[Inhoud]XXI.DE BEKENTENIS.De haciendero en zijne dochter hadden de kolonie verlaten onder eskorte van don Martial en de vier peons die laatstgenoemde in dienst had genomen.De kleine troep reed westwaarts, in dezelfde richting als de vrijkompagnie van den graaf de Lhorailles, toen deze de Apachen op hun spoor ging vervolgen.Don Sylva maakte des te meer spoed om bij de Franschen te komen, daar hij wist dat hun tocht geen ander doel had dan hem en zijne dochter uit de macht der Roodhuiden te verlossen.De reis ging treurig en zwijgend. Naarmate de karavaan de woestijn naderde, kreeg het landschap allengs dat voorkomen van somberen ernst en eenzame grootheid, dat onwillekeurig op het gemoed van den reiziger werkt en hem in eene soort van neerslachtigheid dompelt daar hij zich niet boven weet te verheffen.Geen lachende weiden of bebouwde akkers meer, geen pachthoeven, hutten of jacals, geen reizigers zelfs op den weg die u met toegenegen blik of vriendelijken groet in ’t voorbijgaan eene goede reis wenschten, maar integendeel een woest en oneffen terrein, afgebrokkelde rotsgronden, holle wegen, diepe donkere valleien, en ondoordringbare bosschen, met wilde dieren bevolkt, wier fonkelende blik[205]u als een vurige kool van achter de dicht ineengestrengelde lianen of uit het warrige kreupelbosch en het hooge prairiegras tegenloert.Van tijd tot tijd zagen de reizigers het breede spoor door de Franschen nagelaten, kenbaar aan de menigte paardenhoeven in het vochtige zand of in het plat getreden gras; maar dan veranderde het terrein plotseling van gedaante en ieder spoor was onherroepelijk verdwenen.Iederen avond, nadat de Tigrero een mijl in het rond in de bosschen en struiken eene soort van klopjacht had gehouden om het verscheurende gedierte te verdrijven, werd het kamp hetzij op een heuvel of aan den oever eener beek opgeslagen, de vuren ontstoken, een hut van takken gebouwd omdoñaAnita tegen de nachtkoude te beschutten; en dan, na een sober avondmaal, wikkelde ieder zich in zijne fressada of zarape en sliep in tot den volgenden morgen.Het eenige wat nu en dan in dit eentonige leven eenige afwisseling bracht, was het voorbijspringen van een eland of damhert, dat dan door don Martial en zijne vier peons in vliegenden galop werd vervolgd tot het arme dier, soms eerst na eene jacht van twee of drie uren, achterhaald en gedood werd.Maar vroolijke gesprekken of vertrouwelijke mededeelingen die zoo geschikt zijn om eene verre en vervelende reis te bekorten, waren niet meer aan de orde.De reizigers bewaarden jegens elkander een somber en achterhoudend stilzwijgen, dat niet slechts alle gemeenzaamheid maar zelfs alle vertrouwen den pas afsneed. Zij spraken niet tot elkander dan in geval van volstrekte noodzakelijkheid, en dan nog werden slechts eenige karige woorden gewisseld.De reden hiervan was niet ver te zoeken, elk dezer drie personen had voor den anderen een geheim te bewaren dat hun zwaar op het hart woog en daar zij zich inwendig over schaamden.De mensch is van nature een onvolmaakt en zondig schepsel, niet geheel en al slecht, en nog veel minder volkomen goed, maar eene wonderlijke mengeling van beiden; de verkeerde daden die hij onder den ijzeren dwang van hartstocht of van eigenbelang begaat, worden later, zoodra zijne drift bekoeld is en hij den afgrond ziet waarin zijne dwaasheid hem gestort heeft of dreigt te storten, eene bron van bitter berouw, vooral wanneer zijn leven, zonder daarom onberispelijk te zijn geweest, uit een oogpunt van gewone zedelijkheid zich tot hiertoe gelukkig voor grove misslagen heeft weten te bewaren.Zoo was ongeveer, op dit oogenblik de toestand van don Martial endoñaAnita. Beiden hadden zich, door wederkeerigen hartstocht verblind, tot een misslag laten vervoeren dien zij thans bitter betreurden; want om onze lezers aangaande het karakter dezer twee personen niet langer in ’t onzekere te laten, moeten wij hier zeggen, dat het hart dezer twee gelieven betrekkelijk goed was en dat zij op het oogenblik hunner dwaselijk beraamde en uitgevoerde vlucht geenszins[206]de noodlottige gevolgen berekenden, die dit hopeloos bedrijf na zich zou slepen.Don Martial inzonderheid, na de bevelen die hij aan Cuchares gegeven had en tegenover het hardnekkig besluit van don Sylva, om zich naar den graaf de Lhorailles te begeven, begreep duidelijk dat zijn toestand met ieder oogenblik hachelijker werd, en dat hij zich in eene engte had gedreven daar hij niet licht weder uit zou komen.De beide gelieven, door het geheim hunner vlucht op eene zoo noodlottige wijs saamverbonden, bewaarden echter tegenover elkander een ander geheim, namelijk dat van spijt en berouw die hen inwendig folterden; zij gevoelden bij iederen stap dat de grond onder hunne voeten als ondermijnd was, en dat het oogenblik met rassche schreden naderde waarop de mijn zou moeten springen.In zulk eenen toestand werd het leven ondragelijk, daar alle gemeenschap van gedachten en gevoelens tusschen de drie personen verbroken was. Dat het eindelijk tusschen hen tot eene botsing zou moeten komen was blijkbaar, maar de schok volgde wellicht spoediger dan een van hen verwachtte, en zulks door den loop der omstandigheden zelve, waarin zij zich zoo geweldig verwikkeld hadden. Na eene reis van omtrent veertien dagen, gedurende welke er met hen niets meldenswaardig gebeurd was, bereikten don Martial en zijn gezelschap, nu eens afgaande op de inlichtingen door hem op de hacienda bekomen, dan op het spoor zelf door den graaf en diens talrijke bende achtergelaten, eindelijk de beruchte bouwvallen in welks midden deCasa GrandevanMontecuzomazich verheft, aan de uiterste grens tusschen het bewoonbare land en de woestijn Del Norte.Het was ongeveer zeven uren des avonds toen de kleine karavaan de ruïnen binnenreed; de zon, juist aan de kimmen weggezonken, verlichtte de aarde nog slechts door de snel afwisselende kleuren van het hemelsche prisma, waarin de laatste weerglans van hare stralen nog een poos blijft schitteren nadat de koningin des dags zelve reeds verdwenen is.Terwijl zij op eenigen afstand achter elkander reden wierpen don Sylva en de Tigrero bespiedende blikken in het rond, en trokken niet dan met de meeste behoedzaamheid en met de hand aan den trekker van hun geweer, voort in dit verwarde doolhof van kreupelbosschen en puinhoopen, zoo gunstig voor de Indiaansche hinderlagen en waar zooveel gevaren zich konden verschuilen.Eindelijk kwamen zij aan deCasa Grande, zonder dat zij iets buitengewoons hadden gezien.De nacht was reeds bijna gedaald, en de voorwerpen begonnen in de schemering als weg te smelten. Don Martial, die zich gereed maakte om af te stijgen, bleef op eens staan en slaakte een kreet van verbazing, bijna van schrik.»Wat is er?” vroeg don Sylva met drift, terwijl hij zich omkeerde en den Tigrero naderde.[207]»Zie eens,” antwoordde de laatste, met de hand naar een groep knoestige boomen wijzende, die eenige passen van hen af allerwonderlijkst tusschen de puinhoopen waren opgeschoten.De menschelijke stem bezit een zonderbaar vermogen op de dieren, namelijk dat zij hun een onverwinnelijke vrees en ontzag inboezemt. De weinige woorden tusschen de beide mannen gewisseld, werden onmiddellijk beantwoord door zeven of acht wolkoppige arenden, die in hun maaltijd gestoord met wild en krassend geschreeuw opvlogen, en uit de zooeven genoemde boomgroep zich met zwaren wiekslag in de lucht verheffend, boven het hoofd der reizigers groote kringen beschreven en bleven rondgieren onder het aanhoudend getier hunner helsche muziek.»Zie toch!” herhaalde don Martial.»Maar ik zie volstrekt niets,” zei don Sylva; »het is daar zoo donker als de nacht.”»Dat is waar; maar kijk eens scherp toe en let op het punt dat ik u aanwijs, dan zult gij weldra zien wat ik bedoel.”Zonder te antwoorden deed de haciendero zijn paard eenige stappen voortgaan.»Hu! Een man, aan de beenen opgehangen!” riep hij op een toon van schrik en afgrijzen, terwijl hij op eens staan bleef. »Wat is hier gebeurd?”»Wie weet?Die man is geen Indiaan, zijne kleur en zijne kleeding laten daaromtrent geen twijfel over. Maar hij heeft zijn haar nog, hij is dus niet door de Apachen gedood; wat kan dat beteekenen?”»Een oproer misschien,” opperde de haciendero.Don Martial bedacht zich een poos; zijn wenkbrauwen trokken zich samen.»Dat is niet mogelijk!” prevelde hij half in zich zelven.Een oogenblik later hervatte hij:»Laten wij eerst in huis gaan, endoñaAnita niet langer alleen laten; ons achterblijven zal haar reeds verwonderen en als het langer duurt zal zij er zich over verontrusten. Zoodra het kamp gereed is ga ik die zaak eens nader onderzoeken, en ik zou mij zeer vergissen als ik het noodlottige raadsel niet oplos dat zich hier aan ons zoo wonderlijk voordoet.”De beide mannen reden weêr voort en kwamen weldra bijdoñaAnita, die eenige passen verder onder bescherming der peons op hen wachtte.Nadat de reizigers afgestegen en deCasa Grandewaren binnengetreden, ontstak don Martial eenige fakkels vanocote-hout om in de duisternis licht te maken en bracht toen zijne gezellen naar de groote zaal, waar wij onze lezers reeds eenmaal hebben binnengeleid.Ook de Tigrero had meermalen deze ruïnen bezocht; gedurende zijne langdurige jachten in de prairie hadden zij hem vaak tot verblijf gestrekt; hij was dus met de plaatselijke gelegenheid zeer goed[208]bekend. Daarom had hij er zoo sterk op aangedrongen dat de karavaan den weg naar deCasa Grandezou nemen, wel overtuigd dat de graaf de Lhorailles aldaar voor zich en zijne kompagnie een gemakkelijk en veilig bivak zou hebben gezocht.De groote zaal, in wier midden een tafel stond, droeg de duidelijke sporen dat er nog kort geleden een aantal personen waren geweest en er tamelijk lang verblijf hadden gehouden.»Gij ziet wel dat ik mij niet bedrogen heb,” zei don Martial tegen den haciendero; »de lieden die ons zoeken hebben zich hier opgehouden.”»Dat is zoo; en denkt gij dat zij reeds lang vertrokken zijn.”»Dat zou ik nog niet durven zeggen, maar terwijl gij bezig zijt u hier te vestigen en het avondmaal wordt gereed gemaakt, zal ik daar buiten den boel eens opnemen; zoodra ik terugkom hoop ik het genoegen te hebben uwe nieuwsgierigheid te kunnen bevredigen.”En met deze woorden stak hij de toorts, die hij in zijne hand had, in een kram aan den muur en ging het huis uit.DoñaAnita had reeds plaats genomen op een toevallig aanwezige ruw houten tabouret, en zat bij de tafel diep in gedachten verzonken.Geholpen door de peons, hield de haciendero zich ijverig bezig met alles voor den nacht in orde te brengen; de paarden werden ontzadeld en in eene soort van corral—open stal tusschen vier muren—geplaatst, daar ze niet uit weg konden loopen, en ruim van haver voorzien; de muilezels werden afgeladen en de pakken in de groote zaal gebracht, waar men ze op een hoop stapelde, na er een geopend te hebben om er den noodigen mondvoorraad uit te nemen; vervolgens werd er een groot vuur ontstoken, boven hetwelk weldra een hertebout te braden hing.Nadat al deze toebereidsels waren afgeloopen, ging de haciendero op een der in de zaal voorhanden bisonsschedels zitten, stak eenmaïssigaaraan en begon te rooken, nu en dan een smartelijken blik werpende naar zijne dochter, die nog altijd in hare treurige beschouwingen verdiept zat.Don Martial bleef vrij lang uit: eerst na twee uren afwezigheid hoorde men het getrappel van zijn paard op den steenachtigen bodem der ruïne en trad hij onverwijld binnen.»Wel?” vroeg hem don Sylva.»Laten wij eerst eten,” antwoordde de Tigrero met een wenk naardoñaAnita, dien de haciendero begreep.Het maal