[Inhoud]XVII.DE MESTIES.Het stilzwijgen, dat al te lang dreigde te zullen duren, begon voor al de aanwezigen lastig te worden. De graaf de Lhorailles begreep zulks. Edelman door merg en been, dat wil zeggen, gewoon om de meest bijzondere en moeielijkste toestanden dadelijk te beheerschen, stond hij op, naderde met een glimlach op de lippen den vreemdeling, reikte hem de hand, en zich toen tot zijne officieren wendende, zeide hij met een allerhoffelijkste buiging en op een toon die zich onmogelijk laat beschrijven:»Mijne heeren, mag ik zoo vrij zijn u dezen caballero voor te stellen, wiens naam mij tot dusver onbekend is, maar die volgens zijne eigene verklaring een mijner intiemste vijanden moet zijn.”»O! mijnheer de graaf,” riep de onbekende met eene half gesmoorde stem.»Vive Dios! ik ben er van gecharmeerd,” riep de graaf, »zoek u toch niet te verdedigen, mijn allerwaardste vijand, en neem hier nevens mij plaats, als ik u verzoeken mag.”»Uw vijand,” herhaalde de vreemdeling, »die ben ik nooit geweest, mijnheer de graaf; en het beste bewijs is, dat ik twee honderd mijlen ver heb gereisd om u een dienst te komen verzoeken.”»Zij is u bij voorraad toegestaan,” zei de graaf. »Dus de ernstige zaken tot morgen; neem vooreerst deze champagne, als ’t u b’lieft.”De onbekende boog, nam het glas, groette de aanwezigen en zei:»Señores, ik drink het welslagen uwer onderneming.”Hij zette het glas aan zijne lippen en ledigde het in een enkelen teug.»Gij zijt een uitmuntende kameraad, caballero, ik dank u voor uw toast, zij belooft ons alles goeds.”»Wees toch zoo goed, heer kapitein,” riep de luitenant, »en breng ons hoe eerder hoe liever op de hoogte van uwe charmante betrekkingen met dezen caballero.”»Dat zou ik volgaarne doen,señores, maar dan moet ik dezen caballero, daar hij toch zoo dringend heeft verlangd mij te spreken, vooraf verzoeken zijn incognito te breken, dat, dunkt mij, reeds al te lang geduurd heeft, en hem in de gelegenheid stellen ons zijn naam te zeggen, opdat wij weten wien wij de eer hebben te ontvangen.”[167]De onbekende begon te lachen, liet de slip van zijn mantel vallen, die tot hiertoe zijn gelaat bedekt had, en antwoordde:»Met alle genoegen, caballeros, maar ik geloof dat mijn naam evenmin als mijn gelaat u iets leeren zal. Wij hebben elkaar slechts eenmaal ontmoet,señorconde, en toen was het donkere nacht, en het gesprek tusschen u en mijn kameraad zoo levendig dat mijne trekken, zoo gij ze al hebt kunnen zien, u niet diep in het geheugen zullen zijn geprent.”»Inderdaad,señor,” hernam de graaf, die hem intusschen even nieuwsgierig als nauwlettend had opgenomen, »ik moet bekennen dat ik mij niet kan herinneren u reeds vroeger gezien te hebben.”»Dat wist ik wel.”»En waarom,” riep de graaf met drift, »waarom hebt gij dan uw aangezicht zoo zorgvuldig zoeken te verbergen?”»Ja! mijnheer de graaf, daarvoor had ik misschien mijne goede redenen; wie weet of het u niet te eeniger tijd berouwen zal mij een incognito te hebben doen breken, dat ik waarschijnlijk uit belangstelling in u, liever had willen bewaren.”Deze ingewikkelde verklaring werd op een gemengden toon van sarcasme en bedreiging uitgesproken, dien niemand ontgaan kon, ondanks de schijnbare onverschilligheid van den onbekende.»Het maakt weinig uit,señor,” zei de graaf hooghartig, »ik ben een van die menschen, die hun woord met den degen durven gestand doen; zeg mij dus zonder verdere omwegen en uitvluchten uw naam.”»Welken naam wilt gij van mij weten, caballero? mijn naam als krijgsman, mijn naam als avonturier, mijn naam als.….?”»Noem dien gij wilt!” riep de graaf ongeduldig, »als wij maar een naam van u mogen hooren.”De onbekende stond op en wierp een trotschen blik in het rond.»Toen ik deze zaal binnentrad, caballero,” begon hij met een ferme stem, »heb ik u gezegd dat ik twee honderd uren ver had gereisd om u een dienst of eene gunst te verzoeken, maar ik heb u bedrogen; ik verwacht niets van u, noch dienst noch gunst, integendeel ben ik het die u een dienst wil bewijzen, daarvoor kwam ik hier, en nergens anders om. Waartoe zou het dan dienen dat gij weet wie ik ben, of hoe ik heet, daar ik aan u geene verplichting zal hebben maar gij integendeel aan mij?”»Zooveel te meer reden, caballero, om u het masker af te lichten; ik wil uwe hoedanigheid als gast, die gij u hier eigendunkelijk aanmatigt, wel in zoover ontzien dat ik u niet met geweld zal dwingen tot hetgeen ik van u verlang, maar onthoud dit: dat ik vast besloten heb u niet aan te hooren en u verzoeken zal onmiddellijk heen te gaan, zoo gij nog langer weigert aan mijne billijke vordering te voldoen, en uw naam te zeggen.”»Gij zult er berouw van hebben,señorconde,” hervatte de vreemdeling met een spottenden grijns. »Een enkel woord nog; ik ben[168]bereid om mij zelven bekend te maken; maar aan u afzonderlijk, daar hetgeen ik u te zeggen heb door niemand gehoord mag worden dan door u.”»Wel duivelsch!” riep de luitenant Martin, »dat is bijna niet om te gelooven, zulk volhouden heb ik nog nooit bijgewoond.”»Ik weet niet of ik mij bedrieg,” beweerde de capataz slim, »maar ik ben zeker dat ik de ontdekking van het gewichtige geheim van dezen caballero grootelijks in den weg sta, en als hij voor iemand hier vreest, dan is het voor mij.”»Juist geraden,señordon Blas,” hervatte de vreemdeling met eene buiging; »zoo als gij ziet ken ik u. Overigens kent gij mij ook zeer goed, al is het op dit oogenblik, gelukkig voor mij, niet van aanzien, maar bij naam en faam. Welnu, te recht of ten onrechte ben ik overtuigd, dat als ik mijn naam in uwe tegenwoordigheid noemde, gij uw vriend zoudt zoeken over te halen mij niet aan te hooren.”»En wat zou er dan gebeuren?” vroeg de capataz hem in de rede vallende.»Een groot ongeluk waarschijnlijk” zei de vreemdeling met eene ferme stem; »wat gij er ook van zeggen of denken moogt, ik ga rond met u te werk, dat ziet gij. Ik wensch den heer graaf niet langer dan tien minuten alleen te spreken; daarna kan hij met het geheim dat ik hem mededeel en met het nieuws dat ik hem breng, doen wat hij goedvindt.”Er volgde een poosje stilte.De graaf de Lhorailles bespiedde metscherpzinnigen blik het onverstoorbaar gelaat van den onbekende en stond een poos in beraad.Eindelijk scheen de onbekende ongeduldig te worden; hij stond op, boog voor den graaf en vroeg:»Wat moet ik doen,señor, blijven of vertrekken?”De graaf wierp hem een doorborenden blik toe, dien de ander zonder de minste verlegenheid doorstond.»Blijf,” zei de graaf.»Goed,” hernam de onbekende en zette zich weder op zijnebutacca.»Mijne heeren,” vervolgde de Lhorailles tegen zijne gasten, »gij hebt het gehoord; ik neem de vrijheid u eenige minuten belet te geven.”De officieren stonden op en verwijderden zich zonder een woord te spreken. De capataz ging daarbij het laatste de zaal uit, na den onbekende een van die blikken te hebben toegeworpen, waarmede men iemands hart tot in de diepste plooien zoekt te bespieden. Maar even als vroeger bij den blik van den graaf, bleef het gelaat van den vreemdeling koud en onbewogen.»Welaan,señor,” hervatte de graaf de Lhorailles tegen zijn gast zoodra de deur gesloten was, »nu zijn wij alleen en wacht ik de vervulling uwer belofte.”[169]»Ik ben gereed u te voldoen.”»Wie zijt gij dan en hoe heet gij?”»Met uw verlof,monseñor,” antwoordde de vreemdeling op een toon van luchtige scherts, »als wij zoo voortgaan zullen wij veel tijd verliezen en zult gij ten slotte niets of althans zeer weinig van mij vernemen.”De graaf onderdrukte met moeite zijn opkomend ongeduld.»Vervolg dan maar zoo als gij zelf goedvindt,” zeide hij.»Goed, op die wijs zullen wij elkander spoedig verstaan.”»Ik luister al.”»Hoor dan,señor. Gij zijt in dit land vreemd; nauwelijks een paar jaar in Mexico kent gij weinig of niets van het karakter, de zeden of gebruiken der inwoners. Sterk door de meerdere kennis, die gij in uw eigen vaderland hebt opgedaan, dacht gij bij uwe komst in het onze dat hier alles naar uwe wenschen en begrippen moest geschieden, omdat zoo gij meent uw verstand het onze ver overtreft; volgens dit beginsel zijt gij te werk gegaan.”»Ter zake,señor, ter zake,” viel de graaf hem met ongeduld in de rede.»Zachtjes aan,señor, ik vervolg. Voortgeholpen door veelvermogende beschermers werdt gij reeds dadelijk in een allervoordeeligsten toestand geplaatst. Gij hebt een heerlijke kolonie gesticht in de rijkste provincie van Mexico aan de grenzen der woestijn; daarop hebt gij van de regeering den rang van kapitein gekregen, met het recht om eene vrij-kompagnie op te richten, samengesteld uit uwe eigene landgenooten en bijzonder bestemd om jacht te maken op de Apachen, Comanchen enz.; dat laat zich begrijpen, wij Mexicanen zijn daartoe veel te lafhartig.”»Señor,señor, ik moet u onder het oog brengen dat al wat gij mij daar zegt minstens overbodig is,” riep de graaf gebelgd.»Niet zoo overbodig als gij wel denkt;”hernam de andere altoos onverstoord; »maar houd u bedaard, ik heb gedaan, en ik kom eindelijk op het punt dat u bijzonder aanbelangt; ik heb u alleen willen doen zien dat, al kent gij mij niet, ik u daarentegen veel beter ken dan gij wel dacht.”Om niet in drift uit te breken sloeg de graaf met de vuist op de tafel en wiegelde onrustig met het rechter been over het linker.»Ik hervat,” vervolgde de onbekende. »Toen gij in Mexico aanlanddet hebt gij zeker hoe groot uwe eerzucht ook was, niet kunnen denken dat gij binnen zoo korten tijd zulk eene schitterende positie zoudt verwerven. Gemakkelijk verkregen fortuin is gevaarlijk; het te veel van gisteren is niet genoeg voor heden, en zoodra gij gezien hadt dat alles u zoo vlotte, hebt gij met een enkelen meesterlijken zet uw werk willen bekroonen en u voor altijd in veiligheid willen stellen tegen de nukken der fortuin, die heden uwe slavin is, maar morgen u wellicht den rug toekeert. Ik misprijs u niet,[170]verre van daar, gij hebt meesterlijk gespeeld en daar ik zelf een trage speler ben, weet ik in anderen een talent te waardeeren dat ik zelf niet bezit.”»O!” riep de graaf bijna opvliegend.»Geduld! nu ben ik er; toen hebt gij rondgezien en rustten uwe oogen natuurlijk op don Sylva de Torres. Die caballero was nu genegen en bezat al de hoedanigheden die gij in een schoonvader zocht, want uw eerste wensch was het sluiten van een rijk huwelijk. Wat dunkt u! valt gij mij nu nog wel in de rede? ik geloof dat uw eigen historie, die ik u vertel, u thans belang begint in te boezemen. Don Sylva is goed, is lichtgeloovig; wat meer zegt, is ontzaglijk rijk, zelfs voor dit land, waar de fortuinen zoo onmetelijk zijn; bovendien is zijne dochterdoñaAnita zeer schoon; kortom, gij hebt u bij don Sylva als vriend laten voorstellen, gij hebt hem om de hand zijner dochter gevraagd, en hij heeft u die toegestaan; het huwelijk had zelfs reeds eene maand geleden moeten gesloten zijn. Verdubbel thans uwe aandacht, caballero, want ik kom aan het belangrijkste gedeelte van mijn verhaal.”»Ga voort,señor, gij ziet wel dat ik voor uw verslag het noodige geduld overheb.”»Deze beleefdheid zal niet onbeloond blijven, caballero, stel u gerust,” riep de onbekende met eennauwelijksmerkbaren zweem van spotternij.»Ik heb haast om het slot te vernemen,señor.”»Hier is het: ongelukkig voor uwe plannen, wasdoñaAnita door haar vader op de keus van haar aanstaanden echtgenoot niet gehoord; sinds lang reeds beminde zij in ’t geheim een jongman die haar bij eene zekere gelegenheid een grooten dienst had bewezen.”»De naam van dien jongman is u zeer zeker bekend, niet waar?”»Ja,señor.”»Zeg hem mij.”»Nog niet; die man beminde haar wederkeerig. De beide jongelieden ontmoetten elkander buiten weten van don Sylva en zwoeren elkaar eene eeuwige liefde. ToendoñaAnita door haars vaders bevel gedwongen werd u als haar verloofde te beschouwen, veinsde zij te gehoorzamen, daar zij haar vader geen openlijken weêrstand durfde bieden; doch zij gaf er haar minnaar kennis van en na elkander opnieuw trouw te hebben gezworen, waren zij op een middel bedacht om dat noodlottige huwelijk te verbreken.”De graaf was intusschen reeds opgestaan en stapte met groote schreden de zaal op en neer; toen hij de laatste woorden hoorde, trad hij naar den onbekende.»Derhalve,” zeide hij op somberen toon, »was de aanranding in de Rancho.