag?”»Omdat zij de woestijn niet in willen.”»Willen zij niet,” herhaalde de graaf met nadruk op ieder syllabe, »weet gij wel zeker wat gij daar zegt, luitenant?”»Ik zweer het u, kapitein, hoor maar hoe zij te werk gaan.”Werkelijk hoorde men daar buiten vloeken, razen en tieren en werd het rumoer met ieder oogenblik sterker zoo dat het eindelijk hoogst bedenkelijk scheen.»O ho! dat wordt dunkt mij ernstig,” hervatte donGaëtan.»Ernstiger dan gij denkt, kapitein; ik zweer u, de gansche kompagnie slaat aan ’t muiten, de rebellen hebben hunne geweren geladen, zij omsingelen het huis en doen niets dan schreeuwen en dreigen, zij zeggen dat zij u spreken willen en zweren dat zij goedschiks of kwaadschiks verkrijgen zullen wat zij verlangen.”»Dat zou ik wel eens zien willen,” zei de graaf altoos bedaard terwijl hij reeds naar de deur trad.»Blijf hier, kapitein!” riepen de officieren hem vooruitsnellend om hem tegen te houden; »de manschappen kennen zich zelven niet, het zou u een ongeluk kunnen kosten.”»Loop heen, mijne heeren!” antwoordde hij, hen met een koelzinnigen wenk terugwijzend, »gij zijt dwaas: zij kennen mij nog niet, ik zal die bandieten toonen dat ik waard ben hen te kommandeeren.”[200]Zonder naar verdere afmaning te hooren, trad hij bedaard en met fermen tred de zaal door en naar buiten.Wat er gebeurd was laten wij hier volgen.De peons van Blas Vasquez hadden sedert de laatste dagen, terwijl zij met de kompagnie van donGaëtanin de ruïnen bivakkeerden, aan de Franschen, niet zonder de noodige overdrijving, allerlei sombere en akelige historie’s nopens de woestijn del Norte verteld en over dit verwenscht gewest bijzonderheden aan ’t licht gebracht, die wel in staat waren om den stoutsten het haar te doen stoppelen. Ongelukkigerwijs kampeerde de kompagnie zoo als wij reeds gezegd hebben nauwelijks twee mijlen ver van de del Norte; zoo dat bij het maken van kleine uitstappen, de sombere aanblik der woestijn aan de akelige voorstelling die hun door de peons gegeven was niet weinig kracht bijzette.Al de soldaten van den graaf de Lhorailles waren fransche Dauph’yeers, meerendeels lieden zonder eer of geweten, onverlaten door merg en been, maar dapper en, even als alle andere Franschen, gemakkelijk op te winden of op te ruien en even gereed ten kwade als ten goede. Sedert zij zich onder het kommando van den graaf de Lhorailles bevonden, had hij hen bij meer dan eene gelegenheid onversaagd tegen den vijand zien aanrukken, en toch gehoorzaamden zij hem niet dan met zekeren weerzin.De graaf de Lhorailles bezat in hun oog groote gebreken: vooreerst dat hij graaf, ten tweede dat hij te beschaafd was, zijne stem was hun te zacht, zijne manieren waren te kiesch en te verwijfd; zij konden zich niet verbeelden dat zulk een fijn edelman, zoo keurig gekleed, gedast en gehandschoend in staat was hen groote dingen te doen uitrichten, zij hadden liever een kommandant gezien van krachtigen bouw, ruwe stem, en brutale manieren, met wien zij alzoo meer op zekeren voet van gelijkheid stonden.Vroeg in den morgen was onder hen het gerucht verspreid, dat het kamp zou worden opgebroken en dat de kompagnie met allen spoed de woestijn zou intrekken om de Apachen te vervolgen.Reeds dadelijk waren er samenscholingen gevormd, scherpe aanmerkingen gemaakt en de hoofden warm geworden; weldra begon de weêrstand zich in stilte te organiseeren, en toen de luitenant Diego Leon werkelijk order kwam brengen om het kamp op te breken werd hij met gelach, gefluit en spotternij ontvangen, men had hem zotte vragen gedaan en beschimpt, kortom hij zag zich eindelijk genoodzaakt voor de onlusten en opschudding te wijken en naar den kapitein terug te keeren, om van den verkeerden loop der zaken verslag te doen.In zulke omstandigheden zijne kalmte of zelfbeheersching te verliezen of voor het oproer plaats te ruimen, is het grootste gebrek dat een officier bezitten kan: hij moet zich desnoods liever laten dooden dan een duim breed uit den weg te gaan.[201]Bij oproer voert de eerste inwilliging gereedelijk tot meerdere en dan moet onvermijdelijk het volgende gebeuren: dat de rebellen hun eigen sterkte beginnen op te nemen en tegelijkertijd hunne officieren gaan schatten; zij gevoelen welk een overwicht de brutale kracht hen voor het oogenblik reeds geeft en maken onmiddellijk misbruik van de zwakheid of werkeloosheid hunner chefs, niet om een eenvoudige wijziging ten gunste hunner grieven te bewerken maar veeleer om een radicale verandering te vorderen.Dit was ook werkelijk hier het geval: nauwelijks had de luitenant zich verwijderd, of men beschouwde zijn vertrek reeds als een overwinning. De soldaten begonnen voort te redeneeren, onder opruiing, zoo als gewoonlijk, door diegenen onder hen, die het vlugste babbelen of het hardste schreeuwen konden; het was nu niet langer weigeren om de woestijn in te trekken, maar men zou andere officieren benoemen en dadelijk naar de kolonie terugkeeren; de geheele staf moest worden veranderd, en de officieren gekozen bij stemming, door de soldaten zelf, en vooral dezulken die bij hunne kameraden het meeste vertrouwen genoten, dat is, vaak de meest partijdige, waanwijze en verwardste stijfhoofden.De gisting had thans haar hoogste punt bereikt: de soldaten zwaaiden woest met de wapens, en voeren uit in de grofste bedreigingen tegen den graaf en zijne luitenants.Op eens ging de deur derCasa Grandeopen en de graaf trad naar buiten.Hij was bleek maar kalm, en liet zijn vasten blik rondgaan over de muitende menigte, die om hem heen tierde en bulderde.»De kapitein! daar is de kapitein!” riepen eenigen der soldaten.»Laten wij hem een kop kleiner maken!” riepen anderen.»Weg met hem! dood hem!” brulden sommigen.Allen stormden met blanke wapens en onder het uitbraken van dreigementen en verwenschingen op hem af.De graaf deinsde niet terug, integendeel deed hij een stap vooruit.Hij had een fijnesigaarvan maïsstroo in den mond en rookte met al de regelmatigheid van een saletjonker die gereed is zijn middagslaapje te doen.Er is niets dat de oproerige massa meer ontzag inboezemt dan koelbloedigheid en moed zonder praalvertooning.Er volgde een tempo in den opstand.De muitende menigte kwam voor een oogenblik tot staan.De kapitein en zijne soldaten beschouwden elkander als twee tijgers, die hunne wederzijdsche krachten meten, alvorens den sprong te wagen om elkander te verscheuren.De graaf maakte zich het oogenblik der door hem te weeg gebrachte stilte ten nutte om het woord te nemen.»Wat wilt gij?” vroeg hij met een kalme stem, terwijl hij bedaard[202]de sigaar uit zijn mond nam, en met helderen blik het blauwe rookzuiltje volgde dat krullend omhoog steeg.Bij deze vraag van hun kapitein was de eerste indruk der begoocheling gebroken; het geschreeuw en getier begon met verdubbelde woede, de muiters waren over zich zelven verontwaardigd dat zij zich een oogenblik door de ferme houding van den kapitein hadden laten beteugelen.Allen spraken te gelijk; zij bestormden den graaf aan alle kanten, trokken hem links en rechts, om het eerst gehoor te krijgen.Ingesloten, gedrongen, gesleurd door zoo vele kerels, die alle krijgstucht vergetende zich zeker waanden van straffeloosheid, in een land waar geen openbare gerechtigheid bestaat anders dan in naam, verloor de graaf nochtans zijne zelfstandigheid niet en bleef zijne koelbloedigheid zich volkomen gelijk.Hij liet de soldaten eenige minuten met vlammende blikken en schuimende lippen naar hartelust schreeuwen en uitrazen; eerst toen hij dacht dat het lang genoeg had geduurd hervatte hij met een even kalme en bedaarde stem als den vorigen keer:»Mijne vrienden, ’t is niet mogelijk om langer op deze wijs gesprek te voeren; ik begrijp geen woord van al wat gij zegt. Laat een uwer kameraden zich belasten met mij uit aller naam uwe grieven voor te stellen; en indien ik ze billijk en gegrond vind zal ik er recht op doen, weest daarvan verzekerd.”Na deze woorden luid en krachtig te hebben uitgesproken, plaatste de graaf zich met den schouder tegen den deurpost geleund, kruiste de armen op de borst en begon weder rustig zijne sigaar te rooken, in schijn onverschillig voor al wat er omging.De koelbloedigheid en fermiteit door den graaf de Lhorailles van het begin af aan den dag gelegd, had reeds goede vruchten gedragen; hij had een aantal harten onder zijne beste soldaten gewonnen; wel is waar durfden deze nog niet openlijk voor hun chef partij kiezen, maar ondersteunden toch met warmte het door hem gedane voorstel.»De kapitein heeft gelijk,” zeiden zij; »als wij zoo voortgaan hem allen te gelijk een hoop zotteklap in de ooren te toeten, is het niet mogelijk dat hij er een woord van begrijpt.”»Wat de kapitein eischt is niet meer dan billijk,” herhaalden anderen, »hoe kan hij ons recht doen als wij hem niet klaar en duidelijk uiteenzetten wat wij willen.”Het oproer had dus een grooten stap achterwaarts gedaan, het sprak reeds niet meer van het afzetten der officieren, maar bepaalde zich met aan den kapitein om recht te vragen.Eindelijk, na veel over en weder sprekens tusschen de muiters onderling, werd een van hen aangewezen om voor allen het woord te voeren.Dit individu, kort en gezet van gestalte, vierkant van schouders,[203]forsch gespierd van leden, met een schelmachtig gezicht, opgeluisterd door twee kleine grijze oogen, die fonkelden van list en kwaadaardigheid, kortom, een slecht sujet door en door,de type van een avonturier der laagste klasse bij wien alles zich oploste in moord en plundering.Deze man, bekend onder den naam van Curtius, was Parijzenaar van geboorte, een gewezen straatjongen uit de voorstad Saint-Marceau. Oud soldaat, oud matroos, kende hij alle vakken, behalve misschien dat van eerlijk man. Sedert zijne komst in de kolonie had hij zich steeds onderscheiden door zijne oproerigheid, brutaalheid en vooral door zijne pochende grootspraak. Hij beroemde zich dat hij acht dooden schuldig was, met andere woorden, dat hij acht maal een manslag had begaan. Onwillekeurig waren zijne kameraden bang voor hem.Toen zij hem hadden aangewezen om voor allen het woord te voeren, wierp hij met een vuiststoot zijn hoed op een oor en riep tegen zijne kameraden op schamperen toon:»Gij zult eens zien hoe ik dat varken zal wasschen!” en hiermede stapte de ploert half dansend, half sluipend naar den kapitein, die hem zag naderen en in het oog hield met een onbeschrijfelijken glimlach op de lippen.Plotseling was de woelige menigte doodstil geworden, alle harten klopten sterker, de aangezichten stonden angstig, ieder gevoelde werktuigelijk dat er iets buitengewoons en beslissends gebeuren zou.Toen Curtius den kapitein tot op twee passen genaderd was, bleef hij staan en nam hij zijn kommandant op van het hoofd tot de voeten op een alleronbeschaamdste manier.»Als ik het zeggen moet, kapitein,” begon hij, »is dit de zaak.…”De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een pistool uit zijn gordel. Bladz. 203.De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een pistool uit zijn gordel. Bladz. 203.De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een pistool uit zijn gordel, en schoot er hem mede door het hoofd.De bandiet rolde in het stof met een gebroken schedel.De graaf stak zijn revolver weder weg en keek koelbloedig rond.»Is er nog iemand die iets te zeggen heeft,” vroeg hij met eene ferme stem.Geen van hen durfde bijna te ademen, de bandieten waren op eens lammeren geworden.Zij bleven zwijgend staan voor hun chef als boetelingen voor hun meester; zij hadden hem begrepen.De graaf meesmuilde minachtend.»Neem dat kreng weg,” zeide hij terwijl hij met den voet tegen het lijk schopte, »wij zijn Dauph’yeers; wee! die de termen van ons contract durft schenden, ik dood hem als een hond; hangt dezen ellendeling op met de beenen aan een boom, dan mogen de gieren hem verslinden. Binnen tien minuten geef ik het sein om op te zitten, wee hem die niet gereed is!”[204]Na deze verpletterende toespraak ging de graaf weder in huis met denzelfden vasten tred als hij er uit was gekomen.Het oproer was gestild, de woeste bandieten hadden den ijzeren klauw gevoeld die onder den fluweelen handschoen verborgen zat, thans waren zij voor altijd getemd en zouden zij zich laten dooden zonder een klacht te durven uiten.»Het moet gezegd worden,” mompelden de soldaten onder elkander, »de kommandant is een ruwe gast, zijne oogen zullen niet licht overloopen.”Ieder haastte zich nu om voor het vertrek gereed te zijn.Tien minuten daarna, zoo als hij had aangekondigd, verscheen de kapitein weder; de kompagnie zat reeds in den zadel en stond in orde geschaard en gereed om op marsch te gaan.De kapitein glimlachte en gaf order om te vertrekken.»Hm!” bromde Cuchares in zich zelven, »’t is wel jammer dat don Martial zulke schoone diamanten heeft. Anders zou ik hem, na hetgeen ik hier gezien heb, gaarne zijn woord teruggeven.”Weldra was de gansche vrijkompagnie, met den kapitein aan het hoofd, verdwenen in de stofwolken van de woestijn del Norte.