was zooals dat van bekommerde en vermoeide lieden na een lange dagreis wezen moest, dat wil zeggen zeer kort. Overigens bestond het, behalve uit de hertenbout, uit niets dan maïskoeken en gebraden peren met peper.DoñaAnita gebruikte nauwelijks een paar lepels ingelegde tamarinde; daarna de aanwezigen gegroet hebbende, stond zij op en verwijderde zich naar een klein in de zaal uitkomend vertrekje, waar[209]men voor haar van bisonsmantels en pelterijen een soort van bed had gereed gemaakt, en dat bij gebrek van deur zoo goed mogelijk was afgesloten met een paardendek aan een paar spijkers in den muur opgehangen.»Wat u betreft,” zei de Tigrero tegen de peons zoodradoñaAnita weg was, »gij moogt wel goed wachthouden als gij uwe haren behouden wilt. Ik ben verplicht u te waarschuwen dat wij hier in een land vol vijanden zijn, en als gij zorgeloos inslaapt, het waarschijnlijk duur zullen moeten bekoopen.”De peons verzekerden den Tigrero dat zij dubbel waakzaam zouden zijn, en gingen naar buiten om de ontvangen bevelen uit te voeren.De beide heeren bleven dus alleen en zaten een oogenblik zwijgend tegenover elkander.»Welnu, wat is het?” begon don Sylva, de vraag herhalende die hij reeds even te voren gedaan had, »hebt gij iets bijzonders ontdekt of vernomen?”»Al wat er met mogelijkheid te ontdekken of te vernemen is, don Sylva,” antwoordde de Tigrero min of meer onstuimig; »zoo het anders ware, zou ik een armzalige jager zijn en de wilde dieren, tijgers en jaguars mij reeds lang verslonden hebben.”»Zijn de inlichtingen die gij hebt opgedaan gunstig te noemen?”»Dat is naar dat gij ze nemen wilt; de Franschen zijn hier geweest en hebben er een paar weken gekampeerd; gedurende hun verblijf in de ruïnen zijn zij door de Apachen hevig aangevallen, doch het is hun gelukt hen af te slaan. Intusschen schijnt het, ofschoon ik het niet zou kunnen bevestigen, dat de soldaten om een of andere reden aan ’t muiten geslagen zijn, ten gevolge waarvan die arme duivel, dien wij tot aas voor de gieren aan den boom zagen hangen, misschien als de belhamel, misschien ook, zooals het wel eens meer gegaan is, als het ongelukkige slachtoffer voor allen het gelag heeft moeten betalen.”»Ik zeg u dank voor uwe toelichting, die ons buitendien bewijst dat wij ons niet vergist hebben maar het rechte spoor zijn gevolgd; kunt gij mij nu deze toelichting nog aanvullen, in zoover dat gij mij weet te zeggen of de Franschen de ruïnen sinds lang verlaten hebben en in welke richting zij vertrokken zijn?”»Deze vragen zijn gemakkelijk op te lossen; de vrijkompagnie heeft gisteren morgen even na zonsopgang haar kamp opgebroken om de woestijn in te trekken.”»De woestijn?” herhaalde de haciendero, terwijl hij moedeloos de armen bij het lijf liet hangen.Er volgde eenige minuten stilte, gedurende welke de beide mannen over het gesprokene nadachten. Eindelijk nam don Sylva het woord weder op.»Dat is niet mogelijk,” riep hij.[210]»En toch is het zoo.”»Maar dat is eene onvoorzichtigheid zoo groot als er een zijn kan, ja het is dollemanswerk!”»Dat zal ik niet tegenspreken.”»O! die ongelukkigen!”»Het is zoo met hen gelegen, dat er een wonder zal moeten gebeuren als zij er goed afkomen.”»Dat ben ik volkomen met u eens; maar wat nu gedaan?”»De zaak ligt er toe, en met al ons gejammer is er niets aan te veranderen; ik geloof dus, don Sylva, dat wij de wijste partij zullen kiezen door er niet meer aan te denken; zij moeten zelf maar zien hoe zij er goed afkomen.”»Is dat uwe gedachte?”»Volkomen,” antwoordde de Tigrero luchthartig.»Uw plan is dus?”»Mijn plan is,” antwoordde hij met drift, »om twee of drie dagen hier te vertoeven en te zien wat er misschien gebeuren kan; hebben wij na verloop van drie dagen niets nieuws gezien of gehoord, dan stijgen wij te paard en keeren langs denzelfden weg dien wij gekomen zijn naar Guetzalli terug, zonder zelfs de moeite te nemen van om te zien, want hoe eer wij deze verschrikkelijke streek uit zijn, hoe beter.”De haciendero schudde van neen, als iemand die op eens zijn vaste besluit had genomen.»Dan zult gij alleen vertrekken, don Martial,” zeide hij droog.»Wat zegt gij!” riep de andere hem strak aanziende.»Ik zeg u, dat ik denzelfden weg niet terugga dien ik gekomen ben; ik doe geen stap achteruit, in één woord ik vlucht niet.”Don Martial was door dit antwoord als verbluft.»Wat denkt gij dan te doen?”»Kunt gij dat niet begrijpen? Om welke reden zijn wij hier gekomen; en met welk doel hebben wij tot hiertoe gereisd?”»Maar, don Sylva, bedenk toch, de zaken zijn nu geheel veranderd. Gij zult hoop ik redelijk genoeg zijn te erkennen dat ik u zonder tegenspreken gehoorzaamd heb en gedurende deze reis een trouwe gids voor u geweest ben.”»Dat erken ik inderdaad; maar zeg mij dan hoe gij er over denkt.”»Hoe ik er over denk, don Sylva; dat zult gij hooren. Zoolang wij in de prairie waren, in dagelijksch gevaar van door de wilde beesten verscheurd te worden, heb ik gedwee voor u gebogen en mij geenszins tegen uwe plannen verzet, omdat ik stilzwijgend bekennen moest dat gij plichtmatig handeldet; zelfs nu nog, zou ik mij, als wij alleen waren, zonder morren aan uw vaste besluit onderwerpen. Maar bedenk doch, bid ik u, dat gij uwe dochter bij u hebt en dat zij duizend angsten zal moeten uitstaan, zoo gij haar verplicht om u te volgen in een woestijn die u beiden zal verslinden.”[211]Don Sylva antwoordde niet.De Tigrero vervolgde:»Onze troep is zwak; wij hebben slechts voor weinige dagen levensmiddelen bij ons, en gij weet, als wij eens in de del Norte zijn, is er geen water of wild meer te krijgen. Worden wij daarbij nog door een storm overvallen, dan zijn wij verloren, reddeloos verloren.”»Al wat gij mij daar zegt is waar, dat weet ik, en toch kan ik uw raad niet volgen. Hoor mij op uwe beurt, don Martial: de graaf de Lhorailles is mijn vriend, weldra zal hij mijn schoonzoon zijn; ik zeg dat niet om u te krenken, maar om u te doen beseffen in welke verhouding ik tegenover hem sta. Om mijnentwil, om mij te verlossen uit de macht van hen die hij meent dat mij en mijne dochter hadden opgelicht, is hij zonder aarzelen of baatzuchtige berekening en alleen door zijn edele hart gedreven, de zandwoestijn ingetrokken; kan ik hem daar nu laten omkomen, zonder hem hulp toe te brengen? Is hij niet vreemdeling in Mexico, mijn gast en mijn vriend? neen, don Martial, het is mijn plicht hem te redden, en ik zal het beproeven, hoe het ook gaan mag.”»Nu ik zie dat gij er zoo over denkt, don Sylva, zal ik niet langer een besluit zoeken te keeren dat bij u zoo onherroepelijk vaststaat. Ik zal u niet zeggen dat de man dien gij uwe dochter ter vrouwe wilt geven een gelukzoeker, een verloopen edelman is, die ter zake van wangedrag zijn land heeft moeten verlaten en die door het huwelijk dat hij met uwe dochter hoopt te sluiten niets anders bedoelt dan uw onmetelijk fortuin in zijn bezit te krijgen. Al deze dingen en nog veel meer bovendien zou ik u vergeefs trachten te bewijzen, gij zoudt mij toch niet gelooven, want gij zoudt in de feiten die ik u opnoemde niets anders willen zien dan nietswaardige pogingen van een mededinger; spreken wij er dus niet verder over. Wilt gij de zandwoestijn in, goed, ik zal u volgen; en wat er ook gebeurt zult gij mij aan uwe zijde vinden, gereed om u te beschermen en u te helpen. Maar nu het uur eindelijk daar is om tot ronde verklaringen te komen, wil ik niet langer dat er een wolk van ongenoegen tusschen ons blijve bestaan; gij moet den man kennen, met wien gij de wanhopige onderneming gaat wagen die gij u hebt voorgenomen, opdat gij in hem uw volle vertrouwen moogt stellen.”De haciendero keek hem verwonderd aan.Op dit oogenblik werd het gordijn voor het vertrekje daardoñaAnita zich bevond opgeheven, het meisje verscheen, trad langzaam de zaal door, knielde voor haar vader neder en wendde zich tot den Tigrero.»Nu moogt gij vrij spreken, don Martial,” zeide zij; »misschien zal mijn vader mij vergeven, als hij ziet dat ik hem dus om vergeving vraag.”»Vergeving?” riep de haciendero, terwijl hij beurtelings zijne dochter en den man aanstaarde, die met een beschaamd gelaat en gebogen[212]hoofd voor hem stond; »wat moet dat beteekenen? welk misdrijf hebt gij begaan?”»Een misdrijf, daar ik alleen schuld aan heb, don Sylva, en daar ik alleen de straf voor ondergaan moet; ik heb u schandelijk bedrogen, ik ben de man die uwe dochter uit de kolonie heeft weggevoerd.”»Gij!” riep de haciendero met een blik van woede, »ben ik dus uw speelbal, uw bedrogene geweest?”»De hartstocht redeneert niet; ik zal maar een woord ter mijner verdediging zeggen: ik bemin uwe dochter. Helaas, don Sylva, ik gevoel eerst nu hoe schuldig ik was; het nadenken, hoe laat ook, is eindelijk gekomen, en terwijldoñaAnita aan uwe voeten weent, verneder ik mij voor u en bid ik u om vergeving.”»Vergeving, vader!” herhaalde het meisje zacht.De haciendero gaf een wenk van onwil.»O!” hervatte de Tigrero met drift, »wees grootmoedig, don Sylva; stoot ons niet terug! Ons berouw is waar en oprecht. Ik heb het vaste voornemen om het gedane kwaad te herstellen; ik ben dwaas geweest, de hartstocht had mij verblind, verguis mij niet.”»Vader,” sniktedoñaAnita met tranen op de wangen en eene gesmoorde stem, »ik bemin hem! Evenwel, toen wij uit de kolonie vertrokken, hadden wij kunnen vluchten en u verlaten; dit hebben wij niet gewild, wij hebben er zelfs geen oogenblik aan gedacht, wij hebben ons geschaamd over onzen misstap. Nu zijn wij hier beiden gereed om u te gehoorzamen en zonder tegenspraak alles te doen wat gij ons gebieden zult; wees dus niet onverbiddelijk, vader, vergeef ons!”De haciendero richtte zich op.»Gij ziet het, ik kan niet langer aarzelen,” zeide hij streng; »ik moet den graaf de Lhorailles redden, tot iederen prijs; deed ik het niet, dan was ik uw medeplichtige.”De Tigrero stapte met innige ontroering de zaal door in de vreeselijkste spanning, zijne wenkbrauwen waren samengetrokken, zijn gelaat doodsbleek.»Ja,” riep hij eindelijk met eene geschokte stem, »ja, wij moeten hem redden; wat geef ik er om hoe het daarna met mij gaat? Geen lafhartige zwakheid! Ik heb een misslag begaan, ik moet en zal er de gevolgen van boeten.”»Als gij mij oprecht en trouw in mijne nasporingen helpt, zal ik u vergeven;” zei don Sylva met eene ernstige stem; »mijn eer is in uw misslag betrokken, ik stel die in uwe handen.”»Dank u, don Sylva, gij zult er geen berouw van hebben dat gij u op mij verlaat,” antwoordde de Tigrero edelmoedig.De haciendero hief zijne dochter minzaam op, sloot haar in zijne armen en kuste haar bij herhaling.»Mijn arm kind!” zeide hij, »ik vergeef u. Helaas! wie weet of[213]ik niet binnen weinige dagen op mijne beurt uwe vergeving zal moeten inroepen voor al het leed dat ik u heb aangebracht? Ga nu een weinig slapen, het is diep in den nacht, gij hebt rust noodig.”»O hoe goed zijt gij, vader, en hoe lief heb ik u,” riep zij geroerd, »vrees niets, welk lot mij in de toekomst ook verbeidt, ik zal het dragen zonder morren, nu ben ik gelukkig, nu gij mij vergeven hebt.”Don Martial volgde het meisje met de oogen terwijl zij zich verwijderde.»Wanneer denkt gij op marsch te gaan, don Sylva,” vroeg hij met een gesmoorden zucht.»Morgen, zoo dat mogelijk is.”»Goed, morgen dan op Gods genade.”Na nog een poosje gesproken te hebben om de noodige zaken te regelen, wikkelde don Sylva zich in zijne dekens en sliep weldra in. Wat den Tigrero betreft, deze ging het huis uit, om te zien of de peons wel goed voor de algemeene veiligheid waakten.»O, als die verwenschte Cuchares mijne orders maar niet heeft uitgevoerd!” mompelde hij.
