XXV.

[Inhoud]XXV.EL AHUEHUELT.Wij gaan andermaal een stap terug, naar de groote woestijn del Norte, waar de graaf de Lhorailles was binnengetrokken, onder geleide van Cuchares.Gedurende de eerste dagen der reis ging alles goed, het weêr was heerlijk schoon, en aan leeftocht geen gebrek. Met de hun aangeboren luchthartigheid vergaten de Franschen al hun geleden leed, en lachten luidkeels om de gedurige vrees der Mexicaansche peons, die beter met de gevaren der woestijn bekend, hunne bezorgdheid niet verheelden over het lang gerekt verblijf der vrijcompagnie in deze onherbergzame, vaak doodelijke streek.Onder de beschaafde volken bezitten de Franschen een zonderlinge eigenschap, die hen, wellicht zonder dat zij het weten, meer dan andere in staat stelt om in zeer vele dingen de eerste te zijn; die eigenschap is hunne blijkbare, door andere volken, misschien uit nijd maar toch vaak niet zonder grond, voor lichtzinnigheid uitgekreten onbezorgdheid en wispelturigheid; ofschoon die volken overigens niet ongenegen zijn om zelfs de dwaaste grillen der Parijsche mode, zoo in de politiek als kleederdracht, tot in de kleinste bijzonderheden slaafs te volgen.Niets is echter onbillijker dan het verwijt van lichtzinnigheid of zorgeloosheid, dat den Franschen door hunne naburen onophoudelijk en in alles wordt naar het hoofd gesmeten. Onbezorgde moed en luchthartigheid maken de Franschen misschien tot de beste soldaten van de wereld, zoodat zij zich gereedelijk, zelfs voor allerlei dwaze ondernemingen van veroveringszucht en dolende ridderschap laten gebruiken, alle ontberingen zich getroosten en met geestdrift hun leven zouden wagen als er maar een weinig roem te behalen is.Maar achter die soldaten bevindt zich eene schrandere en werkzame bevolking, die vooral in tijden van rust en onder een wijs en krachtig bewind, zeker niet zoo dwaas is dat zij hare beste belangen zou verwaarloozen. Gelijk alle beschaafde volken die den vooruitgang beheerschen en helpen bevorderen, houden ook de Franschen het oog steeds op de toekomst gevestigd, en het oor geopend voor ieder gerucht dat de wereld beweegt. Wellicht zijn zij voortvarender dan anderen, het verledene vergeten zij, het heden bekommert hen niet veel, maar het morgen is alles voor hen, omdat in dat morgen de toekomst besloten ligt, namelijk de oplossing van het groote vraagstuk der beschaving. Wel is waar brengt hun vurig en onbedachtzaam karakter hen niet zelden van het spoor, en dan is er een krachtig bestuur noodig om het hollende span tot staan te brengen. Vandaar de groote tegenstrijdigheden die de geschiedschrijver vaak in hen[244]opmerkt en hun te last legt en die niet weinig studie vereischen om hen naar waarde en billijkheid te beoordeelen.Maar hoe dit ook zij, wat wij hier willen beweren blijft ontegenzeggelijk waar, de Franschen zijn eene strijdlustige en veroveringszuchtige natie en hun leger beschouwt zich zoo gaarne als de voorhoede der beschaving, bestemd om de wereld op de baan der vrijheid en der verlichting voor te gaan en Frankrijk tot de eerste der natiën te verheffen. Vandaar dat de oogen der naburige volken zich staag op Frankrijk richten, om hetzij in hoop of in vrees te zien wat aldaar omgaat, ten einde het na te volgen of er zich tegen te wapenen.Wat onze Fransche vrijcompagnie betreft, zij bracht haar tijd door met de woestijn te doorkruisen om er de Apachen te zoeken, die zich sedert eenige dagen bepaald onzichtbaar hadden gemaakt. Slechts nu en dan bij lange tusschenpoozen zagen zij een enkelen Indiaanschen ruiter, die op korten afstand van hunne voorposten, als om hen te sarren, rijtoeren en manegekunsten kwam vertoonen.Dan werd er »in den zadel” geblazen, allen stegen te paard, men stormde den vrijpostigen ruiter te gemoet, die na zich lang genoeg te hebben laten vervolgen, eensklaps weder verdween gelijk hij gekomen was.Dit doelloos en eentonig leven begon hun echter te vervelen en eindelijk onverdragelijk te worden. Niets anders te zien dan zand, altijd zand, geen vogels, geen wild, geen verscheurend dier zelfs; niets dan grauwe en verbrokkelde rotsen; en eenige reusachtige Ahuehuelten, een soort van ceders, met lange, soms bladerlooze doch zwaar met een grijsachtig mos bedekte takken, dat er in groote festonnen bij nederhing; dit alles had weinig vermakelijks, en nadat de compagnie er het eerste nieuws had afgezien begon het haar spoedig te walgen.De weêrkaatsing der zonnestralen op het barre zand, verwekte oogziekten; het water door de hitte bedorven, werd ondrinkbaar; de verdere levensmiddelen werden oneetbaar, het scorbut begon onder de soldaten te heerschen, weldra door het heimwee gevolgd, dat menigeen ten grave sleepte.Deze staat van zaken was ondragelijk, men moest op middelen bedacht zijn om er zoo spoedig mogelijk een eind aan te maken.De graaf riep dus zijne officieren bijeen om met hen raad te houden.Deze raad bestond uit de luitenants Diego Leon, en Martin Leroux, den sergeant Boileau, Blas Vasquez en Cuchares.Deze vijf personen, voorgezeten door den graaf de Lhorailles, plaatsten zich op de pakbalen terwijl de soldaten niet ver van hen af op den grond liggende, een schuilhoek zochten in de schaduw der paarden, die aan piketten gekoppeld stonden.Het werd dringend noodig den raad te beleggen, want de krijgstucht[245]onder de compagnie was snel aan ’t afnemen, er was oproer in den wind, men klaagde reeds nu en dan overluid. De strafoefening aan deCasa Grandewas reeds geheel vergeten en als men niet spoedig middelen vond om het kwaad te keer te gaan, kon niemand zeggen op welke vreeselijke uitersten het algemeene ongenoegen zou uitloopen.»Mijne heeren,” zei de graaf de Lhorailles, »ik heb u bijeengeroepen om met u de middelen te beramen, ten einde den moedeloozen ja slechten geest te doen ophouden, die bij de compagnie sedert eenige dagen heerscht. De omstandigheden zijn zoo ernstig, dat ik u danken zal voor elken goeden raad dien gij mij oprecht en onbewimpeld geeft; ons aller welzijn is er in betrokken, en in zulk een staat van zaken heeft ieder het recht om zijn gevoelen uit te brengen, zonder vrees dat hij de eigenliefde zou kwetsen van wien ook. Spreekt dus, mijne heeren, ik zal u aanhooren. Gij het eerst, sergeant Boileau; als de minste in rang moet gij het eerste woord hebben.”Sergeant Boileau was een voormalig spahis uit Afrika, die de soldatenschool op zijn duimpje kende, trouw als staal en in allen opzichte wat men in het leger een oud-gediende noemt; alleen moeten wij hier zeggen dat hij geen meester in de redekunst was.Bij de rechtstreeksche interpellatie van zijn kommandant begon hij te glimlachen, daarop te blozen als een jong meisje, toen liet hij het hoofd hangen en opende den mond, om reeds bij het eerste woord te blijven steken.De graaf de Lhorailles, zijne verlegenheid bemerkende, spoorde hem op goedwilligen toon aan om te spreken. Eindelijk, na menige vergeefsche poging, gelukte het den sergeant met eene heesche stem en tamelijk verward zijn woord te doen.»Pardi! kapitein,” begon hij, »ik begrijp dat de toestand alles behalve vroolijk is; maar oorlog is oorlog, en op marsch gaat het niet anders. Als men soldaat is, is men soldaat. Ik wil dus maar zeggen, kapitein, naar mijn begrip, dat gij maar doen moet wat gij denkt dat goed is, en dat wij hier zijn om u in alles te gehoorzamen; dat is strikt genomen niet meer dan een staaltje van onzen plicht, zonder onnoodige napraatjes.”De overige raadsleden konden zich moeielijk zonder lachen houden over deze gulle bekentenis van den eerlijken sergeant, die opnieuw verlegen werd en zweeg.»Uw beurt, Blas Vasquez,” zei de graaf, »wat is uw advies?”De capataz richtte zijn vurigen blik op den graaf.»Vraagt gij mij dat wel ronduit, kapitein?” antwoordde hij.»Zonder twijfel.”»Hoort dan gij allen,” hernam de capataz met eene vaste stem en op een toon van volle overtuiging. »Mijn advies is, dat wij verkocht en verraden worden; dat wij nooit uit deze woestijn zullen[246]komen, maar hier allen den dood zullen vinden zoo wij nog langer volhouden die onbereikbare vijanden te vervolgen; men heeft ons in een strik gelokt daar wij niet weder uit kunnen.”Deze verklaring bracht op de aanwezigen een diepen indruk te weeg, daar men al de juistheid er van begreep.De kapitein schudde twijfelmoedig het hoofd.»Don Blas,” zeide hij, »wat gij daar gezegd hebt behelst eene zware beschuldiging. Hebt gij de beteekenis uwer woorden wel nauwkeurig overwogen?”»Ja,” antwoordde hij. »Alleen.…”»Bedenk wel wat gij zegt, don Blas. Wij kunnen hier geen onbestemde vermoedens toelaten; de zaken zijn tot zulk een uiterste gekomen, dat wij u het overigens welverdiende vertrouwen niet kunnen verleenen, tenzij gij uwe beschuldiging nader bepaalt en, desnoods, niet terugdeinst om namen te noemen.”»Ik deins voor niets of voor niemand terug, heer graaf; ik weet al de verantwoordelijkheid die ik op mij neem; geene overweging, van welken aard ook, zal mij doen afwijken van hetgeen ik als heiligen plicht beschouw.”»Spreek dan in ’s hemels naam, en geve God dat uwe ophelderende verklaring mij niet andermaal noodzake een onzer kameraden op een voorbeeldige wijze te straffen.”De capataz bedacht zich een poos, en iedereen wachtte met ongeduld op zijne nadere toelichting; Cuchares inzonderheid, was derwijze in ’t nauw gebracht, dat hij zijne ongerustheid moeielijk wist te verbergen.Eindelijk nam de capataz het woord en vestigde daarbij zulk een zonderlingen blik op den graaf de Lhorailles, dat deze tegen wil en dank eindelijk begon te begrijpen, dat hij en de zijnen de slachtoffers waren van het schandelijkst verraad.»Heer graaf,” zei Blas Vasquez, »wij Mexicanen hebben eene wet daar wij nimmer van afwijken, eene wet trouwens die in het hart van alle eerlijke lieden geschreven staat, namelijk deze: dat, gelijk de loods verantwoordelijk is voor het schip dat hij opzichneemt in de veilige haven te brengen, evenzoo de gids met zijn leven verantwoordelijk is voor het behoud der reizigers die hij aanneemt door de woestijn te geleiden. Hierover komt geene verdere redeneering te pas; van tweeën een: of de gids is onkundig, of hij is het niet; is hij onkundig, dan had hij ons niet tegen ons aller gevoelen moeten dwingen de woestijn in te trekken, noch daarbij de geheele verantwoordelijkheid onzer reis mogen op zich nemen. Is hij daarentegen der zake kundig, dan had hij ons de woestijn moeten doorvoeren, waartoe hij zich verbonden heeft, in plaats van ons op goed geluk te laten rondzwerven om naar vijanden te zoeken, die hij even goed weet als wij het weten, dat niet in de woestijn del Norte wonen, maar ze slechts nu en dan in geval van noodzakelijkheid doortrekken,[247]zoo snel als hunne paarden loopen kunnen. Op onzen gids alleen werp ik dus de schuld van alles wat ons overkomt; want hij is de man, die meester was van de gebeurtenissen en ze naar zijn goedvinden heeft geregeld.”Cuchares, meer en meer in verwarring gebracht, wist niet meer hoe hij zich keeren of wenden zou, zijne ontsteltenis was voor iedereen zichtbaar.»Wat hebt gij hierop te antwoorden, Cuchares?” vroeg de kapitein.In omstandigheden als de tegenwoordige, heeft een beschuldigde slechts twee middelen van verdediging: of geveinsde verontwaardiging of minachting.Cuchares koos het laatste: de minachting.Al zijne stoutmoedigheid en onbeschaamdheid te hulp roepende, zorgde hij eerst zijne stem te verzekeren, haalde verachtelijk de schouders op en antwoordde op sarcastischen toon:»Ik zalseñordon Blas de eer niet doen van zijne woorden te bespreken; er zijn van die beschuldigingen waarop een eerlijk man het stilzwijgen bewaart. Ik heb mij in alles moeten gedragen aan den kapitein, die hier alleen te bevelen heeft. Sedert wij ons in de woestijn bevinden hebben wij twintig man hetzij door de moordbijl der Indianen, of door ziekte verloren; kan men mij redelijk- en billijkerwijs verantwoordelijk stellen voor deze grieven? Sta ik niet even zeer als de anderen klaar om in de woestijn om te komen? Heb ik het in mijne macht om het gevaar te ontsnappen dat ulieden bedreigt? Zoo de kapitein mij bevolen had om de woestijn del Norte slechts door te trekken, zouden wij er reeds lang uit zijn; maar hij heeft mij gezegd dat hij de Apachen wilde achterhalen, ik heb mij naar zijn last moeten gedragen.”Deze redeneering, hoe listig gesponnen en spitsvondig zij wezen mocht, werd nochtans door de officieren voor goede munt opgenomen; Cuchares haalde weder adem, maar hij had het met den capataz nog niet afgemaakt.»Goed,” zeide deze; »strikt genomen hebt gij misschien gelijk dat gij zoo spreekt, en ik zou geloof kunnen hechten aan uw voorgeven, zoo ik geen andere en veel ernstiger zaken tegen u had in te brengen.”De lepero haalde de schouders op.»Ik weet,” vervolgde de capataz, »en ik kan er dadelijk het bewijs van leveren, dat gij door uwe gesprekken en zijdelingsche beschuldigingen oproer onder de peons en soldaten der compagnie hebt gezaaid. Heden morgen vóór de revelje, terwijl gij dacht dat niemand u zag, zijt gij opgestaan en hebt met uw ponjaard tien van de vijftien zakken water doorgestoken die wij nog over hebben; alleen het gerucht, dat ik onwillekeurig maakte terwijl ik naar u toekwam om het u te beletten, heeft u teruggehouden uw misdadig opzet ten[248]einde te brengen. Op het oogenblik toen de kapitein ons bijeen liet roepen om raad te houden, was ik juist gereed om hem van uw bedrijf kennis te geven en u aan te klagen. Wat hebt gij daarop te antwoorden? Verdedig u als gij er kans toe ziet.”Aller oogen richtten zich nu op den lepero; hij was doodsbleek, zijne oogen stonden rood en wild; eer iemand met mogelijkheid gissen kon wat hij voornemens was, greep hij een pistool en schoot het rakelings af op de borst van den capataz, die ter aarde stortte zonder een woord of zucht meer te slaken; daarop steeg de moordenaar met een tijgersprong te paard, en reed in vliegenden galop weg.Nu volgde er een onbeschrijfelijke opschudding, allen stegen te paard om den lepero na te zetten.»Voort! voort! den moordenaar na! den moordenaar na!” schreeuwde de kapitein, zijne manschappen aansporende met stem en voorbeeld om den onverlaat te vervolgen.De Franschen, door dezen afloop der zaak woedend geworden, vervolgden den lepero en schoten op hem als op een verscheurend dier; een geruimen tijd wist hij in alle richtingen te ontwijken en zag men hem nu hier dan daar heen rennen, om uit den cirkel te geraken dien het den kavaleristen gelukt was rondom hem te sluiten; eindelijk zag men hem waggelen in den zadel, poogde hij zich nog aan de manen van zijn paard vast te klemmen, maar tuimelde hij op het zand als een machtelooze klomp onder het uiten van een laatsten kreet.Hij was dood.Deze gebeurtenis voerde de ontsteltenis onder de soldaten ten top, van dit oogenblik af gevoelden zij dat men hen verraden had en begonnen zij te begrijpen dat hun toestand inderdaad hopeloos was.Te vergeefs poogde de kapitein hun een weinig moed in te spreken, zij wilden naar niets meer hooren, maar gaven zich prijs aan eene radeloosheid die alle maatregelen verlamt en alle krijgstucht oplost.Als een laatste middel om gehoor te krijgen, gaf de graaf order om op te