De medeklinkers.92. Tot de regels betrekkelijk de medeklinkers overgaande, meenen wij het eerst melding te moeten maken van het belangrijke vraagstuk omtrent de spelling der woorden, waarin tweeklanken opivoorkomen. Moet menzaaijen,zaaien,zajenofzaayen,hooijen,hooien,hoojenofhooyenspellen? De uitspraak beslist hier niet stellig genoeg. Men hoort in de genoemde woorden wel is waar eenej, maar slechts zeer flauw en op verre na niet zoo duidelijk als aan het begin van een woord, b.v. injaar,jong, gelijk blijkt uit de vergelijking vanvleier,vleijermet (een goed)hooi-jaar. Het gebruik beslist evenmin, daar alle vier de schrijfwijzen hare voorstanders hebben gehad en gedeeltelijk nog hebben; men denke slechts aanbajert,dojerenoojevaarofooijevaar. Raadpleegt men de afleiding, dan wordt de zaak nog moeilijker. Indien men let op den oorsprong vanzaaijen,draaijen,naaijen, en op de afgeleidewoordenzaad,draad,naad, dan zoudenza-jen,dra-jen,na-jen, de ware vormen zijn; zoo ookstroo-jen, goth.strau-jan,too-jen, goth.tau-jan,boejenboe-jen, lat.boja; daarentegenhooi-en, enkooi-en, om goth.havi(hawi) en lat.cavea. Voor andere woorden beslist zij in het geheel niet. Verandertdiniof inj? Heeft menro-jenofrooi-en, vanroden;do-jerofdooi-er, vandoder;oojevaarofooievaar, vanoodevaar, te spellen? En welke letter moetschuijerenhebben, dat hetzelfde woord is alsschuren? Regels op de afleiding gegrond zijn hier derhalve zoo goed als onmogelijk; zij zouden de spelling slechts uiterst moeilijk maken en tot nieuwe geschillen aanleiding geven.De aangenomen spellingbaai—baaijen,rei—reijen,hooi—hooijendruischt dubbel aan tegen de analogie. Deze wil, dat een onverbogen woord den medeklinker, die in den verbogen toestand de volgende lettergreep begint, tot sluitletter zal hebben; b.v. datkwaadeindigen zal op dedvankwa-de, en zoo ookplaag,vrouwenz. op degenw, waarmede de tweede lettergrepen vanpla-genenvrou-wenaanvangen. Tegen dezen regel wordt gezondigd doorbaai,rei,boeienz. Ware dejin de verbogene vormen onmisbaar, de analogie zou haar evenzeer eischen in de onverbogenebaaij,reij,boeij, omdat deze woorden in het meervoudbaai-jen,rei-jen,boei-jenworden. Deze en dergelijke woorden, die eindigen op eenen tweeklank, waarinide laatste klinker is, worden nu stilzwijgend als uitzonderingen beschouwd. Die uitzondering zou nog te dulden zijn, indien zij niet zelve weder hare uitzonderingen had in de woorden opij. Deijtoch is ook een tweeklank, die opiuitgaat en dus in den verbogen toestand eene volgendejzou vorderen. Intusschen zal wel niemand lust hebben ombijjen,rijjen,vrijjen,vrijjerte schrijven. Het is dus niet te loochenen, dat de bestaande spelling der woorden met tweeklanken opionregelmatig is en inconsequent, zoowel in zich zelve als ten opzichte van eene groote menigte andere woorden. Er zijn er geweest, die het gebruik der enkelejhebbenvoorgeslagen, niet bedenkende, dat deze, wat de uitspraak betreft, wel volstaan kan inbajen,drajen,haajen,boejen,broejen,hoojen,loojenenz., maar niet inbrejen,ejeren,lejen,rejen,bujen,brujen,kujeren,schujerenenz. Ook handelt men bij deze schrijfwijze, evenzeer als bij die meti-j, in strijd met de afleiding, en brengt in een aantal woorden eenej, die er nooit in bestaan heeft: b.v. indojerofdooijer(doder),kojenofkooijen(caveae),ojevaarofooijevaar(oodevaar),rojenofrooijen(roden),leijen(lage),reijen(rege),schuijeren(schuiren,schuren). In sommige werkwoorden, alsdraaijen,naaijen,zaaijen,strooijen,tooijen, behoort dejwerkelijk tot den grondvorm. Deze zouden de spellingdrajen,najen,zajen,stroojen,toojeneischen; maar dan ookdraaj,hij draajt,draajde, waartoe men wel niet licht besluiten zou, te minder wanneer men bedenkt, dat dejin andere werkwoorden, b.v. inmaaijen,breijen, tegen de afleiding zou aandruischen. Doch, is er geene regelmatige spelling met de enkelejzoomin als met dei jmogelijk, dan blijft alleen die met de enkeleioverig, hetzij men die dooriof dooryvoorstelt. Dejis eigenlijk ook geheel overtollig; in eene beschaafde uitspraak wordt zij niet sterker gehoord dan de overgang van deitot den volgenden klinker vanzelf medebrengt, niet sterker dan de flauwejinzeeën,weeën,gedweeër,drieën,knieën, en in uitdrukkingen als:in boei en band,Mooi Antjeenz. Dejis, gelijk hare flauwe uitspraak en haar volstrekt afwezig zijn aan het einde eener lettergreep duidelijk genoeg bewijst, niets meer dan een onvermijdelijke overgang van den eenen klinker tot den anderen, en daarom in het schrijven evenzeer te verwerpen als debinhembden depinkompt; behoudt men haar, dan moeten ook dezebenpweder in aanmerking komen. Men zal gevoelen, dat de Redactie geene spelling kan behouden, die tegen alle regelmaat en in vele gevallen tegen de afleiding aandruischt, en die met de uitspraak slechts bezwaarlijk is overeen te brengen. Zij geeft daarom de voorkeur aan de eenige regelmatige schrijfwijze met de enkelei, en zulks te eer, omdat de spellingbaaien,breien,boeien,buienenz. sedert lang bij vele onzer beste schrijvers in gebruik was. Ofschoon wellicht geen hunner van den waren staat van zaken een klaar bewustzijn had, en sommigen dientengevolge bij de vormen op-igen-ingniet eenparig handelden, hun verzet tegen de aangenomen spelling toonde, dat zij de ongepastheid derjin die woorden duidelijk gevoelden3. De schrijfwijzebaaienenz, heeft niets tegen zich, dan dat men zich verplicht kan achten een trema op den klinker te zetten, die opivolgt, ten einde de verbinding van deze met de volgende letter te voorkomen, iets dat zeker vrij lastig en voor het oog weinig behaaglijk is. Om dit bezwaar bij de eenige regelmatige, consequente en kennelijk door de taal zelve gevorderde spelling te ontgaan, was de Redactie eerst voornemens de gewoneidoor dey, als zijnde ook eenei, te vervangen, enhooyen,samenvloeying,opruyingenz. te schrijven, waardoor de scheiding der lettergrepen eenigszins duidelijker zou aangewezen worden. Dat plan heeft echter zooveel tegenstand gevonden, dat zij niet raadzaam acht er bij te blijven en eene spelling aan te nemen, die algemeen mishaagt, omdat de eigenlijke waarde van het letterteekenyaan de meesten vreemd is geworden. Zij zelve had die slechts voorgeslagen om het scheiteeken te vermijden. Zij ziet er te eer van af, omdat zij in de toepassing practische moeilijkheden van typographischen aard heeft ontmoet, die zij niet had voorzien. Zij aarzelt dus niet langer de reeds bij velen gebruikelijke spelling met de gewoneiaan te nemen, en schrijft derhalve de woorden, waarin een der tweeklanken opi, te wetenaai,ei,ooi,uienoei, voorkomt, steeds met de gewonei, zonder inlassching eenerj, wanneer zij verlengd worden; derhalve:aaien,baaien,beien,breien,hooien,kooien,buien,kruien,boeien,knoeien,maaier,draaier,eieren,Beiersch,dooier,mooier,kruier,opruier,boeier,knoeier,baaierd,ooievaar,opruiing,samenvloeiingenz., evenalsbijen,rijen,vrijerenz.In vreemde woorden, alsbajonèt,sajèt, waar de klemtoon niet op deavalt, meent zij geenen tweeklank te moeten erkennen, te minder omdat de spellingbaaionet,saaietniet alleen er vreemd uitzien, maar ook tot eene verkeerde uitspraak aanleiding geven zou.93. Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de uitspraak en spelling van een paar woorden op-leien-hande. Sommigen schrijventweederlei,tweederhande,driederlei,driederhande, anderentweeërlei,tweeërhande,drieërlei,drieërhande. Welke schrijfwijze is te verkiezen, die met of die zonderd? Daar de uitspraak hier evenzeer als de spelling weifelend is, hangt de beslissing af van de vraag, welke spelling door den aard en de samenstelling dier woorden gevorderd wordt.De woorden op-leien-hande, ofschoon thans als afleidingen te beschouwen, zijn eigenlijke samenstellingen of koppelingen van een bepalend woord, alséén,twee,al,veelenz. met de zelfst. naamw.lei(ofr.ley) enhand, die beide vrouwelijk zijn, en hiersoortofgesteldheidbeteekenen.Eenerlei,eenerhande,allerlei,allerhandestaat gelijk metvan ééne soortofgesteldheid,van alle soortenofgesteldheden. Voorheen bezigde men ookgoederhandevoorvan eene goede soort; en zoo ookgoedertiere,quadertiere,allertiere,velertiere,menigertiereof-tieren, waarvan wij ons hedendaagschegoedertieren, met de bekende bepaalde beteekenis, hebben overgehouden. Bij de woorden op-leien-handeheeft men dus afwisselend met een enkelvoud of met een meervoud te doen, naar gelang van het getal, dat het bepalende woord medebrengt, waarop echter, gelijk bij andere samenstellingen, die in afleidingen zijn overgegaan (vergelijk die op-halveen-wege), geen acht meer geslagen wordt. Men zegt in het meervoud evenzeerallerlei, vooraller leien, als in het enkelvoudeenerlei; daarentegeneenerhande, methandin den ouden meervoudsvorm ope, evengoed alsvelerhande. Intusschen treft men altijd een vrouwelijken 2dennaamval aan, waaruit volgt, dat de bepalende woorden steeds op-ermoeten eindigen. Regelmatig zijn dus, wat het eerste lid betreft:eener-,geener-,eeniger-,meniger-,veler-,aller-,achter-,twintiger-,honderder-,duizenderleien-handeenz.; doch onregelmatigvierder-,vijfder-,zesder-,zevender-,negender-,tienderleien-handeenz., omdat men daarbij aan het bepalende woord den vorm van een ranggetal geeft. Dat zulks ten onrechte geschiedt, volgt reeds uit de beteekenis dier woorden, en blijkt bovendien uiteenerlei,driederlei,achterlei,twintigerlei,honderderlei, nieteersterlei,derderlei,achtsterlei,twintigsterlei,honderdsterleienz. De ingeschovendis trouwens ook niets anders dan eene vergroving der uitspraak van eene toonlooze lettergreep achter vloeiende letters, gelijkrennzijn. Bijvierderlei,zevenderlei,negenderlei,tienderleienz. heeft hetzelfde plaats als bijzwaarder,duurder,hoorder,scheerder,diender,boender,spaandersenz., en bijvilder,helder,kelder,zolderenz. vanvillen,hel,cellarium,solarium. Zoo zei men voorheen, en zegt men nog wel, ookeenderlei,alderhande,waarin aan dedwel geene beteekenis kan gehecht worden. Ofschoon men nu, door verkeerde gevolgtrekking, geheel ten onrechte dedook achter andere letters dan vloeiende, namelijk invijfderlei,elfderlei,twaalfderleienzesderleiheeft ingevoerd, hebben evenweleenerlei,achterlei,twintigerlei,honderderlei,duizenderleienz. den grammaticaal onberispelijken vorm behouden. Aan een practisch gemakkelijken regel:de achtervoegsels-leien-handetreden achter ranggetallen, valt dus niet te denken, zelfs niet bijdriederlei. De Redactie meent daarom in de beide twijfelachtige gevallen aan de meer beschaafde uitspraak zonder ded, waarbij de ware natuur der woorden meer uitkomt, de voorkeur te moeten geven. Zij schrijft derhalve:tweeërlei,tweeërhande,drieërlei,drieërhande.94. Vervolgens doet zich de vraag voor omtrent de spelling van den geadspireerden keelklank vóór det. Waar moet menchtspellen? waargt? Den regel, dienaangaande in 1804 gesteld, dat de woorden, afgeleid van stammen, waarin blijkbaar eenegvoorkomt, b.v. inklagtvanklagen, metg, de overige metchbehooren geschreven te worden, meenen wij niet te mogen behouden. Vooreerst toch is de afleiding van sommige woorden, welke in die categorie vallen, geheel onbekend of ten minste onzeker. Ten andere is degin sommige stamwoorden slechts eene aan het Nederlandsch, evenals aan het Deensch, in het bijzonder eigene verzachting van de oorspronkelijkech, b.v. invliegen,wij zagen,wij tegen,aangetogenen andere, zoodat doorvlugt,gezigt,togtenz. toch niet de ware vorm dier woorden voorgesteld wordt. De genoemde regel is ook moeilijk in de toepassing en is tot nu toe zeer willekeurig en onregelmatig toegepast. Zoo berust b.v. de spellingregt,regter,rigten,berigten, op eene verkeerde afleiding;geslacht(vanslag, soort),tucht,tuchtigen(vantiën,toogenz.), (be)tichten,van (aan)tijgen, zouden evenzeer eenegvorderen alsslagter,geslagt,togtenz. Eindelijk, de regel is, gelijk blijken zal, kennelijk in strijd met ons taaleigen.Het is om genoemde bedenkingen, dat wij ons den volgenden regel stellen:De geadspireerde keelletter, die zich vóór eene steeds in het woord blijvende en steedsonmiddellijkvolgendetbevindt, welke totdezelfdelettergreep behoort, wordt, zonder op de afleiding te letten, doorchvoorgesteld. Doch wanneer het woord eenegheeft, die, afwisselend, nu al dan nietonmiddellijkdoor detwordt gevolgd, of wanneer deze tot devolgendelettergreep behoort, dan blijft degonveranderd.Hoe willekeurig deze regel met zijne uitzonderingen bij den eersten aanblik ook schijnen moge, bij eene nadere beschouwing blijkt, dat hij door ons taaleigen gebiedend wordt gevorderd. Wanneer een vaste medeklinker (eene zoogenaamdemuta) reeds van oudsheronmiddellijk, d.i. zonder tusschenstaanden klinker, door eenetgevolgd werd, dan zijn beide medeklinkers zoo innig samengesmolten, dat zij eene soort van eenheid uitmaken, die met eenen verdubbelden, d.i. versterkten, medeklinker gelijkstaat. De samensmelting blijkt duidelijk uit de verscherping van den eersten medeklinker, die vervolgens meestal inchoverging; en uit de verkorting of verscherping van den voorgaanden helderen klinker, welk laatste verschijnsel ook bij eene verdubbeling, b.v. instòtterenvanstóóten, inverhèffennaastverhéven, plaats vindt. Zoo ontstondengràftengràchtvangráven;schàftenschàchtvanscháven;echtvanehe;gìft(mnl. ookgìcht) vangéven;plìchtvanplégen;kòchtenbruilòftvankóópenenlóópen;gewrochtvanworken;gezòcht,gerùchtenkluftvanzóéken,róépenenklieven;vernuftvoorvernumbtvanvernemen,vernomen. Doch men zegt en schrijft:hij graaft,schaaft,geeft,pleegt,koopt,loopt,zoekt,roept,verneemt, niethij gracht,schacht,giftofgicht, enz., omdat deze zelfde woorden devormengraven,ik graaf,schaven,ik schaafenz., zondert, nevens zich hebben. Het beurtelings af- en aanwezig zijn liet de samensmelting niet toe. Evenzoo zeggen en schrijven wijlaagte,leegte,hoogte,drukte,goedkoopte,diepte, nietlachte,lechte,hochte,druchte,goedkochte,dichte, alleen omdat det, tot de volgende lettergreep behoorende, zich niet zoo nauw aan den voorgaanden medeklinker kon aansluiten, dat hij met dezen samensmolt. Immers, waar de volgendeeontbreekt, daar openbaart zich de ineensmelting weder, zooals blijkt uit de vergelijking vanluwtemetlucht,ziektemet (water)zucht. Ook in de woorden, waarin oudtijds tusschen de beide medeklinkers een klinker werd aangetroffen, die eerst in betrekkelijk laten tijd is uitgevallen, is de ineensmelting door dien klinker verhinderd geworden, zoodat de voorgaande medeklinker niet veranderd, en een voorgaande heldere klinker niet verscherpt is. Dit blijkt uitabt(mnl.abbet), dat niet inaftofachtis overgegaan; uitambt(ambacht), nietaft, gelijkvernuftzou doen verwachten; uitkreeftenooft(bijKiliaankrevetenovet), nietkrechtenocht; uitmarkt(lat.mercatus), nietmarcht.Het is uit dien hoofde geheel overeenkomstig ons taaleigen, dat wij ons ten regel stellen:Degblijft in de regelmatige vervoeging der werkwoorden, wier stam op eenegeindigt, en in de zelfst. naamw., door achtervoeging van-tegevormd van bijvoegl. naamw. opguitgaande.Wij schrijven derhalve:dracht,jacht,klacht,macht,slachten(dooden),geslacht(engemaal),plecht,plechtig,licht(niet zwaar),plicht,gewicht,gezicht,gedrocht,tocht,lucht,tucht,vlucht,zucht(diepe ademhaling) evenzeer metch, alsnacht,geslacht(familie),slachten(gelijken),echt,recht,licht(straal),lucht,vruchtenz. Daarentegen:hij draagt,jaagt,vraagt,legt,zegt,pleegt,weegt,droogt,zoogt, enz., engraagte,laagte,leegte,droogte,hoogte,menigteenz.De verkorte eigennaamAagtbehoort ook degte behouden, dewijl er een klinker is uitgestooten, die zich nog heden ten dage in den vollen vormAgathavertoont. Dat het woord met den helderen klinker en niet alsAchtwordt uitgesproken, bewijst, dat er geene samensmelting der medeklinkers in plaats heeft.De onregelmatige onvolm. verled. tijden en deelw.bracht,gebracht,mocht, vanbrengenenmogen, verkeeren in het geval, dat decheischt. In die vormen heeft de tijdsuitgang-de(-te) deeverloren, ten gevolge waarvan de overblijvendetzich aan den voorgaanden medeklinker heeft aangesloten.Brachtenmochtstaan voorbrachteenmochte, en deze vormen voorbragde(ofbrengde) enmoogde, gelijk de analogie vanzengde,leegdeenzoogdezou medebrengen. De overgang der regelmatig vereischtedintbewijst voldingend de samensmelting en dus ook de verscherping der voorgaande medeklinkers. Wij schrijven uit dien hoofde:hij bracht,mocht,gebracht, nevenshijengij brengt,gij moogt. Evenzoohij placht, oudtijdsplach(plag), waarin de bijgevoegdetmet de sluitlettergevenzeer is samengesmolten als ingedrochtvoorgedrog.Wij aarzelen te minder tot de genoemde verandering over te gaan, omdat de voorgenomen spelling beter dan die metgaan de uitspraak beantwoordt en reeds door vele onzer beste schrijvers gevolgd wordt, terwijl de regel gemakkelijk toe te passen is en aan veel willekeurigs en onregelmatigs een einde maakt, en het wijzen op de afleiding bij de meeste woorden dezer categorie volstrekt geen nut heeft. Immers de beteekenis vanplecht,plechtig,gedrocht,tucht,tuchtigenwordt niet opgehelderd door het verwijzen opplegen, (be)driegenentoog(vantiën); men verstaat het woordmachtniet beter, als men weet, dat het vanmogenkomt, sedert dit de beteekenis vankunnenverloren heeft; en de kracht van het woordplichtwordt vooral niet beter gevoeld als men verneemt, datplegenhet grondwoord is, nu dit meest van moord en roof gebezigd wordt.—Bijde meeste andere woorden is degniet toereikend om den lezer aan het grondwoord te herinneren. Bijdragt, (de)jagt,klagtmetgzal men misschien iets eerder aandragen,jagenenklagendenken, dan wanneer mendrachtenz. schrijft; doch geen onkundige zal vermoeden, dat (het)jacht,slachtenenslachter,aangezicht,vluchtenenzuchtensamenhangen metjagen,slaan(sloeg),zien(zag),vliegenenzuigen, al spelt men die woorden ook metg; evenmin als hij bijboetenenschuitaanbatenenschietendenkt. Waar zulk een groot verschil in klank bestaat, en de beteekenissen slechts eenigszins uiteenloopen, wordt geene verwantschap meer gevoeld. De toepassing van den Regel der Gelijkvormigheid brengt hier derhalve geen nut aan; vergel. ook§ 50.95. Lang heeft de Redactie in bedenking gestaan bij de vraag: moet dechna kort afgebroken klinkers al of niet verdubbeld worden? en, zoo ja, hoe dan?—moet menkachel,kagchelofkachchelenz. schrijven? De thans meest gebruikelijke spellingkagchel,rigchel,bogchelenz. is onregelmatig en kan reeds daarom niet in alle opzichten worden verdedigd. Bovendien doet de verbinding van twee verschillende, doch verwante letterteekens, alsgench, aan eene samenstelling denken, terwijl de meeste der hier bedoelde woorden, alleenlichaamuitgezonderd, slechts afleidingen zijn, waarin eene enkelvoudigegofkdoor den invloed der volgendeltotchverscherpt is; b.v.bochelvanbuigen,boog;tichelvantegel;kachelvankakel, bijKiliaankaeckel.Lichaam, uitlijkenhaam, door de spelling als een samengesteld woord te kenmerken, en b.v.lich-haamte schrijven, zou echter geheel nutteloos wezen, omdat inlichhet woordlijktoch niet zou herkend worden, terwijl dit bovendien, evenalshaam, in deze samenstelling meteene beteekenis voorkomt, die thans bij de meerderheid der sprekenden en schrijvenden onbekend is.Wanneer de Redactie daarbij in aanmerking neemt, dat de verdubbeling door middel eenergbij de netste schrijvers steeds grooten weerzin heeft gevonden, en dat de spelling met eene enkelechmisschien leiden kan tot eene verfijning van den zoo harden keelklank, die doorgchwordt vertegenwoordigd (vergel.§ 61en 62), dan meent zij aan die schrijfwijze de voorkeur te moeten geven en duslichaam,kachel,richelte moeten spellen, ofschoon zij gaarne erkent, dat ook deze niet onberispelijk is. De regelmatigheid zou ongetwijfeldlichchaam,kachchelenz. vorderen; doch deze spelling ware thans eene ongehoorde nieuwigheid, die zeker niemands goedkeuring zou wegdragen. Er schoot dus niets anders over dan van de twee gebruikelijke schrijfwijzen de minst gebrekkige te kiezen, die dan ook het langst en algemeenst in gebruik is geweest4.Voor de spelling met de enkelechpleit, behalve de welluidendheid, ook nog de analogie met de meeste eigennamen, alsJochem,Kochem,Lochem,Mechelen,Vechel,Zwichem; die metechel, en vooral die metecho, welke woorden nooit metgchgeschreven worden. Alleen de uitspraak van de bij ons gebruikelijke namenRachelenMichielpast er niet in. Het onderwijs zou dus inderdaad bij de spelling met de enkelechaan gemak winnen. In de plaats van den thans geldigen regel:Dechwordt na onvolkomene klinkers door de voorvoeging eenergverdubbeld, waarbij de bovengenoemde woorden en andere dergelijke als uitzonderingen moeten opgegeven worden, heeft men slechts te leeren:Alle enkelvoudige klinkers hebben vóór dechden onvolkomen klank, mee uitzondering van de eigennamenRachelenMichiel.Vergel. het opstel:De Spelling en het Lager Onderwijs, van den HeerJ. A. van Dijk, in denTaalgids, VI, blz. 73 vlgg.96. Van een geheel anderen aard dan de verdubbeling derchdoor middel van degis die dersinwasschen,flesschen,visschen,mosschenofmusschen,tusschenenz., die door sommigen daarmede op ééne lijn wordt gesteld. Niet de letter, die verdubbeld wordt, niet des, maar dech, die stom is, zou een punt van geschil kunnen uitmaken. Deze toch doet thans niets meer aan de uitspraak af, maar is alleen een graphisch overblijfsel uit den tijd, waarin zij, uitkontstaan, werkelijk gehoord werd. Toen men eerstvisk,mosk, en later inderdaadvisch,mosch, d.i. metch, uitsprak, bleef de eerste lettergreep ook in de meervoudenvis-ken,vis-chen,mus-ken,mus-chengesloten, en werd de tweedesnatuurlijk niet gevorderd; thans echter, nu er alleen eenesis overgebleven, is hare verdubbeling invis-sen,mus-senevenzeer noodig en regelmatig als inmos-sel, vroegermos-chel. De dubbeleslevert dan ook niet hetminste bezwaar op, kan nooit medewerken om de uitspraak te bederven. Dit is integendeel wel te vreezen van de spellingvis-chen,mus-chenenz., die alleen strekken kan om de thans ondraaglijk pedante uitspraak, welke dechin de genoemde en dergelijke woorden laat hooren, meer in zwang te brengen. Men is buitendien te zeer gewoon de geheeleschbij de tweede lettergreep te voegen, gelijk blijkt uitPa-schen,zij he-schen,kre-schen,gehe-schen,gekre-schen, welke woorden men toch wel niet gaarne noodeloos met dubbelen klinker,Paas-chen,hees-chen,krees-chen,gehees-chenengekrees-chen, zou geschreven zien. Wij kennen derhalve geene enkele reden om de éénesweg te laten, maar redenen te over om haar te behouden, namelijk het gevestigde gebruik en de voorkoming eener wanluidende uitspraak. Wij blijven derhalvewasschen,lesschen,wisschen,tusschenenz. schrijven met de dubbeles.97.Bilderdijk’sspellingnogthandssteunde op eene verkeerde afleiding:nochtansis samengesteld uitnogendan(mnl.nochtanofnodan) met de adverbiales, en heeft dus niets metthansofthands(te hande) te maken. Aan de invoering eenerhendin dit woord valt derhalve niet te denken. Doch men zou in twijfel kunnen staan bij de keuze tusschennochtansennogtans. Ofschoon de Redactie het raadzaam oordeelt, de gebruikelijke onderscheiding vannog(daarenboven, tot nu toe) ennoch(ook niet), hoewel niet op de afleiding gegrond, om den wille der duidelijkheid te behouden, meent zij echter innochtansde voorkeur aan dechte moeten geven, vermits wel deze scherpe keelletter, maar niet de zachteg, den overgang derdvandanin detvantansheeft kunnen veroorzaken, en het woord voor ons gevoel eene eenheid geworden is, waarbij aan de samenstellende deelen niet meer gedacht wordt,zoodat hier alleen de Regel der Uitspraak behoort gevolgd te worden.98. Het algemeen gebruik wil, op grond der uitspraak, sedert langkoninklijk,aanvankelijk,afhankelijk,jonkheer,jonkvrouw,sprinkhaan. Dezelfde reden geldt voor de spellingkoninkrijk,jonkheid,koninkje,woninkje,kettinkjeenlankmoedig. Daarenboven zou de schrijfwijzekoningrijk,koningje,jongheidenz. bij voortduring aanleiding geven tot eene uitspraak, die met ons taaleigen in strijd is. De Redactie aarzelt daarom niet hier den Regel der Welluidendheid te laten gelden en in de genoemde woorden degdoor dekte vervangen.99. Het gebruik der tonglettersdent, wanneer zij door eenesworden gevolgd, heeft eenige overeenkomst met dat dergenchvóór eenet, waarover in§ 94is gehandeld. De gevallen staan echter niet geheel gelijk. De taal eerbiedigt bij des, nu althans, de grondvormen opdentmeer dan voorheen die opcheng, en zij handelt hier lang niet zoo regelmatig als bijchtengt. Oudtijds smolt de scherpe keelletterchgeheel weg in de volgendes, b.v. inas,das,vlas,was,mest,zes,wisselen,os,vos, uitachs,dachsenz.; de zachte keelletterg, die als de Franscheguwerd uitgesproken, werd totkverscherpt inheksvanhag,reeksvanreghe,fluksvanvlug; een heldere klinker onderging soms ook verkorting, b.v. indissel, hd.deichsel.Die regelmatigheid treft men niet aan bij de tongletters, die vóór desstaan. Ook deze smolten soms, b.v. inthans,volgens,bijkansenz. voorthands,volgends,bijkants, in desweg; doch geenszins altijd, b.v. niet inbits,spitsenz. Vandaar niet zelden tweeërlei vormen, de eene met, de andere zonder de tongletter, nevens elkander, b.v.spietsenspiesvan mnl.spiet;klitsenklisvanklit;litsenlis, ooklutsenlusuitgesproken, van lat.licium; en in de volksspraakklussen,mussenenz. naastklutsenen mutsen in de schrijftaal. Evenmin werd de klinker altijd verkort:maetselenwerd wel is waarmetselen, maar naastketsenhieldkaatsenstand;koortsenrotsbleven, naast het vroegerekortseenrootse, de eenige gebruikelijke vormen;plaats,schaats,taats,koets,toets, zijn nooit totplats,kotsenz. verkort geworden, ofschoon er geen klinker is uitgevallen, die, gelijk bij det, de samensmelting verhinderde. Ook de spelling was evenzeer ongelijk en onzeker, en niet zelden vindt mends, waar de afleidingtszou hebben doen verwachten, b.v. inguds,ridsen,ridsig.Uit het een en ander blijkt, dat de woorden opdsentsniet volkomen parallel loopen met die opgtencht; en dat de regel eenigszins anders zal moeten luiden dan die in§ 94. Daar de Regel der Uitspraak hier niets beslist, moet die der Gelijkvormigheid gelden, en, waar de afleiding onbekend of onzeker is, die der Analogie. Van een groot aantal woorden kan de spelling niet twijfelachtig zijn. Vooreerst is het rationeel, dat die welke uit het Fransch ontleend zijn, ten tijde datchnog alstch(tsj), encnog alstsluidde, mettsworden geschreven; te wetenkoetsin de beide beteekenissen,toets,flits,rots,toorts, fr.coucheencoche,touche,flèche,roche,torche;plaats,rantsoen,fatsoen, fr.place,rançon,façon. Daarentegen moet de fr.g, vroeger alsdg(dzj) uitgesproken, bij onsdsworden, namelijk inloods(houten gebouw), fr.loge. De afleiding eischt stellig eenetinguts(holle beitel, waarmede onder andere ook goten uitgehold worden) vangoot; inritsen,ritsig, verwant metwrijten, alsmede ingutsen, uit het ouderegussenvervormd met ingevoegdet. Ook is het thans verkieslijk aanknotsdetvanknottente geven, nuknoddeenknoddenverouderd zijn. Inridselen, ofschoon misschien vanrijden, heeft dedin allen gevalle geen nut meer, nurijdenniet langer in de beteekenis vanbevengebruikt wordt. Voor de spellingkodsenbestaat geene enkele reden; het is waarschijnlijk een klanknabootsend woord; enKiliaanschreef reedskotsen,Plantijnkotzen.Loods(persoon) engidsbehooren volgens de afleiding eenedte hebben, als zijnde gevormd vanloodenen fr.guide. Insmidse, vansmid, kan desin geen geval geacht worden dedverscherpt te hebben, dewijl zij tot de volgende lettergreep behoort. Omtrent de spelling der overige woorden, alskaats,schaats,taats,schets,scherts,koortsenz., wier afleiding òf onbekend, òf onzeker is, òf niet strekken kan om de beteekenis op te helderen, heeft nooit verschil van gevoelen bestaan; er is dan ook geene reden te bedenken, waarom zij anders zouden geschreven worden, dan tot nu toe geschied is. Trekt men alles samen, dan krijgt men den volgenden practischen regel, op dien der Gelijkvormigheid en der Analogie gegrond:Wanneer desdoor eene tongletter wordt voorafgegaan, dan is deze de scherpet; uitgezonderd in den 2dennaamw. der woorden opd, in de bijvoegl. naamw. en bijwoorden door aanhechting vanschensvan woorden opdgevormd; en eindelijk inloods(in de beide beteekenissen),gidsensmidse.Wij schrijven derhalvetrots,schertsen,plaats,schaats,toortsenz.; maarGods,des bloeds,goedsmoeds,steedschensteeds,kindsch,gindschengindsvangind(er),sindsvansed(ert).100. De woorden op-aarden-erdleveren geene moeilijkheid op; zij vereischen zonder bedenking eened. Het achtervoegsel-aardis oorspronkelijk het bijvoeglijk naamwoordhard, dat oudtijdssterkbeteekende, en dezen zin nog heeft in uitdrukkingen alshard draven,loopen,werken.In samenstellingen beteekende hetsterkalsdatgene, often aanzien vandatgene, wat door het stamwoord werd uitgedrukt, b.v.Beranhard,Burchard,Everhard,Wolfhard, sterk als een beer, burg, ever, wolf;Ecgehard,Gêrhard, sterk met het zwaard, met de speer;Meginhard,Reginhard,Snelhard, sterk in kracht, in raad of list, in vlugheid;Sigihard,Wic-hard, sterk in de zege, in den strijd. Als tweede lid in de samenstelling verloor het al spoedig deh, evenals-helm,-hilde,-haftig, en soms-hande, b.v.Anselmus,Willem,Machteld,deelachtig, en mnl.menigherande, voorAnshelmus,Wilhelm,Machthilde,deelhaftig,menigerhande. Vandaar, dat men naast eigennamen op-hard, mlat.hardus, ohd.