XXII.

[Inhoud]XXII.EEN MENSCHENJACHT.Den volgenden dag met het eerste morgenkrieken trok de kleine karavaan uit deCasa GrandevanMontecuzoma; twee uren later waren zij reeds in de woestijn del Norte.Bij het gezicht der woestijn kromp het hart vandoñaAnita samen van angst, het was alsof een heimelijk voorgevoel haar voorspelde dat de tocht voor haar noodlottig zou zijn. Zij keerde zich om en wierp een treurigen terugblik op de donkere wouden, die achter haar groenden aan den horizont, en slaakte een onwillekeurigen zucht.De luchtsgesteldheid was heet, de hemel van het zuiverste blauw, geen tochtje verkoelde den dampkring; op het mulle zand zag men nog de diepe sporen der paarden waar de vrijkompagnie van den graaf de Lhorailles er doorgetrokken was.»Wij zijn op den goeden weg,” merkte de haciendero aan, »hunne sporen zijn duidelijk zichtbaar.”»Ja,” mompelde de Tigrero, »en dat zullen ze blijven zoo lang tot er een stormwind losbreekt.”»O! dan moge God ons helpen!” riepdoñaAnita.»Amen!” riepen al de reizigers een kruis makende in antwoord op de heimelijke stem in hun binnenste, die hun niets dan ongeluk voorspelde.[214]Er verliepen eenige uren.Het weêr bleef verrukkelijk schoon; van tijd tot tijd, hoog in de lucht, zagen de reizigers tallooze zwermen vogels voorbijvliegen, die naar het warme land trokken—of deterres calienteszoo als men hier zegt, en zich haastten om de woestijn over te komen.Maar overal elders zag men niets dan grauw en dof zand, of sombere rotsen, grillig op een gestapeld als naamlooze ruïnen van eene onbekende voormenschelijke wereld, zoo als men die vaak in hoogere bergstreken aantreft.Tegen het vallen van den avond kampeerde de karavaan onder beschutting van een groot granietblok, en een sober vuur werd ontstoken, dat nauwelijks voldoende was om de reizigers tegen de koude te beschutten die des nachts in deze streken heerscht.Don Martial galoppeerde gedurig aan de zijden van den troep, nu links dan rechts, dan voor dan achter en waakte met broederlijke zorg voor alle veiligheid; noch door de verzoeken van don Sylva noch door de gebeden vandoñaAnita was hij te bewegen om eenige rust te nemen.»Neen,” riep hij telkens, »van mijne waakzaamheid hangt uw behoud af. Laat mij handelen naar eigen goedvinden, ik zou het mij zelven nooit vergeven, als ik u had laten overrompelen.”Intusschen waren de sporen, door de vrijkompagnie achtergelaten, van tijd tot tijd minder zichtbaar geworden en eindelijk geheel verdwenen.Op zekeren avond, terwijl de reizigers hun kamp onder een vervaarlijk overhangende rots hadden opgeslagen, die boven hun hoofd een soort van beschermend dak vormde, wees de haciendero don Martial in de verte op een witten damp, die zich vrij sterk tegen het donkere blauw des hemels afteekende.»Het luchtazuur begint te verschieten,” zeide hij, »wij krijgen waarschijnlijk spoedig verandering van weer. Geve God dat hetgeen orkaan zij die ons bedreigt.”De Tigrero schudde het hoofd.»Neen,” zeide hij, »gij vergist u, uwe oogen zijn minder gewoon dan de mijne om den hemel te raadplegen; dat is daar ginds geen wolk.”»Wat is het dan?”»Rook van bisonsmest, door reizigers aangestoken; wij zijn dus niet zonder buren.”»O!” riep de haciendero, »zouden wij onze vrienden dan weder op het spoor zijn, die wij reeds uit het oog hadden verloren?”Don Martial bewaarde de stilte; hij bespiedde nauwkeurig de wolk, die als flauwe damp weldra in het blauw des hemels wegsmolt. Eindelijk antwoordde hij:»Die rook voorspelt weinig goeds. Onze vrienden, zoo als gij ze noemt, zijn Franschen, met andere woorden geheel onbekend met de gewoonten der woestijn; als zij zoo dicht bij ons waren, zouden wij hen even gemakkelijk zien als deze rots hier; zij zouden dan[215]niet één klein vuur hebben ontstoken, maar tien ja twintig groote vuren, wier vlammen en rook ons onmiddellijk hunne tegenwoordigheid hadden bewezen. Zij zijn zoo keurig niet op hunne brandstof, zij nemen hout, nat of droog is hun onverschillig, daar zij niet weten van hoeveel belang het is in de woestijn zijne tegenwoordigheid voor den vijand te verbergen.”»Wat maakt gij daaruit op?”»Daaruit maak ik op, dat de rook dien wij thans zien, afkomstig is van een vuur door Roodhuiden of ten minste door ervaren woudloopers gestookt die met de gebruiken der Indianen zeer goed bekend zijn. Dat blijkt aan alles; daar zijt gij zelf, ofschoon min of meer met de wildernis bekend, hebt gij het voor een wolk aangezien; ieder oppervlakkig beschouwer zou met u dezelfde fout begaan hebben, zoo fijn, zachtgolvend en doorzichtig als deze rook is en zoo weinig als hij verschilt van de gewone dampen die de zon onophoudelijk uit de aarde optrekt. De lieden die dit vuur ontstoken hebben, wie het ook zijn mogen, hebben niets bij geval gedaan maar alles berekend en alles voorzien, en ik zou mij zeer bedriegen als het geen vijanden zijn.”»Hoe ver zijn zij van ons af, denkt gij?”»Vier mijlen op zijn verst; maar wat zegt vier mijlen in de woestijn, waar men zoo gemakkelijk in eene rechte lijn overal heen kan.”»Dus zoudt gij denken”.… riep de haciendero.»Overweeg mijne woorden wel, don Sylva, en vooral bid ik u, geef er geen andere beteekenis aan dan die ik er mede bedoel. ’t Is eene ongehoorde bijzonderheid in de jaarboeken van del Norte, dat wij de woestijn bijna drie weken lang hebben doorkruist zonder door iets gestoord te worden; terwijl wij nu reeds sedert acht dagen op goed geluk rondzwerven om een spoor te zoeken dat wij onmogelijk schijnen te kunnen wedervinden.”»’t Is waar.”»Ik ben dus met mijne redeneering tot eene slotsom gekomen die ik meen dat ontegenzeggelijk is en zonder twijfel door u zal worden beaamd. Gij zult mij toestemmen dat de Franschen niet bij verkiezing de woestijn zijn ingetrokken, en er alleen toe overgegaan zijn om de Apachen te vervolgen, niet waar?”»Ja.”»Goed. Zij zullen haar dus in een rechte lijn doortrekken. Den tijd dien wij hadden, hadden zij ook; hun doel, hun belang noopte hen om geen tijd te verliezen, maar bij hun marsch de hoogst mogelijke snelheid in acht te nemen. Eene vervolging, dat weet gij zoo goed als ik, is als een wedren, een rid om het hardst, waarbij ieder de eerste tracht te zijn.…”»Gij veronderstelt dus.…,” viel don Sylva hem in de rede.»Ik veronderstel niet, ik ben ten volle overtuigd dat de Franschen zich reeds sedert lang niet meer in de woestijn bevinden, maar thans[216]de vlakte van Apacheria doorkruisen; het vuur dat wij straks gezien hebben is er een afdoend bewijs van.”»Hoedat?”»Ik zal het u duidelijk maken: de Apachen hebben er het grootste belang bij om de Franschen van hunne jachtgronden te verwijderen. Geen raad wetende nu zij hen reeds daar zien, zijn zij zelven de woestijn weder ingetrokken en hebben waarschijnlijk daar dat vuur ontstoken, ten einde hen te misleiden en te verplichten er weder terug te komen.”De haciendero stond een poos in gedachten. De redenen hem door don Martial gegeven kwamen hem zoo gegrond voor, dat hij niet wist waartoe te besluiten.»Ter zake!” riep hij eenige oogenblikken later, »wat oordeelt gij zelf van dat alles?”»Dat wij dwaas zouden doen,” antwoordde don Martial beslissend, »nog langer onzen tijd te verspillen, met hier te zoeken naar lieden die er niet meer te vinden zijn, en daarbij gevaar te loopen door eentemporaleovervallen te worden, een dier verschrikkelijke orkanen die in deze streek ieder oogenblik kunnen opkomen en alles wat er zich bevindt onder het zand begraven.”»Dus wilt gij op uwe stappen terugkeeren?”»Integendeel; ik wil vooruit en de woestijn recht doortrekken, om zoo spoedig mogelijk naar Apacheria te komen, waar ik zeker ben, dat ik weldra het spoor onzer vrienden ontdekken zal.”»O! dat vind ik zeer goed; maar wij zijn immers hier nog al te ver van de prairie?”»Niet zoo ver als gij denkt; doch voor het oogenblik zullen wij ons gesprek hierbij laten; ik wil op verkenning uit, dat vuur daar is mij een doorn in ’t oog, het wekt al mijne nieuwsgierigheid, ik moet het van nabij gaan onderzoeken.”»Wees toch voorzichtig.”»Het is immers om uw en ons aller behoud te doen,” hernam de Tigrero met een treurigen blik opdoñaAnita.Hij stond op, zadelde zijn paard en na even te hebben rondgezien reed hij weg.»Moedige ziel!” preveldedoñaAnita terwijl zij hem in den avondnevel zag verdwijnen.De haciendero zuchtte en liet het hoofd vol gedachten op de borst zakken. Don Martial verwijderde zich snel in het bleeke maanlicht, dat de eenzame woestijn overgoot met haar sidderend en fantastisch schijnsel. Telkens ontmoette hij kale en steile rotsen, die op haar voetstuk schenen te waggelen, als sombere en sluimerende schildwachts wier reusachtige schaduw zich ver over de grauwe zandvlakte uitbreidde; of nu en dan een ontzaglijkenahuehuelt1, welks kale[217]takken met zoogenaamd spaansche baard waren beladen, zeker dik mos dat er in lange en gepruikte trossen bij neerhing en bij het minste geblaas van den wind zich beweegt.Na ongeveer een uur lang gereden te hebben, bracht de Tigrero zijn paard tot staan, steeg af en keek opmerkzaam rond.Weldra had hij gevonden wat hij zocht; niet ver van hem af was een vrij diepe, hetzij door den wind of door den regen uitgeholde ravijn, waar hij zijn paard in liet afdalen; hij maakte het met de lasso stevig aan een groot steenblok vast, bond het de neusgaten dicht, opdat het niet zou brieschen, nam zijn geweer op schouder en verwijderde zich.Van de plaats waar hij zich thans bevond was het vuur duidelijk zichtbaar en teekende de roode gloed zich scherp af in de duisternis.Rondom het vuur zag hij een aantal gestalten onbeweeglijk nedergehurkt, die hij bij den eersten oogopslag reeds voor Indianen herkende.De Tigrero had zich niet bedrogen, zijne ondervinding als jager was hem zeer goed te stade gekomen; het waren wel degelijk Roodhuiden die daar zoo dicht bij zijne karavaan in de woestijn gekampeerd lagen.Doch wie waren deze Roodhuiden, waren het vrienden of vijanden? Ziedaar eene vraag die hij volstrekt wilde opgelost zien.Het was geen gemakkelijke taak op zulk een effen en geheel open terrein hen ongemerkt te naderen, want de Indianen zijn als de wilde dieren, zij hebben het voorrecht van even scherp te zien, als te hooren en te ruiken: hunne glasachtige oogappels hebben het vermogen zich te verwijden als die van tijgers en, zoo kunnen zij hunne vijanden even goed zien in de dikste duisternis als in het meest verblindende zonlicht.Intusschen gaf don Martial zijn plan niet op.Niet ver van het kamp der Roodhuiden lag een groot blok graniet, aan welks voet drie of vier ahuehuelts waren opgeschoten, die door verloop van tijd hunne takken zoo dicht in elkander hadden gevlochten, dat zij op zekere hoogte aan den eenen kant van de rots een ondoordringbaar warbosch vormden.De Mexicaan ging plat op den grond liggen en schoof zich met behulp van knieën en ellebogen, duim voor duim en streep voor streep, zachtkens vooruit naar de rots, daarbij behendig gebruik makende van de schaduw die de rots zelve en de daarnevenstaande boomen op een gedeelte van het terrein wierpen.De Tigrero besteedde bijna een half uur om de weinig meer dan veertig ellen gronds die hem van de rots scheidden, af te leggen.Eindelijk had hij haar bereikt; en toen hield hij even stil om adem te scheppen en slaakte een zucht van voldoening.Het overige was niets meer; hij vreesde niet langer, gezien te[218]zullen worden, dank zij het dichte gordijn van takken dat hem voor het oog der Indianen verborg, maar daarentegen des te meer dat men hem mocht hooren.Na eenige oogenblikken uitgerust te hebben begon hij opnieuw te kruipen, en zich van lieverlede langs de steilte der rotshelling naar boven te werken: eindelijk bevond hij zich op gelijke hoogte met het warbosch, waar hij dadelijk inkroop en verdween, zonder dat iemand zijne aanwezigheid aan die plaats kon vermoeden.Uit dit schuilhoekje, dat hij zoo gelukkig ontdekt en bereikt had, overzag hij niet alleen het gansche kamp der Roodhuiden, maar kon hij duidelijk hooren wat zij onderling spraken.Het zal niet noodig zijn hier aan te merken, dat don Martial de verschillende taaleigens