breken, en men trok op marsch.Maar waarheen? in welke richting, en waar was uitkomst? geen spoor of pad was er te zien. Intusschen trok men toch voort, veeleer om van plaats te veranderen, dan om weg te komen, of met eenige hoop om uit het onmetelijk zandgraf te geraken, daar men niet anders voorzag dan voor altijd en onherroepelijk in bedolven te zullen worden.Acht dagen verliepen, acht eeuwen van jammer, gedurende welke de vrijcompagnisten met de vreeselijkste kwellingen van honger en dorst te kampen hadden.De compagnie als zoodanig bestond niet langer, er waren geen chefs, geen soldaten meer; het was een legioen afschuwelijk uitgemergelde[249]spookgestalten, een troep uitgehongerde roofdieren, gereed om elkander bij de eerste gelegenheid te verscheuren en te verslinden.Het was er eindelijk zoo ver mede gekomen, dat men de weinige paarden of muildieren die nog overbleven, de ooren opensneed om het bloed uit te zuigen, ten einde honger en dorst te lesschen.In ’t onzekere rondzwervende, nu eens naar dezen dan naar genen kant, door luchtspiegeling misleid, door den fellen zonnegloed geblakerd, door het mulle zand afgemat en uitgeput, waren zij ten prooi aan eene vertwijfeling, die sommigen met een stompzinnig gelaat en een hollen lach verdroegen; dat waren nog de gelukkigsten, zij hadden geen gevoel meer van hun leed, want zij waren krankzinnig; anderen zwaaiden woest met de wapenen, vloekten en dreigden en staken de vuisten naar den hemel op, die als een onmetelijke tombe van koper, hunne zandige grafstede scheen te overwelven; enkelen door het ongeluk razend geworden schoten zich voor het hoofd, met een spottenden glimlach jegens hunne kameraden, die te zwak waren of den moed niet hadden hun voorbeeld te volgen.De Franschen zijn misschien het moedigste volk dat er bestaat, maar daarentegen zijn zij de eerste om alle tucht of zelfbeheersching te verliezen. Is hun aandrift onweêrstaanbaar zoo lang zij voorwaarts rukken, even onweêrstaanbaar zijn zij ook als zij terug moeten; dan zijn zij door niets, door dwang noch door redeneering noch door bedreiging tot staan te brengen; overdreven in alles, is de Franschman soms sterker dan een mensch, of zwakker dan een kind!De graaf de Lhorailles was geen kwaad overste, hij staarde zwijgend en somber op den ondergang van al zijne verwachtingen, maar bleef zijnen rang en zijn karakter getrouw. Altoos de eerste om te marcheeren, en de laatste om te rusten, zou hij geen brok genuttigd hebben eer hij wist dat ieder man zijn aandeel had gehad, troostte hij ieder die naar hem hooren wilde en waakte met voorbeeldelooze zorg en zelfverloochening voor zijne arme soldaten, die, zonderling genoeg, te midden van al hun jammer en dreigenden ondergang er niet aan dachten hun overste eenig verwijt toe te voegen.De peons van Blas Vasquez waren meest allen bezweken, of hadden na zijn dood een goed heenkomen gezocht, dat wil zeggen, een weinig verder een onbekend graf gevonden. Die den graaf nog getrouw bleven, waren allen Europeanen, meerendeels Franschen, brave Dauph’yeers, geheel onkundig hoe zij den onverbiddelijken vijand zouden bekampen met welken zij hier te doen hadden, de doodelijke del Norte.Van de twee honderd vijf en veertig man, die de compagnie bij hare intrede in de woestijn sterk was, leefden er nog nauwelijks honderd dertig, zoo het leven mocht heeten dat deze verbleekte en vermagerde spoken bezielde.[250]De ergste ramp die iemand in de woestijn kan overkomen is zeker de akelige kwaal, door de Mexicanen decalenturagenoemd.Decalentura!Deze tusschenpoozende waanzin spiegelt den lijder gedurende den korteren of langeren aanval, visioenen voor van de lekkerste en keurigste spijzen, de helderste waterbronnen, de uitmuntendste wijnen, die hem, zoo hij zich verbeeldt, volop verzadigen maar tevens ontzenuwen, want na den afloop der zinsverbijstering gevoelt hij zich zwakker en verslagener dan ooit, door de herinnering van al wat hij in den droom gezien en genoten had.Op zekeren dag eindelijk, toen de ongelukkige vrijcompagnie door jammer en ellende overstelpt, weigerde om verder te gaan en allen reikhalsden om te sterven waar het toeval hen gebracht had, legerden zij zich op het gloeiende zand, in de schaduw van eenige Ahuehuelten, met het vaste besluit om daar onbeweeglijk te blijven liggen, tot de dood, dien zij reeds zoolang overluid hadden ingeroepen, hen eindelijk van hunne kwalen zou komen verlossen.De zon hulde zich in een onheilspellenden nevel en ging onder in eene zee van purperen en gouden wolken. Alles in de woestijn was doodstil en men hoorde niets dan hier en daar eene verwensching of een zucht van de ongelukkigen, die niets meer verwachtten, niets meer hoopten, en niets meer overhielden dan het instinct van woeste of redelooze dieren.Intusschen volgde de nacht op den dag, en langzamerhand kwam ook de vrijcompagnie tot rust en stilte. De slaap, die groote vertrooster der lijdende menschheid, bezwaarde de oogleden der rampzaligen, en zoo zij al niet sliepen, genoten zij toch eene soort van sluimering, die hun, voor een poos althans, hunne ondragelijke folteringen deed vergeten.Op eens, tegen middernacht, klonk er een vervaarlijk geluid, dat allen verschrikt deed ontwaken; een verstikkend lauwe wervelwind ging over hen heen, en de donder boven hunne hoofden barstte klaterend los.De hemel was zwart als inkt, geen maan of ster was er te zien, niets dan tastbare duisternis, die zelfs niet toeliet de meest nabijzijnde voorwerpen te onderscheiden, dan nu en dan bij het flikkeren van een bliksemstraal welke slechts diende om de daarop volgende duisternis nog dikker te maken.De arme drommels sprongen vol ontzetting op en slopen waggelend naar elkander, als een troep schapen bij onweder en als wilden zij bij de laatste vonk van hun ingeschapen menschelijk instinct, te zamen sterven.»De temporal!de temporal!” schreeuwden allen op een toon van angst die zich niet laat beschrijven.Werkelijk was het de temporal, die ontzettende plaag, die al hare woede ontketende en over de woestijn deed losbreken om er de gedaante van om te keeren.[251]De stormwind loeide met ontzettende kracht, en joeg wolken stof omhoog die in de lucht ronddwarrelden en zandhoozen vormden, die met groote snelheid voortwervelden tot zij op eens met een vreeselijk gekraak uiteenspatteden.Menschen of dieren, of steenen door deze wervelende zuilen medegesleept, werden als stroobossen in de ruimte weggeslingerd.»Plat op den grond!” riep de graaf met eene krachtige stem, »plat op den grond liggen! het is als de Afrikaansche Simoun, plat op den buik liggen! zoo gij uw leven lief hebt!”Vreemd als het schijnen mag, maar al deze mannen, ofschoon door hopeloos lijden overstelpt, gehoorzaamden als kinderen het bevel van hun overste, zoo groot is de schrik dien de dood, wanneer hij op het oogenblik onherroepelijk schijnt te naderen, inboezemt.Zij vielen met hun aangezicht in het zand, en groeven met hunne handen kuilen om de heete lucht te ontgaan, die hen dreigde te verstikken. De paarden, met gerekten hals op den grond uitgestrekt, volgden bij instinct het voorbeeld hunner meesters.Bij tusschenpoozen, als plotselinge windstilte den rampzaligen soms een oogenblik verademing schonk, om hen daarna des te erbarmloozer te benauwen, hoorde men het gekerm of het doodsgereutel vermengd met vloeken of vurige gebeden, uit de menigte opgaan, die bevreesd of stervend op den grond lag uitgestrekt.De orkaan bulderde den geheelen nacht door met onverpoosde woede; tegen den morgen begon hij allengs te bedaren, en met het opgaan der zon was zijne kracht uitgeput of naar andere streken verplaatst.Het aanzien der woestijn was geheel veranderd; waar den vorigen dag heuvels stonden, waren nu dalen; de weinige boomen hier en daar, waren door den wind geknot, omgeworpen of verzengd, en vertoonden niets dan zwarte en kaalgestroopte geraamten; geen spoor meer van pad of voetstap, alles was effen en plat gewaaid of met golven gerimpeld als een plotselinge bevroren zee.Van de vrijcompagnie waren niet meer dan zestig man levend overgebleven, de overigen waren hetzij door den wind opgenomen of onder den grond bedolven, zonder dat er een spoor van overbleef; het zand had alles begraven en bedekte hen als met een onmetelijk grauwe doodwaâ.Het eerste gevoel dat de levend overgeblevenen bezielde, was schrik; het tweede, wanhoop, en daarop begon het gejammer en beklag met vernieuwde, altoos toenemende kracht.De graaf staarde op het overschot zijner vrijcompagnie. Bladz. 251.De graaf staarde op het overschot zijner vrijcompagnie. Bladz. 251.De graaf staarde op het overschot zijner vrijcompagnie met treurig somberen blik en eene uitdrukking van onbeschrijfelijken weemoed.Op eens barstte hij los in een stuipachtigen schaterlach, hij trad naar zijn paard, het eenig overgeblevene en als door een wonder aan den algemeenen jammer ontsnapte, zadelde het, streelde het met de hand, onder het binnensmonds neuriën eener treurige melodie van eigen vinding.[252]Zijne kameraden zagen hem aan met stommen schrik en een gevoel van verbazing daar zij zich geen rekenschap van konden geven; hoe gezonken en moedeloos van geest zij zelven ook mochten geweest zijn, de kapitein had tot hiertoe steeds zijne meerderheid van verstand en vastheid van wil weten te behouden, twee hoedanigheden die op minder beschaafde en geschokte gemoederen zoo veel vermogen, zelfs wanneer de omstandigheden hun aanleiding gaven er zich tegen te verzetten. Hoe ellendig zij ook waren groepeerden zij zich rondom hun overste, als kinderen zouden gedaan hebben rondom hun stervenden of plotseling krankzinnig geworden vader of moeder; hij had hen altijd getroost, hun het voorbeeld van moed en zelfverloochening gegeven, en nu, terwijl zij hem zagen te werk gaan gelijk hij deed, hadden zij een voorgevoel van een nieuw en nog grooter ongeluk.Nadat de graaf zijn paard gezadeld had, steeg hij voorzichtig in den zadel en liet het eenige minuten lang springen en zwenken, ofschoon het arme diernauwelijksin staat was zich op de bevende beenen te houden.»Haha! mijne braven!” riep hij op eens, »komt allen hier, komt bij mij en hoort den goeden raad dien ik u geven wil eer ik vertrekken ga.”De soldaten sleepten zich zooveel zij konden voort en verzamelden zich rondom hun chef.De graaf wierp een zonderlingen blik van zelfvoldoening om zich heen.»Het leven is een jammerlijk apenspel, niet waar,” sprak hij met een schaterenden lach, »en daarbij dikwijls een keten die zwaar valt om te dragen. Hoe menigmaal zult gij in het helsche verblijf daar wij zonder uitkomst in rondzwerven, deze opmerking niet in stilte hebben gemaakt, die ik onbewimpeld voor u uitspreek! Welnu, ik moet u bekennen, zoolang ik hoop had u te redden heb ik met moed tegen het ongeluk gestreden; die hoop heb ik niet meer. En daar wij hier nu binnen eenige dagen, misschien binnen weinige uren reeds, van kommer en gebrek moeten vergaan, wil ik liever dadelijk sterven. Gelooft mij, volgt mijn voorbeeld; het is spoedig gedaan, gij zult het zien.”Bij het uitspreken dezer woorden trok hij een pistool uit zijn gordel.Op dit oogenblik hoorde men in de verte schreeuwen.»Wat is het? wat is het, wat gebeurt er nog?”»Zie eens! kapitein, men komt ons te hulp; wij zijn gered!” riep de sergeant Boileau, die als een schim aan zijne zijde stond en hem bij den arm greep.De graaf rukte zijn arm los en zei met een glimlach, terwijl hij in de aangewezen richting uitkeek, waar zich werkelijk een wolk van stof verhief, die snel naderde.»Gij zijt dwaas, mijn arme kameraad. Men kan ons hier niet[253]komen helpen. Wij hebben hier zelfs minder hoop dan de schipbreukelingen der Medusa,” vervolgde hij met bittere ironie; »wij zijn gedoemd om in deze helsche woestijn te sterven. Vaartwel, allen! vaartwel!”Hij hief zijn pistool op.»Kapitein?” riep de sergeant op verwijtenden toon, »denk om uwe verantwoording, gij hebt het recht niet om u zelven te dooden, gij zijt onze overste, gij behoort het laatst van allen te sterven of anders zijt gij een lafaard!”De graaf sprong op in den zadel alsof hem een adder gebeten had, en dreigde zich op den sergeant te werpen; zijn uitzicht was daarbij zoo woest en zijne beweging zoo verschrikkelijk, dat Boileau er bang van werd en terugdeinsde.De kapitein maakte van dit vrije oogenblik gebruik, zette zich het pistool voor het hoofd, en drukte af; hij stortte ter aarde met een verbrijzelde hersenpan.De avonturiers waren nog niet van den schrik bekomen dien dit vreeselijk ongeluk bij hen teweegbracht, toen de stofwolk die zij hadden zien naderen reeds dicht in hunne nabijheid was en plotseling als vaneen scheurde, en nu ontwaarden zij een troep Indiaansche ruiters, in welks midden eene vrouw en twee of drie blanken, die in vollen ren op hen afkwamen.Vast overtuigd dat de Apachen hen, als roofvogels op dood aas, zouden overvallen en den genadeslag komen geven, beproefden zij het zelfs niet om een oogenblik weêrstand te bieden.»O!” riep op eens een der jagers snel afstijgende en naar hen toeloopende, »arme menschen!”De nieuw aankomenden waren Goedsmoeds, don Louis en hunne vrienden de Comanchen.Weinige woorden waren genoeg om hun het gebeurde mede te deelen en hun met den gruwzamen nood bekend te maken dien de Franschen hadden moeten verduren.»Maar,” riep Goedsmoeds, »al heeft het u aan de noodige spijzen ontbroken, water hadt gij toch in overvloed, hoe kunt gij u zoozeer beklagen over dorst?”Zonder iets te zeggen begonnen de Arendskop en de Spotvogel met hunne machetes reeds een kuil te delven aan den voet van een Ahuehuelt. Na verloop van tien minuten sprong het water te voorschijn en weldra vloeide er een milde en heldere bron over het zand.De Franschen stortten zich als razenden op het water.»Arme menschen!” mompelde don Louis; »zullen wij ze hier nietvandaanhelpen?”»Denkt gij dan dat ik hen zou laten omkomen nu ik hun weder moed heb gegeven?” zei Goedsmoeds. »Arm meisje,” vervolgde hij, half in zich zelven met een weemoedigen blik opdoñaAnita, die er bij stond te lachen en hare vingers deed klappen als castagnetten,[254]»waarom kan ik haar niet even gemakkelijk het verstand teruggeven?”Don Louis zuchtte zonder te antwoorden.De Franschen hoorden met stomme verbazing een feit vermelden, dat hen waarschijnlijk zou hebben gered zoo zij het maar eerder geweten hadden; namelijk dat de Ahuehuelt, welke naam in de taal der Comanchen »heer der wateren” beteekent, een boom is die wel is waar alleen op dorre en zandige plaatsen opschiet, maar onder zijne wortels steeds een waterader verbergt, waaraan hij zijn wasdom en sappen ontleent, en om deze reden dragen de Roodhuiden dezen boom een bijgeloovigen eerbied toe en noemen zij hem, daar hij vooral in de zandwoestijn voorkomt en van onberekenbaar nut isde groote medicijn der reizigers.Twee dagen later waren de avonturiers, onder geleide der jagers en der Comanchen, buiten de zandwoestijn. Weldra hadden zij deCasa GrandedeMontecuzomabereikt, waar hunne redders, na hen van de noodige levensmiddelen te hebben voorzien, hen voor goed verlieten, nauwelijks wetende hoe zij zich aan hunne warme dankbetuigingen en zegenwenschen zouden onttrekken.[255]