[Inhoud]XXI.DE BEKENTENIS.De haciendero en zijne dochter hadden de kolonie verlaten onder eskorte van don Martial en de vier peons die laatstgenoemde in dienst had genomen.De kleine troep reed westwaarts, in dezelfde richting als de vrijkompagnie van den graaf de Lhorailles, toen deze de Apachen op hun spoor ging vervolgen.Don Sylva maakte des te meer spoed om bij de Franschen te komen, daar hij wist dat hun tocht geen ander doel had dan hem en zijne dochter uit de macht der Roodhuiden te verlossen.De reis ging treurig en zwijgend. Naarmate de karavaan de woestijn naderde, kreeg het landschap allengs dat voorkomen van somberen ernst en eenzame grootheid, dat onwillekeurig op het gemoed van den reiziger werkt en hem in eene soort van neerslachtigheid dompelt daar hij zich niet boven weet te verheffen.Geen lachende weiden of bebouwde akkers meer, geen pachthoeven, hutten of jacals, geen reizigers zelfs op den weg die u met toegenegen blik of vriendelijken groet in ’t voorbijgaan eene goede reis wenschten, maar integendeel een woest en oneffen terrein, afgebrokkelde rotsgronden, holle wegen, diepe donkere valleien, en ondoordringbare bosschen, met wilde dieren bevolkt, wier fonkelende blik[205]u als een vurige kool van achter de dicht ineengestrengelde lianen of uit het warrige kreupelbosch en het hooge prairiegras tegenloert.Van tijd tot tijd zagen de reizigers het breede spoor door de Franschen nagelaten, kenbaar aan de menigte paardenhoeven in het vochtige zand of in het plat getreden gras; maar dan veranderde het terrein plotseling van gedaante en ieder spoor was onherroepelijk verdwenen.Iederen avond, nadat de Tigrero een mijl in het rond in de bosschen en struiken eene soort van klopjacht had gehouden om het verscheurende gedierte te verdrijven, werd het kamp hetzij op een heuvel of aan den oever eener beek opgeslagen, de vuren ontstoken, een hut van takken gebouwd omdoñaAnita tegen de nachtkoude te beschutten; en dan, na een sober avondmaal, wikkelde ieder zich in zijne fressada of zarape en sliep in tot den volgenden morgen.Het eenige wat nu en dan in dit eentonige leven eenige afwisseling bracht, was het voorbijspringen van een eland of damhert, dat dan door don Martial en zijne vier peons in vliegenden galop werd vervolgd tot het arme dier, soms eerst na eene jacht van twee of drie uren, achterhaald en gedood werd.Maar vroolijke gesprekken of vertrouwelijke mededeelingen die zoo geschikt zijn om eene verre en vervelende reis te bekorten, waren niet meer aan de orde.De reizigers bewaarden jegens elkander een somber en achterhoudend stilzwijgen, dat niet slechts alle gemeenzaamheid maar zelfs alle vertrouwen den pas afsneed. Zij spraken niet tot elkander dan in geval van volstrekte noodzakelijkheid, en dan nog werden slechts eenige karige woorden gewisseld.De reden hiervan was niet ver te zoeken, elk dezer drie personen had voor den anderen een geheim te bewaren dat hun zwaar op het hart woog en daar zij zich inwendig over schaamden.De mensch is van nature een onvolmaakt en zondig schepsel, niet geheel en al slecht, en nog veel minder volkomen goed, maar eene wonderlijke mengeling van beiden; de verkeerde daden die hij onder den ijzeren dwang van hartstocht of van eigenbelang begaat, worden later, zoodra zijne drift bekoeld is en hij den afgrond ziet waarin zijne dwaasheid hem gestort heeft of dreigt te storten, eene bron van bitter berouw, vooral wanneer zijn leven, zonder daarom onberispelijk te zijn geweest, uit een oogpunt van gewone zedelijkheid zich tot hiertoe gelukkig voor grove misslagen heeft weten te bewaren.Zoo was ongeveer, op dit oogenblik de toestand van don Martial endoñaAnita. Beiden hadden zich, door wederkeerigen hartstocht verblind, tot een misslag laten vervoeren dien zij thans bitter betreurden; want om onze lezers aangaande het karakter dezer twee personen niet langer in ’t onzekere te laten, moeten wij hier zeggen, dat het hart dezer twee gelieven betrekkelijk goed was en dat zij op het oogenblik hunner dwaselijk beraamde en uitgevoerde vlucht geenszins[206]de noodlottige gevolgen berekenden, die dit hopeloos bedrijf na zich zou slepen.Don Martial inzonderheid, na de bevelen die hij aan Cuchares gegeven had en tegenover het hardnekkig besluit van don Sylva, om zich naar den graaf de Lhorailles te begeven, begreep duidelijk dat zijn toestand met ieder oogenblik hachelijker werd, en dat hij zich in eene engte had gedreven daar hij niet licht weder uit zou komen.De beide gelieven, door het geheim hunner vlucht op eene zoo noodlottige wijs saamverbonden, bewaarden echter tegenover elkander een ander geheim, namelijk dat van spijt en berouw die hen inwendig folterden; zij gevoelden bij iederen stap dat de grond onder hunne voeten als ondermijnd was, en dat het oogenblik met rassche schreden naderde waarop de mijn zou moeten springen.In zulk eenen toestand werd het leven ondragelijk, daar alle gemeenschap van gedachten en gevoelens tusschen de drie personen verbroken was. Dat het eindelijk tusschen hen tot eene botsing zou moeten komen was blijkbaar, maar de schok volgde wellicht spoediger dan een van hen verwachtte, en zulks door den loop der omstandigheden zelve, waarin zij zich zoo geweldig verwikkeld hadden. Na eene reis van omtrent veertien dagen, gedurende welke er met hen niets meldenswaardig gebeurd was, bereikten don Martial en zijn gezelschap, nu eens afgaande op de inlichtingen door hem op de hacienda bekomen, dan op het spoor zelf door den graaf en diens talrijke bende achtergelaten, eindelijk de beruchte bouwvallen in welks midden deCasa GrandevanMontecuzomazich verheft, aan de uiterste grens tusschen het bewoonbare land en de woestijn Del Norte.Het was ongeveer zeven uren des avonds toen de kleine karavaan de ruïnen binnenreed; de zon, juist aan de kimmen weggezonken, verlichtte de aarde nog slechts door de snel afwisselende kleuren van het hemelsche prisma, waarin de laatste weerglans van hare stralen nog een poos blijft schitteren nadat de koningin des dags zelve reeds verdwenen is.Terwijl zij op eenigen afstand achter elkander reden wierpen don Sylva en de Tigrero bespiedende blikken in het rond, en trokken niet dan met de meeste behoedzaamheid en met de hand aan den trekker van hun geweer, voort in dit verwarde doolhof van kreupelbosschen en puinhoopen, zoo gunstig voor de Indiaansche hinderlagen en waar zooveel gevaren zich konden verschuilen.Eindelijk kwamen zij aan deCasa Grande, zonder dat zij iets buitengewoons hadden gezien.De nacht was reeds bijna gedaald, en de voorwerpen begonnen in de schemering als weg te smelten. Don Martial, die zich gereed maakte om af te stijgen, bleef op eens staan en slaakte een kreet van verbazing, bijna van schrik.»Wat is er?” vroeg don Sylva met drift, terwijl hij zich omkeerde en den Tigrero naderde.[207]»Zie eens,” antwoordde de laatste, met de hand naar een groep knoestige boomen wijzende, die eenige passen van hen af allerwonderlijkst tusschen de puinhoopen waren opgeschoten.De menschelijke stem bezit een zonderbaar vermogen op de dieren, namelijk dat zij hun een onverwinnelijke vrees en ontzag inboezemt. De weinige woorden tusschen de beide mannen gewisseld, werden onmiddellijk beantwoord door zeven of acht wolkoppige arenden, die in hun maaltijd gestoord met wild en krassend geschreeuw opvlogen, en uit de zooeven genoemde boomgroep zich met zwaren wiekslag in de lucht verheffend, boven het hoofd der reizigers groote kringen beschreven en bleven rondgieren onder het aanhoudend getier hunner helsche muziek.»Zie toch!” herhaalde don Martial.»Maar ik zie volstrekt niets,” zei don Sylva; »het is daar zoo donker als de nacht.”»Dat is waar; maar kijk eens scherp toe en let op het punt dat ik u aanwijs, dan zult gij weldra zien wat ik bedoel.”Zonder te antwoorden deed de haciendero zijn paard eenige stappen voortgaan.»Hu! Een man, aan de beenen opgehangen!” riep hij op een toon van schrik en afgrijzen, terwijl hij op eens staan bleef. »Wat is hier gebeurd?”»Wie weet?Die man is geen Indiaan, zijne kleur en zijne kleeding laten daaromtrent geen twijfel over. Maar hij heeft zijn haar nog, hij is dus niet door de Apachen gedood; wat kan dat beteekenen?”»Een oproer misschien,” opperde de haciendero.Don Martial bedacht zich een poos; zijn wenkbrauwen trokken zich samen.»Dat is niet mogelijk!” prevelde hij half in zich zelven.Een oogenblik later hervatte hij:»Laten wij eerst in huis gaan, endoñaAnita niet langer alleen laten; ons achterblijven zal haar reeds verwonderen en als het langer duurt zal zij er zich over verontrusten. Zoodra het kamp gereed is ga ik die zaak eens nader onderzoeken, en ik zou mij zeer vergissen als ik het noodlottige raadsel niet oplos dat zich hier aan ons zoo wonderlijk voordoet.”De beide mannen reden weêr voort en kwamen weldra bijdoñaAnita, die eenige passen verder onder bescherming der peons op hen wachtte.Nadat de reizigers afgestegen en deCasa Grandewaren binnengetreden, ontstak don Martial eenige fakkels vanocote-hout om in de duisternis licht te maken en bracht toen zijne gezellen naar de groote zaal, waar wij onze lezers reeds eenmaal hebben binnengeleid.Ook de Tigrero had meermalen deze ruïnen bezocht; gedurende zijne langdurige jachten in de prairie hadden zij hem vaak tot verblijf gestrekt; hij was dus met de plaatselijke gelegenheid zeer goed[208]bekend. Daarom had hij er zoo sterk op aangedrongen dat de karavaan den weg naar deCasa Grandezou nemen, wel overtuigd dat de graaf de Lhorailles aldaar voor zich en zijne kompagnie een gemakkelijk en veilig bivak zou hebben gezocht.De groote zaal, in wier midden een tafel stond, droeg de duidelijke sporen dat er nog kort geleden een aantal personen waren geweest en er tamelijk lang verblijf hadden gehouden.»Gij ziet wel dat ik mij niet bedrogen heb,” zei don Martial tegen den haciendero; »de lieden die ons zoeken hebben zich hier opgehouden.”»Dat is zoo; en denkt gij dat zij reeds lang vertrokken zijn.”»Dat zou ik nog niet durven zeggen, maar terwijl gij bezig zijt u hier te vestigen en het avondmaal wordt gereed gemaakt, zal ik daar buiten den boel eens opnemen; zoodra ik terugkom hoop ik het genoegen te hebben uwe nieuwsgierigheid te kunnen bevredigen.”En met deze woorden stak hij de toorts, die hij in zijne hand had, in een kram aan den muur en ging het huis uit.DoñaAnita had reeds plaats genomen op een toevallig aanwezige ruw houten tabouret, en zat bij de tafel diep in gedachten verzonken.Geholpen door de peons, hield de haciendero zich ijverig bezig met alles voor den nacht in orde te brengen; de paarden werden ontzadeld en in eene soort van corral—open stal tusschen vier muren—geplaatst, daar ze niet uit weg konden loopen, en ruim van haver voorzien; de muilezels werden afgeladen en de pakken in de groote zaal gebracht, waar men ze op een hoop stapelde, na er een geopend te hebben om er den noodigen mondvoorraad uit te nemen; vervolgens werd er een groot vuur ontstoken, boven hetwelk weldra een hertebout te braden hing.Nadat al deze toebereidsels waren afgeloopen, ging de haciendero op een der in de zaal voorhanden bisonsschedels zitten, stak eenmaïssigaaraan en begon te rooken, nu en dan een smartelijken blik werpende naar zijne dochter, die nog altijd in hare treurige beschouwingen verdiept zat.Don Martial bleef vrij lang uit: eerst na twee uren afwezigheid hoorde men het getrappel van zijn paard op den steenachtigen bodem der ruïne en trad hij onverwijld binnen.»Wel?” vroeg hem don Sylva.»Laten wij eerst eten,” antwoordde de Tigrero met een wenk naardoñaAnita, dien de haciendero begreep.Het maal was zooals