der talrijke, in de uitgestrekte wildernissen verspreide Indianen-stammen even goed verstond als sprak.De hier aanwezige Roodhuiden herkende hij onmiddellijk als Apachen.Dus waren al zijne vermoedens verwezenlijkt.Rondom een vuur van bisonsmest, dat hoog opvlamde zonder eenigen althans noemenswaardigen rook te verspreiden, zaten een aantal Indianenhoofden deftig nedergehurkt, in allen ernst hunne calumet te rooken en zich tevens te warmen, want de nacht was fijn koud.Onder hen herkende don Martial den Zwarte-Beer.De sachem zag er somber en norsch uit, hij scheen aan eene kwalijk verkropte gramschap ten prooi; nu en dan hief hij onrustig het hoofd op en richtte zijn blik beurtelings naar den helderen sterrenhemel en de hem omringende ruimte, als wilde hij de duisternis doorboren. Een dof en aansnellend gedruisch liet zich hooren, en weldra verscheen er een Indiaan te paard in het verlichte gedeelte van het kamp.Na te zijn afgestegen, naderde de nieuw aankomende het vuur, hurkte neder bij zijne kameraden, stak zijn calumet aan en begon te rooken, met een strak en ongevoelig gezicht, ofschoon men aan het stof waarmede hij bedekt was en aan de snelheid zijner ademhaling, wel bemerken kon dat hij een verren en moeielijken tocht gemaakt had.Bij zijne komst had de Zwarte-Beer hem tamelijk lang en bespiedend aangestaard, maar was toen weder gaan rooken zonder hem een woord toe te voegen, daar de Indiaansche etiquette verbiedt, dat de eene sachem den anderen ondervraagt, eer deze de asch uit zijn uitgerookte pijp in den haard heeft geschud.In het ongeduld van den Zwarte-Beer werd blijkbaar door de overige Indianen gedeeld. Intusschen bewaarden allen een deftig stilzwijgen. Eindelijk trok de nieuwgekomene een laatste teug rook uit zijne pijp, dien hij door mond en neusgaten weder uitblies, schudde haar leeg en stak haar bedaard in zijn gordel.De Zwarte-Beer richtte thans het woord tot hem.»De Kleine-Panter komt wel laat terug,” zeide hij.[219]Dit was geen rechtstreeksche vraag; de Indiaan bepaalde zich dus hij eene buiging maar antwoordde niet.»De gieren trekken met groote troepen over de woestijn,” hervatte de sachem een poos later, »de coyotes scherpen hunne spitse klauwen, de Apachen rieken een geur van bloed, die het hart in hunne borst van vreugde doet opspringen; heeft mijn zoon ook iets gezien?”»De Kleine-Panter is een vermaard krijgsman in zijn stam,” antwoordde de Indiaan, »als de eerste bladeren komen zal hij ook een opperhoofd zijn; hij heeft de zending volbracht die zijn vader hem opdroeg.”»Ooah!wat doen de Lang-Messen?”»De Lang-Messen zijn honden, die huilen zonder te kunnen bijten, een Apachen krijgsman heeft hen verschrikt.”De sachems glimlachten hoogmoedig bij deze zotte grootspraak, die zij eenvoudig in goeden ernst opnamen.»De Kleine-Panter heeft hun kamp gezien,” hervatte de Indiaan, »hij heeft hen geteld, zij zuchten als vrouwen en huilen als kleine kinderen zonder moed of kracht; twee van hen zullen dezen nacht geen plaats meer nemen aan het raadvuur hunner broederen.”En met zekeren, niet van krijgsadel ontblooten zwier sloeg de Indiaan de katoenen kiel op, die hem van den hals tot aan de knieën reikte, en liet hem een paar versche haarschedels zien die aan zijn gordel hingen.»Ooah!”juichten de opperhoofden met geestdrift, »de Kleine-Panter heeft dapper gestreden!”De Zwarte-Beer wenkte den Indiaan hem de twee bloedige trofeën te overhandigen.DeKleine-Pantermaakte ze los en reikte ze hem over.De Zwarte-Beer bekeek ze met alle aandacht. Al de andere hoofden wachtten met belangstelling op zijn oordeel.»Asch’het!” (Zeer goed) riep hij onmiddellijk, »mijn zoon heeft een Lang-Mes gedood en een Yori.”En hiermede gaf hij de bloedige trofeën aan den eigenaar terug, die ze weder aan zijn gordel hechtte.»Hebben de bleekmuilen het spoor der Apachen ontdekt?” vroeg hij.»Debleekmuilenzijn blinde mollen. Zij deugen nergens dan in hunne steenen dorpen.”»Wat heeft mijn zoon gedaan?”»De Panter heeft de bevelen die hij van zijn vader ontvangen had, stipt uitgevoerd; toen de krijgsman begreep dat de bleekgezichten hem niet wilden zien, is hij stout op hen ingetreden en heeft hen gesard, en toen hebben zij hem drie uren lang vervolgd tot in het hart der woestijn.”»Goed: mijn zoon heeft zich braaf gedragen. Wat heeft hij nog meer gedaan?”»Toen hij de Lang-Messen ver genoeg had gebracht, heeft hij hen[220]verlaten, na eerst twee van hen gedood te hebben tot een aandenken van zijne ontmoeting; daarop is hij naar het kamp zijner broederen teruggereden.”»Mijn zoon zal wel moede zijn; het uur der rust is voor hem gekomen.”»Nog niet,” antwoordde de Indiaan ernstig.»Ooah!dat mijn zoon zich verklare.”Zonder te weten waarom, maar bij dit woord voelde de Tigrero, die alles stipt had afgeluisterd, zijn hart beven van angst.De Indiaan vervolgde:»Er zijn niet alleen Lang-Messen in de woestijn, de Kleine-Panter heeft een tweede spoor ontdekt.”»Een tweede spoor?”»Ja. Dat spoor is weinig zichtbaar: het telt maar zeven paarden en drie muildieren in ’t geheel; ik heb den stap van een dezer paarden herkend.”»Ooah!ik verwacht dat mijn zoon mij alles zal mededeelen.”»Zes gewapende Yoris te paard, met eene vrouw bij zich, zijn de woestijn binnen getrokken.”Het oog van den Zwarte-Beer fonkelde.»Eene bleeke vrouw?” vroeg hij.De Indiaan knikte toestemmend.De sachem dacht een oogenblik na, maar spoedig hernam zijn gelaat het masker van onverschilligheid dat hem eigen was.»De Zwarte-Beer heeft zich niet vergist,” zeide hij, »hij rook den geur des bloeds, ik beloof mijne zonen eene goede jacht. Morgen met deendit-ha2zullen de krijgslieden te paard stijgen. De hut van den sachem is eenzaam; dat zij onze eerste zorg. Laten wij dus de Lang-Messen aan hun lot over,” vervolgde hij de oogen naar den hemel richtende. »Nyang, de geest des kwaads, zal zich wel met de taak belasten hen onder het zand te begraven, de Meester des levens roept den storm reeds; ons werk is afgedaan, volgen wij liever de Yoris en keeren wij dan naar onze jachtvelden terug; de orkaan zal weldra over de woestijn losbreken en haar omkeeren. Mijne zonen kunnen zich aan den slaap overgeven, een opperhoofd zal over hen waken; ik heb gesproken.”De krijgslieden bogen stilzwijgend, stonden de een na den ander op en vlijden zich eenige stappen verder op den zandbodem neêr.Na verloop van een paar minuten waren allen in diepen slaap.Alleen de Zwarte-Beer waakte. Met het hoofd in de beide handpalmen, en de ellebogen op de knieën, zat hij strak in den met sterren bezaaiden hemel te staren. Somwijlen werd zijn oog minder streng, scheen zijn gelaat te verteederen en trilde er een vluchtige glimlach op zijne lippen.Welke gedachten hielden hem bezig? waarover peinsde de sachem?[221]Don Martial had alles beluisterd en geraden, en een heimelijke schrik deed hem huiveren van afgrijzen.Hij bleef nog bijna een half uur onbeweeglijk in zijn schuilhoek, uit vrees van ontdekt te worden; daarna begon hij de rots af te klimmen gelijk hij haar was opgeklauterd, maar met nog grooter zorgvuldigheid: want in deze oogenblikken, nu eene roerlooze stilte de natuur beheerschte, zou het minste geritsel zijne tegenwoordigheid voor het scherpe gehoor van den Indiaan hebben verraden.Na alles wat hij zoo ongedacht had afgeluisterd vreesde hij meer dan ooit om ontdekt te worden.Eindelijk gelukte het hem veilig de plek te bereiken waar hij zijn paard had achtergelaten.Onmiddellijk steeg hij in den zadel, maar liet een geruimen tijd den teugel achteloos op den hals van zijn trouwe dier rusten en terwijl hij stapvoets voortreed, riep hij zich nog eens al het gehoorde voor den geest, en begon hij op middelen te peinzen om het vreeselijk gevaar af te wenden, dat hem en zijne tochtgenooten bedreigde.Zijne verlegenheid kende geene grenzen, hij zag geen kans om het raadsel op te lossen en wist niet waartoe te besluiten. Hij kende don Sylva de Torres te goed om te veronderstellen dat deze ooit om redenen van persoonlijk behoud zijn plan op zou geven en zijne vrienden in den steek laten, zonder het uiterste te beproeven om hen te helpen. Maar moest of mocht hij dandoñaAnita opofferen aan deze overdreven nauwgezetheid, aan dit kwalijk begrepen punt van eer, ten gevalle van een man die in geenerlei opzicht zooveel belang verdiende als de haciendero in hem stelde?Nog altijd was er kans om met inspanning van kracht en beleid de Apachen te ontwijken en aan hunnen overmoed te ontsnappen;—maar hoe zou men ontsnappen aan den temporal, dien gevreesden storm! die wellicht reeds binnen weinige uren over de woestijn zou losbreken, alle plaatselijke kenmerken zou doen verdwijnen, alle sporen uitwisschen en zoodoende iedere vlucht onmogelijk maken?Doch hoe het ook gaan mocht, boven alles, het meisje moest hij redden tot iederen prijs! Deze gedachte kwam bij den Tigrero telkens met nieuwe kracht weder boven en brandde hem als gloeiend staal op het hart. Het klamme zweet parelde op zijn voorhoofd en hij verzonk als het ware in stomme razernij tegenover de stoffelijke onmogelijkheid, die hier zoo onverbiddelijk voor hem oprees.Hoe zou hij haar redden? Dit was nu de alles beheerschende vraag, en op deze vraag wist hij geen antwoord.Zoo reed hij een geruimen tijd stapvoets voort met het hoofd op de borst gebogen, en pijnigde zijn geest af om een middel te vinden en zich uit dien moeielijken toestand te redden, die hem meer en meer beknelde. Eindelijk ging er in zijne gedachten een licht op; hij hief het hoofd fier omhoog en met een uitdagenden blik naar[222]den kant zijner vijanden, die zich reeds zeker waanden hem en zijne reisgenooten te zullen meester worden, gaf hij zijn paard de sporen en zette door in vliegenden galop.Toen hij de plaats bereikte waar de karavaan gekampeerd lag, vond hij, behalve den peon die op wacht stond, alles in diepen slaap.Het was reeds laat geworden, ongeveer een uur na middernacht, de hoogstaande maan verspreidde een schitterend licht over de zandvlakte, zoodat men alles bijna even goed zien kon als op den vollen middag. De Apachen zouden volgens hun plan niet opbreken voor dat de zon opging; hij had dus nog vier volle uren te zijner beschikking om vrij te handelen, en hij besloot om zich die ten nutte te maken. Vier uren welbesteed, zijn onberekenbaar veel bij eene vlucht.De Tigrero begon met zijn paard zorgvuldig af te rossen, om het de zoo noodige lenigheid weêr te geven, want hij zou dien dag van zijne vlugheid en kracht het uiterste moeten vergen. Daarna, geholpen door de peons, laadde hij de muildieren op en zadelde de paarden.Alles gereed zijnde, bedacht hij zich een oogenblik en nu maakte hij haastig een aantal kleine zakken van schapenvellen met zand gevuld, om er de pooten der paarden in te steken. Deze list moest naar zijne berekening dienen om de Roodhuiden te misleiden, die het door hen verwachte spoor niet langer herkennende, aan vervalsching zouden denken en hen dus niet rechtstreeks zouden vervolgen.Tot overmaat van veiligheid, liet hij drie of vier lederen zakken met mezcal onder de rots achter, wel verzekerd dat de Apachen met hunnen bekenden lust naar sterken drank niet zouden nalaten zich te bedrinken.Toen dit alles gedaan was, wekte hij don Sylva en zijne dochter.»Te paard!” riep hij op een toon die geen tegenspraak gedoogde.»Wat is het?” vroeg de haciendero nog half slapende.»Wat het is?—als wij niet oogenblikkelijk vertrekken, zijn wij verloren.”»Wat? wat zegt gij, verloren?”»Te paard! te paard!” hervatte hij, »iedere minuut die wij hier verspillen brengt ons nader bij onzen dood! Later zal ik u alles ophelderen.”»Maar in ’s hemels naam! wat is er dan toch gebeurd?”»Gij zult het spoedig weten, kom meê, kom meê!”Zonder verder op zijne vragen acht te slaan, noopte hij den haciendero tegen wil en dank dadelijk te paard te stijgen;doñaAnita zat reeds in den zadel, de Tigrero wierp een laatsten blik rugwaarts en gaf toen het sein om te vertrekken.De kleine karavaan zette zich in beweging en stoof onmiddellijk voorwaarts, zoo snel de paarden en muildieren maar loopen konden.[223]1Water of bronboom.↑2Zonsopgang.↑