[Inhoud]XXV.EL AHUEHUELT.Wij gaan andermaal een stap terug, naar de groote woestijn del Norte, waar de graaf de Lhorailles was binnengetrokken, onder geleide van Cuchares.Gedurende de eerste dagen der reis ging alles goed, het weêr was heerlijk schoon, en aan leeftocht geen gebrek. Met de hun aangeboren luchthartigheid vergaten de Franschen al hun geleden leed, en lachten luidkeels om de gedurige vrees der Mexicaansche peons, die beter met de gevaren der woestijn bekend, hunne bezorgdheid niet verheelden over het lang gerekt verblijf der vrijcompagnie in deze onherbergzame, vaak doodelijke streek.Onder de beschaafde volken bezitten de Franschen een zonderlinge eigenschap, die hen, wellicht zonder dat zij het weten, meer dan andere in staat stelt om in zeer vele dingen de eerste te zijn; die eigenschap is hunne blijkbare, door andere volken, misschien uit nijd maar toch vaak niet zonder grond, voor lichtzinnigheid uitgekreten onbezorgdheid en wispelturigheid; ofschoon die volken overigens niet ongenegen zijn om zelfs de dwaaste grillen der Parijsche mode, zoo in de politiek als kleederdracht, tot in de kleinste bijzonderheden slaafs te volgen.Niets is echter onbillijker dan het verwijt van lichtzinnigheid of zorgeloosheid, dat den Franschen door hunne naburen onophoudelijk en in alles wordt naar het hoofd gesmeten. Onbezorgde moed en luchthartigheid maken de Franschen misschien tot de beste soldaten van de wereld, zoodat zij zich gereedelijk, zelfs voor allerlei dwaze ondernemingen van veroveringszucht en dolende ridderschap laten gebruiken, alle ontberingen zich getroosten en met geestdrift hun leven zouden wagen als er maar een weinig roem te behalen is.Maar achter die soldaten bevindt zich eene schrandere en werkzame bevolking, die vooral in tijden van rust en onder een wijs en krachtig bewind, zeker niet zoo dwaas is dat zij hare beste belangen zou verwaarloozen. Gelijk alle beschaafde volken die den vooruitgang beheerschen en helpen bevorderen, houden ook de Franschen het oog steeds op de toekomst gevestigd, en het oor geopend voor ieder gerucht dat de wereld beweegt. Wellicht zijn zij voortvarender dan anderen, het verledene vergeten zij, het heden bekommert hen niet veel, maar het morgen is alles voor hen, omdat in dat morgen de toekomst besloten ligt, namelijk de oplossing van het groote vraagstuk der beschaving. Wel is waar brengt hun vurig en onbedachtzaam karakter hen niet zelden van het spoor, en dan is er een krachtig bestuur noodig om het hollende span tot staan te brengen. Vandaar de groote tegenstrijdigheden die de geschiedschrijver vaak in hen[244]opmerkt en hun te last legt en die niet weinig studie vereischen om hen naar waarde en billijkheid te beoordeelen.Maar hoe dit ook zij, wat wij hier willen beweren blijft ontegenzeggelijk waar, de Franschen zijn eene strijdlustige en veroveringszuchtige natie en hun leger beschouwt zich zoo gaarne als de voorhoede der beschaving, bestemd om de wereld op de baan der vrijheid en der verlichting voor te gaan en Frankrijk tot de eerste der natiën te verheffen. Vandaar dat de oogen der naburige volken zich staag op Frankrijk richten, om hetzij in hoop of in vrees te zien wat aldaar omgaat, ten einde het na te volgen of er zich tegen te wapenen.Wat onze Fransche vrijcompagnie betreft, zij bracht haar tijd door met de woestijn te doorkruisen om er de Apachen te zoeken, die zich sedert eenige dagen bepaald onzichtbaar hadden gemaakt. Slechts nu en dan bij lange tusschenpoozen zagen zij een enkelen Indiaanschen ruiter, die op korten afstand van hunne voorposten, als om hen te sarren, rijtoeren en manegekunsten kwam vertoonen.Dan werd er »in den zadel” geblazen, allen stegen te paard, men stormde den vrijpostigen ruiter te gemoet, die na zich lang genoeg te hebben laten vervolgen, eensklaps weder verdween gelijk hij gekomen was.Dit doelloos en eentonig leven begon hun echter te vervelen en eindelijk onverdragelijk te worden. Niets anders te zien dan zand, altijd zand, geen vogels, geen wild, geen verscheurend dier zelfs; niets dan grauwe en verbrokkelde rotsen; en eenige reusachtige Ahuehuelten, een soort van ceders, met lange, soms bladerlooze doch zwaar met een grijsachtig mos bedekte takken, dat er in groote festonnen bij nederhing; dit alles had weinig vermakelijks, en nadat de compagnie er het eerste nieuws had afgezien begon het haar spoedig te walgen.De weêrkaatsing der zonnestralen op het barre zand, verwekte oogziekten; het water door de hitte bedorven, werd ondrinkbaar; de verdere levensmiddelen werden oneetbaar, het scorbut begon onder de soldaten te heerschen, weldra door het heimwee gevolgd, dat menigeen ten grave sleepte.Deze staat van zaken was ondragelijk, men moest op middelen bedacht zijn om er zoo spoedig mogelijk een eind aan te maken.De graaf riep dus zijne officieren bijeen om met hen raad te houden.Deze raad bestond uit de luitenants Diego Leon, en Martin Leroux, den sergeant Boileau, Blas Vasquez en Cuchares.Deze vijf personen, voorgezeten door den graaf de Lhorailles, plaatsten zich op de pakbalen terwijl de soldaten niet ver van hen af op den grond liggende, een schuilhoek zochten in de schaduw der paarden, die aan piketten gekoppeld stonden.Het werd dringend noodig den raad te beleggen, want de krijgstucht[245]onder de compagnie was snel aan ’t afnemen, er was oproer in den wind, men klaagde reeds nu en dan overluid. De strafoefening aan deCasa Grandewas reeds geheel vergeten en als men niet spoedig middelen vond om het kwaad te keer te gaan, kon niemand zeggen op welke vreeselijke uitersten het algemeene ongenoegen zou uitloopen.»Mijne heeren,” zei de graaf de Lhorailles, »ik heb u bijeengeroepen om met u de middelen te beramen, ten einde den moedeloozen ja slechten geest te doen ophouden, die bij de compagnie sedert eenige dagen heerscht. De omstandigheden zijn zoo ernstig, dat ik u danken zal voor elken goeden raad dien gij mij oprecht en onbewimpeld geeft; ons aller welzijn is er in betrokken, en in zulk een staat van zaken heeft ieder het recht om zijn gevoelen uit te brengen, zonder vrees dat hij de eigenliefde zou kwetsen van wien ook. Spreekt dus, mijne heeren, ik zal u aanhooren. Gij het eerst, sergeant Boileau; als de minste in rang moet gij het eerste woord hebben.”Sergeant Boileau was een voormalig spahis uit Afrika, die de soldatenschool op zijn duimpje kende, trouw als staal en in allen opzichte wat men in het leger een oud-gediende noemt; alleen moeten wij hier zeggen dat hij geen meester in de redekunst was.Bij de rechtstreeksche interpellatie van zijn kommandant begon hij te glimlachen, daarop te blozen als een jong meisje, toen liet hij het hoofd hangen en opende den mond, om reeds bij het eerste woord te blijven steken.De graaf de Lhorailles, zijne verlegenheid bemerkende, spoorde hem op goedwilligen toon aan om te spreken. Eindelijk, na menige vergeefsche poging, gelukte het den sergeant met eene heesche stem en tamelijk verward zijn woord te doen.»Pardi! kapitein,” begon hij, »ik begrijp dat de toestand alles behalve vroolijk is; maar oorlog is oorlog, en op marsch gaat het niet anders. Als men soldaat is, is men soldaat. Ik wil dus maar zeggen, kapitein, naar mijn begrip, dat gij maar doen moet wat gij denkt dat goed is, en dat wij hier zijn om u in alles te gehoorzamen; dat is strikt genomen niet meer dan een staaltje van onzen plicht, zonder onnoodige napraatjes.”De overige raadsleden konden zich moeielijk zonder lachen houden over deze gulle bekentenis van den eerlijken sergeant, die opnieuw verlegen werd en zweeg.»Uw beurt, Blas Vasquez,” zei de graaf, »wat is uw advies?”De capataz richtte zijn vurigen blik op den graaf.»Vraagt gij mij dat wel ronduit, kapitein?” antwoordde hij.»Zonder twijfel.”»Hoort dan gij allen,” hernam de capataz met eene vaste stem en op een toon van volle overtuiging. »Mijn advies is, dat wij verkocht en verraden worden; dat wij nooit uit deze woestijn zullen[246]komen, maar hier allen den dood zullen vinden zoo wij nog langer volhouden die onbereikbare vijanden te vervolgen; men heeft ons in een strik gelokt daar wij niet weder uit kunnen.”Deze verklaring bracht op de aanwezigen een diepen indruk te weeg, daar men al de juistheid er van begreep.De kapitein schudde twijfelmoedig het hoofd.»Don Blas,” zeide hij, »wat gij daar gezegd hebt behelst eene zware beschuldiging. Hebt gij de beteekenis uwer woorden wel nauwkeurig overwogen?”»Ja,” antwoordde hij. »Alleen.…”»Bedenk wel wat gij zegt, don Blas. Wij kunnen hier geen onbestemde vermoedens toelaten; de zaken zijn tot zulk een uiterste gekomen, dat wij u het overigens welverdiende vertrouwen niet kunnen verleenen, tenzij gij uwe beschuldiging nader bepaalt en, desnoods, niet terugdeinst om namen te noemen.”»Ik deins voor niets of voor niemand terug, heer graaf; ik weet al de verantwoordelijkheid die ik op mij neem; geene overweging, van welken aard ook, zal mij doen afwijken van hetgeen ik als heiligen plicht beschouw.”»Spreek dan in ’s hemels naam, en geve God dat uwe ophelderende verklaring mij niet andermaal noodzake een onzer kameraden op een voorbeeldige wijze te straffen.”De capataz bedacht zich een poos, en iedereen wachtte met ongeduld op zijne nadere toelichting; Cuchares inzonderheid, was derwijze in ’t nauw gebracht, dat hij zijne ongerustheid moeielijk wist te verbergen.Eindelijk nam de capataz het woord en vestigde daarbij zulk een zonderlingen blik op den graaf de Lhorailles, dat deze tegen wil en dank eindelijk begon te begrijpen, dat hij en de zijnen de slachtoffers waren van het schandelijkst verraad.»Heer graaf,” zei Blas Vasquez, »wij Mexicanen hebben eene wet daar wij nimmer van afwijken, eene wet trouwens die in het hart van alle eerlijke lieden geschreven staat, namelijk deze: dat, gelijk de loods verantwoordelijk is voor het schip dat hij opzichneemt in de veilige haven te brengen, evenzoo de gids met zijn leven verantwoordelijk is voor het behoud der reizigers die hij aanneemt door de woestijn te geleiden. Hierover komt geene verdere redeneering te pas; van tweeën een: of de gids is onkundig, of hij is het niet; is hij onkundig, dan had hij ons niet tegen ons aller gevoelen moeten dwingen de woestijn in te trekken, noch daarbij de geheele verantwoordelijkheid onzer reis mogen op zich nemen. Is hij daarentegen der zake kundig, dan had hij ons de woestijn moeten doorvoeren, waartoe hij zich verbonden heeft, in plaats van ons op goed geluk te laten rondzwerven om naar vijanden te zoeken, die hij even goed weet als wij het weten, dat niet in de woestijn del Norte wonen, maar ze slechts nu en dan in geval van noodzakelijkheid doortrekken,[247]zoo snel als hunne paarden loopen kunnen. Op onzen gids alleen werp ik dus de schuld van alles wat ons overkomt; want hij is de man, die meester was van de gebeurtenissen en ze naar zijn goedvinden heeft geregeld.”Cuchares, meer en meer in verwarring gebracht, wist niet meer hoe hij zich keeren of wenden zou, zijne ontsteltenis was voor iedereen zichtbaar.»Wat hebt gij hierop te antwoorden, Cuchares?” vroeg de kapitein.In omstandigheden als de tegenwoordige, heeft een beschuldigde slechts twee middelen van verdediging: of geveinsde verontwaardiging of minachting.Cuchares koos het laatste: de minachting.Al zijne stoutmoedigheid en onbeschaamdheid te hulp roepende, zorgde hij eerst zijne stem te verzekeren, haalde verachtelijk de schouders op en antwoordde op sarcastischen toon:»Ik zalseñordon Blas de eer niet doen van zijne woorden te bespreken; er zijn van die beschuldigingen waarop een eerlijk man het stilzwijgen bewaart. Ik heb mij in alles moeten gedragen aan den kapitein, die hier alleen te bevelen heeft. Sedert wij ons in de woestijn bevinden hebben wij twintig man hetzij door de moordbijl der Indianen, of door ziekte verloren; kan men mij redelijk- en billijkerwijs verantwoordelijk stellen voor deze grieven? Sta ik niet even zeer als de anderen klaar om in de woestijn om te komen? Heb ik het in mijne macht om het gevaar te ontsnappen dat ulieden bedreigt? Zoo de kapitein mij bevolen had om de woestijn del Norte slechts door te trekken, zouden wij er reeds lang uit zijn; maar hij heeft mij gezegd dat hij de Apachen wilde achterhalen, ik heb mij naar zijn last moeten gedragen.”Deze redeneering, hoe listig gesponnen en spitsvondig zij wezen mocht, werd nochtans door de officieren voor goede munt opgenomen; Cuchares haalde weder adem, maar hij had het met den capataz nog niet afgemaakt.»Goed,” zeide deze; »strikt genomen hebt gij misschien gelijk dat gij zoo spreekt, en ik zou geloof kunnen hechten aan uw voorgeven, zoo ik geen andere en veel ernstiger zaken tegen u had in te brengen.”De lepero haalde de schouders op.»Ik weet,” vervolgde de capataz, »en ik kan er dadelijk het bewijs van leveren, dat gij door uwe gesprekken en zijdelingsche beschuldigingen oproer onder de peons en soldaten der compagnie hebt gezaaid. Heden morgen vóór de revelje, terwijl gij dacht dat niemand u zag, zijt gij opgestaan en hebt met uw ponjaard tien van de vijftien zakken water doorgestoken die wij nog over hebben; alleen het gerucht, dat ik onwillekeurig maakte terwijl ik naar u toekwam om het u te beletten, heeft u teruggehouden uw misdadig opzet ten[248]einde te brengen. Op het oogenblik toen de kapitein ons bijeen liet roepen om raad te houden, was ik juist gereed om hem van uw bedrijf kennis te geven en u aan te klagen. Wat hebt gij daarop te antwoorden? Verdedig u als gij er kans toe ziet.”Aller oogen richtten zich nu op den lepero; hij was doodsbleek, zijne oogen stonden rood en wild; eer iemand met mogelijkheid gissen kon wat hij voornemens was, greep hij een pistool en schoot het rakelings af op de borst van den capataz, die ter aarde stortte zonder een woord of zucht meer te slaken; daarop steeg de moordenaar met een tijgersprong te paard, en reed in vliegenden galop weg.Nu volgde er een onbeschrijfelijke opschudding, allen stegen te paard om den lepero na te zetten.»Voort! voort! den moordenaar na! den moordenaar na!” schreeuwde de kapitein, zijne manschappen aansporende met stem en voorbeeld om den onverlaat te vervolgen.De Franschen, door dezen afloop der zaak woedend geworden, vervolgden den lepero en schoten op hem als op een verscheurend dier; een geruimen tijd wist hij in alle richtingen te ontwijken en zag men hem nu hier dan daar heen rennen, om uit den cirkel te geraken dien het den kavaleristen gelukt was rondom hem te sluiten; eindelijk zag men hem waggelen in den zadel, poogde hij zich nog aan de manen van zijn paard vast te klemmen, maar tuimelde hij op het zand als een machtelooze klomp onder het uiten van een laatsten kreet.Hij was dood.Deze gebeurtenis voerde de ontsteltenis onder de soldaten ten top, van dit oogenblik af gevoelden zij dat men hen verraden had en begonnen zij te begrijpen dat hun toestand inderdaad hopeloos was.Te vergeefs poogde de kapitein hun een weinig moed in te spreken, zij wilden naar niets meer hooren, maar gaven zich prijs aan eene radeloosheid die alle maatregelen verlamt en alle krijgstucht oplost.Als een laatste middel om gehoor te krijgen, gaf de graaf order om op te