XXIII.

[Inhoud]XXIII.DE APACHEN.Niets is akeliger dan een tocht door de woestijn bij nacht, en onder zulke omstandigheden als die onze reizigers noodzaakten tot eene overhaaste vlucht.De nacht is de vader der spoken; in de schemering wordt het vroolijkste landschap somber en zwart; al het wezenlijke schijnt van gedaante te wisselen, en het onwezenlijke krijgt eene gestalte om den reiziger te verschrikken; zelfs de maan, hoe helder zij schijnen mag, geeft aan de voorwerpen een spookachtig aanzien en een nog spookachtiger schaduw, die wel in staat is den stoutste te doen sidderen.De doodsche stilte der woestijn, hare onbegrensde eenzaamheid, die den armen reiziger van alle kanten omgeeft, drukt en benauwt, en door zijne kranke verbeelding met schrikgestalten bevolkt wordt; de tastbare duisternis, die hem opsluit als in een looden doodkist: alles spant samen om zijn brein te ontstellen en hem, om het zoo eens te noemen, een angstkoorts aan te jagen, die de levenwekkende luister der opgaande zon alleen in staat is weder te verdrijven.Onwillekeurig ondergingen onze reizigers den druk van al deze verschrikkingen, die hun geschokte hersengestel te voorschijn riep; zij renden voort in den tastbaren nacht, zonder—althans de meesten hunner—te weten waarom of waarheen; zij bekommerden er zich ook niet om; met een bezwaard hoofd, benevelde zinnen, door sluimerzucht bevangen blik, en de oogen half gesloten, hadden zij slechts ééne gedachte: slapen. Zwaaiend en dommelend door hunne voortstormende paarden gedragen en met duizelingwekkende snelheid weggevoerd, schenen de dorre rotsen en enkele hier en daar verspreide boomen hun als in een satanischen wedren voorbij te vliegen, tot zij eindelijk de oogen geheel sloten en zich zoo vast mogelijk in den zadel zetteden om zich over te geven aan den slaap, dien zij de macht niet hadden om te weêrstaan.De slaap is voor den mensch wellicht een der sterkste en onverbiddelijkste behoeften, die hem alles doet verachten, alles doet vergeten.Wie door slaap overvallen wordt, geeft er zich aan over, ongevraagd hoe of waar, en onverschillig hoe groot het gevaar is dat hem bedreigt. Honger of dorst kan men, ten minste een tijdlang, door moed en wilskracht bedwingen, maar den slaap, neen, tegen hem is niemand opgewassen en de strijd onmogelijk; hij omklemt als met fluweelen maar ijzeren hand en werpt zijn tegenstander binnen weinige minuten hijgend en overwonnen ter neder.Behalve don Martial, die altijd wakker van blik en helder van geest was gebleven, hadden de overige leden der karavaan veel van[224]somnambulen; aan hunne paarden als vastgeketend, met gesloten oogen, zonder nadenken of zelfbewustheid reden zij voort als in een droom, en in een soort van nachtmerrie, dien benauwenden toestand zonder naam, die noch slapen noch waken mag heeten, maar slechts eene verdooving is der zinnen en een kluistering der ziel.Dat duurde den geheelen nacht door.De karavaan had twintig mijlen gemaakt; de reizigers waren doodaf.Met het opgaan der zon en onder den invloed van hare koesterende stralen kwamen zij weder een weinig tot verademing; de spanning die hen beknelde hield op, zij openden de oogen, richtten zich op en keken nieuwsgierig rond; en gelijk het in zulke omstandigheden gewoonlijk gaat, volgde er een vloed van uitroepingen en vragen.De kleine karavaan had de boorden der Rio del Norte bereikt, wier troebele wateren aan deze zijde de grens der woestijn uitmaken.Don Martial, na de plaats waar zij zich bevonden nauwkeurig te hebben opgenomen, maakte op den oever der rivier zelve halt.De paarden werden van voeder voorzien, en hunne hoeven van de met zand gevulde sokken ontdaan. Wat de menschen betreft, deze moesten zich vooreerst met een teug refino vergenoegen, om nieuwe krachten te bekomen.Het landschap had hier een gansch ander aanzien; aan de overzijde der rivier was de grond met stug en sterk gras bedekt, terwijl uitgestrekte bosschen den horizont omzoomden.»Oef!” riep don Sylva zich met een onbeschrijfelijk gevoel van genot op den grond nedervlijende, »wat een rid! ik ben geheel af; als dat zoo nog een dag duren moest,voto a brios!dan hield ik het niet vol. Ik heb noch honger noch dorst, ik ga slapen.”En met dat zeggen schikte de haciendero zich zoo zacht mogelijk tot een verkwikkelijk slaapje.»Nog niet, don Sylva,” riep de Tigrero met drift terwijl hij hem duchtig bij den arm schudde, »of hebt gij lust om hier uw gebeente achter te laten?”»Loop naar den drommel! ik wil slapen, zeg ik u.”»Zeer goed,” antwoordde don Martial koelzinnig, »maar alsdoñaAnita dan in handen der Apachen valt, moet gij het mij niet wijten.”»Wat!” riep de haciendero opstaande en hem strak in de oogen ziende, »spreekt gij mij weêr van de Apachen?”»Ik herhaal u dat de Apachen ons nazetten; wij hebben nauwelijks eenige uren op hen voor, zoo wij ons niet haasten zijn wij verloren.”»Canarios! dan moeten wij vluchten!” riep don Sylva thans geheel wakker, »ik wil mijne dochter niet in handen van die duivels zien vallen.”WatdoñaAnita betreft, die wist op dit oogenblik weinig van zorg, zij sliep, zoo als de Spanjaarden zeggen, met gesloten vuisten.»Laten wij de paarden dubbel voer geven, wij vertrekken onmiddellijk,[225]en wij hebben een langen toer te maken; zij moeten in staat zijn om ons zoo ver te brengen; die weinige minuten toevens zullendoñaAnita ten goede komen om hare krachten te herstellen.”»Dat arme schaap!” zuchtte de haciendero, »van al wat er gebeurt ben ik de schuld, het is mijne vervloekte stijfhoofdigheid die haar hier gebracht heeft.”»Waartoe dat zelfverwijt, don Sylva,” zei don Martial, »wij allen hebben er schuld aan; laten wij het gebeurde vergeten, en alleen aan het tegenwoordige denken.”»Ach ja! gij hebt gelijk, waarom langer gepraat over gedane zaken? Nu ik weder geheel wakker ben, moest gij mij liever eens vertellen wat gij dezen nacht gedaan hebt en waarom gij ons zoo plotseling gedrongen hebt om te vertrekken.”»Mijn hemel! don Sylva, dat verhaal zal zeer kort zijn, maar toch geloof ik dat gij het zeer belangrijk zult vinden. Oordeel zelf. Gij zult het hooren. Nadat ik u gisteren verlaten had om op verkenning uit te gaan, gij herinnert het u immers.…?”»Zeer goed! gij zoudt het vuur gaan onderzoeken dat u zoo verdacht voorkwam.”»Juist. Welnu, ik had mij niet bedrogen, dat vuur was zooals ik wel vermoedde een kampvuur van wilden. Het was door Apachen aangelegd.Het gelukte mij ongemerkt tot hen door te dringen en hun gesprek af te luisteren. Weet gij wat zij zeiden?”»Caramba! hoe kan ik weten wat zulke domkoppen elkander te vertellen hebben?”»Niet zoo dom als gij wellicht een weinig te lichtvaardig denkt, don Sylva, een renbode bracht den sachem van den stam verslag van eene door hem volbrachte zending; onder meer andere belangrijke zaken, zeide hij een spoor van bleekgezichten te hebben ontdekt, en dat zich onder hen eene vrouw bevond.”»Caspita!” riep de haciendero met schrik, »zijt gij daar zeker van, don Martial?”»Zoo zeker zelfs, dat ik door het opperhoofd letterlijk het volgende hoorde antwoorden; luister nu wel toe, don Sylva.”»Ik ben geheel oor, vriend, ga voort.”»Met zonsopgang trekken wij snel op weg om de bleekhuiden te vervolgen; de hut van den sachem is eenzaam, hij heeft eene blanke vrouw noodig om haar te verlevendigen.”»Caramba!”»Ja. Toen wist ik genoeg van de onderneming die de Roodhuiden in den zin hebben; ik sloop even stil weg als ik gekomen was en keerde zoo spoedig mogelijk naar ons kamp terug. Het overige weet gij.”»O! o!” antwoordde don Sylva blijkbaar ontroerd en met warme belangstelling.»Ja, ik weet het overige, don Martial, en ik zeg u oprechtelijk dank niet alleen voor het goed overleg waarmede gij bij deze gelegenheid[226]zijt te werk gegaan, maar ook voor den ijver waarmede gij, zonder u aan onze tegenstribbeling te storen, ons gedwongen hebt u te volgen.”»Ik heb niet anders gedaan dan mijn plicht mij gebood, don Sylva. Heb ik u niet gezworen dat ik u getrouw zou blijven?”»Ja, mijn vriend, en gij doet uw eed ridderlijk gestand.”Sedert de haciendero don Martial had leeren kennen, was dit de eerste maal dat hij werkelijk rond en oprecht met hem sprak en hem den titel van vriend schonk.De Tigrero was er door getroffen, deze ontboezeming ging hem door de ziel, en zoo hij tot hiertoe jegens don Sylva eenige vooroordeelen was blijven koesteren, werden zij op dit oogenblik geheel bij hem uitgewischt, om in zijn hart niets dan een innig gevoel van dankbaarheid over te laten.Intusschen wasdoñaAnita gedurende dit gesprek wakker geworden, en nu hoorde zij met onbeschrijfelijk genoegen hoe vriendschappelijk zij samen spraken.Toen haar vader haar nu de reden vertelde waarom don Martial hen gedrongen had in het holst van den nacht zulk een vermoeienden tocht te ondernemen, bedankte zij den Tigrero van harte en beloonde hem met een van die teedere blikken, daar de vrouwen alleen het geheim van bezitten en in welke zij als het ware haar geheele ziel doen spreken.Toen de Tigrero zag dat zijn getrouwe ijver naar waarde geschat werd, vergat hij al zijne vermoeienis en kende hij geen ander verlangen, dan om zijne wel begonnen taak gelukkig ten einde te brengen.Zoodra de paarden gevoederd waren werd er opnieuw opgestegen.»Ik verlaat mij op u, don Martial,” zei de haciendero, »gij alleen kunt ons redden.”»Enmet Gods hulp zal ik het doen,” antwoordde de Tigrero hartstochtelijk.Men daalde in de rivier af, die op dit punt vrij breed was. In plaats van haar in eene rechte lijn over te steken, verkoos don Martial, ten einde de Roodhuiden beter van ’t spoor te helpen, liever eene poos den stroom van het water te volgen, en stuurde hij de karavaan met menige wending en kronkeling in eene schuinsche richting naar den overkant.Eindelijk aan een plek komende waar de rivier tusschen oevers van kalksteen besloten was, en dus de hoeven der paarden en muilezels geen zichtbare indruksels op het natte zand of de vochtige klei konden achterlaten, steeg hij aan wal.De karavaan had thans de woestijn verlaten. Voor haar uit lag de onmetelijke prairie, wier golvende bodem zich langzaam verheft tot de eerste heuveltrappen der Sierra Madre en der Sierra de los Comanchos. Hier was het geen woeste onvruchtbare vlakte meer, zonder bosch of gras of water. Eene overdadig welige natuur, rijk bedeeld[227]met onvergelijkelijke groeikracht, van boomen, bloemen en kruiden, tallooze vogels die vroolijk kwinkeleerden tusschen het gebladerte, dieren van allerlei soort die in deze natuurlijke weiden liepen grazen of rondhuppelden en zich verlustigden.De mensch, waar en wanneer ook, en onder welke zorgen en bemoeiingen zijn geest ook gebukt gaat, ondervindt onwillekeurig den invloed der uitwendige voorwerpen die hem omringen; eene lachende natuur maakt hem vroolijk, zoowel als een somber en dor of verlaten landschap hem tot treurigheid stemt.De reizigers gaven zich werktuigelijk over aan den weldadigen indruk der groote verandering, die het gezicht van het prachtig en heerlijk schouwspel dat de prairie hun bood bij hen teweegbracht, in vergelijking met de eenzame, dorre woestijn die zij pas verlaten en daar zij zoo lang op goed geluk in rondgedoold hadden. Deze tegenstelling was voor hen vol bekoorlijkheid en zij gevoelden daarbij den moed en de hoop in hunne harten herleven.Tegen elf ure des voormiddags echter, waren de paarden zoo moê geloopen, dat men zich genoodzaakt zag te kampeeren om hun eenige uren rust te gunnen en de grootste hitte van den dag te laten voorbijgaan.Don Martial koos daartoe de kruin van een boschrijken heuvel, van waar men den ganschen omtrek kon overzien, terwijl men zelf tusschen het geboomte onzichtbaar bleef.Toen men echter een vuur wilde aanleggen om spijzen te koken, verzette de Tigrero er zich tegen, daar de rook alleen genoeg zou zijn geweest om hunnen schuilhoek kenbaar te maken, en in de tegenwoordige oogenblikken konden zij niet te voorzichtig zijn; want dat de Apachen met zonsopgang waren opgebroken om hen te vervolgen was maar al te