[Inhoud]XXIV.DE WOUDLOOPERS.Wij moeten thans tot sommige personen uit ons verhaal terugkeeren, die wij maar al te lang uit het oog hebben verloren, en verplaatsen ons naar het slot van het vijftiende hoofdstuk.Ofschoon de Franschen, bij de bestorming der kolonie door de Apachen, meester waren gebleven van het slagveld en het hun gelukt was hunne woeste vijanden in de Rio Gila terug te werpen, ontveinsden zij zich geenszins dat zij deze onverwachte zegepraal niet enkel aan hun moed te danken hadden; de laatste aanval der Comanchen onder aanvoering van den Arendskop had eigenlijk de overwinning beslist. Zoodra dus de vijanden verdwenen waren, had dan ook de graaf de Lhorailles, met eene grootheid van ziel en eene rondborstigheid die men van een man van zijn stempel niet zou hebben verwacht, de Comanchen bedankt en aan de jagers de prachtigste geschenken aangeboden.Laatstgenoemden ontvingen de vleiende loftuitingen van den graaf met gepaste zedigheid, maar wezen al zijne aanbiedingen en voorstellen bepaald van de hand.Even als Goedsmoeds, hadden zij voor hun gehouden gedrag geen andere beweegredenen gehad dan de drift om hunne landgenooten te hulp te komen; toen dus alles geëindigd was en de Franschen voor langen tijd van de aanvallen der wilden bevrijd waren, hadden zij niets meer te doen dan van den graaf zoo spoedig mogelijk afscheid te nemen en hunne reis te vervolgen.De graaf de Lhorailles wist echter zoo veel bij hen uit te werken, dat zij nog twee dagen in de kolonie zouden vertoeven.DoñaAnita en haar vader waren op zulk eene geheimzinnige wijs verdwenen, dat de Franschen, te weinig met de listen der Roodhuiden[233]bekend en geheel onkundig van de wijze waarop men een spoor in de wildernis moest uitvinden, buiten staat waren om de twee vermiste personen te gaan zoeken.De graaf de Lhorailles had intusschen stilzwijgend gehoopt, dat hij hierin door de ondervinding van den Arendskop en de schranderheid zijner krijgslieden zou worden geholpen.Hij verklaarde dus onbewimpeld aan de jagers en de Comanchen, welke goede diensten hij van hunne welwillendheid verwachtte, zoodat zij hem die niet langer durfden weigeren.Den volgenden morgen, met het krieken van den dageraad, splitste de Arendskop zijne ruiterschaar in vier afdeelingen, elk onder kommando van een beroemd krijgsman, en na hun de noodige voorschriften gegeven te hebben, verspreidde hij hen in vier verschillende richtingen.De Comanchen begonnen terstond hunne nasporingen en onderzochten de omringende wildernis met al de bekwaamheid die den Roodhuiden eigen is, maar alles was vergeefs.De vier afdeelingen kwamen de eene na de andere op de hacienda terug zonder iets ontdekt te hebben, ofschoon zij de wildernis twintig mijlen in het rond hadden afgeloopen en daarbij zoo te zeggen geen struik of grashalm onopgemerkt hadden gelaten; van don Sylva en zijne dochter was geen spoor of teeken te vinden; wij weten reeds om welke reden:doñaAnita was met haar vader de Rio Gila afgevoerd, en het water laat geen spoor over.»Gij ziet het,” zeide Goedsmoeds tegen den graaf, »wij hebben alles gedaan wat menschelijkerwijs mogelijk was, om de twee na het gevecht vermiste personen op te sporen; het blijkt duidelijk dat de oplichters hen langs de rivier tot op verren afstand hebben weggevoerd alvorens weder aan land te gaan. Wie weet waar zij zich thans bevinden? De Roodhuiden zijn snel in hunne bewegingen, vooral wanneer zij vluchten; zij hebben een verbazend eind op ons vooruit; het mislukken onzer pogingen bewijst dit; het zou eene dwaasheid zijn hen weder te willen bereiken. Vergun ons dus te vertrekken; wellicht dat wij op onze reis door de prairie in staat zijn nadere inlichtingen op te doen, die u later van dienst kunnen zijn.”»Ik wil niet langer van uwe beleefdheid jegens mij misbruik maken,” antwoordde de graaf minzaam; »vertrekt wanneer het u goeddunkt, caballeros; maar neemt de betuiging mijner dankbaarheid met u, en gelooft dat ik mij gelukkig zal rekenen u die eenmaal met meer dan louter woorden te kunnen bewijzen. Bovendien verlaat ik zelf de kolonie, misschien dat wij elkander in de woestijn nog ontmoeten zullen.”Den volgenden dag met zonsopgang vertrokken de jagers en Comanchen uit de hacienda en begaven zich naar de prairie.Tegen den avond liet de Arendskop het kamp opslaan en de nachtvuren ontsteken.[234]Even na het souper, op het oogenblik dat ieder op slapen bedacht was, liet de sachem door denhachesto(omroeper) afkondigen dat de hoofden zich aan het raadvuur zouden vereenigen.»Mijne bleeke broeders zullen daar nevens de sachems plaats nemen,” zei de Arendskop tegen den Franschman en den Canadees.Dezen namen met eene buiging het voorstel aan en schaarden zich mede rondom den haard, waar de Comanchenhoofden reeds in deftige stilte zaten te verbeiden wat de sachem hun zou mededeelen.Toen ook de Arendskop had plaats genomen, wenkte hij den pijpdrager.Deze verwijderde zich en kwam weldra terug, eerbiedig de groote toovercalumet dragende, wier vijf voet lange roer met prachtige vederen en eene menigte kleine rinkels versierd was, terwijl de kop uit een fijnen witten steen bestond, dien men alleen in de Rotsbergen vindt.De pijp was reeds gevuld en ontstoken.Zoodra de pijpdrager zich binnen den kring bevond, wees hij met den kop in de richting der vier windstreken, onder het murmelen van eenige geheimzinnige spreuken of gebeden, om de gunst van Wacondah, den Meester des Levens, over den raad in te roepen en den boozen invloed van den »eersten mensch” op het gemoed der sachems, af te wenden.Vervolgens den kop van de pijp in de hand nemende, bood hij den steel met het mondstuk het eerst aan den Arendskop, roepende met plechtige en luide stem:»Mijn vader is de eerste sachem van het dappere volk der Comanchen; de wijsheid woont in zijn hoofd, al heeft de sneeuw des ouderdoms het nog niet vergrijsd. Maar even als alle andere menschen is hij vatbaar om te dwalen, dat mijn vader dus overwege alvorens te spreken; de woorden die uit zijne borst over zijne lippen zullen komen, moeten zoodanig zijn dat de Comanchen ze kunnen gehoorzamen.”»Mijn zoon heeft goed gesproken,” antwoordde de sachem.Hij nam het roer en deed zwijgend eenige trekken, toen nam hij het mondstuk uit zijne lippen en bood het aan den sachem die naast hem zat.Zoo ging de vredespijp den kring rond, zonder dat een der opperhoofden een woord sprak.Toen allen gerookt hadden en de tabak in den kop was opgebrand, schudde de pijpdrager de asch in zijne rechterhand en wierp ze in den haard met den uitroep:»Hier zijn de hoofden vereenigd in den raad; hunne woorden zijn geheiligd. Wacondah heeft ons gebed gehoord en zal het verhooren. Wee hem, die vergeet dat het geweten zijn eenigste richtsnoer zijn moet!”Na deze weinige woorden met de meeste plechtigheid te hebben[235]uitgesproken, trad de pijpdrager buiten den kring en wierp den sachems, die onbewegelijk rondom het vuur zaten, een laatsten blik toe, onder het mompelen met zachte en bijna onhoorbare stem:»Gelijk de asch die ik in het vuur wierp, heilig en voor altijd verdwenen is, mogen ook de woorden, die de sachems spreken zullen, heilig zijn en niet buiten den kring des raads gehoord worden. Dat mijne vaderen nu spreken; de raad is begonnen.”Na deze vermaning, die bijna voor een openbare bestraffing kon gelden, verwijderde de pijpdrager zich.Toen stond de Arendskop op, liet zijn blik over de raadsleden rondgaan en nam het woord.»Hoofden en krijgslieden der Comanchen,” begon hij, »reeds zijn er vele manen verloopen, sedert ik het dorp mijner natie verliet, en nog vele manen zullen voorbijgaan eer de Wacondah mij vergunnen zal, mij aan het groote raadvuur met de opperste sachems der Comanchen neder te zetten. Het bloed heeft altijd rood in mijne aderen gevloeid en geen huid heeft mijn hart voor mijne broederen bedekt. De woorden die mijne borst uitblaast komen mij op de lippen door den wil van den Grooten Geest; Hij weet hoe ik mijne liefde voor u allen bewaard heb.»De natie der Comanchen is machtig, zij is de koningin der prairiën. Hare jachtgronden dekken de gansche aarde, wat behoeft zij zich met andere natiën te verbinden om hunne grieven te wreken? Keert de onreine coyote in tot het hol van den trotschen jaguar? Legt de uil zijne eieren in het nest van den arend? Waarom zou dan de Comanch op het oorlogspad uittrekken met de honden der Apachen? De Apachen zijn bloohartige vrouwen en verraders.»Ik zeg mijne broeders dank, niet alleen dat zij met de Apachen hebben gebroken, maar dat zij mij geholpen hebben hen te verslaan; nu is mijn hart treurig en dekt een nevel mijnen geest, omdat ik van mijne broeders scheiden moet. Behage het hun mijn vaarwel, aan te nemen; dat de Spotvogel mij beklage, daar ik ver van hen verwijderd in de schaduw zal wandelen, de stralen der zon hoe vurig zij schijnen mogen zullen mij niet kunnen verwarmen. Ik heb gezegd. Heb ik goed gesproken, machtige mannen?”De Arendskop ging weder zitten te midden van een algemeen gemompel van smart, en bedekte zijn gelaat met een slip van zijn bisonsmantel.Er volgde in de vergadering eene diepe stilte. De Spotvogel scheen de andere hoofden met zijne blikken te ondervragen; eindelijk stond hij op, en nam op zijne beurt het woord om den Arendskop te beantwoorden.»De Spotvogel is jong,” zeide hij, »en zijn hoofd is goed, ofschoon het de wijsheid van zijn vader nog niet bezit. De Arendskop is een sachem dien de Wacondah lief heeft: waarom heeft de Meester des levens het opperhoofd onder de krijgslieden van zijn volk teruggebracht? Was dit opdat hij hen schier onmiddellijk weder verlaten[236]zou? Neen! de Meester des levens bemint zijne kinderen de Comanchen; hij heeft dit dus niet kunnen willen! De krijgslieden hebben een wijs en welervaren voorganger noodig om hen op het oorlogspad te geleiden en aan het vuur van den raad te onderrichten; het hoofd van mijn vader is grijs, hij behoort de krijgslieden te onderwijzen en aan te voeren; de Spotvogel kan zulks niet, hij is nog te jong en te onervaren. Waar mijn vader dus heengaat, zullen zijne zonen hem volgen, wat mijn vader wil zullen zijne zonen willen; doch hij spreke niet van hen te verlaten; laat hij de wolk verdrijven die zijn geest verduistert, zijne zonen smeeken het hem bij monde van den Spotvogel, het kind dat hij zelf opgevoed, dat hij zoo wel bemind en tot een man gemaakt heeft. Ik heb gesproken. Ziedaar mijne wampum! heb ik goed gesproken, machtige mannen?”Na die laatste woorden gezegd te hebben, nam de Spotvogel zijn halsketen van wampum-kralen, wierp haar voor de voeten van den Arendskop en ging weder zitten.»Dat de groote sachem bij zijne kinderen blijve!” riepen alle krijgslieden tegelijk, terwijl ieder zijn wampum-ketting bij dien van den Spotvogel wierp.De Arendskop richtte zich op met een houding vol fierheid en adeldom, hij liet de slip van zijn bisonsmantel vallen en sprak tot de aandachtige en belangstellende vergadering:»Ik heb het lied van den walkon, den geliefden vogel van Wacondah, in mijn oor hooren weergalmen,” zeide hij; »zijne welluidende stem is in mijn hart doorgedrongen en heeft het van vreugde doen sidderen. Mijne zonen zijn goed, ik bemin hen; de Spotvogel en tien krijgslieden, door hem zelven te kiezen, zullen mij vergezellen; de overigen zullen naar de groote dorpen van mijn volk terugkeeren, om den sachems te verkondigen dat de Arendskop weder bij zijne kinderen is; ik heb gezegd.”De Spotvogel vroeg thans om de groote calumet, die de pijpdrager hem onmiddellijk bracht, de pijp werd opnieuw ontstoken, en ging onder de sachems rond zonder dat er een woord gewisseld werd.Toen de laatste mondvol rook in de lucht verdwenen was riep de hachesto, nadat de Spotvogel hem eenige woorden zacht in het oor gesproken had, met luider stem de namen af der tien krijgslieden die gekozen waren om den Arendskop te vergezellen.De hoofden stonden op, bogen diep voor den Arendskop, stegen stilzwijgend in den zadel en reden weg in galop.Gedurende een geruimen tijd bleven de Spotvogel en de Arendskop samen praten of liever fluisteren.Toen hun gesprek uit was, steeg ook de Spotvogel te paard en reed op zijne beurt met zijne krijgslieden weg.De Arendskop, Goedsmoeds en don Louis bleven thans alleen achter.De Canadees keek met verstrooiden blik de Indianen na, die zich[237]snel verwijderden; toen zij verdwenen waren wendde hij zich tot den sachem.»Ziedaar, hoofdman,” zeide hij, »nu zijn wij eindelijk vrij om elkander de noodige ophelderingen te geven, of acht gij het uur nog niet gekomen om ronduit te spreken en onze zaken af te doen? Sedert wij ons gewone verblijf verlieten, hebben wij ons dunkt mij te veel met anderen en al zeer weinig met ons zelven beziggehouden; zou het niet haast tijd worden om aan onze eigene zaken te denken?”»De Arendskop vergeet niets, hij denkt er reeds aan om zijnen bleeken broeders groot genoegen te geven.”Goedsmoeds begon hartelijk te lachen.»Met uw verlof, hoofdman,” zeide hij; »maar mijne zaken zijn zoo eenvoudig, en wat genoegen betreft ben ik al zeer spoedig voldaan; gij hebt mij beloofd mij op reis te vergezellen en dat doet gij immers. Ik mag een Apachen-hond wezen als ik meer van u verlang. Met don Louis is het iets anders, die zoekt naar een dierbaren vriend van hem; gij weet wel dat wij hem beloofd hebben hem hierin behulpzaam te zijn.”»O! zeker,” hernam het opperhoofd; »de Arendskop heeft zijn hart tusschen zijne twee bleeke broeders verdeeld; zij hebben er ieder de helft van. De weg dien wij moeten afleggen is lang en kan nog verscheidene manen duren. Wij moeten door de groote woestijn. De Spotvogel is met zijn troep reeds vooruitgegaan om bisons te dooden en voor den noodigen mondkost te zorgen op de reis. Ik denk mijne broeders naar eene plaats te brengen, die ik eenige manen geleden ontdekte en die aan niemand bekend is dan aan mij. De Wacondah, toen hij den mensch schiep, heeft hem kracht en moed en vele jachtvelden geschonken en tot hem gezegd: Wees vrij en gelukkig. Aan de bleekgezichten gaf hij wijsheid en wetenschap om de waarde der blinkende steenen en gele bikkels te kennen; Roodhuiden en Bleekgezichten volgen ieder den weg dien de Groote Geest hun aanwees; ik zal mijne broeders naar eenplacer(zilver- of goudmijn) geleiden.”»Naar eenplacer!” riepen de twee anderen verwonderd.»Ja, wat zou een Indiaansch overste met zoovele schatten doen, daar hij toch niets mede kan uitrichten? Het goud is alleen voor de blanken; laten mijne broeders er gelukkig mede zijn, de Arendskop zal er hun meer van verschaffen, dan zij ooit dachten te zullen bezitten.”»Met uw welnemen! niet zoo voorbarig, hoofdman,” riep Goedsmoeds. »Wat drommel meent gij dat ik met al uw goud zou doen? ik ben niets anders dan een jager, die aan zijn paard en zijne buks genoeg heeft. In vroeger tijd, toen ik nog met Edelhart samen de prairie doorkruiste, hebben wij zoo menigmaal een klompje gouderts met voeten geschopt of vertreden, maar het altijd onaangeroerd laten liggen, zonder ons te verwaardigen het op te rapen.”