[Inhoud]XXII.EEN MENSCHENJACHT.Den volgenden dag met het eerste morgenkrieken trok de kleine karavaan uit deCasa GrandevanMontecuzoma; twee uren later waren zij reeds in de woestijn del Norte.Bij het gezicht der woestijn kromp het hart vandoñaAnita samen van angst, het was alsof een heimelijk voorgevoel haar voorspelde dat de tocht voor haar noodlottig zou zijn. Zij keerde zich om en wierp een treurigen terugblik op de donkere wouden, die achter haar groenden aan den horizont, en slaakte een onwillekeurigen zucht.De luchtsgesteldheid was heet, de hemel van het zuiverste blauw, geen tochtje verkoelde den dampkring; op het mulle zand zag men nog de diepe sporen der paarden waar de vrijkompagnie van den graaf de Lhorailles er doorgetrokken was.»Wij zijn op den goeden weg,” merkte de haciendero aan, »hunne sporen zijn duidelijk zichtbaar.”»Ja,” mompelde de Tigrero, »en dat zullen ze blijven zoo lang tot er een stormwind losbreekt.”»O! dan moge God ons helpen!” riepdoñaAnita.»Amen!” riepen al de reizigers een kruis makende in antwoord op de heimelijke stem in hun binnenste, die hun niets dan ongeluk voorspelde.[214]Er verliepen eenige uren.Het weêr bleef verrukkelijk schoon; van tijd tot tijd, hoog in de lucht, zagen de reizigers tallooze zwermen vogels voorbijvliegen, die naar het warme land trokken—of deterres calienteszoo als men hier zegt, en zich haastten om de woestijn over te komen.Maar overal elders zag men niets dan grauw en dof zand, of sombere rotsen, grillig op een gestapeld als naamlooze ruïnen van eene onbekende voormenschelijke wereld, zoo als men die vaak in hoogere bergstreken aantreft.Tegen het vallen van den avond kampeerde de karavaan onder beschutting van een groot granietblok, en een sober vuur werd ontstoken, dat nauwelijks voldoende was om de reizigers tegen de koude te beschutten die des nachts in deze streken heerscht.Don Martial galoppeerde gedurig aan de zijden van den troep, nu links dan rechts, dan voor dan achter en waakte met broederlijke zorg voor alle veiligheid; noch door de verzoeken van don Sylva noch door de gebeden vandoñaAnita was hij te bewegen om eenige rust te nemen.»Neen,” riep hij telkens, »van mijne waakzaamheid hangt uw behoud af. Laat mij handelen naar eigen goedvinden, ik zou het mij zelven nooit vergeven, als ik u had laten overrompelen.”Intusschen waren de sporen, door de vrijkompagnie achtergelaten, van tijd tot tijd minder zichtbaar geworden en eindelijk geheel verdwenen.Op zekeren avond, terwijl de reizigers hun kamp onder een vervaarlijk overhangende rots hadden opgeslagen, die boven hun hoofd een soort van beschermend dak vormde, wees de haciendero don Martial in de verte op een witten damp, die zich vrij sterk tegen het donkere blauw des hemels afteekende.»Het luchtazuur begint te verschieten,” zeide hij, »wij krijgen waarschijnlijk spoedig verandering van weer. Geve God dat hetgeen orkaan zij die ons bedreigt.”De Tigrero schudde het hoofd.»Neen,” zeide hij, »gij vergist u, uwe oogen zijn minder gewoon dan de mijne om den hemel te raadplegen; dat is daar ginds geen wolk.”»Wat is het dan?”»Rook van bisonsmest, door reizigers aangestoken; wij zijn dus niet zonder buren.”»O!” riep de haciendero, »zouden wij onze vrienden dan weder op het spoor zijn, die wij reeds uit het oog hadden verloren?”Don Martial bewaarde de stilte; hij bespiedde nauwkeurig de wolk, die als flauwe damp weldra in het blauw des hemels wegsmolt. Eindelijk antwoordde hij:»Die rook voorspelt weinig goeds. Onze vrienden, zoo als gij ze noemt, zijn Franschen, met andere woorden geheel onbekend met de gewoonten der woestijn; als zij zoo dicht bij ons waren, zouden wij hen even gemakkelijk zien als deze rots hier; zij zouden dan[215]niet één klein vuur hebben ontstoken, maar tien ja twintig groote vuren, wier vlammen en rook ons onmiddellijk hunne tegenwoordigheid hadden bewezen. Zij zijn zoo keurig niet op hunne brandstof, zij nemen hout, nat of droog is hun onverschillig, daar zij niet weten van hoeveel belang het is in de woestijn zijne tegenwoordigheid voor den vijand te verbergen.”»Wat maakt gij daaruit op?”»Daaruit maak ik op, dat de rook dien wij thans zien, afkomstig is van een vuur door Roodhuiden of ten minste door ervaren woudloopers gestookt die met de gebruiken der Indianen zeer goed bekend zijn. Dat blijkt aan alles; daar zijt gij zelf, ofschoon min of meer met de wildernis bekend, hebt gij het voor een wolk aangezien; ieder oppervlakkig beschouwer zou met u dezelfde fout begaan hebben, zoo fijn, zachtgolvend en doorzichtig als deze rook is en zoo weinig als hij verschilt van de gewone dampen die de zon onophoudelijk uit de aarde optrekt. De lieden die dit vuur ontstoken hebben, wie het ook zijn mogen, hebben niets bij geval gedaan maar alles berekend en alles voorzien, en ik zou mij zeer bedriegen als het geen vijanden zijn.”»Hoe ver zijn zij van ons af, denkt gij?”»Vier mijlen op zijn verst; maar wat zegt vier mijlen in de woestijn, waar men zoo gemakkelijk in eene rechte lijn overal heen kan.”»Dus zoudt gij denken”.… riep de haciendero.»Overweeg mijne woorden wel, don Sylva, en vooral bid ik u, geef er geen andere beteekenis aan dan die ik er mede bedoel. ’t Is eene ongehoorde bijzonderheid in de jaarboeken van del Norte, dat wij de woestijn bijna drie weken lang hebben doorkruist zonder door iets gestoord te worden; terwijl wij nu reeds sedert acht dagen op goed geluk rondzwerven om een spoor te zoeken dat wij onmogelijk schijnen te kunnen wedervinden.”»’t Is waar.”»Ik ben dus met mijne redeneering tot eene slotsom gekomen die ik meen dat ontegenzeggelijk is en zonder twijfel door u zal worden beaamd. Gij zult mij toestemmen dat de Franschen niet bij verkiezing de woestijn zijn ingetrokken, en er alleen toe overgegaan zijn om de Apachen te vervolgen, niet waar?”»Ja.”»Goed. Zij zullen haar dus in een rechte lijn doortrekken. Den tijd dien wij hadden, hadden zij ook; hun doel, hun belang noopte hen om geen tijd te verliezen, maar bij hun marsch de hoogst mogelijke snelheid in acht te nemen. Eene vervolging, dat weet gij zoo goed als ik, is als een wedren, een rid om het hardst, waarbij ieder de eerste tracht te zijn.…”»Gij veronderstelt dus.…,” viel don Sylva hem in de rede.»Ik veronderstel niet, ik ben ten volle overtuigd dat de Franschen zich reeds sedert lang niet meer in de woestijn bevinden, maar thans[216]de vlakte van Apacheria doorkruisen; het vuur dat wij straks gezien hebben is er een afdoend bewijs van.”»Hoedat?”»Ik zal het u duidelijk maken: de Apachen hebben er het grootste belang bij om de Franschen van hunne jachtgronden te verwijderen. Geen raad wetende nu zij hen reeds daar zien, zijn zij zelven de woestijn weder ingetrokken en hebben waarschijnlijk daar dat vuur ontstoken, ten einde hen te misleiden en te verplichten er weder terug te komen.”De haciendero stond een poos in gedachten. De redenen hem door don Martial gegeven kwamen hem zoo gegrond voor, dat hij niet wist waartoe te besluiten.»Ter zake!” riep hij eenige oogenblikken later, »wat oordeelt gij zelf van dat alles?”»Dat wij dwaas zouden doen,” antwoordde don Martial beslissend, »nog langer onzen tijd te verspillen, met hier te zoeken naar lieden die er niet meer te vinden zijn, en daarbij gevaar te loopen door eentemporaleovervallen te worden, een dier verschrikkelijke orkanen die in deze streek ieder oogenblik kunnen opkomen en alles wat er zich bevindt onder het zand begraven.”»Dus wilt gij op uwe stappen terugkeeren?”»Integendeel; ik wil vooruit en de woestijn recht doortrekken, om zoo spoedig mogelijk naar Apacheria te komen, waar ik zeker ben, dat ik weldra het spoor onzer vrienden ontdekken zal.”»O! dat vind ik zeer goed; maar wij zijn immers hier nog al te ver van de prairie?”»Niet zoo ver als gij denkt; doch voor het oogenblik zullen wij ons gesprek hierbij laten; ik wil op verkenning uit, dat vuur daar is mij een doorn in ’t oog, het wekt al mijne nieuwsgierigheid, ik moet het van nabij gaan onderzoeken.”»Wees toch voorzichtig.”»Het is immers om uw en ons aller behoud te doen,” hernam de Tigrero met een treurigen blik opdoñaAnita.Hij stond op, zadelde zijn paard en na even te hebben rondgezien reed hij weg.»Moedige ziel!” preveldedoñaAnita terwijl zij hem in den avondnevel zag verdwijnen.De haciendero zuchtte en liet het hoofd vol gedachten op de borst zakken. Don Martial verwijderde zich snel in het bleeke maanlicht, dat de eenzame woestijn overgoot met haar sidderend en fantastisch schijnsel. Telkens ontmoette hij kale en steile rotsen, die op haar voetstuk schenen te waggelen, als sombere en sluimerende schildwachts wier reusachtige schaduw zich ver over de grauwe zandvlakte uitbreidde; of nu en dan een ontzaglijkenahuehuelt1, welks kale[217]takken met zoogenaamd spaansche baard waren beladen, zeker dik mos dat er in lange en gepruikte trossen bij neerhing en bij het minste geblaas van den wind zich beweegt.Na ongeveer een uur lang gereden te hebben, bracht de Tigrero zijn paard tot staan, steeg af en keek opmerkzaam rond.Weldra had hij gevonden wat hij zocht; niet ver van hem af was een vrij diepe, hetzij door den wind of door den regen uitgeholde ravijn, waar hij zijn paard in liet afdalen; hij maakte het met de lasso stevig aan een groot steenblok vast, bond het de neusgaten dicht, opdat het niet zou brieschen, nam zijn geweer op schouder en verwijderde zich.Van de plaats waar hij zich thans bevond was het vuur duidelijk zichtbaar en teekende de roode gloed zich scherp af in de duisternis.Rondom het vuur zag hij een aantal gestalten onbeweeglijk nedergehurkt, die hij bij den eersten oogopslag reeds voor Indianen herkende.De Tigrero had zich niet bedrogen, zijne ondervinding als jager was hem zeer goed te stade gekomen; het waren wel degelijk Roodhuiden die daar zoo dicht bij zijne karavaan in de woestijn gekampeerd lagen.Doch wie waren deze Roodhuiden, waren het vrienden of vijanden? Ziedaar eene vraag die hij volstrekt wilde opgelost zien.Het was geen gemakkelijke taak op zulk een effen en geheel open terrein hen ongemerkt te naderen, want de Indianen zijn als de wilde dieren, zij hebben het voorrecht van even scherp te zien, als te hooren en te ruiken: hunne glasachtige oogappels hebben het vermogen zich te verwijden als die van tijgers en, zoo kunnen zij hunne vijanden even goed zien in de dikste duisternis als in het meest verblindende zonlicht.Intusschen gaf don Martial zijn plan niet op.Niet ver van het kamp der Roodhuiden lag een groot blok graniet, aan welks voet drie of vier ahuehuelts waren opgeschoten, die door verloop van tijd hunne takken zoo dicht in elkander hadden gevlochten, dat zij op zekere hoogte aan den eenen kant van de rots een ondoordringbaar warbosch vormden.De Mexicaan ging plat op den grond liggen en schoof zich met behulp van knieën en ellebogen, duim voor duim en streep voor streep, zachtkens vooruit naar de rots, daarbij behendig gebruik makende van de schaduw die de rots zelve en de daarnevenstaande boomen op een gedeelte van het terrein wierpen.De Tigrero besteedde bijna een half uur om de weinig meer dan veertig ellen gronds die hem van de rots scheidden, af te leggen.Eindelijk had hij haar bereikt; en toen hield hij even stil om adem te scheppen en slaakte een zucht van voldoening.Het overige was niets meer; hij vreesde niet langer, gezien te[218]zullen worden, dank zij het dichte gordijn van takken dat hem voor het oog der Indianen verborg, maar daarentegen des te meer dat men hem mocht hooren.Na eenige oogenblikken uitgerust te hebben begon hij opnieuw te kruipen, en zich van lieverlede langs de steilte der rotshelling naar boven te werken: eindelijk bevond hij zich op gelijke hoogte met het warbosch, waar hij dadelijk inkroop en verdween, zonder dat iemand zijne aanwezigheid aan die plaats kon vermoeden.Uit dit schuilhoekje, dat hij zoo gelukkig ontdekt en bereikt had, overzag hij niet alleen het gansche kamp der Roodhuiden, maar kon hij duidelijk hooren wat zij onderling spraken.Het zal niet noodig zijn hier aan te merken, dat don Martial de verschillende taaleigens