zeker; en deze fijne windhonden het spoor bijster te maken, was eene volstrekte noodzakelijkheid. Ondanks al zijne voorzorgen, twijfelde de Tigrero nog altijd of het hem gelukken zou de in dit opzicht zoo slimme Roodhuiden te verschalken.Na in der haast een paar maïskoekjes gegeten te hebben liet hij zijne kameraden de weinige rust genieten, die zij zoo grootelijks behoefden, en stond op om den omtrek te bespieden en te zien of hij ook iets ontdekken kon dat hun veiliger uitweg of althans zekerder schuilplaats aanbood.De Tigrero was een man als van ijzer, de vermoeienis had geen vat op hem; zijn wilskracht was zoo vast dat zij aan alles weêrstand bood, en de zucht om de vrouw die hij lief had voor onheil te behoeden verleende hem schier bovennatuurlijke sterkte.Langzaam daalde hij den heuvel af, lettende op iederen struik, rondziende ieder oogenblik, en niet dan met de uiterste behoedzaamheid, met de hand aan den trekker van zijn geweer en met het oor gespitst op het minste geluid.Toen hij in de vlakte kwam, waar hij, dank zij het hooge prairiegras,[228]door niemand gezien kon worden, stapte hij haastig voort in de richting van een donker en dicht bosch, welks eerste geboomte zich bijna tot aan den voet des heuvels uitstrekte.Dit bosch bleek inderdaad te zijn wat hij reeds vermoedde, namelijk een ongerept natuurwoud; de boomen waren door de menigte lianen en slingerplanten zoo vast aan elkander geweven dat zij een ondoordringbaar net vormden, waar men zich alleen met de hakbijl of door middel van vuur een doortocht had kunnen banen.Als hij alleen ware geweest zou de Tigrero tegen dit schijnbaar onoverkomelijk bezwaar niet hebben opgezien; of anders met zijne gewone behendigheid en kracht den weg tusschen hemel en aarde gekozen en zich van tak tot tak of over de toppen der boomen hebben gewaagd, zoo als hij wel meer gedaan had. Maar wat een man zoo onvervaard en sterk als hij had kunnen doen, daaraan viel voor eene zwakke, vreesachtige vrouw niet te denken.Hij was geheel buiten raad. Een oogenblik voelde de Tigrero den moed hem ontzinken, maar dit duurde ook slechts een oogenblik. Met fierheid verhief hij zich weder en kreeg terstond al zijne zielskracht terug; hij stapte voort naar het bosch, dat hij voor een gedeelte langs ging, speurend en spiedend als een roofdier dat zijn prooi zoekt.Op eens slaakte hij een half gesmoorden kreet van verrassing.Hij had gevonden wat hij bijna niet durfde hopen te zullen ontdekken.Voor hem uit, onder een dicht gewelf van groene takken en bladen, kronkelde een dier smalle, donkere paden of loopsporen, door het wild gedierte reeds sedert eeuwen getrokken om bij nacht naar de rivier te gaan drinken, en die alleen een geoefend oog als dat van den Tigrero in staat was te ontdekken; onverschrokken waagde hij er zich in en stapte een geruimen tijd voort.Gelijk alle door roofdieren getrokken sporen, liep ook dit met tallooze omwegen en keerde menigmaal op zich zelve terug. Na het een tijd lang gevolgd te zijn, had de Tigrero genoeg gezien en besloot hij dadelijk naar den heuvel terug te keeren.Zijne kameraden, niet weinig ongerust over zijn lang uitblijven verwachtten hem reeds met ongeduld en ontvingen hem met groote blijdschap. Hij gaf hun verslag van het door hem gevonden spoor en van hetgeen hij verder gezien had.Intusschen, terwijl don Martial alzoo op verkenning uit was geweest, had ook een der peons niet stil gezeten, maar aan de eene zijde van den heuvel daar de karavaan kampeerde eene ontdekking gedaan, die in de gegeven omstandigheden voor de reizigers onwaardeerbaar was.Voor tijdverblijf en zonder bepaald doel in den omtrek ronddolende, had hij den ingang eener grot ontdekt, in welke hij echter niet durfde binnengaan, uit vrees dat hij misschien onverwachts door een of ander roofdier zou overvallen worden.[229]Don Martial trilde van blijdschap bij dit bericht, hij nam een ocote-fakkel en gelastte den peon hem naar de grot te brengen.Zij lag slechts weinige schreden ver, aan de zijde des heuvels die op de rivier uitzag.De toegang was zoodanig met struiken en woekerplanten bezet, dat er blijkbaar sinds lange jaren geen levend schepsel was binnengedrongen.De Tigrero boog de struiken met de meeste behendigheid en zorg uit elkander, ten einde ze niet te beschadigen, en sloop de spelonk binnen. De ingang was tamelijk hoog, ofschoon dan ook nauw. Alvorens verder te gaan, sloeg hij vuur en ontstak zijn toorts.De spelonk was een door de natuur gevormde onderaardsche gang, zooals men er in deze streken meerdere aantreft, de wanden waren steil en droog, de grond bestond uit fijn zand. Zij ontving waarschijnlijk versche lucht door onzichtbare spleten, want geen dierlijke of verstikkende uitwasemingen lieten er zich in bespeuren, en men haalde er onbelemmerd adem, kortom, ofschoon vrij donker, was zij wel geschikt om te bewonen. Met een zacht afglooienden bodem, terwijl het gewelf langzamerhand lager werd, liep zij uit in een groote zaal, in welks midden een diepe kolk was, daar don Martial ondanks het heldere licht van zijn fakkel onmogelijk den bodem van kon zien. Hij keek hier een oogenblik rond en zag een stuk steen liggen dat waarschijnlijk van het gewelf was gevallen, nam het en wierp het in den afgrond.Vrij lang hoorde men den steen, langs de wanden kaatsend naar beneden vallen en eindelijk klotsen, als een zwaar voorwerp dat in het water stort.Don Martial wist nu al wat hij verlangde te weten. Hij ging om de kolk heen en vervolgde zijn weg in een vrij engen tunnel, die snel afwaarts daalde. Na op deze wijs omtrent tien minuten te zijn voortgestapt, bespeurde hij in de verte daglicht. De grot had twee uitgangen!Nu haastte hij zich terug te keeren.»Wij zijn gered!” riep hij vroolijk tegen zijn gezellen; »kom, haast u en volg mij, wij hebben geen oogenblik te verliezen, om de schuilplaats te bereiken die de Voorzienigheid ons zoo gunstig aanbiedt.”Allen stonden op om hem te volgen.»Maar,” merkte don Sylva aan, »onze paarden, wat zullen wij daarmede doen?”»Maak u daar niet ongerust over, ik weet waar ik ze verbergen moet. Laten wij onze levensmiddelen naar de grot brengen, want naar alle waarschijnlijkheid zullen wij genoodzaakt zijn er eenigen tijd te blijven, bewaren wij dus hier ook de zadels en tuigen, daar ik buiten de grot geen plaats voor zou weten. Wat de paarden aangaat, dat is mijne zaak.”[230]Allen gingen thans aan ’t werk met dien koortsachtigen ijver dien de hoop op ontsnapping aan een dreigend gevaar gewoonlijk inboezemt, en na verloop van een uur op zijn langst waren de pakgoederen, de levensmiddelen en de menschen in de grot verborgen en in veiligheid.Don Martial bracht de struiken weder in orde, om de sporen waar zijne kameraden waren doorgegaan, te doen verdwijnen; daarop haalde hij ruimer adem, met het zoete gevoel van welvoldaanheid dat steeds op het gelukken van een stout, schier onuitvoerlijk plan volgt, en beklom den top van den heuvel.Hij koppelde de paarden met behulp van een lasso en leidde hen den berg af naar de vlakte, in de richting van het bosch, waar hij weldra in de kronkelingen van het vroeger door hem gevonden loopspoor verdween.Het pad was smal, zoodat de paarden er niet dan achter elkander en dan nog met groote moeite door konden. Eindelijk bereikte hij een klein open kamp, waar hij de arme dieren aan hun lot overliet, hun al den voorraad boonen en klaver achterlatende, die hij uit voorzorg met de muildieren had medegenomen.De Tigrero wist vooruit wel dat de paarden en muilezels zich uit eigen beweging niet ver van de plaats zouden verwijderen waar hij hen moest achterlaten, en dat hij hen, zoodra hij ze weder noodig had, gemakkelijk zou terugvinden.Al deze bemoeiingen namen veel tijd weg; de dag spoedde reeds ten einde eer don Martial voor goed het bosch verliet.De zon, tot dicht aan de kimmen gedaald, vertoonde zich als een schitterende vuurbol bijna met de oppervlakte der aarde gelijk. De schaduw der boomen verlengde zich tot in het oneindige; de avondkoelte verhief zich met zacht geblaas tusschen de hoogste toppen van het geboomte; reeds hoorde men van tijd tot tijd in de diepte der bosschen eenige rauwe kreten opgaan, ten bewijze dat de roofdieren ontwaakten, die gevreesde gasten der wildernis! wier ongestoorde heerschappij over de prairie een aanvang nam om er gedurende den nacht als onbeperkte koningen te regeeren.Nogmaals naar den top des heuvels teruggekeerd, eer hij zich naar de grot zou begeven, bespiedde don Martial den gezichteinder in het laatste licht der stervende zonnestralen.Op eens verbleekte hij, eene zenuwachtige huivering liep hem door de leden; zijne oogen, door schrik wijder geopend, bleven onafgewend op de rivier gericht, en stampvoetend mompelde hij met eene half gesmoorde stem:»Reeds daar!.… die duivels!”Wat de Tigrero gezien had was werkelijk om van te beven.Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over. Bladz. 230.Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over. Bladz. 230.Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over, juist op het zelfde punt waar hij er met zijne reismakkers eenige uren vroeger was overgegaan.De Tigrero volgde hunne bewegingen met klimmende ongerustheid.[231]Aan den anderen oever komende, zetten zij zonder zich op te houden hun tocht voort juist langs denzelfden weg dien hij met zijne kameraden gekozen had.Er viel niet meer aan te twijfelen; de Apachen hadden zich door de listige voorbehoedmiddelen van den Tigrero niet laten bedriegen, maar waren de karavaan rechtstreeks gevolgd en kwamen nu met allen spoed opzetten. In minder dan een uur konden zij den heuvel bereiken, en als dat gebeurde, met hunne duivelsche behendigheid in het ontdekken van sporen, was het ergste te vreezen!Den Tigrero klopte het hart in den boezem alsof het dreigde te barsten. Hij klom ijlings den heuvel af en half waanzinnig van teleurstelling stormde hij de grot in.Toen de anderen hem zoo bleek en verwilderd zagen binnenkomen, snelden zij hem verschrikt te gemoet.»Wat schort u?” vroegen allen.»Wij zijn verloren!” riep hij wanhopig, »daar zijn de Apachen!”»De Apachen!” herhaalden zij met schrik.»O, mijn God! red mij, red mij!.…” riepdoñaAnita op de knieën zinkend en de handen angstig samenvouwend.De Tigrero snelde naar het meisje, richtte haar op en nam haar met de kracht van een razende in zijne armen en zich tot den haciendero wendende, riep hij:»Kom! Kom! volg mij! misschien blijft ons nog eene kans op behoud over!”Hiermede ijlde hij de diepte der grot in; al de anderen volgden hem.Zoo liepen zij een geruimen tijd voort.DoñaAnita, die half in onmacht lag, liet haar schoone maar doodsbleeke hoofd op den schouder van den Tigrero rusten.Deze spoedde zich altoos verder.»Kijk! kijk! daar ginds,” riep hij in de verte wijzende, »weldra zijn wij behouden!”Zijne kameraden slaakten een kreet van blijde verrassing; zij hadden, voor zich uit, de tweede opening der grot gezien.Plotseling, juist op het oogenblik toen don Martial den uitgang bereikte, en naar buiten meende te snellen, stond er een man voor hem.Die man was de Zwarte-Beer.De Tigrero sprong met een brullenden kreet als een wild dier terug.»Ooah!” riep de Apache op spottenden toon, »mijn broeder weet wel dat ik die vrouw bemin; en om mij te behagen haast hij zich mij haar zelf te brengen.”»Gij hebt haar nog niet, demon!” krijschte don Martial, terwijl hijdoñaAnita nederzette en voor haar ging staan met een pistool in elke hand; »kom haar halen.”Achter zich in de diepte der grot hoorde hij voetstappen, die snel naderden.[232]De Mexicanen werden dus tusschen twee vuren gebracht!De Zwarte-Beer, met het oog op den Tigrero gericht, bespiedde al diens bewegingen; plotseling nam hij zijne kans waar en sprong als een tijgerkat vooruit met een woesten aanvalskreet.Don Martial loste zijne pistolen op den Apache en greep hem met de armen om het lijf.De beide mannen rolden over den grond, elkaâr omstrengelend als twee slangen.Don Sylva en de peons vochten als wanhopigen tegen de andere Indianen.