[238]»Wat zouden wij met goud doen?” voegde don Louis er bij: »laten wij die goudmijn, hoe rijk zij ook wezen mag, maar uit onze gedachten stellen en haar bestaan zelfs aan niemand openbaren, er gebeuren tegenwoordig reeds wandaden genoeg om het lieve goud; dat is geene zaak voor ons, hoofdman. Geef uw plan maar op. Wij zeggen u dank voor uw edelmoedig aanbod, maar wij kunnen het onmogelijk aannemen.”»Goed gesproken!” riep Goedsmoeds vroolijk; »wat zouden wij met dat duivelsche goud beginnen, daar hebben wij niets aan, wij willen leven als vrije jagers zoo als wij werkelijk zijn. Caspita! hoofdman, ik verzeker u, als gij mij te la Noria gezegd hadt met welk oogmerk gij verlangdet dat ik u vergezellen zou, dan had ik u liever alleen laten vertrekken.”De Arendskop glimlachte.»Dat antwoord heb ik juist van mijne broeders verwacht, en ik ben blijde te zien dat ik mij hierin niet bedrogen heb. Ja, goud is voor hen geheel nutteloos, zij hebben gelijk; maar dat is nog geen bewijs dat zij het moeten verachten; gelijk alle andere dingen door den grooten Geest op aarde geschapen, heeft ook het goud zijne waarde. Mijne broeders moeten dus met mij medegaan naar de goudmijn; niet zooals zij veronderstellen, om er de goudkorrels groot of klein op te zamelen, maar om te weten waar zij is en haar des noods te kunnen wedervinden. Ongeluk, behoefte en armoede komen altijd onverwacht, en de gelukkigen die de Groote Geest heden het meest begunstigt, worden morgen vaak door Hem het zwaarst bezocht. Nu dan, zoo het goud uit dieplacerhet geluk mijner broeders niet kan vergrooten, wie zegt hun dat zij niet nog eenmaal dienen zal om er een of ander hunner vrienden mede uit dringenden nood te redden.”»Dat is waar,” riep don Louis die de juistheid dezer redeneering moest erkennen, »wat gij daar zegt is zeer verstandig en laat zich wel hooren. Wij kunnen voor ons zelven het bezit van rijkdommen wel verachten, maar wij mogen ze niet verwerpen als middelen om er misschien anderen mede te helpen.”»Zoo dit bepaald uw gevoelen is,” zei Goedsmoeds, »kan ik er mij wel mede vereenigen; daarbij, wij zijn nu eenmaal op weg, en kunnen onzen tocht wel ten einde toe voortzetten. Wel wel! wie had dat ooit gedacht,” vervolgde hij, »als mij iemand voorspeld had dat ik nog eens een goudzoeker worden zou, zou ik wel vreemd hebben opgekeken. Intusschen ga ik eens zien of ik een hert kan schieten.”Met deze woorden nam Goedsmoeds zijn geweer en verwijderde zich al fluitende.Wat den Spotvogel betreft, deze bleef twee dagen afwezig; tegen het midden van den derden dag kwam hij terug; zes paarden, door hem in de prairie achtergelaten, waren met levensmiddelen beladen, zes anderen droegen zakken vol water.[239]De Arendskop was uiterst voldaan over de wijze waarop hij zich van zijne taak gekweten had, doch daar zij een langen tocht te maken hadden en de woestijn del Norte in hare volle lengte moesten doortrekken, gelastte hij dat elke ruiter uit voorzorg, behalve de haver voor de paarden, twee kleine zakken met water aan zijn zadel zou mede dragen.Nadat deze maatregelen wijselijk genomen, de paarden en ruiters wel uitgerust, en verfrischt waren, brak de kleine troep den volgenden morgen met het eerste krieken van den dageraad op, en trok op marsch in de richting der woestijn del Norte.Wij zullen deze reis hier niet nader beschrijven, dan dat zij gelukkig en onder de beste omstandigheden volbracht werd. Geen enkel ongeval stoorde hare kalme eentonigheid.De Comanchen en hunne twee blanke vrienden doorreden de woestijn als een voortstuivende wervelwind, met die duizelingwekkende snelheid, waar zij alleen het geheim van bezitten en die de Roodhuiden bij hunne invallen aan de Mexicaansche grenzen zoo geducht maakt.In de prairiën der Sierra de los Comanchos aangekomen zijnde, gaf de Arendskop den Spotvogel en diens krijgslieden bevel om te kampeeren, aan den rand van een groot natuurwoud, op een tamelijk ruim grasveld, aan den oever van eene onbekende beek of kleine rivier, die zich eenige mijlen verder in de Rio del Norte uitstort, en verwijderde zich met zijne twee vrienden Goedsmoeds en don Louis.De sachem was voorzichtig in alles; ofschoon de Spotvogel zijn volste vertrouwen bezat, achtte hij het echter ongeraden hem met de ligging der goudmijn bekend te maken; en later had hij reden genoeg om zich met dezen wijzen maatregel geluk te wenschen.De drie jagers reden rechtstreeks naar de bergen, die zich voor hen uit verhieven, zoo ’t scheen als onverbiddelijke en ontoegankelijke muren graniet.Doch naarmate zij dezelve naderden werden de kanten en hellingen allengs minder steil en ontoegankelijk. Weldra trokken zij een engen bergpas binnen, aan welks ingang zij reeds genoodzaakt waren af te stijgen en hunne paarden achter te laten. Waarschijnlijk was het alleen aan deze bijzonderheid te danken, dat de Indianen deze goudmijn nooit ontdekt hadden; de Roodhuiden toch zullen bij geene gelegenheid afstijgen anders dan om te kampeeren; men zou met recht van hen kunnen zeggen wat men van de Gauchos der oostelijke pampas en in Patagonië zegt: dat zij te paard leven en sterven.Geheel toevallig, had de Arendskop eenige maanden geleden, terwijl hij op de jacht was en een door hem gekwetst damhert vervolgde, deze goudmijn ontdekt. Het damhert, dat hij sedert een paar uren had nagezeten en niet gaarne wilde laten ontsnappen, was in den bergpas gevlucht om er te sterven, en de moedige jager had niet geaarzeld, het ook daar te volgen. Na den woesten bergpas[240]in zijne geheele lengte te zijn doorgegaan bereikte hij een kleine vallei of dalkom, diep tusschen steile bergen ingesloten, en behalve van dezen kant, bezwaarlijk zoo al niet geheel onmogelijk te naderen. Daar had hij het arme dier zieltogend vinden liggen op een zandigen met goudkorrels bezaaiden bodem, die in het felle zonlicht glinsterde als duizend diamanten.Toen onze beide jagers in deze vallei afdaalden, konden zij een kreet van verbazing niet bedwingen.Hoe sterk een mensch ook zij en hoeveel zelfbeheersching hij bezitten mag, toch trekt het goud hem met onweerstaanbare toovermacht en is wel in staat om hem, althans voor eenige oogenblikken, te verbijsteren.Goedsmoeds was de eerste die zijne gewone koelbloedigheid terugkreeg.»O!” riep hij terwijl hij het zweet afwischte dat hem van het gelaat gudste, »er liggen in dit afgesloten hoekje wat schatten verborgen. God geef dat zij er nog lang verborgen blijven! daar zal het menschdom niets aan verliezen.”»Wat zullen wij er mede doen?” vroeg Louis hijgend en met fonkelende blikken.De Arendskop was de eenige die deze onberekenbare schatten onverschillig aanzag.»Hm!” hervatte de Canadees, »dit goud is ontegenzeggelijk ons eigendom, daar de sachem het aan ons overlaat.”De Arendskop knikte toestemmend.»Wat ik u wilde voorstellen,” vervolgde Goedsmoeds, »is dit: wij hebben dat goud niet noodig, op dit oogenblik zou het ons zelfs meer schaden dan voordeel doen. Evenwel, daar niemand weet wat de toekomst baren zal, moeten wij ons eigendomsrecht verzekeren; laten wij dezen zandgrond met takken en bladeren bedekken, zoodat geen jager, wanneer hij bij geval op een der omliggende hoogten komt en van daar nederblikt, dit goud in de dieptezietschitteren. Vervolgens zullen wij zoo veel mogelijk steenen verzamelen en er den ingang der bergkloof mede verstoppen; het toeval dat eenmaal den Arendskop begunstigde, zou ook wel een ander kunnen gebeuren. Wat dunkt u hiervan?”»Dadelijk aan ’t werk!” riep don Louis; »ik wil dat goud niet langer zien schitteren, hoe eer het bedekt is hoe beter; dat duivelsche metaal zou mij anders nog geheel duizelig maken.”»Aan ’t werk dan!” herhaalde Goedsmoeds.De drie mannen hieuwen takken van de boomen en maakten er een dik tapijt van, onder hetwelk de goudklompen weldra geheel onzichtbaar werden.»Wilt gij niet een staaltje van die goudklompjes bij u steken?” vroeg Goedsmoeds aan don Louis, »misschien was het niet kwaad om er een paar van mede te nemen.”[241]»O neen ik niet, wat zou ik er mede doen?” antwoordde deze de schouders ophalend, »ik stel er geen den minsten prijs op; neem gij er maar wat van meê, als gij wilt; wat mij aangaat, ik zal er geen hand naar uitsteken.”Goedsmoeds begon te lachen, raapte twee of drie gouden bikkels op, zoo groot als hazelnoten, en stak ze in zijn kogeltasch.»Sakkerloot!” riep hij, »als ik daar een paar Apachen mede doodschiet, hebben ze waarlijk geen reden zich te beklagen.”De drie jagers gingen de bergkloof door, wier mond zij met rotsblokken toestopten en onkenbaar maakten; daarop stegen zij te paard en keerden naar het kamp terug, na vooraf eenige merken aan de boomen gemaakt te hebben om de plaats te kunnen wedervinden, zoo de omstandigheden hen ooit dwongen er later op terug te komen, hetgeen wij tot hun eer moeten zeggen dat zij geen van allen verlangden.De Spotvogel wachtte zijne vrienden met het grootste ongeduld.Er was onraad in de prairie. Sedert dien morgen hadden de voorloopers een kleinen troep blanken de Rio del Norte zien overtrekken, naar een heuvel, op welks top zij hun kamp hadden opgeslagen. Een poosje later was er een talrijk detachementApachen-krijgsliedenop hetzelfde punt over de rivier gegaan, zoo het scheen, op het spoor der bovengenoemde blanken.»O!” riep Goedsmoeds, »het is duidelijk dat die duivelsche Roodhuiden onze broeders vervolgen.”»Zullen wij hen onder ons oog laten vermoorden?” riep graaf Louis verontwaardigd.»Bij mijne ziel! neen, zooveel wij er tegen doen kunnen,” antwoordde de Canadees, »misschien kunnen wij met deze goede daad de dwaze begeerlijkheid weder goed maken die wij straks deden blijken, en die ons bijna verleid had. Zeg, Arendskop, wat denkt gij er van?”»Wij moeten de bleekgezichten redden,” antwoordde het opperhoofd zonder aarzelen.Onmiddellijk werden door den sachem de noodige bevelen gegeven en door zijne onderhebbenden uitgevoerd, met al de vaardigheid en juistheid die den uitgelezen krijgslieden der Roodhuiden op het oorlogspad kenmerkt.De paarden werden onder het opzicht van een Comanch achtergelaten; het detachement verdeelde zich in twee partijen, en zoo trok men behoedzaam de prairie in.Alleen de Spotvogel, de Arendskop, don Louis en Goedsmoeds hadden jachtgeweren, al de anderen waren met pieken en met pijl en boog gewapend.»List tegen list,” fluisterde de Canadees tegen de anderen; »wij zullen ze overrompelen die anderen zoeken te overrompelen.”Op hetzelfde oogenblik vielen er twee geweerschoten, weldra door meerderen gevolgd; daarop hoorde men den aanvalskreet der Apachen, die de lucht deed weêrgalmen.[242]»Oho!” riep Goedsmoeds sneller voortmakend, »zij weten niet dat wij zoo dicht in de nabijheid zijn.”Allen ijlden hem na.Intusschen was het gevecht in de grot op eene vreeselijke wijs aan den gang: don Sylva en de peons boden moedig weêrstand; maar wat vermochten zij tegen de schaar van vijanden die hen van twee zijden bestormde!De Tigrero en de Zwarte-Beer, gelijk wij straks reeds gezegd hebben, lagen als twee saamgekronkelde slangen te worstelen en zochten elkander met den ponjaard af te maken.Op eens knalden er verscheidene geweerschoten, en in de verte klonk de donderende oorlogskreet der Comanchen.De Zwarte-Beer liet don Martial los, sprong op en ijlde naardoñaAnita, om haar te grijpen.Het doodelijk verschrikte meisje stiet hem terug en vluchtte als een gejaagde hinde de gang door tot aan de zaal, in welker midden zich de vroeger beschreven kolk bevond.De Zwarte-Beer snelde haar na om haar andermaal te grijpen, maar reeds door een pistoolschot van den Tigrero gewond, was hij minder vlug dan anders.Aan de kolk komende, deinsde hij terug, wankelde en verloor het evenwicht. Hij voelde dat hij vallen zou, strekte werktuigelijk de hand uit om zich vast te houden, en greep don Martial, die intusschen weder opgestaan en hem na was geijld; maar nog half bedwelmd van de worsteling en het harde loopen, op zijne beurt wankelde, en beiden tuimelden met een vervaarlijken kreet in den afgrond.DoñaAnita, die er niet ver af stond, snelde toe; zij was verloren.Plotseling voelde zij zich door een krachtige hand aangrijpen, opheffen en achterwaarts trekken. Zij viel in onmacht.De Comanchen waren te laat gekomen.Van de zeven personen die de karavaan uitmaakten waren er vijf gedood.Een zwaar gekwetste peon endoñaAnita, waren alleen levend overgebleven.Het ongelukkige meisje was door Goedsmoeds gered.Toen zij de oogen weder opende, glimlachte zij zacht, en begon als een onnoozel kind, met eene stem zoo helder als een vogel, eene Mexicaanscheseguedilla(ballade) te zingen.De jagers deinsden met smart terug.DoñaAnita was krankzinnig![243]