der talrijke, in de uitgestrekte wildernissen verspreide Indianen-stammen even goed verstond als sprak.De hier aanwezige Roodhuiden herkende hij onmiddellijk als Apachen.Dus waren al zijne vermoedens verwezenlijkt.Rondom een vuur van bisonsmest, dat hoog opvlamde zonder eenigen althans noemenswaardigen rook te verspreiden, zaten een aantal Indianenhoofden deftig nedergehurkt, in allen ernst hunne calumet te rooken en zich tevens te warmen, want de nacht was fijn koud.Onder hen herkende don Martial den Zwarte-Beer.De sachem zag er somber en norsch uit, hij scheen aan eene kwalijk verkropte gramschap ten prooi; nu en dan hief hij onrustig het hoofd op en richtte zijn blik beurtelings naar den helderen sterrenhemel en de hem omringende ruimte, als wilde hij de duisternis doorboren. Een dof en aansnellend gedruisch liet zich hooren, en weldra verscheen er een Indiaan te paard in het verlichte gedeelte van het kamp.Na te zijn afgestegen, naderde de nieuw aankomende het vuur, hurkte neder bij zijne kameraden, stak zijn calumet aan en begon te rooken, met een strak en ongevoelig gezicht, ofschoon men aan het stof waarmede hij bedekt was en aan de snelheid zijner ademhaling, wel bemerken kon dat hij een verren en moeielijken tocht gemaakt had.Bij zijne komst had de Zwarte-Beer hem tamelijk lang en bespiedend aangestaard, maar was toen weder gaan rooken zonder hem een woord toe te voegen, daar de Indiaansche etiquette verbiedt, dat de eene sachem den anderen ondervraagt, eer deze de asch uit zijn uitgerookte pijp in den haard heeft geschud.In het ongeduld van den Zwarte-Beer werd blijkbaar door de overige Indianen gedeeld. Intusschen bewaarden allen een deftig stilzwijgen. Eindelijk trok de nieuwgekomene een laatste teug rook uit zijne pijp, dien hij door mond en neusgaten weder uitblies, schudde haar leeg en stak haar bedaard in zijn gordel.De Zwarte-Beer richtte thans het woord tot hem.»De Kleine-Panter komt wel laat terug,” zeide hij.[219]Dit was geen rechtstreeksche vraag; de Indiaan bepaalde zich dus hij eene buiging maar antwoordde niet.»De gieren trekken met groote troepen over de woestijn,” hervatte de sachem een poos later, »de coyotes scherpen hunne spitse klauwen, de Apachen rieken een geur van bloed, die het hart in hunne borst van vreugde doet opspringen; heeft mijn zoon ook iets gezien?”»De Kleine-Panter is een vermaard krijgsman in zijn stam,” antwoordde de Indiaan, »als de eerste bladeren komen zal hij ook een opperhoofd zijn; hij heeft de zending volbracht die zijn vader hem opdroeg.”»Ooah!wat doen de Lang-Messen?”»De Lang-Messen zijn honden, die huilen zonder te kunnen bijten, een Apachen krijgsman heeft hen verschrikt.”De sachems glimlachten hoogmoedig bij deze zotte grootspraak, die zij eenvoudig in goeden ernst opnamen.»De Kleine-Panter heeft hun kamp gezien,” hervatte de Indiaan, »hij heeft hen geteld, zij zuchten als vrouwen en huilen als kleine kinderen zonder moed of kracht; twee van hen zullen dezen nacht geen plaats meer nemen aan het raadvuur hunner broederen.”En met zekeren, niet van krijgsadel ontblooten zwier sloeg de Indiaan de katoenen kiel op, die hem van den hals tot aan de knieën reikte, en liet hem een paar versche haarschedels zien die aan zijn gordel hingen.»Ooah!”juichten de opperhoofden met geestdrift, »de Kleine-Panter heeft dapper gestreden!”De Zwarte-Beer wenkte den Indiaan hem de twee bloedige trofeën te overhandigen.DeKleine-Pantermaakte ze los en reikte ze hem over.De Zwarte-Beer bekeek ze met alle aandacht. Al de andere hoofden wachtten met belangstelling op zijn oordeel.»Asch’het!” (Zeer goed) riep hij onmiddellijk, »mijn zoon heeft een Lang-Mes gedood en een Yori.”En hiermede gaf hij de bloedige trofeën aan den eigenaar terug, die ze weder aan zijn gordel hechtte.»Hebben de bleekmuilen het spoor der Apachen ontdekt?” vroeg hij.»Debleekmuilenzijn blinde mollen. Zij deugen nergens dan in hunne steenen dorpen.”»Wat heeft mijn zoon gedaan?”»De Panter heeft de bevelen die hij van zijn vader ontvangen had, stipt uitgevoerd; toen de krijgsman begreep dat de bleekgezichten hem niet wilden zien, is hij stout op hen ingetreden en heeft hen gesard, en toen hebben zij hem drie uren lang vervolgd tot in het hart der woestijn.”»Goed: mijn zoon heeft zich braaf gedragen. Wat heeft hij nog meer gedaan?”»Toen hij de Lang-Messen ver genoeg had gebracht, heeft hij hen[220]verlaten, na eerst twee van hen gedood te hebben tot een aandenken van zijne ontmoeting; daarop is hij naar het kamp zijner broederen teruggereden.”»Mijn zoon zal wel moede zijn; het uur der rust is voor hem gekomen.”»Nog niet,” antwoordde de Indiaan ernstig.»Ooah!dat mijn zoon zich verklare.”Zonder te weten waarom, maar bij dit woord voelde de Tigrero, die alles stipt had afgeluisterd, zijn hart beven van angst.De Indiaan vervolgde:»Er zijn niet alleen Lang-Messen in de woestijn, de Kleine-Panter heeft een tweede spoor ontdekt.”»Een tweede spoor?”»Ja. Dat spoor is weinig zichtbaar: het telt maar zeven paarden en drie muildieren in ’t geheel; ik heb den stap van een dezer paarden herkend.”»Ooah!ik verwacht dat mijn zoon mij alles zal mededeelen.”»Zes gewapende Yoris te paard, met eene vrouw bij zich, zijn de woestijn binnen getrokken.”Het oog van den Zwarte-Beer fonkelde.»Eene bleeke vrouw?” vroeg hij.De Indiaan knikte toestemmend.De sachem dacht een oogenblik na, maar spoedig hernam zijn gelaat het masker van onverschilligheid dat hem eigen was.»De Zwarte-Beer heeft zich niet vergist,” zeide hij, »hij rook den geur des bloeds, ik beloof mijne zonen eene goede jacht. Morgen met deendit-ha2zullen de krijgslieden te paard stijgen. De hut van den sachem is eenzaam; dat zij onze eerste zorg. Laten wij dus de Lang-Messen aan hun lot over,” vervolgde hij de oogen naar den hemel richtende. »Nyang, de geest des kwaads, zal zich wel met de taak belasten hen onder het zand te begraven, de Meester des levens roept den storm reeds; ons werk is afgedaan, volgen wij liever de Yoris en keeren wij dan naar onze jachtvelden terug; de orkaan zal weldra over de woestijn losbreken en haar omkeeren. Mijne zonen kunnen zich aan den slaap overgeven, een opperhoofd zal over hen waken; ik heb gesproken.”De krijgslieden bogen stilzwijgend, stonden de een na den ander op en vlijden zich eenige stappen verder op den zandbodem neêr.Na verloop van een paar minuten waren allen in diepen slaap.Alleen de Zwarte-Beer waakte. Met het hoofd in de beide handpalmen, en de ellebogen op de knieën, zat hij strak in den met sterren bezaaiden hemel te staren. Somwijlen werd zijn oog minder streng, scheen zijn gelaat te verteederen en trilde er een vluchtige glimlach op zijne lippen.Welke gedachten hielden hem bezig? waarover peinsde de sachem?[221]Don Martial had alles beluisterd en geraden, en een heimelijke schrik deed hem huiveren van afgrijzen.Hij bleef nog bijna een half uur onbeweeglijk in zijn schuilhoek, uit vrees van ontdekt te worden; daarna begon hij de rots af te klimmen gelijk hij haar was opgeklauterd, maar met nog grooter zorgvuldigheid: want in deze oogenblikken, nu eene roerlooze stilte de natuur beheerschte, zou het minste geritsel zijne tegenwoordigheid voor het scherpe gehoor van den Indiaan hebben verraden.Na alles wat hij zoo ongedacht had afgeluisterd vreesde hij meer dan ooit om ontdekt te worden.Eindelijk gelukte het hem veilig de plek te bereiken waar hij zijn paard had achtergelaten.Onmiddellijk steeg hij in den zadel, maar liet een geruimen tijd den teugel achteloos op den hals van zijn trouwe dier rusten en terwijl hij stapvoets voortreed, riep hij zich nog eens al het gehoorde voor den geest, en begon hij op middelen te peinzen om het vreeselijk gevaar af te wenden, dat hem en zijne tochtgenooten bedreigde.Zijne verlegenheid kende geene grenzen, hij zag geen kans om het raadsel op te lossen en wist niet waartoe te besluiten. Hij kende don Sylva de Torres te goed om te veronderstellen dat deze ooit om redenen van persoonlijk behoud zijn plan op zou geven en zijne vrienden in den steek laten, zonder het uiterste te beproeven om hen te helpen. Maar moest of mocht hij dandoñaAnita opofferen aan deze overdreven nauwgezetheid, aan dit kwalijk begrepen punt van eer, ten gevalle van een man die in geenerlei opzicht zooveel belang verdiende als de haciendero in hem stelde?Nog altijd was er kans om met inspanning van kracht en beleid de Apachen te ontwijken en aan hunnen overmoed te ontsnappen;—maar hoe zou men ontsnappen aan den temporal, dien gevreesden storm! die wellicht reeds binnen weinige uren over de woestijn zou losbreken, alle plaatselijke kenmerken zou doen verdwijnen, alle sporen uitwisschen en zoodoende iedere vlucht onmogelijk maken?Doch hoe het ook gaan mocht, boven alles, het meisje moest hij redden tot iederen prijs! Deze gedachte kwam bij den Tigrero telkens met nieuwe kracht weder boven en brandde hem als gloeiend staal op het hart. Het klamme zweet parelde op zijn voorhoofd en hij verzonk als het ware in stomme razernij tegenover de stoffelijke onmogelijkheid, die hier zoo onverbiddelijk voor hem oprees.Hoe zou hij haar redden? Dit was nu de alles beheerschende vraag, en op deze vraag wist hij geen antwoord.Zoo reed hij een geruimen tijd stapvoets voort met het hoofd op de borst gebogen, en pijnigde zijn geest af om een middel te vinden en zich uit dien moeielijken toestand te redden, die hem meer en meer beknelde. Eindelijk ging er in zijne gedachten een licht op; hij hief het hoofd fier omhoog en met een uitdagenden blik naar[222]den kant zijner vijanden, die zich reeds zeker waanden hem en zijne reisgenooten te zullen meester worden, gaf hij zijn paard de sporen en zette door in vliegenden galop.Toen hij de plaats bereikte waar de karavaan gekampeerd lag, vond hij, behalve den peon die op wacht stond, alles in diepen slaap.Het was reeds laat geworden, ongeveer een uur na middernacht, de hoogstaande maan verspreidde een schitterend licht over de zandvlakte, zoodat men alles bijna even goed zien kon als op den vollen middag. De Apachen zouden volgens hun plan niet opbreken voor dat de zon opging; hij had dus nog vier volle uren te zijner beschikking om vrij te handelen, en hij besloot om zich die ten nutte te maken. Vier uren welbesteed, zijn onberekenbaar veel bij eene vlucht.De Tigrero begon met zijn paard zorgvuldig af te rossen, om het de zoo noodige lenigheid weêr te geven, want hij zou dien dag van zijne vlugheid en kracht het uiterste moeten vergen. Daarna, geholpen door de peons, laadde hij de muildieren op en zadelde de paarden.Alles gereed zijnde, bedacht hij zich een oogenblik en nu maakte hij haastig een aantal kleine zakken van schapenvellen met zand gevuld, om er de pooten der paarden in te steken. Deze list moest naar zijne berekening dienen om de Roodhuiden te misleiden, die het door hen verwachte spoor niet langer herkennende, aan vervalsching zouden denken en hen dus niet rechtstreeks zouden vervolgen.Tot overmaat van veiligheid, liet hij drie of vier lederen zakken met mezcal onder de rots achter, wel verzekerd dat de Apachen met hunnen bekenden lust naar sterken drank niet zouden nalaten zich te bedrinken.Toen dit alles gedaan was, wekte hij don Sylva en zijne dochter.»Te paard!” riep hij op een toon die geen tegenspraak gedoogde.»Wat is het?” vroeg de haciendero nog half slapende.»Wat het is?—als wij niet oogenblikkelijk vertrekken, zijn wij verloren.”»Wat? wat zegt gij, verloren?”»Te paard! te paard!” hervatte hij, »iedere minuut die wij hier verspillen brengt ons nader bij onzen dood! Later zal ik u alles ophelderen.”»Maar in ’s hemels naam! wat is er dan toch gebeurd?”»Gij zult het spoedig weten, kom meê, kom meê!”Zonder verder op zijne vragen acht te slaan, noopte hij den haciendero tegen wil en dank dadelijk te paard te stijgen;doñaAnita zat reeds in den zadel, de Tigrero wierp een laatsten blik rugwaarts en gaf toen het sein om te vertrekken.De kleine karavaan zette zich in beweging en stoof onmiddellijk voorwaarts, zoo snel de paarden en muildieren maar loopen konden.[223]1Water of bronboom.↑2Zonsopgang.↑