[Inhoud]XXIII.DE APACHEN.Niets is akeliger dan een tocht door de woestijn bij nacht, en onder zulke omstandigheden als die onze reizigers noodzaakten tot eene overhaaste vlucht.De nacht is de vader der spoken; in de schemering wordt het vroolijkste landschap somber en zwart; al het wezenlijke schijnt van gedaante te wisselen, en het onwezenlijke krijgt eene gestalte om den reiziger te verschrikken; zelfs de maan, hoe helder zij schijnen mag, geeft aan de voorwerpen een spookachtig aanzien en een nog spookachtiger schaduw, die wel in staat is den stoutste te doen sidderen.De doodsche stilte der woestijn, hare onbegrensde eenzaamheid, die den armen reiziger van alle kanten omgeeft, drukt en benauwt, en door zijne kranke verbeelding met schrikgestalten bevolkt wordt; de tastbare duisternis, die hem opsluit als in een looden doodkist: alles spant samen om zijn brein te ontstellen en hem, om het zoo eens te noemen, een angstkoorts aan te jagen, die de levenwekkende luister der opgaande zon alleen in staat is weder te verdrijven.Onwillekeurig ondergingen onze reizigers den druk van al deze verschrikkingen, die hun geschokte hersengestel te voorschijn riep; zij renden voort in den tastbaren nacht, zonder—althans de meesten hunner—te weten waarom of waarheen; zij bekommerden er zich ook niet om; met een bezwaard hoofd, benevelde zinnen, door sluimerzucht bevangen blik, en de oogen half gesloten, hadden zij slechts ééne gedachte: slapen. Zwaaiend en dommelend door hunne voortstormende paarden gedragen en met duizelingwekkende snelheid weggevoerd, schenen de dorre rotsen en enkele hier en daar verspreide boomen hun als in een satanischen wedren voorbij te vliegen, tot zij eindelijk de oogen geheel sloten en zich zoo vast mogelijk in den zadel zetteden om zich over te geven aan den slaap, dien zij de macht niet hadden om te weêrstaan.De slaap is voor den mensch wellicht een der sterkste en onverbiddelijkste behoeften, die hem alles doet verachten, alles doet vergeten.Wie door slaap overvallen wordt, geeft er zich aan over, ongevraagd hoe of waar, en onverschillig hoe groot het gevaar is dat hem bedreigt. Honger of dorst kan men, ten minste een tijdlang, door moed en wilskracht bedwingen, maar den slaap, neen, tegen hem is niemand opgewassen en de strijd onmogelijk; hij omklemt als met fluweelen maar ijzeren hand en werpt zijn tegenstander binnen weinige minuten hijgend en overwonnen ter neder.Behalve don Martial, die altijd wakker van blik en helder van geest was gebleven, hadden de overige leden der karavaan veel van[224]somnambulen; aan hunne paarden als vastgeketend, met gesloten oogen, zonder nadenken of zelfbewustheid reden zij voort als in een droom, en in een soort van nachtmerrie, dien benauwenden toestand zonder naam, die noch slapen noch waken mag heeten, maar slechts eene verdooving is der zinnen en een kluistering der ziel.Dat duurde den geheelen nacht door.De karavaan had twintig mijlen gemaakt; de reizigers waren doodaf.Met het opgaan der zon en onder den invloed van hare koesterende stralen kwamen zij weder een weinig tot verademing; de spanning die hen beknelde hield op, zij openden de oogen, richtten zich op en keken nieuwsgierig rond; en gelijk het in zulke omstandigheden gewoonlijk gaat, volgde er een vloed van uitroepingen en vragen.De kleine karavaan had de boorden der Rio del Norte bereikt, wier troebele wateren aan deze zijde de grens der woestijn uitmaken.Don Martial, na de plaats waar zij zich bevonden nauwkeurig te hebben opgenomen, maakte op den oever der rivier zelve halt.De paarden werden van voeder voorzien, en hunne hoeven van de met zand gevulde sokken ontdaan. Wat de menschen betreft, deze moesten zich vooreerst met een teug refino vergenoegen, om nieuwe krachten te bekomen.Het landschap had hier een gansch ander aanzien; aan de overzijde der rivier was de grond met stug en sterk gras bedekt, terwijl uitgestrekte bosschen den horizont omzoomden.»Oef!” riep don Sylva zich met een onbeschrijfelijk gevoel van genot op den grond nedervlijende, »wat een rid! ik ben geheel af; als dat zoo nog een dag duren moest,voto a brios!dan hield ik het niet vol. Ik heb noch honger noch dorst, ik ga slapen.”En met dat zeggen schikte de haciendero zich zoo zacht mogelijk tot een verkwikkelijk slaapje.»Nog niet, don Sylva,” riep de Tigrero met drift terwijl hij hem duchtig bij den arm schudde, »of hebt gij lust om hier uw gebeente achter te laten?”»Loop naar den drommel! ik wil slapen, zeg ik u.”»Zeer goed,” antwoordde don Martial koelzinnig, »maar alsdoñaAnita dan in handen der Apachen valt, moet gij het mij niet wijten.”»Wat!” riep de haciendero opstaande en hem strak in de oogen ziende, »spreekt gij mij weêr van de Apachen?”»Ik herhaal u dat de Apachen ons nazetten; wij hebben nauwelijks eenige uren op hen voor, zoo wij ons niet haasten zijn wij verloren.”»Canarios! dan moeten wij vluchten!” riep don Sylva thans geheel wakker, »ik wil mijne dochter niet in handen van die duivels zien vallen.”WatdoñaAnita betreft, die wist op dit oogenblik weinig van zorg, zij sliep, zoo als de Spanjaarden zeggen, met gesloten vuisten.»Laten wij de paarden dubbel voer geven, wij vertrekken onmiddellijk,[225]en wij hebben een langen toer te maken; zij moeten in staat zijn om ons zoo ver te brengen; die weinige minuten toevens zullendoñaAnita ten goede komen om hare krachten te herstellen.”»Dat arme schaap!” zuchtte de haciendero, »van al wat er gebeurt ben ik de schuld, het is mijne vervloekte stijfhoofdigheid die haar hier gebracht heeft.”»Waartoe dat zelfverwijt, don Sylva,” zei don Martial, »wij allen hebben er schuld aan; laten wij het gebeurde vergeten, en alleen aan het tegenwoordige denken.”»Ach ja! gij hebt gelijk, waarom langer gepraat over gedane zaken? Nu ik weder geheel wakker ben, moest gij mij liever eens vertellen wat gij dezen nacht gedaan hebt en waarom gij ons zoo plotseling gedrongen hebt om te vertrekken.”»Mijn hemel! don Sylva, dat verhaal zal zeer kort zijn, maar toch geloof ik dat gij het zeer belangrijk zult vinden. Oordeel zelf. Gij zult het hooren. Nadat ik u gisteren verlaten had om op verkenning uit te gaan, gij herinnert het u immers.…?”»Zeer goed! gij zoudt het vuur gaan onderzoeken dat u zoo verdacht voorkwam.”»Juist. Welnu, ik had mij niet bedrogen, dat vuur was zooals ik wel vermoedde een kampvuur van wilden. Het was door Apachen aangelegd.Het gelukte mij ongemerkt tot hen door te dringen en hun gesprek af te luisteren. Weet gij wat zij zeiden?”»Caramba! hoe kan ik weten wat zulke domkoppen elkander te vertellen hebben?”»Niet zoo dom als gij wellicht een weinig te lichtvaardig denkt, don Sylva, een renbode bracht den sachem van den stam verslag van eene door hem volbrachte zending; onder meer andere belangrijke zaken, zeide hij een spoor van bleekgezichten te hebben ontdekt, en dat zich onder hen eene vrouw bevond.”»Caspita!” riep de haciendero met schrik, »zijt gij daar zeker van, don Martial?”»Zoo zeker zelfs, dat ik door het opperhoofd letterlijk het volgende hoorde antwoorden; luister nu wel toe, don Sylva.”»Ik ben geheel oor, vriend, ga voort.”»Met zonsopgang trekken wij snel op weg om de bleekhuiden te vervolgen; de hut van den sachem is eenzaam, hij heeft eene blanke vrouw noodig om haar te verlevendigen.”»Caramba!”»Ja. Toen wist ik genoeg van de onderneming die de Roodhuiden in den zin hebben; ik sloop even stil weg als ik gekomen was en keerde zoo spoedig mogelijk naar ons kamp terug. Het overige weet gij.”»O! o!” antwoordde don Sylva blijkbaar ontroerd en met warme belangstelling.»Ja, ik weet het overige, don Martial, en ik zeg u oprechtelijk dank niet alleen voor het goed overleg waarmede gij bij deze gelegenheid[226]zijt te werk gegaan, maar ook voor den ijver waarmede gij, zonder u aan onze tegenstribbeling te storen, ons gedwongen hebt u te volgen.”»Ik heb niet anders gedaan dan mijn plicht mij gebood, don Sylva. Heb ik u niet gezworen dat ik u getrouw zou blijven?”»Ja, mijn vriend, en gij doet uw eed ridderlijk gestand.”Sedert de haciendero don Martial had leeren kennen, was dit de eerste maal dat hij werkelijk rond en oprecht met hem sprak en hem den titel van vriend schonk.De Tigrero was er door getroffen, deze ontboezeming ging hem door de ziel, en zoo hij tot hiertoe jegens don Sylva eenige vooroordeelen was blijven koesteren, werden zij op dit oogenblik geheel bij hem uitgewischt, om in zijn hart niets dan een innig gevoel van dankbaarheid over te laten.Intusschen wasdoñaAnita gedurende dit gesprek wakker geworden, en nu hoorde zij met onbeschrijfelijk genoegen hoe vriendschappelijk zij samen spraken.Toen haar vader haar nu de reden vertelde waarom don Martial hen gedrongen had in het holst van den nacht zulk een vermoeienden tocht te ondernemen, bedankte zij den Tigrero van harte en beloonde hem met een van die teedere blikken, daar de vrouwen alleen het geheim van bezitten en in welke zij als het ware haar geheele ziel doen spreken.Toen de Tigrero zag dat zijn getrouwe ijver naar waarde geschat werd, vergat hij al zijne vermoeienis en kende hij geen ander verlangen, dan om zijne wel begonnen taak gelukkig ten einde te brengen.Zoodra de paarden gevoederd waren werd er opnieuw opgestegen.»Ik verlaat mij op u, don Martial,” zei de haciendero, »gij alleen kunt ons redden.”»Enmet Gods hulp zal ik het doen,” antwoordde de Tigrero hartstochtelijk.Men daalde in de rivier af, die op dit punt vrij breed was. In plaats van haar in eene rechte lijn over te steken, verkoos don Martial, ten einde de Roodhuiden beter van ’t spoor te helpen, liever eene poos den stroom van het water te volgen, en stuurde hij de karavaan met menige wending en kronkeling in eene schuinsche richting naar den overkant.Eindelijk aan een plek komende waar de rivier tusschen oevers van kalksteen besloten was, en dus de hoeven der paarden en muilezels geen zichtbare indruksels op het natte zand of de vochtige klei konden achterlaten, steeg hij aan wal.De karavaan had thans de woestijn verlaten. Voor haar uit lag de onmetelijke prairie, wier golvende bodem zich langzaam verheft tot de eerste heuveltrappen der Sierra Madre en der Sierra de los Comanchos. Hier was het geen woeste onvruchtbare vlakte meer, zonder bosch of gras of water. Eene overdadig welige natuur, rijk bedeeld[227]met onvergelijkelijke groeikracht, van boomen, bloemen en kruiden, tallooze vogels die vroolijk kwinkeleerden tusschen het gebladerte, dieren van allerlei soort die in deze natuurlijke weiden liepen grazen of rondhuppelden en zich verlustigden.De mensch, waar en wanneer ook, en onder welke zorgen en bemoeiingen zijn geest ook gebukt gaat, ondervindt onwillekeurig den invloed der uitwendige voorwerpen die hem omringen; eene lachende natuur maakt hem vroolijk, zoowel als een somber en dor of verlaten landschap hem tot treurigheid stemt.De reizigers gaven zich werktuigelijk over aan den weldadigen indruk der groote verandering, die het gezicht van het prachtig en heerlijk schouwspel dat de prairie hun bood bij hen teweegbracht, in vergelijking met de eenzame, dorre woestijn die zij pas verlaten en daar zij zoo lang op goed geluk in rondgedoold hadden. Deze tegenstelling was voor hen vol bekoorlijkheid en zij gevoelden daarbij den moed en de hoop in hunne harten herleven.Tegen elf ure des voormiddags echter, waren de paarden zoo moê geloopen, dat men zich genoodzaakt zag te kampeeren om hun eenige uren rust te gunnen en de grootste hitte van den dag te laten voorbijgaan.Don Martial koos daartoe de kruin van een boschrijken heuvel, van waar men den ganschen omtrek kon overzien, terwijl men zelf tusschen het geboomte onzichtbaar bleef.Toen men echter een vuur wilde aanleggen om spijzen te koken, verzette de Tigrero er zich tegen, daar de rook alleen genoeg zou zijn geweest om hunnen schuilhoek kenbaar te maken, en in de tegenwoordige oogenblikken konden zij niet te voorzichtig zijn; want dat de Apachen met zonsopgang waren opgebroken om hen te vervolgen was maar al te zeker; en