Over het verdeelen der woorden in lettergrepen.257. Het leerstuk aangaande de verdeeling der woorden in lettergrepen geeft het antwoord op de vraag:tot welke lettergreep moeten, bij het afbreken van een woord, de tusschenletters gerekend worden? tot de voorgaande of tot de volgende lettergreep?Bij het beantwoorden dier vraag heeft men de vreemde woorden en bastaardwoorden van de echt Nederlandsche af te zonderen, en bij deze laatste weder onderscheid te maken tusschen verbogene, afgeleide en samengestelde woorden.a) Doortusschenlettersworden hier verstaan allemedeklinkers, die in eenig woord tusschen twee klinkers of tweeklanken staan.Beginlettersnoemen wij allemedeklinkers, die zich aan het begin van een woord vóór den eersten klinker of tweeklank bevinden;sluitlettersallemedeklinkers, die aan het einde van een woord achter den laatsten klinker of tweeklank komen. Zoo zijn b.v. degindagen, derenbinarbeid, der,tensinkoortsentusschenletters: instrandtzijns,tenrbegin-,n,dentsluitletters.b) Onderafgeleide woordenbegrijpen wij hier ook de zoogenaamdemiddelwoorden, ook welonechte stammengeheeten, d.i. dezulke, die door hunne voor- of achtervoegsels het voorkomen vanafgeleidewoorden hebben, doch die niet van bekende grondwoorden gevormd zijn, b.v.gezond,hagele.a. Zij worden geheel als de overeenkomstige woorden van bekenden vorm behandeld en vereischen dus geene afzonderlijke regels; trouwens, zoodra hunne etymologie bekend wordt, houden zij opmiddelwoordente zijn en gaan zij in de klasse der afleidingen over.258. De scheiding der lettergrepen is geenszins iets willekeurigs, maar hangt in iedere taal ten nauwste samen met hare eigenaardige uitspraak en spelling. De Redactie gaat daarbij te werk naar de volgende grondbeginselen, die onze taal zelve aan de hand geeft:259. I. Wanneer inniet samengesteldewoorden tusschen twee opeenvolgende lettergrepen slechts één medeklinker voorkomt, dan behoort deze tot de volgende lettergreep; b.v. indra-gen,e-ten,ho-pen,u-ren,za-lig,wa-semenz.De taal zelve leert duidelijk, dat zij zóó gescheiden wil hebben. Vooreerst door het uitstooten van ééneaenu, dikwijls ook van eeneeeno, wanneer deze in het onverbogene woord of het grondwoord verdubbeld zijn. In het tegenovergestelde geval toch zou zij den dubbelen klinker eischen indraag-en,eet-en,hoop-en,uur-en,zaal-ig,waas-emenz., evenzeer als indraag,eet,hoop,uur,zaal,waas, waarin de tusschenletter als sluitletter voorkomt.—Vervolgens door de verdubbeling der tusschenletter in woorden alsheb-ben,had-den,zon-nig,ken-nerenz., die onnoodig zou wezen, indien inheb-en,had-en,zon-ig,ken-erenz. de enkele tusschenletter tot de eerste lettergreep behoorde.—Eindelijk door de verandering der uitspraak indàg—dágen,bevèl—bevélen,slòt—slóten, en door den overgang derfensvan woorden alsbrief,buis,lees,liefenz. in devenzvanbrie-ven,bui-zen,le-zer,lie-ve, hetgeen bewijst, dat zij als beginletters worden aangemerkt.260. Het is dus onloochenbaar, dat het Nederlandsch liever eene volgende lettergreep met een medeklinker begint dan eene voorafgaande daarmede te sluiten.—De ingelaschtedinbevrij(d)en,belij(d)en,vlie(d)en,wij(d)en,na(d)er(vanna) e.a.; dekinbijkerenkooikervanbijen(eenden)kooi; de woordenweldoe(n)er,opzie(n)er,voorgan(g)er,voorstan(d)er, vandoe-n,zie-n,gaa-n,staa-n; de flauwej, die inzee-en,thee-engehoord wordt; de alsjklinkendeiinkoei-en,vlooi-en(vankoeenvloo), bewijzen, dat onze taal eene volgende lettergreep ongaarne met een klinker laat aanvangen; terwijl daarentegenleiband,scheikunde,gelui,zijweg, vanleiden,scheiden,luiden,zijde;leelijkvanleed,kwalijkvankwaad,schielijkvanschiertoonen, dat zij niet schroomt eene lettergreep open te laten.261. II. Wanneer er twee opeenvolgende tusschenletters voorkomen in woorden, dieniet samengesteldzijn nochafgeleiddoor middel van een achtervoegsel, dat gelijk-de,-ste, met een medeklinker begint, dan behoort de eerste tusschenletter tot de voorgaande, de tweede tot de volgende lettergreep; b.v. inbul-ten,hel-den,kas-ten,mel-ken,bul-tig.Dat de eerste medeklinker tot de voorgaande lettergreep behoort, blijkt vooreerst uit de spellingnaal-den,paar-den,vaar-dig,huur-derenz. met den dubbelen klinker, die anders geheel overtollig zou wezen. Vervolgens uit de uitspraak van woorden alshànden,hèlden,hìnden,hònden,hùlde; en uit de verdubbeling der medeklinkers inkat-ten,bel-len,min-naar,kop-pigenz., welke in het tegenovergestelde geval geen doel zou treffen.Dat de tweede tusschenletter tot de volgende lettergreep gerekend wordt, volgt reeds uit den vorigen regel (I), en wordt nader bevestigd door den overgang derfenstotvenzin woorden alskalf—kalven,erf—erven,baars—baarzen,els—elzen,zalf—zalven,hals—halzenenz.262. Een twijfel is bij sommigen gerezen omtrent het afbreken der woorden met de tusschenlettersng. De eigenaardige uitspraak van dezen klank deed den schijn ontstaan, alsofngslechts één enkele medeklinker was. In wezenlijkheid echter is dit niet het geval. Dengis, blijkens haar oorsprong, onloochenbaar de vereeniging van dezelfde gutturalen, die inden-kenenzin-kengehoord wordt, met degin haar oorspronkelijken klank (d.i. dien der Friesche en Franscheg, als ingrand,guerreenz.). Moge al deuitspraak allengs zijn gewijzigd, zoodat degbijna geheel verflauwd is en nauwelijks meer vernomen wordt, dit kan toch geene voldoende reden zijn om de beide letters, gelijk sommigen willen, als eene eenheid te beschouwen en daarom bij het afbreken ongescheiden te laten. Steldenginderdaad een gewonen enkelvoudigen medeklinker voor, men zou, volgens regel I en§ 260,ta-ngen,ze-ngen,to-ngenenz. moeten schrijven. Doch dit wil niemand, en het zou ook geheel strijdig zijn met den aard der taal. In geen enkel woord treft men vóórngeen helderen klinker aan, gelijk deáé,óintá-kel,zé-gel,bó-gen; men vindt uitsluitend een kort afgebrokenen, als intàk,zèg,dòf. Dit bewijst onwedersprekelijk, dat de voorgaande lettergrepen zonder uitzondering gesloten zijn, dat wil zeggen, op een medeklinker eindigen, en steeds gesloten blijven, ook wanneer de woorden verbuiging ondergaan, zoodat denengniet beide tot de volgende lettergreep gebracht kunnen worden. Trouwensnglaat zich aan het begin eener lettergreep niet uitspreken, wat bij de schrijfwijzeta-ngenenz. ondersteld wordt. Schrijft men daarentegending-en, dan zondigt men tegen het beginsel, boven in§ 260omschreven, dat in onze taal zoo duidelijk is uitgedrukt. De beide schrijfwijzen,di-ngenending-en, zijn dus evenzeer te verwerpen. Alleendin-genis met de afleiding en den aard van ons taaleigen in overeenstemming. Voor de uitspraak kan het geen bezwaar opleveren, mits men den aard en de kracht der letters kenne; en die kennis is bij alles, wat spelling betreft, een onmisbaar vereischte, dat men recht heeft te onderstellen.a) Vreest men nochtans door het scheiden derneng(han-gen) de bekende verkeerde uitspraak in de hand te werken, dan vermijde men in het schrift het afbreken der zoodanige woorden, hetgeen zonder groot bezwaar geschieden kan.Vangen,vanger,brengen,brengerzijn geen langer woorden danlangst,vangst,op-brengst, waarbij geene scheiding mogelijk is.b) Dezelfde opmerking geldt nog meer bij de woordenkachel,echo,richel,tichelenz., waarin niemand de regelmatige verdubbeling derchwil, ofschoon de eerste lettergreep als gesloten moet beschouwd worden. Men scheide bijdeze woorden de lettergrepen liever niet; dan bestaat er geen gevaar, dat men de eerste verkeerd zal uitspreken. Dechbij de eerste lettergreep te voegen enlach-en,lich-aamaf te breken, is volgens regel I slechts een tweede vergrijp tegen ons taaleigen, dat eigenlijk de spellinglach-chenenz. zou eischen. Het zou eene nieuwe taalfout zijn, aan eene bestaande toegevoegd.263. III. Hetzelfde streven der taal, waarop de Regel der Gelijkvormigheid (§ 49) berust, namelijk om de duidelijkheid te bevorderen door in afgeleide en samengestelde woorden den vorm der deelen zooveel doenlijk ongeschonden te bewaren, openbaart zich ook bij de verdeeling der woorden in lettergrepen. Het duidelijkst ziet men zulks bij samenstellingen. Daarin toch blijft iedere letter in het woord, waartoe zij behoort. Men scheidt aldus:eer-ambt,mein-eed,uit-een,haard-aschenz., en niet, gelijk de twee vorige grondbeginselen zouden medebrengen,ee-rambt,mei-need,ui-teen,haar-daschenz.Dat de taal het volstrekt zóó wil, blijkt uit de spellingkwab-aal,bedil-al,slok-op,al-om,veel-al,wel-eer, nietkwab-baal,bedil-lal,slok-kop,al-lom,ve-lal(naastve-len),wel-leerenz.a)Alleenenwanneermet verdubbeldelennmaken hier uitzonderingen. Die spelling bewijst, dat men deze woorden niet meer als samenstellingen vanaleneen,waneneerherkent.b) Ofschoon de gewone uitspraak door verkeerde toepassing van regel II vrij algemeen inaar-dakerenaar-dappelded, en inel-kanderenmal-kanderdekbij de volgende lettergreep voegt, zoo kan dit misbruik geene voldoende reden zijn om bij de genoemde woorden eene inbreuk op den regel te maken. Men breke daarom af:aard-aker,aard-appel,elk-ander,malk-ander(uitmanlijk, d.i. ieder, enander).264. Hetzelfde beginsel openbaart zich, ofschoon minder regelmatig, bij de afgeleide woorden. Vooreerst worden dezulke, die gevormd zijn met (onscheidbare) voorvoegsels, alsbe-,ge-,her-,on-enz., welke eigenlijk samenstellingenzijn, geheel op de wijze der composita behandeld. Men scheidt aldus:be-dwelmen,ge-dragen,her-overen,on-eens,ont-erven,wan-orde; niet, gelijk de vorige grondbeginselen zouden vorderen:bèd-welmen,gèd-ragen,hé-roveren,ò-neens,on-terven,wá-norde; de uitspraak en de spelling bewijzen duidelijk het tegendeel.Al onze voorvoegselsbe-,er-,ge-,her-,on-,ont-,oor-enwan-zijn oorspronkelijk op zich zelve bestaande woorden geweest. De daarmede gevormde woorden zijn dus eigenlijk composita. Dat die voorvoegsels nu niet meer, althans niet onder dien vorm, als zelfstandige woorden gebezigd worden en eene veel algemeener beteekenis hebben aangenomen dan zij oorspronkelijk hadden, is de oorzaak, dat de Nederlandsche grammatica de daarmede gevormde woorden tot de afleidingen brengt. De Hoogduitsche taalkundigen beschouwen zulke woorden nog altijd als samenstellingen; en onze spelling bewijst, dat zij, wat den uiterlijken vorm ten minste betreft, nog steeds daartoe behooren.265. Ook de woorden, door aanhechting der achtervoegsels-achtig,-haft,-haftig,-schapen-zaamgevormd, zijn oorspronkelijk composita, en volgen den regel der samengestelde woorden. Men scheidt aldus:aap-achtig,bok-achtig,snap-achtig,wit-achtig,held-haftig,partij-schap,voogdij-schap,moei-zaam. Dat de taal zulks eischt, blijkt zoowel uit de uitspraak als uit de spelling. Wilde zij hier de twee vorige beginselen gehuldigd hebben, zij zoua-pachtig,bok-kachtig,snap-pachtig,wit-tachtiguitspreken en schrijven.De woorden op-aardzijn insgelijks samenstellingen (zie§ 100) en moeten derhalve op dezelfde wijze behandeld worden. Wij breken daarom aldus af:bast-aard,dronk-aard,woest-aard,wreed-aardenz., nietbas-taard,dron-kaard,wree-daardenz.; en schrijven dienovereenkomstig:grijs-aard,laf-aard, nietgrij-zaard,laf-faard. Alleen de onregelmatig, d.i. van werkwoorden gevormdegrijnzaardenveinzaardkunnen niet anders dan als afleidingen beschouwd,gespeld en afgebroken worden (grijn-zaard,vein-zaard).266. Bij de woorden, kennelijk afgeleid door middel van ware achtervoegsels, die geheel uit medeklinkers bestaan of er mede beginnen, als:-d,-t,-s,-sch,-st,-de,-te,-se,-ster, gaat de taal volgens hetzelfde beginsel te werk: het grondwoord blijft in zijn geheel en het achtervoegsel wordt geheel afgescheiden. Bij de achtervoegsels, die uit slechts éénen medeklinker bestaan of met éénen medeklinker aanvangen, volgt dit reeds vanzelf uit de twee vorige regels (I en II.) In overeenstemming daarmede scheidt men aldus:klach-tenvanklach-t,slach-ter,deug-denvandeug-d,lood-senvanlood-s,lief-de,hoog-te,vre-de,vee-te,smid-seenz. Doch hetzelfde heeft insgelijks plaats bij die, welke uit twee medeklinkers bestaan of met twee beginnen, namelijk bij-st,-schen het vervrouwelijkende-ster. Ook bij-sch, dat thans als eene enkelesluidt, geschiedt zulks in overeenstemming met regel I en II:vlee-schelijk,ei-schen,groot-sche. De gebruikelijke scheidinggedwee-ste,mee-ste,mooi-ste,fraai-ste,lui-ste, ennaai-ster,brei-ster,vrij-ster,vlei-ster, is in strijd met regel II, diegedwees-te,naais-terenz. eischen zou; maar zij bewijst ten klaarste, dat de taal ook de achtervoegsels, zooveel slechts doenlijk, in hun geheel laat en als de afzonderlijke deelen eener samenstelling behandelt. Hieruit volgt, dat men ookbang-ste,hard-ste,hoog-ste, enbak-ster,zang-sterzal moeten scheiden, waarin drie of vier tusschenletters voorkomen, omtrent welk geval de regels I en II zwijgen.