-hart, oudtijds vormen op-arten-aertaantreft, die thans op-ard,-erden-ertuitgaan. Zoo b.v.Athalhardus,Bernhardus,Burchardus,Everhardus,Folchardus,Gêrhardus,Meginhardus,Reginhardusenz., mnl.Adelaert,Bernaert,Burchaert,Everaert,Volcaert,Meinaert,Reinaert; thansAllardenAldert,Bernard,EverardenEvert,Volkert,Meindert,Reindert. Daar de vormen op-hard,-hardus, ohd.hart, in overoude stukken voorkomen, maar die op-ard,-aerten-erdalleen in latere, zoo is het duidelijk, dat de laatste uit de vroegere ontstaan zijn, en niet-harduit-erd.—In het Mhd. werden met-hartook gemeene namen gevormd, alle met ongunstige beteekenis, alslügehart, sterk in het liegen;naghart, knaaglustig;selphart, zelfzuchtig;slinchart, slokop;trügenhart, sterk in het bedriegen;vrîhart, ongebondene.Uit de Duitsche talen ginghardin de Romaansche over, en werd daar, met de in die talen gewone verstomming derh, ital.-ardo, als inbastardo,codardo; fr.-ard, als inbâtard,couard,gaillard,grognard,pendard,richard,viliard; zieDiez,Gramm. der Rom. Sprachen, II, 358 vlgg. De ongunstige opvatting, die ook het Mhd. vertoont, treedt in de Romaansche talen, waar het achtervoegsel van vreemden oorsprong was, bepaald op den voorgrond.Het Mnl. nam van die Fransche woorden over, b.v.bastaert,cockaert,viliaert; en vormde nu naar die modellen zelf nieuwe, alsbehaghelaert,bollaert,clappaert,dullaert,galghaert,gaepaert,grisaert(grijskop, zieHorae Belg.VI, 98),loyaert,moyaertenz., alle woorden van minachting of spot, en niet zelden met den klemtoon op-aert. Dat men deh, die reeds uit de eigennamen uitgevallen was, niet weder invoegde, is natuurlijk. Het Nnl. ging op den eenmaal ingeslagen weg voort, en maakte een aantal andere, insgelijks met ongunstige beteekenis, alsbloodaard,dronkaard,gulzigaard,lafaard,veinsaard,wreedaardenz.; zelfsrijkaard, van het onschuldigerijk, wordt in slechten zin genomen; alleengrijsaardhield op een schimpnaam te zijn.Het achtervoegsel-erd, in het Mnl. nog onbekend, en dus jonger dan-aertof-aard, is eene verbastering van dat zelfde suffix, gelijk blijkt uitleperd,plomperd,stinkerd, die bijKiliaannogleepaerd,plompaerd,stinckaerdluiden; en uitgrijzerd, dat bij latere dichters voorkomt.Kiliaangeeft naastluyaerdookluyerdijeop, hetwelk toont, dat de verandering van-aardin-erdaan de werking van den klemtoon moet toegeschreven worden. De boven aangetoonde verbastering der eigennamen, b.v. de verandering vanEveraertinEvert, en die vanbastaardinbasterdstelt de zaak buiten allen twijfel.Sommigen zijn van gevoelen, dat-aarden-erdzouden ontstaan zijn uit het achtervoegsel-er, waarachter men, ter versterking, eerst eenetzou gevoegd hebben, zoodat-ertontstond, hetwelk vervolgens nog eene tweede versterking, eene verlenging tot-aart, zou hebben ondergaan. Zij gaan uit van de onjuiste onderstelling, dat wij werkwoorden zouden hebben of gehad hebben, alsgrijzen,laffen,rijken,snooden, met de beteekenis vangrijs,laf,rijk,snood zijn; datgrijsaard,lafaard,rijkaardenz. personen aanduiden, die bestendiggrijzen,laffen,rijkenenz., die »niet in het werkelijk oogenblik, maar bij aanhoudendheid de hoedanighedenvangrijsenz. hebben”. Dat gevoelen, dat zich zelf wederspreekt, en waarvoor men nooit een zweem van bewijs heeft weten aan te voeren, is niet slechts uit de lucht gegrepen en geheel zonder grond, maar het onderstelt ook, gelijk de geschiedenis der taal leert, eene onmogelijkheid. Achtervoegsels, die, gelijk-er, nooit den klemtoon hebben, ondergaan in den loop der tijden geeneversterking, maar omgekeerdverzwakking. Juist het achtervoegsel-erlevert er een sprekend en leerrijk voorbeeld van. Dit luidde goth.-areis, b.v. inlaisareis(leeraar),wullareis(voller); het werd ohd.-arî, mhd.-ære, nhd.-er. In het Mnl. werd het achtervoegsel geheel toonloos en ging over in-ere,-er, en-re, wanneer het onmiddellijk volgde op de lettergreep, die den vollen klemtoon had; maar het behield den halven toon en veelal ook dea, en werd-are,-aer, of-ere,-eer, wanneer het door eene toonlooze lettergreep werd voorafgegaan, zoodat het niet onder den invloed van den klemtoon der stamlettergreep stond; b.v. ingokelare,loghenareenloghenére,voghelare,persemére(woekeraar), enz., naastdienre,leerre,speelre,backere,weverenz. Wij nemen hier dus eene steeds voortgaande verzwakking waar, van-areistot-arî,-are,-ere,-eren-re, die men ook bij andere achtervoegsels kan opmerken; b.v. bij-dom, onl.-duom; bij-lijk, goth.-leiks, dat thans alslikwordt uitgesproken; en bij-aardzelf, niet alleen in de eigennamen, maar ook in de gemeene zelfst. naamw., die naar Fransche modellen, met het accent op-ardgevormd, ook in het Mnl. niet zelden den klemtoon hadden, maar thans nooit meer dan den halven toon krijgen, of, als-erd, geheel toonloos zijn. Het grenst aan ongerijmdheid, in strijd met de lessen der geschiedenis te stellen, dat de stroom tot voorbij zijnen oorsprong zou zijn teruggevloeid, en dat de taal op eenmaal hare richting, niet wijzigende, maar geheel omkeerende, van-erniet alleen-ert, maar zelfs-aartzou hebben gevormd.Het Nnl. heeft, wel is waar, welluidendheidshalve,dienre,leerre,sunder, indienaar,leeraar,zondaarveranderd; daarbij had evenwel geene versterking van-ertot-aar, geene vorming van een nieuw achtervoegsel plaats, maar slechts eene verruiling;-aarhad nooit opgehouden te bestaan. Evenmin zou de taal van sommige verbalia op-er, alsbijter,blaffer, woorden op-erdhebben gevormd, indien-erdniet reeds aanwezig was geweest. Meest alle woorden op-erdhebben trouwens een ongunstigen of spotachtigen zin, die aan-erniet eigen is; zelfslieverdenstouterdworden doorgaans schertsend gebezigd.Is het zeker, dat-aarden-erduithardontstaan zijn, dan moeten zij ook volgens de afleiding dedhebben, die de uitspraak er aan toekent. Het meervoud vanbastaardtoch luidt niet alleenbastaards; maar ookbastaarden, en daarnevens staatbastaardij;Kiliaankent ook een werkw.luyaerdenen de zelfst. naamw.luyerdije, vanluyaerd, enmooyaerdijevanmooyaerd. InSpanjaard, dat op eene andere wijs gevormd is, op welke evenwel de oude afkeer van die natie invloed kan gehad hebben, is dedgewaarborgd door het meerv.Spanjaarden, naastSpanjaards. Maar zelfs indien men wilde aannemen, dat-aarden-erdniets anders zijn dan-er, door eene tongletter versterkt, ook dan nog zou de keus op dedmoeten vallen; de taal zelve leert doorzwaarder,eerder,hoorder,duurder,gezagvoerder, dat zij, waar derversterking behoeft, deden niet detwil gebezigd hebben.101. Even weinig zwarigheid baart de keus tusschen dedoftin het zelfst. naamw.aardofaart. De afleidselsaardig,aardenenontaardenpleiten voor de zachtheid der sluitletter, terwijl de afleiding en de verwante talen de deugdelijkheid en oorspronkelijkheid dezer zachte uitspraakbuiten allen twijfel stellen.Aartenaartigzijn germanismen, en niets meer.102. Inrit, mv.ritten,bint, mv.binten,gebint, mv.gebinten, bewijst de uitspraak eene verscherping der sluitletter, ofschoon de stamwoordenrijdenenbindenbuiten twijfel eenedhebben.Riddenstrijdt met de uitspraak,bindtenengebindtenmet alle regelmaat. De verscherping derdis buitendien reeds lang algemeen erkend inmetenmits, nevensmede; invaart, mnl.vaerde, waarvan nogkoopvaardij; inzat, mnl.sad, waarvanverzadigen; inklant, fr.chaland. Daarom ookbeeltenis,verbintenis, evengoed alsontstentenisvan het oudeontstanden(ontstaand.i.ontbreken). De gebruikelijke schrijfwijzenbeeldtenisenverbindtenisdoen ten onrechte aan eene afleiding met-tedenken.Indienmet,mitsenriteenethebben, dan bestaat er geene afdoende reden voormedgezelenridmeestermetd, ofschoonmetin het eerste woord het bijwoordmedeis.103. De afleiding pleit voor de spellingandwoord, doorBilderdijken anderen aangenomen, als zijnde dit woord door samenstelling gevormd van het oude voorzetseland, hier als bijwoord gebruikt. Daar het Nederlandsch zich echter tot regel heeft gesteld, onverbuigbare woorden met scherpe medeklinkers te sluiten—op welken alleen innog(adhuc) ter bevordering der duidelijkheid eene uitzondering gemaakt wordt—en de spelling metdde beteekenis van het woord niet duidelijker maakt, noch op het etymologisch verband met eenig ander Nederlandsch woord wijst, vinden wij geene reden hoegenaamd om in dezen van de meest gebruikelijke spelling af te wijken. Wij achten ons hiertoe te minder gerechtigd, dewijl wijdan, om consequent te blijven, ook detinmetzouden moeten vervangen door ded, waarvoor niet slechts de verwante talen, maar ook het bijw.mede, pleiten. Het argument, dat het bijw.andde stam van het voornw.anderen het bijw.anderszou zijn, waardoor de beteekenis vanandwoord, als hetandereof tweedewoord, kon schijnen opheldering te erlangen, is uit de lucht gegrepen en wordt door de verwante talen ten stelligste weersproken.Om dezelfde reden verdient ook de spellingAndwerpenvoorAntwerpengeene aanbeveling.104. Men zegt en schrijft gewoonlijkadmiraal,admiraliteitenz.; sommigen willenammiraal, op grond dat dedslechts ten gevolge van een misverstand is ingelascht. Die misvorming is evenwel niet in den boezem onzer taal geschied: deze had er geene aanleiding toe. Wij hebben het woord in de middeleeuwen onder dubbelen vorm:amiraelofammiraelenadmirael, van de Zuid-Europeesche volken aan de Middellandsche Zee overgenomen. Het is het Arabischeamir(emir) met een Latijnsch achtervoegsel. Men bracht het in verband met lat.admirari, fr.admirer; vanhier de vormen:admiralis,admirabilis,admiratus,admirant,admiraglioenz., die alle aan bewonderen doen denken. Dedis dus werkelijk geheel te onrecht ingevoegd; maar even zeker is het, dat wij haar thans algemeen laten hooren. De Regel der Uitspraak eischt dus het behoud derd, terwijl de overige regels hier niet in aanmerking komen.Admiraalis wel niet meer noch minder welluidend danammiraalofamiraal, en het woord heeft in onze taal geene verwanten, waarop de spelling kan wijzen, geene analoga, wier stem gehoord kan worden. De Regel der Welluidendheid, die der Gelijkvormigheid en der Analogie, zwijgen hier dus, terwijl de toepassing van dien der Afleiding geheel doelloos zou zijn. Het woordamiren het Latijnscheachtervoegsel-alisbehooren tot talen, slechts aan geleerden bekend, en de vrees, dat iemand ten onzentadmiraalvanadmirariofadmirerzal afleiden, is niet gegrond. Wie geen Latijn of Fransch kent, komt natuurlijk niet op de gedachte: en wie die talen verstaat, wordt door het woord zelf, dat geen verstaanbaren vorm heeft, tegen die afleiding gewaarschuwd. Luidde hetadmirabel,admirantofadmiraat, dan kon er grond voor die vrees bestaan; doch-aalis geen achtervoegsel dat aan werkwoorden gehangen wordt Indien door het uitlaten derd(amiraal) de oorspronkelijke vorm hersteld ware, dan zou de zin voor ordelijkheid misschien die uitlating wenschelijk maken, dochamiraalis evenmin Arabisch alsadmiraal. Wij zien daarom geene reden om het thans heerschende schrijfgebruik te verlaten en geheel noodeloos den hoogsten grondregel der spelling te verzaken.105. Het Nederlandsch bezit voor de twee verschillende sisklanken ook twee afzonderlijke letterteekens: desvoor den scherpen, dezvoor den zachten klank. De vroegere verwarring, toenszoowel zacht als scherp werd gebezigd, waarschijnlijk een uitvloeisel van het Latijnsche spraakgebruik, heeft sinds lang opgehouden, zoodatsthans uitsluitend scherp is. Daarmede is hare verdubbeling achter een langen klinker of tweeklank, b.v. inaassem,braassem,deessem,geessel,kruissen,kruissigen,IJssel,zeissen,Pruissenenz., eene onloochenbare onregelmatigheid geworden, die gelijkstaat met de spellinglaaffenis,raaffelen,weiffelen,oeffenen,schuiffelen,twijffelen, voorlafenis,rafelenenz. Zij is dan ook later doorSiegenbeekzelven afgekeurd. Het behoeft dus wel geene verdere rechtvaardiging, dat de Redactie voornemens isbrasem,geesel,IJsel,Pruisenenz. te blijven schrijven.106. Daar de verdubbeling van eenen medeklinker in niet samengestelde woorden alleen moet dienen om te voorkomen, dat de voorgaande vocaal lang wordt uitgesproken, zoo is de verdubbeling vanzelve evenzeer onnoodig na toonlooze klinkers als na heldere en na tweeklanken. Toonlooze klinkers toch worden alleen aangetroffen in lettergrepen zonder accent, en daarbij bestaat geen gevaar, dat men den klinker lang zal uitrekken. De Redactie rekent daarom éének,tenmvoldoende inbotteriken,monniken,perziken,kieviten,diemiten,Gorkumer,Dokkumer,Bergumer. De schrijfwijzebotterikken,Gorkummer, staat gelijk met die vanengellen,verbeterren,uitrekennen,zondiggen, terwijl het niet verdubbelen der consonant voor den lezer juist een teeken is, dat hij de lettergreep als toonloos moet beschouwen.Het gezegde is natuurlijk niet toepasselijk opArnhemmer,Haarlemmerenz., waarin de tweede lettergreep, hoewel zwak van toon, niet toonloos wordt uitgesproken, en deè, hoe kort ook, toch den scherpene-klank behoudt5.107. Onze woordenboeken willendiefegge, als ware dit woord eene samenstelling vandiefmet een zekeregge. Men heeft hier intusschen met eene afleiding te doen.-eggetoch is een achtervoegsel, hetwelk voorheen doorgaans-igge-, soms ook wel-egeluidde, en meermalen ter vervrouwelijkingvan mansnamen gebezigd werd, b.v. inmakerigge,vercopege. Eene afleiding met een achtervoegsel, dat met een klinker begint, eischt de verandering van definv, wanneer de lange klank voorafgaat; vergelijkgev-er,liev-erd. Derhalve ookdievegge, evengoed alsdieverij. Dat sommigen in dit woord deflaten hooren, kan geene reden zijn om eene verkeerde spelling te behouden, die uit onkunde ontstaan is. Het herstel dervkan misschien strekken om aan die onjuiste uitspraak een einde te maken. Vergelijk§ 58en 66.108. Inzamen,zamenkomst,zamenspraakenz. gebieden de afleiding en de uitspraak de vervanging derzdoor des. Dezheeft daar de waarde vantz, en wordt dus te recht scherp uitgesproken. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat het grondwoordzamenluidt, terwijl ook ingezamenlijk,inzamelenenz. dezduidelijk gehoord wordt, en dat men inzestigenzeventigdezvanzesenzevensteeds heeft behouden, dan kan het bedenkelijk schijnen, door het schrijven vansamen,samenkomstenz. en daarnevens vangezamenlijk,verzamelenenz., de onderlinge verwantschap dezer woorden voor het oog weg te nemen. Deze bedenkingen deden ons eerst besluiten de gebruikelijke spelling te behouden. Nu zich echter opnieuw stemmen ten voordeele dershebben doen hooren, aarzelen wij niet langer die schrijfwijze aan te nemen, die, op voorgang vanBilderdijk, door onze beste schrijvers gevolgd wordt, met de meest algemeene uitspraak overeenstemt, en op een goeden etymologischen grond steunt. In de uitdrukkingte zamentoch werd de toonloozeevanteweggelaten, waardoor eersttzamenontstond. Dit had de verscherping van deztotsten gevolge:tsamen; eindelijk werd detovertollig gerekend, en dit gafsamen.Samenheeft dus de waarde vante zamenen verschilt derhalve werkelijk in afleiding en beteekenis van het grondwoordzamen. De spelling metsis uit dien hoofde de ware, overal waarsamende bijwoordelijke uitdrukkingte zamenvervangen moet, te weten aan het begin van samengestelde werkwoorden en woorden, van zulke werkwoorden gevormd, als insamenkomen,samenspreken,samenhangen,samenkomst,samenspraak,samenhang; daarentegen natuurlijk niet, waar geen bijwoord, maar het grondwoordzamenvereischt wordt, als ingezamenlijk,bijeenzamelen,verzamelen,verzamelingenz., en dus ook inopzamelen, nietopsamelen, hoewel dezdaar ten gevolge van de werking derpvanzelve alssklinkt.Evenmin zou de spellingte samenvoorte zamengoed te keuren zijn, ofschoon de gewone uitspraak ook daar deslaat hooren. Deze toch is hier slechts het gevolg eener verkeerde toepassing der analogie. Eene werking der voorafgaandetkan hier niet erkend worden. Zij bestaat niet, zoolang de toonloozeevanteblijft; want men zegtte zoek,te zuinig,te zuur,te duur,te geef; niette soek,te suinig,te suur,te tuur,te cheef.Te samenis derhalve niet anders te verklaren en op te vatten, dan alste tzamen, met het dubbele voorzetsel, een vorm die natuurlijk niet erkend mag worden. Vergel.§ 66. De Redactie stelt zich daarom den volgenden regel:
De medeklinkers.92. Tot de regels betrekkelijk de medeklinkers overgaande, meenen wij het eerst melding te moeten maken van het belangrijke vraagstuk omtrent de spelling der woorden, waarin tweeklanken opivoorkomen. Moet menzaaijen,zaaien,zajenofzaayen,hooijen,hooien,hoojenofhooyenspellen? De uitspraak beslist hier niet stellig genoeg. Men hoort in de genoemde woorden wel is waar eenej, maar slechts zeer flauw en op verre na niet zoo duidelijk als aan het begin van een woord, b.v. injaar,jong, gelijk blijkt uit de vergelijking vanvleier,vleijermet (een goed)hooi-jaar. Het gebruik beslist evenmin, daar alle vier de schrijfwijzen hare voorstanders hebben gehad en gedeeltelijk nog hebben; men denke slechts aanbajert,dojerenoojevaarofooijevaar. Raadpleegt men de afleiding, dan wordt de zaak nog moeilijker. Indien men let op den oorsprong vanzaaijen,draaijen,naaijen, en op de afgeleidewoordenzaad,draad,naad, dan zoudenza-jen,dra-jen,na-jen, de ware vormen zijn; zoo ookstroo-jen, goth.strau-jan,too-jen, goth.tau-jan,boejenboe-jen, lat.boja; daarentegenhooi-en, enkooi-en, om goth.havi(hawi) en lat.cavea. Voor andere woorden beslist zij in het geheel niet. Verandertdiniof inj? Heeft menro-jenofrooi-en, vanroden;do-jerofdooi-er, vandoder;oojevaarofooievaar, vanoodevaar, te spellen? En welke letter moetschuijerenhebben, dat hetzelfde woord is alsschuren? Regels op de afleiding gegrond zijn hier derhalve zoo goed als onmogelijk; zij zouden de spelling slechts uiterst moeilijk maken en tot nieuwe geschillen aanleiding geven.De aangenomen spellingbaai—baaijen,rei—reijen,hooi—hooijendruischt dubbel aan tegen de analogie. Deze wil, dat een onverbogen woord den medeklinker, die in den verbogen toestand de volgende lettergreep begint, tot sluitletter zal hebben; b.v. datkwaadeindigen zal op dedvankwa-de, en zoo ookplaag,vrouwenz. op degenw, waarmede de tweede lettergrepen vanpla-genenvrou-wenaanvangen. Tegen dezen regel wordt gezondigd doorbaai,rei,boeienz. Ware dejin de verbogene vormen onmisbaar, de analogie zou haar evenzeer eischen in de onverbogenebaaij,reij,boeij, omdat deze woorden in het meervoudbaai-jen,rei-jen,boei-jenworden. Deze en dergelijke woorden, die eindigen op eenen tweeklank, waarinide laatste klinker is, worden nu stilzwijgend als uitzonderingen beschouwd. Die uitzondering zou nog te dulden zijn, indien zij niet zelve weder hare uitzonderingen had in de woorden opij. Deijtoch is ook een tweeklank, die opiuitgaat en dus in den verbogen toestand eene volgendejzou vorderen. Intusschen zal wel niemand lust hebben ombijjen,rijjen,vrijjen,vrijjerte schrijven. Het is dus niet te loochenen, dat de bestaande spelling der woorden met tweeklanken opionregelmatig is en inconsequent, zoowel in zich zelve als ten opzichte van eene groote menigte andere woorden. Er zijn er geweest, die het gebruik der enkelejhebbenvoorgeslagen, niet bedenkende, dat deze, wat de uitspraak betreft, wel volstaan kan inbajen,drajen,haajen,boejen,broejen,hoojen,loojenenz., maar niet inbrejen,ejeren,lejen,rejen,bujen,brujen,kujeren,schujerenenz. Ook handelt men bij deze schrijfwijze, evenzeer als bij die meti-j, in strijd met de afleiding, en brengt in een aantal woorden eenej, die er nooit in bestaan heeft: b.v. indojerofdooijer(doder),kojenofkooijen(caveae),ojevaarofooijevaar(oodevaar),rojenofrooijen(roden),leijen(lage),reijen(rege),schuijeren(schuiren,schuren). In sommige werkwoorden, alsdraaijen,naaijen,zaaijen,strooijen,tooijen, behoort dejwerkelijk tot den grondvorm. Deze zouden de spellingdrajen,najen,zajen,stroojen,toojeneischen; maar dan ookdraaj,hij draajt,draajde, waartoe men wel niet licht besluiten zou, te minder wanneer men bedenkt, dat dejin andere werkwoorden, b.v. inmaaijen,breijen, tegen de afleiding zou aandruischen. Doch, is er geene regelmatige spelling met de enkelejzoomin als met dei jmogelijk, dan blijft alleen die met de enkeleioverig, hetzij men die dooriof dooryvoorstelt. Dejis eigenlijk ook geheel overtollig; in eene beschaafde uitspraak wordt zij niet sterker gehoord dan de overgang van deitot den volgenden klinker vanzelf medebrengt, niet sterker dan de flauwejinzeeën,weeën,gedweeër,drieën,knieën, en in uitdrukkingen als:in boei en band,Mooi Antjeenz. Dejis, gelijk hare flauwe uitspraak en haar volstrekt afwezig zijn aan het einde eener lettergreep duidelijk genoeg bewijst, niets meer dan een onvermijdelijke overgang van den eenen klinker tot den anderen, en daarom in het schrijven evenzeer te verwerpen als debinhembden depinkompt; behoudt men haar, dan moeten ook dezebenpweder in aanmerking komen. Men zal gevoelen, dat de Redactie geene spelling kan behouden, die tegen alle regelmaat en in vele gevallen tegen de afleiding aandruischt, en die met de uitspraak slechts bezwaarlijk is overeen te brengen. Zij geeft daarom de voorkeur aan de eenige regelmatige schrijfwijze met de enkelei, en zulks te eer, omdat de spellingbaaien,breien,boeien,buienenz. sedert lang bij vele onzer beste schrijvers in gebruik was. Ofschoon wellicht geen hunner van den waren staat van zaken een klaar bewustzijn had, en sommigen dientengevolge bij de vormen op-igen-ingniet eenparig handelden, hun verzet tegen de aangenomen spelling toonde, dat zij de ongepastheid derjin die woorden duidelijk gevoelden3. De schrijfwijzebaaienenz, heeft niets tegen zich, dan dat men zich verplicht kan achten een trema op den klinker te zetten, die opivolgt, ten einde de verbinding van deze met de volgende letter te voorkomen, iets dat zeker vrij lastig en voor het oog weinig behaaglijk is. Om dit bezwaar bij de eenige regelmatige, consequente en kennelijk door de taal zelve gevorderde spelling te ontgaan, was de Redactie eerst voornemens de gewoneidoor dey, als zijnde ook eenei, te vervangen, enhooyen,samenvloeying,opruyingenz. te schrijven, waardoor de scheiding der lettergrepen eenigszins duidelijker zou aangewezen worden. Dat plan heeft echter zooveel tegenstand gevonden, dat zij niet raadzaam acht er bij te blijven en eene spelling aan te nemen, die algemeen mishaagt, omdat de eigenlijke waarde van het letterteekenyaan de meesten vreemd is geworden. Zij zelve had die slechts voorgeslagen om het scheiteeken te vermijden. Zij ziet er te eer van af, omdat zij in de toepassing practische moeilijkheden van typographischen aard heeft ontmoet, die zij niet had voorzien. Zij aarzelt dus niet langer de reeds bij velen gebruikelijke spelling met de gewoneiaan te nemen, en schrijft derhalve de woorden, waarin een der tweeklanken opi, te wetenaai,ei,ooi,uienoei, voorkomt, steeds met de gewonei, zonder inlassching eenerj, wanneer zij verlengd worden; derhalve:aaien,baaien,beien,breien,hooien,kooien,buien,kruien,boeien,knoeien,maaier,draaier,eieren,Beiersch,dooier,mooier,kruier,opruier,boeier,knoeier,baaierd,ooievaar,opruiing,samenvloeiingenz., evenalsbijen,rijen,vrijerenz.In vreemde woorden, alsbajonèt,sajèt, waar de klemtoon niet op deavalt, meent zij geenen tweeklank te moeten erkennen, te minder omdat de spellingbaaionet,saaietniet alleen er vreemd uitzien, maar ook tot eene verkeerde uitspraak aanleiding geven zou.93. Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de uitspraak en spelling van een paar woorden op-leien-hande. Sommigen schrijventweederlei,tweederhande,driederlei,driederhande, anderentweeërlei,tweeërhande,drieërlei,drieërhande. Welke schrijfwijze is te verkiezen, die met of die zonderd? Daar de uitspraak hier evenzeer als de spelling weifelend is, hangt de beslissing af van de vraag, welke spelling door den aard en de samenstelling dier woorden gevorderd wordt.De woorden op-leien-hande, ofschoon thans als afleidingen te beschouwen, zijn eigenlijke samenstellingen of koppelingen van een bepalend woord, alséén,twee,al,veelenz. met de zelfst. naamw.lei(ofr.ley) enhand, die beide vrouwelijk zijn, en hiersoortofgesteldheidbeteekenen.Eenerlei,eenerhande,allerlei,allerhandestaat gelijk metvan ééne soortofgesteldheid,van alle soortenofgesteldheden. Voorheen bezigde men ookgoederhandevoorvan eene goede soort; en zoo ookgoedertiere,quadertiere,allertiere,velertiere,menigertiereof-tieren, waarvan wij ons hedendaagschegoedertieren, met de bekende bepaalde beteekenis, hebben overgehouden. Bij de woorden op-leien-handeheeft men dus afwisselend met een enkelvoud of met een meervoud te doen, naar gelang van het getal, dat het bepalende woord medebrengt, waarop echter, gelijk bij andere samenstellingen, die in afleidingen zijn overgegaan (vergelijk die op-halveen-wege), geen acht meer geslagen wordt. Men zegt in het meervoud evenzeerallerlei, vooraller leien, als in het enkelvoudeenerlei; daarentegeneenerhande, methandin den ouden meervoudsvorm ope, evengoed alsvelerhande. Intusschen treft men altijd een vrouwelijken 2dennaamval aan, waaruit volgt, dat de bepalende woorden steeds op-ermoeten eindigen. Regelmatig zijn dus, wat het eerste lid betreft:eener-,geener-,eeniger-,meniger-,veler-,aller-,achter-,twintiger-,honderder-,duizenderleien-handeenz.; doch onregelmatigvierder-,vijfder-,zesder-,zevender-,negender-,tienderleien-handeenz., omdat men daarbij aan het bepalende woord den vorm van een ranggetal geeft. Dat zulks ten onrechte geschiedt, volgt reeds uit de beteekenis dier woorden, en blijkt bovendien uiteenerlei,driederlei,achterlei,twintigerlei,honderderlei, nieteersterlei,derderlei,achtsterlei,twintigsterlei,honderdsterleienz. De ingeschovendis trouwens ook niets anders dan eene vergroving der uitspraak van eene toonlooze lettergreep achter vloeiende letters, gelijkrennzijn. Bijvierderlei,zevenderlei,negenderlei,tienderleienz. heeft hetzelfde plaats als bijzwaarder,duurder,hoorder,scheerder,diender,boender,spaandersenz., en bijvilder,helder,kelder,zolderenz. vanvillen,hel,cellarium,solarium. Zoo zei men voorheen, en zegt men nog wel, ookeenderlei,alderhande,waarin aan dedwel geene beteekenis kan gehecht worden. Ofschoon men nu, door verkeerde gevolgtrekking, geheel ten onrechte dedook achter andere letters dan vloeiende, namelijk invijfderlei,elfderlei,twaalfderleienzesderleiheeft ingevoerd, hebben evenweleenerlei,achterlei,twintigerlei,honderderlei,duizenderleienz. den grammaticaal onberispelijken vorm behouden. Aan een practisch gemakkelijken regel:de achtervoegsels-leien-handetreden achter ranggetallen, valt dus niet te denken, zelfs niet bijdriederlei. De Redactie meent daarom in de beide twijfelachtige gevallen aan de meer beschaafde uitspraak zonder ded, waarbij de ware natuur der woorden meer uitkomt, de voorkeur te moeten geven. Zij schrijft derhalve:tweeërlei,tweeërhande,drieërlei,drieërhande.94. Vervolgens doet zich de vraag voor omtrent de spelling van den geadspireerden keelklank vóór det. Waar moet menchtspellen? waargt? Den regel, dienaangaande in 1804 gesteld, dat de woorden, afgeleid van stammen, waarin blijkbaar eenegvoorkomt, b.v. inklagtvanklagen, metg, de overige metchbehooren geschreven te worden, meenen wij niet te mogen behouden. Vooreerst toch is de afleiding van sommige woorden, welke in die categorie vallen, geheel onbekend of ten minste onzeker. Ten andere is degin sommige stamwoorden slechts eene aan het Nederlandsch, evenals aan het Deensch, in het bijzonder eigene verzachting van de oorspronkelijkech, b.v. invliegen,wij zagen,wij tegen,aangetogenen andere, zoodat doorvlugt,gezigt,togtenz. toch niet de ware vorm dier woorden voorgesteld wordt. De genoemde regel is ook moeilijk in de toepassing en is tot nu toe zeer willekeurig en onregelmatig toegepast. Zoo berust b.v. de spellingregt,regter,rigten,berigten, op eene verkeerde afleiding;geslacht(vanslag, soort),tucht,tuchtigen(vantiën,toogenz.), (be)tichten,van (aan)tijgen, zouden evenzeer eenegvorderen alsslagter,geslagt,togtenz. Eindelijk, de regel is, gelijk blijken zal, kennelijk in strijd met ons taaleigen.Het is om genoemde bedenkingen, dat wij ons den volgenden regel stellen:De geadspireerde keelletter, die zich vóór eene steeds in het woord blijvende en steedsonmiddellijkvolgendetbevindt, welke totdezelfdelettergreep behoort, wordt, zonder op de afleiding te letten, doorchvoorgesteld. Doch wanneer het woord eenegheeft, die, afwisselend, nu al dan nietonmiddellijkdoor detwordt gevolgd, of wanneer deze tot devolgendelettergreep behoort, dan blijft degonveranderd.Hoe willekeurig deze regel met zijne uitzonderingen bij den eersten aanblik ook schijnen moge, bij eene nadere beschouwing blijkt, dat hij door ons taaleigen gebiedend wordt gevorderd. Wanneer een vaste medeklinker (eene zoogenaamdemuta) reeds van oudsheronmiddellijk, d.i. zonder tusschenstaanden klinker, door eenetgevolgd werd, dan zijn beide medeklinkers zoo innig samengesmolten, dat zij eene soort van eenheid uitmaken, die met eenen verdubbelden, d.i. versterkten, medeklinker gelijkstaat. De samensmelting blijkt duidelijk uit de verscherping van den eersten medeklinker, die vervolgens meestal inchoverging; en uit de verkorting of verscherping van den voorgaanden helderen klinker, welk laatste verschijnsel ook bij eene verdubbeling, b.v. instòtterenvanstóóten, inverhèffennaastverhéven, plaats vindt. Zoo ontstondengràftengràchtvangráven;schàftenschàchtvanscháven;echtvanehe;gìft(mnl. ookgìcht) vangéven;plìchtvanplégen;kòchtenbruilòftvankóópenenlóópen;gewrochtvanworken;gezòcht,gerùchtenkluftvanzóéken,róépenenklieven;vernuftvoorvernumbtvanvernemen,vernomen. Doch men zegt en schrijft:hij graaft,schaaft,geeft,pleegt,koopt,loopt,zoekt,roept,verneemt, niethij gracht,schacht,giftofgicht, enz., omdat deze zelfde woorden devormengraven,ik graaf,schaven,ik schaafenz., zondert, nevens zich hebben. Het beurtelings af- en aanwezig zijn liet de samensmelting niet toe. Evenzoo zeggen en schrijven wijlaagte,leegte,hoogte,drukte,goedkoopte,diepte, nietlachte,lechte,hochte,druchte,goedkochte,dichte, alleen omdat det, tot de volgende lettergreep behoorende, zich niet zoo nauw aan den voorgaanden medeklinker kon aansluiten, dat hij met dezen samensmolt. Immers, waar de volgendeeontbreekt, daar openbaart zich de ineensmelting weder, zooals blijkt uit de vergelijking vanluwtemetlucht,ziektemet (water)zucht. Ook in de woorden, waarin oudtijds tusschen de beide medeklinkers een klinker werd aangetroffen, die eerst in betrekkelijk laten tijd is uitgevallen, is de ineensmelting door dien klinker verhinderd geworden, zoodat de voorgaande medeklinker niet veranderd, en een voorgaande heldere klinker niet verscherpt is. Dit blijkt uitabt(mnl.abbet), dat niet inaftofachtis overgegaan; uitambt(ambacht), nietaft, gelijkvernuftzou doen verwachten; uitkreeftenooft(bijKiliaankrevetenovet), nietkrechtenocht; uitmarkt(lat.mercatus), nietmarcht.Het is uit dien hoofde geheel overeenkomstig ons taaleigen, dat wij ons ten regel stellen:Degblijft in de regelmatige vervoeging der werkwoorden, wier stam op eenegeindigt, en in de zelfst. naamw., door achtervoeging van-tegevormd van bijvoegl. naamw. opguitgaande.Wij schrijven derhalve:dracht,jacht,klacht,macht,slachten(dooden),geslacht(engemaal),plecht,plechtig,licht(niet zwaar),plicht,gewicht,gezicht,gedrocht,tocht,lucht,tucht,vlucht,zucht(diepe ademhaling) evenzeer metch, alsnacht,geslacht(familie),slachten(gelijken),echt,recht,licht(straal),lucht,vruchtenz. Daarentegen:hij draagt,jaagt,vraagt,legt,zegt,pleegt,weegt,droogt,zoogt, enz., engraagte,laagte,leegte,droogte,hoogte,menigteenz.De verkorte eigennaamAagtbehoort ook degte behouden, dewijl er een klinker is uitgestooten, die zich nog heden ten dage in den vollen vormAgathavertoont. Dat het woord met den helderen klinker en niet alsAchtwordt uitgesproken, bewijst, dat er geene samensmelting der medeklinkers in plaats heeft.De onregelmatige onvolm. verled. tijden en deelw.bracht,gebracht,mocht, vanbrengenenmogen, verkeeren in het geval, dat decheischt. In die vormen heeft de tijdsuitgang-de(-te) deeverloren, ten gevolge waarvan de overblijvendetzich aan den voorgaanden medeklinker heeft aangesloten.Brachtenmochtstaan voorbrachteenmochte, en deze vormen voorbragde(ofbrengde) enmoogde, gelijk de analogie vanzengde,leegdeenzoogdezou medebrengen. De overgang der regelmatig vereischtedintbewijst voldingend de samensmelting en dus ook de verscherping der voorgaande medeklinkers. Wij schrijven uit dien hoofde:hij bracht,mocht,gebracht, nevenshijengij brengt,gij moogt. Evenzoohij placht, oudtijdsplach(plag), waarin de bijgevoegdetmet de sluitlettergevenzeer is samengesmolten als ingedrochtvoorgedrog.Wij aarzelen te minder tot de genoemde verandering over te gaan, omdat de voorgenomen spelling beter dan die metgaan de uitspraak beantwoordt en reeds door vele onzer beste schrijvers gevolgd wordt, terwijl de regel gemakkelijk toe te passen is en aan veel willekeurigs en onregelmatigs een einde maakt, en het wijzen op de afleiding bij de meeste woorden dezer categorie volstrekt geen nut heeft. Immers de beteekenis vanplecht,plechtig,gedrocht,tucht,tuchtigenwordt niet opgehelderd door het verwijzen opplegen, (be)driegenentoog(vantiën); men verstaat het woordmachtniet beter, als men weet, dat het vanmogenkomt, sedert dit de beteekenis vankunnenverloren heeft; en de kracht van het woordplichtwordt vooral niet beter gevoeld als men verneemt, datplegenhet grondwoord is, nu dit meest van moord en roof gebezigd wordt.—Bijde meeste andere woorden is degniet toereikend om den lezer aan het grondwoord te herinneren. Bijdragt, (de)jagt,klagtmetgzal men misschien iets eerder aandragen,jagenenklagendenken, dan wanneer mendrachtenz. schrijft; doch geen onkundige zal vermoeden, dat (het)jacht,slachtenenslachter,aangezicht,vluchtenenzuchtensamenhangen metjagen,slaan(sloeg),zien(zag),vliegenenzuigen, al spelt men die woorden ook metg; evenmin als hij bijboetenenschuitaanbatenenschietendenkt. Waar zulk een groot verschil in klank bestaat, en de beteekenissen slechts eenigszins uiteenloopen, wordt geene verwantschap meer gevoeld. De toepassing van den Regel der Gelijkvormigheid brengt hier derhalve geen nut aan; vergel. ook§ 50.95. Lang heeft de Redactie in bedenking gestaan bij de vraag: moet dechna kort afgebroken klinkers al of niet verdubbeld worden? en, zoo ja, hoe dan?—moet menkachel,kagchelofkachchelenz. schrijven? De thans meest gebruikelijke spellingkagchel,rigchel,bogchelenz. is onregelmatig en kan reeds daarom niet in alle opzichten worden verdedigd. Bovendien doet de verbinding van twee verschillende, doch verwante letterteekens, alsgench, aan eene samenstelling denken, terwijl de meeste der hier bedoelde woorden, alleenlichaamuitgezonderd, slechts afleidingen zijn, waarin eene enkelvoudigegofkdoor den invloed der volgendeltotchverscherpt is; b.v.bochelvanbuigen,boog;tichelvantegel;kachelvankakel, bijKiliaankaeckel.Lichaam, uitlijkenhaam, door de spelling als een samengesteld woord te kenmerken, en b.v.lich-haamte schrijven, zou echter geheel nutteloos wezen, omdat inlichhet woordlijktoch niet zou herkend worden, terwijl dit bovendien, evenalshaam, in deze samenstelling meteene beteekenis voorkomt, die thans bij de meerderheid der sprekenden en schrijvenden onbekend is.Wanneer de Redactie daarbij in aanmerking neemt, dat de verdubbeling door middel eenergbij de netste schrijvers steeds grooten weerzin heeft gevonden, en dat de spelling met eene enkelechmisschien leiden kan tot eene verfijning van den zoo harden keelklank, die doorgchwordt vertegenwoordigd (vergel.§ 61en 62), dan meent zij aan die schrijfwijze de voorkeur te moeten geven en duslichaam,kachel,richelte moeten spellen, ofschoon zij gaarne erkent, dat ook deze niet onberispelijk is. De regelmatigheid zou ongetwijfeldlichchaam,kachchelenz. vorderen; doch deze spelling ware thans eene ongehoorde nieuwigheid, die zeker niemands goedkeuring zou wegdragen. Er schoot dus niets anders over dan van de twee gebruikelijke schrijfwijzen de minst gebrekkige te kiezen, die dan ook het langst en algemeenst in gebruik is geweest4.Voor de spelling met de enkelechpleit, behalve de welluidendheid, ook nog de analogie met de meeste eigennamen, alsJochem,Kochem,Lochem,Mechelen,Vechel,Zwichem; die metechel, en vooral die metecho, welke woorden nooit metgchgeschreven worden. Alleen de uitspraak van de bij ons gebruikelijke namenRachelenMichielpast er niet in. Het onderwijs zou dus inderdaad bij de spelling met de enkelechaan gemak winnen. In de plaats van den thans geldigen regel:Dechwordt na onvolkomene klinkers door de voorvoeging eenergverdubbeld, waarbij de bovengenoemde woorden en andere dergelijke als uitzonderingen moeten opgegeven worden, heeft men slechts te leeren:Alle enkelvoudige klinkers hebben vóór dechden onvolkomen klank, mee uitzondering van de eigennamenRachelenMichiel.Vergel. het opstel:De Spelling en het Lager Onderwijs, van den HeerJ. A. van Dijk, in denTaalgids, VI, blz. 73 vlgg.96. Van een geheel anderen aard dan de verdubbeling derchdoor middel van degis die dersinwasschen,flesschen,visschen,mosschenofmusschen,tusschenenz., die door sommigen daarmede op ééne lijn wordt gesteld. Niet de letter, die verdubbeld wordt, niet des, maar dech, die stom is, zou een punt van geschil kunnen uitmaken. Deze toch doet thans niets meer aan de uitspraak af, maar is alleen een graphisch overblijfsel uit den tijd, waarin zij, uitkontstaan, werkelijk gehoord werd. Toen men eerstvisk,mosk, en later inderdaadvisch,mosch, d.i. metch, uitsprak, bleef de eerste lettergreep ook in de meervoudenvis-ken,vis-chen,mus-ken,mus-chengesloten, en werd de tweedesnatuurlijk niet gevorderd; thans echter, nu er alleen eenesis overgebleven, is hare verdubbeling invis-sen,mus-senevenzeer noodig en regelmatig als inmos-sel, vroegermos-chel. De dubbeleslevert dan ook niet hetminste bezwaar op, kan nooit medewerken om de uitspraak te bederven. Dit is integendeel wel te vreezen van de spellingvis-chen,mus-chenenz., die alleen strekken kan om de thans ondraaglijk pedante uitspraak, welke dechin de genoemde en dergelijke woorden laat hooren, meer in zwang te brengen. Men is buitendien te zeer gewoon de geheeleschbij de tweede lettergreep te voegen, gelijk blijkt uitPa-schen,zij he-schen,kre-schen,gehe-schen,gekre-schen, welke woorden men toch wel niet gaarne noodeloos met dubbelen klinker,Paas-chen,hees-chen,krees-chen,gehees-chenengekrees-chen, zou geschreven zien. Wij kennen derhalve geene enkele reden om de éénesweg te laten, maar redenen te over om haar te behouden, namelijk het gevestigde gebruik en de voorkoming eener wanluidende uitspraak. Wij blijven derhalvewasschen,lesschen,wisschen,tusschenenz. schrijven met de dubbeles.97.Bilderdijk’sspellingnogthandssteunde op eene verkeerde afleiding:nochtansis samengesteld uitnogendan(mnl.nochtanofnodan) met de adverbiales, en heeft dus niets metthansofthands(te hande) te maken. Aan de invoering eenerhendin dit woord valt derhalve niet te denken. Doch men zou in twijfel kunnen staan bij de keuze tusschennochtansennogtans. Ofschoon de Redactie het raadzaam oordeelt, de gebruikelijke onderscheiding vannog(daarenboven, tot nu toe) ennoch(ook niet), hoewel niet op de afleiding gegrond, om den wille der duidelijkheid te behouden, meent zij echter innochtansde voorkeur aan dechte moeten geven, vermits wel deze scherpe keelletter, maar niet de zachteg, den overgang derdvandanin detvantansheeft kunnen veroorzaken, en het woord voor ons gevoel eene eenheid geworden is, waarbij aan de samenstellende deelen niet meer gedacht wordt,zoodat hier alleen de Regel der Uitspraak behoort gevolgd te worden.98. Het algemeen gebruik wil, op grond der uitspraak, sedert langkoninklijk,aanvankelijk,afhankelijk,jonkheer,jonkvrouw,sprinkhaan. Dezelfde reden geldt voor de spellingkoninkrijk,jonkheid,koninkje,woninkje,kettinkjeenlankmoedig. Daarenboven zou de schrijfwijzekoningrijk,koningje,jongheidenz. bij voortduring aanleiding geven tot eene uitspraak, die met ons taaleigen in strijd is. De Redactie aarzelt daarom niet hier den Regel der Welluidendheid te laten gelden en in de genoemde woorden degdoor dekte vervangen.99. Het gebruik der tonglettersdent, wanneer zij door eenesworden gevolgd, heeft eenige overeenkomst met dat dergenchvóór eenet, waarover in§ 94is gehandeld. De gevallen staan echter niet geheel gelijk. De taal eerbiedigt bij des, nu althans, de grondvormen opdentmeer dan voorheen die opcheng, en zij handelt hier lang niet zoo regelmatig als bijchtengt. Oudtijds smolt de scherpe keelletterchgeheel weg in de volgendes, b.v. inas,das,vlas,was,mest,zes,wisselen,os,vos, uitachs,dachsenz.; de zachte keelletterg, die als de Franscheguwerd uitgesproken, werd totkverscherpt inheksvanhag,reeksvanreghe,fluksvanvlug; een heldere klinker onderging soms ook verkorting, b.v. indissel, hd.deichsel.Die regelmatigheid treft men niet aan bij de tongletters, die vóór desstaan. Ook deze smolten soms, b.v. inthans,volgens,bijkansenz. voorthands,volgends,bijkants, in desweg; doch geenszins altijd, b.v. niet inbits,spitsenz. Vandaar niet zelden tweeërlei vormen, de eene met, de andere zonder de tongletter, nevens elkander, b.v.spietsenspiesvan mnl.spiet;klitsenklisvanklit;litsenlis, ooklutsenlusuitgesproken, van lat.licium; en in de volksspraakklussen,mussenenz. naastklutsenen mutsen in de schrijftaal. Evenmin werd de klinker altijd verkort:maetselenwerd wel is waarmetselen, maar naastketsenhieldkaatsenstand;koortsenrotsbleven, naast het vroegerekortseenrootse, de eenige gebruikelijke vormen;plaats,schaats,taats,koets,toets, zijn nooit totplats,kotsenz. verkort geworden, ofschoon er geen klinker is uitgevallen, die, gelijk bij det, de samensmelting verhinderde. Ook de spelling was evenzeer ongelijk en onzeker, en niet zelden vindt mends, waar de afleidingtszou hebben doen verwachten, b.v. inguds,ridsen,ridsig.Uit het een en ander blijkt, dat de woorden opdsentsniet volkomen parallel loopen met die opgtencht; en dat de regel eenigszins anders zal moeten luiden dan die in§ 94. Daar de Regel der Uitspraak hier niets beslist, moet die der Gelijkvormigheid gelden, en, waar de afleiding onbekend of onzeker is, die der Analogie. Van een groot aantal woorden kan de spelling niet twijfelachtig zijn. Vooreerst is het rationeel, dat die welke uit het Fransch ontleend zijn, ten tijde datchnog alstch(tsj), encnog alstsluidde, mettsworden geschreven; te wetenkoetsin de beide beteekenissen,toets,flits,rots,toorts, fr.coucheencoche,touche,flèche,roche,torche;plaats,rantsoen,fatsoen, fr.place,rançon,façon. Daarentegen moet de fr.g, vroeger alsdg(dzj) uitgesproken, bij onsdsworden, namelijk inloods(houten gebouw), fr.loge. De afleiding eischt stellig eenetinguts(holle beitel, waarmede onder andere ook goten uitgehold worden) vangoot; inritsen,ritsig, verwant metwrijten, alsmede ingutsen, uit het ouderegussenvervormd met ingevoegdet. Ook is het thans verkieslijk aanknotsdetvanknottente geven, nuknoddeenknoddenverouderd zijn. Inridselen, ofschoon misschien vanrijden, heeft dedin allen gevalle geen nut meer, nurijdenniet langer in de beteekenis vanbevengebruikt wordt. Voor de spellingkodsenbestaat geene enkele reden; het is waarschijnlijk een klanknabootsend woord; enKiliaanschreef reedskotsen,Plantijnkotzen.Loods(persoon) engidsbehooren volgens de afleiding eenedte hebben, als zijnde gevormd vanloodenen fr.guide. Insmidse, vansmid, kan desin geen geval geacht worden dedverscherpt te hebben, dewijl zij tot de volgende lettergreep behoort. Omtrent de spelling der overige woorden, alskaats,schaats,taats,schets,scherts,koortsenz., wier afleiding òf onbekend, òf onzeker is, òf niet strekken kan om de beteekenis op te helderen, heeft nooit verschil van gevoelen bestaan; er is dan ook geene reden te bedenken, waarom zij anders zouden geschreven worden, dan tot nu toe geschied is. Trekt men alles samen, dan krijgt men den volgenden practischen regel, op dien der Gelijkvormigheid en der Analogie gegrond:Wanneer desdoor eene tongletter wordt voorafgegaan, dan is deze de scherpet; uitgezonderd in den 2dennaamw. der woorden opd, in de bijvoegl. naamw. en bijwoorden door aanhechting vanschensvan woorden opdgevormd; en eindelijk inloods(in de beide beteekenissen),gidsensmidse.Wij schrijven derhalvetrots,schertsen,plaats,schaats,toortsenz.; maarGods,des bloeds,goedsmoeds,steedschensteeds,kindsch,gindschengindsvangind(er),sindsvansed(ert).100. De woorden op-aarden-erdleveren geene moeilijkheid op; zij vereischen zonder bedenking eened. Het achtervoegsel-aardis oorspronkelijk het bijvoeglijk naamwoordhard, dat oudtijdssterkbeteekende, en dezen zin nog heeft in uitdrukkingen alshard draven,loopen,werken.In samenstellingen beteekende hetsterkalsdatgene, often aanzien vandatgene, wat door het stamwoord werd uitgedrukt, b.v.Beranhard,Burchard,Everhard,Wolfhard, sterk als een beer, burg, ever, wolf;Ecgehard,Gêrhard, sterk met het zwaard, met de speer;Meginhard,Reginhard,Snelhard, sterk in kracht, in raad of list, in vlugheid;Sigihard,Wic-hard, sterk in de zege, in den strijd. Als tweede lid in de samenstelling verloor het al spoedig deh, evenals-helm,-hilde,-haftig, en soms-hande, b.v.Anselmus,Willem,Machteld,deelachtig, en mnl.menigherande, voorAnshelmus,Wilhelm,Machthilde,deelhaftig,menigerhande. Vandaar, dat men naast eigennamen op-hard, mlat.hardus, ohd.-hart, oudtijds vormen op-arten-aertaantreft, die thans op-ard,-erden-ertuitgaan. Zoo b.v.Athalhardus,Bernhardus,Burchardus,Everhardus,Folchardus,Gêrhardus,Meginhardus,Reginhardusenz., mnl.Adelaert,Bernaert,Burchaert,Everaert,Volcaert,Meinaert,Reinaert; thansAllardenAldert,Bernard,EverardenEvert,Volkert,Meindert,Reindert. Daar de vormen op-hard,-hardus, ohd.hart, in overoude stukken voorkomen, maar die op-ard,-aerten-erdalleen in latere, zoo is het duidelijk, dat de laatste uit de vroegere ontstaan zijn, en niet-harduit-erd.—In het Mhd. werden met-hartook gemeene namen gevormd, alle met ongunstige beteekenis, alslügehart, sterk in het liegen;naghart, knaaglustig;selphart, zelfzuchtig;slinchart, slokop;trügenhart, sterk in het bedriegen;vrîhart, ongebondene.Uit de Duitsche talen ginghardin de Romaansche over, en werd daar, met de in die talen gewone verstomming derh, ital.-ardo, als inbastardo,codardo; fr.-ard, als inbâtard,couard,gaillard,grognard,pendard,richard,viliard; zieDiez,Gramm. der Rom. Sprachen, II, 358 vlgg. De ongunstige opvatting, die ook het Mhd. vertoont, treedt in de Romaansche talen, waar het achtervoegsel van vreemden oorsprong was, bepaald op den voorgrond.Het Mnl. nam van die Fransche woorden over, b.v.bastaert,cockaert,viliaert; en vormde nu naar die modellen zelf nieuwe, alsbehaghelaert,bollaert,clappaert,dullaert,galghaert,gaepaert,grisaert(grijskop, zieHorae Belg.VI, 98),loyaert,moyaertenz., alle woorden van minachting of spot, en niet zelden met den klemtoon op-aert. Dat men deh, die reeds uit de eigennamen uitgevallen was, niet weder invoegde, is natuurlijk. Het Nnl. ging op den eenmaal ingeslagen weg voort, en maakte een aantal andere, insgelijks met ongunstige beteekenis, alsbloodaard,dronkaard,gulzigaard,lafaard,veinsaard,wreedaardenz.; zelfsrijkaard, van het onschuldigerijk, wordt in slechten zin genomen; alleengrijsaardhield op een schimpnaam te zijn.Het achtervoegsel-erd, in het Mnl. nog onbekend, en dus jonger dan-aertof-aard, is eene verbastering van dat zelfde suffix, gelijk blijkt uitleperd,plomperd,stinkerd, die bijKiliaannogleepaerd,plompaerd,stinckaerdluiden; en uitgrijzerd, dat bij latere dichters voorkomt.Kiliaangeeft naastluyaerdookluyerdijeop, hetwelk toont, dat de verandering van-aardin-erdaan de werking van den klemtoon moet toegeschreven worden. De boven aangetoonde verbastering der eigennamen, b.v. de verandering vanEveraertinEvert, en die vanbastaardinbasterdstelt de zaak buiten allen twijfel.Sommigen zijn van gevoelen, dat-aarden-erdzouden ontstaan zijn uit het achtervoegsel-er, waarachter men, ter versterking, eerst eenetzou gevoegd hebben, zoodat-ertontstond, hetwelk vervolgens nog eene tweede versterking, eene verlenging tot-aart, zou hebben ondergaan. Zij gaan uit van de onjuiste onderstelling, dat wij werkwoorden zouden hebben of gehad hebben, alsgrijzen,laffen,rijken,snooden, met de beteekenis vangrijs,laf,rijk,snood zijn; datgrijsaard,lafaard,rijkaardenz. personen aanduiden, die bestendiggrijzen,laffen,rijkenenz., die »niet in het werkelijk oogenblik, maar bij aanhoudendheid de hoedanighedenvangrijsenz. hebben”. Dat gevoelen, dat zich zelf wederspreekt, en waarvoor men nooit een zweem van bewijs heeft weten aan te voeren, is niet slechts uit de lucht gegrepen en geheel zonder grond, maar het onderstelt ook, gelijk de geschiedenis der taal leert, eene onmogelijkheid. Achtervoegsels, die, gelijk-er, nooit den klemtoon hebben, ondergaan in den loop der tijden geeneversterking, maar omgekeerdverzwakking. Juist het achtervoegsel-erlevert er een sprekend en leerrijk voorbeeld van. Dit luidde goth.-areis, b.v. inlaisareis(leeraar),wullareis(voller); het werd ohd.-arî, mhd.-ære, nhd.-er. In het Mnl. werd het achtervoegsel geheel toonloos en ging over in-ere,-er, en-re, wanneer het onmiddellijk volgde op de lettergreep, die den vollen klemtoon had; maar het behield den halven toon en veelal ook dea, en werd-are,-aer, of-ere,-eer, wanneer het door eene toonlooze lettergreep werd voorafgegaan, zoodat het niet onder den invloed van den klemtoon der stamlettergreep stond; b.v. ingokelare,loghenareenloghenére,voghelare,persemére(woekeraar), enz., naastdienre,leerre,speelre,backere,weverenz. Wij nemen hier dus eene steeds voortgaande verzwakking waar, van-areistot-arî,-are,-ere,-eren-re, die men ook bij andere achtervoegsels kan opmerken; b.v. bij-dom, onl.-duom; bij-lijk, goth.-leiks, dat thans alslikwordt uitgesproken; en bij-aardzelf, niet alleen in de eigennamen, maar ook in de gemeene zelfst. naamw., die naar Fransche modellen, met het accent op-ardgevormd, ook in het Mnl. niet zelden den klemtoon hadden, maar thans nooit meer dan den halven toon krijgen, of, als-erd, geheel toonloos zijn. Het grenst aan ongerijmdheid, in strijd met de lessen der geschiedenis te stellen, dat de stroom tot voorbij zijnen oorsprong zou zijn teruggevloeid, en dat de taal op eenmaal hare richting, niet wijzigende, maar geheel omkeerende, van-erniet alleen-ert, maar zelfs-aartzou hebben gevormd.Het Nnl. heeft, wel is waar, welluidendheidshalve,dienre,leerre,sunder, indienaar,leeraar,zondaarveranderd; daarbij had evenwel geene versterking van-ertot-aar, geene vorming van een nieuw achtervoegsel plaats, maar slechts eene verruiling;-aarhad nooit opgehouden te bestaan. Evenmin zou de taal van sommige verbalia op-er, alsbijter,blaffer, woorden op-erdhebben gevormd, indien-erdniet reeds aanwezig was geweest. Meest alle woorden op-erdhebben trouwens een ongunstigen of spotachtigen zin, die aan-erniet eigen is; zelfslieverdenstouterdworden doorgaans schertsend gebezigd.Is het zeker, dat-aarden-erduithardontstaan zijn, dan moeten zij ook volgens de afleiding dedhebben, die de uitspraak er aan toekent. Het meervoud vanbastaardtoch luidt niet alleenbastaards; maar ookbastaarden, en daarnevens staatbastaardij;Kiliaankent ook een werkw.luyaerdenen de zelfst. naamw.luyerdije, vanluyaerd, enmooyaerdijevanmooyaerd. InSpanjaard, dat op eene andere wijs gevormd is, op welke evenwel de oude afkeer van die natie invloed kan gehad hebben, is dedgewaarborgd door het meerv.Spanjaarden, naastSpanjaards. Maar zelfs indien men wilde aannemen, dat-aarden-erdniets anders zijn dan-er, door eene tongletter versterkt, ook dan nog zou de keus op dedmoeten vallen; de taal zelve leert doorzwaarder,eerder,hoorder,duurder,gezagvoerder, dat zij, waar derversterking behoeft, deden niet detwil gebezigd hebben.101. Even weinig zwarigheid baart de keus tusschen dedoftin het zelfst. naamw.aardofaart. De afleidselsaardig,aardenenontaardenpleiten voor de zachtheid der sluitletter, terwijl de afleiding en de verwante talen de deugdelijkheid en oorspronkelijkheid dezer zachte uitspraakbuiten allen twijfel stellen.Aartenaartigzijn germanismen, en niets meer.102. Inrit, mv.ritten,bint, mv.binten,gebint, mv.gebinten, bewijst de uitspraak eene verscherping der sluitletter, ofschoon de stamwoordenrijdenenbindenbuiten twijfel eenedhebben.Riddenstrijdt met de uitspraak,bindtenengebindtenmet alle regelmaat. De verscherping derdis buitendien reeds lang algemeen erkend inmetenmits, nevensmede; invaart, mnl.vaerde, waarvan nogkoopvaardij; inzat, mnl.sad, waarvanverzadigen; inklant, fr.chaland. Daarom ookbeeltenis,verbintenis, evengoed alsontstentenisvan het oudeontstanden(ontstaand.i.ontbreken). De gebruikelijke schrijfwijzenbeeldtenisenverbindtenisdoen ten onrechte aan eene afleiding met-tedenken.Indienmet,mitsenriteenethebben, dan bestaat er geene afdoende reden voormedgezelenridmeestermetd, ofschoonmetin het eerste woord het bijwoordmedeis.103. De afleiding pleit voor de spellingandwoord, doorBilderdijken anderen aangenomen, als zijnde dit woord door samenstelling gevormd van het oude voorzetseland, hier als bijwoord gebruikt. Daar het Nederlandsch zich echter tot regel heeft gesteld, onverbuigbare woorden met scherpe medeklinkers te sluiten—op welken alleen innog(adhuc) ter bevordering der duidelijkheid eene uitzondering gemaakt wordt—en de spelling metdde beteekenis van het woord niet duidelijker maakt, noch op het etymologisch verband met eenig ander Nederlandsch woord wijst, vinden wij geene reden hoegenaamd om in dezen van de meest gebruikelijke spelling af te wijken. Wij achten ons hiertoe te minder gerechtigd, dewijl wijdan, om consequent te blijven, ook detinmetzouden moeten vervangen door ded, waarvoor niet slechts de verwante talen, maar ook het bijw.mede, pleiten. Het argument, dat het bijw.andde stam van het voornw.anderen het bijw.anderszou zijn, waardoor de beteekenis vanandwoord, als hetandereof tweedewoord, kon schijnen opheldering te erlangen, is uit de lucht gegrepen en wordt door de verwante talen ten stelligste weersproken.Om dezelfde reden verdient ook de spellingAndwerpenvoorAntwerpengeene aanbeveling.104. Men zegt en schrijft gewoonlijkadmiraal,admiraliteitenz.; sommigen willenammiraal, op grond dat dedslechts ten gevolge van een misverstand is ingelascht. Die misvorming is evenwel niet in den boezem onzer taal geschied: deze had er geene aanleiding toe. Wij hebben het woord in de middeleeuwen onder dubbelen vorm:amiraelofammiraelenadmirael, van de Zuid-Europeesche volken aan de Middellandsche Zee overgenomen. Het is het Arabischeamir(emir) met een Latijnsch achtervoegsel. Men bracht het in verband met lat.admirari, fr.admirer; vanhier de vormen:admiralis,admirabilis,admiratus,admirant,admiraglioenz., die alle aan bewonderen doen denken. Dedis dus werkelijk geheel te onrecht ingevoegd; maar even zeker is het, dat wij haar thans algemeen laten hooren. De Regel der Uitspraak eischt dus het behoud derd, terwijl de overige regels hier niet in aanmerking komen.Admiraalis wel niet meer noch minder welluidend danammiraalofamiraal, en het woord heeft in onze taal geene verwanten, waarop de spelling kan wijzen, geene analoga, wier stem gehoord kan worden. De Regel der Welluidendheid, die der Gelijkvormigheid en der Analogie, zwijgen hier dus, terwijl de toepassing van dien der Afleiding geheel doelloos zou zijn. Het woordamiren het Latijnscheachtervoegsel-alisbehooren tot talen, slechts aan geleerden bekend, en de vrees, dat iemand ten onzentadmiraalvanadmirariofadmirerzal afleiden, is niet gegrond. Wie geen Latijn of Fransch kent, komt natuurlijk niet op de gedachte: en wie die talen verstaat, wordt door het woord zelf, dat geen verstaanbaren vorm heeft, tegen die afleiding gewaarschuwd. Luidde hetadmirabel,admirantofadmiraat, dan kon er grond voor die vrees bestaan; doch-aalis geen achtervoegsel dat aan werkwoorden gehangen wordt Indien door het uitlaten derd(amiraal) de oorspronkelijke vorm hersteld ware, dan zou de zin voor ordelijkheid misschien die uitlating wenschelijk maken, dochamiraalis evenmin Arabisch alsadmiraal. Wij zien daarom geene reden om het thans heerschende schrijfgebruik te verlaten en geheel noodeloos den hoogsten grondregel der spelling te verzaken.105. Het Nederlandsch bezit voor de twee verschillende sisklanken ook twee afzonderlijke letterteekens: desvoor den scherpen, dezvoor den zachten klank. De vroegere verwarring, toenszoowel zacht als scherp werd gebezigd, waarschijnlijk een uitvloeisel van het Latijnsche spraakgebruik, heeft sinds lang opgehouden, zoodatsthans uitsluitend scherp is. Daarmede is hare verdubbeling achter een langen klinker of tweeklank, b.v. inaassem,braassem,deessem,geessel,kruissen,kruissigen,IJssel,zeissen,Pruissenenz., eene onloochenbare onregelmatigheid geworden, die gelijkstaat met de spellinglaaffenis,raaffelen,weiffelen,oeffenen,schuiffelen,twijffelen, voorlafenis,rafelenenz. Zij is dan ook later doorSiegenbeekzelven afgekeurd. Het behoeft dus wel geene verdere rechtvaardiging, dat de Redactie voornemens isbrasem,geesel,IJsel,Pruisenenz. te blijven schrijven.106. Daar de verdubbeling van eenen medeklinker in niet samengestelde woorden alleen moet dienen om te voorkomen, dat de voorgaande vocaal lang wordt uitgesproken, zoo is de verdubbeling vanzelve evenzeer onnoodig na toonlooze klinkers als na heldere en na tweeklanken. Toonlooze klinkers toch worden alleen aangetroffen in lettergrepen zonder accent, en daarbij bestaat geen gevaar, dat men den klinker lang zal uitrekken. De Redactie rekent daarom éének,tenmvoldoende inbotteriken,monniken,perziken,kieviten,diemiten,Gorkumer,Dokkumer,Bergumer. De schrijfwijzebotterikken,Gorkummer, staat gelijk met die vanengellen,verbeterren,uitrekennen,zondiggen, terwijl het niet verdubbelen der consonant voor den lezer juist een teeken is, dat hij de lettergreep als toonloos moet beschouwen.Het gezegde is natuurlijk niet toepasselijk opArnhemmer,Haarlemmerenz., waarin de tweede lettergreep, hoewel zwak van toon, niet toonloos wordt uitgesproken, en deè, hoe kort ook, toch den scherpene-klank behoudt5.107. Onze woordenboeken willendiefegge, als ware dit woord eene samenstelling vandiefmet een zekeregge. Men heeft hier intusschen met eene afleiding te doen.