dat van bekommerde en vermoeide lieden na een lange dagreis wezen moest, dat wil zeggen zeer kort. Overigens bestond het, behalve uit de hertenbout, uit niets dan maïskoeken en gebraden peren met peper.DoñaAnita gebruikte nauwelijks een paar lepels ingelegde tamarinde; daarna de aanwezigen gegroet hebbende, stond zij op en verwijderde zich naar een klein in de zaal uitkomend vertrekje, waar[209]men voor haar van bisonsmantels en pelterijen een soort van bed had gereed gemaakt, en dat bij gebrek van deur zoo goed mogelijk was afgesloten met een paardendek aan een paar spijkers in den muur opgehangen.»Wat u betreft,” zei de Tigrero tegen de peons zoodradoñaAnita weg was, »gij moogt wel goed wachthouden als gij uwe haren behouden wilt. Ik ben verplicht u te waarschuwen dat wij hier in een land vol vijanden zijn, en als gij zorgeloos inslaapt, het waarschijnlijk duur zullen moeten bekoopen.”De peons verzekerden den Tigrero dat zij dubbel waakzaam zouden zijn, en gingen naar buiten om de ontvangen bevelen uit te voeren.De beide heeren bleven dus alleen en zaten een oogenblik zwijgend tegenover elkander.»Welnu, wat is het?” begon don Sylva, de vraag herhalende die hij reeds even te voren gedaan had, »hebt gij iets bijzonders ontdekt of vernomen?”»Al wat er met mogelijkheid te ontdekken of te vernemen is, don Sylva,” antwoordde de Tigrero min of meer onstuimig; »zoo het anders ware, zou ik een armzalige jager zijn en de wilde dieren, tijgers en jaguars mij reeds lang verslonden hebben.”»Zijn de inlichtingen die gij hebt opgedaan gunstig te noemen?”»Dat is naar dat gij ze nemen wilt; de Franschen zijn hier geweest en hebben er een paar weken gekampeerd; gedurende hun verblijf in de ruïnen zijn zij door de Apachen hevig aangevallen, doch het is hun gelukt hen af te slaan. Intusschen schijnt het, ofschoon ik het niet zou kunnen bevestigen, dat de soldaten om een of andere reden aan ’t muiten geslagen zijn, ten gevolge waarvan die arme duivel, dien wij tot aas voor de gieren aan den boom zagen hangen, misschien als de belhamel, misschien ook, zooals het wel eens meer gegaan is, als het ongelukkige slachtoffer voor allen het gelag heeft moeten betalen.”»Ik zeg u dank voor uwe toelichting, die ons buitendien bewijst dat wij ons niet vergist hebben maar het rechte spoor zijn gevolgd; kunt gij mij nu deze toelichting nog aanvullen, in zoover dat gij mij weet te zeggen of de Franschen de ruïnen sinds lang verlaten hebben en in welke richting zij vertrokken zijn?”»Deze vragen zijn gemakkelijk op te lossen; de vrijkompagnie heeft gisteren morgen even na zonsopgang haar kamp opgebroken om de woestijn in te trekken.”»De woestijn?” herhaalde de haciendero, terwijl hij moedeloos de armen bij het lijf liet hangen.Er volgde eenige minuten stilte, gedurende welke de beide mannen over het gesprokene nadachten. Eindelijk nam don Sylva het woord weder op.»Dat is niet mogelijk,” riep hij.[210]»En toch is het zoo.”»Maar dat is eene onvoorzichtigheid zoo groot als er een zijn kan, ja het is dollemanswerk!”»Dat zal ik niet tegenspreken.”»O! die ongelukkigen!”»Het is zoo met hen gelegen, dat er een wonder zal moeten gebeuren als zij er goed afkomen.”»Dat ben ik volkomen met u eens; maar wat nu gedaan?”»De zaak ligt er toe, en met al ons gejammer is er niets aan te veranderen; ik geloof dus, don Sylva, dat wij de wijste partij zullen kiezen door er niet meer aan te denken; zij moeten zelf maar zien hoe zij er goed afkomen.”»Is dat uwe gedachte?”»Volkomen,” antwoordde de Tigrero luchthartig.»Uw plan is dus?”»Mijn plan is,” antwoordde hij met drift, »om twee of drie dagen hier te vertoeven en te zien wat er misschien gebeuren kan; hebben wij na verloop van drie dagen niets nieuws gezien of gehoord, dan stijgen wij te paard en keeren langs denzelfden weg dien wij gekomen zijn naar Guetzalli terug, zonder zelfs de moeite te nemen van om te zien, want hoe eer wij deze verschrikkelijke streek uit zijn, hoe beter.”De haciendero schudde van neen, als iemand die op eens zijn vaste besluit had genomen.»Dan zult gij alleen vertrekken, don Martial,” zeide hij droog.»Wat zegt gij!” riep de andere hem strak aanziende.»Ik zeg u, dat ik denzelfden weg niet terugga dien ik gekomen ben; ik doe geen stap achteruit, in één woord ik vlucht niet.”Don Martial was door dit antwoord als verbluft.»Wat denkt gij dan te doen?”»Kunt gij dat niet begrijpen? Om welke reden zijn wij hier gekomen; en met welk doel hebben wij tot hiertoe gereisd?”»Maar, don Sylva, bedenk toch, de zaken zijn nu geheel veranderd. Gij zult hoop ik redelijk genoeg zijn te erkennen dat ik u zonder tegenspreken gehoorzaamd heb en gedurende deze reis een trouwe gids voor u geweest ben.”»Dat erken ik inderdaad; maar zeg mij dan hoe gij er over denkt.”»Hoe ik er over denk, don Sylva; dat zult gij hooren. Zoolang wij in de prairie waren, in dagelijksch gevaar van door de wilde beesten verscheurd te worden, heb ik gedwee voor u gebogen en mij geenszins tegen uwe plannen verzet, omdat ik stilzwijgend bekennen moest dat gij plichtmatig handeldet; zelfs nu nog, zou ik mij, als wij alleen waren, zonder morren aan uw vaste besluit onderwerpen. Maar bedenk doch, bid ik u, dat gij uwe dochter bij u hebt en dat zij duizend angsten zal moeten uitstaan, zoo gij haar verplicht om u te volgen in een woestijn die u beiden zal verslinden.”[211]Don Sylva antwoordde niet.De Tigrero vervolgde:»Onze troep is zwak; wij hebben slechts voor weinige dagen levensmiddelen bij ons, en gij weet, als wij eens in de del Norte zijn, is er geen water of wild meer te krijgen. Worden wij daarbij nog door een storm overvallen, dan zijn wij verloren, reddeloos verloren.”»Al wat gij mij daar zegt is waar, dat weet ik, en toch kan ik uw raad niet volgen. Hoor mij op uwe beurt, don Martial: de graaf de Lhorailles is mijn vriend, weldra zal hij mijn schoonzoon zijn; ik zeg dat niet om u te krenken, maar om u te doen beseffen in welke verhouding ik tegenover hem sta. Om mijnentwil, om mij te verlossen uit de macht van hen die hij meent dat mij en mijne dochter hadden opgelicht, is hij zonder aarzelen of baatzuchtige berekening en alleen door zijn edele hart gedreven, de zandwoestijn ingetrokken; kan ik hem daar nu laten omkomen, zonder hem hulp toe te brengen? Is hij niet vreemdeling in Mexico, mijn gast en mijn vriend? neen, don Martial, het is mijn plicht hem te redden, en ik zal het beproeven, hoe het ook gaan mag.”»Nu ik zie dat gij er zoo over denkt, don Sylva, zal ik niet langer een besluit zoeken te keeren dat bij u zoo onherroepelijk vaststaat. Ik zal u niet zeggen dat de man dien gij uwe dochter ter vrouwe wilt geven een gelukzoeker, een verloopen edelman is, die ter zake van wangedrag zijn land heeft moeten verlaten en die door het huwelijk dat hij met uwe dochter hoopt te sluiten niets anders bedoelt dan uw onmetelijk fortuin in zijn bezit te krijgen. Al deze dingen en nog veel meer bovendien zou ik u vergeefs trachten te bewijzen, gij zoudt mij toch niet gelooven, want gij zoudt in de feiten die ik u opnoemde niets anders willen zien dan nietswaardige pogingen van een mededinger; spreken wij er dus niet verder over. Wilt gij de zandwoestijn in, goed, ik zal u volgen; en wat er ook gebeurt zult gij mij aan uwe zijde vinden, gereed om u te beschermen en u te helpen. Maar nu het uur eindelijk daar is om tot ronde verklaringen te komen, wil ik niet langer dat er een wolk van ongenoegen tusschen ons blijve bestaan; gij moet den man kennen, met wien gij de wanhopige onderneming gaat wagen die gij u hebt voorgenomen, opdat gij in hem uw volle vertrouwen moogt stellen.”De haciendero keek hem verwonderd aan.Op dit oogenblik werd het gordijn voor het vertrekje daardoñaAnita zich bevond opgeheven, het meisje verscheen, trad langzaam de zaal door, knielde voor haar vader neder en wendde zich tot den Tigrero.»Nu moogt gij vrij spreken, don Martial,” zeide zij; »misschien zal mijn vader mij vergeven, als hij ziet dat ik hem dus om vergeving vraag.”»Vergeving?” riep de haciendero, terwijl hij beurtelings zijne dochter en den man aanstaarde, die met een beschaamd gelaat en gebogen[212]hoofd voor hem stond; »wat moet dat beteekenen? welk misdrijf hebt gij begaan?”»Een misdrijf, daar ik alleen schuld aan heb, don Sylva, en daar ik alleen de straf voor ondergaan moet; ik heb u schandelijk bedrogen, ik ben de man die uwe dochter uit de kolonie heeft weggevoerd.”»Gij!” riep de haciendero met een blik van woede, »ben ik dus uw speelbal, uw bedrogene geweest?”»De hartstocht redeneert niet; ik zal maar een woord ter mijner verdediging zeggen: ik bemin uwe dochter. Helaas, don Sylva, ik gevoel eerst nu hoe schuldig ik was; het nadenken, hoe laat ook, is eindelijk gekomen, en terwijldoñaAnita aan uwe voeten weent, verneder ik mij voor u en bid ik u om vergeving.”»Vergeving, vader!” herhaalde het meisje zacht.De haciendero gaf een wenk van onwil.»O!” hervatte de Tigrero met drift, »wees grootmoedig, don Sylva; stoot ons niet terug! Ons berouw is waar en oprecht. Ik heb het vaste voornemen om het gedane kwaad te herstellen; ik ben dwaas geweest, de hartstocht had mij verblind, verguis mij niet.”»Vader,” sniktedoñaAnita met tranen op de wangen en eene gesmoorde stem, »ik bemin hem! Evenwel, toen wij uit de kolonie vertrokken, hadden wij kunnen vluchten en u verlaten; dit hebben wij niet gewild, wij hebben er zelfs geen oogenblik aan gedacht, wij hebben ons geschaamd over onzen misstap. Nu zijn wij hier beiden gereed om u te gehoorzamen en zonder tegenspraak alles te doen wat gij ons gebieden zult; wees dus niet onverbiddelijk, vader, vergeef ons!”De haciendero richtte zich op.»Gij ziet het, ik kan niet langer aarzelen,” zeide hij streng; »ik moet den graaf de Lhorailles redden, tot iederen prijs; deed ik het niet, dan was ik uw medeplichtige.”De Tigrero stapte met innige ontroering de zaal door in de vreeselijkste spanning, zijne wenkbrauwen waren samengetrokken, zijn gelaat doodsbleek.»Ja,” riep hij eindelijk met eene geschokte stem, »ja, wij moeten hem redden; wat geef ik er om hoe het daarna met mij gaat? Geen lafhartige zwakheid! Ik heb een misslag begaan, ik moet en zal er de gevolgen van boeten.”»Als gij mij oprecht en trouw in mijne nasporingen helpt, zal ik u vergeven;” zei don Sylva met eene ernstige stem; »mijn eer is in uw misslag betrokken, ik stel die in uwe handen.”»Dank u, don Sylva, gij zult er geen berouw van hebben dat gij u op mij verlaat,” antwoordde de Tigrero edelmoedig.De haciendero hief zijne dochter minzaam op, sloot haar in zijne armen en kuste haar bij herhaling.»Mijn arm kind!” zeide hij, »ik vergeef u. Helaas! wie weet of[213]ik niet binnen weinige dagen op mijne beurt uwe vergeving zal moeten inroepen voor al het leed dat ik u heb aangebracht? Ga nu een weinig slapen, het is diep in den nacht, gij hebt rust noodig.”»O hoe goed zijt gij, vader, en hoe lief heb ik u,” riep zij geroerd, »vrees niets, welk lot mij in de toekomst ook verbeidt, ik zal het dragen zonder morren, nu ben ik gelukkig, nu gij mij vergeven hebt.”Don Martial volgde het meisje met de oogen terwijl zij zich verwijderde.»Wanneer denkt gij op marsch te gaan, don Sylva,” vroeg hij met een gesmoorden zucht.»Morgen, zoo dat mogelijk is.”»Goed, morgen dan op Gods genade.”Na nog een poosje gesproken te hebben om de noodige zaken te regelen, wikkelde don Sylva zich in zijne dekens en sliep weldra in. Wat den Tigrero betreft, deze ging het huis uit, om te zien of de peons wel goed voor de algemeene veiligheid waakten.»O, als die verwenschte Cuchares mijne orders maar niet heeft uitgevoerd!” mompelde hij.
XXI.DE BEKENTENIS.