—Alleen de woordennaas-te(overtreffende trap vanna) enbes-te(voorbetste) zijn uitzonderingen, die genoeg zijn gewettigd: de eerste door de spelling met de dubbelea, ter voorkoming van de uitspraaknàste; de tweede doordien de scheidingbe-stetot de uitspraakbé-steaanleiding zou geven.267. De taal zelve toont derhalve ook hier duidelijk, dat zij den vorm der deelen, waaruit de woorden bestaan, zooveelmet de uitspraak overeen is te brengen, ongeschonden wil voor oogen stellen. Maar dan is ook de vraag opgelost, hoe men te handelen heeft met det,pens, die in sommige verkleinwoorden vóór-jeen-ken(of-ke) ingelascht worden. Zij maken, wel is waar, geen onmisbaar bestanddeel dier achtervoegsels uit, maar zijn toch alleen om hunnentwil aanwezig; en zij behooren zeker niet tot het grondwoord, d.i. tot de voorgaande lettergreep. Het taaleigen brengt derhalve mede, dat men aldus verdeelt:stoel-tje,zoon-tje,boom-pje,bloem-pje,jong-ske(n),penning-ske(n),doek-ske(n), enz.Dat men rationeel handelt en de duidelijkheid bevordert door zoodoende het grondwoord geheel af te zonderen, blijkt uit de vergelijking vanoor-tje(kleinoor) enoort-je(geldswaarde), vanbuur-tje(buurman) enbuurt-je(kleinebuurt), vanvaâr-tje(vadertje) envaart-je(kleinevaart), vanzee-tje(kleinezee) enzeet-je(zitje).In het Grieksch, en in navolging hiervan ook in het Latijn, pleegt men alleen die consonanten bij de volgende lettergreep te voegen, waarmede Grieksche woorden kunnen beginnen. Men zou geneigd kunnen zijn dit op onze taal toe te passen en op dien grond de verdeelingbloem-pje,jong-skente verwerpen. Men bedenke echter, dat het Nederlandsch geen Grieksch is; dat alle woorden, die thans metschbeginnen, voorheen metskaanvingen; en datpjzich even gemakkelijk laat uitspreken alstj, blijkens Frieschpjuuk(piek, schaatsenrijdershaak,) naasttjalk,tjilpenenz. De uitspraak levert dus geen bezwaar op tegen de hier voorgeslagene wijze van verdeeling, zoodat de Regel der Gelijkvormigheid hier volle kracht kan hebben.268. Reeds bij regel I is gebleken, dat de taal ten opzichte der achtervoegsels, die met een klinker beginnen, als-er,-ig,-ierenz., anders te werk gaat. Daar zij zooveel doenlijk zoekt te vermijden dat eene volgende lettergreep met een klinker begint, schroomt zij niet eene sluitletter van het grondwoord te scheiden en bij het suffix te voegen, b.v.verra-der,bin-der,tui-nier,toch-tig,zan-digenz. Hier gelden dus regel I en II.Woorden, wier etymologische vorm volstrekt onkenbaar geworden is, volgen de regels I en II; dus:we-reld, nietweer-eld, ofschoon uitweerenald;lie-verd, nietlief-erd, ofschoon-erdhetzelfde woord is als-aardingrijsaard.269. IV. Minder duidelijk verklaart zich de taal ten aanzien van het verdeelen der woorden, waarin drie of vier letters bijeen staan, en die niet rechtstreeks onder den voorgaanden regel vallen, omdat hunne etymologie bij het algemeen onbekend is, als:ambt,arts,koorts,toorts,ernst,hengst,erwt,schurft. Zij zijn deels oorspronkelijk vreemde woorden, alstoorts(fr.torche),venster(lat.fenestra); deels afgeleide, alsvor-st(vanvoor),worst(vanwirrenofwerren, in dewarbrengen, en vroeger ookvermengen);ambtis eene samentrekkhig vanambacht. De vorm kan hier dus niet gevoeglijk als richtsnoer bij het afbreken dienen. Dit verhindert evenwel niet, dat er tamelijk goede regels te vinden zijn.—Vooreerst is het natuurlijk, dat men tot de volgende lettergreep geene letters brengen mag, die zich niet gezamenlijk aan het begin eener syllabe laten uitspreken, dus geenebt,ft,wt. Daaruit volgt, dat menamb-ten,schurf-tig,erw-tenafbreekt, nietam-bten,schur-ftig,er-wten, ofschoon de etymologie zulks eischen zou.—Bijartsen,ertsen,schertsen,koortsen,toortsenenz. kan men een oogenblik in twijfel staan omtrent de keus tusschenart-sen,koort-senenar-tsen,koor-tsen, daar dets, blijkens de verouderde schrijfwijzentsamen,tsestig,tseventig,tsidderen, zich aan het begin eener lettergreep wel laat uitspreken. Wanneer men echter bedenkt, dat de taal die woorden thans zondertwil uitgesproken hebben, en daardoor niet onduidelijk te kennen geeft, dat zijtsvoor niet welluidend houdt, dan zal men aan de verdeelingart-sen,schert-sen,koort-senzonder aarzelen de voorkeur geven.—Onder de woorden metst, voorafgegaan door éénen of twee medeklinkers, alsangst,korstenz., zijn er eenige mett, niet metst, gevormd. Zeker is zulks hetgeval met (wij)dorsten(durfden), waarschijnlijk ook metdorst; de meeste echter zijn stellig afleidingen metst, alsangst,ernst,worst, die men derhalve volgens Regel III te behandelen heeft:ang-stig,ern-stig,wor-sten. Het is uit dien hoofde het raadzaamst, en zeker het gemakkelijkst, de weinige overige insgelijks op dezelfde wijze te verdeelen, al zou de etymologie ook het omgekeerde eischen; dusven-ster,un-ster,glin-steren,heng-sten,hal-ster,bor-stel,dor-sten, evenzeer alsdien-sten,gun-sten,kun-sten,win-sten,toekom-stig, van de bekende grondwoordendienen,gunnen,kunnen,winnen,komen.270. V. In vreemde woorden en eigennamen, als:ábrikoos,ágrimonie,Acropolis,Abraham,Acra,Adriaan,Aglaja,Atroposenz., waarin eene vaste letter (muta) door eene vloeiende (liquida) gevolgd wordt, gaat men, blijkens de uitspraak, naar het vreemde spraakgebruik te werk, en brengt men de beide medeklinkers tot de volgende lettergreep, zoodat men scheidt:a-brikoos,a-grimonie,A-brahamenz.Sommige dichters handelen evenzoo bij Nederlandsche woorden, wanneer zij om het metrum tusschen eene muta en eene liquida een toonloozen klinker uitstooten; b.v. bija-drenvooraderen,vo-glen,ne-drig. Anderen schrijvenaadren,vooglen,needrig, hetgeen de scheidingaad-ren,voog-lenenz. onderstelt.
Over het verdeelen der woorden in lettergrepen.257. Het leerstuk aangaande de verdeeling der woorden in lettergrepen geeft het antwoord op de vraag:tot welke lettergreep moeten, bij het afbreken van een woord, de tusschenletters gerekend worden? tot de voorgaande of tot de volgende lettergreep?Bij het beantwoorden dier vraag heeft men de vreemde woorden en bastaardwoorden van de echt Nederlandsche af te zonderen, en bij deze laatste weder onderscheid te maken tusschen verbogene, afgeleide en samengestelde woorden.a) Doortusschenlettersworden hier verstaan allemedeklinkers, die in eenig woord tusschen twee klinkers of tweeklanken staan.Beginlettersnoemen wij allemedeklinkers, die zich aan het begin van een woord vóór den eersten klinker of tweeklank bevinden;sluitlettersallemedeklinkers, die aan het einde van een woord achter den laatsten klinker of tweeklank komen. Zoo zijn b.v. degindagen, derenbinarbeid, der,tensinkoortsentusschenletters: instrandtzijns,tenrbegin-,n,dentsluitletters.b) Onderafgeleide woordenbegrijpen wij hier ook de zoogenaamdemiddelwoorden, ook welonechte stammengeheeten, d.i. dezulke, die door hunne voor- of achtervoegsels het voorkomen vanafgeleidewoorden hebben, doch die niet van bekende grondwoorden gevormd zijn, b.v.gezond,hagele.a. Zij worden geheel als de overeenkomstige woorden van bekenden vorm behandeld en vereischen dus geene afzonderlijke regels; trouwens, zoodra hunne etymologie bekend wordt, houden zij opmiddelwoordente zijn en gaan zij in de klasse der afleidingen over.258. De scheiding der lettergrepen is geenszins iets willekeurigs, maar hangt in iedere taal ten nauwste samen met hare eigenaardige uitspraak en spelling. De Redactie gaat daarbij te werk naar de volgende grondbeginselen, die onze taal zelve aan de hand geeft:259. I. Wanneer inniet samengesteldewoorden tusschen twee opeenvolgende lettergrepen slechts één medeklinker voorkomt, dan behoort deze tot de volgende lettergreep; b.v. indra-gen,e-ten,ho-pen,u-ren,za-lig,wa-semenz.De taal zelve leert duidelijk, dat zij zóó gescheiden wil hebben. Vooreerst door het uitstooten van ééneaenu, dikwijls ook van eeneeeno, wanneer deze in het onverbogene woord of het grondwoord verdubbeld zijn. In het tegenovergestelde geval toch zou zij den dubbelen klinker eischen indraag-en,eet-en,hoop-en,uur-en,zaal-ig,waas-emenz., evenzeer als indraag,eet,hoop,uur,zaal,waas, waarin de tusschenletter als sluitletter voorkomt.—Vervolgens door de verdubbeling der tusschenletter in woorden alsheb-ben,had-den,zon-nig,ken-nerenz., die onnoodig zou wezen, indien inheb-en,had-en,zon-ig,ken-erenz. de enkele tusschenletter tot de eerste lettergreep behoorde.—Eindelijk door de verandering der uitspraak indàg—dágen,bevèl—bevélen,slòt—slóten, en door den overgang derfensvan woorden alsbrief,buis,lees,liefenz. in devenzvanbrie-ven,bui-zen,le-zer,lie-ve, hetgeen bewijst, dat zij als beginletters worden aangemerkt.260. Het is dus onloochenbaar, dat het Nederlandsch liever eene volgende lettergreep met een medeklinker begint dan eene voorafgaande daarmede te sluiten.—De ingelaschtedinbevrij(d)en,belij(d)en,vlie(d)en,wij(d)en,na(d)er(vanna) e.a.; dekinbijkerenkooikervanbijen(eenden)kooi; de woordenweldoe(n)er,opzie(n)er,voorgan(g)er,voorstan(d)er, vandoe-n,zie-n,gaa-n,staa-n; de flauwej, die inzee-en,thee-engehoord wordt; de alsjklinkendeiinkoei-en,vlooi-en(vankoeenvloo), bewijzen, dat onze taal eene volgende lettergreep ongaarne met een klinker laat aanvangen; terwijl daarentegenleiband,scheikunde,gelui,zijweg, vanleiden,scheiden,luiden,zijde;leelijkvanleed,kwalijkvankwaad,schielijkvanschiertoonen, dat zij niet schroomt eene lettergreep open te laten.261. II. Wanneer er twee opeenvolgende tusschenletters voorkomen in woorden, dieniet samengesteldzijn nochafgeleiddoor middel van een achtervoegsel, dat gelijk-de,-ste, met een medeklinker begint, dan behoort de eerste tusschenletter tot de voorgaande, de tweede tot de volgende lettergreep; b.v. inbul-ten,hel-den,kas-ten,mel-ken,bul-tig.Dat de eerste medeklinker tot de voorgaande lettergreep behoort, blijkt vooreerst uit de spellingnaal-den,paar-den,vaar-dig,huur-derenz. met den dubbelen klinker, die anders geheel overtollig zou wezen. Vervolgens uit de uitspraak van woorden alshànden,hèlden,hìnden,hònden,hùlde; en uit de verdubbeling der medeklinkers inkat-ten,bel-len,min-naar,kop-pigenz., welke in het tegenovergestelde geval geen doel zou treffen.Dat de tweede tusschenletter tot de volgende lettergreep gerekend wordt, volgt reeds uit den vorigen regel (I), en wordt nader bevestigd door den overgang derfenstotvenzin woorden alskalf—kalven,erf—erven,baars—baarzen,els—elzen,zalf—zalven,hals—halzenenz.262. Een twijfel is bij sommigen gerezen omtrent het afbreken der woorden met de tusschenlettersng. De eigenaardige uitspraak van dezen klank deed den schijn ontstaan, alsofngslechts één enkele medeklinker was. In wezenlijkheid echter is dit niet het geval. Dengis, blijkens haar oorsprong, onloochenbaar de vereeniging van dezelfde gutturalen, die inden-kenenzin-kengehoord wordt, met degin haar oorspronkelijken klank (d.i. dien der Friesche en Franscheg, als ingrand,guerreenz.). Moge al deuitspraak allengs zijn gewijzigd, zoodat degbijna geheel verflauwd is en nauwelijks meer vernomen wordt, dit kan toch geene voldoende reden zijn om de beide letters, gelijk sommigen willen, als eene eenheid te beschouwen en daarom bij het afbreken ongescheiden te laten. Steldenginderdaad een gewonen enkelvoudigen medeklinker voor, men zou, volgens regel I en§ 260,ta-ngen,ze-ngen,to-ngenenz. moeten schrijven. Doch dit wil niemand, en het zou ook geheel strijdig zijn met den aard der taal. In geen enkel woord treft men vóórngeen helderen klinker aan, gelijk deáé,óintá-kel,zé-gel,bó-gen; men vindt uitsluitend een kort afgebrokenen, als intàk,zèg,dòf. Dit bewijst onwedersprekelijk, dat de voorgaande lettergrepen zonder uitzondering gesloten zijn, dat wil zeggen, op een medeklinker eindigen, en steeds gesloten blijven, ook wanneer de woorden verbuiging ondergaan, zoodat denengniet beide tot de