XVI.

[Inhoud]XVI.DE CASA GRANDE DE MONTECUZOMA.In een verwijderd tijdperk, misschien duizend en meer jaren geleden, toen de aloude Azteken, als door eene onzichtbare hand geleid, zonder bijna zelf te weten waarheen, uit het verre noorden zuidwaarts trokken, naar de hooge bergvlakte van Anahuac, waar zij later het machtige rijk van Mexico hebben gesticht, hielden zij wel is waar dat onbekende zoo vurig door hen begeerde land standvastig in ’t oog, maar vonden zij nu en dan goed hunnen tocht te staken, alsof zij door vermoeienis en ontberingen uitgeput op eens de hoop lieten varen het doel hunner reis immer te zullen bereiken.[156]Alsdan, in plaats van op de plek waar deze vermoeidheid hen overviel eenvoudig hun kamp op te slaan, vestigden zij er zich als hadden zij geen plan meer om verder te trekken en bouwden er vaak steden en dorpen.Thans, na verloop van zoo vele eeuwen, terwijl het volk zelf dat deze steden heeft gesticht reeds sedert lang van den aardbodem verdwenen is, wekken hare bouwvallen, die over eene ruimte van meer dan duizend mijlen verspreid liggen, nog altijd de bewondering van den vermetelen reiziger die trots talloozegevarenhet waagt deze afgelegen streken te bezoeken.Een der merkwaardigste van deze bouwvallen is ontegenzeggelijk die, welke bekend onder den naam van deCasa Grande de Montecuzomazich op ongeveer twee kilometers afstand van de slijkerige oevers derRio Gilaverheft, in eene woeste onherbergzame streek, aan de grens der vreeselijke zandwoestijn, de zoogenaamde del Norta.De grond waarop dit gebouw werd gesticht, is aan alle zijden open en vlak.De ruïnen der stad, die er om heen liggen, strekken zich zuidwaarts meer dan vier kilometers ver uit, en in de overige richtingen is het terrein allerwege met gebroken aardewerk van allerlei soort: vazen, kannen, borden enz. als bezaaid; eene menigte dezer scherven zijn met verschillende kleuren beschilderd, hetzij wit en blauw, of geel en rood, hetgeen in ’t voorbijgaan gezegd, duidelijk bewijst niet alleen dat die stad in zekere mate beschaafd was, maar tevens dat zij bewoond werd door Indianen van gansch ander ras dan die welke thans in deze streken rondzwerven, bij welke de kunst van pottenbakken geheel onbekend is.De Casa Grande vormt een langwerpig vierkant, juist in de richting der vier hoofdstreken van het kompas.Het geheel is omgeven door een muur, die niet alleen dit huis maar ook andere gebouwen insluit, waarvan nog duidelijke sporen zijn overgebleven, want achter het hoofdgebouw ligt eene ruïne van eene verdieping hoog en in verscheidene kamers verdeeld.De Casa Grande is deels van aarde gebouwd en de muren zoo veel men zien kan van pleisterklei, in blokken van verschillende grootte: zij schijnt drie verdiepingen te hebben gehad boven den grond, maar de inwendige betimmering is sedert lang verdwenen.De zalen, vijf in getal op elke verdieping, werden, althans naar de overblijfsels te oordeelen, alleen verlicht door de deur en eenige ronde gaten in de muren die op het oosten en westen uitzien.Door deze openingen keek, volgens de overlevering, de mensch Amer—el hombre Amargo—zoo als de Indianen den souverein der Azteken noemen, naar de zon uit, om haar des morgens en des avonds bij op- en ondergang te begroeten.Een kanaal, dat thans bijna geheel droog ligt, stond in verband met de rivier en diende om de stad van water te voorzien.[157]De bouwvallen der Casa Grande liggen doorgaans eenzaam en verlaten en bieden een tooneel van akelige doodstilte. Zij brokkelen langzamerhand weg voor den gloed der tropische zon die ze verteert en verkoolt, en strekken tot een ongestoord verblijf voor afschuwelijke roofvogels, gieren en urubus.De Indiaan vermijdt met opzet deze sombere streek te bezoeken, afgeschrikt door zekere bijgeloovige vrees, daar hij zich geen reden van weet te geven.Maar wat hier ook van wezen mag, zooveel is zeker, dat een Indiaansch krijgsman, Comanch, Sioux, Apache, of Pawnie, wanneer hij toevallig hetzij op de jacht of door eenige andere aanleiding, in den nacht van den vierden op den vijfden der zoogenaamdeChampasciasoni—kersenmaan—dat is ongeveer eene maand na de boven door ons verhaalde gebeurtenissen, deze geheimzinnige ruïne genaderd ware, hij ongetwijfeld door schrik overstelpt, zoo snel als zijn paard hem dragen kon het vreemde schouwspel zou ontvloden hebben dat hij er in dien nacht te zien kreeg.Verbeeldt u een helder blauwen, door de volle maan verlichten en met sterren bezaaiden hemel, waartegen het aloude paleis der Azteken koningen zijn reusachtige schaduw scherp afteekende. Uit al de gaten en scheuren, hetzij door de hand des tijds of der menschen in zijne vervallen muren ontstaan, straalt een gloed van roodachtig licht, terwijl uit de spookachtig verlichte kamers het luidruchtig gezang, geschreeuw en gelach onophoudelijk opgaat, zoodat de wilde dieren, door het ongewone verschijnsel uit hunne holen opgeschrikt of op hunne nachtelijke rooftochten gestoord, huilend en brullend in alle richtingen de vlucht nemen. Binnen den ringmuur, tusschen de bouwvallen, zag men in het bleeke maanlicht eene menigte donkere gestalten van menschen en paarden zich bewegen, of rondom groote hier en daar verspreide vuren gegroepeerd, terwijl een tiental welgewapende ruiters, op lange lansen geleund, als bronzen standbeelden onbeweeglijk voor de poorten van den ringmuur op post stonden.Was het inwendige der ruïne licht en leven, daar buiten was alles stilte en duisternis.Intusschen verliep de nacht, de maan had haar loop reeds voor twee derden volbracht, de niet langer aangehouden vuren gingen het een na het andere uit; alleen in het oude huis bleef het licht branden als een sombere vuurbaak in de duisternis.Op dit oogenblik hoorde men in de verte den snellen en regelmatigen galop van een paard op de zandvlakte dof weergalmen.De schildwachts, die als vedetten aan den ingang stonden, hieven hunne door slaap bezwaarde of door de koelheid der eerste morgenuren bevangen hoofden op en wendden den blik naar dien kant waar het gedruischvandaankwam.Weldra verscheen er een ruiter aan den hoek van het pad dat naar de ruïne leidde.[158]De onbekende, zonder zich om het vreemde schouwspel te bekommeren, reed recht op het huis aan.Hij overschreed den buitenstenkringder bouwvallen en ongeveer binnen tien passen de schildwachts genaderd, bleef hij staan, steeg af, wierp de teugels op den hals van zijn paard, en zonder er zich verder mede op te houden stapte hij met een vasten tred naar de schildwachts, die altijd stom en roerloos stonden.Nauwelijks echter was hij hen tot op twee sabellengten genaderd, of al de lansen daalden tegelijk en vereenigden zich op zijne borst, terwijl een ruwe stem riep:»Halt!”De onbekende bleef staan zonder te antwoorden.»Wie zijt gij? en wat wilt gij?” hervatte de schildwacht.»Ik ben eencosteno1; ik heb een verre reis gemaakt om uw chef te zien, dien ik gaarne zou willen spreken,” antwoordde de onbekende.In het flauwe en onzekere maanlicht was het den ruiter reeds moeielijk de trekken van den spreker te onderscheiden, maar het werd hem geheel onmogelijk gemaakt door dat deze zich tot over de ooren in zijn mantel had gewikkeld.»Hoe is uw naam?” vroeg hij hem wrevelig, toen hij zag dat al zijne pogingen vruchteloos bleven.»Waar zou dat toe dienen? Uw chef kent mij niet, mijn naam zou hem dus weinig baten.”»Wie weet? maar dat is uwe zaak; bewaar uw incognito als gij dat goedvindt; alleen moet gij u dan getroosten dat ik u niet bij den kapitein toelaat; hij zit op dit oogenblik met zijne officieren aan het souper en zal zich dus zoo diep in den nacht niet laten storen om een onbekende te spreken.”»Wie weet? zeg ik u op mijne beurt,” hernam de andere gevat; »hoor eens, gij zijt een oud soldaat, niet waar?”»Ik ben het nog,” antwoordde de kavalerist, zich fier in den zadel zettende.»Ofschoon gij zeer goed Spaansch spreekt, meen ik toch een Franschman te herkennen.”»Ik heb de eer het te zijn.”De onbekende lachte in zijn vuist. Hij gevoelde zijn man beet te hebben, daar hij zijne zwakke zijde gevonden had.»Ik ben alleen,” hervatte hij; »gij zijt ik weet niet met hoevele kameraden, laat mij den kapitein spreken; waar zoudt gij voor vreezen?”»Voor niets; maar mijne orders zijn stellig, ik kan ze niet breken.”»Wij zijn hier in het hartje van de wildernis, meer dan honderd mijlen ver van iedere beschaafde woning,” zei de onbekende volhoudend; »gij kunt wel begrijpen dat ik ernstige drangredenen gehad[159]heb om de gevaren van zulk een verren tocht te trotseeren, voor een onderhoud van weinige oogenblikken met den graaf de Lhorailles. Zoudt gij mij nu in het gezicht der haven laten schipbreuk lijden, nu er slechts een weinig beleefdheid van uwen kant noodig is om mij het beoogde doel te doen bereiken?”De schildwacht aarzelde: de redenen door den onbekende aangevoerd hadden hem reeds half overtuigd, maar na eenigesecondenberaad antwoordde hij hoofdschuddend:»Neen, ’t kan onmogelijk; de kapitein is zoo streng: ik zou niet gaarne mijne wachtmeestersstrepen verbeuren; al wat ik voor u kan doen, is u verlof geven, hier met de kameraden onder den blauwen hemel te kampeeren tot morgen. Zoodra de dag aanbreekt, komt de kapitein zelf naar buiten, dien kunt gij dan zelf spreken en uw eigen zaken met hem regelen, dan gaat het mij niet meer aan.”»Hm!” zei de vreemdeling, »dat is nog zoo lang.”»Bah!” riep de wachtmeester onbekommerd, »de nacht is spoedig voorbij; daarbij is het uw eigen schuld; gij hebt zulke geheimzinnige manieren, dat men wel een beetje huiverig zou worden; wat duivel! men dient toch zijn naam te zeggen.”»Maar ik herhaal u, dat uw kapitein hem nooit heeft hooren noemen.”»Bah! wat kan u dat schelen? Een naam is altijd een naam.”»Wacht!” riep de onbekende; »ik geloof dat ik er een middel op gevonden heb.”»Laat hooren uw middel; als het goed is zal ik er gebruik van maken.”»’t Is uitmuntend,”»Zooveel te beter! spreek op.”»Zeg aan uw kapitein, dat de man die een maand geleden in de Rancho te Guaymas een pistool op hem gelost heeft, hier is en hem verlangt te spreken.”»Wat zegt gij?”»Hebt gij mij niet verstaan?”»Integendeel, al te goed.”»Welnu, waar wacht gij dan op?”»Te duivel! onder ons gezegd, vind ik uwe aanbeveling alles behalve voldoende.”»Zoudt gij dat denken?”»Parbleu! het scheelde maar weinig of hij was toen door u vermoord. Ei, ei! waart gij dat?”»Ja, ik, en nog iemand.”»Ik maak u mijn kompliment, waarlijk.”»Dank u; nu, gaat gij nog al niet?”»Ik moet u bekennen dat ik aarzel.”»Gij doet verkeerd; de graaf de Lhorailles is een kordaat man, aan wiens gevoel van eer niet te twijfelen valt. Hij kan onze ontmoeting niet anders dan in gunstig aandenken hebben gehouden.”»Alles wel overwogen is het mogelijk dat gij gelijk hebt, en[160]daar gij een vreemdeling zijt, zou ik het mij zelven kwalijk nemen als ik u zulk een kleinen dienst weigerde; ik ga dus. Blijf hier staan wachten, maar wees niet ongeduldig, want ik beloof u niet stellig dat ik slagen zal.”»Ik ben er zeker van.”»Ik mag het lijden.”De oude knevelbaard steeg af, haalde de schouders op en stapte het huis in.Hij bleef vrij lang weg.De vreemdeling scheen aan het gelukken van zijne boodschap niet te twijfelen, want zoodra de wachtmeester verdwenen was, naderde hij de deur reeds.Na verloop van tien minuten kwam de onderofficier terug.»Wel,” vroeg de onbekende, »wat heeft de kapitein u geantwoord?”»Hij heeft gelachen en mij gelast u binnen te leiden.”»Ziet gij nu wel dat ik gelijk had.”»’t Is waar! maar dat doet er niet toe, het was altijd een wonderlijk soort van aanbeveling, eene poging tot moord!”»Een eerlijke ontmoeting,” verbeterde de onbekende.»Ik weet niet hoe gij die dingen hier noemt, maar in Frankrijk noemen wij zoo iets een schelmstuk. Wilt gij medegaan?”De vreemdeling antwoordde niet, hij bepaalde zich bij schouder ophalen en volgde den eerlijken soldaat.In een verbazend ruime zaal, welker ontkalkte muren in puin dreigden te storten terwijl het blauwe sterrendak haar tot zoldering diende, zaten vier mannen met krachtige gelaatstrekken en fonkelende blikken, rondom eene tafel, waarop een luisterrijk souper was aangericht, voorzien van alles wat weelde en gemak tot streeling der zinnen kan opleveren.Deze vier mannen waren de graaf de Lhorailles en de officieren van zijn staf, namelijk de luitenants Diego Leon, Martin Leroux, en de oude capataz van don Sylva de Torres, Blas Vasquez.De graaf de Lhorailles kampeerde met zijne vrijcompagnie sinds vijf dagen in deCasa Grandevan Montecuzoma.Na den aanval der Apachen op de kolonie had de graaf, in de hoop van zijne bruid terug te vinden, die op zoo geheimzinnige wijze gedurende het gevecht verdwenen en waarschijnlijk door de Indianen was opgelicht, onmiddellijk besloten om den last te volbrengen dien hij sedert lang van de regeering ontvangen en tot hiertoe had uitgesteld, onder min of meer geldige voorwendsels, maar eigenlijk omdat hij zich, hoe dapper hij anders wezen mocht, ongaarne met de Roodhuiden wilde meten, die zoo geducht en zoo moeielijk te overwinnen zijn, vooral als men ze op hun eigen grondgebied aantast.De graaf had twee honderd twintig Franschen uit de kolonie vereenigd, waarbij de capataz, die almede brandde van verlangen om[161]zijn meester en diens dochter te bevrijden, dertig kloeke peons voegde, zoodat de getalsterkte thans twee honderdvijftig welgewapende en strijdlustige mannen bedroeg.Met het oog op de onberekenbare diensten vroeger door hen bewezen, had de graaf de drie jagers verzocht hem te willen