…”»Een middel door uw medeminnaar beraamd om zich van u te ontslaan, ja,señor, zoo is het,” antwoordde de vreemdeling bedaard.[171]»Die man is dus niets dan een ellendige moordenaar!” hernam de graaf met minachting.»Gij vergist u, caballero, hij wilde u alleen dwingen om hem het veld ruim te laten, een bewijs daarvan is dat hij, toen uw leven in zijne hand was, u niet heeft gedood.”»Enfin, moordenaar of geen moordenaar,” riep de graaf, »gij zult mij toch nu zijn naam wel willen noemen, want gij hebt uw verhaal uit, zoo ik meen.”»Nog niet. Na de ontmoeting in de Rancho zijt gij naar uwe hacienda vertrokken, vergezeld van uw aanstaanden schoonvader en zijne dochter; ook daar heeft de verloofde vandoñaAnita u geen rust gelaten, en hebben de Apachen u aangevallen.”»Wat meer?”»Nog meer? moet ik u dan alles uitleggen? Begrijpt gij dan niet dat die man met de Roodhuiden in verband stond?”»En wistdoñaAnita daarvan?”»Dat durf ik niet verzekeren, maar waarschijnlijk wel.”»O!”»Het was fijn gespeeld, niet waar?”De graaf verbeet zich de lippen dat er het bloed voorstond om niet uit te varen.»En gij weet door wiedoñaAnita is opgelicht?”»Dat weet ik.”»Niet door de Roodhuiden?”»Neen.”»Door dien man zeker?”»Ja, door hem.”»Maar haar vader don Sylva de Torres is ook opgelicht.”»Dat weet ik; maar dat was geheel tegen zijn zin, ik verzeker het u.”»Waar is don Sylva op dit oogenblik?”»Veilig en wel in zijn huis te Guaymas.”»Is zijne dochter bij hem?”»Neen.”»Dan is zij bij dezen man, niet waar?”»Gij gist als een waarzegger.”»En weet gij waar zij thans zijn?”»Dat weet ik.”Snel als een bliksemstraal sprong de graaf op den onbekende, greep hem met de linkerhand bij den kraag en zette hem met de rechter een pistool op de borst.»Thans, ellendeling,” brulde hij met eene rauwe stem, »zult gij mij zeggen waar zij zijn.”»Moeten wij dat soort van spel spelen!” riep de onbekende; »ga dan gerust uw gang, caballero.”Oogenblikkelijk zijn mantel openrukkende, zette hij den graaf met iedere hand een pistool op de borst.[172]Deze beweging van den onbekende was zoo snel, dat de graaf haar onmogelijk had kunnen beletten. Buitendien was deze reeds tot andere gedachten gekomen. Hij trok zijn wapen terug en stak het weder in zijn gordel.»Ik was dwaas,” prevelde hij, »vergeef mij die opwelling van toorn.”»Van ganscher harte,” antwoordde de onbekende terwijl hij de pistolen bedaard naast zich op de tafel legde.»Nogmaals verschooning,” hervatte de graaf; »nu ik nadenk over hetgeen gij mij gezegd hebt begin ik werkelijk te gelooven dat gij mij eene dienst wil bewijzen.”De onbekende boog toestemmend.»Maar één ding is er dat ik niet begrijp.”»Wat begrijpt gij niet?”»De wijze hoe gij dit alles zijt te weten gekomen.”»Dood eenvoudig.”»Gij zult mij verplichten door mij te zeggen hoe.”»Met genoegen, caballero. Twee mannen vielen u aan in de Rancho.”»Ja.”»Ik ben het die u op den grond wierp.”»Zoo,” zei de graaf op zonderlingen toon.»In één woord, ik heet Cuchares; ik ben lepero, dat wil zeggen ik hou meer van de zon dan van de schaduw, van de rust dan van den arbeid en van een dolksteek nu en dan, mits ik er voor betaald word, dan van een goede daad die mij niets opbrengt; begrijpt gij mij?”»Zeer goed.”»Dus verstaan wij elkander nu?”»Dat denk ik wel.”»Ik ook, en daarom ben ik juist hier gekomen.”»Nog eene vraag.”»Toegestaan.”»Maar op dit oogenblik verraadt gij immers uwe vrienden?”»Ik! Welke?”»Degenen die gij tot dusver gediend hebt.”»Een man als ik, caballero, heeft geene vrienden, hij heeft slechts cliënten.”»Cliënten of vrienden, gij speelt verraad met hen.”»Poeh! Wij hebben onze rekening gesloten; zij zijn mij niets meer schuldig en ik hun evenmin; wij zijn quit. Zoo als gij weet, caballero, iedere zaak heeft twee kanten, daar een bekwaam man gelijkelijk zijn voordeel mede weet te doen. Van den eenen heb ik alles gehaald wat ik kon, en nu wil ik eens zien wat mij de andere zal opleveren.”De graaf hoorde met gemengden schrik en verbazing deze zonderlinge[173]theorie van den lepero; zulk eene ruwe en onbeschaamde hondsvotterij deed hem tegen wil en dank huiveren, ofschoon de graaf de Lhorailles anders niet zeer gevoelig was.»Wij stellen dus dat gij hier komt om mij een dienst te bewijzen.”De lepero glimlachte.»Laten wij elkander wel verstaan: ik heb dat maar zoo gezegd, om het geweten te sparen van de caballeros die zich hier bevonden toen ik inkwam; maar tusschen u en mij zal ik openhartiger zijn.”»Dat wil zeggen?”.…»Dat ik hier ben gekomen om er u een te verkoopen.”»Goed.”»En duur te verkoopen.”»Goed.”»Heel duur.”»Dat maakt weinig uit, als het maar de moeite waard is.”»Komaan!” riep de lepero vroolijk, »gij zijt een man zoo als ik er juist een dacht te zullen vinden. Welnu, laat het dan maar aan mij over.”»Ik moet wel, omdat ik niet anders kan.”»Wat zoudt gij anders willen? Zoo gaat het in de wereld,vandaagis het mijne beurt, morgen de uwe. Bah! om eenige duizend piasters moet men niet knijzen.”»Dan vooreerst de naam van mijn mededinger.”»Die naam zal u vijftig oncen kosten, dat zeker niets te veel is.”»Daar zijn ze,” zei de graaf terwijl hij hem de goudstukken over de tafel toeschoof.De lepero deed ze oogenblikkelijk in een zijner diepe zakken verdwijnen.»Uw mededinger, caballero, heet don Martial; hij is Tigrero—tijgerjager—en, wat meer zegt, zeer rijk.”»Ik meen dien naam door don Sylva te hebben hooren noemen?”»Wel waarschijnlijk; don Sylva mag hem niet lijden, vooral niet omdat don Martial eens zijne dochter Anita het leven heeft gered.”»Inderdaad, ik herinner mij deze bijzonderheid; don Sylva heeft er mij meermalen van gesproken. Maar hoe heeft don Martial dat meisje ooit kunnen oplichten?”»Zeer gemakkelijk, te meer daar zij zelve verlangde hem te volgen. Terwijl gij met de Apachen aan ’t vechten waart bracht hijdoñaAnita in eene prauw, waarin ik haar vader bereids, gebonden en den mond gestopt, geborgen had; toen zijn wij met ons vieren vertrokken; wij hebben den ganschen nacht op de rivier gezwalkt om geen spoor van onze vlucht achter te laten, en met het krieken van den dag hadden wij ruim vijftien mijlen gemaakt. Wij vreesden toen niet meer ontdekt te zullen worden en gingen aan land; wij kochten paarden van demansos1Indianen. Don Martial gelastte mij den vader van het[174]meisje naar Guaymas te brengen, van welken plicht ik mij met eere gekweten heb. Don Sylva wilde mij niet goedschiks volgen, maar eindelijk kreeg ik hem toch behouden in zijn huis, waar ik hem gelaten heb, om mij weder bij don Martial te voegen die mij gelast had eenige dingen mede te brengen en mij daartoe op zeker afgesproken punt wachten zou.”»Zoo!” riep de graaf, »en waarom zijt gij dan van hem gescheiden?”»Mijn hemel! caballero, wij zijn gescheiden zoo als dat vaak met de beste vrienden gebeurt, door een nietig misverstand.”»Zeer goed; en hij heeft u weggejaagd.”»Zoo veel als weggejaagd, dat moet ik bekennen.”»Is het reeds lang sedert gij hem verlaten hebt?”De lepero kneep het rechteroog dicht.»Neen,” antwoordde hij.»Zoudt gij mij kunnen brengen waar hij zich thans bevindt?”»Ja, zoodra gij wilt.”»Zeer goed. Is het ver?”»Neen; maar met uw welnemen, caballero, eerst het een en dan het ander; wilt gij? vraag ik u.”»Wij zullen zien.”»Hoe veel geeft gij mij als ik u zeg waar don Martial endoñaAnita heen gevlucht zijn?”»Twee honderd oncen.”»Geef.”»Daar zijn ze.”De graaf nam eenige handen vol goud uit een ijzeren kistje dat in een hoek van de zaal stond en gaf ze aan den lepero.»Het is pleizierig om met zulke menschen te doen te hebben,” zei Cuchares terwijl hij met ongewone handigheid de nieuwe oncen bij de vorige stak. »Had ik geen gelijk toen ik u zeide dat ik u een dienst kwam bewijzen?”»’t Is waar, ik zeg u dank; waar zijn nu don Martial endoñaAnita?”»Zij zijn aan den zendingspost San Francisco.. en nu zal ik zoo vrij zijn om afscheid van u te nemen.”»Nog niet.”»Waarom niet?”»Om twee redenen: vooreerst omdat ik ondanks al het vertrouwen dat ik in u stel, volstrekt geen bewijs heb dat gij mij de waarheid hebt gezegd.”»O!” riep de lepero met eene afwijzende beweging.»Ik weet wel ik heb ongelijk, maar wat zal ik er tegen doen, ik ben nu eenmaal zoo wantrouwig van aard.”»Goed, dan blijf ik; maar uwe tweede reden.”»Luister, ik heb u nog een dienst te verzoeken.”[175]»Tegen betaling?”»Dat verstaat zich.”»Ik luister.”»Ik geef u honderd oncen als gij mij bij mijn mededinger wilt brengen.”»Canarios!” riep de lepero.»Honderd oncen,” herhaalde de graaf.»Ik versta u wel. Honderd oncen, ’t is een aardig bod! maar gij moet weten, caballero, ik ben eencosteno, en daarbij eenlepero. Het leven in de prairie deugt niet voor mijn gestel, het bederft mijn gezondheid. Ik heb gezworen het niet langer voort te zetten; de reis van hier naar San Francisco is moeielijk, wij moeten de groote woestijn door. Neen, caballero, alles wel ingezien is het onmogelijk.”»Dat spijt mij,” antwoordde de graaf onverschillig.»Ja?”»Omdat ik u,” vervolgde hij, »in plaats van honderd oncen twee honderd oncen zou gegeven hebben.”»Zoo!” riep Cuchares de ooren spitsend.»Maar, daar gij weigert, want gij weigert immers? zal ik tot mijn leedwezen verplicht zijn u te doen doodschieten.”»Wat b’lieft u?” schreeuwde de lepero bijna van schrik.»Mijn hemel!” hervatte de graaf goedhalzig, »hoor toch eens, mijn waarde, gij zijt zoo knap in zaken, wie weet, daar gij reeds twee kanten aan deze gevonden hebt, ben ik maar bang dat gij er misschien nog een derden aan zoudt ontdekken.”En eer Cuchares tijd had om het te beletten, maakte de graaf zich met een gezwinden greep meester van de twee pistolen die op de tafel lagen.De lepero ontstelde zichtbaar.»Met uw verlof, met uw geachte verlof, caballero,” riep hij met een haperende stem, »daar gij het zoo bepaald schijnt te verlangen, zou het mij razend veel leed doen als ik u teleurstelde, ik neem de twee honderd oncen aan.”»Mooi zoo!” riep de graaf. »Ja, ik wist ook wel dat wij het eindelijk samen eens zouden worden.”Hij ging naar het koffertje om het geld te krijgen, en moest daarbij den lepero den rug toekeeren, zoodat hij den zonderlingen spotlach niet zag die zich op diens lippen bewoog; ware dit anders geweest dan zou hij minder luid victorie gekraaid hebben.1Half beschaafde Indianen.↑