[Inhoud]XXIV.DE WOUDLOOPERS.Wij moeten thans tot sommige personen uit ons verhaal terugkeeren, die wij maar al te lang uit het oog hebben verloren, en verplaatsen ons naar het slot van het vijftiende hoofdstuk.Ofschoon de Franschen, bij de bestorming der kolonie door de Apachen, meester waren gebleven van het slagveld en het hun gelukt was hunne woeste vijanden in de Rio Gila terug te werpen, ontveinsden zij zich geenszins dat zij deze onverwachte zegepraal niet enkel aan hun moed te danken hadden; de laatste aanval der Comanchen onder aanvoering van den Arendskop had eigenlijk de overwinning beslist. Zoodra dus de vijanden verdwenen waren, had dan ook de graaf de Lhorailles, met eene grootheid van ziel en eene rondborstigheid die men van een man van zijn stempel niet zou hebben verwacht, de Comanchen bedankt en aan de jagers de prachtigste geschenken aangeboden.Laatstgenoemden ontvingen de vleiende loftuitingen van den graaf met gepaste zedigheid, maar wezen al zijne aanbiedingen en voorstellen bepaald van de hand.Even als Goedsmoeds, hadden zij voor hun gehouden gedrag geen andere beweegredenen gehad dan de drift om hunne landgenooten te hulp te komen; toen dus alles geëindigd was en de Franschen voor langen tijd van de aanvallen der wilden bevrijd waren, hadden zij niets meer te doen dan van den graaf zoo spoedig mogelijk afscheid te nemen en hunne reis te vervolgen.De graaf de Lhorailles wist echter zoo veel bij hen uit te werken, dat zij nog twee dagen in de kolonie zouden vertoeven.DoñaAnita en haar vader waren op zulk eene geheimzinnige wijs verdwenen, dat de Franschen, te weinig met de listen der Roodhuiden[233]bekend en geheel onkundig van de wijze waarop men een spoor in de wildernis moest uitvinden, buiten staat waren om de twee vermiste personen te gaan zoeken.De graaf de Lhorailles had intusschen stilzwijgend gehoopt, dat hij hierin door de ondervinding van den Arendskop en de schranderheid zijner krijgslieden zou worden geholpen.Hij verklaarde dus onbewimpeld aan de jagers en de Comanchen, welke goede diensten hij van hunne welwillendheid verwachtte, zoodat zij hem die niet langer durfden weigeren.Den volgenden morgen, met het krieken van den dageraad, splitste de Arendskop zijne ruiterschaar in vier afdeelingen, elk onder kommando van een beroemd krijgsman, en na hun de noodige voorschriften gegeven te hebben, verspreidde hij hen in vier verschillende richtingen.De Comanchen begonnen terstond hunne nasporingen en onderzochten de omringende wildernis met al de bekwaamheid die den Roodhuiden eigen is, maar alles was vergeefs.De vier afdeelingen kwamen de eene na de andere op de hacienda terug zonder iets ontdekt te hebben, ofschoon zij de wildernis twintig mijlen in het rond hadden afgeloopen en daarbij zoo te zeggen geen struik of grashalm onopgemerkt hadden gelaten; van don Sylva en zijne dochter was geen spoor of teeken te vinden; wij weten reeds om welke reden:doñaAnita was met haar vader de Rio Gila afgevoerd, en het water laat geen spoor over.»Gij ziet het,” zeide Goedsmoeds tegen den graaf, »wij hebben alles gedaan wat menschelijkerwijs mogelijk was, om de twee na het gevecht vermiste personen op te sporen; het blijkt duidelijk dat de oplichters hen langs de rivier tot op verren afstand hebben weggevoerd alvorens weder aan land te gaan. Wie weet waar zij zich thans bevinden? De Roodhuiden zijn snel in hunne bewegingen, vooral wanneer zij vluchten; zij hebben een verbazend eind op ons vooruit; het mislukken onzer pogingen bewijst dit; het zou eene dwaasheid zijn hen weder te willen bereiken. Vergun ons dus te vertrekken; wellicht dat wij op onze reis door de prairie in staat zijn nadere inlichtingen op te doen, die u later van dienst kunnen zijn.”»Ik wil niet langer van uwe beleefdheid jegens mij misbruik maken,” antwoordde de graaf minzaam; »vertrekt wanneer het u goeddunkt, caballeros; maar neemt de betuiging mijner dankbaarheid met u, en gelooft dat ik mij gelukkig zal rekenen u die eenmaal met meer dan louter woorden te kunnen bewijzen. Bovendien verlaat ik zelf de kolonie, misschien dat wij elkander in de woestijn nog ontmoeten zullen.”Den volgenden dag met zonsopgang vertrokken de jagers en Comanchen uit de hacienda en begaven zich naar de prairie.Tegen den avond liet de Arendskop het kamp opslaan en de nachtvuren ontsteken.[234]Even na het souper, op het oogenblik dat ieder op slapen bedacht was, liet de sachem door denhachesto(omroeper) afkondigen dat de hoofden zich aan het raadvuur zouden vereenigen.»Mijne bleeke broeders zullen daar nevens de sachems plaats nemen,” zei de Arendskop tegen den Franschman en den Canadees.Dezen namen met eene buiging het voorstel aan en schaarden zich mede rondom den haard, waar de Comanchenhoofden reeds in deftige stilte zaten te verbeiden wat de sachem hun zou mededeelen.Toen ook de Arendskop had plaats genomen, wenkte hij den pijpdrager.Deze verwijderde zich en kwam weldra terug, eerbiedig de groote toovercalumet dragende, wier vijf voet lange roer met prachtige vederen en eene menigte kleine rinkels versierd was, terwijl de kop uit een fijnen witten steen bestond, dien men alleen in de Rotsbergen vindt.De pijp was reeds gevuld en ontstoken.Zoodra de pijpdrager zich binnen den kring bevond, wees hij met den kop in de richting der vier windstreken, onder het murmelen van eenige geheimzinnige spreuken of gebeden, om de gunst van Wacondah, den Meester des Levens, over den raad in te roepen en den boozen invloed van den »eersten mensch” op het gemoed der sachems, af te wenden.Vervolgens den kop van de pijp in de hand nemende, bood hij den steel met het mondstuk het eerst aan den Arendskop, roepende met plechtige en luide stem:»Mijn vader is de eerste sachem van het dappere volk der Comanchen; de wijsheid woont in zijn hoofd, al heeft de sneeuw des ouderdoms het nog niet vergrijsd. Maar even als alle andere menschen is hij vatbaar om te dwalen, dat mijn vader dus overwege alvorens te spreken; de woorden die uit zijne borst over zijne lippen zullen komen, moeten zoodanig zijn dat de Comanchen ze kunnen gehoorzamen.”»Mijn zoon heeft goed gesproken,” antwoordde de sachem.Hij nam het roer en deed zwijgend eenige trekken, toen nam hij het mondstuk uit zijne lippen en bood het aan den sachem die naast hem zat.Zoo ging de vredespijp den kring rond, zonder dat een der opperhoofden een woord sprak.Toen allen gerookt hadden en de tabak in den kop was opgebrand, schudde de pijpdrager de asch in zijne rechterhand en wierp ze in den haard met den uitroep:»Hier zijn de hoofden vereenigd in den raad; hunne woorden zijn geheiligd. Wacondah heeft ons gebed gehoord en zal het verhooren. Wee hem, die vergeet dat het geweten zijn eenigste richtsnoer zijn moet!”Na deze weinige woorden met de meeste plechtigheid te hebben[235]uitgesproken, trad de pijpdrager buiten den kring en wierp den sachems, die onbewegelijk rondom het vuur zaten, een laatsten blik toe, onder het mompelen met zachte en bijna onhoorbare stem:»Gelijk de asch die ik in het vuur wierp, heilig en voor altijd verdwenen is, mogen ook de woorden, die de sachems spreken zullen, heilig zijn en niet buiten den kring des raads gehoord worden. Dat mijne vaderen nu spreken; de raad is begonnen.”Na deze vermaning, die bijna voor een openbare bestraffing kon gelden, verwijderde de pijpdrager zich.Toen stond de Arendskop op, liet zijn blik over de raadsleden rondgaan en nam het woord.»Hoofden en krijgslieden der Comanchen,” begon hij, »reeds zijn er vele manen verloopen, sedert ik het dorp mijner natie verliet, en nog vele manen zullen voorbijgaan eer de Wacondah mij vergunnen zal, mij aan het groote raadvuur met de opperste sachems der Comanchen neder te zetten. Het bloed heeft altijd rood in mijne aderen gevloeid en geen huid heeft mijn hart voor mijne broederen bedekt. De woorden die mijne borst uitblaast komen mij op de lippen door den wil van den Grooten Geest; Hij weet hoe ik mijne liefde voor u allen bewaard heb.»De natie der Comanchen is machtig, zij is de koningin der prairiën. Hare jachtgronden dekken de gansche aarde, wat behoeft zij zich met andere natiën te verbinden om hunne grieven te wreken? Keert de onreine coyote in tot het hol van den trotschen jaguar? Legt de uil zijne eieren in het nest van den arend? Waarom zou dan de Comanch op het oorlogspad uittrekken met de honden der Apachen? De Apachen zijn bloohartige vrouwen en verraders.»Ik zeg mijne broeders dank, niet alleen dat zij met de Apachen hebben gebroken, maar dat zij mij geholpen hebben hen te verslaan; nu is mijn hart treurig en dekt een nevel mijnen geest, omdat ik van mijne broeders scheiden moet. Behage het hun mijn vaarwel, aan te nemen; dat de Spotvogel mij beklage, daar ik ver van hen verwijderd in de schaduw zal wandelen, de stralen der zon hoe vurig zij schijnen mogen zullen mij niet kunnen verwarmen. Ik heb gezegd. Heb ik goed gesproken, machtige mannen?”De Arendskop ging weder zitten te midden van een algemeen gemompel van smart, en bedekte zijn gelaat met een slip van zijn bisonsmantel.Er volgde in de vergadering eene diepe stilte. De Spotvogel scheen de andere hoofden met zijne blikken te ondervragen; eindelijk stond hij op, en nam op zijne beurt het woord om den Arendskop te beantwoorden.»De Spotvogel is jong,” zeide hij, »en zijn hoofd is goed, ofschoon het de wijsheid van zijn vader nog niet bezit. De Arendskop is een sachem dien de Wacondah lief heeft: waarom heeft de Meester des levens het opperhoofd onder de krijgslieden van zijn volk teruggebracht? Was dit opdat hij hen schier onmiddellijk weder verlaten[236]zou? Neen! de Meester des levens bemint zijne kinderen de Comanchen; hij heeft dit dus niet kunnen willen! De krijgslieden hebben een wijs en welervaren voorganger noodig om hen op het oorlogspad te geleiden en aan het vuur van den raad te onderrichten; het hoofd van mijn vader is grijs, hij behoort de krijgslieden te onderwijzen en aan te voeren; de Spotvogel kan zulks niet, hij is nog te jong en te onervaren. Waar mijn vader dus heengaat, zullen zijne zonen hem volgen, wat mijn vader wil zullen zijne zonen willen; doch hij spreke niet van hen te verlaten; laat hij de wolk verdrijven die zijn geest verduistert, zijne zonen smeeken het hem bij monde van den Spotvogel, het kind dat hij zelf opgevoed, dat hij zoo wel bemind en tot een man gemaakt heeft. Ik heb gesproken. Ziedaar mijne wampum! heb ik goed gesproken, machtige mannen?”Na die laatste woorden gezegd te hebben, nam de Spotvogel zijn halsketen van wampum-kralen, wierp haar voor de voeten van den Arendskop en ging weder zitten.»Dat de groote sachem bij zijne kinderen blijve!” riepen alle krijgslieden tegelijk, terwijl ieder zijn wampum-ketting bij dien van den Spotvogel wierp.De Arendskop richtte zich op met een houding vol fierheid en adeldom, hij liet de slip van zijn bisonsmantel vallen en sprak tot de aandachtige en belangstellende vergadering:»Ik heb het lied van den walkon, den geliefden vogel van Wacondah, in mijn oor hooren weergalmen,” zeide hij; »zijne welluidende stem is in mijn hart doorgedrongen en heeft het van vreugde doen sidderen. Mijne zonen zijn goed, ik bemin hen; de Spotvogel en tien krijgslieden, door hem zelven te kiezen, zullen mij vergezellen; de overigen zullen naar de groote dorpen van mijn volk terugkeeren, om den sachems te verkondigen dat de Arendskop weder bij zijne kinderen is; ik heb gezegd.”De Spotvogel vroeg thans om de groote calumet, die de pijpdrager hem onmiddellijk bracht, de pijp werd opnieuw ontstoken, en ging onder de sachems rond zonder dat er een woord gewisseld werd.Toen de laatste mondvol rook in de lucht verdwenen was riep de hachesto, nadat de Spotvogel hem eenige woorden zacht in het oor gesproken had, met luider stem de namen af der tien krijgslieden die gekozen waren om den Arendskop te vergezellen.De hoofden stonden op, bogen diep voor den Arendskop, stegen stilzwijgend in den zadel en reden weg in galop.Gedurende een geruimen tijd bleven de Spotvogel en de Arendskop samen praten of liever fluisteren.Toen hun gesprek uit was, steeg ook de Spotvogel te paard en reed op zijne beurt met zijne krijgslieden weg.De Arendskop, Goedsmoeds en don Louis bleven thans alleen achter.De Canadees keek met verstrooiden blik de Indianen na, die zich[237]snel verwijderden; toen zij verdwenen waren wendde hij zich tot den sachem.»Ziedaar, hoofdman,” zeide hij, »nu zijn wij eindelijk vrij om elkander de noodige ophelderingen te geven, of acht gij het uur nog niet gekomen om ronduit te spreken en onze zaken af te doen? Sedert wij ons gewone verblijf verlieten, hebben wij ons dunkt mij te veel met anderen en al zeer weinig met ons zelven beziggehouden; zou het niet haast tijd worden om aan onze eigene zaken te denken?”»De Arendskop vergeet niets, hij denkt er reeds aan om zijnen bleeken broeders groot genoegen te geven.”Goedsmoeds begon hartelijk te lachen.»Met uw verlof, hoofdman,” zeide hij; »maar mijne zaken zijn zoo eenvoudig, en wat genoegen betreft ben ik al zeer spoedig voldaan; gij hebt mij beloofd mij op reis te vergezellen en dat doet gij immers. Ik mag een Apachen-hond wezen als ik meer van u verlang. Met don Louis is het iets anders, die zoekt naar een dierbaren vriend van hem; gij weet wel dat wij hem beloofd hebben hem hierin behulpzaam te zijn.”»O! zeker,” hernam het opperhoofd; »de Arendskop heeft zijn hart tusschen zijne twee bleeke broeders verdeeld; zij hebben er ieder de helft van. De weg dien wij moeten afleggen is lang en kan nog verscheidene manen duren. Wij moeten door de groote woestijn. De Spotvogel is met zijn troep reeds vooruitgegaan om bisons te dooden en voor den noodigen mondkost te zorgen op de reis. Ik denk mijne broeders naar eene plaats te brengen, die ik eenige manen geleden ontdekte en die aan niemand bekend is dan aan mij. De Wacondah, toen hij den mensch schiep, heeft hem kracht en moed en vele jachtvelden geschonken en tot hem gezegd: Wees vrij en gelukkig. Aan de bleekgezichten gaf hij wijsheid en wetenschap om de waarde der blinkende steenen en gele bikkels te kennen; Roodhuiden en Bleekgezichten volgen ieder den weg dien de Groote Geest hun aanwees; ik zal mijne broeders naar eenplacer(zilver- of goudmijn) geleiden.”»Naar eenplacer!” riepen de twee anderen verwonderd.»Ja, wat zou een Indiaansch overste met zoovele schatten doen, daar hij toch niets mede kan uitrichten? Het goud is alleen voor de blanken; laten mijne broeders er gelukkig mede zijn, de Arendskop zal er hun meer van verschaffen, dan zij ooit dachten te zullen bezitten.”»Met uw welnemen! niet zoo voorbarig, hoofdman,” riep Goedsmoeds. »Wat drommel meent gij dat ik met al uw goud zou doen? ik ben niets anders dan een jager, die aan zijn paard en zijne buks genoeg heeft. In vroeger tijd, toen ik nog met Edelhart samen de prairie doorkruiste, hebben wij zoo menigmaal een klompje gouderts met voeten geschopt of vertreden, maar het altijd onaangeroerd laten liggen, zonder ons te verwaardigen het op te rapen.”