XX.IN DEN ZADEL.

De groote zandwoestijn del Norte is de Sahara van Amerika, misschien minder uitgestrekt, maar veel doodscher en akeliger dan die van Afrika.Daar vindt men nog lachende oasen, door prachtige boomgroepen overschaduwd en door koele bronnen verfrischt. Maar in del Norte niets van dat alles. Onder een hemel als van geel koper strekken[195]zich onmetelijke vlakten uit van vaalgrijs zand, van horizont tot horizont, in iedere richting zand, niets dan zand; een fijn ontastbaar zand of veeleer fijn stof, dat de wind in groote wolken opjaagt, verplaatst en er mede voortwervelt, zoodat de gedaante der woestijn gedurig verandert en telkens nieuwe valleien gegraven en nieuwe heuvels worden opgehoopt, zoo vaak de ontzaglijkecordonazoer den mullen grond omwoelt.Grauwe rotsen, met een schraal en verschroeid mos bedekt, steken hier en daar de kale kruinen omhoog te midden van dezen chaos, die sinds het uur der schepping nog niet van gedaante veranderd is.De bison, de asshata, de snelle antilope ontvluchten deze woestijn, waar de mulle bodem hunne pooten weigert te dragen; de gieren alleen, met hun bloedig en loerend oog, vliegen bij troepen in dit onherbergzaam gewest om er een zeldzamen maar zekeren buit te zoeken; want deze woestenij is zoo vreeselijk, dat de Indianenzelvener zich niet dan sidderend in wagen en haar zoo snel mogelijkdoortrekken, wanneer zij naar hunne dorpen terug moeten na eenen rooftocht op Mexicaansch grondgebied; maar ondanks hunnen ongelooflijk snellen loop teekent zich hun spoor in eene onuitwischbare reeks van geraamten van muildieren en paarden, die zij bij gebrek aan voedsel verplicht zijn aan hun lot over te laten, en wier gebeente op den naakten bodem ligt te verbleeken en te verkalken, tot de van nieuws ontboeide storm het als met een doodskleed van zand bedekt.En toch, als had de hand des Scheppers, gelijk overal, ook in de dorre woestijn hare zorgende almacht willen ten toon spreiden, ziet men, bij zeer groote tusschenruimten,—o wonderbare verschijning! half in het zand begraven, te midden der ordeloos daarheen geworpen rotsen, een krachtigen boom oprijzen, met vervaarlijk dikken stam, die wellicht den storm van 10 à 20 eeuwen heeft getrotseerd en wiens dicht gebladerte den matten reiziger onder zijne schaduw eenige rust schijnt te willen bieden.Zulke boomen echter verlevendigen de doodelijke vlakte niet dan mijlen ver van elkander, en nooit of althans zeer zelden zal men er twee op dezelfde plaats bijeen vinden.Deze patriarchen der woestijn, eerwaardig door ouderdom en majestueuze eenzaamheid, worden door de jagers en woudloopers op hoogen prijs gesteld, en door de Indianen schier afgodisch vereerd.Doch wij herhalen het, behalve deze weinige mijlpalen, als onmerkbare stippen in de onmetelijke ruimte verloren, ziet men geen planten noch dieren in de gansche del Norte, niets dan zand, altoos zand.DeCasa Grandevan Montecuzoma, waar in dezen oogenblik de vrijcompagnie van den graaf de Lhorailles gekantonneerd lag, verhief zich, en verheft zich waarschijnlijk thans nog, aan de uiterste grens der prairie, hoogstens twee mijlen van de zandwoestijn.[196]De lijn van afscheiding tusschen deze twee gewesten is scherp en stout afgeteekend.Aan de eene zijde eene weelderig rijke en door overvloed van sap en groeikracht gekenmerkte plantenwereld; vroolijk groenende vlakten, bedekt met hoog en dicht gras, waarop dieren van allerlei soort weide en voedsel vinden; het zingen der vogels, het geschuifel der slangen, het loeien der bisons, het gonzen van duizende insekten, in een woord, het groote, krachtige, bovenal lustig werkzame leven dat door al de poriën dezer gezegende natuur heendringt en ademt.Aan de andere zijde eene eeuwige stilte des doods, een grauwe horizont, een oceaan van zand, welks onrustige golven van alle kanten voortdringen om de prairie te veroveren; maar geen struik of grashalm hoe gering ook, geen wortel, geen mos, niets dan stuivend zand!In deCasa Grande, na zijn gesprek met Cuchares, had de graaf zijne officieren teruggeroepen, en zich weder met hen vereenigd in vroolijk gezwets, gedrink en gelach.Eerst laat in den nacht stond men van tafel op om zich ter rust te begeven.Cuchares alleen sliep niet, hij lag te denken. Wij weten reeds, nagenoeg althans, met welk doel hij den graaf in deCasa Grandewas komen bezoeken.Met zonsopgang klonk de trompet voor de morgenwaak.De soldaten rezen op van den bedauwden grond, waar zij geslapen hadden, rekten hunne stramme leden en haastten zich om de nachtkoude te verdrijven, door het verzorgen der paarden en het maken der noodige toebereidselen voor den ochtendmaaltijd.Binnen weinige minuten had het kamp dien levendigen en vroolijken toon aangenomen, die alle soldaten en inzonderheid de Fransche kenmerkt wanneer zij te velde zijn getrokken.In de ruime zaal derCasa Grandezaten de graaf en zijne luitenants op uitgedroogde bisonsschedels en hielden samen raad; de beraadslaging werd bijzonder levendig.»Binnen een uur,” zei de graaf, »gaan wij weder op marsch, wij hebben twintig muildieren beladen met levensmiddelen, tien met drinkwater, en acht met oorlogsbehoeften; derhalve hebben wij niets te vreezen.”»Dat is in zooverre waar,señorconde,” merkte de capataz aan, »maar.…”»Wat bedoelt gij daarmede?”»Wij hebben geen gidsen.”»Wat zouden wij met gidsen doen?” riep de graaf driftig, »wij behoeven het spoor der Apachen slechts te volgen, dat is dunkt mij voldoende.”Blas Vasquez schudde het hoofd.»Gij kent de del Norte niet,señoria,” sprak hij ronduit.[197]»Dat doe ik ook niet; het is de eerste maal dat de omstandigheden er mij heen voeren.”»Gij moogt den hemel bidden dat het niet tevens de laatste zij.”»Wat zegt gij daar?” riep de graaf inwendig huiverend.»Heer graaf, de del Norte is geen wildernis maar een draaikolk van wielend zand; de minste windvlaag in deze doodsche vlakte jaagt het zand in wolken omhoog en verzwelgt menschen en paarden, zonder een spoor van hen over te laten; alles verdwijnt er en wordt voor eeuwig als onder een doodkleed van zand begraven.”»Wel, wel!” riep de graaf nadenkend.»Geloof mij, heer graaf,” vervolgde de capataz, »ik raad u stellig af u met uw dappere kompagnie in die onverbiddelijke woestijn te wagen; niemand van u zou er weder uitkomen.”»Ondertusschen, de Apachen zijn ook menschen; zij zijn immers niets dapperder, noch beter gewapend dan wij?”»Dat geef ik toe.”»Welnu, en die trekken de del Norte wel door, van het noorden naar het zuiden en van het oosten naar het westen, en dat niet eens in het jaar maar tienmaal, ja zoo dikwijls het hun in den zin komt.”»Weet gij tot welken prijs dit geschiedt, heer graaf? hebt gij de lijken geteld die zij langs den weg achterlaten, als treurige merkteekens waar zij geweest zijn? En buitendien, gij kunt u niet met de Roodhuiden gelijk stellen, voor wie de woestijn geene geheimen meer heeft, zij kennen haar in volle lengte en breedte.”»Dus beweert gij,” riep de graaf ongeduldig, »dat.…”»Dat de Apachen door u herwaarts te lokken en door u twee dagen geleden aan te vallen, u een strik zoeken te spannen; zij willen u verleiden om hen in de woestijn te volgen, wel verzekerd niet alleen dat gij hen nooit zult inhalen, maar dat gij en al uw volk er uw gebeente zult laten.”»Gij zult mij intusschen moeten toestemmen, mijn waarde don Blas, dat het al zeer vreemd zou zijn, als er van al uwe peons geen enkele te vinden was die ons door de woestijn den weg kan wijzen. Wat duivel! het zijn toch Mexicanen.”»Jaseñoria, maar ik heb naar ik meen reeds meermalen de eer gehad u te doen opmerken, dat al deze lieden costenos, dat wil zeggen kustbewoners zijn, die vroeger nooit zoo diep in het binnenland zijn gedrongen.”»Wat moeten wij dan doen?” riep de graaf weifelend.»Naar de kolonie terugkeeren,” hernam de capataz; »ik zie er niets anders op.”»En don Sylva dan endoñaAnita, moeten wij die maar laten varen?”Blas Vasquez fronste de wenkbrauwen, zijn gelaat betrok zichtbaar, terwijl hij met een bewogen stem en op ernstigen toon antwoordde:[198]»Señoria, ik ben op het erf van de familie de Torres geboren, niemand kan sterker met lijf en ziel aan de beide door u genoemde personen verknocht zijn, dan ik. Maar niemand is tot het onmogelijke