[Inhoud]XVII.DE MESTIES.Het stilzwijgen, dat al te lang dreigde te zullen duren, begon voor al de aanwezigen lastig te worden. De graaf de Lhorailles begreep zulks. Edelman door merg en been, dat wil zeggen, gewoon om de meest bijzondere en moeielijkste toestanden dadelijk te beheerschen, stond hij op, naderde met een glimlach op de lippen den vreemdeling, reikte hem de hand, en zich toen tot zijne officieren wendende, zeide hij met een allerhoffelijkste buiging en op een toon die zich onmogelijk laat beschrijven:»Mijne heeren, mag ik zoo vrij zijn u dezen caballero voor te stellen, wiens naam mij tot dusver onbekend is, maar die volgens zijne eigene verklaring een mijner intiemste vijanden moet zijn.”»O! mijnheer de graaf,” riep de onbekende met eene half gesmoorde stem.»Vive Dios! ik ben er van gecharmeerd,” riep de graaf, »zoek u toch niet te verdedigen, mijn allerwaardste vijand, en neem hier nevens mij plaats, als ik u verzoeken mag.”»Uw vijand,” herhaalde de vreemdeling, »die ben ik nooit geweest, mijnheer de graaf; en het beste bewijs is, dat ik twee honderd mijlen ver heb gereisd om u een dienst te komen verzoeken.”»Zij is u bij voorraad toegestaan,” zei de graaf. »Dus de ernstige zaken tot morgen; neem vooreerst deze champagne, als ’t u b’lieft.”De onbekende boog, nam het glas, groette de aanwezigen en zei:»Señores, ik drink het welslagen uwer onderneming.”Hij zette het glas aan zijne lippen en ledigde het in een enkelen teug.»Gij zijt een uitmuntende kameraad, caballero, ik dank u voor uw toast, zij belooft ons alles goeds.”»Wees toch zoo goed, heer kapitein,” riep de luitenant, »en breng ons hoe eerder hoe liever op de hoogte van uwe charmante betrekkingen met dezen caballero.”»Dat zou ik volgaarne doen,señores, maar dan moet ik dezen caballero, daar hij toch zoo dringend heeft verlangd mij te spreken, vooraf verzoeken zijn incognito te breken, dat, dunkt mij, reeds al te lang geduurd heeft, en hem in de gelegenheid stellen ons zijn naam te zeggen, opdat wij weten wien wij de eer hebben te ontvangen.”[167]De onbekende begon te lachen, liet de slip van zijn mantel vallen, die tot hiertoe zijn gelaat bedekt had, en antwoordde:»Met alle genoegen, caballeros, maar ik geloof dat mijn naam evenmin als mijn gelaat u iets leeren zal. Wij hebben elkaar slechts eenmaal ontmoet,señorconde, en toen was het donkere nacht, en het gesprek tusschen u en mijn kameraad zoo levendig dat mijne trekken, zoo gij ze al hebt kunnen zien, u niet diep in het geheugen zullen zijn geprent.”»Inderdaad,señor,” hernam de graaf, die hem intusschen even nieuwsgierig als nauwlettend had opgenomen, »ik moet bekennen dat ik mij niet kan herinneren u reeds vroeger gezien te hebben.”»Dat wist ik wel.”»En waarom,” riep de graaf met drift, »waarom hebt gij dan uw aangezicht zoo zorgvuldig zoeken te verbergen?”»Ja! mijnheer de graaf, daarvoor had ik misschien mijne goede redenen; wie weet of het u niet te eeniger tijd berouwen zal mij een incognito te hebben doen breken, dat ik waarschijnlijk uit belangstelling in u, liever had willen bewaren.”Deze ingewikkelde verklaring werd op een gemengden toon van sarcasme en bedreiging uitgesproken, dien niemand ontgaan kon, ondanks de schijnbare onverschilligheid van den onbekende.»Het maakt weinig uit,señor,” zei de graaf hooghartig, »ik ben een van die menschen, die hun woord met den degen durven gestand doen; zeg mij dus zonder verdere omwegen en uitvluchten uw naam.”»Welken naam wilt gij van mij weten, caballero? mijn naam als krijgsman, mijn naam als avonturier, mijn naam als.….?”»Noem dien gij wilt!” riep de graaf ongeduldig, »als wij maar een naam van u mogen hooren.”De onbekende stond op en wierp een trotschen blik in het rond.»Toen ik deze zaal binnentrad, caballero,” begon hij met een ferme stem, »heb ik u gezegd dat ik twee honderd uren ver had gereisd om u een dienst of eene gunst te verzoeken, maar ik heb u bedrogen; ik verwacht niets van u, noch dienst noch gunst, integendeel ben ik het die u een dienst wil bewijzen, daarvoor kwam ik hier, en nergens anders om. Waartoe zou het dan dienen dat gij weet wie ik ben, of hoe ik heet, daar ik aan u geene verplichting zal hebben maar gij integendeel aan mij?”»Zooveel te meer reden, caballero, om u het masker af te lichten; ik wil uwe hoedanigheid als gast, die gij u hier eigendunkelijk aanmatigt, wel in zoover ontzien dat ik u niet met geweld zal dwingen tot hetgeen ik van u verlang, maar onthoud dit: dat ik vast besloten heb u niet aan te hooren en u verzoeken zal onmiddellijk heen te gaan, zoo gij nog langer weigert aan mijne billijke vordering te voldoen, en uw naam te zeggen.”»Gij zult er berouw van hebben,señorconde,” hervatte de vreemdeling met een spottenden grijns. »Een enkel woord nog; ik ben[168]bereid om mij zelven bekend te maken; maar aan u afzonderlijk, daar hetgeen ik u te zeggen heb door niemand gehoord mag worden dan door u.”»Wel duivelsch!” riep de luitenant Martin, »dat is bijna niet om te gelooven, zulk volhouden heb ik nog nooit bijgewoond.”»Ik weet niet of ik mij bedrieg,” beweerde de capataz slim, »maar ik ben zeker dat ik de ontdekking van het gewichtige geheim van dezen caballero grootelijks in den weg sta, en als hij voor iemand hier vreest, dan is het voor mij.”»Juist geraden,señordon Blas,” hervatte de vreemdeling met eene buiging; »zoo als gij ziet ken ik u. Overigens kent gij mij ook zeer goed, al is het op dit oogenblik, gelukkig voor mij, niet van aanzien, maar bij naam en faam. Welnu, te recht of ten onrechte ben ik overtuigd, dat als ik mijn naam in uwe tegenwoordigheid noemde, gij uw vriend zoudt zoeken over te halen mij niet aan te hooren.”»En wat zou er dan gebeuren?” vroeg de capataz hem in de rede vallende.»Een groot ongeluk waarschijnlijk” zei de vreemdeling met eene ferme stem; »wat gij er ook van zeggen of denken moogt, ik ga rond met u te werk, dat ziet gij. Ik wensch den heer graaf niet langer dan tien minuten alleen te spreken; daarna kan hij met het geheim dat ik hem mededeel en met het nieuws dat ik hem breng, doen wat hij goedvindt.”Er volgde een poosje stilte.De graaf de Lhorailles bespiedde metscherpzinnigen blik het onverstoorbaar gelaat van den onbekende en stond een poos in beraad.Eindelijk scheen de onbekende ongeduldig te worden; hij stond op, boog voor den graaf en vroeg:»Wat moet ik doen,señor, blijven of vertrekken?”De graaf wierp hem een doorborenden blik toe, dien de ander zonder de minste verlegenheid doorstond.»Blijf,” zei de graaf.»Goed,” hernam de onbekende en zette zich weder op zijnebutacca.»Mijne heeren,” vervolgde de Lhorailles tegen zijne gasten, »gij hebt het gehoord; ik neem de vrijheid u eenige minuten belet te geven.”De officieren stonden op en verwijderden zich zonder een woord te spreken. De capataz ging daarbij het laatste de zaal uit, na den onbekende een van die blikken te hebben toegeworpen, waarmede men iemands hart tot in de diepste plooien zoekt te bespieden. Maar even als vroeger bij den blik van den graaf, bleef het gelaat van den vreemdeling koud en onbewogen.»Welaan,señor,” hervatte de graaf de Lhorailles tegen zijn gast zoodra de deur gesloten was, »nu zijn wij alleen en wacht ik de vervulling uwer belofte.”[169]»Ik ben gereed u te voldoen.”»Wie zijt gij dan en hoe heet gij?”»Met uw verlof,monseñor,” antwoordde de vreemdeling op een toon van luchtige scherts, »als wij zoo voortgaan zullen wij veel tijd verliezen en zult gij ten slotte niets of althans zeer weinig van mij vernemen.”De graaf onderdrukte met moeite zijn opkomend ongeduld.»Vervolg dan maar zoo als gij zelf goedvindt,” zeide hij.»Goed, op die wijs zullen wij elkander spoedig verstaan.”»Ik luister al.”»Hoor dan,señor. Gij zijt in dit land vreemd; nauwelijks een paar jaar in Mexico kent gij weinig of niets van het karakter, de zeden of gebruiken der inwoners. Sterk door de meerdere kennis, die gij in uw eigen vaderland hebt opgedaan, dacht gij bij uwe komst in het onze dat hier alles naar uwe wenschen en begrippen moest geschieden, omdat zoo gij meent uw verstand het onze ver overtreft; volgens dit beginsel zijt gij te werk gegaan.”»Ter zake,señor, ter zake,” viel de graaf hem met ongeduld in de rede.»Zachtjes aan,señor, ik vervolg. Voortgeholpen door veelvermogende beschermers werdt gij reeds dadelijk in een allervoordeeligsten toestand geplaatst. Gij hebt een heerlijke kolonie gesticht in de rijkste provincie van Mexico aan de grenzen der woestijn; daarop hebt gij van de regeering den rang van kapitein gekregen, met het recht om eene vrij-kompagnie op te richten, samengesteld uit uwe eigene landgenooten en bijzonder bestemd om jacht te maken op de Apachen, Comanchen enz.; dat laat zich begrijpen, wij Mexicanen zijn daartoe veel te lafhartig.”»Señor,señor, ik moet u onder het oog brengen dat al wat gij mij daar zegt minstens overbodig is,” riep de graaf gebelgd.»Niet zoo overbodig als gij wel denkt;”hernam de andere altoos onverstoord; »maar houd u bedaard, ik heb gedaan, en ik kom eindelijk op het punt dat u bijzonder aanbelangt; ik heb u alleen willen doen zien dat, al kent gij mij niet, ik u daarentegen veel beter ken dan gij wel dacht.”Om niet in drift uit te breken sloeg de graaf met de vuist op de tafel en wiegelde onrustig met het rechter been over het linker.»Ik hervat,” vervolgde de onbekende. »Toen gij in Mexico aanlanddet hebt gij zeker hoe groot uwe eerzucht ook was, niet kunnen denken dat gij binnen zoo korten tijd zulk eene schitterende positie zoudt verwerven. Gemakkelijk verkregen fortuin is gevaarlijk; het te veel van gisteren is niet genoeg voor heden, en zoodra gij gezien hadt dat alles u zoo vlotte, hebt gij met een enkelen meesterlijken zet uw werk willen bekroonen en u voor altijd in veiligheid willen stellen tegen de nukken der fortuin, die heden uwe slavin is, maar morgen u wellicht den rug toekeert. Ik misprijs u niet,[170]verre van daar, gij hebt meesterlijk gespeeld en daar ik zelf een trage speler ben, weet ik in anderen een talent te waardeeren dat ik zelf niet bezit.”»O!” riep de graaf bijna opvliegend.»Geduld! nu ben ik er; toen hebt gij rondgezien en rustten uwe oogen natuurlijk op don Sylva de Torres. Die caballero was nu genegen en bezat al de hoedanigheden die gij in een schoonvader zocht, want uw eerste wensch was het sluiten van een rijk huwelijk. Wat dunkt u! valt gij mij nu nog wel in de rede? ik geloof dat uw eigen historie, die ik u vertel, u thans belang begint in te boezemen. Don Sylva is goed, is lichtgeloovig; wat meer zegt, is ontzaglijk rijk, zelfs voor dit land, waar de fortuinen zoo onmetelijk zijn; bovendien is zijne dochterdoñaAnita zeer schoon; kortom, gij hebt u bij don Sylva als vriend laten voorstellen, gij hebt hem om de hand zijner dochter gevraagd, en hij heeft u die toegestaan; het huwelijk had zelfs reeds eene maand geleden moeten gesloten zijn. Verdubbel thans uwe aandacht, caballero, want ik kom aan het belangrijkste gedeelte van mijn verhaal.”»Ga voort,señor, gij ziet wel dat ik voor uw verslag het noodige geduld overheb.”»Deze beleefdheid zal niet onbeloond blijven, caballero, stel u gerust,” riep de onbekende met eennauwelijksmerkbaren zweem van spotternij.»Ik heb haast om het slot te vernemen,señor.”»Hier is het: ongelukkig voor uwe plannen, wasdoñaAnita door haar vader op de keus van haar aanstaanden echtgenoot niet gehoord; sinds lang reeds beminde zij in ’t geheim een jongman die haar bij eene zekere gelegenheid een grooten dienst had bewezen.”»De naam van dien jongman is u zeer zeker bekend, niet waar?”»Ja,señor.”»Zeg hem mij.”»Nog niet; die man beminde haar wederkeerig. De beide jongelieden ontmoetten elkander buiten weten van don Sylva en zwoeren elkaar eene eeuwige liefde. ToendoñaAnita door haars vaders bevel gedwongen werd u als haar verloofde te beschouwen, veinsde zij te gehoorzamen, daar zij haar vader geen openlijken weêrstand durfde bieden; doch zij gaf er haar minnaar kennis van en na elkander opnieuw trouw te hebben gezworen, waren zij op een middel bedacht om dat noodlottige huwelijk te verbreken.”De graaf was intusschen reeds opgestaan en stapte met groote schreden de zaal op en neer; toen hij de laatste woorden hoorde, trad hij naar den onbekende.»Derhalve,” zeide hij op somberen toon, »was de aanranding in de Rancho.