vergezellen; en het zou hem zeer aangenaam zijn geweest zulke onverschrokken kameraden, maar vooral zulke veilige gidsen tot opsporing der Indianen in de hem onbekende wildernis bij zich te hebben; maar don Louis en zijne twee vrienden hadden dit vereerend verzoek zoowel als de daarbij toegezegde schitterende belooningen stellig van de hand gewezen, zonder andere redenen voor hunne weigering op te geven dan dat zij hunne reis noodzakelijk moesten vervolgen, zoodat er niet verder van gesproken werd en zij nog denzelfden dag van den graaf afscheid namen.Diensvolgens moest de graaf zich met den capataz en zijne peons vergenoegen; ongelukkigerwijs waren al deze mannencostenos, dat is kustbewoners, en dus weinig of in ’t geheel niet bekend met het zoogenoemdeterra a dentroof binnenland.Onder geleide dezer onervaren gidsen was de graaf uit Guetzalli vertrokken den weg inslaande naar het onmetelijk Apacheria.De onderneming was aanvankelijk niet ongelukkig geweest; binnen de drie eerste dagen werden de Apachen tweemaal door de Franschen achterhaald, overrompeld en geslagen en zonder genade zooveel zij onder hun bereik kwamen in de pan gehakt.De graaf had daarbij geen gevangenen willen maken, en om den barbaren schrik in te boezemen, al de Indianen die levend in handen der Franschen vielen, onbarmhartig laten doodschieten of aan boomen ophangen.Evenwel, na deze twee voor hen zoo noodlottige ontmoetingen hadden de Indianen er zoo ’t scheen den schrik van gekregen, en was het den Franschen ondanks al hunne pogingen niet gelukt hen andermaal tot staan te brengen. De onverbiddelijke tucht door den graaf op hen toegepast scheen niet alleen doel te hebben getroffen, maar zelfs verder te zijn gegaan dan hij wenschte, daar de Apachen zich niet meer lieten zien.Ongeveer drie weken lang had de graaf hun spoor gezocht zonder het te kunnen ontdekken.Eindelijk echter, midden op den dag vóór dien waarmede, dit hoofdstuk begint, vertoonde zich in de verte op eens een troep van zeven of acht honderd paarden, schijnbaar geheel los en onbereden, want volgens een niet ongewone Indiaansche list lieten de ruiters zich bijna geheel onzichtbaar aan de eene zijde van hun paard afhangen; de troep naderde snel, bereikte binnen weinige minuten de bouwvallen der stad en kwam in vliegenden galop op de Casa Grande af.Eene losbranding uit klein geweer van achter de in der haast opgeworpen barrikaden, bracht wel is waar wanorde in de gelederen[162]der aanstormende kolonne, maar kon haar onbeteugelde vaart niet stuiten, zoodat de schok voor de Franschen vreeselijk zou zijn.In een oogwenk had zich daarbij het aanzien der gansche bende veranderd. Al de Apachen hadden zich met bliksemsnelheid opgericht, en nu zag men hen, het half naakte lijf met blauwe en gele strepenbeschilderd, het hoofd met de groote vederbossen bekroond, de lange bisonsmantels van hun schouder golvend op den wind, de gespannen boog in de hand, en hunne paarden met de knieën besturende, komen aanrennen, inderdaad in eene houding vol heldenzwier en met een vertoon van krijgshaftigheid die wel in staat was om den dapperste te doen vervaren.De Franschen wachtten hen echter onverschrokken af, al werden zij schier doof door den vreeselijken oorlogskreet, dien hunne vijanden aanhieven en blind door een wolk van pijlen, die dicht als hagel rondom hen nederkletterden.Maar de Apachen verlangden evenmin als de Franschen eene bloote schermutseling, het was hun om een beslissenden strijd te doen. Als bij onderlinge afspraak vielen zij op elkander aan met blank geweer.Te midden dier Indiaansche krijgers was de Zwarte-Beer gemakkelijk te onderkennen aan zijne hooge vederbos en de prachtige arendspennen die er uit opstaken. Het opperhoofd vuurde de zijnen aan om over de jongst geleden nederlagen wraak te nemen door zich van deCasa Grandemeester te maken. Alsnu volgde er een van die vreeselijke Amerikaansche grensgevechten, in welke met zooveel verbittering gestreden wordt dat niemand gevangenen maakt of kwartier geeft, en de beide partijen wreedheden begaan die alle beschrijving tarten. Debolas perdidas2, de bajonet en de lans waren de eenigste wapenen die men bezigde. Dit gevecht, daar de Indianen gedurig versterking kregen, had reeds bijna twee uren geduurd en de verdedigers achter de barrikaden lieten zich liever dooden dan een duimbreed te wijken.In de hoop dat de Indianen door zulk een langen en hardnekkigen wederstand vermoeid, weldra zouden aftrekken, daar zij reeds schenen te verslappen, verdubbelden de Franschen hunne pogingen, toen zij achter zich op eens den kreet hoorden opgaan:»Verraad! verraad!”De graaf en de capataz, die in de voorste gelederen der vrijwilligers en peons vochten als leeuwen, keken om.Hun toestand werd inderdaad hachelijk, de Franschen zagen zich letterlijk tusschen twee vuren gebracht, daar de Kleine-Panter met een vijftigtal ruiters de stelling was omgetrokken en achter de barrikaden naar binnen drong. Dronken van vreugde dat alles hun zoo goed gelukte, hieven de Roodhuiden een triumfkreet aan die de lucht deed weergalmen.[163]De graaf liet den blik beslissend over het slagveld rondgaan, zijn plan was onmiddellijk vastgesteld.Hij sprak eenige woorden met den capataz, die zich weder aan het hoofd der strijders stelde, hun voorschreef wat zij te doen hadden en het gunstig oogenblik afwachtte om ten uitvoer te brengen wat hij met den graaf had afgesproken.Deze liet intusschen zijn tijd niet ongebruikt voorbijgaan, hij nam een vaatje kruid, stak er een brandende lont in en wierp het midden in den dichtsten drom der Indianen, waar het bijna oogenblikkelijk ontplofte en eene vreeselijke verwoesting aanrichtte.De Apachen stoven uit elkander en vloden in alle richtingen om door deze nieuwe soort van bommen niet verder verpletterd te worden.Van dit gunstig oogenblik maakten de belegerden behendig gebruik; op order van den capataz keerden zij zich om en rukten in den stormpas op de Apachen van den Kleine-Panter los, die slechts weinige ellen van hen verwijderd waren, en met hunne vreeselijke knodsen alles neerbeukten wat hun in den weg kwam.Het terrein was niet gunstig voor de Indianen, die in een nauw slop tusschen muren samengedrongen, met hunne paarden niet geschikt konden manoeuvreeren; maar toch, de Kleine-Panter en zijne Apachen stormden voorwaarts met een huilenden oorlogskreet.De Franschen, even behendig en dapper als hunne tegenstanders maakten halt en wachtten met gevelde bajonet onversaagd den verpletterenden ruiterdrom af die in vliegenden galop op hen aankwam.De schok was vreeselijk, maar de Roodhuiden werden overhoop geworpen. Weldra geraakten zij geheel in verwarring, en namen zij in alle richtingen de vlucht.De graaf liet hen door eenige peons te paard nazetten, die hen dicht op de hielen vervolgden en niet voor den avond terugkeerden.De Apachen hadden zich eerst eenige mijlen verder weder kunnen vereenigen en waren toen rustig naar de woestijn afgetrokken.De graaf ofschoon wel voldaan over de behaalde overwinning, want het verlies des vijands was ontzettend groot, beschouwde haar echter niet als beslissend, vooral daar de Zwarte-Beer hem ontsnapt was, en wat meer zegt, daar hij zijn doel niet had bereikt, namelijk het terugvinden van don Sylva en zijne dochter, die hij gezworen had te zullen redden.Hij gaf zijnecuadrilla(bende) order zich gereed te houden om op te breken, en liet de noodige maatregelen nemen tot het verzekeren van zijn aanstaanden tocht door de wildernis.Reeds den volgenden morgen zouden de Franschen bepaald hunne stelling in deCasa Grandeverlaten.De graaf vierde met zijne officieren de luisterrijke overwinning van den vorigen dag, en stelde juist een dronk in op het welslagen der onderneming op den volgenden.[164]Opgewonden door de menigte toasten die hij gedronken had en inzonderheid door de hoop op een goeden uitslag eerlang te voorzien, was de graaf in de allerbeste luim om den zonderlingen gast te ontvangen, dien de oude onderofficier op zijn eigen verantwoording gewaagd had bij hem aan te dienen.»En wat is dat voor een slag van een man?” vroeg hij, toen de andere zijn boodschap zoo goed of kwaad mogelijk had voorgedragen.»In ernst, kapitein,” antwoordde de wachtmeester, »zoo veel ik heb kunnen zien, schijnt de kerel nog tamelijk jong, welgemaakt van lijf en leden en vooral begaafd met eene zeldzame vrijpostigheid, om er niets meer van te zeggen.”De graaf de Lhorailles dacht een oogenblik na.»Zal ik hem maar laten doodschieten, kapitein,” vroeg de soldaat, die dit stilzwijgen voor eene veroordeeling aanzag.»Peste! wat slaat gij door, Boilaud,” riep de graaf terwijl hij lachend opkeek. »Volstrekt niet, wij mogen van geluk spreken dat die kerel bij ons kwam. Breng hem integendeel hier, en met de meest mogelijke beleefdheid.”De wachtmeester boog en verwijderde zich.»Mijne heeren,” zei de graaf, »gij herinnert u zeker die aanranding wel te Guaymas, daar ik bijna het slachtoffer van werd; die geheimzinnige zaak is mij altijd een raadsel geweest, dat ik niet heb kunnen ontsluieren. De man die mij thans verlangt te spreken komt mij zeker, dat voel ik vooruit, eenige ophelderingen geven over dat tot hiertoe zoo onverklaarbaar feit.”»Señorconde, neem u in acht,” zeide de capataz, »gij kent de lieden in dit land nog niet; die man komt misschien veeleer om u een nieuwen strik te spannen.”»Waarom zou hij dat?”»Quien sabe!”—wie weet,—antwoordde Blas Vasquez met eene gewone Spaansche spreekwijs, die alles beteekenen kan en zich onmogelijk in onze taal laat weêrgeven.»Ba, ba!” riep de graaf, »laat het gerust aan mij over dien spitsboef te ontmaskeren, als hij, wat ik niet denk, soms een spion is.”De capataz vergenoegde zich met even de schouders op te halen; de graaf was een van die menschen, wier stellige en hooggestemde manier van spreken geen tegenwerping duldt en alle redeneering onmogelijk maakt.De Europeanen en vooral de Franschen, nemen in Amerika tegenover de inboorlingen, zoo blanken als mestiezen en Roodhuiden, een toon van hooghartigheid en minachting aan die in al hunne daden en woorden doorstraalt; bewust van hunne verstandelijke meerderheid boven de inwoners des lands, toonen zij hun een beleedigend soort van medelijden en scheppen behagen om hen gedurig belachelijk te maken, te spotten met hunne gewoonten of denkwijzen, en hun ten slotte slechts een min of meer ontwikkeld instinct toe te kennen dan de dieren bezitten.[165]Dit gevoelen is niet alleen onbillijk, maar tevens geheel bezijden de waarheid. De Spaansch-Amerikanen zijn wel is waar zeer achterlijk wat wetenschappelijke beschaving, nijverheid, werktuigkunde enz. betreft; de ontwikkeling der maatschappij gaat bij hen traag vooruit, daar zij gedurig belemmerd wordt door het veelsoortig bijgeloof dat nevens en met hun geloof opschiet, maar men kan deze lieden niet aansprakelijk stellen voor een staat van zaken die hun zelven mishaagt en waarvan alleen de Spanjaarden de schuld zijn, door het heillooze stelsel van onderdrukking en vernedering, in één woord de looden dwingelandij, die meer dan drie eeuwen op de bevolking heeft gewogen en haar zwoegende onder het juk van trotsche en onverbiddelijke meesters, het karakter van listige, bedriegelijke en lafhartige slaven heeft ingedrukt.Op enkele zeldzame en loffelijke uitzonderingen na betreft dit inzonderheid de Indianen, want de blanken zijn sedert de laatste jaren op den weg der beschaving met reuzenschreden vooruitgegaan, maar de massa der Indiaansche bevolking, is bepaald listig, oneerlijk en slecht.Om die reden wordt dan ook de Europeaan wanneer hij zich tegenover een kleurling bevindt, ondanks de verstandelijke meerderheid waarmede hij zich vleit, steeds onvermijdelijk het slachtoffer der list en ontrouw van laatstgenoemden.Intusschen geldt het inSpaansch-Amerikaschier als een geloofsartikel, dat de Indianen en mestiezen arme stumpers zijn, zonder redelijk begrip en alleen begaafd met het noodige verstand om van den eenen dag op den anderen te leven, terwijl de hoogmoedige blanken zich bij uitsluiting den titel geven vangente de razon—redelijke menschen.Wij moeten hier bijvoegen dat deze hooge dunk bij den Europeaan, na eenige jaren in Amerika te hebben vertoefd merkelijk wordt gewijzigd en dat hij eindelijk geheel anders over de kleurlingen leert denken,naarmate hij beter met den landaard bekend wordt en dagelijks met de mestiezen in aanraking komt. Maar de graaf de Lhorailles was nog zoo ver niet; hij zag in een Indiaan of mesties nog altoos weinig meer dan een redeloos dier, en ging met hen naar dit valsche oogpunt te werk.Deze dwaling zou later voor hem zeer ernstige en schadelijke gevolgen hebben, gelijk wij nader zien zullen.De graaf de Lhorailles had het schouderophalen van den capataz niet onopgemerkt gelaten; en was juist gereed hem te antwoorden toen de wachtmeester binnenkwam, gevolgd door den vreemdeling, op wien zich terstond aller oogen vestigden.De onbekende stond dit kruisvuur van blikken ongehinderd door, en zonder zich van den mantel te ontdoen in welks ruime plooien hij bijna geheel verborgen was, groette hij de aanwezigen met onbetaalbare koelzinnigheid en zwier.[166]De onverwachte komst van dezen man in de feestzaal maakte bij de gasten een alleronaangenaamsten indruk, daar zij zich geen rekenschap van wisten te geven maar die hen plotseling deed verstommen.1Een kustlander, in onderscheiding van de inwoners in het binnenland.↑2Zeker oorlogstuig uit een lederen riem bestaande, aan ieder eind met een looden kogel.↑