-eggetoch is een achtervoegsel, hetwelk voorheen doorgaans-igge-, soms ook wel-egeluidde, en meermalen ter vervrouwelijkingvan mansnamen gebezigd werd, b.v. inmakerigge,vercopege. Eene afleiding met een achtervoegsel, dat met een klinker begint, eischt de verandering van definv, wanneer de lange klank voorafgaat; vergelijkgev-er,liev-erd. Derhalve ookdievegge, evengoed alsdieverij. Dat sommigen in dit woord deflaten hooren, kan geene reden zijn om eene verkeerde spelling te behouden, die uit onkunde ontstaan is. Het herstel dervkan misschien strekken om aan die onjuiste uitspraak een einde te maken. Vergelijk§ 58en 66.108. Inzamen,zamenkomst,zamenspraakenz. gebieden de afleiding en de uitspraak de vervanging derzdoor des. Dezheeft daar de waarde vantz, en wordt dus te recht scherp uitgesproken. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat het grondwoordzamenluidt, terwijl ook ingezamenlijk,inzamelenenz. dezduidelijk gehoord wordt, en dat men inzestigenzeventigdezvanzesenzevensteeds heeft behouden, dan kan het bedenkelijk schijnen, door het schrijven vansamen,samenkomstenz. en daarnevens vangezamenlijk,verzamelenenz., de onderlinge verwantschap dezer woorden voor het oog weg te nemen. Deze bedenkingen deden ons eerst besluiten de gebruikelijke spelling te behouden. Nu zich echter opnieuw stemmen ten voordeele dershebben doen hooren, aarzelen wij niet langer die schrijfwijze aan te nemen, die, op voorgang vanBilderdijk, door onze beste schrijvers gevolgd wordt, met de meest algemeene uitspraak overeenstemt, en op een goeden etymologischen grond steunt. In de uitdrukkingte zamentoch werd de toonloozeevanteweggelaten, waardoor eersttzamenontstond. Dit had de verscherping van deztotsten gevolge:tsamen; eindelijk werd detovertollig gerekend, en dit gafsamen.Samenheeft dus de waarde vante zamenen verschilt derhalve werkelijk in afleiding en beteekenis van het grondwoordzamen. De spelling metsis uit dien hoofde de ware, overal waarsamende bijwoordelijke uitdrukkingte zamenvervangen moet, te weten aan het begin van samengestelde werkwoorden en woorden, van zulke werkwoorden gevormd, als insamenkomen,samenspreken,samenhangen,samenkomst,samenspraak,samenhang; daarentegen natuurlijk niet, waar geen bijwoord, maar het grondwoordzamenvereischt wordt, als ingezamenlijk,bijeenzamelen,verzamelen,verzamelingenz., en dus ook inopzamelen, nietopsamelen, hoewel dezdaar ten gevolge van de werking derpvanzelve alssklinkt.Evenmin zou de spellingte samenvoorte zamengoed te keuren zijn, ofschoon de gewone uitspraak ook daar deslaat hooren. Deze toch is hier slechts het gevolg eener verkeerde toepassing der analogie. Eene werking der voorafgaandetkan hier niet erkend worden. Zij bestaat niet, zoolang de toonloozeevanteblijft; want men zegtte zoek,te zuinig,te zuur,te duur,te geef; niette soek,te suinig,te suur,te tuur,te cheef.Te samenis derhalve niet anders te verklaren en op te vatten, dan alste tzamen, met het dubbele voorzetsel, een vorm die natuurlijk niet erkend mag worden. Vergel.§ 66. De Redactie stelt zich daarom den volgenden regel:
De medeklinkers.92. Tot de regels betrekkelijk de medeklinkers overgaande, meenen wij het eerst melding te moeten maken van het belangrijke vraagstuk omtrent de spelling der woorden, waarin tweeklanken opivoorkomen. Moet menzaaijen,zaaien,zajenofzaayen,hooijen,hooien,hoojenofhooyenspellen? De uitspraak beslist hier niet stellig genoeg. Men hoort in de genoemde woorden wel is waar eenej, maar slechts zeer flauw en op verre na niet zoo duidelijk als aan het begin van een woord, b.v. injaar,jong, gelijk blijkt uit de vergelijking vanvleier,vleijermet (een goed)hooi-jaar. Het gebruik beslist evenmin, daar alle vier de schrijfwijzen hare voorstanders hebben gehad en gedeeltelijk nog hebben; men denke slechts aanbajert,dojerenoojevaarofooijevaar. Raadpleegt men de afleiding, dan wordt de zaak nog moeilijker. Indien men let op den oorsprong vanzaaijen,draaijen,naaijen, en op de afgeleidewoordenzaad,draad,naad, dan zoudenza-jen,dra-jen,na-jen, de ware vormen zijn; zoo ookstroo-jen, goth.strau-jan,too-jen, goth.tau-jan,boejenboe-jen, lat.boja; daarentegenhooi-en, enkooi-en, om goth.havi(hawi) en lat.cavea. Voor andere woorden beslist zij in het geheel niet. Verandertdiniof inj? Heeft menro-jenofrooi-en, vanroden;do-jerofdooi-er, vandoder;oojevaarofooievaar, vanoodevaar, te spellen? En welke letter moetschuijerenhebben, dat hetzelfde woord is alsschuren? Regels op de afleiding gegrond zijn hier derhalve zoo goed als onmogelijk; zij zouden de spelling slechts uiterst moeilijk maken en tot nieuwe geschillen aanleiding geven.De aangenomen spellingbaai—baaijen,rei—reijen,hooi—hooijendruischt dubbel aan tegen de analogie. Deze wil, dat een onverbogen woord den medeklinker, die in den verbogen toestand de volgende lettergreep begint, tot sluitletter zal hebben; b.v. datkwaadeindigen zal op dedvankwa-de, en zoo ookplaag,vrouwenz. op degenw, waarmede de tweede lettergrepen vanpla-genenvrou-wenaanvangen. Tegen dezen regel wordt gezondigd doorbaai,rei,boeienz. Ware dejin de verbogene vormen onmisbaar, de analogie zou haar evenzeer eischen in de onverbogenebaaij,reij,boeij, omdat deze woorden in het meervoudbaai-jen,rei-jen,boei-jenworden. Deze en dergelijke woorden, die eindigen op eenen tweeklank, waarinide laatste klinker is, worden nu stilzwijgend als uitzonderingen beschouwd. Die uitzondering zou nog te dulden zijn, indien zij niet zelve weder hare uitzonderingen had in de woorden opij. Deijtoch is ook een tweeklank, die opiuitgaat en dus in den verbogen toestand eene volgendejzou vorderen. Intusschen zal wel niemand lust hebben ombijjen,rijjen,vrijjen,vrijjerte schrijven. Het is dus niet te loochenen, dat de bestaande spelling der woorden met tweeklanken opionregelmatig is en inconsequent, zoowel in zich zelve als ten opzichte van eene groote menigte andere woorden. Er zijn er geweest, die het gebruik der enkelejhebbenvoorgeslagen, niet bedenkende, dat deze, wat de uitspraak betreft, wel volstaan kan inbajen,drajen,haajen,boejen,broejen,hoojen,loojenenz., maar niet inbrejen,ejeren,lejen,rejen,bujen,brujen,kujeren,schujerenenz. Ook handelt men bij deze schrijfwijze, evenzeer als bij die meti-j, in strijd met de afleiding, en brengt in een aantal woorden eenej, die er nooit in bestaan heeft: b.v. indojerofdooijer(doder),kojenofkooijen(caveae),ojevaarofooijevaar(oodevaar),rojenofrooijen(roden),leijen(lage),reijen(rege),schuijeren(schuiren,schuren). In sommige werkwoorden, alsdraaijen,naaijen,zaaijen,strooijen,tooijen, behoort dejwerkelijk tot den grondvorm. Deze zouden de spellingdrajen,najen,zajen,stroojen,toojeneischen; maar dan ookdraaj,hij draajt,draajde, waartoe men wel niet licht besluiten zou, te minder wanneer men bedenkt, dat dejin andere werkwoorden, b.v. inmaaijen,breijen, tegen de afleiding zou aandruischen. Doch, is er geene regelmatige spelling met de enkelejzoomin als met dei jmogelijk, dan blijft alleen die met de enkeleioverig, hetzij men die dooriof dooryvoorstelt. Dejis eigenlijk ook geheel overtollig; in eene beschaafde uitspraak wordt zij niet sterker gehoord dan de overgang van deitot den volgenden klinker vanzelf medebrengt, niet sterker dan de flauwejinzeeën,weeën,gedweeër,drieën,knieën, en in uitdrukkingen als:in boei en band,Mooi Antjeenz. Dejis, gelijk hare flauwe uitspraak en haar volstrekt afwezig zijn aan het einde eener lettergreep duidelijk genoeg bewijst, niets meer dan een onvermijdelijke overgang van den eenen klinker tot den anderen, en daarom in het schrijven evenzeer te verwerpen als debinhembden depinkompt; behoudt men haar, dan moeten ook dezebenpweder in aanmerking komen. Men zal gevoelen, dat de Redactie geene spelling kan behouden, die tegen alle regelmaat en in vele gevallen tegen de afleiding aandruischt, en die met de uitspraak slechts bezwaarlijk is overeen te brengen. Zij geeft daarom de voorkeur aan de eenige regelmatige schrijfwijze met de enkelei, en zulks te eer, omdat de spellingbaaien,breien,boeien,buienenz. sedert lang bij vele onzer beste schrijvers in gebruik was. Ofschoon wellicht geen hunner van den waren staat van zaken een klaar bewustzijn had, en sommigen dientengevolge bij de vormen op-igen-ingniet eenparig handelden, hun verzet tegen de aangenomen spelling toonde, dat zij de ongepastheid derjin die woorden duidelijk gevoelden3. De schrijfwijzebaaienenz, heeft niets tegen zich, dan dat men zich verplicht kan achten een trema op den klinker te zetten, die opivolgt, ten einde de verbinding van deze met de volgende letter te voorkomen, iets dat zeker vrij lastig en voor het oog weinig behaaglijk is. Om dit bezwaar bij de eenige regelmatige, consequente en kennelijk door de taal zelve gevorderde spelling te ontgaan, was de Redactie eerst voornemens de gewoneidoor dey, als zijnde ook eenei, te vervangen, enhooyen,samenvloeying,opruyingenz. te schrijven, waardoor de scheiding der lettergrepen eenigszins duidelijker zou aangewezen worden. Dat plan heeft echter zooveel tegenstand gevonden, dat zij niet raadzaam acht er bij te blijven en eene spelling aan te nemen, die algemeen mishaagt, omdat de eigenlijke waarde van het letterteekenyaan de meesten vreemd is geworden. Zij zelve had die slechts voorgeslagen om het scheiteeken te vermijden. Zij ziet er te eer van af, omdat zij in de toepassing practische moeilijkheden van typographischen aard heeft ontmoet, die zij niet had voorzien. Zij aarzelt dus niet langer de reeds bij velen gebruikelijke spelling met de gewoneiaan te nemen, en schrijft derhalve de woorden, waarin een der tweeklanken opi, te wetenaai,ei,ooi,uienoei, voorkomt, steeds met de gewonei, zonder inlassching eenerj, wanneer zij verlengd worden; derhalve:aaien,baaien,beien,breien,hooien,kooien,buien,kruien,boeien,knoeien,maaier,draaier,eieren,Beiersch,dooier,mooier,kruier,opruier,boeier,knoeier,baaierd,ooievaar,opruiing,samenvloeiingenz., evenalsbijen,rijen,vrijerenz.In vreemde woorden, alsbajonèt,sajèt, waar de klemtoon niet op deavalt, meent zij geenen tweeklank te moeten erkennen, te minder omdat de spellingbaaionet,saaietniet alleen er vreemd uitzien, maar ook tot eene verkeerde uitspraak aanleiding geven zou.93. Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de uitspraak en spelling van een paar woorden op-leien-hande. Sommigen schrijventweederlei,tweederhande,driederlei,driederhande, anderentweeërlei,tweeërhande,drieërlei,drieërhande. Welke schrijfwijze is te verkiezen, die met of die zonderd? Daar de uitspraak hier evenzeer als de spelling weifelend is, hangt de beslissing af van de vraag, welke spelling door den aard en de samenstelling dier woorden gevorderd wordt.De woorden op-leien-hande, ofschoon thans als afleidingen te beschouwen, zijn eigenlijke samenstellingen of koppelingen van een bepalend woord, alséén,twee,al,veelenz. met de zelfst. naamw.lei(ofr.ley) enhand, die beide vrouwelijk zijn, en hiersoortofgesteldheidbeteekenen.Eenerlei,eenerhande,allerlei,allerhandestaat gelijk metvan ééne soortofgesteldheid,van alle soortenofgesteldheden. Voorheen bezigde men ookgoederhandevoorvan eene goede soort; en zoo ookgoedertiere,quadertiere,allertiere,velertiere,menigertiereof-tieren, waarvan wij ons hedendaagschegoedertieren, met de bekende bepaalde beteekenis, hebben overgehouden. Bij de woorden op-leien-handeheeft men dus afwisselend met een enkelvoud of met een meervoud te doen, naar gelang van het getal, dat het bepalende woord medebrengt, waarop echter, gelijk bij andere samenstellingen, die in afleidingen zijn overgegaan (vergelijk die op-halveen-wege), geen acht meer geslagen wordt. Men zegt in het meervoud evenzeerallerlei, vooraller leien, als in het enkelvoudeenerlei; daarentegeneenerhande, methandin den ouden meervoudsvorm ope, evengoed alsvelerhande. Intusschen treft men altijd een vrouwelijken 2dennaamval aan, waaruit volgt, dat de bepalende woorden steeds op-ermoeten eindigen. Regelmatig zijn dus, wat het eerste lid betreft:eener-,geener-,eeniger-,meniger-,veler-,aller-,achter-,twintiger-,honderder-,duizenderleien-handeenz.; doch onregelmatigvierder-,vijfder-,zesder-,zevender-,negender-,tienderleien-handeenz., omdat men daarbij aan het bepalende woord den vorm van een ranggetal geeft. Dat zulks ten onrechte geschiedt, volgt reeds uit de beteekenis dier woorden, en blijkt bovendien uiteenerlei,driederlei,achterlei,twintigerlei,honderderlei, nieteersterlei,derderlei,achtsterlei,twintigsterlei,honderdsterleienz. De ingeschovendis trouwens ook niets anders dan eene vergroving der uitspraak van eene toonlooze lettergreep achter vloeiende letters, gelijkrennzijn. Bijvierderlei,zevenderlei,negenderlei,tienderleienz. heeft hetzelfde plaats als bijzwaarder,duurder,hoorder,scheerder,diender,boender,spaandersenz., en bijvilder,helder,kelder,zolderenz. vanvillen,hel,cellarium,solarium. Zoo zei men voorheen, en zegt men nog wel, ookeenderlei,alderhande,waarin aan dedwel geene beteekenis kan gehecht worden. Ofschoon men nu, door verkeerde gevolgtrekking, geheel ten onrechte dedook achter andere letters dan vloeiende, namelijk invijfderlei,elfderlei,twaalfderleienzesderleiheeft ingevoerd, hebben evenweleenerlei,achterlei,twintigerlei,honderderlei,duizenderleienz. den grammaticaal onberispelijken vorm behouden. Aan een practisch gemakkelijken regel:de achtervoegsels-leien-handetreden achter ranggetallen, valt dus niet te denken, zelfs niet bijdriederlei. De Redactie meent daarom in de beide twijfelachtige gevallen aan de meer beschaafde uitspraak zonder ded, waarbij de ware natuur der woorden meer uitkomt, de voorkeur te moeten geven. Zij schrijft derhalve:tweeërlei,tweeërhande,drieërlei,drieërhande.94. Vervolgens doet zich de vraag voor omtrent de spelling van den geadspireerden keelklank vóór det. Waar moet menchtspellen? waargt? Den regel, dienaangaande in 1804 gesteld, dat de woorden, afgeleid van stammen, waarin blijkbaar eenegvoorkomt, b.v. inklagtvanklagen, metg, de overige metchbehooren geschreven te worden, meenen wij niet te mogen behouden. Vooreerst toch is de afleiding van sommige woorden, welke in die categorie vallen, geheel onbekend of ten minste onzeker. Ten andere is degin sommige stamwoorden slechts eene aan het Nederlandsch, evenals aan het Deensch, in het bijzonder eigene verzachting van de oorspronkelijkech, b.v. invliegen,wij zagen,wij tegen,aangetogenen andere, zoodat doorvlugt,gezigt,togtenz. toch niet de ware vorm dier woorden voorgesteld wordt. De genoemde regel is ook moeilijk in de toepassing en is tot nu toe zeer willekeurig en onregelmatig toegepast. Zoo berust b.v. de spellingregt,regter,rigten,berigten, op eene verkeerde afleiding;geslacht(vanslag, soort),tucht,tuchtigen(vantiën,toogenz.), (be)tichten,van (aan)tijgen, zouden evenzeer eenegvorderen alsslagter,geslagt,togtenz. Eindelijk, de regel is, gelijk blijken zal, kennelijk in strijd met ons taaleigen.Het is om genoemde bedenkingen, dat wij ons den volgenden regel stellen:De geadspireerde keelletter, die zich vóór eene steeds in het woord blijvende en steedsonmiddellijkvolgendetbevindt, welke totdezelfdelettergreep behoort, wordt, zonder op de afleiding te letten, doorchvoorgesteld. Doch wanneer het woord eenegheeft, die, afwisselend, nu al dan nietonmiddellijkdoor detwordt gevolgd, of wanneer deze tot devolgendelettergreep behoort, dan blijft degonveranderd.Hoe willekeurig deze regel met zijne uitzonderingen bij den eersten aanblik ook schijnen moge, bij eene nadere beschouwing blijkt, dat hij door ons taaleigen gebiedend wordt gevorderd. Wanneer een vaste medeklinker (eene zoogenaamdemuta) reeds van oudsheronmiddellijk, d.i. zonder tusschenstaanden klinker, door eenetgevolgd werd, dan zijn beide medeklinkers zoo innig samengesmolten, dat zij eene soort van eenheid uitmaken, die met eenen verdubbelden, d.i. versterkten, medeklinker gelijkstaat. De samensmelting blijkt duidelijk uit de verscherping van den eersten medeklinker, die vervolgens meestal inchoverging; en uit de verkorting of verscherping van den voorgaanden helderen klinker, welk laatste verschijnsel ook bij eene verdubbeling, b.v. instòtterenvanstóóten, inverhèffennaastverhéven, plaats vindt. Zoo ontstondengràftengràchtvangráven;schàftenschàchtvanscháven;echtvanehe;gìft(mnl. ookgìcht) vangéven;plìchtvanplégen;kòchtenbruilòftvankóópenenlóópen;gewrochtvanworken;gezòcht,gerùchtenkluftvanzóéken,róépenenklieven;vernuftvoorvernumbtvanvernemen,vernomen. Doch men zegt en schrijft:hij graaft,schaaft,geeft,pleegt,koopt,loopt,zoekt,roept,verneemt, niethij gracht,schacht,giftofgicht, enz., omdat deze zelfde woorden devormengraven,ik graaf,schaven,ik schaafenz., zondert, nevens zich hebben. Het beurtelings af- en aanwezig zijn liet de samensmelting niet toe. Evenzoo zeggen en schrijven wijlaagte,leegte,hoogte,drukte,goedkoopte,diepte, nietlachte,lechte,hochte,druchte,goedkochte,dichte, alleen omdat det, tot de volgende lettergreep behoorende, zich niet zoo nauw aan den voorgaanden medeklinker kon aansluiten, dat hij met dezen samensmolt. Immers, waar de volgendeeontbreekt, daar openbaart zich de ineensmelting weder, zooals blijkt uit de vergelijking vanluwtemetlucht,ziektemet (water)zucht. Ook in de woorden, waarin oudtijds tusschen de beide medeklinkers een klinker werd aangetroffen, die eerst in betrekkelijk laten tijd is uitgevallen, is de ineensmelting door dien klinker verhinderd geworden, zoodat de voorgaande medeklinker niet veranderd, en een voorgaande heldere klinker niet verscherpt is. Dit blijkt uitabt(mnl.abbet), dat niet inaftofachtis overgegaan; uitambt(ambacht), nietaft, gelijkvernuftzou doen verwachten; uitkreeftenooft(bijKiliaankrevetenovet), nietkrechtenocht; uitmarkt(lat.mercatus), nietmarcht.Het is uit dien hoofde geheel overeenkomstig ons taaleigen, dat wij ons ten regel stellen:Degblijft in de regelmatige vervoeging der werkwoorden, wier stam op eenegeindigt, en in de zelfst. naamw., door achtervoeging van-tegevormd van bijvoegl. naamw. opguitgaande.Wij schrijven derhalve:dracht,jacht,klacht,macht,slachten(dooden),geslacht(engemaal),plecht,plechtig,licht(niet zwaar),plicht,gewicht,gezicht,gedrocht,tocht,lucht,tucht,vlucht,zucht(diepe ademhaling) evenzeer metch, alsnacht,geslacht(familie),slachten(gelijken),echt,recht,licht(straal),lucht,vruchtenz. Daarentegen:hij draagt,jaagt,vraagt,legt,zegt,pleegt,weegt,droogt,zoogt, enz., engraagte,laagte,leegte,droogte,hoogte,menigteenz.De verkorte eigennaamAagtbehoort ook degte behouden, dewijl er een klinker is uitgestooten, die zich nog heden ten dage in den vollen vormAgathavertoont. Dat het woord met den helderen klinker en niet alsAchtwordt uitgesproken, bewijst, dat er geene samensmelting der medeklinkers in plaats heeft.De onregelmatige onvolm. verled. tijden en deelw.bracht,gebracht,mocht, vanbrengenenmogen, verkeeren in het geval, dat decheischt. In die vormen heeft de tijdsuitgang-de(-te) deeverloren, ten gevolge waarvan de overblijvendetzich aan den voorgaanden medeklinker heeft aangesloten.Brachtenmochtstaan voorbrachteenmochte, en deze vormen voorbragde(ofbrengde) enmoogde, gelijk de analogie vanzengde,leegdeenzoogdezou medebrengen. De overgang der regelmatig vereischtedintbewijst voldingend de samensmelting en dus ook de verscherping der voorgaande medeklinkers. Wij schrijven uit dien hoofde:hij bracht,mocht,gebracht, nevenshijengij brengt,gij moogt. Evenzoohij placht, oudtijdsplach(plag), waarin de bijgevoegdetmet de sluitlettergevenzeer is samengesmolten als ingedrochtvoorgedrog.Wij aarzelen te minder tot de genoemde verandering over te gaan, omdat de voorgenomen spelling beter dan die metgaan de uitspraak beantwoordt en reeds door vele onzer beste schrijvers gevolgd wordt, terwijl de regel gemakkelijk toe te passen is en aan veel willekeurigs en onregelmatigs een einde maakt, en het wijzen op de afleiding bij de meeste woorden dezer categorie volstrekt geen nut heeft. Immers de beteekenis vanplecht,plechtig,gedrocht,tucht,tuchtigenwordt niet opgehelderd door het verwijzen opplegen, (be)driegenentoog(vantiën); men verstaat het woordmachtniet beter, als men weet, dat het vanmogenkomt, sedert dit de beteekenis vankunnenverloren heeft; en de kracht van het woordplichtwordt vooral niet beter gevoeld als men verneemt, datplegenhet grondwoord is, nu dit meest van moord en roof gebezigd wordt.—Bijde meeste andere woorden is degniet toereikend om den lezer aan het grondwoord te herinneren. Bijdragt, (de)jagt,klagtmetgzal men misschien iets eerder aandragen,jagenenklagendenken, dan wanneer mendrachtenz. schrijft; doch geen onkundige zal vermoeden, dat (het)jacht,slachtenenslachter,aangezicht,vluchtenenzuchtensamenhangen metjagen,slaan(sloeg),zien(zag),vliegenenzuigen, al spelt men die woorden ook metg; evenmin als hij bijboetenenschuitaanbatenenschietendenkt. Waar zulk een groot verschil in klank bestaat, en de beteekenissen slechts eenigszins uiteenloopen, wordt geene verwantschap meer gevoeld. De toepassing van den Regel der Gelijkvormigheid brengt hier derhalve geen nut aan; vergel. ook§ 50.95. Lang heeft de Redactie in bedenking gestaan bij de vraag: moet dechna kort afgebroken klinkers al of niet verdubbeld worden? en, zoo ja, hoe dan?—moet menkachel,kagchelofkachchelenz. schrijven? De thans meest gebruikelijke spellingkagchel,rigchel,bogchelenz. is onregelmatig en kan reeds daarom niet in alle opzichten worden verdedigd. Bovendien doet de verbinding van twee verschillende, doch verwante letterteekens, alsgench, aan eene samenstelling denken, terwijl de meeste der hier bedoelde woorden, alleenlichaamuitgezonderd, slechts afleidingen zijn, waarin eene enkelvoudigegofkdoor den invloed der volgendeltotchverscherpt is; b.v.bochelvanbuigen,boog;tichelvantegel;kachelvankakel, bijKiliaankaeckel.Lichaam, uitlijkenhaam, door de spelling als een samengesteld woord te kenmerken, en b.v.lich-haamte schrijven, zou echter geheel nutteloos wezen, omdat inlichhet woordlijktoch niet zou herkend worden, terwijl dit bovendien, evenalshaam, in deze samenstelling meteene beteekenis voorkomt, die thans bij de meerderheid der sprekenden en schrijvenden onbekend is.Wanneer de Redactie daarbij in aanmerking neemt, dat de verdubbeling door middel eenergbij de netste schrijvers steeds grooten weerzin heeft gevonden, en dat de spelling met eene enkelechmisschien leiden kan tot eene verfijning van den zoo harden keelklank, die doorgchwordt vertegenwoordigd (vergel.