[Inhoud]XVIII.EEN STAP ACHTERWAARTS.Het verhaal van den lepero, ofschoon in den grond waarheid bevattende, was wat den vorm en de inkleeding betreft geheel valsch[176]en logenachtig. Had hij misschien zijne redenen om den graaf de Lhorailles te misleiden? Dit zal de lezer zelf kunnen beoordeelen wanneer hij ons nieuwe hoofdstuk heeft ten einde gebracht.Wij zijn dus andermaal genoodzaakt den draad onzer historie te breken en eenige passen terug te keeren.Na, zooals wij in een der vorige hoofdstukken gezien hebben, als door een wonder aan de handen der Apachen te zijn ontsnapt daar hij zoo ongelukkig in vervallen was, had Cuchares door onder water te duiken, al zwemmende het midden der rivier kunnen bereiken. Toen hij het hoofd weder boven stak om adem te scheppen, zag hij rond; hij was alleen.De lepero smoorde een vreugdekreet en na een minuut van rijp overleg zwom hij uit al zijn macht naar de wortelboomen, waar don Martial ingevolge het afgesproken signaal, dat hij door den nood gedrongen reeds had gegeven, hem zonder twijfel stond te wachten.Met eenige krachtige armslagen bereikte hij de wortelboomen, tusschen welke hij zich onmiddellijk onzichtbaar maakte; maar hier wachtte hem eene nieuwe verrassing, de omgekantelde en aan zich zelve overgelaten prauw was met eenige andere stukken drijfhout tegen een boomstam aangedreven en daar blijven steken.Cuchares, die reeds aan land was gestapt, hoosde de prauw leeg en bracht haar weder te water. Deze kleine vaartuigen, meestal uit berkenschors vervaardigd, die de Indianen met behulp van heet water van den stam weten te scheiden, zijn uiterst licht en laten zich zeer gemakkelijk behandelen.Nauwelijks was de lepero er mede klaar of er kwam eene schaduw naar hem toe en fluisterde hem in ’t oor:»Wat komt gij laat.”De lepero deed een sprong van schrik, maar herkende don Martial; met een paar woorden deelde hij hem mede wat er gebeurd was.»Alles gaat opperbest, er is niets meê verloren, nu gij weder hier zijt,” antwoordde de Tigrero; »verberg u maar in de wortelboomen en kom onder geen beding te voorschijn, voor dat ik weer hier ben.”Hij verwijderde zich snel.Cuchares maakte des te meer haast om te gehoorzamen, daar hij niet ver van hem af het rumoer van den hevigen strijd hoorde die op dit oogenblik tusschen de Franschen en Apachen gestreden werd en in vollen gang was.Don Martial was intusschen, met een dolk in de hand om op alles gereed te zijn, als een spook naar een dicht boschje van floripondio’s geslopen, waardoñaAnita hem bevend verbeidde.Op het punt van de takken uiteen te schuiven die hem van het meisje afzonderden bleef hij staan, met hijgenden adem en gefronste wenkbrauwen: zij was niet alleen![177]Hare stem, hetzij door aandoening of door toorn bewogen, klonk scherp en gebiedend; zij scheen met iemand in gesprek.Maar met wie? Wie zou haar op deze plek, waar zij zich zoo goed geborgen waande, hebben weten te vinden en naar alle waarschijnlijkheid haar willen overhalen of desnoods dwingen hem te volgen?De Tigrero luisterde scherp toe.Weldra bewoog hij zich toornig en dreigend, hij had de stem herkend van den man die metdoñaAnita sprak: het was haar vader.Alles was verloren.De haciendero trachtte zijne dochter te bewegen naar den kant der gebouwen terug te keeren en gebruikte daartoe alle middelen van overreding. Zoo het scheen vermoedde hij iets van de reden waarom zijne dochter zich op deze plaats bevond.DoñaAnita weigerde stellig mede te gaan, verklarende dat zij liever in handen van een Indiaanschen strooper zou willen vallen, dan zich aan het gevaar bloot te stellen dat zij tot iederen prijs wilde vermijden.Don Martial sloeg zich met de hand op het voorhoofd, een zonderlinge glimlach plooide zijne lippen, zijn oog fonkelde en hij verwijderde zich snel in de richting der rivier.Inmiddels woedde de strijd steeds voort; nu eens scheen het rumoer nader te komen en hoorde men vloekkreten en verwenschingen, dan eens flikkerde er als bliksemlicht door de lucht en hoorde men de kogels tegen muren of boomen neerkomen, met dat eigenaardig gekletter, dat voor nieuwelingen in den krijg zoo verontrustend is.»In ’s hemels naam! lieve dochter,” hervatte don Sylva dringender dan ooit, »kom toch, wij hebben geen oogenblik te verliezen, binnen weinige seconden wellicht wordt ons de terugtocht afgesneden; kom toch bid ik u.”»Neen, vader,” antwoordde zij hoofdschuddend, »ik wacht mijn lot af; wat er ook gebeure, ik zeg u nog eens, ik ga hier nietvandaan.”»Maar dat is dwaasheid,” riep de haciendero, »wilt gij dan sterven?”»Wat geef ik om sterven,” riep zij treurig, »ben ik niet op alle manieren veroordeeld? God is mijn getuige, vader, dat ik om het voor mij bestemde huwelijk te ontgaan liever zou willen sterven!”»Anita, in ’s hemels naam!”»Wat kan het u schelen, vader, of ik heden den woesten heidenen in handen val, daar gij mij morgen met eigen hand aan een man zult overleveren dien ik verafschuw?”»Spreek toch zoo niet, meisje. Buitendien, het oogenblik is dunkt mij voor het bespreken van zulk eene zaak zeer slecht gekozen,[178]kom toch meê, het rumoer neemt toe; weldra zal het te laat zijn.”»Ga maar gerust heen, vader, als gij dat goedvindt,” antwoordde zij ronduit;»maar ik blijf hier, wat er ook moge gebeuren.”»In dat geval en als gij volstandig weigert mij te gehoorzamen, zal ik de macht gebruiken die ik bezit en u met geweld wegvoeren.”Het meisje sloeg den linkerarm om een jongen acajou-ceder en keek haar vader aan met een blik van onverzettelijken onwil.»Waag het maar niet, vader, om het te doen!” riep zij, »want ik zeg u vooruit dat bij den eersten stap dien gij mij nadert gebeuren zal wat gij zoo zeer vreest; ik zal zoo hard schreeuwen dat de heidensche Roodhuiden het hooren en terstond hier zullen komen.”Don Sylva bleef aarzelend staan; hij kende het vastberaden karakter zijner dochter en wist dat zij in staat was hare bedreiging onmiddellijk ten uitvoer te brengen.Er verliepen eenige minuten, gedurende welke vader en dochter tegenover elkander stonden, met strakke blikken elkander aankijkend, maar zonder een woord te spreken of een spier te verroeren.Op eens ontstond er een hevig gekraak in het floripondioboschje, de takken werden met woest geweld uit elkander gebogen, om twee mannen, of liever twee duivels door te laten, die als met tijgersprongen op den haciendero aanvielen en hem op den grond wierpen. Eer nog don Sylva in het schemerende sterrenlicht in staat was zijne onverwachte aanvallers te herkennen, hadden zij hem reeds gekneveld, een prop in den mond gestopt en een doek over het hoofd geknoopt, zoodat hij niets meer zien kon van hetgeen er rondom hem gebeurde, noch weten wat er niet alleen met hem maar ook wat er met zijne dochter gebeuren zou.Laatstgenoemde door deze plotselinge overrompeling onthutst had een schreeuw gedaan van schrik, maar voorzichtigheidshalve terstond weder gezwegen, daar zij don Martial herkende.»Stil,” zeide de Tigrero schielijk en zacht, »ik wist geen ander middel om het gedaan te krijgen, maar kom dadelijk mede; uw vader, weet gij, is mij heilig, om uwentwil zal hem geen leed geschieden.”DoñaAnita antwoordde niet.Op een wenk van don Martial had Cuchares den haciendero op zijne schouders genomen en hem naar de wortelboomen gedragen.»Waar gaan wij heen?” vroegdoñaAnita met eene bevende stem.»Waar wij zoo ik hoop samen gelukkig zullen zijn,” fluisterde de Tigrero teergevoelig, terwijl hij haar gezwind opnam en op een drafje naar de prauw droeg.DoñaAnita bood geen weerstand, integendeel, zij glimlachte, sloeg haar rechter arm om den hals van den drager, om het evenwicht beter te bewaren, dat bij deze harddraverij over de wortelboomen wel noodig was terwijl don Martial van tak tot tak stapte of sprong, of zich aan de lianen vasthield, met stem en gebaar zijn kostbaren last aanmoedigende.[179]Cuchares had don Sylva op den bodem der prauw gelegd, en met de pagaai in de hand wachtte hij vol ongeduld de komst van don Martial, daar het gedruisch van den strijd nog scheen toe te nemen, ofschoon uit het wel onderhouden geweervuur en uit de verschillende kreten die men nu en dan hoorde, gemakkelijk was op te maken dat de overwinning aan de zijde der Franschen verbleef.»Wat zullen wij doen?” vroeg Cuchares.»Naar het midden der rivier roeien en den stroom afzakken.”»Maar onze paarden?” vroeg de lepero.»Redden wij eerst ons zelven, de paarden zullen wij later wel vinden. Het blijkt duidelijk dat de blanken het winnen. Zoodra het gevecht over is, zal de graaf de Lhorailles overal zijne bruid en zijn schoonvader laten zoeken; het is van belang geen sporen achter te laten, anders zijn wij verloren. De Franschen zijn duivels, zij zouden ons zeker terugvinden.”»Intusschen geloof ik.…” begon Cuchares.»Van wal, zeg ik u,” riep de Tigrero op gebiedenden toon terwijl hij de prauw met een krachtigen schop in het ruime sop duwde.Zij vertrokken.De eerste oogenblikken der reis gingen zwijgend voorbij, ieder dacht voor zich zelve na over den zonderlingen toestand waarin zij zich bevonden.Don Martial had een onmetelijke verantwoordelijkheid op zich genomen door, om zoo te zeggen, op een enkele kaart het geluk zijner beminde en van hem zelven te wagen. Wat hem nog het meeste stof tot bezwaar gaf, daar op den bodem der prauw lag de haciendero; zijn toestand was inderdaad ernstig en de uitkomst moeielijk te vinden.DoñaAnita zat met het hoofd gebogen en met afgetrokken blik; in gedachten verdiept liet zij hare kleine hand over den rand der prauw in het water hangen dat snel langs het boord voorbij schoot.Cuchares, die uit al zijn macht roeide, dacht ook bij zich zelven na en vond het leven dat hij tegenwoordig leidde alles behalve aangenaam; te Guaymas was hij veel gelukkiger, als hij met het hoofd in de schaduw en de beenen in de zon onder het portiek eener kerk kon liggen en zijn middagslaapje doen, gestreeld door den verfrisschenden zeewind of zacht indommelend onder het geheimzinnig murmelen der branding tegen de keien op het rotsige zeestrand.Wat don Sylva betreft, men kon niet zeggen dat hij dacht; aan eene stille woede ten prooi, die als zij te lang duurde ontwijfelbaar in razernij moest eindigen, beet hij kwaadaardig op de prop die hem den mond sloot en kromde zich in zijne banden, zonder ze te kunnen verbreken.De verschillende geluiden van den strijd werden al zwakker en zwakker en hielden eindelijk geheel op.De reizigers bleven nog een geruimen tijd zwijgen, niet zoozeer[180]verdiept in hun eigen gedachten dan wel weggesleept door de streelende gewaarwordingen eener droomende zwaarmoedigheid, die zoo vaak bij krachtige maar geschokte gemoederen opkomt onder den indruk der roerloos plechtige stilte, ontzagwekkende eenzaamheid en aangrijpende harmonie der Amerikaansche wildernis, wier beschrijving geen menschelijke pen in staat is in al hare grootheid en majesteit weêr te geven.De sterren begonnen aan den hemel allengs te verbleeken, een opalen lichtstreep teekende zich flauw aan den horizont; de logge alligators woelden zich los uit de modder en gingen uit om hun morgenmaal te zoeken; de uil in de boomen aan den rivierkant verscholen, begroette de naderende komst van de zon; de coyotes zwierven in schichtige troepen aan den zandigen oever en verhieven nu en dan hun heesch gekef; de wilde dieren keerden naar hunne holen terug, met haastigen stap, ofschoon na hun gewone maal bezwaard door den slaap; de dag zou weldra aanbreken.DoñaAnita neigde behaagziek het hoofd aan den schouder van don Martial.»Waar gaan wij zoo heen?” vroeg zij met eene zachte stem en op een toon van gedweeheid.»Wij vluchten,” antwoordde hij lakonisch.»Wij zijn nu reeds zes uren lang de rivier afgevaren, gedragen door den stroom en gestuurd door uwe vier krachtig gehanteerde pagaaien; zijn wij nu nog niet buiten het bereik?”»Ja, sinds lang reeds; maar het is de vrees voor de Franschen niet die mij dit oogenblik drijft.”»Wat is het dan?”De Tigrero wees haar met een veelbeduidenden wenk op don Sylva, die na uitputting van toorn en kracht, eindelijk stilzwijgend zijn onvermogen erkend had en geëindigd was met op den bodem der prauw in te slapen.»Helaas!” zeide zij, »gij hebt gelijk, dat kan zoo niet blijven, die toestand is onverdragelijk.”»Zoo gij mij naar eigen goedvinden laat begaan, zal uw vader mij eer wij een kwartieruurs verder zijn nog bedanken.”»Gij weet immers dat ik mij geheel op u verlaat?”»Dank u,” zeide hij, en zich tot Cuchares wendende, fluisterde hij hem eenige woorden in ’t oor.»Ha ha! dat is een gelukkige inval,” grinnikte de lepero.Vijf minuten later kwam de prauw aan wal.Don Sylva werd met de uiterste voorzichtigheid door de beide mannen opgenomen en aan land gedragen, zonder dat hij ontwaakte.»Nu is de beurt aan u,” zei don Martial tegen het meisje; »gij dient eene kleine rol te spelen; om de list die ik er op verzonnen heb wel te doen gelukken, moet gij mij toestaan u voor een paar minuten aan dien inktboom vast te binden.”»Ga uw gang, vriend.”