[Inhoud]XVI.DE CASA GRANDE DE MONTECUZOMA.In een verwijderd tijdperk, misschien duizend en meer jaren geleden, toen de aloude Azteken, als door eene onzichtbare hand geleid, zonder bijna zelf te weten waarheen, uit het verre noorden zuidwaarts trokken, naar de hooge bergvlakte van Anahuac, waar zij later het machtige rijk van Mexico hebben gesticht, hielden zij wel is waar dat onbekende zoo vurig door hen begeerde land standvastig in ’t oog, maar vonden zij nu en dan goed hunnen tocht te staken, alsof zij door vermoeienis en ontberingen uitgeput op eens de hoop lieten varen het doel hunner reis immer te zullen bereiken.[156]Alsdan, in plaats van op de plek waar deze vermoeidheid hen overviel eenvoudig hun kamp op te slaan, vestigden zij er zich als hadden zij geen plan meer om verder te trekken en bouwden er vaak steden en dorpen.Thans, na verloop van zoo vele eeuwen, terwijl het volk zelf dat deze steden heeft gesticht reeds sedert lang van den aardbodem verdwenen is, wekken hare bouwvallen, die over eene ruimte van meer dan duizend mijlen verspreid liggen, nog altijd de bewondering van den vermetelen reiziger die trots talloozegevarenhet waagt deze afgelegen streken te bezoeken.Een der merkwaardigste van deze bouwvallen is ontegenzeggelijk die, welke bekend onder den naam van deCasa Grande de Montecuzomazich op ongeveer twee kilometers afstand van de slijkerige oevers derRio Gilaverheft, in eene woeste onherbergzame streek, aan de grens der vreeselijke zandwoestijn, de zoogenaamde del Norta.De grond waarop dit gebouw werd gesticht, is aan alle zijden open en vlak.De ruïnen der stad, die er om heen liggen, strekken zich zuidwaarts meer dan vier kilometers ver uit, en in de overige richtingen is het terrein allerwege met gebroken aardewerk van allerlei soort: vazen, kannen, borden enz. als bezaaid; eene menigte dezer scherven zijn met verschillende kleuren beschilderd, hetzij wit en blauw, of geel en rood, hetgeen in ’t voorbijgaan gezegd, duidelijk bewijst niet alleen dat die stad in zekere mate beschaafd was, maar tevens dat zij bewoond werd door Indianen van gansch ander ras dan die welke thans in deze streken rondzwerven, bij welke de kunst van pottenbakken geheel onbekend is.De Casa Grande vormt een langwerpig vierkant, juist in de richting der vier hoofdstreken van het kompas.Het geheel is omgeven door een muur, die niet alleen dit huis maar ook andere gebouwen insluit, waarvan nog duidelijke sporen zijn overgebleven, want achter het hoofdgebouw ligt eene ruïne van eene verdieping hoog en in verscheidene kamers verdeeld.De Casa Grande is deels van aarde gebouwd en de muren zoo veel men zien kan van pleisterklei, in blokken van verschillende grootte: zij schijnt drie verdiepingen te hebben gehad boven den grond, maar de inwendige betimmering is sedert lang verdwenen.De zalen, vijf in getal op elke verdieping, werden, althans naar de overblijfsels te oordeelen, alleen verlicht door de deur en eenige ronde gaten in de muren die op het oosten en westen uitzien.Door deze openingen keek, volgens de overlevering, de mensch Amer—el hombre Amargo—zoo als de Indianen den souverein der Azteken noemen, naar de zon uit, om haar des morgens en des avonds bij op- en ondergang te begroeten.Een kanaal, dat thans bijna geheel droog ligt, stond in verband met de rivier en diende om de stad van water te voorzien.[157]De bouwvallen der Casa Grande liggen doorgaans eenzaam en verlaten en bieden een tooneel van akelige doodstilte. Zij brokkelen langzamerhand weg voor den gloed der tropische zon die ze verteert en verkoolt, en strekken tot een ongestoord verblijf voor afschuwelijke roofvogels, gieren en urubus.De Indiaan vermijdt met opzet deze sombere streek te bezoeken, afgeschrikt door zekere bijgeloovige vrees, daar hij zich geen reden van weet te geven.Maar wat hier ook van wezen mag, zooveel is zeker, dat een Indiaansch krijgsman, Comanch, Sioux, Apache, of Pawnie, wanneer hij toevallig hetzij op de jacht of door eenige andere aanleiding, in den nacht van den vierden op den vijfden der zoogenaamdeChampasciasoni—kersenmaan—dat is ongeveer eene maand na de boven door ons verhaalde gebeurtenissen, deze geheimzinnige ruïne genaderd ware, hij ongetwijfeld door schrik overstelpt, zoo snel als zijn paard hem dragen kon het vreemde schouwspel zou ontvloden hebben dat hij er in dien nacht te zien kreeg.Verbeeldt u een helder blauwen, door de volle maan verlichten en met sterren bezaaiden hemel, waartegen het aloude paleis der Azteken koningen zijn reusachtige schaduw scherp afteekende. Uit al de gaten en scheuren, hetzij door de hand des tijds of der menschen in zijne vervallen muren ontstaan, straalt een gloed van roodachtig licht, terwijl uit de spookachtig verlichte kamers het luidruchtig gezang, geschreeuw en gelach onophoudelijk opgaat, zoodat de wilde dieren, door het ongewone verschijnsel uit hunne holen opgeschrikt of op hunne nachtelijke rooftochten gestoord, huilend en brullend in alle richtingen de vlucht nemen. Binnen den ringmuur, tusschen de bouwvallen, zag men in het bleeke maanlicht eene menigte donkere gestalten van menschen en paarden zich bewegen, of rondom groote hier en daar verspreide vuren gegroepeerd, terwijl een tiental welgewapende ruiters, op lange lansen geleund, als bronzen standbeelden onbeweeglijk voor de poorten van den ringmuur op post stonden.Was het inwendige der ruïne licht en leven, daar buiten was alles stilte en duisternis.Intusschen verliep de nacht, de maan had haar loop reeds voor twee derden volbracht, de niet langer aangehouden vuren gingen het een na het andere uit; alleen in het oude huis bleef het licht branden als een sombere vuurbaak in de duisternis.Op dit oogenblik hoorde men in de verte den snellen en regelmatigen galop van een paard op de zandvlakte dof weergalmen.De schildwachts, die als vedetten aan den ingang stonden, hieven hunne door slaap bezwaarde of door de koelheid der eerste morgenuren bevangen hoofden op en wendden den blik naar dien kant waar het gedruischvandaankwam.Weldra verscheen er een ruiter aan den hoek van het pad dat naar de ruïne leidde.[158]De onbekende, zonder zich om het vreemde schouwspel te bekommeren, reed recht op het huis aan.Hij overschreed den buitenstenkringder bouwvallen en ongeveer binnen tien passen de schildwachts genaderd, bleef hij staan, steeg af, wierp de teugels op den hals van zijn paard, en zonder er zich verder mede op te houden stapte hij met een vasten tred naar de schildwachts, die altijd stom en roerloos stonden.Nauwelijks echter was hij hen tot op twee sabellengten genaderd, of al de lansen daalden tegelijk en vereenigden zich op zijne borst, terwijl een ruwe stem riep:»Halt!”De onbekende bleef staan zonder te antwoorden.»Wie zijt gij? en wat wilt gij?” hervatte de schildwacht.»Ik ben eencosteno1; ik heb een verre reis gemaakt om uw chef te zien, dien ik gaarne zou willen spreken,” antwoordde de onbekende.In het flauwe en onzekere maanlicht was het den ruiter reeds moeielijk de trekken van den spreker te onderscheiden, maar het werd hem geheel onmogelijk gemaakt door dat deze zich tot over de ooren in zijn mantel had gewikkeld.»Hoe is uw naam?” vroeg hij hem wrevelig, toen hij zag dat al zijne pogingen vruchteloos bleven.»Waar zou dat toe dienen? Uw chef kent mij niet, mijn naam zou hem dus weinig baten.”»Wie weet? maar dat is uwe zaak; bewaar uw incognito als gij dat goedvindt; alleen moet gij u dan getroosten dat ik u niet bij den kapitein toelaat; hij zit op dit oogenblik met zijne officieren aan het souper en zal zich dus zoo diep in den nacht niet laten storen om een onbekende te spreken.”»Wie weet? zeg ik u op mijne beurt,” hernam de andere gevat; »hoor eens, gij zijt een oud soldaat, niet waar?”»Ik ben het nog,” antwoordde de kavalerist, zich fier in den zadel zettende.»Ofschoon gij zeer goed Spaansch spreekt, meen ik toch een Franschman te herkennen.”»Ik heb de eer het te zijn.”De onbekende lachte in zijn vuist. Hij gevoelde zijn man beet te hebben, daar hij zijne zwakke zijde gevonden had.»Ik ben alleen,” hervatte hij; »gij zijt ik weet niet met hoevele kameraden, laat mij den kapitein spreken; waar zoudt gij voor vreezen?”»Voor niets; maar mijne orders zijn stellig, ik kan ze niet breken.”»Wij zijn hier in het hartje van de wildernis, meer dan honderd mijlen ver van iedere beschaafde woning,” zei de onbekende volhoudend; »gij kunt wel begrijpen dat ik ernstige drangredenen gehad[159]heb om de gevaren van zulk een verren tocht te trotseeren, voor een onderhoud van weinige oogenblikken met den graaf de Lhorailles. Zoudt gij mij nu in het gezicht der haven laten schipbreuk lijden, nu er slechts een weinig beleefdheid van uwen kant noodig is om mij het beoogde doel te doen bereiken?”De schildwacht aarzelde: de redenen door den onbekende aangevoerd hadden hem reeds half overtuigd, maar na eenigesecondenberaad antwoordde hij hoofdschuddend:»Neen, ’t kan onmogelijk; de kapitein is zoo streng: ik zou niet gaarne mijne wachtmeestersstrepen verbeuren; al wat ik voor u kan doen, is u verlof geven, hier met de kameraden onder den blauwen hemel te kampeeren tot morgen. Zoodra de dag aanbreekt, komt de kapitein zelf naar buiten, dien kunt gij dan zelf spreken en uw eigen zaken met hem regelen, dan gaat het mij niet meer aan.”»Hm!” zei de vreemdeling, »dat is nog zoo lang.”»Bah!” riep de wachtmeester onbekommerd, »de nacht is spoedig voorbij; daarbij is het uw eigen schuld; gij hebt zulke geheimzinnige manieren, dat men wel een beetje huiverig zou worden; wat duivel! men dient toch zijn naam te zeggen.”»Maar ik herhaal u, dat uw kapitein hem nooit heeft hooren noemen.”»Bah! wat kan u dat schelen? Een naam is altijd een naam.”»Wacht!” riep de onbekende; »ik geloof dat ik er een middel op gevonden heb.”»Laat hooren uw middel; als het goed is zal ik er gebruik van maken.”»’t Is uitmuntend,”»Zooveel te beter! spreek op.”»Zeg aan uw kapitein, dat de man die een maand geleden in de Rancho te Guaymas een pistool op hem gelost heeft, hier is en hem verlangt te spreken.”»Wat zegt gij?”»Hebt gij mij niet verstaan?”»Integendeel, al te goed.”»Welnu, waar wacht gij dan op?”»Te duivel! onder ons gezegd, vind ik uwe aanbeveling alles behalve voldoende.”»Zoudt gij dat denken?”»Parbleu! het scheelde maar weinig of hij was toen door u vermoord. Ei, ei! waart gij dat?”»Ja, ik, en nog iemand.”»Ik maak u mijn kompliment, waarlijk.”»Dank u; nu, gaat gij nog al niet?”»Ik moet u bekennen dat ik aarzel.”»Gij doet verkeerd; de graaf de Lhorailles is een kordaat man, aan wiens gevoel van eer niet te twijfelen valt. Hij kan onze ontmoeting niet anders dan in gunstig aandenken hebben gehouden.”»Alles wel overwogen is het mogelijk dat gij gelijk hebt, en[160]daar gij een vreemdeling zijt, zou ik het mij zelven kwalijk nemen als ik u zulk een kleinen dienst weigerde; ik ga dus. Blijf hier staan wachten, maar wees niet ongeduldig, want ik beloof u niet stellig dat ik slagen zal.”»Ik ben er zeker van.”»Ik mag het lijden.”De oude knevelbaard steeg af, haalde de schouders op en stapte het huis in.Hij bleef vrij lang weg.De vreemdeling scheen aan het gelukken van zijne boodschap niet te twijfelen, want zoodra de wachtmeester verdwenen was, naderde hij de deur reeds.Na verloop van tien minuten kwam de onderofficier terug.»Wel,” vroeg de onbekende, »wat heeft de kapitein u geantwoord?”»Hij heeft gelachen en mij gelast u binnen te leiden.”»Ziet gij nu wel dat ik gelijk had.”»’t Is waar! maar dat doet er niet toe, het was altijd een wonderlijk soort van aanbeveling, eene poging tot moord!”»Een eerlijke ontmoeting,” verbeterde de onbekende.»Ik weet niet hoe gij die dingen hier noemt, maar in Frankrijk noemen wij zoo iets een schelmstuk. Wilt gij medegaan?”De vreemdeling antwoordde niet, hij bepaalde zich bij schouder ophalen en volgde den eerlijken soldaat.In een verbazend ruime zaal, welker ontkalkte muren in puin dreigden te storten terwijl het blauwe sterrendak haar tot zoldering diende, zaten vier mannen met krachtige gelaatstrekken en fonkelende blikken, rondom eene tafel, waarop een luisterrijk souper was aangericht, voorzien van alles wat weelde en gemak tot streeling der zinnen kan opleveren.Deze vier mannen waren de graaf de Lhorailles en de officieren van zijn staf, namelijk de luitenants Diego Leon, Martin Leroux, en de oude capataz van don Sylva de Torres, Blas Vasquez.De graaf de Lhorailles kampeerde met zijne vrijcompagnie sinds vijf dagen in deCasa Grandevan Montecuzoma.Na den aanval der Apachen op de kolonie had de graaf, in de hoop van zijne bruid terug te vinden, die op zoo geheimzinnige wijze gedurende het gevecht verdwenen en waarschijnlijk door de Indianen was opgelicht, onmiddellijk besloten om den last te volbrengen dien hij sedert lang van de regeering ontvangen en tot hiertoe had uitgesteld, onder min of meer geldige voorwendsels, maar eigenlijk omdat hij zich, hoe dapper hij anders wezen mocht, ongaarne met de Roodhuiden wilde meten, die zoo geducht en zoo moeielijk te overwinnen zijn, vooral als men ze op hun eigen grondgebied aantast.De graaf had twee honderd twintig Franschen uit de kolonie vereenigd, waarbij de capataz, die almede brandde van verlangen om[161]zijn meester en diens dochter te bevrijden, dertig kloeke peons voegde, zoodat de getalsterkte thans twee honderdvijftig welgewapende en strijdlustige mannen bedroeg.Met het oog op de onberekenbare diensten vroeger door hen bewezen, had de graaf de drie jagers verzocht hem te willen