De haciendero en zijne dochter hadden de kolonie verlaten onder eskorte van don Martial en de vier peons die laatstgenoemde in dienst had genomen.De kleine troep reed westwaarts, in dezelfde richting als de vrijkompagnie van den graaf de Lhorailles, toen deze de Apachen op hun spoor ging vervolgen.Don Sylva maakte des te meer spoed om bij de Franschen te komen, daar hij wist dat hun tocht geen ander doel had dan hem en zijne dochter uit de macht der Roodhuiden te verlossen.De reis ging treurig en zwijgend. Naarmate de karavaan de woestijn naderde, kreeg het landschap allengs dat voorkomen van somberen ernst en eenzame grootheid, dat onwillekeurig op het gemoed van den reiziger werkt en hem in eene soort van neerslachtigheid dompelt daar hij zich niet boven weet te verheffen.Geen lachende weiden of bebouwde akkers meer, geen pachthoeven, hutten of jacals, geen reizigers zelfs op den weg die u met toegenegen blik of vriendelijken groet in ’t voorbijgaan eene goede reis wenschten, maar integendeel een woest en oneffen terrein, afgebrokkelde rotsgronden, holle wegen, diepe donkere valleien, en ondoordringbare bosschen, met wilde dieren bevolkt, wier fonkelende blik[205]u als een vurige kool van achter de dicht ineengestrengelde lianen of uit het warrige kreupelbosch en het hooge prairiegras tegenloert.Van tijd tot tijd zagen de reizigers het breede spoor door de Franschen nagelaten, kenbaar aan de menigte paardenhoeven in het vochtige zand of in het plat getreden gras; maar dan veranderde het terrein plotseling van gedaante en ieder spoor was onherroepelijk verdwenen.Iederen avond, nadat de Tigrero een mijl in het rond in de bosschen en struiken eene soort van klopjacht had gehouden om het verscheurende gedierte te verdrijven, werd het kamp hetzij op een heuvel of aan den oever eener beek opgeslagen, de vuren ontstoken, een hut van takken gebouwd omdoñaAnita tegen de nachtkoude te beschutten; en dan, na een sober avondmaal, wikkelde ieder zich in zijne fressada of zarape en sliep in tot den volgenden morgen.Het eenige wat nu en dan in dit eentonige leven eenige afwisseling bracht, was het voorbijspringen van een eland of damhert, dat dan door don Martial en zijne vier peons in vliegenden galop werd vervolgd tot het arme dier, soms eerst na eene jacht van twee of drie uren, achterhaald en gedood werd.Maar vroolijke gesprekken of vertrouwelijke mededeelingen die zoo geschikt zijn om eene verre en vervelende reis te bekorten, waren niet meer aan de orde.De reizigers bewaarden jegens elkander een somber en achterhoudend stilzwijgen, dat niet slechts alle gemeenzaamheid maar zelfs alle vertrouwen den pas afsneed. Zij spraken niet tot elkander dan in geval van volstrekte noodzakelijkheid, en dan nog werden slechts eenige karige woorden gewisseld.De reden hiervan was niet ver te zoeken, elk dezer drie personen had voor den anderen een geheim te bewaren dat hun zwaar op het hart woog en daar zij zich inwendig over schaamden.De mensch is van nature een onvolmaakt en zondig schepsel, niet geheel en al slecht, en nog veel minder volkomen goed, maar eene wonderlijke mengeling van beiden; de verkeerde daden die hij onder den ijzeren dwang van hartstocht of van eigenbelang begaat, worden later, zoodra zijne drift bekoeld is en hij den afgrond ziet waarin zijne dwaasheid hem gestort heeft of dreigt te storten, eene bron van bitter berouw, vooral wanneer zijn leven, zonder daarom onberispelijk te zijn geweest, uit een oogpunt van gewone zedelijkheid zich tot hiertoe gelukkig voor grove misslagen heeft weten te bewaren.Zoo was ongeveer, op dit oogenblik de toestand van don Martial endoñaAnita. Beiden hadden zich, door wederkeerigen hartstocht verblind, tot een misslag laten vervoeren dien zij thans bitter betreurden; want om onze lezers aangaande het karakter dezer twee personen niet langer in ’t onzekere te laten, moeten wij hier zeggen, dat het hart dezer twee gelieven betrekkelijk goed was en dat zij op het oogenblik hunner dwaselijk beraamde en uitgevoerde vlucht geenszins[206]de noodlottige gevolgen berekenden, die dit hopeloos bedrijf na zich zou slepen.Don Martial inzonderheid, na de bevelen die hij aan Cuchares gegeven had en tegenover het hardnekkig besluit van don Sylva, om zich naar den graaf de Lhorailles te begeven, begreep duidelijk dat zijn toestand met ieder oogenblik hachelijker werd, en dat hij zich in eene engte had gedreven daar hij niet licht weder uit zou komen.De beide gelieven, door het geheim hunner vlucht op eene zoo noodlottige wijs saamverbonden, bewaarden echter tegenover elkander een ander geheim, namelijk dat van spijt en berouw die hen inwendig folterden; zij gevoelden bij iederen stap dat de grond onder hunne voeten als ondermijnd was, en dat het oogenblik met rassche schreden naderde waarop de mijn zou moeten springen.In zulk eenen toestand werd het leven ondragelijk, daar alle gemeenschap van gedachten en gevoelens tusschen de drie personen verbroken was. Dat het eindelijk tusschen hen tot eene botsing zou moeten komen was blijkbaar, maar de schok volgde wellicht spoediger dan een van hen verwachtte, en zulks door den loop der omstandigheden zelve, waarin zij zich zoo geweldig verwikkeld hadden. Na eene reis van omtrent veertien dagen, gedurende welke er met hen niets meldenswaardig gebeurd was, bereikten don Martial en zijn gezelschap, nu eens afgaande op de inlichtingen door hem op de hacienda bekomen, dan op het spoor zelf door den graaf en diens talrijke bende achtergelaten, eindelijk de beruchte bouwvallen in welks midden deCasa GrandevanMontecuzomazich verheft, aan de uiterste grens tusschen het bewoonbare land en de woestijn Del Norte.Het was ongeveer zeven uren des avonds toen de kleine karavaan de ruïnen binnenreed; de zon, juist aan de kimmen weggezonken, verlichtte de aarde nog slechts door de snel afwisselende kleuren van het hemelsche prisma, waarin de laatste weerglans van hare stralen nog een poos blijft schitteren nadat de koningin des dags zelve reeds verdwenen is.Terwijl zij op eenigen afstand achter elkander reden wierpen don Sylva en de Tigrero bespiedende blikken in het rond, en trokken niet dan met de meeste behoedzaamheid en met de hand aan den trekker van hun geweer, voort in dit verwarde doolhof van kreupelbosschen en puinhoopen, zoo gunstig voor de Indiaansche hinderlagen en waar zooveel gevaren zich konden verschuilen.Eindelijk kwamen zij aan deCasa Grande, zonder dat zij iets buitengewoons hadden gezien.De nacht was reeds bijna gedaald, en de voorwerpen begonnen in de schemering als weg te smelten. Don Martial, die zich gereed maakte om af te stijgen, bleef op eens staan en slaakte een kreet van verbazing, bijna van schrik.»Wat is er?” vroeg don Sylva met drift, terwijl hij zich omkeerde en den Tigrero naderde.[207]»Zie eens,” antwoordde de laatste, met de hand naar een groep knoestige boomen wijzende, die eenige passen van hen af allerwonderlijkst tusschen de puinhoopen waren opgeschoten.De menschelijke stem bezit een zonderbaar vermogen op de dieren, namelijk dat zij hun een onverwinnelijke vrees en ontzag inboezemt. De weinige woorden tusschen de beide mannen gewisseld, werden onmiddellijk beantwoord door zeven of acht wolkoppige arenden, die in hun maaltijd gestoord met wild en krassend geschreeuw opvlogen, en uit de zooeven genoemde boomgroep zich met zwaren wiekslag in de lucht verheffend, boven het hoofd der reizigers groote kringen beschreven en bleven rondgieren onder het aanhoudend getier hunner helsche muziek.»Zie toch!” herhaalde don Martial.»Maar ik zie volstrekt niets,” zei don Sylva; »het is daar zoo donker als de nacht.”»Dat is waar; maar kijk eens scherp toe en let op het punt dat ik u aanwijs, dan zult gij weldra zien wat ik bedoel.”Zonder te antwoorden deed de haciendero zijn paard eenige stappen voortgaan.»Hu! Een man, aan de beenen opgehangen!” riep hij op een toon van schrik en afgrijzen, terwijl hij op eens staan bleef. »Wat is hier gebeurd?”»Wie weet?Die man is geen Indiaan, zijne kleur en zijne kleeding laten daaromtrent geen twijfel over. Maar hij heeft zijn haar nog, hij is dus niet door de Apachen gedood; wat kan dat beteekenen?”»Een oproer misschien,” opperde de haciendero.Don Martial bedacht zich een poos; zijn wenkbrauwen trokken zich samen.»Dat is niet mogelijk!” prevelde hij half in zich zelven.Een oogenblik later hervatte hij:»Laten wij eerst in huis gaan, endoñaAnita niet langer alleen laten; ons achterblijven zal haar reeds verwonderen en als het langer duurt zal zij er zich over verontrusten. Zoodra het kamp gereed is ga ik die zaak eens nader onderzoeken, en ik zou mij zeer vergissen als ik het noodlottige raadsel niet oplos dat zich hier aan ons zoo wonderlijk voordoet.”De beide mannen reden weêr voort en kwamen weldra bijdoñaAnita, die eenige passen verder onder bescherming der peons op hen wachtte.Nadat de reizigers afgestegen en deCasa Grandewaren binnengetreden, ontstak don Martial eenige fakkels vanocote-hout om in de duisternis licht te maken en bracht toen zijne gezellen naar de groote zaal, waar wij onze lezers reeds eenmaal hebben binnengeleid.Ook de Tigrero had meermalen deze ruïnen bezocht; gedurende zijne langdurige jachten in de prairie hadden zij hem vaak tot verblijf gestrekt; hij was dus met de plaatselijke gelegenheid zeer goed[208]bekend. Daarom had hij er zoo sterk op aangedrongen dat de karavaan den weg naar deCasa Grandezou nemen, wel overtuigd dat de graaf de Lhorailles aldaar voor zich en zijne kompagnie een gemakkelijk en veilig bivak zou hebben gezocht.De groote zaal, in wier midden een tafel stond, droeg de duidelijke sporen dat er nog kort geleden een aantal personen waren geweest en er tamelijk lang verblijf hadden gehouden.»Gij ziet wel dat ik mij niet bedrogen heb,” zei don Martial tegen den haciendero; »de lieden die ons zoeken hebben zich hier opgehouden.”»Dat is zoo; en denkt gij dat zij reeds lang vertrokken zijn.”»Dat zou ik nog niet durven zeggen, maar terwijl gij bezig zijt u hier te vestigen en het avondmaal wordt gereed gemaakt, zal ik daar buiten den boel eens opnemen; zoodra ik terugkom hoop ik het genoegen te hebben uwe nieuwsgierigheid te kunnen bevredigen.”En met deze woorden stak hij de toorts, die hij in zijne hand had, in een kram aan den muur en ging het huis uit.DoñaAnita had reeds plaats genomen op een toevallig aanwezige ruw houten tabouret, en zat bij de tafel diep in gedachten verzonken.Geholpen door de peons, hield de haciendero zich ijverig bezig met alles voor den nacht in orde te brengen; de paarden werden ontzadeld en in eene soort van corral—open stal tusschen vier muren—geplaatst, daar ze niet uit weg konden loopen, en ruim van haver voorzien; de muilezels werden afgeladen en de pakken in de groote zaal gebracht, waar men ze op een hoop stapelde, na er een geopend te hebben om er den noodigen mondvoorraad uit te nemen; vervolgens werd er een groot vuur ontstoken, boven hetwelk weldra een hertebout te braden hing.Nadat al deze toebereidsels waren afgeloopen, ging de haciendero op een der in de zaal voorhanden bisonsschedels zitten, stak eenmaïssigaaraan en begon te rooken, nu en dan een smartelijken blik werpende naar zijne dochter, die nog altijd in hare treurige beschouwingen verdiept zat.Don Martial bleef vrij lang uit: eerst na twee uren afwezigheid hoorde men het getrappel van zijn paard op den steenachtigen bodem der ruïne en trad hij onverwijld binnen.»Wel?” vroeg hem don Sylva.»Laten wij eerst eten,” antwoordde de Tigrero met een wenk naardoñaAnita, dien de haciendero begreep.Het maal was zooals dat van bekommerde en vermoeide lieden na een lange dagreis wezen moest, dat