volgende lettergreep gebracht kunnen worden. Trouwensnglaat zich aan het begin eener lettergreep niet uitspreken, wat bij de schrijfwijzeta-ngenenz. ondersteld wordt. Schrijft men daarentegending-en, dan zondigt men tegen het beginsel, boven in§ 260omschreven, dat in onze taal zoo duidelijk is uitgedrukt. De beide schrijfwijzen,di-ngenending-en, zijn dus evenzeer te verwerpen. Alleendin-genis met de afleiding en den aard van ons taaleigen in overeenstemming. Voor de uitspraak kan het geen bezwaar opleveren, mits men den aard en de kracht der letters kenne; en die kennis is bij alles, wat spelling betreft, een onmisbaar vereischte, dat men recht heeft te onderstellen.a) Vreest men nochtans door het scheiden derneng(han-gen) de bekende verkeerde uitspraak in de hand te werken, dan vermijde men in het schrift het afbreken der zoodanige woorden, hetgeen zonder groot bezwaar geschieden kan.Vangen,vanger,brengen,brengerzijn geen langer woorden danlangst,vangst,op-brengst, waarbij geene scheiding mogelijk is.b) Dezelfde opmerking geldt nog meer bij de woordenkachel,echo,richel,tichelenz., waarin niemand de regelmatige verdubbeling derchwil, ofschoon de eerste lettergreep als gesloten moet beschouwd worden. Men scheide bijdeze woorden de lettergrepen liever niet; dan bestaat er geen gevaar, dat men de eerste verkeerd zal uitspreken. Dechbij de eerste lettergreep te voegen enlach-en,lich-aamaf te breken, is volgens regel I slechts een tweede vergrijp tegen ons taaleigen, dat eigenlijk de spellinglach-chenenz. zou eischen. Het zou eene nieuwe taalfout zijn, aan eene bestaande toegevoegd.263. III. Hetzelfde streven der taal, waarop de Regel der Gelijkvormigheid (§ 49) berust, namelijk om de duidelijkheid te bevorderen door in afgeleide en samengestelde woorden den vorm der deelen zooveel doenlijk ongeschonden te bewaren, openbaart zich ook bij de verdeeling der woorden in lettergrepen. Het duidelijkst ziet men zulks bij samenstellingen. Daarin toch blijft iedere letter in het woord, waartoe zij behoort. Men scheidt aldus:eer-ambt,mein-eed,uit-een,haard-aschenz., en niet, gelijk de twee vorige grondbeginselen zouden medebrengen,ee-rambt,mei-need,ui-teen,haar-daschenz.Dat de taal het volstrekt zóó wil, blijkt uit de spellingkwab-aal,bedil-al,slok-op,al-om,veel-al,wel-eer, nietkwab-baal,bedil-lal,slok-kop,al-lom,ve-lal(naastve-len),wel-leerenz.a)Alleenenwanneermet verdubbeldelennmaken hier uitzonderingen. Die spelling bewijst, dat men deze woorden niet meer als samenstellingen vanaleneen,waneneerherkent.b) Ofschoon de gewone uitspraak door verkeerde toepassing van regel II vrij algemeen inaar-dakerenaar-dappelded, en inel-kanderenmal-kanderdekbij de volgende lettergreep voegt, zoo kan dit misbruik geene voldoende reden zijn om bij de genoemde woorden eene inbreuk op den regel te maken. Men breke daarom af:aard-aker,aard-appel,elk-ander,malk-ander(uitmanlijk, d.i. ieder, enander).264. Hetzelfde beginsel openbaart zich, ofschoon minder regelmatig, bij de afgeleide woorden. Vooreerst worden dezulke, die gevormd zijn met (onscheidbare) voorvoegsels, alsbe-,ge-,her-,on-enz., welke eigenlijk samenstellingenzijn, geheel op de wijze der composita behandeld. Men scheidt aldus:be-dwelmen,ge-dragen,her-overen,on-eens,ont-erven,wan-orde; niet, gelijk de vorige grondbeginselen zouden vorderen:bèd-welmen,gèd-ragen,hé-roveren,ò-neens,on-terven,wá-norde; de uitspraak en de spelling bewijzen duidelijk het tegendeel.Al onze voorvoegselsbe-,er-,ge-,her-,on-,ont-,oor-enwan-zijn oorspronkelijk op zich zelve bestaande woorden geweest. De daarmede gevormde woorden zijn dus eigenlijk composita. Dat die voorvoegsels nu niet meer, althans niet onder dien vorm, als zelfstandige woorden gebezigd worden en eene veel algemeener beteekenis hebben aangenomen dan zij oorspronkelijk hadden, is de oorzaak, dat de Nederlandsche grammatica de daarmede gevormde woorden tot de afleidingen brengt. De Hoogduitsche taalkundigen beschouwen zulke woorden nog altijd als samenstellingen; en onze spelling bewijst, dat zij, wat den uiterlijken vorm ten minste betreft, nog steeds daartoe behooren.265. Ook de woorden, door aanhechting der achtervoegsels-achtig,-haft,-haftig,-schapen-zaamgevormd, zijn oorspronkelijk composita, en volgen den regel der samengestelde woorden. Men scheidt aldus:aap-achtig,bok-achtig,snap-achtig,wit-achtig,held-haftig,partij-schap,voogdij-schap,moei-zaam. Dat de taal zulks eischt, blijkt zoowel uit de uitspraak als uit de spelling. Wilde zij hier de twee vorige beginselen gehuldigd hebben, zij zoua-pachtig,bok-kachtig,snap-pachtig,wit-tachtiguitspreken en schrijven.De woorden op-aardzijn insgelijks samenstellingen (zie§ 100) en moeten derhalve op dezelfde wijze behandeld worden. Wij breken daarom aldus af:bast-aard,dronk-aard,woest-aard,wreed-aardenz., nietbas-taard,dron-kaard,wree-daardenz.; en schrijven dienovereenkomstig:grijs-aard,laf-aard, nietgrij-zaard,laf-faard. Alleen de onregelmatig, d.i. van werkwoorden gevormdegrijnzaardenveinzaardkunnen niet anders dan als afleidingen beschouwd,gespeld en afgebroken worden (grijn-zaard,vein-zaard).266. Bij de woorden, kennelijk afgeleid door middel van ware achtervoegsels, die geheel uit medeklinkers bestaan of er mede beginnen, als:-d,-t,-s,-sch,-st,-de,-te,-se,-ster, gaat de taal volgens hetzelfde beginsel te werk: het grondwoord blijft in zijn geheel en het achtervoegsel wordt geheel afgescheiden. Bij de achtervoegsels, die uit slechts éénen medeklinker bestaan of met éénen medeklinker aanvangen, volgt dit reeds vanzelf uit de twee vorige regels (I en II.) In overeenstemming daarmede scheidt men aldus:klach-tenvanklach-t,slach-ter,deug-denvandeug-d,lood-senvanlood-s,lief-de,hoog-te,vre-de,vee-te,smid-seenz. Doch hetzelfde heeft insgelijks plaats bij die, welke uit twee medeklinkers bestaan of met twee beginnen, namelijk bij-st,-schen het vervrouwelijkende-ster. Ook bij-sch, dat thans als eene enkelesluidt, geschiedt zulks in overeenstemming met regel I en II:vlee-schelijk,ei-schen,groot-sche. De gebruikelijke scheidinggedwee-ste,mee-ste,mooi-ste,fraai-ste,lui-ste, ennaai-ster,brei-ster,vrij-ster,vlei-ster, is in strijd met regel II, diegedwees-te,naais-terenz. eischen zou; maar zij bewijst ten klaarste, dat de taal ook de achtervoegsels, zooveel slechts doenlijk, in hun geheel laat en als de afzonderlijke deelen eener samenstelling behandelt. Hieruit volgt, dat men ookbang-ste,hard-ste,hoog-ste, enbak-ster,zang-sterzal moeten scheiden, waarin drie of vier tusschenletters voorkomen, omtrent welk geval de regels I en II zwijgen.—Alleen de woordennaas-te(overtreffende trap vanna) enbes-te(voorbetste) zijn uitzonderingen, die genoeg zijn gewettigd: de eerste door de spelling met de dubbelea, ter voorkoming van de uitspraaknàste; de tweede doordien de scheidingbe-stetot de uitspraakbé-steaanleiding zou geven.267. De taal zelve toont derhalve ook hier duidelijk, dat zij den vorm der deelen, waaruit de woorden bestaan, zooveelmet de uitspraak overeen is te brengen, ongeschonden wil voor oogen stellen. Maar dan is ook de vraag opgelost, hoe men te handelen heeft met det,pens, die in sommige verkleinwoorden vóór-jeen-ken(of-ke) ingelascht worden. Zij maken, wel is waar, geen onmisbaar bestanddeel dier achtervoegsels uit, maar zijn toch alleen om hunnentwil aanwezig; en zij behooren zeker niet tot het grondwoord, d.i. tot de voorgaande lettergreep. Het taaleigen brengt derhalve mede, dat men aldus verdeelt:stoel-tje,zoon-tje,boom-pje,bloem-pje,jong-ske(n),penning-ske(n),doek-ske(n), enz.Dat men rationeel handelt en de duidelijkheid bevordert door zoodoende het grondwoord geheel af te zonderen, blijkt uit de vergelijking vanoor-tje(kleinoor) enoort-je(geldswaarde), vanbuur-tje(buurman) enbuurt-je(kleinebuurt), vanvaâr-tje(vadertje) envaart-je(kleinevaart), vanzee-tje(kleinezee) enzeet-je(zitje).In het Grieksch, en in navolging hiervan ook in het Latijn, pleegt men alleen die consonanten bij de volgende lettergreep te voegen, waarmede Grieksche woorden kunnen beginnen. Men zou geneigd kunnen zijn dit op onze taal toe te passen en op dien grond de verdeelingbloem-pje,jong-skente verwerpen. Men bedenke echter, dat het Nederlandsch geen Grieksch is; dat alle woorden, die thans metschbeginnen, voorheen metskaanvingen; en datpjzich even gemakkelijk laat uitspreken alstj, blijkens Frieschpjuuk(piek, schaatsenrijdershaak,) naasttjalk,tjilpenenz. De uitspraak levert dus geen bezwaar op tegen de hier voorgeslagene wijze van verdeeling, zoodat de Regel der Gelijkvormigheid hier volle kracht kan hebben.268. Reeds bij regel I is gebleken, dat de taal ten opzichte der achtervoegsels, die met een klinker beginnen, als-er,-ig,-ierenz., anders te werk gaat. Daar zij zooveel doenlijk zoekt te vermijden dat eene volgende lettergreep met een klinker begint, schroomt zij niet eene sluitletter van het grondwoord te scheiden en bij het suffix te voegen, b.v.verra-der,bin-der,tui-nier,toch-tig,zan-digenz. Hier gelden dus regel I en II.Woorden, wier etymologische vorm volstrekt onkenbaar geworden is, volgen de regels I en II; dus:we-reld, nietweer-eld, ofschoon uitweerenald;lie-verd, nietlief-erd, ofschoon-erdhetzelfde woord is als-aardingrijsaard.269. IV. Minder duidelijk verklaart zich de taal ten aanzien van het verdeelen der woorden, waarin drie of vier letters bijeen staan, en die niet rechtstreeks onder den voorgaanden regel vallen, omdat hunne etymologie bij het algemeen onbekend is, als:ambt,arts,koorts,toorts,ernst,hengst,erwt,schurft. Zij zijn deels oorspronkelijk vreemde woorden, alstoorts(fr.torche),venster(lat.fenestra); deels afgeleide, alsvor-st(vanvoor),worst(vanwirrenofwerren, in dewarbrengen, en vroeger ookvermengen);ambtis eene samentrekkhig vanambacht. De vorm kan hier dus niet gevoeglijk als richtsnoer bij het afbreken dienen. Dit verhindert evenwel niet, dat er tamelijk goede regels te vinden zijn.—Vooreerst is het natuurlijk, dat men tot de volgende lettergreep geene letters brengen mag, die zich niet gezamenlijk aan het begin eener syllabe laten uitspreken, dus geenebt,ft,wt. Daaruit volgt, dat menamb-ten,schurf-tig,erw-tenafbreekt, nietam-bten,schur-ftig,er-wten, ofschoon de etymologie zulks eischen zou.—Bijartsen,ertsen,schertsen,koortsen,toortsenenz. kan men een oogenblik in twijfel staan omtrent de keus tusschenart-sen,koort-senenar-tsen,koor-tsen, daar dets, blijkens de verouderde schrijfwijzentsamen,tsestig,tseventig,tsidderen, zich aan het begin eener lettergreep wel laat uitspreken. Wanneer men echter bedenkt, dat de taal die woorden thans zondertwil uitgesproken hebben, en daardoor niet onduidelijk te kennen geeft, dat zijtsvoor niet welluidend houdt, dan zal men aan de verdeelingart-sen,schert-sen,koort-senzonder aarzelen de voorkeur geven.—Onder de woorden metst, voorafgegaan door éénen of twee medeklinkers, alsangst,korstenz., zijn er eenige mett, niet metst, gevormd. Zeker is zulks hetgeval met (wij)dorsten(durfden), waarschijnlijk ook metdorst; de meeste echter zijn stellig afleidingen metst, alsangst,ernst,worst, die men derhalve volgens Regel III te behandelen heeft:ang-stig,ern-stig,wor-sten. Het is uit dien hoofde het raadzaamst, en zeker het gemakkelijkst, de weinige overige insgelijks op dezelfde wijze te verdeelen, al zou de etymologie ook het omgekeerde eischen; dusven-ster,un-ster,glin-steren,heng-sten,hal-ster,bor-stel,dor-sten, evenzeer alsdien-sten,gun-sten,kun-sten,win-sten,toekom-stig, van de bekende grondwoordendienen,gunnen,kunnen,winnen,komen.270. V. In vreemde woorden en eigennamen, als:ábrikoos,ágrimonie,Acropolis,Abraham,Acra,Adriaan,Aglaja,Atroposenz., waarin eene vaste letter (muta) door eene vloeiende (liquida) gevolgd wordt, gaat men, blijkens de uitspraak, naar het vreemde spraakgebruik te werk, en brengt men de beide medeklinkers tot de volgende lettergreep, zoodat men scheidt:a-brikoos,a-grimonie,A-brahamenz.Sommige dichters handelen evenzoo bij Nederlandsche woorden, wanneer zij om het metrum tusschen eene muta en eene liquida een toonloozen klinker uitstooten; b.v. bija-drenvooraderen,vo-glen,ne-drig. Anderen schrijvenaadren,vooglen,needrig, hetgeen de scheidingaad-ren,voog-lenenz. onderstelt.
Over het verdeelen der woorden in lettergrepen.257. Het leerstuk aangaande de verdeeling der woorden in lettergrepen geeft het antwoord op de vraag:tot welke lettergreep moeten, bij het afbreken van een woord, de tusschenletters gerekend worden? tot de voorgaande of tot de volgende lettergreep?Bij het beantwoorden dier vraag heeft men de vreemde woorden en bastaardwoorden van de echt Nederlandsche af te zonderen, en bij deze laatste weder onderscheid te maken tusschen verbogene, afgeleide en samengestelde woorden.a) Doortusschenlettersworden hier verstaan allemedeklinkers, die in eenig woord tusschen twee klinkers of tweeklanken staan.Beginlettersnoemen wij allemedeklinkers, die zich aan het begin van een woord vóór den eersten klinker of tweeklank bevinden;sluitlettersallemedeklinkers, die aan het einde van een woord achter den laatsten klinker of tweeklank komen. Zoo zijn b.v. degindagen, derenbinarbeid, der,tensinkoortsentusschenletters: instrandtzijns,tenrbegin-,n,dentsluitletters.b) Onderafgeleide woordenbegrijpen wij hier ook de zoogenaamdemiddelwoorden, ook welonechte stammengeheeten, d.i. dezulke, die door hunne voor- of achtervoegsels het voorkomen vanafgeleidewoorden hebben, doch die niet van bekende grondwoorden gevormd zijn, b.v.gezond,hagele.a. Zij worden geheel als de overeenkomstige woorden van bekenden vorm behandeld en vereischen dus geene afzonderlijke regels; trouwens, zoodra hunne etymologie bekend wordt, houden zij opmiddelwoordente zijn en gaan zij in de klasse der afleidingen over.258. De scheiding der lettergrepen is geenszins iets willekeurigs, maar hangt in iedere taal ten nauwste samen met hare eigenaardige uitspraak en spelling. De Redactie gaat daarbij te werk naar de volgende grondbeginselen, die onze taal zelve aan de hand geeft:259. I. Wanneer inniet samengesteldewoorden tusschen twee opeenvolgende lettergrepen slechts één medeklinker voorkomt, dan behoort deze tot de volgende lettergreep; b.v. indra-gen,e-ten,ho-pen,u-ren,za-lig,wa-semenz.De taal zelve leert duidelijk, dat zij zóó gescheiden wil hebben. Vooreerst door het uitstooten van ééneaenu, dikwijls ook van eeneeeno, wanneer deze in het onverbogene woord of het grondwoord verdubbeld zijn. In het tegenovergestelde geval toch zou zij den dubbelen klinker eischen indraag-en,eet-en,hoop-en,uur-en,zaal-ig,waas-emenz., evenzeer als indraag,eet,hoop,uur,zaal,waas, waarin de tusschenletter als sluitletter voorkomt.—Vervolgens door de verdubbeling der tusschenletter in woorden alsheb-ben,had-den,zon-nig,ken-nerenz., die onnoodig zou wezen, indien inheb-en,had-en,zon-ig,ken-erenz. de enkele tusschenletter tot de eerste lettergreep behoorde.—Eindelijk door de verandering der uitspraak indàg—dágen,bevèl—bevélen,slòt—slóten, en door den overgang derfensvan woorden alsbrief,buis,lees,liefenz. in devenzvanbrie-ven,bui-zen,le-zer,lie-ve, hetgeen bewijst, dat zij als beginletters worden aangemerkt.260. Het is dus onloochenbaar, dat het Nederlandsch liever eene volgende lettergreep met een medeklinker begint dan eene voorafgaande daarmede te sluiten.—De ingelaschtedinbevrij(d)en,belij(d)en,vlie(d)en,wij(d)en,na(d)er(vanna) e.a.; dekinbijkerenkooikervanbijen(eenden)kooi; de woordenweldoe(n)er,opzie(n)er,voorgan(g)er,voorstan(d)er, vandoe-n,zie-n,gaa-n,staa-n; de flauwej, die inzee-en,thee-engehoord wordt; de alsjklinkendeiinkoei-en,vlooi-en(vankoeenvloo), bewijzen, dat onze taal eene volgende lettergreep ongaarne met een klinker laat aanvangen; terwijl daarentegenleiband,scheikunde,gelui,zijweg, vanleiden,scheiden,luiden,zijde;leelijkvanleed,kwalijkvankwaad,schielijkvanschiertoonen, dat zij niet schroomt eene lettergreep open te laten.261. II. Wanneer er twee opeenvolgende tusschenletters voorkomen in woorden, dieniet samengesteldzijn nochafgeleiddoor middel van een achtervoegsel, dat gelijk-de,-ste, met een medeklinker begint, dan behoort de eerste tusschenletter tot de voorgaande, de tweede tot de volgende lettergreep; b.v. inbul-ten,hel-den,kas-ten,mel-ken,bul-tig.Dat de eerste medeklinker tot de voorgaande lettergreep behoort, blijkt vooreerst uit de spellingnaal-den,paar-den,vaar-dig,huur-derenz. met den dubbelen klinker, die anders geheel overtollig zou wezen. Vervolgens uit de uitspraak van woorden alshànden,hèlden,hìnden,hònden,hùlde; en uit de verdubbeling der medeklinkers inkat-ten,bel-len,min-naar,kop-pigenz., welke in het tegenovergestelde geval geen doel zou treffen.Dat de tweede tusschenletter tot de volgende lettergreep gerekend wordt, volgt reeds uit den vorigen regel (I), en wordt nader bevestigd door den overgang derfenstotvenzin woorden alskalf—kalven,erf—erven,baars—baarzen,els—elzen,zalf—zalven,hals—halzenenz.262. Een twijfel is bij sommigen gerezen omtrent het afbreken der woorden met de tusschenlettersng. De eigenaardige uitspraak van dezen klank deed den schijn ontstaan, alsofngslechts één enkele medeklinker was. In wezenlijkheid echter is dit niet het geval. Dengis, blijkens haar oorsprong, onloochenbaar de vereeniging van dezelfde gutturalen, die inden-kenenzin-kengehoord wordt, met degin haar oorspronkelijken klank (d.i. dien der Friesche en Franscheg, als ingrand,guerreenz.). Moge al deuitspraak allengs zijn gewijzigd, zoodat degbijna geheel verflauwd is en nauwelijks meer vernomen wordt, dit kan toch geene voldoende reden zijn om de beide letters, gelijk sommigen willen, als eene eenheid te beschouwen en daarom bij het afbreken ongescheiden te laten. Steldenginderdaad een gewonen enkelvoudigen medeklinker voor, men zou, volgens regel I en§ 260,ta-ngen,ze-ngen,to-ngenenz. moeten schrijven. Doch dit wil niemand, en het zou ook geheel strijdig zijn met den aard der taal. In geen enkel woord treft men vóórngeen helderen klinker aan, gelijk deáé,óintá-kel,zé-gel,bó-gen; men vindt uitsluitend een kort afgebrokenen, als intàk,zèg,dòf. Dit bewijst onwedersprekelijk, dat de voorgaande lettergrepen zonder uitzondering gesloten zijn, dat wil zeggen, op een medeklinker eindigen, en steeds gesloten blijven, ook wanneer de woorden verbuiging ondergaan, zoodat denengniet beide tot de volgende lettergreep gebracht kunnen worden. Trouwensnglaat zich aan het begin eener lettergreep niet uitspreken, wat bij de schrijfwijzeta-ngenenz. ondersteld wordt. Schrijft men daarentegending-en, dan zondigt men tegen het beginsel, boven in§ 260omschreven, dat in onze taal zoo duidelijk is uitgedrukt. De beide schrijfwijzen,di-ngenending-en, zijn dus evenzeer te verwerpen. Alleendin-genis met de afleiding en den aard van ons taaleigen in overeenstemming. Voor de uitspraak kan het geen bezwaar opleveren, mits men den aard en de kracht der letters kenne; en die kennis is bij alles, wat spelling betreft, een onmisbaar vereischte, dat men recht heeft te onderstellen.a) Vreest men nochtans door het scheiden derneng(han-gen) de bekende verkeerde uitspraak in de hand te werken, dan vermijde men in het schrift het afbreken der zoodanige woorden, hetgeen zonder groot bezwaar geschieden kan.Vangen,vanger,brengen,brengerzijn geen langer woorden danlangst,vangst,op-brengst, waarbij geene scheiding mogelijk is.b) Dezelfde opmerking geldt nog meer bij de woordenkachel,echo,richel,tichelenz., waarin niemand de regelmatige verdubbeling derchwil, ofschoon de eerste lettergreep als gesloten moet beschouwd worden. Men scheide bijdeze woorden de lettergrepen liever niet; dan bestaat er geen gevaar, dat men de eerste verkeerd zal uitspreken. Dechbij de eerste lettergreep te voegen enlach-en,lich-aamaf te breken, is volgens regel I slechts een tweede vergrijp tegen ons taaleigen, dat eigenlijk de spellinglach-chenenz. zou eischen. Het zou eene nieuwe taalfout zijn, aan eene bestaande toegevoegd.263. III. Hetzelfde streven der taal, waarop de Regel der Gelijkvormigheid (§ 49) berust, namelijk om de duidelijkheid te bevorderen door in afgeleide en samengestelde woorden den vorm der deelen zooveel doenlijk ongeschonden te bewaren, openbaart zich ook bij de verdeeling der woorden in lettergrepen. Het duidelijkst ziet men zulks bij samenstellingen. Daarin toch blijft iedere letter in het woord, waartoe zij behoort. Men scheidt aldus:eer-ambt,mein-eed,uit-een,haard-aschenz., en niet, gelijk de twee vorige grondbeginselen zouden medebrengen,ee-rambt,mei-need,ui-teen,haar-daschenz.Dat de taal het volstrekt zóó wil, blijkt uit de spellingkwab-aal,bedil-al,slok-op,al-om,veel-al,wel-eer, nietkwab-baal,bedil-lal,slok-kop,al-lom,ve-lal(naastve-len),wel-leerenz.a)Alleenenwanneermet verdubbeldelennmaken hier uitzonderingen. Die spelling bewijst, dat men deze woorden niet meer als samenstellingen vanaleneen,waneneerherkent.b) Ofschoon de gewone uitspraak door verkeerde toepassing van regel II vrij algemeen inaar-dakerenaar-dappelded, en inel-kanderenmal-kanderdekbij de volgende lettergreep voegt, zoo kan dit misbruik geene voldoende reden zijn om bij de genoemde woorden eene inbreuk op den regel te maken. Men breke daarom af:aard-aker,aard-appel,elk-ander,malk-ander(uitmanlijk, d.i. ieder, enander).264. Hetzelfde beginsel openbaart zich, ofschoon minder regelmatig, bij de afgeleide woorden. Vooreerst worden dezulke, die gevormd zijn met (onscheidbare) voorvoegsels, alsbe-,ge-,her-,on-enz., welke eigenlijk samenstellingenzijn, geheel op de wijze der composita behandeld. Men scheidt aldus:be-dwelmen,ge-dragen,her-overen,on-eens,ont-erven,wan-orde; niet, gelijk de vorige grondbeginselen zouden vorderen:bèd-welmen,gèd-ragen,hé-roveren,ò-neens,on-terven,wá-norde; de uitspraak en de spelling bewijzen duidelijk het tegendeel.Al onze voorvoegselsbe-,er-,ge-,her-,on-,ont-,oor-enwan-zijn oorspronkelijk op zich zelve bestaande woorden geweest. De daarmede gevormde woorden zijn dus eigenlijk composita. Dat die voorvoegsels nu niet meer, althans niet onder dien vorm, als zelfstandige woorden gebezigd worden en eene veel algemeener beteekenis hebben aangenomen dan zij oorspronkelijk hadden, is de oorzaak, dat de Nederlandsche grammatica de daarmede gevormde woorden tot de afleidingen brengt. De Hoogduitsche taalkundigen beschouwen zulke woorden nog altijd als samenstellingen; en onze spelling bewijst, dat zij, wat den uiterlijken vorm ten minste betreft, nog steeds daartoe behooren.265. Ook de woorden, door aanhechting der achtervoegsels-achtig,-haft,-haftig,-schapen-zaamgevormd, zijn oorspronkelijk composita, en volgen den regel der samengestelde woorden. Men scheidt aldus:aap-achtig,bok-achtig,snap-achtig,wit-achtig,held-haftig,partij-schap,voogdij-schap,moei-zaam. Dat de taal zulks eischt, blijkt zoowel uit de uitspraak als uit de spelling. Wilde zij hier de twee vorige beginselen gehuldigd hebben, zij zoua-pachtig,bok-kachtig,snap-pachtig,wit-tachtiguitspreken en schrijven.De woorden op-aardzijn insgelijks samenstellingen (zie§ 100) en moeten derhalve op dezelfde wijze behandeld worden. Wij breken daarom aldus af:bast-aard,dronk-aard,woest-aard,wreed-aardenz., nietbas-taard,dron-kaard,wree-daardenz.; en schrijven dienovereenkomstig:grijs-aard,laf-aard, nietgrij-zaard,laf-faard. Alleen de onregelmatig, d.i. van werkwoorden gevormdegrijnzaardenveinzaardkunnen niet anders dan als afleidingen beschouwd,gespeld en afgebroken worden (grijn-zaard,vein-zaard).266. Bij de woorden, kennelijk afgeleid door middel van ware achtervoegsels, die geheel uit medeklinkers bestaan of er mede beginnen, als:-d,-t,-s,-sch,-st,-de,-te,-se,-ster, gaat de taal volgens hetzelfde beginsel te werk: het grondwoord blijft in zijn geheel en het achtervoegsel wordt geheel afgescheiden. Bij de achtervoegsels, die uit slechts éénen medeklinker bestaan of met éénen medeklinker aanvangen, volgt dit reeds vanzelf uit de twee vorige regels (I en II.) In overeenstemming daarmede scheidt men aldus:klach-tenvanklach-t,slach-ter,deug-denvandeug-d,lood-senvanlood-s,lief-de,hoog-te,vre-de,vee-te,smid-seenz. Doch hetzelfde heeft insgelijks plaats bij die, welke uit twee medeklinkers bestaan of met twee beginnen, namelijk bij-st,-schen het vervrouwelijkende-ster. Ook bij-sch, dat thans als eene enkelesluidt, geschiedt zulks in overeenstemming met regel I en II:vlee-schelijk,ei-schen,groot-sche. De gebruikelijke scheidinggedwee-ste,mee-ste,mooi-ste,fraai-ste,lui-ste, ennaai-ster,brei-ster,vrij-ster,vlei-ster, is in strijd met regel II, diegedwees-te,naais-terenz. eischen zou; maar zij bewijst ten klaarste, dat de taal ook de achtervoegsels, zooveel slechts doenlijk, in hun geheel laat en als de afzonderlijke deelen eener samenstelling behandelt. Hieruit volgt, dat men ookbang-ste,hard-ste,hoog-ste, enbak-ster,zang-sterzal moeten scheiden, waarin drie of vier tusschenletters voorkomen, omtrent welk geval de regels I en II zwijgen.