vergezellen; en het zou hem zeer aangenaam zijn geweest zulke onverschrokken kameraden, maar vooral zulke veilige gidsen tot opsporing der Indianen in de hem onbekende wildernis bij zich te hebben; maar don Louis en zijne twee vrienden hadden dit vereerend verzoek zoowel als de daarbij toegezegde schitterende belooningen stellig van de hand gewezen, zonder andere redenen voor hunne weigering op te geven dan dat zij hunne reis noodzakelijk moesten vervolgen, zoodat er niet verder van gesproken werd en zij nog denzelfden dag van den graaf afscheid namen.Diensvolgens moest de graaf zich met den capataz en zijne peons vergenoegen; ongelukkigerwijs waren al deze mannencostenos, dat is kustbewoners, en dus weinig of in ’t geheel niet bekend met het zoogenoemdeterra a dentroof binnenland.Onder geleide dezer onervaren gidsen was de graaf uit Guetzalli vertrokken den weg inslaande naar het onmetelijk Apacheria.De onderneming was aanvankelijk niet ongelukkig geweest; binnen de drie eerste dagen werden de Apachen tweemaal door de Franschen achterhaald, overrompeld en geslagen en zonder genade zooveel zij onder hun bereik kwamen in de pan gehakt.De graaf had daarbij geen gevangenen willen maken, en om den barbaren schrik in te boezemen, al de Indianen die levend in handen der Franschen vielen, onbarmhartig laten doodschieten of aan boomen ophangen.Evenwel, na deze twee voor hen zoo noodlottige ontmoetingen hadden de Indianen er zoo ’t scheen den schrik van gekregen, en was het den Franschen ondanks al hunne pogingen niet gelukt hen andermaal tot staan te brengen. De onverbiddelijke tucht door den graaf op hen toegepast scheen niet alleen doel te hebben getroffen, maar zelfs verder te zijn gegaan dan hij wenschte, daar de Apachen zich niet meer lieten zien.Ongeveer drie weken lang had de graaf hun spoor gezocht zonder het te kunnen ontdekken.Eindelijk echter, midden op den dag vóór dien waarmede, dit hoofdstuk begint, vertoonde zich in de verte op eens een troep van zeven of acht honderd paarden, schijnbaar geheel los en onbereden, want volgens een niet ongewone Indiaansche list lieten de ruiters zich bijna geheel onzichtbaar aan de eene zijde van hun paard afhangen; de troep naderde snel, bereikte binnen weinige minuten de bouwvallen der stad en kwam in vliegenden galop op de Casa Grande af.Eene losbranding uit klein geweer van achter de in der haast opgeworpen barrikaden, bracht wel is waar wanorde in de gelederen[162]der aanstormende kolonne, maar kon haar onbeteugelde vaart niet stuiten, zoodat de schok voor de Franschen vreeselijk zou zijn.In een oogwenk had zich daarbij het aanzien der gansche bende veranderd. Al de Apachen hadden zich met bliksemsnelheid opgericht, en nu zag men hen, het half naakte lijf met blauwe en gele strepenbeschilderd, het hoofd met de groote vederbossen bekroond, de lange bisonsmantels van hun schouder golvend op den wind, de gespannen boog in de hand, en hunne paarden met de knieën besturende, komen aanrennen, inderdaad in eene houding vol heldenzwier en met een vertoon van krijgshaftigheid die wel in staat was om den dapperste te doen vervaren.De Franschen wachtten hen echter onverschrokken af, al werden zij schier doof door den vreeselijken oorlogskreet, dien hunne vijanden aanhieven en blind door een wolk van pijlen, die dicht als hagel rondom hen nederkletterden.Maar de Apachen verlangden evenmin als de Franschen eene bloote schermutseling, het was hun om een beslissenden strijd te doen. Als bij onderlinge afspraak vielen zij op elkander aan met blank geweer.Te midden dier Indiaansche krijgers was de Zwarte-Beer gemakkelijk te onderkennen aan zijne hooge vederbos en de prachtige arendspennen die er uit opstaken. Het opperhoofd vuurde de zijnen aan om over de jongst geleden nederlagen wraak te nemen door zich van deCasa Grandemeester te maken. Alsnu volgde er een van die vreeselijke Amerikaansche grensgevechten, in welke met zooveel verbittering gestreden wordt dat niemand gevangenen maakt of kwartier geeft, en de beide partijen wreedheden begaan die alle beschrijving tarten. Debolas perdidas2, de bajonet en de lans waren de eenigste wapenen die men bezigde. Dit gevecht, daar de Indianen gedurig versterking kregen, had reeds bijna twee uren geduurd en de verdedigers achter de barrikaden lieten zich liever dooden dan een duimbreed te wijken.In de hoop dat de Indianen door zulk een langen en hardnekkigen wederstand vermoeid, weldra zouden aftrekken, daar zij reeds schenen te verslappen, verdubbelden de Franschen hunne pogingen, toen zij achter zich op eens den kreet hoorden opgaan:»Verraad! verraad!”De graaf en de capataz, die in de voorste gelederen der vrijwilligers en peons vochten als leeuwen, keken om.Hun toestand werd inderdaad hachelijk, de Franschen zagen zich letterlijk tusschen twee vuren gebracht, daar de Kleine-Panter met een vijftigtal ruiters de stelling was omgetrokken en achter de barrikaden naar binnen drong. Dronken van vreugde dat alles hun zoo goed gelukte, hieven de Roodhuiden een triumfkreet aan die de lucht deed weergalmen.[163]De graaf liet den blik beslissend over het slagveld rondgaan, zijn plan was onmiddellijk vastgesteld.Hij sprak eenige woorden met den capataz, die zich weder aan het hoofd der strijders stelde, hun voorschreef wat zij te doen hadden en het gunstig oogenblik afwachtte om ten uitvoer te brengen wat hij met den graaf had afgesproken.Deze liet intusschen zijn tijd niet ongebruikt voorbijgaan, hij nam een vaatje kruid, stak er een brandende lont in en wierp het midden in den dichtsten drom der Indianen, waar het bijna oogenblikkelijk ontplofte en eene vreeselijke verwoesting aanrichtte.De Apachen stoven uit elkander en vloden in alle richtingen om door deze nieuwe soort van bommen niet verder verpletterd te worden.Van dit gunstig oogenblik maakten de belegerden behendig gebruik; op order van den capataz keerden zij zich om en rukten in den stormpas op de Apachen van den Kleine-Panter los, die slechts weinige ellen van hen verwijderd waren, en met hunne vreeselijke knodsen alles neerbeukten wat hun in den weg kwam.Het terrein was niet gunstig voor de Indianen, die in een nauw slop tusschen muren samengedrongen, met hunne paarden niet geschikt konden manoeuvreeren; maar toch, de Kleine-Panter en zijne Apachen stormden voorwaarts met een huilenden oorlogskreet.De Franschen, even behendig en dapper als hunne tegenstanders maakten halt en wachtten met gevelde bajonet onversaagd den verpletterenden ruiterdrom af die in vliegenden galop op hen aankwam.De schok was vreeselijk, maar de Roodhuiden werden overhoop geworpen. Weldra geraakten zij geheel in verwarring, en namen zij in alle richtingen de vlucht.De graaf liet hen door eenige peons te paard nazetten, die hen dicht op de hielen vervolgden en niet voor den avond terugkeerden.De Apachen hadden zich eerst eenige mijlen verder weder kunnen vereenigen en waren toen rustig naar de woestijn afgetrokken.De graaf ofschoon wel voldaan over de behaalde overwinning, want het verlies des vijands was ontzettend groot, beschouwde haar echter niet als beslissend, vooral daar de Zwarte-Beer hem ontsnapt was, en wat meer zegt, daar hij zijn doel niet had bereikt, namelijk het terugvinden van don Sylva en zijne dochter, die hij gezworen had te zullen redden.Hij gaf zijnecuadrilla(bende) order zich gereed te houden om op te breken, en liet de noodige maatregelen nemen tot het verzekeren van zijn aanstaanden tocht door de wildernis.Reeds den volgenden morgen zouden de Franschen bepaald hunne stelling in deCasa Grandeverlaten.De graaf vierde met zijne officieren de luisterrijke overwinning van den vorigen dag, en stelde juist een dronk in op het welslagen der onderneming op den volgenden.[164]Opgewonden door de menigte toasten die hij gedronken had en inzonderheid door de hoop op een goeden uitslag eerlang te voorzien, was de graaf in de allerbeste luim om den zonderlingen gast te ontvangen, dien de oude onderofficier op zijn eigen verantwoording gewaagd had bij hem aan te dienen.»En wat is dat voor een slag van een man?” vroeg hij, toen de andere zijn boodschap zoo goed of kwaad mogelijk had voorgedragen.»In ernst, kapitein,” antwoordde de wachtmeester, »zoo veel ik heb kunnen zien, schijnt de kerel nog tamelijk jong, welgemaakt van lijf en leden en vooral begaafd met eene zeldzame vrijpostigheid, om er niets meer van te zeggen.”De graaf de Lhorailles dacht een oogenblik na.»Zal ik hem maar laten doodschieten, kapitein,” vroeg de soldaat, die dit stilzwijgen voor eene veroordeeling aanzag.»Peste! wat slaat gij door, Boilaud,” riep de graaf terwijl hij lachend opkeek. »Volstrekt niet, wij mogen van geluk spreken dat die kerel bij ons kwam. Breng hem integendeel hier, en met de meest mogelijke beleefdheid.”De wachtmeester boog en verwijderde zich.»Mijne heeren,” zei de graaf, »gij herinnert u zeker die aanranding wel te Guaymas, daar ik bijna het slachtoffer van werd; die geheimzinnige zaak is mij altijd een raadsel geweest, dat ik niet heb kunnen ontsluieren. De man die mij thans verlangt te spreken komt mij zeker, dat voel ik vooruit, eenige ophelderingen geven over dat tot hiertoe zoo onverklaarbaar feit.”»Señorconde, neem u in acht,” zeide de capataz, »gij kent de lieden in dit land nog niet; die man komt misschien veeleer om u een nieuwen strik te spannen.”»Waarom zou hij dat?”»Quien sabe!”—wie weet,—antwoordde Blas Vasquez met eene gewone Spaansche spreekwijs, die alles beteekenen kan en zich onmogelijk in onze taal laat weêrgeven.»Ba, ba!” riep de graaf, »laat het gerust aan mij over dien spitsboef te ontmaskeren, als hij, wat ik niet denk, soms een spion is.”De capataz vergenoegde zich met even de schouders op te halen; de graaf was een van die menschen, wier stellige en hooggestemde manier van spreken geen tegenwerping duldt en alle redeneering onmogelijk maakt.De Europeanen en vooral de Franschen, nemen in Amerika tegenover de inboorlingen, zoo blanken als mestiezen en Roodhuiden, een toon van hooghartigheid en minachting aan die in al hunne daden en woorden doorstraalt; bewust van hunne verstandelijke meerderheid boven de inwoners des lands, toonen zij hun een beleedigend soort van medelijden en scheppen behagen om hen gedurig belachelijk te maken, te spotten met hunne gewoonten of denkwijzen, en hun ten slotte slechts een min of meer ontwikkeld instinct toe te kennen dan de dieren bezitten.[165]Dit gevoelen is niet alleen onbillijk, maar tevens geheel bezijden de waarheid. De Spaansch-Amerikanen zijn wel is waar zeer achterlijk wat wetenschappelijke beschaving, nijverheid, werktuigkunde enz. betreft; de ontwikkeling der maatschappij gaat bij hen traag vooruit, daar zij gedurig belemmerd wordt door het veelsoortig bijgeloof dat nevens en met hun geloof opschiet, maar men kan deze lieden niet aansprakelijk stellen voor een staat van zaken die hun zelven mishaagt en waarvan alleen de Spanjaarden de schuld zijn, door het heillooze stelsel van onderdrukking en vernedering, in één woord de looden dwingelandij, die meer dan drie eeuwen op de bevolking heeft gewogen en haar zwoegende onder het juk van trotsche en onverbiddelijke meesters, het karakter van listige, bedriegelijke en lafhartige slaven heeft ingedrukt.Op enkele zeldzame en loffelijke uitzonderingen na betreft dit inzonderheid de Indianen, want de blanken zijn sedert de laatste jaren op den weg der beschaving met reuzenschreden vooruitgegaan, maar de massa der Indiaansche bevolking, is bepaald listig, oneerlijk en slecht.Om die reden wordt dan ook de Europeaan wanneer hij zich tegenover een kleurling bevindt, ondanks de verstandelijke meerderheid waarmede hij zich vleit, steeds onvermijdelijk het slachtoffer der list en ontrouw van laatstgenoemden.Intusschen geldt het inSpaansch-Amerikaschier als een geloofsartikel, dat de Indianen en mestiezen arme stumpers zijn, zonder redelijk begrip en alleen begaafd met het noodige verstand om van den eenen dag op den anderen te leven, terwijl de hoogmoedige blanken zich bij uitsluiting den titel geven vangente de razon—redelijke menschen.Wij moeten hier bijvoegen dat deze hooge dunk bij den Europeaan, na eenige jaren in Amerika te hebben vertoefd merkelijk wordt gewijzigd en dat hij eindelijk geheel anders over de kleurlingen leert denken,naarmate hij beter met den landaard bekend wordt en dagelijks met de mestiezen in aanraking komt. Maar de graaf de Lhorailles was nog zoo ver niet; hij zag in een Indiaan of mesties nog altoos weinig meer dan een redeloos dier, en ging met hen naar dit valsche oogpunt te werk.Deze dwaling zou later voor hem zeer ernstige en schadelijke gevolgen hebben, gelijk wij nader zien zullen.De graaf de Lhorailles had het schouderophalen van den capataz niet onopgemerkt gelaten; en was juist gereed hem te antwoorden toen de wachtmeester binnenkwam, gevolgd door den vreemdeling, op wien zich terstond aller oogen vestigden.De onbekende stond dit kruisvuur van blikken ongehinderd door, en zonder zich van den mantel te ontdoen in welks ruime plooien hij bijna geheel verborgen was, groette hij de aanwezigen met onbetaalbare koelzinnigheid en zwier.[166]De onverwachte komst van dezen man in de feestzaal maakte bij de gasten een alleronaangenaamsten indruk, daar zij zich geen rekenschap van wisten te geven maar die hen plotseling deed verstommen.1Een kustlander, in onderscheiding van de inwoners in het binnenland.↑2Zeker oorlogstuig uit een lederen riem bestaande, aan ieder eind met een looden kogel.↑