deze fijne windhonden het spoor bijster te maken, was eene volstrekte noodzakelijkheid. Ondanks al zijne voorzorgen, twijfelde de Tigrero nog altijd of het hem gelukken zou de in dit opzicht zoo slimme Roodhuiden te verschalken.Na in der haast een paar maïskoekjes gegeten te hebben liet hij zijne kameraden de weinige rust genieten, die zij zoo grootelijks behoefden, en stond op om den omtrek te bespieden en te zien of hij ook iets ontdekken kon dat hun veiliger uitweg of althans zekerder schuilplaats aanbood.De Tigrero was een man als van ijzer, de vermoeienis had geen vat op hem; zijn wilskracht was zoo vast dat zij aan alles weêrstand bood, en de zucht om de vrouw die hij lief had voor onheil te behoeden verleende hem schier bovennatuurlijke sterkte.Langzaam daalde hij den heuvel af, lettende op iederen struik, rondziende ieder oogenblik, en niet dan met de uiterste behoedzaamheid, met de hand aan den trekker van zijn geweer en met het oor gespitst op het minste geluid.Toen hij in de vlakte kwam, waar hij, dank zij het hooge prairiegras,[228]door niemand gezien kon worden, stapte hij haastig voort in de richting van een donker en dicht bosch, welks eerste geboomte zich bijna tot aan den voet des heuvels uitstrekte.Dit bosch bleek inderdaad te zijn wat hij reeds vermoedde, namelijk een ongerept natuurwoud; de boomen waren door de menigte lianen en slingerplanten zoo vast aan elkander geweven dat zij een ondoordringbaar net vormden, waar men zich alleen met de hakbijl of door middel van vuur een doortocht had kunnen banen.Als hij alleen ware geweest zou de Tigrero tegen dit schijnbaar onoverkomelijk bezwaar niet hebben opgezien; of anders met zijne gewone behendigheid en kracht den weg tusschen hemel en aarde gekozen en zich van tak tot tak of over de toppen der boomen hebben gewaagd, zoo als hij wel meer gedaan had. Maar wat een man zoo onvervaard en sterk als hij had kunnen doen, daaraan viel voor eene zwakke, vreesachtige vrouw niet te denken.Hij was geheel buiten raad. Een oogenblik voelde de Tigrero den moed hem ontzinken, maar dit duurde ook slechts een oogenblik. Met fierheid verhief hij zich weder en kreeg terstond al zijne zielskracht terug; hij stapte voort naar het bosch, dat hij voor een gedeelte langs ging, speurend en spiedend als een roofdier dat zijn prooi zoekt.Op eens slaakte hij een half gesmoorden kreet van verrassing.Hij had gevonden wat hij bijna niet durfde hopen te zullen ontdekken.Voor hem uit, onder een dicht gewelf van groene takken en bladen, kronkelde een dier smalle, donkere paden of loopsporen, door het wild gedierte reeds sedert eeuwen getrokken om bij nacht naar de rivier te gaan drinken, en die alleen een geoefend oog als dat van den Tigrero in staat was te ontdekken; onverschrokken waagde hij er zich in en stapte een geruimen tijd voort.Gelijk alle door roofdieren getrokken sporen, liep ook dit met tallooze omwegen en keerde menigmaal op zich zelve terug. Na het een tijd lang gevolgd te zijn, had de Tigrero genoeg gezien en besloot hij dadelijk naar den heuvel terug te keeren.Zijne kameraden, niet weinig ongerust over zijn lang uitblijven verwachtten hem reeds met ongeduld en ontvingen hem met groote blijdschap. Hij gaf hun verslag van het door hem gevonden spoor en van hetgeen hij verder gezien had.Intusschen, terwijl don Martial alzoo op verkenning uit was geweest, had ook een der peons niet stil gezeten, maar aan de eene zijde van den heuvel daar de karavaan kampeerde eene ontdekking gedaan, die in de gegeven omstandigheden voor de reizigers onwaardeerbaar was.Voor tijdverblijf en zonder bepaald doel in den omtrek ronddolende, had hij den ingang eener grot ontdekt, in welke hij echter niet durfde binnengaan, uit vrees dat hij misschien onverwachts door een of ander roofdier zou overvallen worden.[229]Don Martial trilde van blijdschap bij dit bericht, hij nam een ocote-fakkel en gelastte den peon hem naar de grot te brengen.Zij lag slechts weinige schreden ver, aan de zijde des heuvels die op de rivier uitzag.De toegang was zoodanig met struiken en woekerplanten bezet, dat er blijkbaar sinds lange jaren geen levend schepsel was binnengedrongen.De Tigrero boog de struiken met de meeste behendigheid en zorg uit elkander, ten einde ze niet te beschadigen, en sloop de spelonk binnen. De ingang was tamelijk hoog, ofschoon dan ook nauw. Alvorens verder te gaan, sloeg hij vuur en ontstak zijn toorts.De spelonk was een door de natuur gevormde onderaardsche gang, zooals men er in deze streken meerdere aantreft, de wanden waren steil en droog, de grond bestond uit fijn zand. Zij ontving waarschijnlijk versche lucht door onzichtbare spleten, want geen dierlijke of verstikkende uitwasemingen lieten er zich in bespeuren, en men haalde er onbelemmerd adem, kortom, ofschoon vrij donker, was zij wel geschikt om te bewonen. Met een zacht afglooienden bodem, terwijl het gewelf langzamerhand lager werd, liep zij uit in een groote zaal, in welks midden een diepe kolk was, daar don Martial ondanks het heldere licht van zijn fakkel onmogelijk den bodem van kon zien. Hij keek hier een oogenblik rond en zag een stuk steen liggen dat waarschijnlijk van het gewelf was gevallen, nam het en wierp het in den afgrond.Vrij lang hoorde men den steen, langs de wanden kaatsend naar beneden vallen en eindelijk klotsen, als een zwaar voorwerp dat in het water stort.Don Martial wist nu al wat hij verlangde te weten. Hij ging om de kolk heen en vervolgde zijn weg in een vrij engen tunnel, die snel afwaarts daalde. Na op deze wijs omtrent tien minuten te zijn voortgestapt, bespeurde hij in de verte daglicht. De grot had twee uitgangen!Nu haastte hij zich terug te keeren.»Wij zijn gered!” riep hij vroolijk tegen zijn gezellen; »kom, haast u en volg mij, wij hebben geen oogenblik te verliezen, om de schuilplaats te bereiken die de Voorzienigheid ons zoo gunstig aanbiedt.”Allen stonden op om hem te volgen.»Maar,” merkte don Sylva aan, »onze paarden, wat zullen wij daarmede doen?”»Maak u daar niet ongerust over, ik weet waar ik ze verbergen moet. Laten wij onze levensmiddelen naar de grot brengen, want naar alle waarschijnlijkheid zullen wij genoodzaakt zijn er eenigen tijd te blijven, bewaren wij dus hier ook de zadels en tuigen, daar ik buiten de grot geen plaats voor zou weten. Wat de paarden aangaat, dat is mijne zaak.”[230]Allen gingen thans aan ’t werk met dien koortsachtigen ijver dien de hoop op ontsnapping aan een dreigend gevaar gewoonlijk inboezemt, en na verloop van een uur op zijn langst waren de pakgoederen, de levensmiddelen en de menschen in de grot verborgen en in veiligheid.Don Martial bracht de struiken weder in orde, om de sporen waar zijne kameraden waren doorgegaan, te doen verdwijnen; daarop haalde hij ruimer adem, met het zoete gevoel van welvoldaanheid dat steeds op het gelukken van een stout, schier onuitvoerlijk plan volgt, en beklom den top van den heuvel.Hij koppelde de paarden met behulp van een lasso en leidde hen den berg af naar de vlakte, in de richting van het bosch, waar hij weldra in de kronkelingen van het vroeger door hem gevonden loopspoor verdween.Het pad was smal, zoodat de paarden er niet dan achter elkander en dan nog met groote moeite door konden. Eindelijk bereikte hij een klein open kamp, waar hij de arme dieren aan hun lot overliet, hun al den voorraad boonen en klaver achterlatende, die hij uit voorzorg met de muildieren had medegenomen.De Tigrero wist vooruit wel dat de paarden en muilezels zich uit eigen beweging niet ver van de plaats zouden verwijderen waar hij hen moest achterlaten, en dat hij hen, zoodra hij ze weder noodig had, gemakkelijk zou terugvinden.Al deze bemoeiingen namen veel tijd weg; de dag spoedde reeds ten einde eer don Martial voor goed het bosch verliet.De zon, tot dicht aan de kimmen gedaald, vertoonde zich als een schitterende vuurbol bijna met de oppervlakte der aarde gelijk. De schaduw der boomen verlengde zich tot in het oneindige; de avondkoelte verhief zich met zacht geblaas tusschen de hoogste toppen van het geboomte; reeds hoorde men van tijd tot tijd in de diepte der bosschen eenige rauwe kreten opgaan, ten bewijze dat de roofdieren ontwaakten, die gevreesde gasten der wildernis! wier ongestoorde heerschappij over de prairie een aanvang nam om er gedurende den nacht als onbeperkte koningen te regeeren.Nogmaals naar den top des heuvels teruggekeerd, eer hij zich naar de grot zou begeven, bespiedde don Martial den gezichteinder in het laatste licht der stervende zonnestralen.Op eens verbleekte hij, eene zenuwachtige huivering liep hem door de leden; zijne oogen, door schrik wijder geopend, bleven onafgewend op de rivier gericht, en stampvoetend mompelde hij met eene half gesmoorde stem:»Reeds daar!.… die duivels!”Wat de Tigrero gezien had was werkelijk om van te beven.Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over. Bladz. 230.Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over. Bladz. 230.Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over, juist op het zelfde punt waar hij er met zijne reismakkers eenige uren vroeger was overgegaan.De Tigrero volgde hunne bewegingen met klimmende ongerustheid.[231]Aan den anderen oever komende, zetten zij zonder zich op te houden hun tocht voort juist langs denzelfden weg dien hij met zijne kameraden gekozen had.Er viel niet meer aan te twijfelen; de Apachen hadden zich door de listige voorbehoedmiddelen van den Tigrero niet laten bedriegen, maar waren de karavaan rechtstreeks gevolgd en kwamen nu met allen spoed opzetten. In minder dan een uur konden zij den heuvel bereiken, en als dat gebeurde, met hunne duivelsche behendigheid in het ontdekken van sporen, was het ergste te vreezen!Den Tigrero klopte het hart in den boezem alsof het dreigde te barsten. Hij klom ijlings den heuvel af en half waanzinnig van teleurstelling stormde hij de grot in.Toen de anderen hem zoo bleek en verwilderd zagen binnenkomen, snelden zij hem verschrikt te gemoet.»Wat schort u?” vroegen allen.»Wij zijn verloren!” riep hij wanhopig, »daar zijn de Apachen!”»De Apachen!” herhaalden zij met schrik.»O, mijn God! red mij, red mij!.…” riepdoñaAnita op de knieën zinkend en de handen angstig samenvouwend.De Tigrero snelde naar het meisje, richtte haar op en nam haar met de kracht van een razende in zijne armen en zich tot den haciendero wendende, riep hij:»Kom! Kom! volg mij! misschien blijft ons nog eene kans op behoud over!”Hiermede ijlde hij de diepte der grot in; al de anderen volgden hem.Zoo liepen zij een geruimen tijd voort.DoñaAnita, die half in onmacht lag, liet haar schoone maar doodsbleeke hoofd op den schouder van den Tigrero rusten.Deze spoedde zich altoos verder.»Kijk! kijk! daar ginds,” riep hij in de verte wijzende, »weldra zijn wij behouden!”Zijne kameraden slaakten een kreet van blijde verrassing; zij hadden, voor zich uit, de tweede opening der grot gezien.Plotseling, juist op het oogenblik toen don Martial den uitgang bereikte, en naar buiten meende te snellen, stond er een man voor hem.Die man was de Zwarte-Beer.De Tigrero sprong met een brullenden kreet als een wild dier terug.»Ooah!” riep de Apache op spottenden toon, »mijn broeder weet wel dat ik die vrouw bemin; en om mij te behagen haast hij zich mij haar zelf te brengen.”»Gij hebt haar nog niet, demon!” krijschte don Martial, terwijl hijdoñaAnita nederzette en voor haar ging staan met een pistool in elke hand; »kom haar halen.”Achter zich in de diepte der grot hoorde hij voetstappen, die snel naderden.[232]De Mexicanen werden dus tusschen twee vuren gebracht!De Zwarte-Beer, met het oog op den Tigrero gericht, bespiedde al diens bewegingen; plotseling nam hij zijne kans waar en sprong als een tijgerkat vooruit met een woesten aanvalskreet.Don Martial loste zijne pistolen op den Apache en greep hem met de armen om het lijf.De beide mannen rolden over den grond, elkaâr omstrengelend als twee slangen.Don Sylva en de peons vochten als wanhopigen tegen de andere Indianen.

XXIII.DE APACHEN.

Niets is akeliger dan een tocht door de woestijn bij nacht, en onder zulke omstandigheden als die onze reizigers noodzaakten tot eene overhaaste vlucht.De nacht is de vader der spoken; in de schemering wordt het vroolijkste landschap somber en zwart; al het wezenlijke schijnt van gedaante te wisselen, en het onwezenlijke krijgt eene gestalte om den reiziger te verschrikken; zelfs de maan, hoe helder zij schijnen mag, geeft aan de voorwerpen een spookachtig aanzien en een nog spookachtiger schaduw, die wel in staat is den stoutste te doen sidderen.De doodsche stilte der woestijn, hare onbegrensde eenzaamheid, die den armen reiziger van alle kanten omgeeft, drukt en benauwt, en door zijne kranke verbeelding met schrikgestalten bevolkt wordt; de tastbare duisternis, die hem opsluit als in een looden doodkist: alles spant samen om zijn brein te ontstellen en hem, om het zoo eens te noemen, een angstkoorts aan te jagen, die de levenwekkende luister der opgaande zon alleen in staat is weder te verdrijven.Onwillekeurig ondergingen onze reizigers den druk van al deze verschrikkingen, die hun geschokte hersengestel te voorschijn riep; zij renden voort in den tastbaren nacht, zonder—althans de meesten hunner—te weten waarom of waarheen; zij bekommerden er zich ook niet om; met een bezwaard hoofd, benevelde zinnen, door sluimerzucht bevangen blik, en de oogen half gesloten, hadden zij slechts ééne gedachte: slapen. Zwaaiend en dommelend door hunne voortstormende paarden gedragen en met duizelingwekkende snelheid weggevoerd, schenen de dorre rotsen en enkele hier en daar verspreide boomen hun als in een satanischen wedren voorbij te vliegen, tot zij eindelijk de oogen geheel sloten en zich zoo vast mogelijk in den zadel zetteden om zich over te geven aan den slaap, dien zij de macht niet hadden om te weêrstaan.De slaap is voor den mensch wellicht een der sterkste en onverbiddelijkste behoeften, die hem alles doet verachten, alles doet vergeten.Wie door slaap overvallen wordt, geeft er zich aan over, ongevraagd hoe of waar, en onverschillig hoe groot het gevaar is dat hem bedreigt. Honger of dorst kan men, ten minste een tijdlang, door moed en wilskracht bedwingen, maar den slaap, neen, tegen hem is niemand opgewassen en de strijd onmogelijk; hij omklemt als met fluweelen maar ijzeren hand en werpt zijn tegenstander binnen weinige minuten hijgend en overwonnen ter neder.Behalve don Martial, die altijd wakker van blik en helder van geest was gebleven, hadden de overige leden der karavaan veel van[224]somnambulen; aan hunne paarden als vastgeketend, met gesloten oogen, zonder nadenken of zelfbewustheid reden zij voort als in een droom, en in een soort van nachtmerrie, dien benauwenden toestand zonder naam, die noch slapen noch waken mag heeten, maar slechts eene verdooving is der zinnen en een kluistering der ziel.Dat duurde den geheelen nacht door.De karavaan had twintig mijlen gemaakt; de reizigers waren doodaf.Met het opgaan der zon en onder den invloed van hare koesterende stralen kwamen zij weder een weinig tot verademing; de spanning die hen beknelde hield op, zij openden de oogen, richtten zich op en keken nieuwsgierig rond; en gelijk het in zulke omstandigheden gewoonlijk gaat, volgde er een vloed van uitroepingen en vragen.De kleine karavaan had de boorden der Rio del Norte bereikt, wier troebele wateren aan deze zijde de grens der woestijn uitmaken.Don Martial, na de plaats waar zij zich bevonden nauwkeurig te hebben opgenomen, maakte op den oever der rivier zelve halt.De paarden werden van voeder voorzien, en hunne hoeven van de met zand gevulde sokken ontdaan. Wat de menschen betreft, deze moesten zich vooreerst met een teug refino vergenoegen, om nieuwe krachten te bekomen.Het landschap had hier een gansch ander aanzien; aan de overzijde der rivier was de grond met stug en sterk gras bedekt, terwijl uitgestrekte bosschen den horizont omzoomden.»Oef!” riep don Sylva zich met een onbeschrijfelijk gevoel van genot op den grond nedervlijende, »wat een rid! ik ben geheel af; als dat zoo nog een dag duren moest,voto a brios!dan hield ik het niet vol. Ik heb noch honger noch dorst, ik ga slapen.”En met dat zeggen schikte de haciendero zich zoo zacht mogelijk tot een verkwikkelijk slaapje.»Nog niet, don Sylva,” riep de Tigrero met drift terwijl hij hem duchtig bij den arm schudde, »of hebt gij lust om hier uw gebeente achter te laten?”»Loop naar den drommel! ik wil slapen, zeg ik u.”»Zeer goed,” antwoordde don Martial koelzinnig, »maar alsdoñaAnita dan in handen der Apachen valt, moet gij het mij niet wijten.”»Wat!” riep de haciendero opstaande en hem strak in de oogen ziende, »spreekt gij mij weêr van de Apachen?”»Ik herhaal u dat de Apachen ons nazetten; wij hebben nauwelijks eenige uren op hen voor, zoo wij ons niet haasten zijn wij verloren.”»Canarios! dan moeten wij vluchten!” riep don Sylva thans geheel wakker, »ik wil mijne dochter niet in handen van die duivels zien vallen.”WatdoñaAnita betreft, die wist op dit oogenblik weinig van zorg, zij sliep, zoo als de Spanjaarden zeggen, met gesloten vuisten.»Laten wij de paarden dubbel voer geven, wij vertrekken onmiddellijk,[225]en wij hebben een langen toer te maken; zij moeten in staat zijn om ons zoo ver te brengen; die weinige minuten toevens zullendoñaAnita ten goede komen om hare krachten te herstellen.”»Dat arme schaap!” zuchtte de haciendero, »van al wat er gebeurt ben ik de schuld, het is mijne vervloekte stijfhoofdigheid die haar hier gebracht heeft.”»Waartoe dat zelfverwijt, don Sylva,” zei don Martial, »wij allen hebben er schuld aan; laten wij het gebeurde vergeten, en alleen aan het tegenwoordige denken.”»Ach ja! gij hebt gelijk, waarom langer gepraat over gedane zaken? Nu ik weder geheel wakker ben, moest gij mij liever eens vertellen wat gij dezen nacht gedaan hebt en waarom gij ons zoo plotseling gedrongen hebt om te vertrekken.”»Mijn hemel! don Sylva, dat verhaal zal zeer kort zijn, maar toch geloof ik dat gij het zeer belangrijk zult vinden. Oordeel zelf. Gij zult het hooren. Nadat ik u gisteren verlaten had om op verkenning uit te gaan, gij herinnert het u immers.…?”»Zeer goed! gij zoudt het vuur gaan onderzoeken dat u zoo verdacht voorkwam.”»Juist. Welnu, ik had mij niet bedrogen, dat vuur was zooals ik wel vermoedde een kampvuur van wilden. Het was door Apachen aangelegd.Het gelukte mij ongemerkt tot hen door te dringen en hun gesprek af te luisteren. Weet gij wat zij zeiden?”»Caramba! hoe kan ik weten wat zulke domkoppen elkander te vertellen hebben?”»Niet zoo dom als gij wellicht een weinig te lichtvaardig denkt, don Sylva, een renbode bracht den sachem van den stam verslag van eene door hem volbrachte zending; onder meer andere belangrijke zaken, zeide hij een spoor van bleekgezichten te hebben ontdekt, en dat zich onder hen eene vrouw bevond.”»Caspita!” riep de haciendero met schrik, »zijt gij daar zeker van, don Martial?”»Zoo zeker zelfs, dat ik door het opperhoofd letterlijk het volgende hoorde antwoorden; luister nu wel toe, don Sylva.”»Ik ben geheel oor, vriend, ga voort.”»Met zonsopgang trekken wij snel op weg om de bleekhuiden te vervolgen; de hut van den sachem is eenzaam, hij heeft eene blanke vrouw noodig om haar te verlevendigen.”»Caramba!”»Ja. Toen wist ik genoeg van de onderneming die de Roodhuiden in den zin hebben; ik sloop even stil weg als ik gekomen was en keerde zoo spoedig mogelijk naar ons kamp terug. Het overige weet gij.”»O! o!” antwoordde don Sylva blijkbaar ontroerd en met warme belangstelling.»Ja, ik weet het overige, don Martial, en ik zeg u oprechtelijk dank niet alleen voor het goed overleg waarmede gij bij deze gelegenheid[226]zijt te werk gegaan, maar ook voor den ijver waarmede gij, zonder u aan onze tegenstribbeling te storen, ons gedwongen hebt u te volgen.”»Ik heb niet anders gedaan dan mijn plicht mij gebood, don Sylva. Heb ik u niet gezworen dat ik u getrouw zou blijven?”»Ja, mijn vriend, en gij doet uw eed ridderlijk gestand.”Sedert de haciendero don Martial had leeren kennen, was dit de eerste maal dat hij werkelijk rond en oprecht met hem sprak en hem den titel van vriend schonk.De Tigrero was er door getroffen, deze ontboezeming ging hem door de ziel, en zoo hij tot hiertoe jegens don Sylva eenige vooroordeelen was blijven koesteren, werden zij op dit oogenblik geheel bij hem uitgewischt, om in zijn hart niets dan een innig gevoel van dankbaarheid over te laten.Intusschen wasdoñaAnita gedurende dit gesprek wakker geworden, en nu hoorde zij met onbeschrijfelijk genoegen hoe vriendschappelijk zij samen spraken.Toen haar vader haar nu de reden vertelde waarom don Martial hen gedrongen had in het holst van den nacht zulk een vermoeienden tocht te ondernemen, bedankte zij den Tigrero van harte en beloonde hem met een van die teedere blikken, daar de vrouwen alleen het geheim van bezitten en in welke zij als het ware haar geheele ziel doen spreken.Toen de Tigrero zag dat zijn getrouwe ijver naar waarde geschat werd, vergat hij al zijne vermoeienis en kende hij geen ander verlangen, dan om zijne wel begonnen taak gelukkig ten einde te brengen.Zoodra de paarden gevoederd waren werd er opnieuw opgestegen.»Ik verlaat mij op u, don Martial,” zei de haciendero, »gij alleen kunt ons redden.”»Enmet Gods hulp zal ik het doen,” antwoordde de Tigrero hartstochtelijk.Men daalde in de rivier af, die op dit punt vrij breed was. In plaats van haar in eene rechte lijn over te steken, verkoos don Martial, ten einde de Roodhuiden beter van ’t spoor te helpen, liever eene poos den stroom van het water te volgen, en stuurde hij de karavaan met menige wending en kronkeling in eene schuinsche richting naar den overkant.Eindelijk aan een plek komende waar de rivier tusschen oevers van kalksteen besloten was, en dus de hoeven der paarden en muilezels geen zichtbare indruksels op het natte zand of de vochtige klei konden achterlaten, steeg hij aan wal.De karavaan had thans de woestijn verlaten. Voor haar uit lag de onmetelijke prairie, wier golvende bodem zich langzaam verheft tot de eerste heuveltrappen der Sierra Madre en der Sierra de los Comanchos. Hier was het geen woeste onvruchtbare vlakte meer, zonder bosch of gras of water. Eene overdadig welige natuur, rijk bedeeld[227]met onvergelijkelijke groeikracht, van boomen, bloemen en kruiden, tallooze vogels die vroolijk kwinkeleerden tusschen het gebladerte, dieren van allerlei soort die in deze natuurlijke weiden liepen grazen of rondhuppelden en zich verlustigden.De mensch, waar en wanneer ook, en onder welke zorgen en bemoeiingen zijn geest ook gebukt gaat, ondervindt onwillekeurig den invloed der uitwendige voorwerpen die hem omringen; eene lachende natuur maakt hem vroolijk, zoowel als een somber en dor of verlaten landschap hem tot treurigheid stemt.De reizigers gaven zich werktuigelijk over aan den weldadigen indruk der groote verandering, die het gezicht van het prachtig en heerlijk schouwspel dat de prairie hun bood bij hen teweegbracht, in vergelijking met de eenzame, dorre woestijn die zij pas verlaten en daar zij zoo lang op goed geluk in rondgedoold hadden. Deze tegenstelling was voor hen vol bekoorlijkheid en zij gevoelden daarbij den moed en de hoop in hunne harten herleven.Tegen elf ure des voormiddags echter, waren de paarden zoo moê geloopen, dat men zich genoodzaakt zag te kampeeren om hun eenige uren rust te gunnen en de grootste hitte van den dag te laten voorbijgaan.Don Martial koos daartoe de kruin van een boschrijken heuvel, van waar men den ganschen omtrek kon overzien, terwijl men zelf tusschen het geboomte onzichtbaar bleef.Toen men echter een vuur wilde aanleggen om spijzen te koken, verzette de Tigrero er zich tegen, daar de rook alleen genoeg zou zijn geweest om hunnen schuilhoek kenbaar te maken, en in de tegenwoordige oogenblikken konden zij niet te voorzichtig zijn; want dat de Apachen met zonsopgang waren opgebroken om hen te vervolgen was maar al te zeker; en deze fijne windhonden het spoor bijster te maken, was eene volstrekte noodzakelijkheid. Ondanks al zijne voorzorgen, twijfelde de Tigrero nog altijd of het hem gelukken zou de in dit opzicht zoo slimme Roodhuiden te verschalken.Na in der haast een paar maïskoekjes gegeten te hebben liet hij zijne kameraden de weinige rust genieten, die zij zoo grootelijks behoefden, en stond op om den omtrek te bespieden en te zien of hij ook iets ontdekken kon dat hun veiliger uitweg of althans zekerder schuilplaats aanbood.De Tigrero was een man als van ijzer, de vermoeienis had geen vat op hem; zijn wilskracht was zoo vast dat zij aan alles weêrstand bood, en de zucht om de vrouw die hij lief had voor onheil te behoeden verleende hem schier bovennatuurlijke sterkte.Langzaam daalde hij den heuvel af, lettende op iederen struik, rondziende ieder oogenblik, en niet dan met de uiterste behoedzaamheid, met de hand aan den trekker van zijn geweer en met het oor gespitst op het minste geluid.Toen hij in de vlakte kwam, waar hij, dank zij het hooge prairiegras,[228]door niemand gezien kon worden, stapte hij haastig voort in de richting van een donker en dicht bosch, welks eerste geboomte zich bijna tot aan den voet des heuvels uitstrekte.Dit bosch bleek inderdaad te zijn wat hij reeds vermoedde, namelijk een ongerept natuurwoud; de boomen waren door de menigte lianen en slingerplanten zoo vast aan elkander geweven dat zij een ondoordringbaar net vormden, waar men zich alleen met de hakbijl of door middel van vuur een doortocht had kunnen banen.Als hij alleen ware geweest zou de Tigrero tegen dit schijnbaar onoverkomelijk bezwaar niet hebben opgezien; of anders met zijne gewone behendigheid en kracht den weg tusschen hemel en aarde gekozen en zich van tak tot tak of over de toppen der boomen hebben gewaagd, zoo als hij wel meer gedaan had. Maar wat een man zoo onvervaard en sterk als hij had kunnen doen, daaraan viel voor eene zwakke, vreesachtige vrouw niet te denken.Hij was geheel buiten raad. Een oogenblik voelde de Tigrero den moed hem ontzinken, maar dit duurde ook slechts een oogenblik. Met fierheid verhief hij zich weder en kreeg terstond al zijne zielskracht terug; hij stapte voort naar het bosch, dat hij voor een gedeelte langs ging, speurend en spiedend als een roofdier dat zijn prooi zoekt.Op eens slaakte hij een half gesmoorden kreet van verrassing.Hij had gevonden wat hij bijna niet durfde hopen te zullen ontdekken.Voor hem uit, onder een dicht gewelf van groene takken en bladen, kronkelde een dier smalle, donkere paden of loopsporen, door het wild gedierte reeds sedert eeuwen getrokken om bij nacht naar de rivier te gaan drinken, en die alleen een geoefend oog als dat van den Tigrero in staat was te ontdekken; onverschrokken waagde hij er zich in en stapte een geruimen tijd voort.Gelijk alle door roofdieren getrokken sporen, liep ook dit met tallooze omwegen en keerde menigmaal op zich zelve terug. Na het een tijd lang gevolgd te zijn, had de Tigrero genoeg gezien en besloot hij dadelijk naar den heuvel terug te keeren.Zijne kameraden, niet weinig ongerust over zijn lang uitblijven verwachtten hem reeds met ongeduld en ontvingen hem met groote blijdschap. Hij gaf hun verslag van het door hem gevonden spoor en van hetgeen hij verder gezien had.Intusschen, terwijl don Martial alzoo op verkenning uit was geweest, had ook een der peons niet stil gezeten, maar aan de eene zijde van den heuvel daar de karavaan kampeerde eene ontdekking gedaan, die in de gegeven omstandigheden voor de reizigers onwaardeerbaar was.Voor tijdverblijf en zonder bepaald doel in den omtrek ronddolende, had hij den ingang eener grot ontdekt, in welke hij echter niet durfde binnengaan, uit vrees dat hij misschien onverwachts door een of ander roofdier zou overvallen worden.[229]Don Martial trilde van blijdschap bij dit bericht, hij nam een ocote-fakkel en gelastte den peon hem naar de grot te brengen.Zij lag slechts weinige schreden ver, aan de zijde des heuvels die op de rivier uitzag.De toegang was zoodanig met struiken en woekerplanten bezet, dat er blijkbaar sinds lange jaren geen levend schepsel was binnengedrongen.De Tigrero boog de struiken met de meeste behendigheid en zorg uit elkander, ten einde ze niet te beschadigen, en sloop de spelonk binnen. De ingang was tamelijk hoog, ofschoon dan ook nauw. Alvorens verder te gaan, sloeg hij vuur en ontstak zijn toorts.De spelonk was een door de natuur gevormde onderaardsche gang, zooals men er in deze streken meerdere aantreft, de wanden waren steil en droog, de grond bestond uit fijn zand. Zij ontving waarschijnlijk versche lucht door onzichtbare spleten, want geen dierlijke of verstikkende uitwasemingen lieten er zich in bespeuren, en men haalde er onbelemmerd adem, kortom, ofschoon vrij donker, was zij wel geschikt om te bewonen. Met een zacht afglooienden bodem, terwijl het gewelf langzamerhand lager werd, liep zij uit in een groote zaal, in welks midden een diepe kolk was, daar don Martial ondanks het heldere licht van zijn fakkel onmogelijk den bodem van kon zien. Hij keek hier een oogenblik rond en zag een stuk steen liggen dat waarschijnlijk van het gewelf was gevallen, nam het en wierp het in den afgrond.Vrij lang hoorde men den steen, langs de wanden kaatsend naar beneden vallen en eindelijk klotsen, als een zwaar voorwerp dat in het water stort.Don Martial wist nu al wat hij verlangde te weten. Hij ging om de kolk heen en vervolgde zijn weg in een vrij engen tunnel, die snel afwaarts daalde. Na op deze wijs omtrent tien minuten te zijn voortgestapt, bespeurde hij in de verte daglicht. De grot had twee uitgangen!Nu haastte hij zich terug te keeren.»Wij zijn gered!” riep hij vroolijk tegen zijn gezellen; »kom, haast u en volg mij, wij hebben geen oogenblik te verliezen, om de schuilplaats te bereiken die de Voorzienigheid ons zoo gunstig aanbiedt.”Allen stonden op om hem te volgen.»Maar,” merkte don Sylva aan, »onze paarden, wat zullen wij daarmede doen?”»Maak u daar niet ongerust over, ik weet waar ik ze verbergen moet. Laten wij onze levensmiddelen naar de grot brengen, want naar alle waarschijnlijkheid zullen wij genoodzaakt zijn er eenigen tijd te blijven, bewaren wij dus hier ook de zadels en tuigen, daar ik buiten de grot geen plaats voor zou weten. Wat de paarden aangaat, dat is mijne zaak.”[230]Allen gingen thans aan ’t werk met dien koortsachtigen ijver dien de hoop op ontsnapping aan een dreigend gevaar gewoonlijk inboezemt, en na verloop van een uur op zijn langst waren de pakgoederen, de levensmiddelen en de menschen in de grot verborgen en in veiligheid.Don Martial bracht de struiken weder in orde, om de sporen waar zijne kameraden waren doorgegaan, te doen verdwijnen; daarop haalde hij ruimer adem, met het zoete gevoel van welvoldaanheid dat steeds op het gelukken van een stout, schier onuitvoerlijk plan volgt, en beklom den top van den heuvel.Hij koppelde de paarden met behulp van een lasso en leidde hen den berg af naar de vlakte, in de richting van het bosch, waar hij weldra in de kronkelingen van het vroeger door hem gevonden loopspoor verdween.Het pad was smal, zoodat de paarden er niet dan achter elkander en dan nog met groote moeite door konden. Eindelijk bereikte hij een klein open kamp, waar hij de arme dieren aan hun lot overliet, hun al den voorraad boonen en klaver achterlatende, die hij uit voorzorg met de muildieren had medegenomen.De Tigrero wist vooruit wel dat de paarden en muilezels zich uit eigen beweging niet ver van de plaats zouden verwijderen waar hij hen moest achterlaten, en dat hij hen, zoodra hij ze weder noodig had, gemakkelijk zou terugvinden.Al deze bemoeiingen namen veel tijd weg; de dag spoedde reeds ten einde eer don Martial voor goed het bosch verliet.De zon, tot dicht aan de kimmen gedaald, vertoonde zich als een schitterende vuurbol bijna met de oppervlakte der aarde gelijk. De schaduw der boomen verlengde zich tot in het oneindige; de avondkoelte verhief zich met zacht geblaas tusschen de hoogste toppen van het geboomte; reeds hoorde men van tijd tot tijd in de diepte der bosschen eenige rauwe kreten opgaan, ten bewijze dat de roofdieren ontwaakten, die gevreesde gasten der wildernis! wier ongestoorde heerschappij over de prairie een aanvang nam om er gedurende den nacht als onbeperkte koningen te regeeren.Nogmaals naar den top des heuvels teruggekeerd, eer hij zich naar de grot zou begeven, bespiedde don Martial den gezichteinder in het laatste licht der stervende zonnestralen.Op eens verbleekte hij, eene zenuwachtige huivering liep hem door de leden; zijne oogen, door schrik wijder geopend, bleven onafgewend op de rivier gericht, en stampvoetend mompelde hij met eene half gesmoorde stem:»Reeds daar!.… die duivels!”Wat de Tigrero gezien had was werkelijk om van te beven.Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over. Bladz. 230.Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over. Bladz. 230.Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over, juist op het zelfde punt waar hij er met zijne reismakkers eenige uren vroeger was overgegaan.De Tigrero volgde hunne bewegingen met klimmende ongerustheid.[231]Aan den anderen oever komende, zetten zij zonder zich op te houden hun tocht voort juist langs denzelfden weg dien hij met zijne kameraden gekozen had.Er viel niet meer aan te twijfelen; de Apachen hadden zich door de listige voorbehoedmiddelen van den Tigrero niet laten bedriegen, maar waren de karavaan rechtstreeks gevolgd en kwamen nu met allen spoed opzetten. In minder dan een uur konden zij den heuvel bereiken, en als dat gebeurde, met hunne duivelsche behendigheid in het ontdekken van sporen, was het ergste te vreezen!Den Tigrero klopte het hart in den boezem alsof het dreigde te barsten. Hij klom ijlings den heuvel af en half waanzinnig van teleurstelling stormde hij de grot in.Toen de anderen hem zoo bleek en verwilderd zagen binnenkomen, snelden zij hem verschrikt te gemoet.»Wat schort u?” vroegen allen.»Wij zijn verloren!” riep hij wanhopig, »daar zijn de Apachen!”»De Apachen!” herhaalden zij met schrik.»O, mijn God! red mij, red mij!.…” riepdoñaAnita op de knieën zinkend en de handen angstig samenvouwend.De Tigrero snelde naar het meisje, richtte haar op en nam haar met de kracht van een razende in zijne armen en zich tot den haciendero wendende, riep hij:»Kom! Kom! volg mij! misschien blijft ons nog eene kans op behoud over!”Hiermede ijlde hij de diepte der grot in; al de anderen volgden hem.Zoo liepen zij een geruimen tijd voort.DoñaAnita, die half in onmacht lag, liet haar schoone maar doodsbleeke hoofd op den schouder van den Tigrero rusten.Deze spoedde zich altoos verder.»Kijk! kijk! daar ginds,” riep hij in de verte wijzende, »weldra zijn wij behouden!”Zijne kameraden slaakten een kreet van blijde verrassing; zij hadden, voor zich uit, de tweede opening der grot gezien.Plotseling, juist op het oogenblik toen don Martial den uitgang bereikte, en naar buiten meende te snellen, stond er een man voor hem.Die man was de Zwarte-Beer.De Tigrero sprong met een brullenden kreet als een wild dier terug.»Ooah!” riep de Apache op spottenden toon, »mijn broeder weet wel dat ik die vrouw bemin; en om mij te behagen haast hij zich mij haar zelf te brengen.”»Gij hebt haar nog niet, demon!” krijschte don Martial, terwijl hijdoñaAnita nederzette en voor haar ging staan met een pistool in elke hand; »kom haar halen.”Achter zich in de diepte der grot hoorde hij voetstappen, die snel naderden.[232]De Mexicanen werden dus tusschen twee vuren gebracht!De Zwarte-Beer, met het oog op den Tigrero gericht, bespiedde al diens bewegingen; plotseling nam hij zijne kans waar en sprong als een tijgerkat vooruit met een woesten aanvalskreet.Don Martial loste zijne pistolen op den Apache en greep hem met de armen om het lijf.De beide mannen rolden over den grond, elkaâr omstrengelend als twee slangen.Don Sylva en de peons vochten als wanhopigen tegen de andere Indianen.

Niets is akeliger dan een tocht door de woestijn bij nacht, en onder zulke omstandigheden als die onze reizigers noodzaakten tot eene overhaaste vlucht.

De nacht is de vader der spoken; in de schemering wordt het vroolijkste landschap somber en zwart; al het wezenlijke schijnt van gedaante te wisselen, en het onwezenlijke krijgt eene gestalte om den reiziger te verschrikken; zelfs de maan, hoe helder zij schijnen mag, geeft aan de voorwerpen een spookachtig aanzien en een nog spookachtiger schaduw, die wel in staat is den stoutste te doen sidderen.

De doodsche stilte der woestijn, hare onbegrensde eenzaamheid, die den armen reiziger van alle kanten omgeeft, drukt en benauwt, en door zijne kranke verbeelding met schrikgestalten bevolkt wordt; de tastbare duisternis, die hem opsluit als in een looden doodkist: alles spant samen om zijn brein te ontstellen en hem, om het zoo eens te noemen, een angstkoorts aan te jagen, die de levenwekkende luister der opgaande zon alleen in staat is weder te verdrijven.

Onwillekeurig ondergingen onze reizigers den druk van al deze verschrikkingen, die hun geschokte hersengestel te voorschijn riep; zij renden voort in den tastbaren nacht, zonder—althans de meesten hunner—te weten waarom of waarheen; zij bekommerden er zich ook niet om; met een bezwaard hoofd, benevelde zinnen, door sluimerzucht bevangen blik, en de oogen half gesloten, hadden zij slechts ééne gedachte: slapen. Zwaaiend en dommelend door hunne voortstormende paarden gedragen en met duizelingwekkende snelheid weggevoerd, schenen de dorre rotsen en enkele hier en daar verspreide boomen hun als in een satanischen wedren voorbij te vliegen, tot zij eindelijk de oogen geheel sloten en zich zoo vast mogelijk in den zadel zetteden om zich over te geven aan den slaap, dien zij de macht niet hadden om te weêrstaan.

De slaap is voor den mensch wellicht een der sterkste en onverbiddelijkste behoeften, die hem alles doet verachten, alles doet vergeten.

Wie door slaap overvallen wordt, geeft er zich aan over, ongevraagd hoe of waar, en onverschillig hoe groot het gevaar is dat hem bedreigt. Honger of dorst kan men, ten minste een tijdlang, door moed en wilskracht bedwingen, maar den slaap, neen, tegen hem is niemand opgewassen en de strijd onmogelijk; hij omklemt als met fluweelen maar ijzeren hand en werpt zijn tegenstander binnen weinige minuten hijgend en overwonnen ter neder.

Behalve don Martial, die altijd wakker van blik en helder van geest was gebleven, hadden de overige leden der karavaan veel van[224]somnambulen; aan hunne paarden als vastgeketend, met gesloten oogen, zonder nadenken of zelfbewustheid reden zij voort als in een droom, en in een soort van nachtmerrie, dien benauwenden toestand zonder naam, die noch slapen noch waken mag heeten, maar slechts eene verdooving is der zinnen en een kluistering der ziel.

Dat duurde den geheelen nacht door.

De karavaan had twintig mijlen gemaakt; de reizigers waren doodaf.

Met het opgaan der zon en onder den invloed van hare koesterende stralen kwamen zij weder een weinig tot verademing; de spanning die hen beknelde hield op, zij openden de oogen, richtten zich op en keken nieuwsgierig rond; en gelijk het in zulke omstandigheden gewoonlijk gaat, volgde er een vloed van uitroepingen en vragen.

De kleine karavaan had de boorden der Rio del Norte bereikt, wier troebele wateren aan deze zijde de grens der woestijn uitmaken.

Don Martial, na de plaats waar zij zich bevonden nauwkeurig te hebben opgenomen, maakte op den oever der rivier zelve halt.

De paarden werden van voeder voorzien, en hunne hoeven van de met zand gevulde sokken ontdaan. Wat de menschen betreft, deze moesten zich vooreerst met een teug refino vergenoegen, om nieuwe krachten te bekomen.

Het landschap had hier een gansch ander aanzien; aan de overzijde der rivier was de grond met stug en sterk gras bedekt, terwijl uitgestrekte bosschen den horizont omzoomden.

»Oef!” riep don Sylva zich met een onbeschrijfelijk gevoel van genot op den grond nedervlijende, »wat een rid! ik ben geheel af; als dat zoo nog een dag duren moest,voto a brios!dan hield ik het niet vol. Ik heb noch honger noch dorst, ik ga slapen.”

En met dat zeggen schikte de haciendero zich zoo zacht mogelijk tot een verkwikkelijk slaapje.

»Nog niet, don Sylva,” riep de Tigrero met drift terwijl hij hem duchtig bij den arm schudde, »of hebt gij lust om hier uw gebeente achter te laten?”

»Loop naar den drommel! ik wil slapen, zeg ik u.”

»Zeer goed,” antwoordde don Martial koelzinnig, »maar alsdoñaAnita dan in handen der Apachen valt, moet gij het mij niet wijten.”

»Wat!” riep de haciendero opstaande en hem strak in de oogen ziende, »spreekt gij mij weêr van de Apachen?”

»Ik herhaal u dat de Apachen ons nazetten; wij hebben nauwelijks eenige uren op hen voor, zoo wij ons niet haasten zijn wij verloren.”

»Canarios! dan moeten wij vluchten!” riep don Sylva thans geheel wakker, »ik wil mijne dochter niet in handen van die duivels zien vallen.”

WatdoñaAnita betreft, die wist op dit oogenblik weinig van zorg, zij sliep, zoo als de Spanjaarden zeggen, met gesloten vuisten.

»Laten wij de paarden dubbel voer geven, wij vertrekken onmiddellijk,[225]en wij hebben een langen toer te maken; zij moeten in staat zijn om ons zoo ver te brengen; die weinige minuten toevens zullendoñaAnita ten goede komen om hare krachten te herstellen.”

»Dat arme schaap!” zuchtte de haciendero, »van al wat er gebeurt ben ik de schuld, het is mijne vervloekte stijfhoofdigheid die haar hier gebracht heeft.”

»Waartoe dat zelfverwijt, don Sylva,” zei don Martial, »wij allen hebben er schuld aan; laten wij het gebeurde vergeten, en alleen aan het tegenwoordige denken.”

»Ach ja! gij hebt gelijk, waarom langer gepraat over gedane zaken? Nu ik weder geheel wakker ben, moest gij mij liever eens vertellen wat gij dezen nacht gedaan hebt en waarom gij ons zoo plotseling gedrongen hebt om te vertrekken.”

»Mijn hemel! don Sylva, dat verhaal zal zeer kort zijn, maar toch geloof ik dat gij het zeer belangrijk zult vinden. Oordeel zelf. Gij zult het hooren. Nadat ik u gisteren verlaten had om op verkenning uit te gaan, gij herinnert het u immers.…?”

»Zeer goed! gij zoudt het vuur gaan onderzoeken dat u zoo verdacht voorkwam.”

»Juist. Welnu, ik had mij niet bedrogen, dat vuur was zooals ik wel vermoedde een kampvuur van wilden. Het was door Apachen aangelegd.Het gelukte mij ongemerkt tot hen door te dringen en hun gesprek af te luisteren. Weet gij wat zij zeiden?”

»Caramba! hoe kan ik weten wat zulke domkoppen elkander te vertellen hebben?”

»Niet zoo dom als gij wellicht een weinig te lichtvaardig denkt, don Sylva, een renbode bracht den sachem van den stam verslag van eene door hem volbrachte zending; onder meer andere belangrijke zaken, zeide hij een spoor van bleekgezichten te hebben ontdekt, en dat zich onder hen eene vrouw bevond.”

»Caspita!” riep de haciendero met schrik, »zijt gij daar zeker van, don Martial?”

»Zoo zeker zelfs, dat ik door het opperhoofd letterlijk het volgende hoorde antwoorden; luister nu wel toe, don Sylva.”

»Ik ben geheel oor, vriend, ga voort.”

»Met zonsopgang trekken wij snel op weg om de bleekhuiden te vervolgen; de hut van den sachem is eenzaam, hij heeft eene blanke vrouw noodig om haar te verlevendigen.”

»Caramba!”

»Ja. Toen wist ik genoeg van de onderneming die de Roodhuiden in den zin hebben; ik sloop even stil weg als ik gekomen was en keerde zoo spoedig mogelijk naar ons kamp terug. Het overige weet gij.”

»O! o!” antwoordde don Sylva blijkbaar ontroerd en met warme belangstelling.

»Ja, ik weet het overige, don Martial, en ik zeg u oprechtelijk dank niet alleen voor het goed overleg waarmede gij bij deze gelegenheid[226]zijt te werk gegaan, maar ook voor den ijver waarmede gij, zonder u aan onze tegenstribbeling te storen, ons gedwongen hebt u te volgen.”

»Ik heb niet anders gedaan dan mijn plicht mij gebood, don Sylva. Heb ik u niet gezworen dat ik u getrouw zou blijven?”

»Ja, mijn vriend, en gij doet uw eed ridderlijk gestand.”

Sedert de haciendero don Martial had leeren kennen, was dit de eerste maal dat hij werkelijk rond en oprecht met hem sprak en hem den titel van vriend schonk.

De Tigrero was er door getroffen, deze ontboezeming ging hem door de ziel, en zoo hij tot hiertoe jegens don Sylva eenige vooroordeelen was blijven koesteren, werden zij op dit oogenblik geheel bij hem uitgewischt, om in zijn hart niets dan een innig gevoel van dankbaarheid over te laten.

Intusschen wasdoñaAnita gedurende dit gesprek wakker geworden, en nu hoorde zij met onbeschrijfelijk genoegen hoe vriendschappelijk zij samen spraken.

Toen haar vader haar nu de reden vertelde waarom don Martial hen gedrongen had in het holst van den nacht zulk een vermoeienden tocht te ondernemen, bedankte zij den Tigrero van harte en beloonde hem met een van die teedere blikken, daar de vrouwen alleen het geheim van bezitten en in welke zij als het ware haar geheele ziel doen spreken.

Toen de Tigrero zag dat zijn getrouwe ijver naar waarde geschat werd, vergat hij al zijne vermoeienis en kende hij geen ander verlangen, dan om zijne wel begonnen taak gelukkig ten einde te brengen.

Zoodra de paarden gevoederd waren werd er opnieuw opgestegen.

»Ik verlaat mij op u, don Martial,” zei de haciendero, »gij alleen kunt ons redden.”

»Enmet Gods hulp zal ik het doen,” antwoordde de Tigrero hartstochtelijk.

Men daalde in de rivier af, die op dit punt vrij breed was. In plaats van haar in eene rechte lijn over te steken, verkoos don Martial, ten einde de Roodhuiden beter van ’t spoor te helpen, liever eene poos den stroom van het water te volgen, en stuurde hij de karavaan met menige wending en kronkeling in eene schuinsche richting naar den overkant.

Eindelijk aan een plek komende waar de rivier tusschen oevers van kalksteen besloten was, en dus de hoeven der paarden en muilezels geen zichtbare indruksels op het natte zand of de vochtige klei konden achterlaten, steeg hij aan wal.

De karavaan had thans de woestijn verlaten. Voor haar uit lag de onmetelijke prairie, wier golvende bodem zich langzaam verheft tot de eerste heuveltrappen der Sierra Madre en der Sierra de los Comanchos. Hier was het geen woeste onvruchtbare vlakte meer, zonder bosch of gras of water. Eene overdadig welige natuur, rijk bedeeld[227]met onvergelijkelijke groeikracht, van boomen, bloemen en kruiden, tallooze vogels die vroolijk kwinkeleerden tusschen het gebladerte, dieren van allerlei soort die in deze natuurlijke weiden liepen grazen of rondhuppelden en zich verlustigden.

De mensch, waar en wanneer ook, en onder welke zorgen en bemoeiingen zijn geest ook gebukt gaat, ondervindt onwillekeurig den invloed der uitwendige voorwerpen die hem omringen; eene lachende natuur maakt hem vroolijk, zoowel als een somber en dor of verlaten landschap hem tot treurigheid stemt.

De reizigers gaven zich werktuigelijk over aan den weldadigen indruk der groote verandering, die het gezicht van het prachtig en heerlijk schouwspel dat de prairie hun bood bij hen teweegbracht, in vergelijking met de eenzame, dorre woestijn die zij pas verlaten en daar zij zoo lang op goed geluk in rondgedoold hadden. Deze tegenstelling was voor hen vol bekoorlijkheid en zij gevoelden daarbij den moed en de hoop in hunne harten herleven.

Tegen elf ure des voormiddags echter, waren de paarden zoo moê geloopen, dat men zich genoodzaakt zag te kampeeren om hun eenige uren rust te gunnen en de grootste hitte van den dag te laten voorbijgaan.

Don Martial koos daartoe de kruin van een boschrijken heuvel, van waar men den ganschen omtrek kon overzien, terwijl men zelf tusschen het geboomte onzichtbaar bleef.

Toen men echter een vuur wilde aanleggen om spijzen te koken, verzette de Tigrero er zich tegen, daar de rook alleen genoeg zou zijn geweest om hunnen schuilhoek kenbaar te maken, en in de tegenwoordige oogenblikken konden zij niet te voorzichtig zijn; want dat de Apachen met zonsopgang waren opgebroken om hen te vervolgen was maar al te zeker; en deze fijne windhonden het spoor bijster te maken, was eene volstrekte noodzakelijkheid. Ondanks al zijne voorzorgen, twijfelde de Tigrero nog altijd of het hem gelukken zou de in dit opzicht zoo slimme Roodhuiden te verschalken.

Na in der haast een paar maïskoekjes gegeten te hebben liet hij zijne kameraden de weinige rust genieten, die zij zoo grootelijks behoefden, en stond op om den omtrek te bespieden en te zien of hij ook iets ontdekken kon dat hun veiliger uitweg of althans zekerder schuilplaats aanbood.

De Tigrero was een man als van ijzer, de vermoeienis had geen vat op hem; zijn wilskracht was zoo vast dat zij aan alles weêrstand bood, en de zucht om de vrouw die hij lief had voor onheil te behoeden verleende hem schier bovennatuurlijke sterkte.

Langzaam daalde hij den heuvel af, lettende op iederen struik, rondziende ieder oogenblik, en niet dan met de uiterste behoedzaamheid, met de hand aan den trekker van zijn geweer en met het oor gespitst op het minste geluid.

Toen hij in de vlakte kwam, waar hij, dank zij het hooge prairiegras,[228]door niemand gezien kon worden, stapte hij haastig voort in de richting van een donker en dicht bosch, welks eerste geboomte zich bijna tot aan den voet des heuvels uitstrekte.

Dit bosch bleek inderdaad te zijn wat hij reeds vermoedde, namelijk een ongerept natuurwoud; de boomen waren door de menigte lianen en slingerplanten zoo vast aan elkander geweven dat zij een ondoordringbaar net vormden, waar men zich alleen met de hakbijl of door middel van vuur een doortocht had kunnen banen.

Als hij alleen ware geweest zou de Tigrero tegen dit schijnbaar onoverkomelijk bezwaar niet hebben opgezien; of anders met zijne gewone behendigheid en kracht den weg tusschen hemel en aarde gekozen en zich van tak tot tak of over de toppen der boomen hebben gewaagd, zoo als hij wel meer gedaan had. Maar wat een man zoo onvervaard en sterk als hij had kunnen doen, daaraan viel voor eene zwakke, vreesachtige vrouw niet te denken.

Hij was geheel buiten raad. Een oogenblik voelde de Tigrero den moed hem ontzinken, maar dit duurde ook slechts een oogenblik. Met fierheid verhief hij zich weder en kreeg terstond al zijne zielskracht terug; hij stapte voort naar het bosch, dat hij voor een gedeelte langs ging, speurend en spiedend als een roofdier dat zijn prooi zoekt.

Op eens slaakte hij een half gesmoorden kreet van verrassing.

Hij had gevonden wat hij bijna niet durfde hopen te zullen ontdekken.

Voor hem uit, onder een dicht gewelf van groene takken en bladen, kronkelde een dier smalle, donkere paden of loopsporen, door het wild gedierte reeds sedert eeuwen getrokken om bij nacht naar de rivier te gaan drinken, en die alleen een geoefend oog als dat van den Tigrero in staat was te ontdekken; onverschrokken waagde hij er zich in en stapte een geruimen tijd voort.

Gelijk alle door roofdieren getrokken sporen, liep ook dit met tallooze omwegen en keerde menigmaal op zich zelve terug. Na het een tijd lang gevolgd te zijn, had de Tigrero genoeg gezien en besloot hij dadelijk naar den heuvel terug te keeren.

Zijne kameraden, niet weinig ongerust over zijn lang uitblijven verwachtten hem reeds met ongeduld en ontvingen hem met groote blijdschap. Hij gaf hun verslag van het door hem gevonden spoor en van hetgeen hij verder gezien had.

Intusschen, terwijl don Martial alzoo op verkenning uit was geweest, had ook een der peons niet stil gezeten, maar aan de eene zijde van den heuvel daar de karavaan kampeerde eene ontdekking gedaan, die in de gegeven omstandigheden voor de reizigers onwaardeerbaar was.

Voor tijdverblijf en zonder bepaald doel in den omtrek ronddolende, had hij den ingang eener grot ontdekt, in welke hij echter niet durfde binnengaan, uit vrees dat hij misschien onverwachts door een of ander roofdier zou overvallen worden.[229]

Don Martial trilde van blijdschap bij dit bericht, hij nam een ocote-fakkel en gelastte den peon hem naar de grot te brengen.

Zij lag slechts weinige schreden ver, aan de zijde des heuvels die op de rivier uitzag.

De toegang was zoodanig met struiken en woekerplanten bezet, dat er blijkbaar sinds lange jaren geen levend schepsel was binnengedrongen.

De Tigrero boog de struiken met de meeste behendigheid en zorg uit elkander, ten einde ze niet te beschadigen, en sloop de spelonk binnen. De ingang was tamelijk hoog, ofschoon dan ook nauw. Alvorens verder te gaan, sloeg hij vuur en ontstak zijn toorts.

De spelonk was een door de natuur gevormde onderaardsche gang, zooals men er in deze streken meerdere aantreft, de wanden waren steil en droog, de grond bestond uit fijn zand. Zij ontving waarschijnlijk versche lucht door onzichtbare spleten, want geen dierlijke of verstikkende uitwasemingen lieten er zich in bespeuren, en men haalde er onbelemmerd adem, kortom, ofschoon vrij donker, was zij wel geschikt om te bewonen. Met een zacht afglooienden bodem, terwijl het gewelf langzamerhand lager werd, liep zij uit in een groote zaal, in welks midden een diepe kolk was, daar don Martial ondanks het heldere licht van zijn fakkel onmogelijk den bodem van kon zien. Hij keek hier een oogenblik rond en zag een stuk steen liggen dat waarschijnlijk van het gewelf was gevallen, nam het en wierp het in den afgrond.

Vrij lang hoorde men den steen, langs de wanden kaatsend naar beneden vallen en eindelijk klotsen, als een zwaar voorwerp dat in het water stort.

Don Martial wist nu al wat hij verlangde te weten. Hij ging om de kolk heen en vervolgde zijn weg in een vrij engen tunnel, die snel afwaarts daalde. Na op deze wijs omtrent tien minuten te zijn voortgestapt, bespeurde hij in de verte daglicht. De grot had twee uitgangen!

Nu haastte hij zich terug te keeren.

»Wij zijn gered!” riep hij vroolijk tegen zijn gezellen; »kom, haast u en volg mij, wij hebben geen oogenblik te verliezen, om de schuilplaats te bereiken die de Voorzienigheid ons zoo gunstig aanbiedt.”

Allen stonden op om hem te volgen.

»Maar,” merkte don Sylva aan, »onze paarden, wat zullen wij daarmede doen?”

»Maak u daar niet ongerust over, ik weet waar ik ze verbergen moet. Laten wij onze levensmiddelen naar de grot brengen, want naar alle waarschijnlijkheid zullen wij genoodzaakt zijn er eenigen tijd te blijven, bewaren wij dus hier ook de zadels en tuigen, daar ik buiten de grot geen plaats voor zou weten. Wat de paarden aangaat, dat is mijne zaak.”[230]

Allen gingen thans aan ’t werk met dien koortsachtigen ijver dien de hoop op ontsnapping aan een dreigend gevaar gewoonlijk inboezemt, en na verloop van een uur op zijn langst waren de pakgoederen, de levensmiddelen en de menschen in de grot verborgen en in veiligheid.

Don Martial bracht de struiken weder in orde, om de sporen waar zijne kameraden waren doorgegaan, te doen verdwijnen; daarop haalde hij ruimer adem, met het zoete gevoel van welvoldaanheid dat steeds op het gelukken van een stout, schier onuitvoerlijk plan volgt, en beklom den top van den heuvel.

Hij koppelde de paarden met behulp van een lasso en leidde hen den berg af naar de vlakte, in de richting van het bosch, waar hij weldra in de kronkelingen van het vroeger door hem gevonden loopspoor verdween.

Het pad was smal, zoodat de paarden er niet dan achter elkander en dan nog met groote moeite door konden. Eindelijk bereikte hij een klein open kamp, waar hij de arme dieren aan hun lot overliet, hun al den voorraad boonen en klaver achterlatende, die hij uit voorzorg met de muildieren had medegenomen.

De Tigrero wist vooruit wel dat de paarden en muilezels zich uit eigen beweging niet ver van de plaats zouden verwijderen waar hij hen moest achterlaten, en dat hij hen, zoodra hij ze weder noodig had, gemakkelijk zou terugvinden.

Al deze bemoeiingen namen veel tijd weg; de dag spoedde reeds ten einde eer don Martial voor goed het bosch verliet.

De zon, tot dicht aan de kimmen gedaald, vertoonde zich als een schitterende vuurbol bijna met de oppervlakte der aarde gelijk. De schaduw der boomen verlengde zich tot in het oneindige; de avondkoelte verhief zich met zacht geblaas tusschen de hoogste toppen van het geboomte; reeds hoorde men van tijd tot tijd in de diepte der bosschen eenige rauwe kreten opgaan, ten bewijze dat de roofdieren ontwaakten, die gevreesde gasten der wildernis! wier ongestoorde heerschappij over de prairie een aanvang nam om er gedurende den nacht als onbeperkte koningen te regeeren.

Nogmaals naar den top des heuvels teruggekeerd, eer hij zich naar de grot zou begeven, bespiedde don Martial den gezichteinder in het laatste licht der stervende zonnestralen.

Op eens verbleekte hij, eene zenuwachtige huivering liep hem door de leden; zijne oogen, door schrik wijder geopend, bleven onafgewend op de rivier gericht, en stampvoetend mompelde hij met eene half gesmoorde stem:

»Reeds daar!.… die duivels!”

Wat de Tigrero gezien had was werkelijk om van te beven.

Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over. Bladz. 230.Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over. Bladz. 230.

Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over. Bladz. 230.

Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over, juist op het zelfde punt waar hij er met zijne reismakkers eenige uren vroeger was overgegaan.

De Tigrero volgde hunne bewegingen met klimmende ongerustheid.[231]Aan den anderen oever komende, zetten zij zonder zich op te houden hun tocht voort juist langs denzelfden weg dien hij met zijne kameraden gekozen had.

Er viel niet meer aan te twijfelen; de Apachen hadden zich door de listige voorbehoedmiddelen van den Tigrero niet laten bedriegen, maar waren de karavaan rechtstreeks gevolgd en kwamen nu met allen spoed opzetten. In minder dan een uur konden zij den heuvel bereiken, en als dat gebeurde, met hunne duivelsche behendigheid in het ontdekken van sporen, was het ergste te vreezen!

Den Tigrero klopte het hart in den boezem alsof het dreigde te barsten. Hij klom ijlings den heuvel af en half waanzinnig van teleurstelling stormde hij de grot in.

Toen de anderen hem zoo bleek en verwilderd zagen binnenkomen, snelden zij hem verschrikt te gemoet.

»Wat schort u?” vroegen allen.

»Wij zijn verloren!” riep hij wanhopig, »daar zijn de Apachen!”

»De Apachen!” herhaalden zij met schrik.

»O, mijn God! red mij, red mij!.…” riepdoñaAnita op de knieën zinkend en de handen angstig samenvouwend.

De Tigrero snelde naar het meisje, richtte haar op en nam haar met de kracht van een razende in zijne armen en zich tot den haciendero wendende, riep hij:

»Kom! Kom! volg mij! misschien blijft ons nog eene kans op behoud over!”

Hiermede ijlde hij de diepte der grot in; al de anderen volgden hem.

Zoo liepen zij een geruimen tijd voort.DoñaAnita, die half in onmacht lag, liet haar schoone maar doodsbleeke hoofd op den schouder van den Tigrero rusten.

Deze spoedde zich altoos verder.

»Kijk! kijk! daar ginds,” riep hij in de verte wijzende, »weldra zijn wij behouden!”

Zijne kameraden slaakten een kreet van blijde verrassing; zij hadden, voor zich uit, de tweede opening der grot gezien.

Plotseling, juist op het oogenblik toen don Martial den uitgang bereikte, en naar buiten meende te snellen, stond er een man voor hem.

Die man was de Zwarte-Beer.

De Tigrero sprong met een brullenden kreet als een wild dier terug.

»Ooah!” riep de Apache op spottenden toon, »mijn broeder weet wel dat ik die vrouw bemin; en om mij te behagen haast hij zich mij haar zelf te brengen.”

»Gij hebt haar nog niet, demon!” krijschte don Martial, terwijl hijdoñaAnita nederzette en voor haar ging staan met een pistool in elke hand; »kom haar halen.”

Achter zich in de diepte der grot hoorde hij voetstappen, die snel naderden.[232]

De Mexicanen werden dus tusschen twee vuren gebracht!

De Zwarte-Beer, met het oog op den Tigrero gericht, bespiedde al diens bewegingen; plotseling nam hij zijne kans waar en sprong als een tijgerkat vooruit met een woesten aanvalskreet.

Don Martial loste zijne pistolen op den Apache en greep hem met de armen om het lijf.

De beide mannen rolden over den grond, elkaâr omstrengelend als twee slangen.

Don Sylva en de peons vochten als wanhopigen tegen de andere Indianen.


Back to IndexNext