[181]De Tigrero nam haar in zijne forsche armen, droeg haar aan land en in een oogenblik had hij haar met een riem aan den boomstam gebonden.»Houd nu dit in het oog,” zeide hij schielijk, »de vertooning is, dat uw vader en gij door de Apachen uit de hacienda zijn opgelicht, dat wij u bij toeval hier ontmoeten en.…”»Ons komt redden, niet waar?” riep zij lachende.»Juist; alleen moet gij nu nog een paar keeren, hoe harder hoe beter schreeuwen en gillen, als of gij erg bang en verschrikt waart. Dat begrijpt gij, niet waar?”»O! zeer goed.”Volgens bovenstaand programma werd de komedie gespeeld.DoñaAnita begon geweldig te gillen, waarop de twee avonturiers uit de verte antwoordden, hunne geweren en pistolen afschoten alsof er gevochten werd en toen naar den haciendero liepen, dien zij gezwind van zijne banden bevrijdden en niet alleen het vrije gebruik zijner ledematen teruggaven, maar ook dat van zijne spraak en van zijn gezicht.Don Sylva richtte zich eerst half op en zag zijne dochter met hangende haren aan een boom gebonden. Bladz. 181.Don Sylva richtte zich eerst half op en zag zijne dochter met hangende haren aan een boom gebonden. Bladz. 181.Don Sylva richtte zich eerst half op, wierp een verwezen blik om zich heen, en zag zijne dochter met hangende haren aan een boom gebonden, terwijl twee mannen zich haastten haar te hulp te komen en los te maken. De haciendero sloeg de oogen op en dankte den hemel in stilte voor zijne bevrijding.Zoodra ook Anita weder vrij was ijlde zij naar haar vader, viel hem om den hals en na hem gekust te hebben verborg zij haar gelaat, wellicht uit schaamte over de verregaande wijs waarop zij den edelen grijsaard had helpen bedriegen, blozend aan zijne borst.»Mijn arm, dierbaar kind,” riep hij tot tranen bewogen; »voor u, voor u alleen, heb ik gebeefd in dezen langen, vreeselijken nacht.”DoñaAnita antwoordde niet, haar hart klopte hevig bij dit grievend verwijt.Don Martial en Cuchares, het oogenblik gunstig achtende, traden thans naderbij met de nog rookende buksen in hunne handen.Toen de haciendero hen zag en herkende, kwam er een wolk op zijn gezicht, een donker vermoeden bekroop zijne ziel. Hij keek de beide mannen en zijne dochter beurtelings aan met een uitvorschenden blik, stond op met gefronste wenkbrauwen en bevende lippen, zonder nochtans een woord te uiten.De Tigrero werd tegen wil en dank ongerust over dit stilzwijgen, dat hij wel verre was van te verwachten. Na den dienst, die hij had voorgewend den haciendero bewezen te hebben, gevoelde hij zich verplicht het eerst te spreken.»Ik acht mij gelukkig,” begon hij min of meer stotterend, »dat ik hier zoo toevallig op den aanslag kwam, don Sylva, om u aan de handen der Roodhuiden te ontrukken.”»Ik zeg u dank,señordon Martial,” antwoordde de haciendero[182]droog, »van uwe bekende rechtschapenheid kon ik niets minder verwachten. Het heeft zoo moeten wezen; het schijnt wel, dat gij na de dochter te hebben gered, ook haar vader hebt moeten redden. Gij schijnt voorbestemd om de bevrijder van mijne geheele familie te zijn; ontvang daarvoor mijne oprechte dankbetuiging.”Deze woorden werden op een toon van spotternij uitgesproken, die den Tigrero als een pijl in het hart trof; hij kon geen gepast antwoord vinden en maakte eene onhandige buiging om zijne verlegenheid te verbergen.»Vader,” zijdoñaAnita op vleienden toon, »don Martial heeft zijn leven voor ons gewaagd.”»Ik heb er hem immers reeds voor bedankt,” zeide hij. »Het is zoo, het schijnt een heete strijd geweest; maar de heidenen hebben wel spoedig het hazenpad gekozen; is er niemand van hen gedood?”Dit zeggende deed de haciendero alsof hij rondkeek.Don Martial herstelde zich.»Señordon Sylva de Torres,” riep hij met eene vaste stem, »dit voorval bracht ons weder tegenover elkander, geef mij dus de vrijheid u te zeggen dat slechts weinige menschen u zoo genegen en getrouw zijn als ik.”»Dat hebt gij mij zoo even bewezen, caballero.”»Spreken wij daar niet meer van,” zei don Martial, »nu gij weder uw eigen meester zijt en vrij kunt handelen, hebt gij slechts te spreken en te bevelen. Ik ben bereid om te beproeven wat gij van mij eischt, ten einde u te kunnen bewijzen, hoe gelukkig ik mij acht alles te doen wat u aangenaam is.”»Dat is ronde taal, die ik begrijp, caballero, en daar ik u even rond op zal antwoorden. Gewichtige redenen nopen mij om naar de kolonie Guetzalli terug te keeren, waar ik was toen de heidenen mij zoo verraderlijk hebben opgelicht.”»Wanneer wilt gij vertrekken.”»Dadelijk, zoo dit mogelijk is.”»Alles is mogelijk, caballero, alleen moet ik u doen opmerken, dat wij hier dertig mijlen van die hacienda verwijderd zijn, dat het land waar wij ons bevinden eene eenzame wildernis is, zoodat wij uiterst moeielijk paarden zullen krijgen en dat wij met den besten wil van de wereld die reis niet te voet kunnen afleggen.”»Vooral mijne dochter niet, niet waar?” hervatte hij met een bitteren glimlach.»Ja,” herhaalde de Tigrero, »vooral deseñorita.”»Wat dan gedaan? want ik ben volstrekt verplicht om derwaarts terug te keeren, vooral om mijne dochter,” voegde hij er bij met nadruk op de laatste woorden, »en dat wel zoo spoedig mogelijk.”De Tigrero loog een weinig toen hij don Sylva verzekerde dat zij dertig mijlen van de kolonie af waren; de afstand bedroeg niet meer[183]dan achttien mijlen; maar in zulk een onherbergzame streek, waar geene wegen bestaan, zijn zestien of achttien mijlen bijna onoverkomelijk voor iemand die, aan het ruwe woestijnleven ongewoon, tegen de daarvan onafscheidelijke vermoeienis niet gehard is. Don Sylva, ofschoon hij de prairie nooit doorreisd had dan op den weelderigsten voet en voorzien van al de gemakken, die men zich in deze verre streken met mogelijkheid verschaffen kan, wist ten minste, zoo al niet bij ondervinding dan toch bij geruchte, hoevele moeielijkheden er bij iederen stap konden oprijzen en welke belemmeringen hij op zijn weg ontmoeten kon. Zijn besluit was dus dadelijk genomen.Gelijk velen zijner landgenooten bezat don Sylva eene groote mate van stijfhoofdigheid; wanneer hij eenmaal een plan gevormd of een doel zich voor oogen had gesteld, onverschillig wat het ook wezen mocht, zou hij er alles aan gewaagd hebben en werd iedere hindernis die hem in den weg kwam een nieuwe prikkel om het te bereiken.»Hoor mij dan, don Martial,” zeide hij tegen den Tigrero, »ik wil rond met u te werk gaan: ik behoef u niet voor nieuws te vertellen, dat mijne dochter op het punt staat van met den graaf de Lhorailles te huwen; dat huwelijk moet gesloten worden, ik heb het gezworen en het zal geschieden, trots al wat men zegge of doe om het te beletten. En nu, na deze verklaring, zal ik uwe trouw jegens mij, daar gij zoo hoog van opgeeft, op de proef stellen.”»Spreek,señor,” zei don Martial.»Zend dan uw kameraad naar de graaf de Lhorailles; ik zal hem een brief medegeven om zijne ongerustheid te doen bedaren en hem mijne aanstaande komst aan te kondigen.”»Goed.”»Zal hij het doen?”»Oogenblikkelijk.”»Dank u. Wat thans u zelven aangaat, geef ik u vrijheid ons te verlaten of te volgen, zoo als gij verkiest, maar vooreerst hebben wij paarden en wapenen en bovenal een goed eskorte noodig. Ik zou niet gaarne weder in handen der heidenen vallen; misschien zou ik dezen keer het geluk niet hebben om er zoo goed af te komen.”»Blijf hier, binnen twee uren kom ik met paarden terug; wat een eskorte betreft, daar zal ik u aan zien te helpen, maar dat durf ik u niet stellig verzekeren. Daar gij er niets tegen hebt dat ik medega, zal ik u verzellen tot gij den graaf ontmoet. Gedurende den tijd dien ik het geluk zal hebben met u op reis door te brengen, hoop ik u te bewijzen dat gij u in mij vergist hebt.”Deze woorden werden op zulk een ondubbelzinnigen toon uitgesproken, dat de haciendero er zich door getroffen gevoelde.»Wat er ook gebeure,” zeide hij, »ik zeg u dank, gij zult mij[184]in ieder geval een onuitsprekelijken dienst hebben bewezen, daar ik u eeuwig erkentelijk voor zal zijn.”Don Sylva scheurde een blad papier uit zijn zakboekje, schreef er met potlood eenige woorden op, vouwde het toe en gaf het den Tigrero.»Zijt gij zeker van dien man?” vroeg hij.»Zoo goed als van mij zelven,” antwoordde don Martial uitwijkend; »wees gerust dat hij den graaf zien zal.”De haciendero wees met de hand dat hij voldaan was, en de Tigrero naderde Cuchares.»Ziedaar,” zeide hij met eene luide stem terwijl hij hem het briefje ter hand stelde, »breng dat binnen twee uren bij den kommandant van Guetzalli. Hebt gij mij verstaan?”»Ja,” antwoordde de lepero.»Vertrek, en de hemel beware u voor kwade ontmoetingen. Over een kwartier achter dien heuvel daar;” liet hij schielijk en fluisterend er op volgen.»Afgesproken,” riep de andere met eene buiging.»Neem deze prauw,” vervolgde de Tigrero.Zoo de haciendero al eenigen argwaan had kunnen koesteren, thans verdween deze geheel, nu hij zag dat Cuchares in de prauw sprong, de pagaaien greep en dadelijk van wal stak, zonder taal of teeken met den Tigrero te wisselen en zelfs zonder het hoofd om te wenden.»Dat is het eerste gedeelte uwer beschikkingen, die gij in vervulling ziet overgaan,” zei de Tigrero toen hij bij don Sylva terugkwam; »nu zal ik mij met het tweede belasten; neem mijne pistolen en mijne machete, dan kunt gij u althans te weer stellen in geval van nood, want ik laat u hier achter, maar vooral verwijder u niet, binnen twee uren op zijn langst ben ik weder bij u.”»Weet gij dan een middel om hier paarden te vinden?” vroeg don Sylva.»Weet gij nog niet dat de woestijn mijne dagelijksche woonplaats is?” antwoordde hij met een somberen glimlach. »Ik ben hier thuis; weldra zult gij er het bewijs van zien. Tot wederziens?”En hij verwijderde zich snel in tegenovergestelde richting als de prauw.Toen hij een poos geloopen had en achter een dicht boschje van acajou-boomen en kreupelhout voor don Sylva onzichtbaar was geworden, maakte hij op eens een scherpen hoek rechts, van de rivier af en liep hard terug tot hij de andere zijde van den heuvel bereikte.Daar zatCucharesbedaard zijne cigarette rookend op hem te wachten.»Geen woorden, maar daden,” zei de Tigrero, »de tijd dringt.”»Ik wacht uwe bevelen.”[185]»Ziet gij dezen diamant?” en hij wees den lepero op den ring aan zijn das.»Hij is duizend piasters waard,” zei de lepero die hem met het oog van een kenner bekeek.Don Martial bood hem den ring aan.»Dien geef ik u,” zeide hij.De andere nam hem aan en stak hem bij zich.»Wat moet ik er voor doen?”»Mij dadelijk den brief geven.”»Daar is hij.”Don Martial nam hem en scheurde hem in duizend stukjes.»Wat volgt?” vroeg Cuchares.»Wat volgt,” herhaalde de Tigrero, »ik heb nog een diamant van gelijke waarde ter uwer beschikking; gij verstaat mij?”»Ja, ik neem het aan.”»Maar op eene voorwaarde.”»Die ken ik,” zeide de lepero met een veelbeteekenenden wenk.»Gij neemt het stellig aan, zegt gij?”»Stellig.”»Dat is afgesproken.”»Gij zult nooit weêr verdriet van hem hebben.”»Goed; maar gij begrijpt, ik verwacht bewijzen.”»Die zult gij hebben.”»Dan tot weerziens.”»Tot weerziens.”De beide medeplichtigen scheidden ten hoogste voldaan, zij hadden elkander met een enkel woord begrepen.Wij hebben reeds gezien op welke wijs Cuchares zich kweet van de zending daar don Sylva hem mede belast had.Na zijn kort gesprek met Cuchares ging don Martial er op uit om ergens paarden te zoeken.Twee uren later keerde hij terug; niet alleen had hij uitmuntende paarden medegebracht, maar tevens twee peons of die er voor moesten doorgaan om tot geleide te dienen.De haciendero waardeerde in allen deele de kieschheid waarmede don Martial te zijnen opzichte te werk ging, en ofschoon het uitzicht en de manieren zijner nieuwe beschermers niet van de echte soort waren, bedankte hij den Tigrero toch hartelijk voor de moeite die deze zich gegeven had om aan zijn verlangen te voldoen, en thans omtrent den afloop zijner reis volkomen gerustgesteld, nam hij met goeden eetlust deel aan het ontbijt, een gebraden hertebout met een dronk pulque, die don Martial hem mede had weten te bezorgen.Toen de maaltijd geëindigd was ging de kleine troep, wel gewapend en vol moed op marsch in de richting naar de kolonie Guetzalli, waar don Sylva, op zijn gemak reizende, en zoo er ten minste[186]niets in den weg kwam, berekende binnen drie dagen te zullen aankomen.