XVI.DE CASA GRANDE DE MONTECUZOMA.

In een verwijderd tijdperk, misschien duizend en meer jaren geleden, toen de aloude Azteken, als door eene onzichtbare hand geleid, zonder bijna zelf te weten waarheen, uit het verre noorden zuidwaarts trokken, naar de hooge bergvlakte van Anahuac, waar zij later het machtige rijk van Mexico hebben gesticht, hielden zij wel is waar dat onbekende zoo vurig door hen begeerde land standvastig in ’t oog, maar vonden zij nu en dan goed hunnen tocht te staken, alsof zij door vermoeienis en ontberingen uitgeput op eens de hoop lieten varen het doel hunner reis immer te zullen bereiken.[156]Alsdan, in plaats van op de plek waar deze vermoeidheid hen overviel eenvoudig hun kamp op te slaan, vestigden zij er zich als hadden zij geen plan meer om verder te trekken en bouwden er vaak steden en dorpen.Thans, na verloop van zoo vele eeuwen, terwijl het volk zelf dat deze steden heeft gesticht reeds sedert lang van den aardbodem verdwenen is, wekken hare bouwvallen, die over eene ruimte van meer dan duizend mijlen verspreid liggen, nog altijd de bewondering van den vermetelen reiziger die trots talloozegevarenhet waagt deze afgelegen streken te bezoeken.Een der merkwaardigste van deze bouwvallen is ontegenzeggelijk die, welke bekend onder den naam van deCasa Grande de Montecuzomazich op ongeveer twee kilometers afstand van de slijkerige oevers derRio Gilaverheft, in eene woeste onherbergzame streek, aan de grens der vreeselijke zandwoestijn, de zoogenaamde del Norta.De grond waarop dit gebouw werd gesticht, is aan alle zijden open en vlak.De ruïnen der stad, die er om heen liggen, strekken zich zuidwaarts meer dan vier kilometers ver uit, en in de overige richtingen is het terrein allerwege met gebroken aardewerk van allerlei soort: vazen, kannen, borden enz. als bezaaid; eene menigte dezer scherven zijn met verschillende kleuren beschilderd, hetzij wit en blauw, of geel en rood, hetgeen in ’t voorbijgaan gezegd, duidelijk bewijst niet alleen dat die stad in zekere mate beschaafd was, maar tevens dat zij bewoond werd door Indianen van gansch ander ras dan die welke thans in deze streken rondzwerven, bij welke de kunst van pottenbakken geheel onbekend is.De Casa Grande vormt een langwerpig vierkant, juist in de richting der vier hoofdstreken van het kompas.Het geheel is omgeven door een muur, die niet alleen dit huis maar ook andere gebouwen insluit, waarvan nog duidelijke sporen zijn overgebleven, want achter het hoofdgebouw ligt eene ruïne van eene verdieping hoog en in verscheidene kamers verdeeld.De Casa Grande is deels van aarde gebouwd en de muren zoo veel men zien kan van pleisterklei, in blokken van verschillende grootte: zij schijnt drie verdiepingen te hebben gehad boven den grond, maar de inwendige betimmering is sedert lang verdwenen.De zalen, vijf in getal op elke verdieping, werden, althans naar de overblijfsels te oordeelen, alleen verlicht door de deur en eenige ronde gaten in de muren die op het oosten en westen uitzien.Door deze openingen keek, volgens de overlevering, de mensch Amer—el hombre Amargo—zoo als de Indianen den souverein der Azteken noemen, naar de zon uit, om haar des morgens en des avonds bij op- en ondergang te begroeten.Een kanaal, dat thans bijna geheel droog ligt, stond in verband met de rivier en diende om de stad van water te voorzien.[157]De bouwvallen der Casa Grande liggen doorgaans eenzaam en verlaten en bieden een tooneel van akelige doodstilte. Zij brokkelen langzamerhand weg voor den gloed der tropische zon die ze verteert en verkoolt, en strekken tot een ongestoord verblijf voor afschuwelijke roofvogels, gieren en urubus.De Indiaan vermijdt met opzet deze sombere streek te bezoeken, afgeschrikt door zekere bijgeloovige vrees, daar hij zich geen reden van weet te geven.Maar wat hier ook van wezen mag, zooveel is zeker, dat een Indiaansch krijgsman, Comanch, Sioux, Apache, of Pawnie, wanneer hij toevallig hetzij op de jacht of door eenige andere aanleiding, in den nacht van den vierden op den vijfden der zoogenaamdeChampasciasoni—kersenmaan—dat is ongeveer eene maand na de boven door ons verhaalde gebeurtenissen, deze geheimzinnige ruïne genaderd ware, hij ongetwijfeld door schrik overstelpt, zoo snel als zijn paard hem dragen kon het vreemde schouwspel zou ontvloden hebben dat hij er in dien nacht te zien kreeg.Verbeeldt u een helder blauwen, door de volle maan verlichten en met sterren bezaaiden hemel, waartegen het aloude paleis der Azteken koningen zijn reusachtige schaduw scherp afteekende. Uit al de gaten en scheuren, hetzij door de hand des tijds of der menschen in zijne vervallen muren ontstaan, straalt een gloed van roodachtig licht, terwijl uit de spookachtig verlichte kamers het luidruchtig gezang, geschreeuw en gelach onophoudelijk opgaat, zoodat de wilde dieren, door het ongewone verschijnsel uit hunne holen opgeschrikt of op hunne nachtelijke rooftochten gestoord, huilend en brullend in alle richtingen de vlucht nemen. Binnen den ringmuur, tusschen de bouwvallen, zag men in het bleeke maanlicht eene menigte donkere gestalten van menschen en paarden zich bewegen, of rondom groote hier en daar verspreide vuren gegroepeerd, terwijl een tiental welgewapende ruiters, op lange lansen geleund, als bronzen standbeelden onbeweeglijk voor de poorten van den ringmuur op post stonden.Was het inwendige der ruïne licht en leven, daar buiten was alles stilte en duisternis.Intusschen verliep de nacht, de maan had haar loop reeds voor twee derden volbracht, de niet langer aangehouden vuren gingen het een na het andere uit; alleen in het oude huis bleef het licht branden als een sombere vuurbaak in de duisternis.Op dit oogenblik hoorde men in de verte den snellen en regelmatigen galop van een paard op de zandvlakte dof weergalmen.De schildwachts, die als vedetten aan den ingang stonden, hieven hunne door slaap bezwaarde of door de koelheid der eerste morgenuren bevangen hoofden op en wendden den blik naar dien kant waar het gedruischvandaankwam.Weldra verscheen er een ruiter aan den hoek van het pad dat naar de ruïne leidde.[158]De onbekende, zonder zich om het vreemde schouwspel te bekommeren, reed recht op het huis aan.Hij overschreed den buitenstenkringder bouwvallen en ongeveer binnen tien passen de schildwachts genaderd, bleef hij staan, steeg af, wierp de teugels op den hals van zijn paard, en zonder er zich verder mede op te houden stapte hij met een vasten tred naar de schildwachts, die altijd stom en roerloos stonden.Nauwelijks echter was hij hen tot op twee sabellengten genaderd, of al de lansen daalden tegelijk en vereenigden zich op zijne borst, terwijl een ruwe stem riep:»Halt!”De onbekende bleef staan zonder te antwoorden.»Wie zijt gij? en wat wilt gij?” hervatte de schildwacht.»Ik ben eencosteno1; ik heb een verre reis gemaakt om uw chef te zien, dien ik gaarne zou willen spreken,” antwoordde de onbekende.In het flauwe en onzekere maanlicht was het den ruiter reeds moeielijk de trekken van den spreker te onderscheiden, maar het werd hem geheel onmogelijk gemaakt door dat deze zich tot over de ooren in zijn mantel had gewikkeld.»Hoe is uw naam?” vroeg hij hem wrevelig, toen hij zag dat al zijne pogingen vruchteloos bleven.»Waar zou dat toe dienen? Uw chef kent mij niet, mijn naam zou hem dus weinig baten.”»Wie weet? maar dat is uwe zaak; bewaar uw incognito als gij dat goedvindt; alleen moet gij u dan getroosten dat ik u niet bij den kapitein toelaat; hij zit op dit oogenblik met zijne officieren aan het souper en zal zich dus zoo diep in den nacht niet laten storen om een onbekende te spreken.”»Wie weet? zeg ik u op mijne beurt,” hernam de andere gevat; »hoor eens, gij zijt een oud soldaat, niet waar?”»Ik ben het nog,” antwoordde de kavalerist, zich fier in den zadel zettende.»Ofschoon gij zeer goed Spaansch spreekt, meen ik toch een Franschman te herkennen.”»Ik heb de eer het te zijn.”De onbekende lachte in zijn vuist. Hij gevoelde zijn man beet te hebben, daar hij zijne zwakke zijde gevonden had.»Ik ben alleen,” hervatte hij; »gij zijt ik weet niet met hoevele kameraden, laat mij den kapitein spreken; waar zoudt gij voor vreezen?”»Voor niets; maar mijne orders zijn stellig, ik kan ze niet breken.”»Wij zijn hier in het hartje van de wildernis, meer dan honderd mijlen ver van iedere beschaafde woning,” zei de onbekende volhoudend; »gij kunt wel begrijpen dat ik ernstige drangredenen gehad[159]heb om de gevaren van zulk een verren tocht te trotseeren, voor een onderhoud van weinige oogenblikken met den graaf de Lhorailles. Zoudt gij mij nu in het gezicht der haven laten schipbreuk lijden, nu er slechts een weinig beleefdheid van uwen kant noodig is om mij het beoogde doel te doen bereiken?”De schildwacht aarzelde: de redenen door den onbekende aangevoerd hadden hem reeds half overtuigd, maar na eenigesecondenberaad antwoordde hij hoofdschuddend:»Neen, ’t kan onmogelijk; de kapitein is zoo streng: ik zou niet gaarne mijne wachtmeestersstrepen verbeuren; al wat ik voor u kan doen, is u verlof geven, hier met de kameraden onder den blauwen hemel te kampeeren tot morgen. Zoodra de dag aanbreekt, komt de kapitein zelf naar buiten, dien kunt gij dan zelf spreken en uw eigen zaken met hem regelen, dan gaat het mij niet meer aan.”»Hm!” zei de vreemdeling, »dat is nog zoo lang.”»Bah!” riep de wachtmeester onbekommerd, »de nacht is spoedig voorbij; daarbij is het uw eigen schuld; gij hebt zulke geheimzinnige manieren, dat men wel een beetje huiverig zou worden; wat duivel! men dient toch zijn naam te zeggen.”»Maar ik herhaal u, dat uw kapitein hem nooit heeft hooren noemen.”»Bah! wat kan u dat schelen? Een naam is altijd een naam.”»Wacht!” riep de onbekende; »ik geloof dat ik er een middel op gevonden heb.”»Laat hooren uw middel; als het goed is zal ik er gebruik van maken.”»’t Is uitmuntend,”»Zooveel te beter! spreek op.”»Zeg aan uw kapitein, dat de man die een maand geleden in de Rancho te Guaymas een pistool op hem gelost heeft, hier is en hem verlangt te spreken.”»Wat zegt gij?”»Hebt gij mij niet verstaan?”»Integendeel, al te goed.”»Welnu, waar wacht gij dan op?”»Te duivel! onder ons gezegd, vind ik uwe aanbeveling alles behalve voldoende.”»Zoudt gij dat denken?”»Parbleu! het scheelde maar weinig of hij was toen door u vermoord. Ei, ei! waart gij dat?”»Ja, ik, en nog iemand.”»Ik maak u mijn kompliment, waarlijk.”»Dank u; nu, gaat gij nog al niet?”»Ik moet u bekennen dat ik aarzel.”»Gij doet verkeerd; de graaf de Lhorailles is een kordaat man, aan wiens gevoel van eer niet te twijfelen valt. Hij kan onze ontmoeting niet anders dan in gunstig aandenken hebben gehouden.”»Alles wel overwogen is het mogelijk dat gij gelijk hebt, en[160]daar gij een vreemdeling zijt, zou ik het mij zelven kwalijk nemen als ik u zulk een kleinen dienst weigerde; ik ga dus. Blijf hier staan wachten, maar wees niet ongeduldig, want ik beloof u niet stellig dat ik slagen zal.”»Ik ben er zeker van.”»Ik mag het lijden.”De oude knevelbaard steeg af, haalde de schouders op en stapte het huis in.Hij bleef vrij lang weg.De vreemdeling scheen aan het gelukken van zijne boodschap niet te twijfelen, want zoodra de wachtmeester verdwenen was, naderde hij de deur reeds.Na verloop van tien minuten kwam de onderofficier terug.»Wel,” vroeg de onbekende, »wat heeft de kapitein u geantwoord?”»Hij heeft gelachen en mij gelast u binnen te leiden.”»Ziet gij nu wel dat ik gelijk had.”»’t Is waar! maar dat doet er niet toe, het was altijd een wonderlijk soort van aanbeveling, eene poging tot moord!”»Een eerlijke ontmoeting,” verbeterde de onbekende.»Ik weet niet hoe gij die dingen hier noemt, maar in Frankrijk noemen wij zoo iets een schelmstuk. Wilt gij medegaan?”De vreemdeling antwoordde niet, hij bepaalde zich bij schouder ophalen en volgde den eerlijken soldaat.In een verbazend ruime zaal, welker ontkalkte muren in puin dreigden te storten terwijl het blauwe sterrendak haar tot zoldering diende, zaten vier mannen met krachtige gelaatstrekken en fonkelende blikken, rondom eene tafel, waarop een luisterrijk souper was aangericht, voorzien van alles wat weelde en gemak tot streeling der zinnen kan opleveren.Deze vier mannen waren de graaf de Lhorailles en de officieren van zijn staf, namelijk de luitenants Diego Leon, Martin Leroux, en de oude capataz van don Sylva de Torres, Blas Vasquez.De graaf de Lhorailles kampeerde met zijne vrijcompagnie sinds vijf dagen in deCasa Grandevan Montecuzoma.Na den aanval der Apachen op de kolonie had de graaf, in de hoop van zijne bruid terug te vinden, die op zoo geheimzinnige wijze gedurende het gevecht verdwenen en waarschijnlijk door de Indianen was opgelicht, onmiddellijk besloten om den last te volbrengen dien hij sedert lang van de regeering ontvangen en tot hiertoe had uitgesteld, onder min of meer geldige voorwendsels, maar eigenlijk omdat hij zich, hoe dapper hij anders wezen mocht, ongaarne met de Roodhuiden wilde meten, die zoo geducht en zoo moeielijk te overwinnen zijn, vooral als men ze op hun eigen grondgebied aantast.De graaf had twee honderd twintig Franschen uit de kolonie vereenigd, waarbij de capataz, die almede brandde van verlangen om[161]zijn meester en diens dochter te bevrijden, dertig kloeke peons voegde, zoodat de getalsterkte thans twee honderdvijftig welgewapende en strijdlustige mannen bedroeg.Met het oog op de onberekenbare diensten vroeger