§ 61en 62), dan meent zij aan die schrijfwijze de voorkeur te moeten geven en duslichaam,kachel,richelte moeten spellen, ofschoon zij gaarne erkent, dat ook deze niet onberispelijk is. De regelmatigheid zou ongetwijfeldlichchaam,kachchelenz. vorderen; doch deze spelling ware thans eene ongehoorde nieuwigheid, die zeker niemands goedkeuring zou wegdragen. Er schoot dus niets anders over dan van de twee gebruikelijke schrijfwijzen de minst gebrekkige te kiezen, die dan ook het langst en algemeenst in gebruik is geweest4.Voor de spelling met de enkelechpleit, behalve de welluidendheid, ook nog de analogie met de meeste eigennamen, alsJochem,Kochem,Lochem,Mechelen,Vechel,Zwichem; die metechel, en vooral die metecho, welke woorden nooit metgchgeschreven worden. Alleen de uitspraak van de bij ons gebruikelijke namenRachelenMichielpast er niet in. Het onderwijs zou dus inderdaad bij de spelling met de enkelechaan gemak winnen. In de plaats van den thans geldigen regel:Dechwordt na onvolkomene klinkers door de voorvoeging eenergverdubbeld, waarbij de bovengenoemde woorden en andere dergelijke als uitzonderingen moeten opgegeven worden, heeft men slechts te leeren:Alle enkelvoudige klinkers hebben vóór dechden onvolkomen klank, mee uitzondering van de eigennamenRachelenMichiel.Vergel. het opstel:De Spelling en het Lager Onderwijs, van den HeerJ. A. van Dijk, in denTaalgids, VI, blz. 73 vlgg.96. Van een geheel anderen aard dan de verdubbeling derchdoor middel van degis die dersinwasschen,flesschen,visschen,mosschenofmusschen,tusschenenz., die door sommigen daarmede op ééne lijn wordt gesteld. Niet de letter, die verdubbeld wordt, niet des, maar dech, die stom is, zou een punt van geschil kunnen uitmaken. Deze toch doet thans niets meer aan de uitspraak af, maar is alleen een graphisch overblijfsel uit den tijd, waarin zij, uitkontstaan, werkelijk gehoord werd. Toen men eerstvisk,mosk, en later inderdaadvisch,mosch, d.i. metch, uitsprak, bleef de eerste lettergreep ook in de meervoudenvis-ken,vis-chen,mus-ken,mus-chengesloten, en werd de tweedesnatuurlijk niet gevorderd; thans echter, nu er alleen eenesis overgebleven, is hare verdubbeling invis-sen,mus-senevenzeer noodig en regelmatig als inmos-sel, vroegermos-chel. De dubbeleslevert dan ook niet hetminste bezwaar op, kan nooit medewerken om de uitspraak te bederven. Dit is integendeel wel te vreezen van de spellingvis-chen,mus-chenenz., die alleen strekken kan om de thans ondraaglijk pedante uitspraak, welke dechin de genoemde en dergelijke woorden laat hooren, meer in zwang te brengen. Men is buitendien te zeer gewoon de geheeleschbij de tweede lettergreep te voegen, gelijk blijkt uitPa-schen,zij he-schen,kre-schen,gehe-schen,gekre-schen, welke woorden men toch wel niet gaarne noodeloos met dubbelen klinker,Paas-chen,hees-chen,krees-chen,gehees-chenengekrees-chen, zou geschreven zien. Wij kennen derhalve geene enkele reden om de éénesweg te laten, maar redenen te over om haar te behouden, namelijk het gevestigde gebruik en de voorkoming eener wanluidende uitspraak. Wij blijven derhalvewasschen,lesschen,wisschen,tusschenenz. schrijven met de dubbeles.97.Bilderdijk’sspellingnogthandssteunde op eene verkeerde afleiding:nochtansis samengesteld uitnogendan(mnl.nochtanofnodan) met de adverbiales, en heeft dus niets metthansofthands(te hande) te maken. Aan de invoering eenerhendin dit woord valt derhalve niet te denken. Doch men zou in twijfel kunnen staan bij de keuze tusschennochtansennogtans. Ofschoon de Redactie het raadzaam oordeelt, de gebruikelijke onderscheiding vannog(daarenboven, tot nu toe) ennoch(ook niet), hoewel niet op de afleiding gegrond, om den wille der duidelijkheid te behouden, meent zij echter innochtansde voorkeur aan dechte moeten geven, vermits wel deze scherpe keelletter, maar niet de zachteg, den overgang derdvandanin detvantansheeft kunnen veroorzaken, en het woord voor ons gevoel eene eenheid geworden is, waarbij aan de samenstellende deelen niet meer gedacht wordt,zoodat hier alleen de Regel der Uitspraak behoort gevolgd te worden.98. Het algemeen gebruik wil, op grond der uitspraak, sedert langkoninklijk,aanvankelijk,afhankelijk,jonkheer,jonkvrouw,sprinkhaan. Dezelfde reden geldt voor de spellingkoninkrijk,jonkheid,koninkje,woninkje,kettinkjeenlankmoedig. Daarenboven zou de schrijfwijzekoningrijk,koningje,jongheidenz. bij voortduring aanleiding geven tot eene uitspraak, die met ons taaleigen in strijd is. De Redactie aarzelt daarom niet hier den Regel der Welluidendheid te laten gelden en in de genoemde woorden degdoor dekte vervangen.99. Het gebruik der tonglettersdent, wanneer zij door eenesworden gevolgd, heeft eenige overeenkomst met dat dergenchvóór eenet, waarover in§ 94is gehandeld. De gevallen staan echter niet geheel gelijk. De taal eerbiedigt bij des, nu althans, de grondvormen opdentmeer dan voorheen die opcheng, en zij handelt hier lang niet zoo regelmatig als bijchtengt. Oudtijds smolt de scherpe keelletterchgeheel weg in de volgendes, b.v. inas,das,vlas,was,mest,zes,wisselen,os,vos, uitachs,dachsenz.; de zachte keelletterg, die als de Franscheguwerd uitgesproken, werd totkverscherpt inheksvanhag,reeksvanreghe,fluksvanvlug; een heldere klinker onderging soms ook verkorting, b.v. indissel, hd.deichsel.Die regelmatigheid treft men niet aan bij de tongletters, die vóór desstaan. Ook deze smolten soms, b.v. inthans,volgens,bijkansenz. voorthands,volgends,bijkants, in desweg; doch geenszins altijd, b.v. niet inbits,spitsenz. Vandaar niet zelden tweeërlei vormen, de eene met, de andere zonder de tongletter, nevens elkander, b.v.spietsenspiesvan mnl.spiet;klitsenklisvanklit;litsenlis, ooklutsenlusuitgesproken, van lat.licium; en in de volksspraakklussen,mussenenz. naastklutsenen mutsen in de schrijftaal. Evenmin werd de klinker altijd verkort:maetselenwerd wel is waarmetselen, maar naastketsenhieldkaatsenstand;koortsenrotsbleven, naast het vroegerekortseenrootse, de eenige gebruikelijke vormen;plaats,schaats,taats,koets,toets, zijn nooit totplats,kotsenz. verkort geworden, ofschoon er geen klinker is uitgevallen, die, gelijk bij det, de samensmelting verhinderde. Ook de spelling was evenzeer ongelijk en onzeker, en niet zelden vindt mends, waar de afleidingtszou hebben doen verwachten, b.v. inguds,ridsen,ridsig.Uit het een en ander blijkt, dat de woorden opdsentsniet volkomen parallel loopen met die opgtencht; en dat de regel eenigszins anders zal moeten luiden dan die in§ 94. Daar de Regel der Uitspraak hier niets beslist, moet die der Gelijkvormigheid gelden, en, waar de afleiding onbekend of onzeker is, die der Analogie. Van een groot aantal woorden kan de spelling niet twijfelachtig zijn. Vooreerst is het rationeel, dat die welke uit het Fransch ontleend zijn, ten tijde datchnog alstch(tsj), encnog alstsluidde, mettsworden geschreven; te wetenkoetsin de beide beteekenissen,toets,flits,rots,toorts, fr.coucheencoche,touche,flèche,roche,torche;plaats,rantsoen,fatsoen, fr.place,rançon,façon. Daarentegen moet de fr.g, vroeger alsdg(dzj) uitgesproken, bij onsdsworden, namelijk inloods(houten gebouw), fr.loge. De afleiding eischt stellig eenetinguts(holle beitel, waarmede onder andere ook goten uitgehold worden) vangoot; inritsen,ritsig, verwant metwrijten, alsmede ingutsen, uit het ouderegussenvervormd met ingevoegdet. Ook is het thans verkieslijk aanknotsdetvanknottente geven, nuknoddeenknoddenverouderd zijn. Inridselen, ofschoon misschien vanrijden, heeft dedin allen gevalle geen nut meer, nurijdenniet langer in de beteekenis vanbevengebruikt wordt. Voor de spellingkodsenbestaat geene enkele reden; het is waarschijnlijk een klanknabootsend woord; enKiliaanschreef reedskotsen,Plantijnkotzen.Loods(persoon) engidsbehooren volgens de afleiding eenedte hebben, als zijnde gevormd vanloodenen fr.guide. Insmidse, vansmid, kan desin geen geval geacht worden dedverscherpt te hebben, dewijl zij tot de volgende lettergreep behoort. Omtrent de spelling der overige woorden, alskaats,schaats,taats,schets,scherts,koortsenz., wier afleiding òf onbekend, òf onzeker is, òf niet strekken kan om de beteekenis op te helderen, heeft nooit verschil van gevoelen bestaan; er is dan ook geene reden te bedenken, waarom zij anders zouden geschreven worden, dan tot nu toe geschied is. Trekt men alles samen, dan krijgt men den volgenden practischen regel, op dien der Gelijkvormigheid en der Analogie gegrond:Wanneer desdoor eene tongletter wordt voorafgegaan, dan is deze de scherpet; uitgezonderd in den 2dennaamw. der woorden opd, in de bijvoegl. naamw. en bijwoorden door aanhechting vanschensvan woorden opdgevormd; en eindelijk inloods(in de beide beteekenissen),gidsensmidse.Wij schrijven derhalvetrots,schertsen,plaats,schaats,toortsenz.; maarGods,des bloeds,goedsmoeds,steedschensteeds,kindsch,gindschengindsvangind(er),sindsvansed(ert).100. De woorden op-aarden-erdleveren geene moeilijkheid op; zij vereischen zonder bedenking eened. Het achtervoegsel-aardis oorspronkelijk het bijvoeglijk naamwoordhard, dat oudtijdssterkbeteekende, en dezen zin nog heeft in uitdrukkingen alshard draven,loopen,werken.In samenstellingen beteekende hetsterkalsdatgene, often aanzien vandatgene, wat door het stamwoord werd uitgedrukt, b.v.Beranhard,Burchard,Everhard,Wolfhard, sterk als een beer, burg, ever, wolf;Ecgehard,Gêrhard, sterk met het zwaard, met de speer;Meginhard,Reginhard,Snelhard, sterk in kracht, in raad of list, in vlugheid;Sigihard,Wic-hard, sterk in de zege, in den strijd. Als tweede lid in de samenstelling verloor het al spoedig deh, evenals-helm,-hilde,-haftig, en soms-hande, b.v.Anselmus,Willem,Machteld,deelachtig, en mnl.menigherande, voorAnshelmus,Wilhelm,Machthilde,deelhaftig,menigerhande. Vandaar, dat men naast eigennamen op-hard, mlat.hardus, ohd.-hart, oudtijds vormen op-arten-aertaantreft, die thans op-ard,-erden-ertuitgaan. Zoo b.v.Athalhardus,Bernhardus,Burchardus,Everhardus,Folchardus,Gêrhardus,Meginhardus,Reginhardusenz., mnl.Adelaert,Bernaert,Burchaert,Everaert,Volcaert,Meinaert,Reinaert; thansAllardenAldert,Bernard,EverardenEvert,Volkert,Meindert,Reindert. Daar de vormen op-hard,-hardus, ohd.hart, in overoude stukken voorkomen, maar die op-ard,-aerten-erdalleen in latere, zoo is het duidelijk, dat de laatste uit de vroegere ontstaan zijn, en niet-harduit-erd.—In het Mhd. werden met-hartook gemeene namen gevormd, alle met ongunstige beteekenis, alslügehart, sterk in het liegen;naghart, knaaglustig;selphart, zelfzuchtig;slinchart, slokop;trügenhart, sterk in het bedriegen;vrîhart, ongebondene.Uit de Duitsche talen ginghardin de Romaansche over, en werd daar, met de in die talen gewone verstomming derh, ital.-ardo, als inbastardo,codardo; fr.-ard, als inbâtard,couard,gaillard,grognard,pendard,richard,viliard; zieDiez,Gramm. der Rom. Sprachen, II, 358 vlgg. De ongunstige opvatting, die ook het Mhd. vertoont, treedt in de Romaansche talen, waar het achtervoegsel van vreemden oorsprong was, bepaald op den voorgrond.Het Mnl. nam van die Fransche woorden over, b.v.bastaert,cockaert,viliaert; en vormde nu naar die modellen zelf nieuwe, alsbehaghelaert,bollaert,clappaert,dullaert,galghaert,gaepaert,grisaert(grijskop, zieHorae Belg.VI, 98),loyaert,moyaertenz., alle woorden van minachting of spot, en niet zelden met den klemtoon op-aert. Dat men deh, die reeds uit de eigennamen uitgevallen was, niet weder invoegde, is natuurlijk. Het Nnl. ging op den eenmaal ingeslagen weg voort, en maakte een aantal andere, insgelijks met ongunstige beteekenis, alsbloodaard,dronkaard,gulzigaard,lafaard,veinsaard,wreedaardenz.; zelfsrijkaard, van het onschuldigerijk, wordt in slechten zin genomen; alleengrijsaardhield op een schimpnaam te zijn.Het achtervoegsel-erd, in het Mnl. nog onbekend, en dus jonger dan-aertof-aard, is eene verbastering van dat zelfde suffix, gelijk blijkt uitleperd,plomperd,stinkerd, die bijKiliaannogleepaerd,plompaerd,stinckaerdluiden; en uitgrijzerd, dat bij latere dichters voorkomt.Kiliaangeeft naastluyaerdookluyerdijeop, hetwelk toont, dat de verandering van-aardin-erdaan de werking van den klemtoon moet toegeschreven worden. De boven aangetoonde verbastering der eigennamen, b.v. de verandering vanEveraertinEvert, en die vanbastaardinbasterdstelt de zaak buiten allen twijfel.Sommigen zijn van gevoelen, dat-aarden-erdzouden ontstaan zijn uit het achtervoegsel-er, waarachter men, ter versterking, eerst eenetzou gevoegd hebben, zoodat-ertontstond, hetwelk vervolgens nog eene tweede versterking, eene verlenging tot-aart, zou hebben ondergaan. Zij gaan uit van de onjuiste onderstelling, dat wij werkwoorden zouden hebben of gehad hebben, alsgrijzen,laffen,rijken,snooden, met de beteekenis vangrijs,laf,rijk,snood zijn; datgrijsaard,lafaard,rijkaardenz. personen aanduiden, die bestendiggrijzen,laffen,rijkenenz., die »niet in het werkelijk oogenblik, maar bij aanhoudendheid de hoedanighedenvangrijsenz. hebben”. Dat gevoelen, dat zich zelf wederspreekt, en waarvoor men nooit een zweem van bewijs heeft weten aan te voeren, is niet slechts uit de lucht gegrepen en geheel zonder grond, maar het onderstelt ook, gelijk de geschiedenis der taal leert, eene onmogelijkheid. Achtervoegsels, die, gelijk-er, nooit den klemtoon hebben, ondergaan in den loop der tijden geeneversterking, maar omgekeerdverzwakking. Juist het achtervoegsel-erlevert er een sprekend en leerrijk voorbeeld van. Dit luidde goth.-areis, b.v. inlaisareis(leeraar),wullareis(voller); het werd ohd.-arî, mhd.-ære, nhd.-er. In het Mnl. werd het achtervoegsel geheel toonloos en ging over in-ere,-er, en-re, wanneer het onmiddellijk volgde op de lettergreep, die den vollen klemtoon had; maar het behield den halven toon en veelal ook dea, en werd-are,-aer, of-ere,-eer, wanneer het door eene toonlooze lettergreep werd voorafgegaan, zoodat het niet onder den invloed van den klemtoon der stamlettergreep stond; b.v. ingokelare,loghenareenloghenére,voghelare,persemére(woekeraar), enz., naastdienre,leerre,speelre,backere,weverenz. Wij nemen hier dus eene steeds voortgaande verzwakking waar, van-areistot-arî,-are,-ere,-eren-re, die men ook bij andere achtervoegsels kan opmerken; b.v. bij-dom, onl.-duom; bij-lijk, goth.-leiks, dat thans alslikwordt uitgesproken; en bij-aardzelf, niet alleen in de eigennamen, maar ook in de gemeene zelfst. naamw., die naar Fransche modellen, met het accent op-ardgevormd, ook in het Mnl. niet zelden den klemtoon hadden, maar thans nooit meer dan den halven toon krijgen, of, als-erd, geheel toonloos zijn. Het grenst aan ongerijmdheid, in strijd met de lessen der geschiedenis te stellen, dat de stroom tot voorbij zijnen oorsprong zou zijn teruggevloeid, en dat de taal op eenmaal hare richting, niet wijzigende, maar geheel omkeerende, van-erniet alleen-ert, maar zelfs-aartzou hebben gevormd.Het Nnl. heeft, wel is waar, welluidendheidshalve,dienre,leerre,sunder, indienaar,leeraar,zondaarveranderd; daarbij had evenwel geene versterking van-ertot-aar, geene vorming van een nieuw achtervoegsel plaats, maar slechts eene verruiling;-aarhad nooit opgehouden te bestaan. Evenmin zou de taal van sommige verbalia op-er, alsbijter,blaffer, woorden op-erdhebben gevormd, indien-erdniet reeds aanwezig was geweest. Meest alle woorden op-erdhebben trouwens een ongunstigen of spotachtigen zin, die aan-erniet eigen is; zelfslieverdenstouterdworden doorgaans schertsend gebezigd.Is het zeker, dat-aarden-erduithardontstaan zijn, dan moeten zij ook volgens de afleiding dedhebben, die de uitspraak er aan toekent. Het meervoud vanbastaardtoch luidt niet alleenbastaards; maar ookbastaarden, en daarnevens staatbastaardij;Kiliaankent ook een werkw.luyaerdenen de zelfst. naamw.luyerdije, vanluyaerd, enmooyaerdijevanmooyaerd. InSpanjaard, dat op eene andere wijs gevormd is, op welke evenwel de oude afkeer van die natie invloed kan gehad hebben, is dedgewaarborgd door het meerv.Spanjaarden, naastSpanjaards. Maar zelfs indien men wilde aannemen, dat-aarden-erdniets anders zijn dan-er, door eene tongletter versterkt, ook dan nog zou de keus op dedmoeten vallen; de taal zelve leert doorzwaarder,eerder,hoorder,duurder,gezagvoerder, dat zij, waar derversterking behoeft, deden niet detwil gebezigd hebben.101. Even weinig zwarigheid baart de keus tusschen dedoftin het zelfst. naamw.aardofaart. De afleidselsaardig,aardenenontaardenpleiten voor de zachtheid der sluitletter, terwijl de afleiding en de verwante talen de deugdelijkheid en oorspronkelijkheid dezer zachte uitspraakbuiten allen twijfel stellen.Aartenaartigzijn germanismen, en niets meer.102. Inrit, mv.ritten,bint, mv.binten,gebint, mv.gebinten, bewijst de uitspraak eene verscherping der sluitletter, ofschoon de stamwoordenrijdenenbindenbuiten twijfel eenedhebben.Riddenstrijdt met de uitspraak,bindtenengebindtenmet alle regelmaat. De verscherping derdis buitendien reeds lang algemeen erkend inmetenmits, nevensmede; invaart, mnl.vaerde, waarvan nogkoopvaardij; inzat, mnl.sad, waarvanverzadigen; inklant, fr.chaland. Daarom ookbeeltenis,verbintenis, evengoed alsontstentenisvan het oudeontstanden(ontstaand.i.ontbreken). De gebruikelijke schrijfwijzenbeeldtenisenverbindtenisdoen ten onrechte aan eene afleiding met-tedenken.Indienmet,mitsenriteenethebben, dan bestaat er geene afdoende reden voormedgezelenridmeestermetd, ofschoonmetin het eerste woord het bijwoordmedeis.103. De afleiding pleit voor de spellingandwoord, doorBilderdijken anderen aangenomen, als zijnde dit woord door samenstelling gevormd van het oude voorzetseland, hier als bijwoord gebruikt. Daar het Nederlandsch zich echter tot regel heeft gesteld, onverbuigbare woorden met scherpe medeklinkers te sluiten—op welken alleen innog(adhuc) ter bevordering der duidelijkheid eene uitzondering gemaakt wordt—en de spelling metdde beteekenis van het woord niet duidelijker maakt, noch op het etymologisch verband met eenig ander Nederlandsch woord wijst, vinden wij geene reden hoegenaamd om in dezen van de meest gebruikelijke spelling af te wijken. Wij achten ons hiertoe te minder gerechtigd, dewijl wijdan, om consequent te blijven, ook detinmetzouden moeten vervangen door ded, waarvoor niet slechts de verwante talen, maar ook het bijw.mede, pleiten. Het argument, dat het bijw.andde stam van het voornw.anderen het bijw.anderszou zijn, waardoor de beteekenis vanandwoord, als hetandereof tweedewoord, kon schijnen opheldering te erlangen, is uit de lucht gegrepen en wordt door de verwante talen ten stelligste weersproken.Om dezelfde reden verdient ook de spellingAndwerpenvoorAntwerpengeene aanbeveling.104. Men zegt en schrijft gewoonlijkadmiraal,admiraliteitenz.; sommigen willenammiraal, op grond dat dedslechts ten gevolge van een misverstand is ingelascht. Die misvorming is evenwel niet in den boezem onzer taal geschied: deze had er geene aanleiding toe. Wij hebben het woord in de middeleeuwen onder dubbelen vorm:amiraelofammiraelenadmirael, van de Zuid-Europeesche volken aan de Middellandsche Zee overgenomen. Het is het Arabischeamir(emir) met een Latijnsch achtervoegsel. Men bracht het in verband met lat.admirari, fr.admirer; vanhier de vormen:admiralis,admirabilis,admiratus,admirant,admiraglioenz., die alle aan bewonderen doen denken. Dedis dus werkelijk geheel te onrecht ingevoegd; maar even zeker is het, dat wij haar thans algemeen laten hooren. De Regel der Uitspraak eischt dus het behoud derd, terwijl de overige regels hier niet in aanmerking komen.Admiraalis wel niet meer noch minder welluidend danammiraalofamiraal, en het woord heeft in onze taal geene verwanten, waarop de spelling kan wijzen, geene analoga, wier stem gehoord kan worden. De Regel der Welluidendheid, die der Gelijkvormigheid en der Analogie, zwijgen hier dus, terwijl de toepassing van dien der Afleiding geheel doelloos zou zijn. Het woordamiren het Latijnscheachtervoegsel-alisbehooren tot talen, slechts aan geleerden bekend, en de vrees, dat iemand ten onzentadmiraalvanadmirariofadmirerzal afleiden, is niet gegrond. Wie geen Latijn of Fransch kent, komt natuurlijk niet op de gedachte: en wie die talen verstaat, wordt door het woord zelf, dat geen verstaanbaren vorm heeft, tegen die afleiding gewaarschuwd. Luidde hetadmirabel,admirantofadmiraat, dan kon er grond voor die vrees bestaan; doch-aalis geen achtervoegsel dat aan werkwoorden gehangen wordt Indien door het uitlaten derd(amiraal) de oorspronkelijke vorm hersteld ware, dan zou de zin voor ordelijkheid misschien die uitlating wenschelijk maken, dochamiraalis evenmin Arabisch alsadmiraal. Wij zien daarom geene reden om het thans heerschende schrijfgebruik te verlaten en geheel noodeloos den hoogsten grondregel der spelling te verzaken.105. Het Nederlandsch bezit voor de twee verschillende sisklanken ook twee afzonderlijke letterteekens: desvoor den scherpen, dezvoor den zachten klank. De vroegere verwarring, toenszoowel zacht als scherp werd gebezigd, waarschijnlijk een uitvloeisel van het Latijnsche spraakgebruik, heeft sinds lang opgehouden, zoodatsthans uitsluitend scherp is. Daarmede is hare verdubbeling achter een langen klinker of tweeklank, b.v. inaassem,braassem,deessem,geessel,kruissen,kruissigen,IJssel,zeissen,Pruissenenz., eene onloochenbare onregelmatigheid geworden, die gelijkstaat met de spellinglaaffenis,raaffelen,weiffelen,oeffenen,schuiffelen,twijffelen, voorlafenis,rafelenenz. Zij is dan ook later doorSiegenbeekzelven afgekeurd. Het behoeft dus wel geene verdere rechtvaardiging, dat de Redactie voornemens isbrasem,geesel,IJsel,Pruisenenz. te blijven schrijven.106. Daar de verdubbeling van eenen medeklinker in niet samengestelde woorden alleen moet dienen om te voorkomen, dat de voorgaande vocaal lang wordt uitgesproken, zoo is de verdubbeling vanzelve evenzeer onnoodig na toonlooze klinkers als na heldere en na tweeklanken. Toonlooze klinkers toch worden alleen aangetroffen in lettergrepen zonder accent, en daarbij bestaat geen gevaar, dat men den klinker lang zal uitrekken. De Redactie rekent daarom éének,tenmvoldoende inbotteriken,monniken,perziken,kieviten,diemiten,Gorkumer,Dokkumer,Bergumer. De schrijfwijzebotterikken,Gorkummer, staat gelijk met die vanengellen,verbeterren,uitrekennen,zondiggen, terwijl het niet verdubbelen der consonant voor den lezer juist een teeken is, dat hij de lettergreep als toonloos moet beschouwen.Het gezegde is natuurlijk niet toepasselijk opArnhemmer,Haarlemmerenz., waarin de tweede lettergreep, hoewel zwak van toon, niet toonloos wordt uitgesproken, en deè, hoe kort ook, toch den scherpene-klank behoudt5.107. Onze woordenboeken willendiefegge, als ware dit woord eene samenstelling vandiefmet een zekeregge. Men heeft hier intusschen met eene afleiding te doen.-eggetoch is een achtervoegsel, hetwelk voorheen doorgaans-igge-, soms ook wel-egeluidde, en meermalen ter vervrouwelijkingvan mansnamen gebezigd werd, b.v. inmakerigge,vercopege. Eene afleiding met een achtervoegsel, dat met een klinker begint, eischt de verandering van definv, wanneer de lange klank voorafgaat; vergelijkgev-er,liev-erd. Derhalve ookdievegge, evengoed alsdieverij. Dat sommigen in dit woord deflaten hooren, kan geene reden zijn om eene verkeerde spelling te behouden, die uit onkunde ontstaan is. Het herstel dervkan misschien strekken om aan die onjuiste uitspraak een einde te maken. Vergelijk§ 58en 66.108. Inzamen,zamenkomst,zamenspraakenz. gebieden de afleiding en de uitspraak de vervanging derzdoor des. Dezheeft daar de waarde vantz, en wordt dus te recht scherp uitgesproken. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat het grondwoordzamenluidt, terwijl ook ingezamenlijk,inzamelenenz. dezduidelijk gehoord wordt, en dat men inzestigenzeventigdezvanzesenzevensteeds heeft behouden, dan kan het bedenkelijk schijnen, door het schrijven vansamen,samenkomstenz. en daarnevens vangezamenlijk,verzamelenenz., de onderlinge verwantschap dezer woorden voor het oog weg te nemen. Deze bedenkingen deden ons eerst besluiten de gebruikelijke spelling te behouden. Nu zich echter opnieuw stemmen ten voordeele dershebben doen hooren, aarzelen wij niet langer die schrijfwijze aan te nemen, die, op voorgang vanBilderdijk, door onze beste schrijvers gevolgd wordt, met de meest algemeene uitspraak overeenstemt, en op een goeden etymologischen grond steunt. In de uitdrukkingte zamentoch werd de toonloozeevanteweggelaten, waardoor eersttzamenontstond. Dit had de verscherping van deztotsten gevolge:tsamen; eindelijk werd detovertollig gerekend, en dit gafsamen.Samenheeft dus de waarde vante zamenen verschilt derhalve werkelijk in afleiding en beteekenis van het grondwoordzamen. De spelling metsis uit dien hoofde de ware, overal waarsamende bijwoordelijke uitdrukkingte zamenvervangen moet, te weten aan het begin van samengestelde werkwoorden en woorden, van zulke werkwoorden gevormd, als insamenkomen,samenspreken,samenhangen,samenkomst,samenspraak,samenhang; daarentegen natuurlijk niet, waar geen bijwoord, maar het grondwoordzamenvereischt wordt, als ingezamenlijk,bijeenzamelen,verzamelen,verzamelingenz., en dus ook inopzamelen, nietopsamelen, hoewel dezdaar ten gevolge van de werking derpvanzelve alssklinkt.Evenmin zou de spellingte samenvoorte zamengoed te keuren zijn, ofschoon de gewone uitspraak ook daar deslaat hooren. Deze toch is hier slechts het gevolg eener verkeerde toepassing der analogie. Eene werking der voorafgaandetkan hier niet erkend worden. Zij bestaat niet, zoolang de toonloozeevanteblijft; want men zegtte zoek,te zuinig,te zuur,te duur,te geef; niette soek,te suinig,te suur,te tuur,te cheef.Te samenis derhalve niet anders te verklaren en op te vatten, dan alste tzamen, met het dubbele voorzetsel, een vorm die natuurlijk niet erkend mag worden. Vergel.§ 66. De Redactie stelt zich daarom den volgenden regel:
De medeklinkers.92. Tot de regels betrekkelijk de medeklinkers overgaande, meenen wij het eerst melding te moeten maken van het belangrijke vraagstuk omtrent de spelling der woorden, waarin tweeklanken opivoorkomen. Moet menzaaijen,zaaien,zajenofzaayen,hooijen,hooien,hoojenofhooyenspellen? De uitspraak beslist hier niet stellig genoeg. Men hoort in de genoemde woorden wel is waar eenej, maar slechts zeer flauw en op verre na niet zoo duidelijk als aan het begin van een woord, b.v. injaar,jong, gelijk blijkt uit de vergelijking vanvleier,vleijermet (een goed)hooi-jaar. Het gebruik beslist evenmin, daar alle vier de schrijfwijzen hare voorstanders hebben gehad en gedeeltelijk nog hebben; men denke slechts aanbajert,dojerenoojevaarofooijevaar. Raadpleegt men de afleiding, dan wordt de zaak nog moeilijker. Indien men let op den oorsprong vanzaaijen,draaijen,naaijen, en op de afgeleidewoordenzaad,draad,naad, dan zoudenza-jen,dra-jen,na-jen, de ware vormen zijn; zoo ookstroo-jen, goth.strau-jan,too-jen, goth.tau-jan,boejenboe-jen, lat.boja; daarentegenhooi-en, enkooi-en, om goth.havi(hawi) en lat.cavea. Voor andere woorden beslist zij in het geheel niet. Verandertdiniof inj? Heeft menro-jenofrooi-en, vanroden;do-jerofdooi-er, vandoder;oojevaarofooievaar, vanoodevaar, te spellen? En welke letter moetschuijerenhebben, dat hetzelfde woord is alsschuren? Regels op de afleiding gegrond zijn hier derhalve zoo goed als onmogelijk; zij zouden de spelling slechts uiterst moeilijk maken en tot nieuwe geschillen aanleiding geven.De aangenomen spellingbaai—baaijen,rei—reijen,hooi—hooijendruischt dubbel aan tegen de analogie. Deze wil, dat een onverbogen woord den medeklinker, die in den verbogen toestand de volgende lettergreep begint, tot sluitletter zal hebben; b.v. datkwaadeindigen zal op dedvankwa-de, en zoo ookplaag,vrouwenz. op degenw, waarmede de tweede lettergrepen vanpla-genenvrou-wenaanvangen. Tegen dezen regel wordt gezondigd doorbaai,rei,boeienz. Ware dejin de verbogene vormen onmisbaar, de analogie zou haar evenzeer eischen in de onverbogenebaaij,reij,boeij, omdat deze woorden in het meervoudbaai-jen,rei-jen,boei-jenworden. Deze en dergelijke woorden, die eindigen op eenen tweeklank, waarinide laatste klinker is, worden nu stilzwijgend als uitzonderingen beschouwd. Die uitzondering zou nog te dulden zijn, indien zij niet zelve weder hare uitzonderingen had in de woorden opij. Deijtoch is ook een tweeklank, die opiuitgaat en dus in den verbogen toestand eene volgendejzou vorderen. Intusschen zal wel niemand lust hebben ombijjen,rijjen,vrijjen,vrijjerte schrijven. Het is dus niet te loochenen, dat de bestaande spelling der woorden met tweeklanken opionregelmatig is en inconsequent, zoowel in zich zelve als ten opzichte van eene groote menigte andere woorden. Er zijn er geweest, die het gebruik der enkelejhebbenvoorgeslagen, niet bedenkende, dat deze, wat de uitspraak betreft, wel volstaan kan inbajen,drajen,haajen,boejen,broejen,hoojen,loojenenz., maar niet inbrejen,ejeren,lejen,rejen,bujen,brujen,kujeren,schujerenenz. Ook handelt men bij deze schrijfwijze, evenzeer als bij die meti-j, in strijd met de afleiding, en brengt in een aantal woorden eenej, die er nooit in bestaan heeft: b.v. indojerofdooijer(doder),kojenofkooijen(caveae),ojevaarofooijevaar(oodevaar),rojenofrooijen(roden),leijen(lage),reijen(rege),schuijeren(schuiren,schuren). In sommige werkwoorden, alsdraaijen,naaijen,zaaijen,strooijen,tooijen, behoort dejwerkelijk tot den grondvorm. Deze zouden de spellingdrajen,najen,zajen,stroojen,toojeneischen; maar dan ookdraaj,hij draajt,draajde, waartoe men wel niet licht besluiten zou, te minder wanneer men bedenkt, dat dejin andere werkwoorden, b.v. inmaaijen,breijen, tegen de afleiding zou aandruischen. Doch, is er geene regelmatige spelling met de enkelejzoomin als met dei jmogelijk, dan blijft alleen die met de enkeleioverig, hetzij men die dooriof dooryvoorstelt. Dejis eigenlijk ook geheel overtollig; in eene beschaafde uitspraak wordt zij niet sterker gehoord dan de overgang van deitot den volgenden klinker vanzelf medebrengt, niet sterker dan de flauwejinzeeën,weeën,gedweeër,drieën,knieën, en in uitdrukkingen als:in boei en band,Mooi Antjeenz. Dejis, gelijk hare flauwe uitspraak en haar volstrekt afwezig zijn aan het einde eener lettergreep duidelijk genoeg bewijst, niets meer dan een onvermijdelijke overgang van den eenen klinker tot den anderen, en daarom in het schrijven evenzeer te verwerpen als debinhembden depinkompt; behoudt men haar, dan moeten ook dezebenpweder in aanmerking komen. Men zal gevoelen, dat de Redactie geene spelling kan behouden, die tegen alle regelmaat en in vele gevallen tegen de afleiding aandruischt, en die met de uitspraak slechts bezwaarlijk is overeen te brengen. Zij geeft daarom de voorkeur aan de eenige regelmatige schrijfwijze met de enkelei, en zulks te eer, omdat de spellingbaaien,breien,boeien,buienenz. sedert lang bij vele onzer beste schrijvers in gebruik was. Ofschoon wellicht geen hunner van den waren staat van zaken een klaar bewustzijn had, en sommigen dientengevolge bij de vormen op-igen-ingniet eenparig handelden, hun verzet tegen de aangenomen spelling toonde, dat zij de ongepastheid derjin die woorden duidelijk gevoelden3. De schrijfwijzebaaienenz, heeft niets tegen zich, dan dat men zich verplicht kan achten een trema op den klinker te zetten, die opivolgt, ten einde de verbinding van deze met de volgende letter te voorkomen, iets dat zeker vrij lastig en voor het oog weinig behaaglijk is. Om dit bezwaar bij de eenige regelmatige, consequente en kennelijk door de taal zelve gevorderde spelling te ontgaan, was de Redactie eerst voornemens de gewoneidoor dey, als zijnde ook eenei, te vervangen, enhooyen,samenvloeying,opruyingenz. te schrijven, waardoor de scheiding der lettergrepen eenigszins duidelijker zou aangewezen worden. Dat plan heeft echter zooveel tegenstand gevonden, dat zij niet raadzaam acht er bij te blijven en eene spelling aan te nemen, die algemeen mishaagt, omdat de eigenlijke waarde van het letterteekenyaan de meesten vreemd is geworden. Zij zelve had die slechts voorgeslagen om het scheiteeken te vermijden. Zij ziet er te eer van af, omdat zij in de toepassing practische moeilijkheden van typographischen aard heeft ontmoet, die zij niet had voorzien. Zij aarzelt dus niet langer de reeds bij velen gebruikelijke spelling met de gewoneiaan te nemen, en schrijft derhalve de woorden, waarin een der tweeklanken opi, te wetenaai,ei,ooi,uienoei, voorkomt, steeds met de gewonei, zonder inlassching eenerj, wanneer zij verlengd worden; derhalve:aaien,baaien,beien,breien,hooien,kooien,buien,kruien,boeien,knoeien,maaier,draaier,eieren,Beiersch,dooier,mooier,kruier,opruier,boeier,knoeier,baaierd,ooievaar,opruiing,samenvloeiingenz., evenalsbijen,rijen,vrijerenz.In vreemde woorden, alsbajonèt,sajèt, waar de klemtoon niet op deavalt, meent zij geenen tweeklank te moeten erkennen, te minder omdat de spellingbaaionet,saaietniet alleen er vreemd uitzien, maar ook tot eene verkeerde uitspraak aanleiding geven zou.93. Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de uitspraak en spelling van een paar woorden op-leien-hande. Sommigen schrijventweederlei,tweederhande,driederlei,driederhande, anderentweeërlei,tweeërhande,drieërlei,drieërhande. Welke schrijfwijze is te verkiezen, die met of die zonderd? Daar de uitspraak hier evenzeer als de spelling weifelend is, hangt de beslissing af van de vraag, welke spelling door den aard en de samenstelling dier woorden gevorderd wordt.De woorden op-leien-hande, ofschoon thans als afleidingen te beschouwen, zijn eigenlijke samenstellingen of koppelingen van een bepalend woord, alséén,twee,al,veelenz. met de zelfst. naamw.lei(ofr.ley) enhand, die beide vrouwelijk zijn, en hiersoortofgesteldheidbeteekenen.Eenerlei,eenerhande,allerlei,allerhandestaat gelijk metvan ééne soortofgesteldheid,van alle soortenofgesteldheden. Voorheen bezigde men ookgoederhandevoorvan eene goede soort; en zoo ookgoedertiere,quadertiere,allertiere,velertiere,menigertiereof-tieren, waarvan wij ons hedendaagschegoedertieren, met de bekende bepaalde beteekenis, hebben overgehouden. Bij de woorden op-leien-handeheeft men dus afwisselend met een enkelvoud of met een meervoud te doen, naar gelang van het getal, dat het bepalende woord medebrengt, waarop echter, gelijk bij andere samenstellingen, die in afleidingen zijn overgegaan (vergelijk die op-halveen-wege), geen acht meer geslagen wordt. Men zegt in het meervoud evenzeerallerlei, vooraller leien, als in het enkelvoudeenerlei; daarentegeneenerhande, methandin den ouden meervoudsvorm ope, evengoed alsvelerhande. Intusschen treft men altijd een vrouwelijken 2dennaamval aan, waaruit volgt, dat de bepalende woorden steeds op-ermoeten eindigen. Regelmatig zijn dus, wat het eerste lid betreft:eener-,geener-,eeniger-,meniger-,veler-,aller-,achter-,twintiger-,honderder-,duizenderleien-handeenz.; doch onregelmatigvierder-,vijfder-,zesder-,zevender-,negender-,tienderleien-handeenz., omdat men daarbij aan het bepalende woord den vorm van een ranggetal geeft. Dat zulks ten onrechte geschiedt, volgt reeds uit de beteekenis dier woorden, en blijkt bovendien uiteenerlei,driederlei,achterlei,twintigerlei,honderderlei, nieteersterlei,derderlei,achtsterlei,twintigsterlei,honderdsterleienz. De ingeschovendis trouwens ook niets anders dan eene vergroving der uitspraak van eene toonlooze lettergreep achter vloeiende letters, gelijkrennzijn. Bijvierderlei,zevenderlei,negenderlei,tienderleienz. heeft hetzelfde plaats als bijzwaarder,duurder,hoorder,scheerder,diender,boender,spaandersenz., en bijvilder,helder,kelder,zolderenz. vanvillen,hel,cellarium,solarium. Zoo zei men voorheen, en zegt men nog wel, ookeenderlei,alderhande,waarin aan dedwel geene beteekenis kan gehecht worden. Ofschoon men nu, door verkeerde gevolgtrekking, geheel ten onrechte dedook achter andere letters dan vloeiende, namelijk invijfderlei,elfderlei,twaalfderleienzesderleiheeft ingevoerd, hebben evenweleenerlei,achterlei,twintigerlei,honderderlei,duizenderleienz. den grammaticaal onberispelijken vorm behouden. Aan een practisch gemakkelijken regel:de achtervoegsels-leien-handetreden achter ranggetallen, valt dus niet te denken, zelfs niet bijdriederlei. De Redactie meent daarom in de beide twijfelachtige gevallen aan de meer beschaafde uitspraak zonder ded, waarbij de ware natuur der woorden meer uitkomt, de voorkeur te moeten geven. Zij schrijft derhalve:tweeërlei,tweeërhande,drieërlei,drieërhande.94. Vervolgens doet zich de vraag voor omtrent de spelling van den geadspireerden keelklank vóór det. Waar moet menchtspellen? waargt? Den regel, dienaangaande in 1804 gesteld, dat de woorden, afgeleid van stammen, waarin blijkbaar eenegvoorkomt, b.v. inklagtvanklagen, metg, de overige metchbehooren geschreven te worden, meenen wij niet te mogen behouden. Vooreerst toch is de afleiding van sommige woorden, welke in die categorie vallen, geheel onbekend of ten minste onzeker. Ten andere is degin sommige stamwoorden slechts eene aan het Nederlandsch, evenals aan het Deensch, in het bijzonder eigene verzachting van de oorspronkelijkech, b.v. invliegen,wij zagen,wij tegen,aangetogenen andere, zoodat doorvlugt,gezigt,togtenz. toch niet de ware vorm dier woorden voorgesteld wordt. De genoemde regel is ook moeilijk in de toepassing en is tot nu toe zeer willekeurig en onregelmatig toegepast. Zoo berust b.v. de spellingregt,regter,rigten,berigten, op eene verkeerde afleiding;geslacht(vanslag, soort),tucht,tuchtigen(vantiën,toogenz.), (be)tichten,van (aan)tijgen, zouden evenzeer eenegvorderen alsslagter,geslagt,togtenz. Eindelijk, de regel is, gelijk blijken zal, kennelijk in strijd met ons taaleigen.Het is om genoemde bedenkingen, dat wij ons den volgenden regel stellen:De geadspireerde keelletter, die zich vóór eene steeds in het woord blijvende en steedsonmiddellijkvolgendetbevindt, welke totdezelfdelettergreep behoort, wordt, zonder op de afleiding te letten, doorchvoorgesteld. Doch wanneer het woord eenegheeft, die, afwisselend, nu al dan nietonmiddellijkdoor detwordt gevolgd, of wanneer deze tot devolgendelettergreep behoort, dan blijft degonveranderd.Hoe willekeurig deze regel met zijne uitzonderingen bij den eersten aanblik ook schijnen moge, bij eene nadere beschouwing blijkt, dat hij door ons taaleigen gebiedend wordt gevorderd. Wanneer een vaste medeklinker (eene zoogenaamdemuta) reeds van oudsheronmiddellijk, d.i. zonder tusschenstaanden klinker, door eenetgevolgd werd, dan zijn beide medeklinkers zoo innig samengesmolten, dat zij eene soort van eenheid uitmaken, die met eenen verdubbelden, d.i. versterkten, medeklinker gelijkstaat. De samensmelting blijkt duidelijk uit de verscherping van den eersten medeklinker, die vervolgens meestal inchoverging; en uit de verkorting of verscherping van den voorgaanden helderen klinker, welk laatste verschijnsel ook bij eene verdubbeling, b.v. instòtterenvanstóóten, inverhèffennaastverhéven, plaats vindt. Zoo ontstondengràftengràchtvangráven;schàftenschàchtvanscháven;echtvanehe;gìft(mnl. ookgìcht) vangéven;plìchtvanplégen;kòchtenbruilòftvankóópenenlóópen;gewrochtvanworken;gezòcht,gerùchtenkluftvanzóéken,róépenenklieven;vernuftvoorvernumbtvanvernemen,vernomen. Doch men zegt en schrijft:hij graaft,schaaft,geeft,pleegt,koopt,loopt,zoekt,roept,verneemt, niethij gracht,schacht,giftofgicht, enz., omdat deze zelfde woorden devormengraven,ik graaf,schaven,ik schaafenz., zondert, nevens zich hebben. Het beurtelings af- en aanwezig zijn liet de samensmelting niet toe. Evenzoo zeggen en schrijven wijlaagte,leegte,hoogte,drukte,goedkoopte,diepte, nietlachte,lechte,hochte,druchte,goedkochte,dichte, alleen omdat det, tot de volgende lettergreep behoorende, zich niet zoo nauw aan den voorgaanden medeklinker kon aansluiten, dat hij met dezen samensmolt. Immers, waar de volgendeeontbreekt, daar openbaart zich de ineensmelting weder, zooals blijkt uit de vergelijking vanluwtemetlucht,ziektemet (water)zucht. Ook in de woorden, waarin oudtijds tusschen de beide medeklinkers een klinker werd aangetroffen, die eerst in betrekkelijk laten tijd is uitgevallen, is de ineensmelting door dien klinker verhinderd geworden, zoodat de voorgaande medeklinker niet veranderd, en een voorgaande heldere klinker niet verscherpt is. Dit blijkt uitabt(mnl.abbet), dat niet inaftofachtis overgegaan; uitambt(ambacht), nietaft, gelijkvernuftzou doen verwachten; uitkreeftenooft(bijKiliaankrevetenovet), nietkrechtenocht; uitmarkt(lat.mercatus), nietmarcht.Het is uit dien hoofde geheel overeenkomstig ons taaleigen, dat wij ons ten regel stellen:Degblijft in de regelmatige vervoeging der werkwoorden, wier stam op eenegeindigt, en in de zelfst. naamw., door achtervoeging van-tegevormd van bijvoegl. naamw. opguitgaande.Wij schrijven derhalve:dracht,jacht,klacht,macht,slachten(dooden),geslacht(engemaal),plecht,plechtig,licht(niet zwaar),plicht,gewicht,gezicht,gedrocht,tocht,lucht,tucht,vlucht,zucht(diepe ademhaling) evenzeer metch, alsnacht,geslacht(familie),slachten(gelijken),echt,recht,licht(straal),lucht,vruchtenz. Daarentegen:hij draagt,jaagt,vraagt,legt,zegt,pleegt,weegt,droogt,zoogt, enz., engraagte,laagte,leegte,droogte,hoogte,menigteenz.De verkorte eigennaamAagtbehoort ook degte behouden, dewijl er een klinker is uitgestooten, die zich nog heden ten dage in den vollen vormAgathavertoont. Dat het woord met den helderen klinker en niet alsAchtwordt uitgesproken, bewijst, dat er geene samensmelting der medeklinkers in plaats heeft.De onregelmatige onvolm. verled. tijden en deelw.bracht,gebracht,mocht, vanbrengenenmogen, verkeeren in het geval, dat decheischt. In die vormen heeft de tijdsuitgang-de(-te) deeverloren, ten gevolge waarvan de overblijvendetzich aan den voorgaanden medeklinker heeft aangesloten.Brachtenmochtstaan voorbrachteenmochte, en deze vormen voorbragde(ofbrengde) enmoogde, gelijk de analogie vanzengde,leegdeenzoogdezou medebrengen. De overgang der regelmatig vereischtedintbewijst voldingend de samensmelting en dus ook de verscherping der voorgaande medeklinkers. Wij schrijven uit dien hoofde:hij bracht,mocht,gebracht, nevenshijengij brengt,gij moogt. Evenzoohij placht, oudtijdsplach(plag), waarin de bijgevoegdetmet de sluitlettergevenzeer is samengesmolten als ingedrochtvoorgedrog.Wij aarzelen te minder tot de genoemde verandering over te gaan, omdat de voorgenomen spelling beter dan die metgaan de uitspraak beantwoordt en reeds door vele onzer beste schrijvers gevolgd wordt, terwijl de regel gemakkelijk toe te passen is en aan veel willekeurigs en onregelmatigs een einde maakt, en het wijzen op de afleiding bij de meeste woorden dezer categorie volstrekt geen nut heeft. Immers de beteekenis vanplecht,plechtig,gedrocht,tucht,tuchtigenwordt niet opgehelderd door het verwijzen opplegen, (be)driegenentoog(vantiën); men verstaat het woordmachtniet beter, als men weet, dat het vanmogenkomt, sedert dit de beteekenis vankunnenverloren heeft; en de kracht van het woordplichtwordt vooral niet beter gevoeld als men verneemt, datplegenhet grondwoord is, nu dit meest van moord en roof gebezigd wordt.—Bijde meeste andere woorden is degniet toereikend om den lezer aan het grondwoord te herinneren. Bijdragt, (de)jagt,klagtmetgzal men misschien iets eerder aandragen,jagenenklagendenken, dan wanneer mendrachtenz. schrijft; doch geen onkundige zal vermoeden, dat (het)jacht,slachtenenslachter,aangezicht,vluchtenenzuchtensamenhangen metjagen,slaan(sloeg),zien(zag),vliegenenzuigen, al spelt men die woorden ook metg; evenmin als hij bijboetenenschuitaanbatenenschietendenkt. Waar zulk een groot verschil in klank bestaat, en de beteekenissen slechts eenigszins uiteenloopen, wordt geene verwantschap meer gevoeld. De toepassing van den Regel der Gelijkvormigheid brengt hier derhalve geen nut aan; vergel. ook§ 50.95. Lang heeft de Redactie in bedenking gestaan bij de vraag: moet dechna kort afgebroken klinkers al of niet verdubbeld worden? en, zoo ja, hoe dan?—moet menkachel,kagchelofkachchelenz. schrijven? De thans meest gebruikelijke spellingkagchel,rigchel,bogchelenz. is onregelmatig en kan reeds daarom niet in alle opzichten worden verdedigd. Bovendien doet de verbinding van twee verschillende, doch verwante letterteekens, alsgench, aan eene samenstelling denken, terwijl de meeste der hier bedoelde woorden, alleenlichaamuitgezonderd, slechts afleidingen zijn, waarin eene enkelvoudigegofkdoor den invloed der volgendeltotchverscherpt is; b.v.bochelvanbuigen,boog;tichelvantegel;kachelvankakel, bijKiliaankaeckel.Lichaam, uitlijkenhaam, door de spelling als een samengesteld woord te kenmerken, en b.v.lich-haamte schrijven, zou echter geheel nutteloos wezen, omdat inlichhet woordlijktoch niet zou herkend worden, terwijl dit bovendien, evenalshaam, in deze samenstelling meteene beteekenis voorkomt, die thans bij de meerderheid der sprekenden en schrijvenden onbekend is.Wanneer de Redactie daarbij in aanmerking neemt, dat de verdubbeling door middel eenergbij de netste schrijvers steeds grooten weerzin heeft gevonden, en dat de spelling met eene enkelechmisschien leiden kan tot eene verfijning van den zoo harden keelklank, die doorgchwordt vertegenwoordigd (vergel.§ 61en 62), dan meent zij aan die schrijfwijze de voorkeur te moeten geven en duslichaam,kachel,richelte moeten spellen, ofschoon zij gaarne erkent, dat ook deze niet onberispelijk is. De regelmatigheid zou ongetwijfeldlichchaam,kachchelenz. vorderen; doch deze spelling ware thans eene ongehoorde nieuwigheid, die zeker niemands goedkeuring zou wegdragen. Er schoot dus niets anders over dan van de twee gebruikelijke schrijfwijzen de minst gebrekkige te kiezen, die dan ook het langst en algemeenst in gebruik is geweest4.Voor de spelling met de enkelechpleit, behalve de welluidendheid, ook nog de analogie met de meeste eigennamen, alsJochem,Kochem,Lochem,Mechelen,Vechel,Zwichem; die metechel, en vooral die metecho, welke woorden nooit metgchgeschreven worden. Alleen de uitspraak van de bij ons gebruikelijke namenRachelenMichielpast er niet in. Het onderwijs zou dus inderdaad bij de spelling met de enkelechaan gemak winnen. In de plaats van den thans geldigen regel:Dechwordt na onvolkomene klinkers door de voorvoeging eenergverdubbeld, waarbij de bovengenoemde woorden en andere dergelijke als uitzonderingen moeten opgegeven worden, heeft men slechts te leeren:Alle enkelvoudige klinkers hebben vóór dechden onvolkomen klank, mee uitzondering van de eigennamenRachelenMichiel.Vergel. het opstel:De Spelling en het Lager Onderwijs, van den HeerJ. A. van Dijk, in denTaalgids, VI, blz. 73 vlgg.96. Van een geheel anderen aard dan de verdubbeling derchdoor middel van degis die dersinwasschen,flesschen,visschen,mosschenofmusschen,tusschenenz., die door sommigen daarmede op ééne lijn wordt gesteld. Niet de letter, die verdubbeld wordt, niet des, maar dech, die stom is, zou een punt van geschil kunnen uitmaken. Deze toch doet thans niets meer aan de uitspraak af, maar is alleen een graphisch overblijfsel uit den tijd, waarin zij, uitkontstaan, werkelijk gehoord werd. Toen men eerstvisk,mosk, en later inderdaadvisch,mosch, d.i. metch, uitsprak, bleef de eerste lettergreep ook in de meervoudenvis-ken,vis-chen,mus-ken,mus-chengesloten, en werd de tweedesnatuurlijk niet gevorderd; thans echter, nu er alleen eenesis overgebleven, is hare verdubbeling invis-sen,mus-senevenzeer noodig en regelmatig als inmos-sel, vroegermos-chel. De dubbeleslevert dan ook niet hetminste bezwaar op, kan nooit medewerken om de uitspraak te bederven. Dit is integendeel wel te vreezen van de spellingvis-chen,mus-chenenz., die alleen strekken kan om de thans ondraaglijk pedante uitspraak, welke dechin de genoemde en dergelijke woorden laat hooren, meer in zwang te brengen. Men is buitendien te zeer gewoon de geheeleschbij de tweede lettergreep te voegen, gelijk blijkt uitPa-schen,zij he-schen,kre-schen,gehe-schen,gekre-schen, welke woorden men toch wel niet gaarne noodeloos met dubbelen klinker,Paas-chen,hees-chen,krees-chen,gehees-chenengekrees-chen, zou geschreven zien. Wij kennen derhalve geene enkele reden om de éénesweg te laten, maar redenen te over om haar te behouden, namelijk het gevestigde gebruik en de voorkoming eener wanluidende uitspraak. Wij blijven derhalvewasschen,lesschen,wisschen,tusschenenz. schrijven met de dubbeles.97.Bilderdijk’sspellingnogthandssteunde op eene verkeerde afleiding:nochtansis samengesteld uitnogendan(mnl.nochtanofnodan) met de adverbiales, en heeft dus niets metthansofthands(te hande) te maken. Aan de invoering eenerhendin dit woord valt derhalve niet te denken. Doch men zou in twijfel kunnen staan bij de keuze tusschennochtansennogtans. Ofschoon de Redactie het raadzaam oordeelt, de gebruikelijke onderscheiding vannog(daarenboven, tot nu toe) ennoch(ook niet), hoewel niet op de afleiding gegrond, om den wille der duidelijkheid te behouden, meent zij echter innochtansde voorkeur aan dechte moeten geven, vermits wel deze scherpe keelletter, maar niet de zachteg, den overgang derdvandanin detvantansheeft kunnen veroorzaken, en het woord voor ons gevoel eene eenheid geworden is, waarbij aan de samenstellende deelen niet meer gedacht wordt,zoodat hier alleen de Regel der Uitspraak behoort gevolgd te worden.98. Het algemeen gebruik wil, op grond der uitspraak, sedert langkoninklijk,aanvankelijk,afhankelijk,jonkheer,jonkvrouw,sprinkhaan. Dezelfde reden geldt voor de spellingkoninkrijk,jonkheid,koninkje,woninkje,kettinkjeenlankmoedig. Daarenboven zou de schrijfwijzekoningrijk,koningje,jongheidenz. bij voortduring aanleiding geven tot eene uitspraak, die met ons taaleigen in strijd is. De Redactie aarzelt daarom niet hier den Regel der Welluidendheid te laten gelden en in de genoemde woorden degdoor dekte vervangen.99. Het gebruik der tonglettersdent, wanneer zij door eenesworden gevolgd, heeft eenige overeenkomst met dat dergenchvóór eenet, waarover in§ 94is gehandeld. De gevallen staan echter niet geheel gelijk. De taal eerbiedigt bij des, nu althans, de grondvormen opdentmeer dan voorheen die opcheng, en zij handelt hier lang niet zoo regelmatig als bijchtengt. Oudtijds smolt de scherpe keelletterchgeheel weg in de volgendes, b.v. inas,das,vlas,was,mest,zes,wisselen,os,vos, uitachs,dachsenz.; de zachte keelletterg, die als de Franscheguwerd uitgesproken, werd totkverscherpt inheksvanhag,reeksvanreghe,fluksvanvlug; een heldere klinker onderging soms ook verkorting, b.v. indissel, hd.deichsel.Die regelmatigheid treft men niet aan bij de tongletters, die vóór desstaan. Ook deze smolten soms, b.v. inthans,volgens,bijkansenz. voorthands,volgends,bijkants, in desweg; doch geenszins altijd, b.v. niet inbits,spitsenz. Vandaar niet zelden tweeërlei vormen, de eene met, de andere zonder de tongletter, nevens elkander, b.v.spietsenspiesvan mnl.spiet;klitsenklisvanklit;litsenlis, ooklutsenlusuitgesproken, van lat.licium; en in de volksspraakklussen,mussenenz. naastklutsenen mutsen in de schrijftaal. Evenmin werd de klinker altijd verkort:maetselenwerd wel is waarmetselen, maar naastketsenhieldkaatsenstand;koortsenrotsbleven, naast het vroegerekortseenrootse, de eenige gebruikelijke vormen;plaats,schaats,taats,koets,toets, zijn nooit totplats,kotsenz. verkort geworden, ofschoon er geen klinker is uitgevallen, die, gelijk bij det, de samensmelting verhinderde. Ook de spelling was evenzeer ongelijk en onzeker, en niet zelden vindt mends, waar de afleidingtszou hebben doen verwachten, b.v. inguds,ridsen,ridsig.Uit het een en ander blijkt, dat de woorden opdsentsniet volkomen parallel loopen met die opgtencht; en dat de regel eenigszins anders zal moeten luiden dan die in§ 94. Daar de Regel der Uitspraak hier niets beslist, moet die der Gelijkvormigheid gelden, en, waar de afleiding onbekend of onzeker is, die der Analogie. Van een groot aantal woorden kan de spelling niet twijfelachtig zijn. Vooreerst is het rationeel, dat die welke uit het Fransch ontleend zijn, ten tijde datchnog alstch(tsj), encnog alstsluidde, mettsworden geschreven; te wetenkoetsin de beide beteekenissen,toets,flits,rots,toorts, fr.coucheencoche,touche,flèche,roche,torche;plaats,rantsoen,fatsoen, fr.place,rançon,façon. Daarentegen moet de fr.g, vroeger alsdg(dzj) uitgesproken, bij onsdsworden, namelijk inloods(houten gebouw), fr.loge. De afleiding eischt stellig eenetinguts(holle beitel, waarmede onder andere ook goten uitgehold worden) vangoot; inritsen,ritsig, verwant metwrijten, alsmede ingutsen, uit het ouderegussenvervormd met ingevoegdet. Ook is het thans verkieslijk aanknotsdetvanknottente geven, nuknoddeenknoddenverouderd zijn. Inridselen, ofschoon misschien vanrijden, heeft dedin allen gevalle geen nut meer, nurijdenniet langer in de beteekenis vanbevengebruikt wordt. Voor de spellingkodsenbestaat geene enkele reden; het is waarschijnlijk een klanknabootsend woord; enKiliaanschreef reedskotsen,Plantijnkotzen.Loods(persoon) engidsbehooren volgens de afleiding eenedte hebben, als zijnde gevormd vanloodenen fr.guide. Insmidse, vansmid, kan desin geen geval geacht worden dedverscherpt te hebben, dewijl zij tot de volgende lettergreep behoort. Omtrent de spelling der overige woorden, alskaats,schaats,taats,schets,scherts,koortsenz., wier afleiding òf onbekend, òf onzeker is, òf niet strekken kan om de beteekenis op te helderen, heeft nooit verschil van gevoelen bestaan; er is dan ook geene reden te bedenken, waarom zij anders zouden geschreven worden, dan tot nu toe geschied is. Trekt men alles samen, dan krijgt men den volgenden practischen regel, op dien der Gelijkvormigheid en der Analogie gegrond:Wanneer desdoor eene tongletter wordt voorafgegaan, dan is deze de scherpet; uitgezonderd in den 2dennaamw. der woorden opd, in de bijvoegl. naamw. en bijwoorden door aanhechting vanschensvan woorden opdgevormd; en eindelijk inloods(in de beide beteekenissen),gidsensmidse.Wij schrijven derhalvetrots,schertsen,plaats,schaats,toortsenz.; maarGods,des bloeds,goedsmoeds,steedschensteeds,kindsch,gindschengindsvangind(er),sindsvansed(ert).100. De woorden op-aarden-erdleveren geene moeilijkheid op; zij vereischen zonder bedenking eened. Het achtervoegsel-aardis oorspronkelijk het bijvoeglijk naamwoordhard, dat oudtijdssterkbeteekende, en dezen zin nog heeft in uitdrukkingen alshard draven,loopen,werken.In samenstellingen beteekende hetsterkalsdatgene, often aanzien vandatgene, wat door het stamwoord werd uitgedrukt, b.v.Beranhard,Burchard,Everhard,Wolfhard, sterk als een beer, burg, ever, wolf;Ecgehard,Gêrhard, sterk met het zwaard, met de speer;Meginhard,Reginhard,Snelhard, sterk in kracht, in raad of list, in vlugheid;Sigihard,Wic-hard, sterk in de zege, in den strijd. Als tweede lid in de samenstelling verloor het al spoedig deh, evenals-helm,-hilde,-haftig, en soms-hande, b.v.Anselmus,Willem,Machteld,deelachtig, en mnl.menigherande, voorAnshelmus,Wilhelm,Machthilde,deelhaftig,menigerhande. Vandaar, dat men naast eigennamen op-hard, mlat.hardus, ohd.-hart, oudtijds vormen op-arten-aertaantreft, die thans op-ard,-erden-ertuitgaan. Zoo b.v.Athalhardus,Bernhardus,Burchardus,Everhardus,Folchardus,Gêrhardus,Meginhardus,Reginhardusenz., mnl.Adelaert,Bernaert,Burchaert,Everaert,Volcaert,Meinaert,Reinaert; thansAllardenAldert,Bernard,EverardenEvert,Volkert,Meindert,Reindert. Daar de vormen op-hard,-hardus, ohd.hart, in overoude stukken voorkomen, maar die op-ard,-aerten-erdalleen in latere, zoo is het duidelijk, dat de laatste uit de vroegere ontstaan zijn, en niet-harduit-erd.—In het Mhd. werden met-hartook gemeene namen gevormd, alle met ongunstige beteekenis, alslügehart, sterk in het liegen;naghart, knaaglustig;selphart, zelfzuchtig;slinchart, slokop;trügenhart, sterk in het bedriegen;vrîhart, ongebondene.Uit de Duitsche talen ginghardin de Romaansche over, en werd daar, met de in die talen gewone verstomming derh, ital.-ardo, als inbastardo,codardo; fr.-ard, als inbâtard,couard,gaillard,grognard,pendard,richard,viliard; zieDiez,Gramm. der Rom. Sprachen, II, 358 vlgg. De ongunstige opvatting, die ook het Mhd. vertoont, treedt in de Romaansche talen, waar het achtervoegsel van vreemden oorsprong was, bepaald op den voorgrond.Het Mnl. nam van die Fransche woorden over, b.v.bastaert,cockaert,viliaert; en vormde nu naar die modellen zelf nieuwe, alsbehaghelaert,bollaert,clappaert,dullaert,galghaert,gaepaert,grisaert(grijskop, zieHorae Belg.VI, 98),loyaert,moyaertenz., alle woorden van minachting of spot, en niet zelden met den klemtoon op-aert. Dat men deh, die reeds uit de eigennamen uitgevallen was, niet weder invoegde, is natuurlijk. Het Nnl. ging op den eenmaal ingeslagen weg voort, en maakte een aantal andere, insgelijks met ongunstige beteekenis, alsbloodaard,dronkaard,gulzigaard,lafaard,veinsaard,wreedaardenz.; zelfsrijkaard, van het onschuldigerijk, wordt in slechten zin genomen; alleengrijsaardhield op een schimpnaam te zijn.Het achtervoegsel-erd, in het Mnl. nog onbekend, en dus jonger dan-aertof-aard, is eene verbastering van dat zelfde suffix, gelijk blijkt uitleperd,plomperd,stinkerd, die bijKiliaannogleepaerd,plompaerd,stinckaerdluiden; en uitgrijzerd, dat bij latere dichters voorkomt.Kiliaangeeft naastluyaerdookluyerdijeop, hetwelk toont, dat de verandering van-aardin-erdaan de werking van den klemtoon moet toegeschreven worden. De boven aangetoonde verbastering der eigennamen, b.v. de verandering vanEveraertinEvert, en die vanbastaardinbasterdstelt de zaak buiten allen twijfel.Sommigen zijn van gevoelen, dat-aarden-erdzouden ontstaan zijn uit het achtervoegsel-er, waarachter men, ter versterking, eerst eenetzou gevoegd hebben, zoodat-ertontstond, hetwelk vervolgens nog eene tweede versterking, eene verlenging tot-aart, zou hebben ondergaan. Zij gaan uit van de onjuiste onderstelling, dat wij werkwoorden zouden hebben of gehad hebben, alsgrijzen,laffen,rijken,snooden, met de beteekenis vangrijs,laf,rijk,snood zijn; datgrijsaard,lafaard,rijkaardenz. personen aanduiden, die bestendiggrijzen,laffen,rijkenenz., die »niet in het werkelijk oogenblik, maar bij aanhoudendheid de hoedanighedenvangrijsenz. hebben”. Dat gevoelen, dat zich zelf wederspreekt, en waarvoor men nooit een zweem van bewijs heeft weten aan te voeren, is niet slechts uit de lucht gegrepen en geheel zonder grond, maar het onderstelt ook, gelijk de geschiedenis der taal leert, eene onmogelijkheid. Achtervoegsels, die, gelijk-er, nooit den klemtoon hebben, ondergaan in den loop der tijden geeneversterking, maar omgekeerdverzwakking. Juist het achtervoegsel-erlevert er een sprekend en leerrijk voorbeeld van. Dit luidde goth.-areis, b.v. inlaisareis(leeraar),wullareis(voller); het werd ohd.-arî, mhd.-ære, nhd.-er. In het Mnl. werd het achtervoegsel geheel toonloos en ging over in-ere,-er, en-re, wanneer het onmiddellijk volgde op de lettergreep, die den vollen klemtoon had; maar het behield den halven toon en veelal ook dea, en werd-are,-aer, of-ere,-eer, wanneer het door eene toonlooze lettergreep werd voorafgegaan, zoodat het niet onder den invloed van den klemtoon der stamlettergreep stond; b.v. ingokelare,loghenareenloghenére,voghelare,persemére(woekeraar), enz., naastdienre,leerre,speelre,backere,weverenz. Wij nemen hier dus eene steeds voortgaande verzwakking waar, van-areistot-arî,-are,-ere,-eren-re, die men ook bij andere achtervoegsels kan opmerken; b.v. bij-dom, onl.