[Inhoud]XVIII.EEN STAP ACHTERWAARTS.Het verhaal van den lepero, ofschoon in den grond waarheid bevattende, was wat den vorm en de inkleeding betreft geheel valsch[176]en logenachtig. Had hij misschien zijne redenen om den graaf de Lhorailles te misleiden? Dit zal de lezer zelf kunnen beoordeelen wanneer hij ons nieuwe hoofdstuk heeft ten einde gebracht.Wij zijn dus andermaal genoodzaakt den draad onzer historie te breken en eenige passen terug te keeren.Na, zooals wij in een der vorige hoofdstukken gezien hebben, als door een wonder aan de handen der Apachen te zijn ontsnapt daar hij zoo ongelukkig in vervallen was, had Cuchares door onder water te duiken, al zwemmende het midden der rivier kunnen bereiken. Toen hij het hoofd weder boven stak om adem te scheppen, zag hij rond; hij was alleen.De lepero smoorde een vreugdekreet en na een minuut van rijp overleg zwom hij uit al zijn macht naar de wortelboomen, waar don Martial ingevolge het afgesproken signaal, dat hij door den nood gedrongen reeds had gegeven, hem zonder twijfel stond te wachten.Met eenige krachtige armslagen bereikte hij de wortelboomen, tusschen welke hij zich onmiddellijk onzichtbaar maakte; maar hier wachtte hem eene nieuwe verrassing, de omgekantelde en aan zich zelve overgelaten prauw was met eenige andere stukken drijfhout tegen een boomstam aangedreven en daar blijven steken.Cuchares, die reeds aan land was gestapt, hoosde de prauw leeg en bracht haar weder te water. Deze kleine vaartuigen, meestal uit berkenschors vervaardigd, die de Indianen met behulp van heet water van den stam weten te scheiden, zijn uiterst licht en laten zich zeer gemakkelijk behandelen.Nauwelijks was de lepero er mede klaar of er kwam eene schaduw naar hem toe en fluisterde hem in ’t oor:»Wat komt gij laat.”De lepero deed een sprong van schrik, maar herkende don Martial; met een paar woorden deelde hij hem mede wat er gebeurd was.»Alles gaat opperbest, er is niets meê verloren, nu gij weder hier zijt,” antwoordde de Tigrero; »verberg u maar in de wortelboomen en kom onder geen beding te voorschijn, voor dat ik weer hier ben.”Hij verwijderde zich snel.Cuchares maakte des te meer haast om te gehoorzamen, daar hij niet ver van hem af het rumoer van den hevigen strijd hoorde die op dit oogenblik tusschen de Franschen en Apachen gestreden werd en in vollen gang was.Don Martial was intusschen, met een dolk in de hand om op alles gereed te zijn, als een spook naar een dicht boschje van floripondio’s geslopen, waardoñaAnita hem bevend verbeidde.Op het punt van de takken uiteen te schuiven die hem van het meisje afzonderden bleef hij staan, met hijgenden adem en gefronste wenkbrauwen: zij was niet alleen![177]Hare stem, hetzij door aandoening of door toorn bewogen, klonk scherp en gebiedend; zij scheen met iemand in gesprek.Maar met wie? Wie zou haar op deze plek, waar zij zich zoo goed geborgen waande, hebben weten te vinden en naar alle waarschijnlijkheid haar willen overhalen of desnoods dwingen hem te volgen?De Tigrero luisterde scherp toe.Weldra bewoog hij zich toornig en dreigend, hij had de stem herkend van den man die metdoñaAnita sprak: het was haar vader.Alles was verloren.De haciendero trachtte zijne dochter te bewegen naar den kant der gebouwen terug te keeren en gebruikte daartoe alle middelen van overreding. Zoo het scheen vermoedde hij iets van de reden waarom zijne dochter zich op deze plaats bevond.DoñaAnita weigerde stellig mede te gaan, verklarende dat zij liever in handen van een Indiaanschen strooper zou willen vallen, dan zich aan het gevaar bloot te stellen dat zij tot iederen prijs wilde vermijden.Don Martial sloeg zich met de hand op het voorhoofd, een zonderlinge glimlach plooide zijne lippen, zijn oog fonkelde en hij verwijderde zich snel in de richting der rivier.Inmiddels woedde de strijd steeds voort; nu eens scheen het rumoer nader te komen en hoorde men vloekkreten en verwenschingen, dan eens flikkerde er als bliksemlicht door de lucht en hoorde men de kogels tegen muren of boomen neerkomen, met dat eigenaardig gekletter, dat voor nieuwelingen in den krijg zoo verontrustend is.»In ’s hemels naam! lieve dochter,” hervatte don Sylva dringender dan ooit, »kom toch, wij hebben geen oogenblik te verliezen, binnen weinige seconden wellicht wordt ons de terugtocht afgesneden; kom toch bid ik u.”»Neen, vader,” antwoordde zij hoofdschuddend, »ik wacht mijn lot af; wat er ook gebeure, ik zeg u nog eens, ik ga hier nietvandaan.”»Maar dat is dwaasheid,” riep de haciendero, »wilt gij dan sterven?”»Wat geef ik om sterven,” riep zij treurig, »ben ik niet op alle manieren veroordeeld? God is mijn getuige, vader, dat ik om het voor mij bestemde huwelijk te ontgaan liever zou willen sterven!”»Anita, in ’s hemels naam!”»Wat kan het u schelen, vader, of ik heden den woesten heidenen in handen val, daar gij mij morgen met eigen hand aan een man zult overleveren dien ik verafschuw?”»Spreek toch zoo niet, meisje. Buitendien, het oogenblik is dunkt mij voor het bespreken van zulk eene zaak zeer slecht gekozen,[178]kom toch meê, het rumoer neemt toe; weldra zal het te laat zijn.”»Ga maar gerust heen, vader, als gij dat goedvindt,” antwoordde zij ronduit;»maar ik blijf hier, wat er ook moge gebeuren.”»In dat geval en als gij volstandig weigert mij te gehoorzamen, zal ik de macht gebruiken die ik bezit en u met geweld wegvoeren.”Het meisje sloeg den linkerarm om een jongen acajou-ceder en keek haar vader aan met een blik van onverzettelijken onwil.»Waag het maar niet, vader, om het te doen!” riep zij, »want ik zeg u vooruit dat bij den eersten stap dien gij mij nadert gebeuren zal wat gij zoo zeer vreest; ik zal zoo hard schreeuwen dat de heidensche Roodhuiden het hooren en terstond hier zullen komen.”Don Sylva bleef aarzelend staan; hij kende het vastberaden karakter zijner dochter en wist dat zij in staat was hare bedreiging onmiddellijk ten uitvoer te brengen.Er verliepen eenige minuten, gedurende welke vader en dochter tegenover elkander stonden, met strakke blikken elkander aankijkend, maar zonder een woord te spreken of een spier te verroeren.Op eens ontstond er een hevig gekraak in het floripondioboschje, de takken werden met woest geweld uit elkander gebogen, om twee mannen, of liever twee duivels door te laten, die als met tijgersprongen op den haciendero aanvielen en hem op den grond wierpen. Eer nog don Sylva in het schemerende sterrenlicht in staat was zijne onverwachte aanvallers te herkennen, hadden zij hem reeds gekneveld, een prop in den mond gestopt en een doek over het hoofd geknoopt, zoodat hij niets meer zien kon van hetgeen er rondom hem gebeurde, noch weten wat er niet alleen met hem maar ook wat er met zijne dochter gebeuren zou.Laatstgenoemde door deze plotselinge overrompeling onthutst had een schreeuw gedaan van schrik, maar voorzichtigheidshalve terstond weder gezwegen, daar zij don Martial herkende.»Stil,” zeide de Tigrero schielijk en zacht, »ik wist geen ander middel om het gedaan te krijgen, maar kom dadelijk mede; uw vader, weet gij, is mij heilig, om uwentwil zal hem geen leed geschieden.”DoñaAnita antwoordde niet.Op een wenk van don Martial had Cuchares den haciendero op zijne schouders genomen en hem naar de wortelboomen gedragen.»Waar gaan wij heen?” vroegdoñaAnita met eene bevende stem.»Waar wij zoo ik hoop samen gelukkig zullen zijn,” fluisterde de Tigrero teergevoelig, terwijl hij haar gezwind opnam en op een drafje naar de prauw droeg.DoñaAnita bood geen weerstand, integendeel, zij glimlachte, sloeg haar rechter arm om den hals van den drager, om het evenwicht beter te bewaren, dat bij deze harddraverij over de wortelboomen wel noodig was terwijl don Martial van tak tot tak stapte of sprong, of zich aan de lianen vasthield, met stem en gebaar zijn kostbaren last aanmoedigende.[179]Cuchares had don Sylva op den bodem der prauw gelegd, en met de pagaai in de hand wachtte hij vol ongeduld de komst van don Martial, daar het gedruisch van den strijd nog scheen toe te nemen, ofschoon uit het wel onderhouden geweervuur en uit de verschillende kreten die men nu en dan hoorde, gemakkelijk was op te maken dat de overwinning aan de zijde der Franschen verbleef.»Wat zullen wij doen?” vroeg Cuchares.»Naar het midden der rivier roeien en den stroom afzakken.”»Maar onze paarden?” vroeg de lepero.»Redden wij eerst ons zelven, de paarden zullen wij later wel vinden. Het blijkt duidelijk dat de blanken het winnen. Zoodra het gevecht over is, zal de graaf de Lhorailles overal zijne bruid en zijn schoonvader laten zoeken; het is van belang geen sporen achter te laten, anders zijn wij verloren. De Franschen zijn duivels, zij zouden ons zeker terugvinden.”»Intusschen geloof ik.…” begon Cuchares.»Van wal, zeg ik u,” riep de Tigrero op gebiedenden toon terwijl hij de prauw met een krachtigen schop in het ruime sop duwde.Zij vertrokken.De eerste oogenblikken der reis gingen zwijgend voorbij, ieder dacht voor zich zelve na over den zonderlingen toestand waarin zij zich bevonden.Don Martial had een onmetelijke verantwoordelijkheid op zich genomen door, om zoo te zeggen, op een enkele kaart het geluk zijner beminde en van hem zelven te wagen. Wat hem nog het meeste stof tot bezwaar gaf, daar op den bodem der prauw lag de haciendero; zijn toestand was inderdaad ernstig en de uitkomst moeielijk te vinden.DoñaAnita zat met het hoofd gebogen en met afgetrokken blik; in gedachten verdiept liet zij hare kleine hand over den rand der prauw in het water hangen dat snel langs het boord voorbij schoot.Cuchares, die uit al zijn macht roeide, dacht ook bij zich zelven na en vond het leven dat hij tegenwoordig leidde alles behalve aangenaam; te Guaymas was hij veel gelukkiger, als hij met het hoofd in de schaduw en de beenen in de zon onder het portiek eener kerk kon liggen en zijn middagslaapje doen, gestreeld door den verfrisschenden zeewind of zacht indommelend onder het geheimzinnig murmelen der branding tegen de keien op het rotsige zeestrand.Wat don Sylva betreft, men kon niet zeggen dat hij dacht; aan eene stille woede ten prooi, die als zij te lang duurde ontwijfelbaar in razernij moest eindigen, beet hij kwaadaardig op de prop die hem den mond sloot en kromde zich in zijne banden, zonder ze te kunnen verbreken.De verschillende geluiden van den strijd werden al zwakker en zwakker en hielden eindelijk geheel op.De reizigers bleven nog een geruimen tijd zwijgen, niet zoozeer[180]verdiept in hun eigen gedachten dan wel weggesleept door de streelende gewaarwordingen eener droomende zwaarmoedigheid, die zoo vaak bij krachtige maar geschokte gemoederen opkomt onder den indruk der roerloos plechtige stilte, ontzagwekkende eenzaamheid en aangrijpende harmonie der Amerikaansche wildernis, wier beschrijving geen menschelijke pen in staat is in al hare grootheid en majesteit weêr te geven.De sterren begonnen aan den hemel allengs te verbleeken, een opalen lichtstreep teekende zich flauw aan den horizont; de logge alligators woelden zich los uit de modder en gingen uit om hun morgenmaal te zoeken; de uil in de boomen aan den rivierkant verscholen, begroette de naderende komst van de zon; de coyotes zwierven in schichtige troepen aan den zandigen oever en verhieven nu en dan hun heesch gekef; de wilde dieren keerden naar hunne holen terug, met haastigen stap, ofschoon na hun gewone maal bezwaard door den slaap; de dag zou weldra aanbreken.DoñaAnita neigde behaagziek het hoofd aan den schouder van don Martial.»Waar gaan wij zoo heen?” vroeg zij met eene zachte stem en op een toon van gedweeheid.»Wij vluchten,” antwoordde hij lakonisch.»Wij zijn nu reeds zes uren lang de rivier afgevaren, gedragen door den stroom en gestuurd door uwe vier krachtig gehanteerde pagaaien; zijn wij nu nog niet buiten het bereik?”»Ja, sinds lang reeds; maar het is de vrees voor de Franschen niet die mij dit oogenblik drijft.”»Wat is het dan?”De Tigrero wees haar met een veelbeduidenden wenk op don Sylva, die na uitputting van toorn en kracht, eindelijk stilzwijgend zijn onvermogen erkend had en geëindigd was met op den bodem der prauw in te slapen.»Helaas!” zeide zij, »gij hebt gelijk, dat kan zoo niet blijven, die toestand is onverdragelijk.”»Zoo gij mij naar eigen goedvinden laat begaan, zal uw vader mij eer wij een kwartieruurs verder zijn nog bedanken.”»Gij weet immers dat ik mij geheel op u verlaat?”»Dank u,” zeide hij, en zich tot Cuchares wendende, fluisterde hij hem eenige woorden in ’t oor.»Ha ha! dat is een gelukkige inval,” grinnikte de lepero.Vijf minuten later kwam de prauw aan wal.Don Sylva werd met de uiterste voorzichtigheid door de beide mannen opgenomen en aan land gedragen, zonder dat hij ontwaakte.»Nu is de beurt aan u,” zei don Martial tegen het meisje; »gij dient eene kleine rol te spelen; om de list die ik er op verzonnen heb wel te doen gelukken, moet gij mij toestaan u voor een paar minuten aan dien inktboom vast te binden.”»Ga uw gang, vriend.”