door hen bewezen, had de graaf de drie jagers verzocht hem te willen vergezellen; en het zou hem zeer aangenaam zijn geweest zulke onverschrokken kameraden, maar vooral zulke veilige gidsen tot opsporing der Indianen in de hem onbekende wildernis bij zich te hebben; maar don Louis en zijne twee vrienden hadden dit vereerend verzoek zoowel als de daarbij toegezegde schitterende belooningen stellig van de hand gewezen, zonder andere redenen voor hunne weigering op te geven dan dat zij hunne reis noodzakelijk moesten vervolgen, zoodat er niet verder van gesproken werd en zij nog denzelfden dag van den graaf afscheid namen.Diensvolgens moest de graaf zich met den capataz en zijne peons vergenoegen; ongelukkigerwijs waren al deze mannencostenos, dat is kustbewoners, en dus weinig of in ’t geheel niet bekend met het zoogenoemdeterra a dentroof binnenland.Onder geleide dezer onervaren gidsen was de graaf uit Guetzalli vertrokken den weg inslaande naar het onmetelijk Apacheria.De onderneming was aanvankelijk niet ongelukkig geweest; binnen de drie eerste dagen werden de Apachen tweemaal door de Franschen achterhaald, overrompeld en geslagen en zonder genade zooveel zij onder hun bereik kwamen in de pan gehakt.De graaf had daarbij geen gevangenen willen maken, en om den barbaren schrik in te boezemen, al de Indianen die levend in handen der Franschen vielen, onbarmhartig laten doodschieten of aan boomen ophangen.Evenwel, na deze twee voor hen zoo noodlottige ontmoetingen hadden de Indianen er zoo ’t scheen den schrik van gekregen, en was het den Franschen ondanks al hunne pogingen niet gelukt hen andermaal tot staan te brengen. De onverbiddelijke tucht door den graaf op hen toegepast scheen niet alleen doel te hebben getroffen, maar zelfs verder te zijn gegaan dan hij wenschte, daar de Apachen zich niet meer lieten zien.Ongeveer drie weken lang had de graaf hun spoor gezocht zonder het te kunnen ontdekken.Eindelijk echter, midden op den dag vóór dien waarmede, dit hoofdstuk begint, vertoonde zich in de verte op eens een troep van zeven of acht honderd paarden, schijnbaar geheel los en onbereden, want volgens een niet ongewone Indiaansche list lieten de ruiters zich bijna geheel onzichtbaar aan de eene zijde van hun paard afhangen; de troep naderde snel, bereikte binnen weinige minuten de bouwvallen der stad en kwam in vliegenden galop op de Casa Grande af.Eene losbranding uit klein geweer van achter de in der haast opgeworpen barrikaden, bracht wel is waar wanorde in de gelederen[162]der aanstormende kolonne, maar kon haar onbeteugelde vaart niet stuiten, zoodat de schok voor de Franschen vreeselijk zou zijn.In een oogwenk had zich daarbij het aanzien der gansche bende veranderd. Al de Apachen hadden zich met bliksemsnelheid opgericht, en nu zag men hen, het half naakte lijf met blauwe en gele strepenbeschilderd, het hoofd met de groote vederbossen bekroond, de lange bisonsmantels van hun schouder golvend op den wind, de gespannen boog in de hand, en hunne paarden met de knieën besturende, komen aanrennen, inderdaad in eene houding vol heldenzwier en met een vertoon van krijgshaftigheid die wel in staat was om den dapperste te doen vervaren.De Franschen wachtten hen echter onverschrokken af, al werden zij schier doof door den vreeselijken oorlogskreet, dien hunne vijanden aanhieven en blind door een wolk van pijlen, die dicht als hagel rondom hen nederkletterden.Maar de Apachen verlangden evenmin als de Franschen eene bloote schermutseling, het was hun om een beslissenden strijd te doen. Als bij onderlinge afspraak vielen zij op elkander aan met blank geweer.Te midden dier Indiaansche krijgers was de Zwarte-Beer gemakkelijk te onderkennen aan zijne hooge vederbos en de prachtige arendspennen die er uit opstaken. Het opperhoofd vuurde de zijnen aan om over de jongst geleden nederlagen wraak te nemen door zich van deCasa Grandemeester te maken. Alsnu volgde er een van die vreeselijke Amerikaansche grensgevechten, in welke met zooveel verbittering gestreden wordt dat niemand gevangenen maakt of kwartier geeft, en de beide partijen wreedheden begaan die alle beschrijving tarten. Debolas perdidas2, de bajonet en de lans waren de eenigste wapenen die men bezigde. Dit gevecht, daar de Indianen gedurig versterking kregen, had reeds bijna twee uren geduurd en de verdedigers achter de barrikaden lieten zich liever dooden dan een duimbreed te wijken.In de hoop dat de Indianen door zulk een langen en hardnekkigen wederstand vermoeid, weldra zouden aftrekken, daar zij reeds schenen te verslappen, verdubbelden de Franschen hunne pogingen, toen zij achter zich op eens den kreet hoorden opgaan:»Verraad! verraad!”De graaf en de capataz, die in de voorste gelederen der vrijwilligers en peons vochten als leeuwen, keken om.Hun toestand werd inderdaad hachelijk, de Franschen zagen zich letterlijk tusschen twee vuren gebracht, daar de Kleine-Panter met een vijftigtal ruiters de stelling was omgetrokken en achter de barrikaden naar binnen drong. Dronken van vreugde dat alles hun zoo goed gelukte, hieven de Roodhuiden een triumfkreet aan die de lucht deed weergalmen.[163]De graaf liet den blik beslissend over het slagveld rondgaan, zijn plan was onmiddellijk vastgesteld.Hij sprak eenige woorden met den capataz, die zich weder aan het hoofd der strijders stelde, hun voorschreef wat zij te doen hadden en het gunstig oogenblik afwachtte om ten uitvoer te brengen wat hij met den graaf had afgesproken.Deze liet intusschen zijn tijd niet ongebruikt voorbijgaan, hij nam een vaatje kruid, stak er een brandende lont in en wierp het midden in den dichtsten drom der Indianen, waar het bijna oogenblikkelijk ontplofte en eene vreeselijke verwoesting aanrichtte.De Apachen stoven uit elkander en vloden in alle richtingen om door deze nieuwe soort van bommen niet verder verpletterd te worden.Van dit gunstig oogenblik maakten de belegerden behendig gebruik; op order van den capataz keerden zij zich om en rukten in den stormpas op de Apachen van den Kleine-Panter los, die slechts weinige ellen van hen verwijderd waren, en met hunne vreeselijke knodsen alles neerbeukten wat hun in den weg kwam.Het terrein was niet gunstig voor de Indianen, die in een nauw slop tusschen muren samengedrongen, met hunne paarden niet geschikt konden manoeuvreeren; maar toch, de Kleine-Panter en zijne Apachen stormden voorwaarts met een huilenden oorlogskreet.De Franschen, even behendig en dapper als hunne tegenstanders maakten halt en wachtten met gevelde bajonet onversaagd den verpletterenden ruiterdrom af die in vliegenden galop op hen aankwam.De schok was vreeselijk, maar de Roodhuiden werden overhoop geworpen. Weldra geraakten zij geheel in verwarring, en namen zij in alle richtingen de vlucht.De graaf liet hen door eenige peons te paard nazetten, die hen dicht op de hielen vervolgden en niet voor den avond terugkeerden.De Apachen hadden zich eerst eenige mijlen verder weder kunnen vereenigen en waren toen rustig naar de woestijn afgetrokken.De graaf ofschoon wel voldaan over de behaalde overwinning, want het verlies des vijands was ontzettend groot, beschouwde haar echter niet als beslissend, vooral daar de Zwarte-Beer hem ontsnapt was, en wat meer zegt, daar hij zijn doel niet had bereikt, namelijk het terugvinden van don Sylva en zijne dochter, die hij gezworen had te zullen redden.Hij gaf zijnecuadrilla(bende) order zich gereed te houden om op te breken, en liet de noodige maatregelen nemen tot het verzekeren van zijn aanstaanden tocht door de wildernis.Reeds den volgenden morgen zouden de Franschen bepaald hunne stelling in deCasa Grandeverlaten.De graaf vierde met zijne officieren de luisterrijke overwinning van den vorigen dag, en stelde juist een dronk in op het welslagen der onderneming op den volgenden.[164]Opgewonden door de menigte toasten die hij gedronken had en inzonderheid door de hoop op een goeden uitslag eerlang te voorzien, was de graaf in de allerbeste luim om den zonderlingen gast te ontvangen, dien de oude onderofficier op zijn eigen verantwoording gewaagd had bij hem aan te dienen.»En wat is dat voor een slag van een man?” vroeg hij, toen de andere zijn boodschap zoo goed of kwaad mogelijk had voorgedragen.»In ernst, kapitein,” antwoordde de wachtmeester, »zoo veel ik heb kunnen zien, schijnt de kerel nog tamelijk jong, welgemaakt van lijf en leden en vooral begaafd met eene zeldzame vrijpostigheid, om er niets meer van te zeggen.”De graaf de Lhorailles dacht een oogenblik na.»Zal ik hem maar laten doodschieten, kapitein,” vroeg de soldaat, die dit stilzwijgen voor eene veroordeeling aanzag.»Peste! wat slaat gij door, Boilaud,” riep de graaf terwijl hij lachend opkeek. »Volstrekt niet, wij mogen van geluk spreken dat die kerel bij ons kwam. Breng hem integendeel hier, en met de meest mogelijke beleefdheid.”De wachtmeester boog en verwijderde zich.»Mijne heeren,” zei de graaf, »gij herinnert u zeker die aanranding wel te Guaymas, daar ik bijna het slachtoffer van werd; die geheimzinnige zaak is mij altijd een raadsel geweest, dat ik niet heb kunnen ontsluieren. De man die mij thans verlangt te spreken komt mij zeker, dat voel ik vooruit, eenige ophelderingen geven over dat tot hiertoe zoo onverklaarbaar feit.”»Señorconde, neem u in acht,” zeide de capataz, »gij kent de lieden in dit land nog niet; die man komt misschien veeleer om u een nieuwen strik te spannen.”»Waarom zou hij dat?”»Quien sabe!”—wie weet,—antwoordde Blas Vasquez met eene gewone Spaansche spreekwijs, die alles beteekenen kan en zich onmogelijk in onze taal laat weêrgeven.»Ba, ba!” riep de graaf, »laat het gerust aan mij over dien spitsboef te ontmaskeren, als hij, wat ik niet denk, soms een spion is.”De capataz vergenoegde zich met even de schouders op te halen; de graaf was een van die menschen, wier stellige en hooggestemde manier van spreken geen tegenwerping duldt en alle redeneering onmogelijk maakt.De Europeanen en vooral de Franschen, nemen in Amerika tegenover de inboorlingen, zoo blanken als mestiezen en Roodhuiden, een toon van hooghartigheid en minachting aan die in al hunne daden en woorden doorstraalt; bewust van hunne verstandelijke meerderheid boven de inwoners des lands, toonen zij hun een beleedigend soort van medelijden en scheppen behagen om hen gedurig belachelijk te maken, te spotten met hunne gewoonten of denkwijzen, en hun ten slotte slechts een min of meer ontwikkeld instinct toe te kennen dan de dieren bezitten.[165]Dit gevoelen is niet alleen onbillijk, maar tevens geheel bezijden de waarheid. De Spaansch-Amerikanen zijn wel is waar zeer achterlijk wat wetenschappelijke beschaving, nijverheid, werktuigkunde enz. betreft; de ontwikkeling der maatschappij gaat bij hen traag vooruit, daar zij gedurig belemmerd wordt door het veelsoortig bijgeloof dat nevens en met hun geloof opschiet, maar men kan deze lieden niet aansprakelijk stellen voor een staat van zaken die hun zelven mishaagt en waarvan alleen de Spanjaarden de schuld zijn, door het heillooze stelsel van onderdrukking en vernedering, in één woord de looden dwingelandij, die meer dan drie eeuwen op de bevolking heeft gewogen en haar zwoegende onder het juk van trotsche en onverbiddelijke meesters, het karakter van listige, bedriegelijke en lafhartige slaven heeft ingedrukt.Op enkele zeldzame en loffelijke uitzonderingen na betreft dit inzonderheid de Indianen, want de blanken zijn sedert de laatste jaren op den weg der beschaving met reuzenschreden vooruitgegaan, maar de massa der Indiaansche bevolking, is bepaald listig, oneerlijk en slecht.Om die reden wordt dan ook de Europeaan wanneer hij zich tegenover een kleurling bevindt, ondanks de verstandelijke meerderheid waarmede hij zich vleit, steeds onvermijdelijk het slachtoffer der list en ontrouw van laatstgenoemden.Intusschen geldt het inSpaansch-Amerikaschier als een geloofsartikel, dat de Indianen en mestiezen arme stumpers zijn, zonder redelijk begrip en alleen begaafd met het noodige verstand om van den eenen dag op den anderen te leven, terwijl de hoogmoedige blanken zich bij uitsluiting den titel geven vangente de razon—redelijke menschen.Wij moeten hier bijvoegen dat deze hooge dunk bij den Europeaan, na eenige jaren in Amerika te hebben vertoefd merkelijk wordt gewijzigd en dat hij eindelijk geheel anders over de kleurlingen leert denken,naarmate hij beter met den landaard bekend wordt en dagelijks met de mestiezen in aanraking komt. Maar de graaf de Lhorailles was nog zoo ver niet; hij zag in een Indiaan of mesties nog altoos weinig meer dan een redeloos dier, en ging met hen naar dit valsche oogpunt te werk.Deze dwaling zou later voor hem zeer ernstige en schadelijke gevolgen hebben, gelijk wij nader zien zullen.De graaf de Lhorailles had het schouderophalen van den capataz niet onopgemerkt gelaten; en was juist gereed hem te antwoorden toen de wachtmeester binnenkwam, gevolgd door den vreemdeling, op wien zich terstond aller oogen vestigden.De onbekende stond dit kruisvuur van blikken ongehinderd door, en zonder zich van den mantel te ontdoen in welks ruime plooien hij bijna geheel verborgen was, groette hij de aanwezigen met onbetaalbare koelzinnigheid en zwier.[166]De onverwachte komst van dezen man in de feestzaal maakte bij de gasten een alleronaangenaamsten indruk, daar zij zich geen rekenschap van wisten te geven maar die hen plotseling deed verstommen.