breken, en men trok op marsch.Maar waarheen? in welke richting, en waar was uitkomst? geen spoor of pad was er te zien. Intusschen trok men toch voort, veeleer om van plaats te veranderen, dan om weg te komen, of met eenige hoop om uit het onmetelijk zandgraf te geraken, daar men niet anders voorzag dan voor altijd en onherroepelijk in bedolven te zullen worden.Acht dagen verliepen, acht eeuwen van jammer, gedurende welke de vrijcompagnisten met de vreeselijkste kwellingen van honger en dorst te kampen hadden.De compagnie als zoodanig bestond niet langer, er waren geen chefs, geen soldaten meer; het was een legioen afschuwelijk uitgemergelde[249]spookgestalten, een troep uitgehongerde roofdieren, gereed om elkander bij de eerste gelegenheid te verscheuren en te verslinden.Het was er eindelijk zoo ver mede gekomen, dat men de weinige paarden of muildieren die nog overbleven, de ooren opensneed om het bloed uit te zuigen, ten einde honger en dorst te lesschen.In ’t onzekere rondzwervende, nu eens naar dezen dan naar genen kant, door luchtspiegeling misleid, door den fellen zonnegloed geblakerd, door het mulle zand afgemat en uitgeput, waren zij ten prooi aan eene vertwijfeling, die sommigen met een stompzinnig gelaat en een hollen lach verdroegen; dat waren nog de gelukkigsten, zij hadden geen gevoel meer van hun leed, want zij waren krankzinnig; anderen zwaaiden woest met de wapenen, vloekten en dreigden en staken de vuisten naar den hemel op, die als een onmetelijke tombe van koper, hunne zandige grafstede scheen te overwelven; enkelen door het ongeluk razend geworden schoten zich voor het hoofd, met een spottenden glimlach jegens hunne kameraden, die te zwak waren of den moed niet hadden hun voorbeeld te volgen.De Franschen zijn misschien het moedigste volk dat er bestaat, maar daarentegen zijn zij de eerste om alle tucht of zelfbeheersching te verliezen. Is hun aandrift onweêrstaanbaar zoo lang zij voorwaarts rukken, even onweêrstaanbaar zijn zij ook als zij terug moeten; dan zijn zij door niets, door dwang noch door redeneering noch door bedreiging tot staan te brengen; overdreven in alles, is de Franschman soms sterker dan een mensch, of zwakker dan een kind!De graaf de Lhorailles was geen kwaad overste, hij staarde zwijgend en somber op den ondergang van al zijne verwachtingen, maar bleef zijnen rang en zijn karakter getrouw. Altoos de eerste om te marcheeren, en de laatste om te rusten, zou hij geen brok genuttigd hebben eer hij wist dat ieder man zijn aandeel had gehad, troostte hij ieder die naar hem hooren wilde en waakte met voorbeeldelooze zorg en zelfverloochening voor zijne arme soldaten, die, zonderling genoeg, te midden van al hun jammer en dreigenden ondergang er niet aan dachten hun overste eenig verwijt toe te voegen.De peons van Blas Vasquez waren meest allen bezweken, of hadden na zijn dood een goed heenkomen gezocht, dat wil zeggen, een weinig verder een onbekend graf gevonden. Die den graaf nog getrouw bleven, waren allen Europeanen, meerendeels Franschen, brave Dauph’yeers, geheel onkundig hoe zij den onverbiddelijken vijand zouden bekampen met welken zij hier te doen hadden, de doodelijke del Norte.Van de twee honderd vijf en veertig man, die de compagnie bij hare intrede in de woestijn sterk was, leefden er nog nauwelijks honderd dertig, zoo het leven mocht heeten dat deze verbleekte en vermagerde spoken bezielde.[250]De ergste ramp die iemand in de woestijn kan overkomen is zeker de akelige kwaal, door de Mexicanen decalenturagenoemd.Decalentura!Deze tusschenpoozende waanzin spiegelt den lijder gedurende den korteren of langeren aanval, visioenen voor van de lekkerste en keurigste spijzen, de helderste waterbronnen, de uitmuntendste wijnen, die hem, zoo hij zich verbeeldt, volop verzadigen maar tevens ontzenuwen, want na den afloop der zinsverbijstering gevoelt hij zich zwakker en verslagener dan ooit, door de herinnering van al wat hij in den droom gezien en genoten had.Op zekeren dag eindelijk, toen de ongelukkige vrijcompagnie door jammer en ellende overstelpt, weigerde om verder te gaan en allen reikhalsden om te sterven waar het toeval hen gebracht had, legerden zij zich op het gloeiende zand, in de schaduw van eenige Ahuehuelten, met het vaste besluit om daar onbeweeglijk te blijven liggen, tot de dood, dien zij reeds zoolang overluid hadden ingeroepen, hen eindelijk van hunne kwalen zou komen verlossen.De zon hulde zich in een onheilspellenden nevel en ging onder in eene zee van purperen en gouden wolken. Alles in de woestijn was doodstil en men hoorde niets dan hier en daar eene verwensching of een zucht van de ongelukkigen, die niets meer verwachtten, niets meer hoopten, en niets meer overhielden dan het instinct van woeste of redelooze dieren.Intusschen volgde de nacht op den dag, en langzamerhand kwam ook de vrijcompagnie tot rust en stilte. De slaap, die groote vertrooster der lijdende menschheid, bezwaarde de oogleden der rampzaligen, en zoo zij al niet sliepen, genoten zij toch eene soort van sluimering, die hun, voor een poos althans, hunne ondragelijke folteringen deed vergeten.Op eens, tegen middernacht, klonk er een vervaarlijk geluid, dat allen verschrikt deed ontwaken; een verstikkend lauwe wervelwind ging over hen heen, en de donder boven hunne hoofden barstte klaterend los.De hemel was zwart als inkt, geen maan of ster was er te zien, niets dan tastbare duisternis, die zelfs niet toeliet de meest nabijzijnde voorwerpen te onderscheiden, dan nu en dan bij het flikkeren van een bliksemstraal welke slechts diende om de daarop volgende duisternis nog dikker te maken.De arme drommels sprongen vol ontzetting op en slopen waggelend naar elkander, als een troep schapen bij onweder en als wilden zij bij de laatste vonk van hun ingeschapen menschelijk instinct, te zamen sterven.»De temporal!de temporal!” schreeuwden allen op een toon van angst die zich niet laat beschrijven.Werkelijk was het de temporal, die ontzettende plaag, die al hare woede ontketende en over de woestijn deed losbreken om er de gedaante van om te keeren.[251]De stormwind loeide met ontzettende kracht, en joeg wolken stof omhoog die in de lucht ronddwarrelden en zandhoozen vormden, die met groote snelheid voortwervelden tot zij op eens met een vreeselijk gekraak uiteenspatteden.Menschen of dieren, of steenen door deze wervelende zuilen medegesleept, werden als stroobossen in de ruimte weggeslingerd.»Plat op den grond!” riep de graaf met eene krachtige stem, »plat op den grond liggen! het is als de Afrikaansche Simoun, plat op den buik liggen! zoo gij uw leven lief hebt!”Vreemd als het schijnen mag, maar al deze mannen, ofschoon door hopeloos lijden overstelpt, gehoorzaamden als kinderen het bevel van hun overste, zoo groot is de schrik dien de dood, wanneer hij op het oogenblik onherroepelijk schijnt te naderen, inboezemt.Zij vielen met hun aangezicht in het zand, en groeven met hunne handen kuilen om de heete lucht te ontgaan, die hen dreigde te verstikken. De paarden, met gerekten hals op den grond uitgestrekt, volgden bij instinct het voorbeeld hunner meesters.Bij tusschenpoozen, als plotselinge windstilte den rampzaligen soms een oogenblik verademing schonk, om hen daarna des te erbarmloozer te benauwen, hoorde men het gekerm of het doodsgereutel vermengd met vloeken of vurige gebeden, uit de menigte opgaan, die bevreesd of stervend op den grond lag uitgestrekt.De orkaan bulderde den geheelen nacht door met onverpoosde woede; tegen den morgen begon hij allengs te bedaren, en met het opgaan der zon was zijne kracht uitgeput of naar andere streken verplaatst.Het aanzien der woestijn was geheel veranderd; waar den vorigen dag heuvels stonden, waren nu dalen; de weinige boomen hier en daar, waren door den wind geknot, omgeworpen of verzengd, en vertoonden niets dan zwarte en kaalgestroopte geraamten; geen spoor meer van pad of voetstap, alles was effen en plat gewaaid of met golven gerimpeld als een plotselinge bevroren zee.Van de vrijcompagnie waren niet meer dan zestig man levend overgebleven, de overigen waren hetzij door den wind opgenomen of onder den grond bedolven, zonder dat er een spoor van overbleef; het zand had alles begraven en bedekte hen als met een onmetelijk grauwe doodwaâ.Het eerste gevoel dat de levend overgeblevenen bezielde, was schrik; het tweede, wanhoop, en daarop begon het gejammer en beklag met vernieuwde, altoos toenemende kracht.De graaf staarde op het overschot zijner vrijcompagnie. Bladz. 251.De graaf staarde op het overschot zijner vrijcompagnie. Bladz. 251.De graaf staarde op het overschot zijner vrijcompagnie met treurig somberen blik en eene uitdrukking van onbeschrijfelijken weemoed.Op eens barstte hij los in een stuipachtigen schaterlach, hij trad naar zijn paard, het eenig overgeblevene en als door een wonder aan den algemeenen jammer ontsnapte, zadelde het, streelde het met de hand, onder het binnensmonds neuriën eener treurige melodie van eigen vinding.[252]Zijne kameraden zagen hem aan met stommen schrik en een gevoel van verbazing daar zij zich geen rekenschap van konden geven; hoe gezonken en moedeloos van geest zij zelven ook mochten geweest zijn, de kapitein had tot hiertoe steeds zijne meerderheid van verstand en vastheid van wil weten te behouden, twee hoedanigheden die op minder beschaafde en geschokte gemoederen zoo veel vermogen, zelfs wanneer de omstandigheden hun aanleiding gaven er zich tegen te verzetten. Hoe ellendig zij ook waren groepeerden zij zich rondom hun overste, als kinderen zouden gedaan hebben rondom hun stervenden of plotseling krankzinnig geworden vader of moeder; hij had hen altijd getroost, hun het voorbeeld van moed en zelfverloochening gegeven, en nu, terwijl zij hem zagen te werk gaan gelijk hij deed, hadden zij een voorgevoel van een nieuw en nog grooter ongeluk.Nadat de graaf zijn paard gezadeld had, steeg hij voorzichtig in den zadel en liet het eenige minuten lang springen en zwenken, ofschoon het arme diernauwelijksin staat was zich op de bevende beenen te houden.»Haha! mijne braven!” riep hij op eens, »komt allen hier, komt bij mij en hoort den goeden raad dien ik u geven wil eer ik vertrekken ga.”De soldaten sleepten zich zooveel zij konden voort en verzamelden zich rondom hun chef.De graaf wierp een zonderlingen blik van zelfvoldoening om zich heen.»Het leven is een jammerlijk apenspel, niet waar,” sprak hij met een schaterenden lach, »en daarbij dikwijls een keten die zwaar valt om te dragen. Hoe menigmaal zult gij in het helsche verblijf daar wij zonder uitkomst in rondzwerven, deze opmerking niet in stilte hebben gemaakt, die ik onbewimpeld voor u uitspreek! Welnu, ik moet u bekennen, zoolang ik hoop had u te redden heb ik met moed tegen het ongeluk gestreden; die hoop heb ik niet meer. En daar wij hier nu binnen eenige dagen, misschien binnen weinige uren reeds, van kommer en gebrek moeten vergaan, wil ik liever dadelijk sterven. Gelooft mij, volgt mijn voorbeeld; het is spoedig gedaan, gij zult het zien.”Bij het uitspreken dezer woorden trok hij een pistool uit zijn gordel.Op dit oogenblik hoorde men in de verte schreeuwen.»Wat is het? wat is het, wat gebeurt er nog?”»Zie eens! kapitein, men komt ons te hulp; wij zijn gered!” riep de sergeant Boileau, die als een schim aan zijne zijde stond en hem bij den arm greep.De graaf rukte zijn arm los en zei met een glimlach, terwijl hij in de aangewezen richting uitkeek, waar zich werkelijk een wolk van stof verhief, die snel naderde.»Gij zijt dwaas, mijn arme kameraad. Men kan ons hier niet[253]komen helpen. Wij hebben hier zelfs minder hoop dan de schipbreukelingen der Medusa,” vervolgde hij met bittere ironie; »wij zijn gedoemd om in deze helsche woestijn te sterven. Vaartwel, allen! vaartwel!”Hij hief zijn pistool op.»Kapitein?” riep de sergeant op verwijtenden toon, »denk om uwe verantwoording, gij hebt het recht niet om u zelven te dooden, gij zijt onze overste, gij behoort het laatst van allen te sterven of anders zijt gij een lafaard!”De graaf sprong op in den zadel alsof hem een adder gebeten had, en dreigde zich op den sergeant te werpen; zijn uitzicht was daarbij zoo woest en zijne beweging zoo verschrikkelijk, dat Boileau er bang van werd en terugdeinsde.De kapitein maakte van dit vrije oogenblik gebruik, zette zich het pistool voor het hoofd, en drukte af; hij stortte ter aarde met een verbrijzelde hersenpan.De avonturiers waren nog niet van den schrik bekomen dien dit vreeselijk ongeluk bij hen teweegbracht, toen de stofwolk die zij hadden zien naderen reeds dicht in hunne nabijheid was en plotseling als vaneen scheurde, en nu ontwaarden zij een troep Indiaansche ruiters, in welks midden eene vrouw en twee of drie blanken, die in vollen ren op hen afkwamen.Vast overtuigd dat de Apachen hen, als roofvogels op dood aas, zouden overvallen en den genadeslag komen geven, beproefden zij het zelfs niet om een oogenblik weêrstand te bieden.»O!” riep op eens een der jagers snel afstijgende en naar hen toeloopende, »arme menschen!”De nieuw aankomenden waren Goedsmoeds, don Louis en hunne vrienden de Comanchen.Weinige woorden waren genoeg om hun het gebeurde mede te deelen en hun met den gruwzamen nood bekend te maken dien de Franschen hadden moeten verduren.»Maar,” riep Goedsmoeds, »al heeft het u aan de noodige spijzen ontbroken, water hadt gij toch in overvloed, hoe kunt gij u zoozeer beklagen over dorst?”Zonder iets te zeggen begonnen de Arendskop en de Spotvogel met hunne machetes reeds een kuil te delven aan den voet van een Ahuehuelt. Na verloop van tien minuten sprong het water te voorschijn en weldra vloeide er een milde en heldere bron over het zand.De Franschen stortten zich als razenden op het water.»Arme menschen!” mompelde don Louis; »zullen wij ze hier nietvandaanhelpen?”»Denkt gij dan dat ik hen zou laten omkomen nu ik hun weder moed heb gegeven?” zei Goedsmoeds. »Arm meisje,” vervolgde hij, half in zich zelven met een weemoedigen blik opdoñaAnita, die er bij stond te lachen en hare vingers deed klappen als castagnetten,[254]»waarom kan ik haar niet even gemakkelijk het verstand teruggeven?”Don Louis zuchtte zonder te antwoorden.De Franschen hoorden met stomme verbazing een feit vermelden, dat hen waarschijnlijk zou hebben gered zoo zij het maar eerder geweten hadden; namelijk dat de Ahuehuelt, welke naam in de taal der Comanchen »heer der wateren” beteekent, een boom is die wel is waar alleen op dorre en zandige plaatsen opschiet, maar onder zijne wortels steeds een waterader verbergt, waaraan hij zijn wasdom en sappen ontleent, en om deze reden dragen de Roodhuiden dezen boom een bijgeloovigen eerbied toe en noemen zij hem, daar hij vooral in de zandwoestijn voorkomt en van onberekenbaar nut isde groote medicijn der reizigers.Twee dagen later waren de avonturiers, onder geleide der jagers en der Comanchen, buiten de zandwoestijn. Weldra hadden zij deCasa GrandedeMontecuzomabereikt, waar hunne redders, na hen van de noodige levensmiddelen te hebben voorzien, hen voor goed verlieten, nauwelijks wetende hoe zij zich aan hunne warme dankbetuigingen en zegenwenschen zouden onttrekken.[255]