verplicht. De woestijn in te trekken, onder zulke omstandigheden als waarin wij ons bevinden, zou zijn God te verzoeken; wij mogen op geen wonderen rekenen en een wonderwerk alleen zou ons kunnen redden.”Er volgde een poos stilte, de woorden van den eerlijken capataz hadden op den graaf een indruk gemaakt, dien hij te vergeefs zocht meester te worden.De lepero bemerkte zijne aarzeling en trad terstond naderbij.»Waarom,” vroeg hij op fleemenden toon, »hebt gij mij niet gezegd dat gij een gids noodig hadt,señorconde?”»Waarom zou ik u dat gezegd hebben?”»’t Is waar ook, het was eigenlijk niet noodig, daar ik mij reeds als gids verbonden had om u naar don Sylva te geleiden, dat waart gij zeker vergeten.”»Weetgijdan den weg?”»Ja! ten minste zoo goed als iemand hem kennen kan die hem slechts tweemaal gegaan is.”»Vive Dios!” riep de graaf, »dan kunnen wij voorwaarts en er is geen reden meer om ons langer op te houden.”»Diego Leon, laat onmiddellijk in den zadel blazen, en gij, mijn brave kameraad, wees onze gids, gij zult ondervinden dat ik niet ondankbaar ben.”»O,Señorconde, gij kunt u gerust op mij verlaten,” antwoordde de lepero met een dubbelzinnigen lach, »ik verzeker u dat ik u brengen zal waar gij wezen moet.”»Dat is al wat ik van u verlang.”Blas Vasquez, met het gewone instinkt van wantrouwen dat alle eerlijke zielen is aangeboren en terstond spreekt wanneer zij met slechte karakters in aanraking komen, gevoelde voor den lepero onwillekeurig een onverwinnelijken afkeer. Deze afkeer bezielde hem reeds van het eerste oogenblik dat Cuchares den vorigen avond in de zaal verscheen. Hij hield hem dus scherp in ’t oog terwijl hij met den graaf de Lhorailles sprak, en zoodra de lepero zweeg gaf hij den graaf een wenk. Deze kwam ongemerkt naar hem toe.De capataz ging met hem naar een afgelegen hoek der zaal en fluisterde hem in ’t oor:»Wees op uwe hoede, kapitein, die kerel bedriegt u.”»Weet gij dat zeker?”»Neen, maar ik ben er van overtuigd.”»Hoe dat?”»Eene inwendige stem zegt het mij.”»Hebt gij er het bewijs voor?”»Geen het minste.”[199]»Loop heen dan, gij zijt dwaas, de vrees benevelt uw verstand.”»De hemel geve dat ik mij niet bedrieg!”»Hoor eens, vriend, gij zijt niet verplicht ons te volgen. Blijf hier gerust op ons wachten, dan kunt gij de gevaren ontgaan die gij meent dat ons bedreigen.”De capataz richtte zich fier op in zijne volle lengte, en zei met een blik vol majesteit maar zoo koel en bedaard mogelijk:»Het is genoeg, donGaëtan. Ik heb het mijne gedaan door u te waarschuwen zooals mijn geweten dat gebood. Gij wilt mijn raad niet aannemen, dat staat u vrij, ik heb mijn plicht naar behooren gedaan. Gij wilt voorwaarts trekken; ik zal u volgen en hoop u weldra te bewijzen, dat terwijl ik voorzichtig was, ik tevens wanneer het wezen moet zoo dapper ben als de dapperste.”»Ik zeg u dank,” antwoordde de graaf, hem met warmte de hand drukkende, »ik dacht wel dat gij mij niet verlaten zoudt.”Op dit oogenblik verhief zich buiten de zaal een geweldig leven, en stormde de luitenant Diego Leon driftig de zaal binnen.»Wat is dat, luitenant?” vroeg hem de graaf gestreng, »hoe zijt gij zoo verschrikt en waarom komt gij zoo onstuimig binnen?”»Kapitein,” antwoordde de luitenant met eene hijgende stem, »de kompagnie is in opstand.”»Wat! wat zegt gij daar, luitenant, zijn mijne ruiters oproerig?”»Ja, kapitein.”»Ha!” riep hij op zijn knevel bijtende, »en waarom zijn zij oproerig, als ik verzoeken mag?”»Omdat zij de woestijn niet in willen.”»Willen zij niet,” herhaalde de graaf met nadruk op ieder syllabe, »weet gij wel zeker wat gij daar zegt, luitenant?”»Ik zweer het u, kapitein, hoor maar hoe zij te werk gaan.”Werkelijk hoorde men daar buiten vloeken, razen en tieren en werd het rumoer met ieder oogenblik sterker zoo dat het eindelijk hoogst bedenkelijk scheen.»O ho! dat wordt dunkt mij ernstig,” hervatte donGaëtan.»Ernstiger dan gij denkt, kapitein; ik zweer u, de gansche kompagnie slaat aan ’t muiten, de rebellen hebben hunne geweren geladen, zij omsingelen het huis en doen niets dan schreeuwen en dreigen, zij zeggen dat zij u spreken willen en zweren dat zij goedschiks of kwaadschiks verkrijgen zullen wat zij verlangen.”»Dat zou ik wel eens zien willen,” zei de graaf altoos bedaard terwijl hij reeds naar de deur trad.»Blijf hier, kapitein!” riepen de officieren hem vooruitsnellend om hem tegen te houden; »de manschappen kennen zich zelven niet, het zou u een ongeluk kunnen kosten.”»Loop heen, mijne heeren!” antwoordde hij, hen met een koelzinnigen wenk terugwijzend, »gij zijt dwaas: zij kennen mij nog niet, ik zal die bandieten toonen dat ik waard ben hen te kommandeeren.”[200]Zonder naar verdere afmaning te hooren, trad hij bedaard en met fermen tred de zaal door en naar buiten.Wat er gebeurd was laten wij hier volgen.De peons van Blas Vasquez hadden sedert de laatste dagen, terwijl zij met de kompagnie van donGaëtanin de ruïnen bivakkeerden, aan de Franschen, niet zonder de noodige overdrijving, allerlei sombere en akelige historie’s nopens de woestijn del Norte verteld en over dit verwenscht gewest bijzonderheden aan ’t licht gebracht, die wel in staat waren om den stoutsten het haar te doen stoppelen. Ongelukkigerwijs kampeerde de kompagnie zoo als wij reeds gezegd hebben nauwelijks twee mijlen ver van de del Norte; zoo dat bij het maken van kleine uitstappen, de sombere aanblik der woestijn aan de akelige voorstelling die hun door de peons gegeven was niet weinig kracht bijzette.Al de soldaten van den graaf de Lhorailles waren fransche Dauph’yeers, meerendeels lieden zonder eer of geweten, onverlaten door merg en been, maar dapper en, even als alle andere Franschen, gemakkelijk op te winden of op te ruien en even gereed ten kwade als ten goede. Sedert zij zich onder het kommando van den graaf de Lhorailles bevonden, had hij hen bij meer dan eene gelegenheid onversaagd tegen den vijand zien aanrukken, en toch gehoorzaamden zij hem niet dan met zekeren weerzin.De graaf de Lhorailles bezat in hun oog groote gebreken: vooreerst dat hij graaf, ten tweede dat hij te beschaafd was, zijne stem was hun te zacht, zijne manieren waren te kiesch en te verwijfd; zij konden zich niet verbeelden dat zulk een fijn edelman, zoo keurig gekleed, gedast en gehandschoend in staat was hen groote dingen te doen uitrichten, zij hadden liever een kommandant gezien van krachtigen bouw, ruwe stem, en brutale manieren, met wien zij alzoo meer op zekeren voet van gelijkheid stonden.Vroeg in den morgen was onder hen het gerucht verspreid, dat het kamp zou worden opgebroken en dat de kompagnie met allen spoed de woestijn zou intrekken om de Apachen te vervolgen.Reeds dadelijk waren er samenscholingen gevormd, scherpe aanmerkingen gemaakt en de hoofden warm geworden; weldra begon de weêrstand zich in stilte te organiseeren, en toen de luitenant Diego Leon werkelijk order kwam brengen om het kamp op te breken werd hij met gelach, gefluit en spotternij ontvangen, men had hem zotte vragen gedaan en beschimpt, kortom hij zag zich eindelijk genoodzaakt voor de onlusten en opschudding te wijken en naar den kapitein terug te keeren, om van den verkeerden loop der zaken verslag te doen.In zulke omstandigheden zijne kalmte of zelfbeheersching te verliezen of voor het oproer plaats te ruimen, is het grootste gebrek dat een officier bezitten kan: hij moet zich desnoods liever laten dooden dan een duim breed uit den weg te gaan.