XXII.EEN MENSCHENJACHT.

Den volgenden dag met het eerste morgenkrieken trok de kleine karavaan uit deCasa GrandevanMontecuzoma; twee uren later waren zij reeds in de woestijn del Norte.Bij het gezicht der woestijn kromp het hart vandoñaAnita samen van angst, het was alsof een heimelijk voorgevoel haar voorspelde dat de tocht voor haar noodlottig zou zijn. Zij keerde zich om en wierp een treurigen terugblik op de donkere wouden, die achter haar groenden aan den horizont, en slaakte een onwillekeurigen zucht.De luchtsgesteldheid was heet, de hemel van het zuiverste blauw, geen tochtje verkoelde den dampkring; op het mulle zand zag men nog de diepe sporen der paarden waar de vrijkompagnie van den graaf de Lhorailles er doorgetrokken was.»Wij zijn op den goeden weg,” merkte de haciendero aan, »hunne sporen zijn duidelijk zichtbaar.”»Ja,” mompelde de Tigrero, »en dat zullen ze blijven zoo lang tot er een stormwind losbreekt.”»O! dan moge God ons helpen!” riepdoñaAnita.»Amen!” riepen al de reizigers een kruis makende in antwoord op de heimelijke stem in hun binnenste, die hun niets dan ongeluk voorspelde.[214]Er verliepen eenige uren.Het weêr bleef verrukkelijk schoon; van tijd tot tijd, hoog in de lucht, zagen de reizigers tallooze zwermen vogels voorbijvliegen, die naar het warme land trokken—of deterres calienteszoo als men hier zegt, en zich haastten om de woestijn over te komen.Maar overal elders zag men niets dan grauw en dof zand, of sombere rotsen, grillig op een gestapeld als naamlooze ruïnen van eene onbekende voormenschelijke wereld, zoo als men die vaak in hoogere bergstreken aantreft.Tegen het vallen van den avond kampeerde de karavaan onder beschutting van een groot granietblok, en een sober vuur werd ontstoken, dat nauwelijks voldoende was om de reizigers tegen de koude te beschutten die des nachts in deze streken heerscht.Don Martial galoppeerde gedurig aan de zijden van den troep, nu links dan rechts, dan voor dan achter en waakte met broederlijke zorg voor alle veiligheid; noch door de verzoeken van don Sylva noch door de gebeden vandoñaAnita was hij te bewegen om eenige rust te nemen.»Neen,” riep hij telkens, »van mijne waakzaamheid hangt uw behoud af. Laat mij handelen naar eigen goedvinden, ik zou het mij zelven nooit vergeven, als ik u had laten overrompelen.”Intusschen waren de sporen, door de vrijkompagnie achtergelaten, van tijd tot tijd minder zichtbaar geworden en eindelijk geheel verdwenen.Op zekeren avond, terwijl de reizigers hun kamp onder een vervaarlijk overhangende rots hadden opgeslagen, die boven hun hoofd een soort van beschermend dak vormde, wees de haciendero don Martial in de verte op een witten damp, die zich vrij sterk tegen het donkere blauw des hemels afteekende.»Het luchtazuur begint te verschieten,” zeide hij, »wij krijgen waarschijnlijk spoedig verandering van weer. Geve God dat hetgeen orkaan zij die ons bedreigt.”De Tigrero schudde het hoofd.»Neen,” zeide hij, »gij vergist u, uwe oogen zijn minder gewoon dan de mijne om den hemel te raadplegen; dat is daar ginds geen wolk.”»Wat is het dan?”»Rook van bisonsmest, door reizigers aangestoken; wij zijn dus niet zonder buren.”»O!” riep de haciendero, »zouden wij onze vrienden dan weder op het spoor zijn, die wij reeds uit het oog hadden verloren?”Don Martial bewaarde de stilte; hij bespiedde nauwkeurig de wolk, die als flauwe damp weldra in het blauw des hemels wegsmolt. Eindelijk antwoordde hij:»Die rook voorspelt weinig goeds. Onze vrienden, zoo als gij ze noemt, zijn Franschen, met andere woorden geheel onbekend met de gewoonten der woestijn; als zij zoo dicht bij ons waren, zouden wij hen even gemakkelijk zien als deze rots hier; zij zouden dan[215]niet één klein vuur hebben ontstoken, maar tien ja twintig groote vuren, wier vlammen en rook ons onmiddellijk hunne tegenwoordigheid hadden bewezen. Zij zijn zoo keurig niet op hunne brandstof, zij nemen hout, nat of droog is hun onverschillig, daar zij niet weten van hoeveel belang het is in de woestijn zijne tegenwoordigheid voor den vijand te verbergen.”»Wat maakt gij daaruit op?”»Daaruit maak ik op, dat de rook dien wij thans zien, afkomstig is van een vuur door Roodhuiden of ten minste door ervaren woudloopers gestookt die met de gebruiken der Indianen zeer goed bekend zijn. Dat blijkt aan alles; daar zijt gij zelf, ofschoon min of meer met de wildernis bekend, hebt gij het voor een wolk aangezien; ieder oppervlakkig beschouwer zou met u dezelfde fout begaan hebben, zoo fijn, zachtgolvend en doorzichtig als deze rook is en zoo weinig als hij verschilt van de gewone dampen die de zon onophoudelijk uit de aarde optrekt. De lieden die dit vuur ontstoken hebben, wie het ook zijn mogen, hebben niets bij geval gedaan maar alles berekend en alles voorzien, en ik zou mij zeer bedriegen als het geen vijanden zijn.”»Hoe ver zijn zij van ons af, denkt gij?”»Vier mijlen op zijn verst; maar wat zegt vier mijlen in de woestijn, waar men zoo gemakkelijk in eene rechte lijn overal heen kan.”»Dus zoudt gij denken”.… riep de haciendero.»Overweeg mijne woorden wel, don Sylva, en vooral bid ik u, geef er geen andere beteekenis aan dan die ik er mede bedoel. ’t Is eene ongehoorde bijzonderheid in de jaarboeken van del Norte, dat wij de woestijn bijna drie weken lang hebben doorkruist zonder door iets gestoord te worden; terwijl wij nu reeds sedert acht dagen op goed geluk rondzwerven om een spoor te zoeken dat wij onmogelijk schijnen te kunnen wedervinden.”»’t Is waar.”»Ik ben dus met mijne redeneering tot eene slotsom gekomen die ik meen dat ontegenzeggelijk is en zonder twijfel door u zal worden beaamd. Gij zult mij toestemmen dat de Franschen niet bij verkiezing de woestijn zijn ingetrokken, en er alleen toe overgegaan zijn om de Apachen te vervolgen, niet waar?”»Ja.”»Goed. Zij zullen haar dus in een rechte lijn doortrekken. Den tijd dien wij hadden, hadden zij ook; hun doel, hun belang noopte hen om geen tijd te verliezen, maar bij hun marsch de hoogst mogelijke snelheid in acht te nemen. Eene vervolging, dat weet gij zoo goed als ik, is als een wedren, een rid om het hardst, waarbij ieder de eerste tracht te zijn.…”»Gij veronderstelt dus.…,” viel don Sylva hem in de rede.»Ik veronderstel niet, ik ben ten volle overtuigd dat de Franschen zich reeds sedert lang niet meer in de woestijn bevinden, maar thans[216]de vlakte van Apacheria doorkruisen; het vuur dat wij straks gezien hebben is er een afdoend bewijs van.”»Hoedat?”»Ik zal het u duidelijk maken: de Apachen hebben er het grootste belang bij om de Franschen van hunne jachtgronden te verwijderen. Geen raad wetende nu zij hen reeds daar zien, zijn zij zelven de woestijn weder ingetrokken en hebben waarschijnlijk daar dat vuur ontstoken, ten einde hen te misleiden en te verplichten er weder terug te komen.”De haciendero stond een poos in gedachten. De redenen hem door don Martial gegeven kwamen hem zoo gegrond voor, dat hij niet wist waartoe te besluiten.»Ter zake!” riep hij eenige oogenblikken later, »wat oordeelt gij zelf van dat alles?”»Dat wij dwaas zouden doen,” antwoordde don Martial beslissend, »nog langer onzen tijd te verspillen, met hier te zoeken naar lieden die er niet meer te vinden zijn, en daarbij gevaar te loopen door eentemporaleovervallen te worden, een dier verschrikkelijke orkanen die in deze streek ieder oogenblik kunnen opkomen en alles wat er zich bevindt onder het zand begraven.”»Dus wilt gij op uwe stappen terugkeeren?”»Integendeel; ik wil vooruit en de woestijn recht doortrekken, om zoo spoedig mogelijk naar Apacheria te komen, waar ik zeker ben, dat ik weldra het spoor onzer vrienden ontdekken zal.”»O! dat vind ik zeer goed; maar wij zijn immers hier nog al te ver van de prairie?”»Niet zoo ver als gij denkt; doch voor het oogenblik zullen wij ons gesprek hierbij laten; ik wil op verkenning uit, dat vuur daar is mij een doorn in ’t oog, het wekt al mijne nieuwsgierigheid, ik moet het van nabij gaan onderzoeken.”»Wees toch voorzichtig.”»Het is immers om uw en ons aller behoud te doen,” hernam de Tigrero met een treurigen blik opdoñaAnita.Hij stond op, zadelde zijn paard en na even te hebben rondgezien reed hij weg.»Moedige ziel!” preveldedoñaAnita terwijl zij hem in den avondnevel zag verdwijnen.De haciendero zuchtte en liet het hoofd vol gedachten op de borst zakken. Don Martial verwijderde zich snel in het bleeke maanlicht, dat de eenzame woestijn overgoot met haar sidderend en fantastisch schijnsel. Telkens ontmoette hij kale en steile rotsen, die op haar voetstuk schenen te waggelen, als sombere en sluimerende schildwachts wier reusachtige schaduw zich ver over de grauwe zandvlakte uitbreidde; of nu en dan een ontzaglijkenahuehuelt1, welks kale[217]takken met zoogenaamd spaansche baard waren beladen, zeker dik mos dat er in lange en gepruikte trossen bij neerhing en bij het minste geblaas van den wind zich beweegt.Na ongeveer een uur lang gereden te hebben, bracht de Tigrero zijn paard tot staan, steeg af en keek opmerkzaam rond.Weldra had hij gevonden wat hij zocht; niet ver van hem af was een vrij diepe, hetzij door den wind of door den regen uitgeholde ravijn, waar hij zijn paard in liet afdalen; hij maakte het met de lasso stevig aan een groot steenblok vast, bond het de neusgaten dicht, opdat het niet zou brieschen, nam zijn geweer op schouder en verwijderde zich.Van de plaats waar hij zich thans bevond was het vuur duidelijk zichtbaar en teekende de roode gloed zich scherp af in de duisternis.Rondom het vuur zag hij een aantal gestalten onbeweeglijk nedergehurkt, die hij bij den eersten oogopslag reeds voor Indianen herkende.De Tigrero had zich niet bedrogen, zijne ondervinding als jager was hem zeer goed te stade gekomen; het waren wel degelijk Roodhuiden die daar zoo dicht bij zijne karavaan in de woestijn gekampeerd lagen.Doch wie waren deze Roodhuiden, waren het vrienden of vijanden? Ziedaar eene vraag die hij volstrekt wilde opgelost zien.Het was geen gemakkelijke taak op zulk een effen en geheel open terrein hen ongemerkt te naderen, want de Indianen zijn als de wilde dieren, zij hebben het voorrecht van even scherp te zien, als te hooren en te ruiken: hunne glasachtige oogappels hebben het vermogen zich te verwijden als die van tijgers en, zoo kunnen zij hunne vijanden even goed zien in de dikste duisternis als in het meest verblindende zonlicht.Intusschen gaf don Martial zijn plan niet op.Niet ver van het kamp der Roodhuiden lag een groot blok graniet, aan welks voet drie of vier ahuehuelts waren opgeschoten, die door verloop van tijd hunne takken zoo dicht in elkander hadden gevlochten, dat zij op zekere hoogte aan den eenen kant van de rots een ondoordringbaar warbosch vormden.De Mexicaan ging plat op den grond liggen en schoof zich met behulp van knieën en ellebogen, duim voor duim en streep voor streep, zachtkens vooruit naar de rots, daarbij behendig gebruik makende van de schaduw die de rots zelve en de daarnevenstaande boomen op een gedeelte van het terrein wierpen.De Tigrero besteedde bijna een half uur om de weinig meer dan veertig ellen gronds die hem van de rots scheidden, af te leggen.Eindelijk had hij haar bereikt; en toen hield hij even stil om adem te scheppen en slaakte een zucht van voldoening.Het overige was niets meer; hij vreesde niet langer, gezien te[218]zullen worden, dank zij het dichte gordijn van takken dat hem voor het oog der Indianen verborg, maar daarentegen des te meer dat men hem mocht hooren.Na eenige oogenblikken uitgerust te hebben begon hij opnieuw te kruipen, en zich van lieverlede langs de steilte der rotshelling naar boven te werken: eindelijk bevond hij zich op gelijke hoogte met het warbosch, waar hij dadelijk inkroop en verdween, zonder dat iemand zijne aanwezigheid aan die plaats kon vermoeden.Uit dit schuilhoekje, dat hij zoo gelukkig ontdekt en bereikt had, overzag hij niet alleen het gansche kamp der Roodhuiden, maar kon hij duidelijk hooren wat zij onderling spraken.Het zal niet noodig zijn hier aan te merken, dat don Martial de verschillende