XXV.EL AHUEHUELT.

Wij gaan andermaal een stap terug, naar de groote woestijn del Norte, waar de graaf de Lhorailles was binnengetrokken, onder geleide van Cuchares.Gedurende de eerste dagen der reis ging alles goed, het weêr was heerlijk schoon, en aan leeftocht geen gebrek. Met de hun aangeboren luchthartigheid vergaten de Franschen al hun geleden leed, en lachten luidkeels om de gedurige vrees der Mexicaansche peons, die beter met de gevaren der woestijn bekend, hunne bezorgdheid niet verheelden over het lang gerekt verblijf der vrijcompagnie in deze onherbergzame, vaak doodelijke streek.Onder de beschaafde volken bezitten de Franschen een zonderlinge eigenschap, die hen, wellicht zonder dat zij het weten, meer dan andere in staat stelt om in zeer vele dingen de eerste te zijn; die eigenschap is hunne blijkbare, door andere volken, misschien uit nijd maar toch vaak niet zonder grond, voor lichtzinnigheid uitgekreten onbezorgdheid en wispelturigheid; ofschoon die volken overigens niet ongenegen zijn om zelfs de dwaaste grillen der Parijsche mode, zoo in de politiek als kleederdracht, tot in de kleinste bijzonderheden slaafs te volgen.Niets is echter onbillijker dan het verwijt van lichtzinnigheid of zorgeloosheid, dat den Franschen door hunne naburen onophoudelijk en in alles wordt naar het hoofd gesmeten. Onbezorgde moed en luchthartigheid maken de Franschen misschien tot de beste soldaten van de wereld, zoodat zij zich gereedelijk, zelfs voor allerlei dwaze ondernemingen van veroveringszucht en dolende ridderschap laten gebruiken, alle ontberingen zich getroosten en met geestdrift hun leven zouden wagen als er maar een weinig roem te behalen is.Maar achter die soldaten bevindt zich eene schrandere en werkzame bevolking, die vooral in tijden van rust en onder een wijs en krachtig bewind, zeker niet zoo dwaas is dat zij hare beste belangen zou verwaarloozen. Gelijk alle beschaafde volken die den vooruitgang beheerschen en helpen bevorderen, houden ook de Franschen het oog steeds op de toekomst gevestigd, en het oor geopend voor ieder gerucht dat de wereld beweegt. Wellicht zijn zij voortvarender dan anderen, het verledene vergeten zij, het heden bekommert hen niet veel, maar het morgen is alles voor hen, omdat in dat morgen de toekomst besloten ligt, namelijk de oplossing van het groote vraagstuk der beschaving. Wel is waar brengt hun vurig en onbedachtzaam karakter hen niet zelden van het spoor, en dan is er een krachtig bestuur noodig om het hollende span tot staan te brengen. Vandaar de groote tegenstrijdigheden die de geschiedschrijver vaak in hen[244]opmerkt en hun te last legt en die niet weinig studie vereischen om hen naar waarde en billijkheid te beoordeelen.Maar hoe dit ook zij, wat wij hier willen beweren blijft ontegenzeggelijk waar, de Franschen zijn eene strijdlustige en veroveringszuchtige natie en hun leger beschouwt zich zoo gaarne als de voorhoede der beschaving, bestemd om de wereld op de baan der vrijheid en der verlichting voor te gaan en Frankrijk tot de eerste der natiën te verheffen. Vandaar dat de oogen der naburige volken zich staag op Frankrijk richten, om hetzij in hoop of in vrees te zien wat aldaar omgaat, ten einde het na te volgen of er zich tegen te wapenen.Wat onze Fransche vrijcompagnie betreft, zij bracht haar tijd door met de woestijn te doorkruisen om er de Apachen te zoeken, die zich sedert eenige dagen bepaald onzichtbaar hadden gemaakt. Slechts nu en dan bij lange tusschenpoozen zagen zij een enkelen Indiaanschen ruiter, die op korten afstand van hunne voorposten, als om hen te sarren, rijtoeren en manegekunsten kwam vertoonen.Dan werd er »in den zadel” geblazen, allen stegen te paard, men stormde den vrijpostigen ruiter te gemoet, die na zich lang genoeg te hebben laten vervolgen, eensklaps weder verdween gelijk hij gekomen was.Dit doelloos en eentonig leven begon hun echter te vervelen en eindelijk onverdragelijk te worden. Niets anders te zien dan zand, altijd zand, geen vogels, geen wild, geen verscheurend dier zelfs; niets dan grauwe en verbrokkelde rotsen; en eenige reusachtige Ahuehuelten, een soort van ceders, met lange, soms bladerlooze doch zwaar met een grijsachtig mos bedekte takken, dat er in groote festonnen bij nederhing; dit alles had weinig vermakelijks, en nadat de compagnie er het eerste nieuws had afgezien begon het haar spoedig te walgen.De weêrkaatsing der zonnestralen op het barre zand, verwekte oogziekten; het water door de hitte bedorven, werd ondrinkbaar; de verdere levensmiddelen werden oneetbaar, het scorbut begon onder de soldaten te heerschen, weldra door het heimwee gevolgd, dat menigeen ten grave sleepte.Deze staat van zaken was ondragelijk, men moest op middelen bedacht zijn om er zoo spoedig mogelijk een eind aan te maken.De graaf riep dus zijne officieren bijeen om met hen raad te houden.Deze raad bestond uit de luitenants Diego Leon, en Martin Leroux, den sergeant Boileau, Blas Vasquez en Cuchares.Deze vijf personen, voorgezeten door den graaf de Lhorailles, plaatsten zich op de pakbalen terwijl de soldaten niet ver van hen af op den grond liggende, een schuilhoek zochten in de schaduw der paarden, die aan piketten gekoppeld stonden.Het werd dringend noodig den raad te beleggen, want de krijgstucht[245]onder de compagnie was snel aan ’t afnemen, er was oproer in den wind, men klaagde reeds nu en dan overluid. De strafoefening aan deCasa Grandewas reeds geheel vergeten en als men niet spoedig middelen vond om het kwaad te keer te gaan, kon niemand zeggen op welke vreeselijke uitersten het algemeene ongenoegen zou uitloopen.»Mijne heeren,” zei de graaf de Lhorailles, »ik heb u bijeengeroepen om met u de middelen te beramen, ten einde den moedeloozen ja slechten geest te doen ophouden, die bij de compagnie sedert eenige dagen heerscht. De omstandigheden zijn zoo ernstig, dat ik u danken zal voor elken goeden raad dien gij mij oprecht en onbewimpeld geeft; ons aller welzijn is er in betrokken, en in zulk een staat van zaken heeft ieder het recht om zijn gevoelen uit te brengen, zonder vrees dat hij de eigenliefde zou kwetsen van wien ook. Spreekt dus, mijne heeren, ik zal u aanhooren. Gij het eerst, sergeant Boileau; als de minste in rang moet gij het eerste woord hebben.”Sergeant Boileau was een voormalig spahis uit Afrika, die de soldatenschool op zijn duimpje kende, trouw als staal en in allen opzichte wat men in het leger een oud-gediende noemt; alleen moeten wij hier zeggen dat hij geen meester in de redekunst was.Bij de rechtstreeksche interpellatie van zijn kommandant begon hij te glimlachen, daarop te blozen als een jong meisje, toen liet hij het hoofd hangen en opende den mond, om reeds bij het eerste woord te blijven steken.De graaf de Lhorailles, zijne verlegenheid bemerkende, spoorde hem op goedwilligen toon aan om te spreken. Eindelijk, na menige vergeefsche poging, gelukte het den sergeant met eene heesche stem en tamelijk verward zijn woord te doen.»Pardi! kapitein,” begon hij, »ik begrijp dat de toestand alles behalve vroolijk is; maar oorlog is oorlog, en op marsch gaat het niet anders. Als men soldaat is, is men soldaat. Ik wil dus maar zeggen, kapitein, naar mijn begrip, dat gij maar doen moet wat gij denkt dat goed is, en dat wij hier zijn om u in alles te gehoorzamen; dat is strikt genomen niet meer dan een staaltje van onzen plicht, zonder onnoodige napraatjes.”De overige raadsleden konden zich moeielijk zonder lachen houden over deze gulle bekentenis van den eerlijken sergeant, die opnieuw verlegen werd en zweeg.»Uw beurt, Blas Vasquez,” zei de graaf, »wat is uw advies?”De capataz richtte zijn vurigen blik op den graaf.»Vraagt gij mij dat wel ronduit, kapitein?” antwoordde hij.»Zonder twijfel.”»Hoort dan gij allen,” hernam de capataz met eene vaste stem en op een toon van volle overtuiging. »Mijn advies is, dat wij verkocht en verraden worden; dat wij nooit uit deze woestijn zullen[246]komen, maar hier allen den dood zullen vinden zoo wij nog langer volhouden die onbereikbare vijanden te vervolgen; men heeft ons in een strik gelokt daar wij niet weder uit kunnen.”Deze verklaring bracht op de aanwezigen een diepen indruk te weeg, daar men al de juistheid er van begreep.De kapitein schudde twijfelmoedig het hoofd.»Don Blas,” zeide hij, »wat gij daar gezegd hebt behelst eene zware beschuldiging. Hebt gij de beteekenis uwer woorden wel nauwkeurig overwogen?”»Ja,” antwoordde hij. »Alleen.…”»Bedenk wel wat gij zegt, don Blas. Wij kunnen hier geen onbestemde vermoedens toelaten; de zaken zijn tot zulk een uiterste gekomen, dat wij u het overigens welverdiende vertrouwen niet kunnen verleenen, tenzij gij uwe beschuldiging nader bepaalt en, desnoods, niet terugdeinst om namen te noemen.”»Ik deins voor niets of voor niemand terug, heer graaf; ik weet al de verantwoordelijkheid die ik op mij neem; geene overweging, van welken aard ook, zal mij doen afwijken van hetgeen ik als heiligen plicht beschouw.”»Spreek dan in ’s hemels naam, en geve God dat uwe ophelderende verklaring mij niet andermaal noodzake een onzer kameraden op een voorbeeldige wijze te straffen.”De capataz bedacht zich een poos, en iedereen wachtte met ongeduld op zijne nadere toelichting; Cuchares inzonderheid, was derwijze in ’t nauw gebracht, dat hij zijne ongerustheid moeielijk wist te verbergen.Eindelijk nam de capataz het woord en vestigde daarbij zulk een zonderlingen blik op den graaf de Lhorailles, dat deze tegen wil en dank eindelijk begon te begrijpen, dat hij en de zijnen de slachtoffers waren van het schandelijkst verraad.»Heer graaf,” zei Blas Vasquez, »wij Mexicanen hebben eene wet daar wij nimmer van afwijken, eene wet trouwens die in het hart van alle eerlijke lieden geschreven staat, namelijk deze: dat, gelijk de loods verantwoordelijk is voor het schip dat hij opzichneemt in de veilige haven te brengen, evenzoo de gids met zijn leven verantwoordelijk is voor het behoud der reizigers die hij aanneemt door de woestijn te geleiden. Hierover komt geene verdere redeneering te pas; van tweeën een: of de gids is onkundig, of hij is het niet; is hij onkundig, dan had hij ons niet tegen ons aller gevoelen moeten dwingen de woestijn in te trekken, noch daarbij de geheele verantwoordelijkheid onzer reis mogen op zich nemen. Is hij daarentegen der zake kundig, dan had hij ons de woestijn moeten doorvoeren, waartoe hij zich verbonden heeft, in plaats van ons op goed geluk te laten rondzwerven om naar vijanden te zoeken, die hij even goed weet als wij het weten, dat niet in de woestijn del Norte wonen, maar ze slechts nu en dan in geval van noodzakelijkheid doortrekken,[247]zoo snel als hunne paarden loopen kunnen. Op onzen gids alleen werp ik dus de schuld van alles wat ons overkomt; want hij is de man, die meester was van de gebeurtenissen en ze naar zijn goedvinden heeft geregeld.”Cuchares, meer en meer in verwarring gebracht, wist niet meer hoe hij zich keeren of wenden zou, zijne ontsteltenis was voor iedereen zichtbaar.»Wat hebt gij hierop te antwoorden, Cuchares?” vroeg de kapitein.In omstandigheden als de tegenwoordige, heeft een beschuldigde slechts twee middelen van verdediging: of geveinsde verontwaardiging of minachting.Cuchares koos het laatste: de minachting.Al zijne stoutmoedigheid en onbeschaamdheid te hulp roepende, zorgde hij eerst zijne stem te verzekeren, haalde verachtelijk de schouders op en antwoordde op sarcastischen toon:»Ik zalseñordon Blas de eer niet doen van zijne woorden te bespreken; er zijn van die beschuldigingen waarop een eerlijk man het stilzwijgen bewaart. Ik heb mij in alles moeten gedragen aan den kapitein, die hier alleen te bevelen heeft. Sedert wij ons in de woestijn bevinden hebben wij twintig man hetzij door de moordbijl der Indianen, of door ziekte verloren; kan men mij redelijk- en billijkerwijs verantwoordelijk stellen voor deze grieven? Sta ik niet even zeer als de anderen klaar om in de woestijn om te komen? Heb ik het in mijne macht om het gevaar te ontsnappen dat ulieden bedreigt? Zoo de kapitein mij bevolen had om de woestijn del Norte slechts door te trekken, zouden wij er reeds lang uit zijn; maar hij heeft mij gezegd dat hij de Apachen wilde achterhalen, ik heb mij naar zijn last moeten gedragen.”Deze redeneering, hoe listig gesponnen en spitsvondig zij wezen mocht, werd nochtans door de officieren voor goede munt opgenomen; Cuchares haalde weder adem, maar hij had het met den capataz nog niet afgemaakt.»Goed,” zeide deze; »strikt genomen hebt gij misschien gelijk dat gij zoo spreekt, en ik zou geloof kunnen hechten aan uw voorgeven, zoo ik geen andere en veel ernstiger zaken tegen u had in te brengen.”De lepero haalde de schouders op.»Ik weet,” vervolgde de capataz, »en ik kan er dadelijk het bewijs van leveren, dat gij door uwe gesprekken en zijdelingsche beschuldigingen oproer onder de peons en soldaten der compagnie hebt gezaaid. Heden morgen vóór de revelje, terwijl gij dacht dat niemand u zag, zijt gij opgestaan en hebt met uw ponjaard tien van de vijftien zakken water doorgestoken die wij nog over hebben; alleen het gerucht, dat ik onwillekeurig maakte terwijl ik naar u toekwam om het u te beletten, heeft u teruggehouden uw misdadig opzet ten[248]einde te brengen. Op het oogenblik toen de kapitein ons bijeen liet roepen om raad te houden, was ik juist gereed om hem van uw bedrijf kennis te geven en u aan te klagen. Wat hebt gij daarop te antwoorden? Verdedig u als gij er kans toe ziet.”Aller oogen richtten zich nu op den lepero; hij was doodsbleek, zijne oogen stonden rood en wild; eer iemand met mogelijkheid gissen kon wat hij voornemens was, greep hij een pistool en schoot het rakelings af op de borst van den capataz, die ter aarde stortte zonder een woord of zucht meer te slaken; daarop steeg de moordenaar met een tijgersprong te paard, en reed in vliegenden galop weg.Nu volgde er een onbeschrijfelijke opschudding, allen stegen te paard om den lepero na te zetten.»Voort! voort! den moordenaar na! den moordenaar na!” schreeuwde de kapitein, zijne manschappen aansporende met stem en voorbeeld om den onverlaat te vervolgen.De Franschen, door dezen afloop der zaak woedend geworden, vervolgden den lepero en schoten op hem als op een verscheurend dier; een geruimen tijd wist hij in alle richtingen te ontwijken en zag men hem nu hier dan daar heen rennen, om uit den cirkel te geraken dien het den kavaleristen gelukt was rondom hem te sluiten; eindelijk zag men hem waggelen in den zadel, poogde hij zich nog aan de manen van zijn paard vast te klemmen, maar tuimelde hij op het zand als een machtelooze klomp onder het uiten van een laatsten kreet.Hij was dood.Deze gebeurtenis voerde de ontsteltenis onder de soldaten ten top, van dit oogenblik af gevoelden zij dat men hen verraden had en begonnen zij te begrijpen dat hun toestand inderdaad hopeloos was.Te vergeefs poogde de kapitein hun een weinig moed in te spreken, zij wilden naar niets meer hooren, maar gaven zich prijs aan eene radeloosheid die alle maatregelen verlamt en alle krijgstucht oplost.Als een laatste middel om gehoor te krijgen, gaf de graaf order om op te