wil zeggen zeer kort. Overigens bestond het, behalve uit de hertenbout, uit niets dan maïskoeken en gebraden peren met peper.DoñaAnita gebruikte nauwelijks een paar lepels ingelegde tamarinde; daarna de aanwezigen gegroet hebbende, stond zij op en verwijderde zich naar een klein in de zaal uitkomend vertrekje, waar[209]men voor haar van bisonsmantels en pelterijen een soort van bed had gereed gemaakt, en dat bij gebrek van deur zoo goed mogelijk was afgesloten met een paardendek aan een paar spijkers in den muur opgehangen.»Wat u betreft,” zei de Tigrero tegen de peons zoodradoñaAnita weg was, »gij moogt wel goed wachthouden als gij uwe haren behouden wilt. Ik ben verplicht u te waarschuwen dat wij hier in een land vol vijanden zijn, en als gij zorgeloos inslaapt, het waarschijnlijk duur zullen moeten bekoopen.”De peons verzekerden den Tigrero dat zij dubbel waakzaam zouden zijn, en gingen naar buiten om de ontvangen bevelen uit te voeren.De beide heeren bleven dus alleen en zaten een oogenblik zwijgend tegenover elkander.»Welnu, wat is het?” begon don Sylva, de vraag herhalende die hij reeds even te voren gedaan had, »hebt gij iets bijzonders ontdekt of vernomen?”»Al wat er met mogelijkheid te ontdekken of te vernemen is, don Sylva,” antwoordde de Tigrero min of meer onstuimig; »zoo het anders ware, zou ik een armzalige jager zijn en de wilde dieren, tijgers en jaguars mij reeds lang verslonden hebben.”»Zijn de inlichtingen die gij hebt opgedaan gunstig te noemen?”»Dat is naar dat gij ze nemen wilt; de Franschen zijn hier geweest en hebben er een paar weken gekampeerd; gedurende hun verblijf in de ruïnen zijn zij door de Apachen hevig aangevallen, doch het is hun gelukt hen af te slaan. Intusschen schijnt het, ofschoon ik het niet zou kunnen bevestigen, dat de soldaten om een of andere reden aan ’t muiten geslagen zijn, ten gevolge waarvan die arme duivel, dien wij tot aas voor de gieren aan den boom zagen hangen, misschien als de belhamel, misschien ook, zooals het wel eens meer gegaan is, als het ongelukkige slachtoffer voor allen het gelag heeft moeten betalen.”»Ik zeg u dank voor uwe toelichting, die ons buitendien bewijst dat wij ons niet vergist hebben maar het rechte spoor zijn gevolgd; kunt gij mij nu deze toelichting nog aanvullen, in zoover dat gij mij weet te zeggen of de Franschen de ruïnen sinds lang verlaten hebben en in welke richting zij vertrokken zijn?”»Deze vragen zijn gemakkelijk op te lossen; de vrijkompagnie heeft gisteren morgen even na zonsopgang haar kamp opgebroken om de woestijn in te trekken.”»De woestijn?” herhaalde de haciendero, terwijl hij moedeloos de armen bij het lijf liet hangen.Er volgde eenige minuten stilte, gedurende welke de beide mannen over het gesprokene nadachten. Eindelijk nam don Sylva het woord weder op.»Dat is niet mogelijk,” riep hij.[210]»En toch is het zoo.”»Maar dat is eene onvoorzichtigheid zoo groot als er een zijn kan, ja het is dollemanswerk!”»Dat zal ik niet tegenspreken.”»O! die ongelukkigen!”»Het is zoo met hen gelegen, dat er een wonder zal moeten gebeuren als zij er goed afkomen.”»Dat ben ik volkomen met u eens; maar wat nu gedaan?”»De zaak ligt er toe, en met al ons gejammer is er niets aan te veranderen; ik geloof dus, don Sylva, dat wij de wijste partij zullen kiezen door er niet meer aan te denken; zij moeten zelf maar zien hoe zij er goed afkomen.”»Is dat uwe gedachte?”»Volkomen,” antwoordde de Tigrero luchthartig.»Uw plan is dus?”»Mijn plan is,” antwoordde hij met drift, »om twee of drie dagen hier te vertoeven en te zien wat er misschien gebeuren kan; hebben wij na verloop van drie dagen niets nieuws gezien of gehoord, dan stijgen wij te paard en keeren langs denzelfden weg dien wij gekomen zijn naar Guetzalli terug, zonder zelfs de moeite te nemen van om te zien, want hoe eer wij deze verschrikkelijke streek uit zijn, hoe beter.”De haciendero schudde van neen, als iemand die op eens zijn vaste besluit had genomen.»Dan zult gij alleen vertrekken, don Martial,” zeide hij droog.»Wat zegt gij!” riep de andere hem strak aanziende.»Ik zeg u, dat ik denzelfden weg niet terugga dien ik gekomen ben; ik doe geen stap achteruit, in één woord ik vlucht niet.”Don Martial was door dit antwoord als verbluft.»Wat denkt gij dan te doen?”»Kunt gij dat niet begrijpen? Om welke reden zijn wij hier gekomen; en met welk doel hebben wij tot hiertoe gereisd?”»Maar, don Sylva, bedenk toch, de zaken zijn nu geheel veranderd. Gij zult hoop ik redelijk genoeg zijn te erkennen dat ik u zonder tegenspreken gehoorzaamd heb en gedurende deze reis een trouwe gids voor u geweest ben.”»Dat erken ik inderdaad; maar zeg mij dan hoe gij er over denkt.”»Hoe ik er over denk, don Sylva; dat zult gij hooren. Zoolang wij in de prairie waren, in dagelijksch gevaar van door de wilde beesten verscheurd te worden, heb ik gedwee voor u gebogen en mij geenszins tegen uwe plannen verzet, omdat ik stilzwijgend bekennen moest dat gij plichtmatig handeldet; zelfs nu nog, zou ik mij, als wij alleen waren, zonder morren aan uw vaste besluit onderwerpen. Maar bedenk doch, bid ik u, dat gij uwe dochter bij u hebt en dat zij duizend angsten zal moeten uitstaan, zoo gij haar verplicht om u te volgen in een woestijn die u beiden zal verslinden.”[211]Don Sylva antwoordde niet.De Tigrero vervolgde:»Onze troep is zwak; wij hebben slechts voor weinige dagen levensmiddelen bij ons, en gij weet, als wij eens in de del Norte zijn, is er geen water of wild meer te krijgen. Worden wij daarbij nog door een storm overvallen, dan zijn wij verloren, reddeloos verloren.”»Al wat gij mij daar zegt is waar, dat weet ik, en toch kan ik uw raad niet volgen. Hoor mij op uwe beurt, don Martial: de graaf de Lhorailles is mijn vriend, weldra zal hij mijn schoonzoon zijn; ik zeg dat niet om u te krenken, maar om u te doen beseffen in welke verhouding ik tegenover hem sta. Om mijnentwil, om mij te verlossen uit de macht van hen die hij meent dat mij en mijne dochter hadden opgelicht, is hij zonder aarzelen of baatzuchtige berekening en alleen door zijn edele hart gedreven, de zandwoestijn ingetrokken; kan ik hem daar nu laten omkomen, zonder hem hulp toe te brengen? Is hij niet vreemdeling in Mexico, mijn gast en mijn vriend? neen, don Martial, het is mijn plicht hem te redden, en ik zal het beproeven, hoe het ook gaan mag.”»Nu ik zie dat gij er zoo over denkt, don Sylva, zal ik niet langer een besluit zoeken te keeren dat bij u zoo onherroepelijk vaststaat. Ik zal u niet zeggen dat de man dien gij uwe dochter ter vrouwe wilt geven een gelukzoeker, een verloopen edelman is, die ter zake van wangedrag zijn land heeft moeten verlaten en die door het huwelijk dat hij met uwe dochter hoopt te sluiten niets anders bedoelt dan uw onmetelijk fortuin in zijn bezit te krijgen. Al deze dingen en nog veel meer bovendien zou ik u vergeefs trachten te bewijzen, gij zoudt mij toch niet gelooven, want gij zoudt in de feiten die ik u opnoemde niets anders willen zien dan nietswaardige pogingen van een mededinger; spreken wij er dus niet verder over. Wilt gij de zandwoestijn in, goed, ik zal u volgen; en wat er ook gebeurt zult gij mij aan uwe zijde vinden, gereed om u te beschermen en u te helpen. Maar nu het uur eindelijk daar is om tot ronde verklaringen te komen, wil ik niet langer dat er een wolk van ongenoegen tusschen ons blijve bestaan; gij moet den man kennen, met wien gij de wanhopige onderneming gaat wagen die gij u hebt voorgenomen, opdat gij in hem uw volle vertrouwen moogt stellen.”De haciendero keek hem verwonderd aan.Op dit oogenblik werd het gordijn voor het vertrekje daardoñaAnita zich bevond opgeheven, het meisje verscheen, trad langzaam de zaal door, knielde voor haar vader neder en wendde zich tot den Tigrero.»Nu moogt gij vrij spreken, don Martial,” zeide zij; »misschien zal mijn vader mij vergeven, als hij ziet dat ik hem dus om vergeving vraag.”»Vergeving?” riep de haciendero, terwijl hij beurtelings zijne dochter en den man aanstaarde, die met een beschaamd gelaat en gebogen[212]hoofd voor hem stond; »wat moet dat beteekenen? welk misdrijf hebt gij begaan?”»Een misdrijf, daar ik alleen schuld aan heb, don Sylva, en daar ik alleen de straf voor ondergaan moet; ik heb u schandelijk bedrogen, ik ben de man die uwe dochter uit de kolonie heeft weggevoerd.”»Gij!” riep de haciendero met een blik van woede, »ben ik dus uw speelbal, uw bedrogene geweest?”»De hartstocht redeneert niet; ik zal maar een woord ter mijner verdediging zeggen: ik bemin uwe dochter. Helaas, don Sylva, ik gevoel eerst nu hoe schuldig ik was; het nadenken, hoe laat ook, is eindelijk gekomen, en terwijldoñaAnita aan uwe voeten weent, verneder ik mij voor u en bid ik u om vergeving.”»Vergeving, vader!” herhaalde het meisje zacht.De haciendero gaf een wenk van onwil.»O!” hervatte de Tigrero met drift, »wees grootmoedig, don Sylva; stoot ons niet terug! Ons berouw is waar en oprecht. Ik heb het vaste voornemen om het gedane kwaad te herstellen; ik ben dwaas geweest, de hartstocht had mij verblind, verguis mij niet.”»Vader,” sniktedoñaAnita met tranen op de wangen en eene gesmoorde stem, »ik bemin hem! Evenwel, toen wij uit de kolonie vertrokken, hadden wij kunnen vluchten en u verlaten; dit hebben wij niet gewild, wij hebben er zelfs geen oogenblik aan gedacht, wij hebben ons geschaamd over onzen misstap. Nu zijn wij hier beiden gereed om u te gehoorzamen en zonder tegenspraak alles te doen wat gij ons gebieden zult; wees dus niet onverbiddelijk, vader, vergeef ons!”De haciendero richtte zich op.»Gij ziet het, ik kan niet langer aarzelen,” zeide hij streng; »ik moet den graaf de Lhorailles redden, tot iederen prijs; deed ik het niet, dan was ik uw medeplichtige.”De Tigrero stapte met innige ontroering de zaal door in de vreeselijkste spanning, zijne wenkbrauwen waren samengetrokken, zijn gelaat doodsbleek.»Ja,” riep hij eindelijk met eene geschokte stem, »ja, wij moeten hem redden; wat geef ik er om hoe het daarna met mij gaat? Geen lafhartige zwakheid! Ik heb een misslag begaan, ik moet en zal er de gevolgen van boeten.”»Als gij mij oprecht en trouw in mijne nasporingen helpt, zal ik u vergeven;” zei don Sylva met eene ernstige stem; »mijn eer is in uw misslag betrokken, ik stel die in uwe handen.”»Dank u, don Sylva, gij zult er geen berouw van hebben dat gij u op mij verlaat,” antwoordde de Tigrero edelmoedig.De haciendero hief zijne dochter minzaam op, sloot haar in zijne armen en kuste haar bij herhaling.»Mijn arm kind!” zeide hij, »ik vergeef u. Helaas! wie weet of[213]ik niet binnen weinige dagen op mijne beurt uwe vergeving zal moeten inroepen voor al het leed dat ik u heb aangebracht? Ga nu een weinig slapen, het is diep in den nacht, gij hebt rust noodig.”»O hoe goed zijt gij, vader, en hoe lief heb ik u,” riep zij geroerd, »vrees niets, welk lot mij in de toekomst ook verbeidt, ik zal het dragen zonder morren, nu ben ik gelukkig, nu gij mij vergeven hebt.”Don Martial volgde het meisje met de oogen terwijl zij zich verwijderde.»Wanneer denkt gij op marsch te gaan, don Sylva,” vroeg hij met een gesmoorden zucht.»Morgen, zoo dat mogelijk is.”»Goed, morgen dan op Gods genade.”Na nog een poosje gesproken te hebben om de noodige zaken te regelen, wikkelde don Sylva zich in zijne dekens en sliep weldra in. Wat den Tigrero betreft, deze ging het huis uit, om te zien of de peons wel goed voor de algemeene veiligheid waakten.»O, als die verwenschte Cuchares mijne orders maar niet heeft uitgevoerd!” mompelde hij.
De haciendero en zijne dochter hadden de kolonie verlaten onder eskorte van don Martial en de vier peons die laatstgenoemde in dienst had genomen.