In een verwijderd tijdperk, misschien duizend en meer jaren geleden, toen de aloude Azteken, als door eene onzichtbare hand geleid, zonder bijna zelf te weten waarheen, uit het verre noorden zuidwaarts trokken, naar de hooge bergvlakte van Anahuac, waar zij later het machtige rijk van Mexico hebben gesticht, hielden zij wel is waar dat onbekende zoo vurig door hen begeerde land standvastig in ’t oog, maar vonden zij nu en dan goed hunnen tocht te staken, alsof zij door vermoeienis en ontberingen uitgeput op eens de hoop lieten varen het doel hunner reis immer te zullen bereiken.[156]

Alsdan, in plaats van op de plek waar deze vermoeidheid hen overviel eenvoudig hun kamp op te slaan, vestigden zij er zich als hadden zij geen plan meer om verder te trekken en bouwden er vaak steden en dorpen.

Thans, na verloop van zoo vele eeuwen, terwijl het volk zelf dat deze steden heeft gesticht reeds sedert lang van den aardbodem verdwenen is, wekken hare bouwvallen, die over eene ruimte van meer dan duizend mijlen verspreid liggen, nog altijd de bewondering van den vermetelen reiziger die trots talloozegevarenhet waagt deze afgelegen streken te bezoeken.

Een der merkwaardigste van deze bouwvallen is ontegenzeggelijk die, welke bekend onder den naam van deCasa Grande de Montecuzomazich op ongeveer twee kilometers afstand van de slijkerige oevers derRio Gilaverheft, in eene woeste onherbergzame streek, aan de grens der vreeselijke zandwoestijn, de zoogenaamde del Norta.

De grond waarop dit gebouw werd gesticht, is aan alle zijden open en vlak.

De ruïnen der stad, die er om heen liggen, strekken zich zuidwaarts meer dan vier kilometers ver uit, en in de overige richtingen is het terrein allerwege met gebroken aardewerk van allerlei soort: vazen, kannen, borden enz. als bezaaid; eene menigte dezer scherven zijn met verschillende kleuren beschilderd, hetzij wit en blauw, of geel en rood, hetgeen in ’t voorbijgaan gezegd, duidelijk bewijst niet alleen dat die stad in zekere mate beschaafd was, maar tevens dat zij bewoond werd door Indianen van gansch ander ras dan die welke thans in deze streken rondzwerven, bij welke de kunst van pottenbakken geheel onbekend is.

De Casa Grande vormt een langwerpig vierkant, juist in de richting der vier hoofdstreken van het kompas.

Het geheel is omgeven door een muur, die niet alleen dit huis maar ook andere gebouwen insluit, waarvan nog duidelijke sporen zijn overgebleven, want achter het hoofdgebouw ligt eene ruïne van eene verdieping hoog en in verscheidene kamers verdeeld.

De Casa Grande is deels van aarde gebouwd en de muren zoo veel men zien kan van pleisterklei, in blokken van verschillende grootte: zij schijnt drie verdiepingen te hebben gehad boven den grond, maar de inwendige betimmering is sedert lang verdwenen.

De zalen, vijf in getal op elke verdieping, werden, althans naar de overblijfsels te oordeelen, alleen verlicht door de deur en eenige ronde gaten in de muren die op het oosten en westen uitzien.

Door deze openingen keek, volgens de overlevering, de mensch Amer—el hombre Amargo—zoo als de Indianen den souverein der Azteken noemen, naar de zon uit, om haar des morgens en des avonds bij op- en ondergang te begroeten.

Een kanaal, dat thans bijna geheel droog ligt, stond in verband met de rivier en diende om de stad van water te voorzien.[157]

De bouwvallen der Casa Grande liggen doorgaans eenzaam en verlaten en bieden een tooneel van akelige doodstilte. Zij brokkelen langzamerhand weg voor den gloed der tropische zon die ze verteert en verkoolt, en strekken tot een ongestoord verblijf voor afschuwelijke roofvogels, gieren en urubus.

De Indiaan vermijdt met opzet deze sombere streek te bezoeken, afgeschrikt door zekere bijgeloovige vrees, daar hij zich geen reden van weet te geven.

Maar wat hier ook van wezen mag, zooveel is zeker, dat een Indiaansch krijgsman, Comanch, Sioux, Apache, of Pawnie, wanneer hij toevallig hetzij op de jacht of door eenige andere aanleiding, in den nacht van den vierden op den vijfden der zoogenaamdeChampasciasoni—kersenmaan—dat is ongeveer eene maand na de boven door ons verhaalde gebeurtenissen, deze geheimzinnige ruïne genaderd ware, hij ongetwijfeld door schrik overstelpt, zoo snel als zijn paard hem dragen kon het vreemde schouwspel zou ontvloden hebben dat hij er in dien nacht te zien kreeg.

Verbeeldt u een helder blauwen, door de volle maan verlichten en met sterren bezaaiden hemel, waartegen het aloude paleis der Azteken koningen zijn reusachtige schaduw scherp afteekende. Uit al de gaten en scheuren, hetzij door de hand des tijds of der menschen in zijne vervallen muren ontstaan, straalt een gloed van roodachtig licht, terwijl uit de spookachtig verlichte kamers het luidruchtig gezang, geschreeuw en gelach onophoudelijk opgaat, zoodat de wilde dieren, door het ongewone verschijnsel uit hunne holen opgeschrikt of op hunne nachtelijke rooftochten gestoord, huilend en brullend in alle richtingen de vlucht nemen. Binnen den ringmuur, tusschen de bouwvallen, zag men in het bleeke maanlicht eene menigte donkere gestalten van menschen en paarden zich bewegen, of rondom groote hier en daar verspreide vuren gegroepeerd, terwijl een tiental welgewapende ruiters, op lange lansen geleund, als bronzen standbeelden onbeweeglijk voor de poorten van den ringmuur op post stonden.

Was het inwendige der ruïne licht en leven, daar buiten was alles stilte en duisternis.

Intusschen verliep de nacht, de maan had haar loop reeds voor twee derden volbracht, de niet langer aangehouden vuren gingen het een na het andere uit; alleen in het oude huis bleef het licht branden als een sombere vuurbaak in de duisternis.

Op dit oogenblik hoorde men in de verte den snellen en regelmatigen galop van een paard op de zandvlakte dof weergalmen.

De schildwachts, die als vedetten aan den ingang stonden, hieven hunne door slaap bezwaarde of door de koelheid der eerste morgenuren bevangen hoofden op en wendden den blik naar dien kant waar het gedruischvandaankwam.

Weldra verscheen er een ruiter aan den hoek van het pad dat naar de ruïne leidde.[158]

De onbekende, zonder zich om het vreemde schouwspel te bekommeren, reed recht op het huis aan.

Hij overschreed den buitenstenkringder bouwvallen en ongeveer binnen tien passen de schildwachts genaderd, bleef hij staan, steeg af, wierp de teugels op den hals van zijn paard, en zonder er zich verder mede op te houden stapte hij met een vasten tred naar de schildwachts, die altijd stom en roerloos stonden.

Nauwelijks echter was hij hen tot op twee sabellengten genaderd, of al de lansen daalden tegelijk en vereenigden zich op zijne borst, terwijl een ruwe stem riep:

»Halt!”

De onbekende bleef staan zonder te antwoorden.

»Wie zijt gij? en wat wilt gij?” hervatte de schildwacht.

»Ik ben eencosteno1; ik heb een verre reis gemaakt om uw chef te zien, dien ik gaarne zou willen spreken,” antwoordde de onbekende.

In het flauwe en onzekere maanlicht was het den ruiter reeds moeielijk de trekken van den spreker te onderscheiden, maar het werd hem geheel onmogelijk gemaakt door dat deze zich tot over de ooren in zijn mantel had gewikkeld.

»Hoe is uw naam?” vroeg hij hem wrevelig, toen hij zag dat al zijne pogingen vruchteloos bleven.

»Waar zou dat toe dienen? Uw chef kent mij niet, mijn naam zou hem dus weinig baten.”

»Wie weet? maar dat is uwe zaak; bewaar uw incognito als gij dat goedvindt; alleen moet gij u dan getroosten dat ik u niet bij den kapitein toelaat; hij zit op dit oogenblik met zijne officieren aan het souper en zal zich dus zoo diep in den nacht niet laten storen om een onbekende te spreken.”

»Wie weet? zeg ik u op mijne beurt,” hernam de andere gevat; »hoor eens, gij zijt een oud soldaat, niet waar?”

»Ik ben het nog,” antwoordde de kavalerist, zich fier in den zadel zettende.

»Ofschoon gij zeer goed Spaansch spreekt, meen ik toch een Franschman te herkennen.”

»Ik heb de eer het te zijn.”

De onbekende lachte in zijn vuist. Hij gevoelde zijn man beet te hebben, daar hij zijne zwakke zijde gevonden had.

»Ik ben alleen,” hervatte hij; »gij zijt ik weet niet met hoevele kameraden, laat mij den kapitein spreken; waar zoudt gij voor vreezen?”

»Voor niets; maar mijne orders zijn stellig, ik kan ze niet breken.”

»Wij zijn hier in het hartje van de wildernis, meer dan honderd mijlen ver van iedere beschaafde woning,” zei de onbekende volhoudend; »gij kunt wel begrijpen dat ik ernstige drangredenen gehad[159]heb om de gevaren van zulk een verren tocht te trotseeren, voor een onderhoud van weinige oogenblikken met den graaf de Lhorailles. Zoudt gij mij nu in het gezicht der haven laten schipbreuk lijden, nu er slechts een weinig beleefdheid van uwen kant noodig is om mij het beoogde doel te doen bereiken?”

De schildwacht aarzelde: de redenen door den onbekende aangevoerd hadden hem reeds half overtuigd, maar na eenigesecondenberaad antwoordde hij hoofdschuddend:

»Neen, ’t kan onmogelijk; de kapitein is zoo streng: ik zou niet gaarne mijne wachtmeestersstrepen verbeuren; al wat ik voor u kan doen, is u verlof geven, hier met de kameraden onder den blauwen hemel te kampeeren tot morgen. Zoodra de dag aanbreekt, komt de kapitein zelf naar buiten, dien kunt gij dan zelf spreken en uw eigen zaken met hem regelen, dan gaat het mij niet meer aan.”

»Hm!” zei de vreemdeling, »dat is nog zoo lang.”

»Bah!” riep de wachtmeester onbekommerd, »de nacht is spoedig voorbij; daarbij is het uw eigen schuld; gij hebt zulke geheimzinnige manieren, dat men wel een beetje huiverig zou worden; wat duivel! men dient toch zijn naam te zeggen.”

»Maar ik herhaal u, dat uw kapitein hem nooit heeft hooren noemen.”

»Bah! wat kan u dat schelen? Een naam is altijd een naam.”

»Wacht!” riep de onbekende; »ik geloof dat ik er een middel op gevonden heb.”

»Laat hooren uw middel; als het goed is zal ik er gebruik van maken.”

»’t Is uitmuntend,”

»Zooveel te beter! spreek op.”

»Zeg aan uw kapitein, dat de man die een maand geleden in de Rancho te Guaymas een pistool op hem gelost heeft, hier is en hem verlangt te spreken.”

»Wat zegt gij?”

»Hebt gij mij niet verstaan?”

»Integendeel, al te goed.”

»Welnu, waar wacht gij dan op?”

»Te duivel! onder ons gezegd, vind ik uwe aanbeveling alles behalve voldoende.”

»Zoudt gij dat denken?”

»Parbleu! het scheelde maar weinig of hij was toen door u vermoord. Ei, ei! waart gij dat?”

»Ja, ik, en nog iemand.”

»Ik maak u mijn kompliment, waarlijk.”

»Dank u; nu, gaat gij nog al niet?”

»Ik moet u bekennen dat ik aarzel.”

»Gij doet verkeerd; de graaf de Lhorailles is een kordaat man, aan wiens gevoel van eer niet te twijfelen valt. Hij kan onze ontmoeting niet anders dan in gunstig aandenken hebben gehouden.”

»Alles wel overwogen is het mogelijk dat gij gelijk hebt, en[160]daar gij een vreemdeling zijt, zou ik het mij zelven kwalijk nemen als ik u zulk een kleinen dienst weigerde; ik ga dus. Blijf hier staan wachten, maar wees niet ongeduldig, want ik beloof u niet stellig dat ik slagen zal.”

»Ik ben er zeker van.”

»Ik mag het lijden.”

De oude knevelbaard steeg af, haalde de schouders op en stapte het huis in.

Hij bleef vrij lang weg.

De vreemdeling scheen aan het gelukken van zijne boodschap niet te twijfelen, want zoodra de wachtmeester verdwenen was, naderde hij de deur reeds.

Na verloop van tien minuten kwam de onderofficier terug.

»Wel,” vroeg de onbekende, »wat heeft de kapitein u geantwoord?”

»Hij heeft gelachen en mij gelast u binnen te leiden.”

»Ziet gij nu wel dat ik gelijk had.”

»’t Is waar! maar dat doet er niet toe, het was altijd een wonderlijk soort van aanbeveling, eene poging tot moord!”

»Een eerlijke ontmoeting,” verbeterde de onbekende.

»Ik weet niet hoe gij die dingen hier noemt, maar in Frankrijk noemen wij zoo iets een schelmstuk. Wilt gij medegaan?”

De vreemdeling antwoordde niet, hij bepaalde zich bij schouder ophalen en volgde den eerlijken soldaat.

In een verbazend ruime zaal, welker ontkalkte muren in puin dreigden te storten terwijl het blauwe sterrendak haar tot zoldering diende, zaten vier mannen met krachtige gelaatstrekken en fonkelende blikken, rondom eene tafel, waarop een luisterrijk souper was aangericht, voorzien van alles wat weelde en gemak tot streeling der zinnen kan opleveren.

Deze vier mannen waren de graaf de Lhorailles en de officieren van zijn staf, namelijk de luitenants Diego Leon, Martin Leroux, en de oude capataz van don Sylva de Torres, Blas Vasquez.

De graaf de Lhorailles kampeerde met zijne vrijcompagnie sinds vijf dagen in deCasa Grandevan Montecuzoma.

Na den aanval der Apachen op de kolonie had de graaf, in de hoop van zijne bruid terug te vinden, die op zoo geheimzinnige wijze gedurende het gevecht verdwenen en waarschijnlijk door de Indianen was opgelicht, onmiddellijk besloten om den last te volbrengen dien hij sedert lang van de regeering ontvangen en tot hiertoe had uitgesteld, onder min of meer geldige voorwendsels, maar eigenlijk omdat hij zich, hoe dapper hij anders wezen mocht, ongaarne met de Roodhuiden wilde meten, die zoo geducht en zoo moeielijk te overwinnen zijn, vooral als men ze op hun eigen grondgebied aantast.

De graaf had twee honderd twintig Franschen uit de kolonie vereenigd, waarbij de capataz, die almede brandde van verlangen om[161]zijn meester en diens dochter te bevrijden, dertig kloeke peons voegde, zoodat de getalsterkte thans twee honderdvijftig welgewapende en strijdlustige mannen bedroeg.

Met het oog op de onberekenbare diensten vroeger door hen bewezen, had de graaf de drie jagers verzocht hem te willen vergezellen; en het zou hem zeer aangenaam zijn geweest zulke onverschrokken kameraden, maar vooral zulke veilige gidsen tot opsporing der Indianen in de hem onbekende wildernis bij zich te hebben; maar don Louis en zijne twee vrienden hadden dit vereerend verzoek zoowel als de daarbij toegezegde schitterende belooningen stellig van de hand gewezen, zonder andere redenen voor hunne weigering op te geven dan dat zij hunne reis noodzakelijk moesten vervolgen, zoodat er niet verder van gesproken werd en zij nog denzelfden dag van den graaf afscheid namen.