[181]De Tigrero nam haar in zijne forsche armen, droeg haar aan land en in een oogenblik had hij haar met een riem aan den boomstam gebonden.»Houd nu dit in het oog,” zeide hij schielijk, »de vertooning is, dat uw vader en gij door de Apachen uit de hacienda zijn opgelicht, dat wij u bij toeval hier ontmoeten en.…”»Ons komt redden, niet waar?” riep zij lachende.»Juist; alleen moet gij nu nog een paar keeren, hoe harder hoe beter schreeuwen en gillen, als of gij erg bang en verschrikt waart. Dat begrijpt gij, niet waar?”»O! zeer goed.”Volgens bovenstaand programma werd de komedie gespeeld.DoñaAnita begon geweldig te gillen, waarop de twee avonturiers uit de verte antwoordden, hunne geweren en pistolen afschoten alsof er gevochten werd en toen naar den haciendero liepen, dien zij gezwind van zijne banden bevrijdden en niet alleen het vrije gebruik zijner ledematen teruggaven, maar ook dat van zijne spraak en van zijn gezicht.Don Sylva richtte zich eerst half op en zag zijne dochter met hangende haren aan een boom gebonden. Bladz. 181.Don Sylva richtte zich eerst half op en zag zijne dochter met hangende haren aan een boom gebonden. Bladz. 181.Don Sylva richtte zich eerst half op, wierp een verwezen blik om zich heen, en zag zijne dochter met hangende haren aan een boom gebonden, terwijl twee mannen zich haastten haar te hulp te komen en los te maken. De haciendero sloeg de oogen op en dankte den hemel in stilte voor zijne bevrijding.Zoodra ook Anita weder vrij was ijlde zij naar haar vader, viel hem om den hals en na hem gekust te hebben verborg zij haar gelaat, wellicht uit schaamte over de verregaande wijs waarop zij den edelen grijsaard had helpen bedriegen, blozend aan zijne borst.»Mijn arm, dierbaar kind,” riep hij tot tranen bewogen; »voor u, voor u alleen, heb ik gebeefd in dezen langen, vreeselijken nacht.”DoñaAnita antwoordde niet, haar hart klopte hevig bij dit grievend verwijt.Don Martial en Cuchares, het oogenblik gunstig achtende, traden thans naderbij met de nog rookende buksen in hunne handen.Toen de haciendero hen zag en herkende, kwam er een wolk op zijn gezicht, een donker vermoeden bekroop zijne ziel. Hij keek de beide mannen en zijne dochter beurtelings aan met een uitvorschenden blik, stond op met gefronste wenkbrauwen en bevende lippen, zonder nochtans een woord te uiten.De Tigrero werd tegen wil en dank ongerust over dit stilzwijgen, dat hij wel verre was van te verwachten. Na den dienst, die hij had voorgewend den haciendero bewezen te hebben, gevoelde hij zich verplicht het eerst te spreken.»Ik acht mij gelukkig,” begon hij min of meer stotterend, »dat ik hier zoo toevallig op den aanslag kwam, don Sylva, om u aan de handen der Roodhuiden te ontrukken.”»Ik zeg u dank,señordon Martial,” antwoordde de haciendero[182]droog, »van uwe bekende rechtschapenheid kon ik niets minder verwachten. Het heeft zoo moeten wezen; het schijnt wel, dat gij na de dochter te hebben gered, ook haar vader hebt moeten redden. Gij schijnt voorbestemd om de bevrijder van mijne geheele familie te zijn; ontvang daarvoor mijne oprechte dankbetuiging.”Deze woorden werden op een toon van spotternij uitgesproken, die den Tigrero als een pijl in het hart trof; hij kon geen gepast antwoord vinden en maakte eene onhandige buiging om zijne verlegenheid te verbergen.»Vader,” zijdoñaAnita op vleienden toon, »don Martial heeft zijn leven voor ons gewaagd.”»Ik heb er hem immers reeds voor bedankt,” zeide hij. »Het is zoo, het schijnt een heete strijd geweest; maar de heidenen hebben wel spoedig het hazenpad gekozen; is er niemand van hen gedood?”Dit zeggende deed de haciendero alsof hij rondkeek.Don Martial herstelde zich.»Señordon Sylva de Torres,” riep hij met eene vaste stem, »dit voorval bracht ons weder tegenover elkander, geef mij dus de vrijheid u te zeggen dat slechts weinige menschen u zoo genegen en getrouw zijn als ik.”»Dat hebt gij mij zoo even bewezen, caballero.”»Spreken wij daar niet meer van,” zei don Martial, »nu gij weder uw eigen meester zijt en vrij kunt handelen, hebt gij slechts te spreken en te bevelen. Ik ben bereid om te beproeven wat gij van mij eischt, ten einde u te kunnen bewijzen, hoe gelukkig ik mij acht alles te doen wat u aangenaam is.”»Dat is ronde taal, die ik begrijp, caballero, en daar ik u even rond op zal antwoorden. Gewichtige redenen nopen mij om naar de kolonie Guetzalli terug te keeren, waar ik was toen de heidenen mij zoo verraderlijk hebben opgelicht.”»Wanneer wilt gij vertrekken.”»Dadelijk, zoo dit mogelijk is.”»Alles is mogelijk, caballero, alleen moet ik u doen opmerken, dat wij hier dertig mijlen van die hacienda verwijderd zijn, dat het land waar wij ons bevinden eene eenzame wildernis is, zoodat wij uiterst moeielijk paarden zullen krijgen en dat wij met den besten wil van de wereld die reis niet te voet kunnen afleggen.”»Vooral mijne dochter niet, niet waar?” hervatte hij met een bitteren glimlach.»Ja,” herhaalde de Tigrero, »vooral deseñorita.”»Wat dan gedaan? want ik ben volstrekt verplicht om derwaarts terug te keeren, vooral om mijne dochter,” voegde hij er bij met nadruk op de laatste woorden, »en dat wel zoo spoedig mogelijk.”De Tigrero loog een weinig toen hij don Sylva verzekerde dat zij dertig mijlen van de kolonie af waren; de afstand bedroeg niet meer[183]dan achttien mijlen; maar in zulk een onherbergzame streek, waar geene wegen bestaan, zijn zestien of achttien mijlen bijna onoverkomelijk voor iemand die, aan het ruwe woestijnleven ongewoon, tegen de daarvan onafscheidelijke vermoeienis niet gehard is. Don Sylva, ofschoon hij de prairie nooit doorreisd had dan op den weelderigsten voet en voorzien van al de gemakken, die men zich in deze verre streken met mogelijkheid verschaffen kan, wist ten minste, zoo al niet bij ondervinding dan toch bij geruchte, hoevele moeielijkheden er bij iederen stap konden oprijzen en welke belemmeringen hij op zijn weg ontmoeten kon. Zijn besluit was dus dadelijk genomen.Gelijk velen zijner landgenooten bezat don Sylva eene groote mate van stijfhoofdigheid; wanneer hij eenmaal een plan gevormd of een doel zich voor oogen had gesteld, onverschillig wat het ook wezen mocht, zou hij er alles aan gewaagd hebben en werd iedere hindernis die hem in den weg kwam een nieuwe prikkel om het te bereiken.»Hoor mij dan, don Martial,” zeide hij tegen den Tigrero, »ik wil rond met u te werk gaan: ik behoef u niet voor nieuws te vertellen, dat mijne dochter op het punt staat van met den graaf de Lhorailles te huwen; dat huwelijk moet gesloten worden, ik heb het gezworen en het zal geschieden, trots al wat men zegge of doe om het te beletten. En nu, na deze verklaring, zal ik uwe trouw jegens mij, daar gij zoo hoog van opgeeft, op de proef stellen.”»Spreek,señor,” zei don Martial.»Zend dan uw kameraad naar de graaf de Lhorailles; ik zal hem een brief medegeven om zijne ongerustheid te doen bedaren en hem mijne aanstaande komst aan te kondigen.”»Goed.”»Zal hij het doen?”»Oogenblikkelijk.”»Dank u. Wat thans u zelven aangaat, geef ik u vrijheid ons te verlaten of te volgen, zoo als gij verkiest, maar vooreerst hebben wij paarden en wapenen en bovenal een goed eskorte noodig. Ik zou niet gaarne weder in handen der heidenen vallen; misschien zou ik dezen keer het geluk niet hebben om er zoo goed af te komen.”»Blijf hier, binnen twee uren kom ik met paarden terug; wat een eskorte betreft, daar zal ik u aan zien te helpen, maar dat durf ik u niet stellig verzekeren. Daar gij er niets tegen hebt dat ik medega, zal ik u verzellen tot gij den graaf ontmoet. Gedurende den tijd dien ik het geluk zal hebben met u op reis door te brengen, hoop ik u te bewijzen dat gij u in mij vergist hebt.”Deze woorden werden op zulk een ondubbelzinnigen toon uitgesproken, dat de haciendero er zich door getroffen gevoelde.»Wat er ook gebeure,” zeide hij, »ik zeg u dank, gij zult mij[184]in ieder geval een onuitsprekelijken dienst hebben bewezen, daar ik u eeuwig erkentelijk voor zal zijn.”Don Sylva scheurde een blad papier uit zijn zakboekje, schreef er met potlood eenige woorden op, vouwde het toe en gaf het den Tigrero.»Zijt gij zeker van dien man?” vroeg hij.»Zoo goed als van mij zelven,” antwoordde don Martial uitwijkend; »wees gerust dat hij den graaf zien zal.”De haciendero wees met de hand dat hij voldaan was, en de Tigrero naderde Cuchares.»Ziedaar,” zeide hij met eene luide stem terwijl hij hem het briefje ter hand stelde, »breng dat binnen twee uren bij den kommandant van Guetzalli. Hebt gij mij verstaan?”»Ja,” antwoordde de lepero.»Vertrek, en de hemel beware u voor kwade ontmoetingen. Over een kwartier achter dien heuvel daar;” liet hij schielijk en fluisterend er op volgen.»Afgesproken,” riep de andere met eene buiging.»Neem deze prauw,” vervolgde de Tigrero.Zoo de haciendero al eenigen argwaan had kunnen koesteren, thans verdween deze geheel, nu hij zag dat Cuchares in de prauw sprong, de pagaaien greep en dadelijk van wal stak, zonder taal of teeken met den Tigrero te wisselen en zelfs zonder het hoofd om te wenden.»Dat is het eerste gedeelte uwer beschikkingen, die gij in vervulling ziet overgaan,” zei de Tigrero toen hij bij don Sylva terugkwam; »nu zal ik mij met het tweede belasten; neem mijne pistolen en mijne machete, dan kunt gij u althans te weer stellen in geval van nood, want ik laat u hier achter, maar vooral verwijder u niet, binnen twee uren op zijn langst ben ik weder bij u.”»Weet gij dan een middel om hier paarden te vinden?” vroeg don Sylva.»Weet gij nog niet dat de woestijn mijne dagelijksche woonplaats is?” antwoordde hij met een somberen glimlach. »Ik ben hier thuis; weldra zult gij er het bewijs van zien. Tot wederziens?”En hij verwijderde zich snel in tegenovergestelde richting als de prauw.Toen hij een poos geloopen had en achter een dicht boschje van acajou-boomen en kreupelhout voor don Sylva onzichtbaar was geworden, maakte hij op eens een scherpen hoek rechts, van de rivier af en liep hard terug tot hij de andere zijde van den heuvel bereikte.Daar zatCucharesbedaard zijne cigarette rookend op hem te wachten.»Geen woorden, maar daden,” zei de Tigrero, »de tijd dringt.”»Ik wacht uwe bevelen.”[185]»Ziet gij dezen diamant?” en hij wees den lepero op den ring aan zijn das.»Hij is duizend piasters waard,” zei de lepero die hem met het oog van een kenner bekeek.Don Martial bood hem den ring aan.»Dien geef ik u,” zeide hij.De andere nam hem aan en stak hem bij zich.»Wat moet ik er voor doen?”»Mij dadelijk den brief geven.”»Daar is hij.”Don Martial nam hem en scheurde hem in duizend stukjes.»Wat volgt?” vroeg Cuchares.»Wat volgt,” herhaalde de Tigrero, »ik heb nog een diamant van gelijke waarde ter uwer beschikking; gij verstaat mij?”»Ja, ik neem het aan.”»Maar op eene voorwaarde.”»Die ken ik,” zeide de lepero met een veelbeteekenenden wenk.»Gij neemt het stellig aan, zegt gij?”»Stellig.”»Dat is afgesproken.”»Gij zult nooit weêr verdriet van hem hebben.”»Goed; maar gij begrijpt, ik verwacht bewijzen.”»Die zult gij hebben.”»Dan tot weerziens.”»Tot weerziens.”De beide medeplichtigen scheidden ten hoogste voldaan, zij hadden elkander met een enkel woord begrepen.Wij hebben reeds gezien op welke wijs Cuchares zich kweet van de zending daar don Sylva hem mede belast had.Na zijn kort gesprek met Cuchares ging don Martial er op uit om ergens paarden te zoeken.Twee uren later keerde hij terug; niet alleen had hij uitmuntende paarden medegebracht, maar tevens twee peons of die er voor moesten doorgaan om tot geleide te dienen.De haciendero waardeerde in allen deele de kieschheid waarmede don Martial te zijnen opzichte te werk ging, en ofschoon het uitzicht en de manieren zijner nieuwe beschermers niet van de echte soort waren, bedankte hij den Tigrero toch hartelijk voor de moeite die deze zich gegeven had om aan zijn verlangen te voldoen, en thans omtrent den afloop zijner reis volkomen gerustgesteld, nam hij met goeden eetlust deel aan het ontbijt, een gebraden hertebout met een dronk pulque, die don Martial hem mede had weten te bezorgen.Toen de maaltijd geëindigd was ging de kleine troep, wel gewapend en vol moed op marsch in de richting naar de kolonie Guetzalli, waar don Sylva, op zijn gemak reizende, en zoo er ten minste[186]niets in den weg kwam, berekende binnen drie dagen te zullen aankomen.
XVIII.EEN STAP ACHTERWAARTS.