taaleigens der talrijke, in de uitgestrekte wildernissen verspreide Indianen-stammen even goed verstond als sprak.De hier aanwezige Roodhuiden herkende hij onmiddellijk als Apachen.Dus waren al zijne vermoedens verwezenlijkt.Rondom een vuur van bisonsmest, dat hoog opvlamde zonder eenigen althans noemenswaardigen rook te verspreiden, zaten een aantal Indianenhoofden deftig nedergehurkt, in allen ernst hunne calumet te rooken en zich tevens te warmen, want de nacht was fijn koud.Onder hen herkende don Martial den Zwarte-Beer.De sachem zag er somber en norsch uit, hij scheen aan eene kwalijk verkropte gramschap ten prooi; nu en dan hief hij onrustig het hoofd op en richtte zijn blik beurtelings naar den helderen sterrenhemel en de hem omringende ruimte, als wilde hij de duisternis doorboren. Een dof en aansnellend gedruisch liet zich hooren, en weldra verscheen er een Indiaan te paard in het verlichte gedeelte van het kamp.Na te zijn afgestegen, naderde de nieuw aankomende het vuur, hurkte neder bij zijne kameraden, stak zijn calumet aan en begon te rooken, met een strak en ongevoelig gezicht, ofschoon men aan het stof waarmede hij bedekt was en aan de snelheid zijner ademhaling, wel bemerken kon dat hij een verren en moeielijken tocht gemaakt had.Bij zijne komst had de Zwarte-Beer hem tamelijk lang en bespiedend aangestaard, maar was toen weder gaan rooken zonder hem een woord toe te voegen, daar de Indiaansche etiquette verbiedt, dat de eene sachem den anderen ondervraagt, eer deze de asch uit zijn uitgerookte pijp in den haard heeft geschud.In het ongeduld van den Zwarte-Beer werd blijkbaar door de overige Indianen gedeeld. Intusschen bewaarden allen een deftig stilzwijgen. Eindelijk trok de nieuwgekomene een laatste teug rook uit zijne pijp, dien hij door mond en neusgaten weder uitblies, schudde haar leeg en stak haar bedaard in zijn gordel.De Zwarte-Beer richtte thans het woord tot hem.»De Kleine-Panter komt wel laat terug,” zeide hij.[219]Dit was geen rechtstreeksche vraag; de Indiaan bepaalde zich dus hij eene buiging maar antwoordde niet.»De gieren trekken met groote troepen over de woestijn,” hervatte de sachem een poos later, »de coyotes scherpen hunne spitse klauwen, de Apachen rieken een geur van bloed, die het hart in hunne borst van vreugde doet opspringen; heeft mijn zoon ook iets gezien?”»De Kleine-Panter is een vermaard krijgsman in zijn stam,” antwoordde de Indiaan, »als de eerste bladeren komen zal hij ook een opperhoofd zijn; hij heeft de zending volbracht die zijn vader hem opdroeg.”»Ooah!wat doen de Lang-Messen?”»De Lang-Messen zijn honden, die huilen zonder te kunnen bijten, een Apachen krijgsman heeft hen verschrikt.”De sachems glimlachten hoogmoedig bij deze zotte grootspraak, die zij eenvoudig in goeden ernst opnamen.»De Kleine-Panter heeft hun kamp gezien,” hervatte de Indiaan, »hij heeft hen geteld, zij zuchten als vrouwen en huilen als kleine kinderen zonder moed of kracht; twee van hen zullen dezen nacht geen plaats meer nemen aan het raadvuur hunner broederen.”En met zekeren, niet van krijgsadel ontblooten zwier sloeg de Indiaan de katoenen kiel op, die hem van den hals tot aan de knieën reikte, en liet hem een paar versche haarschedels zien die aan zijn gordel hingen.»Ooah!”juichten de opperhoofden met geestdrift, »de Kleine-Panter heeft dapper gestreden!”De Zwarte-Beer wenkte den Indiaan hem de twee bloedige trofeën te overhandigen.DeKleine-Pantermaakte ze los en reikte ze hem over.De Zwarte-Beer bekeek ze met alle aandacht. Al de andere hoofden wachtten met belangstelling op zijn oordeel.»Asch’het!” (Zeer goed) riep hij onmiddellijk, »mijn zoon heeft een Lang-Mes gedood en een Yori.”En hiermede gaf hij de bloedige trofeën aan den eigenaar terug, die ze weder aan zijn gordel hechtte.»Hebben de bleekmuilen het spoor der Apachen ontdekt?” vroeg hij.»Debleekmuilenzijn blinde mollen. Zij deugen nergens dan in hunne steenen dorpen.”»Wat heeft mijn zoon gedaan?”»De Panter heeft de bevelen die hij van zijn vader ontvangen had, stipt uitgevoerd; toen de krijgsman begreep dat de bleekgezichten hem niet wilden zien, is hij stout op hen ingetreden en heeft hen gesard, en toen hebben zij hem drie uren lang vervolgd tot in het hart der woestijn.”»Goed: mijn zoon heeft zich braaf gedragen. Wat heeft hij nog meer gedaan?”»Toen hij de Lang-Messen ver genoeg had gebracht, heeft hij hen[220]verlaten, na eerst twee van hen gedood te hebben tot een aandenken van zijne ontmoeting; daarop is hij naar het kamp zijner broederen teruggereden.”»Mijn zoon zal wel moede zijn; het uur der rust is voor hem gekomen.”»Nog niet,” antwoordde de Indiaan ernstig.»Ooah!dat mijn zoon zich verklare.”Zonder te weten waarom, maar bij dit woord voelde de Tigrero, die alles stipt had afgeluisterd, zijn hart beven van angst.De Indiaan vervolgde:»Er zijn niet alleen Lang-Messen in de woestijn, de Kleine-Panter heeft een tweede spoor ontdekt.”»Een tweede spoor?”»Ja. Dat spoor is weinig zichtbaar: het telt maar zeven paarden en drie muildieren in ’t geheel; ik heb den stap van een dezer paarden herkend.”»Ooah!ik verwacht dat mijn zoon mij alles zal mededeelen.”»Zes gewapende Yoris te paard, met eene vrouw bij zich, zijn de woestijn binnen getrokken.”Het oog van den Zwarte-Beer fonkelde.»Eene bleeke vrouw?” vroeg hij.De Indiaan knikte toestemmend.De sachem dacht een oogenblik na, maar spoedig hernam zijn gelaat het masker van onverschilligheid dat hem eigen was.»De Zwarte-Beer heeft zich niet vergist,” zeide hij, »hij rook den geur des bloeds, ik beloof mijne zonen eene goede jacht. Morgen met deendit-ha2zullen de krijgslieden te paard stijgen. De hut van den sachem is eenzaam; dat zij onze eerste zorg. Laten wij dus de Lang-Messen aan hun lot over,” vervolgde hij de oogen naar den hemel richtende. »Nyang, de geest des kwaads, zal zich wel met de taak belasten hen onder het zand te begraven, de Meester des levens roept den storm reeds; ons werk is afgedaan, volgen wij liever de Yoris en keeren wij dan naar onze jachtvelden terug; de orkaan zal weldra over de woestijn losbreken en haar omkeeren. Mijne zonen kunnen zich aan den slaap overgeven, een opperhoofd zal over hen waken; ik heb gesproken.”De krijgslieden bogen stilzwijgend, stonden de een na den ander op en vlijden zich eenige stappen verder op den zandbodem neêr.Na verloop van een paar minuten waren allen in diepen slaap.Alleen de Zwarte-Beer waakte. Met het hoofd in de beide handpalmen, en de ellebogen op de knieën, zat hij strak in den met sterren bezaaiden hemel te staren. Somwijlen werd zijn oog minder streng, scheen zijn gelaat te verteederen en trilde er een vluchtige glimlach op zijne lippen.Welke gedachten hielden hem bezig? waarover peinsde de sachem?[221]Don Martial had alles beluisterd en geraden, en een heimelijke schrik deed hem huiveren van afgrijzen.Hij bleef nog bijna een half uur onbeweeglijk in zijn schuilhoek, uit vrees van ontdekt te worden; daarna begon hij de rots af te klimmen gelijk hij haar was opgeklauterd, maar met nog grooter zorgvuldigheid: want in deze oogenblikken, nu eene roerlooze stilte de natuur beheerschte, zou het minste geritsel zijne tegenwoordigheid voor het scherpe gehoor van den Indiaan hebben verraden.Na alles wat hij zoo ongedacht had afgeluisterd vreesde hij meer dan ooit om ontdekt te worden.Eindelijk gelukte het hem veilig de plek te bereiken waar hij zijn paard had achtergelaten.Onmiddellijk steeg hij in den zadel, maar liet een geruimen tijd den teugel achteloos op den hals van zijn trouwe dier rusten en terwijl hij stapvoets voortreed, riep hij zich nog eens al het gehoorde voor den geest, en begon hij op middelen te peinzen om het vreeselijk gevaar af te wenden, dat hem en zijne tochtgenooten bedreigde.Zijne verlegenheid kende geene grenzen, hij zag geen kans om het raadsel op te lossen en wist niet waartoe te besluiten. Hij kende don Sylva de Torres te goed om te veronderstellen dat deze ooit om redenen van persoonlijk behoud zijn plan op zou geven en zijne vrienden in den steek laten, zonder het uiterste te beproeven om hen te helpen. Maar moest of mocht hij dandoñaAnita opofferen aan deze overdreven nauwgezetheid, aan dit kwalijk begrepen punt van eer, ten gevalle van een man die in geenerlei opzicht zooveel belang verdiende als de haciendero in hem stelde?Nog altijd was er kans om met inspanning van kracht en beleid de Apachen te ontwijken en aan hunnen overmoed te ontsnappen;—maar hoe zou men ontsnappen aan den temporal, dien gevreesden storm! die wellicht reeds binnen weinige uren over de woestijn zou losbreken, alle plaatselijke kenmerken zou doen verdwijnen, alle sporen uitwisschen en zoodoende iedere vlucht onmogelijk maken?Doch hoe het ook gaan mocht, boven alles, het meisje moest hij redden tot iederen prijs! Deze gedachte kwam bij den Tigrero telkens met nieuwe kracht weder boven en brandde hem als gloeiend staal op het hart. Het klamme zweet parelde op zijn voorhoofd en hij verzonk als het ware in stomme razernij tegenover de stoffelijke onmogelijkheid, die hier zoo onverbiddelijk voor hem oprees.Hoe zou hij haar redden? Dit was nu de alles beheerschende vraag, en op deze vraag wist hij geen antwoord.Zoo reed hij een geruimen tijd stapvoets voort met het hoofd op de borst gebogen, en pijnigde zijn geest af om een middel te vinden en zich uit dien moeielijken toestand te redden, die hem meer en meer beknelde. Eindelijk ging er in zijne gedachten een licht op; hij hief het hoofd fier omhoog en met een uitdagenden blik naar[222]den kant zijner vijanden, die zich reeds zeker waanden hem en zijne reisgenooten te zullen meester worden, gaf hij zijn paard de sporen en zette door in vliegenden galop.Toen hij de plaats bereikte waar de karavaan gekampeerd lag, vond hij, behalve den peon die op wacht stond, alles in diepen slaap.Het was reeds laat geworden, ongeveer een uur na middernacht, de hoogstaande maan verspreidde een schitterend licht over de zandvlakte, zoodat men alles bijna even goed zien kon als op den vollen middag. De Apachen zouden volgens hun plan niet opbreken voor dat de zon opging; hij had dus nog vier volle uren te zijner beschikking om vrij te handelen, en hij besloot om zich die ten nutte te maken. Vier uren welbesteed, zijn onberekenbaar veel bij eene vlucht.De Tigrero begon met zijn paard zorgvuldig af te rossen, om het de zoo noodige lenigheid weêr te geven, want hij zou dien dag van zijne vlugheid en kracht het uiterste moeten vergen. Daarna, geholpen door de peons, laadde hij de muildieren op en zadelde de paarden.Alles gereed zijnde, bedacht hij zich een oogenblik en nu maakte hij haastig een aantal kleine zakken van schapenvellen met zand gevuld, om er de pooten der paarden in te steken. Deze list moest naar zijne berekening dienen om de Roodhuiden te misleiden, die het door hen verwachte spoor niet langer herkennende, aan vervalsching zouden denken en hen dus niet rechtstreeks zouden vervolgen.Tot overmaat van veiligheid, liet hij drie of vier lederen zakken met mezcal onder de rots achter, wel verzekerd dat de Apachen met hunnen bekenden lust naar sterken drank niet zouden nalaten zich te bedrinken.Toen dit alles gedaan was, wekte hij don Sylva en zijne dochter.»Te paard!” riep hij op een toon die geen tegenspraak gedoogde.»Wat is het?” vroeg de haciendero nog half slapende.»Wat het is?—als wij niet oogenblikkelijk vertrekken, zijn wij verloren.”»Wat? wat zegt gij, verloren?”»Te paard! te paard!” hervatte hij, »iedere minuut die wij hier verspillen brengt ons nader bij onzen dood! Later zal ik u alles ophelderen.”»Maar in ’s hemels naam! wat is er dan toch gebeurd?”»Gij zult het spoedig weten, kom meê, kom meê!”Zonder verder op zijne vragen acht te slaan, noopte hij den haciendero tegen wil en dank dadelijk te paard te stijgen;doñaAnita zat reeds in den zadel, de Tigrero wierp een laatsten blik rugwaarts en gaf toen het sein om te vertrekken.De kleine karavaan zette zich in beweging en stoof onmiddellijk voorwaarts, zoo snel de paarden en muildieren maar loopen konden.[223]