…”»Een middel door uw medeminnaar beraamd om zich van u te ontslaan, ja,señor, zoo is het,” antwoordde de vreemdeling bedaard.[171]»Die man is dus niets dan een ellendige moordenaar!” hernam de graaf met minachting.»Gij vergist u, caballero, hij wilde u alleen dwingen om hem het veld ruim te laten, een bewijs daarvan is dat hij, toen uw leven in zijne hand was, u niet heeft gedood.”»Enfin, moordenaar of geen moordenaar,” riep de graaf, »gij zult mij toch nu zijn naam wel willen noemen, want gij hebt uw verhaal uit, zoo ik meen.”»Nog niet. Na de ontmoeting in de Rancho zijt gij naar uwe hacienda vertrokken, vergezeld van uw aanstaanden schoonvader en zijne dochter; ook daar heeft de verloofde vandoñaAnita u geen rust gelaten, en hebben de Apachen u aangevallen.”»Wat meer?”»Nog meer? moet ik u dan alles uitleggen? Begrijpt gij dan niet dat die man met de Roodhuiden in verband stond?”»En wistdoñaAnita daarvan?”»Dat durf ik niet verzekeren, maar waarschijnlijk wel.”»O!”»Het was fijn gespeeld, niet waar?”De graaf verbeet zich de lippen dat er het bloed voorstond om niet uit te varen.»En gij weet door wiedoñaAnita is opgelicht?”»Dat weet ik.”»Niet door de Roodhuiden?”»Neen.”»Door dien man zeker?”»Ja, door hem.”»Maar haar vader don Sylva de Torres is ook opgelicht.”»Dat weet ik; maar dat was geheel tegen zijn zin, ik verzeker het u.”»Waar is don Sylva op dit oogenblik?”»Veilig en wel in zijn huis te Guaymas.”»Is zijne dochter bij hem?”»Neen.”»Dan is zij bij dezen man, niet waar?”»Gij gist als een waarzegger.”»En weet gij waar zij thans zijn?”»Dat weet ik.”Snel als een bliksemstraal sprong de graaf op den onbekende, greep hem met de linkerhand bij den kraag en zette hem met de rechter een pistool op de borst.»Thans, ellendeling,” brulde hij met eene rauwe stem, »zult gij mij zeggen waar zij zijn.”»Moeten wij dat soort van spel spelen!” riep de onbekende; »ga dan gerust uw gang, caballero.”Oogenblikkelijk zijn mantel openrukkende, zette hij den graaf met iedere hand een pistool op de borst.[172]Deze beweging van den onbekende was zoo snel, dat de graaf haar onmogelijk had kunnen beletten. Buitendien was deze reeds tot andere gedachten gekomen. Hij trok zijn wapen terug en stak het weder in zijn gordel.»Ik was dwaas,” prevelde hij, »vergeef mij die opwelling van toorn.”»Van ganscher harte,” antwoordde de onbekende terwijl hij de pistolen bedaard naast zich op de tafel legde.»Nogmaals verschooning,” hervatte de graaf; »nu ik nadenk over hetgeen gij mij gezegd hebt begin ik werkelijk te gelooven dat gij mij eene dienst wil bewijzen.”De onbekende boog toestemmend.»Maar één ding is er dat ik niet begrijp.”»Wat begrijpt gij niet?”»De wijze hoe gij dit alles zijt te weten gekomen.”»Dood eenvoudig.”»Gij zult mij verplichten door mij te zeggen hoe.”»Met genoegen, caballero. Twee mannen vielen u aan in de Rancho.”»Ja.”»Ik ben het die u op den grond wierp.”»Zoo,” zei de graaf op zonderlingen toon.»In één woord, ik heet Cuchares; ik ben lepero, dat wil zeggen ik hou meer van de zon dan van de schaduw, van de rust dan van den arbeid en van een dolksteek nu en dan, mits ik er voor betaald word, dan van een goede daad die mij niets opbrengt; begrijpt gij mij?”»Zeer goed.”»Dus verstaan wij elkander nu?”»Dat denk ik wel.”»Ik ook, en daarom ben ik juist hier gekomen.”»Nog eene vraag.”»Toegestaan.”»Maar op dit oogenblik verraadt gij immers uwe vrienden?”»Ik! Welke?”»Degenen die gij tot dusver gediend hebt.”»Een man als ik, caballero, heeft geene vrienden, hij heeft slechts cliënten.”»Cliënten of vrienden, gij speelt verraad met hen.”»Poeh! Wij hebben onze rekening gesloten; zij zijn mij niets meer schuldig en ik hun evenmin; wij zijn quit. Zoo als gij weet, caballero, iedere zaak heeft twee kanten, daar een bekwaam man gelijkelijk zijn voordeel mede weet te doen. Van den eenen heb ik alles gehaald wat ik kon, en nu wil ik eens zien wat mij de andere zal opleveren.”De graaf hoorde met gemengden schrik en verbazing deze zonderlinge[173]theorie van den lepero; zulk eene ruwe en onbeschaamde hondsvotterij deed hem tegen wil en dank huiveren, ofschoon de graaf de Lhorailles anders niet zeer gevoelig was.»Wij stellen dus dat gij hier komt om mij een dienst te bewijzen.”De lepero glimlachte.»Laten wij elkander wel verstaan: ik heb dat maar zoo gezegd, om het geweten te sparen van de caballeros die zich hier bevonden toen ik inkwam; maar tusschen u en mij zal ik openhartiger zijn.”»Dat wil zeggen?”.…»Dat ik hier ben gekomen om er u een te verkoopen.”»Goed.”»En duur te verkoopen.”»Goed.”»Heel duur.”»Dat maakt weinig uit, als het maar de moeite waard is.”»Komaan!” riep de lepero vroolijk, »gij zijt een man zoo als ik er juist een dacht te zullen vinden. Welnu, laat het dan maar aan mij over.”»Ik moet wel, omdat ik niet anders kan.”»Wat zoudt gij anders willen? Zoo gaat het in de wereld,vandaagis het mijne beurt, morgen de uwe. Bah! om eenige duizend piasters moet men niet knijzen.”»Dan vooreerst de naam van mijn mededinger.”»Die naam zal u vijftig oncen kosten, dat zeker niets te veel is.”»Daar zijn ze,” zei de graaf terwijl hij hem de goudstukken over de tafel toeschoof.De lepero deed ze oogenblikkelijk in een zijner diepe zakken verdwijnen.»Uw mededinger, caballero, heet don Martial; hij is Tigrero—tijgerjager—en, wat meer zegt, zeer rijk.”»Ik meen dien naam door don Sylva te hebben hooren noemen?”»Wel waarschijnlijk; don Sylva mag hem niet lijden, vooral niet omdat don Martial eens zijne dochter Anita het leven heeft gered.”»Inderdaad, ik herinner mij deze bijzonderheid; don Sylva heeft er mij meermalen van gesproken. Maar hoe heeft don Martial dat meisje ooit kunnen oplichten?”»Zeer gemakkelijk, te meer daar zij zelve verlangde hem te volgen. Terwijl gij met de Apachen aan ’t vechten waart bracht hijdoñaAnita in eene prauw, waarin ik haar vader bereids, gebonden en den mond gestopt, geborgen had; toen zijn wij met ons vieren vertrokken; wij hebben den ganschen nacht op de rivier gezwalkt om geen spoor van onze vlucht achter te laten, en met het krieken van den dag hadden wij ruim vijftien mijlen gemaakt. Wij vreesden toen niet meer ontdekt te zullen worden en gingen aan land; wij kochten paarden van demansos1Indianen. Don Martial gelastte mij den vader van het[174]meisje naar Guaymas te brengen, van welken plicht ik mij met eere gekweten heb. Don Sylva wilde mij niet goedschiks volgen, maar eindelijk kreeg ik hem toch behouden in zijn huis, waar ik hem gelaten heb, om mij weder bij don Martial te voegen die mij gelast had eenige dingen mede te brengen en mij daartoe op zeker afgesproken punt wachten zou.”»Zoo!” riep de graaf, »en waarom zijt gij dan van hem gescheiden?”»Mijn hemel! caballero, wij zijn gescheiden zoo als dat vaak met de beste vrienden gebeurt, door een nietig misverstand.”»Zeer goed; en hij heeft u weggejaagd.”»Zoo veel als weggejaagd, dat moet ik bekennen.”»Is het reeds lang sedert gij hem verlaten hebt?”De lepero kneep het rechteroog dicht.»Neen,” antwoordde hij.»Zoudt gij mij kunnen brengen waar hij zich thans bevindt?”»Ja, zoodra gij wilt.”»Zeer goed. Is het ver?”»Neen; maar met uw welnemen, caballero, eerst het een en dan het ander; wilt gij? vraag ik u.”»Wij zullen zien.”»Hoe veel geeft gij mij als ik u zeg waar don Martial endoñaAnita heen gevlucht zijn?”»Twee honderd oncen.”»Geef.”»Daar zijn ze.”De graaf nam eenige handen vol goud uit een ijzeren kistje dat in een hoek van de zaal stond en gaf ze aan den lepero.»Het is pleizierig om met zulke menschen te doen te hebben,” zei Cuchares terwijl hij met ongewone handigheid de nieuwe oncen bij de vorige stak. »Had ik geen gelijk toen ik u zeide dat ik u een dienst kwam bewijzen?”»’t Is waar, ik zeg u dank; waar zijn nu don Martial endoñaAnita?”»Zij zijn aan den zendingspost San Francisco.. en nu zal ik zoo vrij zijn om afscheid van u te nemen.”»Nog niet.”»Waarom niet?”»Om twee redenen: vooreerst omdat ik ondanks al het vertrouwen dat ik in u stel, volstrekt geen bewijs heb dat gij mij de waarheid hebt gezegd.”»O!” riep de lepero met eene afwijzende beweging.»Ik weet wel ik heb ongelijk, maar wat zal ik er tegen doen, ik ben nu eenmaal zoo wantrouwig van aard.”»Goed, dan blijf ik; maar uwe tweede reden.”»Luister, ik heb u nog een dienst te verzoeken.”[175]»Tegen betaling?”»Dat verstaat zich.”»Ik luister.”»Ik geef u honderd oncen als gij mij bij mijn mededinger wilt brengen.”»Canarios!” riep de lepero.»Honderd oncen,” herhaalde de graaf.»Ik versta u wel. Honderd oncen, ’t is een aardig bod! maar gij moet weten, caballero, ik ben eencosteno, en daarbij eenlepero. Het leven in de prairie deugt niet voor mijn gestel, het bederft mijn gezondheid. Ik heb gezworen het niet langer voort te zetten; de reis van hier naar San Francisco is moeielijk, wij moeten de groote woestijn door. Neen, caballero, alles wel ingezien is het onmogelijk.”»Dat spijt mij,” antwoordde de graaf onverschillig.»Ja?”»Omdat ik u,” vervolgde hij, »in plaats van honderd oncen twee honderd oncen zou gegeven hebben.”»Zoo!” riep Cuchares de ooren spitsend.»Maar, daar gij weigert, want gij weigert immers? zal ik tot mijn leedwezen verplicht zijn u te doen doodschieten.”»Wat b’lieft u?” schreeuwde de lepero bijna van schrik.»Mijn hemel!” hervatte de graaf goedhalzig, »hoor toch eens, mijn waarde, gij zijt zoo knap in zaken, wie weet, daar gij reeds twee kanten aan deze gevonden hebt, ben ik maar bang dat gij er misschien nog een derden aan zoudt ontdekken.”En eer Cuchares tijd had om het te beletten, maakte de graaf zich met een gezwinden greep meester van de twee pistolen die op de tafel lagen.De lepero ontstelde zichtbaar.»Met uw verlof, met uw geachte verlof, caballero,” riep hij met een haperende stem, »daar gij het zoo bepaald schijnt te verlangen, zou het mij razend veel leed doen als ik u teleurstelde, ik neem de twee honderd oncen aan.”»Mooi zoo!” riep de graaf. »Ja, ik wist ook wel dat wij het eindelijk samen eens zouden worden.”Hij ging naar het koffertje om het geld te krijgen, en moest daarbij den lepero den rug toekeeren, zoodat hij den zonderlingen spotlach niet zag die zich op diens lippen bewoog; ware dit anders geweest dan zou hij minder luid victorie gekraaid hebben.1Half beschaafde Indianen.↑
XVII.DE MESTIES.