—Alleen de woordennaas-te(overtreffende trap vanna) enbes-te(voorbetste) zijn uitzonderingen, die genoeg zijn gewettigd: de eerste door de spelling met de dubbelea, ter voorkoming van de uitspraaknàste; de tweede doordien de scheidingbe-stetot de uitspraakbé-steaanleiding zou geven.267. De taal zelve toont derhalve ook hier duidelijk, dat zij den vorm der deelen, waaruit de woorden bestaan, zooveelmet de uitspraak overeen is te brengen, ongeschonden wil voor oogen stellen. Maar dan is ook de vraag opgelost, hoe men te handelen heeft met det,pens, die in sommige verkleinwoorden vóór-jeen-ken(of-ke) ingelascht worden. Zij maken, wel is waar, geen onmisbaar bestanddeel dier achtervoegsels uit, maar zijn toch alleen om hunnentwil aanwezig; en zij behooren zeker niet tot het grondwoord, d.i. tot de voorgaande lettergreep. Het taaleigen brengt derhalve mede, dat men aldus verdeelt:stoel-tje,zoon-tje,boom-pje,bloem-pje,jong-ske(n),penning-ske(n),doek-ske(n), enz.Dat men rationeel handelt en de duidelijkheid bevordert door zoodoende het grondwoord geheel af te zonderen, blijkt uit de vergelijking vanoor-tje(kleinoor) enoort-je(geldswaarde), vanbuur-tje(buurman) enbuurt-je(kleinebuurt), vanvaâr-tje(vadertje) envaart-je(kleinevaart), vanzee-tje(kleinezee) enzeet-je(zitje).In het Grieksch, en in navolging hiervan ook in het Latijn, pleegt men alleen die consonanten bij de volgende lettergreep te voegen, waarmede Grieksche woorden kunnen beginnen. Men zou geneigd kunnen zijn dit op onze taal toe te passen en op dien grond de verdeelingbloem-pje,jong-skente verwerpen. Men bedenke echter, dat het Nederlandsch geen Grieksch is; dat alle woorden, die thans metschbeginnen, voorheen metskaanvingen; en datpjzich even gemakkelijk laat uitspreken alstj, blijkens Frieschpjuuk(piek, schaatsenrijdershaak,) naasttjalk,tjilpenenz. De uitspraak levert dus geen bezwaar op tegen de hier voorgeslagene wijze van verdeeling, zoodat de Regel der Gelijkvormigheid hier volle kracht kan hebben.268. Reeds bij regel I is gebleken, dat de taal ten opzichte der achtervoegsels, die met een klinker beginnen, als-er,-ig,-ierenz., anders te werk gaat. Daar zij zooveel doenlijk zoekt te vermijden dat eene volgende lettergreep met een klinker begint, schroomt zij niet eene sluitletter van het grondwoord te scheiden en bij het suffix te voegen, b.v.verra-der,bin-der,tui-nier,toch-tig,zan-digenz. Hier gelden dus regel I en II.Woorden, wier etymologische vorm volstrekt onkenbaar geworden is, volgen de regels I en II; dus:we-reld, nietweer-eld, ofschoon uitweerenald;lie-verd, nietlief-erd, ofschoon-erdhetzelfde woord is als-aardingrijsaard.269. IV. Minder duidelijk verklaart zich de taal ten aanzien van het verdeelen der woorden, waarin drie of vier letters bijeen staan, en die niet rechtstreeks onder den voorgaanden regel vallen, omdat hunne etymologie bij het algemeen onbekend is, als:ambt,arts,koorts,toorts,ernst,hengst,erwt,schurft. Zij zijn deels oorspronkelijk vreemde woorden, alstoorts(fr.torche),venster(lat.fenestra); deels afgeleide, alsvor-st(vanvoor),worst(vanwirrenofwerren, in dewarbrengen, en vroeger ookvermengen);ambtis eene samentrekkhig vanambacht. De vorm kan hier dus niet gevoeglijk als richtsnoer bij het afbreken dienen. Dit verhindert evenwel niet, dat er tamelijk goede regels te vinden zijn.—Vooreerst is het natuurlijk, dat men tot de volgende lettergreep geene letters brengen mag, die zich niet gezamenlijk aan het begin eener syllabe laten uitspreken, dus geenebt,ft,wt. Daaruit volgt, dat menamb-ten,schurf-tig,erw-tenafbreekt, nietam-bten,schur-ftig,er-wten, ofschoon de etymologie zulks eischen zou.—Bijartsen,ertsen,schertsen,koortsen,toortsenenz. kan men een oogenblik in twijfel staan omtrent de keus tusschenart-sen,koort-senenar-tsen,koor-tsen, daar dets, blijkens de verouderde schrijfwijzentsamen,tsestig,tseventig,tsidderen, zich aan het begin eener lettergreep wel laat uitspreken. Wanneer men echter bedenkt, dat de taal die woorden thans zondertwil uitgesproken hebben, en daardoor niet onduidelijk te kennen geeft, dat zijtsvoor niet welluidend houdt, dan zal men aan de verdeelingart-sen,schert-sen,koort-senzonder aarzelen de voorkeur geven.—Onder de woorden metst, voorafgegaan door éénen of twee medeklinkers, alsangst,korstenz., zijn er eenige mett, niet metst, gevormd. Zeker is zulks hetgeval met (wij)dorsten(durfden), waarschijnlijk ook metdorst; de meeste echter zijn stellig afleidingen metst, alsangst,ernst,worst, die men derhalve volgens Regel III te behandelen heeft:ang-stig,ern-stig,wor-sten. Het is uit dien hoofde het raadzaamst, en zeker het gemakkelijkst, de weinige overige insgelijks op dezelfde wijze te verdeelen, al zou de etymologie ook het omgekeerde eischen; dusven-ster,un-ster,glin-steren,heng-sten,hal-ster,bor-stel,dor-sten, evenzeer alsdien-sten,gun-sten,kun-sten,win-sten,toekom-stig, van de bekende grondwoordendienen,gunnen,kunnen,winnen,komen.270. V. In vreemde woorden en eigennamen, als:ábrikoos,ágrimonie,Acropolis,Abraham,Acra,Adriaan,Aglaja,Atroposenz., waarin eene vaste letter (muta) door eene vloeiende (liquida) gevolgd wordt, gaat men, blijkens de uitspraak, naar het vreemde spraakgebruik te werk, en brengt men de beide medeklinkers tot de volgende lettergreep, zoodat men scheidt:a-brikoos,a-grimonie,A-brahamenz.Sommige dichters handelen evenzoo bij Nederlandsche woorden, wanneer zij om het metrum tusschen eene muta en eene liquida een toonloozen klinker uitstooten; b.v. bija-drenvooraderen,vo-glen,ne-drig. Anderen schrijvenaadren,vooglen,needrig, hetgeen de scheidingaad-ren,voog-lenenz. onderstelt.
Over het verdeelen der woorden in lettergrepen.257. Het leerstuk aangaande de verdeeling der woorden in lettergrepen geeft het antwoord op de vraag:tot welke lettergreep moeten, bij het afbreken van een woord, de tusschenletters gerekend worden? tot de voorgaande of tot de volgende lettergreep?Bij het beantwoorden dier vraag heeft men de vreemde woorden en bastaardwoorden van de echt Nederlandsche af te zonderen, en bij deze laatste weder onderscheid te maken tusschen verbogene, afgeleide en samengestelde woorden.a) Doortusschenlettersworden hier verstaan allemedeklinkers, die in eenig woord tusschen twee klinkers of tweeklanken staan.Beginlettersnoemen wij allemedeklinkers, die zich aan het begin van een woord vóór den eersten klinker of tweeklank bevinden;sluitlettersallemedeklinkers, die aan het einde van een woord achter den laatsten klinker of tweeklank komen. Zoo zijn b.v. degindagen, derenbinarbeid, der,tensinkoortsentusschenletters: instrandtzijns,tenrbegin-,n,dentsluitletters.b) Onderafgeleide woordenbegrijpen wij hier ook de zoogenaamdemiddelwoorden, ook welonechte stammengeheeten, d.i. dezulke, die door hunne voor- of achtervoegsels het voorkomen vanafgeleidewoorden hebben, doch die niet van bekende grondwoorden gevormd zijn, b.v.gezond,hagele.a. Zij worden geheel als de overeenkomstige woorden van bekenden vorm behandeld en vereischen dus geene afzonderlijke regels; trouwens, zoodra hunne etymologie bekend wordt, houden zij opmiddelwoordente zijn en gaan zij in de klasse der afleidingen over.258. De scheiding der lettergrepen is geenszins iets willekeurigs, maar hangt in iedere taal ten nauwste samen met hare eigenaardige uitspraak en spelling. De Redactie gaat daarbij te werk naar de volgende grondbeginselen, die onze taal zelve aan de hand geeft:259. I. Wanneer inniet samengesteldewoorden tusschen twee opeenvolgende lettergrepen slechts één medeklinker voorkomt, dan behoort deze tot de volgende lettergreep; b.v. indra-gen,e-ten,ho-pen,u-ren,za-lig,wa-semenz.De taal zelve leert duidelijk, dat zij zóó gescheiden wil hebben. Vooreerst door het uitstooten van ééneaenu, dikwijls ook van eeneeeno, wanneer deze in het onverbogene woord of het grondwoord verdubbeld zijn. In het tegenovergestelde geval toch zou zij den dubbelen klinker eischen indraag-en,eet-en,hoop-en,uur-en,zaal-ig,waas-emenz., evenzeer als indraag,eet,hoop,uur,zaal,waas, waarin de tusschenletter als sluitletter voorkomt.—Vervolgens door de verdubbeling der tusschenletter in woorden alsheb-ben,had-den,zon-nig,ken-nerenz., die onnoodig zou wezen, indien inheb-en,had-en,zon-ig,ken-erenz. de enkele tusschenletter tot de eerste lettergreep behoorde.—Eindelijk door de verandering der uitspraak indàg—dágen,bevèl—bevélen,slòt—slóten, en door den overgang derfensvan woorden alsbrief,buis,lees,liefenz. in devenzvanbrie-ven,bui-zen,le-zer,lie-ve, hetgeen bewijst, dat zij als beginletters worden aangemerkt.260. Het is dus onloochenbaar, dat het Nederlandsch liever eene volgende lettergreep met een medeklinker begint dan eene voorafgaande daarmede te sluiten.—De ingelaschtedinbevrij(d)en,belij(d)en,vlie(d)en,wij(d)en,na(d)er(vanna) e.a.; dekinbijkerenkooikervanbijen(eenden)kooi; de woordenweldoe(n)er,opzie(n)er,voorgan(g)er,voorstan(d)er, vandoe-n,zie-n,gaa-n,staa-n; de flauwej, die inzee-en,thee-engehoord wordt; de alsjklinkendeiinkoei-en,vlooi-en(vankoeenvloo), bewijzen, dat onze taal eene volgende lettergreep ongaarne met een klinker laat aanvangen; terwijl daarentegenleiband,scheikunde,gelui,zijweg, vanleiden,scheiden,luiden,zijde;leelijkvanleed,kwalijkvankwaad,schielijkvanschiertoonen, dat zij niet schroomt eene lettergreep open te laten.261. II. Wanneer er twee opeenvolgende tusschenletters voorkomen in woorden, dieniet samengesteldzijn nochafgeleiddoor middel van een achtervoegsel, dat gelijk-de,-ste, met een medeklinker begint, dan behoort de eerste tusschenletter tot de voorgaande, de tweede tot de volgende lettergreep; b.v. inbul-ten,hel-den,kas-ten,mel-ken,bul-tig.Dat de eerste medeklinker tot de voorgaande lettergreep behoort, blijkt vooreerst uit de spellingnaal-den,paar-den,vaar-dig,huur-derenz. met den dubbelen klinker, die anders geheel overtollig zou wezen. Vervolgens uit de uitspraak van woorden alshànden,hèlden,hìnden,hònden,hùlde; en uit de verdubbeling der medeklinkers inkat-ten,bel-len,min-naar,kop-pigenz., welke in het tegenovergestelde geval geen doel zou treffen.Dat de tweede tusschenletter tot de volgende lettergreep gerekend wordt, volgt reeds uit den vorigen regel (I), en wordt nader bevestigd door den overgang derfenstotvenzin woorden alskalf—kalven,erf—erven,baars—baarzen,els—elzen,zalf—zalven,hals—halzenenz.262. Een twijfel is bij sommigen gerezen omtrent het afbreken der woorden met de tusschenlettersng. De eigenaardige uitspraak van dezen klank deed den schijn ontstaan, alsofngslechts één enkele medeklinker was. In wezenlijkheid echter is dit niet het geval. Dengis, blijkens haar oorsprong, onloochenbaar de vereeniging van dezelfde gutturalen, die inden-kenenzin-kengehoord wordt, met degin haar oorspronkelijken klank (d.i. dien der Friesche en Franscheg, als ingrand,guerreenz.). Moge al deuitspraak allengs zijn gewijzigd, zoodat degbijna geheel verflauwd is en nauwelijks meer vernomen wordt, dit kan toch geene voldoende reden zijn om de beide letters, gelijk sommigen willen, als eene eenheid te beschouwen en daarom bij het afbreken ongescheiden te laten. Steldenginderdaad een gewonen enkelvoudigen medeklinker voor, men zou, volgens regel I en§ 260,ta-ngen,ze-ngen,to-ngenenz. moeten schrijven. Doch dit wil niemand, en het zou ook geheel strijdig zijn met den aard der taal. In geen enkel woord treft men vóórngeen helderen klinker aan, gelijk deáé,óintá-kel,zé-gel,bó-gen; men vindt uitsluitend een kort afgebrokenen, als intàk,zèg,dòf. Dit bewijst onwedersprekelijk, dat de voorgaande lettergrepen zonder uitzondering gesloten zijn, dat wil zeggen, op een medeklinker eindigen, en steeds gesloten blijven, ook wanneer de woorden verbuiging ondergaan, zoodat denengniet beide tot de volgende lettergreep gebracht kunnen worden. Trouwensnglaat zich aan het begin eener lettergreep niet uitspreken, wat bij de schrijfwijzeta-ngenenz. ondersteld wordt. Schrijft men daarentegending-en, dan zondigt men tegen het beginsel, boven in§ 260omschreven, dat in onze taal zoo duidelijk is uitgedrukt. De beide schrijfwijzen,di-ngenending-en, zijn dus evenzeer te verwerpen. Alleendin-genis met de afleiding en den aard van ons taaleigen in overeenstemming. Voor de uitspraak kan het geen bezwaar opleveren, mits men den aard en de kracht der letters kenne; en die kennis is bij alles, wat spelling betreft, een onmisbaar vereischte, dat men recht heeft te onderstellen.a) Vreest men nochtans door het scheiden derneng(han-gen) de bekende verkeerde uitspraak in de hand te werken, dan vermijde men in het schrift het afbreken der zoodanige woorden, hetgeen zonder groot bezwaar geschieden kan.Vangen,vanger,brengen,brengerzijn geen langer woorden danlangst,vangst,op-brengst, waarbij geene scheiding mogelijk is.b) Dezelfde opmerking geldt nog meer bij de woordenkachel,echo,richel,tichelenz., waarin niemand de regelmatige verdubbeling derchwil, ofschoon de eerste lettergreep als gesloten moet beschouwd worden. Men scheide bijdeze woorden de lettergrepen liever niet; dan bestaat er geen gevaar, dat men de eerste verkeerd zal uitspreken. Dechbij de eerste lettergreep te voegen enlach-en,lich-aamaf te breken, is volgens regel I slechts een tweede vergrijp tegen ons taaleigen, dat eigenlijk de spellinglach-chenenz. zou eischen. Het zou eene nieuwe taalfout zijn, aan eene bestaande toegevoegd.263. III. Hetzelfde streven der taal, waarop de Regel der Gelijkvormigheid (§ 49) berust, namelijk om de duidelijkheid te bevorderen door in afgeleide en samengestelde woorden den vorm der deelen zooveel doenlijk ongeschonden te bewaren, openbaart zich ook bij de verdeeling der woorden in lettergrepen. Het duidelijkst ziet men zulks bij samenstellingen. Daarin toch blijft iedere letter in het woord, waartoe zij behoort. Men scheidt aldus:eer-ambt,mein-eed,uit-een,haard-aschenz., en niet, gelijk de twee vorige grondbeginselen zouden medebrengen,ee-rambt,mei-need,ui-teen,haar-daschenz.Dat de taal het volstrekt zóó wil, blijkt uit de spellingkwab-aal,bedil-al,slok-op,al-om,veel-al,wel-eer, nietkwab-baal,bedil-lal,slok-kop,al-lom,ve-lal(naastve-len),wel-leerenz.a)Alleenenwanneermet verdubbeldelennmaken hier uitzonderingen. Die spelling bewijst, dat men deze woorden niet meer als samenstellingen vanaleneen,waneneerherkent.b) Ofschoon de gewone uitspraak door verkeerde toepassing van regel II vrij algemeen inaar-dakerenaar-dappelded, en inel-kanderenmal-kanderdekbij de volgende lettergreep voegt, zoo kan dit misbruik geene voldoende reden zijn om bij de genoemde woorden eene inbreuk op den regel te maken. Men breke daarom af:aard-aker,aard-appel,elk-ander,malk-ander(uitmanlijk, d.i. ieder, enander).264. Hetzelfde beginsel openbaart zich, ofschoon minder regelmatig, bij de afgeleide woorden. Vooreerst worden dezulke, die gevormd zijn met (onscheidbare) voorvoegsels, alsbe-,ge-,her-,on-enz., welke eigenlijk samenstellingenzijn, geheel op de wijze der composita behandeld. Men scheidt aldus:be-dwelmen,ge-dragen,her-overen,on-eens,ont-erven,wan-orde; niet, gelijk de vorige grondbeginselen zouden vorderen:bèd-welmen,gèd-ragen,hé-roveren,ò-neens,on-terven,wá-norde; de uitspraak en de spelling bewijzen duidelijk het tegendeel.Al onze voorvoegselsbe-,er-,ge-,her-,on-,ont-,oor-enwan-zijn oorspronkelijk op zich zelve bestaande woorden geweest. De daarmede gevormde woorden zijn dus eigenlijk composita. Dat die voorvoegsels nu niet meer, althans niet onder dien vorm, als zelfstandige woorden gebezigd worden en eene veel algemeener beteekenis hebben aangenomen dan zij oorspronkelijk hadden, is de oorzaak, dat de Nederlandsche grammatica de daarmede gevormde woorden tot de afleidingen brengt. De Hoogduitsche taalkundigen beschouwen zulke woorden nog altijd als samenstellingen; en onze spelling bewijst, dat zij, wat den uiterlijken vorm ten minste betreft, nog steeds daartoe behooren.265. Ook de woorden, door aanhechting der achtervoegsels-achtig,-haft,-haftig,-schapen-zaamgevormd, zijn oorspronkelijk composita, en volgen den regel der samengestelde woorden. Men scheidt aldus:aap-achtig,bok-achtig,snap-achtig,wit-achtig,held-haftig,partij-schap,voogdij-schap,moei-zaam. Dat de taal zulks eischt, blijkt zoowel uit de uitspraak als uit de spelling. Wilde zij hier de twee vorige beginselen gehuldigd hebben, zij zoua-pachtig,bok-kachtig,snap-pachtig,wit-tachtiguitspreken en schrijven.De woorden op-aardzijn insgelijks samenstellingen (zie§ 100) en moeten derhalve op dezelfde wijze behandeld worden. Wij breken daarom aldus af:bast-aard,dronk-aard,woest-aard,wreed-aardenz., nietbas-taard,dron-kaard,wree-daardenz.; en schrijven dienovereenkomstig:grijs-aard,laf-aard, nietgrij-zaard,laf-faard. Alleen de onregelmatig, d.i. van werkwoorden gevormdegrijnzaardenveinzaardkunnen niet anders dan als afleidingen beschouwd,gespeld en afgebroken worden (grijn-zaard,vein-zaard).266. Bij de woorden, kennelijk afgeleid door middel van ware achtervoegsels, die geheel uit medeklinkers bestaan of er mede beginnen, als:-d,-t,-s,-sch,-st,-de,-te,-se,-ster, gaat de taal volgens hetzelfde beginsel te werk: het grondwoord blijft in zijn geheel en het achtervoegsel wordt geheel afgescheiden. Bij de achtervoegsels, die uit slechts éénen medeklinker bestaan of met éénen medeklinker aanvangen, volgt dit reeds vanzelf uit de twee vorige regels (I en II.) In overeenstemming daarmede scheidt men aldus:klach-tenvanklach-t,slach-ter,deug-denvandeug-d,lood-senvanlood-s,lief-de,hoog-te,vre-de,vee-te,smid-seenz. Doch hetzelfde heeft insgelijks plaats bij die, welke uit twee medeklinkers bestaan of met twee beginnen, namelijk bij-st,-schen het vervrouwelijkende-ster. Ook bij-sch, dat thans als eene enkelesluidt, geschiedt zulks in overeenstemming met regel I en II:vlee-schelijk,ei-schen,groot-sche. De gebruikelijke scheidinggedwee-ste,mee-ste,mooi-ste,fraai-ste,lui-ste, ennaai-ster,brei-ster,vrij-ster,vlei-ster, is in strijd met regel II, diegedwees-te,naais-terenz. eischen zou; maar zij bewijst ten klaarste, dat de taal ook de achtervoegsels, zooveel slechts doenlijk, in hun geheel laat en als de afzonderlijke deelen eener samenstelling behandelt. Hieruit volgt, dat men ookbang-ste,hard-ste,hoog-ste, enbak-ster,zang-sterzal moeten scheiden, waarin drie of vier tusschenletters voorkomen, omtrent welk geval de regels I en II zwijgen.—Alleen de woordennaas-te(overtreffende trap vanna) enbes-te(voorbetste) zijn uitzonderingen, die genoeg zijn gewettigd: de eerste door de spelling met de dubbelea, ter voorkoming van de uitspraaknàste; de tweede doordien de scheidingbe-stetot de uitspraakbé-steaanleiding zou geven.267. De taal zelve toont derhalve ook hier duidelijk, dat zij den vorm der deelen, waaruit de woorden bestaan, zooveelmet de uitspraak overeen is te brengen, ongeschonden wil voor oogen stellen. Maar dan is ook de vraag opgelost, hoe men te handelen heeft met det,pens, die in sommige verkleinwoorden vóór-jeen-ken(of-ke) ingelascht worden. Zij maken, wel is waar, geen onmisbaar bestanddeel dier achtervoegsels uit, maar zijn toch alleen om hunnentwil aanwezig; en zij behooren zeker niet tot het grondwoord, d.i. tot de voorgaande lettergreep. Het taaleigen brengt derhalve mede, dat men aldus verdeelt:stoel-tje,zoon-tje,boom-pje,bloem-pje,jong-ske(n),penning-ske(n),doek-ske(n), enz.Dat men rationeel handelt en de duidelijkheid bevordert door zoodoende het grondwoord geheel af te zonderen, blijkt uit de vergelijking vanoor-tje(kleinoor) enoort-je(geldswaarde), vanbuur-tje(buurman) enbuurt-je(kleinebuurt), vanvaâr-tje(vadertje) envaart-je(kleinevaart), vanzee-tje(kleinezee) enzeet-je(zitje).In het Grieksch, en in navolging hiervan ook in het Latijn, pleegt men alleen die consonanten bij de volgende lettergreep te voegen, waarmede Grieksche woorden kunnen beginnen. Men zou geneigd kunnen zijn dit op onze taal toe te passen en op dien grond de verdeelingbloem-pje,jong-skente verwerpen. Men bedenke echter, dat het Nederlandsch geen Grieksch is; dat alle woorden, die thans metschbeginnen, voorheen metskaanvingen; en datpjzich even gemakkelijk laat uitspreken alstj, blijkens Frieschpjuuk(piek, schaatsenrijdershaak,) naasttjalk,tjilpenenz. De uitspraak levert dus geen bezwaar op tegen de hier voorgeslagene wijze van verdeeling, zoodat de Regel der Gelijkvormigheid hier volle kracht kan hebben.268. Reeds bij regel I is gebleken, dat de taal ten opzichte der achtervoegsels, die met een klinker beginnen, als-er,-ig,-ierenz., anders te werk gaat. Daar zij zooveel doenlijk zoekt te vermijden dat eene volgende lettergreep met een klinker begint, schroomt zij niet eene sluitletter van het grondwoord te scheiden en bij het suffix te voegen, b.v.verra-der,bin-der,tui-nier,toch-tig,zan-digenz. Hier gelden dus regel I en II.Woorden, wier etymologische vorm volstrekt onkenbaar geworden is, volgen de regels I en II; dus:we-reld, nietweer-eld, ofschoon uitweerenald;lie-verd, nietlief-erd, ofschoon-erdhetzelfde woord is als-aardingrijsaard.269. IV. Minder duidelijk verklaart zich de taal ten aanzien van het verdeelen der woorden, waarin drie of vier letters bijeen staan, en die niet rechtstreeks onder den voorgaanden regel vallen, omdat hunne etymologie bij het algemeen onbekend is, als:ambt,arts,koorts,toorts,ernst,hengst,erwt,schurft. Zij zijn deels oorspronkelijk vreemde woorden, alstoorts(fr.torche),venster(lat.fenestra); deels afgeleide, alsvor-st(vanvoor),worst(vanwirrenofwerren, in dewarbrengen, en vroeger ookvermengen);ambtis eene samentrekkhig vanambacht. De vorm kan hier dus niet gevoeglijk als richtsnoer bij het afbreken dienen. Dit verhindert evenwel niet, dat er tamelijk goede regels te vinden zijn.—Vooreerst is het natuurlijk, dat men tot de volgende lettergreep geene letters brengen mag, die zich niet gezamenlijk aan het begin eener syllabe laten uitspreken, dus geenebt,ft,wt. Daaruit volgt, dat menamb-ten,schurf-tig,erw-tenafbreekt, nietam-bten,schur-ftig,er-wten, ofschoon de etymologie zulks eischen zou.—Bijartsen,ertsen,schertsen,koortsen,toortsenenz. kan men een oogenblik in twijfel staan omtrent de keus tusschenart-sen,koort-senenar-tsen,koor-tsen, daar dets, blijkens de verouderde schrijfwijzentsamen,tsestig,tseventig,tsidderen, zich aan het begin eener lettergreep wel laat uitspreken. Wanneer men echter bedenkt, dat de taal die woorden thans zondertwil uitgesproken hebben, en daardoor niet onduidelijk te kennen geeft, dat zijtsvoor niet welluidend houdt, dan zal men aan de verdeelingart-sen,schert-sen,koort-senzonder aarzelen de voorkeur geven.—Onder de woorden metst, voorafgegaan door éénen of twee medeklinkers, alsangst,korstenz., zijn er eenige mett, niet metst, gevormd. Zeker is zulks hetgeval met (wij)dorsten(durfden), waarschijnlijk ook metdorst; de meeste echter zijn stellig afleidingen metst, alsangst,ernst,worst, die men derhalve volgens Regel III te behandelen heeft:ang-stig,ern-stig,wor-sten. Het is uit dien hoofde het raadzaamst, en zeker het gemakkelijkst, de weinige overige insgelijks op dezelfde wijze te verdeelen, al zou de etymologie ook het omgekeerde eischen; dusven-ster,un-ster,glin-steren,heng-sten,hal-ster,bor-stel,dor-sten, evenzeer alsdien-sten,gun-sten,kun-sten,win-sten,toekom-stig, van de bekende grondwoordendienen,gunnen,kunnen,winnen,komen.270. V. In vreemde woorden en eigennamen, als:ábrikoos,ágrimonie,Acropolis,Abraham,Acra,Adriaan,Aglaja,Atroposenz., waarin eene vaste letter (muta) door eene vloeiende (liquida) gevolgd wordt, gaat men, blijkens de uitspraak, naar het vreemde spraakgebruik te werk, en brengt men de beide medeklinkers tot de volgende lettergreep, zoodat men scheidt:a-brikoos,a-grimonie,A-brahamenz.Sommige dichters handelen evenzoo bij Nederlandsche woorden, wanneer zij om het metrum tusschen eene muta en eene liquida een toonloozen klinker uitstooten; b.v. bija-drenvooraderen,vo-glen,ne-drig. Anderen schrijvenaadren,vooglen,needrig, hetgeen de scheidingaad-ren,voog-lenenz. onderstelt.