De kleine troep reed westwaarts, in dezelfde richting als de vrijkompagnie van den graaf de Lhorailles, toen deze de Apachen op hun spoor ging vervolgen.
Don Sylva maakte des te meer spoed om bij de Franschen te komen, daar hij wist dat hun tocht geen ander doel had dan hem en zijne dochter uit de macht der Roodhuiden te verlossen.
De reis ging treurig en zwijgend. Naarmate de karavaan de woestijn naderde, kreeg het landschap allengs dat voorkomen van somberen ernst en eenzame grootheid, dat onwillekeurig op het gemoed van den reiziger werkt en hem in eene soort van neerslachtigheid dompelt daar hij zich niet boven weet te verheffen.
Geen lachende weiden of bebouwde akkers meer, geen pachthoeven, hutten of jacals, geen reizigers zelfs op den weg die u met toegenegen blik of vriendelijken groet in ’t voorbijgaan eene goede reis wenschten, maar integendeel een woest en oneffen terrein, afgebrokkelde rotsgronden, holle wegen, diepe donkere valleien, en ondoordringbare bosschen, met wilde dieren bevolkt, wier fonkelende blik[205]u als een vurige kool van achter de dicht ineengestrengelde lianen of uit het warrige kreupelbosch en het hooge prairiegras tegenloert.
Van tijd tot tijd zagen de reizigers het breede spoor door de Franschen nagelaten, kenbaar aan de menigte paardenhoeven in het vochtige zand of in het plat getreden gras; maar dan veranderde het terrein plotseling van gedaante en ieder spoor was onherroepelijk verdwenen.
Iederen avond, nadat de Tigrero een mijl in het rond in de bosschen en struiken eene soort van klopjacht had gehouden om het verscheurende gedierte te verdrijven, werd het kamp hetzij op een heuvel of aan den oever eener beek opgeslagen, de vuren ontstoken, een hut van takken gebouwd omdoñaAnita tegen de nachtkoude te beschutten; en dan, na een sober avondmaal, wikkelde ieder zich in zijne fressada of zarape en sliep in tot den volgenden morgen.
Het eenige wat nu en dan in dit eentonige leven eenige afwisseling bracht, was het voorbijspringen van een eland of damhert, dat dan door don Martial en zijne vier peons in vliegenden galop werd vervolgd tot het arme dier, soms eerst na eene jacht van twee of drie uren, achterhaald en gedood werd.
Maar vroolijke gesprekken of vertrouwelijke mededeelingen die zoo geschikt zijn om eene verre en vervelende reis te bekorten, waren niet meer aan de orde.
De reizigers bewaarden jegens elkander een somber en achterhoudend stilzwijgen, dat niet slechts alle gemeenzaamheid maar zelfs alle vertrouwen den pas afsneed. Zij spraken niet tot elkander dan in geval van volstrekte noodzakelijkheid, en dan nog werden slechts eenige karige woorden gewisseld.
De reden hiervan was niet ver te zoeken, elk dezer drie personen had voor den anderen een geheim te bewaren dat hun zwaar op het hart woog en daar zij zich inwendig over schaamden.
De mensch is van nature een onvolmaakt en zondig schepsel, niet geheel en al slecht, en nog veel minder volkomen goed, maar eene wonderlijke mengeling van beiden; de verkeerde daden die hij onder den ijzeren dwang van hartstocht of van eigenbelang begaat, worden later, zoodra zijne drift bekoeld is en hij den afgrond ziet waarin zijne dwaasheid hem gestort heeft of dreigt te storten, eene bron van bitter berouw, vooral wanneer zijn leven, zonder daarom onberispelijk te zijn geweest, uit een oogpunt van gewone zedelijkheid zich tot hiertoe gelukkig voor grove misslagen heeft weten te bewaren.
Zoo was ongeveer, op dit oogenblik de toestand van don Martial endoñaAnita. Beiden hadden zich, door wederkeerigen hartstocht verblind, tot een misslag laten vervoeren dien zij thans bitter betreurden; want om onze lezers aangaande het karakter dezer twee personen niet langer in ’t onzekere te laten, moeten wij hier zeggen, dat het hart dezer twee gelieven betrekkelijk goed was en dat zij op het oogenblik hunner dwaselijk beraamde en uitgevoerde vlucht geenszins[206]de noodlottige gevolgen berekenden, die dit hopeloos bedrijf na zich zou slepen.
Don Martial inzonderheid, na de bevelen die hij aan Cuchares gegeven had en tegenover het hardnekkig besluit van don Sylva, om zich naar den graaf de Lhorailles te begeven, begreep duidelijk dat zijn toestand met ieder oogenblik hachelijker werd, en dat hij zich in eene engte had gedreven daar hij niet licht weder uit zou komen.
De beide gelieven, door het geheim hunner vlucht op eene zoo noodlottige wijs saamverbonden, bewaarden echter tegenover elkander een ander geheim, namelijk dat van spijt en berouw die hen inwendig folterden; zij gevoelden bij iederen stap dat de grond onder hunne voeten als ondermijnd was, en dat het oogenblik met rassche schreden naderde waarop de mijn zou moeten springen.
In zulk eenen toestand werd het leven ondragelijk, daar alle gemeenschap van gedachten en gevoelens tusschen de drie personen verbroken was. Dat het eindelijk tusschen hen tot eene botsing zou moeten komen was blijkbaar, maar de schok volgde wellicht spoediger dan een van hen verwachtte, en zulks door den loop der omstandigheden zelve, waarin zij zich zoo geweldig verwikkeld hadden. Na eene reis van omtrent veertien dagen, gedurende welke er met hen niets meldenswaardig gebeurd was, bereikten don Martial en zijn gezelschap, nu eens afgaande op de inlichtingen door hem op de hacienda bekomen, dan op het spoor zelf door den graaf en diens talrijke bende achtergelaten, eindelijk de beruchte bouwvallen in welks midden deCasa GrandevanMontecuzomazich verheft, aan de uiterste grens tusschen het bewoonbare land en de woestijn Del Norte.
Het was ongeveer zeven uren des avonds toen de kleine karavaan de ruïnen binnenreed; de zon, juist aan de kimmen weggezonken, verlichtte de aarde nog slechts door de snel afwisselende kleuren van het hemelsche prisma, waarin de laatste weerglans van hare stralen nog een poos blijft schitteren nadat de koningin des dags zelve reeds verdwenen is.
Terwijl zij op eenigen afstand achter elkander reden wierpen don Sylva en de Tigrero bespiedende blikken in het rond, en trokken niet dan met de meeste behoedzaamheid en met de hand aan den trekker van hun geweer, voort in dit verwarde doolhof van kreupelbosschen en puinhoopen, zoo gunstig voor de Indiaansche hinderlagen en waar zooveel gevaren zich konden verschuilen.
Eindelijk kwamen zij aan deCasa Grande, zonder dat zij iets buitengewoons hadden gezien.
De nacht was reeds bijna gedaald, en de voorwerpen begonnen in de schemering als weg te smelten. Don Martial, die zich gereed maakte om af te stijgen, bleef op eens staan en slaakte een kreet van verbazing, bijna van schrik.
»Wat is er?” vroeg don Sylva met drift, terwijl hij zich omkeerde en den Tigrero naderde.[207]
»Zie eens,” antwoordde de laatste, met de hand naar een groep knoestige boomen wijzende, die eenige passen van hen af allerwonderlijkst tusschen de puinhoopen waren opgeschoten.
De menschelijke stem bezit een zonderbaar vermogen op de dieren, namelijk dat zij hun een onverwinnelijke vrees en ontzag inboezemt. De weinige woorden tusschen de beide mannen gewisseld, werden onmiddellijk beantwoord door zeven of acht wolkoppige arenden, die in hun maaltijd gestoord met wild en krassend geschreeuw opvlogen, en uit de zooeven genoemde boomgroep zich met zwaren wiekslag in de lucht verheffend, boven het hoofd der reizigers groote kringen beschreven en bleven rondgieren onder het aanhoudend getier hunner helsche muziek.
»Zie toch!” herhaalde don Martial.
»Maar ik zie volstrekt niets,” zei don Sylva; »het is daar zoo donker als de nacht.”
»Dat is waar; maar kijk eens scherp toe en let op het punt dat ik u aanwijs, dan zult gij weldra zien wat ik bedoel.”
Zonder te antwoorden deed de haciendero zijn paard eenige stappen voortgaan.
»Hu! Een man, aan de beenen opgehangen!” riep hij op een toon van schrik en afgrijzen, terwijl hij op eens staan bleef. »Wat is hier gebeurd?”
»Wie weet?Die man is geen Indiaan, zijne kleur en zijne kleeding laten daaromtrent geen twijfel over. Maar hij heeft zijn haar nog, hij is dus niet door de Apachen gedood; wat kan dat beteekenen?”
»Een oproer misschien,” opperde de haciendero.
Don Martial bedacht zich een poos; zijn wenkbrauwen trokken zich samen.
»Dat is niet mogelijk!” prevelde hij half in zich zelven.
Een oogenblik later hervatte hij:
»Laten wij eerst in huis gaan, endoñaAnita niet langer alleen laten; ons achterblijven zal haar reeds verwonderen en als het langer duurt zal zij er zich over verontrusten. Zoodra het kamp gereed is ga ik die zaak eens nader onderzoeken, en ik zou mij zeer vergissen als ik het noodlottige raadsel niet oplos dat zich hier aan ons zoo wonderlijk voordoet.”
De beide mannen reden weêr voort en kwamen weldra bijdoñaAnita, die eenige passen verder onder bescherming der peons op hen wachtte.
Nadat de reizigers afgestegen en deCasa Grandewaren binnengetreden, ontstak don Martial eenige fakkels vanocote-hout om in de duisternis licht te maken en bracht toen zijne gezellen naar de groote zaal, waar wij onze lezers reeds eenmaal hebben binnengeleid.
Ook de Tigrero had meermalen deze ruïnen bezocht; gedurende zijne langdurige jachten in de prairie hadden zij hem vaak tot verblijf gestrekt; hij was dus met de plaatselijke gelegenheid zeer goed[208]bekend. Daarom had hij er zoo sterk op aangedrongen dat de karavaan den weg naar deCasa Grandezou nemen, wel overtuigd dat de graaf de Lhorailles aldaar voor zich en zijne kompagnie een gemakkelijk en veilig bivak zou hebben gezocht.
De groote zaal, in wier midden een tafel stond, droeg de duidelijke sporen dat er nog kort geleden een aantal personen waren geweest en er tamelijk lang verblijf hadden gehouden.
»Gij ziet wel dat ik mij niet bedrogen heb,” zei don Martial tegen den haciendero; »de lieden die ons zoeken hebben zich hier opgehouden.”
»Dat is zoo; en denkt gij dat zij reeds lang vertrokken zijn.”
»Dat zou ik nog niet durven zeggen, maar terwijl gij bezig zijt u hier te vestigen en het avondmaal wordt gereed gemaakt, zal ik daar buiten den boel eens opnemen; zoodra ik terugkom hoop ik het genoegen te hebben uwe nieuwsgierigheid te kunnen bevredigen.”
En met deze woorden stak hij de toorts, die hij in zijne hand had, in een kram aan den muur en ging het huis uit.
DoñaAnita had reeds plaats genomen op een toevallig aanwezige ruw houten tabouret, en zat bij de tafel diep in gedachten verzonken.
Geholpen door de peons, hield de haciendero zich ijverig bezig met alles voor den nacht in orde te brengen; de paarden werden ontzadeld en in eene soort van corral—open stal tusschen vier muren—geplaatst, daar ze niet uit weg konden loopen, en ruim van haver voorzien; de muilezels werden afgeladen en de pakken in de groote zaal gebracht, waar men ze op een hoop stapelde, na er een geopend te hebben om er den noodigen mondvoorraad uit te nemen; vervolgens werd er een groot vuur ontstoken, boven hetwelk weldra een hertebout te braden hing.
Nadat al deze toebereidsels waren afgeloopen, ging de haciendero op een der in de zaal voorhanden bisonsschedels zitten, stak eenmaïssigaaraan en begon te rooken, nu en dan een smartelijken blik werpende naar zijne dochter, die nog altijd in hare treurige beschouwingen verdiept zat.
Don Martial bleef vrij lang uit: eerst na twee uren afwezigheid hoorde men het getrappel van zijn paard op den steenachtigen bodem der ruïne en trad hij onverwijld binnen.
»Wel?” vroeg hem don Sylva.
»Laten wij eerst eten,” antwoordde de Tigrero met een wenk naardoñaAnita, dien de haciendero begreep.
Het maal was zooals dat van bekommerde en vermoeide lieden na een lange dagreis wezen moest, dat wil zeggen zeer kort. Overigens bestond het, behalve uit de hertenbout, uit niets dan maïskoeken en gebraden peren met peper.
DoñaAnita gebruikte nauwelijks een paar lepels ingelegde tamarinde; daarna de aanwezigen gegroet hebbende, stond zij op en verwijderde zich naar een klein in de zaal uitkomend vertrekje, waar[209]men voor haar van bisonsmantels en pelterijen een soort van bed had gereed gemaakt, en dat bij gebrek van deur zoo goed mogelijk was afgesloten met een paardendek aan een paar spijkers in den muur opgehangen.