Het stilzwijgen, dat al te lang dreigde te zullen duren, begon voor al de aanwezigen lastig te worden. De graaf de Lhorailles begreep zulks. Edelman door merg en been, dat wil zeggen, gewoon om de meest bijzondere en moeielijkste toestanden dadelijk te beheerschen, stond hij op, naderde met een glimlach op de lippen den vreemdeling, reikte hem de hand, en zich toen tot zijne officieren wendende, zeide hij met een allerhoffelijkste buiging en op een toon die zich onmogelijk laat beschrijven:»Mijne heeren, mag ik zoo vrij zijn u dezen caballero voor te stellen, wiens naam mij tot dusver onbekend is, maar die volgens zijne eigene verklaring een mijner intiemste vijanden moet zijn.”»O! mijnheer de graaf,” riep de onbekende met eene half gesmoorde stem.»Vive Dios! ik ben er van gecharmeerd,” riep de graaf, »zoek u toch niet te verdedigen, mijn allerwaardste vijand, en neem hier nevens mij plaats, als ik u verzoeken mag.”»Uw vijand,” herhaalde de vreemdeling, »die ben ik nooit geweest, mijnheer de graaf; en het beste bewijs is, dat ik twee honderd mijlen ver heb gereisd om u een dienst te komen verzoeken.”»Zij is u bij voorraad toegestaan,” zei de graaf. »Dus de ernstige zaken tot morgen; neem vooreerst deze champagne, als ’t u b’lieft.”De onbekende boog, nam het glas, groette de aanwezigen en zei:»Señores, ik drink het welslagen uwer onderneming.”Hij zette het glas aan zijne lippen en ledigde het in een enkelen teug.»Gij zijt een uitmuntende kameraad, caballero, ik dank u voor uw toast, zij belooft ons alles goeds.”»Wees toch zoo goed, heer kapitein,” riep de luitenant, »en breng ons hoe eerder hoe liever op de hoogte van uwe charmante betrekkingen met dezen caballero.”»Dat zou ik volgaarne doen,señores, maar dan moet ik dezen caballero, daar hij toch zoo dringend heeft verlangd mij te spreken, vooraf verzoeken zijn incognito te breken, dat, dunkt mij, reeds al te lang geduurd heeft, en hem in de gelegenheid stellen ons zijn naam te zeggen, opdat wij weten wien wij de eer hebben te ontvangen.”[167]De onbekende begon te lachen, liet de slip van zijn mantel vallen, die tot hiertoe zijn gelaat bedekt had, en antwoordde:»Met alle genoegen, caballeros, maar ik geloof dat mijn naam evenmin als mijn gelaat u iets leeren zal. Wij hebben elkaar slechts eenmaal ontmoet,señorconde, en toen was het donkere nacht, en het gesprek tusschen u en mijn kameraad zoo levendig dat mijne trekken, zoo gij ze al hebt kunnen zien, u niet diep in het geheugen zullen zijn geprent.”»Inderdaad,señor,” hernam de graaf, die hem intusschen even nieuwsgierig als nauwlettend had opgenomen, »ik moet bekennen dat ik mij niet kan herinneren u reeds vroeger gezien te hebben.”»Dat wist ik wel.”»En waarom,” riep de graaf met drift, »waarom hebt gij dan uw aangezicht zoo zorgvuldig zoeken te verbergen?”»Ja! mijnheer de graaf, daarvoor had ik misschien mijne goede redenen; wie weet of het u niet te eeniger tijd berouwen zal mij een incognito te hebben doen breken, dat ik waarschijnlijk uit belangstelling in u, liever had willen bewaren.”Deze ingewikkelde verklaring werd op een gemengden toon van sarcasme en bedreiging uitgesproken, dien niemand ontgaan kon, ondanks de schijnbare onverschilligheid van den onbekende.»Het maakt weinig uit,señor,” zei de graaf hooghartig, »ik ben een van die menschen, die hun woord met den degen durven gestand doen; zeg mij dus zonder verdere omwegen en uitvluchten uw naam.”»Welken naam wilt gij van mij weten, caballero? mijn naam als krijgsman, mijn naam als avonturier, mijn naam als.….?”»Noem dien gij wilt!” riep de graaf ongeduldig, »als wij maar een naam van u mogen hooren.”De onbekende stond op en wierp een trotschen blik in het rond.»Toen ik deze zaal binnentrad, caballero,” begon hij met een ferme stem, »heb ik u gezegd dat ik twee honderd uren ver had gereisd om u een dienst of eene gunst te verzoeken, maar ik heb u bedrogen; ik verwacht niets van u, noch dienst noch gunst, integendeel ben ik het die u een dienst wil bewijzen, daarvoor kwam ik hier, en nergens anders om. Waartoe zou het dan dienen dat gij weet wie ik ben, of hoe ik heet, daar ik aan u geene verplichting zal hebben maar gij integendeel aan mij?”»Zooveel te meer reden, caballero, om u het masker af te lichten; ik wil uwe hoedanigheid als gast, die gij u hier eigendunkelijk aanmatigt, wel in zoover ontzien dat ik u niet met geweld zal dwingen tot hetgeen ik van u verlang, maar onthoud dit: dat ik vast besloten heb u niet aan te hooren en u verzoeken zal onmiddellijk heen te gaan, zoo gij nog langer weigert aan mijne billijke vordering te voldoen, en uw naam te zeggen.”»Gij zult er berouw van hebben,señorconde,” hervatte de vreemdeling met een spottenden grijns. »Een enkel woord nog; ik ben[168]bereid om mij zelven bekend te maken; maar aan u afzonderlijk, daar hetgeen ik u te zeggen heb door niemand gehoord mag worden dan door u.”»Wel duivelsch!” riep de luitenant Martin, »dat is bijna niet om te gelooven, zulk volhouden heb ik nog nooit bijgewoond.”»Ik weet niet of ik mij bedrieg,” beweerde de capataz slim, »maar ik ben zeker dat ik de ontdekking van het gewichtige geheim van dezen caballero grootelijks in den weg sta, en als hij voor iemand hier vreest, dan is het voor mij.”»Juist geraden,señordon Blas,” hervatte de vreemdeling met eene buiging; »zoo als gij ziet ken ik u. Overigens kent gij mij ook zeer goed, al is het op dit oogenblik, gelukkig voor mij, niet van aanzien, maar bij naam en faam. Welnu, te recht of ten onrechte ben ik overtuigd, dat als ik mijn naam in uwe tegenwoordigheid noemde, gij uw vriend zoudt zoeken over te halen mij niet aan te hooren.”»En wat zou er dan gebeuren?” vroeg de capataz hem in de rede vallende.»Een groot ongeluk waarschijnlijk” zei de vreemdeling met eene ferme stem; »wat gij er ook van zeggen of denken moogt, ik ga rond met u te werk, dat ziet gij. Ik wensch den heer graaf niet langer dan tien minuten alleen te spreken; daarna kan hij met het geheim dat ik hem mededeel en met het nieuws dat ik hem breng, doen wat hij goedvindt.”Er volgde een poosje stilte.De graaf de Lhorailles bespiedde metscherpzinnigen blik het onverstoorbaar gelaat van den onbekende en stond een poos in beraad.Eindelijk scheen de onbekende ongeduldig te worden; hij stond op, boog voor den graaf en vroeg:»Wat moet ik doen,señor, blijven of vertrekken?”De graaf wierp hem een doorborenden blik toe, dien de ander zonder de minste verlegenheid doorstond.»Blijf,” zei de graaf.»Goed,” hernam de onbekende en zette zich weder op zijnebutacca.»Mijne heeren,” vervolgde de Lhorailles tegen zijne gasten, »gij hebt het gehoord; ik neem de vrijheid u eenige minuten belet te geven.”De officieren stonden op en verwijderden zich zonder een woord te spreken. De capataz ging daarbij het laatste de zaal uit, na den onbekende een van die blikken te hebben toegeworpen, waarmede men iemands hart tot in de diepste plooien zoekt te bespieden. Maar even als vroeger bij den blik van den graaf, bleef het gelaat van den vreemdeling koud en onbewogen.»Welaan,señor,” hervatte de graaf de Lhorailles tegen zijn gast zoodra de deur gesloten was, »nu zijn wij alleen en wacht ik de vervulling uwer belofte.”[169]»Ik ben gereed u te voldoen.”»Wie zijt gij dan en hoe heet gij?”»Met uw verlof,monseñor,” antwoordde de vreemdeling op een toon van luchtige scherts, »als wij zoo voortgaan zullen wij veel tijd verliezen en zult gij ten slotte niets of althans zeer weinig van mij vernemen.”De graaf onderdrukte met moeite zijn opkomend ongeduld.»Vervolg dan maar zoo als gij zelf goedvindt,” zeide hij.»Goed, op die wijs zullen wij elkander spoedig verstaan.”»Ik luister al.”»Hoor dan,señor. Gij zijt in dit land vreemd; nauwelijks een paar jaar in Mexico kent gij weinig of niets van het karakter, de zeden of gebruiken der inwoners. Sterk door de meerdere kennis, die gij in uw eigen vaderland hebt opgedaan, dacht gij bij uwe komst in het onze dat hier alles naar uwe wenschen en begrippen moest geschieden, omdat zoo gij meent uw verstand het onze ver overtreft; volgens dit beginsel zijt gij te werk gegaan.”»Ter zake,señor, ter zake,” viel de graaf hem met ongeduld in de rede.»Zachtjes aan,señor, ik vervolg. Voortgeholpen door veelvermogende beschermers werdt gij reeds dadelijk in een allervoordeeligsten toestand geplaatst. Gij hebt een heerlijke kolonie gesticht in de rijkste provincie van Mexico aan de grenzen der woestijn; daarop hebt gij van de regeering den rang van kapitein gekregen, met het recht om eene vrij-kompagnie op te richten, samengesteld uit uwe eigene landgenooten en bijzonder bestemd om jacht te maken op de Apachen, Comanchen enz.; dat laat zich begrijpen, wij Mexicanen zijn daartoe veel te lafhartig.”»Señor,señor, ik moet u onder het oog brengen dat al wat gij mij daar zegt minstens overbodig is,” riep de graaf gebelgd.»Niet zoo overbodig als gij wel denkt;”hernam de andere altoos onverstoord; »maar houd u bedaard, ik heb gedaan, en ik kom eindelijk op het punt dat u bijzonder aanbelangt; ik heb u alleen willen doen zien dat, al kent gij mij niet, ik u daarentegen veel beter ken dan gij wel dacht.”Om niet in drift uit te breken sloeg de graaf met de vuist op de tafel en wiegelde onrustig met het rechter been over het linker.»Ik hervat,” vervolgde de onbekende. »Toen gij in Mexico aanlanddet hebt gij zeker hoe groot uwe eerzucht ook was, niet kunnen denken dat gij binnen zoo korten tijd zulk eene schitterende positie zoudt verwerven. Gemakkelijk verkregen fortuin is gevaarlijk; het te veel van gisteren is niet genoeg voor heden, en zoodra gij gezien hadt dat alles u zoo vlotte, hebt gij met een enkelen meesterlijken zet uw werk willen bekroonen en u voor altijd in veiligheid willen stellen tegen de nukken der fortuin, die heden uwe slavin is, maar morgen u wellicht den rug toekeert. Ik misprijs u niet,[170]verre van daar, gij hebt meesterlijk gespeeld en daar ik zelf een trage speler ben, weet ik in anderen een talent te waardeeren dat ik zelf niet bezit.”»O!” riep de graaf bijna opvliegend.»Geduld! nu ben ik er; toen hebt gij rondgezien en rustten uwe oogen natuurlijk op don Sylva de Torres. Die caballero was nu genegen en bezat al de hoedanigheden die gij in een schoonvader zocht, want uw eerste wensch was het sluiten van een rijk huwelijk. Wat dunkt u! valt gij mij nu nog wel in de rede? ik geloof dat uw eigen historie, die ik u vertel, u thans belang begint in te boezemen. Don Sylva is goed, is lichtgeloovig; wat meer zegt, is ontzaglijk rijk, zelfs voor dit land, waar de fortuinen zoo onmetelijk zijn; bovendien is zijne dochterdoñaAnita zeer schoon; kortom, gij hebt u bij don Sylva als vriend laten voorstellen, gij hebt hem om de hand zijner dochter gevraagd, en hij heeft u die toegestaan; het huwelijk had zelfs reeds eene maand geleden moeten gesloten zijn. Verdubbel thans uwe aandacht, caballero, want ik kom aan het belangrijkste gedeelte van mijn verhaal.”»Ga voort,señor, gij ziet wel dat ik voor uw verslag het noodige geduld overheb.”»Deze beleefdheid zal niet onbeloond blijven, caballero, stel u gerust,” riep de onbekende met eennauwelijksmerkbaren zweem van spotternij.»Ik heb haast om het slot te vernemen,señor.”»Hier is het: ongelukkig voor uwe plannen, wasdoñaAnita door haar vader op de keus van haar aanstaanden echtgenoot niet gehoord; sinds lang reeds beminde zij in ’t geheim een jongman die haar bij eene zekere gelegenheid een grooten dienst had bewezen.”»De naam van dien jongman is u zeer zeker bekend, niet waar?”»Ja,señor.”»Zeg hem mij.”»Nog niet; die man beminde haar wederkeerig. De beide jongelieden ontmoetten elkander buiten weten van don Sylva en zwoeren elkaar eene eeuwige liefde. ToendoñaAnita door haars vaders bevel gedwongen werd u als haar verloofde te beschouwen, veinsde zij te gehoorzamen, daar zij haar vader geen openlijken weêrstand durfde bieden; doch zij gaf er haar minnaar kennis van en na elkander opnieuw trouw te hebben gezworen, waren zij op een middel bedacht om dat noodlottige huwelijk te verbreken.”De graaf was intusschen reeds opgestaan en stapte met groote schreden de zaal op en neer; toen hij de laatste woorden hoorde, trad hij naar den onbekende.»Derhalve,” zeide hij op somberen toon, »was de aanranding in de Rancho.