257. Het leerstuk aangaande de verdeeling der woorden in lettergrepen geeft het antwoord op de vraag:tot welke lettergreep moeten, bij het afbreken van een woord, de tusschenletters gerekend worden? tot de voorgaande of tot de volgende lettergreep?
Bij het beantwoorden dier vraag heeft men de vreemde woorden en bastaardwoorden van de echt Nederlandsche af te zonderen, en bij deze laatste weder onderscheid te maken tusschen verbogene, afgeleide en samengestelde woorden.
a) Doortusschenlettersworden hier verstaan allemedeklinkers, die in eenig woord tusschen twee klinkers of tweeklanken staan.Beginlettersnoemen wij allemedeklinkers, die zich aan het begin van een woord vóór den eersten klinker of tweeklank bevinden;sluitlettersallemedeklinkers, die aan het einde van een woord achter den laatsten klinker of tweeklank komen. Zoo zijn b.v. degindagen, derenbinarbeid, der,tensinkoortsentusschenletters: instrandtzijns,tenrbegin-,n,dentsluitletters.b) Onderafgeleide woordenbegrijpen wij hier ook de zoogenaamdemiddelwoorden, ook welonechte stammengeheeten, d.i. dezulke, die door hunne voor- of achtervoegsels het voorkomen vanafgeleidewoorden hebben, doch die niet van bekende grondwoorden gevormd zijn, b.v.gezond,hagele.a. Zij worden geheel als de overeenkomstige woorden van bekenden vorm behandeld en vereischen dus geene afzonderlijke regels; trouwens, zoodra hunne etymologie bekend wordt, houden zij opmiddelwoordente zijn en gaan zij in de klasse der afleidingen over.
a) Doortusschenlettersworden hier verstaan allemedeklinkers, die in eenig woord tusschen twee klinkers of tweeklanken staan.Beginlettersnoemen wij allemedeklinkers, die zich aan het begin van een woord vóór den eersten klinker of tweeklank bevinden;sluitlettersallemedeklinkers, die aan het einde van een woord achter den laatsten klinker of tweeklank komen. Zoo zijn b.v. degindagen, derenbinarbeid, der,tensinkoortsentusschenletters: instrandtzijns,tenrbegin-,n,dentsluitletters.
b) Onderafgeleide woordenbegrijpen wij hier ook de zoogenaamdemiddelwoorden, ook welonechte stammengeheeten, d.i. dezulke, die door hunne voor- of achtervoegsels het voorkomen vanafgeleidewoorden hebben, doch die niet van bekende grondwoorden gevormd zijn, b.v.gezond,hagele.a. Zij worden geheel als de overeenkomstige woorden van bekenden vorm behandeld en vereischen dus geene afzonderlijke regels; trouwens, zoodra hunne etymologie bekend wordt, houden zij opmiddelwoordente zijn en gaan zij in de klasse der afleidingen over.
258. De scheiding der lettergrepen is geenszins iets willekeurigs, maar hangt in iedere taal ten nauwste samen met hare eigenaardige uitspraak en spelling. De Redactie gaat daarbij te werk naar de volgende grondbeginselen, die onze taal zelve aan de hand geeft:
259. I. Wanneer inniet samengesteldewoorden tusschen twee opeenvolgende lettergrepen slechts één medeklinker voorkomt, dan behoort deze tot de volgende lettergreep; b.v. indra-gen,e-ten,ho-pen,u-ren,za-lig,wa-semenz.
De taal zelve leert duidelijk, dat zij zóó gescheiden wil hebben. Vooreerst door het uitstooten van ééneaenu, dikwijls ook van eeneeeno, wanneer deze in het onverbogene woord of het grondwoord verdubbeld zijn. In het tegenovergestelde geval toch zou zij den dubbelen klinker eischen indraag-en,eet-en,hoop-en,uur-en,zaal-ig,waas-emenz., evenzeer als indraag,eet,hoop,uur,zaal,waas, waarin de tusschenletter als sluitletter voorkomt.—Vervolgens door de verdubbeling der tusschenletter in woorden alsheb-ben,had-den,zon-nig,ken-nerenz., die onnoodig zou wezen, indien inheb-en,had-en,zon-ig,ken-erenz. de enkele tusschenletter tot de eerste lettergreep behoorde.—Eindelijk door de verandering der uitspraak indàg—dágen,bevèl—bevélen,slòt—slóten, en door den overgang derfensvan woorden alsbrief,buis,lees,liefenz. in devenzvanbrie-ven,bui-zen,le-zer,lie-ve, hetgeen bewijst, dat zij als beginletters worden aangemerkt.
260. Het is dus onloochenbaar, dat het Nederlandsch liever eene volgende lettergreep met een medeklinker begint dan eene voorafgaande daarmede te sluiten.—De ingelaschtedinbevrij(d)en,belij(d)en,vlie(d)en,wij(d)en,na(d)er(vanna) e.a.; dekinbijkerenkooikervanbijen(eenden)kooi; de woordenweldoe(n)er,opzie(n)er,voorgan(g)er,voorstan(d)er, vandoe-n,zie-n,gaa-n,staa-n; de flauwej, die inzee-en,thee-engehoord wordt; de alsjklinkendeiinkoei-en,vlooi-en(vankoeenvloo), bewijzen, dat onze taal eene volgende lettergreep ongaarne met een klinker laat aanvangen; terwijl daarentegenleiband,scheikunde,gelui,zijweg, vanleiden,scheiden,luiden,zijde;leelijkvanleed,kwalijkvankwaad,schielijkvanschiertoonen, dat zij niet schroomt eene lettergreep open te laten.
261. II. Wanneer er twee opeenvolgende tusschenletters voorkomen in woorden, dieniet samengesteldzijn nochafgeleiddoor middel van een achtervoegsel, dat gelijk-de,-ste, met een medeklinker begint, dan behoort de eerste tusschenletter tot de voorgaande, de tweede tot de volgende lettergreep; b.v. inbul-ten,hel-den,kas-ten,mel-ken,bul-tig.
Dat de eerste medeklinker tot de voorgaande lettergreep behoort, blijkt vooreerst uit de spellingnaal-den,paar-den,vaar-dig,huur-derenz. met den dubbelen klinker, die anders geheel overtollig zou wezen. Vervolgens uit de uitspraak van woorden alshànden,hèlden,hìnden,hònden,hùlde; en uit de verdubbeling der medeklinkers inkat-ten,bel-len,min-naar,kop-pigenz., welke in het tegenovergestelde geval geen doel zou treffen.
Dat de tweede tusschenletter tot de volgende lettergreep gerekend wordt, volgt reeds uit den vorigen regel (I), en wordt nader bevestigd door den overgang derfenstotvenzin woorden alskalf—kalven,erf—erven,baars—baarzen,els—elzen,zalf—zalven,hals—halzenenz.
262. Een twijfel is bij sommigen gerezen omtrent het afbreken der woorden met de tusschenlettersng. De eigenaardige uitspraak van dezen klank deed den schijn ontstaan, alsofngslechts één enkele medeklinker was. In wezenlijkheid echter is dit niet het geval. Dengis, blijkens haar oorsprong, onloochenbaar de vereeniging van dezelfde gutturalen, die inden-kenenzin-kengehoord wordt, met degin haar oorspronkelijken klank (d.i. dien der Friesche en Franscheg, als ingrand,guerreenz.). Moge al deuitspraak allengs zijn gewijzigd, zoodat degbijna geheel verflauwd is en nauwelijks meer vernomen wordt, dit kan toch geene voldoende reden zijn om de beide letters, gelijk sommigen willen, als eene eenheid te beschouwen en daarom bij het afbreken ongescheiden te laten. Steldenginderdaad een gewonen enkelvoudigen medeklinker voor, men zou, volgens regel I en§ 260,ta-ngen,ze-ngen,to-ngenenz. moeten schrijven. Doch dit wil niemand, en het zou ook geheel strijdig zijn met den aard der taal. In geen enkel woord treft men vóórngeen helderen klinker aan, gelijk deáé,óintá-kel,zé-gel,bó-gen; men vindt uitsluitend een kort afgebrokenen, als intàk,zèg,dòf. Dit bewijst onwedersprekelijk, dat de voorgaande lettergrepen zonder uitzondering gesloten zijn, dat wil zeggen, op een medeklinker eindigen, en steeds gesloten blijven, ook wanneer de woorden verbuiging ondergaan, zoodat denengniet beide tot de volgende lettergreep gebracht kunnen worden. Trouwensnglaat zich aan het begin eener lettergreep niet uitspreken, wat bij de schrijfwijzeta-ngenenz. ondersteld wordt. Schrijft men daarentegending-en, dan zondigt men tegen het beginsel, boven in§ 260omschreven, dat in onze taal zoo duidelijk is uitgedrukt. De beide schrijfwijzen,di-ngenending-en, zijn dus evenzeer te verwerpen. Alleendin-genis met de afleiding en den aard van ons taaleigen in overeenstemming. Voor de uitspraak kan het geen bezwaar opleveren, mits men den aard en de kracht der letters kenne; en die kennis is bij alles, wat spelling betreft, een onmisbaar vereischte, dat men recht heeft te onderstellen.
a) Vreest men nochtans door het scheiden derneng(han-gen) de bekende verkeerde uitspraak in de hand te werken, dan vermijde men in het schrift het afbreken der zoodanige woorden, hetgeen zonder groot bezwaar geschieden kan.Vangen,vanger,brengen,brengerzijn geen langer woorden danlangst,vangst,op-brengst, waarbij geene scheiding mogelijk is.b) Dezelfde opmerking geldt nog meer bij de woordenkachel,echo,richel,tichelenz., waarin niemand de regelmatige verdubbeling derchwil, ofschoon de eerste lettergreep als gesloten moet beschouwd worden. Men scheide bijdeze woorden de lettergrepen liever niet; dan bestaat er geen gevaar, dat men de eerste verkeerd zal uitspreken. Dechbij de eerste lettergreep te voegen enlach-en,lich-aamaf te breken, is volgens regel I slechts een tweede vergrijp tegen ons taaleigen, dat eigenlijk de spellinglach-chenenz. zou eischen. Het zou eene nieuwe taalfout zijn, aan eene bestaande toegevoegd.
a) Vreest men nochtans door het scheiden derneng(han-gen) de bekende verkeerde uitspraak in de hand te werken, dan vermijde men in het schrift het afbreken der zoodanige woorden, hetgeen zonder groot bezwaar geschieden kan.Vangen,vanger,brengen,brengerzijn geen langer woorden danlangst,vangst,op-brengst, waarbij geene scheiding mogelijk is.
b) Dezelfde opmerking geldt nog meer bij de woordenkachel,echo,richel,tichelenz., waarin niemand de regelmatige verdubbeling derchwil, ofschoon de eerste lettergreep als gesloten moet beschouwd worden. Men scheide bijdeze woorden de lettergrepen liever niet; dan bestaat er geen gevaar, dat men de eerste verkeerd zal uitspreken. Dechbij de eerste lettergreep te voegen enlach-en,lich-aamaf te breken, is volgens regel I slechts een tweede vergrijp tegen ons taaleigen, dat eigenlijk de spellinglach-chenenz. zou eischen. Het zou eene nieuwe taalfout zijn, aan eene bestaande toegevoegd.
263. III. Hetzelfde streven der taal, waarop de Regel der Gelijkvormigheid (§ 49) berust, namelijk om de duidelijkheid te bevorderen door in afgeleide en samengestelde woorden den vorm der deelen zooveel doenlijk ongeschonden te bewaren, openbaart zich ook bij de verdeeling der woorden in lettergrepen. Het duidelijkst ziet men zulks bij samenstellingen. Daarin toch blijft iedere letter in het woord, waartoe zij behoort. Men scheidt aldus:eer-ambt,mein-eed,uit-een,haard-aschenz., en niet, gelijk de twee vorige grondbeginselen zouden medebrengen,ee-rambt,mei-need,ui-teen,haar-daschenz.