[201]Bij oproer voert de eerste inwilliging gereedelijk tot meerdere en dan moet onvermijdelijk het volgende gebeuren: dat de rebellen hun eigen sterkte beginnen op te nemen en tegelijkertijd hunne officieren gaan schatten; zij gevoelen welk een overwicht de brutale kracht hen voor het oogenblik reeds geeft en maken onmiddellijk misbruik van de zwakheid of werkeloosheid hunner chefs, niet om een eenvoudige wijziging ten gunste hunner grieven te bewerken maar veeleer om een radicale verandering te vorderen.Dit was ook werkelijk hier het geval: nauwelijks had de luitenant zich verwijderd, of men beschouwde zijn vertrek reeds als een overwinning. De soldaten begonnen voort te redeneeren, onder opruiing, zoo als gewoonlijk, door diegenen onder hen, die het vlugste babbelen of het hardste schreeuwen konden; het was nu niet langer weigeren om de woestijn in te trekken, maar men zou andere officieren benoemen en dadelijk naar de kolonie terugkeeren; de geheele staf moest worden veranderd, en de officieren gekozen bij stemming, door de soldaten zelf, en vooral dezulken die bij hunne kameraden het meeste vertrouwen genoten, dat is, vaak de meest partijdige, waanwijze en verwardste stijfhoofden.De gisting had thans haar hoogste punt bereikt: de soldaten zwaaiden woest met de wapens, en voeren uit in de grofste bedreigingen tegen den graaf en zijne luitenants.Op eens ging de deur derCasa Grandeopen en de graaf trad naar buiten.Hij was bleek maar kalm, en liet zijn vasten blik rondgaan over de muitende menigte, die om hem heen tierde en bulderde.»De kapitein! daar is de kapitein!” riepen eenigen der soldaten.»Laten wij hem een kop kleiner maken!” riepen anderen.»Weg met hem! dood hem!” brulden sommigen.Allen stormden met blanke wapens en onder het uitbraken van dreigementen en verwenschingen op hem af.De graaf deinsde niet terug, integendeel deed hij een stap vooruit.Hij had een fijnesigaarvan maïsstroo in den mond en rookte met al de regelmatigheid van een saletjonker die gereed is zijn middagslaapje te doen.Er is niets dat de oproerige massa meer ontzag inboezemt dan koelbloedigheid en moed zonder praalvertooning.Er volgde een tempo in den opstand.De muitende menigte kwam voor een oogenblik tot staan.De kapitein en zijne soldaten beschouwden elkander als twee tijgers, die hunne wederzijdsche krachten meten, alvorens den sprong te wagen om elkander te verscheuren.De graaf maakte zich het oogenblik der door hem te weeg gebrachte stilte ten nutte om het woord te nemen.»Wat wilt gij?” vroeg hij met een kalme stem, terwijl hij bedaard[202]de sigaar uit zijn mond nam, en met helderen blik het blauwe rookzuiltje volgde dat krullend omhoog steeg.Bij deze vraag van hun kapitein was de eerste indruk der begoocheling gebroken; het geschreeuw en getier begon met verdubbelde woede, de muiters waren over zich zelven verontwaardigd dat zij zich een oogenblik door de ferme houding van den kapitein hadden laten beteugelen.Allen spraken te gelijk; zij bestormden den graaf aan alle kanten, trokken hem links en rechts, om het eerst gehoor te krijgen.Ingesloten, gedrongen, gesleurd door zoo vele kerels, die alle krijgstucht vergetende zich zeker waanden van straffeloosheid, in een land waar geen openbare gerechtigheid bestaat anders dan in naam, verloor de graaf nochtans zijne zelfstandigheid niet en bleef zijne koelbloedigheid zich volkomen gelijk.Hij liet de soldaten eenige minuten met vlammende blikken en schuimende lippen naar hartelust schreeuwen en uitrazen; eerst toen hij dacht dat het lang genoeg had geduurd hervatte hij met een even kalme en bedaarde stem als den vorigen keer:»Mijne vrienden, ’t is niet mogelijk om langer op deze wijs gesprek te voeren; ik begrijp geen woord van al wat gij zegt. Laat een uwer kameraden zich belasten met mij uit aller naam uwe grieven voor te stellen; en indien ik ze billijk en gegrond vind zal ik er recht op doen, weest daarvan verzekerd.”Na deze woorden luid en krachtig te hebben uitgesproken, plaatste de graaf zich met den schouder tegen den deurpost geleund, kruiste de armen op de borst en begon weder rustig zijne sigaar te rooken, in schijn onverschillig voor al wat er omging.De koelbloedigheid en fermiteit door den graaf de Lhorailles van het begin af aan den dag gelegd, had reeds goede vruchten gedragen; hij had een aantal harten onder zijne beste soldaten gewonnen; wel is waar durfden deze nog niet openlijk voor hun chef partij kiezen, maar ondersteunden toch met warmte het door hem gedane voorstel.»De kapitein heeft gelijk,” zeiden zij; »als wij zoo voortgaan hem allen te gelijk een hoop zotteklap in de ooren te toeten, is het niet mogelijk dat hij er een woord van begrijpt.”»Wat de kapitein eischt is niet meer dan billijk,” herhaalden anderen, »hoe kan hij ons recht doen als wij hem niet klaar en duidelijk uiteenzetten wat wij willen.”Het oproer had dus een grooten stap achterwaarts gedaan, het sprak reeds niet meer van het afzetten der officieren, maar bepaalde zich met aan den kapitein om recht te vragen.Eindelijk, na veel over en weder sprekens tusschen de muiters onderling, werd een van hen aangewezen om voor allen het woord te voeren.Dit individu, kort en gezet van gestalte, vierkant van schouders,[203]forsch gespierd van leden, met een schelmachtig gezicht, opgeluisterd door twee kleine grijze oogen, die fonkelden van list en kwaadaardigheid, kortom, een slecht sujet door en door,de type van een avonturier der laagste klasse bij wien alles zich oploste in moord en plundering.Deze man, bekend onder den naam van Curtius, was Parijzenaar van geboorte, een gewezen straatjongen uit de voorstad Saint-Marceau. Oud soldaat, oud matroos, kende hij alle vakken, behalve misschien dat van eerlijk man. Sedert zijne komst in de kolonie had hij zich steeds onderscheiden door zijne oproerigheid, brutaalheid en vooral door zijne pochende grootspraak. Hij beroemde zich dat hij acht dooden schuldig was, met andere woorden, dat hij acht maal een manslag had begaan. Onwillekeurig waren zijne kameraden bang voor hem.Toen zij hem hadden aangewezen om voor allen het woord te voeren, wierp hij met een vuiststoot zijn hoed op een oor en riep tegen zijne kameraden op schamperen toon:»Gij zult eens zien hoe ik dat varken zal wasschen!” en hiermede stapte de ploert half dansend, half sluipend naar den kapitein, die hem zag naderen en in het oog hield met een onbeschrijfelijken glimlach op de lippen.Plotseling was de woelige menigte doodstil geworden, alle harten klopten sterker, de aangezichten stonden angstig, ieder gevoelde werktuigelijk dat er iets buitengewoons en beslissends gebeuren zou.Toen Curtius den kapitein tot op twee passen genaderd was, bleef hij staan en nam hij zijn kommandant op van het hoofd tot de voeten op een alleronbeschaamdste manier.»Als ik het zeggen moet, kapitein,” begon hij, »is dit de zaak.…”De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een pistool uit zijn gordel. Bladz. 203.De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een pistool uit zijn gordel. Bladz. 203.De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een pistool uit zijn gordel, en schoot er hem mede door het hoofd.De bandiet rolde in het stof met een gebroken schedel.De graaf stak zijn revolver weder weg en keek koelbloedig rond.»Is er nog iemand die iets te zeggen heeft,” vroeg hij met eene ferme stem.Geen van hen durfde bijna te ademen, de bandieten waren op eens lammeren geworden.Zij bleven zwijgend staan voor hun chef als boetelingen voor hun meester; zij hadden hem begrepen.De graaf meesmuilde minachtend.»Neem dat kreng weg,” zeide hij terwijl hij met den voet tegen het lijk schopte, »wij zijn Dauph’yeers; wee! die de termen van ons contract durft schenden, ik dood hem als een hond; hangt dezen ellendeling op met de beenen aan een boom, dan mogen de gieren hem verslinden. Binnen tien minuten geef ik het sein om op te zitten, wee hem die niet gereed is!”[204]Na deze verpletterende toespraak ging de graaf weder in huis met denzelfden vasten tred als hij er uit was gekomen.Het oproer was gestild, de woeste bandieten hadden den ijzeren klauw gevoeld die onder den fluweelen handschoen verborgen zat, thans waren zij voor altijd getemd en zouden zij zich laten dooden zonder een klacht te durven uiten.»Het moet gezegd worden,” mompelden de soldaten onder elkander, »de kommandant is een ruwe gast, zijne oogen zullen niet licht overloopen.”Ieder haastte zich nu om voor het vertrek gereed te zijn.Tien minuten daarna, zoo als hij had aangekondigd, verscheen de kapitein weder; de kompagnie zat reeds in den zadel en stond in orde geschaard en gereed om op marsch te gaan.De kapitein glimlachte en gaf order om te vertrekken.»Hm!” bromde Cuchares in zich zelven, »’t is wel jammer dat don Martial zulke schoone diamanten heeft. Anders zou ik hem, na hetgeen ik hier gezien heb, gaarne zijn woord teruggeven.”Weldra was de gansche vrijkompagnie, met den kapitein aan het hoofd, verdwenen in de stofwolken van de woestijn del Norte.