…”»Een middel door uw medeminnaar beraamd om zich van u te ontslaan, ja,señor, zoo is het,” antwoordde de vreemdeling bedaard.[171]»Die man is dus niets dan een ellendige moordenaar!” hernam de graaf met minachting.»Gij vergist u, caballero, hij wilde u alleen dwingen om hem het veld ruim te laten, een bewijs daarvan is dat hij, toen uw leven in zijne hand was, u niet heeft gedood.”»Enfin, moordenaar of geen moordenaar,” riep de graaf, »gij zult mij toch nu zijn naam wel willen noemen, want gij hebt uw verhaal uit, zoo ik meen.”»Nog niet. Na de ontmoeting in de Rancho zijt gij naar uwe hacienda vertrokken, vergezeld van uw aanstaanden schoonvader en zijne dochter; ook daar heeft de verloofde vandoñaAnita u geen rust gelaten, en hebben de Apachen u aangevallen.”»Wat meer?”»Nog meer? moet ik u dan alles uitleggen? Begrijpt gij dan niet dat die man met de Roodhuiden in verband stond?”»En wistdoñaAnita daarvan?”»Dat durf ik niet verzekeren, maar waarschijnlijk wel.”»O!”»Het was fijn gespeeld, niet waar?”De graaf verbeet zich de lippen dat er het bloed voorstond om niet uit te varen.»En gij weet door wiedoñaAnita is opgelicht?”»Dat weet ik.”»Niet door de Roodhuiden?”»Neen.”»Door dien man zeker?”»Ja, door hem.”»Maar haar vader don Sylva de Torres is ook opgelicht.”»Dat weet ik; maar dat was geheel tegen zijn zin, ik verzeker het u.”»Waar is don Sylva op dit oogenblik?”»Veilig en wel in zijn huis te Guaymas.”»Is zijne dochter bij hem?”»Neen.”»Dan is zij bij dezen man, niet waar?”»Gij gist als een waarzegger.”»En weet gij waar zij thans zijn?”»Dat weet ik.”Snel als een bliksemstraal sprong de graaf op den onbekende, greep hem met de linkerhand bij den kraag en zette hem met de rechter een pistool op de borst.»Thans, ellendeling,” brulde hij met eene rauwe stem, »zult gij mij zeggen waar zij zijn.”»Moeten wij dat soort van spel spelen!” riep de onbekende; »ga dan gerust uw gang, caballero.”Oogenblikkelijk zijn mantel openrukkende, zette hij den graaf met iedere hand een pistool op de borst.[172]Deze beweging van den onbekende was zoo snel, dat de graaf haar onmogelijk had kunnen beletten. Buitendien was deze reeds tot andere gedachten gekomen. Hij trok zijn wapen terug en stak het weder in zijn gordel.»Ik was dwaas,” prevelde hij, »vergeef mij die opwelling van toorn.”»Van ganscher harte,” antwoordde de onbekende terwijl hij de pistolen bedaard naast zich op de tafel legde.»Nogmaals verschooning,” hervatte de graaf; »nu ik nadenk over hetgeen gij mij gezegd hebt begin ik werkelijk te gelooven dat gij mij eene dienst wil bewijzen.”De onbekende boog toestemmend.»Maar één ding is er dat ik niet begrijp.”»Wat begrijpt gij niet?”»De wijze hoe gij dit alles zijt te weten gekomen.”»Dood eenvoudig.”»Gij zult mij verplichten door mij te zeggen hoe.”»Met genoegen, caballero. Twee mannen vielen u aan in de Rancho.”»Ja.”»Ik ben het die u op den grond wierp.”»Zoo,” zei de graaf op zonderlingen toon.»In één woord, ik heet Cuchares; ik ben lepero, dat wil zeggen ik hou meer van de zon dan van de schaduw, van de rust dan van den arbeid en van een dolksteek nu en dan, mits ik er voor betaald word, dan van een goede daad die mij niets opbrengt; begrijpt gij mij?”»Zeer goed.”»Dus verstaan wij elkander nu?”»Dat denk ik wel.”»Ik ook, en daarom ben ik juist hier gekomen.”»Nog eene vraag.”»Toegestaan.”»Maar op dit oogenblik verraadt gij immers uwe vrienden?”»Ik! Welke?”»Degenen die gij tot dusver gediend hebt.”»Een man als ik, caballero, heeft geene vrienden, hij heeft slechts cliënten.”»Cliënten of vrienden, gij speelt verraad met hen.”»Poeh! Wij hebben onze rekening gesloten; zij zijn mij niets meer schuldig en ik hun evenmin; wij zijn quit. Zoo als gij weet, caballero, iedere zaak heeft twee kanten, daar een bekwaam man gelijkelijk zijn voordeel mede weet te doen. Van den eenen heb ik alles gehaald wat ik kon, en nu wil ik eens zien wat mij de andere zal opleveren.”De graaf hoorde met gemengden schrik en verbazing deze zonderlinge[173]theorie van den lepero; zulk eene ruwe en onbeschaamde hondsvotterij deed hem tegen wil en dank huiveren, ofschoon de graaf de Lhorailles anders niet zeer gevoelig was.»Wij stellen dus dat gij hier komt om mij een dienst te bewijzen.”De lepero glimlachte.»Laten wij elkander wel verstaan: ik heb dat maar zoo gezegd, om het geweten te sparen van de caballeros die zich hier bevonden toen ik inkwam; maar tusschen u en mij zal ik openhartiger zijn.”»Dat wil zeggen?”.…»Dat ik hier ben gekomen om er u een te verkoopen.”»Goed.”»En duur te verkoopen.”»Goed.”»Heel duur.”»Dat maakt weinig uit, als het maar de moeite waard is.”»Komaan!” riep de lepero vroolijk, »gij zijt een man zoo als ik er juist een dacht te zullen vinden. Welnu, laat het dan maar aan mij over.”»Ik moet wel, omdat ik niet anders kan.”»Wat zoudt gij anders willen? Zoo gaat het in de wereld,vandaagis het mijne beurt, morgen de uwe. Bah! om eenige duizend piasters moet men niet knijzen.”»Dan vooreerst de naam van mijn mededinger.”»Die naam zal u vijftig oncen kosten, dat zeker niets te veel is.”»Daar zijn ze,” zei de graaf terwijl hij hem de goudstukken over de tafel toeschoof.De lepero deed ze oogenblikkelijk in een zijner diepe zakken verdwijnen.»Uw mededinger, caballero, heet don Martial; hij is Tigrero—tijgerjager—en, wat meer zegt, zeer rijk.”»Ik meen dien naam door don Sylva te hebben hooren noemen?”»Wel waarschijnlijk; don Sylva mag hem niet lijden, vooral niet omdat don Martial eens zijne dochter Anita het leven heeft gered.”»Inderdaad, ik herinner mij deze bijzonderheid; don Sylva heeft er mij meermalen van gesproken. Maar hoe heeft don Martial dat meisje ooit kunnen oplichten?”»Zeer gemakkelijk, te meer daar zij zelve verlangde hem te volgen. Terwijl gij met de Apachen aan ’t vechten waart bracht hijdoñaAnita in eene prauw, waarin ik haar vader bereids, gebonden en den mond gestopt, geborgen had; toen zijn wij met ons vieren vertrokken; wij hebben den ganschen nacht op de rivier gezwalkt om geen spoor van onze vlucht achter te laten, en met het krieken van den dag hadden wij ruim vijftien mijlen gemaakt. Wij vreesden toen niet meer ontdekt te zullen worden en gingen aan land; wij kochten paarden van demansos1Indianen. Don Martial gelastte mij den vader van het[174]meisje naar Guaymas te brengen, van welken plicht ik mij met eere gekweten heb. Don Sylva wilde mij niet goedschiks volgen, maar eindelijk kreeg ik hem toch behouden in zijn huis, waar ik hem gelaten heb, om mij weder bij don Martial te voegen die mij gelast had eenige dingen mede te brengen en mij daartoe op zeker afgesproken punt wachten zou.”»Zoo!” riep de graaf, »en waarom zijt gij dan van hem gescheiden?”»Mijn hemel! caballero, wij zijn gescheiden zoo als dat vaak met de beste vrienden gebeurt, door een nietig misverstand.”»Zeer goed; en hij heeft u weggejaagd.”»Zoo veel als weggejaagd, dat moet ik bekennen.”»Is het reeds lang sedert gij hem verlaten hebt?”De lepero kneep het rechteroog dicht.»Neen,” antwoordde hij.»Zoudt gij mij kunnen brengen waar hij zich thans bevindt?”»Ja, zoodra gij wilt.”»Zeer goed. Is het ver?”»Neen; maar met uw welnemen, caballero, eerst het een en dan het ander; wilt gij? vraag ik u.”»Wij zullen zien.”»Hoe veel geeft gij mij als ik u zeg waar don Martial endoñaAnita heen gevlucht zijn?”»Twee honderd oncen.”»Geef.”»Daar zijn ze.”De graaf nam eenige handen vol goud uit een ijzeren kistje dat in een hoek van de zaal stond en gaf ze aan den lepero.»Het is pleizierig om met zulke menschen te doen te hebben,” zei Cuchares terwijl hij met ongewone handigheid de nieuwe oncen bij de vorige stak. »Had ik geen gelijk toen ik u zeide dat ik u een dienst kwam bewijzen?”»’t Is waar, ik zeg u dank; waar zijn nu don Martial endoñaAnita?”»Zij zijn aan den zendingspost San Francisco.. en nu zal ik zoo vrij zijn om afscheid van u te nemen.”»Nog niet.”»Waarom niet?”»Om twee redenen: vooreerst omdat ik ondanks al het vertrouwen dat ik in u stel, volstrekt geen bewijs heb dat gij mij de waarheid hebt gezegd.”»O!” riep de lepero met eene afwijzende beweging.»Ik weet wel ik heb ongelijk, maar wat zal ik er tegen doen, ik ben nu eenmaal zoo wantrouwig van aard.”»Goed, dan blijf ik; maar uwe tweede reden.”»Luister, ik heb u nog een dienst te verzoeken.”[175]»Tegen betaling?”»Dat verstaat zich.”»Ik luister.”»Ik geef u honderd oncen als gij mij bij mijn mededinger wilt brengen.”»Canarios!” riep de lepero.»Honderd oncen,” herhaalde de graaf.»Ik versta u wel. Honderd oncen, ’t is een aardig bod! maar gij moet weten, caballero, ik ben eencosteno, en daarbij eenlepero. Het leven in de prairie deugt niet voor mijn gestel, het bederft mijn gezondheid. Ik heb gezworen het niet langer voort te zetten; de reis van hier naar San Francisco is moeielijk, wij moeten de groote woestijn door. Neen, caballero, alles wel ingezien is het onmogelijk.”»Dat spijt mij,” antwoordde de graaf onverschillig.»Ja?”»Omdat ik u,” vervolgde hij, »in plaats van honderd oncen twee honderd oncen zou gegeven hebben.”»Zoo!” riep Cuchares de ooren spitsend.»Maar, daar gij weigert, want gij weigert immers? zal ik tot mijn leedwezen verplicht zijn u te doen doodschieten.”»Wat b’lieft u?” schreeuwde de lepero bijna van schrik.»Mijn hemel!” hervatte de graaf goedhalzig, »hoor toch eens, mijn waarde, gij zijt zoo knap in zaken, wie weet, daar gij reeds twee kanten aan deze gevonden hebt, ben ik maar bang dat gij er misschien nog een derden aan zoudt ontdekken.”En eer Cuchares tijd had om het te beletten, maakte de graaf zich met een gezwinden greep meester van de twee pistolen die op de tafel lagen.De lepero ontstelde zichtbaar.»Met uw verlof, met uw geachte verlof, caballero,” riep hij met een haperende stem, »daar gij het zoo bepaald schijnt te verlangen, zou het mij razend veel leed doen als ik u teleurstelde, ik neem de twee honderd oncen aan.”»Mooi zoo!” riep de graaf. »Ja, ik wist ook wel dat wij het eindelijk samen eens zouden worden.”Hij ging naar het koffertje om het geld te krijgen, en moest daarbij den lepero den rug toekeeren, zoodat hij den zonderlingen spotlach niet zag die zich op diens lippen bewoog; ware dit anders geweest dan zou hij minder luid victorie gekraaid hebben.
Het stilzwijgen, dat al te lang dreigde te zullen duren, begon voor al de aanwezigen lastig te worden. De graaf de Lhorailles begreep zulks. Edelman door merg en been, dat wil zeggen, gewoon om de meest bijzondere en moeielijkste toestanden dadelijk te beheerschen, stond hij op, naderde met een glimlach op de lippen den vreemdeling, reikte hem de hand, en zich toen tot zijne officieren wendende, zeide hij met een allerhoffelijkste buiging en op een toon die zich onmogelijk laat beschrijven:
»Mijne heeren, mag ik zoo vrij zijn u dezen caballero voor te stellen, wiens naam mij tot dusver onbekend is, maar die volgens zijne eigene verklaring een mijner intiemste vijanden moet zijn.”