[238]»Wat zouden wij met goud doen?” voegde don Louis er bij: »laten wij die goudmijn, hoe rijk zij ook wezen mag, maar uit onze gedachten stellen en haar bestaan zelfs aan niemand openbaren, er gebeuren tegenwoordig reeds wandaden genoeg om het lieve goud; dat is geene zaak voor ons, hoofdman. Geef uw plan maar op. Wij zeggen u dank voor uw edelmoedig aanbod, maar wij kunnen het onmogelijk aannemen.”»Goed gesproken!” riep Goedsmoeds vroolijk; »wat zouden wij met dat duivelsche goud beginnen, daar hebben wij niets aan, wij willen leven als vrije jagers zoo als wij werkelijk zijn. Caspita! hoofdman, ik verzeker u, als gij mij te la Noria gezegd hadt met welk oogmerk gij verlangdet dat ik u vergezellen zou, dan had ik u liever alleen laten vertrekken.”De Arendskop glimlachte.»Dat antwoord heb ik juist van mijne broeders verwacht, en ik ben blijde te zien dat ik mij hierin niet bedrogen heb. Ja, goud is voor hen geheel nutteloos, zij hebben gelijk; maar dat is nog geen bewijs dat zij het moeten verachten; gelijk alle andere dingen door den grooten Geest op aarde geschapen, heeft ook het goud zijne waarde. Mijne broeders moeten dus met mij medegaan naar de goudmijn; niet zooals zij veronderstellen, om er de goudkorrels groot of klein op te zamelen, maar om te weten waar zij is en haar des noods te kunnen wedervinden. Ongeluk, behoefte en armoede komen altijd onverwacht, en de gelukkigen die de Groote Geest heden het meest begunstigt, worden morgen vaak door Hem het zwaarst bezocht. Nu dan, zoo het goud uit dieplacerhet geluk mijner broeders niet kan vergrooten, wie zegt hun dat zij niet nog eenmaal dienen zal om er een of ander hunner vrienden mede uit dringenden nood te redden.”»Dat is waar,” riep don Louis die de juistheid dezer redeneering moest erkennen, »wat gij daar zegt is zeer verstandig en laat zich wel hooren. Wij kunnen voor ons zelven het bezit van rijkdommen wel verachten, maar wij mogen ze niet verwerpen als middelen om er misschien anderen mede te helpen.”»Zoo dit bepaald uw gevoelen is,” zei Goedsmoeds, »kan ik er mij wel mede vereenigen; daarbij, wij zijn nu eenmaal op weg, en kunnen onzen tocht wel ten einde toe voortzetten. Wel wel! wie had dat ooit gedacht,” vervolgde hij, »als mij iemand voorspeld had dat ik nog eens een goudzoeker worden zou, zou ik wel vreemd hebben opgekeken. Intusschen ga ik eens zien of ik een hert kan schieten.”Met deze woorden nam Goedsmoeds zijn geweer en verwijderde zich al fluitende.Wat den Spotvogel betreft, deze bleef twee dagen afwezig; tegen het midden van den derden dag kwam hij terug; zes paarden, door hem in de prairie achtergelaten, waren met levensmiddelen beladen, zes anderen droegen zakken vol water.[239]De Arendskop was uiterst voldaan over de wijze waarop hij zich van zijne taak gekweten had, doch daar zij een langen tocht te maken hadden en de woestijn del Norte in hare volle lengte moesten doortrekken, gelastte hij dat elke ruiter uit voorzorg, behalve de haver voor de paarden, twee kleine zakken met water aan zijn zadel zou mede dragen.Nadat deze maatregelen wijselijk genomen, de paarden en ruiters wel uitgerust, en verfrischt waren, brak de kleine troep den volgenden morgen met het eerste krieken van den dageraad op, en trok op marsch in de richting der woestijn del Norte.Wij zullen deze reis hier niet nader beschrijven, dan dat zij gelukkig en onder de beste omstandigheden volbracht werd. Geen enkel ongeval stoorde hare kalme eentonigheid.De Comanchen en hunne twee blanke vrienden doorreden de woestijn als een voortstuivende wervelwind, met die duizelingwekkende snelheid, waar zij alleen het geheim van bezitten en die de Roodhuiden bij hunne invallen aan de Mexicaansche grenzen zoo geducht maakt.In de prairiën der Sierra de los Comanchos aangekomen zijnde, gaf de Arendskop den Spotvogel en diens krijgslieden bevel om te kampeeren, aan den rand van een groot natuurwoud, op een tamelijk ruim grasveld, aan den oever van eene onbekende beek of kleine rivier, die zich eenige mijlen verder in de Rio del Norte uitstort, en verwijderde zich met zijne twee vrienden Goedsmoeds en don Louis.De sachem was voorzichtig in alles; ofschoon de Spotvogel zijn volste vertrouwen bezat, achtte hij het echter ongeraden hem met de ligging der goudmijn bekend te maken; en later had hij reden genoeg om zich met dezen wijzen maatregel geluk te wenschen.De drie jagers reden rechtstreeks naar de bergen, die zich voor hen uit verhieven, zoo ’t scheen als onverbiddelijke en ontoegankelijke muren graniet.Doch naarmate zij dezelve naderden werden de kanten en hellingen allengs minder steil en ontoegankelijk. Weldra trokken zij een engen bergpas binnen, aan welks ingang zij reeds genoodzaakt waren af te stijgen en hunne paarden achter te laten. Waarschijnlijk was het alleen aan deze bijzonderheid te danken, dat de Indianen deze goudmijn nooit ontdekt hadden; de Roodhuiden toch zullen bij geene gelegenheid afstijgen anders dan om te kampeeren; men zou met recht van hen kunnen zeggen wat men van de Gauchos der oostelijke pampas en in Patagonië zegt: dat zij te paard leven en sterven.Geheel toevallig, had de Arendskop eenige maanden geleden, terwijl hij op de jacht was en een door hem gekwetst damhert vervolgde, deze goudmijn ontdekt. Het damhert, dat hij sedert een paar uren had nagezeten en niet gaarne wilde laten ontsnappen, was in den bergpas gevlucht om er te sterven, en de moedige jager had niet geaarzeld, het ook daar te volgen. Na den woesten bergpas[240]in zijne geheele lengte te zijn doorgegaan bereikte hij een kleine vallei of dalkom, diep tusschen steile bergen ingesloten, en behalve van dezen kant, bezwaarlijk zoo al niet geheel onmogelijk te naderen. Daar had hij het arme dier zieltogend vinden liggen op een zandigen met goudkorrels bezaaiden bodem, die in het felle zonlicht glinsterde als duizend diamanten.Toen onze beide jagers in deze vallei afdaalden, konden zij een kreet van verbazing niet bedwingen.Hoe sterk een mensch ook zij en hoeveel zelfbeheersching hij bezitten mag, toch trekt het goud hem met onweerstaanbare toovermacht en is wel in staat om hem, althans voor eenige oogenblikken, te verbijsteren.Goedsmoeds was de eerste die zijne gewone koelbloedigheid terugkreeg.»O!” riep hij terwijl hij het zweet afwischte dat hem van het gelaat gudste, »er liggen in dit afgesloten hoekje wat schatten verborgen. God geef dat zij er nog lang verborgen blijven! daar zal het menschdom niets aan verliezen.”»Wat zullen wij er mede doen?” vroeg Louis hijgend en met fonkelende blikken.De Arendskop was de eenige die deze onberekenbare schatten onverschillig aanzag.»Hm!” hervatte de Canadees, »dit goud is ontegenzeggelijk ons eigendom, daar de sachem het aan ons overlaat.”De Arendskop knikte toestemmend.»Wat ik u wilde voorstellen,” vervolgde Goedsmoeds, »is dit: wij hebben dat goud niet noodig, op dit oogenblik zou het ons zelfs meer schaden dan voordeel doen. Evenwel, daar niemand weet wat de toekomst baren zal, moeten wij ons eigendomsrecht verzekeren; laten wij dezen zandgrond met takken en bladeren bedekken, zoodat geen jager, wanneer hij bij geval op een der omliggende hoogten komt en van daar nederblikt, dit goud in de dieptezietschitteren. Vervolgens zullen wij zoo veel mogelijk steenen verzamelen en er den ingang der bergkloof mede verstoppen; het toeval dat eenmaal den Arendskop begunstigde, zou ook wel een ander kunnen gebeuren. Wat dunkt u hiervan?”»Dadelijk aan ’t werk!” riep don Louis; »ik wil dat goud niet langer zien schitteren, hoe eer het bedekt is hoe beter; dat duivelsche metaal zou mij anders nog geheel duizelig maken.”»Aan ’t werk dan!” herhaalde Goedsmoeds.De drie mannen hieuwen takken van de boomen en maakten er een dik tapijt van, onder hetwelk de goudklompen weldra geheel onzichtbaar werden.»Wilt gij niet een staaltje van die goudklompjes bij u steken?” vroeg Goedsmoeds aan don Louis, »misschien was het niet kwaad om er een paar van mede te nemen.”[241]»O neen ik niet, wat zou ik er mede doen?” antwoordde deze de schouders ophalend, »ik stel er geen den minsten prijs op; neem gij er maar wat van meê, als gij wilt; wat mij aangaat, ik zal er geen hand naar uitsteken.”Goedsmoeds begon te lachen, raapte twee of drie gouden bikkels op, zoo groot als hazelnoten, en stak ze in zijn kogeltasch.»Sakkerloot!” riep hij, »als ik daar een paar Apachen mede doodschiet, hebben ze waarlijk geen reden zich te beklagen.”De drie jagers gingen de bergkloof door, wier mond zij met rotsblokken toestopten en onkenbaar maakten; daarop stegen zij te paard en keerden naar het kamp terug, na vooraf eenige merken aan de boomen gemaakt te hebben om de plaats te kunnen wedervinden, zoo de omstandigheden hen ooit dwongen er later op terug te komen, hetgeen wij tot hun eer moeten zeggen dat zij geen van allen verlangden.De Spotvogel wachtte zijne vrienden met het grootste ongeduld.Er was onraad in de prairie. Sedert dien morgen hadden de voorloopers een kleinen troep blanken de Rio del Norte zien overtrekken, naar een heuvel, op welks top zij hun kamp hadden opgeslagen. Een poosje later was er een talrijk detachementApachen-krijgsliedenop hetzelfde punt over de rivier gegaan, zoo het scheen, op het spoor der bovengenoemde blanken.»O!” riep Goedsmoeds, »het is duidelijk dat die duivelsche Roodhuiden onze broeders vervolgen.”»Zullen wij hen onder ons oog laten vermoorden?” riep graaf Louis verontwaardigd.»Bij mijne ziel! neen, zooveel wij er tegen doen kunnen,” antwoordde de Canadees, »misschien kunnen wij met deze goede daad de dwaze begeerlijkheid weder goed maken die wij straks deden blijken, en die ons bijna verleid had. Zeg, Arendskop, wat denkt gij er van?”»Wij moeten de bleekgezichten redden,” antwoordde het opperhoofd zonder aarzelen.Onmiddellijk werden door den sachem de noodige bevelen gegeven en door zijne onderhebbenden uitgevoerd, met al de vaardigheid en juistheid die den uitgelezen krijgslieden der Roodhuiden op het oorlogspad kenmerkt.De paarden werden onder het opzicht van een Comanch achtergelaten; het detachement verdeelde zich in twee partijen, en zoo trok men behoedzaam de prairie in.Alleen de Spotvogel, de Arendskop, don Louis en Goedsmoeds hadden jachtgeweren, al de anderen waren met pieken en met pijl en boog gewapend.»List tegen list,” fluisterde de Canadees tegen de anderen; »wij zullen ze overrompelen die anderen zoeken te overrompelen.”Op hetzelfde oogenblik vielen er twee geweerschoten, weldra door meerderen gevolgd; daarop hoorde men den aanvalskreet der Apachen, die de lucht deed weêrgalmen.[242]»Oho!” riep Goedsmoeds sneller voortmakend, »zij weten niet dat wij zoo dicht in de nabijheid zijn.”Allen ijlden hem na.Intusschen was het gevecht in de grot op eene vreeselijke wijs aan den gang: don Sylva en de peons boden moedig weêrstand; maar wat vermochten zij tegen de schaar van vijanden die hen van twee zijden bestormde!De Tigrero en de Zwarte-Beer, gelijk wij straks reeds gezegd hebben, lagen als twee saamgekronkelde slangen te worstelen en zochten elkander met den ponjaard af te maken.Op eens knalden er verscheidene geweerschoten, en in de verte klonk de donderende oorlogskreet der Comanchen.De Zwarte-Beer liet don Martial los, sprong op en ijlde naardoñaAnita, om haar te grijpen.Het doodelijk verschrikte meisje stiet hem terug en vluchtte als een gejaagde hinde de gang door tot aan de zaal, in welker midden zich de vroeger beschreven kolk bevond.De Zwarte-Beer snelde haar na om haar andermaal te grijpen, maar reeds door een pistoolschot van den Tigrero gewond, was hij minder vlug dan anders.Aan de kolk komende, deinsde hij terug, wankelde en verloor het evenwicht. Hij voelde dat hij vallen zou, strekte werktuigelijk de hand uit om zich vast te houden, en greep don Martial, die intusschen weder opgestaan en hem na was geijld; maar nog half bedwelmd van de worsteling en het harde loopen, op zijne beurt wankelde, en beiden tuimelden met een vervaarlijken kreet in den afgrond.DoñaAnita, die er niet ver af stond, snelde toe; zij was verloren.Plotseling voelde zij zich door een krachtige hand aangrijpen, opheffen en achterwaarts trekken. Zij viel in onmacht.De Comanchen waren te laat gekomen.Van de zeven personen die de karavaan uitmaakten waren er vijf gedood.Een zwaar gekwetste peon endoñaAnita, waren alleen levend overgebleven.Het ongelukkige meisje was door Goedsmoeds gered.Toen zij de oogen weder opende, glimlachte zij zacht, en begon als een onnoozel kind, met eene stem zoo helder als een vogel, eene Mexicaanscheseguedilla(ballade) te zingen.De jagers deinsden met smart terug.DoñaAnita was krankzinnig![243]
XXIV.DE WOUDLOOPERS.