Dat de taal het volstrekt zóó wil, blijkt uit de spellingkwab-aal,bedil-al,slok-op,al-om,veel-al,wel-eer, nietkwab-baal,bedil-lal,slok-kop,al-lom,ve-lal(naastve-len),wel-leerenz.
a)Alleenenwanneermet verdubbeldelennmaken hier uitzonderingen. Die spelling bewijst, dat men deze woorden niet meer als samenstellingen vanaleneen,waneneerherkent.b) Ofschoon de gewone uitspraak door verkeerde toepassing van regel II vrij algemeen inaar-dakerenaar-dappelded, en inel-kanderenmal-kanderdekbij de volgende lettergreep voegt, zoo kan dit misbruik geene voldoende reden zijn om bij de genoemde woorden eene inbreuk op den regel te maken. Men breke daarom af:aard-aker,aard-appel,elk-ander,malk-ander(uitmanlijk, d.i. ieder, enander).
a)Alleenenwanneermet verdubbeldelennmaken hier uitzonderingen. Die spelling bewijst, dat men deze woorden niet meer als samenstellingen vanaleneen,waneneerherkent.
b) Ofschoon de gewone uitspraak door verkeerde toepassing van regel II vrij algemeen inaar-dakerenaar-dappelded, en inel-kanderenmal-kanderdekbij de volgende lettergreep voegt, zoo kan dit misbruik geene voldoende reden zijn om bij de genoemde woorden eene inbreuk op den regel te maken. Men breke daarom af:aard-aker,aard-appel,elk-ander,malk-ander(uitmanlijk, d.i. ieder, enander).
264. Hetzelfde beginsel openbaart zich, ofschoon minder regelmatig, bij de afgeleide woorden. Vooreerst worden dezulke, die gevormd zijn met (onscheidbare) voorvoegsels, alsbe-,ge-,her-,on-enz., welke eigenlijk samenstellingenzijn, geheel op de wijze der composita behandeld. Men scheidt aldus:be-dwelmen,ge-dragen,her-overen,on-eens,ont-erven,wan-orde; niet, gelijk de vorige grondbeginselen zouden vorderen:bèd-welmen,gèd-ragen,hé-roveren,ò-neens,on-terven,wá-norde; de uitspraak en de spelling bewijzen duidelijk het tegendeel.
Al onze voorvoegselsbe-,er-,ge-,her-,on-,ont-,oor-enwan-zijn oorspronkelijk op zich zelve bestaande woorden geweest. De daarmede gevormde woorden zijn dus eigenlijk composita. Dat die voorvoegsels nu niet meer, althans niet onder dien vorm, als zelfstandige woorden gebezigd worden en eene veel algemeener beteekenis hebben aangenomen dan zij oorspronkelijk hadden, is de oorzaak, dat de Nederlandsche grammatica de daarmede gevormde woorden tot de afleidingen brengt. De Hoogduitsche taalkundigen beschouwen zulke woorden nog altijd als samenstellingen; en onze spelling bewijst, dat zij, wat den uiterlijken vorm ten minste betreft, nog steeds daartoe behooren.
Al onze voorvoegselsbe-,er-,ge-,her-,on-,ont-,oor-enwan-zijn oorspronkelijk op zich zelve bestaande woorden geweest. De daarmede gevormde woorden zijn dus eigenlijk composita. Dat die voorvoegsels nu niet meer, althans niet onder dien vorm, als zelfstandige woorden gebezigd worden en eene veel algemeener beteekenis hebben aangenomen dan zij oorspronkelijk hadden, is de oorzaak, dat de Nederlandsche grammatica de daarmede gevormde woorden tot de afleidingen brengt. De Hoogduitsche taalkundigen beschouwen zulke woorden nog altijd als samenstellingen; en onze spelling bewijst, dat zij, wat den uiterlijken vorm ten minste betreft, nog steeds daartoe behooren.
265. Ook de woorden, door aanhechting der achtervoegsels-achtig,-haft,-haftig,-schapen-zaamgevormd, zijn oorspronkelijk composita, en volgen den regel der samengestelde woorden. Men scheidt aldus:aap-achtig,bok-achtig,snap-achtig,wit-achtig,held-haftig,partij-schap,voogdij-schap,moei-zaam. Dat de taal zulks eischt, blijkt zoowel uit de uitspraak als uit de spelling. Wilde zij hier de twee vorige beginselen gehuldigd hebben, zij zoua-pachtig,bok-kachtig,snap-pachtig,wit-tachtiguitspreken en schrijven.
De woorden op-aardzijn insgelijks samenstellingen (zie§ 100) en moeten derhalve op dezelfde wijze behandeld worden. Wij breken daarom aldus af:bast-aard,dronk-aard,woest-aard,wreed-aardenz., nietbas-taard,dron-kaard,wree-daardenz.; en schrijven dienovereenkomstig:grijs-aard,laf-aard, nietgrij-zaard,laf-faard. Alleen de onregelmatig, d.i. van werkwoorden gevormdegrijnzaardenveinzaardkunnen niet anders dan als afleidingen beschouwd,gespeld en afgebroken worden (grijn-zaard,vein-zaard).
266. Bij de woorden, kennelijk afgeleid door middel van ware achtervoegsels, die geheel uit medeklinkers bestaan of er mede beginnen, als:-d,-t,-s,-sch,-st,-de,-te,-se,-ster, gaat de taal volgens hetzelfde beginsel te werk: het grondwoord blijft in zijn geheel en het achtervoegsel wordt geheel afgescheiden. Bij de achtervoegsels, die uit slechts éénen medeklinker bestaan of met éénen medeklinker aanvangen, volgt dit reeds vanzelf uit de twee vorige regels (I en II.) In overeenstemming daarmede scheidt men aldus:klach-tenvanklach-t,slach-ter,deug-denvandeug-d,lood-senvanlood-s,lief-de,hoog-te,vre-de,vee-te,smid-seenz. Doch hetzelfde heeft insgelijks plaats bij die, welke uit twee medeklinkers bestaan of met twee beginnen, namelijk bij-st,-schen het vervrouwelijkende-ster. Ook bij-sch, dat thans als eene enkelesluidt, geschiedt zulks in overeenstemming met regel I en II:vlee-schelijk,ei-schen,groot-sche. De gebruikelijke scheidinggedwee-ste,mee-ste,mooi-ste,fraai-ste,lui-ste, ennaai-ster,brei-ster,vrij-ster,vlei-ster, is in strijd met regel II, diegedwees-te,naais-terenz. eischen zou; maar zij bewijst ten klaarste, dat de taal ook de achtervoegsels, zooveel slechts doenlijk, in hun geheel laat en als de afzonderlijke deelen eener samenstelling behandelt. Hieruit volgt, dat men ookbang-ste,hard-ste,hoog-ste, enbak-ster,zang-sterzal moeten scheiden, waarin drie of vier tusschenletters voorkomen, omtrent welk geval de regels I en II zwijgen.—Alleen de woordennaas-te(overtreffende trap vanna) enbes-te(voorbetste) zijn uitzonderingen, die genoeg zijn gewettigd: de eerste door de spelling met de dubbelea, ter voorkoming van de uitspraaknàste; de tweede doordien de scheidingbe-stetot de uitspraakbé-steaanleiding zou geven.
267. De taal zelve toont derhalve ook hier duidelijk, dat zij den vorm der deelen, waaruit de woorden bestaan, zooveelmet de uitspraak overeen is te brengen, ongeschonden wil voor oogen stellen. Maar dan is ook de vraag opgelost, hoe men te handelen heeft met det,pens, die in sommige verkleinwoorden vóór-jeen-ken(of-ke) ingelascht worden. Zij maken, wel is waar, geen onmisbaar bestanddeel dier achtervoegsels uit, maar zijn toch alleen om hunnentwil aanwezig; en zij behooren zeker niet tot het grondwoord, d.i. tot de voorgaande lettergreep. Het taaleigen brengt derhalve mede, dat men aldus verdeelt:stoel-tje,zoon-tje,boom-pje,bloem-pje,jong-ske(n),penning-ske(n),doek-ske(n), enz.
Dat men rationeel handelt en de duidelijkheid bevordert door zoodoende het grondwoord geheel af te zonderen, blijkt uit de vergelijking vanoor-tje(kleinoor) enoort-je(geldswaarde), vanbuur-tje(buurman) enbuurt-je(kleinebuurt), vanvaâr-tje(vadertje) envaart-je(kleinevaart), vanzee-tje(kleinezee) enzeet-je(zitje).
In het Grieksch, en in navolging hiervan ook in het Latijn, pleegt men alleen die consonanten bij de volgende lettergreep te voegen, waarmede Grieksche woorden kunnen beginnen. Men zou geneigd kunnen zijn dit op onze taal toe te passen en op dien grond de verdeelingbloem-pje,jong-skente verwerpen. Men bedenke echter, dat het Nederlandsch geen Grieksch is; dat alle woorden, die thans metschbeginnen, voorheen metskaanvingen; en datpjzich even gemakkelijk laat uitspreken alstj, blijkens Frieschpjuuk(piek, schaatsenrijdershaak,) naasttjalk,tjilpenenz. De uitspraak levert dus geen bezwaar op tegen de hier voorgeslagene wijze van verdeeling, zoodat de Regel der Gelijkvormigheid hier volle kracht kan hebben.
In het Grieksch, en in navolging hiervan ook in het Latijn, pleegt men alleen die consonanten bij de volgende lettergreep te voegen, waarmede Grieksche woorden kunnen beginnen. Men zou geneigd kunnen zijn dit op onze taal toe te passen en op dien grond de verdeelingbloem-pje,jong-skente verwerpen. Men bedenke echter, dat het Nederlandsch geen Grieksch is; dat alle woorden, die thans metschbeginnen, voorheen metskaanvingen; en datpjzich even gemakkelijk laat uitspreken alstj, blijkens Frieschpjuuk(piek, schaatsenrijdershaak,) naasttjalk,tjilpenenz. De uitspraak levert dus geen bezwaar op tegen de hier voorgeslagene wijze van verdeeling, zoodat de Regel der Gelijkvormigheid hier volle kracht kan hebben.
268. Reeds bij regel I is gebleken, dat de taal ten opzichte der achtervoegsels, die met een klinker beginnen, als-er,-ig,-ierenz., anders te werk gaat. Daar zij zooveel doenlijk zoekt te vermijden dat eene volgende lettergreep met een klinker begint, schroomt zij niet eene sluitletter van het grondwoord te scheiden en bij het suffix te voegen, b.v.verra-der,bin-der,tui-nier,toch-tig,zan-digenz. Hier gelden dus regel I en II.
Woorden, wier etymologische vorm volstrekt onkenbaar geworden is, volgen de regels I en II; dus:we-reld, nietweer-eld, ofschoon uitweerenald;lie-verd, nietlief-erd, ofschoon-erdhetzelfde woord is als-aardingrijsaard.
Woorden, wier etymologische vorm volstrekt onkenbaar geworden is, volgen de regels I en II; dus:we-reld, nietweer-eld, ofschoon uitweerenald;lie-verd, nietlief-erd, ofschoon-erdhetzelfde woord is als-aardingrijsaard.
269. IV. Minder duidelijk verklaart zich de taal ten aanzien van het verdeelen der woorden, waarin drie of vier letters bijeen staan, en die niet rechtstreeks onder den voorgaanden regel vallen, omdat hunne etymologie bij het algemeen onbekend is, als:ambt,arts,koorts,toorts,ernst,hengst,erwt,schurft. Zij zijn deels oorspronkelijk vreemde woorden, alstoorts(fr.torche),venster(lat.fenestra); deels afgeleide, alsvor-st(vanvoor),worst(vanwirrenofwerren, in dewarbrengen, en vroeger ookvermengen);ambtis eene samentrekkhig vanambacht. De vorm kan hier dus niet gevoeglijk als richtsnoer bij het afbreken dienen. Dit verhindert evenwel niet, dat er tamelijk goede regels te vinden zijn.—Vooreerst is het natuurlijk, dat men tot de volgende lettergreep geene letters brengen mag, die zich niet gezamenlijk aan het begin eener syllabe laten uitspreken, dus geenebt,ft,wt. Daaruit volgt, dat menamb-ten,schurf-tig,erw-tenafbreekt, nietam-bten,schur-ftig,er-wten, ofschoon de etymologie zulks eischen zou.—Bijartsen,ertsen,schertsen,koortsen,toortsenenz. kan men een oogenblik in twijfel staan omtrent de keus tusschenart-sen,koort-senenar-tsen,koor-tsen, daar dets, blijkens de verouderde schrijfwijzentsamen,tsestig,tseventig,tsidderen, zich aan het begin eener lettergreep wel laat uitspreken. Wanneer men echter bedenkt, dat de taal die woorden thans zondertwil uitgesproken hebben, en daardoor niet onduidelijk te kennen geeft, dat zijtsvoor niet welluidend houdt, dan zal men aan de verdeelingart-sen,schert-sen,koort-senzonder aarzelen de voorkeur geven.—Onder de woorden metst, voorafgegaan door éénen of twee medeklinkers, alsangst,korstenz., zijn er eenige mett, niet metst, gevormd. Zeker is zulks hetgeval met (wij)dorsten(durfden), waarschijnlijk ook metdorst; de meeste echter zijn stellig afleidingen metst, alsangst,ernst,worst, die men derhalve volgens Regel III te behandelen heeft:ang-stig,ern-stig,wor-sten. Het is uit dien hoofde het raadzaamst, en zeker het gemakkelijkst, de weinige overige insgelijks op dezelfde wijze te verdeelen, al zou de etymologie ook het omgekeerde eischen; dusven-ster,un-ster,glin-steren,heng-sten,hal-ster,bor-stel,dor-sten, evenzeer alsdien-sten,gun-sten,kun-sten,win-sten,toekom-stig, van de bekende grondwoordendienen,gunnen,kunnen,winnen,komen.
270. V. In vreemde woorden en eigennamen, als:ábrikoos,ágrimonie,Acropolis,Abraham,Acra,Adriaan,Aglaja,Atroposenz., waarin eene vaste letter (muta) door eene vloeiende (liquida) gevolgd wordt, gaat men, blijkens de uitspraak, naar het vreemde spraakgebruik te werk, en brengt men de beide medeklinkers tot de volgende lettergreep, zoodat men scheidt:a-brikoos,a-grimonie,A-brahamenz.
Sommige dichters handelen evenzoo bij Nederlandsche woorden, wanneer zij om het metrum tusschen eene muta en eene liquida een toonloozen klinker uitstooten; b.v. bija-drenvooraderen,vo-glen,ne-drig. Anderen schrijvenaadren,vooglen,needrig, hetgeen de scheidingaad-ren,voog-lenenz. onderstelt.
Sommige dichters handelen evenzoo bij Nederlandsche woorden, wanneer zij om het metrum tusschen eene muta en eene liquida een toonloozen klinker uitstooten; b.v. bija-drenvooraderen,vo-glen,ne-drig. Anderen schrijvenaadren,vooglen,needrig, hetgeen de scheidingaad-ren,voog-lenenz. onderstelt.