»O! mijnheer de graaf,” riep de onbekende met eene half gesmoorde stem.
»Vive Dios! ik ben er van gecharmeerd,” riep de graaf, »zoek u toch niet te verdedigen, mijn allerwaardste vijand, en neem hier nevens mij plaats, als ik u verzoeken mag.”
»Uw vijand,” herhaalde de vreemdeling, »die ben ik nooit geweest, mijnheer de graaf; en het beste bewijs is, dat ik twee honderd mijlen ver heb gereisd om u een dienst te komen verzoeken.”
»Zij is u bij voorraad toegestaan,” zei de graaf. »Dus de ernstige zaken tot morgen; neem vooreerst deze champagne, als ’t u b’lieft.”
De onbekende boog, nam het glas, groette de aanwezigen en zei:
»Señores, ik drink het welslagen uwer onderneming.”
Hij zette het glas aan zijne lippen en ledigde het in een enkelen teug.
»Gij zijt een uitmuntende kameraad, caballero, ik dank u voor uw toast, zij belooft ons alles goeds.”
»Wees toch zoo goed, heer kapitein,” riep de luitenant, »en breng ons hoe eerder hoe liever op de hoogte van uwe charmante betrekkingen met dezen caballero.”
»Dat zou ik volgaarne doen,señores, maar dan moet ik dezen caballero, daar hij toch zoo dringend heeft verlangd mij te spreken, vooraf verzoeken zijn incognito te breken, dat, dunkt mij, reeds al te lang geduurd heeft, en hem in de gelegenheid stellen ons zijn naam te zeggen, opdat wij weten wien wij de eer hebben te ontvangen.”[167]
De onbekende begon te lachen, liet de slip van zijn mantel vallen, die tot hiertoe zijn gelaat bedekt had, en antwoordde:
»Met alle genoegen, caballeros, maar ik geloof dat mijn naam evenmin als mijn gelaat u iets leeren zal. Wij hebben elkaar slechts eenmaal ontmoet,señorconde, en toen was het donkere nacht, en het gesprek tusschen u en mijn kameraad zoo levendig dat mijne trekken, zoo gij ze al hebt kunnen zien, u niet diep in het geheugen zullen zijn geprent.”
»Inderdaad,señor,” hernam de graaf, die hem intusschen even nieuwsgierig als nauwlettend had opgenomen, »ik moet bekennen dat ik mij niet kan herinneren u reeds vroeger gezien te hebben.”
»Dat wist ik wel.”
»En waarom,” riep de graaf met drift, »waarom hebt gij dan uw aangezicht zoo zorgvuldig zoeken te verbergen?”
»Ja! mijnheer de graaf, daarvoor had ik misschien mijne goede redenen; wie weet of het u niet te eeniger tijd berouwen zal mij een incognito te hebben doen breken, dat ik waarschijnlijk uit belangstelling in u, liever had willen bewaren.”
Deze ingewikkelde verklaring werd op een gemengden toon van sarcasme en bedreiging uitgesproken, dien niemand ontgaan kon, ondanks de schijnbare onverschilligheid van den onbekende.
»Het maakt weinig uit,señor,” zei de graaf hooghartig, »ik ben een van die menschen, die hun woord met den degen durven gestand doen; zeg mij dus zonder verdere omwegen en uitvluchten uw naam.”
»Welken naam wilt gij van mij weten, caballero? mijn naam als krijgsman, mijn naam als avonturier, mijn naam als.….?”
»Noem dien gij wilt!” riep de graaf ongeduldig, »als wij maar een naam van u mogen hooren.”
De onbekende stond op en wierp een trotschen blik in het rond.
»Toen ik deze zaal binnentrad, caballero,” begon hij met een ferme stem, »heb ik u gezegd dat ik twee honderd uren ver had gereisd om u een dienst of eene gunst te verzoeken, maar ik heb u bedrogen; ik verwacht niets van u, noch dienst noch gunst, integendeel ben ik het die u een dienst wil bewijzen, daarvoor kwam ik hier, en nergens anders om. Waartoe zou het dan dienen dat gij weet wie ik ben, of hoe ik heet, daar ik aan u geene verplichting zal hebben maar gij integendeel aan mij?”
»Zooveel te meer reden, caballero, om u het masker af te lichten; ik wil uwe hoedanigheid als gast, die gij u hier eigendunkelijk aanmatigt, wel in zoover ontzien dat ik u niet met geweld zal dwingen tot hetgeen ik van u verlang, maar onthoud dit: dat ik vast besloten heb u niet aan te hooren en u verzoeken zal onmiddellijk heen te gaan, zoo gij nog langer weigert aan mijne billijke vordering te voldoen, en uw naam te zeggen.”
»Gij zult er berouw van hebben,señorconde,” hervatte de vreemdeling met een spottenden grijns. »Een enkel woord nog; ik ben[168]bereid om mij zelven bekend te maken; maar aan u afzonderlijk, daar hetgeen ik u te zeggen heb door niemand gehoord mag worden dan door u.”
»Wel duivelsch!” riep de luitenant Martin, »dat is bijna niet om te gelooven, zulk volhouden heb ik nog nooit bijgewoond.”
»Ik weet niet of ik mij bedrieg,” beweerde de capataz slim, »maar ik ben zeker dat ik de ontdekking van het gewichtige geheim van dezen caballero grootelijks in den weg sta, en als hij voor iemand hier vreest, dan is het voor mij.”
»Juist geraden,señordon Blas,” hervatte de vreemdeling met eene buiging; »zoo als gij ziet ken ik u. Overigens kent gij mij ook zeer goed, al is het op dit oogenblik, gelukkig voor mij, niet van aanzien, maar bij naam en faam. Welnu, te recht of ten onrechte ben ik overtuigd, dat als ik mijn naam in uwe tegenwoordigheid noemde, gij uw vriend zoudt zoeken over te halen mij niet aan te hooren.”
»En wat zou er dan gebeuren?” vroeg de capataz hem in de rede vallende.
»Een groot ongeluk waarschijnlijk” zei de vreemdeling met eene ferme stem; »wat gij er ook van zeggen of denken moogt, ik ga rond met u te werk, dat ziet gij. Ik wensch den heer graaf niet langer dan tien minuten alleen te spreken; daarna kan hij met het geheim dat ik hem mededeel en met het nieuws dat ik hem breng, doen wat hij goedvindt.”
Er volgde een poosje stilte.
De graaf de Lhorailles bespiedde metscherpzinnigen blik het onverstoorbaar gelaat van den onbekende en stond een poos in beraad.
Eindelijk scheen de onbekende ongeduldig te worden; hij stond op, boog voor den graaf en vroeg:
»Wat moet ik doen,señor, blijven of vertrekken?”
De graaf wierp hem een doorborenden blik toe, dien de ander zonder de minste verlegenheid doorstond.
»Blijf,” zei de graaf.
»Goed,” hernam de onbekende en zette zich weder op zijnebutacca.
»Mijne heeren,” vervolgde de Lhorailles tegen zijne gasten, »gij hebt het gehoord; ik neem de vrijheid u eenige minuten belet te geven.”
De officieren stonden op en verwijderden zich zonder een woord te spreken. De capataz ging daarbij het laatste de zaal uit, na den onbekende een van die blikken te hebben toegeworpen, waarmede men iemands hart tot in de diepste plooien zoekt te bespieden. Maar even als vroeger bij den blik van den graaf, bleef het gelaat van den vreemdeling koud en onbewogen.
»Welaan,señor,” hervatte de graaf de Lhorailles tegen zijn gast zoodra de deur gesloten was, »nu zijn wij alleen en wacht ik de vervulling uwer belofte.”[169]
»Ik ben gereed u te voldoen.”
»Wie zijt gij dan en hoe heet gij?”
»Met uw verlof,monseñor,” antwoordde de vreemdeling op een toon van luchtige scherts, »als wij zoo voortgaan zullen wij veel tijd verliezen en zult gij ten slotte niets of althans zeer weinig van mij vernemen.”
De graaf onderdrukte met moeite zijn opkomend ongeduld.
»Vervolg dan maar zoo als gij zelf goedvindt,” zeide hij.
»Goed, op die wijs zullen wij elkander spoedig verstaan.”
»Ik luister al.”
»Hoor dan,señor. Gij zijt in dit land vreemd; nauwelijks een paar jaar in Mexico kent gij weinig of niets van het karakter, de zeden of gebruiken der inwoners. Sterk door de meerdere kennis, die gij in uw eigen vaderland hebt opgedaan, dacht gij bij uwe komst in het onze dat hier alles naar uwe wenschen en begrippen moest geschieden, omdat zoo gij meent uw verstand het onze ver overtreft; volgens dit beginsel zijt gij te werk gegaan.”
»Ter zake,señor, ter zake,” viel de graaf hem met ongeduld in de rede.
»Zachtjes aan,señor, ik vervolg. Voortgeholpen door veelvermogende beschermers werdt gij reeds dadelijk in een allervoordeeligsten toestand geplaatst. Gij hebt een heerlijke kolonie gesticht in de rijkste provincie van Mexico aan de grenzen der woestijn; daarop hebt gij van de regeering den rang van kapitein gekregen, met het recht om eene vrij-kompagnie op te richten, samengesteld uit uwe eigene landgenooten en bijzonder bestemd om jacht te maken op de Apachen, Comanchen enz.; dat laat zich begrijpen, wij Mexicanen zijn daartoe veel te lafhartig.”
»Señor,señor, ik moet u onder het oog brengen dat al wat gij mij daar zegt minstens overbodig is,” riep de graaf gebelgd.
»Niet zoo overbodig als gij wel denkt;”hernam de andere altoos onverstoord; »maar houd u bedaard, ik heb gedaan, en ik kom eindelijk op het punt dat u bijzonder aanbelangt; ik heb u alleen willen doen zien dat, al kent gij mij niet, ik u daarentegen veel beter ken dan gij wel dacht.”
Om niet in drift uit te breken sloeg de graaf met de vuist op de tafel en wiegelde onrustig met het rechter been over het linker.
»Ik hervat,” vervolgde de onbekende. »Toen gij in Mexico aanlanddet hebt gij zeker hoe groot uwe eerzucht ook was, niet kunnen denken dat gij binnen zoo korten tijd zulk eene schitterende positie zoudt verwerven. Gemakkelijk verkregen fortuin is gevaarlijk; het te veel van gisteren is niet genoeg voor heden, en zoodra gij gezien hadt dat alles u zoo vlotte, hebt gij met een enkelen meesterlijken zet uw werk willen bekroonen en u voor altijd in veiligheid willen stellen tegen de nukken der fortuin, die heden uwe slavin is, maar morgen u wellicht den rug toekeert. Ik misprijs u niet,[170]verre van daar, gij hebt meesterlijk gespeeld en daar ik zelf een trage speler ben, weet ik in anderen een talent te waardeeren dat ik zelf niet bezit.”
»O!” riep de graaf bijna opvliegend.
»Geduld! nu ben ik er; toen hebt gij rondgezien en rustten uwe oogen natuurlijk op don Sylva de Torres. Die caballero was nu genegen en bezat al de hoedanigheden die gij in een schoonvader zocht, want uw eerste wensch was het sluiten van een rijk huwelijk. Wat dunkt u! valt gij mij nu nog wel in de rede? ik geloof dat uw eigen historie, die ik u vertel, u thans belang begint in te boezemen. Don Sylva is goed, is lichtgeloovig; wat meer zegt, is ontzaglijk rijk, zelfs voor dit land, waar de fortuinen zoo onmetelijk zijn; bovendien is zijne dochterdoñaAnita zeer schoon; kortom, gij hebt u bij don Sylva als vriend laten voorstellen, gij hebt hem om de hand zijner dochter gevraagd, en hij heeft u die toegestaan; het huwelijk had zelfs reeds eene maand geleden moeten gesloten zijn. Verdubbel thans uwe aandacht, caballero, want ik kom aan het belangrijkste gedeelte van mijn verhaal.”
»Ga voort,señor, gij ziet wel dat ik voor uw verslag het noodige geduld overheb.”
»Deze beleefdheid zal niet onbeloond blijven, caballero, stel u gerust,” riep de onbekende met eennauwelijksmerkbaren zweem van spotternij.
»Ik heb haast om het slot te vernemen,señor.”
»Hier is het: ongelukkig voor uwe plannen, wasdoñaAnita door haar vader op de keus van haar aanstaanden echtgenoot niet gehoord; sinds lang reeds beminde zij in ’t geheim een jongman die haar bij eene zekere gelegenheid een grooten dienst had bewezen.”
»De naam van dien jongman is u zeer zeker bekend, niet waar?”
»Ja,señor.”
»Zeg hem mij.”
»Nog niet; die man beminde haar wederkeerig. De beide jongelieden ontmoetten elkander buiten weten van don Sylva en zwoeren elkaar eene eeuwige liefde. ToendoñaAnita door haars vaders bevel gedwongen werd u als haar verloofde te beschouwen, veinsde zij te gehoorzamen, daar zij haar vader geen openlijken weêrstand durfde bieden; doch zij gaf er haar minnaar kennis van en na elkander opnieuw trouw te hebben gezworen, waren zij op een middel bedacht om dat noodlottige huwelijk te verbreken.”