Den volgenden dag met het eerste morgenkrieken trok de kleine karavaan uit deCasa GrandevanMontecuzoma; twee uren later waren zij reeds in de woestijn del Norte.

Bij het gezicht der woestijn kromp het hart vandoñaAnita samen van angst, het was alsof een heimelijk voorgevoel haar voorspelde dat de tocht voor haar noodlottig zou zijn. Zij keerde zich om en wierp een treurigen terugblik op de donkere wouden, die achter haar groenden aan den horizont, en slaakte een onwillekeurigen zucht.

De luchtsgesteldheid was heet, de hemel van het zuiverste blauw, geen tochtje verkoelde den dampkring; op het mulle zand zag men nog de diepe sporen der paarden waar de vrijkompagnie van den graaf de Lhorailles er doorgetrokken was.

»Wij zijn op den goeden weg,” merkte de haciendero aan, »hunne sporen zijn duidelijk zichtbaar.”

»Ja,” mompelde de Tigrero, »en dat zullen ze blijven zoo lang tot er een stormwind losbreekt.”

»O! dan moge God ons helpen!” riepdoñaAnita.

»Amen!” riepen al de reizigers een kruis makende in antwoord op de heimelijke stem in hun binnenste, die hun niets dan ongeluk voorspelde.[214]

Er verliepen eenige uren.

Het weêr bleef verrukkelijk schoon; van tijd tot tijd, hoog in de lucht, zagen de reizigers tallooze zwermen vogels voorbijvliegen, die naar het warme land trokken—of deterres calienteszoo als men hier zegt, en zich haastten om de woestijn over te komen.

Maar overal elders zag men niets dan grauw en dof zand, of sombere rotsen, grillig op een gestapeld als naamlooze ruïnen van eene onbekende voormenschelijke wereld, zoo als men die vaak in hoogere bergstreken aantreft.

Tegen het vallen van den avond kampeerde de karavaan onder beschutting van een groot granietblok, en een sober vuur werd ontstoken, dat nauwelijks voldoende was om de reizigers tegen de koude te beschutten die des nachts in deze streken heerscht.

Don Martial galoppeerde gedurig aan de zijden van den troep, nu links dan rechts, dan voor dan achter en waakte met broederlijke zorg voor alle veiligheid; noch door de verzoeken van don Sylva noch door de gebeden vandoñaAnita was hij te bewegen om eenige rust te nemen.

»Neen,” riep hij telkens, »van mijne waakzaamheid hangt uw behoud af. Laat mij handelen naar eigen goedvinden, ik zou het mij zelven nooit vergeven, als ik u had laten overrompelen.”

Intusschen waren de sporen, door de vrijkompagnie achtergelaten, van tijd tot tijd minder zichtbaar geworden en eindelijk geheel verdwenen.

Op zekeren avond, terwijl de reizigers hun kamp onder een vervaarlijk overhangende rots hadden opgeslagen, die boven hun hoofd een soort van beschermend dak vormde, wees de haciendero don Martial in de verte op een witten damp, die zich vrij sterk tegen het donkere blauw des hemels afteekende.

»Het luchtazuur begint te verschieten,” zeide hij, »wij krijgen waarschijnlijk spoedig verandering van weer. Geve God dat hetgeen orkaan zij die ons bedreigt.”

De Tigrero schudde het hoofd.

»Neen,” zeide hij, »gij vergist u, uwe oogen zijn minder gewoon dan de mijne om den hemel te raadplegen; dat is daar ginds geen wolk.”

»Wat is het dan?”

»Rook van bisonsmest, door reizigers aangestoken; wij zijn dus niet zonder buren.”

»O!” riep de haciendero, »zouden wij onze vrienden dan weder op het spoor zijn, die wij reeds uit het oog hadden verloren?”

Don Martial bewaarde de stilte; hij bespiedde nauwkeurig de wolk, die als flauwe damp weldra in het blauw des hemels wegsmolt. Eindelijk antwoordde hij:

»Die rook voorspelt weinig goeds. Onze vrienden, zoo als gij ze noemt, zijn Franschen, met andere woorden geheel onbekend met de gewoonten der woestijn; als zij zoo dicht bij ons waren, zouden wij hen even gemakkelijk zien als deze rots hier; zij zouden dan[215]niet één klein vuur hebben ontstoken, maar tien ja twintig groote vuren, wier vlammen en rook ons onmiddellijk hunne tegenwoordigheid hadden bewezen. Zij zijn zoo keurig niet op hunne brandstof, zij nemen hout, nat of droog is hun onverschillig, daar zij niet weten van hoeveel belang het is in de woestijn zijne tegenwoordigheid voor den vijand te verbergen.”

»Wat maakt gij daaruit op?”

»Daaruit maak ik op, dat de rook dien wij thans zien, afkomstig is van een vuur door Roodhuiden of ten minste door ervaren woudloopers gestookt die met de gebruiken der Indianen zeer goed bekend zijn. Dat blijkt aan alles; daar zijt gij zelf, ofschoon min of meer met de wildernis bekend, hebt gij het voor een wolk aangezien; ieder oppervlakkig beschouwer zou met u dezelfde fout begaan hebben, zoo fijn, zachtgolvend en doorzichtig als deze rook is en zoo weinig als hij verschilt van de gewone dampen die de zon onophoudelijk uit de aarde optrekt. De lieden die dit vuur ontstoken hebben, wie het ook zijn mogen, hebben niets bij geval gedaan maar alles berekend en alles voorzien, en ik zou mij zeer bedriegen als het geen vijanden zijn.”

»Hoe ver zijn zij van ons af, denkt gij?”

»Vier mijlen op zijn verst; maar wat zegt vier mijlen in de woestijn, waar men zoo gemakkelijk in eene rechte lijn overal heen kan.”

»Dus zoudt gij denken”.… riep de haciendero.

»Overweeg mijne woorden wel, don Sylva, en vooral bid ik u, geef er geen andere beteekenis aan dan die ik er mede bedoel. ’t Is eene ongehoorde bijzonderheid in de jaarboeken van del Norte, dat wij de woestijn bijna drie weken lang hebben doorkruist zonder door iets gestoord te worden; terwijl wij nu reeds sedert acht dagen op goed geluk rondzwerven om een spoor te zoeken dat wij onmogelijk schijnen te kunnen wedervinden.”

»’t Is waar.”

»Ik ben dus met mijne redeneering tot eene slotsom gekomen die ik meen dat ontegenzeggelijk is en zonder twijfel door u zal worden beaamd. Gij zult mij toestemmen dat de Franschen niet bij verkiezing de woestijn zijn ingetrokken, en er alleen toe overgegaan zijn om de Apachen te vervolgen, niet waar?”

»Ja.”

»Goed. Zij zullen haar dus in een rechte lijn doortrekken. Den tijd dien wij hadden, hadden zij ook; hun doel, hun belang noopte hen om geen tijd te verliezen, maar bij hun marsch de hoogst mogelijke snelheid in acht te nemen. Eene vervolging, dat weet gij zoo goed als ik, is als een wedren, een rid om het hardst, waarbij ieder de eerste tracht te zijn.…”

»Gij veronderstelt dus.…,” viel don Sylva hem in de rede.

»Ik veronderstel niet, ik ben ten volle overtuigd dat de Franschen zich reeds sedert lang niet meer in de woestijn bevinden, maar thans[216]de vlakte van Apacheria doorkruisen; het vuur dat wij straks gezien hebben is er een afdoend bewijs van.”

»Hoedat?”

»Ik zal het u duidelijk maken: de Apachen hebben er het grootste belang bij om de Franschen van hunne jachtgronden te verwijderen. Geen raad wetende nu zij hen reeds daar zien, zijn zij zelven de woestijn weder ingetrokken en hebben waarschijnlijk daar dat vuur ontstoken, ten einde hen te misleiden en te verplichten er weder terug te komen.”

De haciendero stond een poos in gedachten. De redenen hem door don Martial gegeven kwamen hem zoo gegrond voor, dat hij niet wist waartoe te besluiten.

»Ter zake!” riep hij eenige oogenblikken later, »wat oordeelt gij zelf van dat alles?”

»Dat wij dwaas zouden doen,” antwoordde don Martial beslissend, »nog langer onzen tijd te verspillen, met hier te zoeken naar lieden die er niet meer te vinden zijn, en daarbij gevaar te loopen door eentemporaleovervallen te worden, een dier verschrikkelijke orkanen die in deze streek ieder oogenblik kunnen opkomen en alles wat er zich bevindt onder het zand begraven.”

»Dus wilt gij op uwe stappen terugkeeren?”

»Integendeel; ik wil vooruit en de woestijn recht doortrekken, om zoo spoedig mogelijk naar Apacheria te komen, waar ik zeker ben, dat ik weldra het spoor onzer vrienden ontdekken zal.”

»O! dat vind ik zeer goed; maar wij zijn immers hier nog al te ver van de prairie?”

»Niet zoo ver als gij denkt; doch voor het oogenblik zullen wij ons gesprek hierbij laten; ik wil op verkenning uit, dat vuur daar is mij een doorn in ’t oog, het wekt al mijne nieuwsgierigheid, ik moet het van nabij gaan onderzoeken.”

»Wees toch voorzichtig.”

»Het is immers om uw en ons aller behoud te doen,” hernam de Tigrero met een treurigen blik opdoñaAnita.

Hij stond op, zadelde zijn paard en na even te hebben rondgezien reed hij weg.

»Moedige ziel!” preveldedoñaAnita terwijl zij hem in den avondnevel zag verdwijnen.

De haciendero zuchtte en liet het hoofd vol gedachten op de borst zakken. Don Martial verwijderde zich snel in het bleeke maanlicht, dat de eenzame woestijn overgoot met haar sidderend en fantastisch schijnsel. Telkens ontmoette hij kale en steile rotsen, die op haar voetstuk schenen te waggelen, als sombere en sluimerende schildwachts wier reusachtige schaduw zich ver over de grauwe zandvlakte uitbreidde; of nu en dan een ontzaglijkenahuehuelt1, welks kale[217]takken met zoogenaamd spaansche baard waren beladen, zeker dik mos dat er in lange en gepruikte trossen bij neerhing en bij het minste geblaas van den wind zich beweegt.

Na ongeveer een uur lang gereden te hebben, bracht de Tigrero zijn paard tot staan, steeg af en keek opmerkzaam rond.

Weldra had hij gevonden wat hij zocht; niet ver van hem af was een vrij diepe, hetzij door den wind of door den regen uitgeholde ravijn, waar hij zijn paard in liet afdalen; hij maakte het met de lasso stevig aan een groot steenblok vast, bond het de neusgaten dicht, opdat het niet zou brieschen, nam zijn geweer op schouder en verwijderde zich.

Van de plaats waar hij zich thans bevond was het vuur duidelijk zichtbaar en teekende de roode gloed zich scherp af in de duisternis.

Rondom het vuur zag hij een aantal gestalten onbeweeglijk nedergehurkt, die hij bij den eersten oogopslag reeds voor Indianen herkende.

De Tigrero had zich niet bedrogen, zijne ondervinding als jager was hem zeer goed te stade gekomen; het waren wel degelijk Roodhuiden die daar zoo dicht bij zijne karavaan in de woestijn gekampeerd lagen.

Doch wie waren deze Roodhuiden, waren het vrienden of vijanden? Ziedaar eene vraag die hij volstrekt wilde opgelost zien.

Het was geen gemakkelijke taak op zulk een effen en geheel open terrein hen ongemerkt te naderen, want de Indianen zijn als de wilde dieren, zij hebben het voorrecht van even scherp te zien, als te hooren en te ruiken: hunne glasachtige oogappels hebben het vermogen zich te verwijden als die van tijgers en, zoo kunnen zij hunne vijanden even goed zien in de dikste duisternis als in het meest verblindende zonlicht.

Intusschen gaf don Martial zijn plan niet op.

Niet ver van het kamp der Roodhuiden lag een groot blok graniet, aan welks voet drie of vier ahuehuelts waren opgeschoten, die door verloop van tijd hunne takken zoo dicht in elkander hadden gevlochten, dat zij op zekere hoogte aan den eenen kant van de rots een ondoordringbaar warbosch vormden.

De Mexicaan ging plat op den grond liggen en schoof zich met behulp van knieën en ellebogen, duim voor duim en streep voor streep, zachtkens vooruit naar de rots, daarbij behendig gebruik makende van de schaduw die de rots zelve en de daarnevenstaande boomen op een gedeelte van het terrein wierpen.

De Tigrero besteedde bijna een half uur om de weinig meer dan veertig ellen gronds die hem van de rots scheidden, af te leggen.

Eindelijk had hij haar bereikt; en toen hield hij even stil om adem te scheppen en slaakte een zucht van voldoening.

Het overige was niets meer; hij vreesde niet langer, gezien te[218]zullen worden, dank zij het dichte gordijn van takken dat hem voor het oog der Indianen verborg, maar daarentegen des te meer dat men hem mocht hooren.

Na eenige oogenblikken uitgerust te hebben begon hij opnieuw te kruipen, en zich van lieverlede langs de steilte der rotshelling naar boven te werken: eindelijk bevond hij zich op gelijke hoogte met het warbosch, waar hij dadelijk inkroop en verdween, zonder dat iemand zijne aanwezigheid aan die plaats kon vermoeden.

Uit dit schuilhoekje, dat hij zoo gelukkig ontdekt en bereikt had, overzag hij niet alleen het gansche kamp der Roodhuiden, maar kon hij duidelijk hooren wat zij onderling spraken.

Het zal niet noodig zijn hier aan te merken, dat don Martial de verschillende taaleigens der talrijke, in de uitgestrekte wildernissen verspreide Indianen-stammen even goed verstond als sprak.

De hier aanwezige Roodhuiden herkende hij onmiddellijk als Apachen.

Dus waren al zijne vermoedens verwezenlijkt.

Rondom een vuur van bisonsmest, dat hoog opvlamde zonder eenigen althans noemenswaardigen rook te verspreiden, zaten een aantal Indianenhoofden deftig nedergehurkt, in allen ernst hunne calumet te rooken en zich tevens te warmen, want de nacht was fijn koud.