De groote zandwoestijn del Norte is de Sahara van Amerika, misschien minder uitgestrekt, maar veel doodscher en akeliger dan die van Afrika.

Daar vindt men nog lachende oasen, door prachtige boomgroepen overschaduwd en door koele bronnen verfrischt. Maar in del Norte niets van dat alles. Onder een hemel als van geel koper strekken[195]zich onmetelijke vlakten uit van vaalgrijs zand, van horizont tot horizont, in iedere richting zand, niets dan zand; een fijn ontastbaar zand of veeleer fijn stof, dat de wind in groote wolken opjaagt, verplaatst en er mede voortwervelt, zoodat de gedaante der woestijn gedurig verandert en telkens nieuwe valleien gegraven en nieuwe heuvels worden opgehoopt, zoo vaak de ontzaglijkecordonazoer den mullen grond omwoelt.

Grauwe rotsen, met een schraal en verschroeid mos bedekt, steken hier en daar de kale kruinen omhoog te midden van dezen chaos, die sinds het uur der schepping nog niet van gedaante veranderd is.

De bison, de asshata, de snelle antilope ontvluchten deze woestijn, waar de mulle bodem hunne pooten weigert te dragen; de gieren alleen, met hun bloedig en loerend oog, vliegen bij troepen in dit onherbergzaam gewest om er een zeldzamen maar zekeren buit te zoeken; want deze woestenij is zoo vreeselijk, dat de Indianenzelvener zich niet dan sidderend in wagen en haar zoo snel mogelijkdoortrekken, wanneer zij naar hunne dorpen terug moeten na eenen rooftocht op Mexicaansch grondgebied; maar ondanks hunnen ongelooflijk snellen loop teekent zich hun spoor in eene onuitwischbare reeks van geraamten van muildieren en paarden, die zij bij gebrek aan voedsel verplicht zijn aan hun lot over te laten, en wier gebeente op den naakten bodem ligt te verbleeken en te verkalken, tot de van nieuws ontboeide storm het als met een doodskleed van zand bedekt.