breken, en men trok op marsch.Maar waarheen? in welke richting, en waar was uitkomst? geen spoor of pad was er te zien. Intusschen trok men toch voort, veeleer om van plaats te veranderen, dan om weg te komen, of met eenige hoop om uit het onmetelijk zandgraf te geraken, daar men niet anders voorzag dan voor altijd en onherroepelijk in bedolven te zullen worden.Acht dagen verliepen, acht eeuwen van jammer, gedurende welke de vrijcompagnisten met de vreeselijkste kwellingen van honger en dorst te kampen hadden.De compagnie als zoodanig bestond niet langer, er waren geen chefs, geen soldaten meer; het was een legioen afschuwelijk uitgemergelde[249]spookgestalten, een troep uitgehongerde roofdieren, gereed om elkander bij de eerste gelegenheid te verscheuren en te verslinden.Het was er eindelijk zoo ver mede gekomen, dat men de weinige paarden of muildieren die nog overbleven, de ooren opensneed om het bloed uit te zuigen, ten einde honger en dorst te lesschen.In ’t onzekere rondzwervende, nu eens naar dezen dan naar genen kant, door luchtspiegeling misleid, door den fellen zonnegloed geblakerd, door het mulle zand afgemat en uitgeput, waren zij ten prooi aan eene vertwijfeling, die sommigen met een stompzinnig gelaat en een hollen lach verdroegen; dat waren nog de gelukkigsten, zij hadden geen gevoel meer van hun leed, want zij waren krankzinnig; anderen zwaaiden woest met de wapenen, vloekten en dreigden en staken de vuisten naar den hemel op, die als een onmetelijke tombe van koper, hunne zandige grafstede scheen te overwelven; enkelen door het ongeluk razend geworden schoten zich voor het hoofd, met een spottenden glimlach jegens hunne kameraden, die te zwak waren of den moed niet hadden hun voorbeeld te volgen.De Franschen zijn misschien het moedigste volk dat er bestaat, maar daarentegen zijn zij de eerste om alle tucht of zelfbeheersching te verliezen. Is hun aandrift onweêrstaanbaar zoo lang zij voorwaarts rukken, even onweêrstaanbaar zijn zij ook als zij terug moeten; dan zijn zij door niets, door dwang noch door redeneering noch door bedreiging tot staan te brengen; overdreven in alles, is de Franschman soms sterker dan een mensch, of zwakker dan een kind!De graaf de Lhorailles was geen kwaad overste, hij staarde zwijgend en somber op den ondergang van al zijne verwachtingen, maar bleef zijnen rang en zijn karakter getrouw. Altoos de eerste om te marcheeren, en de laatste om te rusten, zou hij geen brok genuttigd hebben eer hij wist dat ieder man zijn aandeel had gehad, troostte hij ieder die naar hem hooren wilde en waakte met voorbeeldelooze zorg en zelfverloochening voor zijne arme soldaten, die, zonderling genoeg, te midden van al hun jammer en dreigenden ondergang er niet aan dachten hun overste eenig verwijt toe te voegen.De peons van Blas Vasquez waren meest allen bezweken, of hadden na zijn dood een goed heenkomen gezocht, dat wil zeggen, een weinig verder een onbekend graf gevonden. Die den graaf nog getrouw bleven, waren allen Europeanen, meerendeels Franschen, brave Dauph’yeers, geheel onkundig hoe zij den onverbiddelijken vijand zouden bekampen met welken zij hier te doen hadden, de doodelijke del Norte.Van de twee honderd vijf en veertig man, die de compagnie bij hare intrede in de woestijn sterk was, leefden er nog nauwelijks honderd dertig, zoo het leven mocht heeten dat deze verbleekte en vermagerde spoken bezielde.[250]De ergste ramp die iemand in de woestijn kan overkomen is zeker de akelige kwaal, door de Mexicanen decalenturagenoemd.Decalentura!Deze tusschenpoozende waanzin spiegelt den lijder gedurende den korteren of langeren aanval, visioenen voor van de lekkerste en keurigste spijzen, de helderste waterbronnen, de uitmuntendste wijnen, die hem, zoo hij zich verbeeldt, volop verzadigen maar tevens ontzenuwen, want na den afloop der zinsverbijstering gevoelt hij zich zwakker en verslagener dan ooit, door de herinnering van al wat hij in den droom gezien en genoten had.Op zekeren dag eindelijk, toen de ongelukkige vrijcompagnie door jammer en ellende overstelpt, weigerde om verder te gaan en allen reikhalsden om te sterven waar het toeval hen gebracht had, legerden zij zich op het gloeiende zand, in de schaduw van eenige Ahuehuelten, met het vaste besluit om daar onbeweeglijk te blijven liggen, tot de dood, dien zij reeds zoolang overluid hadden ingeroepen, hen eindelijk van hunne kwalen zou komen verlossen.De zon hulde zich in een onheilspellenden nevel en ging onder in eene zee van purperen en gouden wolken. Alles in de woestijn was doodstil en men hoorde niets dan hier en daar eene verwensching of een zucht van de ongelukkigen, die niets meer verwachtten, niets meer hoopten, en niets meer overhielden dan het instinct van woeste of redelooze dieren.Intusschen volgde de nacht op den dag, en langzamerhand kwam ook de vrijcompagnie tot rust en stilte. De slaap, die groote vertrooster der lijdende menschheid, bezwaarde de oogleden der rampzaligen, en zoo zij al niet sliepen, genoten zij toch eene soort van sluimering, die hun, voor een poos althans, hunne ondragelijke folteringen deed vergeten.Op eens, tegen middernacht, klonk er een vervaarlijk geluid, dat allen verschrikt deed ontwaken; een verstikkend lauwe wervelwind ging over hen heen, en de donder boven hunne hoofden barstte klaterend los.De hemel was zwart als inkt, geen maan of ster was er te zien, niets dan tastbare duisternis, die zelfs niet toeliet de meest nabijzijnde voorwerpen te onderscheiden, dan nu en dan bij het flikkeren van een bliksemstraal welke slechts diende om de daarop volgende duisternis nog dikker te maken.De arme drommels sprongen vol ontzetting op en slopen waggelend naar elkander, als een troep schapen bij onweder en als wilden zij bij de laatste vonk van hun ingeschapen menschelijk instinct, te zamen sterven.»De temporal!de temporal!” schreeuwden allen op een toon van angst die zich niet laat beschrijven.Werkelijk was het de temporal, die ontzettende plaag, die al hare woede ontketende en over de woestijn deed losbreken om er de gedaante van om te keeren.[251]De stormwind loeide met ontzettende kracht, en joeg wolken stof omhoog die in de lucht ronddwarrelden en zandhoozen vormden, die met groote snelheid voortwervelden tot zij op eens met een vreeselijk gekraak uiteenspatteden.Menschen of dieren, of steenen door deze wervelende zuilen medegesleept, werden als stroobossen in de ruimte weggeslingerd.»Plat op den grond!” riep de graaf met eene krachtige stem, »plat op den grond liggen! het is als de Afrikaansche Simoun, plat op den buik liggen! zoo gij uw leven lief hebt!”Vreemd als het schijnen mag, maar al deze mannen, ofschoon door hopeloos lijden overstelpt, gehoorzaamden als kinderen het bevel van hun overste, zoo groot is de schrik dien de dood, wanneer hij op het oogenblik onherroepelijk schijnt te naderen, inboezemt.Zij vielen met hun aangezicht in het zand, en groeven met hunne handen kuilen om de heete lucht te ontgaan, die hen dreigde te verstikken. De paarden, met gerekten hals op den grond uitgestrekt, volgden bij instinct het voorbeeld hunner meesters.Bij tusschenpoozen, als plotselinge windstilte den rampzaligen soms een oogenblik verademing schonk, om hen daarna des te erbarmloozer te benauwen, hoorde men het gekerm of het doodsgereutel vermengd met vloeken of vurige gebeden, uit de menigte opgaan, die bevreesd of stervend op den grond lag uitgestrekt.De orkaan bulderde den geheelen nacht door met onverpoosde woede; tegen den morgen begon hij allengs te bedaren, en met het opgaan der zon was zijne kracht uitgeput of naar andere streken verplaatst.Het aanzien der woestijn was geheel veranderd; waar den vorigen dag heuvels stonden, waren nu dalen; de weinige boomen hier en daar, waren door den wind geknot, omgeworpen of verzengd, en vertoonden niets dan zwarte en kaalgestroopte geraamten; geen spoor meer van pad of voetstap, alles was effen en plat gewaaid of met golven gerimpeld als een plotselinge bevroren zee.Van de vrijcompagnie waren niet meer dan zestig man levend overgebleven, de overigen waren hetzij door den wind opgenomen of onder den grond bedolven, zonder dat er een spoor van overbleef; het zand had alles begraven en bedekte hen als met een onmetelijk grauwe doodwaâ.Het eerste gevoel dat de levend overgeblevenen bezielde, was schrik; het tweede, wanhoop, en daarop begon het gejammer en beklag met vernieuwde, altoos toenemende kracht.De graaf staarde op het overschot zijner vrijcompagnie. Bladz. 251.De graaf staarde op het overschot zijner vrijcompagnie. Bladz. 251.De graaf staarde op het overschot zijner vrijcompagnie met treurig somberen blik en eene uitdrukking van onbeschrijfelijken weemoed.Op eens barstte hij los in een stuipachtigen schaterlach, hij trad naar zijn paard, het eenig overgeblevene en als door een wonder aan den algemeenen jammer ontsnapte, zadelde het, streelde het met de hand, onder het binnensmonds neuriën eener treurige melodie van eigen vinding.[252]Zijne kameraden zagen hem aan met stommen schrik en een gevoel van verbazing daar zij zich geen rekenschap van konden geven; hoe gezonken en moedeloos van geest zij zelven ook mochten geweest zijn, de kapitein had tot hiertoe steeds zijne meerderheid van verstand en vastheid van wil weten te behouden, twee hoedanigheden die op minder beschaafde en geschokte gemoederen zoo veel vermogen, zelfs wanneer de omstandigheden hun aanleiding gaven er zich tegen te verzetten. Hoe ellendig zij ook waren groepeerden zij zich rondom hun overste, als kinderen zouden gedaan hebben rondom hun stervenden of plotseling krankzinnig geworden vader of moeder; hij had hen altijd getroost, hun het voorbeeld van moed en zelfverloochening gegeven, en nu, terwijl zij hem zagen te werk gaan gelijk hij deed, hadden zij een voorgevoel van een nieuw en nog grooter ongeluk.Nadat de graaf zijn paard gezadeld had, steeg hij voorzichtig in den zadel en liet het eenige minuten lang springen en zwenken, ofschoon het arme diernauwelijksin staat was zich op de bevende beenen te houden.»Haha! mijne braven!” riep hij op eens, »komt allen hier, komt bij mij en hoort den goeden raad dien ik u geven wil eer ik vertrekken ga.”De soldaten sleepten zich zooveel zij konden voort en verzamelden zich rondom hun chef.De graaf wierp een zonderlingen blik van zelfvoldoening om zich heen.»Het leven is een jammerlijk apenspel, niet waar,” sprak hij met een schaterenden lach, »en daarbij dikwijls een keten die zwaar valt om te dragen. Hoe menigmaal zult gij in het helsche verblijf daar wij zonder uitkomst in rondzwerven, deze opmerking niet in stilte hebben gemaakt, die ik onbewimpeld voor u uitspreek! Welnu, ik moet u bekennen, zoolang ik hoop had u te redden heb ik met moed tegen het ongeluk gestreden; die hoop heb ik niet meer. En daar wij hier nu binnen eenige dagen, misschien binnen weinige uren reeds, van kommer en gebrek moeten vergaan, wil ik liever dadelijk sterven. Gelooft mij, volgt mijn voorbeeld; het is spoedig gedaan, gij zult het zien.”Bij het uitspreken dezer woorden trok hij een pistool uit zijn gordel.Op dit oogenblik hoorde men in de verte schreeuwen.»Wat is het? wat is het, wat gebeurt er nog?”»Zie eens! kapitein, men komt ons te hulp; wij zijn gered!” riep de sergeant Boileau, die als een schim aan zijne zijde stond en hem bij den arm greep.De graaf rukte zijn arm los en zei met een glimlach, terwijl hij in de aangewezen richting uitkeek, waar zich werkelijk een wolk van stof verhief, die snel naderde.»Gij zijt dwaas, mijn arme kameraad. Men kan ons hier niet[253]komen helpen. Wij hebben hier zelfs minder hoop dan de schipbreukelingen der Medusa,” vervolgde hij met bittere ironie; »wij zijn gedoemd om in deze helsche woestijn te sterven. Vaartwel, allen! vaartwel!”Hij hief zijn pistool op.»Kapitein?” riep de sergeant op verwijtenden toon, »denk om uwe verantwoording, gij hebt het recht niet om u zelven te dooden, gij zijt onze overste, gij behoort het laatst van allen te sterven of anders zijt gij een lafaard!”De graaf sprong op in den zadel alsof hem een adder gebeten had, en dreigde zich op den sergeant te werpen; zijn uitzicht was daarbij zoo woest en zijne beweging zoo verschrikkelijk, dat Boileau er bang van werd en terugdeinsde.De kapitein maakte van dit vrije oogenblik gebruik, zette zich het pistool voor het hoofd, en drukte af; hij stortte ter aarde met een verbrijzelde hersenpan.De avonturiers waren nog niet van den schrik bekomen dien dit vreeselijk ongeluk bij hen teweegbracht, toen de stofwolk die zij hadden zien naderen reeds dicht in hunne nabijheid was en plotseling als vaneen scheurde, en nu ontwaarden zij een troep Indiaansche ruiters, in welks midden eene vrouw en twee of drie blanken, die in vollen ren op hen afkwamen.Vast overtuigd dat de Apachen hen, als roofvogels op dood aas, zouden overvallen en den genadeslag komen geven, beproefden zij het zelfs niet om een oogenblik weêrstand te bieden.»O!” riep op eens een der jagers snel afstijgende en naar hen toeloopende, »arme menschen!”De nieuw aankomenden waren Goedsmoeds, don Louis en hunne vrienden de Comanchen.Weinige woorden waren genoeg om hun het gebeurde mede te deelen en hun met den gruwzamen nood bekend te maken dien de Franschen hadden moeten verduren.»Maar,” riep Goedsmoeds, »al heeft het u aan de noodige spijzen ontbroken, water hadt gij toch in overvloed, hoe kunt gij u zoozeer beklagen over dorst?”Zonder iets te zeggen begonnen de Arendskop en de Spotvogel met hunne machetes reeds een kuil te delven aan den voet van een Ahuehuelt. Na verloop van tien minuten sprong het water te voorschijn en weldra vloeide er een milde en heldere bron over het zand.De Franschen stortten zich als razenden op het water.»Arme menschen!” mompelde don Louis; »zullen wij ze hier nietvandaanhelpen?”»Denkt gij dan dat ik hen zou laten omkomen nu ik hun weder moed heb gegeven?” zei Goedsmoeds. »Arm meisje,” vervolgde hij, half in zich zelven met een weemoedigen blik opdoñaAnita, die er bij stond te lachen en hare vingers deed klappen als castagnetten,[254]»waarom kan ik haar niet even gemakkelijk het verstand teruggeven?”Don Louis zuchtte zonder te antwoorden.De Franschen hoorden met stomme verbazing een feit vermelden, dat hen waarschijnlijk zou hebben gered zoo zij het maar eerder geweten hadden; namelijk dat de Ahuehuelt, welke naam in de taal der Comanchen »heer der wateren” beteekent, een boom is die wel is waar alleen op dorre en zandige plaatsen opschiet, maar onder zijne wortels steeds een waterader verbergt, waaraan hij zijn wasdom en sappen ontleent, en om deze reden dragen de Roodhuiden dezen boom een bijgeloovigen eerbied toe en noemen zij hem, daar hij vooral in de zandwoestijn voorkomt en van onberekenbaar nut isde groote medicijn der reizigers.Twee dagen later waren de avonturiers, onder geleide der jagers en der Comanchen, buiten de zandwoestijn. Weldra hadden zij deCasa GrandedeMontecuzomabereikt, waar hunne redders, na hen van de noodige levensmiddelen te hebben voorzien, hen voor goed verlieten, nauwelijks wetende hoe zij zich aan hunne warme dankbetuigingen en zegenwenschen zouden onttrekken.[255]

Wij gaan andermaal een stap terug, naar de groote woestijn del Norte, waar de graaf de Lhorailles was binnengetrokken, onder geleide van Cuchares.

Gedurende de eerste dagen der reis ging alles goed, het weêr was heerlijk schoon, en aan leeftocht geen gebrek. Met de hun aangeboren luchthartigheid vergaten de Franschen al hun geleden leed, en lachten luidkeels om de gedurige vrees der Mexicaansche peons, die beter met de gevaren der woestijn bekend, hunne bezorgdheid niet verheelden over het lang gerekt verblijf der vrijcompagnie in deze onherbergzame, vaak doodelijke streek.

Onder de beschaafde volken bezitten de Franschen een zonderlinge eigenschap, die hen, wellicht zonder dat zij het weten, meer dan andere in staat stelt om in zeer vele dingen de eerste te zijn; die eigenschap is hunne blijkbare, door andere volken, misschien uit nijd maar toch vaak niet zonder grond, voor lichtzinnigheid uitgekreten onbezorgdheid en wispelturigheid; ofschoon die volken overigens niet ongenegen zijn om zelfs de dwaaste grillen der Parijsche mode, zoo in de politiek als kleederdracht, tot in de kleinste bijzonderheden slaafs te volgen.

Niets is echter onbillijker dan het verwijt van lichtzinnigheid of zorgeloosheid, dat den Franschen door hunne naburen onophoudelijk en in alles wordt naar het hoofd gesmeten. Onbezorgde moed en luchthartigheid maken de Franschen misschien tot de beste soldaten van de wereld, zoodat zij zich gereedelijk, zelfs voor allerlei dwaze ondernemingen van veroveringszucht en dolende ridderschap laten gebruiken, alle ontberingen zich getroosten en met geestdrift hun leven zouden wagen als er maar een weinig roem te behalen is.

Maar achter die soldaten bevindt zich eene schrandere en werkzame bevolking, die vooral in tijden van rust en onder een wijs en krachtig bewind, zeker niet zoo dwaas is dat zij hare beste belangen zou verwaarloozen. Gelijk alle beschaafde volken die den vooruitgang beheerschen en helpen bevorderen, houden ook de Franschen het oog steeds op de toekomst gevestigd, en het oor geopend voor ieder gerucht dat de wereld beweegt. Wellicht zijn zij voortvarender dan anderen, het verledene vergeten zij, het heden bekommert hen niet veel, maar het morgen is alles voor hen, omdat in dat morgen de toekomst besloten ligt, namelijk de oplossing van het groote vraagstuk der beschaving. Wel is waar brengt hun vurig en onbedachtzaam karakter hen niet zelden van het spoor, en dan is er een krachtig bestuur noodig om het hollende span tot staan te brengen. Vandaar de groote tegenstrijdigheden die de geschiedschrijver vaak in hen[244]opmerkt en hun te last legt en die niet weinig studie vereischen om hen naar waarde en billijkheid te beoordeelen.

Maar hoe dit ook zij, wat wij hier willen beweren blijft ontegenzeggelijk waar, de Franschen zijn eene strijdlustige en veroveringszuchtige natie en hun leger beschouwt zich zoo gaarne als de voorhoede der beschaving, bestemd om de wereld op de baan der vrijheid en der verlichting voor te gaan en Frankrijk tot de eerste der natiën te verheffen. Vandaar dat de oogen der naburige volken zich staag op Frankrijk richten, om hetzij in hoop of in vrees te zien wat aldaar omgaat, ten einde het na te volgen of er zich tegen te wapenen.

Wat onze Fransche vrijcompagnie betreft, zij bracht haar tijd door met de woestijn te doorkruisen om er de Apachen te zoeken, die zich sedert eenige dagen bepaald onzichtbaar hadden gemaakt. Slechts nu en dan bij lange tusschenpoozen zagen zij een enkelen Indiaanschen ruiter, die op korten afstand van hunne voorposten, als om hen te sarren, rijtoeren en manegekunsten kwam vertoonen.

Dan werd er »in den zadel” geblazen, allen stegen te paard, men stormde den vrijpostigen ruiter te gemoet, die na zich lang genoeg te hebben laten vervolgen, eensklaps weder verdween gelijk hij gekomen was.

Dit doelloos en eentonig leven begon hun echter te vervelen en eindelijk onverdragelijk te worden. Niets anders te zien dan zand, altijd zand, geen vogels, geen wild, geen verscheurend dier zelfs; niets dan grauwe en verbrokkelde rotsen; en eenige reusachtige Ahuehuelten, een soort van ceders, met lange, soms bladerlooze doch zwaar met een grijsachtig mos bedekte takken, dat er in groote festonnen bij nederhing; dit alles had weinig vermakelijks, en nadat de compagnie er het eerste nieuws had afgezien begon het haar spoedig te walgen.

De weêrkaatsing der zonnestralen op het barre zand, verwekte oogziekten; het water door de hitte bedorven, werd ondrinkbaar; de verdere levensmiddelen werden oneetbaar, het scorbut begon onder de soldaten te heerschen, weldra door het heimwee gevolgd, dat menigeen ten grave sleepte.

Deze staat van zaken was ondragelijk, men moest op middelen bedacht zijn om er zoo spoedig mogelijk een eind aan te maken.

De graaf riep dus zijne officieren bijeen om met hen raad te houden.

Deze raad bestond uit de luitenants Diego Leon, en Martin Leroux, den sergeant Boileau, Blas Vasquez en Cuchares.

Deze vijf personen, voorgezeten door den graaf de Lhorailles, plaatsten zich op de pakbalen terwijl de soldaten niet ver van hen af op den grond liggende, een schuilhoek zochten in de schaduw der paarden, die aan piketten gekoppeld stonden.

Het werd dringend noodig den raad te beleggen, want de krijgstucht[245]onder de compagnie was snel aan ’t afnemen, er was oproer in den wind, men klaagde reeds nu en dan overluid. De strafoefening aan deCasa Grandewas reeds geheel vergeten en als men niet spoedig middelen vond om het kwaad te keer te gaan, kon niemand zeggen op welke vreeselijke uitersten het algemeene ongenoegen zou uitloopen.

»Mijne heeren,” zei de graaf de Lhorailles, »ik heb u bijeengeroepen om met u de middelen te beramen, ten einde den moedeloozen ja slechten geest te doen ophouden, die bij de compagnie sedert eenige dagen heerscht. De omstandigheden zijn zoo ernstig, dat ik u danken zal voor elken goeden raad dien gij mij oprecht en onbewimpeld geeft; ons aller welzijn is er in betrokken, en in zulk een staat van zaken heeft ieder het recht om zijn gevoelen uit te brengen, zonder vrees dat hij de eigenliefde zou kwetsen van wien ook. Spreekt dus, mijne heeren, ik zal u aanhooren. Gij het eerst, sergeant Boileau; als de minste in rang moet gij het eerste woord hebben.”

Sergeant Boileau was een voormalig spahis uit Afrika, die de soldatenschool op zijn duimpje kende, trouw als staal en in allen opzichte wat men in het leger een oud-gediende noemt; alleen moeten wij hier zeggen dat hij geen meester in de redekunst was.

Bij de rechtstreeksche interpellatie van zijn kommandant begon hij te glimlachen, daarop te blozen als een jong meisje, toen liet hij het hoofd hangen en opende den mond, om reeds bij het eerste woord te blijven steken.

De graaf de Lhorailles, zijne verlegenheid bemerkende, spoorde hem op goedwilligen toon aan om te spreken. Eindelijk, na menige vergeefsche poging, gelukte het den sergeant met eene heesche stem en tamelijk verward zijn woord te doen.

»Pardi! kapitein,” begon hij, »ik begrijp dat de toestand alles behalve vroolijk is; maar oorlog is oorlog, en op marsch gaat het niet anders. Als men soldaat is, is men soldaat. Ik wil dus maar zeggen, kapitein, naar mijn begrip, dat gij maar doen moet wat gij denkt dat goed is, en dat wij hier zijn om u in alles te gehoorzamen; dat is strikt genomen niet meer dan een staaltje van onzen plicht, zonder onnoodige napraatjes.”

De overige raadsleden konden zich moeielijk zonder lachen houden over deze gulle bekentenis van den eerlijken sergeant, die opnieuw verlegen werd en zweeg.

»Uw beurt, Blas Vasquez,” zei de graaf, »wat is uw advies?”

De capataz richtte zijn vurigen blik op den graaf.

»Vraagt gij mij dat wel ronduit, kapitein?” antwoordde hij.

»Zonder twijfel.”

»Hoort dan gij allen,” hernam de capataz met eene vaste stem en op een toon van volle overtuiging. »Mijn advies is, dat wij verkocht en verraden worden; dat wij nooit uit deze woestijn zullen[246]komen, maar hier allen den dood zullen vinden zoo wij nog langer volhouden die onbereikbare vijanden te vervolgen; men heeft ons in een strik gelokt daar wij niet weder uit kunnen.”

Deze verklaring bracht op de aanwezigen een diepen indruk te weeg, daar men al de juistheid er van begreep.

De kapitein schudde twijfelmoedig het hoofd.

»Don Blas,” zeide hij, »wat gij daar gezegd hebt behelst eene zware beschuldiging. Hebt gij de beteekenis uwer woorden wel nauwkeurig overwogen?”

»Ja,” antwoordde hij. »Alleen.…”

»Bedenk wel wat gij zegt, don Blas. Wij kunnen hier geen onbestemde vermoedens toelaten; de zaken zijn tot zulk een uiterste gekomen, dat wij u het overigens welverdiende vertrouwen niet kunnen verleenen, tenzij gij uwe beschuldiging nader bepaalt en, desnoods, niet terugdeinst om namen te noemen.”

»Ik deins voor niets of voor niemand terug, heer graaf; ik weet al de verantwoordelijkheid die ik op mij neem; geene overweging, van welken aard ook, zal mij doen afwijken van hetgeen ik als heiligen plicht beschouw.”

»Spreek dan in ’s hemels naam, en geve God dat uwe ophelderende verklaring mij niet andermaal noodzake een onzer kameraden op een voorbeeldige wijze te straffen.”

De capataz bedacht zich een poos, en iedereen wachtte met ongeduld op zijne nadere toelichting; Cuchares inzonderheid, was derwijze in ’t nauw gebracht, dat hij zijne ongerustheid moeielijk wist te verbergen.

Eindelijk nam de capataz het woord en vestigde daarbij zulk een zonderlingen blik op den graaf de Lhorailles, dat deze tegen wil en dank eindelijk begon te begrijpen, dat hij en de zijnen de slachtoffers waren van het schandelijkst verraad.

»Heer graaf,” zei Blas Vasquez, »wij Mexicanen hebben eene wet daar wij nimmer van afwijken, eene wet trouwens die in het hart van alle eerlijke lieden geschreven staat, namelijk deze: dat, gelijk de loods verantwoordelijk is voor het schip dat hij opzichneemt in de veilige haven te brengen, evenzoo de gids met zijn leven verantwoordelijk is voor het behoud der reizigers die hij aanneemt door de woestijn te geleiden. Hierover komt geene verdere redeneering te pas; van tweeën een: of de gids is onkundig, of hij is het niet; is hij onkundig, dan had hij ons niet tegen ons aller gevoelen moeten dwingen de woestijn in te trekken, noch daarbij de geheele verantwoordelijkheid onzer reis mogen op zich nemen. Is hij daarentegen der zake kundig, dan had hij ons de woestijn moeten doorvoeren, waartoe hij zich verbonden heeft, in plaats van ons op goed geluk te laten rondzwerven om naar vijanden te zoeken, die hij even goed weet als wij het weten, dat niet in de woestijn del Norte wonen, maar ze slechts nu en dan in geval van noodzakelijkheid doortrekken,[247]zoo snel als hunne paarden loopen kunnen. Op onzen gids alleen werp ik dus de schuld van alles wat ons overkomt; want hij is de man, die meester was van de gebeurtenissen en ze naar zijn goedvinden heeft geregeld.”

Cuchares, meer en meer in verwarring gebracht, wist niet meer hoe hij zich keeren of wenden zou, zijne ontsteltenis was voor iedereen zichtbaar.

»Wat hebt gij hierop te antwoorden, Cuchares?” vroeg de kapitein.

In omstandigheden als de tegenwoordige, heeft een beschuldigde slechts twee middelen van verdediging: of geveinsde verontwaardiging of minachting.

Cuchares koos het laatste: de minachting.

Al zijne stoutmoedigheid en onbeschaamdheid te hulp roepende, zorgde hij eerst zijne stem te verzekeren, haalde verachtelijk de schouders op en antwoordde op sarcastischen toon:

»Ik zalseñordon Blas de eer niet doen van zijne woorden te bespreken; er zijn van die beschuldigingen waarop een eerlijk man het stilzwijgen bewaart. Ik heb mij in alles moeten gedragen aan den kapitein, die hier alleen te bevelen heeft. Sedert wij ons in de woestijn bevinden hebben wij twintig man hetzij door de moordbijl der Indianen, of door ziekte verloren; kan men mij redelijk- en billijkerwijs verantwoordelijk stellen voor deze grieven? Sta ik niet even zeer als de anderen klaar om in de woestijn om te komen? Heb ik het in mijne macht om het gevaar te ontsnappen dat ulieden bedreigt? Zoo de kapitein mij bevolen had om de woestijn del Norte slechts door te trekken, zouden wij er reeds lang uit zijn; maar hij heeft mij gezegd dat hij de Apachen wilde achterhalen, ik heb mij naar zijn last moeten gedragen.”

Deze redeneering, hoe listig gesponnen en spitsvondig zij wezen mocht, werd nochtans door de officieren voor goede munt opgenomen; Cuchares haalde weder adem, maar hij had het met den capataz nog niet afgemaakt.

»Goed,” zeide deze; »strikt genomen hebt gij misschien gelijk dat gij zoo spreekt, en ik zou geloof kunnen hechten aan uw voorgeven, zoo ik geen andere en veel ernstiger zaken tegen u had in te brengen.”

De lepero haalde de schouders op.

»Ik weet,” vervolgde de capataz, »en ik kan er dadelijk het bewijs van leveren, dat gij door uwe gesprekken en zijdelingsche beschuldigingen oproer onder de peons en soldaten der compagnie hebt gezaaid. Heden morgen vóór de revelje, terwijl gij dacht dat niemand u zag, zijt gij opgestaan en hebt met uw ponjaard tien van de vijftien zakken water doorgestoken die wij nog over hebben; alleen het gerucht, dat ik onwillekeurig maakte terwijl ik naar u toekwam om het u te beletten, heeft u teruggehouden uw misdadig opzet ten[248]einde te brengen. Op het oogenblik toen de kapitein ons bijeen liet roepen om raad te houden, was ik juist gereed om hem van uw bedrijf kennis te geven en u aan te klagen. Wat hebt gij daarop te antwoorden? Verdedig u als gij er kans toe ziet.”

Aller oogen richtten zich nu op den lepero; hij was doodsbleek, zijne oogen stonden rood en wild; eer iemand met mogelijkheid gissen kon wat hij voornemens was, greep hij een pistool en schoot het rakelings af op de borst van den capataz, die ter aarde stortte zonder een woord of zucht meer te slaken; daarop steeg de moordenaar met een tijgersprong te paard, en reed in vliegenden galop weg.

Nu volgde er een onbeschrijfelijke opschudding, allen stegen te paard om den lepero na te zetten.

»Voort! voort! den moordenaar na! den moordenaar na!” schreeuwde de kapitein, zijne manschappen aansporende met stem en voorbeeld om den onverlaat te vervolgen.

De Franschen, door dezen afloop der zaak woedend geworden, vervolgden den lepero en schoten op hem als op een verscheurend dier; een geruimen tijd wist hij in alle richtingen te ontwijken en zag men hem nu hier dan daar heen rennen, om uit den cirkel te geraken dien het den kavaleristen gelukt was rondom hem te sluiten; eindelijk zag men hem waggelen in den zadel, poogde hij zich nog aan de manen van zijn paard vast te klemmen, maar tuimelde hij op het zand als een machtelooze klomp onder het uiten van een laatsten kreet.

Hij was dood.

Deze gebeurtenis voerde de ontsteltenis onder de soldaten ten top, van dit oogenblik af gevoelden zij dat men hen verraden had en begonnen zij te begrijpen dat hun toestand inderdaad hopeloos was.

Te vergeefs poogde de kapitein hun een weinig moed in te spreken, zij wilden naar niets meer hooren, maar gaven zich prijs aan eene radeloosheid die alle maatregelen verlamt en alle krijgstucht oplost.

Als een laatste middel om gehoor te krijgen, gaf de graaf order om op te breken, en men trok op marsch.

Maar waarheen? in welke richting, en waar was uitkomst? geen spoor of pad was er te zien. Intusschen trok men toch voort, veeleer om van plaats te veranderen, dan om weg te komen, of met eenige hoop om uit het onmetelijk zandgraf te geraken, daar men niet anders voorzag dan voor altijd en onherroepelijk in bedolven te zullen worden.

Acht dagen verliepen, acht eeuwen van jammer, gedurende welke de vrijcompagnisten met de vreeselijkste kwellingen van honger en dorst te kampen hadden.

De compagnie als zoodanig bestond niet langer, er waren geen chefs, geen soldaten meer; het was een legioen afschuwelijk uitgemergelde[249]spookgestalten, een troep uitgehongerde roofdieren, gereed om elkander bij de eerste gelegenheid te verscheuren en te verslinden.

Het was er eindelijk zoo ver mede gekomen, dat men de weinige paarden of muildieren die nog overbleven, de ooren opensneed om het bloed uit te zuigen, ten einde honger en dorst te lesschen.

In ’t onzekere rondzwervende, nu eens naar dezen dan naar genen kant, door luchtspiegeling misleid, door den fellen zonnegloed geblakerd, door het mulle zand afgemat en uitgeput, waren zij ten prooi aan eene vertwijfeling, die sommigen met een stompzinnig gelaat en een hollen lach verdroegen; dat waren nog de gelukkigsten, zij hadden geen gevoel meer van hun leed, want zij waren krankzinnig; anderen zwaaiden woest met de wapenen, vloekten en dreigden en staken de vuisten naar den hemel op, die als een onmetelijke tombe van koper, hunne zandige grafstede scheen te overwelven; enkelen door het ongeluk razend geworden schoten zich voor het hoofd, met een spottenden glimlach jegens hunne kameraden, die te zwak waren of den moed niet hadden hun voorbeeld te volgen.

De Franschen zijn misschien het moedigste volk dat er bestaat, maar daarentegen zijn zij de eerste om alle tucht of zelfbeheersching te verliezen. Is hun aandrift onweêrstaanbaar zoo lang zij voorwaarts rukken, even onweêrstaanbaar zijn zij ook als zij terug moeten; dan zijn zij door niets, door dwang noch door redeneering noch door bedreiging tot staan te brengen; overdreven in alles, is de Franschman soms sterker dan een mensch, of zwakker dan een kind!

De graaf de Lhorailles was geen kwaad overste, hij staarde zwijgend en somber op den ondergang van al zijne verwachtingen, maar bleef zijnen rang en zijn karakter getrouw. Altoos de eerste om te marcheeren, en de laatste om te rusten, zou hij geen brok genuttigd hebben eer hij wist dat ieder man zijn aandeel had gehad, troostte hij ieder die naar hem hooren wilde en waakte met voorbeeldelooze zorg en zelfverloochening voor zijne arme soldaten, die, zonderling genoeg, te midden van al hun jammer en dreigenden ondergang er niet aan dachten hun overste eenig verwijt toe te voegen.

De peons van Blas Vasquez waren meest allen bezweken, of hadden na zijn dood een goed heenkomen gezocht, dat wil zeggen, een weinig verder een onbekend graf gevonden. Die den graaf nog getrouw bleven, waren allen Europeanen, meerendeels Franschen, brave Dauph’yeers, geheel onkundig hoe zij den onverbiddelijken vijand zouden bekampen met welken zij hier te doen hadden, de doodelijke del Norte.

Van de twee honderd vijf en veertig man, die de compagnie bij hare intrede in de woestijn sterk was, leefden er nog nauwelijks honderd dertig, zoo het leven mocht heeten dat deze verbleekte en vermagerde spoken bezielde.[250]

De ergste ramp die iemand in de woestijn kan overkomen is zeker de akelige kwaal, door de Mexicanen decalenturagenoemd.

Decalentura!

Deze tusschenpoozende waanzin spiegelt den lijder gedurende den korteren of langeren aanval, visioenen voor van de lekkerste en keurigste spijzen, de helderste waterbronnen, de uitmuntendste wijnen, die hem, zoo hij zich verbeeldt, volop verzadigen maar tevens ontzenuwen, want na den afloop der zinsverbijstering gevoelt hij zich zwakker en verslagener dan ooit, door de herinnering van al wat hij in den droom gezien en genoten had.

Op zekeren dag eindelijk, toen de ongelukkige vrijcompagnie door jammer en ellende overstelpt, weigerde om verder te gaan en allen reikhalsden om te sterven waar het toeval hen gebracht had, legerden zij zich op het gloeiende zand, in de schaduw van eenige Ahuehuelten, met het vaste besluit om daar onbeweeglijk te blijven liggen, tot de dood, dien zij reeds zoolang overluid hadden ingeroepen, hen eindelijk van hunne kwalen zou komen verlossen.

De zon hulde zich in een onheilspellenden nevel en ging onder in eene zee van purperen en gouden wolken. Alles in de woestijn was doodstil en men hoorde niets dan hier en daar eene verwensching of een zucht van de ongelukkigen, die niets meer verwachtten, niets meer hoopten, en niets meer overhielden dan het instinct van woeste of redelooze dieren.

Intusschen volgde de nacht op den dag, en langzamerhand kwam ook de vrijcompagnie tot rust en stilte. De slaap, die groote vertrooster der lijdende menschheid, bezwaarde de oogleden der rampzaligen, en zoo zij al niet sliepen, genoten zij toch eene soort van sluimering, die hun, voor een poos althans, hunne ondragelijke folteringen deed vergeten.

Op eens, tegen middernacht, klonk er een vervaarlijk geluid, dat allen verschrikt deed ontwaken; een verstikkend lauwe wervelwind ging over hen heen, en de donder boven hunne hoofden barstte klaterend los.

De hemel was zwart als inkt, geen maan of ster was er te zien, niets dan tastbare duisternis, die zelfs niet toeliet de meest nabijzijnde voorwerpen te onderscheiden, dan nu en dan bij het flikkeren van een bliksemstraal welke slechts diende om de daarop volgende duisternis nog dikker te maken.

De arme drommels sprongen vol ontzetting op en slopen waggelend naar elkander, als een troep schapen bij onweder en als wilden zij bij de laatste vonk van hun ingeschapen menschelijk instinct, te zamen sterven.

»De temporal!de temporal!” schreeuwden allen op een toon van angst die zich niet laat beschrijven.

Werkelijk was het de temporal, die ontzettende plaag, die al hare woede ontketende en over de woestijn deed losbreken om er de gedaante van om te keeren.[251]

De stormwind loeide met ontzettende kracht, en joeg wolken stof omhoog die in de lucht ronddwarrelden en zandhoozen vormden, die met groote snelheid voortwervelden tot zij op eens met een vreeselijk gekraak uiteenspatteden.

Menschen of dieren, of steenen door deze wervelende zuilen medegesleept, werden als stroobossen in de ruimte weggeslingerd.

»Plat op den grond!” riep de graaf met eene krachtige stem, »plat op den grond liggen! het is als de Afrikaansche Simoun, plat op den buik liggen! zoo gij uw leven lief hebt!”

Vreemd als het schijnen mag, maar al deze mannen, ofschoon door hopeloos lijden overstelpt, gehoorzaamden als kinderen het bevel van hun overste, zoo groot is de schrik dien de dood, wanneer hij op het oogenblik onherroepelijk schijnt te naderen, inboezemt.

Zij vielen met hun aangezicht in het zand, en groeven met hunne handen kuilen om de heete lucht te ontgaan, die hen dreigde te verstikken. De paarden, met gerekten hals op den grond uitgestrekt, volgden bij instinct het voorbeeld hunner meesters.

Bij tusschenpoozen, als plotselinge windstilte den rampzaligen soms een oogenblik verademing schonk, om hen daarna des te erbarmloozer te benauwen, hoorde men het gekerm of het doodsgereutel vermengd met vloeken of vurige gebeden, uit de menigte opgaan, die bevreesd of stervend op den grond lag uitgestrekt.

De orkaan bulderde den geheelen nacht door met onverpoosde woede; tegen den morgen begon hij allengs te bedaren, en met het opgaan der zon was zijne kracht uitgeput of naar andere streken verplaatst.

Het aanzien der woestijn was geheel veranderd; waar den vorigen dag heuvels stonden, waren nu dalen; de weinige boomen hier en daar, waren door den wind geknot, omgeworpen of verzengd, en vertoonden niets dan zwarte en kaalgestroopte geraamten; geen spoor meer van pad of voetstap, alles was effen en plat gewaaid of met golven gerimpeld als een plotselinge bevroren zee.

Van de vrijcompagnie waren niet meer dan zestig man levend overgebleven, de overigen waren hetzij door den wind opgenomen of onder den grond bedolven, zonder dat er een spoor van overbleef; het zand had alles begraven en bedekte hen als met een onmetelijk grauwe doodwaâ.

Het eerste gevoel dat de levend overgeblevenen bezielde, was schrik; het tweede, wanhoop, en daarop begon het gejammer en beklag met vernieuwde, altoos toenemende kracht.

De graaf staarde op het overschot zijner vrijcompagnie. Bladz. 251.De graaf staarde op het overschot zijner vrijcompagnie. Bladz. 251.

De graaf staarde op het overschot zijner vrijcompagnie. Bladz. 251.

De graaf staarde op het overschot zijner vrijcompagnie met treurig somberen blik en eene uitdrukking van onbeschrijfelijken weemoed.

Op eens barstte hij los in een stuipachtigen schaterlach, hij trad naar zijn paard, het eenig overgeblevene en als door een wonder aan den algemeenen jammer ontsnapte, zadelde het, streelde het met de hand, onder het binnensmonds neuriën eener treurige melodie van eigen vinding.[252]

Zijne kameraden zagen hem aan met stommen schrik en een gevoel van verbazing daar zij zich geen rekenschap van konden geven; hoe gezonken en moedeloos van geest zij zelven ook mochten geweest zijn, de kapitein had tot hiertoe steeds zijne meerderheid van verstand en vastheid van wil weten te behouden, twee hoedanigheden die op minder beschaafde en geschokte gemoederen zoo veel vermogen, zelfs wanneer de omstandigheden hun aanleiding gaven er zich tegen te verzetten. Hoe ellendig zij ook waren groepeerden zij zich rondom hun overste, als kinderen zouden gedaan hebben rondom hun stervenden of plotseling krankzinnig geworden vader of moeder; hij had hen altijd getroost, hun het voorbeeld van moed en zelfverloochening gegeven, en nu, terwijl zij hem zagen te werk gaan gelijk hij deed, hadden zij een voorgevoel van een nieuw en nog grooter ongeluk.

Nadat de graaf zijn paard gezadeld had, steeg hij voorzichtig in den zadel en liet het eenige minuten lang springen en zwenken, ofschoon het arme diernauwelijksin staat was zich op de bevende beenen te houden.

»Haha! mijne braven!” riep hij op eens, »komt allen hier, komt bij mij en hoort den goeden raad dien ik u geven wil eer ik vertrekken ga.”

De soldaten sleepten zich zooveel zij konden voort en verzamelden zich rondom hun chef.

De graaf wierp een zonderlingen blik van zelfvoldoening om zich heen.

»Het leven is een jammerlijk apenspel, niet waar,” sprak hij met een schaterenden lach, »en daarbij dikwijls een keten die zwaar valt om te dragen. Hoe menigmaal zult gij in het helsche verblijf daar wij zonder uitkomst in rondzwerven, deze opmerking niet in stilte hebben gemaakt, die ik onbewimpeld voor u uitspreek! Welnu, ik moet u bekennen, zoolang ik hoop had u te redden heb ik met moed tegen het ongeluk gestreden; die hoop heb ik niet meer. En daar wij hier nu binnen eenige dagen, misschien binnen weinige uren reeds, van kommer en gebrek moeten vergaan, wil ik liever dadelijk sterven. Gelooft mij, volgt mijn voorbeeld; het is spoedig gedaan, gij zult het zien.”

Bij het uitspreken dezer woorden trok hij een pistool uit zijn gordel.

Op dit oogenblik hoorde men in de verte schreeuwen.

»Wat is het? wat is het, wat gebeurt er nog?”

»Zie eens! kapitein, men komt ons te hulp; wij zijn gered!” riep de sergeant Boileau, die als een schim aan zijne zijde stond en hem bij den arm greep.

De graaf rukte zijn arm los en zei met een glimlach, terwijl hij in de aangewezen richting uitkeek, waar zich werkelijk een wolk van stof verhief, die snel naderde.

»Gij zijt dwaas, mijn arme kameraad. Men kan ons hier niet[253]komen helpen. Wij hebben hier zelfs minder hoop dan de schipbreukelingen der Medusa,” vervolgde hij met bittere ironie; »wij zijn gedoemd om in deze helsche woestijn te sterven. Vaartwel, allen! vaartwel!”

Hij hief zijn pistool op.

»Kapitein?” riep de sergeant op verwijtenden toon, »denk om uwe verantwoording, gij hebt het recht niet om u zelven te dooden, gij zijt onze overste, gij behoort het laatst van allen te sterven of anders zijt gij een lafaard!”

De graaf sprong op in den zadel alsof hem een adder gebeten had, en dreigde zich op den sergeant te werpen; zijn uitzicht was daarbij zoo woest en zijne beweging zoo verschrikkelijk, dat Boileau er bang van werd en terugdeinsde.

De kapitein maakte van dit vrije oogenblik gebruik, zette zich het pistool voor het hoofd, en drukte af; hij stortte ter aarde met een verbrijzelde hersenpan.

De avonturiers waren nog niet van den schrik bekomen dien dit vreeselijk ongeluk bij hen teweegbracht, toen de stofwolk die zij hadden zien naderen reeds dicht in hunne nabijheid was en plotseling als vaneen scheurde, en nu ontwaarden zij een troep Indiaansche ruiters, in welks midden eene vrouw en twee of drie blanken, die in vollen ren op hen afkwamen.

Vast overtuigd dat de Apachen hen, als roofvogels op dood aas, zouden overvallen en den genadeslag komen geven, beproefden zij het zelfs niet om een oogenblik weêrstand te bieden.

»O!” riep op eens een der jagers snel afstijgende en naar hen toeloopende, »arme menschen!”

De nieuw aankomenden waren Goedsmoeds, don Louis en hunne vrienden de Comanchen.

Weinige woorden waren genoeg om hun het gebeurde mede te deelen en hun met den gruwzamen nood bekend te maken dien de Franschen hadden moeten verduren.

»Maar,” riep Goedsmoeds, »al heeft het u aan de noodige spijzen ontbroken, water hadt gij toch in overvloed, hoe kunt gij u zoozeer beklagen over dorst?”

Zonder iets te zeggen begonnen de Arendskop en de Spotvogel met hunne machetes reeds een kuil te delven aan den voet van een Ahuehuelt. Na verloop van tien minuten sprong het water te voorschijn en weldra vloeide er een milde en heldere bron over het zand.

De Franschen stortten zich als razenden op het water.

»Arme menschen!” mompelde don Louis; »zullen wij ze hier nietvandaanhelpen?”

»Denkt gij dan dat ik hen zou laten omkomen nu ik hun weder moed heb gegeven?” zei Goedsmoeds. »Arm meisje,” vervolgde hij, half in zich zelven met een weemoedigen blik opdoñaAnita, die er bij stond te lachen en hare vingers deed klappen als castagnetten,[254]»waarom kan ik haar niet even gemakkelijk het verstand teruggeven?”

Don Louis zuchtte zonder te antwoorden.

De Franschen hoorden met stomme verbazing een feit vermelden, dat hen waarschijnlijk zou hebben gered zoo zij het maar eerder geweten hadden; namelijk dat de Ahuehuelt, welke naam in de taal der Comanchen »heer der wateren” beteekent, een boom is die wel is waar alleen op dorre en zandige plaatsen opschiet, maar onder zijne wortels steeds een waterader verbergt, waaraan hij zijn wasdom en sappen ontleent, en om deze reden dragen de Roodhuiden dezen boom een bijgeloovigen eerbied toe en noemen zij hem, daar hij vooral in de zandwoestijn voorkomt en van onberekenbaar nut isde groote medicijn der reizigers.

Twee dagen later waren de avonturiers, onder geleide der jagers en der Comanchen, buiten de zandwoestijn. Weldra hadden zij deCasa GrandedeMontecuzomabereikt, waar hunne redders, na hen van de noodige levensmiddelen te hebben voorzien, hen voor goed verlieten, nauwelijks wetende hoe zij zich aan hunne warme dankbetuigingen en zegenwenschen zouden onttrekken.[255]


Back to IndexNext