Het verhaal van den lepero, ofschoon in den grond waarheid bevattende, was wat den vorm en de inkleeding betreft geheel valsch[176]en logenachtig. Had hij misschien zijne redenen om den graaf de Lhorailles te misleiden? Dit zal de lezer zelf kunnen beoordeelen wanneer hij ons nieuwe hoofdstuk heeft ten einde gebracht.Wij zijn dus andermaal genoodzaakt den draad onzer historie te breken en eenige passen terug te keeren.Na, zooals wij in een der vorige hoofdstukken gezien hebben, als door een wonder aan de handen der Apachen te zijn ontsnapt daar hij zoo ongelukkig in vervallen was, had Cuchares door onder water te duiken, al zwemmende het midden der rivier kunnen bereiken. Toen hij het hoofd weder boven stak om adem te scheppen, zag hij rond; hij was alleen.De lepero smoorde een vreugdekreet en na een minuut van rijp overleg zwom hij uit al zijn macht naar de wortelboomen, waar don Martial ingevolge het afgesproken signaal, dat hij door den nood gedrongen reeds had gegeven, hem zonder twijfel stond te wachten.Met eenige krachtige armslagen bereikte hij de wortelboomen, tusschen welke hij zich onmiddellijk onzichtbaar maakte; maar hier wachtte hem eene nieuwe verrassing, de omgekantelde en aan zich zelve overgelaten prauw was met eenige andere stukken drijfhout tegen een boomstam aangedreven en daar blijven steken.Cuchares, die reeds aan land was gestapt, hoosde de prauw leeg en bracht haar weder te water. Deze kleine vaartuigen, meestal uit berkenschors vervaardigd, die de Indianen met behulp van heet water van den stam weten te scheiden, zijn uiterst licht en laten zich zeer gemakkelijk behandelen.Nauwelijks was de lepero er mede klaar of er kwam eene schaduw naar hem toe en fluisterde hem in ’t oor:»Wat komt gij laat.”De lepero deed een sprong van schrik, maar herkende don Martial; met een paar woorden deelde hij hem mede wat er gebeurd was.»Alles gaat opperbest, er is niets meê verloren, nu gij weder hier zijt,” antwoordde de Tigrero; »verberg u maar in de wortelboomen en kom onder geen beding te voorschijn, voor dat ik weer hier ben.”Hij verwijderde zich snel.Cuchares maakte des te meer haast om te gehoorzamen, daar hij niet ver van hem af het rumoer van den hevigen strijd hoorde die op dit oogenblik tusschen de Franschen en Apachen gestreden werd en in vollen gang was.Don Martial was intusschen, met een dolk in de hand om op alles gereed te zijn, als een spook naar een dicht boschje van floripondio’s geslopen, waardoñaAnita hem bevend verbeidde.Op het punt van de takken uiteen te schuiven die hem van het meisje afzonderden bleef hij staan, met hijgenden adem en gefronste wenkbrauwen: zij was niet alleen![177]Hare stem, hetzij door aandoening of door toorn bewogen, klonk scherp en gebiedend; zij scheen met iemand in gesprek.Maar met wie? Wie zou haar op deze plek, waar zij zich zoo goed geborgen waande, hebben weten te vinden en naar alle waarschijnlijkheid haar willen overhalen of desnoods dwingen hem te volgen?De Tigrero luisterde scherp toe.Weldra bewoog hij zich toornig en dreigend, hij had de stem herkend van den man die metdoñaAnita sprak: het was haar vader.Alles was verloren.De haciendero trachtte zijne dochter te bewegen naar den kant der gebouwen terug te keeren en gebruikte daartoe alle middelen van overreding. Zoo het scheen vermoedde hij iets van de reden waarom zijne dochter zich op deze plaats bevond.DoñaAnita weigerde stellig mede te gaan, verklarende dat zij liever in handen van een Indiaanschen strooper zou willen vallen, dan zich aan het gevaar bloot te stellen dat zij tot iederen prijs wilde vermijden.Don Martial sloeg zich met de hand op het voorhoofd, een zonderlinge glimlach plooide zijne lippen, zijn oog fonkelde en hij verwijderde zich snel in de richting der rivier.Inmiddels woedde de strijd steeds voort; nu eens scheen het rumoer nader te komen en hoorde men vloekkreten en verwenschingen, dan eens flikkerde er als bliksemlicht door de lucht en hoorde men de kogels tegen muren of boomen neerkomen, met dat eigenaardig gekletter, dat voor nieuwelingen in den krijg zoo verontrustend is.»In ’s hemels naam! lieve dochter,” hervatte don Sylva dringender dan ooit, »kom toch, wij hebben geen oogenblik te verliezen, binnen weinige seconden wellicht wordt ons de terugtocht afgesneden; kom toch bid ik u.”»Neen, vader,” antwoordde zij hoofdschuddend, »ik wacht mijn lot af; wat er ook gebeure, ik zeg u nog eens, ik ga hier nietvandaan.”»Maar dat is dwaasheid,” riep de haciendero, »wilt gij dan sterven?”»Wat geef ik om sterven,” riep zij treurig, »ben ik niet op alle manieren veroordeeld? God is mijn getuige, vader, dat ik om het voor mij bestemde huwelijk te ontgaan liever zou willen sterven!”»Anita, in ’s hemels naam!”»Wat kan het u schelen, vader, of ik heden den woesten heidenen in handen val, daar gij mij morgen met eigen hand aan een man zult overleveren dien ik verafschuw?”»Spreek toch zoo niet, meisje. Buitendien, het oogenblik is dunkt mij voor het bespreken van zulk eene zaak zeer slecht gekozen,[178]kom toch meê, het rumoer neemt toe; weldra zal het te laat zijn.”»Ga maar gerust heen, vader, als gij dat goedvindt,” antwoordde zij ronduit;»maar ik blijf hier, wat er ook moge gebeuren.”»In dat geval en als gij volstandig weigert mij te gehoorzamen, zal ik de macht gebruiken die ik bezit en u met geweld wegvoeren.”Het meisje sloeg den linkerarm om een jongen acajou-ceder en keek haar vader aan met een blik van onverzettelijken onwil.»Waag het maar niet, vader, om het te doen!” riep zij, »want ik zeg u vooruit dat bij den eersten stap dien gij mij nadert gebeuren zal wat gij zoo zeer vreest; ik zal zoo hard schreeuwen dat de heidensche Roodhuiden het hooren en terstond hier zullen komen.”Don Sylva bleef aarzelend staan; hij kende het vastberaden karakter zijner dochter en wist dat zij in staat was hare bedreiging onmiddellijk ten uitvoer te brengen.Er verliepen eenige minuten, gedurende welke vader en dochter tegenover elkander stonden, met strakke blikken elkander aankijkend, maar zonder een woord te spreken of een spier te verroeren.Op eens ontstond er een hevig gekraak in het floripondioboschje, de takken werden met woest geweld uit elkander gebogen, om twee mannen, of liever twee duivels door te laten, die als met tijgersprongen op den haciendero aanvielen en hem op den grond wierpen. Eer nog don Sylva in het schemerende sterrenlicht in staat was zijne onverwachte aanvallers te herkennen, hadden zij hem reeds gekneveld, een prop in den mond gestopt en een doek over het hoofd geknoopt, zoodat hij niets meer zien kon van hetgeen er rondom hem gebeurde, noch weten wat er niet alleen met hem maar ook wat er met zijne dochter gebeuren zou.Laatstgenoemde door deze plotselinge overrompeling onthutst had een schreeuw gedaan van schrik, maar voorzichtigheidshalve terstond weder gezwegen, daar zij don Martial herkende.»Stil,” zeide de Tigrero schielijk en zacht, »ik wist geen ander middel om het gedaan te krijgen, maar kom dadelijk mede; uw vader, weet gij, is mij heilig, om uwentwil zal hem geen leed geschieden.”DoñaAnita antwoordde niet.Op een wenk van don Martial had Cuchares den haciendero op zijne schouders genomen en hem naar de wortelboomen gedragen.»Waar gaan wij heen?” vroegdoñaAnita met eene bevende stem.»Waar wij zoo ik hoop samen gelukkig zullen zijn,” fluisterde de Tigrero teergevoelig, terwijl hij haar gezwind opnam en op een drafje naar de prauw droeg.DoñaAnita bood geen weerstand, integendeel, zij glimlachte, sloeg haar rechter arm om den hals van den drager, om het evenwicht beter te bewaren, dat bij deze harddraverij over de wortelboomen wel noodig was terwijl don Martial van tak tot tak stapte of sprong, of zich aan de lianen vasthield, met stem en gebaar zijn kostbaren last aanmoedigende.[179]Cuchares had don Sylva op den bodem der prauw gelegd, en met de pagaai in de hand wachtte hij vol ongeduld de komst van don Martial, daar het gedruisch van den strijd nog scheen toe te nemen, ofschoon uit het wel onderhouden geweervuur en uit de verschillende kreten die men nu en dan hoorde, gemakkelijk was op te maken dat de overwinning aan de zijde der Franschen verbleef.»Wat zullen wij doen?” vroeg Cuchares.»Naar het midden der rivier roeien en den stroom afzakken.”»Maar onze paarden?” vroeg de lepero.»Redden wij eerst ons zelven, de paarden zullen wij later wel vinden. Het blijkt duidelijk dat de blanken het winnen. Zoodra het gevecht over is, zal de graaf de Lhorailles overal zijne bruid en zijn schoonvader laten zoeken; het is van belang geen sporen achter te laten, anders zijn wij verloren. De Franschen zijn duivels, zij zouden ons zeker terugvinden.”»Intusschen geloof ik.…” begon Cuchares.»Van wal, zeg ik u,” riep de Tigrero op gebiedenden toon terwijl hij de prauw met een krachtigen schop in het ruime sop duwde.Zij vertrokken.De eerste oogenblikken der reis gingen zwijgend voorbij, ieder dacht voor zich zelve na over den zonderlingen toestand waarin zij zich bevonden.Don Martial had een onmetelijke verantwoordelijkheid op zich genomen door, om zoo te zeggen, op een enkele kaart het geluk zijner beminde en van hem zelven te wagen. Wat hem nog het meeste stof tot bezwaar gaf, daar op den bodem der prauw lag de haciendero; zijn toestand was inderdaad ernstig en de uitkomst moeielijk te vinden.DoñaAnita zat met het hoofd gebogen en met afgetrokken blik; in gedachten verdiept liet zij hare kleine hand over den rand der prauw in het water hangen dat snel langs het boord voorbij schoot.Cuchares, die uit al zijn macht roeide, dacht ook bij zich zelven na en vond het leven dat hij tegenwoordig leidde alles behalve aangenaam; te Guaymas was hij veel gelukkiger, als hij met het hoofd in de schaduw en de beenen in de zon onder het portiek eener kerk kon liggen en zijn middagslaapje doen, gestreeld door den verfrisschenden zeewind of zacht indommelend onder het geheimzinnig murmelen der branding tegen de keien op het rotsige zeestrand.Wat don Sylva betreft, men kon niet zeggen dat hij dacht; aan eene stille woede ten prooi, die als zij te lang duurde ontwijfelbaar in razernij moest eindigen, beet hij kwaadaardig op de prop die hem den mond sloot en kromde zich in zijne banden, zonder ze te kunnen verbreken.De verschillende geluiden van den strijd werden al zwakker en zwakker en hielden eindelijk geheel op.De reizigers bleven nog een geruimen tijd zwijgen, niet zoozeer[180]verdiept in hun eigen gedachten dan wel weggesleept door de streelende gewaarwordingen eener droomende zwaarmoedigheid, die zoo vaak bij krachtige maar geschokte gemoederen opkomt onder den indruk der roerloos plechtige stilte, ontzagwekkende eenzaamheid en aangrijpende harmonie der Amerikaansche wildernis, wier beschrijving geen menschelijke pen in staat is in al hare grootheid en majesteit weêr te geven.De sterren begonnen aan den hemel allengs te verbleeken, een opalen lichtstreep teekende zich flauw aan den horizont; de logge alligators woelden zich los uit de modder en gingen uit om hun morgenmaal te zoeken; de uil in de boomen aan den rivierkant verscholen, begroette de naderende komst van de zon; de coyotes zwierven in schichtige troepen aan den zandigen oever en verhieven nu en dan hun heesch gekef; de wilde dieren keerden naar hunne holen terug, met haastigen stap, ofschoon na hun gewone maal bezwaard door den slaap; de dag zou weldra aanbreken.DoñaAnita neigde behaagziek het hoofd aan den schouder van don Martial.»Waar gaan wij zoo heen?” vroeg zij met eene zachte stem en op een toon van gedweeheid.»Wij vluchten,” antwoordde hij lakonisch.»Wij zijn nu reeds zes uren lang de rivier afgevaren, gedragen door den stroom en gestuurd door uwe vier krachtig gehanteerde pagaaien; zijn wij nu nog niet buiten het bereik?”»Ja, sinds lang reeds; maar het is de vrees voor de Franschen niet die mij dit oogenblik drijft.”»Wat is het dan?”De Tigrero wees haar met een veelbeduidenden wenk op don Sylva, die na uitputting van toorn en kracht, eindelijk stilzwijgend zijn onvermogen erkend had en geëindigd was met op den bodem der prauw in te slapen.»Helaas!” zeide zij, »gij hebt gelijk, dat kan zoo niet blijven, die toestand is onverdragelijk.”»Zoo gij mij naar eigen goedvinden laat begaan, zal uw vader mij eer wij een kwartieruurs verder zijn nog bedanken.”»Gij weet immers dat ik mij geheel op u verlaat?”»Dank u,” zeide hij, en zich tot Cuchares wendende, fluisterde hij hem eenige woorden in ’t oor.»Ha ha! dat is een gelukkige inval,” grinnikte de lepero.Vijf minuten later kwam de prauw aan wal.Don Sylva werd met de uiterste voorzichtigheid door de beide mannen opgenomen en aan land gedragen, zonder dat hij ontwaakte.»Nu is de beurt aan u,” zei don Martial tegen het meisje; »gij dient eene kleine rol te spelen; om de list die ik er op verzonnen heb wel te doen gelukken, moet gij mij toestaan u voor een paar minuten aan dien inktboom vast te binden.”»Ga uw gang, vriend.”