En toch, als had de hand des Scheppers, gelijk overal, ook in de dorre woestijn hare zorgende almacht willen ten toon spreiden, ziet men, bij zeer groote tusschenruimten,—o wonderbare verschijning! half in het zand begraven, te midden der ordeloos daarheen geworpen rotsen, een krachtigen boom oprijzen, met vervaarlijk dikken stam, die wellicht den storm van 10 à 20 eeuwen heeft getrotseerd en wiens dicht gebladerte den matten reiziger onder zijne schaduw eenige rust schijnt te willen bieden.

Zulke boomen echter verlevendigen de doodelijke vlakte niet dan mijlen ver van elkander, en nooit of althans zeer zelden zal men er twee op dezelfde plaats bijeen vinden.

Deze patriarchen der woestijn, eerwaardig door ouderdom en majestueuze eenzaamheid, worden door de jagers en woudloopers op hoogen prijs gesteld, en door de Indianen schier afgodisch vereerd.

Doch wij herhalen het, behalve deze weinige mijlpalen, als onmerkbare stippen in de onmetelijke ruimte verloren, ziet men geen planten noch dieren in de gansche del Norte, niets dan zand, altoos zand.

DeCasa Grandevan Montecuzoma, waar in dezen oogenblik de vrijcompagnie van den graaf de Lhorailles gekantonneerd lag, verhief zich, en verheft zich waarschijnlijk thans nog, aan de uiterste grens der prairie, hoogstens twee mijlen van de zandwoestijn.[196]

De lijn van afscheiding tusschen deze twee gewesten is scherp en stout afgeteekend.

Aan de eene zijde eene weelderig rijke en door overvloed van sap en groeikracht gekenmerkte plantenwereld; vroolijk groenende vlakten, bedekt met hoog en dicht gras, waarop dieren van allerlei soort weide en voedsel vinden; het zingen der vogels, het geschuifel der slangen, het loeien der bisons, het gonzen van duizende insekten, in een woord, het groote, krachtige, bovenal lustig werkzame leven dat door al de poriën dezer gezegende natuur heendringt en ademt.

Aan de andere zijde eene eeuwige stilte des doods, een grauwe horizont, een oceaan van zand, welks onrustige golven van alle kanten voortdringen om de prairie te veroveren; maar geen struik of grashalm hoe gering ook, geen wortel, geen mos, niets dan stuivend zand!

In deCasa Grande, na zijn gesprek met Cuchares, had de graaf zijne officieren teruggeroepen, en zich weder met hen vereenigd in vroolijk gezwets, gedrink en gelach.

Eerst laat in den nacht stond men van tafel op om zich ter rust te begeven.

Cuchares alleen sliep niet, hij lag te denken. Wij weten reeds, nagenoeg althans, met welk doel hij den graaf in deCasa Grandewas komen bezoeken.

Met zonsopgang klonk de trompet voor de morgenwaak.

De soldaten rezen op van den bedauwden grond, waar zij geslapen hadden, rekten hunne stramme leden en haastten zich om de nachtkoude te verdrijven, door het verzorgen der paarden en het maken der noodige toebereidselen voor den ochtendmaaltijd.

Binnen weinige minuten had het kamp dien levendigen en vroolijken toon aangenomen, die alle soldaten en inzonderheid de Fransche kenmerkt wanneer zij te velde zijn getrokken.

In de ruime zaal derCasa Grandezaten de graaf en zijne luitenants op uitgedroogde bisonsschedels en hielden samen raad; de beraadslaging werd bijzonder levendig.

»Binnen een uur,” zei de graaf, »gaan wij weder op marsch, wij hebben twintig muildieren beladen met levensmiddelen, tien met drinkwater, en acht met oorlogsbehoeften; derhalve hebben wij niets te vreezen.”

»Dat is in zooverre waar,señorconde,” merkte de capataz aan, »maar.…”

»Wat bedoelt gij daarmede?”

»Wij hebben geen gidsen.”

»Wat zouden wij met gidsen doen?” riep de graaf driftig, »wij behoeven het spoor der Apachen slechts te volgen, dat is dunkt mij voldoende.”

Blas Vasquez schudde het hoofd.

»Gij kent de del Norte niet,señoria,” sprak hij ronduit.[197]

»Dat doe ik ook niet; het is de eerste maal dat de omstandigheden er mij heen voeren.”

»Gij moogt den hemel bidden dat het niet tevens de laatste zij.”

»Wat zegt gij daar?” riep de graaf inwendig huiverend.

»Heer graaf, de del Norte is geen wildernis maar een draaikolk van wielend zand; de minste windvlaag in deze doodsche vlakte jaagt het zand in wolken omhoog en verzwelgt menschen en paarden, zonder een spoor van hen over te laten; alles verdwijnt er en wordt voor eeuwig als onder een doodkleed van zand begraven.”

»Wel, wel!” riep de graaf nadenkend.

»Geloof mij, heer graaf,” vervolgde de capataz, »ik raad u stellig af u met uw dappere kompagnie in die onverbiddelijke woestijn te wagen; niemand van u zou er weder uitkomen.”

»Ondertusschen, de Apachen zijn ook menschen; zij zijn immers niets dapperder, noch beter gewapend dan wij?”

»Dat geef ik toe.”

»Welnu, en die trekken de del Norte wel door, van het noorden naar het zuiden en van het oosten naar het westen, en dat niet eens in het jaar maar tienmaal, ja zoo dikwijls het hun in den zin komt.”

»Weet gij tot welken prijs dit geschiedt, heer graaf? hebt gij de lijken geteld die zij langs den weg achterlaten, als treurige merkteekens waar zij geweest zijn? En buitendien, gij kunt u niet met de Roodhuiden gelijk stellen, voor wie de woestijn geene geheimen meer heeft, zij kennen haar in volle lengte en breedte.”

»Dus beweert gij,” riep de graaf ongeduldig, »dat.…”

»Dat de Apachen door u herwaarts te lokken en door u twee dagen geleden aan te vallen, u een strik zoeken te spannen; zij willen u verleiden om hen in de woestijn te volgen, wel verzekerd niet alleen dat gij hen nooit zult inhalen, maar dat gij en al uw volk er uw gebeente zult laten.”

»Gij zult mij intusschen moeten toestemmen, mijn waarde don Blas, dat het al zeer vreemd zou zijn, als er van al uwe peons geen enkele te vinden was die ons door de woestijn den weg kan wijzen. Wat duivel! het zijn toch Mexicanen.”

»Jaseñoria, maar ik heb naar ik meen reeds meermalen de eer gehad u te doen opmerken, dat al deze lieden costenos, dat wil zeggen kustbewoners zijn, die vroeger nooit zoo diep in het binnenland zijn gedrongen.”

»Wat moeten wij dan doen?” riep de graaf weifelend.

»Naar de kolonie terugkeeren,” hernam de capataz; »ik zie er niets anders op.”

»En don Sylva dan endoñaAnita, moeten wij die maar laten varen?”

Blas Vasquez fronste de wenkbrauwen, zijn gelaat betrok zichtbaar, terwijl hij met een bewogen stem en op ernstigen toon antwoordde:[198]

»Señoria, ik ben op het erf van de familie de Torres geboren, niemand kan sterker met lijf en ziel aan de beide door u genoemde personen verknocht zijn, dan ik. Maar niemand is tot het onmogelijke verplicht. De woestijn in te trekken, onder zulke omstandigheden als waarin wij ons bevinden, zou zijn God te verzoeken; wij mogen op geen wonderen rekenen en een wonderwerk alleen zou ons kunnen redden.”

Er volgde een poos stilte, de woorden van den eerlijken capataz hadden op den graaf een indruk gemaakt, dien hij te vergeefs zocht meester te worden.

De lepero bemerkte zijne aarzeling en trad terstond naderbij.

»Waarom,” vroeg hij op fleemenden toon, »hebt gij mij niet gezegd dat gij een gids noodig hadt,señorconde?”

»Waarom zou ik u dat gezegd hebben?”

»’t Is waar ook, het was eigenlijk niet noodig, daar ik mij reeds als gids verbonden had om u naar don Sylva te geleiden, dat waart gij zeker vergeten.”

»Weetgijdan den weg?”

»Ja! ten minste zoo goed als iemand hem kennen kan die hem slechts tweemaal gegaan is.”

»Vive Dios!” riep de graaf, »dan kunnen wij voorwaarts en er is geen reden meer om ons langer op te houden.”

»Diego Leon, laat onmiddellijk in den zadel blazen, en gij, mijn brave kameraad, wees onze gids, gij zult ondervinden dat ik niet ondankbaar ben.”