»Wat u betreft,” zei de Tigrero tegen de peons zoodradoñaAnita weg was, »gij moogt wel goed wachthouden als gij uwe haren behouden wilt. Ik ben verplicht u te waarschuwen dat wij hier in een land vol vijanden zijn, en als gij zorgeloos inslaapt, het waarschijnlijk duur zullen moeten bekoopen.”
De peons verzekerden den Tigrero dat zij dubbel waakzaam zouden zijn, en gingen naar buiten om de ontvangen bevelen uit te voeren.
De beide heeren bleven dus alleen en zaten een oogenblik zwijgend tegenover elkander.
»Welnu, wat is het?” begon don Sylva, de vraag herhalende die hij reeds even te voren gedaan had, »hebt gij iets bijzonders ontdekt of vernomen?”
»Al wat er met mogelijkheid te ontdekken of te vernemen is, don Sylva,” antwoordde de Tigrero min of meer onstuimig; »zoo het anders ware, zou ik een armzalige jager zijn en de wilde dieren, tijgers en jaguars mij reeds lang verslonden hebben.”
»Zijn de inlichtingen die gij hebt opgedaan gunstig te noemen?”
»Dat is naar dat gij ze nemen wilt; de Franschen zijn hier geweest en hebben er een paar weken gekampeerd; gedurende hun verblijf in de ruïnen zijn zij door de Apachen hevig aangevallen, doch het is hun gelukt hen af te slaan. Intusschen schijnt het, ofschoon ik het niet zou kunnen bevestigen, dat de soldaten om een of andere reden aan ’t muiten geslagen zijn, ten gevolge waarvan die arme duivel, dien wij tot aas voor de gieren aan den boom zagen hangen, misschien als de belhamel, misschien ook, zooals het wel eens meer gegaan is, als het ongelukkige slachtoffer voor allen het gelag heeft moeten betalen.”
»Ik zeg u dank voor uwe toelichting, die ons buitendien bewijst dat wij ons niet vergist hebben maar het rechte spoor zijn gevolgd; kunt gij mij nu deze toelichting nog aanvullen, in zoover dat gij mij weet te zeggen of de Franschen de ruïnen sinds lang verlaten hebben en in welke richting zij vertrokken zijn?”
»Deze vragen zijn gemakkelijk op te lossen; de vrijkompagnie heeft gisteren morgen even na zonsopgang haar kamp opgebroken om de woestijn in te trekken.”
»De woestijn?” herhaalde de haciendero, terwijl hij moedeloos de armen bij het lijf liet hangen.
Er volgde eenige minuten stilte, gedurende welke de beide mannen over het gesprokene nadachten. Eindelijk nam don Sylva het woord weder op.
»Dat is niet mogelijk,” riep hij.[210]
»En toch is het zoo.”
»Maar dat is eene onvoorzichtigheid zoo groot als er een zijn kan, ja het is dollemanswerk!”
»Dat zal ik niet tegenspreken.”
»O! die ongelukkigen!”
»Het is zoo met hen gelegen, dat er een wonder zal moeten gebeuren als zij er goed afkomen.”
»Dat ben ik volkomen met u eens; maar wat nu gedaan?”
»De zaak ligt er toe, en met al ons gejammer is er niets aan te veranderen; ik geloof dus, don Sylva, dat wij de wijste partij zullen kiezen door er niet meer aan te denken; zij moeten zelf maar zien hoe zij er goed afkomen.”
»Is dat uwe gedachte?”
»Volkomen,” antwoordde de Tigrero luchthartig.
»Uw plan is dus?”
»Mijn plan is,” antwoordde hij met drift, »om twee of drie dagen hier te vertoeven en te zien wat er misschien gebeuren kan; hebben wij na verloop van drie dagen niets nieuws gezien of gehoord, dan stijgen wij te paard en keeren langs denzelfden weg dien wij gekomen zijn naar Guetzalli terug, zonder zelfs de moeite te nemen van om te zien, want hoe eer wij deze verschrikkelijke streek uit zijn, hoe beter.”
De haciendero schudde van neen, als iemand die op eens zijn vaste besluit had genomen.
»Dan zult gij alleen vertrekken, don Martial,” zeide hij droog.
»Wat zegt gij!” riep de andere hem strak aanziende.
»Ik zeg u, dat ik denzelfden weg niet terugga dien ik gekomen ben; ik doe geen stap achteruit, in één woord ik vlucht niet.”
Don Martial was door dit antwoord als verbluft.
»Wat denkt gij dan te doen?”
»Kunt gij dat niet begrijpen? Om welke reden zijn wij hier gekomen; en met welk doel hebben wij tot hiertoe gereisd?”
»Maar, don Sylva, bedenk toch, de zaken zijn nu geheel veranderd. Gij zult hoop ik redelijk genoeg zijn te erkennen dat ik u zonder tegenspreken gehoorzaamd heb en gedurende deze reis een trouwe gids voor u geweest ben.”
»Dat erken ik inderdaad; maar zeg mij dan hoe gij er over denkt.”
»Hoe ik er over denk, don Sylva; dat zult gij hooren. Zoolang wij in de prairie waren, in dagelijksch gevaar van door de wilde beesten verscheurd te worden, heb ik gedwee voor u gebogen en mij geenszins tegen uwe plannen verzet, omdat ik stilzwijgend bekennen moest dat gij plichtmatig handeldet; zelfs nu nog, zou ik mij, als wij alleen waren, zonder morren aan uw vaste besluit onderwerpen. Maar bedenk doch, bid ik u, dat gij uwe dochter bij u hebt en dat zij duizend angsten zal moeten uitstaan, zoo gij haar verplicht om u te volgen in een woestijn die u beiden zal verslinden.”[211]
Don Sylva antwoordde niet.
De Tigrero vervolgde:
»Onze troep is zwak; wij hebben slechts voor weinige dagen levensmiddelen bij ons, en gij weet, als wij eens in de del Norte zijn, is er geen water of wild meer te krijgen. Worden wij daarbij nog door een storm overvallen, dan zijn wij verloren, reddeloos verloren.”
»Al wat gij mij daar zegt is waar, dat weet ik, en toch kan ik uw raad niet volgen. Hoor mij op uwe beurt, don Martial: de graaf de Lhorailles is mijn vriend, weldra zal hij mijn schoonzoon zijn; ik zeg dat niet om u te krenken, maar om u te doen beseffen in welke verhouding ik tegenover hem sta. Om mijnentwil, om mij te verlossen uit de macht van hen die hij meent dat mij en mijne dochter hadden opgelicht, is hij zonder aarzelen of baatzuchtige berekening en alleen door zijn edele hart gedreven, de zandwoestijn ingetrokken; kan ik hem daar nu laten omkomen, zonder hem hulp toe te brengen? Is hij niet vreemdeling in Mexico, mijn gast en mijn vriend? neen, don Martial, het is mijn plicht hem te redden, en ik zal het beproeven, hoe het ook gaan mag.”
»Nu ik zie dat gij er zoo over denkt, don Sylva, zal ik niet langer een besluit zoeken te keeren dat bij u zoo onherroepelijk vaststaat. Ik zal u niet zeggen dat de man dien gij uwe dochter ter vrouwe wilt geven een gelukzoeker, een verloopen edelman is, die ter zake van wangedrag zijn land heeft moeten verlaten en die door het huwelijk dat hij met uwe dochter hoopt te sluiten niets anders bedoelt dan uw onmetelijk fortuin in zijn bezit te krijgen. Al deze dingen en nog veel meer bovendien zou ik u vergeefs trachten te bewijzen, gij zoudt mij toch niet gelooven, want gij zoudt in de feiten die ik u opnoemde niets anders willen zien dan nietswaardige pogingen van een mededinger; spreken wij er dus niet verder over. Wilt gij de zandwoestijn in, goed, ik zal u volgen; en wat er ook gebeurt zult gij mij aan uwe zijde vinden, gereed om u te beschermen en u te helpen. Maar nu het uur eindelijk daar is om tot ronde verklaringen te komen, wil ik niet langer dat er een wolk van ongenoegen tusschen ons blijve bestaan; gij moet den man kennen, met wien gij de wanhopige onderneming gaat wagen die gij u hebt voorgenomen, opdat gij in hem uw volle vertrouwen moogt stellen.”
De haciendero keek hem verwonderd aan.
Op dit oogenblik werd het gordijn voor het vertrekje daardoñaAnita zich bevond opgeheven, het meisje verscheen, trad langzaam de zaal door, knielde voor haar vader neder en wendde zich tot den Tigrero.
»Nu moogt gij vrij spreken, don Martial,” zeide zij; »misschien zal mijn vader mij vergeven, als hij ziet dat ik hem dus om vergeving vraag.”
»Vergeving?” riep de haciendero, terwijl hij beurtelings zijne dochter en den man aanstaarde, die met een beschaamd gelaat en gebogen[212]hoofd voor hem stond; »wat moet dat beteekenen? welk misdrijf hebt gij begaan?”
»Een misdrijf, daar ik alleen schuld aan heb, don Sylva, en daar ik alleen de straf voor ondergaan moet; ik heb u schandelijk bedrogen, ik ben de man die uwe dochter uit de kolonie heeft weggevoerd.”
»Gij!” riep de haciendero met een blik van woede, »ben ik dus uw speelbal, uw bedrogene geweest?”
»De hartstocht redeneert niet; ik zal maar een woord ter mijner verdediging zeggen: ik bemin uwe dochter. Helaas, don Sylva, ik gevoel eerst nu hoe schuldig ik was; het nadenken, hoe laat ook, is eindelijk gekomen, en terwijldoñaAnita aan uwe voeten weent, verneder ik mij voor u en bid ik u om vergeving.”
»Vergeving, vader!” herhaalde het meisje zacht.
De haciendero gaf een wenk van onwil.
»O!” hervatte de Tigrero met drift, »wees grootmoedig, don Sylva; stoot ons niet terug! Ons berouw is waar en oprecht. Ik heb het vaste voornemen om het gedane kwaad te herstellen; ik ben dwaas geweest, de hartstocht had mij verblind, verguis mij niet.”
»Vader,” sniktedoñaAnita met tranen op de wangen en eene gesmoorde stem, »ik bemin hem! Evenwel, toen wij uit de kolonie vertrokken, hadden wij kunnen vluchten en u verlaten; dit hebben wij niet gewild, wij hebben er zelfs geen oogenblik aan gedacht, wij hebben ons geschaamd over onzen misstap. Nu zijn wij hier beiden gereed om u te gehoorzamen en zonder tegenspraak alles te doen wat gij ons gebieden zult; wees dus niet onverbiddelijk, vader, vergeef ons!”
De haciendero richtte zich op.
»Gij ziet het, ik kan niet langer aarzelen,” zeide hij streng; »ik moet den graaf de Lhorailles redden, tot iederen prijs; deed ik het niet, dan was ik uw medeplichtige.”
De Tigrero stapte met innige ontroering de zaal door in de vreeselijkste spanning, zijne wenkbrauwen waren samengetrokken, zijn gelaat doodsbleek.
»Ja,” riep hij eindelijk met eene geschokte stem, »ja, wij moeten hem redden; wat geef ik er om hoe het daarna met mij gaat? Geen lafhartige zwakheid! Ik heb een misslag begaan, ik moet en zal er de gevolgen van boeten.”
»Als gij mij oprecht en trouw in mijne nasporingen helpt, zal ik u vergeven;” zei don Sylva met eene ernstige stem; »mijn eer is in uw misslag betrokken, ik stel die in uwe handen.”
»Dank u, don Sylva, gij zult er geen berouw van hebben dat gij u op mij verlaat,” antwoordde de Tigrero edelmoedig.
De haciendero hief zijne dochter minzaam op, sloot haar in zijne armen en kuste haar bij herhaling.
»Mijn arm kind!” zeide hij, »ik vergeef u. Helaas! wie weet of[213]ik niet binnen weinige dagen op mijne beurt uwe vergeving zal moeten inroepen voor al het leed dat ik u heb aangebracht? Ga nu een weinig slapen, het is diep in den nacht, gij hebt rust noodig.”
»O hoe goed zijt gij, vader, en hoe lief heb ik u,” riep zij geroerd, »vrees niets, welk lot mij in de toekomst ook verbeidt, ik zal het dragen zonder morren, nu ben ik gelukkig, nu gij mij vergeven hebt.”
Don Martial volgde het meisje met de oogen terwijl zij zich verwijderde.
»Wanneer denkt gij op marsch te gaan, don Sylva,” vroeg hij met een gesmoorden zucht.
»Morgen, zoo dat mogelijk is.”
»Goed, morgen dan op Gods genade.”
Na nog een poosje gesproken te hebben om de noodige zaken te regelen, wikkelde don Sylva zich in zijne dekens en sliep weldra in. Wat den Tigrero betreft, deze ging het huis uit, om te zien of de peons wel goed voor de algemeene veiligheid waakten.
»O, als die verwenschte Cuchares mijne orders maar niet heeft uitgevoerd!” mompelde hij.