[181]De Tigrero nam haar in zijne forsche armen, droeg haar aan land en in een oogenblik had hij haar met een riem aan den boomstam gebonden.»Houd nu dit in het oog,” zeide hij schielijk, »de vertooning is, dat uw vader en gij door de Apachen uit de hacienda zijn opgelicht, dat wij u bij toeval hier ontmoeten en.…”»Ons komt redden, niet waar?” riep zij lachende.»Juist; alleen moet gij nu nog een paar keeren, hoe harder hoe beter schreeuwen en gillen, als of gij erg bang en verschrikt waart. Dat begrijpt gij, niet waar?”»O! zeer goed.”Volgens bovenstaand programma werd de komedie gespeeld.DoñaAnita begon geweldig te gillen, waarop de twee avonturiers uit de verte antwoordden, hunne geweren en pistolen afschoten alsof er gevochten werd en toen naar den haciendero liepen, dien zij gezwind van zijne banden bevrijdden en niet alleen het vrije gebruik zijner ledematen teruggaven, maar ook dat van zijne spraak en van zijn gezicht.Don Sylva richtte zich eerst half op en zag zijne dochter met hangende haren aan een boom gebonden. Bladz. 181.Don Sylva richtte zich eerst half op en zag zijne dochter met hangende haren aan een boom gebonden. Bladz. 181.Don Sylva richtte zich eerst half op, wierp een verwezen blik om zich heen, en zag zijne dochter met hangende haren aan een boom gebonden, terwijl twee mannen zich haastten haar te hulp te komen en los te maken. De haciendero sloeg de oogen op en dankte den hemel in stilte voor zijne bevrijding.Zoodra ook Anita weder vrij was ijlde zij naar haar vader, viel hem om den hals en na hem gekust te hebben verborg zij haar gelaat, wellicht uit schaamte over de verregaande wijs waarop zij den edelen grijsaard had helpen bedriegen, blozend aan zijne borst.»Mijn arm, dierbaar kind,” riep hij tot tranen bewogen; »voor u, voor u alleen, heb ik gebeefd in dezen langen, vreeselijken nacht.”DoñaAnita antwoordde niet, haar hart klopte hevig bij dit grievend verwijt.Don Martial en Cuchares, het oogenblik gunstig achtende, traden thans naderbij met de nog rookende buksen in hunne handen.Toen de haciendero hen zag en herkende, kwam er een wolk op zijn gezicht, een donker vermoeden bekroop zijne ziel. Hij keek de beide mannen en zijne dochter beurtelings aan met een uitvorschenden blik, stond op met gefronste wenkbrauwen en bevende lippen, zonder nochtans een woord te uiten.De Tigrero werd tegen wil en dank ongerust over dit stilzwijgen, dat hij wel verre was van te verwachten. Na den dienst, die hij had voorgewend den haciendero bewezen te hebben, gevoelde hij zich verplicht het eerst te spreken.»Ik acht mij gelukkig,” begon hij min of meer stotterend, »dat ik hier zoo toevallig op den aanslag kwam, don Sylva, om u aan de handen der Roodhuiden te ontrukken.”»Ik zeg u dank,señordon Martial,” antwoordde de haciendero[182]droog, »van uwe bekende rechtschapenheid kon ik niets minder verwachten. Het heeft zoo moeten wezen; het schijnt wel, dat gij na de dochter te hebben gered, ook haar vader hebt moeten redden. Gij schijnt voorbestemd om de bevrijder van mijne geheele familie te zijn; ontvang daarvoor mijne oprechte dankbetuiging.”Deze woorden werden op een toon van spotternij uitgesproken, die den Tigrero als een pijl in het hart trof; hij kon geen gepast antwoord vinden en maakte eene onhandige buiging om zijne verlegenheid te verbergen.»Vader,” zijdoñaAnita op vleienden toon, »don Martial heeft zijn leven voor ons gewaagd.”»Ik heb er hem immers reeds voor bedankt,” zeide hij. »Het is zoo, het schijnt een heete strijd geweest; maar de heidenen hebben wel spoedig het hazenpad gekozen; is er niemand van hen gedood?”Dit zeggende deed de haciendero alsof hij rondkeek.Don Martial herstelde zich.»Señordon Sylva de Torres,” riep hij met eene vaste stem, »dit voorval bracht ons weder tegenover elkander, geef mij dus de vrijheid u te zeggen dat slechts weinige menschen u zoo genegen en getrouw zijn als ik.”»Dat hebt gij mij zoo even bewezen, caballero.”»Spreken wij daar niet meer van,” zei don Martial, »nu gij weder uw eigen meester zijt en vrij kunt handelen, hebt gij slechts te spreken en te bevelen. Ik ben bereid om te beproeven wat gij van mij eischt, ten einde u te kunnen bewijzen, hoe gelukkig ik mij acht alles te doen wat u aangenaam is.”»Dat is ronde taal, die ik begrijp, caballero, en daar ik u even rond op zal antwoorden. Gewichtige redenen nopen mij om naar de kolonie Guetzalli terug te keeren, waar ik was toen de heidenen mij zoo verraderlijk hebben opgelicht.”»Wanneer wilt gij vertrekken.”»Dadelijk, zoo dit mogelijk is.”»Alles is mogelijk, caballero, alleen moet ik u doen opmerken, dat wij hier dertig mijlen van die hacienda verwijderd zijn, dat het land waar wij ons bevinden eene eenzame wildernis is, zoodat wij uiterst moeielijk paarden zullen krijgen en dat wij met den besten wil van de wereld die reis niet te voet kunnen afleggen.”»Vooral mijne dochter niet, niet waar?” hervatte hij met een bitteren glimlach.»Ja,” herhaalde de Tigrero, »vooral deseñorita.”»Wat dan gedaan? want ik ben volstrekt verplicht om derwaarts terug te keeren, vooral om mijne dochter,” voegde hij er bij met nadruk op de laatste woorden, »en dat wel zoo spoedig mogelijk.”De Tigrero loog een weinig toen hij don Sylva verzekerde dat zij dertig mijlen van de kolonie af waren; de afstand bedroeg niet meer[183]dan achttien mijlen; maar in zulk een onherbergzame streek, waar geene wegen bestaan, zijn zestien of achttien mijlen bijna onoverkomelijk voor iemand die, aan het ruwe woestijnleven ongewoon, tegen de daarvan onafscheidelijke vermoeienis niet gehard is. Don Sylva, ofschoon hij de prairie nooit doorreisd had dan op den weelderigsten voet en voorzien van al de gemakken, die men zich in deze verre streken met mogelijkheid verschaffen kan, wist ten minste, zoo al niet bij ondervinding dan toch bij geruchte, hoevele moeielijkheden er bij iederen stap konden oprijzen en welke belemmeringen hij op zijn weg ontmoeten kon. Zijn besluit was dus dadelijk genomen.Gelijk velen zijner landgenooten bezat don Sylva eene groote mate van stijfhoofdigheid; wanneer hij eenmaal een plan gevormd of een doel zich voor oogen had gesteld, onverschillig wat het ook wezen mocht, zou hij er alles aan gewaagd hebben en werd iedere hindernis die hem in den weg kwam een nieuwe prikkel om het te bereiken.»Hoor mij dan, don Martial,” zeide hij tegen den Tigrero, »ik wil rond met u te werk gaan: ik behoef u niet voor nieuws te vertellen, dat mijne dochter op het punt staat van met den graaf de Lhorailles te huwen; dat huwelijk moet gesloten worden, ik heb het gezworen en het zal geschieden, trots al wat men zegge of doe om het te beletten. En nu, na deze verklaring, zal ik uwe trouw jegens mij, daar gij zoo hoog van opgeeft, op de proef stellen.”»Spreek,señor,” zei don Martial.»Zend dan uw kameraad naar de graaf de Lhorailles; ik zal hem een brief medegeven om zijne ongerustheid te doen bedaren en hem mijne aanstaande komst aan te kondigen.”»Goed.”»Zal hij het doen?”»Oogenblikkelijk.”»Dank u. Wat thans u zelven aangaat, geef ik u vrijheid ons te verlaten of te volgen, zoo als gij verkiest, maar vooreerst hebben wij paarden en wapenen en bovenal een goed eskorte noodig. Ik zou niet gaarne weder in handen der heidenen vallen; misschien zou ik dezen keer het geluk niet hebben om er zoo goed af te komen.”»Blijf hier, binnen twee uren kom ik met paarden terug; wat een eskorte betreft, daar zal ik u aan zien te helpen, maar dat durf ik u niet stellig verzekeren. Daar gij er niets tegen hebt dat ik medega, zal ik u verzellen tot gij den graaf ontmoet. Gedurende den tijd dien ik het geluk zal hebben met u op reis door te brengen, hoop ik u te bewijzen dat gij u in mij vergist hebt.”Deze woorden werden op zulk een ondubbelzinnigen toon uitgesproken, dat de haciendero er zich door getroffen gevoelde.»Wat er ook gebeure,” zeide hij, »ik zeg u dank, gij zult mij[184]in ieder geval een onuitsprekelijken dienst hebben bewezen, daar ik u eeuwig erkentelijk voor zal zijn.”Don Sylva scheurde een blad papier uit zijn zakboekje, schreef er met potlood eenige woorden op, vouwde het toe en gaf het den Tigrero.»Zijt gij zeker van dien man?” vroeg hij.»Zoo goed als van mij zelven,” antwoordde don Martial uitwijkend; »wees gerust dat hij den graaf zien zal.”De haciendero wees met de hand dat hij voldaan was, en de Tigrero naderde Cuchares.»Ziedaar,” zeide hij met eene luide stem terwijl hij hem het briefje ter hand stelde, »breng dat binnen twee uren bij den kommandant van Guetzalli. Hebt gij mij verstaan?”»Ja,” antwoordde de lepero.»Vertrek, en de hemel beware u voor kwade ontmoetingen. Over een kwartier achter dien heuvel daar;” liet hij schielijk en fluisterend er op volgen.»Afgesproken,” riep de andere met eene buiging.»Neem deze prauw,” vervolgde de Tigrero.Zoo de haciendero al eenigen argwaan had kunnen koesteren, thans verdween deze geheel, nu hij zag dat Cuchares in de prauw sprong, de pagaaien greep en dadelijk van wal stak, zonder taal of teeken met den Tigrero te wisselen en zelfs zonder het hoofd om te wenden.»Dat is het eerste gedeelte uwer beschikkingen, die gij in vervulling ziet overgaan,” zei de Tigrero toen hij bij don Sylva terugkwam; »nu zal ik mij met het tweede belasten; neem mijne pistolen en mijne machete, dan kunt gij u althans te weer stellen in geval van nood, want ik laat u hier achter, maar vooral verwijder u niet, binnen twee uren op zijn langst ben ik weder bij u.”»Weet gij dan een middel om hier paarden te vinden?” vroeg don Sylva.»Weet gij nog niet dat de woestijn mijne dagelijksche woonplaats is?” antwoordde hij met een somberen glimlach. »Ik ben hier thuis; weldra zult gij er het bewijs van zien. Tot wederziens?”En hij verwijderde zich snel in tegenovergestelde richting als de prauw.Toen hij een poos geloopen had en achter een dicht boschje van acajou-boomen en kreupelhout voor don Sylva onzichtbaar was geworden, maakte hij op eens een scherpen hoek rechts, van de rivier af en liep hard terug tot hij de andere zijde van den heuvel bereikte.Daar zatCucharesbedaard zijne cigarette rookend op hem te wachten.»Geen woorden, maar daden,” zei de Tigrero, »de tijd dringt.”»Ik wacht uwe bevelen.”[185]»Ziet gij dezen diamant?” en hij wees den lepero op den ring aan zijn das.»Hij is duizend piasters waard,” zei de lepero die hem met het oog van een kenner bekeek.Don Martial bood hem den ring aan.»Dien geef ik u,” zeide hij.De andere nam hem aan en stak hem bij zich.»Wat moet ik er voor doen?”»Mij dadelijk den brief geven.”»Daar is hij.”Don Martial nam hem en scheurde hem in duizend stukjes.»Wat volgt?” vroeg Cuchares.»Wat volgt,” herhaalde de Tigrero, »ik heb nog een diamant van gelijke waarde ter uwer beschikking; gij verstaat mij?”»Ja, ik neem het aan.”»Maar op eene voorwaarde.”»Die ken ik,” zeide de lepero met een veelbeteekenenden wenk.»Gij neemt het stellig aan, zegt gij?”»Stellig.”»Dat is afgesproken.”»Gij zult nooit weêr verdriet van hem hebben.”»Goed; maar gij begrijpt, ik verwacht bewijzen.”»Die zult gij hebben.”»Dan tot weerziens.”»Tot weerziens.”De beide medeplichtigen scheidden ten hoogste voldaan, zij hadden elkander met een enkel woord begrepen.Wij hebben reeds gezien op welke wijs Cuchares zich kweet van de zending daar don Sylva hem mede belast had.Na zijn kort gesprek met Cuchares ging don Martial er op uit om ergens paarden te zoeken.Twee uren later keerde hij terug; niet alleen had hij uitmuntende paarden medegebracht, maar tevens twee peons of die er voor moesten doorgaan om tot geleide te dienen.De haciendero waardeerde in allen deele de kieschheid waarmede don Martial te zijnen opzichte te werk ging, en ofschoon het uitzicht en de manieren zijner nieuwe beschermers niet van de echte soort waren, bedankte hij den Tigrero toch hartelijk voor de moeite die deze zich gegeven had om aan zijn verlangen te voldoen, en thans omtrent den afloop zijner reis volkomen gerustgesteld, nam hij met goeden eetlust deel aan het ontbijt, een gebraden hertebout met een dronk pulque, die don Martial hem mede had weten te bezorgen.Toen de maaltijd geëindigd was ging de kleine troep, wel gewapend en vol moed op marsch in de richting naar de kolonie Guetzalli, waar don Sylva, op zijn gemak reizende, en zoo er ten minste[186]niets in den weg kwam, berekende binnen drie dagen te zullen aankomen.
Het verhaal van den lepero, ofschoon in den grond waarheid bevattende, was wat den vorm en de inkleeding betreft geheel valsch[176]en logenachtig. Had hij misschien zijne redenen om den graaf de Lhorailles te misleiden? Dit zal de lezer zelf kunnen beoordeelen wanneer hij ons nieuwe hoofdstuk heeft ten einde gebracht.
Wij zijn dus andermaal genoodzaakt den draad onzer historie te breken en eenige passen terug te keeren.
Na, zooals wij in een der vorige hoofdstukken gezien hebben, als door een wonder aan de handen der Apachen te zijn ontsnapt daar hij zoo ongelukkig in vervallen was, had Cuchares door onder water te duiken, al zwemmende het midden der rivier kunnen bereiken. Toen hij het hoofd weder boven stak om adem te scheppen, zag hij rond; hij was alleen.
De lepero smoorde een vreugdekreet en na een minuut van rijp overleg zwom hij uit al zijn macht naar de wortelboomen, waar don Martial ingevolge het afgesproken signaal, dat hij door den nood gedrongen reeds had gegeven, hem zonder twijfel stond te wachten.
Met eenige krachtige armslagen bereikte hij de wortelboomen, tusschen welke hij zich onmiddellijk onzichtbaar maakte; maar hier wachtte hem eene nieuwe verrassing, de omgekantelde en aan zich zelve overgelaten prauw was met eenige andere stukken drijfhout tegen een boomstam aangedreven en daar blijven steken.
Cuchares, die reeds aan land was gestapt, hoosde de prauw leeg en bracht haar weder te water. Deze kleine vaartuigen, meestal uit berkenschors vervaardigd, die de Indianen met behulp van heet water van den stam weten te scheiden, zijn uiterst licht en laten zich zeer gemakkelijk behandelen.
Nauwelijks was de lepero er mede klaar of er kwam eene schaduw naar hem toe en fluisterde hem in ’t oor:
»Wat komt gij laat.”
De lepero deed een sprong van schrik, maar herkende don Martial; met een paar woorden deelde hij hem mede wat er gebeurd was.
»Alles gaat opperbest, er is niets meê verloren, nu gij weder hier zijt,” antwoordde de Tigrero; »verberg u maar in de wortelboomen en kom onder geen beding te voorschijn, voor dat ik weer hier ben.”
Hij verwijderde zich snel.
Cuchares maakte des te meer haast om te gehoorzamen, daar hij niet ver van hem af het rumoer van den hevigen strijd hoorde die op dit oogenblik tusschen de Franschen en Apachen gestreden werd en in vollen gang was.
Don Martial was intusschen, met een dolk in de hand om op alles gereed te zijn, als een spook naar een dicht boschje van floripondio’s geslopen, waardoñaAnita hem bevend verbeidde.
Op het punt van de takken uiteen te schuiven die hem van het meisje afzonderden bleef hij staan, met hijgenden adem en gefronste wenkbrauwen: zij was niet alleen![177]
Hare stem, hetzij door aandoening of door toorn bewogen, klonk scherp en gebiedend; zij scheen met iemand in gesprek.
Maar met wie? Wie zou haar op deze plek, waar zij zich zoo goed geborgen waande, hebben weten te vinden en naar alle waarschijnlijkheid haar willen overhalen of desnoods dwingen hem te volgen?
De Tigrero luisterde scherp toe.
Weldra bewoog hij zich toornig en dreigend, hij had de stem herkend van den man die metdoñaAnita sprak: het was haar vader.
Alles was verloren.
De haciendero trachtte zijne dochter te bewegen naar den kant der gebouwen terug te keeren en gebruikte daartoe alle middelen van overreding. Zoo het scheen vermoedde hij iets van de reden waarom zijne dochter zich op deze plaats bevond.
DoñaAnita weigerde stellig mede te gaan, verklarende dat zij liever in handen van een Indiaanschen strooper zou willen vallen, dan zich aan het gevaar bloot te stellen dat zij tot iederen prijs wilde vermijden.
Don Martial sloeg zich met de hand op het voorhoofd, een zonderlinge glimlach plooide zijne lippen, zijn oog fonkelde en hij verwijderde zich snel in de richting der rivier.
Inmiddels woedde de strijd steeds voort; nu eens scheen het rumoer nader te komen en hoorde men vloekkreten en verwenschingen, dan eens flikkerde er als bliksemlicht door de lucht en hoorde men de kogels tegen muren of boomen neerkomen, met dat eigenaardig gekletter, dat voor nieuwelingen in den krijg zoo verontrustend is.
»In ’s hemels naam! lieve dochter,” hervatte don Sylva dringender dan ooit, »kom toch, wij hebben geen oogenblik te verliezen, binnen weinige seconden wellicht wordt ons de terugtocht afgesneden; kom toch bid ik u.”
»Neen, vader,” antwoordde zij hoofdschuddend, »ik wacht mijn lot af; wat er ook gebeure, ik zeg u nog eens, ik ga hier nietvandaan.”
»Maar dat is dwaasheid,” riep de haciendero, »wilt gij dan sterven?”
»Wat geef ik om sterven,” riep zij treurig, »ben ik niet op alle manieren veroordeeld? God is mijn getuige, vader, dat ik om het voor mij bestemde huwelijk te ontgaan liever zou willen sterven!”
»Anita, in ’s hemels naam!”
»Wat kan het u schelen, vader, of ik heden den woesten heidenen in handen val, daar gij mij morgen met eigen hand aan een man zult overleveren dien ik verafschuw?”
»Spreek toch zoo niet, meisje. Buitendien, het oogenblik is dunkt mij voor het bespreken van zulk eene zaak zeer slecht gekozen,[178]kom toch meê, het rumoer neemt toe; weldra zal het te laat zijn.”
»Ga maar gerust heen, vader, als gij dat goedvindt,” antwoordde zij ronduit;»maar ik blijf hier, wat er ook moge gebeuren.”
»In dat geval en als gij volstandig weigert mij te gehoorzamen, zal ik de macht gebruiken die ik bezit en u met geweld wegvoeren.”
Het meisje sloeg den linkerarm om een jongen acajou-ceder en keek haar vader aan met een blik van onverzettelijken onwil.
»Waag het maar niet, vader, om het te doen!” riep zij, »want ik zeg u vooruit dat bij den eersten stap dien gij mij nadert gebeuren zal wat gij zoo zeer vreest; ik zal zoo hard schreeuwen dat de heidensche Roodhuiden het hooren en terstond hier zullen komen.”
Don Sylva bleef aarzelend staan; hij kende het vastberaden karakter zijner dochter en wist dat zij in staat was hare bedreiging onmiddellijk ten uitvoer te brengen.
Er verliepen eenige minuten, gedurende welke vader en dochter tegenover elkander stonden, met strakke blikken elkander aankijkend, maar zonder een woord te spreken of een spier te verroeren.
Op eens ontstond er een hevig gekraak in het floripondioboschje, de takken werden met woest geweld uit elkander gebogen, om twee mannen, of liever twee duivels door te laten, die als met tijgersprongen op den haciendero aanvielen en hem op den grond wierpen. Eer nog don Sylva in het schemerende sterrenlicht in staat was zijne onverwachte aanvallers te herkennen, hadden zij hem reeds gekneveld, een prop in den mond gestopt en een doek over het hoofd geknoopt, zoodat hij niets meer zien kon van hetgeen er rondom hem gebeurde, noch weten wat er niet alleen met hem maar ook wat er met zijne dochter gebeuren zou.
Laatstgenoemde door deze plotselinge overrompeling onthutst had een schreeuw gedaan van schrik, maar voorzichtigheidshalve terstond weder gezwegen, daar zij don Martial herkende.
»Stil,” zeide de Tigrero schielijk en zacht, »ik wist geen ander middel om het gedaan te krijgen, maar kom dadelijk mede; uw vader, weet gij, is mij heilig, om uwentwil zal hem geen leed geschieden.”
DoñaAnita antwoordde niet.
Op een wenk van don Martial had Cuchares den haciendero op zijne schouders genomen en hem naar de wortelboomen gedragen.
»Waar gaan wij heen?” vroegdoñaAnita met eene bevende stem.
»Waar wij zoo ik hoop samen gelukkig zullen zijn,” fluisterde de Tigrero teergevoelig, terwijl hij haar gezwind opnam en op een drafje naar de prauw droeg.
DoñaAnita bood geen weerstand, integendeel, zij glimlachte, sloeg haar rechter arm om den hals van den drager, om het evenwicht beter te bewaren, dat bij deze harddraverij over de wortelboomen wel noodig was terwijl don Martial van tak tot tak stapte of sprong, of zich aan de lianen vasthield, met stem en gebaar zijn kostbaren last aanmoedigende.[179]
Cuchares had don Sylva op den bodem der prauw gelegd, en met de pagaai in de hand wachtte hij vol ongeduld de komst van don Martial, daar het gedruisch van den strijd nog scheen toe te nemen, ofschoon uit het wel onderhouden geweervuur en uit de verschillende kreten die men nu en dan hoorde, gemakkelijk was op te maken dat de overwinning aan de zijde der Franschen verbleef.
»Wat zullen wij doen?” vroeg Cuchares.
»Naar het midden der rivier roeien en den stroom afzakken.”
»Maar onze paarden?” vroeg de lepero.
»Redden wij eerst ons zelven, de paarden zullen wij later wel vinden. Het blijkt duidelijk dat de blanken het winnen. Zoodra het gevecht over is, zal de graaf de Lhorailles overal zijne bruid en zijn schoonvader laten zoeken; het is van belang geen sporen achter te laten, anders zijn wij verloren. De Franschen zijn duivels, zij zouden ons zeker terugvinden.”
»Intusschen geloof ik.…” begon Cuchares.
»Van wal, zeg ik u,” riep de Tigrero op gebiedenden toon terwijl hij de prauw met een krachtigen schop in het ruime sop duwde.
Zij vertrokken.
De eerste oogenblikken der reis gingen zwijgend voorbij, ieder dacht voor zich zelve na over den zonderlingen toestand waarin zij zich bevonden.
Don Martial had een onmetelijke verantwoordelijkheid op zich genomen door, om zoo te zeggen, op een enkele kaart het geluk zijner beminde en van hem zelven te wagen. Wat hem nog het meeste stof tot bezwaar gaf, daar op den bodem der prauw lag de haciendero; zijn toestand was inderdaad ernstig en de uitkomst moeielijk te vinden.
DoñaAnita zat met het hoofd gebogen en met afgetrokken blik; in gedachten verdiept liet zij hare kleine hand over den rand der prauw in het water hangen dat snel langs het boord voorbij schoot.
Cuchares, die uit al zijn macht roeide, dacht ook bij zich zelven na en vond het leven dat hij tegenwoordig leidde alles behalve aangenaam; te Guaymas was hij veel gelukkiger, als hij met het hoofd in de schaduw en de beenen in de zon onder het portiek eener kerk kon liggen en zijn middagslaapje doen, gestreeld door den verfrisschenden zeewind of zacht indommelend onder het geheimzinnig murmelen der branding tegen de keien op het rotsige zeestrand.
Wat don Sylva betreft, men kon niet zeggen dat hij dacht; aan eene stille woede ten prooi, die als zij te lang duurde ontwijfelbaar in razernij moest eindigen, beet hij kwaadaardig op de prop die hem den mond sloot en kromde zich in zijne banden, zonder ze te kunnen verbreken.
De verschillende geluiden van den strijd werden al zwakker en zwakker en hielden eindelijk geheel op.
De reizigers bleven nog een geruimen tijd zwijgen, niet zoozeer[180]verdiept in hun eigen gedachten dan wel weggesleept door de streelende gewaarwordingen eener droomende zwaarmoedigheid, die zoo vaak bij krachtige maar geschokte gemoederen opkomt onder den indruk der roerloos plechtige stilte, ontzagwekkende eenzaamheid en aangrijpende harmonie der Amerikaansche wildernis, wier beschrijving geen menschelijke pen in staat is in al hare grootheid en majesteit weêr te geven.
De sterren begonnen aan den hemel allengs te verbleeken, een opalen lichtstreep teekende zich flauw aan den horizont; de logge alligators woelden zich los uit de modder en gingen uit om hun morgenmaal te zoeken; de uil in de boomen aan den rivierkant verscholen, begroette de naderende komst van de zon; de coyotes zwierven in schichtige troepen aan den zandigen oever en verhieven nu en dan hun heesch gekef; de wilde dieren keerden naar hunne holen terug, met haastigen stap, ofschoon na hun gewone maal bezwaard door den slaap; de dag zou weldra aanbreken.DoñaAnita neigde behaagziek het hoofd aan den schouder van don Martial.
»Waar gaan wij zoo heen?” vroeg zij met eene zachte stem en op een toon van gedweeheid.
»Wij vluchten,” antwoordde hij lakonisch.
»Wij zijn nu reeds zes uren lang de rivier afgevaren, gedragen door den stroom en gestuurd door uwe vier krachtig gehanteerde pagaaien; zijn wij nu nog niet buiten het bereik?”
»Ja, sinds lang reeds; maar het is de vrees voor de Franschen niet die mij dit oogenblik drijft.”
»Wat is het dan?”
De Tigrero wees haar met een veelbeduidenden wenk op don Sylva, die na uitputting van toorn en kracht, eindelijk stilzwijgend zijn onvermogen erkend had en geëindigd was met op den bodem der prauw in te slapen.
»Helaas!” zeide zij, »gij hebt gelijk, dat kan zoo niet blijven, die toestand is onverdragelijk.”
»Zoo gij mij naar eigen goedvinden laat begaan, zal uw vader mij eer wij een kwartieruurs verder zijn nog bedanken.”
»Gij weet immers dat ik mij geheel op u verlaat?”
»Dank u,” zeide hij, en zich tot Cuchares wendende, fluisterde hij hem eenige woorden in ’t oor.
»Ha ha! dat is een gelukkige inval,” grinnikte de lepero.
Vijf minuten later kwam de prauw aan wal.
Don Sylva werd met de uiterste voorzichtigheid door de beide mannen opgenomen en aan land gedragen, zonder dat hij ontwaakte.
»Nu is de beurt aan u,” zei don Martial tegen het meisje; »gij dient eene kleine rol te spelen; om de list die ik er op verzonnen heb wel te doen gelukken, moet gij mij toestaan u voor een paar minuten aan dien inktboom vast te binden.”
»Ga uw gang, vriend.”[181]
De Tigrero nam haar in zijne forsche armen, droeg haar aan land en in een oogenblik had hij haar met een riem aan den boomstam gebonden.
»Houd nu dit in het oog,” zeide hij schielijk, »de vertooning is, dat uw vader en gij door de Apachen uit de hacienda zijn opgelicht, dat wij u bij toeval hier ontmoeten en.…”
»Ons komt redden, niet waar?” riep zij lachende.
»Juist; alleen moet gij nu nog een paar keeren, hoe harder hoe beter schreeuwen en gillen, als of gij erg bang en verschrikt waart. Dat begrijpt gij, niet waar?”
»O! zeer goed.”
Volgens bovenstaand programma werd de komedie gespeeld.DoñaAnita begon geweldig te gillen, waarop de twee avonturiers uit de verte antwoordden, hunne geweren en pistolen afschoten alsof er gevochten werd en toen naar den haciendero liepen, dien zij gezwind van zijne banden bevrijdden en niet alleen het vrije gebruik zijner ledematen teruggaven, maar ook dat van zijne spraak en van zijn gezicht.
Don Sylva richtte zich eerst half op en zag zijne dochter met hangende haren aan een boom gebonden. Bladz. 181.Don Sylva richtte zich eerst half op en zag zijne dochter met hangende haren aan een boom gebonden. Bladz. 181.
Don Sylva richtte zich eerst half op en zag zijne dochter met hangende haren aan een boom gebonden. Bladz. 181.
Don Sylva richtte zich eerst half op, wierp een verwezen blik om zich heen, en zag zijne dochter met hangende haren aan een boom gebonden, terwijl twee mannen zich haastten haar te hulp te komen en los te maken. De haciendero sloeg de oogen op en dankte den hemel in stilte voor zijne bevrijding.
Zoodra ook Anita weder vrij was ijlde zij naar haar vader, viel hem om den hals en na hem gekust te hebben verborg zij haar gelaat, wellicht uit schaamte over de verregaande wijs waarop zij den edelen grijsaard had helpen bedriegen, blozend aan zijne borst.
»Mijn arm, dierbaar kind,” riep hij tot tranen bewogen; »voor u, voor u alleen, heb ik gebeefd in dezen langen, vreeselijken nacht.”
DoñaAnita antwoordde niet, haar hart klopte hevig bij dit grievend verwijt.
Don Martial en Cuchares, het oogenblik gunstig achtende, traden thans naderbij met de nog rookende buksen in hunne handen.
Toen de haciendero hen zag en herkende, kwam er een wolk op zijn gezicht, een donker vermoeden bekroop zijne ziel. Hij keek de beide mannen en zijne dochter beurtelings aan met een uitvorschenden blik, stond op met gefronste wenkbrauwen en bevende lippen, zonder nochtans een woord te uiten.
De Tigrero werd tegen wil en dank ongerust over dit stilzwijgen, dat hij wel verre was van te verwachten. Na den dienst, die hij had voorgewend den haciendero bewezen te hebben, gevoelde hij zich verplicht het eerst te spreken.
»Ik acht mij gelukkig,” begon hij min of meer stotterend, »dat ik hier zoo toevallig op den aanslag kwam, don Sylva, om u aan de handen der Roodhuiden te ontrukken.”
»Ik zeg u dank,señordon Martial,” antwoordde de haciendero[182]droog, »van uwe bekende rechtschapenheid kon ik niets minder verwachten. Het heeft zoo moeten wezen; het schijnt wel, dat gij na de dochter te hebben gered, ook haar vader hebt moeten redden. Gij schijnt voorbestemd om de bevrijder van mijne geheele familie te zijn; ontvang daarvoor mijne oprechte dankbetuiging.”
Deze woorden werden op een toon van spotternij uitgesproken, die den Tigrero als een pijl in het hart trof; hij kon geen gepast antwoord vinden en maakte eene onhandige buiging om zijne verlegenheid te verbergen.
»Vader,” zijdoñaAnita op vleienden toon, »don Martial heeft zijn leven voor ons gewaagd.”
»Ik heb er hem immers reeds voor bedankt,” zeide hij. »Het is zoo, het schijnt een heete strijd geweest; maar de heidenen hebben wel spoedig het hazenpad gekozen; is er niemand van hen gedood?”
Dit zeggende deed de haciendero alsof hij rondkeek.
Don Martial herstelde zich.
»Señordon Sylva de Torres,” riep hij met eene vaste stem, »dit voorval bracht ons weder tegenover elkander, geef mij dus de vrijheid u te zeggen dat slechts weinige menschen u zoo genegen en getrouw zijn als ik.”
»Dat hebt gij mij zoo even bewezen, caballero.”
»Spreken wij daar niet meer van,” zei don Martial, »nu gij weder uw eigen meester zijt en vrij kunt handelen, hebt gij slechts te spreken en te bevelen. Ik ben bereid om te beproeven wat gij van mij eischt, ten einde u te kunnen bewijzen, hoe gelukkig ik mij acht alles te doen wat u aangenaam is.”
»Dat is ronde taal, die ik begrijp, caballero, en daar ik u even rond op zal antwoorden. Gewichtige redenen nopen mij om naar de kolonie Guetzalli terug te keeren, waar ik was toen de heidenen mij zoo verraderlijk hebben opgelicht.”
»Wanneer wilt gij vertrekken.”
»Dadelijk, zoo dit mogelijk is.”
»Alles is mogelijk, caballero, alleen moet ik u doen opmerken, dat wij hier dertig mijlen van die hacienda verwijderd zijn, dat het land waar wij ons bevinden eene eenzame wildernis is, zoodat wij uiterst moeielijk paarden zullen krijgen en dat wij met den besten wil van de wereld die reis niet te voet kunnen afleggen.”
»Vooral mijne dochter niet, niet waar?” hervatte hij met een bitteren glimlach.
»Ja,” herhaalde de Tigrero, »vooral deseñorita.”
»Wat dan gedaan? want ik ben volstrekt verplicht om derwaarts terug te keeren, vooral om mijne dochter,” voegde hij er bij met nadruk op de laatste woorden, »en dat wel zoo spoedig mogelijk.”
De Tigrero loog een weinig toen hij don Sylva verzekerde dat zij dertig mijlen van de kolonie af waren; de afstand bedroeg niet meer[183]dan achttien mijlen; maar in zulk een onherbergzame streek, waar geene wegen bestaan, zijn zestien of achttien mijlen bijna onoverkomelijk voor iemand die, aan het ruwe woestijnleven ongewoon, tegen de daarvan onafscheidelijke vermoeienis niet gehard is. Don Sylva, ofschoon hij de prairie nooit doorreisd had dan op den weelderigsten voet en voorzien van al de gemakken, die men zich in deze verre streken met mogelijkheid verschaffen kan, wist ten minste, zoo al niet bij ondervinding dan toch bij geruchte, hoevele moeielijkheden er bij iederen stap konden oprijzen en welke belemmeringen hij op zijn weg ontmoeten kon. Zijn besluit was dus dadelijk genomen.
Gelijk velen zijner landgenooten bezat don Sylva eene groote mate van stijfhoofdigheid; wanneer hij eenmaal een plan gevormd of een doel zich voor oogen had gesteld, onverschillig wat het ook wezen mocht, zou hij er alles aan gewaagd hebben en werd iedere hindernis die hem in den weg kwam een nieuwe prikkel om het te bereiken.
»Hoor mij dan, don Martial,” zeide hij tegen den Tigrero, »ik wil rond met u te werk gaan: ik behoef u niet voor nieuws te vertellen, dat mijne dochter op het punt staat van met den graaf de Lhorailles te huwen; dat huwelijk moet gesloten worden, ik heb het gezworen en het zal geschieden, trots al wat men zegge of doe om het te beletten. En nu, na deze verklaring, zal ik uwe trouw jegens mij, daar gij zoo hoog van opgeeft, op de proef stellen.”
»Spreek,señor,” zei don Martial.
»Zend dan uw kameraad naar de graaf de Lhorailles; ik zal hem een brief medegeven om zijne ongerustheid te doen bedaren en hem mijne aanstaande komst aan te kondigen.”
»Goed.”
»Zal hij het doen?”
»Oogenblikkelijk.”
»Dank u. Wat thans u zelven aangaat, geef ik u vrijheid ons te verlaten of te volgen, zoo als gij verkiest, maar vooreerst hebben wij paarden en wapenen en bovenal een goed eskorte noodig. Ik zou niet gaarne weder in handen der heidenen vallen; misschien zou ik dezen keer het geluk niet hebben om er zoo goed af te komen.”
»Blijf hier, binnen twee uren kom ik met paarden terug; wat een eskorte betreft, daar zal ik u aan zien te helpen, maar dat durf ik u niet stellig verzekeren. Daar gij er niets tegen hebt dat ik medega, zal ik u verzellen tot gij den graaf ontmoet. Gedurende den tijd dien ik het geluk zal hebben met u op reis door te brengen, hoop ik u te bewijzen dat gij u in mij vergist hebt.”
Deze woorden werden op zulk een ondubbelzinnigen toon uitgesproken, dat de haciendero er zich door getroffen gevoelde.
»Wat er ook gebeure,” zeide hij, »ik zeg u dank, gij zult mij[184]in ieder geval een onuitsprekelijken dienst hebben bewezen, daar ik u eeuwig erkentelijk voor zal zijn.”
Don Sylva scheurde een blad papier uit zijn zakboekje, schreef er met potlood eenige woorden op, vouwde het toe en gaf het den Tigrero.
»Zijt gij zeker van dien man?” vroeg hij.
»Zoo goed als van mij zelven,” antwoordde don Martial uitwijkend; »wees gerust dat hij den graaf zien zal.”
De haciendero wees met de hand dat hij voldaan was, en de Tigrero naderde Cuchares.
»Ziedaar,” zeide hij met eene luide stem terwijl hij hem het briefje ter hand stelde, »breng dat binnen twee uren bij den kommandant van Guetzalli. Hebt gij mij verstaan?”
»Ja,” antwoordde de lepero.
»Vertrek, en de hemel beware u voor kwade ontmoetingen. Over een kwartier achter dien heuvel daar;” liet hij schielijk en fluisterend er op volgen.
»Afgesproken,” riep de andere met eene buiging.
»Neem deze prauw,” vervolgde de Tigrero.
Zoo de haciendero al eenigen argwaan had kunnen koesteren, thans verdween deze geheel, nu hij zag dat Cuchares in de prauw sprong, de pagaaien greep en dadelijk van wal stak, zonder taal of teeken met den Tigrero te wisselen en zelfs zonder het hoofd om te wenden.
»Dat is het eerste gedeelte uwer beschikkingen, die gij in vervulling ziet overgaan,” zei de Tigrero toen hij bij don Sylva terugkwam; »nu zal ik mij met het tweede belasten; neem mijne pistolen en mijne machete, dan kunt gij u althans te weer stellen in geval van nood, want ik laat u hier achter, maar vooral verwijder u niet, binnen twee uren op zijn langst ben ik weder bij u.”
»Weet gij dan een middel om hier paarden te vinden?” vroeg don Sylva.
»Weet gij nog niet dat de woestijn mijne dagelijksche woonplaats is?” antwoordde hij met een somberen glimlach. »Ik ben hier thuis; weldra zult gij er het bewijs van zien. Tot wederziens?”
En hij verwijderde zich snel in tegenovergestelde richting als de prauw.
Toen hij een poos geloopen had en achter een dicht boschje van acajou-boomen en kreupelhout voor don Sylva onzichtbaar was geworden, maakte hij op eens een scherpen hoek rechts, van de rivier af en liep hard terug tot hij de andere zijde van den heuvel bereikte.
Daar zatCucharesbedaard zijne cigarette rookend op hem te wachten.
»Geen woorden, maar daden,” zei de Tigrero, »de tijd dringt.”
»Ik wacht uwe bevelen.”[185]
»Ziet gij dezen diamant?” en hij wees den lepero op den ring aan zijn das.
»Hij is duizend piasters waard,” zei de lepero die hem met het oog van een kenner bekeek.
Don Martial bood hem den ring aan.
»Dien geef ik u,” zeide hij.
De andere nam hem aan en stak hem bij zich.
»Wat moet ik er voor doen?”
»Mij dadelijk den brief geven.”
»Daar is hij.”
Don Martial nam hem en scheurde hem in duizend stukjes.
»Wat volgt?” vroeg Cuchares.
»Wat volgt,” herhaalde de Tigrero, »ik heb nog een diamant van gelijke waarde ter uwer beschikking; gij verstaat mij?”
»Ja, ik neem het aan.”
»Maar op eene voorwaarde.”
»Die ken ik,” zeide de lepero met een veelbeteekenenden wenk.
»Gij neemt het stellig aan, zegt gij?”
»Stellig.”
»Dat is afgesproken.”
»Gij zult nooit weêr verdriet van hem hebben.”
»Goed; maar gij begrijpt, ik verwacht bewijzen.”
»Die zult gij hebben.”
»Dan tot weerziens.”
»Tot weerziens.”
De beide medeplichtigen scheidden ten hoogste voldaan, zij hadden elkander met een enkel woord begrepen.
Wij hebben reeds gezien op welke wijs Cuchares zich kweet van de zending daar don Sylva hem mede belast had.
Na zijn kort gesprek met Cuchares ging don Martial er op uit om ergens paarden te zoeken.
Twee uren later keerde hij terug; niet alleen had hij uitmuntende paarden medegebracht, maar tevens twee peons of die er voor moesten doorgaan om tot geleide te dienen.
De haciendero waardeerde in allen deele de kieschheid waarmede don Martial te zijnen opzichte te werk ging, en ofschoon het uitzicht en de manieren zijner nieuwe beschermers niet van de echte soort waren, bedankte hij den Tigrero toch hartelijk voor de moeite die deze zich gegeven had om aan zijn verlangen te voldoen, en thans omtrent den afloop zijner reis volkomen gerustgesteld, nam hij met goeden eetlust deel aan het ontbijt, een gebraden hertebout met een dronk pulque, die don Martial hem mede had weten te bezorgen.
Toen de maaltijd geëindigd was ging de kleine troep, wel gewapend en vol moed op marsch in de richting naar de kolonie Guetzalli, waar don Sylva, op zijn gemak reizende, en zoo er ten minste[186]niets in den weg kwam, berekende binnen drie dagen te zullen aankomen.