»O,Señorconde, gij kunt u gerust op mij verlaten,” antwoordde de lepero met een dubbelzinnigen lach, »ik verzeker u dat ik u brengen zal waar gij wezen moet.”

»Dat is al wat ik van u verlang.”

Blas Vasquez, met het gewone instinkt van wantrouwen dat alle eerlijke zielen is aangeboren en terstond spreekt wanneer zij met slechte karakters in aanraking komen, gevoelde voor den lepero onwillekeurig een onverwinnelijken afkeer. Deze afkeer bezielde hem reeds van het eerste oogenblik dat Cuchares den vorigen avond in de zaal verscheen. Hij hield hem dus scherp in ’t oog terwijl hij met den graaf de Lhorailles sprak, en zoodra de lepero zweeg gaf hij den graaf een wenk. Deze kwam ongemerkt naar hem toe.

De capataz ging met hem naar een afgelegen hoek der zaal en fluisterde hem in ’t oor:

»Wees op uwe hoede, kapitein, die kerel bedriegt u.”

»Weet gij dat zeker?”

»Neen, maar ik ben er van overtuigd.”

»Hoe dat?”

»Eene inwendige stem zegt het mij.”

»Hebt gij er het bewijs voor?”

»Geen het minste.”[199]

»Loop heen dan, gij zijt dwaas, de vrees benevelt uw verstand.”

»De hemel geve dat ik mij niet bedrieg!”

»Hoor eens, vriend, gij zijt niet verplicht ons te volgen. Blijf hier gerust op ons wachten, dan kunt gij de gevaren ontgaan die gij meent dat ons bedreigen.”

De capataz richtte zich fier op in zijne volle lengte, en zei met een blik vol majesteit maar zoo koel en bedaard mogelijk:

»Het is genoeg, donGaëtan. Ik heb het mijne gedaan door u te waarschuwen zooals mijn geweten dat gebood. Gij wilt mijn raad niet aannemen, dat staat u vrij, ik heb mijn plicht naar behooren gedaan. Gij wilt voorwaarts trekken; ik zal u volgen en hoop u weldra te bewijzen, dat terwijl ik voorzichtig was, ik tevens wanneer het wezen moet zoo dapper ben als de dapperste.”

»Ik zeg u dank,” antwoordde de graaf, hem met warmte de hand drukkende, »ik dacht wel dat gij mij niet verlaten zoudt.”

Op dit oogenblik verhief zich buiten de zaal een geweldig leven, en stormde de luitenant Diego Leon driftig de zaal binnen.

»Wat is dat, luitenant?” vroeg hem de graaf gestreng, »hoe zijt gij zoo verschrikt en waarom komt gij zoo onstuimig binnen?”

»Kapitein,” antwoordde de luitenant met eene hijgende stem, »de kompagnie is in opstand.”

»Wat! wat zegt gij daar, luitenant, zijn mijne ruiters oproerig?”

»Ja, kapitein.”

»Ha!” riep hij op zijn knevel bijtende, »en waarom zijn zij oproerig, als ik verzoeken mag?”

»Omdat zij de woestijn niet in willen.”

»Willen zij niet,” herhaalde de graaf met nadruk op ieder syllabe, »weet gij wel zeker wat gij daar zegt, luitenant?”

»Ik zweer het u, kapitein, hoor maar hoe zij te werk gaan.”

Werkelijk hoorde men daar buiten vloeken, razen en tieren en werd het rumoer met ieder oogenblik sterker zoo dat het eindelijk hoogst bedenkelijk scheen.

»O ho! dat wordt dunkt mij ernstig,” hervatte donGaëtan.

»Ernstiger dan gij denkt, kapitein; ik zweer u, de gansche kompagnie slaat aan ’t muiten, de rebellen hebben hunne geweren geladen, zij omsingelen het huis en doen niets dan schreeuwen en dreigen, zij zeggen dat zij u spreken willen en zweren dat zij goedschiks of kwaadschiks verkrijgen zullen wat zij verlangen.”

»Dat zou ik wel eens zien willen,” zei de graaf altoos bedaard terwijl hij reeds naar de deur trad.

»Blijf hier, kapitein!” riepen de officieren hem vooruitsnellend om hem tegen te houden; »de manschappen kennen zich zelven niet, het zou u een ongeluk kunnen kosten.”

»Loop heen, mijne heeren!” antwoordde hij, hen met een koelzinnigen wenk terugwijzend, »gij zijt dwaas: zij kennen mij nog niet, ik zal die bandieten toonen dat ik waard ben hen te kommandeeren.”[200]

Zonder naar verdere afmaning te hooren, trad hij bedaard en met fermen tred de zaal door en naar buiten.

Wat er gebeurd was laten wij hier volgen.

De peons van Blas Vasquez hadden sedert de laatste dagen, terwijl zij met de kompagnie van donGaëtanin de ruïnen bivakkeerden, aan de Franschen, niet zonder de noodige overdrijving, allerlei sombere en akelige historie’s nopens de woestijn del Norte verteld en over dit verwenscht gewest bijzonderheden aan ’t licht gebracht, die wel in staat waren om den stoutsten het haar te doen stoppelen. Ongelukkigerwijs kampeerde de kompagnie zoo als wij reeds gezegd hebben nauwelijks twee mijlen ver van de del Norte; zoo dat bij het maken van kleine uitstappen, de sombere aanblik der woestijn aan de akelige voorstelling die hun door de peons gegeven was niet weinig kracht bijzette.

Al de soldaten van den graaf de Lhorailles waren fransche Dauph’yeers, meerendeels lieden zonder eer of geweten, onverlaten door merg en been, maar dapper en, even als alle andere Franschen, gemakkelijk op te winden of op te ruien en even gereed ten kwade als ten goede. Sedert zij zich onder het kommando van den graaf de Lhorailles bevonden, had hij hen bij meer dan eene gelegenheid onversaagd tegen den vijand zien aanrukken, en toch gehoorzaamden zij hem niet dan met zekeren weerzin.

De graaf de Lhorailles bezat in hun oog groote gebreken: vooreerst dat hij graaf, ten tweede dat hij te beschaafd was, zijne stem was hun te zacht, zijne manieren waren te kiesch en te verwijfd; zij konden zich niet verbeelden dat zulk een fijn edelman, zoo keurig gekleed, gedast en gehandschoend in staat was hen groote dingen te doen uitrichten, zij hadden liever een kommandant gezien van krachtigen bouw, ruwe stem, en brutale manieren, met wien zij alzoo meer op zekeren voet van gelijkheid stonden.

Vroeg in den morgen was onder hen het gerucht verspreid, dat het kamp zou worden opgebroken en dat de kompagnie met allen spoed de woestijn zou intrekken om de Apachen te vervolgen.

Reeds dadelijk waren er samenscholingen gevormd, scherpe aanmerkingen gemaakt en de hoofden warm geworden; weldra begon de weêrstand zich in stilte te organiseeren, en toen de luitenant Diego Leon werkelijk order kwam brengen om het kamp op te breken werd hij met gelach, gefluit en spotternij ontvangen, men had hem zotte vragen gedaan en beschimpt, kortom hij zag zich eindelijk genoodzaakt voor de onlusten en opschudding te wijken en naar den kapitein terug te keeren, om van den verkeerden loop der zaken verslag te doen.

In zulke omstandigheden zijne kalmte of zelfbeheersching te verliezen of voor het oproer plaats te ruimen, is het grootste gebrek dat een officier bezitten kan: hij moet zich desnoods liever laten dooden dan een duim breed uit den weg te gaan.[201]

Bij oproer voert de eerste inwilliging gereedelijk tot meerdere en dan moet onvermijdelijk het volgende gebeuren: dat de rebellen hun eigen sterkte beginnen op te nemen en tegelijkertijd hunne officieren gaan schatten; zij gevoelen welk een overwicht de brutale kracht hen voor het oogenblik reeds geeft en maken onmiddellijk misbruik van de zwakheid of werkeloosheid hunner chefs, niet om een eenvoudige wijziging ten gunste hunner grieven te bewerken maar veeleer om een radicale verandering te vorderen.

Dit was ook werkelijk hier het geval: nauwelijks had de luitenant zich verwijderd, of men beschouwde zijn vertrek reeds als een overwinning. De soldaten begonnen voort te redeneeren, onder opruiing, zoo als gewoonlijk, door diegenen onder hen, die het vlugste babbelen of het hardste schreeuwen konden; het was nu niet langer weigeren om de woestijn in te trekken, maar men zou andere officieren benoemen en dadelijk naar de kolonie terugkeeren; de geheele staf moest worden veranderd, en de officieren gekozen bij stemming, door de soldaten zelf, en vooral dezulken die bij hunne kameraden het meeste vertrouwen genoten, dat is, vaak de meest partijdige, waanwijze en verwardste stijfhoofden.

De gisting had thans haar hoogste punt bereikt: de soldaten zwaaiden woest met de wapens, en voeren uit in de grofste bedreigingen tegen den graaf en zijne luitenants.

Op eens ging de deur derCasa Grandeopen en de graaf trad naar buiten.

Hij was bleek maar kalm, en liet zijn vasten blik rondgaan over de muitende menigte, die om hem heen tierde en bulderde.

»De kapitein! daar is de kapitein!” riepen eenigen der soldaten.

»Laten wij hem een kop kleiner maken!” riepen anderen.

»Weg met hem! dood hem!” brulden sommigen.

Allen stormden met blanke wapens en onder het uitbraken van dreigementen en verwenschingen op hem af.

De graaf deinsde niet terug, integendeel deed hij een stap vooruit.

Hij had een fijnesigaarvan maïsstroo in den mond en rookte met al de regelmatigheid van een saletjonker die gereed is zijn middagslaapje te doen.

Er is niets dat de oproerige massa meer ontzag inboezemt dan koelbloedigheid en moed zonder praalvertooning.

Er volgde een tempo in den opstand.

De muitende menigte kwam voor een oogenblik tot staan.

De kapitein en zijne soldaten beschouwden elkander als twee tijgers, die hunne wederzijdsche krachten meten, alvorens den sprong te wagen om elkander te verscheuren.

De graaf maakte zich het oogenblik der door hem te weeg gebrachte stilte ten nutte om het woord te nemen.

»Wat wilt gij?” vroeg hij met een kalme stem, terwijl hij bedaard[202]de sigaar uit zijn mond nam, en met helderen blik het blauwe rookzuiltje volgde dat krullend omhoog steeg.

Bij deze vraag van hun kapitein was de eerste indruk der begoocheling gebroken; het geschreeuw en getier begon met verdubbelde woede, de muiters waren over zich zelven verontwaardigd dat zij zich een oogenblik door de ferme houding van den kapitein hadden laten beteugelen.

Allen spraken te gelijk; zij bestormden den graaf aan alle kanten, trokken hem links en rechts, om het eerst gehoor te krijgen.

Ingesloten, gedrongen, gesleurd door zoo vele kerels, die alle krijgstucht vergetende zich zeker waanden van straffeloosheid, in een land waar geen openbare gerechtigheid bestaat anders dan in naam, verloor de graaf nochtans zijne zelfstandigheid niet en bleef zijne koelbloedigheid zich volkomen gelijk.

Hij liet de soldaten eenige minuten met vlammende blikken en schuimende lippen naar hartelust schreeuwen en uitrazen; eerst toen hij dacht dat het lang genoeg had geduurd hervatte hij met een even kalme en bedaarde stem als den vorigen keer:

»Mijne vrienden, ’t is niet mogelijk om langer op deze wijs gesprek te voeren; ik begrijp geen woord van al wat gij zegt. Laat een uwer kameraden zich belasten met mij uit aller naam uwe grieven voor te stellen; en indien ik ze billijk en gegrond vind zal ik er recht op doen, weest daarvan verzekerd.”

Na deze woorden luid en krachtig te hebben uitgesproken, plaatste de graaf zich met den schouder tegen den deurpost geleund, kruiste de armen op de borst en begon weder rustig zijne sigaar te rooken, in schijn onverschillig voor al wat er omging.

De koelbloedigheid en fermiteit door den graaf de Lhorailles van het begin af aan den dag gelegd, had reeds goede vruchten gedragen; hij had een aantal harten onder zijne beste soldaten gewonnen; wel is waar durfden deze nog niet openlijk voor hun chef partij kiezen, maar ondersteunden toch met warmte het door hem gedane voorstel.

»De kapitein heeft gelijk,” zeiden zij; »als wij zoo voortgaan hem allen te gelijk een hoop zotteklap in de ooren te toeten, is het niet mogelijk dat hij er een woord van begrijpt.”

»Wat de kapitein eischt is niet meer dan billijk,” herhaalden anderen, »hoe kan hij ons recht doen als wij hem niet klaar en duidelijk uiteenzetten wat wij willen.”

Het oproer had dus een grooten stap achterwaarts gedaan, het sprak reeds niet meer van het afzetten der officieren, maar bepaalde zich met aan den kapitein om recht te vragen.

Eindelijk, na veel over en weder sprekens tusschen de muiters onderling, werd een van hen aangewezen om voor allen het woord te voeren.

Dit individu, kort en gezet van gestalte, vierkant van schouders,[203]forsch gespierd van leden, met een schelmachtig gezicht, opgeluisterd door twee kleine grijze oogen, die fonkelden van list en kwaadaardigheid, kortom, een slecht sujet door en door,de type van een avonturier der laagste klasse bij wien alles zich oploste in moord en plundering.

Deze man, bekend onder den naam van Curtius, was Parijzenaar van geboorte, een gewezen straatjongen uit de voorstad Saint-Marceau. Oud soldaat, oud matroos, kende hij alle vakken, behalve misschien dat van eerlijk man. Sedert zijne komst in de kolonie had hij zich steeds onderscheiden door zijne oproerigheid, brutaalheid en vooral door zijne pochende grootspraak. Hij beroemde zich dat hij acht dooden schuldig was, met andere woorden, dat hij acht maal een manslag had begaan. Onwillekeurig waren zijne kameraden bang voor hem.

Toen zij hem hadden aangewezen om voor allen het woord te voeren, wierp hij met een vuiststoot zijn hoed op een oor en riep tegen zijne kameraden op schamperen toon:

»Gij zult eens zien hoe ik dat varken zal wasschen!” en hiermede stapte de ploert half dansend, half sluipend naar den kapitein, die hem zag naderen en in het oog hield met een onbeschrijfelijken glimlach op de lippen.

Plotseling was de woelige menigte doodstil geworden, alle harten klopten sterker, de aangezichten stonden angstig, ieder gevoelde werktuigelijk dat er iets buitengewoons en beslissends gebeuren zou.

Toen Curtius den kapitein tot op twee passen genaderd was, bleef hij staan en nam hij zijn kommandant op van het hoofd tot de voeten op een alleronbeschaamdste manier.

»Als ik het zeggen moet, kapitein,” begon hij, »is dit de zaak.…”

De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een pistool uit zijn gordel. Bladz. 203.De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een pistool uit zijn gordel. Bladz. 203.

De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een pistool uit zijn gordel. Bladz. 203.

De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een pistool uit zijn gordel, en schoot er hem mede door het hoofd.

De bandiet rolde in het stof met een gebroken schedel.

De graaf stak zijn revolver weder weg en keek koelbloedig rond.

»Is er nog iemand die iets te zeggen heeft,” vroeg hij met eene ferme stem.

Geen van hen durfde bijna te ademen, de bandieten waren op eens lammeren geworden.

Zij bleven zwijgend staan voor hun chef als boetelingen voor hun meester; zij hadden hem begrepen.

De graaf meesmuilde minachtend.

»Neem dat kreng weg,” zeide hij terwijl hij met den voet tegen het lijk schopte, »wij zijn Dauph’yeers; wee! die de termen van ons contract durft schenden, ik dood hem als een hond; hangt dezen ellendeling op met de beenen aan een boom, dan mogen de gieren hem verslinden. Binnen tien minuten geef ik het sein om op te zitten, wee hem die niet gereed is!”[204]

Na deze verpletterende toespraak ging de graaf weder in huis met denzelfden vasten tred als hij er uit was gekomen.

Het oproer was gestild, de woeste bandieten hadden den ijzeren klauw gevoeld die onder den fluweelen handschoen verborgen zat, thans waren zij voor altijd getemd en zouden zij zich laten dooden zonder een klacht te durven uiten.

»Het moet gezegd worden,” mompelden de soldaten onder elkander, »de kommandant is een ruwe gast, zijne oogen zullen niet licht overloopen.”

Ieder haastte zich nu om voor het vertrek gereed te zijn.

Tien minuten daarna, zoo als hij had aangekondigd, verscheen de kapitein weder; de kompagnie zat reeds in den zadel en stond in orde geschaard en gereed om op marsch te gaan.

De kapitein glimlachte en gaf order om te vertrekken.

»Hm!” bromde Cuchares in zich zelven, »’t is wel jammer dat don Martial zulke schoone diamanten heeft. Anders zou ik hem, na hetgeen ik hier gezien heb, gaarne zijn woord teruggeven.”

Weldra was de gansche vrijkompagnie, met den kapitein aan het hoofd, verdwenen in de stofwolken van de woestijn del Norte.


Back to IndexNext