Diensvolgens moest de graaf zich met den capataz en zijne peons vergenoegen; ongelukkigerwijs waren al deze mannencostenos, dat is kustbewoners, en dus weinig of in ’t geheel niet bekend met het zoogenoemdeterra a dentroof binnenland.

Onder geleide dezer onervaren gidsen was de graaf uit Guetzalli vertrokken den weg inslaande naar het onmetelijk Apacheria.

De onderneming was aanvankelijk niet ongelukkig geweest; binnen de drie eerste dagen werden de Apachen tweemaal door de Franschen achterhaald, overrompeld en geslagen en zonder genade zooveel zij onder hun bereik kwamen in de pan gehakt.

De graaf had daarbij geen gevangenen willen maken, en om den barbaren schrik in te boezemen, al de Indianen die levend in handen der Franschen vielen, onbarmhartig laten doodschieten of aan boomen ophangen.

Evenwel, na deze twee voor hen zoo noodlottige ontmoetingen hadden de Indianen er zoo ’t scheen den schrik van gekregen, en was het den Franschen ondanks al hunne pogingen niet gelukt hen andermaal tot staan te brengen. De onverbiddelijke tucht door den graaf op hen toegepast scheen niet alleen doel te hebben getroffen, maar zelfs verder te zijn gegaan dan hij wenschte, daar de Apachen zich niet meer lieten zien.

Ongeveer drie weken lang had de graaf hun spoor gezocht zonder het te kunnen ontdekken.

Eindelijk echter, midden op den dag vóór dien waarmede, dit hoofdstuk begint, vertoonde zich in de verte op eens een troep van zeven of acht honderd paarden, schijnbaar geheel los en onbereden, want volgens een niet ongewone Indiaansche list lieten de ruiters zich bijna geheel onzichtbaar aan de eene zijde van hun paard afhangen; de troep naderde snel, bereikte binnen weinige minuten de bouwvallen der stad en kwam in vliegenden galop op de Casa Grande af.

Eene losbranding uit klein geweer van achter de in der haast opgeworpen barrikaden, bracht wel is waar wanorde in de gelederen[162]der aanstormende kolonne, maar kon haar onbeteugelde vaart niet stuiten, zoodat de schok voor de Franschen vreeselijk zou zijn.

In een oogwenk had zich daarbij het aanzien der gansche bende veranderd. Al de Apachen hadden zich met bliksemsnelheid opgericht, en nu zag men hen, het half naakte lijf met blauwe en gele strepenbeschilderd, het hoofd met de groote vederbossen bekroond, de lange bisonsmantels van hun schouder golvend op den wind, de gespannen boog in de hand, en hunne paarden met de knieën besturende, komen aanrennen, inderdaad in eene houding vol heldenzwier en met een vertoon van krijgshaftigheid die wel in staat was om den dapperste te doen vervaren.

De Franschen wachtten hen echter onverschrokken af, al werden zij schier doof door den vreeselijken oorlogskreet, dien hunne vijanden aanhieven en blind door een wolk van pijlen, die dicht als hagel rondom hen nederkletterden.

Maar de Apachen verlangden evenmin als de Franschen eene bloote schermutseling, het was hun om een beslissenden strijd te doen. Als bij onderlinge afspraak vielen zij op elkander aan met blank geweer.

Te midden dier Indiaansche krijgers was de Zwarte-Beer gemakkelijk te onderkennen aan zijne hooge vederbos en de prachtige arendspennen die er uit opstaken. Het opperhoofd vuurde de zijnen aan om over de jongst geleden nederlagen wraak te nemen door zich van deCasa Grandemeester te maken. Alsnu volgde er een van die vreeselijke Amerikaansche grensgevechten, in welke met zooveel verbittering gestreden wordt dat niemand gevangenen maakt of kwartier geeft, en de beide partijen wreedheden begaan die alle beschrijving tarten. Debolas perdidas2, de bajonet en de lans waren de eenigste wapenen die men bezigde. Dit gevecht, daar de Indianen gedurig versterking kregen, had reeds bijna twee uren geduurd en de verdedigers achter de barrikaden lieten zich liever dooden dan een duimbreed te wijken.

In de hoop dat de Indianen door zulk een langen en hardnekkigen wederstand vermoeid, weldra zouden aftrekken, daar zij reeds schenen te verslappen, verdubbelden de Franschen hunne pogingen, toen zij achter zich op eens den kreet hoorden opgaan:

»Verraad! verraad!”

De graaf en de capataz, die in de voorste gelederen der vrijwilligers en peons vochten als leeuwen, keken om.

Hun toestand werd inderdaad hachelijk, de Franschen zagen zich letterlijk tusschen twee vuren gebracht, daar de Kleine-Panter met een vijftigtal ruiters de stelling was omgetrokken en achter de barrikaden naar binnen drong. Dronken van vreugde dat alles hun zoo goed gelukte, hieven de Roodhuiden een triumfkreet aan die de lucht deed weergalmen.[163]

De graaf liet den blik beslissend over het slagveld rondgaan, zijn plan was onmiddellijk vastgesteld.

Hij sprak eenige woorden met den capataz, die zich weder aan het hoofd der strijders stelde, hun voorschreef wat zij te doen hadden en het gunstig oogenblik afwachtte om ten uitvoer te brengen wat hij met den graaf had afgesproken.

Deze liet intusschen zijn tijd niet ongebruikt voorbijgaan, hij nam een vaatje kruid, stak er een brandende lont in en wierp het midden in den dichtsten drom der Indianen, waar het bijna oogenblikkelijk ontplofte en eene vreeselijke verwoesting aanrichtte.

De Apachen stoven uit elkander en vloden in alle richtingen om door deze nieuwe soort van bommen niet verder verpletterd te worden.

Van dit gunstig oogenblik maakten de belegerden behendig gebruik; op order van den capataz keerden zij zich om en rukten in den stormpas op de Apachen van den Kleine-Panter los, die slechts weinige ellen van hen verwijderd waren, en met hunne vreeselijke knodsen alles neerbeukten wat hun in den weg kwam.

Het terrein was niet gunstig voor de Indianen, die in een nauw slop tusschen muren samengedrongen, met hunne paarden niet geschikt konden manoeuvreeren; maar toch, de Kleine-Panter en zijne Apachen stormden voorwaarts met een huilenden oorlogskreet.

De Franschen, even behendig en dapper als hunne tegenstanders maakten halt en wachtten met gevelde bajonet onversaagd den verpletterenden ruiterdrom af die in vliegenden galop op hen aankwam.

De schok was vreeselijk, maar de Roodhuiden werden overhoop geworpen. Weldra geraakten zij geheel in verwarring, en namen zij in alle richtingen de vlucht.

De graaf liet hen door eenige peons te paard nazetten, die hen dicht op de hielen vervolgden en niet voor den avond terugkeerden.

De Apachen hadden zich eerst eenige mijlen verder weder kunnen vereenigen en waren toen rustig naar de woestijn afgetrokken.

De graaf ofschoon wel voldaan over de behaalde overwinning, want het verlies des vijands was ontzettend groot, beschouwde haar echter niet als beslissend, vooral daar de Zwarte-Beer hem ontsnapt was, en wat meer zegt, daar hij zijn doel niet had bereikt, namelijk het terugvinden van don Sylva en zijne dochter, die hij gezworen had te zullen redden.

Hij gaf zijnecuadrilla(bende) order zich gereed te houden om op te breken, en liet de noodige maatregelen nemen tot het verzekeren van zijn aanstaanden tocht door de wildernis.

Reeds den volgenden morgen zouden de Franschen bepaald hunne stelling in deCasa Grandeverlaten.

De graaf vierde met zijne officieren de luisterrijke overwinning van den vorigen dag, en stelde juist een dronk in op het welslagen der onderneming op den volgenden.[164]

Opgewonden door de menigte toasten die hij gedronken had en inzonderheid door de hoop op een goeden uitslag eerlang te voorzien, was de graaf in de allerbeste luim om den zonderlingen gast te ontvangen, dien de oude onderofficier op zijn eigen verantwoording gewaagd had bij hem aan te dienen.

»En wat is dat voor een slag van een man?” vroeg hij, toen de andere zijn boodschap zoo goed of kwaad mogelijk had voorgedragen.

»In ernst, kapitein,” antwoordde de wachtmeester, »zoo veel ik heb kunnen zien, schijnt de kerel nog tamelijk jong, welgemaakt van lijf en leden en vooral begaafd met eene zeldzame vrijpostigheid, om er niets meer van te zeggen.”

De graaf de Lhorailles dacht een oogenblik na.

»Zal ik hem maar laten doodschieten, kapitein,” vroeg de soldaat, die dit stilzwijgen voor eene veroordeeling aanzag.

»Peste! wat slaat gij door, Boilaud,” riep de graaf terwijl hij lachend opkeek. »Volstrekt niet, wij mogen van geluk spreken dat die kerel bij ons kwam. Breng hem integendeel hier, en met de meest mogelijke beleefdheid.”

De wachtmeester boog en verwijderde zich.

»Mijne heeren,” zei de graaf, »gij herinnert u zeker die aanranding wel te Guaymas, daar ik bijna het slachtoffer van werd; die geheimzinnige zaak is mij altijd een raadsel geweest, dat ik niet heb kunnen ontsluieren. De man die mij thans verlangt te spreken komt mij zeker, dat voel ik vooruit, eenige ophelderingen geven over dat tot hiertoe zoo onverklaarbaar feit.”

»Señorconde, neem u in acht,” zeide de capataz, »gij kent de lieden in dit land nog niet; die man komt misschien veeleer om u een nieuwen strik te spannen.”

»Waarom zou hij dat?”

»Quien sabe!”—wie weet,—antwoordde Blas Vasquez met eene gewone Spaansche spreekwijs, die alles beteekenen kan en zich onmogelijk in onze taal laat weêrgeven.

»Ba, ba!” riep de graaf, »laat het gerust aan mij over dien spitsboef te ontmaskeren, als hij, wat ik niet denk, soms een spion is.”

De capataz vergenoegde zich met even de schouders op te halen; de graaf was een van die menschen, wier stellige en hooggestemde manier van spreken geen tegenwerping duldt en alle redeneering onmogelijk maakt.

De Europeanen en vooral de Franschen, nemen in Amerika tegenover de inboorlingen, zoo blanken als mestiezen en Roodhuiden, een toon van hooghartigheid en minachting aan die in al hunne daden en woorden doorstraalt; bewust van hunne verstandelijke meerderheid boven de inwoners des lands, toonen zij hun een beleedigend soort van medelijden en scheppen behagen om hen gedurig belachelijk te maken, te spotten met hunne gewoonten of denkwijzen, en hun ten slotte slechts een min of meer ontwikkeld instinct toe te kennen dan de dieren bezitten.[165]

Dit gevoelen is niet alleen onbillijk, maar tevens geheel bezijden de waarheid. De Spaansch-Amerikanen zijn wel is waar zeer achterlijk wat wetenschappelijke beschaving, nijverheid, werktuigkunde enz. betreft; de ontwikkeling der maatschappij gaat bij hen traag vooruit, daar zij gedurig belemmerd wordt door het veelsoortig bijgeloof dat nevens en met hun geloof opschiet, maar men kan deze lieden niet aansprakelijk stellen voor een staat van zaken die hun zelven mishaagt en waarvan alleen de Spanjaarden de schuld zijn, door het heillooze stelsel van onderdrukking en vernedering, in één woord de looden dwingelandij, die meer dan drie eeuwen op de bevolking heeft gewogen en haar zwoegende onder het juk van trotsche en onverbiddelijke meesters, het karakter van listige, bedriegelijke en lafhartige slaven heeft ingedrukt.

Op enkele zeldzame en loffelijke uitzonderingen na betreft dit inzonderheid de Indianen, want de blanken zijn sedert de laatste jaren op den weg der beschaving met reuzenschreden vooruitgegaan, maar de massa der Indiaansche bevolking, is bepaald listig, oneerlijk en slecht.

Om die reden wordt dan ook de Europeaan wanneer hij zich tegenover een kleurling bevindt, ondanks de verstandelijke meerderheid waarmede hij zich vleit, steeds onvermijdelijk het slachtoffer der list en ontrouw van laatstgenoemden.

Intusschen geldt het inSpaansch-Amerikaschier als een geloofsartikel, dat de Indianen en mestiezen arme stumpers zijn, zonder redelijk begrip en alleen begaafd met het noodige verstand om van den eenen dag op den anderen te leven, terwijl de hoogmoedige blanken zich bij uitsluiting den titel geven vangente de razon—redelijke menschen.

Wij moeten hier bijvoegen dat deze hooge dunk bij den Europeaan, na eenige jaren in Amerika te hebben vertoefd merkelijk wordt gewijzigd en dat hij eindelijk geheel anders over de kleurlingen leert denken,naarmate hij beter met den landaard bekend wordt en dagelijks met de mestiezen in aanraking komt. Maar de graaf de Lhorailles was nog zoo ver niet; hij zag in een Indiaan of mesties nog altoos weinig meer dan een redeloos dier, en ging met hen naar dit valsche oogpunt te werk.

Deze dwaling zou later voor hem zeer ernstige en schadelijke gevolgen hebben, gelijk wij nader zien zullen.

De graaf de Lhorailles had het schouderophalen van den capataz niet onopgemerkt gelaten; en was juist gereed hem te antwoorden toen de wachtmeester binnenkwam, gevolgd door den vreemdeling, op wien zich terstond aller oogen vestigden.

De onbekende stond dit kruisvuur van blikken ongehinderd door, en zonder zich van den mantel te ontdoen in welks ruime plooien hij bijna geheel verborgen was, groette hij de aanwezigen met onbetaalbare koelzinnigheid en zwier.[166]

De onverwachte komst van dezen man in de feestzaal maakte bij de gasten een alleronaangenaamsten indruk, daar zij zich geen rekenschap van wisten te geven maar die hen plotseling deed verstommen.

1Een kustlander, in onderscheiding van de inwoners in het binnenland.↑2Zeker oorlogstuig uit een lederen riem bestaande, aan ieder eind met een looden kogel.↑

1Een kustlander, in onderscheiding van de inwoners in het binnenland.↑2Zeker oorlogstuig uit een lederen riem bestaande, aan ieder eind met een looden kogel.↑

1Een kustlander, in onderscheiding van de inwoners in het binnenland.↑

1Een kustlander, in onderscheiding van de inwoners in het binnenland.↑

2Zeker oorlogstuig uit een lederen riem bestaande, aan ieder eind met een looden kogel.↑

2Zeker oorlogstuig uit een lederen riem bestaande, aan ieder eind met een looden kogel.↑


Back to IndexNext