De graaf was intusschen reeds opgestaan en stapte met groote schreden de zaal op en neer; toen hij de laatste woorden hoorde, trad hij naar den onbekende.
»Derhalve,” zeide hij op somberen toon, »was de aanranding in de Rancho.…”
»Een middel door uw medeminnaar beraamd om zich van u te ontslaan, ja,señor, zoo is het,” antwoordde de vreemdeling bedaard.[171]
»Die man is dus niets dan een ellendige moordenaar!” hernam de graaf met minachting.
»Gij vergist u, caballero, hij wilde u alleen dwingen om hem het veld ruim te laten, een bewijs daarvan is dat hij, toen uw leven in zijne hand was, u niet heeft gedood.”
»Enfin, moordenaar of geen moordenaar,” riep de graaf, »gij zult mij toch nu zijn naam wel willen noemen, want gij hebt uw verhaal uit, zoo ik meen.”
»Nog niet. Na de ontmoeting in de Rancho zijt gij naar uwe hacienda vertrokken, vergezeld van uw aanstaanden schoonvader en zijne dochter; ook daar heeft de verloofde vandoñaAnita u geen rust gelaten, en hebben de Apachen u aangevallen.”
»Wat meer?”
»Nog meer? moet ik u dan alles uitleggen? Begrijpt gij dan niet dat die man met de Roodhuiden in verband stond?”
»En wistdoñaAnita daarvan?”
»Dat durf ik niet verzekeren, maar waarschijnlijk wel.”
»O!”
»Het was fijn gespeeld, niet waar?”
De graaf verbeet zich de lippen dat er het bloed voorstond om niet uit te varen.
»En gij weet door wiedoñaAnita is opgelicht?”
»Dat weet ik.”
»Niet door de Roodhuiden?”
»Neen.”
»Door dien man zeker?”
»Ja, door hem.”
»Maar haar vader don Sylva de Torres is ook opgelicht.”
»Dat weet ik; maar dat was geheel tegen zijn zin, ik verzeker het u.”
»Waar is don Sylva op dit oogenblik?”
»Veilig en wel in zijn huis te Guaymas.”
»Is zijne dochter bij hem?”
»Neen.”
»Dan is zij bij dezen man, niet waar?”
»Gij gist als een waarzegger.”
»En weet gij waar zij thans zijn?”
»Dat weet ik.”
Snel als een bliksemstraal sprong de graaf op den onbekende, greep hem met de linkerhand bij den kraag en zette hem met de rechter een pistool op de borst.
»Thans, ellendeling,” brulde hij met eene rauwe stem, »zult gij mij zeggen waar zij zijn.”
»Moeten wij dat soort van spel spelen!” riep de onbekende; »ga dan gerust uw gang, caballero.”
Oogenblikkelijk zijn mantel openrukkende, zette hij den graaf met iedere hand een pistool op de borst.[172]
Deze beweging van den onbekende was zoo snel, dat de graaf haar onmogelijk had kunnen beletten. Buitendien was deze reeds tot andere gedachten gekomen. Hij trok zijn wapen terug en stak het weder in zijn gordel.
»Ik was dwaas,” prevelde hij, »vergeef mij die opwelling van toorn.”
»Van ganscher harte,” antwoordde de onbekende terwijl hij de pistolen bedaard naast zich op de tafel legde.
»Nogmaals verschooning,” hervatte de graaf; »nu ik nadenk over hetgeen gij mij gezegd hebt begin ik werkelijk te gelooven dat gij mij eene dienst wil bewijzen.”
De onbekende boog toestemmend.
»Maar één ding is er dat ik niet begrijp.”
»Wat begrijpt gij niet?”
»De wijze hoe gij dit alles zijt te weten gekomen.”
»Dood eenvoudig.”
»Gij zult mij verplichten door mij te zeggen hoe.”
»Met genoegen, caballero. Twee mannen vielen u aan in de Rancho.”
»Ja.”
»Ik ben het die u op den grond wierp.”
»Zoo,” zei de graaf op zonderlingen toon.
»In één woord, ik heet Cuchares; ik ben lepero, dat wil zeggen ik hou meer van de zon dan van de schaduw, van de rust dan van den arbeid en van een dolksteek nu en dan, mits ik er voor betaald word, dan van een goede daad die mij niets opbrengt; begrijpt gij mij?”
»Zeer goed.”
»Dus verstaan wij elkander nu?”
»Dat denk ik wel.”
»Ik ook, en daarom ben ik juist hier gekomen.”
»Nog eene vraag.”
»Toegestaan.”
»Maar op dit oogenblik verraadt gij immers uwe vrienden?”
»Ik! Welke?”
»Degenen die gij tot dusver gediend hebt.”
»Een man als ik, caballero, heeft geene vrienden, hij heeft slechts cliënten.”
»Cliënten of vrienden, gij speelt verraad met hen.”
»Poeh! Wij hebben onze rekening gesloten; zij zijn mij niets meer schuldig en ik hun evenmin; wij zijn quit. Zoo als gij weet, caballero, iedere zaak heeft twee kanten, daar een bekwaam man gelijkelijk zijn voordeel mede weet te doen. Van den eenen heb ik alles gehaald wat ik kon, en nu wil ik eens zien wat mij de andere zal opleveren.”
De graaf hoorde met gemengden schrik en verbazing deze zonderlinge[173]theorie van den lepero; zulk eene ruwe en onbeschaamde hondsvotterij deed hem tegen wil en dank huiveren, ofschoon de graaf de Lhorailles anders niet zeer gevoelig was.
»Wij stellen dus dat gij hier komt om mij een dienst te bewijzen.”
De lepero glimlachte.
»Laten wij elkander wel verstaan: ik heb dat maar zoo gezegd, om het geweten te sparen van de caballeros die zich hier bevonden toen ik inkwam; maar tusschen u en mij zal ik openhartiger zijn.”
»Dat wil zeggen?”.…
»Dat ik hier ben gekomen om er u een te verkoopen.”
»Goed.”
»En duur te verkoopen.”
»Goed.”
»Heel duur.”
»Dat maakt weinig uit, als het maar de moeite waard is.”
»Komaan!” riep de lepero vroolijk, »gij zijt een man zoo als ik er juist een dacht te zullen vinden. Welnu, laat het dan maar aan mij over.”
»Ik moet wel, omdat ik niet anders kan.”
»Wat zoudt gij anders willen? Zoo gaat het in de wereld,vandaagis het mijne beurt, morgen de uwe. Bah! om eenige duizend piasters moet men niet knijzen.”
»Dan vooreerst de naam van mijn mededinger.”
»Die naam zal u vijftig oncen kosten, dat zeker niets te veel is.”
»Daar zijn ze,” zei de graaf terwijl hij hem de goudstukken over de tafel toeschoof.
De lepero deed ze oogenblikkelijk in een zijner diepe zakken verdwijnen.
»Uw mededinger, caballero, heet don Martial; hij is Tigrero—tijgerjager—en, wat meer zegt, zeer rijk.”
»Ik meen dien naam door don Sylva te hebben hooren noemen?”
»Wel waarschijnlijk; don Sylva mag hem niet lijden, vooral niet omdat don Martial eens zijne dochter Anita het leven heeft gered.”
»Inderdaad, ik herinner mij deze bijzonderheid; don Sylva heeft er mij meermalen van gesproken. Maar hoe heeft don Martial dat meisje ooit kunnen oplichten?”
»Zeer gemakkelijk, te meer daar zij zelve verlangde hem te volgen. Terwijl gij met de Apachen aan ’t vechten waart bracht hijdoñaAnita in eene prauw, waarin ik haar vader bereids, gebonden en den mond gestopt, geborgen had; toen zijn wij met ons vieren vertrokken; wij hebben den ganschen nacht op de rivier gezwalkt om geen spoor van onze vlucht achter te laten, en met het krieken van den dag hadden wij ruim vijftien mijlen gemaakt. Wij vreesden toen niet meer ontdekt te zullen worden en gingen aan land; wij kochten paarden van demansos1Indianen. Don Martial gelastte mij den vader van het[174]meisje naar Guaymas te brengen, van welken plicht ik mij met eere gekweten heb. Don Sylva wilde mij niet goedschiks volgen, maar eindelijk kreeg ik hem toch behouden in zijn huis, waar ik hem gelaten heb, om mij weder bij don Martial te voegen die mij gelast had eenige dingen mede te brengen en mij daartoe op zeker afgesproken punt wachten zou.”
»Zoo!” riep de graaf, »en waarom zijt gij dan van hem gescheiden?”
»Mijn hemel! caballero, wij zijn gescheiden zoo als dat vaak met de beste vrienden gebeurt, door een nietig misverstand.”
»Zeer goed; en hij heeft u weggejaagd.”
»Zoo veel als weggejaagd, dat moet ik bekennen.”
»Is het reeds lang sedert gij hem verlaten hebt?”
De lepero kneep het rechteroog dicht.
»Neen,” antwoordde hij.
»Zoudt gij mij kunnen brengen waar hij zich thans bevindt?”
»Ja, zoodra gij wilt.”
»Zeer goed. Is het ver?”
»Neen; maar met uw welnemen, caballero, eerst het een en dan het ander; wilt gij? vraag ik u.”
»Wij zullen zien.”
»Hoe veel geeft gij mij als ik u zeg waar don Martial endoñaAnita heen gevlucht zijn?”
»Twee honderd oncen.”
»Geef.”
»Daar zijn ze.”
De graaf nam eenige handen vol goud uit een ijzeren kistje dat in een hoek van de zaal stond en gaf ze aan den lepero.
»Het is pleizierig om met zulke menschen te doen te hebben,” zei Cuchares terwijl hij met ongewone handigheid de nieuwe oncen bij de vorige stak. »Had ik geen gelijk toen ik u zeide dat ik u een dienst kwam bewijzen?”
»’t Is waar, ik zeg u dank; waar zijn nu don Martial endoñaAnita?”
»Zij zijn aan den zendingspost San Francisco.. en nu zal ik zoo vrij zijn om afscheid van u te nemen.”
»Nog niet.”
»Waarom niet?”
»Om twee redenen: vooreerst omdat ik ondanks al het vertrouwen dat ik in u stel, volstrekt geen bewijs heb dat gij mij de waarheid hebt gezegd.”
»O!” riep de lepero met eene afwijzende beweging.
»Ik weet wel ik heb ongelijk, maar wat zal ik er tegen doen, ik ben nu eenmaal zoo wantrouwig van aard.”
»Goed, dan blijf ik; maar uwe tweede reden.”
»Luister, ik heb u nog een dienst te verzoeken.”[175]
»Tegen betaling?”
»Dat verstaat zich.”
»Ik luister.”
»Ik geef u honderd oncen als gij mij bij mijn mededinger wilt brengen.”
»Canarios!” riep de lepero.
»Honderd oncen,” herhaalde de graaf.
»Ik versta u wel. Honderd oncen, ’t is een aardig bod! maar gij moet weten, caballero, ik ben eencosteno, en daarbij eenlepero. Het leven in de prairie deugt niet voor mijn gestel, het bederft mijn gezondheid. Ik heb gezworen het niet langer voort te zetten; de reis van hier naar San Francisco is moeielijk, wij moeten de groote woestijn door. Neen, caballero, alles wel ingezien is het onmogelijk.”
»Dat spijt mij,” antwoordde de graaf onverschillig.
»Ja?”
»Omdat ik u,” vervolgde hij, »in plaats van honderd oncen twee honderd oncen zou gegeven hebben.”
»Zoo!” riep Cuchares de ooren spitsend.
»Maar, daar gij weigert, want gij weigert immers? zal ik tot mijn leedwezen verplicht zijn u te doen doodschieten.”
»Wat b’lieft u?” schreeuwde de lepero bijna van schrik.
»Mijn hemel!” hervatte de graaf goedhalzig, »hoor toch eens, mijn waarde, gij zijt zoo knap in zaken, wie weet, daar gij reeds twee kanten aan deze gevonden hebt, ben ik maar bang dat gij er misschien nog een derden aan zoudt ontdekken.”
En eer Cuchares tijd had om het te beletten, maakte de graaf zich met een gezwinden greep meester van de twee pistolen die op de tafel lagen.
De lepero ontstelde zichtbaar.
»Met uw verlof, met uw geachte verlof, caballero,” riep hij met een haperende stem, »daar gij het zoo bepaald schijnt te verlangen, zou het mij razend veel leed doen als ik u teleurstelde, ik neem de twee honderd oncen aan.”
»Mooi zoo!” riep de graaf. »Ja, ik wist ook wel dat wij het eindelijk samen eens zouden worden.”
Hij ging naar het koffertje om het geld te krijgen, en moest daarbij den lepero den rug toekeeren, zoodat hij den zonderlingen spotlach niet zag die zich op diens lippen bewoog; ware dit anders geweest dan zou hij minder luid victorie gekraaid hebben.
1Half beschaafde Indianen.↑
1Half beschaafde Indianen.↑
1Half beschaafde Indianen.↑
1Half beschaafde Indianen.↑