-duom; bij-lijk, goth.-leiks, dat thans alslikwordt uitgesproken; en bij-aardzelf, niet alleen in de eigennamen, maar ook in de gemeene zelfst. naamw., die naar Fransche modellen, met het accent op-ardgevormd, ook in het Mnl. niet zelden den klemtoon hadden, maar thans nooit meer dan den halven toon krijgen, of, als-erd, geheel toonloos zijn. Het grenst aan ongerijmdheid, in strijd met de lessen der geschiedenis te stellen, dat de stroom tot voorbij zijnen oorsprong zou zijn teruggevloeid, en dat de taal op eenmaal hare richting, niet wijzigende, maar geheel omkeerende, van-erniet alleen-ert, maar zelfs-aartzou hebben gevormd.Het Nnl. heeft, wel is waar, welluidendheidshalve,dienre,leerre,sunder, indienaar,leeraar,zondaarveranderd; daarbij had evenwel geene versterking van-ertot-aar, geene vorming van een nieuw achtervoegsel plaats, maar slechts eene verruiling;-aarhad nooit opgehouden te bestaan. Evenmin zou de taal van sommige verbalia op-er, alsbijter,blaffer, woorden op-erdhebben gevormd, indien-erdniet reeds aanwezig was geweest. Meest alle woorden op-erdhebben trouwens een ongunstigen of spotachtigen zin, die aan-erniet eigen is; zelfslieverdenstouterdworden doorgaans schertsend gebezigd.Is het zeker, dat-aarden-erduithardontstaan zijn, dan moeten zij ook volgens de afleiding dedhebben, die de uitspraak er aan toekent. Het meervoud vanbastaardtoch luidt niet alleenbastaards; maar ookbastaarden, en daarnevens staatbastaardij;Kiliaankent ook een werkw.luyaerdenen de zelfst. naamw.luyerdije, vanluyaerd, enmooyaerdijevanmooyaerd. InSpanjaard, dat op eene andere wijs gevormd is, op welke evenwel de oude afkeer van die natie invloed kan gehad hebben, is dedgewaarborgd door het meerv.Spanjaarden, naastSpanjaards. Maar zelfs indien men wilde aannemen, dat-aarden-erdniets anders zijn dan-er, door eene tongletter versterkt, ook dan nog zou de keus op dedmoeten vallen; de taal zelve leert doorzwaarder,eerder,hoorder,duurder,gezagvoerder, dat zij, waar derversterking behoeft, deden niet detwil gebezigd hebben.101. Even weinig zwarigheid baart de keus tusschen dedoftin het zelfst. naamw.aardofaart. De afleidselsaardig,aardenenontaardenpleiten voor de zachtheid der sluitletter, terwijl de afleiding en de verwante talen de deugdelijkheid en oorspronkelijkheid dezer zachte uitspraakbuiten allen twijfel stellen.Aartenaartigzijn germanismen, en niets meer.102. Inrit, mv.ritten,bint, mv.binten,gebint, mv.gebinten, bewijst de uitspraak eene verscherping der sluitletter, ofschoon de stamwoordenrijdenenbindenbuiten twijfel eenedhebben.Riddenstrijdt met de uitspraak,bindtenengebindtenmet alle regelmaat. De verscherping derdis buitendien reeds lang algemeen erkend inmetenmits, nevensmede; invaart, mnl.vaerde, waarvan nogkoopvaardij; inzat, mnl.sad, waarvanverzadigen; inklant, fr.chaland. Daarom ookbeeltenis,verbintenis, evengoed alsontstentenisvan het oudeontstanden(ontstaand.i.ontbreken). De gebruikelijke schrijfwijzenbeeldtenisenverbindtenisdoen ten onrechte aan eene afleiding met-tedenken.Indienmet,mitsenriteenethebben, dan bestaat er geene afdoende reden voormedgezelenridmeestermetd, ofschoonmetin het eerste woord het bijwoordmedeis.103. De afleiding pleit voor de spellingandwoord, doorBilderdijken anderen aangenomen, als zijnde dit woord door samenstelling gevormd van het oude voorzetseland, hier als bijwoord gebruikt. Daar het Nederlandsch zich echter tot regel heeft gesteld, onverbuigbare woorden met scherpe medeklinkers te sluiten—op welken alleen innog(adhuc) ter bevordering der duidelijkheid eene uitzondering gemaakt wordt—en de spelling metdde beteekenis van het woord niet duidelijker maakt, noch op het etymologisch verband met eenig ander Nederlandsch woord wijst, vinden wij geene reden hoegenaamd om in dezen van de meest gebruikelijke spelling af te wijken. Wij achten ons hiertoe te minder gerechtigd, dewijl wijdan, om consequent te blijven, ook detinmetzouden moeten vervangen door ded, waarvoor niet slechts de verwante talen, maar ook het bijw.mede, pleiten. Het argument, dat het bijw.andde stam van het voornw.anderen het bijw.anderszou zijn, waardoor de beteekenis vanandwoord, als hetandereof tweedewoord, kon schijnen opheldering te erlangen, is uit de lucht gegrepen en wordt door de verwante talen ten stelligste weersproken.Om dezelfde reden verdient ook de spellingAndwerpenvoorAntwerpengeene aanbeveling.104. Men zegt en schrijft gewoonlijkadmiraal,admiraliteitenz.; sommigen willenammiraal, op grond dat dedslechts ten gevolge van een misverstand is ingelascht. Die misvorming is evenwel niet in den boezem onzer taal geschied: deze had er geene aanleiding toe. Wij hebben het woord in de middeleeuwen onder dubbelen vorm:amiraelofammiraelenadmirael, van de Zuid-Europeesche volken aan de Middellandsche Zee overgenomen. Het is het Arabischeamir(emir) met een Latijnsch achtervoegsel. Men bracht het in verband met lat.admirari, fr.admirer; vanhier de vormen:admiralis,admirabilis,admiratus,admirant,admiraglioenz., die alle aan bewonderen doen denken. Dedis dus werkelijk geheel te onrecht ingevoegd; maar even zeker is het, dat wij haar thans algemeen laten hooren. De Regel der Uitspraak eischt dus het behoud derd, terwijl de overige regels hier niet in aanmerking komen.Admiraalis wel niet meer noch minder welluidend danammiraalofamiraal, en het woord heeft in onze taal geene verwanten, waarop de spelling kan wijzen, geene analoga, wier stem gehoord kan worden. De Regel der Welluidendheid, die der Gelijkvormigheid en der Analogie, zwijgen hier dus, terwijl de toepassing van dien der Afleiding geheel doelloos zou zijn. Het woordamiren het Latijnscheachtervoegsel-alisbehooren tot talen, slechts aan geleerden bekend, en de vrees, dat iemand ten onzentadmiraalvanadmirariofadmirerzal afleiden, is niet gegrond. Wie geen Latijn of Fransch kent, komt natuurlijk niet op de gedachte: en wie die talen verstaat, wordt door het woord zelf, dat geen verstaanbaren vorm heeft, tegen die afleiding gewaarschuwd. Luidde hetadmirabel,admirantofadmiraat, dan kon er grond voor die vrees bestaan; doch-aalis geen achtervoegsel dat aan werkwoorden gehangen wordt Indien door het uitlaten derd(amiraal) de oorspronkelijke vorm hersteld ware, dan zou de zin voor ordelijkheid misschien die uitlating wenschelijk maken, dochamiraalis evenmin Arabisch alsadmiraal. Wij zien daarom geene reden om het thans heerschende schrijfgebruik te verlaten en geheel noodeloos den hoogsten grondregel der spelling te verzaken.105. Het Nederlandsch bezit voor de twee verschillende sisklanken ook twee afzonderlijke letterteekens: desvoor den scherpen, dezvoor den zachten klank. De vroegere verwarring, toenszoowel zacht als scherp werd gebezigd, waarschijnlijk een uitvloeisel van het Latijnsche spraakgebruik, heeft sinds lang opgehouden, zoodatsthans uitsluitend scherp is. Daarmede is hare verdubbeling achter een langen klinker of tweeklank, b.v. inaassem,braassem,deessem,geessel,kruissen,kruissigen,IJssel,zeissen,Pruissenenz., eene onloochenbare onregelmatigheid geworden, die gelijkstaat met de spellinglaaffenis,raaffelen,weiffelen,oeffenen,schuiffelen,twijffelen, voorlafenis,rafelenenz. Zij is dan ook later doorSiegenbeekzelven afgekeurd. Het behoeft dus wel geene verdere rechtvaardiging, dat de Redactie voornemens isbrasem,geesel,IJsel,Pruisenenz. te blijven schrijven.106. Daar de verdubbeling van eenen medeklinker in niet samengestelde woorden alleen moet dienen om te voorkomen, dat de voorgaande vocaal lang wordt uitgesproken, zoo is de verdubbeling vanzelve evenzeer onnoodig na toonlooze klinkers als na heldere en na tweeklanken. Toonlooze klinkers toch worden alleen aangetroffen in lettergrepen zonder accent, en daarbij bestaat geen gevaar, dat men den klinker lang zal uitrekken. De Redactie rekent daarom éének,tenmvoldoende inbotteriken,monniken,perziken,kieviten,diemiten,Gorkumer,Dokkumer,Bergumer. De schrijfwijzebotterikken,Gorkummer, staat gelijk met die vanengellen,verbeterren,uitrekennen,zondiggen, terwijl het niet verdubbelen der consonant voor den lezer juist een teeken is, dat hij de lettergreep als toonloos moet beschouwen.Het gezegde is natuurlijk niet toepasselijk opArnhemmer,Haarlemmerenz., waarin de tweede lettergreep, hoewel zwak van toon, niet toonloos wordt uitgesproken, en deè, hoe kort ook, toch den scherpene-klank behoudt5.107. Onze woordenboeken willendiefegge, als ware dit woord eene samenstelling vandiefmet een zekeregge. Men heeft hier intusschen met eene afleiding te doen.-eggetoch is een achtervoegsel, hetwelk voorheen doorgaans-igge-, soms ook wel-egeluidde, en meermalen ter vervrouwelijkingvan mansnamen gebezigd werd, b.v. inmakerigge,vercopege. Eene afleiding met een achtervoegsel, dat met een klinker begint, eischt de verandering van definv, wanneer de lange klank voorafgaat; vergelijkgev-er,liev-erd. Derhalve ookdievegge, evengoed alsdieverij. Dat sommigen in dit woord deflaten hooren, kan geene reden zijn om eene verkeerde spelling te behouden, die uit onkunde ontstaan is. Het herstel dervkan misschien strekken om aan die onjuiste uitspraak een einde te maken. Vergelijk§ 58en 66.108. Inzamen,zamenkomst,zamenspraakenz. gebieden de afleiding en de uitspraak de vervanging derzdoor des. Dezheeft daar de waarde vantz, en wordt dus te recht scherp uitgesproken. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat het grondwoordzamenluidt, terwijl ook ingezamenlijk,inzamelenenz. dezduidelijk gehoord wordt, en dat men inzestigenzeventigdezvanzesenzevensteeds heeft behouden, dan kan het bedenkelijk schijnen, door het schrijven vansamen,samenkomstenz. en daarnevens vangezamenlijk,verzamelenenz., de onderlinge verwantschap dezer woorden voor het oog weg te nemen. Deze bedenkingen deden ons eerst besluiten de gebruikelijke spelling te behouden. Nu zich echter opnieuw stemmen ten voordeele dershebben doen hooren, aarzelen wij niet langer die schrijfwijze aan te nemen, die, op voorgang vanBilderdijk, door onze beste schrijvers gevolgd wordt, met de meest algemeene uitspraak overeenstemt, en op een goeden etymologischen grond steunt. In de uitdrukkingte zamentoch werd de toonloozeevanteweggelaten, waardoor eersttzamenontstond. Dit had de verscherping van deztotsten gevolge:tsamen; eindelijk werd detovertollig gerekend, en dit gafsamen.Samenheeft dus de waarde vante zamenen verschilt derhalve werkelijk in afleiding en beteekenis van het grondwoordzamen. De spelling metsis uit dien hoofde de ware, overal waarsamende bijwoordelijke uitdrukkingte zamenvervangen moet, te weten aan het begin van samengestelde werkwoorden en woorden, van zulke werkwoorden gevormd, als insamenkomen,samenspreken,samenhangen,samenkomst,samenspraak,samenhang; daarentegen natuurlijk niet, waar geen bijwoord, maar het grondwoordzamenvereischt wordt, als ingezamenlijk,bijeenzamelen,verzamelen,verzamelingenz., en dus ook inopzamelen, nietopsamelen, hoewel dezdaar ten gevolge van de werking derpvanzelve alssklinkt.Evenmin zou de spellingte samenvoorte zamengoed te keuren zijn, ofschoon de gewone uitspraak ook daar deslaat hooren. Deze toch is hier slechts het gevolg eener verkeerde toepassing der analogie. Eene werking der voorafgaandetkan hier niet erkend worden. Zij bestaat niet, zoolang de toonloozeevanteblijft; want men zegtte zoek,te zuinig,te zuur,te duur,te geef; niette soek,te suinig,te suur,te tuur,te cheef.Te samenis derhalve niet anders te verklaren en op te vatten, dan alste tzamen, met het dubbele voorzetsel, een vorm die natuurlijk niet erkend mag worden. Vergel.§ 66. De Redactie stelt zich daarom den volgenden regel:
92. Tot de regels betrekkelijk de medeklinkers overgaande, meenen wij het eerst melding te moeten maken van het belangrijke vraagstuk omtrent de spelling der woorden, waarin tweeklanken opivoorkomen. Moet menzaaijen,zaaien,zajenofzaayen,hooijen,hooien,hoojenofhooyenspellen? De uitspraak beslist hier niet stellig genoeg. Men hoort in de genoemde woorden wel is waar eenej, maar slechts zeer flauw en op verre na niet zoo duidelijk als aan het begin van een woord, b.v. injaar,jong, gelijk blijkt uit de vergelijking vanvleier,vleijermet (een goed)hooi-jaar. Het gebruik beslist evenmin, daar alle vier de schrijfwijzen hare voorstanders hebben gehad en gedeeltelijk nog hebben; men denke slechts aanbajert,dojerenoojevaarofooijevaar. Raadpleegt men de afleiding, dan wordt de zaak nog moeilijker. Indien men let op den oorsprong vanzaaijen,draaijen,naaijen, en op de afgeleidewoordenzaad,draad,naad, dan zoudenza-jen,dra-jen,na-jen, de ware vormen zijn; zoo ookstroo-jen, goth.strau-jan,too-jen, goth.tau-jan,boejenboe-jen, lat.boja; daarentegenhooi-en, enkooi-en, om goth.havi(hawi) en lat.cavea. Voor andere woorden beslist zij in het geheel niet. Verandertdiniof inj? Heeft menro-jenofrooi-en, vanroden;do-jerofdooi-er, vandoder;oojevaarofooievaar, vanoodevaar, te spellen? En welke letter moetschuijerenhebben, dat hetzelfde woord is alsschuren? Regels op de afleiding gegrond zijn hier derhalve zoo goed als onmogelijk; zij zouden de spelling slechts uiterst moeilijk maken en tot nieuwe geschillen aanleiding geven.
De aangenomen spellingbaai—baaijen,rei—reijen,hooi—hooijendruischt dubbel aan tegen de analogie. Deze wil, dat een onverbogen woord den medeklinker, die in den verbogen toestand de volgende lettergreep begint, tot sluitletter zal hebben; b.v. datkwaadeindigen zal op dedvankwa-de, en zoo ookplaag,vrouwenz. op degenw, waarmede de tweede lettergrepen vanpla-genenvrou-wenaanvangen. Tegen dezen regel wordt gezondigd doorbaai,rei,boeienz. Ware dejin de verbogene vormen onmisbaar, de analogie zou haar evenzeer eischen in de onverbogenebaaij,reij,boeij, omdat deze woorden in het meervoudbaai-jen,rei-jen,boei-jenworden. Deze en dergelijke woorden, die eindigen op eenen tweeklank, waarinide laatste klinker is, worden nu stilzwijgend als uitzonderingen beschouwd. Die uitzondering zou nog te dulden zijn, indien zij niet zelve weder hare uitzonderingen had in de woorden opij. Deijtoch is ook een tweeklank, die opiuitgaat en dus in den verbogen toestand eene volgendejzou vorderen. Intusschen zal wel niemand lust hebben ombijjen,rijjen,vrijjen,vrijjerte schrijven. Het is dus niet te loochenen, dat de bestaande spelling der woorden met tweeklanken opionregelmatig is en inconsequent, zoowel in zich zelve als ten opzichte van eene groote menigte andere woorden. Er zijn er geweest, die het gebruik der enkelejhebbenvoorgeslagen, niet bedenkende, dat deze, wat de uitspraak betreft, wel volstaan kan inbajen,drajen,haajen,boejen,broejen,hoojen,loojenenz., maar niet inbrejen,ejeren,lejen,rejen,bujen,brujen,kujeren,schujerenenz. Ook handelt men bij deze schrijfwijze, evenzeer als bij die meti-j, in strijd met de afleiding, en brengt in een aantal woorden eenej, die er nooit in bestaan heeft: b.v. indojerofdooijer(doder),kojenofkooijen(caveae),ojevaarofooijevaar(oodevaar),rojenofrooijen(roden),leijen(lage),reijen(rege),schuijeren(schuiren,schuren). In sommige werkwoorden, alsdraaijen,naaijen,zaaijen,strooijen,tooijen, behoort dejwerkelijk tot den grondvorm. Deze zouden de spellingdrajen,najen,zajen,stroojen,toojeneischen; maar dan ookdraaj,hij draajt,draajde, waartoe men wel niet licht besluiten zou, te minder wanneer men bedenkt, dat dejin andere werkwoorden, b.v. inmaaijen,breijen, tegen de afleiding zou aandruischen. Doch, is er geene regelmatige spelling met de enkelejzoomin als met dei jmogelijk, dan blijft alleen die met de enkeleioverig, hetzij men die dooriof dooryvoorstelt. Dejis eigenlijk ook geheel overtollig; in eene beschaafde uitspraak wordt zij niet sterker gehoord dan de overgang van deitot den volgenden klinker vanzelf medebrengt, niet sterker dan de flauwejinzeeën,weeën,gedweeër,drieën,knieën, en in uitdrukkingen als:in boei en band,Mooi Antjeenz. Dejis, gelijk hare flauwe uitspraak en haar volstrekt afwezig zijn aan het einde eener lettergreep duidelijk genoeg bewijst, niets meer dan een onvermijdelijke overgang van den eenen klinker tot den anderen, en daarom in het schrijven evenzeer te verwerpen als debinhembden depinkompt; behoudt men haar, dan moeten ook dezebenpweder in aanmerking komen. Men zal gevoelen, dat de Redactie geene spelling kan behouden, die tegen alle regelmaat en in vele gevallen tegen de afleiding aandruischt, en die met de uitspraak slechts bezwaarlijk is overeen te brengen. Zij geeft daarom de voorkeur aan de eenige regelmatige schrijfwijze met de enkelei, en zulks te eer, omdat de spellingbaaien,breien,boeien,buienenz. sedert lang bij vele onzer beste schrijvers in gebruik was. Ofschoon wellicht geen hunner van den waren staat van zaken een klaar bewustzijn had, en sommigen dientengevolge bij de vormen op-igen-ingniet eenparig handelden, hun verzet tegen de aangenomen spelling toonde, dat zij de ongepastheid derjin die woorden duidelijk gevoelden3. De schrijfwijzebaaienenz, heeft niets tegen zich, dan dat men zich verplicht kan achten een trema op den klinker te zetten, die opivolgt, ten einde de verbinding van deze met de volgende letter te voorkomen, iets dat zeker vrij lastig en voor het oog weinig behaaglijk is. Om dit bezwaar bij de eenige regelmatige, consequente en kennelijk door de taal zelve gevorderde spelling te ontgaan, was de Redactie eerst voornemens de gewoneidoor dey, als zijnde ook eenei, te vervangen, enhooyen,samenvloeying,opruyingenz. te schrijven, waardoor de scheiding der lettergrepen eenigszins duidelijker zou aangewezen worden. Dat plan heeft echter zooveel tegenstand gevonden, dat zij niet raadzaam acht er bij te blijven en eene spelling aan te nemen, die algemeen mishaagt, omdat de eigenlijke waarde van het letterteekenyaan de meesten vreemd is geworden. Zij zelve had die slechts voorgeslagen om het scheiteeken te vermijden. Zij ziet er te eer van af, omdat zij in de toepassing practische moeilijkheden van typographischen aard heeft ontmoet, die zij niet had voorzien. Zij aarzelt dus niet langer de reeds bij velen gebruikelijke spelling met de gewoneiaan te nemen, en schrijft derhalve de woorden, waarin een der tweeklanken opi, te wetenaai,ei,ooi,uienoei, voorkomt, steeds met de gewonei, zonder inlassching eenerj, wanneer zij verlengd worden; derhalve:aaien,baaien,beien,breien,hooien,kooien,buien,kruien,boeien,knoeien,maaier,draaier,eieren,Beiersch,dooier,mooier,kruier,opruier,boeier,knoeier,baaierd,ooievaar,opruiing,samenvloeiingenz., evenalsbijen,rijen,vrijerenz.
In vreemde woorden, alsbajonèt,sajèt, waar de klemtoon niet op deavalt, meent zij geenen tweeklank te moeten erkennen, te minder omdat de spellingbaaionet,saaietniet alleen er vreemd uitzien, maar ook tot eene verkeerde uitspraak aanleiding geven zou.
93. Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de uitspraak en spelling van een paar woorden op-leien-hande. Sommigen schrijventweederlei,tweederhande,driederlei,driederhande, anderentweeërlei,tweeërhande,drieërlei,drieërhande. Welke schrijfwijze is te verkiezen, die met of die zonderd? Daar de uitspraak hier evenzeer als de spelling weifelend is, hangt de beslissing af van de vraag, welke spelling door den aard en de samenstelling dier woorden gevorderd wordt.
De woorden op-leien-hande, ofschoon thans als afleidingen te beschouwen, zijn eigenlijke samenstellingen of koppelingen van een bepalend woord, alséén,twee,al,veelenz. met de zelfst. naamw.lei(ofr.ley) enhand, die beide vrouwelijk zijn, en hiersoortofgesteldheidbeteekenen.Eenerlei,eenerhande,allerlei,allerhandestaat gelijk metvan ééne soortofgesteldheid,van alle soortenofgesteldheden. Voorheen bezigde men ookgoederhandevoorvan eene goede soort; en zoo ookgoedertiere,quadertiere,allertiere,velertiere,menigertiereof-tieren, waarvan wij ons hedendaagschegoedertieren, met de bekende bepaalde beteekenis, hebben overgehouden. Bij de woorden op-leien-handeheeft men dus afwisselend met een enkelvoud of met een meervoud te doen, naar gelang van het getal, dat het bepalende woord medebrengt, waarop echter, gelijk bij andere samenstellingen, die in afleidingen zijn overgegaan (vergelijk die op-halveen-wege), geen acht meer geslagen wordt. Men zegt in het meervoud evenzeerallerlei, vooraller leien, als in het enkelvoudeenerlei; daarentegeneenerhande, methandin den ouden meervoudsvorm ope, evengoed alsvelerhande. Intusschen treft men altijd een vrouwelijken 2dennaamval aan, waaruit volgt, dat de bepalende woorden steeds op-ermoeten eindigen. Regelmatig zijn dus, wat het eerste lid betreft:eener-,geener-,eeniger-,meniger-,veler-,aller-,achter-,twintiger-,honderder-,duizenderleien-handeenz.; doch onregelmatigvierder-,vijfder-,zesder-,zevender-,negender-,tienderleien-handeenz., omdat men daarbij aan het bepalende woord den vorm van een ranggetal geeft. Dat zulks ten onrechte geschiedt, volgt reeds uit de beteekenis dier woorden, en blijkt bovendien uiteenerlei,driederlei,achterlei,twintigerlei,honderderlei, nieteersterlei,derderlei,achtsterlei,twintigsterlei,honderdsterleienz. De ingeschovendis trouwens ook niets anders dan eene vergroving der uitspraak van eene toonlooze lettergreep achter vloeiende letters, gelijkrennzijn. Bijvierderlei,zevenderlei,negenderlei,tienderleienz. heeft hetzelfde plaats als bijzwaarder,duurder,hoorder,scheerder,diender,boender,spaandersenz., en bijvilder,helder,kelder,zolderenz. vanvillen,hel,cellarium,solarium. Zoo zei men voorheen, en zegt men nog wel, ookeenderlei,alderhande,waarin aan dedwel geene beteekenis kan gehecht worden. Ofschoon men nu, door verkeerde gevolgtrekking, geheel ten onrechte dedook achter andere letters dan vloeiende, namelijk invijfderlei,elfderlei,twaalfderleienzesderleiheeft ingevoerd, hebben evenweleenerlei,achterlei,twintigerlei,honderderlei,duizenderleienz. den grammaticaal onberispelijken vorm behouden. Aan een practisch gemakkelijken regel:de achtervoegsels-leien-handetreden achter ranggetallen, valt dus niet te denken, zelfs niet bijdriederlei. De Redactie meent daarom in de beide twijfelachtige gevallen aan de meer beschaafde uitspraak zonder ded, waarbij de ware natuur der woorden meer uitkomt, de voorkeur te moeten geven. Zij schrijft derhalve:tweeërlei,tweeërhande,drieërlei,drieërhande.
94. Vervolgens doet zich de vraag voor omtrent de spelling van den geadspireerden keelklank vóór det. Waar moet menchtspellen? waargt? Den regel, dienaangaande in 1804 gesteld, dat de woorden, afgeleid van stammen, waarin blijkbaar eenegvoorkomt, b.v. inklagtvanklagen, metg, de overige metchbehooren geschreven te worden, meenen wij niet te mogen behouden. Vooreerst toch is de afleiding van sommige woorden, welke in die categorie vallen, geheel onbekend of ten minste onzeker. Ten andere is degin sommige stamwoorden slechts eene aan het Nederlandsch, evenals aan het Deensch, in het bijzonder eigene verzachting van de oorspronkelijkech, b.v. invliegen,wij zagen,wij tegen,aangetogenen andere, zoodat doorvlugt,gezigt,togtenz. toch niet de ware vorm dier woorden voorgesteld wordt. De genoemde regel is ook moeilijk in de toepassing en is tot nu toe zeer willekeurig en onregelmatig toegepast. Zoo berust b.v. de spellingregt,regter,rigten,berigten, op eene verkeerde afleiding;geslacht(vanslag, soort),tucht,tuchtigen(vantiën,toogenz.), (be)tichten,van (aan)tijgen, zouden evenzeer eenegvorderen alsslagter,geslagt,togtenz. Eindelijk, de regel is, gelijk blijken zal, kennelijk in strijd met ons taaleigen.
Het is om genoemde bedenkingen, dat wij ons den volgenden regel stellen:
De geadspireerde keelletter, die zich vóór eene steeds in het woord blijvende en steedsonmiddellijkvolgendetbevindt, welke totdezelfdelettergreep behoort, wordt, zonder op de afleiding te letten, doorchvoorgesteld. Doch wanneer het woord eenegheeft, die, afwisselend, nu al dan nietonmiddellijkdoor detwordt gevolgd, of wanneer deze tot devolgendelettergreep behoort, dan blijft degonveranderd.
Hoe willekeurig deze regel met zijne uitzonderingen bij den eersten aanblik ook schijnen moge, bij eene nadere beschouwing blijkt, dat hij door ons taaleigen gebiedend wordt gevorderd. Wanneer een vaste medeklinker (eene zoogenaamdemuta) reeds van oudsheronmiddellijk, d.i. zonder tusschenstaanden klinker, door eenetgevolgd werd, dan zijn beide medeklinkers zoo innig samengesmolten, dat zij eene soort van eenheid uitmaken, die met eenen verdubbelden, d.i. versterkten, medeklinker gelijkstaat. De samensmelting blijkt duidelijk uit de verscherping van den eersten medeklinker, die vervolgens meestal inchoverging; en uit de verkorting of verscherping van den voorgaanden helderen klinker, welk laatste verschijnsel ook bij eene verdubbeling, b.v. instòtterenvanstóóten, inverhèffennaastverhéven, plaats vindt. Zoo ontstondengràftengràchtvangráven;schàftenschàchtvanscháven;echtvanehe;gìft(mnl. ookgìcht) vangéven;plìchtvanplégen;kòchtenbruilòftvankóópenenlóópen;gewrochtvanworken;gezòcht,gerùchtenkluftvanzóéken,róépenenklieven;vernuftvoorvernumbtvanvernemen,vernomen. Doch men zegt en schrijft:hij graaft,schaaft,geeft,pleegt,koopt,loopt,zoekt,roept,verneemt, niethij gracht,schacht,giftofgicht, enz., omdat deze zelfde woorden devormengraven,ik graaf,schaven,ik schaafenz., zondert, nevens zich hebben. Het beurtelings af- en aanwezig zijn liet de samensmelting niet toe. Evenzoo zeggen en schrijven wijlaagte,leegte,hoogte,drukte,goedkoopte,diepte, nietlachte,lechte,hochte,druchte,goedkochte,dichte, alleen omdat det, tot de volgende lettergreep behoorende, zich niet zoo nauw aan den voorgaanden medeklinker kon aansluiten, dat hij met dezen samensmolt. Immers, waar de volgendeeontbreekt, daar openbaart zich de ineensmelting weder, zooals blijkt uit de vergelijking vanluwtemetlucht,ziektemet (water)zucht. Ook in de woorden, waarin oudtijds tusschen de beide medeklinkers een klinker werd aangetroffen, die eerst in betrekkelijk laten tijd is uitgevallen, is de ineensmelting door dien klinker verhinderd geworden, zoodat de voorgaande medeklinker niet veranderd, en een voorgaande heldere klinker niet verscherpt is. Dit blijkt uitabt(mnl.abbet), dat niet inaftofachtis overgegaan; uitambt(ambacht), nietaft, gelijkvernuftzou doen verwachten; uitkreeftenooft(bijKiliaankrevetenovet), nietkrechtenocht; uitmarkt(lat.mercatus), nietmarcht.
Het is uit dien hoofde geheel overeenkomstig ons taaleigen, dat wij ons ten regel stellen:
Degblijft in de regelmatige vervoeging der werkwoorden, wier stam op eenegeindigt, en in de zelfst. naamw., door achtervoeging van-tegevormd van bijvoegl. naamw. opguitgaande.
Wij schrijven derhalve:dracht,jacht,klacht,macht,slachten(dooden),geslacht(engemaal),plecht,plechtig,licht(niet zwaar),plicht,gewicht,gezicht,gedrocht,tocht,lucht,tucht,vlucht,zucht(diepe ademhaling) evenzeer metch, alsnacht,geslacht(familie),slachten(gelijken),echt,recht,licht(straal),lucht,vruchtenz. Daarentegen:hij draagt,jaagt,vraagt,legt,zegt,pleegt,weegt,droogt,zoogt, enz., engraagte,laagte,leegte,droogte,hoogte,menigteenz.
De verkorte eigennaamAagtbehoort ook degte behouden, dewijl er een klinker is uitgestooten, die zich nog heden ten dage in den vollen vormAgathavertoont. Dat het woord met den helderen klinker en niet alsAchtwordt uitgesproken, bewijst, dat er geene samensmelting der medeklinkers in plaats heeft.
De onregelmatige onvolm. verled. tijden en deelw.bracht,gebracht,mocht, vanbrengenenmogen, verkeeren in het geval, dat decheischt. In die vormen heeft de tijdsuitgang-de(-te) deeverloren, ten gevolge waarvan de overblijvendetzich aan den voorgaanden medeklinker heeft aangesloten.Brachtenmochtstaan voorbrachteenmochte, en deze vormen voorbragde(ofbrengde) enmoogde, gelijk de analogie vanzengde,leegdeenzoogdezou medebrengen. De overgang der regelmatig vereischtedintbewijst voldingend de samensmelting en dus ook de verscherping der voorgaande medeklinkers. Wij schrijven uit dien hoofde:hij bracht,mocht,gebracht, nevenshijengij brengt,gij moogt. Evenzoohij placht, oudtijdsplach(plag), waarin de bijgevoegdetmet de sluitlettergevenzeer is samengesmolten als ingedrochtvoorgedrog.