Wij moeten thans tot sommige personen uit ons verhaal terugkeeren, die wij maar al te lang uit het oog hebben verloren, en verplaatsen ons naar het slot van het vijftiende hoofdstuk.Ofschoon de Franschen, bij de bestorming der kolonie door de Apachen, meester waren gebleven van het slagveld en het hun gelukt was hunne woeste vijanden in de Rio Gila terug te werpen, ontveinsden zij zich geenszins dat zij deze onverwachte zegepraal niet enkel aan hun moed te danken hadden; de laatste aanval der Comanchen onder aanvoering van den Arendskop had eigenlijk de overwinning beslist. Zoodra dus de vijanden verdwenen waren, had dan ook de graaf de Lhorailles, met eene grootheid van ziel en eene rondborstigheid die men van een man van zijn stempel niet zou hebben verwacht, de Comanchen bedankt en aan de jagers de prachtigste geschenken aangeboden.Laatstgenoemden ontvingen de vleiende loftuitingen van den graaf met gepaste zedigheid, maar wezen al zijne aanbiedingen en voorstellen bepaald van de hand.Even als Goedsmoeds, hadden zij voor hun gehouden gedrag geen andere beweegredenen gehad dan de drift om hunne landgenooten te hulp te komen; toen dus alles geëindigd was en de Franschen voor langen tijd van de aanvallen der wilden bevrijd waren, hadden zij niets meer te doen dan van den graaf zoo spoedig mogelijk afscheid te nemen en hunne reis te vervolgen.De graaf de Lhorailles wist echter zoo veel bij hen uit te werken, dat zij nog twee dagen in de kolonie zouden vertoeven.DoñaAnita en haar vader waren op zulk eene geheimzinnige wijs verdwenen, dat de Franschen, te weinig met de listen der Roodhuiden[233]bekend en geheel onkundig van de wijze waarop men een spoor in de wildernis moest uitvinden, buiten staat waren om de twee vermiste personen te gaan zoeken.De graaf de Lhorailles had intusschen stilzwijgend gehoopt, dat hij hierin door de ondervinding van den Arendskop en de schranderheid zijner krijgslieden zou worden geholpen.Hij verklaarde dus onbewimpeld aan de jagers en de Comanchen, welke goede diensten hij van hunne welwillendheid verwachtte, zoodat zij hem die niet langer durfden weigeren.Den volgenden morgen, met het krieken van den dageraad, splitste de Arendskop zijne ruiterschaar in vier afdeelingen, elk onder kommando van een beroemd krijgsman, en na hun de noodige voorschriften gegeven te hebben, verspreidde hij hen in vier verschillende richtingen.De Comanchen begonnen terstond hunne nasporingen en onderzochten de omringende wildernis met al de bekwaamheid die den Roodhuiden eigen is, maar alles was vergeefs.De vier afdeelingen kwamen de eene na de andere op de hacienda terug zonder iets ontdekt te hebben, ofschoon zij de wildernis twintig mijlen in het rond hadden afgeloopen en daarbij zoo te zeggen geen struik of grashalm onopgemerkt hadden gelaten; van don Sylva en zijne dochter was geen spoor of teeken te vinden; wij weten reeds om welke reden:doñaAnita was met haar vader de Rio Gila afgevoerd, en het water laat geen spoor over.»Gij ziet het,” zeide Goedsmoeds tegen den graaf, »wij hebben alles gedaan wat menschelijkerwijs mogelijk was, om de twee na het gevecht vermiste personen op te sporen; het blijkt duidelijk dat de oplichters hen langs de rivier tot op verren afstand hebben weggevoerd alvorens weder aan land te gaan. Wie weet waar zij zich thans bevinden? De Roodhuiden zijn snel in hunne bewegingen, vooral wanneer zij vluchten; zij hebben een verbazend eind op ons vooruit; het mislukken onzer pogingen bewijst dit; het zou eene dwaasheid zijn hen weder te willen bereiken. Vergun ons dus te vertrekken; wellicht dat wij op onze reis door de prairie in staat zijn nadere inlichtingen op te doen, die u later van dienst kunnen zijn.”»Ik wil niet langer van uwe beleefdheid jegens mij misbruik maken,” antwoordde de graaf minzaam; »vertrekt wanneer het u goeddunkt, caballeros; maar neemt de betuiging mijner dankbaarheid met u, en gelooft dat ik mij gelukkig zal rekenen u die eenmaal met meer dan louter woorden te kunnen bewijzen. Bovendien verlaat ik zelf de kolonie, misschien dat wij elkander in de woestijn nog ontmoeten zullen.”Den volgenden dag met zonsopgang vertrokken de jagers en Comanchen uit de hacienda en begaven zich naar de prairie.Tegen den avond liet de Arendskop het kamp opslaan en de nachtvuren ontsteken.[234]Even na het souper, op het oogenblik dat ieder op slapen bedacht was, liet de sachem door denhachesto(omroeper) afkondigen dat de hoofden zich aan het raadvuur zouden vereenigen.»Mijne bleeke broeders zullen daar nevens de sachems plaats nemen,” zei de Arendskop tegen den Franschman en den Canadees.Dezen namen met eene buiging het voorstel aan en schaarden zich mede rondom den haard, waar de Comanchenhoofden reeds in deftige stilte zaten te verbeiden wat de sachem hun zou mededeelen.Toen ook de Arendskop had plaats genomen, wenkte hij den pijpdrager.Deze verwijderde zich en kwam weldra terug, eerbiedig de groote toovercalumet dragende, wier vijf voet lange roer met prachtige vederen en eene menigte kleine rinkels versierd was, terwijl de kop uit een fijnen witten steen bestond, dien men alleen in de Rotsbergen vindt.De pijp was reeds gevuld en ontstoken.Zoodra de pijpdrager zich binnen den kring bevond, wees hij met den kop in de richting der vier windstreken, onder het murmelen van eenige geheimzinnige spreuken of gebeden, om de gunst van Wacondah, den Meester des Levens, over den raad in te roepen en den boozen invloed van den »eersten mensch” op het gemoed der sachems, af te wenden.Vervolgens den kop van de pijp in de hand nemende, bood hij den steel met het mondstuk het eerst aan den Arendskop, roepende met plechtige en luide stem:»Mijn vader is de eerste sachem van het dappere volk der Comanchen; de wijsheid woont in zijn hoofd, al heeft de sneeuw des ouderdoms het nog niet vergrijsd. Maar even als alle andere menschen is hij vatbaar om te dwalen, dat mijn vader dus overwege alvorens te spreken; de woorden die uit zijne borst over zijne lippen zullen komen, moeten zoodanig zijn dat de Comanchen ze kunnen gehoorzamen.”»Mijn zoon heeft goed gesproken,” antwoordde de sachem.Hij nam het roer en deed zwijgend eenige trekken, toen nam hij het mondstuk uit zijne lippen en bood het aan den sachem die naast hem zat.Zoo ging de vredespijp den kring rond, zonder dat een der opperhoofden een woord sprak.Toen allen gerookt hadden en de tabak in den kop was opgebrand, schudde de pijpdrager de asch in zijne rechterhand en wierp ze in den haard met den uitroep:»Hier zijn de hoofden vereenigd in den raad; hunne woorden zijn geheiligd. Wacondah heeft ons gebed gehoord en zal het verhooren. Wee hem, die vergeet dat het geweten zijn eenigste richtsnoer zijn moet!”Na deze weinige woorden met de meeste plechtigheid te hebben[235]uitgesproken, trad de pijpdrager buiten den kring en wierp den sachems, die onbewegelijk rondom het vuur zaten, een laatsten blik toe, onder het mompelen met zachte en bijna onhoorbare stem:»Gelijk de asch die ik in het vuur wierp, heilig en voor altijd verdwenen is, mogen ook de woorden, die de sachems spreken zullen, heilig zijn en niet buiten den kring des raads gehoord worden. Dat mijne vaderen nu spreken; de raad is begonnen.”Na deze vermaning, die bijna voor een openbare bestraffing kon gelden, verwijderde de pijpdrager zich.Toen stond de Arendskop op, liet zijn blik over de raadsleden rondgaan en nam het woord.»Hoofden en krijgslieden der Comanchen,” begon hij, »reeds zijn er vele manen verloopen, sedert ik het dorp mijner natie verliet, en nog vele manen zullen voorbijgaan eer de Wacondah mij vergunnen zal, mij aan het groote raadvuur met de opperste sachems der Comanchen neder te zetten. Het bloed heeft altijd rood in mijne aderen gevloeid en geen huid heeft mijn hart voor mijne broederen bedekt. De woorden die mijne borst uitblaast komen mij op de lippen door den wil van den Grooten Geest; Hij weet hoe ik mijne liefde voor u allen bewaard heb.»De natie der Comanchen is machtig, zij is de koningin der prairiën. Hare jachtgronden dekken de gansche aarde, wat behoeft zij zich met andere natiën te verbinden om hunne grieven te wreken? Keert de onreine coyote in tot het hol van den trotschen jaguar? Legt de uil zijne eieren in het nest van den arend? Waarom zou dan de Comanch op het oorlogspad uittrekken met de honden der Apachen? De Apachen zijn bloohartige vrouwen en verraders.»Ik zeg mijne broeders dank, niet alleen dat zij met de Apachen hebben gebroken, maar dat zij mij geholpen hebben hen te verslaan; nu is mijn hart treurig en dekt een nevel mijnen geest, omdat ik van mijne broeders scheiden moet. Behage het hun mijn vaarwel, aan te nemen; dat de Spotvogel mij beklage, daar ik ver van hen verwijderd in de schaduw zal wandelen, de stralen der zon hoe vurig zij schijnen mogen zullen mij niet kunnen verwarmen. Ik heb gezegd. Heb ik goed gesproken, machtige mannen?”De Arendskop ging weder zitten te midden van een algemeen gemompel van smart, en bedekte zijn gelaat met een slip van zijn bisonsmantel.Er volgde in de vergadering eene diepe stilte. De Spotvogel scheen de andere hoofden met zijne blikken te ondervragen; eindelijk stond hij op, en nam op zijne beurt het woord om den Arendskop te beantwoorden.»De Spotvogel is jong,” zeide hij, »en zijn hoofd is goed, ofschoon het de wijsheid van zijn vader nog niet bezit. De Arendskop is een sachem dien de Wacondah lief heeft: waarom heeft de Meester des levens het opperhoofd onder de krijgslieden van zijn volk teruggebracht? Was dit opdat hij hen schier onmiddellijk weder verlaten[236]zou? Neen! de Meester des levens bemint zijne kinderen de Comanchen; hij heeft dit dus niet kunnen willen! De krijgslieden hebben een wijs en welervaren voorganger noodig om hen op het oorlogspad te geleiden en aan het vuur van den raad te onderrichten; het hoofd van mijn vader is grijs, hij behoort de krijgslieden te onderwijzen en aan te voeren; de Spotvogel kan zulks niet, hij is nog te jong en te onervaren. Waar mijn vader dus heengaat, zullen zijne zonen hem volgen, wat mijn vader wil zullen zijne zonen willen; doch hij spreke niet van hen te verlaten; laat hij de wolk verdrijven die zijn geest verduistert, zijne zonen smeeken het hem bij monde van den Spotvogel, het kind dat hij zelf opgevoed, dat hij zoo wel bemind en tot een man gemaakt heeft. Ik heb gesproken. Ziedaar mijne wampum! heb ik goed gesproken, machtige mannen?”Na die laatste woorden gezegd te hebben, nam de Spotvogel zijn halsketen van wampum-kralen, wierp haar voor de voeten van den Arendskop en ging weder zitten.»Dat de groote sachem bij zijne kinderen blijve!” riepen alle krijgslieden tegelijk, terwijl ieder zijn wampum-ketting bij dien van den Spotvogel wierp.De Arendskop richtte zich op met een houding vol fierheid en adeldom, hij liet de slip van zijn bisonsmantel vallen en sprak tot de aandachtige en belangstellende vergadering:»Ik heb het lied van den walkon, den geliefden vogel van Wacondah, in mijn oor hooren weergalmen,” zeide hij; »zijne welluidende stem is in mijn hart doorgedrongen en heeft het van vreugde doen sidderen. Mijne zonen zijn goed, ik bemin hen; de Spotvogel en tien krijgslieden, door hem zelven te kiezen, zullen mij vergezellen; de overigen zullen naar de groote dorpen van mijn volk terugkeeren, om den sachems te verkondigen dat de Arendskop weder bij zijne kinderen is; ik heb gezegd.”De Spotvogel vroeg thans om de groote calumet, die de pijpdrager hem onmiddellijk bracht, de pijp werd opnieuw ontstoken, en ging onder de sachems rond zonder dat er een woord gewisseld werd.Toen de laatste mondvol rook in de lucht verdwenen was riep de hachesto, nadat de Spotvogel hem eenige woorden zacht in het oor gesproken had, met luider stem de namen af der tien krijgslieden die gekozen waren om den Arendskop te vergezellen.De hoofden stonden op, bogen diep voor den Arendskop, stegen stilzwijgend in den zadel en reden weg in galop.Gedurende een geruimen tijd bleven de Spotvogel en de Arendskop samen praten of liever fluisteren.Toen hun gesprek uit was, steeg ook de Spotvogel te paard en reed op zijne beurt met zijne krijgslieden weg.De Arendskop, Goedsmoeds en don Louis bleven thans alleen achter.De Canadees keek met verstrooiden blik de Indianen na, die zich[237]snel verwijderden; toen zij verdwenen waren wendde hij zich tot den sachem.»Ziedaar, hoofdman,” zeide hij, »nu zijn wij eindelijk vrij om elkander de noodige ophelderingen te geven, of acht gij het uur nog niet gekomen om ronduit te spreken en onze zaken af te doen? Sedert wij ons gewone verblijf verlieten, hebben wij ons dunkt mij te veel met anderen en al zeer weinig met ons zelven beziggehouden; zou het niet haast tijd worden om aan onze eigene zaken te denken?”»De Arendskop vergeet niets, hij denkt er reeds aan om zijnen bleeken broeders groot genoegen te geven.”Goedsmoeds begon hartelijk te lachen.»Met uw verlof, hoofdman,” zeide hij; »maar mijne zaken zijn zoo eenvoudig, en wat genoegen betreft ben ik al zeer spoedig voldaan; gij hebt mij beloofd mij op reis te vergezellen en dat doet gij immers. Ik mag een Apachen-hond wezen als ik meer van u verlang. Met don Louis is het iets anders, die zoekt naar een dierbaren vriend van hem; gij weet wel dat wij hem beloofd hebben hem hierin behulpzaam te zijn.”»O! zeker,” hernam het opperhoofd; »de Arendskop heeft zijn hart tusschen zijne twee bleeke broeders verdeeld; zij hebben er ieder de helft van. De weg dien wij moeten afleggen is lang en kan nog verscheidene manen duren. Wij moeten door de groote woestijn. De Spotvogel is met zijn troep reeds vooruitgegaan om bisons te dooden en voor den noodigen mondkost te zorgen op de reis. Ik denk mijne broeders naar eene plaats te brengen, die ik eenige manen geleden ontdekte en die aan niemand bekend is dan aan mij. De Wacondah, toen hij den mensch schiep, heeft hem kracht en moed en vele jachtvelden geschonken en tot hem gezegd: Wees vrij en gelukkig. Aan de bleekgezichten gaf hij wijsheid en wetenschap om de waarde der blinkende steenen en gele bikkels te kennen; Roodhuiden en Bleekgezichten volgen ieder den weg dien de Groote Geest hun aanwees; ik zal mijne broeders naar eenplacer(zilver- of goudmijn) geleiden.”»Naar eenplacer!” riepen de twee anderen verwonderd.»Ja, wat zou een Indiaansch overste met zoovele schatten doen, daar hij toch niets mede kan uitrichten? Het goud is alleen voor de blanken; laten mijne broeders er gelukkig mede zijn, de Arendskop zal er hun meer van verschaffen, dan zij ooit dachten te zullen bezitten.”»Met uw welnemen! niet zoo voorbarig, hoofdman,” riep Goedsmoeds. »Wat drommel meent gij dat ik met al uw goud zou doen? ik ben niets anders dan een jager, die aan zijn paard en zijne buks genoeg heeft. In vroeger tijd, toen ik nog met Edelhart samen de prairie doorkruiste, hebben wij zoo menigmaal een klompje gouderts met voeten geschopt of vertreden, maar het altijd onaangeroerd laten liggen, zonder ons te verwaardigen het op te rapen.”[238]»Wat zouden wij met goud doen?” voegde don Louis er bij: »laten wij die goudmijn, hoe rijk zij ook wezen mag, maar uit onze gedachten stellen en haar bestaan zelfs aan niemand openbaren, er gebeuren tegenwoordig reeds wandaden genoeg om het lieve goud; dat is geene zaak voor ons, hoofdman. Geef uw plan maar op. Wij zeggen u dank voor uw edelmoedig aanbod, maar wij kunnen het onmogelijk aannemen.”»Goed gesproken!” riep Goedsmoeds vroolijk; »wat zouden wij met dat duivelsche goud beginnen, daar hebben wij niets aan, wij willen leven als vrije jagers zoo als wij werkelijk zijn. Caspita! hoofdman, ik verzeker u, als gij mij te la Noria gezegd hadt met welk oogmerk gij verlangdet dat ik u vergezellen zou, dan had ik u liever alleen laten vertrekken.”De Arendskop glimlachte.»Dat antwoord heb ik juist van mijne broeders verwacht, en ik ben blijde te zien dat ik mij hierin niet bedrogen heb. Ja, goud is voor hen geheel nutteloos, zij hebben gelijk; maar dat is nog geen bewijs dat zij het moeten verachten; gelijk alle andere dingen door den grooten Geest op aarde geschapen, heeft ook het goud zijne waarde. Mijne broeders moeten dus met mij medegaan naar de goudmijn; niet zooals zij veronderstellen, om er de goudkorrels groot of klein op te zamelen, maar om te weten waar zij is en haar des noods te kunnen wedervinden. Ongeluk, behoefte en armoede komen altijd onverwacht, en de gelukkigen die de Groote Geest heden het meest begunstigt, worden morgen vaak door Hem het zwaarst bezocht. Nu dan, zoo het goud uit dieplacerhet geluk mijner broeders niet kan vergrooten, wie zegt hun dat zij niet nog eenmaal dienen zal om er een of ander hunner vrienden mede uit dringenden nood te redden.”»Dat is waar,” riep don Louis die de juistheid dezer redeneering moest erkennen, »wat gij daar zegt is zeer verstandig en laat zich wel hooren. Wij kunnen voor ons zelven het bezit van rijkdommen wel verachten, maar wij mogen ze niet verwerpen als middelen om er misschien anderen mede te helpen.”»Zoo dit bepaald uw gevoelen is,” zei Goedsmoeds, »kan ik er mij wel mede vereenigen; daarbij, wij zijn nu eenmaal op weg, en kunnen onzen tocht wel ten einde toe voortzetten. Wel wel! wie had dat ooit gedacht,” vervolgde hij, »als mij iemand voorspeld had dat ik nog eens een goudzoeker worden zou, zou ik wel vreemd hebben opgekeken. Intusschen ga ik eens zien of ik een hert kan schieten.”Met deze woorden nam Goedsmoeds zijn geweer en verwijderde zich al fluitende.Wat den Spotvogel betreft, deze bleef twee dagen afwezig; tegen het midden van den derden dag kwam hij terug; zes paarden, door hem in de prairie achtergelaten, waren met levensmiddelen beladen, zes anderen droegen zakken vol water.[239]De Arendskop was uiterst voldaan over de wijze waarop hij zich van zijne taak gekweten had, doch daar zij een langen tocht te maken hadden en de woestijn del Norte in hare volle lengte moesten doortrekken, gelastte hij dat elke ruiter uit voorzorg, behalve de haver voor de paarden, twee kleine zakken met water aan zijn zadel zou mede dragen.Nadat deze maatregelen wijselijk genomen, de paarden en ruiters wel uitgerust, en verfrischt waren, brak de kleine troep den volgenden morgen met het eerste krieken van den dageraad op, en trok op marsch in de richting der woestijn del Norte.Wij zullen deze reis hier niet nader beschrijven, dan dat zij gelukkig en onder de beste omstandigheden volbracht werd. Geen enkel ongeval stoorde hare kalme eentonigheid.De Comanchen en hunne twee blanke vrienden doorreden de woestijn als een voortstuivende wervelwind, met die duizelingwekkende snelheid, waar zij alleen het geheim van bezitten en die de Roodhuiden bij hunne invallen aan de Mexicaansche grenzen zoo geducht maakt.In de prairiën der Sierra de los Comanchos aangekomen zijnde, gaf de Arendskop den Spotvogel en diens krijgslieden bevel om te kampeeren, aan den rand van een groot natuurwoud, op een tamelijk ruim grasveld, aan den oever van eene onbekende beek of kleine rivier, die zich eenige mijlen verder in de Rio del Norte uitstort, en verwijderde zich met zijne twee vrienden Goedsmoeds en don Louis.De sachem was voorzichtig in alles; ofschoon de Spotvogel zijn volste vertrouwen bezat, achtte hij het echter ongeraden hem met de ligging der goudmijn bekend te maken; en later had hij reden genoeg om zich met dezen wijzen maatregel geluk te wenschen.De drie jagers reden rechtstreeks naar de bergen, die zich voor hen uit verhieven, zoo ’t scheen als onverbiddelijke en ontoegankelijke muren graniet.Doch naarmate zij dezelve naderden werden de kanten en hellingen allengs minder steil en ontoegankelijk. Weldra trokken zij een engen bergpas binnen, aan welks ingang zij reeds genoodzaakt waren af te stijgen en hunne paarden achter te laten. Waarschijnlijk was het alleen aan deze bijzonderheid te danken, dat de Indianen deze goudmijn nooit ontdekt hadden; de Roodhuiden toch zullen bij geene gelegenheid afstijgen anders dan om te kampeeren; men zou met recht van hen kunnen zeggen wat men van de Gauchos der oostelijke pampas en in Patagonië zegt: dat zij te paard leven en sterven.Geheel toevallig, had de Arendskop eenige maanden geleden, terwijl hij op de jacht was en een door hem gekwetst damhert vervolgde, deze goudmijn ontdekt. Het damhert, dat hij sedert een paar uren had nagezeten en niet gaarne wilde laten ontsnappen, was in den bergpas gevlucht om er te sterven, en de moedige jager had niet geaarzeld, het ook daar te volgen. Na den woesten bergpas[240]in zijne geheele lengte te zijn doorgegaan bereikte hij een kleine vallei of dalkom, diep tusschen steile bergen ingesloten, en behalve van dezen kant, bezwaarlijk zoo al niet geheel onmogelijk te naderen. Daar had hij het arme dier zieltogend vinden liggen op een zandigen met goudkorrels bezaaiden bodem, die in het felle zonlicht glinsterde als duizend diamanten.Toen onze beide jagers in deze vallei afdaalden, konden zij een kreet van verbazing niet bedwingen.Hoe sterk een mensch ook zij en hoeveel zelfbeheersching hij bezitten mag, toch trekt het goud hem met onweerstaanbare toovermacht en is wel in staat om hem, althans voor eenige oogenblikken, te verbijsteren.Goedsmoeds was de eerste die zijne gewone koelbloedigheid terugkreeg.»O!” riep hij terwijl hij het zweet afwischte dat hem van het gelaat gudste, »er liggen in dit afgesloten hoekje wat schatten verborgen. God geef dat zij er nog lang verborgen blijven! daar zal het menschdom niets aan verliezen.”»Wat zullen wij er mede doen?” vroeg Louis hijgend en met fonkelende blikken.De Arendskop was de eenige die deze onberekenbare schatten onverschillig aanzag.»Hm!” hervatte de Canadees, »dit goud is ontegenzeggelijk ons eigendom, daar de sachem het aan ons overlaat.”De Arendskop knikte toestemmend.»Wat ik u wilde voorstellen,” vervolgde Goedsmoeds, »is dit: wij hebben dat goud niet noodig, op dit oogenblik zou het ons zelfs meer schaden dan voordeel doen. Evenwel, daar niemand weet wat de toekomst baren zal, moeten wij ons eigendomsrecht verzekeren; laten wij dezen zandgrond met takken en bladeren bedekken, zoodat geen jager, wanneer hij bij geval op een der omliggende hoogten komt en van daar nederblikt, dit goud in de dieptezietschitteren. Vervolgens zullen wij zoo veel mogelijk steenen verzamelen en er den ingang der bergkloof mede verstoppen; het toeval dat eenmaal den Arendskop begunstigde, zou ook wel een ander kunnen gebeuren. Wat dunkt u hiervan?”»Dadelijk aan ’t werk!” riep don Louis; »ik wil dat goud niet langer zien schitteren, hoe eer het bedekt is hoe beter; dat duivelsche metaal zou mij anders nog geheel duizelig maken.”»Aan ’t werk dan!” herhaalde Goedsmoeds.De drie mannen hieuwen takken van de boomen en maakten er een dik tapijt van, onder hetwelk de goudklompen weldra geheel onzichtbaar werden.»Wilt gij niet een staaltje van die goudklompjes bij u steken?” vroeg Goedsmoeds aan don Louis, »misschien was het niet kwaad om er een paar van mede te nemen.”[241]»O neen ik niet, wat zou ik er mede doen?” antwoordde deze de schouders ophalend, »ik stel er geen den minsten prijs op; neem gij er maar wat van meê, als gij wilt; wat mij aangaat, ik zal er geen hand naar uitsteken.”Goedsmoeds begon te lachen, raapte twee of drie gouden bikkels op, zoo groot als hazelnoten, en stak ze in zijn kogeltasch.»Sakkerloot!” riep hij, »als ik daar een paar Apachen mede doodschiet, hebben ze waarlijk geen reden zich te beklagen.”De drie jagers gingen de bergkloof door, wier mond zij met rotsblokken toestopten en onkenbaar maakten; daarop stegen zij te paard en keerden naar het kamp terug, na vooraf eenige merken aan de boomen gemaakt te hebben om de plaats te kunnen wedervinden, zoo de omstandigheden hen ooit dwongen er later op terug te komen, hetgeen wij tot hun eer moeten zeggen dat zij geen van allen verlangden.De Spotvogel wachtte zijne vrienden met het grootste ongeduld.Er was onraad in de prairie. Sedert dien morgen hadden de voorloopers een kleinen troep blanken de Rio del Norte zien overtrekken, naar een heuvel, op welks top zij hun kamp hadden opgeslagen. Een poosje later was er een talrijk detachementApachen-krijgsliedenop hetzelfde punt over de rivier gegaan, zoo het scheen, op het spoor der bovengenoemde blanken.»O!” riep Goedsmoeds, »het is duidelijk dat die duivelsche Roodhuiden onze broeders vervolgen.”»Zullen wij hen onder ons oog laten vermoorden?” riep graaf Louis verontwaardigd.»Bij mijne ziel! neen, zooveel wij er tegen doen kunnen,” antwoordde de Canadees, »misschien kunnen wij met deze goede daad de dwaze begeerlijkheid weder goed maken die wij straks deden blijken, en die ons bijna verleid had. Zeg, Arendskop, wat denkt gij er van?”»Wij moeten de bleekgezichten redden,” antwoordde het opperhoofd zonder aarzelen.Onmiddellijk werden door den sachem de noodige bevelen gegeven en door zijne onderhebbenden uitgevoerd, met al de vaardigheid en juistheid die den uitgelezen krijgslieden der Roodhuiden op het oorlogspad kenmerkt.De paarden werden onder het opzicht van een Comanch achtergelaten; het detachement verdeelde zich in twee partijen, en zoo trok men behoedzaam de prairie in.Alleen de Spotvogel, de Arendskop, don Louis en Goedsmoeds hadden jachtgeweren, al de anderen waren met pieken en met pijl en boog gewapend.»List tegen list,” fluisterde de Canadees tegen de anderen; »wij zullen ze overrompelen die anderen zoeken te overrompelen.”Op hetzelfde oogenblik vielen er twee geweerschoten, weldra door meerderen gevolgd; daarop hoorde men den aanvalskreet der Apachen, die de lucht deed weêrgalmen.[242]»Oho!” riep Goedsmoeds sneller voortmakend, »zij weten niet dat wij zoo dicht in de nabijheid zijn.”Allen ijlden hem na.Intusschen was het gevecht in de grot op eene vreeselijke wijs aan den gang: don Sylva en de peons boden moedig weêrstand; maar wat vermochten zij tegen de schaar van vijanden die hen van twee zijden bestormde!De Tigrero en de Zwarte-Beer, gelijk wij straks reeds gezegd hebben, lagen als twee saamgekronkelde slangen te worstelen en zochten elkander met den ponjaard af te maken.Op eens knalden er verscheidene geweerschoten, en in de verte klonk de donderende oorlogskreet der Comanchen.De Zwarte-Beer liet don Martial los, sprong op en ijlde naardoñaAnita, om haar te grijpen.Het doodelijk verschrikte meisje stiet hem terug en vluchtte als een gejaagde hinde de gang door tot aan de zaal, in welker midden zich de vroeger beschreven kolk bevond.De Zwarte-Beer snelde haar na om haar andermaal te grijpen, maar reeds door een pistoolschot van den Tigrero gewond, was hij minder vlug dan anders.Aan de kolk komende, deinsde hij terug, wankelde en verloor het evenwicht. Hij voelde dat hij vallen zou, strekte werktuigelijk de hand uit om zich vast te houden, en greep don Martial, die intusschen weder opgestaan en hem na was geijld; maar nog half bedwelmd van de worsteling en het harde loopen, op zijne beurt wankelde, en beiden tuimelden met een vervaarlijken kreet in den afgrond.DoñaAnita, die er niet ver af stond, snelde toe; zij was verloren.Plotseling voelde zij zich door een krachtige hand aangrijpen, opheffen en achterwaarts trekken. Zij viel in onmacht.De Comanchen waren te laat gekomen.Van de zeven personen die de karavaan uitmaakten waren er vijf gedood.Een zwaar gekwetste peon endoñaAnita, waren alleen levend overgebleven.Het ongelukkige meisje was door Goedsmoeds gered.Toen zij de oogen weder opende, glimlachte zij zacht, en begon als een onnoozel kind, met eene stem zoo helder als een vogel, eene Mexicaanscheseguedilla(ballade) te zingen.De jagers deinsden met smart terug.DoñaAnita was krankzinnig![243]
Wij moeten thans tot sommige personen uit ons verhaal terugkeeren, die wij maar al te lang uit het oog hebben verloren, en verplaatsen ons naar het slot van het vijftiende hoofdstuk.
Ofschoon de Franschen, bij de bestorming der kolonie door de Apachen, meester waren gebleven van het slagveld en het hun gelukt was hunne woeste vijanden in de Rio Gila terug te werpen, ontveinsden zij zich geenszins dat zij deze onverwachte zegepraal niet enkel aan hun moed te danken hadden; de laatste aanval der Comanchen onder aanvoering van den Arendskop had eigenlijk de overwinning beslist. Zoodra dus de vijanden verdwenen waren, had dan ook de graaf de Lhorailles, met eene grootheid van ziel en eene rondborstigheid die men van een man van zijn stempel niet zou hebben verwacht, de Comanchen bedankt en aan de jagers de prachtigste geschenken aangeboden.
Laatstgenoemden ontvingen de vleiende loftuitingen van den graaf met gepaste zedigheid, maar wezen al zijne aanbiedingen en voorstellen bepaald van de hand.
Even als Goedsmoeds, hadden zij voor hun gehouden gedrag geen andere beweegredenen gehad dan de drift om hunne landgenooten te hulp te komen; toen dus alles geëindigd was en de Franschen voor langen tijd van de aanvallen der wilden bevrijd waren, hadden zij niets meer te doen dan van den graaf zoo spoedig mogelijk afscheid te nemen en hunne reis te vervolgen.
De graaf de Lhorailles wist echter zoo veel bij hen uit te werken, dat zij nog twee dagen in de kolonie zouden vertoeven.
DoñaAnita en haar vader waren op zulk eene geheimzinnige wijs verdwenen, dat de Franschen, te weinig met de listen der Roodhuiden[233]bekend en geheel onkundig van de wijze waarop men een spoor in de wildernis moest uitvinden, buiten staat waren om de twee vermiste personen te gaan zoeken.
De graaf de Lhorailles had intusschen stilzwijgend gehoopt, dat hij hierin door de ondervinding van den Arendskop en de schranderheid zijner krijgslieden zou worden geholpen.
Hij verklaarde dus onbewimpeld aan de jagers en de Comanchen, welke goede diensten hij van hunne welwillendheid verwachtte, zoodat zij hem die niet langer durfden weigeren.
Den volgenden morgen, met het krieken van den dageraad, splitste de Arendskop zijne ruiterschaar in vier afdeelingen, elk onder kommando van een beroemd krijgsman, en na hun de noodige voorschriften gegeven te hebben, verspreidde hij hen in vier verschillende richtingen.
De Comanchen begonnen terstond hunne nasporingen en onderzochten de omringende wildernis met al de bekwaamheid die den Roodhuiden eigen is, maar alles was vergeefs.
De vier afdeelingen kwamen de eene na de andere op de hacienda terug zonder iets ontdekt te hebben, ofschoon zij de wildernis twintig mijlen in het rond hadden afgeloopen en daarbij zoo te zeggen geen struik of grashalm onopgemerkt hadden gelaten; van don Sylva en zijne dochter was geen spoor of teeken te vinden; wij weten reeds om welke reden:doñaAnita was met haar vader de Rio Gila afgevoerd, en het water laat geen spoor over.
»Gij ziet het,” zeide Goedsmoeds tegen den graaf, »wij hebben alles gedaan wat menschelijkerwijs mogelijk was, om de twee na het gevecht vermiste personen op te sporen; het blijkt duidelijk dat de oplichters hen langs de rivier tot op verren afstand hebben weggevoerd alvorens weder aan land te gaan. Wie weet waar zij zich thans bevinden? De Roodhuiden zijn snel in hunne bewegingen, vooral wanneer zij vluchten; zij hebben een verbazend eind op ons vooruit; het mislukken onzer pogingen bewijst dit; het zou eene dwaasheid zijn hen weder te willen bereiken. Vergun ons dus te vertrekken; wellicht dat wij op onze reis door de prairie in staat zijn nadere inlichtingen op te doen, die u later van dienst kunnen zijn.”
»Ik wil niet langer van uwe beleefdheid jegens mij misbruik maken,” antwoordde de graaf minzaam; »vertrekt wanneer het u goeddunkt, caballeros; maar neemt de betuiging mijner dankbaarheid met u, en gelooft dat ik mij gelukkig zal rekenen u die eenmaal met meer dan louter woorden te kunnen bewijzen. Bovendien verlaat ik zelf de kolonie, misschien dat wij elkander in de woestijn nog ontmoeten zullen.”
Den volgenden dag met zonsopgang vertrokken de jagers en Comanchen uit de hacienda en begaven zich naar de prairie.
Tegen den avond liet de Arendskop het kamp opslaan en de nachtvuren ontsteken.[234]
Even na het souper, op het oogenblik dat ieder op slapen bedacht was, liet de sachem door denhachesto(omroeper) afkondigen dat de hoofden zich aan het raadvuur zouden vereenigen.
»Mijne bleeke broeders zullen daar nevens de sachems plaats nemen,” zei de Arendskop tegen den Franschman en den Canadees.
Dezen namen met eene buiging het voorstel aan en schaarden zich mede rondom den haard, waar de Comanchenhoofden reeds in deftige stilte zaten te verbeiden wat de sachem hun zou mededeelen.
Toen ook de Arendskop had plaats genomen, wenkte hij den pijpdrager.
Deze verwijderde zich en kwam weldra terug, eerbiedig de groote toovercalumet dragende, wier vijf voet lange roer met prachtige vederen en eene menigte kleine rinkels versierd was, terwijl de kop uit een fijnen witten steen bestond, dien men alleen in de Rotsbergen vindt.
De pijp was reeds gevuld en ontstoken.
Zoodra de pijpdrager zich binnen den kring bevond, wees hij met den kop in de richting der vier windstreken, onder het murmelen van eenige geheimzinnige spreuken of gebeden, om de gunst van Wacondah, den Meester des Levens, over den raad in te roepen en den boozen invloed van den »eersten mensch” op het gemoed der sachems, af te wenden.
Vervolgens den kop van de pijp in de hand nemende, bood hij den steel met het mondstuk het eerst aan den Arendskop, roepende met plechtige en luide stem:
»Mijn vader is de eerste sachem van het dappere volk der Comanchen; de wijsheid woont in zijn hoofd, al heeft de sneeuw des ouderdoms het nog niet vergrijsd. Maar even als alle andere menschen is hij vatbaar om te dwalen, dat mijn vader dus overwege alvorens te spreken; de woorden die uit zijne borst over zijne lippen zullen komen, moeten zoodanig zijn dat de Comanchen ze kunnen gehoorzamen.”
»Mijn zoon heeft goed gesproken,” antwoordde de sachem.
Hij nam het roer en deed zwijgend eenige trekken, toen nam hij het mondstuk uit zijne lippen en bood het aan den sachem die naast hem zat.
Zoo ging de vredespijp den kring rond, zonder dat een der opperhoofden een woord sprak.
Toen allen gerookt hadden en de tabak in den kop was opgebrand, schudde de pijpdrager de asch in zijne rechterhand en wierp ze in den haard met den uitroep:
»Hier zijn de hoofden vereenigd in den raad; hunne woorden zijn geheiligd. Wacondah heeft ons gebed gehoord en zal het verhooren. Wee hem, die vergeet dat het geweten zijn eenigste richtsnoer zijn moet!”
Na deze weinige woorden met de meeste plechtigheid te hebben[235]uitgesproken, trad de pijpdrager buiten den kring en wierp den sachems, die onbewegelijk rondom het vuur zaten, een laatsten blik toe, onder het mompelen met zachte en bijna onhoorbare stem:
»Gelijk de asch die ik in het vuur wierp, heilig en voor altijd verdwenen is, mogen ook de woorden, die de sachems spreken zullen, heilig zijn en niet buiten den kring des raads gehoord worden. Dat mijne vaderen nu spreken; de raad is begonnen.”
Na deze vermaning, die bijna voor een openbare bestraffing kon gelden, verwijderde de pijpdrager zich.
Toen stond de Arendskop op, liet zijn blik over de raadsleden rondgaan en nam het woord.
»Hoofden en krijgslieden der Comanchen,” begon hij, »reeds zijn er vele manen verloopen, sedert ik het dorp mijner natie verliet, en nog vele manen zullen voorbijgaan eer de Wacondah mij vergunnen zal, mij aan het groote raadvuur met de opperste sachems der Comanchen neder te zetten. Het bloed heeft altijd rood in mijne aderen gevloeid en geen huid heeft mijn hart voor mijne broederen bedekt. De woorden die mijne borst uitblaast komen mij op de lippen door den wil van den Grooten Geest; Hij weet hoe ik mijne liefde voor u allen bewaard heb.
»De natie der Comanchen is machtig, zij is de koningin der prairiën. Hare jachtgronden dekken de gansche aarde, wat behoeft zij zich met andere natiën te verbinden om hunne grieven te wreken? Keert de onreine coyote in tot het hol van den trotschen jaguar? Legt de uil zijne eieren in het nest van den arend? Waarom zou dan de Comanch op het oorlogspad uittrekken met de honden der Apachen? De Apachen zijn bloohartige vrouwen en verraders.
»Ik zeg mijne broeders dank, niet alleen dat zij met de Apachen hebben gebroken, maar dat zij mij geholpen hebben hen te verslaan; nu is mijn hart treurig en dekt een nevel mijnen geest, omdat ik van mijne broeders scheiden moet. Behage het hun mijn vaarwel, aan te nemen; dat de Spotvogel mij beklage, daar ik ver van hen verwijderd in de schaduw zal wandelen, de stralen der zon hoe vurig zij schijnen mogen zullen mij niet kunnen verwarmen. Ik heb gezegd. Heb ik goed gesproken, machtige mannen?”
De Arendskop ging weder zitten te midden van een algemeen gemompel van smart, en bedekte zijn gelaat met een slip van zijn bisonsmantel.
Er volgde in de vergadering eene diepe stilte. De Spotvogel scheen de andere hoofden met zijne blikken te ondervragen; eindelijk stond hij op, en nam op zijne beurt het woord om den Arendskop te beantwoorden.
»De Spotvogel is jong,” zeide hij, »en zijn hoofd is goed, ofschoon het de wijsheid van zijn vader nog niet bezit. De Arendskop is een sachem dien de Wacondah lief heeft: waarom heeft de Meester des levens het opperhoofd onder de krijgslieden van zijn volk teruggebracht? Was dit opdat hij hen schier onmiddellijk weder verlaten[236]zou? Neen! de Meester des levens bemint zijne kinderen de Comanchen; hij heeft dit dus niet kunnen willen! De krijgslieden hebben een wijs en welervaren voorganger noodig om hen op het oorlogspad te geleiden en aan het vuur van den raad te onderrichten; het hoofd van mijn vader is grijs, hij behoort de krijgslieden te onderwijzen en aan te voeren; de Spotvogel kan zulks niet, hij is nog te jong en te onervaren. Waar mijn vader dus heengaat, zullen zijne zonen hem volgen, wat mijn vader wil zullen zijne zonen willen; doch hij spreke niet van hen te verlaten; laat hij de wolk verdrijven die zijn geest verduistert, zijne zonen smeeken het hem bij monde van den Spotvogel, het kind dat hij zelf opgevoed, dat hij zoo wel bemind en tot een man gemaakt heeft. Ik heb gesproken. Ziedaar mijne wampum! heb ik goed gesproken, machtige mannen?”
Na die laatste woorden gezegd te hebben, nam de Spotvogel zijn halsketen van wampum-kralen, wierp haar voor de voeten van den Arendskop en ging weder zitten.
»Dat de groote sachem bij zijne kinderen blijve!” riepen alle krijgslieden tegelijk, terwijl ieder zijn wampum-ketting bij dien van den Spotvogel wierp.
De Arendskop richtte zich op met een houding vol fierheid en adeldom, hij liet de slip van zijn bisonsmantel vallen en sprak tot de aandachtige en belangstellende vergadering:
»Ik heb het lied van den walkon, den geliefden vogel van Wacondah, in mijn oor hooren weergalmen,” zeide hij; »zijne welluidende stem is in mijn hart doorgedrongen en heeft het van vreugde doen sidderen. Mijne zonen zijn goed, ik bemin hen; de Spotvogel en tien krijgslieden, door hem zelven te kiezen, zullen mij vergezellen; de overigen zullen naar de groote dorpen van mijn volk terugkeeren, om den sachems te verkondigen dat de Arendskop weder bij zijne kinderen is; ik heb gezegd.”
De Spotvogel vroeg thans om de groote calumet, die de pijpdrager hem onmiddellijk bracht, de pijp werd opnieuw ontstoken, en ging onder de sachems rond zonder dat er een woord gewisseld werd.
Toen de laatste mondvol rook in de lucht verdwenen was riep de hachesto, nadat de Spotvogel hem eenige woorden zacht in het oor gesproken had, met luider stem de namen af der tien krijgslieden die gekozen waren om den Arendskop te vergezellen.
De hoofden stonden op, bogen diep voor den Arendskop, stegen stilzwijgend in den zadel en reden weg in galop.
Gedurende een geruimen tijd bleven de Spotvogel en de Arendskop samen praten of liever fluisteren.
Toen hun gesprek uit was, steeg ook de Spotvogel te paard en reed op zijne beurt met zijne krijgslieden weg.
De Arendskop, Goedsmoeds en don Louis bleven thans alleen achter.
De Canadees keek met verstrooiden blik de Indianen na, die zich[237]snel verwijderden; toen zij verdwenen waren wendde hij zich tot den sachem.
»Ziedaar, hoofdman,” zeide hij, »nu zijn wij eindelijk vrij om elkander de noodige ophelderingen te geven, of acht gij het uur nog niet gekomen om ronduit te spreken en onze zaken af te doen? Sedert wij ons gewone verblijf verlieten, hebben wij ons dunkt mij te veel met anderen en al zeer weinig met ons zelven beziggehouden; zou het niet haast tijd worden om aan onze eigene zaken te denken?”
»De Arendskop vergeet niets, hij denkt er reeds aan om zijnen bleeken broeders groot genoegen te geven.”
Goedsmoeds begon hartelijk te lachen.
»Met uw verlof, hoofdman,” zeide hij; »maar mijne zaken zijn zoo eenvoudig, en wat genoegen betreft ben ik al zeer spoedig voldaan; gij hebt mij beloofd mij op reis te vergezellen en dat doet gij immers. Ik mag een Apachen-hond wezen als ik meer van u verlang. Met don Louis is het iets anders, die zoekt naar een dierbaren vriend van hem; gij weet wel dat wij hem beloofd hebben hem hierin behulpzaam te zijn.”
»O! zeker,” hernam het opperhoofd; »de Arendskop heeft zijn hart tusschen zijne twee bleeke broeders verdeeld; zij hebben er ieder de helft van. De weg dien wij moeten afleggen is lang en kan nog verscheidene manen duren. Wij moeten door de groote woestijn. De Spotvogel is met zijn troep reeds vooruitgegaan om bisons te dooden en voor den noodigen mondkost te zorgen op de reis. Ik denk mijne broeders naar eene plaats te brengen, die ik eenige manen geleden ontdekte en die aan niemand bekend is dan aan mij. De Wacondah, toen hij den mensch schiep, heeft hem kracht en moed en vele jachtvelden geschonken en tot hem gezegd: Wees vrij en gelukkig. Aan de bleekgezichten gaf hij wijsheid en wetenschap om de waarde der blinkende steenen en gele bikkels te kennen; Roodhuiden en Bleekgezichten volgen ieder den weg dien de Groote Geest hun aanwees; ik zal mijne broeders naar eenplacer(zilver- of goudmijn) geleiden.”
»Naar eenplacer!” riepen de twee anderen verwonderd.
»Ja, wat zou een Indiaansch overste met zoovele schatten doen, daar hij toch niets mede kan uitrichten? Het goud is alleen voor de blanken; laten mijne broeders er gelukkig mede zijn, de Arendskop zal er hun meer van verschaffen, dan zij ooit dachten te zullen bezitten.”
»Met uw welnemen! niet zoo voorbarig, hoofdman,” riep Goedsmoeds. »Wat drommel meent gij dat ik met al uw goud zou doen? ik ben niets anders dan een jager, die aan zijn paard en zijne buks genoeg heeft. In vroeger tijd, toen ik nog met Edelhart samen de prairie doorkruiste, hebben wij zoo menigmaal een klompje gouderts met voeten geschopt of vertreden, maar het altijd onaangeroerd laten liggen, zonder ons te verwaardigen het op te rapen.”[238]
»Wat zouden wij met goud doen?” voegde don Louis er bij: »laten wij die goudmijn, hoe rijk zij ook wezen mag, maar uit onze gedachten stellen en haar bestaan zelfs aan niemand openbaren, er gebeuren tegenwoordig reeds wandaden genoeg om het lieve goud; dat is geene zaak voor ons, hoofdman. Geef uw plan maar op. Wij zeggen u dank voor uw edelmoedig aanbod, maar wij kunnen het onmogelijk aannemen.”
»Goed gesproken!” riep Goedsmoeds vroolijk; »wat zouden wij met dat duivelsche goud beginnen, daar hebben wij niets aan, wij willen leven als vrije jagers zoo als wij werkelijk zijn. Caspita! hoofdman, ik verzeker u, als gij mij te la Noria gezegd hadt met welk oogmerk gij verlangdet dat ik u vergezellen zou, dan had ik u liever alleen laten vertrekken.”
De Arendskop glimlachte.
»Dat antwoord heb ik juist van mijne broeders verwacht, en ik ben blijde te zien dat ik mij hierin niet bedrogen heb. Ja, goud is voor hen geheel nutteloos, zij hebben gelijk; maar dat is nog geen bewijs dat zij het moeten verachten; gelijk alle andere dingen door den grooten Geest op aarde geschapen, heeft ook het goud zijne waarde. Mijne broeders moeten dus met mij medegaan naar de goudmijn; niet zooals zij veronderstellen, om er de goudkorrels groot of klein op te zamelen, maar om te weten waar zij is en haar des noods te kunnen wedervinden. Ongeluk, behoefte en armoede komen altijd onverwacht, en de gelukkigen die de Groote Geest heden het meest begunstigt, worden morgen vaak door Hem het zwaarst bezocht. Nu dan, zoo het goud uit dieplacerhet geluk mijner broeders niet kan vergrooten, wie zegt hun dat zij niet nog eenmaal dienen zal om er een of ander hunner vrienden mede uit dringenden nood te redden.”
»Dat is waar,” riep don Louis die de juistheid dezer redeneering moest erkennen, »wat gij daar zegt is zeer verstandig en laat zich wel hooren. Wij kunnen voor ons zelven het bezit van rijkdommen wel verachten, maar wij mogen ze niet verwerpen als middelen om er misschien anderen mede te helpen.”
»Zoo dit bepaald uw gevoelen is,” zei Goedsmoeds, »kan ik er mij wel mede vereenigen; daarbij, wij zijn nu eenmaal op weg, en kunnen onzen tocht wel ten einde toe voortzetten. Wel wel! wie had dat ooit gedacht,” vervolgde hij, »als mij iemand voorspeld had dat ik nog eens een goudzoeker worden zou, zou ik wel vreemd hebben opgekeken. Intusschen ga ik eens zien of ik een hert kan schieten.”
Met deze woorden nam Goedsmoeds zijn geweer en verwijderde zich al fluitende.
Wat den Spotvogel betreft, deze bleef twee dagen afwezig; tegen het midden van den derden dag kwam hij terug; zes paarden, door hem in de prairie achtergelaten, waren met levensmiddelen beladen, zes anderen droegen zakken vol water.[239]
De Arendskop was uiterst voldaan over de wijze waarop hij zich van zijne taak gekweten had, doch daar zij een langen tocht te maken hadden en de woestijn del Norte in hare volle lengte moesten doortrekken, gelastte hij dat elke ruiter uit voorzorg, behalve de haver voor de paarden, twee kleine zakken met water aan zijn zadel zou mede dragen.
Nadat deze maatregelen wijselijk genomen, de paarden en ruiters wel uitgerust, en verfrischt waren, brak de kleine troep den volgenden morgen met het eerste krieken van den dageraad op, en trok op marsch in de richting der woestijn del Norte.
Wij zullen deze reis hier niet nader beschrijven, dan dat zij gelukkig en onder de beste omstandigheden volbracht werd. Geen enkel ongeval stoorde hare kalme eentonigheid.
De Comanchen en hunne twee blanke vrienden doorreden de woestijn als een voortstuivende wervelwind, met die duizelingwekkende snelheid, waar zij alleen het geheim van bezitten en die de Roodhuiden bij hunne invallen aan de Mexicaansche grenzen zoo geducht maakt.
In de prairiën der Sierra de los Comanchos aangekomen zijnde, gaf de Arendskop den Spotvogel en diens krijgslieden bevel om te kampeeren, aan den rand van een groot natuurwoud, op een tamelijk ruim grasveld, aan den oever van eene onbekende beek of kleine rivier, die zich eenige mijlen verder in de Rio del Norte uitstort, en verwijderde zich met zijne twee vrienden Goedsmoeds en don Louis.
De sachem was voorzichtig in alles; ofschoon de Spotvogel zijn volste vertrouwen bezat, achtte hij het echter ongeraden hem met de ligging der goudmijn bekend te maken; en later had hij reden genoeg om zich met dezen wijzen maatregel geluk te wenschen.
De drie jagers reden rechtstreeks naar de bergen, die zich voor hen uit verhieven, zoo ’t scheen als onverbiddelijke en ontoegankelijke muren graniet.
Doch naarmate zij dezelve naderden werden de kanten en hellingen allengs minder steil en ontoegankelijk. Weldra trokken zij een engen bergpas binnen, aan welks ingang zij reeds genoodzaakt waren af te stijgen en hunne paarden achter te laten. Waarschijnlijk was het alleen aan deze bijzonderheid te danken, dat de Indianen deze goudmijn nooit ontdekt hadden; de Roodhuiden toch zullen bij geene gelegenheid afstijgen anders dan om te kampeeren; men zou met recht van hen kunnen zeggen wat men van de Gauchos der oostelijke pampas en in Patagonië zegt: dat zij te paard leven en sterven.
Geheel toevallig, had de Arendskop eenige maanden geleden, terwijl hij op de jacht was en een door hem gekwetst damhert vervolgde, deze goudmijn ontdekt. Het damhert, dat hij sedert een paar uren had nagezeten en niet gaarne wilde laten ontsnappen, was in den bergpas gevlucht om er te sterven, en de moedige jager had niet geaarzeld, het ook daar te volgen. Na den woesten bergpas[240]in zijne geheele lengte te zijn doorgegaan bereikte hij een kleine vallei of dalkom, diep tusschen steile bergen ingesloten, en behalve van dezen kant, bezwaarlijk zoo al niet geheel onmogelijk te naderen. Daar had hij het arme dier zieltogend vinden liggen op een zandigen met goudkorrels bezaaiden bodem, die in het felle zonlicht glinsterde als duizend diamanten.
Toen onze beide jagers in deze vallei afdaalden, konden zij een kreet van verbazing niet bedwingen.
Hoe sterk een mensch ook zij en hoeveel zelfbeheersching hij bezitten mag, toch trekt het goud hem met onweerstaanbare toovermacht en is wel in staat om hem, althans voor eenige oogenblikken, te verbijsteren.
Goedsmoeds was de eerste die zijne gewone koelbloedigheid terugkreeg.
»O!” riep hij terwijl hij het zweet afwischte dat hem van het gelaat gudste, »er liggen in dit afgesloten hoekje wat schatten verborgen. God geef dat zij er nog lang verborgen blijven! daar zal het menschdom niets aan verliezen.”
»Wat zullen wij er mede doen?” vroeg Louis hijgend en met fonkelende blikken.
De Arendskop was de eenige die deze onberekenbare schatten onverschillig aanzag.
»Hm!” hervatte de Canadees, »dit goud is ontegenzeggelijk ons eigendom, daar de sachem het aan ons overlaat.”
De Arendskop knikte toestemmend.
»Wat ik u wilde voorstellen,” vervolgde Goedsmoeds, »is dit: wij hebben dat goud niet noodig, op dit oogenblik zou het ons zelfs meer schaden dan voordeel doen. Evenwel, daar niemand weet wat de toekomst baren zal, moeten wij ons eigendomsrecht verzekeren; laten wij dezen zandgrond met takken en bladeren bedekken, zoodat geen jager, wanneer hij bij geval op een der omliggende hoogten komt en van daar nederblikt, dit goud in de dieptezietschitteren. Vervolgens zullen wij zoo veel mogelijk steenen verzamelen en er den ingang der bergkloof mede verstoppen; het toeval dat eenmaal den Arendskop begunstigde, zou ook wel een ander kunnen gebeuren. Wat dunkt u hiervan?”
»Dadelijk aan ’t werk!” riep don Louis; »ik wil dat goud niet langer zien schitteren, hoe eer het bedekt is hoe beter; dat duivelsche metaal zou mij anders nog geheel duizelig maken.”
»Aan ’t werk dan!” herhaalde Goedsmoeds.
De drie mannen hieuwen takken van de boomen en maakten er een dik tapijt van, onder hetwelk de goudklompen weldra geheel onzichtbaar werden.
»Wilt gij niet een staaltje van die goudklompjes bij u steken?” vroeg Goedsmoeds aan don Louis, »misschien was het niet kwaad om er een paar van mede te nemen.”[241]
»O neen ik niet, wat zou ik er mede doen?” antwoordde deze de schouders ophalend, »ik stel er geen den minsten prijs op; neem gij er maar wat van meê, als gij wilt; wat mij aangaat, ik zal er geen hand naar uitsteken.”
Goedsmoeds begon te lachen, raapte twee of drie gouden bikkels op, zoo groot als hazelnoten, en stak ze in zijn kogeltasch.
»Sakkerloot!” riep hij, »als ik daar een paar Apachen mede doodschiet, hebben ze waarlijk geen reden zich te beklagen.”
De drie jagers gingen de bergkloof door, wier mond zij met rotsblokken toestopten en onkenbaar maakten; daarop stegen zij te paard en keerden naar het kamp terug, na vooraf eenige merken aan de boomen gemaakt te hebben om de plaats te kunnen wedervinden, zoo de omstandigheden hen ooit dwongen er later op terug te komen, hetgeen wij tot hun eer moeten zeggen dat zij geen van allen verlangden.
De Spotvogel wachtte zijne vrienden met het grootste ongeduld.
Er was onraad in de prairie. Sedert dien morgen hadden de voorloopers een kleinen troep blanken de Rio del Norte zien overtrekken, naar een heuvel, op welks top zij hun kamp hadden opgeslagen. Een poosje later was er een talrijk detachementApachen-krijgsliedenop hetzelfde punt over de rivier gegaan, zoo het scheen, op het spoor der bovengenoemde blanken.
»O!” riep Goedsmoeds, »het is duidelijk dat die duivelsche Roodhuiden onze broeders vervolgen.”
»Zullen wij hen onder ons oog laten vermoorden?” riep graaf Louis verontwaardigd.
»Bij mijne ziel! neen, zooveel wij er tegen doen kunnen,” antwoordde de Canadees, »misschien kunnen wij met deze goede daad de dwaze begeerlijkheid weder goed maken die wij straks deden blijken, en die ons bijna verleid had. Zeg, Arendskop, wat denkt gij er van?”
»Wij moeten de bleekgezichten redden,” antwoordde het opperhoofd zonder aarzelen.
Onmiddellijk werden door den sachem de noodige bevelen gegeven en door zijne onderhebbenden uitgevoerd, met al de vaardigheid en juistheid die den uitgelezen krijgslieden der Roodhuiden op het oorlogspad kenmerkt.
De paarden werden onder het opzicht van een Comanch achtergelaten; het detachement verdeelde zich in twee partijen, en zoo trok men behoedzaam de prairie in.
Alleen de Spotvogel, de Arendskop, don Louis en Goedsmoeds hadden jachtgeweren, al de anderen waren met pieken en met pijl en boog gewapend.
»List tegen list,” fluisterde de Canadees tegen de anderen; »wij zullen ze overrompelen die anderen zoeken te overrompelen.”
Op hetzelfde oogenblik vielen er twee geweerschoten, weldra door meerderen gevolgd; daarop hoorde men den aanvalskreet der Apachen, die de lucht deed weêrgalmen.[242]
»Oho!” riep Goedsmoeds sneller voortmakend, »zij weten niet dat wij zoo dicht in de nabijheid zijn.”
Allen ijlden hem na.
Intusschen was het gevecht in de grot op eene vreeselijke wijs aan den gang: don Sylva en de peons boden moedig weêrstand; maar wat vermochten zij tegen de schaar van vijanden die hen van twee zijden bestormde!
De Tigrero en de Zwarte-Beer, gelijk wij straks reeds gezegd hebben, lagen als twee saamgekronkelde slangen te worstelen en zochten elkander met den ponjaard af te maken.
Op eens knalden er verscheidene geweerschoten, en in de verte klonk de donderende oorlogskreet der Comanchen.
De Zwarte-Beer liet don Martial los, sprong op en ijlde naardoñaAnita, om haar te grijpen.
Het doodelijk verschrikte meisje stiet hem terug en vluchtte als een gejaagde hinde de gang door tot aan de zaal, in welker midden zich de vroeger beschreven kolk bevond.
De Zwarte-Beer snelde haar na om haar andermaal te grijpen, maar reeds door een pistoolschot van den Tigrero gewond, was hij minder vlug dan anders.
Aan de kolk komende, deinsde hij terug, wankelde en verloor het evenwicht. Hij voelde dat hij vallen zou, strekte werktuigelijk de hand uit om zich vast te houden, en greep don Martial, die intusschen weder opgestaan en hem na was geijld; maar nog half bedwelmd van de worsteling en het harde loopen, op zijne beurt wankelde, en beiden tuimelden met een vervaarlijken kreet in den afgrond.
DoñaAnita, die er niet ver af stond, snelde toe; zij was verloren.
Plotseling voelde zij zich door een krachtige hand aangrijpen, opheffen en achterwaarts trekken. Zij viel in onmacht.
De Comanchen waren te laat gekomen.
Van de zeven personen die de karavaan uitmaakten waren er vijf gedood.
Een zwaar gekwetste peon endoñaAnita, waren alleen levend overgebleven.
Het ongelukkige meisje was door Goedsmoeds gered.
Toen zij de oogen weder opende, glimlachte zij zacht, en begon als een onnoozel kind, met eene stem zoo helder als een vogel, eene Mexicaanscheseguedilla(ballade) te zingen.
De jagers deinsden met smart terug.
DoñaAnita was krankzinnig![243]