Onder hen herkende don Martial den Zwarte-Beer.

De sachem zag er somber en norsch uit, hij scheen aan eene kwalijk verkropte gramschap ten prooi; nu en dan hief hij onrustig het hoofd op en richtte zijn blik beurtelings naar den helderen sterrenhemel en de hem omringende ruimte, als wilde hij de duisternis doorboren. Een dof en aansnellend gedruisch liet zich hooren, en weldra verscheen er een Indiaan te paard in het verlichte gedeelte van het kamp.

Na te zijn afgestegen, naderde de nieuw aankomende het vuur, hurkte neder bij zijne kameraden, stak zijn calumet aan en begon te rooken, met een strak en ongevoelig gezicht, ofschoon men aan het stof waarmede hij bedekt was en aan de snelheid zijner ademhaling, wel bemerken kon dat hij een verren en moeielijken tocht gemaakt had.

Bij zijne komst had de Zwarte-Beer hem tamelijk lang en bespiedend aangestaard, maar was toen weder gaan rooken zonder hem een woord toe te voegen, daar de Indiaansche etiquette verbiedt, dat de eene sachem den anderen ondervraagt, eer deze de asch uit zijn uitgerookte pijp in den haard heeft geschud.

In het ongeduld van den Zwarte-Beer werd blijkbaar door de overige Indianen gedeeld. Intusschen bewaarden allen een deftig stilzwijgen. Eindelijk trok de nieuwgekomene een laatste teug rook uit zijne pijp, dien hij door mond en neusgaten weder uitblies, schudde haar leeg en stak haar bedaard in zijn gordel.

De Zwarte-Beer richtte thans het woord tot hem.

»De Kleine-Panter komt wel laat terug,” zeide hij.[219]

Dit was geen rechtstreeksche vraag; de Indiaan bepaalde zich dus hij eene buiging maar antwoordde niet.

»De gieren trekken met groote troepen over de woestijn,” hervatte de sachem een poos later, »de coyotes scherpen hunne spitse klauwen, de Apachen rieken een geur van bloed, die het hart in hunne borst van vreugde doet opspringen; heeft mijn zoon ook iets gezien?”

»De Kleine-Panter is een vermaard krijgsman in zijn stam,” antwoordde de Indiaan, »als de eerste bladeren komen zal hij ook een opperhoofd zijn; hij heeft de zending volbracht die zijn vader hem opdroeg.”

»Ooah!wat doen de Lang-Messen?”

»De Lang-Messen zijn honden, die huilen zonder te kunnen bijten, een Apachen krijgsman heeft hen verschrikt.”

De sachems glimlachten hoogmoedig bij deze zotte grootspraak, die zij eenvoudig in goeden ernst opnamen.

»De Kleine-Panter heeft hun kamp gezien,” hervatte de Indiaan, »hij heeft hen geteld, zij zuchten als vrouwen en huilen als kleine kinderen zonder moed of kracht; twee van hen zullen dezen nacht geen plaats meer nemen aan het raadvuur hunner broederen.”

En met zekeren, niet van krijgsadel ontblooten zwier sloeg de Indiaan de katoenen kiel op, die hem van den hals tot aan de knieën reikte, en liet hem een paar versche haarschedels zien die aan zijn gordel hingen.

»Ooah!”juichten de opperhoofden met geestdrift, »de Kleine-Panter heeft dapper gestreden!”

De Zwarte-Beer wenkte den Indiaan hem de twee bloedige trofeën te overhandigen.

DeKleine-Pantermaakte ze los en reikte ze hem over.

De Zwarte-Beer bekeek ze met alle aandacht. Al de andere hoofden wachtten met belangstelling op zijn oordeel.

»Asch’het!” (Zeer goed) riep hij onmiddellijk, »mijn zoon heeft een Lang-Mes gedood en een Yori.”

En hiermede gaf hij de bloedige trofeën aan den eigenaar terug, die ze weder aan zijn gordel hechtte.

»Hebben de bleekmuilen het spoor der Apachen ontdekt?” vroeg hij.

»Debleekmuilenzijn blinde mollen. Zij deugen nergens dan in hunne steenen dorpen.”

»Wat heeft mijn zoon gedaan?”

»De Panter heeft de bevelen die hij van zijn vader ontvangen had, stipt uitgevoerd; toen de krijgsman begreep dat de bleekgezichten hem niet wilden zien, is hij stout op hen ingetreden en heeft hen gesard, en toen hebben zij hem drie uren lang vervolgd tot in het hart der woestijn.”

»Goed: mijn zoon heeft zich braaf gedragen. Wat heeft hij nog meer gedaan?”

»Toen hij de Lang-Messen ver genoeg had gebracht, heeft hij hen[220]verlaten, na eerst twee van hen gedood te hebben tot een aandenken van zijne ontmoeting; daarop is hij naar het kamp zijner broederen teruggereden.”

»Mijn zoon zal wel moede zijn; het uur der rust is voor hem gekomen.”

»Nog niet,” antwoordde de Indiaan ernstig.

»Ooah!dat mijn zoon zich verklare.”

Zonder te weten waarom, maar bij dit woord voelde de Tigrero, die alles stipt had afgeluisterd, zijn hart beven van angst.

De Indiaan vervolgde:

»Er zijn niet alleen Lang-Messen in de woestijn, de Kleine-Panter heeft een tweede spoor ontdekt.”

»Een tweede spoor?”

»Ja. Dat spoor is weinig zichtbaar: het telt maar zeven paarden en drie muildieren in ’t geheel; ik heb den stap van een dezer paarden herkend.”

»Ooah!ik verwacht dat mijn zoon mij alles zal mededeelen.”

»Zes gewapende Yoris te paard, met eene vrouw bij zich, zijn de woestijn binnen getrokken.”

Het oog van den Zwarte-Beer fonkelde.

»Eene bleeke vrouw?” vroeg hij.

De Indiaan knikte toestemmend.

De sachem dacht een oogenblik na, maar spoedig hernam zijn gelaat het masker van onverschilligheid dat hem eigen was.

»De Zwarte-Beer heeft zich niet vergist,” zeide hij, »hij rook den geur des bloeds, ik beloof mijne zonen eene goede jacht. Morgen met deendit-ha2zullen de krijgslieden te paard stijgen. De hut van den sachem is eenzaam; dat zij onze eerste zorg. Laten wij dus de Lang-Messen aan hun lot over,” vervolgde hij de oogen naar den hemel richtende. »Nyang, de geest des kwaads, zal zich wel met de taak belasten hen onder het zand te begraven, de Meester des levens roept den storm reeds; ons werk is afgedaan, volgen wij liever de Yoris en keeren wij dan naar onze jachtvelden terug; de orkaan zal weldra over de woestijn losbreken en haar omkeeren. Mijne zonen kunnen zich aan den slaap overgeven, een opperhoofd zal over hen waken; ik heb gesproken.”

De krijgslieden bogen stilzwijgend, stonden de een na den ander op en vlijden zich eenige stappen verder op den zandbodem neêr.

Na verloop van een paar minuten waren allen in diepen slaap.

Alleen de Zwarte-Beer waakte. Met het hoofd in de beide handpalmen, en de ellebogen op de knieën, zat hij strak in den met sterren bezaaiden hemel te staren. Somwijlen werd zijn oog minder streng, scheen zijn gelaat te verteederen en trilde er een vluchtige glimlach op zijne lippen.

Welke gedachten hielden hem bezig? waarover peinsde de sachem?[221]

Don Martial had alles beluisterd en geraden, en een heimelijke schrik deed hem huiveren van afgrijzen.

Hij bleef nog bijna een half uur onbeweeglijk in zijn schuilhoek, uit vrees van ontdekt te worden; daarna begon hij de rots af te klimmen gelijk hij haar was opgeklauterd, maar met nog grooter zorgvuldigheid: want in deze oogenblikken, nu eene roerlooze stilte de natuur beheerschte, zou het minste geritsel zijne tegenwoordigheid voor het scherpe gehoor van den Indiaan hebben verraden.

Na alles wat hij zoo ongedacht had afgeluisterd vreesde hij meer dan ooit om ontdekt te worden.

Eindelijk gelukte het hem veilig de plek te bereiken waar hij zijn paard had achtergelaten.

Onmiddellijk steeg hij in den zadel, maar liet een geruimen tijd den teugel achteloos op den hals van zijn trouwe dier rusten en terwijl hij stapvoets voortreed, riep hij zich nog eens al het gehoorde voor den geest, en begon hij op middelen te peinzen om het vreeselijk gevaar af te wenden, dat hem en zijne tochtgenooten bedreigde.

Zijne verlegenheid kende geene grenzen, hij zag geen kans om het raadsel op te lossen en wist niet waartoe te besluiten. Hij kende don Sylva de Torres te goed om te veronderstellen dat deze ooit om redenen van persoonlijk behoud zijn plan op zou geven en zijne vrienden in den steek laten, zonder het uiterste te beproeven om hen te helpen. Maar moest of mocht hij dandoñaAnita opofferen aan deze overdreven nauwgezetheid, aan dit kwalijk begrepen punt van eer, ten gevalle van een man die in geenerlei opzicht zooveel belang verdiende als de haciendero in hem stelde?

Nog altijd was er kans om met inspanning van kracht en beleid de Apachen te ontwijken en aan hunnen overmoed te ontsnappen;—maar hoe zou men ontsnappen aan den temporal, dien gevreesden storm! die wellicht reeds binnen weinige uren over de woestijn zou losbreken, alle plaatselijke kenmerken zou doen verdwijnen, alle sporen uitwisschen en zoodoende iedere vlucht onmogelijk maken?

Doch hoe het ook gaan mocht, boven alles, het meisje moest hij redden tot iederen prijs! Deze gedachte kwam bij den Tigrero telkens met nieuwe kracht weder boven en brandde hem als gloeiend staal op het hart. Het klamme zweet parelde op zijn voorhoofd en hij verzonk als het ware in stomme razernij tegenover de stoffelijke onmogelijkheid, die hier zoo onverbiddelijk voor hem oprees.

Hoe zou hij haar redden? Dit was nu de alles beheerschende vraag, en op deze vraag wist hij geen antwoord.

Zoo reed hij een geruimen tijd stapvoets voort met het hoofd op de borst gebogen, en pijnigde zijn geest af om een middel te vinden en zich uit dien moeielijken toestand te redden, die hem meer en meer beknelde. Eindelijk ging er in zijne gedachten een licht op; hij hief het hoofd fier omhoog en met een uitdagenden blik naar[222]den kant zijner vijanden, die zich reeds zeker waanden hem en zijne reisgenooten te zullen meester worden, gaf hij zijn paard de sporen en zette door in vliegenden galop.

Toen hij de plaats bereikte waar de karavaan gekampeerd lag, vond hij, behalve den peon die op wacht stond, alles in diepen slaap.

Het was reeds laat geworden, ongeveer een uur na middernacht, de hoogstaande maan verspreidde een schitterend licht over de zandvlakte, zoodat men alles bijna even goed zien kon als op den vollen middag. De Apachen zouden volgens hun plan niet opbreken voor dat de zon opging; hij had dus nog vier volle uren te zijner beschikking om vrij te handelen, en hij besloot om zich die ten nutte te maken. Vier uren welbesteed, zijn onberekenbaar veel bij eene vlucht.

De Tigrero begon met zijn paard zorgvuldig af te rossen, om het de zoo noodige lenigheid weêr te geven, want hij zou dien dag van zijne vlugheid en kracht het uiterste moeten vergen. Daarna, geholpen door de peons, laadde hij de muildieren op en zadelde de paarden.

Alles gereed zijnde, bedacht hij zich een oogenblik en nu maakte hij haastig een aantal kleine zakken van schapenvellen met zand gevuld, om er de pooten der paarden in te steken. Deze list moest naar zijne berekening dienen om de Roodhuiden te misleiden, die het door hen verwachte spoor niet langer herkennende, aan vervalsching zouden denken en hen dus niet rechtstreeks zouden vervolgen.

Tot overmaat van veiligheid, liet hij drie of vier lederen zakken met mezcal onder de rots achter, wel verzekerd dat de Apachen met hunnen bekenden lust naar sterken drank niet zouden nalaten zich te bedrinken.

Toen dit alles gedaan was, wekte hij don Sylva en zijne dochter.

»Te paard!” riep hij op een toon die geen tegenspraak gedoogde.

»Wat is het?” vroeg de haciendero nog half slapende.

»Wat het is?—als wij niet oogenblikkelijk vertrekken, zijn wij verloren.”

»Wat? wat zegt gij, verloren?”

»Te paard! te paard!” hervatte hij, »iedere minuut die wij hier verspillen brengt ons nader bij onzen dood! Later zal ik u alles ophelderen.”

»Maar in ’s hemels naam! wat is er dan toch gebeurd?”

»Gij zult het spoedig weten, kom meê, kom meê!”

Zonder verder op zijne vragen acht te slaan, noopte hij den haciendero tegen wil en dank dadelijk te paard te stijgen;doñaAnita zat reeds in den zadel, de Tigrero wierp een laatsten blik rugwaarts en gaf toen het sein om te vertrekken.

De kleine karavaan zette zich in beweging en stoof onmiddellijk voorwaarts, zoo snel de paarden en muildieren maar loopen konden.[223]

1Water of bronboom.↑2Zonsopgang.↑

1Water of bronboom.↑2Zonsopgang.↑

1Water of bronboom.↑

1Water of bronboom.↑

2Zonsopgang.↑

2Zonsopgang.↑


Back to IndexNext