Wij aarzelen te minder tot de genoemde verandering over te gaan, omdat de voorgenomen spelling beter dan die metgaan de uitspraak beantwoordt en reeds door vele onzer beste schrijvers gevolgd wordt, terwijl de regel gemakkelijk toe te passen is en aan veel willekeurigs en onregelmatigs een einde maakt, en het wijzen op de afleiding bij de meeste woorden dezer categorie volstrekt geen nut heeft. Immers de beteekenis vanplecht,plechtig,gedrocht,tucht,tuchtigenwordt niet opgehelderd door het verwijzen opplegen, (be)driegenentoog(vantiën); men verstaat het woordmachtniet beter, als men weet, dat het vanmogenkomt, sedert dit de beteekenis vankunnenverloren heeft; en de kracht van het woordplichtwordt vooral niet beter gevoeld als men verneemt, datplegenhet grondwoord is, nu dit meest van moord en roof gebezigd wordt.—Bijde meeste andere woorden is degniet toereikend om den lezer aan het grondwoord te herinneren. Bijdragt, (de)jagt,klagtmetgzal men misschien iets eerder aandragen,jagenenklagendenken, dan wanneer mendrachtenz. schrijft; doch geen onkundige zal vermoeden, dat (het)jacht,slachtenenslachter,aangezicht,vluchtenenzuchtensamenhangen metjagen,slaan(sloeg),zien(zag),vliegenenzuigen, al spelt men die woorden ook metg; evenmin als hij bijboetenenschuitaanbatenenschietendenkt. Waar zulk een groot verschil in klank bestaat, en de beteekenissen slechts eenigszins uiteenloopen, wordt geene verwantschap meer gevoeld. De toepassing van den Regel der Gelijkvormigheid brengt hier derhalve geen nut aan; vergel. ook§ 50.
95. Lang heeft de Redactie in bedenking gestaan bij de vraag: moet dechna kort afgebroken klinkers al of niet verdubbeld worden? en, zoo ja, hoe dan?—moet menkachel,kagchelofkachchelenz. schrijven? De thans meest gebruikelijke spellingkagchel,rigchel,bogchelenz. is onregelmatig en kan reeds daarom niet in alle opzichten worden verdedigd. Bovendien doet de verbinding van twee verschillende, doch verwante letterteekens, alsgench, aan eene samenstelling denken, terwijl de meeste der hier bedoelde woorden, alleenlichaamuitgezonderd, slechts afleidingen zijn, waarin eene enkelvoudigegofkdoor den invloed der volgendeltotchverscherpt is; b.v.bochelvanbuigen,boog;tichelvantegel;kachelvankakel, bijKiliaankaeckel.Lichaam, uitlijkenhaam, door de spelling als een samengesteld woord te kenmerken, en b.v.lich-haamte schrijven, zou echter geheel nutteloos wezen, omdat inlichhet woordlijktoch niet zou herkend worden, terwijl dit bovendien, evenalshaam, in deze samenstelling meteene beteekenis voorkomt, die thans bij de meerderheid der sprekenden en schrijvenden onbekend is.
Wanneer de Redactie daarbij in aanmerking neemt, dat de verdubbeling door middel eenergbij de netste schrijvers steeds grooten weerzin heeft gevonden, en dat de spelling met eene enkelechmisschien leiden kan tot eene verfijning van den zoo harden keelklank, die doorgchwordt vertegenwoordigd (vergel.§ 61en 62), dan meent zij aan die schrijfwijze de voorkeur te moeten geven en duslichaam,kachel,richelte moeten spellen, ofschoon zij gaarne erkent, dat ook deze niet onberispelijk is. De regelmatigheid zou ongetwijfeldlichchaam,kachchelenz. vorderen; doch deze spelling ware thans eene ongehoorde nieuwigheid, die zeker niemands goedkeuring zou wegdragen. Er schoot dus niets anders over dan van de twee gebruikelijke schrijfwijzen de minst gebrekkige te kiezen, die dan ook het langst en algemeenst in gebruik is geweest4.
Voor de spelling met de enkelechpleit, behalve de welluidendheid, ook nog de analogie met de meeste eigennamen, alsJochem,Kochem,Lochem,Mechelen,Vechel,Zwichem; die metechel, en vooral die metecho, welke woorden nooit metgchgeschreven worden. Alleen de uitspraak van de bij ons gebruikelijke namenRachelenMichielpast er niet in. Het onderwijs zou dus inderdaad bij de spelling met de enkelechaan gemak winnen. In de plaats van den thans geldigen regel:Dechwordt na onvolkomene klinkers door de voorvoeging eenergverdubbeld, waarbij de bovengenoemde woorden en andere dergelijke als uitzonderingen moeten opgegeven worden, heeft men slechts te leeren:Alle enkelvoudige klinkers hebben vóór dechden onvolkomen klank, mee uitzondering van de eigennamenRachelenMichiel.Vergel. het opstel:De Spelling en het Lager Onderwijs, van den HeerJ. A. van Dijk, in denTaalgids, VI, blz. 73 vlgg.
96. Van een geheel anderen aard dan de verdubbeling derchdoor middel van degis die dersinwasschen,flesschen,visschen,mosschenofmusschen,tusschenenz., die door sommigen daarmede op ééne lijn wordt gesteld. Niet de letter, die verdubbeld wordt, niet des, maar dech, die stom is, zou een punt van geschil kunnen uitmaken. Deze toch doet thans niets meer aan de uitspraak af, maar is alleen een graphisch overblijfsel uit den tijd, waarin zij, uitkontstaan, werkelijk gehoord werd. Toen men eerstvisk,mosk, en later inderdaadvisch,mosch, d.i. metch, uitsprak, bleef de eerste lettergreep ook in de meervoudenvis-ken,vis-chen,mus-ken,mus-chengesloten, en werd de tweedesnatuurlijk niet gevorderd; thans echter, nu er alleen eenesis overgebleven, is hare verdubbeling invis-sen,mus-senevenzeer noodig en regelmatig als inmos-sel, vroegermos-chel. De dubbeleslevert dan ook niet hetminste bezwaar op, kan nooit medewerken om de uitspraak te bederven. Dit is integendeel wel te vreezen van de spellingvis-chen,mus-chenenz., die alleen strekken kan om de thans ondraaglijk pedante uitspraak, welke dechin de genoemde en dergelijke woorden laat hooren, meer in zwang te brengen. Men is buitendien te zeer gewoon de geheeleschbij de tweede lettergreep te voegen, gelijk blijkt uitPa-schen,zij he-schen,kre-schen,gehe-schen,gekre-schen, welke woorden men toch wel niet gaarne noodeloos met dubbelen klinker,Paas-chen,hees-chen,krees-chen,gehees-chenengekrees-chen, zou geschreven zien. Wij kennen derhalve geene enkele reden om de éénesweg te laten, maar redenen te over om haar te behouden, namelijk het gevestigde gebruik en de voorkoming eener wanluidende uitspraak. Wij blijven derhalvewasschen,lesschen,wisschen,tusschenenz. schrijven met de dubbeles.
97.Bilderdijk’sspellingnogthandssteunde op eene verkeerde afleiding:nochtansis samengesteld uitnogendan(mnl.nochtanofnodan) met de adverbiales, en heeft dus niets metthansofthands(te hande) te maken. Aan de invoering eenerhendin dit woord valt derhalve niet te denken. Doch men zou in twijfel kunnen staan bij de keuze tusschennochtansennogtans. Ofschoon de Redactie het raadzaam oordeelt, de gebruikelijke onderscheiding vannog(daarenboven, tot nu toe) ennoch(ook niet), hoewel niet op de afleiding gegrond, om den wille der duidelijkheid te behouden, meent zij echter innochtansde voorkeur aan dechte moeten geven, vermits wel deze scherpe keelletter, maar niet de zachteg, den overgang derdvandanin detvantansheeft kunnen veroorzaken, en het woord voor ons gevoel eene eenheid geworden is, waarbij aan de samenstellende deelen niet meer gedacht wordt,zoodat hier alleen de Regel der Uitspraak behoort gevolgd te worden.
98. Het algemeen gebruik wil, op grond der uitspraak, sedert langkoninklijk,aanvankelijk,afhankelijk,jonkheer,jonkvrouw,sprinkhaan. Dezelfde reden geldt voor de spellingkoninkrijk,jonkheid,koninkje,woninkje,kettinkjeenlankmoedig. Daarenboven zou de schrijfwijzekoningrijk,koningje,jongheidenz. bij voortduring aanleiding geven tot eene uitspraak, die met ons taaleigen in strijd is. De Redactie aarzelt daarom niet hier den Regel der Welluidendheid te laten gelden en in de genoemde woorden degdoor dekte vervangen.
99. Het gebruik der tonglettersdent, wanneer zij door eenesworden gevolgd, heeft eenige overeenkomst met dat dergenchvóór eenet, waarover in§ 94is gehandeld. De gevallen staan echter niet geheel gelijk. De taal eerbiedigt bij des, nu althans, de grondvormen opdentmeer dan voorheen die opcheng, en zij handelt hier lang niet zoo regelmatig als bijchtengt. Oudtijds smolt de scherpe keelletterchgeheel weg in de volgendes, b.v. inas,das,vlas,was,mest,zes,wisselen,os,vos, uitachs,dachsenz.; de zachte keelletterg, die als de Franscheguwerd uitgesproken, werd totkverscherpt inheksvanhag,reeksvanreghe,fluksvanvlug; een heldere klinker onderging soms ook verkorting, b.v. indissel, hd.deichsel.
Die regelmatigheid treft men niet aan bij de tongletters, die vóór desstaan. Ook deze smolten soms, b.v. inthans,volgens,bijkansenz. voorthands,volgends,bijkants, in desweg; doch geenszins altijd, b.v. niet inbits,spitsenz. Vandaar niet zelden tweeërlei vormen, de eene met, de andere zonder de tongletter, nevens elkander, b.v.spietsenspiesvan mnl.spiet;klitsenklisvanklit;litsenlis, ooklutsenlusuitgesproken, van lat.licium; en in de volksspraakklussen,mussenenz. naastklutsenen mutsen in de schrijftaal. Evenmin werd de klinker altijd verkort:maetselenwerd wel is waarmetselen, maar naastketsenhieldkaatsenstand;koortsenrotsbleven, naast het vroegerekortseenrootse, de eenige gebruikelijke vormen;plaats,schaats,taats,koets,toets, zijn nooit totplats,kotsenz. verkort geworden, ofschoon er geen klinker is uitgevallen, die, gelijk bij det, de samensmelting verhinderde. Ook de spelling was evenzeer ongelijk en onzeker, en niet zelden vindt mends, waar de afleidingtszou hebben doen verwachten, b.v. inguds,ridsen,ridsig.
Uit het een en ander blijkt, dat de woorden opdsentsniet volkomen parallel loopen met die opgtencht; en dat de regel eenigszins anders zal moeten luiden dan die in§ 94. Daar de Regel der Uitspraak hier niets beslist, moet die der Gelijkvormigheid gelden, en, waar de afleiding onbekend of onzeker is, die der Analogie. Van een groot aantal woorden kan de spelling niet twijfelachtig zijn. Vooreerst is het rationeel, dat die welke uit het Fransch ontleend zijn, ten tijde datchnog alstch(tsj), encnog alstsluidde, mettsworden geschreven; te wetenkoetsin de beide beteekenissen,toets,flits,rots,toorts, fr.coucheencoche,touche,flèche,roche,torche;plaats,rantsoen,fatsoen, fr.place,rançon,façon. Daarentegen moet de fr.g, vroeger alsdg(dzj) uitgesproken, bij onsdsworden, namelijk inloods(houten gebouw), fr.loge. De afleiding eischt stellig eenetinguts(holle beitel, waarmede onder andere ook goten uitgehold worden) vangoot; inritsen,ritsig, verwant metwrijten, alsmede ingutsen, uit het ouderegussenvervormd met ingevoegdet. Ook is het thans verkieslijk aanknotsdetvanknottente geven, nuknoddeenknoddenverouderd zijn. Inridselen, ofschoon misschien vanrijden, heeft dedin allen gevalle geen nut meer, nurijdenniet langer in de beteekenis vanbevengebruikt wordt. Voor de spellingkodsenbestaat geene enkele reden; het is waarschijnlijk een klanknabootsend woord; enKiliaanschreef reedskotsen,Plantijnkotzen.Loods(persoon) engidsbehooren volgens de afleiding eenedte hebben, als zijnde gevormd vanloodenen fr.guide. Insmidse, vansmid, kan desin geen geval geacht worden dedverscherpt te hebben, dewijl zij tot de volgende lettergreep behoort. Omtrent de spelling der overige woorden, alskaats,schaats,taats,schets,scherts,koortsenz., wier afleiding òf onbekend, òf onzeker is, òf niet strekken kan om de beteekenis op te helderen, heeft nooit verschil van gevoelen bestaan; er is dan ook geene reden te bedenken, waarom zij anders zouden geschreven worden, dan tot nu toe geschied is. Trekt men alles samen, dan krijgt men den volgenden practischen regel, op dien der Gelijkvormigheid en der Analogie gegrond:
Wanneer desdoor eene tongletter wordt voorafgegaan, dan is deze de scherpet; uitgezonderd in den 2dennaamw. der woorden opd, in de bijvoegl. naamw. en bijwoorden door aanhechting vanschensvan woorden opdgevormd; en eindelijk inloods(in de beide beteekenissen),gidsensmidse.
Wij schrijven derhalvetrots,schertsen,plaats,schaats,toortsenz.; maarGods,des bloeds,goedsmoeds,steedschensteeds,kindsch,gindschengindsvangind(er),sindsvansed(ert).
100. De woorden op-aarden-erdleveren geene moeilijkheid op; zij vereischen zonder bedenking eened. Het achtervoegsel-aardis oorspronkelijk het bijvoeglijk naamwoordhard, dat oudtijdssterkbeteekende, en dezen zin nog heeft in uitdrukkingen alshard draven,loopen,werken.In samenstellingen beteekende hetsterkalsdatgene, often aanzien vandatgene, wat door het stamwoord werd uitgedrukt, b.v.Beranhard,Burchard,Everhard,Wolfhard, sterk als een beer, burg, ever, wolf;Ecgehard,Gêrhard, sterk met het zwaard, met de speer;Meginhard,Reginhard,Snelhard, sterk in kracht, in raad of list, in vlugheid;Sigihard,Wic-hard, sterk in de zege, in den strijd. Als tweede lid in de samenstelling verloor het al spoedig deh, evenals-helm,-hilde,-haftig, en soms-hande, b.v.Anselmus,Willem,Machteld,deelachtig, en mnl.menigherande, voorAnshelmus,Wilhelm,Machthilde,deelhaftig,menigerhande. Vandaar, dat men naast eigennamen op-hard, mlat.hardus, ohd.-hart, oudtijds vormen op-arten-aertaantreft, die thans op-ard,-erden-ertuitgaan. Zoo b.v.Athalhardus,Bernhardus,Burchardus,Everhardus,Folchardus,Gêrhardus,Meginhardus,Reginhardusenz., mnl.Adelaert,Bernaert,Burchaert,Everaert,Volcaert,Meinaert,Reinaert; thansAllardenAldert,Bernard,EverardenEvert,Volkert,Meindert,Reindert. Daar de vormen op-hard,-hardus, ohd.hart, in overoude stukken voorkomen, maar die op-ard,-aerten-erdalleen in latere, zoo is het duidelijk, dat de laatste uit de vroegere ontstaan zijn, en niet-harduit-erd.—In het Mhd. werden met-hartook gemeene namen gevormd, alle met ongunstige beteekenis, alslügehart, sterk in het liegen;naghart, knaaglustig;selphart, zelfzuchtig;slinchart, slokop;trügenhart, sterk in het bedriegen;vrîhart, ongebondene.
Uit de Duitsche talen ginghardin de Romaansche over, en werd daar, met de in die talen gewone verstomming derh, ital.-ardo, als inbastardo,codardo; fr.-ard, als inbâtard,couard,gaillard,grognard,pendard,richard,viliard; zieDiez,Gramm. der Rom. Sprachen, II, 358 vlgg. De ongunstige opvatting, die ook het Mhd. vertoont, treedt in de Romaansche talen, waar het achtervoegsel van vreemden oorsprong was, bepaald op den voorgrond.
Het Mnl. nam van die Fransche woorden over, b.v.bastaert,cockaert,viliaert; en vormde nu naar die modellen zelf nieuwe, alsbehaghelaert,bollaert,clappaert,dullaert,galghaert,gaepaert,grisaert(grijskop, zieHorae Belg.VI, 98),loyaert,moyaertenz., alle woorden van minachting of spot, en niet zelden met den klemtoon op-aert. Dat men deh, die reeds uit de eigennamen uitgevallen was, niet weder invoegde, is natuurlijk. Het Nnl. ging op den eenmaal ingeslagen weg voort, en maakte een aantal andere, insgelijks met ongunstige beteekenis, alsbloodaard,dronkaard,gulzigaard,lafaard,veinsaard,wreedaardenz.; zelfsrijkaard, van het onschuldigerijk, wordt in slechten zin genomen; alleengrijsaardhield op een schimpnaam te zijn.
Het achtervoegsel-erd, in het Mnl. nog onbekend, en dus jonger dan-aertof-aard, is eene verbastering van dat zelfde suffix, gelijk blijkt uitleperd,plomperd,stinkerd, die bijKiliaannogleepaerd,plompaerd,stinckaerdluiden; en uitgrijzerd, dat bij latere dichters voorkomt.Kiliaangeeft naastluyaerdookluyerdijeop, hetwelk toont, dat de verandering van-aardin-erdaan de werking van den klemtoon moet toegeschreven worden. De boven aangetoonde verbastering der eigennamen, b.v. de verandering vanEveraertinEvert, en die vanbastaardinbasterdstelt de zaak buiten allen twijfel.
Sommigen zijn van gevoelen, dat-aarden-erdzouden ontstaan zijn uit het achtervoegsel-er, waarachter men, ter versterking, eerst eenetzou gevoegd hebben, zoodat-ertontstond, hetwelk vervolgens nog eene tweede versterking, eene verlenging tot-aart, zou hebben ondergaan. Zij gaan uit van de onjuiste onderstelling, dat wij werkwoorden zouden hebben of gehad hebben, alsgrijzen,laffen,rijken,snooden, met de beteekenis vangrijs,laf,rijk,snood zijn; datgrijsaard,lafaard,rijkaardenz. personen aanduiden, die bestendiggrijzen,laffen,rijkenenz., die »niet in het werkelijk oogenblik, maar bij aanhoudendheid de hoedanighedenvangrijsenz. hebben”. Dat gevoelen, dat zich zelf wederspreekt, en waarvoor men nooit een zweem van bewijs heeft weten aan te voeren, is niet slechts uit de lucht gegrepen en geheel zonder grond, maar het onderstelt ook, gelijk de geschiedenis der taal leert, eene onmogelijkheid. Achtervoegsels, die, gelijk-er, nooit den klemtoon hebben, ondergaan in den loop der tijden geeneversterking, maar omgekeerdverzwakking. Juist het achtervoegsel-erlevert er een sprekend en leerrijk voorbeeld van. Dit luidde goth.-areis, b.v. inlaisareis(leeraar),wullareis(voller); het werd ohd.-arî, mhd.-ære, nhd.-er. In het Mnl. werd het achtervoegsel geheel toonloos en ging over in-ere,-er, en-re, wanneer het onmiddellijk volgde op de lettergreep, die den vollen klemtoon had; maar het behield den halven toon en veelal ook dea, en werd-are,-aer, of-ere,-eer, wanneer het door eene toonlooze lettergreep werd voorafgegaan, zoodat het niet onder den invloed van den klemtoon der stamlettergreep stond; b.v. ingokelare,loghenareenloghenére,voghelare,persemére(woekeraar), enz., naastdienre,leerre,speelre,backere,weverenz. Wij nemen hier dus eene steeds voortgaande verzwakking waar, van-areistot-arî,-are,-ere,-eren-re, die men ook bij andere achtervoegsels kan opmerken; b.v. bij-dom, onl.-duom; bij-lijk, goth.-leiks, dat thans alslikwordt uitgesproken; en bij-aardzelf, niet alleen in de eigennamen, maar ook in de gemeene zelfst. naamw., die naar Fransche modellen, met het accent op-ardgevormd, ook in het Mnl. niet zelden den klemtoon hadden, maar thans nooit meer dan den halven toon krijgen, of, als-erd, geheel toonloos zijn. Het grenst aan ongerijmdheid, in strijd met de lessen der geschiedenis te stellen, dat de stroom tot voorbij zijnen oorsprong zou zijn teruggevloeid, en dat de taal op eenmaal hare richting, niet wijzigende, maar geheel omkeerende, van-erniet alleen-ert, maar zelfs-aartzou hebben gevormd.
Het Nnl. heeft, wel is waar, welluidendheidshalve,dienre,leerre,sunder, indienaar,leeraar,zondaarveranderd; daarbij had evenwel geene versterking van-ertot-aar, geene vorming van een nieuw achtervoegsel plaats, maar slechts eene verruiling;-aarhad nooit opgehouden te bestaan. Evenmin zou de taal van sommige verbalia op-er, alsbijter,blaffer, woorden op-erdhebben gevormd, indien-erdniet reeds aanwezig was geweest. Meest alle woorden op-erdhebben trouwens een ongunstigen of spotachtigen zin, die aan-erniet eigen is; zelfslieverdenstouterdworden doorgaans schertsend gebezigd.
Is het zeker, dat-aarden-erduithardontstaan zijn, dan moeten zij ook volgens de afleiding dedhebben, die de uitspraak er aan toekent. Het meervoud vanbastaardtoch luidt niet alleenbastaards; maar ookbastaarden, en daarnevens staatbastaardij;Kiliaankent ook een werkw.luyaerdenen de zelfst. naamw.luyerdije, vanluyaerd, enmooyaerdijevanmooyaerd. InSpanjaard, dat op eene andere wijs gevormd is, op welke evenwel de oude afkeer van die natie invloed kan gehad hebben, is dedgewaarborgd door het meerv.Spanjaarden, naastSpanjaards. Maar zelfs indien men wilde aannemen, dat-aarden-erdniets anders zijn dan-er, door eene tongletter versterkt, ook dan nog zou de keus op dedmoeten vallen; de taal zelve leert doorzwaarder,eerder,hoorder,duurder,gezagvoerder, dat zij, waar derversterking behoeft, deden niet detwil gebezigd hebben.
101. Even weinig zwarigheid baart de keus tusschen dedoftin het zelfst. naamw.aardofaart. De afleidselsaardig,aardenenontaardenpleiten voor de zachtheid der sluitletter, terwijl de afleiding en de verwante talen de deugdelijkheid en oorspronkelijkheid dezer zachte uitspraakbuiten allen twijfel stellen.Aartenaartigzijn germanismen, en niets meer.
102. Inrit, mv.ritten,bint, mv.binten,gebint, mv.gebinten, bewijst de uitspraak eene verscherping der sluitletter, ofschoon de stamwoordenrijdenenbindenbuiten twijfel eenedhebben.Riddenstrijdt met de uitspraak,bindtenengebindtenmet alle regelmaat. De verscherping derdis buitendien reeds lang algemeen erkend inmetenmits, nevensmede; invaart, mnl.vaerde, waarvan nogkoopvaardij; inzat, mnl.sad, waarvanverzadigen; inklant, fr.chaland. Daarom ookbeeltenis,verbintenis, evengoed alsontstentenisvan het oudeontstanden(ontstaand.i.ontbreken). De gebruikelijke schrijfwijzenbeeldtenisenverbindtenisdoen ten onrechte aan eene afleiding met-tedenken.
Indienmet,mitsenriteenethebben, dan bestaat er geene afdoende reden voormedgezelenridmeestermetd, ofschoonmetin het eerste woord het bijwoordmedeis.
103. De afleiding pleit voor de spellingandwoord, doorBilderdijken anderen aangenomen, als zijnde dit woord door samenstelling gevormd van het oude voorzetseland, hier als bijwoord gebruikt. Daar het Nederlandsch zich echter tot regel heeft gesteld, onverbuigbare woorden met scherpe medeklinkers te sluiten—op welken alleen innog(adhuc) ter bevordering der duidelijkheid eene uitzondering gemaakt wordt—en de spelling metdde beteekenis van het woord niet duidelijker maakt, noch op het etymologisch verband met eenig ander Nederlandsch woord wijst, vinden wij geene reden hoegenaamd om in dezen van de meest gebruikelijke spelling af te wijken. Wij achten ons hiertoe te minder gerechtigd, dewijl wijdan, om consequent te blijven, ook detinmetzouden moeten vervangen door ded, waarvoor niet slechts de verwante talen, maar ook het bijw.mede, pleiten. Het argument, dat het bijw.andde stam van het voornw.anderen het bijw.anderszou zijn, waardoor de beteekenis vanandwoord, als hetandereof tweedewoord, kon schijnen opheldering te erlangen, is uit de lucht gegrepen en wordt door de verwante talen ten stelligste weersproken.
Om dezelfde reden verdient ook de spellingAndwerpenvoorAntwerpengeene aanbeveling.
104. Men zegt en schrijft gewoonlijkadmiraal,admiraliteitenz.; sommigen willenammiraal, op grond dat dedslechts ten gevolge van een misverstand is ingelascht. Die misvorming is evenwel niet in den boezem onzer taal geschied: deze had er geene aanleiding toe. Wij hebben het woord in de middeleeuwen onder dubbelen vorm:amiraelofammiraelenadmirael, van de Zuid-Europeesche volken aan de Middellandsche Zee overgenomen. Het is het Arabischeamir(emir) met een Latijnsch achtervoegsel. Men bracht het in verband met lat.admirari, fr.admirer; vanhier de vormen:admiralis,admirabilis,admiratus,admirant,admiraglioenz., die alle aan bewonderen doen denken. Dedis dus werkelijk geheel te onrecht ingevoegd; maar even zeker is het, dat wij haar thans algemeen laten hooren. De Regel der Uitspraak eischt dus het behoud derd, terwijl de overige regels hier niet in aanmerking komen.Admiraalis wel niet meer noch minder welluidend danammiraalofamiraal, en het woord heeft in onze taal geene verwanten, waarop de spelling kan wijzen, geene analoga, wier stem gehoord kan worden. De Regel der Welluidendheid, die der Gelijkvormigheid en der Analogie, zwijgen hier dus, terwijl de toepassing van dien der Afleiding geheel doelloos zou zijn. Het woordamiren het Latijnscheachtervoegsel-alisbehooren tot talen, slechts aan geleerden bekend, en de vrees, dat iemand ten onzentadmiraalvanadmirariofadmirerzal afleiden, is niet gegrond. Wie geen Latijn of Fransch kent, komt natuurlijk niet op de gedachte: en wie die talen verstaat, wordt door het woord zelf, dat geen verstaanbaren vorm heeft, tegen die afleiding gewaarschuwd. Luidde hetadmirabel,admirantofadmiraat, dan kon er grond voor die vrees bestaan; doch-aalis geen achtervoegsel dat aan werkwoorden gehangen wordt Indien door het uitlaten derd(amiraal) de oorspronkelijke vorm hersteld ware, dan zou de zin voor ordelijkheid misschien die uitlating wenschelijk maken, dochamiraalis evenmin Arabisch alsadmiraal. Wij zien daarom geene reden om het thans heerschende schrijfgebruik te verlaten en geheel noodeloos den hoogsten grondregel der spelling te verzaken.
105. Het Nederlandsch bezit voor de twee verschillende sisklanken ook twee afzonderlijke letterteekens: desvoor den scherpen, dezvoor den zachten klank. De vroegere verwarring, toenszoowel zacht als scherp werd gebezigd, waarschijnlijk een uitvloeisel van het Latijnsche spraakgebruik, heeft sinds lang opgehouden, zoodatsthans uitsluitend scherp is. Daarmede is hare verdubbeling achter een langen klinker of tweeklank, b.v. inaassem,braassem,deessem,geessel,kruissen,kruissigen,IJssel,zeissen,Pruissenenz., eene onloochenbare onregelmatigheid geworden, die gelijkstaat met de spellinglaaffenis,raaffelen,weiffelen,oeffenen,schuiffelen,twijffelen, voorlafenis,rafelenenz. Zij is dan ook later doorSiegenbeekzelven afgekeurd. Het behoeft dus wel geene verdere rechtvaardiging, dat de Redactie voornemens isbrasem,geesel,IJsel,Pruisenenz. te blijven schrijven.
106. Daar de verdubbeling van eenen medeklinker in niet samengestelde woorden alleen moet dienen om te voorkomen, dat de voorgaande vocaal lang wordt uitgesproken, zoo is de verdubbeling vanzelve evenzeer onnoodig na toonlooze klinkers als na heldere en na tweeklanken. Toonlooze klinkers toch worden alleen aangetroffen in lettergrepen zonder accent, en daarbij bestaat geen gevaar, dat men den klinker lang zal uitrekken. De Redactie rekent daarom éének,tenmvoldoende inbotteriken,monniken,perziken,kieviten,diemiten,Gorkumer,Dokkumer,Bergumer. De schrijfwijzebotterikken,Gorkummer, staat gelijk met die vanengellen,verbeterren,uitrekennen,zondiggen, terwijl het niet verdubbelen der consonant voor den lezer juist een teeken is, dat hij de lettergreep als toonloos moet beschouwen.
Het gezegde is natuurlijk niet toepasselijk opArnhemmer,Haarlemmerenz., waarin de tweede lettergreep, hoewel zwak van toon, niet toonloos wordt uitgesproken, en deè, hoe kort ook, toch den scherpene-klank behoudt5.
107. Onze woordenboeken willendiefegge, als ware dit woord eene samenstelling vandiefmet een zekeregge. Men heeft hier intusschen met eene afleiding te doen.-eggetoch is een achtervoegsel, hetwelk voorheen doorgaans-igge-, soms ook wel-egeluidde, en meermalen ter vervrouwelijkingvan mansnamen gebezigd werd, b.v. inmakerigge,vercopege. Eene afleiding met een achtervoegsel, dat met een klinker begint, eischt de verandering van definv, wanneer de lange klank voorafgaat; vergelijkgev-er,liev-erd. Derhalve ookdievegge, evengoed alsdieverij. Dat sommigen in dit woord deflaten hooren, kan geene reden zijn om eene verkeerde spelling te behouden, die uit onkunde ontstaan is. Het herstel dervkan misschien strekken om aan die onjuiste uitspraak een einde te maken. Vergelijk§ 58en 66.
108. Inzamen,zamenkomst,zamenspraakenz. gebieden de afleiding en de uitspraak de vervanging derzdoor des. Dezheeft daar de waarde vantz, en wordt dus te recht scherp uitgesproken. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat het grondwoordzamenluidt, terwijl ook ingezamenlijk,inzamelenenz. dezduidelijk gehoord wordt, en dat men inzestigenzeventigdezvanzesenzevensteeds heeft behouden, dan kan het bedenkelijk schijnen, door het schrijven vansamen,samenkomstenz. en daarnevens vangezamenlijk,verzamelenenz., de onderlinge verwantschap dezer woorden voor het oog weg te nemen. Deze bedenkingen deden ons eerst besluiten de gebruikelijke spelling te behouden. Nu zich echter opnieuw stemmen ten voordeele dershebben doen hooren, aarzelen wij niet langer die schrijfwijze aan te nemen, die, op voorgang vanBilderdijk, door onze beste schrijvers gevolgd wordt, met de meest algemeene uitspraak overeenstemt, en op een goeden etymologischen grond steunt. In de uitdrukkingte zamentoch werd de toonloozeevanteweggelaten, waardoor eersttzamenontstond. Dit had de verscherping van deztotsten gevolge:tsamen; eindelijk werd detovertollig gerekend, en dit gafsamen.
Samenheeft dus de waarde vante zamenen verschilt derhalve werkelijk in afleiding en beteekenis van het grondwoordzamen. De spelling metsis uit dien hoofde de ware, overal waarsamende bijwoordelijke uitdrukkingte zamenvervangen moet, te weten aan het begin van samengestelde werkwoorden en woorden, van zulke werkwoorden gevormd, als insamenkomen,samenspreken,samenhangen,samenkomst,samenspraak,samenhang; daarentegen natuurlijk niet, waar geen bijwoord, maar het grondwoordzamenvereischt wordt, als ingezamenlijk,bijeenzamelen,verzamelen,verzamelingenz., en dus ook inopzamelen, nietopsamelen, hoewel dezdaar ten gevolge van de werking derpvanzelve alssklinkt.
Evenmin zou de spellingte samenvoorte zamengoed te keuren zijn, ofschoon de gewone uitspraak ook daar deslaat hooren. Deze toch is hier slechts het gevolg eener verkeerde toepassing der analogie. Eene werking der voorafgaandetkan hier niet erkend worden. Zij bestaat niet, zoolang de toonloozeevanteblijft; want men zegtte zoek,te zuinig,te zuur,te duur,te geef; niette soek,te suinig,te suur,te tuur,te cheef.Te samenis derhalve niet anders te verklaren en op te vatten, dan alste tzamen, met het dubbele voorzetsel, een vorm die natuurlijk niet erkend mag worden. Vergel.§ 66. De Redactie stelt zich daarom den volgenden regel: