Over de bijzondere spelregels, waaromtrent verschil van gevoelen bestaat.Daar de Redactie, om redenen in het Voorbericht en in§ 27en 28 opgegeven, voor de door haar te volgen schrijfwijze de in Noord-Nederland gebruikelijke spelling als uitgangspunt heeft aangenomen, en deze genoegzaam bekend mag geacht worden, heeft zij het overtollig gerekend het geheele spellingstelsel te ontvouwen. Deze Tweede Afdeeling bevat dus slechts eene opgave der verbeteringen, die haar wenschelijk zijn voorgekomen, benevens eene vermelding van de keuze, die zij gemeend heeft te moeten doen uit de onderscheidene spellingen, ten opzichte waarvan onder onze letterkundigen verschil van gevoelen bestaat.De klinkers.73. De verlenging deraenuin geslotene lettergrepen geschiedtbuiten twijfel op de meest gepaste wijze door verdubbeling. De spellingaaenuubeantwoordt zoowel aan de uitspraak, als zij door de analogie gewettigd en door de etymologie niet gelogenstraft wordt. Zij verdient dus zeer zeker de voorkeur bovenaeenue.Aastelt denzelfden zuiveren klank voor, die doorawordt aangeduid. Bijaeis men geneigd te denken aan de naaretrekkende uitspraak der landlieden in sommige streken van Zuid-Holland en Zeeland; de Vlaamscheazou dooraomoeten afgebeeld worden. VergelijkTaalgids, IV, blz. 54–64.74. De spellingblaauw,flaauwenz. stelt eene uitspraak voor, die niet de gewone is, in het oor der groote meerderheid onaangenaam klinkt, en stellig niet tot de beschaafde gerekend wordt. Het komt ons derhalve niet raadzaam voor, eene spelling te bestendigen, die te recht door velen wordt afgekeurd, en voor wier behoud geene andere reden is aan te voeren dan een gebruik, dat op geene taalkundige gronden steunt en daarom, als strijdig met de beschaafde uitspraak, geen recht van bestaan heeft; vergelijk§ 66. Wij schrijven derhalveblauw,flauw,gauw,grauw,klauw,lauw,nauw,pauw,rauw,knauwen,krauwenenz. metau. Zoodoende heft men het geheel willekeurige verschil met de gebruikelijke schrijfwijzedauwenkauwop, die meer in overeenstemming is met de gewone uitspraak, welke veeleeroudanaaudoet hooren.75. Onder de regels, omtrent wier toepassing de gevoelens der taalkundigen uiteenloopen, staan die aangaande de verdubbeling dere’seno’sin opene lettergrepen bovenaan.SiegenbeekenWeilandvolgden daarbij de uitspraak, welke heerschte, of geacht werd te heerschen, in die streken, waar de genoemde letters op tweeërlei wijze, met den zoogenoemden zachten of met den scherpen klank, worden uitgesproken. Hunne handelwijze was natuurlijk. Immers de verdubbeling der letterteekens moest dienen om de meer gerekte, naar een tweeklank zweemende uitspraak der scherpeeenovan den eenigszins korteren, meer gelijkmatigen klank der zachte voor het oog te onderscheiden. Juist dat verschil in de uitspraak had het eerst het verschil in de natuur dier letters doen opmerken, terwijl de studie der Germaansche talen te hunnen tijde nog niet ver genoeg gevorderd was om den diepliggenden oorsprong van dat verschil te leeren kennen. Zij konden nog niet tot de oorzaken opklimmen en moesten dus hun onderzoek tot de gevolgen beperken. De uitspraak echter is in dit geval geen onfeilbaar en toereikend richtsnoer. Dit blijkt onder andere uit de wijze, waaropSiegenbeekgenoodzaakt was te werk te gaan bij de woorden, waaromtrent hij bij de schrijvers verschil van gevoelen gevonden had, en die hij daarom achter zijneVerhandeling over de Spellingaan een bijzonder onderzoek onderwierp. Bij al die woorden was hij verplicht de schrijvers, die het onderscheid in de uitspraak door hunne spelling uitdrukten, te raadplegen, hunne getuigenissen te wikken en te wegen, en als het ware de stemmen vóór en tegen te tellen. Waar men in eene wetenschap tot eene stemopneming zijne toevlucht moet nemen, is de evidentie der waarheid niet groot; maar vooral hier bleek duidelijk de zwakheid van den grondslag, waarop gebouwd werd. Als men dat groote vijftigtal artikels naleest, ziet men, dat niet alleen schrijvers, op verschillende plaatsen woonachtig, in hun oordeel over de uitspraak van dezelfde woorden onderling verschilden, maar ook dat velen zich zelven niet gelijk bleven. Men moge dit laatste verschijnsel aan slordige correctie willen toeschrijven, het bewijst in allen gevalle, dat de ware uitspraak niet zóó kennelijk vande valsche onderscheiden was, dat de corrector zich niet vergissen kon. Doch volstrekt onloochenbaar is het verschil tusschen de uitspraak van dezelfde woorden in verschillende gewesten en steden. Volgens het beweren vanSiegenbeekzelven wordenheeten,keten,menigte,smeeken,spenen,betoogen,genoot,klooven,loochenen,nopen,personenenschromenin Rotterdam anders dan in Zeeland uitgesproken; terwijl men in deze provincie zoowelpoogenalspogenen te Rotterdam zooweltonenalstoonenzou hooren1. Dat er ten opzichte van andere woorden reeds in de laatste helft der zestiende eeuw eene dergelijke onzekerheid bestond, kan men opmaken uit het woordenboek vanKiliaan, die aan de uitspraak bijzondere aandacht schonk en zich gehouden achtte een aantal woorden, alsderen,kelen,nering,peren,scheren,smeren,teeder,telen,teren,weren,zweren,zweven,bogen,boren,dolen,smokenenz. onder de beide vormen op te teekenen.Uit het aangevoerde blijkt overtuigend, dat het verschil in de werkelijke uitspraak der woorden, hetwelk vroeger het geheele land door moet geheerscht hebben, maar zich thans tot zekere streken en steden bepaalt, voor de spelling slechts een onzekeren grondslag kan uitmaken. Daarbij is het te voorzien, dat het eenmaal geheel zal ophouden. Men heeft om die redenen naar een ander beginsel om te zien, dat in substantie dezelfde uitkomsten oplevert, maar niet aan verandering onderhevig is, niet dreigt geheel te verdwijnen, en dat in de gevallen, waar verschil van uitspraak bestaat, op deugdelijke gronden kan beslissen. Zoodanig beginsel vinden wij gelukkig in den verschillenden oorsprong dere’s eno’s. Door de onderzoekingen der nieuwere taalkundigen namelijk is gebleken, dat de talen van den Indo-Germaanschenvolksstam oorspronkelijk slechts drie vocalen,a,ienu(lees:oe) bezaten, en dat al de overige klinkers, ook deeeno, uit die grondvocalen en de daaruit samengestelde tweeklanken ontstaan zijn; zie onder anderenBopp,Vergl. Gramm. des Sanskrit, Send etc.§§ 1–104. Deze stelling is de spil, waarom het gansche vocaalstelsel, ook dat der Germaansche talen, draait; met haar kunnen alle verschijnselen op het gebied der klankleer in genoemde talen natuurlijk en ongedwongen verklaard worden; zonder haar blijft alles duisternis en verwarring2. Doch al wil men haar ook al niet voor alle Indo-Germaanschetalen als geldig erkennen, ten opzichte van het Nederlandsch is zij niet te loochenen. Immers het kan, op weinig uitzonderingen na, aangetoond worden, uit welke van die grondklanken onzee’s eno’s ontstaan zijn, terwijl de weinige gevallen, waarin men dat niet kan, worden aangetroffen bij het betrekkelijk geringe getal woorden, wier ouderen vorm men tot nog toe niet heeft kunnen ontdekken.De verschillende oorsprong dere’s eno’s is de oorzaak van het onderscheid tusschen de zachte en de scherpe uitspraak. Eene vergelijking der Nederlandsche woorden, waarine’s eno’s voorkomen, met dezelfde of verwante woorden, hetzij in onze eigene taal, hetzij in andere oudere of nieuwere Germaansche talen, leert, dat deeenobeide drieërlei oorsprong hebben: dat deeeene wijziging vani,aofai, en deovanu(oe),aofauis. Verder blijkt, dat de lange heldere of openee’s eno’s uit de enkelvoudige, oorspronkelijke klinkersa,ienu(oe) ontstaan, juist diegene zijn, waaraan algemeen, behalve natuurlijk in degevallen waar verschil bestaat, de zoogenaamdezachtlangeklank wordt toegekend; terwijl de ineengesmolten tweeklankenaienauaan erkendescherplangee’s eno’s beantwoorden.Door deze waarneming worden bijna alle verschijnsels, die men in de geschiedenis onzere’s eno’s en in hare verwisseling met andere klanken opmerkt, volkomen opgehelderd. Zij verklaart vooreerst, hoe het komt, dat men die letters in verscheidene gewesten op tweeërlei wijze uitspreekt, en waarom de scherpe daar langer zijn dan de zachte en nog een zweem van een tweeklank hebben.—Vervolgens, waarom de zachtlangeémetaenien met de korteè, en de zachtlangeómet de korteòafwisselt, b.v. instad—steden,vagen—vegen,gift—geven,nicht—neef,spel—spelen,gebed—gebeden;ik kom—zij komen,lot—loten; en waarom de scherplangee’s eno’s met de tweeklankenei(ai) enou(au) verwisseld worden, b.v. ingereedenbereiden,breedenverbreiden,boomenbouwen,troostenvertrouwen.—Die waarneming eindelijk verklaart in vele gevallen, hoe het komt, dat een zelfde woord op tweeërlei wijze wordt uitgesproken, daar zij aantoont, dat men dan meestal twee verschillende woorden verward en voor hetzelfde gehouden heeft; b.v.beer(ursus) enbeer(verres);deel(pars) endeel(asser);klooven(doen splijten) enkloven(imperf. vankluivenen meerv. vankloof);toonen(lichaamsdeelen) entonen(klanken).76. De Redactie, het een en ander in aanmerking nemende, heeft besloten den oorsprong dere’s eno’s als grondbeginsel der vocaalspelling aan te nemen. Zij meent hare redenen aldus kortelijk te kunnen samenvatten:De ware uitspraak dere’s eno’s is niet op te maken uit de vroegere schrijfwijze, noch uit de uitspraak der hedendaagsche dialecten, omdat het blijkt, dat het in beide aan volkomene overeenstemming ontbreekt. Bovendien neemt het onderscheid tusschen den zachten en den scherpen klank dagelijks af, wordt daardoor steeds onzekerder en zal waarschijnlijkeenmaal geheel verdwijnen, gelijk het in sommige streken, en daardoor, streng genomen, in de zoogenoemde beschaafde uitspraak, reeds heeft opgehouden te bestaan. Daarentegen is de verschillende oorsprong der klinkers een onveranderlijk en onloochenbaar feit, hetwelk als oorzaak van het onderscheid in de uitspraak, grootendeels tot dezelfde uitkomsten leidt, en geheel tot dezelfde leiden zou, indien er nooit verwarring en verwisseling van klanken had plaats gehad.Daar het niet te loochenen is, dat de onderscheidene dialecten ten opzichte van een aantal woorden uiteenloopen, zou men genoodzaakt zijn uit de verschillende tongvallen eene keus te doen. Wie of wat zal die keus bepalen? Aan welk gewest zal de eer te beurt vallen aan al de Nederlanden de wet voor te schrijven? Zal het Oost- of West-Vlaanderen, Brabant of Antwerpen, Zeeland of Maasland, Zutfen of Overijsel wezen? Daarentegen is de oorsprong dere’s eno’s een feit, dat voor alle gewesten en tongvallen hetzelfde is. Geen dialect, of het geeft onloochenbare blijken van onderlinge verwisseling van zacht en scherp; ook het Groningsche, waarin anders het verschil wel het duidelijkst uitkomt en men uit dien hoofde het minst verwarring zou verwachten. Zoo is het b.v. volkomen zeker, dat de klinkers in (ik)weeten (wij)wetenoorspronkelijk verschilden, dat deevan het enkelvoud vroegerai, die van het meervoudiwas; en toch worden beide thans overal op dezelfde wijze uitgesproken, in het Groningsch scherp, alseiofij, inik weit,wij weiten; elders zacht, inik weetniet anders dan inwij weten. Welke stad of landstreek zou aan de overige bewoners van Nederland hare verkeerdheden willen opdringen of omgekeerd die van andere willen overnemen! Neemt men echter den oorsprong dere’s eno’s als grondslag aan, dan behoeft er geene keus gedaan te worden, waardoor iemand zich verongelijkt kan rekenen; men is dan billijk jegens allen, ook jegens de velen, die geen onderscheid in de uitspraak meer maken, en die deonderscheiding der zachte en scherpee’s eno’s als een last beschouwen.Al mocht men eenparig besluiten de uitspraak van eene bijzondere landstreek of plaats als wetgeefster te erkennen, die maatregel zou ontoereikend bevonden worden. Vooreerst kunnen de bewoners van andere plaatsen die uitspraak niet leeren kennen, zonder zich daar een geruimen tijd metterwoon te vestigen, terwijl ieder, die wil, zich in zijn studeervertrek van den oorsprong dere’s eno’s kan vergewissen. Doch er is iets dat meer afdoet. In de schrijftaal komen een aantal woorden voor, die niet algemeen zijn, die op de eene of andere plaats niet gebezigd worden. Hoe zal men handelen met de woorden, die in het bevoorrechte dialect niet gebruikt worden? en hoe met dezulke, die in het geheel niet meer tot de volkstaal behooren en waarvan dus de ware uitspraak volstrekt onbekend is? Ten aanzien van zoodanige woorden zou het aangenomen beginsel ontoereikend zijn; en naar welk kenmerk dan te werk te gaan? Daarentegen geeft de oorsprong dere’s eno’s een kenmiddel aan de hand, dat uit zijnen aard op alle woorden toepasselijk is, dat voor de dialecten, op weinige uitzonderingen na, dezelfde uitkomsten geeft, en dat ten minste voor alle taalbeoefenaars, ook in de streken waar geen onderscheid meer gehoord wordt, toegankelijk is.Het schrijven naar de uitspraak zou altijd gegrond blijven op feilbare waarnemingen van bijzondere individuen, wien het aan fijnheid van gehoor kan ontbreken. Het spellen naar den oorsprong dere’s eno’s is gegrond op het onderscheid tusschena,i,u(oe),aienau, klanken, die onderling zoozeer verschillen, dat daarbij geene vergissing en verwisseling kon plaats grijpen; het stelt bovendien de spelling meer onmiddellijk in verband met de afleiding, en kan zoodoende in vele gevallen het recht verstand der woorden bevorderen. Om den oorsprong dere’s eno’s te leeren kennen, moet men wel is waar dikwijls de verwante talen raadplegen; doch het zou eene geheel verkeerde beschouwingwezen, indien men het spellen naar de uitkomsten, die zij opleveren, wilde aanmerken als eene navolging van het vreemde. Dat raadplegen geschiedt alleen om te weten, hoe onze eigene taal in overoude tijden gesproken is; de onze kan op hare beurt aan andere talen dezelfde diensten bewijzen. Als wij b.v. aanbeenenenboomenscherpe klinkers toeschrijven, is zulks niet, omdat het Hoogduitschbeinenbaumzegt, maar omdat wij o.a. door het Hoogduitsch weten, dat onze eigene voorouders eenmaalbainenbaumhebben uitgesproken; de spellingbeenenenboomenberust derhalve inderdaad op verschijnselen in onze eigene taal. Vergelijk hierTaalgids, VI, blz. 153 v.77. De Redactie erkent, dat de dubbele vocaalspelling niet zonder last is voor het practische gebruik; zij behoudt ze evenwel, omdat zij meent het bestaande niet te mogen afbreken en geene groote veranderingen, maar alleen verbeteringen in de toepassing van erkende regels te moeten voorstellen. Daarom heeft zij er niet aan gedacht om ze ook op deaenutoe te passen, en b.v. naastva-der,za-del,u-renenz.jaa-ren,daa-den,wij vuu-renenz. te schrijven, ofschoon daarvoor gelijke redenen bestaan als voor de spellingbree-de,boo-menenz. Aan die bedoeling is het mede toe te schrijven, dat zij het spellen overeenkomstig den oorsprong dere’s eno’s tot de stamlettergrepen wil beperken, maar ten opzichte van de achtervoegsels naar den klemtoon wenscht te werk te gaan. Volgens dit beginsel acht zij,dat de achtervoegsels, die òf steeds òf somtijds den vollen klemtoon hebben, met eene dubbele vocaal behooren geschreven te worden, terwijl een enkel letterteeken toereikend is in die, welke nimmer den vollen klemtoon bekomen. In het eerste geval verkeert het achtervoegsel-loos, hetwelk ingoddelóós,zedelóósheid,zondelóósheidenz. den vollen klemtoon bekomt; vervolgens de bastaarduitgangen-eeren;-eelen-ees, die steeds den klemtoon hebben:regeeren,kasteelen,Japanneezen. Tot het tweede geval behoort-heid, mrv.-heden, dat nooit den vollenklemtoon heeft. Op die wijze eerbiedigt men het bestaande gebruik, waarin de schrijfwijze-eelenreeds is aangenomen, en die van-eezenmeer en meer begint door te dringen. Men wijkt alleen af in de spelling-eeren; doch voor de dubbele vocaal in dit achtervoegsel hebben zich sedert lang vele stemmen doen hooren, gelijk zij dan ook reeds doorBilderdijken zijne volgelingen erkend is. Inderdaad, wanneer men bedenkt, dat dit suffix altijd met een zwaren toon wordt uitgesproken; dat die uitspraak reeds van de oudste tijden dagteekent, blijkens het Middelnederlandsch, waarin men (gelijk nog heden in het Hoogduitsch) gewoonlijk-ierenschreef; en dat deiedestijds nog een tweeklank was: dan schijnt alles er voor te pleiten om in dezen het voorbeeld vanBilderdijkte volgen.Een achtervoegsel-eet, welks bestaan door enkelen beweerd wordt, is bij de Redactie onbekend. In al de woorden, op-eeteindigende, die zij zich kan te binnen brengen, behoort deetot den stam des woords, en kan alleen detals achtervoegsel worden beschouwd. Deze is inparacleet,poëet,profeet, en ook inkomeetenplaneet, een overblijfsel van het Grieksche suffix-της, lat.-ta, waarmede meestal mansnamen gevormd worden; incompleet,concreet,discreet,secreet, van het Latijnsche suffix-tus,-ta,-tum, dat verl. deelw. vormt. Daar er geene suffixen-ητης,-etusenz. bestaan, is bij de woorden op-eetniet de regel voor de achtervoegsels, maar die voor de stammen van toepassing. De Redactie schrijft daarom met éénee:poëten,profeten,concrete,completeenz.; en om gelijke redenen met ééneo;astronomen,oeconomen,horoscopen,telescopen,philanthropen,misanthropen,heliotropen,theologen,philologen, enz. waarinnoom,scoop,anthroop,troopenloogverbasteringen van geheele woorden, niet van achtervoegsels zijn.78. Slechts schijnbaar bestaat hier eene inconsequentie; in den grond wordt bij de stamlettergrepen hetzelfde beginsel gehuldigd als bij de achtervoegsels, alleen met beperking in de toepassing. Dat beginsel is de zooveel mogelijk juiste afbeelding der uitspraak. Immers de verdubbeling der letters moest aanvankelijk dienen om de scherpee’s eno’s, uit tweeklanken ontstaan, te kenmerken als langer dan de zachte, die als wijzigingen van de enkelvoudige klinkersa,ienu(oe) korter waren. De verdubbeling bedoelde kennelijk het voorstellen van een langen, gerekten klank, en het is alleen ten gevolge van het onderling meer gelijk worden der zachte en scherpee’s eno’s, dat het doel thans niet meer zoo in het oog loopt.Aan de werking van den klemtoon is het toe te schrijven, dat het onderscheid tusschen zacht en scherp in sommige streken en in de beschaafde uitspraak geheel uitgewischt is. De klemtoon, wanneer hij rust op opene lettergrepen, brengt vanzelf mede, dat de daarin voorkomende vocalen alle even lang worden uitgesproken, onverschillig, of zij uit klinkers dan wel uit tweeklanken ontstaan zijn. Daarom wil het gebruik in opene eenlettergrepige woorden de verdubbeling van den klinker, al is die niet scherp, b.v. inthee,vloo,zoo. Daarentegen is de quantiteit in lettergrepen, die slechts den halven toon hebben, of geheel toonloos zijn, merkelijk geringer, ook wanneer zij tweeklanken zijn, b.v. inwaarheid,waarlijk,arbeid,armoede; voor de zoodanige wordt de dubbele vocaal algemeen te zwaar geacht. Daarom wil het gebruik sinds lang eene enkeleein-heden, meerv. van-heid, ofschoon dieeuiteiontstaan en dus scherp is; daarom wil het de enkeleiin-isch, niettegenstaande in dit achtervoegsel de klank gehoord wordt, die in gesloten lettergrepen steeds dooriewordt voorgesteld; daarom verliezen de achtervoegsels-eel,-ief,-ieten-iekeeneeinkast-el-ein,subject-iv-iteit,Jezu-it-isme,f-abr-ik-ant.De Redactie beoogt derhalve met het stellen van den boven ontwikkelden regel voor de spelling der achtervoegsels hetzelfde doel, dat men oorspronkelijk met de verdubbeling dereenozocht te bereiken, namelijk eene zooveel mogelijk juiste afbeelding van de heerschende uitspraak. Door het stellen van dien regel zet zij alleen eene schrede verderop den weg, die reeds door het Gebruik gevolgd wordt, en handelt zij overeenkomstig den Regel der Welluidendheid.79. Acht de Redactie den door haar aangenomen regel voor de achtervoegsels voornamelijk daarom verkieselijk,omdat hij gemakkelijk is, en door iedereen, ook zonder kennis van vreemde talen, kan worden toegepast, zij werd, wilde zij hier niet beginselloos te werk gaan, tot het stellen van dien regel als het ware gedwongen. Immers de grondbeginselen, die voor de stammen gelden, zouden op de achtervoegsels niet toegepast kunnen worden.Vooreerst toch zou het meervoud van-heid, goth.haidus, mv.haidjus, hd.heit, mv.-heiten, volgens die beginselen tweee’s moeten hebben. Doch wie zou te bewegen zijn om het thans eenparige gebruik, dat reeds bij de Staten-overzetters gold, te verlaten, en voortaanaangenaamheeden,boosheeden,kinderachtigheedenen zoo vele andere-heedenmet tweee’s te gaan schrijven? Die spelling wordt trouwens door niemand verlangd, en zou strijden met het beginsel door de Redactie aangenomen, namelijk geene veelomvattende veranderingen te beproeven, wanneer er geene dringende redenen voor bestaan en de gebruikelijke spelling te rechtvaardigen is.De uitgangen-eerenen-eelzijn bastaardachtervoegsels; en dee’s, die daarin voorkomen, zijn niet alle van denzelfden oorsprong. Sommige zijn ontstaan uit korte klinkers, andere zijn samentrekkingen van twee lettergrepen. In het eerste geval zouden zij ééne, in het laatste tweee’s vorderen; doch het laat zich niet altijd bepalen, met welk eeneemen te doen heeft. Wij hebben-eeren, mnl.-ieren, uit het Fransch bekomen; maar in het gebruik daarvan hebben wij onzen eigen weg bewandeld, ons om die taal verder niet bekommerende. Deevanregeerenschijnt die te zijn van fr.régner; maar mnl.regnieren, waaruitregeerenontstaan is, verbiedt ons aan eene onmiddellijke overneming van dieete denken; en die inconcipieerenis toch wel niet deoivan fr.concevoir, noch die vanfarceerendeivanfarcir. Het Fransch, waarin de e’s trouwens ook niet oorspronkelijk zijn, kan dus niet tot leiddraad strekken; men zou dan in allen gevalle tot het Latijn moeten gaan. Doch dit heeft vier uitgangen:-âre,-êre,-îreen-ĕre;daarin zijnâ,ê, enîsamentrekkingen van de lettergreepaja(skr.aya); maar-ĕreheeft eeneeuit de korteiontstaan. Dienovereenkomstig zou mencommuniceeren,doceeren,recenseeren,farceerenenz. metee, maardefenderen,fingeren,absolverenenz. metemoeten spellen. Zou het verstandig wezen het publiek dezen nieuwen last op de schouders te willen binden en het te verplichten de Latijnsche conjugatie te gaan leeren? En hoe dan nog te handelen met woorden, waaraan geen Latijnsch werkwoord beantwoordt, b. v, mettrotseeren,waardeeren,stoffeeren?Bij-eelzouden de moeilijkheden niet geringer wezen. Aan deein dit achtervoegsel beantwoordt wel is waar doorgaans eene korte Latijnscheeofi: doch inconditioneel,crimineel,inaugureel,origineeleene langea. Deze is incriminaliseninauguralisweder de samentrekking van-aja-; maar wat is zij inconditionalisenoriginalis, waarnaast geene werkwoorden bestaan? En welkeehebben wij inhouweel,tooneel,fluweel? Hier zou in elk geval wederom eene willekeurige beslissing, een doorhakken van den knoop, moeten plaats hebben. Doch er is eene andere oplossing mogelijk. Men vrage niet: wat willen enkele grammatici? maar: wat wil het volk? wat wil de taal, en wat heeft zij altijd gewild? Dan is het antwoord niet twijfelachtig. De taal handelt bij de vreemde achtervoegsels geheel anders dan bij de vreemde stammen, waarin zij zachtee’s eno’s laat hooren. Zij heeft de bastaarduitgangen, die den klemtoon hebben, steeds als lang beschouwd en er tweeklanken van gemaakt. Tot getuigen kunnen strekkenabdij,soldij,tyrannij,azijn,dolfijn,venijn,paradijs,patrijs,saucijs,profijt,practijk,gelei,karwei,livrei,qualiteit,quantiteit,sociëteit,fatsoen,katoen,kapoenenkapuin,aluin,abuis,fornuis,advies,commies, enz., waarbij men in het oog moet houden, datoeenievoorheen tweeklanken waren. Dat de taal vroeger met -eeren en-eelevenzoo heeft gehandeld, blijkt uit den Middelnederlandschen vorm-ieren.Ook-eelwerd wel als-ieluitgesproken, blijkens de gemeenzame taal in oude kluchtspelen; engatenplattiel,karviel, nevenskarveel, zijn nog in gebruik. Dat die tweeklanken alleen aan de werking van den klemtoon zijn toe te schrijven, blijkt uitprofiteerennaastprofijt,kopieerennaast kopij,praktizeerennaastpraktijk,abuseerennaastabúísenz.; zij veranderen niet in tweeklanken, waar zij den klemtoon niet hebben. De Redactie was hier dus vanzelf naar den klemtoon verwezen, niet naar den oorsprong dere’s, waarop men ook bij vreemde stammen niet let. Immers men schrijftcement, lat.caementum,planeten, lat.planêtae, evengoed met eene enkelee, alsceder, lat.cĕdrus.Het achtervoegsel-ees, fr.-aisen-ois, is lat.-ensis, na afwerping van-isen uitstooting van den. Het Nederlandsch pleegt na de uitstooting eenernde voorgaande vocaal te verlengen, er zelfs een tweeklank van te maken; blijkenskiekhoest, bijKiliaan, naastkinkhoest;muid, inIJselmuiden, naastmond, inIJselmonde;kluitnaastklont; ook schreef men voorheen, evenals in het Hoogduitsch,Portugies. De verlenging deregeschiedt dus ook hier volgens den aard der taal en tevens in overeenstemming met den regel.Het achtervoegsel-loos, goth. en onrd.-laus, ags.-leás, moet, ook volgens de afleiding, het beginsel dat bij de stammen geldt, evengoed als volgens den door ons gestelden regel voor de achtervoegsels, eene scherpeo(oo) hebben. Een achtervoegsel-loos,-loze, met de zachteo, datloszou beteekenen, heeft nooit bestaan. De taal heeft de adjectievenloos,loozeenlos,lossezoowel in uitspraak als in beteekenis steeds uiteengehouden. De Redactie mag niet medewerken om de verwarring, in den laatsten tijd daarin gebracht, te bestendigen.Neemt men derhalve alles op zijn strengst, dan heeft er tusschen de regels voor de stammen en die voor de achtervoegsels alleen strijd plaats bij de spelling van-heden, wat niemand met tweee’s wil, en ook niet behoeft tewillen, dewijl de spelling met eene enkeleein de klaarblijkelijkste overeenstemming is met de wetten, die de taal voor de achtervoegsels heeft aangenomen.80. Het aantal woorden, in wier spelling ten gevolge van het aangenomen beginsel eene verandering moet plaats grijpen, is betrekkelijk gering, en de meeste komen slechts zelden voor. Het zijn:beer(verscheurend dier), mv.beren, onderscheiden vanbeer(varken, waterkeering, muurstut en heiblok), mv.beeren;deel(plank en dorschvloer), mv.delen, onderscheiden vandeel(gedeelte), mv.deelen;deemoedig;deesem;dwepen;eega;heep(soort van handbijl), mv.hepen;keel(in de bouwkunde en wapenkunde),kelen, hetzelfde alskeel(lichaamsdeel);keren(vegen);kwee(vrucht);meren(een schip vastleggen);sleepen(voorttrekken), causatief vanslepen(gesleept of voortgetrokken worden);droog,droge,droger,drogen;hoonen;klooven(doen splijten), causatief vanklieven(in den verouderden zin vansplijten), onderscheiden vankloven, mv. vankloofen verl. tijd vankluiven;koozen,liefkoozen;kroon, mv.kronen;sloof(voorschoot), mv.slooven, onderscheiden vansloof(sukkelaarster), mv.sloven;toon(muziektoon), mv.tonen, onderscheiden vantoonen(wijzen) entoon(teen), mv.toonen;troon, mv.tronen;vroolijk;zoogen(laten zuigen), causatief vanzuigen, onderscheiden vanwij zogen, verl. tijd vanzuigen.Ofschoon het zeer waarschijnlijk is, dat deeinheer(dominus) enkeeren(vertere) oorspronkelijk zacht was, is toch de afleiding en oudste vorm dezer beide woorden niet met genoegzame zekerheid bekend, om over de natuur der vocaal stellig te beslissen, veelmin om eene verandering voor te stellen in de spelling van zoo gebruikelijke woorden, wier schrijfwijze door de gewoonte als eene tweede natuur is geworden.Neemt men in de weinige woorden, die verandering eischen, de vocaalspelling overeenkomstig de afleiding aan, dan is daarmede het geheele spellingstelsel der enkele of dubbeleeenomet de etymologie in overeenstemming gebracht. De onderscheiding moge in de practijk en bij het lager onderwijs hare moeilijkheid blijven behouden, dat bezwaar is nu eenmaal niet op te heffen, want niemand zeker zal bij eenig nadenken ernstig verlangen altijd de dubbele of altijd de enkeleeenote gebruiken. Vergelijk ook§ 26. Maar terwijl de practische moeilijkheid dezelfde blijft, wint men het onschatbare voorrecht, waarop geene andere Germaansche taal zich beroemen kan, dat de spelling dezer beide vocalen in onze taal overal aan den oorspronkelijken vorm der woorden getrouw is en aan de strengste eischen der wetenschap beantwoordt.a.De Redactie was vroeger van meening, dat deeinbegeerenzacht was. Zij grondde haar gevoelen op deiin ohd.giric, onrd.girug, enz., die zij voor kort hield, en welke in dat geval eene zachteezou hebben moeten opleveren. Desniettegenstaande achtte zij het ongeraden de algemeen aangenomen spelling van een zoo dikwijls voorkomend woord te veranderen, omdat er over het woord en zijne verwanten een duister verspreid lag, dat zij toen nog niet vermocht op te heffen. Bij nader onderzoek echter is het gebleken, dat dieì, in sommige handschriften door een accent (í) gekenmerkt, de langeîis, die in den regel onzeijheeft opgeleverd, behalve vóór eener, waar zij zich inie(vroeger een tweeklank) oploste: vergelijkwierookvoorwijrookvanwij(d)en;gier(roofvogel), nhd.geier, ohd.gîr;schierinSchiermonnikoog,Schieringer,schierroek, enz., ohd.scîrenz. Doch kanîde stam vanbegeerenniet zijn, dan moet hetgairwezen, dat in goth.gairuni,gairnjanenz. voorkomt en de echte tweeklankaiblijkt te zijn.Hierdoor wordt al het duistere weggenomen. Niet slechts is deieingierigverklaard, maar ook deain mnl.begaerenen nnl.gaarne, naastbegeeren,geerneengierig; en de vormen in de verwante talen blijken in overeenstemming te zijn. Deevanbegeerenis derhalve scherp, als zijnde uitaiontstaan, zoodat er van de spelling met éénee(begeren) geene sprake meer zijn kan.b.Ook zal men op bovenstaande lijst de woordenknoop,klootenzweepniet meer aantreffen. Bij nader onderzoek is het ons gebleken, dat in de oudere verwante talen tweeërlei vormen vanknoophebben bestaan, wat onder andere uit ofri.cnopencnâpblijkt, waarvan de eerste aan onze zachte, de laatste aan onze scherpeobeantwoordt. De uitspraak met de scherpeo, waarop de gebruikelijke spellingknoopenberust, kan derhalve niet als eene verbastering worden beschouwd, zoodat er voor de Redactie, die als beginsel heeft aangenomen, niet buiten volstrekte noodzaak veranderingen te maken, geene reden bestaat om de spelling hier te wijzigen; ze blijft daaromknoopenvastknoopen,ontknoopenenz. schrijven.c.Minder zekerheid bestaat er tot nog toe omtrent de oorspronkelijke vormen vanklootenzweep. Indien men echter die woorden voor één mag houden met ons kluit en mhd.sweif(staart), dan hebben ook hier vanouds tweeërlei vormen bestaan, en is de spellingklootenenzweepeneven wettig alsklotenenzwepen. Hoe men het ook neemt, de zachtheid der klinkers in beide woorden staat nog niet vast, zoodat deze zich in hetzelfde geval bevinden alsheerenenkeeren. De Redactie acht zich dus nog niet tot verandering gerechtigd, en blijft daaromklootenenzweepenschrijven.81. Ofschoon de spellingwereld, eigenlijkwer-eld, de beschaafde uitspraak van dit woord niet juist uitdrukt, meent de Redactie haar als de naastbijkomende te moeten verkiezen; vergelijk§ 41.Wareldtoch is met de uitspraak nog meer in strijd, en bovendien ook met de afleiding; en hetzelfde geldt vanwaereld, daar menaein onze taal steeds als de voorstelling eener langeaheeft aangemerkt en in België nog veelal als zoodanig beschouwt.Om dezelfde reden is ook de spellingvaersvoorverste verwerpen.82. Om de boven in§ 79ontwikkelde redenen is de Redactie voornemens de volleiete bezigen in de achtervoegsels-ief,-ieken-iet, zoolang die den klemtoon behouden, ook dan wanneerieop het einde der lettergreep komt, b.v. inmotie-ven,substantie-ven,fabrie-ken,republie-ken,Israëlie-ten,Mennonie-ten. Die spelling is buitendien in overeenstemming met het gevestigde gebruik ten opzichte van-ieren-iesinofficie-ren,tuinie-ren,commie-zen,valie-zen. Daarentegen acht zijiete zwaar, en daarom eene enkeleivoldoende, wanneer die achtervoegsels geheel toonloos worden, inmot-i-veeren,Jezu-ït-isme,fabr-ik-ant,muz-ik-ant,muz-ik-aal,republ-ik-ein. Vergelijk den Regel der Welluidendheid§ 61en 62.83. Om dezelfde redenen schrijven wij in het meervoudoli-ën,trali-ënenz., vanolie,tralieenz., dewijliein deze en dergelijke woorden geheel toonloos is; daarentegenknie-ën,spie-ën,drie-ën, waarin de eerste, enreliquie-ën,genie-ën, waarin de voorlaatste lettergreep den vollen klemtoon heeft. Dat men voorheenkniën,spiënspelde, is daaraan toe te schrijven, datie, uitiu(ioe) ontstaan, alstoen een tweeklank was, die nagenoeg tweelettergrepig, alsië, werd uitgesproken.Knie-en,spie-enzou toen derhalve geluid hebben alskní-e-en,spí-e-en.Thans echter isieeen zuivere (eenlettergrepige) klinker, gelijk b.v.ee, zoodat de oudere schrijfwijze niet meer in overeenstemming is met de hedendaagsche uitspraak; daaromknieën,spieën, evenalszeeën,tweeën; en zoo ookanalogieën,harmonieën,melodieën,reliquieënengenieën, verschillend vangeniën(géniën), meerv. vangenius.84. Ofschoon deiin het achtervoegsel-ischdenzelfden helderen klank heeft alsiein-ief,-iek,-ieten-ier, geeft de Redactie aan de meest gebruikelijke schrijfwijze met de enkeleiverreweg de voorkeur boven-iesch, omdat dit achtervoegsel steeds allen klemtoon mist, enidaarin zeer kort is. De onregelmatigheid is niet grooter dan bij het achtervoegsel-uwinschaduw,zwaluw, hetwelk evenzeer toonloos is en door niemand met tweeu’s geschreven wordt. Vergelijk den Regel der Welluidendheid§ 61en 62.Bij het beoordeelen van de regels in deze en de twee vorige §§ behoort men het onderscheid tusschen eene toonlooze lettergreep en een toonloozen klinker niet uit bet oog te verliezen. Toonloos is elke lettergreep, waarop in het geheel niet gedrukt wordt, waarop noch de halve, noch de volle klemtoon valt, b.v. de eerste inbe-hóúd,ge-lóóf,ver-driét, de laatste injá-ren,há-mel,há-mer,kó-ning,gróót-vader,hòfhóú-ding. Toonlooze klinkers zijn, in den regel, klinkers of tweeklanken, die geheel dof zijn geworden, als het ware alle kleur missen, en meer van een geruisch dan van een eigenlijken klank hebben; b.v. deeinaarde, onl.irtha, inhamer, ohd.hamar, inhemel, onl.himil; deuinGorkumuitGoring-heim; deiin het achtervoegsel-ig, goth.-agen-eig. Enkele toonlooze klinkers echter ontstaan als vanzelve tusschen twee medeklinkers, b.v. inhatelijk,beminnelijkenz. voorhaatlijk,beminlijkenz.Ofschoon het verliezen van den klemtoon de oorzaak is, dat de klinkers en tweeklanken toonloos worden, heeft dat verlies toch niet altijd de bedoelde verandering ten gevolge. De tweede lettergrepen inpy-ra-mide,mag-ne-tiseeren,mo-ti-veeren,ge-o-graaf,no-tu-len, en de laatste ino-lie,me-nie,tra-lie,Janua-ri,Ju-li,afgo-disch,nieuwmo-disch,scha-duw,zwa-luwenz. zijn toonloos, maar de daarin voorkomende klinkers, hoe flauw zij ook worden uitgesproken, behouden in eene beschaafde uitspraak hun eigenaardigen klank, en gaan niet in toonlooze klinkers over.Er bestaan derhalve toonlooze lettergrepen zonder toonlooze klinkers.85. Het letterteekenijstelde, gelijk men weet, oorspronkelijk in gesloten lettergrepen, alsmijn(miin),sijn(siin),de langeivoor, die in opene, alsmine,sine, door de enkeleiwerd vertegenwoordigd. Het teekenjwas dus in de genoemde en dergelijke woorden een gewijzigde vorm van de letteri, die gelijkstond met de tweedea,e,oenuinjaar,eed,roomenvuur. Het verlengen door het aanvoegen van een staart geschiedde sieraads- of duidelijkheidshalve; zoo schreef men ookvj,vij,viij, enz. voor 6, 7, 8. Dientengevolge hadjin strijd met§ 47,a.twee verschillende waarden, die van vocaal inmijn(miin) enwijn(wiin), en die van consonant injaer,joc. Toen in het Nnl. de langeiin de uitspraak gelijk werd aan den tweeklankei, kwam de schrijfwijzeijgeheel in strijd met de natuur van den klank, dien zij moest voorstellen, en die niet meer dooriiafgebeeld kon worden; men behield evenwel de oude letterteekens ondanks de veranderde uitspraak. De Redactie meende in het Woordenboek die onregelmatigheid te moeten vermijden en te dien einde het letterteeken voorijofIJin zooverre te wijzigen, dat het onderscheid tusscheni jen den hier bedoelden klank duidelijk bleek. Het natuurlijkste middel daartoe ware geweest, de beide deelen aan elkander tot eene eenheid te verbinden, gelijk men in het schrijven gewoon is te doen. Doch de zwarigheden van typographischen aard, die zich hierbij voordeden, de vreemde en onbehaaglijke lettervormen, die ons voorgelegd werden, en die vooral bij het kapitale letterteeken aanstootelijk waren, hebben ons genoodzaakt van ons goede voornemen af te zien en den gewonen vorm vanijenIJonzes ondanks te behouden.86. Volgens§ 47,a.moet men aan hetzelfde letterteeken niet buiten volstrekte noodzakelijkheid meer dan ééne waarde geven. Men handelt in strijd met dit beginsel, wanneer men thans nogkolijk,katholijk,fabrijk,muzijkenz.schrijft, en door die spelling aanleiding geeft, dat sommigen in die woorden werkelijk eeneijofeilaten hooren. Nu zij in de beschaafde uitspraak deni-, niet denei-klank hebben, eischt de eerste grondregelkoliek,katholiek,fabriekenz.; zoo ookpoëzie,harmonie,melodieenz. Den dichter blijve het echter vrijgelaten naar goeddunken ookpoëzij,harmonijenz. te schrijven, omdat in die woorden opie, die den klemtoon op de laatste syllabe hebben, ook de uitspraakijgeoorloofd is. Zie§ 40.Zoo schrijve men ookkoffie, lat.coffea, evenals men schrijftbalie,falie,malie,tralie,olie,foelie,linie,kevie,merrieenz.Nog sterker dan de spellingmuzijkvoormuziekenz. is af te keuren het gebruik van deijin de plaats van de enkele korteiofyin tweeklanken alsaij,eij,oij,uij,oeij, vooray,ey,oy,uy,oy, ofai,eienz. Deijheeft nooit als enkeleigegolden. Oudtijds had zij de waarde vanii, thans stelt zij een tweeklank voor, die alseiluidt; zoodataij, hoe men het neme, niet anders opgevat kàn worden, dan òf alsa+ie, òf alsa+ij(a+ei). Eene spelling metaijenz. laat zich dus op geenerlei wijze, noch door de vroegere, noch door de hedendaagsche uitspraak, rechtvaardigen, zelfs niet in die eigennamen, waarin eene oude spelling behouden wordt. Gesteld dat iemandVan der Kruisheet, dan zijn van dien naam verschillende schrijfwijzen, mits met gelijkluidende letters, te verdedigen:Kruis,CruysofCruyss; dochCruijskon voorheen niet anders geluid hebben dan krui-is of kru-iis, en kan thans niet anders worden uitgesproken dankru-ij-s(kru-eis);ijvooryis dus evenmin te rechtvaardigen als elke andere verwisseling van twee niet gelijkluidende letters, b.v. vanrenl:cruij-sis even ongeschikt om den klankkruiste vertegenwoordigen alskluisofkruidzijn zou. Alleen de gewoonte vanijenyte verwarren maakt, datkruijsminder ongerijmd schijnt.87. In de namen der maanden, die oorspronkelijk genitieven zijn (Januarii,Juniienz.), is dei-klank van een geheel anderen aard en oorsprong dan in een der bovengenoemde woorden. Het komt der Redactie wenschelijk voordien ook in de spelling van den uitgang-ie, welke hier en daar nog alsiëluidt, te blijven onderscheiden, en naar Latijnsch gebruikJanuari,Februari,JunienJulite schrijven. Deze spelling beantwoordt aan de uitspraak en is in overeenstemming met de door ons aangenomen regels voor het schrijven der bastaardwoorden.88. De afleiding eischt de vervanging vaneidoorijin de woordenmalvezei, fr.malvoisie, enkarwei(soort van zaad), fr.carvi, onderscheiden vankarwei(werk), fr.corvée. Daarentegen zal om dezelfde reden deijvansacristijn, fr.sacristain, ofschoon insacristij(fr.sacristie) op hare plaats, vooreimoeten wijken. Derhalvemalvezij,karwijzaad,sacristein, dochkarweitje,sacristij.Het woorddozijn, dat men lichtelijk voor het Fransche douzaine zou kunnen aanzien, moet zijneijbehouden. Niet uit het Fransch toch, maar uit het Latijn is het tot ons gekomen, gelijk onlangs te recht is aangemerkt. In de beschaafde uitspraak luidt het woord nietdoezijn, maardozijn, en sommige dialecten zeggendoziin, hetgeen op het Middeleeuwsch-latijnschedocenumwijst, en het woord op ééne lijn stelt metkrijt, lat.creta;venijn, lat.venenum;tapijt, lat.tapete.IJzenenijselijkhebben, hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk, hun bestaan te danken aan een woord, dat goth.agis, ohd.egisoluidde, en zouden uit dien hoofde, evenalszeiluitzegel,dweiluitdwegelenz., meteibehooren geschreven te worden, gelijk oudtijds werkelijk geschiedde. Daar echter het grondwoordeis(vrees, schrik) al vroeg vergeten werd, en men bij het schrikken niet zelden eene koude rilling voelt, begon men aan eene verwantschap metijste denken, en aaneizende bepaalde beteekenis te hechten vankoud worden,van schrik verstijven. In de uitdrukking:het is om van te ijzen, ziet het woord kennelijk op dekille huivering, die eene ontzettende aanschouwing of voorstelling veroorzaakt. Vandaar de verandering in de uitspraak en spelling. In die gewesten, waarijnog alsiklinkt, zegt menizeneniselik; en bijKiliaan,Coornherten anderen treft men de beide spellingen, meteienij, nevens elkander aan. Het een en ander bewijst, dat de »spraakmakende gemeente” naast het oude, nu vergeten, woord een nieuw met gewijzigde beteekenis gevormd heeft. Daar nu de spellingeizen,eiselijkniet zou kunnen strekken om op eenig thans algemeen bekend woord te verwijzen en zoodoende de beteekenis duidelijker te maken, vindt de Redactie geene reden om zonder eenig nut het algemeene gebruik te verlaten en, tegen de niet twijfelachtige uitspraak aan, een verouderd woord (althans een verouderden vorm) te hernemen, die bij het volk geheel vergeten is, en die bovendien een onbepaalder begrip vertegenwoordigt, dan het nieuwere woord of de nieuwere vorm. Zij schrijft derhalve volgens den Regel der Uitspraakijzenenijselijk.89. Op grond van§ 47,aeneverwerpt de Redactie de spelling vanby,my,hy,zy,dwingelandy,razernyenz. mety, omdat deze letter in oorspronkelijk Grieksche woorden, alscylinder,Styx,Egypte, reeds den gewoneni-klank voorstelt, en haar alsdan buiten eenige noodzakelijkheid eene tweede waarde zou toegekend worden. Dat deij-klank inbij,mij,hijslechts uit eene korte, niet uit eene langeiontstaan is, kan in haar oog geene reden zijn om inbreuk op het bedoelde beginsel te maken, te minder daar in opene eenlettergrepige woorden, alsthee,zoo, ook deeenoverdubbeld worden, ofschoon zij eigenlijk zacht zijn.90. Vreemde woorden en eigennamen, die op heldere of lange klinkers eindigen, nemen in den tweeden naamval van het enkelvoud en in alle naamvallen van het meervoud eenesaan, voorafgegaan door het uitlatingsteeken (’). DusMaria’s,Hebe’s,Garibaldi’s,Cicero’s,echo’s; nietMariaas,Hebeesenz. Daar de verdubbeling deriniet meer in gebruik is, zou men althans nietGaribaldiis, Paniniis,Rubiniiskunnen of willen schrijven; de analogie laat dus ookMariaas,Hebeesenz. niet toe. Buitendien is het dubbele letterteeken in strijd met de uitspraak van zulke woorden, waarin de eindvocaal nooit zoo lang wordt uitgerekt, als geschiedt met de klanken, die in Nederlandsche woorden in den regel dooraa,eeenz. worden voorgesteld. De welluidendheid, zoowel als de analogie, maakt derhalve het gebruik van het uitlatingsteeken verkieslijker dan het verdubbelen van den klinker. Zie§ 59, 61 en 62.Ook is het onveranderlijk bewaren van den vorm der eigennamen wenschelijk, ten einde alle verwarring te voorkomen. Daarom schrijft de Redactie ookBruining’s, ofBruinings’, naar gelang men den tweeden naamval of het meervoud vanBruiningof vanBruiningsbedoelt.De regel is natuurlijk niet van toepassing op echt Nederlandsche gemeene zelfstandige naamwoorden, alsga(samentr. vangade),ra,vla(vlade). Deaheeft in het meervoud dier woorden dezelfde zware of gerekte uitspraak als altijd in geslotene lettergrepen, b.v. als inaas,baas,geraas. Daarom schrijven wij nieteega’s,ra’s,vla’s, maar volgens den gewonen regel van het Nederlandsch, die in gesloten lettergrepen het verdubbelen van den helderen klinker voorschrijft:eegaas,raas,vlaas.91. De Redactie speltaar(korenaar),haar(hoofdhaar),meer(waterplas),door(van een ei),oorinoorsprong,oorzaak, nietair,hair,meir,doir,oirsprong, omdat de laatste schrijfwijze zoowel door de afleiding als door de uitspraakverworpen en door de duidelijkheid niet geëischt wordt, terwijl zij geheel op willekeur berust, daar er geene reden te bedenken is, waarom men niet liever inair(ader),hair(voornw.),meir(telw.),doir(voorzets.) enz. de verlenging doorizou aanduiden. Daarentegen meent zij de spellingheir(legermacht) enoir(erfgenaam) boven die vanheerenoorte moeten verkiezen; het eerste omdatheirde beschaafde uitspraak, hoewel niet juist, toch beter vertegenwoordigt danheer; het laatste als verbastering van het Franschehoir. De spellingoorzou dit weinig gebruikelijke en weinig bekende woord onherkenbaar maken, en zeer zeker de duidelijkheid niet bevorderen.
Over de bijzondere spelregels, waaromtrent verschil van gevoelen bestaat.Daar de Redactie, om redenen in het Voorbericht en in§ 27en 28 opgegeven, voor de door haar te volgen schrijfwijze de in Noord-Nederland gebruikelijke spelling als uitgangspunt heeft aangenomen, en deze genoegzaam bekend mag geacht worden, heeft zij het overtollig gerekend het geheele spellingstelsel te ontvouwen. Deze Tweede Afdeeling bevat dus slechts eene opgave der verbeteringen, die haar wenschelijk zijn voorgekomen, benevens eene vermelding van de keuze, die zij gemeend heeft te moeten doen uit de onderscheidene spellingen, ten opzichte waarvan onder onze letterkundigen verschil van gevoelen bestaat.De klinkers.73. De verlenging deraenuin geslotene lettergrepen geschiedtbuiten twijfel op de meest gepaste wijze door verdubbeling. De spellingaaenuubeantwoordt zoowel aan de uitspraak, als zij door de analogie gewettigd en door de etymologie niet gelogenstraft wordt. Zij verdient dus zeer zeker de voorkeur bovenaeenue.Aastelt denzelfden zuiveren klank voor, die doorawordt aangeduid. Bijaeis men geneigd te denken aan de naaretrekkende uitspraak der landlieden in sommige streken van Zuid-Holland en Zeeland; de Vlaamscheazou dooraomoeten afgebeeld worden. VergelijkTaalgids, IV, blz. 54–64.74. De spellingblaauw,flaauwenz. stelt eene uitspraak voor, die niet de gewone is, in het oor der groote meerderheid onaangenaam klinkt, en stellig niet tot de beschaafde gerekend wordt. Het komt ons derhalve niet raadzaam voor, eene spelling te bestendigen, die te recht door velen wordt afgekeurd, en voor wier behoud geene andere reden is aan te voeren dan een gebruik, dat op geene taalkundige gronden steunt en daarom, als strijdig met de beschaafde uitspraak, geen recht van bestaan heeft; vergelijk§ 66. Wij schrijven derhalveblauw,flauw,gauw,grauw,klauw,lauw,nauw,pauw,rauw,knauwen,krauwenenz. metau. Zoodoende heft men het geheel willekeurige verschil met de gebruikelijke schrijfwijzedauwenkauwop, die meer in overeenstemming is met de gewone uitspraak, welke veeleeroudanaaudoet hooren.75. Onder de regels, omtrent wier toepassing de gevoelens der taalkundigen uiteenloopen, staan die aangaande de verdubbeling dere’seno’sin opene lettergrepen bovenaan.SiegenbeekenWeilandvolgden daarbij de uitspraak, welke heerschte, of geacht werd te heerschen, in die streken, waar de genoemde letters op tweeërlei wijze, met den zoogenoemden zachten of met den scherpen klank, worden uitgesproken. Hunne handelwijze was natuurlijk. Immers de verdubbeling der letterteekens moest dienen om de meer gerekte, naar een tweeklank zweemende uitspraak der scherpeeenovan den eenigszins korteren, meer gelijkmatigen klank der zachte voor het oog te onderscheiden. Juist dat verschil in de uitspraak had het eerst het verschil in de natuur dier letters doen opmerken, terwijl de studie der Germaansche talen te hunnen tijde nog niet ver genoeg gevorderd was om den diepliggenden oorsprong van dat verschil te leeren kennen. Zij konden nog niet tot de oorzaken opklimmen en moesten dus hun onderzoek tot de gevolgen beperken. De uitspraak echter is in dit geval geen onfeilbaar en toereikend richtsnoer. Dit blijkt onder andere uit de wijze, waaropSiegenbeekgenoodzaakt was te werk te gaan bij de woorden, waaromtrent hij bij de schrijvers verschil van gevoelen gevonden had, en die hij daarom achter zijneVerhandeling over de Spellingaan een bijzonder onderzoek onderwierp. Bij al die woorden was hij verplicht de schrijvers, die het onderscheid in de uitspraak door hunne spelling uitdrukten, te raadplegen, hunne getuigenissen te wikken en te wegen, en als het ware de stemmen vóór en tegen te tellen. Waar men in eene wetenschap tot eene stemopneming zijne toevlucht moet nemen, is de evidentie der waarheid niet groot; maar vooral hier bleek duidelijk de zwakheid van den grondslag, waarop gebouwd werd. Als men dat groote vijftigtal artikels naleest, ziet men, dat niet alleen schrijvers, op verschillende plaatsen woonachtig, in hun oordeel over de uitspraak van dezelfde woorden onderling verschilden, maar ook dat velen zich zelven niet gelijk bleven. Men moge dit laatste verschijnsel aan slordige correctie willen toeschrijven, het bewijst in allen gevalle, dat de ware uitspraak niet zóó kennelijk vande valsche onderscheiden was, dat de corrector zich niet vergissen kon. Doch volstrekt onloochenbaar is het verschil tusschen de uitspraak van dezelfde woorden in verschillende gewesten en steden. Volgens het beweren vanSiegenbeekzelven wordenheeten,keten,menigte,smeeken,spenen,betoogen,genoot,klooven,loochenen,nopen,personenenschromenin Rotterdam anders dan in Zeeland uitgesproken; terwijl men in deze provincie zoowelpoogenalspogenen te Rotterdam zooweltonenalstoonenzou hooren1. Dat er ten opzichte van andere woorden reeds in de laatste helft der zestiende eeuw eene dergelijke onzekerheid bestond, kan men opmaken uit het woordenboek vanKiliaan, die aan de uitspraak bijzondere aandacht schonk en zich gehouden achtte een aantal woorden, alsderen,kelen,nering,peren,scheren,smeren,teeder,telen,teren,weren,zweren,zweven,bogen,boren,dolen,smokenenz. onder de beide vormen op te teekenen.Uit het aangevoerde blijkt overtuigend, dat het verschil in de werkelijke uitspraak der woorden, hetwelk vroeger het geheele land door moet geheerscht hebben, maar zich thans tot zekere streken en steden bepaalt, voor de spelling slechts een onzekeren grondslag kan uitmaken. Daarbij is het te voorzien, dat het eenmaal geheel zal ophouden. Men heeft om die redenen naar een ander beginsel om te zien, dat in substantie dezelfde uitkomsten oplevert, maar niet aan verandering onderhevig is, niet dreigt geheel te verdwijnen, en dat in de gevallen, waar verschil van uitspraak bestaat, op deugdelijke gronden kan beslissen. Zoodanig beginsel vinden wij gelukkig in den verschillenden oorsprong dere’s eno’s. Door de onderzoekingen der nieuwere taalkundigen namelijk is gebleken, dat de talen van den Indo-Germaanschenvolksstam oorspronkelijk slechts drie vocalen,a,ienu(lees:oe) bezaten, en dat al de overige klinkers, ook deeeno, uit die grondvocalen en de daaruit samengestelde tweeklanken ontstaan zijn; zie onder anderenBopp,Vergl. Gramm. des Sanskrit, Send etc.§§ 1–104. Deze stelling is de spil, waarom het gansche vocaalstelsel, ook dat der Germaansche talen, draait; met haar kunnen alle verschijnselen op het gebied der klankleer in genoemde talen natuurlijk en ongedwongen verklaard worden; zonder haar blijft alles duisternis en verwarring2. Doch al wil men haar ook al niet voor alle Indo-Germaanschetalen als geldig erkennen, ten opzichte van het Nederlandsch is zij niet te loochenen. Immers het kan, op weinig uitzonderingen na, aangetoond worden, uit welke van die grondklanken onzee’s eno’s ontstaan zijn, terwijl de weinige gevallen, waarin men dat niet kan, worden aangetroffen bij het betrekkelijk geringe getal woorden, wier ouderen vorm men tot nog toe niet heeft kunnen ontdekken.De verschillende oorsprong dere’s eno’s is de oorzaak van het onderscheid tusschen de zachte en de scherpe uitspraak. Eene vergelijking der Nederlandsche woorden, waarine’s eno’s voorkomen, met dezelfde of verwante woorden, hetzij in onze eigene taal, hetzij in andere oudere of nieuwere Germaansche talen, leert, dat deeenobeide drieërlei oorsprong hebben: dat deeeene wijziging vani,aofai, en deovanu(oe),aofauis. Verder blijkt, dat de lange heldere of openee’s eno’s uit de enkelvoudige, oorspronkelijke klinkersa,ienu(oe) ontstaan, juist diegene zijn, waaraan algemeen, behalve natuurlijk in degevallen waar verschil bestaat, de zoogenaamdezachtlangeklank wordt toegekend; terwijl de ineengesmolten tweeklankenaienauaan erkendescherplangee’s eno’s beantwoorden.Door deze waarneming worden bijna alle verschijnsels, die men in de geschiedenis onzere’s eno’s en in hare verwisseling met andere klanken opmerkt, volkomen opgehelderd. Zij verklaart vooreerst, hoe het komt, dat men die letters in verscheidene gewesten op tweeërlei wijze uitspreekt, en waarom de scherpe daar langer zijn dan de zachte en nog een zweem van een tweeklank hebben.—Vervolgens, waarom de zachtlangeémetaenien met de korteè, en de zachtlangeómet de korteòafwisselt, b.v. instad—steden,vagen—vegen,gift—geven,nicht—neef,spel—spelen,gebed—gebeden;ik kom—zij komen,lot—loten; en waarom de scherplangee’s eno’s met de tweeklankenei(ai) enou(au) verwisseld worden, b.v. ingereedenbereiden,breedenverbreiden,boomenbouwen,troostenvertrouwen.—Die waarneming eindelijk verklaart in vele gevallen, hoe het komt, dat een zelfde woord op tweeërlei wijze wordt uitgesproken, daar zij aantoont, dat men dan meestal twee verschillende woorden verward en voor hetzelfde gehouden heeft; b.v.beer(ursus) enbeer(verres);deel(pars) endeel(asser);klooven(doen splijten) enkloven(imperf. vankluivenen meerv. vankloof);toonen(lichaamsdeelen) entonen(klanken).76. De Redactie, het een en ander in aanmerking nemende, heeft besloten den oorsprong dere’s eno’s als grondbeginsel der vocaalspelling aan te nemen. Zij meent hare redenen aldus kortelijk te kunnen samenvatten:De ware uitspraak dere’s eno’s is niet op te maken uit de vroegere schrijfwijze, noch uit de uitspraak der hedendaagsche dialecten, omdat het blijkt, dat het in beide aan volkomene overeenstemming ontbreekt. Bovendien neemt het onderscheid tusschen den zachten en den scherpen klank dagelijks af, wordt daardoor steeds onzekerder en zal waarschijnlijkeenmaal geheel verdwijnen, gelijk het in sommige streken, en daardoor, streng genomen, in de zoogenoemde beschaafde uitspraak, reeds heeft opgehouden te bestaan. Daarentegen is de verschillende oorsprong der klinkers een onveranderlijk en onloochenbaar feit, hetwelk als oorzaak van het onderscheid in de uitspraak, grootendeels tot dezelfde uitkomsten leidt, en geheel tot dezelfde leiden zou, indien er nooit verwarring en verwisseling van klanken had plaats gehad.Daar het niet te loochenen is, dat de onderscheidene dialecten ten opzichte van een aantal woorden uiteenloopen, zou men genoodzaakt zijn uit de verschillende tongvallen eene keus te doen. Wie of wat zal die keus bepalen? Aan welk gewest zal de eer te beurt vallen aan al de Nederlanden de wet voor te schrijven? Zal het Oost- of West-Vlaanderen, Brabant of Antwerpen, Zeeland of Maasland, Zutfen of Overijsel wezen? Daarentegen is de oorsprong dere’s eno’s een feit, dat voor alle gewesten en tongvallen hetzelfde is. Geen dialect, of het geeft onloochenbare blijken van onderlinge verwisseling van zacht en scherp; ook het Groningsche, waarin anders het verschil wel het duidelijkst uitkomt en men uit dien hoofde het minst verwarring zou verwachten. Zoo is het b.v. volkomen zeker, dat de klinkers in (ik)weeten (wij)wetenoorspronkelijk verschilden, dat deevan het enkelvoud vroegerai, die van het meervoudiwas; en toch worden beide thans overal op dezelfde wijze uitgesproken, in het Groningsch scherp, alseiofij, inik weit,wij weiten; elders zacht, inik weetniet anders dan inwij weten. Welke stad of landstreek zou aan de overige bewoners van Nederland hare verkeerdheden willen opdringen of omgekeerd die van andere willen overnemen! Neemt men echter den oorsprong dere’s eno’s als grondslag aan, dan behoeft er geene keus gedaan te worden, waardoor iemand zich verongelijkt kan rekenen; men is dan billijk jegens allen, ook jegens de velen, die geen onderscheid in de uitspraak meer maken, en die deonderscheiding der zachte en scherpee’s eno’s als een last beschouwen.Al mocht men eenparig besluiten de uitspraak van eene bijzondere landstreek of plaats als wetgeefster te erkennen, die maatregel zou ontoereikend bevonden worden. Vooreerst kunnen de bewoners van andere plaatsen die uitspraak niet leeren kennen, zonder zich daar een geruimen tijd metterwoon te vestigen, terwijl ieder, die wil, zich in zijn studeervertrek van den oorsprong dere’s eno’s kan vergewissen. Doch er is iets dat meer afdoet. In de schrijftaal komen een aantal woorden voor, die niet algemeen zijn, die op de eene of andere plaats niet gebezigd worden. Hoe zal men handelen met de woorden, die in het bevoorrechte dialect niet gebruikt worden? en hoe met dezulke, die in het geheel niet meer tot de volkstaal behooren en waarvan dus de ware uitspraak volstrekt onbekend is? Ten aanzien van zoodanige woorden zou het aangenomen beginsel ontoereikend zijn; en naar welk kenmerk dan te werk te gaan? Daarentegen geeft de oorsprong dere’s eno’s een kenmiddel aan de hand, dat uit zijnen aard op alle woorden toepasselijk is, dat voor de dialecten, op weinige uitzonderingen na, dezelfde uitkomsten geeft, en dat ten minste voor alle taalbeoefenaars, ook in de streken waar geen onderscheid meer gehoord wordt, toegankelijk is.Het schrijven naar de uitspraak zou altijd gegrond blijven op feilbare waarnemingen van bijzondere individuen, wien het aan fijnheid van gehoor kan ontbreken. Het spellen naar den oorsprong dere’s eno’s is gegrond op het onderscheid tusschena,i,u(oe),aienau, klanken, die onderling zoozeer verschillen, dat daarbij geene vergissing en verwisseling kon plaats grijpen; het stelt bovendien de spelling meer onmiddellijk in verband met de afleiding, en kan zoodoende in vele gevallen het recht verstand der woorden bevorderen. Om den oorsprong dere’s eno’s te leeren kennen, moet men wel is waar dikwijls de verwante talen raadplegen; doch het zou eene geheel verkeerde beschouwingwezen, indien men het spellen naar de uitkomsten, die zij opleveren, wilde aanmerken als eene navolging van het vreemde. Dat raadplegen geschiedt alleen om te weten, hoe onze eigene taal in overoude tijden gesproken is; de onze kan op hare beurt aan andere talen dezelfde diensten bewijzen. Als wij b.v. aanbeenenenboomenscherpe klinkers toeschrijven, is zulks niet, omdat het Hoogduitschbeinenbaumzegt, maar omdat wij o.a. door het Hoogduitsch weten, dat onze eigene voorouders eenmaalbainenbaumhebben uitgesproken; de spellingbeenenenboomenberust derhalve inderdaad op verschijnselen in onze eigene taal. Vergelijk hierTaalgids, VI, blz. 153 v.77. De Redactie erkent, dat de dubbele vocaalspelling niet zonder last is voor het practische gebruik; zij behoudt ze evenwel, omdat zij meent het bestaande niet te mogen afbreken en geene groote veranderingen, maar alleen verbeteringen in de toepassing van erkende regels te moeten voorstellen. Daarom heeft zij er niet aan gedacht om ze ook op deaenutoe te passen, en b.v. naastva-der,za-del,u-renenz.jaa-ren,daa-den,wij vuu-renenz. te schrijven, ofschoon daarvoor gelijke redenen bestaan als voor de spellingbree-de,boo-menenz. Aan die bedoeling is het mede toe te schrijven, dat zij het spellen overeenkomstig den oorsprong dere’s eno’s tot de stamlettergrepen wil beperken, maar ten opzichte van de achtervoegsels naar den klemtoon wenscht te werk te gaan. Volgens dit beginsel acht zij,dat de achtervoegsels, die òf steeds òf somtijds den vollen klemtoon hebben, met eene dubbele vocaal behooren geschreven te worden, terwijl een enkel letterteeken toereikend is in die, welke nimmer den vollen klemtoon bekomen. In het eerste geval verkeert het achtervoegsel-loos, hetwelk ingoddelóós,zedelóósheid,zondelóósheidenz. den vollen klemtoon bekomt; vervolgens de bastaarduitgangen-eeren;-eelen-ees, die steeds den klemtoon hebben:regeeren,kasteelen,Japanneezen. Tot het tweede geval behoort-heid, mrv.-heden, dat nooit den vollenklemtoon heeft. Op die wijze eerbiedigt men het bestaande gebruik, waarin de schrijfwijze-eelenreeds is aangenomen, en die van-eezenmeer en meer begint door te dringen. Men wijkt alleen af in de spelling-eeren; doch voor de dubbele vocaal in dit achtervoegsel hebben zich sedert lang vele stemmen doen hooren, gelijk zij dan ook reeds doorBilderdijken zijne volgelingen erkend is. Inderdaad, wanneer men bedenkt, dat dit suffix altijd met een zwaren toon wordt uitgesproken; dat die uitspraak reeds van de oudste tijden dagteekent, blijkens het Middelnederlandsch, waarin men (gelijk nog heden in het Hoogduitsch) gewoonlijk-ierenschreef; en dat deiedestijds nog een tweeklank was: dan schijnt alles er voor te pleiten om in dezen het voorbeeld vanBilderdijkte volgen.Een achtervoegsel-eet, welks bestaan door enkelen beweerd wordt, is bij de Redactie onbekend. In al de woorden, op-eeteindigende, die zij zich kan te binnen brengen, behoort deetot den stam des woords, en kan alleen detals achtervoegsel worden beschouwd. Deze is inparacleet,poëet,profeet, en ook inkomeetenplaneet, een overblijfsel van het Grieksche suffix-της, lat.-ta, waarmede meestal mansnamen gevormd worden; incompleet,concreet,discreet,secreet, van het Latijnsche suffix-tus,-ta,-tum, dat verl. deelw. vormt. Daar er geene suffixen-ητης,-etusenz. bestaan, is bij de woorden op-eetniet de regel voor de achtervoegsels, maar die voor de stammen van toepassing. De Redactie schrijft daarom met éénee:poëten,profeten,concrete,completeenz.; en om gelijke redenen met ééneo;astronomen,oeconomen,horoscopen,telescopen,philanthropen,misanthropen,heliotropen,theologen,philologen, enz. waarinnoom,scoop,anthroop,troopenloogverbasteringen van geheele woorden, niet van achtervoegsels zijn.78. Slechts schijnbaar bestaat hier eene inconsequentie; in den grond wordt bij de stamlettergrepen hetzelfde beginsel gehuldigd als bij de achtervoegsels, alleen met beperking in de toepassing. Dat beginsel is de zooveel mogelijk juiste afbeelding der uitspraak. Immers de verdubbeling der letters moest aanvankelijk dienen om de scherpee’s eno’s, uit tweeklanken ontstaan, te kenmerken als langer dan de zachte, die als wijzigingen van de enkelvoudige klinkersa,ienu(oe) korter waren. De verdubbeling bedoelde kennelijk het voorstellen van een langen, gerekten klank, en het is alleen ten gevolge van het onderling meer gelijk worden der zachte en scherpee’s eno’s, dat het doel thans niet meer zoo in het oog loopt.Aan de werking van den klemtoon is het toe te schrijven, dat het onderscheid tusschen zacht en scherp in sommige streken en in de beschaafde uitspraak geheel uitgewischt is. De klemtoon, wanneer hij rust op opene lettergrepen, brengt vanzelf mede, dat de daarin voorkomende vocalen alle even lang worden uitgesproken, onverschillig, of zij uit klinkers dan wel uit tweeklanken ontstaan zijn. Daarom wil het gebruik in opene eenlettergrepige woorden de verdubbeling van den klinker, al is die niet scherp, b.v. inthee,vloo,zoo. Daarentegen is de quantiteit in lettergrepen, die slechts den halven toon hebben, of geheel toonloos zijn, merkelijk geringer, ook wanneer zij tweeklanken zijn, b.v. inwaarheid,waarlijk,arbeid,armoede; voor de zoodanige wordt de dubbele vocaal algemeen te zwaar geacht. Daarom wil het gebruik sinds lang eene enkeleein-heden, meerv. van-heid, ofschoon dieeuiteiontstaan en dus scherp is; daarom wil het de enkeleiin-isch, niettegenstaande in dit achtervoegsel de klank gehoord wordt, die in gesloten lettergrepen steeds dooriewordt voorgesteld; daarom verliezen de achtervoegsels-eel,-ief,-ieten-iekeeneeinkast-el-ein,subject-iv-iteit,Jezu-it-isme,f-abr-ik-ant.De Redactie beoogt derhalve met het stellen van den boven ontwikkelden regel voor de spelling der achtervoegsels hetzelfde doel, dat men oorspronkelijk met de verdubbeling dereenozocht te bereiken, namelijk eene zooveel mogelijk juiste afbeelding van de heerschende uitspraak. Door het stellen van dien regel zet zij alleen eene schrede verderop den weg, die reeds door het Gebruik gevolgd wordt, en handelt zij overeenkomstig den Regel der Welluidendheid.79. Acht de Redactie den door haar aangenomen regel voor de achtervoegsels voornamelijk daarom verkieselijk,omdat hij gemakkelijk is, en door iedereen, ook zonder kennis van vreemde talen, kan worden toegepast, zij werd, wilde zij hier niet beginselloos te werk gaan, tot het stellen van dien regel als het ware gedwongen. Immers de grondbeginselen, die voor de stammen gelden, zouden op de achtervoegsels niet toegepast kunnen worden.Vooreerst toch zou het meervoud van-heid, goth.haidus, mv.haidjus, hd.heit, mv.-heiten, volgens die beginselen tweee’s moeten hebben. Doch wie zou te bewegen zijn om het thans eenparige gebruik, dat reeds bij de Staten-overzetters gold, te verlaten, en voortaanaangenaamheeden,boosheeden,kinderachtigheedenen zoo vele andere-heedenmet tweee’s te gaan schrijven? Die spelling wordt trouwens door niemand verlangd, en zou strijden met het beginsel door de Redactie aangenomen, namelijk geene veelomvattende veranderingen te beproeven, wanneer er geene dringende redenen voor bestaan en de gebruikelijke spelling te rechtvaardigen is.De uitgangen-eerenen-eelzijn bastaardachtervoegsels; en dee’s, die daarin voorkomen, zijn niet alle van denzelfden oorsprong. Sommige zijn ontstaan uit korte klinkers, andere zijn samentrekkingen van twee lettergrepen. In het eerste geval zouden zij ééne, in het laatste tweee’s vorderen; doch het laat zich niet altijd bepalen, met welk eeneemen te doen heeft. Wij hebben-eeren, mnl.-ieren, uit het Fransch bekomen; maar in het gebruik daarvan hebben wij onzen eigen weg bewandeld, ons om die taal verder niet bekommerende. Deevanregeerenschijnt die te zijn van fr.régner; maar mnl.regnieren, waaruitregeerenontstaan is, verbiedt ons aan eene onmiddellijke overneming van dieete denken; en die inconcipieerenis toch wel niet deoivan fr.concevoir, noch die vanfarceerendeivanfarcir. Het Fransch, waarin de e’s trouwens ook niet oorspronkelijk zijn, kan dus niet tot leiddraad strekken; men zou dan in allen gevalle tot het Latijn moeten gaan. Doch dit heeft vier uitgangen:-âre,-êre,-îreen-ĕre;daarin zijnâ,ê, enîsamentrekkingen van de lettergreepaja(skr.aya); maar-ĕreheeft eeneeuit de korteiontstaan. Dienovereenkomstig zou mencommuniceeren,doceeren,recenseeren,farceerenenz. metee, maardefenderen,fingeren,absolverenenz. metemoeten spellen. Zou het verstandig wezen het publiek dezen nieuwen last op de schouders te willen binden en het te verplichten de Latijnsche conjugatie te gaan leeren? En hoe dan nog te handelen met woorden, waaraan geen Latijnsch werkwoord beantwoordt, b. v, mettrotseeren,waardeeren,stoffeeren?Bij-eelzouden de moeilijkheden niet geringer wezen. Aan deein dit achtervoegsel beantwoordt wel is waar doorgaans eene korte Latijnscheeofi: doch inconditioneel,crimineel,inaugureel,origineeleene langea. Deze is incriminaliseninauguralisweder de samentrekking van-aja-; maar wat is zij inconditionalisenoriginalis, waarnaast geene werkwoorden bestaan? En welkeehebben wij inhouweel,tooneel,fluweel? Hier zou in elk geval wederom eene willekeurige beslissing, een doorhakken van den knoop, moeten plaats hebben. Doch er is eene andere oplossing mogelijk. Men vrage niet: wat willen enkele grammatici? maar: wat wil het volk? wat wil de taal, en wat heeft zij altijd gewild? Dan is het antwoord niet twijfelachtig. De taal handelt bij de vreemde achtervoegsels geheel anders dan bij de vreemde stammen, waarin zij zachtee’s eno’s laat hooren. Zij heeft de bastaarduitgangen, die den klemtoon hebben, steeds als lang beschouwd en er tweeklanken van gemaakt. Tot getuigen kunnen strekkenabdij,soldij,tyrannij,azijn,dolfijn,venijn,paradijs,patrijs,saucijs,profijt,practijk,gelei,karwei,livrei,qualiteit,quantiteit,sociëteit,fatsoen,katoen,kapoenenkapuin,aluin,abuis,fornuis,advies,commies, enz., waarbij men in het oog moet houden, datoeenievoorheen tweeklanken waren. Dat de taal vroeger met -eeren en-eelevenzoo heeft gehandeld, blijkt uit den Middelnederlandschen vorm-ieren.Ook-eelwerd wel als-ieluitgesproken, blijkens de gemeenzame taal in oude kluchtspelen; engatenplattiel,karviel, nevenskarveel, zijn nog in gebruik. Dat die tweeklanken alleen aan de werking van den klemtoon zijn toe te schrijven, blijkt uitprofiteerennaastprofijt,kopieerennaast kopij,praktizeerennaastpraktijk,abuseerennaastabúísenz.; zij veranderen niet in tweeklanken, waar zij den klemtoon niet hebben. De Redactie was hier dus vanzelf naar den klemtoon verwezen, niet naar den oorsprong dere’s, waarop men ook bij vreemde stammen niet let. Immers men schrijftcement, lat.caementum,planeten, lat.planêtae, evengoed met eene enkelee, alsceder, lat.cĕdrus.Het achtervoegsel-ees, fr.-aisen-ois, is lat.-ensis, na afwerping van-isen uitstooting van den. Het Nederlandsch pleegt na de uitstooting eenernde voorgaande vocaal te verlengen, er zelfs een tweeklank van te maken; blijkenskiekhoest, bijKiliaan, naastkinkhoest;muid, inIJselmuiden, naastmond, inIJselmonde;kluitnaastklont; ook schreef men voorheen, evenals in het Hoogduitsch,Portugies. De verlenging deregeschiedt dus ook hier volgens den aard der taal en tevens in overeenstemming met den regel.Het achtervoegsel-loos, goth. en onrd.-laus, ags.-leás, moet, ook volgens de afleiding, het beginsel dat bij de stammen geldt, evengoed als volgens den door ons gestelden regel voor de achtervoegsels, eene scherpeo(oo) hebben. Een achtervoegsel-loos,-loze, met de zachteo, datloszou beteekenen, heeft nooit bestaan. De taal heeft de adjectievenloos,loozeenlos,lossezoowel in uitspraak als in beteekenis steeds uiteengehouden. De Redactie mag niet medewerken om de verwarring, in den laatsten tijd daarin gebracht, te bestendigen.Neemt men derhalve alles op zijn strengst, dan heeft er tusschen de regels voor de stammen en die voor de achtervoegsels alleen strijd plaats bij de spelling van-heden, wat niemand met tweee’s wil, en ook niet behoeft tewillen, dewijl de spelling met eene enkeleein de klaarblijkelijkste overeenstemming is met de wetten, die de taal voor de achtervoegsels heeft aangenomen.80. Het aantal woorden, in wier spelling ten gevolge van het aangenomen beginsel eene verandering moet plaats grijpen, is betrekkelijk gering, en de meeste komen slechts zelden voor. Het zijn:beer(verscheurend dier), mv.beren, onderscheiden vanbeer(varken, waterkeering, muurstut en heiblok), mv.beeren;deel(plank en dorschvloer), mv.delen, onderscheiden vandeel(gedeelte), mv.deelen;deemoedig;deesem;dwepen;eega;heep(soort van handbijl), mv.hepen;keel(in de bouwkunde en wapenkunde),kelen, hetzelfde alskeel(lichaamsdeel);keren(vegen);kwee(vrucht);meren(een schip vastleggen);sleepen(voorttrekken), causatief vanslepen(gesleept of voortgetrokken worden);droog,droge,droger,drogen;hoonen;klooven(doen splijten), causatief vanklieven(in den verouderden zin vansplijten), onderscheiden vankloven, mv. vankloofen verl. tijd vankluiven;koozen,liefkoozen;kroon, mv.kronen;sloof(voorschoot), mv.slooven, onderscheiden vansloof(sukkelaarster), mv.sloven;toon(muziektoon), mv.tonen, onderscheiden vantoonen(wijzen) entoon(teen), mv.toonen;troon, mv.tronen;vroolijk;zoogen(laten zuigen), causatief vanzuigen, onderscheiden vanwij zogen, verl. tijd vanzuigen.Ofschoon het zeer waarschijnlijk is, dat deeinheer(dominus) enkeeren(vertere) oorspronkelijk zacht was, is toch de afleiding en oudste vorm dezer beide woorden niet met genoegzame zekerheid bekend, om over de natuur der vocaal stellig te beslissen, veelmin om eene verandering voor te stellen in de spelling van zoo gebruikelijke woorden, wier schrijfwijze door de gewoonte als eene tweede natuur is geworden.Neemt men in de weinige woorden, die verandering eischen, de vocaalspelling overeenkomstig de afleiding aan, dan is daarmede het geheele spellingstelsel der enkele of dubbeleeenomet de etymologie in overeenstemming gebracht. De onderscheiding moge in de practijk en bij het lager onderwijs hare moeilijkheid blijven behouden, dat bezwaar is nu eenmaal niet op te heffen, want niemand zeker zal bij eenig nadenken ernstig verlangen altijd de dubbele of altijd de enkeleeenote gebruiken. Vergelijk ook§ 26. Maar terwijl de practische moeilijkheid dezelfde blijft, wint men het onschatbare voorrecht, waarop geene andere Germaansche taal zich beroemen kan, dat de spelling dezer beide vocalen in onze taal overal aan den oorspronkelijken vorm der woorden getrouw is en aan de strengste eischen der wetenschap beantwoordt.a.De Redactie was vroeger van meening, dat deeinbegeerenzacht was. Zij grondde haar gevoelen op deiin ohd.giric, onrd.girug, enz., die zij voor kort hield, en welke in dat geval eene zachteezou hebben moeten opleveren. Desniettegenstaande achtte zij het ongeraden de algemeen aangenomen spelling van een zoo dikwijls voorkomend woord te veranderen, omdat er over het woord en zijne verwanten een duister verspreid lag, dat zij toen nog niet vermocht op te heffen. Bij nader onderzoek echter is het gebleken, dat dieì, in sommige handschriften door een accent (í) gekenmerkt, de langeîis, die in den regel onzeijheeft opgeleverd, behalve vóór eener, waar zij zich inie(vroeger een tweeklank) oploste: vergelijkwierookvoorwijrookvanwij(d)en;gier(roofvogel), nhd.geier, ohd.gîr;schierinSchiermonnikoog,Schieringer,schierroek, enz., ohd.scîrenz. Doch kanîde stam vanbegeerenniet zijn, dan moet hetgairwezen, dat in goth.gairuni,gairnjanenz. voorkomt en de echte tweeklankaiblijkt te zijn.Hierdoor wordt al het duistere weggenomen. Niet slechts is deieingierigverklaard, maar ook deain mnl.begaerenen nnl.gaarne, naastbegeeren,geerneengierig; en de vormen in de verwante talen blijken in overeenstemming te zijn. Deevanbegeerenis derhalve scherp, als zijnde uitaiontstaan, zoodat er van de spelling met éénee(begeren) geene sprake meer zijn kan.b.Ook zal men op bovenstaande lijst de woordenknoop,klootenzweepniet meer aantreffen. Bij nader onderzoek is het ons gebleken, dat in de oudere verwante talen tweeërlei vormen vanknoophebben bestaan, wat onder andere uit ofri.cnopencnâpblijkt, waarvan de eerste aan onze zachte, de laatste aan onze scherpeobeantwoordt. De uitspraak met de scherpeo, waarop de gebruikelijke spellingknoopenberust, kan derhalve niet als eene verbastering worden beschouwd, zoodat er voor de Redactie, die als beginsel heeft aangenomen, niet buiten volstrekte noodzaak veranderingen te maken, geene reden bestaat om de spelling hier te wijzigen; ze blijft daaromknoopenvastknoopen,ontknoopenenz. schrijven.c.Minder zekerheid bestaat er tot nog toe omtrent de oorspronkelijke vormen vanklootenzweep. Indien men echter die woorden voor één mag houden met ons kluit en mhd.sweif(staart), dan hebben ook hier vanouds tweeërlei vormen bestaan, en is de spellingklootenenzweepeneven wettig alsklotenenzwepen. Hoe men het ook neemt, de zachtheid der klinkers in beide woorden staat nog niet vast, zoodat deze zich in hetzelfde geval bevinden alsheerenenkeeren. De Redactie acht zich dus nog niet tot verandering gerechtigd, en blijft daaromklootenenzweepenschrijven.81. Ofschoon de spellingwereld, eigenlijkwer-eld, de beschaafde uitspraak van dit woord niet juist uitdrukt, meent de Redactie haar als de naastbijkomende te moeten verkiezen; vergelijk§ 41.Wareldtoch is met de uitspraak nog meer in strijd, en bovendien ook met de afleiding; en hetzelfde geldt vanwaereld, daar menaein onze taal steeds als de voorstelling eener langeaheeft aangemerkt en in België nog veelal als zoodanig beschouwt.Om dezelfde reden is ook de spellingvaersvoorverste verwerpen.82. Om de boven in§ 79ontwikkelde redenen is de Redactie voornemens de volleiete bezigen in de achtervoegsels-ief,-ieken-iet, zoolang die den klemtoon behouden, ook dan wanneerieop het einde der lettergreep komt, b.v. inmotie-ven,substantie-ven,fabrie-ken,republie-ken,Israëlie-ten,Mennonie-ten. Die spelling is buitendien in overeenstemming met het gevestigde gebruik ten opzichte van-ieren-iesinofficie-ren,tuinie-ren,commie-zen,valie-zen. Daarentegen acht zijiete zwaar, en daarom eene enkeleivoldoende, wanneer die achtervoegsels geheel toonloos worden, inmot-i-veeren,Jezu-ït-isme,fabr-ik-ant,muz-ik-ant,muz-ik-aal,republ-ik-ein. Vergelijk den Regel der Welluidendheid§ 61en 62.83. Om dezelfde redenen schrijven wij in het meervoudoli-ën,trali-ënenz., vanolie,tralieenz., dewijliein deze en dergelijke woorden geheel toonloos is; daarentegenknie-ën,spie-ën,drie-ën, waarin de eerste, enreliquie-ën,genie-ën, waarin de voorlaatste lettergreep den vollen klemtoon heeft. Dat men voorheenkniën,spiënspelde, is daaraan toe te schrijven, datie, uitiu(ioe) ontstaan, alstoen een tweeklank was, die nagenoeg tweelettergrepig, alsië, werd uitgesproken.Knie-en,spie-enzou toen derhalve geluid hebben alskní-e-en,spí-e-en.Thans echter isieeen zuivere (eenlettergrepige) klinker, gelijk b.v.ee, zoodat de oudere schrijfwijze niet meer in overeenstemming is met de hedendaagsche uitspraak; daaromknieën,spieën, evenalszeeën,tweeën; en zoo ookanalogieën,harmonieën,melodieën,reliquieënengenieën, verschillend vangeniën(géniën), meerv. vangenius.84. Ofschoon deiin het achtervoegsel-ischdenzelfden helderen klank heeft alsiein-ief,-iek,-ieten-ier, geeft de Redactie aan de meest gebruikelijke schrijfwijze met de enkeleiverreweg de voorkeur boven-iesch, omdat dit achtervoegsel steeds allen klemtoon mist, enidaarin zeer kort is. De onregelmatigheid is niet grooter dan bij het achtervoegsel-uwinschaduw,zwaluw, hetwelk evenzeer toonloos is en door niemand met tweeu’s geschreven wordt. Vergelijk den Regel der Welluidendheid§ 61en 62.Bij het beoordeelen van de regels in deze en de twee vorige §§ behoort men het onderscheid tusschen eene toonlooze lettergreep en een toonloozen klinker niet uit bet oog te verliezen. Toonloos is elke lettergreep, waarop in het geheel niet gedrukt wordt, waarop noch de halve, noch de volle klemtoon valt, b.v. de eerste inbe-hóúd,ge-lóóf,ver-driét, de laatste injá-ren,há-mel,há-mer,kó-ning,gróót-vader,hòfhóú-ding. Toonlooze klinkers zijn, in den regel, klinkers of tweeklanken, die geheel dof zijn geworden, als het ware alle kleur missen, en meer van een geruisch dan van een eigenlijken klank hebben; b.v. deeinaarde, onl.irtha, inhamer, ohd.hamar, inhemel, onl.himil; deuinGorkumuitGoring-heim; deiin het achtervoegsel-ig, goth.-agen-eig. Enkele toonlooze klinkers echter ontstaan als vanzelve tusschen twee medeklinkers, b.v. inhatelijk,beminnelijkenz. voorhaatlijk,beminlijkenz.Ofschoon het verliezen van den klemtoon de oorzaak is, dat de klinkers en tweeklanken toonloos worden, heeft dat verlies toch niet altijd de bedoelde verandering ten gevolge. De tweede lettergrepen inpy-ra-mide,mag-ne-tiseeren,mo-ti-veeren,ge-o-graaf,no-tu-len, en de laatste ino-lie,me-nie,tra-lie,Janua-ri,Ju-li,afgo-disch,nieuwmo-disch,scha-duw,zwa-luwenz. zijn toonloos, maar de daarin voorkomende klinkers, hoe flauw zij ook worden uitgesproken, behouden in eene beschaafde uitspraak hun eigenaardigen klank, en gaan niet in toonlooze klinkers over.Er bestaan derhalve toonlooze lettergrepen zonder toonlooze klinkers.85. Het letterteekenijstelde, gelijk men weet, oorspronkelijk in gesloten lettergrepen, alsmijn(miin),sijn(siin),de langeivoor, die in opene, alsmine,sine, door de enkeleiwerd vertegenwoordigd. Het teekenjwas dus in de genoemde en dergelijke woorden een gewijzigde vorm van de letteri, die gelijkstond met de tweedea,e,oenuinjaar,eed,roomenvuur. Het verlengen door het aanvoegen van een staart geschiedde sieraads- of duidelijkheidshalve; zoo schreef men ookvj,vij,viij, enz. voor 6, 7, 8. Dientengevolge hadjin strijd met§ 47,a.twee verschillende waarden, die van vocaal inmijn(miin) enwijn(wiin), en die van consonant injaer,joc. Toen in het Nnl. de langeiin de uitspraak gelijk werd aan den tweeklankei, kwam de schrijfwijzeijgeheel in strijd met de natuur van den klank, dien zij moest voorstellen, en die niet meer dooriiafgebeeld kon worden; men behield evenwel de oude letterteekens ondanks de veranderde uitspraak. De Redactie meende in het Woordenboek die onregelmatigheid te moeten vermijden en te dien einde het letterteeken voorijofIJin zooverre te wijzigen, dat het onderscheid tusscheni jen den hier bedoelden klank duidelijk bleek. Het natuurlijkste middel daartoe ware geweest, de beide deelen aan elkander tot eene eenheid te verbinden, gelijk men in het schrijven gewoon is te doen. Doch de zwarigheden van typographischen aard, die zich hierbij voordeden, de vreemde en onbehaaglijke lettervormen, die ons voorgelegd werden, en die vooral bij het kapitale letterteeken aanstootelijk waren, hebben ons genoodzaakt van ons goede voornemen af te zien en den gewonen vorm vanijenIJonzes ondanks te behouden.86. Volgens§ 47,a.moet men aan hetzelfde letterteeken niet buiten volstrekte noodzakelijkheid meer dan ééne waarde geven. Men handelt in strijd met dit beginsel, wanneer men thans nogkolijk,katholijk,fabrijk,muzijkenz.schrijft, en door die spelling aanleiding geeft, dat sommigen in die woorden werkelijk eeneijofeilaten hooren. Nu zij in de beschaafde uitspraak deni-, niet denei-klank hebben, eischt de eerste grondregelkoliek,katholiek,fabriekenz.; zoo ookpoëzie,harmonie,melodieenz. Den dichter blijve het echter vrijgelaten naar goeddunken ookpoëzij,harmonijenz. te schrijven, omdat in die woorden opie, die den klemtoon op de laatste syllabe hebben, ook de uitspraakijgeoorloofd is. Zie§ 40.Zoo schrijve men ookkoffie, lat.coffea, evenals men schrijftbalie,falie,malie,tralie,olie,foelie,linie,kevie,merrieenz.Nog sterker dan de spellingmuzijkvoormuziekenz. is af te keuren het gebruik van deijin de plaats van de enkele korteiofyin tweeklanken alsaij,eij,oij,uij,oeij, vooray,ey,oy,uy,oy, ofai,eienz. Deijheeft nooit als enkeleigegolden. Oudtijds had zij de waarde vanii, thans stelt zij een tweeklank voor, die alseiluidt; zoodataij, hoe men het neme, niet anders opgevat kàn worden, dan òf alsa+ie, òf alsa+ij(a+ei). Eene spelling metaijenz. laat zich dus op geenerlei wijze, noch door de vroegere, noch door de hedendaagsche uitspraak, rechtvaardigen, zelfs niet in die eigennamen, waarin eene oude spelling behouden wordt. Gesteld dat iemandVan der Kruisheet, dan zijn van dien naam verschillende schrijfwijzen, mits met gelijkluidende letters, te verdedigen:Kruis,CruysofCruyss; dochCruijskon voorheen niet anders geluid hebben dan krui-is of kru-iis, en kan thans niet anders worden uitgesproken dankru-ij-s(kru-eis);ijvooryis dus evenmin te rechtvaardigen als elke andere verwisseling van twee niet gelijkluidende letters, b.v. vanrenl:cruij-sis even ongeschikt om den klankkruiste vertegenwoordigen alskluisofkruidzijn zou. Alleen de gewoonte vanijenyte verwarren maakt, datkruijsminder ongerijmd schijnt.87. In de namen der maanden, die oorspronkelijk genitieven zijn (Januarii,Juniienz.), is dei-klank van een geheel anderen aard en oorsprong dan in een der bovengenoemde woorden. Het komt der Redactie wenschelijk voordien ook in de spelling van den uitgang-ie, welke hier en daar nog alsiëluidt, te blijven onderscheiden, en naar Latijnsch gebruikJanuari,Februari,JunienJulite schrijven. Deze spelling beantwoordt aan de uitspraak en is in overeenstemming met de door ons aangenomen regels voor het schrijven der bastaardwoorden.88. De afleiding eischt de vervanging vaneidoorijin de woordenmalvezei, fr.malvoisie, enkarwei(soort van zaad), fr.carvi, onderscheiden vankarwei(werk), fr.corvée. Daarentegen zal om dezelfde reden deijvansacristijn, fr.sacristain, ofschoon insacristij(fr.sacristie) op hare plaats, vooreimoeten wijken. Derhalvemalvezij,karwijzaad,sacristein, dochkarweitje,sacristij.Het woorddozijn, dat men lichtelijk voor het Fransche douzaine zou kunnen aanzien, moet zijneijbehouden. Niet uit het Fransch toch, maar uit het Latijn is het tot ons gekomen, gelijk onlangs te recht is aangemerkt. In de beschaafde uitspraak luidt het woord nietdoezijn, maardozijn, en sommige dialecten zeggendoziin, hetgeen op het Middeleeuwsch-latijnschedocenumwijst, en het woord op ééne lijn stelt metkrijt, lat.creta;venijn, lat.venenum;tapijt, lat.tapete.IJzenenijselijkhebben, hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk, hun bestaan te danken aan een woord, dat goth.agis, ohd.egisoluidde, en zouden uit dien hoofde, evenalszeiluitzegel,dweiluitdwegelenz., meteibehooren geschreven te worden, gelijk oudtijds werkelijk geschiedde. Daar echter het grondwoordeis(vrees, schrik) al vroeg vergeten werd, en men bij het schrikken niet zelden eene koude rilling voelt, begon men aan eene verwantschap metijste denken, en aaneizende bepaalde beteekenis te hechten vankoud worden,van schrik verstijven. In de uitdrukking:het is om van te ijzen, ziet het woord kennelijk op dekille huivering, die eene ontzettende aanschouwing of voorstelling veroorzaakt. Vandaar de verandering in de uitspraak en spelling. In die gewesten, waarijnog alsiklinkt, zegt menizeneniselik; en bijKiliaan,Coornherten anderen treft men de beide spellingen, meteienij, nevens elkander aan. Het een en ander bewijst, dat de »spraakmakende gemeente” naast het oude, nu vergeten, woord een nieuw met gewijzigde beteekenis gevormd heeft. Daar nu de spellingeizen,eiselijkniet zou kunnen strekken om op eenig thans algemeen bekend woord te verwijzen en zoodoende de beteekenis duidelijker te maken, vindt de Redactie geene reden om zonder eenig nut het algemeene gebruik te verlaten en, tegen de niet twijfelachtige uitspraak aan, een verouderd woord (althans een verouderden vorm) te hernemen, die bij het volk geheel vergeten is, en die bovendien een onbepaalder begrip vertegenwoordigt, dan het nieuwere woord of de nieuwere vorm. Zij schrijft derhalve volgens den Regel der Uitspraakijzenenijselijk.89. Op grond van§ 47,aeneverwerpt de Redactie de spelling vanby,my,hy,zy,dwingelandy,razernyenz. mety, omdat deze letter in oorspronkelijk Grieksche woorden, alscylinder,Styx,Egypte, reeds den gewoneni-klank voorstelt, en haar alsdan buiten eenige noodzakelijkheid eene tweede waarde zou toegekend worden. Dat deij-klank inbij,mij,hijslechts uit eene korte, niet uit eene langeiontstaan is, kan in haar oog geene reden zijn om inbreuk op het bedoelde beginsel te maken, te minder daar in opene eenlettergrepige woorden, alsthee,zoo, ook deeenoverdubbeld worden, ofschoon zij eigenlijk zacht zijn.90. Vreemde woorden en eigennamen, die op heldere of lange klinkers eindigen, nemen in den tweeden naamval van het enkelvoud en in alle naamvallen van het meervoud eenesaan, voorafgegaan door het uitlatingsteeken (’). DusMaria’s,Hebe’s,Garibaldi’s,Cicero’s,echo’s; nietMariaas,Hebeesenz. Daar de verdubbeling deriniet meer in gebruik is, zou men althans nietGaribaldiis, Paniniis,Rubiniiskunnen of willen schrijven; de analogie laat dus ookMariaas,Hebeesenz. niet toe. Buitendien is het dubbele letterteeken in strijd met de uitspraak van zulke woorden, waarin de eindvocaal nooit zoo lang wordt uitgerekt, als geschiedt met de klanken, die in Nederlandsche woorden in den regel dooraa,eeenz. worden voorgesteld. De welluidendheid, zoowel als de analogie, maakt derhalve het gebruik van het uitlatingsteeken verkieslijker dan het verdubbelen van den klinker. Zie§ 59, 61 en 62.Ook is het onveranderlijk bewaren van den vorm der eigennamen wenschelijk, ten einde alle verwarring te voorkomen. Daarom schrijft de Redactie ookBruining’s, ofBruinings’, naar gelang men den tweeden naamval of het meervoud vanBruiningof vanBruiningsbedoelt.De regel is natuurlijk niet van toepassing op echt Nederlandsche gemeene zelfstandige naamwoorden, alsga(samentr. vangade),ra,vla(vlade). Deaheeft in het meervoud dier woorden dezelfde zware of gerekte uitspraak als altijd in geslotene lettergrepen, b.v. als inaas,baas,geraas. Daarom schrijven wij nieteega’s,ra’s,vla’s, maar volgens den gewonen regel van het Nederlandsch, die in gesloten lettergrepen het verdubbelen van den helderen klinker voorschrijft:eegaas,raas,vlaas.91. De Redactie speltaar(korenaar),haar(hoofdhaar),meer(waterplas),door(van een ei),oorinoorsprong,oorzaak, nietair,hair,meir,doir,oirsprong, omdat de laatste schrijfwijze zoowel door de afleiding als door de uitspraakverworpen en door de duidelijkheid niet geëischt wordt, terwijl zij geheel op willekeur berust, daar er geene reden te bedenken is, waarom men niet liever inair(ader),hair(voornw.),meir(telw.),doir(voorzets.) enz. de verlenging doorizou aanduiden. Daarentegen meent zij de spellingheir(legermacht) enoir(erfgenaam) boven die vanheerenoorte moeten verkiezen; het eerste omdatheirde beschaafde uitspraak, hoewel niet juist, toch beter vertegenwoordigt danheer; het laatste als verbastering van het Franschehoir. De spellingoorzou dit weinig gebruikelijke en weinig bekende woord onherkenbaar maken, en zeer zeker de duidelijkheid niet bevorderen.
Over de bijzondere spelregels, waaromtrent verschil van gevoelen bestaat.Daar de Redactie, om redenen in het Voorbericht en in§ 27en 28 opgegeven, voor de door haar te volgen schrijfwijze de in Noord-Nederland gebruikelijke spelling als uitgangspunt heeft aangenomen, en deze genoegzaam bekend mag geacht worden, heeft zij het overtollig gerekend het geheele spellingstelsel te ontvouwen. Deze Tweede Afdeeling bevat dus slechts eene opgave der verbeteringen, die haar wenschelijk zijn voorgekomen, benevens eene vermelding van de keuze, die zij gemeend heeft te moeten doen uit de onderscheidene spellingen, ten opzichte waarvan onder onze letterkundigen verschil van gevoelen bestaat.De klinkers.73. De verlenging deraenuin geslotene lettergrepen geschiedtbuiten twijfel op de meest gepaste wijze door verdubbeling. De spellingaaenuubeantwoordt zoowel aan de uitspraak, als zij door de analogie gewettigd en door de etymologie niet gelogenstraft wordt. Zij verdient dus zeer zeker de voorkeur bovenaeenue.Aastelt denzelfden zuiveren klank voor, die doorawordt aangeduid. Bijaeis men geneigd te denken aan de naaretrekkende uitspraak der landlieden in sommige streken van Zuid-Holland en Zeeland; de Vlaamscheazou dooraomoeten afgebeeld worden. VergelijkTaalgids, IV, blz. 54–64.74. De spellingblaauw,flaauwenz. stelt eene uitspraak voor, die niet de gewone is, in het oor der groote meerderheid onaangenaam klinkt, en stellig niet tot de beschaafde gerekend wordt. Het komt ons derhalve niet raadzaam voor, eene spelling te bestendigen, die te recht door velen wordt afgekeurd, en voor wier behoud geene andere reden is aan te voeren dan een gebruik, dat op geene taalkundige gronden steunt en daarom, als strijdig met de beschaafde uitspraak, geen recht van bestaan heeft; vergelijk§ 66. Wij schrijven derhalveblauw,flauw,gauw,grauw,klauw,lauw,nauw,pauw,rauw,knauwen,krauwenenz. metau. Zoodoende heft men het geheel willekeurige verschil met de gebruikelijke schrijfwijzedauwenkauwop, die meer in overeenstemming is met de gewone uitspraak, welke veeleeroudanaaudoet hooren.75. Onder de regels, omtrent wier toepassing de gevoelens der taalkundigen uiteenloopen, staan die aangaande de verdubbeling dere’seno’sin opene lettergrepen bovenaan.SiegenbeekenWeilandvolgden daarbij de uitspraak, welke heerschte, of geacht werd te heerschen, in die streken, waar de genoemde letters op tweeërlei wijze, met den zoogenoemden zachten of met den scherpen klank, worden uitgesproken. Hunne handelwijze was natuurlijk. Immers de verdubbeling der letterteekens moest dienen om de meer gerekte, naar een tweeklank zweemende uitspraak der scherpeeenovan den eenigszins korteren, meer gelijkmatigen klank der zachte voor het oog te onderscheiden. Juist dat verschil in de uitspraak had het eerst het verschil in de natuur dier letters doen opmerken, terwijl de studie der Germaansche talen te hunnen tijde nog niet ver genoeg gevorderd was om den diepliggenden oorsprong van dat verschil te leeren kennen. Zij konden nog niet tot de oorzaken opklimmen en moesten dus hun onderzoek tot de gevolgen beperken. De uitspraak echter is in dit geval geen onfeilbaar en toereikend richtsnoer. Dit blijkt onder andere uit de wijze, waaropSiegenbeekgenoodzaakt was te werk te gaan bij de woorden, waaromtrent hij bij de schrijvers verschil van gevoelen gevonden had, en die hij daarom achter zijneVerhandeling over de Spellingaan een bijzonder onderzoek onderwierp. Bij al die woorden was hij verplicht de schrijvers, die het onderscheid in de uitspraak door hunne spelling uitdrukten, te raadplegen, hunne getuigenissen te wikken en te wegen, en als het ware de stemmen vóór en tegen te tellen. Waar men in eene wetenschap tot eene stemopneming zijne toevlucht moet nemen, is de evidentie der waarheid niet groot; maar vooral hier bleek duidelijk de zwakheid van den grondslag, waarop gebouwd werd. Als men dat groote vijftigtal artikels naleest, ziet men, dat niet alleen schrijvers, op verschillende plaatsen woonachtig, in hun oordeel over de uitspraak van dezelfde woorden onderling verschilden, maar ook dat velen zich zelven niet gelijk bleven. Men moge dit laatste verschijnsel aan slordige correctie willen toeschrijven, het bewijst in allen gevalle, dat de ware uitspraak niet zóó kennelijk vande valsche onderscheiden was, dat de corrector zich niet vergissen kon. Doch volstrekt onloochenbaar is het verschil tusschen de uitspraak van dezelfde woorden in verschillende gewesten en steden. Volgens het beweren vanSiegenbeekzelven wordenheeten,keten,menigte,smeeken,spenen,betoogen,genoot,klooven,loochenen,nopen,personenenschromenin Rotterdam anders dan in Zeeland uitgesproken; terwijl men in deze provincie zoowelpoogenalspogenen te Rotterdam zooweltonenalstoonenzou hooren1. Dat er ten opzichte van andere woorden reeds in de laatste helft der zestiende eeuw eene dergelijke onzekerheid bestond, kan men opmaken uit het woordenboek vanKiliaan, die aan de uitspraak bijzondere aandacht schonk en zich gehouden achtte een aantal woorden, alsderen,kelen,nering,peren,scheren,smeren,teeder,telen,teren,weren,zweren,zweven,bogen,boren,dolen,smokenenz. onder de beide vormen op te teekenen.Uit het aangevoerde blijkt overtuigend, dat het verschil in de werkelijke uitspraak der woorden, hetwelk vroeger het geheele land door moet geheerscht hebben, maar zich thans tot zekere streken en steden bepaalt, voor de spelling slechts een onzekeren grondslag kan uitmaken. Daarbij is het te voorzien, dat het eenmaal geheel zal ophouden. Men heeft om die redenen naar een ander beginsel om te zien, dat in substantie dezelfde uitkomsten oplevert, maar niet aan verandering onderhevig is, niet dreigt geheel te verdwijnen, en dat in de gevallen, waar verschil van uitspraak bestaat, op deugdelijke gronden kan beslissen. Zoodanig beginsel vinden wij gelukkig in den verschillenden oorsprong dere’s eno’s. Door de onderzoekingen der nieuwere taalkundigen namelijk is gebleken, dat de talen van den Indo-Germaanschenvolksstam oorspronkelijk slechts drie vocalen,a,ienu(lees:oe) bezaten, en dat al de overige klinkers, ook deeeno, uit die grondvocalen en de daaruit samengestelde tweeklanken ontstaan zijn; zie onder anderenBopp,Vergl. Gramm. des Sanskrit, Send etc.§§ 1–104. Deze stelling is de spil, waarom het gansche vocaalstelsel, ook dat der Germaansche talen, draait; met haar kunnen alle verschijnselen op het gebied der klankleer in genoemde talen natuurlijk en ongedwongen verklaard worden; zonder haar blijft alles duisternis en verwarring2. Doch al wil men haar ook al niet voor alle Indo-Germaanschetalen als geldig erkennen, ten opzichte van het Nederlandsch is zij niet te loochenen. Immers het kan, op weinig uitzonderingen na, aangetoond worden, uit welke van die grondklanken onzee’s eno’s ontstaan zijn, terwijl de weinige gevallen, waarin men dat niet kan, worden aangetroffen bij het betrekkelijk geringe getal woorden, wier ouderen vorm men tot nog toe niet heeft kunnen ontdekken.De verschillende oorsprong dere’s eno’s is de oorzaak van het onderscheid tusschen de zachte en de scherpe uitspraak. Eene vergelijking der Nederlandsche woorden, waarine’s eno’s voorkomen, met dezelfde of verwante woorden, hetzij in onze eigene taal, hetzij in andere oudere of nieuwere Germaansche talen, leert, dat deeenobeide drieërlei oorsprong hebben: dat deeeene wijziging vani,aofai, en deovanu(oe),aofauis. Verder blijkt, dat de lange heldere of openee’s eno’s uit de enkelvoudige, oorspronkelijke klinkersa,ienu(oe) ontstaan, juist diegene zijn, waaraan algemeen, behalve natuurlijk in degevallen waar verschil bestaat, de zoogenaamdezachtlangeklank wordt toegekend; terwijl de ineengesmolten tweeklankenaienauaan erkendescherplangee’s eno’s beantwoorden.Door deze waarneming worden bijna alle verschijnsels, die men in de geschiedenis onzere’s eno’s en in hare verwisseling met andere klanken opmerkt, volkomen opgehelderd. Zij verklaart vooreerst, hoe het komt, dat men die letters in verscheidene gewesten op tweeërlei wijze uitspreekt, en waarom de scherpe daar langer zijn dan de zachte en nog een zweem van een tweeklank hebben.—Vervolgens, waarom de zachtlangeémetaenien met de korteè, en de zachtlangeómet de korteòafwisselt, b.v. instad—steden,vagen—vegen,gift—geven,nicht—neef,spel—spelen,gebed—gebeden;ik kom—zij komen,lot—loten; en waarom de scherplangee’s eno’s met de tweeklankenei(ai) enou(au) verwisseld worden, b.v. ingereedenbereiden,breedenverbreiden,boomenbouwen,troostenvertrouwen.—Die waarneming eindelijk verklaart in vele gevallen, hoe het komt, dat een zelfde woord op tweeërlei wijze wordt uitgesproken, daar zij aantoont, dat men dan meestal twee verschillende woorden verward en voor hetzelfde gehouden heeft; b.v.beer(ursus) enbeer(verres);deel(pars) endeel(asser);klooven(doen splijten) enkloven(imperf. vankluivenen meerv. vankloof);toonen(lichaamsdeelen) entonen(klanken).76. De Redactie, het een en ander in aanmerking nemende, heeft besloten den oorsprong dere’s eno’s als grondbeginsel der vocaalspelling aan te nemen. Zij meent hare redenen aldus kortelijk te kunnen samenvatten:De ware uitspraak dere’s eno’s is niet op te maken uit de vroegere schrijfwijze, noch uit de uitspraak der hedendaagsche dialecten, omdat het blijkt, dat het in beide aan volkomene overeenstemming ontbreekt. Bovendien neemt het onderscheid tusschen den zachten en den scherpen klank dagelijks af, wordt daardoor steeds onzekerder en zal waarschijnlijkeenmaal geheel verdwijnen, gelijk het in sommige streken, en daardoor, streng genomen, in de zoogenoemde beschaafde uitspraak, reeds heeft opgehouden te bestaan. Daarentegen is de verschillende oorsprong der klinkers een onveranderlijk en onloochenbaar feit, hetwelk als oorzaak van het onderscheid in de uitspraak, grootendeels tot dezelfde uitkomsten leidt, en geheel tot dezelfde leiden zou, indien er nooit verwarring en verwisseling van klanken had plaats gehad.Daar het niet te loochenen is, dat de onderscheidene dialecten ten opzichte van een aantal woorden uiteenloopen, zou men genoodzaakt zijn uit de verschillende tongvallen eene keus te doen. Wie of wat zal die keus bepalen? Aan welk gewest zal de eer te beurt vallen aan al de Nederlanden de wet voor te schrijven? Zal het Oost- of West-Vlaanderen, Brabant of Antwerpen, Zeeland of Maasland, Zutfen of Overijsel wezen? Daarentegen is de oorsprong dere’s eno’s een feit, dat voor alle gewesten en tongvallen hetzelfde is. Geen dialect, of het geeft onloochenbare blijken van onderlinge verwisseling van zacht en scherp; ook het Groningsche, waarin anders het verschil wel het duidelijkst uitkomt en men uit dien hoofde het minst verwarring zou verwachten. Zoo is het b.v. volkomen zeker, dat de klinkers in (ik)weeten (wij)wetenoorspronkelijk verschilden, dat deevan het enkelvoud vroegerai, die van het meervoudiwas; en toch worden beide thans overal op dezelfde wijze uitgesproken, in het Groningsch scherp, alseiofij, inik weit,wij weiten; elders zacht, inik weetniet anders dan inwij weten. Welke stad of landstreek zou aan de overige bewoners van Nederland hare verkeerdheden willen opdringen of omgekeerd die van andere willen overnemen! Neemt men echter den oorsprong dere’s eno’s als grondslag aan, dan behoeft er geene keus gedaan te worden, waardoor iemand zich verongelijkt kan rekenen; men is dan billijk jegens allen, ook jegens de velen, die geen onderscheid in de uitspraak meer maken, en die deonderscheiding der zachte en scherpee’s eno’s als een last beschouwen.Al mocht men eenparig besluiten de uitspraak van eene bijzondere landstreek of plaats als wetgeefster te erkennen, die maatregel zou ontoereikend bevonden worden. Vooreerst kunnen de bewoners van andere plaatsen die uitspraak niet leeren kennen, zonder zich daar een geruimen tijd metterwoon te vestigen, terwijl ieder, die wil, zich in zijn studeervertrek van den oorsprong dere’s eno’s kan vergewissen. Doch er is iets dat meer afdoet. In de schrijftaal komen een aantal woorden voor, die niet algemeen zijn, die op de eene of andere plaats niet gebezigd worden. Hoe zal men handelen met de woorden, die in het bevoorrechte dialect niet gebruikt worden? en hoe met dezulke, die in het geheel niet meer tot de volkstaal behooren en waarvan dus de ware uitspraak volstrekt onbekend is? Ten aanzien van zoodanige woorden zou het aangenomen beginsel ontoereikend zijn; en naar welk kenmerk dan te werk te gaan? Daarentegen geeft de oorsprong dere’s eno’s een kenmiddel aan de hand, dat uit zijnen aard op alle woorden toepasselijk is, dat voor de dialecten, op weinige uitzonderingen na, dezelfde uitkomsten geeft, en dat ten minste voor alle taalbeoefenaars, ook in de streken waar geen onderscheid meer gehoord wordt, toegankelijk is.Het schrijven naar de uitspraak zou altijd gegrond blijven op feilbare waarnemingen van bijzondere individuen, wien het aan fijnheid van gehoor kan ontbreken. Het spellen naar den oorsprong dere’s eno’s is gegrond op het onderscheid tusschena,i,u(oe),aienau, klanken, die onderling zoozeer verschillen, dat daarbij geene vergissing en verwisseling kon plaats grijpen; het stelt bovendien de spelling meer onmiddellijk in verband met de afleiding, en kan zoodoende in vele gevallen het recht verstand der woorden bevorderen. Om den oorsprong dere’s eno’s te leeren kennen, moet men wel is waar dikwijls de verwante talen raadplegen; doch het zou eene geheel verkeerde beschouwingwezen, indien men het spellen naar de uitkomsten, die zij opleveren, wilde aanmerken als eene navolging van het vreemde. Dat raadplegen geschiedt alleen om te weten, hoe onze eigene taal in overoude tijden gesproken is; de onze kan op hare beurt aan andere talen dezelfde diensten bewijzen. Als wij b.v. aanbeenenenboomenscherpe klinkers toeschrijven, is zulks niet, omdat het Hoogduitschbeinenbaumzegt, maar omdat wij o.a. door het Hoogduitsch weten, dat onze eigene voorouders eenmaalbainenbaumhebben uitgesproken; de spellingbeenenenboomenberust derhalve inderdaad op verschijnselen in onze eigene taal. Vergelijk hierTaalgids, VI, blz. 153 v.77. De Redactie erkent, dat de dubbele vocaalspelling niet zonder last is voor het practische gebruik; zij behoudt ze evenwel, omdat zij meent het bestaande niet te mogen afbreken en geene groote veranderingen, maar alleen verbeteringen in de toepassing van erkende regels te moeten voorstellen. Daarom heeft zij er niet aan gedacht om ze ook op deaenutoe te passen, en b.v. naastva-der,za-del,u-renenz.jaa-ren,daa-den,wij vuu-renenz. te schrijven, ofschoon daarvoor gelijke redenen bestaan als voor de spellingbree-de,boo-menenz. Aan die bedoeling is het mede toe te schrijven, dat zij het spellen overeenkomstig den oorsprong dere’s eno’s tot de stamlettergrepen wil beperken, maar ten opzichte van de achtervoegsels naar den klemtoon wenscht te werk te gaan. Volgens dit beginsel acht zij,dat de achtervoegsels, die òf steeds òf somtijds den vollen klemtoon hebben, met eene dubbele vocaal behooren geschreven te worden, terwijl een enkel letterteeken toereikend is in die, welke nimmer den vollen klemtoon bekomen. In het eerste geval verkeert het achtervoegsel-loos, hetwelk ingoddelóós,zedelóósheid,zondelóósheidenz. den vollen klemtoon bekomt; vervolgens de bastaarduitgangen-eeren;-eelen-ees, die steeds den klemtoon hebben:regeeren,kasteelen,Japanneezen. Tot het tweede geval behoort-heid, mrv.-heden, dat nooit den vollenklemtoon heeft. Op die wijze eerbiedigt men het bestaande gebruik, waarin de schrijfwijze-eelenreeds is aangenomen, en die van-eezenmeer en meer begint door te dringen. Men wijkt alleen af in de spelling-eeren; doch voor de dubbele vocaal in dit achtervoegsel hebben zich sedert lang vele stemmen doen hooren, gelijk zij dan ook reeds doorBilderdijken zijne volgelingen erkend is. Inderdaad, wanneer men bedenkt, dat dit suffix altijd met een zwaren toon wordt uitgesproken; dat die uitspraak reeds van de oudste tijden dagteekent, blijkens het Middelnederlandsch, waarin men (gelijk nog heden in het Hoogduitsch) gewoonlijk-ierenschreef; en dat deiedestijds nog een tweeklank was: dan schijnt alles er voor te pleiten om in dezen het voorbeeld vanBilderdijkte volgen.Een achtervoegsel-eet, welks bestaan door enkelen beweerd wordt, is bij de Redactie onbekend. In al de woorden, op-eeteindigende, die zij zich kan te binnen brengen, behoort deetot den stam des woords, en kan alleen detals achtervoegsel worden beschouwd. Deze is inparacleet,poëet,profeet, en ook inkomeetenplaneet, een overblijfsel van het Grieksche suffix-της, lat.-ta, waarmede meestal mansnamen gevormd worden; incompleet,concreet,discreet,secreet, van het Latijnsche suffix-tus,-ta,-tum, dat verl. deelw. vormt. Daar er geene suffixen-ητης,-etusenz. bestaan, is bij de woorden op-eetniet de regel voor de achtervoegsels, maar die voor de stammen van toepassing. De Redactie schrijft daarom met éénee:poëten,profeten,concrete,completeenz.; en om gelijke redenen met ééneo;astronomen,oeconomen,horoscopen,telescopen,philanthropen,misanthropen,heliotropen,theologen,philologen, enz. waarinnoom,scoop,anthroop,troopenloogverbasteringen van geheele woorden, niet van achtervoegsels zijn.78. Slechts schijnbaar bestaat hier eene inconsequentie; in den grond wordt bij de stamlettergrepen hetzelfde beginsel gehuldigd als bij de achtervoegsels, alleen met beperking in de toepassing. Dat beginsel is de zooveel mogelijk juiste afbeelding der uitspraak. Immers de verdubbeling der letters moest aanvankelijk dienen om de scherpee’s eno’s, uit tweeklanken ontstaan, te kenmerken als langer dan de zachte, die als wijzigingen van de enkelvoudige klinkersa,ienu(oe) korter waren. De verdubbeling bedoelde kennelijk het voorstellen van een langen, gerekten klank, en het is alleen ten gevolge van het onderling meer gelijk worden der zachte en scherpee’s eno’s, dat het doel thans niet meer zoo in het oog loopt.Aan de werking van den klemtoon is het toe te schrijven, dat het onderscheid tusschen zacht en scherp in sommige streken en in de beschaafde uitspraak geheel uitgewischt is. De klemtoon, wanneer hij rust op opene lettergrepen, brengt vanzelf mede, dat de daarin voorkomende vocalen alle even lang worden uitgesproken, onverschillig, of zij uit klinkers dan wel uit tweeklanken ontstaan zijn. Daarom wil het gebruik in opene eenlettergrepige woorden de verdubbeling van den klinker, al is die niet scherp, b.v. inthee,vloo,zoo. Daarentegen is de quantiteit in lettergrepen, die slechts den halven toon hebben, of geheel toonloos zijn, merkelijk geringer, ook wanneer zij tweeklanken zijn, b.v. inwaarheid,waarlijk,arbeid,armoede; voor de zoodanige wordt de dubbele vocaal algemeen te zwaar geacht. Daarom wil het gebruik sinds lang eene enkeleein-heden, meerv. van-heid, ofschoon dieeuiteiontstaan en dus scherp is; daarom wil het de enkeleiin-isch, niettegenstaande in dit achtervoegsel de klank gehoord wordt, die in gesloten lettergrepen steeds dooriewordt voorgesteld; daarom verliezen de achtervoegsels-eel,-ief,-ieten-iekeeneeinkast-el-ein,subject-iv-iteit,Jezu-it-isme,f-abr-ik-ant.De Redactie beoogt derhalve met het stellen van den boven ontwikkelden regel voor de spelling der achtervoegsels hetzelfde doel, dat men oorspronkelijk met de verdubbeling dereenozocht te bereiken, namelijk eene zooveel mogelijk juiste afbeelding van de heerschende uitspraak. Door het stellen van dien regel zet zij alleen eene schrede verderop den weg, die reeds door het Gebruik gevolgd wordt, en handelt zij overeenkomstig den Regel der Welluidendheid.79. Acht de Redactie den door haar aangenomen regel voor de achtervoegsels voornamelijk daarom verkieselijk,omdat hij gemakkelijk is, en door iedereen, ook zonder kennis van vreemde talen, kan worden toegepast, zij werd, wilde zij hier niet beginselloos te werk gaan, tot het stellen van dien regel als het ware gedwongen. Immers de grondbeginselen, die voor de stammen gelden, zouden op de achtervoegsels niet toegepast kunnen worden.Vooreerst toch zou het meervoud van-heid, goth.haidus, mv.haidjus, hd.heit, mv.-heiten, volgens die beginselen tweee’s moeten hebben. Doch wie zou te bewegen zijn om het thans eenparige gebruik, dat reeds bij de Staten-overzetters gold, te verlaten, en voortaanaangenaamheeden,boosheeden,kinderachtigheedenen zoo vele andere-heedenmet tweee’s te gaan schrijven? Die spelling wordt trouwens door niemand verlangd, en zou strijden met het beginsel door de Redactie aangenomen, namelijk geene veelomvattende veranderingen te beproeven, wanneer er geene dringende redenen voor bestaan en de gebruikelijke spelling te rechtvaardigen is.De uitgangen-eerenen-eelzijn bastaardachtervoegsels; en dee’s, die daarin voorkomen, zijn niet alle van denzelfden oorsprong. Sommige zijn ontstaan uit korte klinkers, andere zijn samentrekkingen van twee lettergrepen. In het eerste geval zouden zij ééne, in het laatste tweee’s vorderen; doch het laat zich niet altijd bepalen, met welk eeneemen te doen heeft. Wij hebben-eeren, mnl.-ieren, uit het Fransch bekomen; maar in het gebruik daarvan hebben wij onzen eigen weg bewandeld, ons om die taal verder niet bekommerende. Deevanregeerenschijnt die te zijn van fr.régner; maar mnl.regnieren, waaruitregeerenontstaan is, verbiedt ons aan eene onmiddellijke overneming van dieete denken; en die inconcipieerenis toch wel niet deoivan fr.concevoir, noch die vanfarceerendeivanfarcir. Het Fransch, waarin de e’s trouwens ook niet oorspronkelijk zijn, kan dus niet tot leiddraad strekken; men zou dan in allen gevalle tot het Latijn moeten gaan. Doch dit heeft vier uitgangen:-âre,-êre,-îreen-ĕre;daarin zijnâ,ê, enîsamentrekkingen van de lettergreepaja(skr.aya); maar-ĕreheeft eeneeuit de korteiontstaan. Dienovereenkomstig zou mencommuniceeren,doceeren,recenseeren,farceerenenz. metee, maardefenderen,fingeren,absolverenenz. metemoeten spellen. Zou het verstandig wezen het publiek dezen nieuwen last op de schouders te willen binden en het te verplichten de Latijnsche conjugatie te gaan leeren? En hoe dan nog te handelen met woorden, waaraan geen Latijnsch werkwoord beantwoordt, b. v, mettrotseeren,waardeeren,stoffeeren?Bij-eelzouden de moeilijkheden niet geringer wezen. Aan deein dit achtervoegsel beantwoordt wel is waar doorgaans eene korte Latijnscheeofi: doch inconditioneel,crimineel,inaugureel,origineeleene langea. Deze is incriminaliseninauguralisweder de samentrekking van-aja-; maar wat is zij inconditionalisenoriginalis, waarnaast geene werkwoorden bestaan? En welkeehebben wij inhouweel,tooneel,fluweel? Hier zou in elk geval wederom eene willekeurige beslissing, een doorhakken van den knoop, moeten plaats hebben. Doch er is eene andere oplossing mogelijk. Men vrage niet: wat willen enkele grammatici? maar: wat wil het volk? wat wil de taal, en wat heeft zij altijd gewild? Dan is het antwoord niet twijfelachtig. De taal handelt bij de vreemde achtervoegsels geheel anders dan bij de vreemde stammen, waarin zij zachtee’s eno’s laat hooren. Zij heeft de bastaarduitgangen, die den klemtoon hebben, steeds als lang beschouwd en er tweeklanken van gemaakt. Tot getuigen kunnen strekkenabdij,soldij,tyrannij,azijn,dolfijn,venijn,paradijs,patrijs,saucijs,profijt,practijk,gelei,karwei,livrei,qualiteit,quantiteit,sociëteit,fatsoen,katoen,kapoenenkapuin,aluin,abuis,fornuis,advies,commies, enz., waarbij men in het oog moet houden, datoeenievoorheen tweeklanken waren. Dat de taal vroeger met -eeren en-eelevenzoo heeft gehandeld, blijkt uit den Middelnederlandschen vorm-ieren.Ook-eelwerd wel als-ieluitgesproken, blijkens de gemeenzame taal in oude kluchtspelen; engatenplattiel,karviel, nevenskarveel, zijn nog in gebruik. Dat die tweeklanken alleen aan de werking van den klemtoon zijn toe te schrijven, blijkt uitprofiteerennaastprofijt,kopieerennaast kopij,praktizeerennaastpraktijk,abuseerennaastabúísenz.; zij veranderen niet in tweeklanken, waar zij den klemtoon niet hebben. De Redactie was hier dus vanzelf naar den klemtoon verwezen, niet naar den oorsprong dere’s, waarop men ook bij vreemde stammen niet let. Immers men schrijftcement, lat.caementum,planeten, lat.planêtae, evengoed met eene enkelee, alsceder, lat.cĕdrus.Het achtervoegsel-ees, fr.-aisen-ois, is lat.-ensis, na afwerping van-isen uitstooting van den. Het Nederlandsch pleegt na de uitstooting eenernde voorgaande vocaal te verlengen, er zelfs een tweeklank van te maken; blijkenskiekhoest, bijKiliaan, naastkinkhoest;muid, inIJselmuiden, naastmond, inIJselmonde;kluitnaastklont; ook schreef men voorheen, evenals in het Hoogduitsch,Portugies. De verlenging deregeschiedt dus ook hier volgens den aard der taal en tevens in overeenstemming met den regel.Het achtervoegsel-loos, goth. en onrd.-laus, ags.-leás, moet, ook volgens de afleiding, het beginsel dat bij de stammen geldt, evengoed als volgens den door ons gestelden regel voor de achtervoegsels, eene scherpeo(oo) hebben. Een achtervoegsel-loos,-loze, met de zachteo, datloszou beteekenen, heeft nooit bestaan. De taal heeft de adjectievenloos,loozeenlos,lossezoowel in uitspraak als in beteekenis steeds uiteengehouden. De Redactie mag niet medewerken om de verwarring, in den laatsten tijd daarin gebracht, te bestendigen.Neemt men derhalve alles op zijn strengst, dan heeft er tusschen de regels voor de stammen en die voor de achtervoegsels alleen strijd plaats bij de spelling van-heden, wat niemand met tweee’s wil, en ook niet behoeft tewillen, dewijl de spelling met eene enkeleein de klaarblijkelijkste overeenstemming is met de wetten, die de taal voor de achtervoegsels heeft aangenomen.80. Het aantal woorden, in wier spelling ten gevolge van het aangenomen beginsel eene verandering moet plaats grijpen, is betrekkelijk gering, en de meeste komen slechts zelden voor. Het zijn:beer(verscheurend dier), mv.beren, onderscheiden vanbeer(varken, waterkeering, muurstut en heiblok), mv.beeren;deel(plank en dorschvloer), mv.delen, onderscheiden vandeel(gedeelte), mv.deelen;deemoedig;deesem;dwepen;eega;heep(soort van handbijl), mv.hepen;keel(in de bouwkunde en wapenkunde),kelen, hetzelfde alskeel(lichaamsdeel);keren(vegen);kwee(vrucht);meren(een schip vastleggen);sleepen(voorttrekken), causatief vanslepen(gesleept of voortgetrokken worden);droog,droge,droger,drogen;hoonen;klooven(doen splijten), causatief vanklieven(in den verouderden zin vansplijten), onderscheiden vankloven, mv. vankloofen verl. tijd vankluiven;koozen,liefkoozen;kroon, mv.kronen;sloof(voorschoot), mv.slooven, onderscheiden vansloof(sukkelaarster), mv.sloven;toon(muziektoon), mv.tonen, onderscheiden vantoonen(wijzen) entoon(teen), mv.toonen;troon, mv.tronen;vroolijk;zoogen(laten zuigen), causatief vanzuigen, onderscheiden vanwij zogen, verl. tijd vanzuigen.Ofschoon het zeer waarschijnlijk is, dat deeinheer(dominus) enkeeren(vertere) oorspronkelijk zacht was, is toch de afleiding en oudste vorm dezer beide woorden niet met genoegzame zekerheid bekend, om over de natuur der vocaal stellig te beslissen, veelmin om eene verandering voor te stellen in de spelling van zoo gebruikelijke woorden, wier schrijfwijze door de gewoonte als eene tweede natuur is geworden.Neemt men in de weinige woorden, die verandering eischen, de vocaalspelling overeenkomstig de afleiding aan, dan is daarmede het geheele spellingstelsel der enkele of dubbeleeenomet de etymologie in overeenstemming gebracht. De onderscheiding moge in de practijk en bij het lager onderwijs hare moeilijkheid blijven behouden, dat bezwaar is nu eenmaal niet op te heffen, want niemand zeker zal bij eenig nadenken ernstig verlangen altijd de dubbele of altijd de enkeleeenote gebruiken. Vergelijk ook§ 26. Maar terwijl de practische moeilijkheid dezelfde blijft, wint men het onschatbare voorrecht, waarop geene andere Germaansche taal zich beroemen kan, dat de spelling dezer beide vocalen in onze taal overal aan den oorspronkelijken vorm der woorden getrouw is en aan de strengste eischen der wetenschap beantwoordt.a.De Redactie was vroeger van meening, dat deeinbegeerenzacht was. Zij grondde haar gevoelen op deiin ohd.giric, onrd.girug, enz., die zij voor kort hield, en welke in dat geval eene zachteezou hebben moeten opleveren. Desniettegenstaande achtte zij het ongeraden de algemeen aangenomen spelling van een zoo dikwijls voorkomend woord te veranderen, omdat er over het woord en zijne verwanten een duister verspreid lag, dat zij toen nog niet vermocht op te heffen. Bij nader onderzoek echter is het gebleken, dat dieì, in sommige handschriften door een accent (í) gekenmerkt, de langeîis, die in den regel onzeijheeft opgeleverd, behalve vóór eener, waar zij zich inie(vroeger een tweeklank) oploste: vergelijkwierookvoorwijrookvanwij(d)en;gier(roofvogel), nhd.geier, ohd.gîr;schierinSchiermonnikoog,Schieringer,schierroek, enz., ohd.scîrenz. Doch kanîde stam vanbegeerenniet zijn, dan moet hetgairwezen, dat in goth.gairuni,gairnjanenz. voorkomt en de echte tweeklankaiblijkt te zijn.Hierdoor wordt al het duistere weggenomen. Niet slechts is deieingierigverklaard, maar ook deain mnl.begaerenen nnl.gaarne, naastbegeeren,geerneengierig; en de vormen in de verwante talen blijken in overeenstemming te zijn. Deevanbegeerenis derhalve scherp, als zijnde uitaiontstaan, zoodat er van de spelling met éénee(begeren) geene sprake meer zijn kan.b.Ook zal men op bovenstaande lijst de woordenknoop,klootenzweepniet meer aantreffen. Bij nader onderzoek is het ons gebleken, dat in de oudere verwante talen tweeërlei vormen vanknoophebben bestaan, wat onder andere uit ofri.cnopencnâpblijkt, waarvan de eerste aan onze zachte, de laatste aan onze scherpeobeantwoordt. De uitspraak met de scherpeo, waarop de gebruikelijke spellingknoopenberust, kan derhalve niet als eene verbastering worden beschouwd, zoodat er voor de Redactie, die als beginsel heeft aangenomen, niet buiten volstrekte noodzaak veranderingen te maken, geene reden bestaat om de spelling hier te wijzigen; ze blijft daaromknoopenvastknoopen,ontknoopenenz. schrijven.c.Minder zekerheid bestaat er tot nog toe omtrent de oorspronkelijke vormen vanklootenzweep. Indien men echter die woorden voor één mag houden met ons kluit en mhd.sweif(staart), dan hebben ook hier vanouds tweeërlei vormen bestaan, en is de spellingklootenenzweepeneven wettig alsklotenenzwepen. Hoe men het ook neemt, de zachtheid der klinkers in beide woorden staat nog niet vast, zoodat deze zich in hetzelfde geval bevinden alsheerenenkeeren. De Redactie acht zich dus nog niet tot verandering gerechtigd, en blijft daaromklootenenzweepenschrijven.81. Ofschoon de spellingwereld, eigenlijkwer-eld, de beschaafde uitspraak van dit woord niet juist uitdrukt, meent de Redactie haar als de naastbijkomende te moeten verkiezen; vergelijk§ 41.Wareldtoch is met de uitspraak nog meer in strijd, en bovendien ook met de afleiding; en hetzelfde geldt vanwaereld, daar menaein onze taal steeds als de voorstelling eener langeaheeft aangemerkt en in België nog veelal als zoodanig beschouwt.Om dezelfde reden is ook de spellingvaersvoorverste verwerpen.82. Om de boven in§ 79ontwikkelde redenen is de Redactie voornemens de volleiete bezigen in de achtervoegsels-ief,-ieken-iet, zoolang die den klemtoon behouden, ook dan wanneerieop het einde der lettergreep komt, b.v. inmotie-ven,substantie-ven,fabrie-ken,republie-ken,Israëlie-ten,Mennonie-ten. Die spelling is buitendien in overeenstemming met het gevestigde gebruik ten opzichte van-ieren-iesinofficie-ren,tuinie-ren,commie-zen,valie-zen. Daarentegen acht zijiete zwaar, en daarom eene enkeleivoldoende, wanneer die achtervoegsels geheel toonloos worden, inmot-i-veeren,Jezu-ït-isme,fabr-ik-ant,muz-ik-ant,muz-ik-aal,republ-ik-ein. Vergelijk den Regel der Welluidendheid§ 61en 62.83. Om dezelfde redenen schrijven wij in het meervoudoli-ën,trali-ënenz., vanolie,tralieenz., dewijliein deze en dergelijke woorden geheel toonloos is; daarentegenknie-ën,spie-ën,drie-ën, waarin de eerste, enreliquie-ën,genie-ën, waarin de voorlaatste lettergreep den vollen klemtoon heeft. Dat men voorheenkniën,spiënspelde, is daaraan toe te schrijven, datie, uitiu(ioe) ontstaan, alstoen een tweeklank was, die nagenoeg tweelettergrepig, alsië, werd uitgesproken.Knie-en,spie-enzou toen derhalve geluid hebben alskní-e-en,spí-e-en.Thans echter isieeen zuivere (eenlettergrepige) klinker, gelijk b.v.ee, zoodat de oudere schrijfwijze niet meer in overeenstemming is met de hedendaagsche uitspraak; daaromknieën,spieën, evenalszeeën,tweeën; en zoo ookanalogieën,harmonieën,melodieën,reliquieënengenieën, verschillend vangeniën(géniën), meerv. vangenius.84. Ofschoon deiin het achtervoegsel-ischdenzelfden helderen klank heeft alsiein-ief,-iek,-ieten-ier, geeft de Redactie aan de meest gebruikelijke schrijfwijze met de enkeleiverreweg de voorkeur boven-iesch, omdat dit achtervoegsel steeds allen klemtoon mist, enidaarin zeer kort is. De onregelmatigheid is niet grooter dan bij het achtervoegsel-uwinschaduw,zwaluw, hetwelk evenzeer toonloos is en door niemand met tweeu’s geschreven wordt. Vergelijk den Regel der Welluidendheid§ 61en 62.Bij het beoordeelen van de regels in deze en de twee vorige §§ behoort men het onderscheid tusschen eene toonlooze lettergreep en een toonloozen klinker niet uit bet oog te verliezen. Toonloos is elke lettergreep, waarop in het geheel niet gedrukt wordt, waarop noch de halve, noch de volle klemtoon valt, b.v. de eerste inbe-hóúd,ge-lóóf,ver-driét, de laatste injá-ren,há-mel,há-mer,kó-ning,gróót-vader,hòfhóú-ding. Toonlooze klinkers zijn, in den regel, klinkers of tweeklanken, die geheel dof zijn geworden, als het ware alle kleur missen, en meer van een geruisch dan van een eigenlijken klank hebben; b.v. deeinaarde, onl.irtha, inhamer, ohd.hamar, inhemel, onl.himil; deuinGorkumuitGoring-heim; deiin het achtervoegsel-ig, goth.-agen-eig. Enkele toonlooze klinkers echter ontstaan als vanzelve tusschen twee medeklinkers, b.v. inhatelijk,beminnelijkenz. voorhaatlijk,beminlijkenz.Ofschoon het verliezen van den klemtoon de oorzaak is, dat de klinkers en tweeklanken toonloos worden, heeft dat verlies toch niet altijd de bedoelde verandering ten gevolge. De tweede lettergrepen inpy-ra-mide,mag-ne-tiseeren,mo-ti-veeren,ge-o-graaf,no-tu-len, en de laatste ino-lie,me-nie,tra-lie,Janua-ri,Ju-li,afgo-disch,nieuwmo-disch,scha-duw,zwa-luwenz. zijn toonloos, maar de daarin voorkomende klinkers, hoe flauw zij ook worden uitgesproken, behouden in eene beschaafde uitspraak hun eigenaardigen klank, en gaan niet in toonlooze klinkers over.Er bestaan derhalve toonlooze lettergrepen zonder toonlooze klinkers.85. Het letterteekenijstelde, gelijk men weet, oorspronkelijk in gesloten lettergrepen, alsmijn(miin),sijn(siin),de langeivoor, die in opene, alsmine,sine, door de enkeleiwerd vertegenwoordigd. Het teekenjwas dus in de genoemde en dergelijke woorden een gewijzigde vorm van de letteri, die gelijkstond met de tweedea,e,oenuinjaar,eed,roomenvuur. Het verlengen door het aanvoegen van een staart geschiedde sieraads- of duidelijkheidshalve; zoo schreef men ookvj,vij,viij, enz. voor 6, 7, 8. Dientengevolge hadjin strijd met§ 47,a.twee verschillende waarden, die van vocaal inmijn(miin) enwijn(wiin), en die van consonant injaer,joc. Toen in het Nnl. de langeiin de uitspraak gelijk werd aan den tweeklankei, kwam de schrijfwijzeijgeheel in strijd met de natuur van den klank, dien zij moest voorstellen, en die niet meer dooriiafgebeeld kon worden; men behield evenwel de oude letterteekens ondanks de veranderde uitspraak. De Redactie meende in het Woordenboek die onregelmatigheid te moeten vermijden en te dien einde het letterteeken voorijofIJin zooverre te wijzigen, dat het onderscheid tusscheni jen den hier bedoelden klank duidelijk bleek. Het natuurlijkste middel daartoe ware geweest, de beide deelen aan elkander tot eene eenheid te verbinden, gelijk men in het schrijven gewoon is te doen. Doch de zwarigheden van typographischen aard, die zich hierbij voordeden, de vreemde en onbehaaglijke lettervormen, die ons voorgelegd werden, en die vooral bij het kapitale letterteeken aanstootelijk waren, hebben ons genoodzaakt van ons goede voornemen af te zien en den gewonen vorm vanijenIJonzes ondanks te behouden.86. Volgens§ 47,a.moet men aan hetzelfde letterteeken niet buiten volstrekte noodzakelijkheid meer dan ééne waarde geven. Men handelt in strijd met dit beginsel, wanneer men thans nogkolijk,katholijk,fabrijk,muzijkenz.schrijft, en door die spelling aanleiding geeft, dat sommigen in die woorden werkelijk eeneijofeilaten hooren. Nu zij in de beschaafde uitspraak deni-, niet denei-klank hebben, eischt de eerste grondregelkoliek,katholiek,fabriekenz.; zoo ookpoëzie,harmonie,melodieenz. Den dichter blijve het echter vrijgelaten naar goeddunken ookpoëzij,harmonijenz. te schrijven, omdat in die woorden opie, die den klemtoon op de laatste syllabe hebben, ook de uitspraakijgeoorloofd is. Zie§ 40.Zoo schrijve men ookkoffie, lat.coffea, evenals men schrijftbalie,falie,malie,tralie,olie,foelie,linie,kevie,merrieenz.Nog sterker dan de spellingmuzijkvoormuziekenz. is af te keuren het gebruik van deijin de plaats van de enkele korteiofyin tweeklanken alsaij,eij,oij,uij,oeij, vooray,ey,oy,uy,oy, ofai,eienz. Deijheeft nooit als enkeleigegolden. Oudtijds had zij de waarde vanii, thans stelt zij een tweeklank voor, die alseiluidt; zoodataij, hoe men het neme, niet anders opgevat kàn worden, dan òf alsa+ie, òf alsa+ij(a+ei). Eene spelling metaijenz. laat zich dus op geenerlei wijze, noch door de vroegere, noch door de hedendaagsche uitspraak, rechtvaardigen, zelfs niet in die eigennamen, waarin eene oude spelling behouden wordt. Gesteld dat iemandVan der Kruisheet, dan zijn van dien naam verschillende schrijfwijzen, mits met gelijkluidende letters, te verdedigen:Kruis,CruysofCruyss; dochCruijskon voorheen niet anders geluid hebben dan krui-is of kru-iis, en kan thans niet anders worden uitgesproken dankru-ij-s(kru-eis);ijvooryis dus evenmin te rechtvaardigen als elke andere verwisseling van twee niet gelijkluidende letters, b.v. vanrenl:cruij-sis even ongeschikt om den klankkruiste vertegenwoordigen alskluisofkruidzijn zou. Alleen de gewoonte vanijenyte verwarren maakt, datkruijsminder ongerijmd schijnt.87. In de namen der maanden, die oorspronkelijk genitieven zijn (Januarii,Juniienz.), is dei-klank van een geheel anderen aard en oorsprong dan in een der bovengenoemde woorden. Het komt der Redactie wenschelijk voordien ook in de spelling van den uitgang-ie, welke hier en daar nog alsiëluidt, te blijven onderscheiden, en naar Latijnsch gebruikJanuari,Februari,JunienJulite schrijven. Deze spelling beantwoordt aan de uitspraak en is in overeenstemming met de door ons aangenomen regels voor het schrijven der bastaardwoorden.88. De afleiding eischt de vervanging vaneidoorijin de woordenmalvezei, fr.malvoisie, enkarwei(soort van zaad), fr.carvi, onderscheiden vankarwei(werk), fr.corvée. Daarentegen zal om dezelfde reden deijvansacristijn, fr.sacristain, ofschoon insacristij(fr.sacristie) op hare plaats, vooreimoeten wijken. Derhalvemalvezij,karwijzaad,sacristein, dochkarweitje,sacristij.Het woorddozijn, dat men lichtelijk voor het Fransche douzaine zou kunnen aanzien, moet zijneijbehouden. Niet uit het Fransch toch, maar uit het Latijn is het tot ons gekomen, gelijk onlangs te recht is aangemerkt. In de beschaafde uitspraak luidt het woord nietdoezijn, maardozijn, en sommige dialecten zeggendoziin, hetgeen op het Middeleeuwsch-latijnschedocenumwijst, en het woord op ééne lijn stelt metkrijt, lat.creta;venijn, lat.venenum;tapijt, lat.tapete.IJzenenijselijkhebben, hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk, hun bestaan te danken aan een woord, dat goth.agis, ohd.egisoluidde, en zouden uit dien hoofde, evenalszeiluitzegel,dweiluitdwegelenz., meteibehooren geschreven te worden, gelijk oudtijds werkelijk geschiedde. Daar echter het grondwoordeis(vrees, schrik) al vroeg vergeten werd, en men bij het schrikken niet zelden eene koude rilling voelt, begon men aan eene verwantschap metijste denken, en aaneizende bepaalde beteekenis te hechten vankoud worden,van schrik verstijven. In de uitdrukking:het is om van te ijzen, ziet het woord kennelijk op dekille huivering, die eene ontzettende aanschouwing of voorstelling veroorzaakt. Vandaar de verandering in de uitspraak en spelling. In die gewesten, waarijnog alsiklinkt, zegt menizeneniselik; en bijKiliaan,Coornherten anderen treft men de beide spellingen, meteienij, nevens elkander aan. Het een en ander bewijst, dat de »spraakmakende gemeente” naast het oude, nu vergeten, woord een nieuw met gewijzigde beteekenis gevormd heeft. Daar nu de spellingeizen,eiselijkniet zou kunnen strekken om op eenig thans algemeen bekend woord te verwijzen en zoodoende de beteekenis duidelijker te maken, vindt de Redactie geene reden om zonder eenig nut het algemeene gebruik te verlaten en, tegen de niet twijfelachtige uitspraak aan, een verouderd woord (althans een verouderden vorm) te hernemen, die bij het volk geheel vergeten is, en die bovendien een onbepaalder begrip vertegenwoordigt, dan het nieuwere woord of de nieuwere vorm. Zij schrijft derhalve volgens den Regel der Uitspraakijzenenijselijk.89. Op grond van§ 47,aeneverwerpt de Redactie de spelling vanby,my,hy,zy,dwingelandy,razernyenz. mety, omdat deze letter in oorspronkelijk Grieksche woorden, alscylinder,Styx,Egypte, reeds den gewoneni-klank voorstelt, en haar alsdan buiten eenige noodzakelijkheid eene tweede waarde zou toegekend worden. Dat deij-klank inbij,mij,hijslechts uit eene korte, niet uit eene langeiontstaan is, kan in haar oog geene reden zijn om inbreuk op het bedoelde beginsel te maken, te minder daar in opene eenlettergrepige woorden, alsthee,zoo, ook deeenoverdubbeld worden, ofschoon zij eigenlijk zacht zijn.90. Vreemde woorden en eigennamen, die op heldere of lange klinkers eindigen, nemen in den tweeden naamval van het enkelvoud en in alle naamvallen van het meervoud eenesaan, voorafgegaan door het uitlatingsteeken (’). DusMaria’s,Hebe’s,Garibaldi’s,Cicero’s,echo’s; nietMariaas,Hebeesenz. Daar de verdubbeling deriniet meer in gebruik is, zou men althans nietGaribaldiis, Paniniis,Rubiniiskunnen of willen schrijven; de analogie laat dus ookMariaas,Hebeesenz. niet toe. Buitendien is het dubbele letterteeken in strijd met de uitspraak van zulke woorden, waarin de eindvocaal nooit zoo lang wordt uitgerekt, als geschiedt met de klanken, die in Nederlandsche woorden in den regel dooraa,eeenz. worden voorgesteld. De welluidendheid, zoowel als de analogie, maakt derhalve het gebruik van het uitlatingsteeken verkieslijker dan het verdubbelen van den klinker. Zie§ 59, 61 en 62.Ook is het onveranderlijk bewaren van den vorm der eigennamen wenschelijk, ten einde alle verwarring te voorkomen. Daarom schrijft de Redactie ookBruining’s, ofBruinings’, naar gelang men den tweeden naamval of het meervoud vanBruiningof vanBruiningsbedoelt.De regel is natuurlijk niet van toepassing op echt Nederlandsche gemeene zelfstandige naamwoorden, alsga(samentr. vangade),ra,vla(vlade). Deaheeft in het meervoud dier woorden dezelfde zware of gerekte uitspraak als altijd in geslotene lettergrepen, b.v. als inaas,baas,geraas. Daarom schrijven wij nieteega’s,ra’s,vla’s, maar volgens den gewonen regel van het Nederlandsch, die in gesloten lettergrepen het verdubbelen van den helderen klinker voorschrijft:eegaas,raas,vlaas.91. De Redactie speltaar(korenaar),haar(hoofdhaar),meer(waterplas),door(van een ei),oorinoorsprong,oorzaak, nietair,hair,meir,doir,oirsprong, omdat de laatste schrijfwijze zoowel door de afleiding als door de uitspraakverworpen en door de duidelijkheid niet geëischt wordt, terwijl zij geheel op willekeur berust, daar er geene reden te bedenken is, waarom men niet liever inair(ader),hair(voornw.),meir(telw.),doir(voorzets.) enz. de verlenging doorizou aanduiden. Daarentegen meent zij de spellingheir(legermacht) enoir(erfgenaam) boven die vanheerenoorte moeten verkiezen; het eerste omdatheirde beschaafde uitspraak, hoewel niet juist, toch beter vertegenwoordigt danheer; het laatste als verbastering van het Franschehoir. De spellingoorzou dit weinig gebruikelijke en weinig bekende woord onherkenbaar maken, en zeer zeker de duidelijkheid niet bevorderen.
Daar de Redactie, om redenen in het Voorbericht en in§ 27en 28 opgegeven, voor de door haar te volgen schrijfwijze de in Noord-Nederland gebruikelijke spelling als uitgangspunt heeft aangenomen, en deze genoegzaam bekend mag geacht worden, heeft zij het overtollig gerekend het geheele spellingstelsel te ontvouwen. Deze Tweede Afdeeling bevat dus slechts eene opgave der verbeteringen, die haar wenschelijk zijn voorgekomen, benevens eene vermelding van de keuze, die zij gemeend heeft te moeten doen uit de onderscheidene spellingen, ten opzichte waarvan onder onze letterkundigen verschil van gevoelen bestaat.
De klinkers.73. De verlenging deraenuin geslotene lettergrepen geschiedtbuiten twijfel op de meest gepaste wijze door verdubbeling. De spellingaaenuubeantwoordt zoowel aan de uitspraak, als zij door de analogie gewettigd en door de etymologie niet gelogenstraft wordt. Zij verdient dus zeer zeker de voorkeur bovenaeenue.Aastelt denzelfden zuiveren klank voor, die doorawordt aangeduid. Bijaeis men geneigd te denken aan de naaretrekkende uitspraak der landlieden in sommige streken van Zuid-Holland en Zeeland; de Vlaamscheazou dooraomoeten afgebeeld worden. VergelijkTaalgids, IV, blz. 54–64.74. De spellingblaauw,flaauwenz. stelt eene uitspraak voor, die niet de gewone is, in het oor der groote meerderheid onaangenaam klinkt, en stellig niet tot de beschaafde gerekend wordt. Het komt ons derhalve niet raadzaam voor, eene spelling te bestendigen, die te recht door velen wordt afgekeurd, en voor wier behoud geene andere reden is aan te voeren dan een gebruik, dat op geene taalkundige gronden steunt en daarom, als strijdig met de beschaafde uitspraak, geen recht van bestaan heeft; vergelijk§ 66. Wij schrijven derhalveblauw,flauw,gauw,grauw,klauw,lauw,nauw,pauw,rauw,knauwen,krauwenenz. metau. Zoodoende heft men het geheel willekeurige verschil met de gebruikelijke schrijfwijzedauwenkauwop, die meer in overeenstemming is met de gewone uitspraak, welke veeleeroudanaaudoet hooren.75. Onder de regels, omtrent wier toepassing de gevoelens der taalkundigen uiteenloopen, staan die aangaande de verdubbeling dere’seno’sin opene lettergrepen bovenaan.SiegenbeekenWeilandvolgden daarbij de uitspraak, welke heerschte, of geacht werd te heerschen, in die streken, waar de genoemde letters op tweeërlei wijze, met den zoogenoemden zachten of met den scherpen klank, worden uitgesproken. Hunne handelwijze was natuurlijk. Immers de verdubbeling der letterteekens moest dienen om de meer gerekte, naar een tweeklank zweemende uitspraak der scherpeeenovan den eenigszins korteren, meer gelijkmatigen klank der zachte voor het oog te onderscheiden. Juist dat verschil in de uitspraak had het eerst het verschil in de natuur dier letters doen opmerken, terwijl de studie der Germaansche talen te hunnen tijde nog niet ver genoeg gevorderd was om den diepliggenden oorsprong van dat verschil te leeren kennen. Zij konden nog niet tot de oorzaken opklimmen en moesten dus hun onderzoek tot de gevolgen beperken. De uitspraak echter is in dit geval geen onfeilbaar en toereikend richtsnoer. Dit blijkt onder andere uit de wijze, waaropSiegenbeekgenoodzaakt was te werk te gaan bij de woorden, waaromtrent hij bij de schrijvers verschil van gevoelen gevonden had, en die hij daarom achter zijneVerhandeling over de Spellingaan een bijzonder onderzoek onderwierp. Bij al die woorden was hij verplicht de schrijvers, die het onderscheid in de uitspraak door hunne spelling uitdrukten, te raadplegen, hunne getuigenissen te wikken en te wegen, en als het ware de stemmen vóór en tegen te tellen. Waar men in eene wetenschap tot eene stemopneming zijne toevlucht moet nemen, is de evidentie der waarheid niet groot; maar vooral hier bleek duidelijk de zwakheid van den grondslag, waarop gebouwd werd. Als men dat groote vijftigtal artikels naleest, ziet men, dat niet alleen schrijvers, op verschillende plaatsen woonachtig, in hun oordeel over de uitspraak van dezelfde woorden onderling verschilden, maar ook dat velen zich zelven niet gelijk bleven. Men moge dit laatste verschijnsel aan slordige correctie willen toeschrijven, het bewijst in allen gevalle, dat de ware uitspraak niet zóó kennelijk vande valsche onderscheiden was, dat de corrector zich niet vergissen kon. Doch volstrekt onloochenbaar is het verschil tusschen de uitspraak van dezelfde woorden in verschillende gewesten en steden. Volgens het beweren vanSiegenbeekzelven wordenheeten,keten,menigte,smeeken,spenen,betoogen,genoot,klooven,loochenen,nopen,personenenschromenin Rotterdam anders dan in Zeeland uitgesproken; terwijl men in deze provincie zoowelpoogenalspogenen te Rotterdam zooweltonenalstoonenzou hooren1. Dat er ten opzichte van andere woorden reeds in de laatste helft der zestiende eeuw eene dergelijke onzekerheid bestond, kan men opmaken uit het woordenboek vanKiliaan, die aan de uitspraak bijzondere aandacht schonk en zich gehouden achtte een aantal woorden, alsderen,kelen,nering,peren,scheren,smeren,teeder,telen,teren,weren,zweren,zweven,bogen,boren,dolen,smokenenz. onder de beide vormen op te teekenen.Uit het aangevoerde blijkt overtuigend, dat het verschil in de werkelijke uitspraak der woorden, hetwelk vroeger het geheele land door moet geheerscht hebben, maar zich thans tot zekere streken en steden bepaalt, voor de spelling slechts een onzekeren grondslag kan uitmaken. Daarbij is het te voorzien, dat het eenmaal geheel zal ophouden. Men heeft om die redenen naar een ander beginsel om te zien, dat in substantie dezelfde uitkomsten oplevert, maar niet aan verandering onderhevig is, niet dreigt geheel te verdwijnen, en dat in de gevallen, waar verschil van uitspraak bestaat, op deugdelijke gronden kan beslissen. Zoodanig beginsel vinden wij gelukkig in den verschillenden oorsprong dere’s eno’s. Door de onderzoekingen der nieuwere taalkundigen namelijk is gebleken, dat de talen van den Indo-Germaanschenvolksstam oorspronkelijk slechts drie vocalen,a,ienu(lees:oe) bezaten, en dat al de overige klinkers, ook deeeno, uit die grondvocalen en de daaruit samengestelde tweeklanken ontstaan zijn; zie onder anderenBopp,Vergl. Gramm. des Sanskrit, Send etc.§§ 1–104. Deze stelling is de spil, waarom het gansche vocaalstelsel, ook dat der Germaansche talen, draait; met haar kunnen alle verschijnselen op het gebied der klankleer in genoemde talen natuurlijk en ongedwongen verklaard worden; zonder haar blijft alles duisternis en verwarring2. Doch al wil men haar ook al niet voor alle Indo-Germaanschetalen als geldig erkennen, ten opzichte van het Nederlandsch is zij niet te loochenen. Immers het kan, op weinig uitzonderingen na, aangetoond worden, uit welke van die grondklanken onzee’s eno’s ontstaan zijn, terwijl de weinige gevallen, waarin men dat niet kan, worden aangetroffen bij het betrekkelijk geringe getal woorden, wier ouderen vorm men tot nog toe niet heeft kunnen ontdekken.De verschillende oorsprong dere’s eno’s is de oorzaak van het onderscheid tusschen de zachte en de scherpe uitspraak. Eene vergelijking der Nederlandsche woorden, waarine’s eno’s voorkomen, met dezelfde of verwante woorden, hetzij in onze eigene taal, hetzij in andere oudere of nieuwere Germaansche talen, leert, dat deeenobeide drieërlei oorsprong hebben: dat deeeene wijziging vani,aofai, en deovanu(oe),aofauis. Verder blijkt, dat de lange heldere of openee’s eno’s uit de enkelvoudige, oorspronkelijke klinkersa,ienu(oe) ontstaan, juist diegene zijn, waaraan algemeen, behalve natuurlijk in degevallen waar verschil bestaat, de zoogenaamdezachtlangeklank wordt toegekend; terwijl de ineengesmolten tweeklankenaienauaan erkendescherplangee’s eno’s beantwoorden.Door deze waarneming worden bijna alle verschijnsels, die men in de geschiedenis onzere’s eno’s en in hare verwisseling met andere klanken opmerkt, volkomen opgehelderd. Zij verklaart vooreerst, hoe het komt, dat men die letters in verscheidene gewesten op tweeërlei wijze uitspreekt, en waarom de scherpe daar langer zijn dan de zachte en nog een zweem van een tweeklank hebben.—Vervolgens, waarom de zachtlangeémetaenien met de korteè, en de zachtlangeómet de korteòafwisselt, b.v. instad—steden,vagen—vegen,gift—geven,nicht—neef,spel—spelen,gebed—gebeden;ik kom—zij komen,lot—loten; en waarom de scherplangee’s eno’s met de tweeklankenei(ai) enou(au) verwisseld worden, b.v. ingereedenbereiden,breedenverbreiden,boomenbouwen,troostenvertrouwen.—Die waarneming eindelijk verklaart in vele gevallen, hoe het komt, dat een zelfde woord op tweeërlei wijze wordt uitgesproken, daar zij aantoont, dat men dan meestal twee verschillende woorden verward en voor hetzelfde gehouden heeft; b.v.beer(ursus) enbeer(verres);deel(pars) endeel(asser);klooven(doen splijten) enkloven(imperf. vankluivenen meerv. vankloof);toonen(lichaamsdeelen) entonen(klanken).76. De Redactie, het een en ander in aanmerking nemende, heeft besloten den oorsprong dere’s eno’s als grondbeginsel der vocaalspelling aan te nemen. Zij meent hare redenen aldus kortelijk te kunnen samenvatten:De ware uitspraak dere’s eno’s is niet op te maken uit de vroegere schrijfwijze, noch uit de uitspraak der hedendaagsche dialecten, omdat het blijkt, dat het in beide aan volkomene overeenstemming ontbreekt. Bovendien neemt het onderscheid tusschen den zachten en den scherpen klank dagelijks af, wordt daardoor steeds onzekerder en zal waarschijnlijkeenmaal geheel verdwijnen, gelijk het in sommige streken, en daardoor, streng genomen, in de zoogenoemde beschaafde uitspraak, reeds heeft opgehouden te bestaan. Daarentegen is de verschillende oorsprong der klinkers een onveranderlijk en onloochenbaar feit, hetwelk als oorzaak van het onderscheid in de uitspraak, grootendeels tot dezelfde uitkomsten leidt, en geheel tot dezelfde leiden zou, indien er nooit verwarring en verwisseling van klanken had plaats gehad.Daar het niet te loochenen is, dat de onderscheidene dialecten ten opzichte van een aantal woorden uiteenloopen, zou men genoodzaakt zijn uit de verschillende tongvallen eene keus te doen. Wie of wat zal die keus bepalen? Aan welk gewest zal de eer te beurt vallen aan al de Nederlanden de wet voor te schrijven? Zal het Oost- of West-Vlaanderen, Brabant of Antwerpen, Zeeland of Maasland, Zutfen of Overijsel wezen? Daarentegen is de oorsprong dere’s eno’s een feit, dat voor alle gewesten en tongvallen hetzelfde is. Geen dialect, of het geeft onloochenbare blijken van onderlinge verwisseling van zacht en scherp; ook het Groningsche, waarin anders het verschil wel het duidelijkst uitkomt en men uit dien hoofde het minst verwarring zou verwachten. Zoo is het b.v. volkomen zeker, dat de klinkers in (ik)weeten (wij)wetenoorspronkelijk verschilden, dat deevan het enkelvoud vroegerai, die van het meervoudiwas; en toch worden beide thans overal op dezelfde wijze uitgesproken, in het Groningsch scherp, alseiofij, inik weit,wij weiten; elders zacht, inik weetniet anders dan inwij weten. Welke stad of landstreek zou aan de overige bewoners van Nederland hare verkeerdheden willen opdringen of omgekeerd die van andere willen overnemen! Neemt men echter den oorsprong dere’s eno’s als grondslag aan, dan behoeft er geene keus gedaan te worden, waardoor iemand zich verongelijkt kan rekenen; men is dan billijk jegens allen, ook jegens de velen, die geen onderscheid in de uitspraak meer maken, en die deonderscheiding der zachte en scherpee’s eno’s als een last beschouwen.Al mocht men eenparig besluiten de uitspraak van eene bijzondere landstreek of plaats als wetgeefster te erkennen, die maatregel zou ontoereikend bevonden worden. Vooreerst kunnen de bewoners van andere plaatsen die uitspraak niet leeren kennen, zonder zich daar een geruimen tijd metterwoon te vestigen, terwijl ieder, die wil, zich in zijn studeervertrek van den oorsprong dere’s eno’s kan vergewissen. Doch er is iets dat meer afdoet. In de schrijftaal komen een aantal woorden voor, die niet algemeen zijn, die op de eene of andere plaats niet gebezigd worden. Hoe zal men handelen met de woorden, die in het bevoorrechte dialect niet gebruikt worden? en hoe met dezulke, die in het geheel niet meer tot de volkstaal behooren en waarvan dus de ware uitspraak volstrekt onbekend is? Ten aanzien van zoodanige woorden zou het aangenomen beginsel ontoereikend zijn; en naar welk kenmerk dan te werk te gaan? Daarentegen geeft de oorsprong dere’s eno’s een kenmiddel aan de hand, dat uit zijnen aard op alle woorden toepasselijk is, dat voor de dialecten, op weinige uitzonderingen na, dezelfde uitkomsten geeft, en dat ten minste voor alle taalbeoefenaars, ook in de streken waar geen onderscheid meer gehoord wordt, toegankelijk is.Het schrijven naar de uitspraak zou altijd gegrond blijven op feilbare waarnemingen van bijzondere individuen, wien het aan fijnheid van gehoor kan ontbreken. Het spellen naar den oorsprong dere’s eno’s is gegrond op het onderscheid tusschena,i,u(oe),aienau, klanken, die onderling zoozeer verschillen, dat daarbij geene vergissing en verwisseling kon plaats grijpen; het stelt bovendien de spelling meer onmiddellijk in verband met de afleiding, en kan zoodoende in vele gevallen het recht verstand der woorden bevorderen. Om den oorsprong dere’s eno’s te leeren kennen, moet men wel is waar dikwijls de verwante talen raadplegen; doch het zou eene geheel verkeerde beschouwingwezen, indien men het spellen naar de uitkomsten, die zij opleveren, wilde aanmerken als eene navolging van het vreemde. Dat raadplegen geschiedt alleen om te weten, hoe onze eigene taal in overoude tijden gesproken is; de onze kan op hare beurt aan andere talen dezelfde diensten bewijzen. Als wij b.v. aanbeenenenboomenscherpe klinkers toeschrijven, is zulks niet, omdat het Hoogduitschbeinenbaumzegt, maar omdat wij o.a. door het Hoogduitsch weten, dat onze eigene voorouders eenmaalbainenbaumhebben uitgesproken; de spellingbeenenenboomenberust derhalve inderdaad op verschijnselen in onze eigene taal. Vergelijk hierTaalgids, VI, blz. 153 v.77. De Redactie erkent, dat de dubbele vocaalspelling niet zonder last is voor het practische gebruik; zij behoudt ze evenwel, omdat zij meent het bestaande niet te mogen afbreken en geene groote veranderingen, maar alleen verbeteringen in de toepassing van erkende regels te moeten voorstellen. Daarom heeft zij er niet aan gedacht om ze ook op deaenutoe te passen, en b.v. naastva-der,za-del,u-renenz.jaa-ren,daa-den,wij vuu-renenz. te schrijven, ofschoon daarvoor gelijke redenen bestaan als voor de spellingbree-de,boo-menenz. Aan die bedoeling is het mede toe te schrijven, dat zij het spellen overeenkomstig den oorsprong dere’s eno’s tot de stamlettergrepen wil beperken, maar ten opzichte van de achtervoegsels naar den klemtoon wenscht te werk te gaan. Volgens dit beginsel acht zij,dat de achtervoegsels, die òf steeds òf somtijds den vollen klemtoon hebben, met eene dubbele vocaal behooren geschreven te worden, terwijl een enkel letterteeken toereikend is in die, welke nimmer den vollen klemtoon bekomen. In het eerste geval verkeert het achtervoegsel-loos, hetwelk ingoddelóós,zedelóósheid,zondelóósheidenz. den vollen klemtoon bekomt; vervolgens de bastaarduitgangen-eeren;-eelen-ees, die steeds den klemtoon hebben:regeeren,kasteelen,Japanneezen. Tot het tweede geval behoort-heid, mrv.-heden, dat nooit den vollenklemtoon heeft. Op die wijze eerbiedigt men het bestaande gebruik, waarin de schrijfwijze-eelenreeds is aangenomen, en die van-eezenmeer en meer begint door te dringen. Men wijkt alleen af in de spelling-eeren; doch voor de dubbele vocaal in dit achtervoegsel hebben zich sedert lang vele stemmen doen hooren, gelijk zij dan ook reeds doorBilderdijken zijne volgelingen erkend is. Inderdaad, wanneer men bedenkt, dat dit suffix altijd met een zwaren toon wordt uitgesproken; dat die uitspraak reeds van de oudste tijden dagteekent, blijkens het Middelnederlandsch, waarin men (gelijk nog heden in het Hoogduitsch) gewoonlijk-ierenschreef; en dat deiedestijds nog een tweeklank was: dan schijnt alles er voor te pleiten om in dezen het voorbeeld vanBilderdijkte volgen.Een achtervoegsel-eet, welks bestaan door enkelen beweerd wordt, is bij de Redactie onbekend. In al de woorden, op-eeteindigende, die zij zich kan te binnen brengen, behoort deetot den stam des woords, en kan alleen detals achtervoegsel worden beschouwd. Deze is inparacleet,poëet,profeet, en ook inkomeetenplaneet, een overblijfsel van het Grieksche suffix-της, lat.-ta, waarmede meestal mansnamen gevormd worden; incompleet,concreet,discreet,secreet, van het Latijnsche suffix-tus,-ta,-tum, dat verl. deelw. vormt. Daar er geene suffixen-ητης,-etusenz. bestaan, is bij de woorden op-eetniet de regel voor de achtervoegsels, maar die voor de stammen van toepassing. De Redactie schrijft daarom met éénee:poëten,profeten,concrete,completeenz.; en om gelijke redenen met ééneo;astronomen,oeconomen,horoscopen,telescopen,philanthropen,misanthropen,heliotropen,theologen,philologen, enz. waarinnoom,scoop,anthroop,troopenloogverbasteringen van geheele woorden, niet van achtervoegsels zijn.78. Slechts schijnbaar bestaat hier eene inconsequentie; in den grond wordt bij de stamlettergrepen hetzelfde beginsel gehuldigd als bij de achtervoegsels, alleen met beperking in de toepassing. Dat beginsel is de zooveel mogelijk juiste afbeelding der uitspraak. Immers de verdubbeling der letters moest aanvankelijk dienen om de scherpee’s eno’s, uit tweeklanken ontstaan, te kenmerken als langer dan de zachte, die als wijzigingen van de enkelvoudige klinkersa,ienu(oe) korter waren. De verdubbeling bedoelde kennelijk het voorstellen van een langen, gerekten klank, en het is alleen ten gevolge van het onderling meer gelijk worden der zachte en scherpee’s eno’s, dat het doel thans niet meer zoo in het oog loopt.Aan de werking van den klemtoon is het toe te schrijven, dat het onderscheid tusschen zacht en scherp in sommige streken en in de beschaafde uitspraak geheel uitgewischt is. De klemtoon, wanneer hij rust op opene lettergrepen, brengt vanzelf mede, dat de daarin voorkomende vocalen alle even lang worden uitgesproken, onverschillig, of zij uit klinkers dan wel uit tweeklanken ontstaan zijn. Daarom wil het gebruik in opene eenlettergrepige woorden de verdubbeling van den klinker, al is die niet scherp, b.v. inthee,vloo,zoo. Daarentegen is de quantiteit in lettergrepen, die slechts den halven toon hebben, of geheel toonloos zijn, merkelijk geringer, ook wanneer zij tweeklanken zijn, b.v. inwaarheid,waarlijk,arbeid,armoede; voor de zoodanige wordt de dubbele vocaal algemeen te zwaar geacht. Daarom wil het gebruik sinds lang eene enkeleein-heden, meerv. van-heid, ofschoon dieeuiteiontstaan en dus scherp is; daarom wil het de enkeleiin-isch, niettegenstaande in dit achtervoegsel de klank gehoord wordt, die in gesloten lettergrepen steeds dooriewordt voorgesteld; daarom verliezen de achtervoegsels-eel,-ief,-ieten-iekeeneeinkast-el-ein,subject-iv-iteit,Jezu-it-isme,f-abr-ik-ant.De Redactie beoogt derhalve met het stellen van den boven ontwikkelden regel voor de spelling der achtervoegsels hetzelfde doel, dat men oorspronkelijk met de verdubbeling dereenozocht te bereiken, namelijk eene zooveel mogelijk juiste afbeelding van de heerschende uitspraak. Door het stellen van dien regel zet zij alleen eene schrede verderop den weg, die reeds door het Gebruik gevolgd wordt, en handelt zij overeenkomstig den Regel der Welluidendheid.79. Acht de Redactie den door haar aangenomen regel voor de achtervoegsels voornamelijk daarom verkieselijk,omdat hij gemakkelijk is, en door iedereen, ook zonder kennis van vreemde talen, kan worden toegepast, zij werd, wilde zij hier niet beginselloos te werk gaan, tot het stellen van dien regel als het ware gedwongen. Immers de grondbeginselen, die voor de stammen gelden, zouden op de achtervoegsels niet toegepast kunnen worden.Vooreerst toch zou het meervoud van-heid, goth.haidus, mv.haidjus, hd.heit, mv.-heiten, volgens die beginselen tweee’s moeten hebben. Doch wie zou te bewegen zijn om het thans eenparige gebruik, dat reeds bij de Staten-overzetters gold, te verlaten, en voortaanaangenaamheeden,boosheeden,kinderachtigheedenen zoo vele andere-heedenmet tweee’s te gaan schrijven? Die spelling wordt trouwens door niemand verlangd, en zou strijden met het beginsel door de Redactie aangenomen, namelijk geene veelomvattende veranderingen te beproeven, wanneer er geene dringende redenen voor bestaan en de gebruikelijke spelling te rechtvaardigen is.De uitgangen-eerenen-eelzijn bastaardachtervoegsels; en dee’s, die daarin voorkomen, zijn niet alle van denzelfden oorsprong. Sommige zijn ontstaan uit korte klinkers, andere zijn samentrekkingen van twee lettergrepen. In het eerste geval zouden zij ééne, in het laatste tweee’s vorderen; doch het laat zich niet altijd bepalen, met welk eeneemen te doen heeft. Wij hebben-eeren, mnl.-ieren, uit het Fransch bekomen; maar in het gebruik daarvan hebben wij onzen eigen weg bewandeld, ons om die taal verder niet bekommerende. Deevanregeerenschijnt die te zijn van fr.régner; maar mnl.regnieren, waaruitregeerenontstaan is, verbiedt ons aan eene onmiddellijke overneming van dieete denken; en die inconcipieerenis toch wel niet deoivan fr.concevoir, noch die vanfarceerendeivanfarcir. Het Fransch, waarin de e’s trouwens ook niet oorspronkelijk zijn, kan dus niet tot leiddraad strekken; men zou dan in allen gevalle tot het Latijn moeten gaan. Doch dit heeft vier uitgangen:-âre,-êre,-îreen-ĕre;daarin zijnâ,ê, enîsamentrekkingen van de lettergreepaja(skr.aya); maar-ĕreheeft eeneeuit de korteiontstaan. Dienovereenkomstig zou mencommuniceeren,doceeren,recenseeren,farceerenenz. metee, maardefenderen,fingeren,absolverenenz. metemoeten spellen. Zou het verstandig wezen het publiek dezen nieuwen last op de schouders te willen binden en het te verplichten de Latijnsche conjugatie te gaan leeren? En hoe dan nog te handelen met woorden, waaraan geen Latijnsch werkwoord beantwoordt, b. v, mettrotseeren,waardeeren,stoffeeren?Bij-eelzouden de moeilijkheden niet geringer wezen. Aan deein dit achtervoegsel beantwoordt wel is waar doorgaans eene korte Latijnscheeofi: doch inconditioneel,crimineel,inaugureel,origineeleene langea. Deze is incriminaliseninauguralisweder de samentrekking van-aja-; maar wat is zij inconditionalisenoriginalis, waarnaast geene werkwoorden bestaan? En welkeehebben wij inhouweel,tooneel,fluweel? Hier zou in elk geval wederom eene willekeurige beslissing, een doorhakken van den knoop, moeten plaats hebben. Doch er is eene andere oplossing mogelijk. Men vrage niet: wat willen enkele grammatici? maar: wat wil het volk? wat wil de taal, en wat heeft zij altijd gewild? Dan is het antwoord niet twijfelachtig. De taal handelt bij de vreemde achtervoegsels geheel anders dan bij de vreemde stammen, waarin zij zachtee’s eno’s laat hooren. Zij heeft de bastaarduitgangen, die den klemtoon hebben, steeds als lang beschouwd en er tweeklanken van gemaakt. Tot getuigen kunnen strekkenabdij,soldij,tyrannij,azijn,dolfijn,venijn,paradijs,patrijs,saucijs,profijt,practijk,gelei,karwei,livrei,qualiteit,quantiteit,sociëteit,fatsoen,katoen,kapoenenkapuin,aluin,abuis,fornuis,advies,commies, enz., waarbij men in het oog moet houden, datoeenievoorheen tweeklanken waren. Dat de taal vroeger met -eeren en-eelevenzoo heeft gehandeld, blijkt uit den Middelnederlandschen vorm-ieren.Ook-eelwerd wel als-ieluitgesproken, blijkens de gemeenzame taal in oude kluchtspelen; engatenplattiel,karviel, nevenskarveel, zijn nog in gebruik. Dat die tweeklanken alleen aan de werking van den klemtoon zijn toe te schrijven, blijkt uitprofiteerennaastprofijt,kopieerennaast kopij,praktizeerennaastpraktijk,abuseerennaastabúísenz.; zij veranderen niet in tweeklanken, waar zij den klemtoon niet hebben. De Redactie was hier dus vanzelf naar den klemtoon verwezen, niet naar den oorsprong dere’s, waarop men ook bij vreemde stammen niet let. Immers men schrijftcement, lat.caementum,planeten, lat.planêtae, evengoed met eene enkelee, alsceder, lat.cĕdrus.Het achtervoegsel-ees, fr.-aisen-ois, is lat.-ensis, na afwerping van-isen uitstooting van den. Het Nederlandsch pleegt na de uitstooting eenernde voorgaande vocaal te verlengen, er zelfs een tweeklank van te maken; blijkenskiekhoest, bijKiliaan, naastkinkhoest;muid, inIJselmuiden, naastmond, inIJselmonde;kluitnaastklont; ook schreef men voorheen, evenals in het Hoogduitsch,Portugies. De verlenging deregeschiedt dus ook hier volgens den aard der taal en tevens in overeenstemming met den regel.Het achtervoegsel-loos, goth. en onrd.-laus, ags.-leás, moet, ook volgens de afleiding, het beginsel dat bij de stammen geldt, evengoed als volgens den door ons gestelden regel voor de achtervoegsels, eene scherpeo(oo) hebben. Een achtervoegsel-loos,-loze, met de zachteo, datloszou beteekenen, heeft nooit bestaan. De taal heeft de adjectievenloos,loozeenlos,lossezoowel in uitspraak als in beteekenis steeds uiteengehouden. De Redactie mag niet medewerken om de verwarring, in den laatsten tijd daarin gebracht, te bestendigen.Neemt men derhalve alles op zijn strengst, dan heeft er tusschen de regels voor de stammen en die voor de achtervoegsels alleen strijd plaats bij de spelling van-heden, wat niemand met tweee’s wil, en ook niet behoeft tewillen, dewijl de spelling met eene enkeleein de klaarblijkelijkste overeenstemming is met de wetten, die de taal voor de achtervoegsels heeft aangenomen.80. Het aantal woorden, in wier spelling ten gevolge van het aangenomen beginsel eene verandering moet plaats grijpen, is betrekkelijk gering, en de meeste komen slechts zelden voor. Het zijn:beer(verscheurend dier), mv.beren, onderscheiden vanbeer(varken, waterkeering, muurstut en heiblok), mv.beeren;deel(plank en dorschvloer), mv.delen, onderscheiden vandeel(gedeelte), mv.deelen;deemoedig;deesem;dwepen;eega;heep(soort van handbijl), mv.hepen;keel(in de bouwkunde en wapenkunde),kelen, hetzelfde alskeel(lichaamsdeel);keren(vegen);kwee(vrucht);meren(een schip vastleggen);sleepen(voorttrekken), causatief vanslepen(gesleept of voortgetrokken worden);droog,droge,droger,drogen;hoonen;klooven(doen splijten), causatief vanklieven(in den verouderden zin vansplijten), onderscheiden vankloven, mv. vankloofen verl. tijd vankluiven;koozen,liefkoozen;kroon, mv.kronen;sloof(voorschoot), mv.slooven, onderscheiden vansloof(sukkelaarster), mv.sloven;toon(muziektoon), mv.tonen, onderscheiden vantoonen(wijzen) entoon(teen), mv.toonen;troon, mv.tronen;vroolijk;zoogen(laten zuigen), causatief vanzuigen, onderscheiden vanwij zogen, verl. tijd vanzuigen.Ofschoon het zeer waarschijnlijk is, dat deeinheer(dominus) enkeeren(vertere) oorspronkelijk zacht was, is toch de afleiding en oudste vorm dezer beide woorden niet met genoegzame zekerheid bekend, om over de natuur der vocaal stellig te beslissen, veelmin om eene verandering voor te stellen in de spelling van zoo gebruikelijke woorden, wier schrijfwijze door de gewoonte als eene tweede natuur is geworden.Neemt men in de weinige woorden, die verandering eischen, de vocaalspelling overeenkomstig de afleiding aan, dan is daarmede het geheele spellingstelsel der enkele of dubbeleeenomet de etymologie in overeenstemming gebracht. De onderscheiding moge in de practijk en bij het lager onderwijs hare moeilijkheid blijven behouden, dat bezwaar is nu eenmaal niet op te heffen, want niemand zeker zal bij eenig nadenken ernstig verlangen altijd de dubbele of altijd de enkeleeenote gebruiken. Vergelijk ook§ 26. Maar terwijl de practische moeilijkheid dezelfde blijft, wint men het onschatbare voorrecht, waarop geene andere Germaansche taal zich beroemen kan, dat de spelling dezer beide vocalen in onze taal overal aan den oorspronkelijken vorm der woorden getrouw is en aan de strengste eischen der wetenschap beantwoordt.a.De Redactie was vroeger van meening, dat deeinbegeerenzacht was. Zij grondde haar gevoelen op deiin ohd.giric, onrd.girug, enz., die zij voor kort hield, en welke in dat geval eene zachteezou hebben moeten opleveren. Desniettegenstaande achtte zij het ongeraden de algemeen aangenomen spelling van een zoo dikwijls voorkomend woord te veranderen, omdat er over het woord en zijne verwanten een duister verspreid lag, dat zij toen nog niet vermocht op te heffen. Bij nader onderzoek echter is het gebleken, dat dieì, in sommige handschriften door een accent (í) gekenmerkt, de langeîis, die in den regel onzeijheeft opgeleverd, behalve vóór eener, waar zij zich inie(vroeger een tweeklank) oploste: vergelijkwierookvoorwijrookvanwij(d)en;gier(roofvogel), nhd.geier, ohd.gîr;schierinSchiermonnikoog,Schieringer,schierroek, enz., ohd.scîrenz. Doch kanîde stam vanbegeerenniet zijn, dan moet hetgairwezen, dat in goth.gairuni,gairnjanenz. voorkomt en de echte tweeklankaiblijkt te zijn.Hierdoor wordt al het duistere weggenomen. Niet slechts is deieingierigverklaard, maar ook deain mnl.begaerenen nnl.gaarne, naastbegeeren,geerneengierig; en de vormen in de verwante talen blijken in overeenstemming te zijn. Deevanbegeerenis derhalve scherp, als zijnde uitaiontstaan, zoodat er van de spelling met éénee(begeren) geene sprake meer zijn kan.b.Ook zal men op bovenstaande lijst de woordenknoop,klootenzweepniet meer aantreffen. Bij nader onderzoek is het ons gebleken, dat in de oudere verwante talen tweeërlei vormen vanknoophebben bestaan, wat onder andere uit ofri.cnopencnâpblijkt, waarvan de eerste aan onze zachte, de laatste aan onze scherpeobeantwoordt. De uitspraak met de scherpeo, waarop de gebruikelijke spellingknoopenberust, kan derhalve niet als eene verbastering worden beschouwd, zoodat er voor de Redactie, die als beginsel heeft aangenomen, niet buiten volstrekte noodzaak veranderingen te maken, geene reden bestaat om de spelling hier te wijzigen; ze blijft daaromknoopenvastknoopen,ontknoopenenz. schrijven.c.Minder zekerheid bestaat er tot nog toe omtrent de oorspronkelijke vormen vanklootenzweep. Indien men echter die woorden voor één mag houden met ons kluit en mhd.sweif(staart), dan hebben ook hier vanouds tweeërlei vormen bestaan, en is de spellingklootenenzweepeneven wettig alsklotenenzwepen. Hoe men het ook neemt, de zachtheid der klinkers in beide woorden staat nog niet vast, zoodat deze zich in hetzelfde geval bevinden alsheerenenkeeren. De Redactie acht zich dus nog niet tot verandering gerechtigd, en blijft daaromklootenenzweepenschrijven.81. Ofschoon de spellingwereld, eigenlijkwer-eld, de beschaafde uitspraak van dit woord niet juist uitdrukt, meent de Redactie haar als de naastbijkomende te moeten verkiezen; vergelijk§ 41.Wareldtoch is met de uitspraak nog meer in strijd, en bovendien ook met de afleiding; en hetzelfde geldt vanwaereld, daar menaein onze taal steeds als de voorstelling eener langeaheeft aangemerkt en in België nog veelal als zoodanig beschouwt.Om dezelfde reden is ook de spellingvaersvoorverste verwerpen.82. Om de boven in§ 79ontwikkelde redenen is de Redactie voornemens de volleiete bezigen in de achtervoegsels-ief,-ieken-iet, zoolang die den klemtoon behouden, ook dan wanneerieop het einde der lettergreep komt, b.v. inmotie-ven,substantie-ven,fabrie-ken,republie-ken,Israëlie-ten,Mennonie-ten. Die spelling is buitendien in overeenstemming met het gevestigde gebruik ten opzichte van-ieren-iesinofficie-ren,tuinie-ren,commie-zen,valie-zen. Daarentegen acht zijiete zwaar, en daarom eene enkeleivoldoende, wanneer die achtervoegsels geheel toonloos worden, inmot-i-veeren,Jezu-ït-isme,fabr-ik-ant,muz-ik-ant,muz-ik-aal,republ-ik-ein. Vergelijk den Regel der Welluidendheid§ 61en 62.83. Om dezelfde redenen schrijven wij in het meervoudoli-ën,trali-ënenz., vanolie,tralieenz., dewijliein deze en dergelijke woorden geheel toonloos is; daarentegenknie-ën,spie-ën,drie-ën, waarin de eerste, enreliquie-ën,genie-ën, waarin de voorlaatste lettergreep den vollen klemtoon heeft. Dat men voorheenkniën,spiënspelde, is daaraan toe te schrijven, datie, uitiu(ioe) ontstaan, alstoen een tweeklank was, die nagenoeg tweelettergrepig, alsië, werd uitgesproken.Knie-en,spie-enzou toen derhalve geluid hebben alskní-e-en,spí-e-en.Thans echter isieeen zuivere (eenlettergrepige) klinker, gelijk b.v.ee, zoodat de oudere schrijfwijze niet meer in overeenstemming is met de hedendaagsche uitspraak; daaromknieën,spieën, evenalszeeën,tweeën; en zoo ookanalogieën,harmonieën,melodieën,reliquieënengenieën, verschillend vangeniën(géniën), meerv. vangenius.84. Ofschoon deiin het achtervoegsel-ischdenzelfden helderen klank heeft alsiein-ief,-iek,-ieten-ier, geeft de Redactie aan de meest gebruikelijke schrijfwijze met de enkeleiverreweg de voorkeur boven-iesch, omdat dit achtervoegsel steeds allen klemtoon mist, enidaarin zeer kort is. De onregelmatigheid is niet grooter dan bij het achtervoegsel-uwinschaduw,zwaluw, hetwelk evenzeer toonloos is en door niemand met tweeu’s geschreven wordt. Vergelijk den Regel der Welluidendheid§ 61en 62.Bij het beoordeelen van de regels in deze en de twee vorige §§ behoort men het onderscheid tusschen eene toonlooze lettergreep en een toonloozen klinker niet uit bet oog te verliezen. Toonloos is elke lettergreep, waarop in het geheel niet gedrukt wordt, waarop noch de halve, noch de volle klemtoon valt, b.v. de eerste inbe-hóúd,ge-lóóf,ver-driét, de laatste injá-ren,há-mel,há-mer,kó-ning,gróót-vader,hòfhóú-ding. Toonlooze klinkers zijn, in den regel, klinkers of tweeklanken, die geheel dof zijn geworden, als het ware alle kleur missen, en meer van een geruisch dan van een eigenlijken klank hebben; b.v. deeinaarde, onl.irtha, inhamer, ohd.hamar, inhemel, onl.himil; deuinGorkumuitGoring-heim; deiin het achtervoegsel-ig, goth.-agen-eig. Enkele toonlooze klinkers echter ontstaan als vanzelve tusschen twee medeklinkers, b.v. inhatelijk,beminnelijkenz. voorhaatlijk,beminlijkenz.Ofschoon het verliezen van den klemtoon de oorzaak is, dat de klinkers en tweeklanken toonloos worden, heeft dat verlies toch niet altijd de bedoelde verandering ten gevolge. De tweede lettergrepen inpy-ra-mide,mag-ne-tiseeren,mo-ti-veeren,ge-o-graaf,no-tu-len, en de laatste ino-lie,me-nie,tra-lie,Janua-ri,Ju-li,afgo-disch,nieuwmo-disch,scha-duw,zwa-luwenz. zijn toonloos, maar de daarin voorkomende klinkers, hoe flauw zij ook worden uitgesproken, behouden in eene beschaafde uitspraak hun eigenaardigen klank, en gaan niet in toonlooze klinkers over.Er bestaan derhalve toonlooze lettergrepen zonder toonlooze klinkers.85. Het letterteekenijstelde, gelijk men weet, oorspronkelijk in gesloten lettergrepen, alsmijn(miin),sijn(siin),de langeivoor, die in opene, alsmine,sine, door de enkeleiwerd vertegenwoordigd. Het teekenjwas dus in de genoemde en dergelijke woorden een gewijzigde vorm van de letteri, die gelijkstond met de tweedea,e,oenuinjaar,eed,roomenvuur. Het verlengen door het aanvoegen van een staart geschiedde sieraads- of duidelijkheidshalve; zoo schreef men ookvj,vij,viij, enz. voor 6, 7, 8. Dientengevolge hadjin strijd met§ 47,a.twee verschillende waarden, die van vocaal inmijn(miin) enwijn(wiin), en die van consonant injaer,joc. Toen in het Nnl. de langeiin de uitspraak gelijk werd aan den tweeklankei, kwam de schrijfwijzeijgeheel in strijd met de natuur van den klank, dien zij moest voorstellen, en die niet meer dooriiafgebeeld kon worden; men behield evenwel de oude letterteekens ondanks de veranderde uitspraak. De Redactie meende in het Woordenboek die onregelmatigheid te moeten vermijden en te dien einde het letterteeken voorijofIJin zooverre te wijzigen, dat het onderscheid tusscheni jen den hier bedoelden klank duidelijk bleek. Het natuurlijkste middel daartoe ware geweest, de beide deelen aan elkander tot eene eenheid te verbinden, gelijk men in het schrijven gewoon is te doen. Doch de zwarigheden van typographischen aard, die zich hierbij voordeden, de vreemde en onbehaaglijke lettervormen, die ons voorgelegd werden, en die vooral bij het kapitale letterteeken aanstootelijk waren, hebben ons genoodzaakt van ons goede voornemen af te zien en den gewonen vorm vanijenIJonzes ondanks te behouden.86. Volgens§ 47,a.moet men aan hetzelfde letterteeken niet buiten volstrekte noodzakelijkheid meer dan ééne waarde geven. Men handelt in strijd met dit beginsel, wanneer men thans nogkolijk,katholijk,fabrijk,muzijkenz.schrijft, en door die spelling aanleiding geeft, dat sommigen in die woorden werkelijk eeneijofeilaten hooren. Nu zij in de beschaafde uitspraak deni-, niet denei-klank hebben, eischt de eerste grondregelkoliek,katholiek,fabriekenz.; zoo ookpoëzie,harmonie,melodieenz. Den dichter blijve het echter vrijgelaten naar goeddunken ookpoëzij,harmonijenz. te schrijven, omdat in die woorden opie, die den klemtoon op de laatste syllabe hebben, ook de uitspraakijgeoorloofd is. Zie§ 40.Zoo schrijve men ookkoffie, lat.coffea, evenals men schrijftbalie,falie,malie,tralie,olie,foelie,linie,kevie,merrieenz.Nog sterker dan de spellingmuzijkvoormuziekenz. is af te keuren het gebruik van deijin de plaats van de enkele korteiofyin tweeklanken alsaij,eij,oij,uij,oeij, vooray,ey,oy,uy,oy, ofai,eienz. Deijheeft nooit als enkeleigegolden. Oudtijds had zij de waarde vanii, thans stelt zij een tweeklank voor, die alseiluidt; zoodataij, hoe men het neme, niet anders opgevat kàn worden, dan òf alsa+ie, òf alsa+ij(a+ei). Eene spelling metaijenz. laat zich dus op geenerlei wijze, noch door de vroegere, noch door de hedendaagsche uitspraak, rechtvaardigen, zelfs niet in die eigennamen, waarin eene oude spelling behouden wordt. Gesteld dat iemandVan der Kruisheet, dan zijn van dien naam verschillende schrijfwijzen, mits met gelijkluidende letters, te verdedigen:Kruis,CruysofCruyss; dochCruijskon voorheen niet anders geluid hebben dan krui-is of kru-iis, en kan thans niet anders worden uitgesproken dankru-ij-s(kru-eis);ijvooryis dus evenmin te rechtvaardigen als elke andere verwisseling van twee niet gelijkluidende letters, b.v. vanrenl:cruij-sis even ongeschikt om den klankkruiste vertegenwoordigen alskluisofkruidzijn zou. Alleen de gewoonte vanijenyte verwarren maakt, datkruijsminder ongerijmd schijnt.87. In de namen der maanden, die oorspronkelijk genitieven zijn (Januarii,Juniienz.), is dei-klank van een geheel anderen aard en oorsprong dan in een der bovengenoemde woorden. Het komt der Redactie wenschelijk voordien ook in de spelling van den uitgang-ie, welke hier en daar nog alsiëluidt, te blijven onderscheiden, en naar Latijnsch gebruikJanuari,Februari,JunienJulite schrijven. Deze spelling beantwoordt aan de uitspraak en is in overeenstemming met de door ons aangenomen regels voor het schrijven der bastaardwoorden.88. De afleiding eischt de vervanging vaneidoorijin de woordenmalvezei, fr.malvoisie, enkarwei(soort van zaad), fr.carvi, onderscheiden vankarwei(werk), fr.corvée. Daarentegen zal om dezelfde reden deijvansacristijn, fr.sacristain, ofschoon insacristij(fr.sacristie) op hare plaats, vooreimoeten wijken. Derhalvemalvezij,karwijzaad,sacristein, dochkarweitje,sacristij.Het woorddozijn, dat men lichtelijk voor het Fransche douzaine zou kunnen aanzien, moet zijneijbehouden. Niet uit het Fransch toch, maar uit het Latijn is het tot ons gekomen, gelijk onlangs te recht is aangemerkt. In de beschaafde uitspraak luidt het woord nietdoezijn, maardozijn, en sommige dialecten zeggendoziin, hetgeen op het Middeleeuwsch-latijnschedocenumwijst, en het woord op ééne lijn stelt metkrijt, lat.creta;venijn, lat.venenum;tapijt, lat.tapete.IJzenenijselijkhebben, hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk, hun bestaan te danken aan een woord, dat goth.agis, ohd.egisoluidde, en zouden uit dien hoofde, evenalszeiluitzegel,dweiluitdwegelenz., meteibehooren geschreven te worden, gelijk oudtijds werkelijk geschiedde. Daar echter het grondwoordeis(vrees, schrik) al vroeg vergeten werd, en men bij het schrikken niet zelden eene koude rilling voelt, begon men aan eene verwantschap metijste denken, en aaneizende bepaalde beteekenis te hechten vankoud worden,van schrik verstijven. In de uitdrukking:het is om van te ijzen, ziet het woord kennelijk op dekille huivering, die eene ontzettende aanschouwing of voorstelling veroorzaakt. Vandaar de verandering in de uitspraak en spelling. In die gewesten, waarijnog alsiklinkt, zegt menizeneniselik; en bijKiliaan,Coornherten anderen treft men de beide spellingen, meteienij, nevens elkander aan. Het een en ander bewijst, dat de »spraakmakende gemeente” naast het oude, nu vergeten, woord een nieuw met gewijzigde beteekenis gevormd heeft. Daar nu de spellingeizen,eiselijkniet zou kunnen strekken om op eenig thans algemeen bekend woord te verwijzen en zoodoende de beteekenis duidelijker te maken, vindt de Redactie geene reden om zonder eenig nut het algemeene gebruik te verlaten en, tegen de niet twijfelachtige uitspraak aan, een verouderd woord (althans een verouderden vorm) te hernemen, die bij het volk geheel vergeten is, en die bovendien een onbepaalder begrip vertegenwoordigt, dan het nieuwere woord of de nieuwere vorm. Zij schrijft derhalve volgens den Regel der Uitspraakijzenenijselijk.89. Op grond van§ 47,aeneverwerpt de Redactie de spelling vanby,my,hy,zy,dwingelandy,razernyenz. mety, omdat deze letter in oorspronkelijk Grieksche woorden, alscylinder,Styx,Egypte, reeds den gewoneni-klank voorstelt, en haar alsdan buiten eenige noodzakelijkheid eene tweede waarde zou toegekend worden. Dat deij-klank inbij,mij,hijslechts uit eene korte, niet uit eene langeiontstaan is, kan in haar oog geene reden zijn om inbreuk op het bedoelde beginsel te maken, te minder daar in opene eenlettergrepige woorden, alsthee,zoo, ook deeenoverdubbeld worden, ofschoon zij eigenlijk zacht zijn.90. Vreemde woorden en eigennamen, die op heldere of lange klinkers eindigen, nemen in den tweeden naamval van het enkelvoud en in alle naamvallen van het meervoud eenesaan, voorafgegaan door het uitlatingsteeken (’). DusMaria’s,Hebe’s,Garibaldi’s,Cicero’s,echo’s; nietMariaas,Hebeesenz. Daar de verdubbeling deriniet meer in gebruik is, zou men althans nietGaribaldiis, Paniniis,Rubiniiskunnen of willen schrijven; de analogie laat dus ookMariaas,Hebeesenz. niet toe. Buitendien is het dubbele letterteeken in strijd met de uitspraak van zulke woorden, waarin de eindvocaal nooit zoo lang wordt uitgerekt, als geschiedt met de klanken, die in Nederlandsche woorden in den regel dooraa,eeenz. worden voorgesteld. De welluidendheid, zoowel als de analogie, maakt derhalve het gebruik van het uitlatingsteeken verkieslijker dan het verdubbelen van den klinker. Zie§ 59, 61 en 62.Ook is het onveranderlijk bewaren van den vorm der eigennamen wenschelijk, ten einde alle verwarring te voorkomen. Daarom schrijft de Redactie ookBruining’s, ofBruinings’, naar gelang men den tweeden naamval of het meervoud vanBruiningof vanBruiningsbedoelt.De regel is natuurlijk niet van toepassing op echt Nederlandsche gemeene zelfstandige naamwoorden, alsga(samentr. vangade),ra,vla(vlade). Deaheeft in het meervoud dier woorden dezelfde zware of gerekte uitspraak als altijd in geslotene lettergrepen, b.v. als inaas,baas,geraas. Daarom schrijven wij nieteega’s,ra’s,vla’s, maar volgens den gewonen regel van het Nederlandsch, die in gesloten lettergrepen het verdubbelen van den helderen klinker voorschrijft:eegaas,raas,vlaas.91. De Redactie speltaar(korenaar),haar(hoofdhaar),meer(waterplas),door(van een ei),oorinoorsprong,oorzaak, nietair,hair,meir,doir,oirsprong, omdat de laatste schrijfwijze zoowel door de afleiding als door de uitspraakverworpen en door de duidelijkheid niet geëischt wordt, terwijl zij geheel op willekeur berust, daar er geene reden te bedenken is, waarom men niet liever inair(ader),hair(voornw.),meir(telw.),doir(voorzets.) enz. de verlenging doorizou aanduiden. Daarentegen meent zij de spellingheir(legermacht) enoir(erfgenaam) boven die vanheerenoorte moeten verkiezen; het eerste omdatheirde beschaafde uitspraak, hoewel niet juist, toch beter vertegenwoordigt danheer; het laatste als verbastering van het Franschehoir. De spellingoorzou dit weinig gebruikelijke en weinig bekende woord onherkenbaar maken, en zeer zeker de duidelijkheid niet bevorderen.
73. De verlenging deraenuin geslotene lettergrepen geschiedtbuiten twijfel op de meest gepaste wijze door verdubbeling. De spellingaaenuubeantwoordt zoowel aan de uitspraak, als zij door de analogie gewettigd en door de etymologie niet gelogenstraft wordt. Zij verdient dus zeer zeker de voorkeur bovenaeenue.Aastelt denzelfden zuiveren klank voor, die doorawordt aangeduid. Bijaeis men geneigd te denken aan de naaretrekkende uitspraak der landlieden in sommige streken van Zuid-Holland en Zeeland; de Vlaamscheazou dooraomoeten afgebeeld worden. VergelijkTaalgids, IV, blz. 54–64.
74. De spellingblaauw,flaauwenz. stelt eene uitspraak voor, die niet de gewone is, in het oor der groote meerderheid onaangenaam klinkt, en stellig niet tot de beschaafde gerekend wordt. Het komt ons derhalve niet raadzaam voor, eene spelling te bestendigen, die te recht door velen wordt afgekeurd, en voor wier behoud geene andere reden is aan te voeren dan een gebruik, dat op geene taalkundige gronden steunt en daarom, als strijdig met de beschaafde uitspraak, geen recht van bestaan heeft; vergelijk§ 66. Wij schrijven derhalveblauw,flauw,gauw,grauw,klauw,lauw,nauw,pauw,rauw,knauwen,krauwenenz. metau. Zoodoende heft men het geheel willekeurige verschil met de gebruikelijke schrijfwijzedauwenkauwop, die meer in overeenstemming is met de gewone uitspraak, welke veeleeroudanaaudoet hooren.
75. Onder de regels, omtrent wier toepassing de gevoelens der taalkundigen uiteenloopen, staan die aangaande de verdubbeling dere’seno’sin opene lettergrepen bovenaan.SiegenbeekenWeilandvolgden daarbij de uitspraak, welke heerschte, of geacht werd te heerschen, in die streken, waar de genoemde letters op tweeërlei wijze, met den zoogenoemden zachten of met den scherpen klank, worden uitgesproken. Hunne handelwijze was natuurlijk. Immers de verdubbeling der letterteekens moest dienen om de meer gerekte, naar een tweeklank zweemende uitspraak der scherpeeenovan den eenigszins korteren, meer gelijkmatigen klank der zachte voor het oog te onderscheiden. Juist dat verschil in de uitspraak had het eerst het verschil in de natuur dier letters doen opmerken, terwijl de studie der Germaansche talen te hunnen tijde nog niet ver genoeg gevorderd was om den diepliggenden oorsprong van dat verschil te leeren kennen. Zij konden nog niet tot de oorzaken opklimmen en moesten dus hun onderzoek tot de gevolgen beperken. De uitspraak echter is in dit geval geen onfeilbaar en toereikend richtsnoer. Dit blijkt onder andere uit de wijze, waaropSiegenbeekgenoodzaakt was te werk te gaan bij de woorden, waaromtrent hij bij de schrijvers verschil van gevoelen gevonden had, en die hij daarom achter zijneVerhandeling over de Spellingaan een bijzonder onderzoek onderwierp. Bij al die woorden was hij verplicht de schrijvers, die het onderscheid in de uitspraak door hunne spelling uitdrukten, te raadplegen, hunne getuigenissen te wikken en te wegen, en als het ware de stemmen vóór en tegen te tellen. Waar men in eene wetenschap tot eene stemopneming zijne toevlucht moet nemen, is de evidentie der waarheid niet groot; maar vooral hier bleek duidelijk de zwakheid van den grondslag, waarop gebouwd werd. Als men dat groote vijftigtal artikels naleest, ziet men, dat niet alleen schrijvers, op verschillende plaatsen woonachtig, in hun oordeel over de uitspraak van dezelfde woorden onderling verschilden, maar ook dat velen zich zelven niet gelijk bleven. Men moge dit laatste verschijnsel aan slordige correctie willen toeschrijven, het bewijst in allen gevalle, dat de ware uitspraak niet zóó kennelijk vande valsche onderscheiden was, dat de corrector zich niet vergissen kon. Doch volstrekt onloochenbaar is het verschil tusschen de uitspraak van dezelfde woorden in verschillende gewesten en steden. Volgens het beweren vanSiegenbeekzelven wordenheeten,keten,menigte,smeeken,spenen,betoogen,genoot,klooven,loochenen,nopen,personenenschromenin Rotterdam anders dan in Zeeland uitgesproken; terwijl men in deze provincie zoowelpoogenalspogenen te Rotterdam zooweltonenalstoonenzou hooren1. Dat er ten opzichte van andere woorden reeds in de laatste helft der zestiende eeuw eene dergelijke onzekerheid bestond, kan men opmaken uit het woordenboek vanKiliaan, die aan de uitspraak bijzondere aandacht schonk en zich gehouden achtte een aantal woorden, alsderen,kelen,nering,peren,scheren,smeren,teeder,telen,teren,weren,zweren,zweven,bogen,boren,dolen,smokenenz. onder de beide vormen op te teekenen.
Uit het aangevoerde blijkt overtuigend, dat het verschil in de werkelijke uitspraak der woorden, hetwelk vroeger het geheele land door moet geheerscht hebben, maar zich thans tot zekere streken en steden bepaalt, voor de spelling slechts een onzekeren grondslag kan uitmaken. Daarbij is het te voorzien, dat het eenmaal geheel zal ophouden. Men heeft om die redenen naar een ander beginsel om te zien, dat in substantie dezelfde uitkomsten oplevert, maar niet aan verandering onderhevig is, niet dreigt geheel te verdwijnen, en dat in de gevallen, waar verschil van uitspraak bestaat, op deugdelijke gronden kan beslissen. Zoodanig beginsel vinden wij gelukkig in den verschillenden oorsprong dere’s eno’s. Door de onderzoekingen der nieuwere taalkundigen namelijk is gebleken, dat de talen van den Indo-Germaanschenvolksstam oorspronkelijk slechts drie vocalen,a,ienu(lees:oe) bezaten, en dat al de overige klinkers, ook deeeno, uit die grondvocalen en de daaruit samengestelde tweeklanken ontstaan zijn; zie onder anderenBopp,Vergl. Gramm. des Sanskrit, Send etc.§§ 1–104. Deze stelling is de spil, waarom het gansche vocaalstelsel, ook dat der Germaansche talen, draait; met haar kunnen alle verschijnselen op het gebied der klankleer in genoemde talen natuurlijk en ongedwongen verklaard worden; zonder haar blijft alles duisternis en verwarring2. Doch al wil men haar ook al niet voor alle Indo-Germaanschetalen als geldig erkennen, ten opzichte van het Nederlandsch is zij niet te loochenen. Immers het kan, op weinig uitzonderingen na, aangetoond worden, uit welke van die grondklanken onzee’s eno’s ontstaan zijn, terwijl de weinige gevallen, waarin men dat niet kan, worden aangetroffen bij het betrekkelijk geringe getal woorden, wier ouderen vorm men tot nog toe niet heeft kunnen ontdekken.
De verschillende oorsprong dere’s eno’s is de oorzaak van het onderscheid tusschen de zachte en de scherpe uitspraak. Eene vergelijking der Nederlandsche woorden, waarine’s eno’s voorkomen, met dezelfde of verwante woorden, hetzij in onze eigene taal, hetzij in andere oudere of nieuwere Germaansche talen, leert, dat deeenobeide drieërlei oorsprong hebben: dat deeeene wijziging vani,aofai, en deovanu(oe),aofauis. Verder blijkt, dat de lange heldere of openee’s eno’s uit de enkelvoudige, oorspronkelijke klinkersa,ienu(oe) ontstaan, juist diegene zijn, waaraan algemeen, behalve natuurlijk in degevallen waar verschil bestaat, de zoogenaamdezachtlangeklank wordt toegekend; terwijl de ineengesmolten tweeklankenaienauaan erkendescherplangee’s eno’s beantwoorden.
Door deze waarneming worden bijna alle verschijnsels, die men in de geschiedenis onzere’s eno’s en in hare verwisseling met andere klanken opmerkt, volkomen opgehelderd. Zij verklaart vooreerst, hoe het komt, dat men die letters in verscheidene gewesten op tweeërlei wijze uitspreekt, en waarom de scherpe daar langer zijn dan de zachte en nog een zweem van een tweeklank hebben.—Vervolgens, waarom de zachtlangeémetaenien met de korteè, en de zachtlangeómet de korteòafwisselt, b.v. instad—steden,vagen—vegen,gift—geven,nicht—neef,spel—spelen,gebed—gebeden;ik kom—zij komen,lot—loten; en waarom de scherplangee’s eno’s met de tweeklankenei(ai) enou(au) verwisseld worden, b.v. ingereedenbereiden,breedenverbreiden,boomenbouwen,troostenvertrouwen.—Die waarneming eindelijk verklaart in vele gevallen, hoe het komt, dat een zelfde woord op tweeërlei wijze wordt uitgesproken, daar zij aantoont, dat men dan meestal twee verschillende woorden verward en voor hetzelfde gehouden heeft; b.v.beer(ursus) enbeer(verres);deel(pars) endeel(asser);klooven(doen splijten) enkloven(imperf. vankluivenen meerv. vankloof);toonen(lichaamsdeelen) entonen(klanken).
76. De Redactie, het een en ander in aanmerking nemende, heeft besloten den oorsprong dere’s eno’s als grondbeginsel der vocaalspelling aan te nemen. Zij meent hare redenen aldus kortelijk te kunnen samenvatten:
De ware uitspraak dere’s eno’s is niet op te maken uit de vroegere schrijfwijze, noch uit de uitspraak der hedendaagsche dialecten, omdat het blijkt, dat het in beide aan volkomene overeenstemming ontbreekt. Bovendien neemt het onderscheid tusschen den zachten en den scherpen klank dagelijks af, wordt daardoor steeds onzekerder en zal waarschijnlijkeenmaal geheel verdwijnen, gelijk het in sommige streken, en daardoor, streng genomen, in de zoogenoemde beschaafde uitspraak, reeds heeft opgehouden te bestaan. Daarentegen is de verschillende oorsprong der klinkers een onveranderlijk en onloochenbaar feit, hetwelk als oorzaak van het onderscheid in de uitspraak, grootendeels tot dezelfde uitkomsten leidt, en geheel tot dezelfde leiden zou, indien er nooit verwarring en verwisseling van klanken had plaats gehad.
Daar het niet te loochenen is, dat de onderscheidene dialecten ten opzichte van een aantal woorden uiteenloopen, zou men genoodzaakt zijn uit de verschillende tongvallen eene keus te doen. Wie of wat zal die keus bepalen? Aan welk gewest zal de eer te beurt vallen aan al de Nederlanden de wet voor te schrijven? Zal het Oost- of West-Vlaanderen, Brabant of Antwerpen, Zeeland of Maasland, Zutfen of Overijsel wezen? Daarentegen is de oorsprong dere’s eno’s een feit, dat voor alle gewesten en tongvallen hetzelfde is. Geen dialect, of het geeft onloochenbare blijken van onderlinge verwisseling van zacht en scherp; ook het Groningsche, waarin anders het verschil wel het duidelijkst uitkomt en men uit dien hoofde het minst verwarring zou verwachten. Zoo is het b.v. volkomen zeker, dat de klinkers in (ik)weeten (wij)wetenoorspronkelijk verschilden, dat deevan het enkelvoud vroegerai, die van het meervoudiwas; en toch worden beide thans overal op dezelfde wijze uitgesproken, in het Groningsch scherp, alseiofij, inik weit,wij weiten; elders zacht, inik weetniet anders dan inwij weten. Welke stad of landstreek zou aan de overige bewoners van Nederland hare verkeerdheden willen opdringen of omgekeerd die van andere willen overnemen! Neemt men echter den oorsprong dere’s eno’s als grondslag aan, dan behoeft er geene keus gedaan te worden, waardoor iemand zich verongelijkt kan rekenen; men is dan billijk jegens allen, ook jegens de velen, die geen onderscheid in de uitspraak meer maken, en die deonderscheiding der zachte en scherpee’s eno’s als een last beschouwen.
Al mocht men eenparig besluiten de uitspraak van eene bijzondere landstreek of plaats als wetgeefster te erkennen, die maatregel zou ontoereikend bevonden worden. Vooreerst kunnen de bewoners van andere plaatsen die uitspraak niet leeren kennen, zonder zich daar een geruimen tijd metterwoon te vestigen, terwijl ieder, die wil, zich in zijn studeervertrek van den oorsprong dere’s eno’s kan vergewissen. Doch er is iets dat meer afdoet. In de schrijftaal komen een aantal woorden voor, die niet algemeen zijn, die op de eene of andere plaats niet gebezigd worden. Hoe zal men handelen met de woorden, die in het bevoorrechte dialect niet gebruikt worden? en hoe met dezulke, die in het geheel niet meer tot de volkstaal behooren en waarvan dus de ware uitspraak volstrekt onbekend is? Ten aanzien van zoodanige woorden zou het aangenomen beginsel ontoereikend zijn; en naar welk kenmerk dan te werk te gaan? Daarentegen geeft de oorsprong dere’s eno’s een kenmiddel aan de hand, dat uit zijnen aard op alle woorden toepasselijk is, dat voor de dialecten, op weinige uitzonderingen na, dezelfde uitkomsten geeft, en dat ten minste voor alle taalbeoefenaars, ook in de streken waar geen onderscheid meer gehoord wordt, toegankelijk is.
Het schrijven naar de uitspraak zou altijd gegrond blijven op feilbare waarnemingen van bijzondere individuen, wien het aan fijnheid van gehoor kan ontbreken. Het spellen naar den oorsprong dere’s eno’s is gegrond op het onderscheid tusschena,i,u(oe),aienau, klanken, die onderling zoozeer verschillen, dat daarbij geene vergissing en verwisseling kon plaats grijpen; het stelt bovendien de spelling meer onmiddellijk in verband met de afleiding, en kan zoodoende in vele gevallen het recht verstand der woorden bevorderen. Om den oorsprong dere’s eno’s te leeren kennen, moet men wel is waar dikwijls de verwante talen raadplegen; doch het zou eene geheel verkeerde beschouwingwezen, indien men het spellen naar de uitkomsten, die zij opleveren, wilde aanmerken als eene navolging van het vreemde. Dat raadplegen geschiedt alleen om te weten, hoe onze eigene taal in overoude tijden gesproken is; de onze kan op hare beurt aan andere talen dezelfde diensten bewijzen. Als wij b.v. aanbeenenenboomenscherpe klinkers toeschrijven, is zulks niet, omdat het Hoogduitschbeinenbaumzegt, maar omdat wij o.a. door het Hoogduitsch weten, dat onze eigene voorouders eenmaalbainenbaumhebben uitgesproken; de spellingbeenenenboomenberust derhalve inderdaad op verschijnselen in onze eigene taal. Vergelijk hierTaalgids, VI, blz. 153 v.
77. De Redactie erkent, dat de dubbele vocaalspelling niet zonder last is voor het practische gebruik; zij behoudt ze evenwel, omdat zij meent het bestaande niet te mogen afbreken en geene groote veranderingen, maar alleen verbeteringen in de toepassing van erkende regels te moeten voorstellen. Daarom heeft zij er niet aan gedacht om ze ook op deaenutoe te passen, en b.v. naastva-der,za-del,u-renenz.jaa-ren,daa-den,wij vuu-renenz. te schrijven, ofschoon daarvoor gelijke redenen bestaan als voor de spellingbree-de,boo-menenz. Aan die bedoeling is het mede toe te schrijven, dat zij het spellen overeenkomstig den oorsprong dere’s eno’s tot de stamlettergrepen wil beperken, maar ten opzichte van de achtervoegsels naar den klemtoon wenscht te werk te gaan. Volgens dit beginsel acht zij,dat de achtervoegsels, die òf steeds òf somtijds den vollen klemtoon hebben, met eene dubbele vocaal behooren geschreven te worden, terwijl een enkel letterteeken toereikend is in die, welke nimmer den vollen klemtoon bekomen. In het eerste geval verkeert het achtervoegsel-loos, hetwelk ingoddelóós,zedelóósheid,zondelóósheidenz. den vollen klemtoon bekomt; vervolgens de bastaarduitgangen-eeren;-eelen-ees, die steeds den klemtoon hebben:regeeren,kasteelen,Japanneezen. Tot het tweede geval behoort-heid, mrv.-heden, dat nooit den vollenklemtoon heeft. Op die wijze eerbiedigt men het bestaande gebruik, waarin de schrijfwijze-eelenreeds is aangenomen, en die van-eezenmeer en meer begint door te dringen. Men wijkt alleen af in de spelling-eeren; doch voor de dubbele vocaal in dit achtervoegsel hebben zich sedert lang vele stemmen doen hooren, gelijk zij dan ook reeds doorBilderdijken zijne volgelingen erkend is. Inderdaad, wanneer men bedenkt, dat dit suffix altijd met een zwaren toon wordt uitgesproken; dat die uitspraak reeds van de oudste tijden dagteekent, blijkens het Middelnederlandsch, waarin men (gelijk nog heden in het Hoogduitsch) gewoonlijk-ierenschreef; en dat deiedestijds nog een tweeklank was: dan schijnt alles er voor te pleiten om in dezen het voorbeeld vanBilderdijkte volgen.
Een achtervoegsel-eet, welks bestaan door enkelen beweerd wordt, is bij de Redactie onbekend. In al de woorden, op-eeteindigende, die zij zich kan te binnen brengen, behoort deetot den stam des woords, en kan alleen detals achtervoegsel worden beschouwd. Deze is inparacleet,poëet,profeet, en ook inkomeetenplaneet, een overblijfsel van het Grieksche suffix-της, lat.-ta, waarmede meestal mansnamen gevormd worden; incompleet,concreet,discreet,secreet, van het Latijnsche suffix-tus,-ta,-tum, dat verl. deelw. vormt. Daar er geene suffixen-ητης,-etusenz. bestaan, is bij de woorden op-eetniet de regel voor de achtervoegsels, maar die voor de stammen van toepassing. De Redactie schrijft daarom met éénee:poëten,profeten,concrete,completeenz.; en om gelijke redenen met ééneo;astronomen,oeconomen,horoscopen,telescopen,philanthropen,misanthropen,heliotropen,theologen,philologen, enz. waarinnoom,scoop,anthroop,troopenloogverbasteringen van geheele woorden, niet van achtervoegsels zijn.
Een achtervoegsel-eet, welks bestaan door enkelen beweerd wordt, is bij de Redactie onbekend. In al de woorden, op-eeteindigende, die zij zich kan te binnen brengen, behoort deetot den stam des woords, en kan alleen detals achtervoegsel worden beschouwd. Deze is inparacleet,poëet,profeet, en ook inkomeetenplaneet, een overblijfsel van het Grieksche suffix-της, lat.-ta, waarmede meestal mansnamen gevormd worden; incompleet,concreet,discreet,secreet, van het Latijnsche suffix-tus,-ta,-tum, dat verl. deelw. vormt. Daar er geene suffixen-ητης,-etusenz. bestaan, is bij de woorden op-eetniet de regel voor de achtervoegsels, maar die voor de stammen van toepassing. De Redactie schrijft daarom met éénee:poëten,profeten,concrete,completeenz.; en om gelijke redenen met ééneo;astronomen,oeconomen,horoscopen,telescopen,philanthropen,misanthropen,heliotropen,theologen,philologen, enz. waarinnoom,scoop,anthroop,troopenloogverbasteringen van geheele woorden, niet van achtervoegsels zijn.
78. Slechts schijnbaar bestaat hier eene inconsequentie; in den grond wordt bij de stamlettergrepen hetzelfde beginsel gehuldigd als bij de achtervoegsels, alleen met beperking in de toepassing. Dat beginsel is de zooveel mogelijk juiste afbeelding der uitspraak. Immers de verdubbeling der letters moest aanvankelijk dienen om de scherpee’s eno’s, uit tweeklanken ontstaan, te kenmerken als langer dan de zachte, die als wijzigingen van de enkelvoudige klinkersa,ienu(oe) korter waren. De verdubbeling bedoelde kennelijk het voorstellen van een langen, gerekten klank, en het is alleen ten gevolge van het onderling meer gelijk worden der zachte en scherpee’s eno’s, dat het doel thans niet meer zoo in het oog loopt.
Aan de werking van den klemtoon is het toe te schrijven, dat het onderscheid tusschen zacht en scherp in sommige streken en in de beschaafde uitspraak geheel uitgewischt is. De klemtoon, wanneer hij rust op opene lettergrepen, brengt vanzelf mede, dat de daarin voorkomende vocalen alle even lang worden uitgesproken, onverschillig, of zij uit klinkers dan wel uit tweeklanken ontstaan zijn. Daarom wil het gebruik in opene eenlettergrepige woorden de verdubbeling van den klinker, al is die niet scherp, b.v. inthee,vloo,zoo. Daarentegen is de quantiteit in lettergrepen, die slechts den halven toon hebben, of geheel toonloos zijn, merkelijk geringer, ook wanneer zij tweeklanken zijn, b.v. inwaarheid,waarlijk,arbeid,armoede; voor de zoodanige wordt de dubbele vocaal algemeen te zwaar geacht. Daarom wil het gebruik sinds lang eene enkeleein-heden, meerv. van-heid, ofschoon dieeuiteiontstaan en dus scherp is; daarom wil het de enkeleiin-isch, niettegenstaande in dit achtervoegsel de klank gehoord wordt, die in gesloten lettergrepen steeds dooriewordt voorgesteld; daarom verliezen de achtervoegsels-eel,-ief,-ieten-iekeeneeinkast-el-ein,subject-iv-iteit,Jezu-it-isme,f-abr-ik-ant.
De Redactie beoogt derhalve met het stellen van den boven ontwikkelden regel voor de spelling der achtervoegsels hetzelfde doel, dat men oorspronkelijk met de verdubbeling dereenozocht te bereiken, namelijk eene zooveel mogelijk juiste afbeelding van de heerschende uitspraak. Door het stellen van dien regel zet zij alleen eene schrede verderop den weg, die reeds door het Gebruik gevolgd wordt, en handelt zij overeenkomstig den Regel der Welluidendheid.
79. Acht de Redactie den door haar aangenomen regel voor de achtervoegsels voornamelijk daarom verkieselijk,omdat hij gemakkelijk is, en door iedereen, ook zonder kennis van vreemde talen, kan worden toegepast, zij werd, wilde zij hier niet beginselloos te werk gaan, tot het stellen van dien regel als het ware gedwongen. Immers de grondbeginselen, die voor de stammen gelden, zouden op de achtervoegsels niet toegepast kunnen worden.
Vooreerst toch zou het meervoud van-heid, goth.haidus, mv.haidjus, hd.heit, mv.-heiten, volgens die beginselen tweee’s moeten hebben. Doch wie zou te bewegen zijn om het thans eenparige gebruik, dat reeds bij de Staten-overzetters gold, te verlaten, en voortaanaangenaamheeden,boosheeden,kinderachtigheedenen zoo vele andere-heedenmet tweee’s te gaan schrijven? Die spelling wordt trouwens door niemand verlangd, en zou strijden met het beginsel door de Redactie aangenomen, namelijk geene veelomvattende veranderingen te beproeven, wanneer er geene dringende redenen voor bestaan en de gebruikelijke spelling te rechtvaardigen is.
De uitgangen-eerenen-eelzijn bastaardachtervoegsels; en dee’s, die daarin voorkomen, zijn niet alle van denzelfden oorsprong. Sommige zijn ontstaan uit korte klinkers, andere zijn samentrekkingen van twee lettergrepen. In het eerste geval zouden zij ééne, in het laatste tweee’s vorderen; doch het laat zich niet altijd bepalen, met welk eeneemen te doen heeft. Wij hebben-eeren, mnl.-ieren, uit het Fransch bekomen; maar in het gebruik daarvan hebben wij onzen eigen weg bewandeld, ons om die taal verder niet bekommerende. Deevanregeerenschijnt die te zijn van fr.régner; maar mnl.regnieren, waaruitregeerenontstaan is, verbiedt ons aan eene onmiddellijke overneming van dieete denken; en die inconcipieerenis toch wel niet deoivan fr.concevoir, noch die vanfarceerendeivanfarcir. Het Fransch, waarin de e’s trouwens ook niet oorspronkelijk zijn, kan dus niet tot leiddraad strekken; men zou dan in allen gevalle tot het Latijn moeten gaan. Doch dit heeft vier uitgangen:-âre,-êre,-îreen-ĕre;daarin zijnâ,ê, enîsamentrekkingen van de lettergreepaja(skr.aya); maar-ĕreheeft eeneeuit de korteiontstaan. Dienovereenkomstig zou mencommuniceeren,doceeren,recenseeren,farceerenenz. metee, maardefenderen,fingeren,absolverenenz. metemoeten spellen. Zou het verstandig wezen het publiek dezen nieuwen last op de schouders te willen binden en het te verplichten de Latijnsche conjugatie te gaan leeren? En hoe dan nog te handelen met woorden, waaraan geen Latijnsch werkwoord beantwoordt, b. v, mettrotseeren,waardeeren,stoffeeren?
Bij-eelzouden de moeilijkheden niet geringer wezen. Aan deein dit achtervoegsel beantwoordt wel is waar doorgaans eene korte Latijnscheeofi: doch inconditioneel,crimineel,inaugureel,origineeleene langea. Deze is incriminaliseninauguralisweder de samentrekking van-aja-; maar wat is zij inconditionalisenoriginalis, waarnaast geene werkwoorden bestaan? En welkeehebben wij inhouweel,tooneel,fluweel? Hier zou in elk geval wederom eene willekeurige beslissing, een doorhakken van den knoop, moeten plaats hebben. Doch er is eene andere oplossing mogelijk. Men vrage niet: wat willen enkele grammatici? maar: wat wil het volk? wat wil de taal, en wat heeft zij altijd gewild? Dan is het antwoord niet twijfelachtig. De taal handelt bij de vreemde achtervoegsels geheel anders dan bij de vreemde stammen, waarin zij zachtee’s eno’s laat hooren. Zij heeft de bastaarduitgangen, die den klemtoon hebben, steeds als lang beschouwd en er tweeklanken van gemaakt. Tot getuigen kunnen strekkenabdij,soldij,tyrannij,azijn,dolfijn,venijn,paradijs,patrijs,saucijs,profijt,practijk,gelei,karwei,livrei,qualiteit,quantiteit,sociëteit,fatsoen,katoen,kapoenenkapuin,aluin,abuis,fornuis,advies,commies, enz., waarbij men in het oog moet houden, datoeenievoorheen tweeklanken waren. Dat de taal vroeger met -eeren en-eelevenzoo heeft gehandeld, blijkt uit den Middelnederlandschen vorm-ieren.Ook-eelwerd wel als-ieluitgesproken, blijkens de gemeenzame taal in oude kluchtspelen; engatenplattiel,karviel, nevenskarveel, zijn nog in gebruik. Dat die tweeklanken alleen aan de werking van den klemtoon zijn toe te schrijven, blijkt uitprofiteerennaastprofijt,kopieerennaast kopij,praktizeerennaastpraktijk,abuseerennaastabúísenz.; zij veranderen niet in tweeklanken, waar zij den klemtoon niet hebben. De Redactie was hier dus vanzelf naar den klemtoon verwezen, niet naar den oorsprong dere’s, waarop men ook bij vreemde stammen niet let. Immers men schrijftcement, lat.caementum,planeten, lat.planêtae, evengoed met eene enkelee, alsceder, lat.cĕdrus.
Het achtervoegsel-ees, fr.-aisen-ois, is lat.-ensis, na afwerping van-isen uitstooting van den. Het Nederlandsch pleegt na de uitstooting eenernde voorgaande vocaal te verlengen, er zelfs een tweeklank van te maken; blijkenskiekhoest, bijKiliaan, naastkinkhoest;muid, inIJselmuiden, naastmond, inIJselmonde;kluitnaastklont; ook schreef men voorheen, evenals in het Hoogduitsch,Portugies. De verlenging deregeschiedt dus ook hier volgens den aard der taal en tevens in overeenstemming met den regel.
Het achtervoegsel-loos, goth. en onrd.-laus, ags.-leás, moet, ook volgens de afleiding, het beginsel dat bij de stammen geldt, evengoed als volgens den door ons gestelden regel voor de achtervoegsels, eene scherpeo(oo) hebben. Een achtervoegsel-loos,-loze, met de zachteo, datloszou beteekenen, heeft nooit bestaan. De taal heeft de adjectievenloos,loozeenlos,lossezoowel in uitspraak als in beteekenis steeds uiteengehouden. De Redactie mag niet medewerken om de verwarring, in den laatsten tijd daarin gebracht, te bestendigen.
Neemt men derhalve alles op zijn strengst, dan heeft er tusschen de regels voor de stammen en die voor de achtervoegsels alleen strijd plaats bij de spelling van-heden, wat niemand met tweee’s wil, en ook niet behoeft tewillen, dewijl de spelling met eene enkeleein de klaarblijkelijkste overeenstemming is met de wetten, die de taal voor de achtervoegsels heeft aangenomen.
80. Het aantal woorden, in wier spelling ten gevolge van het aangenomen beginsel eene verandering moet plaats grijpen, is betrekkelijk gering, en de meeste komen slechts zelden voor. Het zijn:
beer(verscheurend dier), mv.beren, onderscheiden vanbeer(varken, waterkeering, muurstut en heiblok), mv.beeren;deel(plank en dorschvloer), mv.delen, onderscheiden vandeel(gedeelte), mv.deelen;deemoedig;deesem;dwepen;eega;heep(soort van handbijl), mv.hepen;keel(in de bouwkunde en wapenkunde),kelen, hetzelfde alskeel(lichaamsdeel);keren(vegen);kwee(vrucht);meren(een schip vastleggen);sleepen(voorttrekken), causatief vanslepen(gesleept of voortgetrokken worden);droog,droge,droger,drogen;hoonen;klooven(doen splijten), causatief vanklieven(in den verouderden zin vansplijten), onderscheiden vankloven, mv. vankloofen verl. tijd vankluiven;koozen,liefkoozen;kroon, mv.kronen;sloof(voorschoot), mv.slooven, onderscheiden vansloof(sukkelaarster), mv.sloven;toon(muziektoon), mv.tonen, onderscheiden vantoonen(wijzen) entoon(teen), mv.toonen;troon, mv.tronen;vroolijk;zoogen(laten zuigen), causatief vanzuigen, onderscheiden vanwij zogen, verl. tijd vanzuigen.
beer(verscheurend dier), mv.beren, onderscheiden vanbeer(varken, waterkeering, muurstut en heiblok), mv.beeren;
deel(plank en dorschvloer), mv.delen, onderscheiden vandeel(gedeelte), mv.deelen;
deemoedig;
deesem;
dwepen;
eega;
heep(soort van handbijl), mv.hepen;
keel(in de bouwkunde en wapenkunde),kelen, hetzelfde alskeel(lichaamsdeel);
keren(vegen);
kwee(vrucht);
meren(een schip vastleggen);
sleepen(voorttrekken), causatief vanslepen(gesleept of voortgetrokken worden);
droog,droge,droger,drogen;
hoonen;
klooven(doen splijten), causatief vanklieven(in den verouderden zin vansplijten), onderscheiden vankloven, mv. vankloofen verl. tijd vankluiven;
koozen,liefkoozen;
kroon, mv.kronen;
sloof(voorschoot), mv.slooven, onderscheiden vansloof(sukkelaarster), mv.sloven;
toon(muziektoon), mv.tonen, onderscheiden vantoonen(wijzen) entoon(teen), mv.toonen;
troon, mv.tronen;
vroolijk;
zoogen(laten zuigen), causatief vanzuigen, onderscheiden vanwij zogen, verl. tijd vanzuigen.
Ofschoon het zeer waarschijnlijk is, dat deeinheer(dominus) enkeeren(vertere) oorspronkelijk zacht was, is toch de afleiding en oudste vorm dezer beide woorden niet met genoegzame zekerheid bekend, om over de natuur der vocaal stellig te beslissen, veelmin om eene verandering voor te stellen in de spelling van zoo gebruikelijke woorden, wier schrijfwijze door de gewoonte als eene tweede natuur is geworden.
Neemt men in de weinige woorden, die verandering eischen, de vocaalspelling overeenkomstig de afleiding aan, dan is daarmede het geheele spellingstelsel der enkele of dubbeleeenomet de etymologie in overeenstemming gebracht. De onderscheiding moge in de practijk en bij het lager onderwijs hare moeilijkheid blijven behouden, dat bezwaar is nu eenmaal niet op te heffen, want niemand zeker zal bij eenig nadenken ernstig verlangen altijd de dubbele of altijd de enkeleeenote gebruiken. Vergelijk ook§ 26. Maar terwijl de practische moeilijkheid dezelfde blijft, wint men het onschatbare voorrecht, waarop geene andere Germaansche taal zich beroemen kan, dat de spelling dezer beide vocalen in onze taal overal aan den oorspronkelijken vorm der woorden getrouw is en aan de strengste eischen der wetenschap beantwoordt.
a.De Redactie was vroeger van meening, dat deeinbegeerenzacht was. Zij grondde haar gevoelen op deiin ohd.giric, onrd.girug, enz., die zij voor kort hield, en welke in dat geval eene zachteezou hebben moeten opleveren. Desniettegenstaande achtte zij het ongeraden de algemeen aangenomen spelling van een zoo dikwijls voorkomend woord te veranderen, omdat er over het woord en zijne verwanten een duister verspreid lag, dat zij toen nog niet vermocht op te heffen. Bij nader onderzoek echter is het gebleken, dat dieì, in sommige handschriften door een accent (í) gekenmerkt, de langeîis, die in den regel onzeijheeft opgeleverd, behalve vóór eener, waar zij zich inie(vroeger een tweeklank) oploste: vergelijkwierookvoorwijrookvanwij(d)en;gier(roofvogel), nhd.geier, ohd.gîr;schierinSchiermonnikoog,Schieringer,schierroek, enz., ohd.scîrenz. Doch kanîde stam vanbegeerenniet zijn, dan moet hetgairwezen, dat in goth.gairuni,gairnjanenz. voorkomt en de echte tweeklankaiblijkt te zijn.Hierdoor wordt al het duistere weggenomen. Niet slechts is deieingierigverklaard, maar ook deain mnl.begaerenen nnl.gaarne, naastbegeeren,geerneengierig; en de vormen in de verwante talen blijken in overeenstemming te zijn. Deevanbegeerenis derhalve scherp, als zijnde uitaiontstaan, zoodat er van de spelling met éénee(begeren) geene sprake meer zijn kan.b.Ook zal men op bovenstaande lijst de woordenknoop,klootenzweepniet meer aantreffen. Bij nader onderzoek is het ons gebleken, dat in de oudere verwante talen tweeërlei vormen vanknoophebben bestaan, wat onder andere uit ofri.cnopencnâpblijkt, waarvan de eerste aan onze zachte, de laatste aan onze scherpeobeantwoordt. De uitspraak met de scherpeo, waarop de gebruikelijke spellingknoopenberust, kan derhalve niet als eene verbastering worden beschouwd, zoodat er voor de Redactie, die als beginsel heeft aangenomen, niet buiten volstrekte noodzaak veranderingen te maken, geene reden bestaat om de spelling hier te wijzigen; ze blijft daaromknoopenvastknoopen,ontknoopenenz. schrijven.c.Minder zekerheid bestaat er tot nog toe omtrent de oorspronkelijke vormen vanklootenzweep. Indien men echter die woorden voor één mag houden met ons kluit en mhd.sweif(staart), dan hebben ook hier vanouds tweeërlei vormen bestaan, en is de spellingklootenenzweepeneven wettig alsklotenenzwepen. Hoe men het ook neemt, de zachtheid der klinkers in beide woorden staat nog niet vast, zoodat deze zich in hetzelfde geval bevinden alsheerenenkeeren. De Redactie acht zich dus nog niet tot verandering gerechtigd, en blijft daaromklootenenzweepenschrijven.
a.De Redactie was vroeger van meening, dat deeinbegeerenzacht was. Zij grondde haar gevoelen op deiin ohd.giric, onrd.girug, enz., die zij voor kort hield, en welke in dat geval eene zachteezou hebben moeten opleveren. Desniettegenstaande achtte zij het ongeraden de algemeen aangenomen spelling van een zoo dikwijls voorkomend woord te veranderen, omdat er over het woord en zijne verwanten een duister verspreid lag, dat zij toen nog niet vermocht op te heffen. Bij nader onderzoek echter is het gebleken, dat dieì, in sommige handschriften door een accent (í) gekenmerkt, de langeîis, die in den regel onzeijheeft opgeleverd, behalve vóór eener, waar zij zich inie(vroeger een tweeklank) oploste: vergelijkwierookvoorwijrookvanwij(d)en;gier(roofvogel), nhd.geier, ohd.gîr;schierinSchiermonnikoog,Schieringer,schierroek, enz., ohd.scîrenz. Doch kanîde stam vanbegeerenniet zijn, dan moet hetgairwezen, dat in goth.gairuni,gairnjanenz. voorkomt en de echte tweeklankaiblijkt te zijn.
Hierdoor wordt al het duistere weggenomen. Niet slechts is deieingierigverklaard, maar ook deain mnl.begaerenen nnl.gaarne, naastbegeeren,geerneengierig; en de vormen in de verwante talen blijken in overeenstemming te zijn. Deevanbegeerenis derhalve scherp, als zijnde uitaiontstaan, zoodat er van de spelling met éénee(begeren) geene sprake meer zijn kan.
b.Ook zal men op bovenstaande lijst de woordenknoop,klootenzweepniet meer aantreffen. Bij nader onderzoek is het ons gebleken, dat in de oudere verwante talen tweeërlei vormen vanknoophebben bestaan, wat onder andere uit ofri.cnopencnâpblijkt, waarvan de eerste aan onze zachte, de laatste aan onze scherpeobeantwoordt. De uitspraak met de scherpeo, waarop de gebruikelijke spellingknoopenberust, kan derhalve niet als eene verbastering worden beschouwd, zoodat er voor de Redactie, die als beginsel heeft aangenomen, niet buiten volstrekte noodzaak veranderingen te maken, geene reden bestaat om de spelling hier te wijzigen; ze blijft daaromknoopenvastknoopen,ontknoopenenz. schrijven.
c.Minder zekerheid bestaat er tot nog toe omtrent de oorspronkelijke vormen vanklootenzweep. Indien men echter die woorden voor één mag houden met ons kluit en mhd.sweif(staart), dan hebben ook hier vanouds tweeërlei vormen bestaan, en is de spellingklootenenzweepeneven wettig alsklotenenzwepen. Hoe men het ook neemt, de zachtheid der klinkers in beide woorden staat nog niet vast, zoodat deze zich in hetzelfde geval bevinden alsheerenenkeeren. De Redactie acht zich dus nog niet tot verandering gerechtigd, en blijft daaromklootenenzweepenschrijven.
81. Ofschoon de spellingwereld, eigenlijkwer-eld, de beschaafde uitspraak van dit woord niet juist uitdrukt, meent de Redactie haar als de naastbijkomende te moeten verkiezen; vergelijk§ 41.Wareldtoch is met de uitspraak nog meer in strijd, en bovendien ook met de afleiding; en hetzelfde geldt vanwaereld, daar menaein onze taal steeds als de voorstelling eener langeaheeft aangemerkt en in België nog veelal als zoodanig beschouwt.
Om dezelfde reden is ook de spellingvaersvoorverste verwerpen.
82. Om de boven in§ 79ontwikkelde redenen is de Redactie voornemens de volleiete bezigen in de achtervoegsels-ief,-ieken-iet, zoolang die den klemtoon behouden, ook dan wanneerieop het einde der lettergreep komt, b.v. inmotie-ven,substantie-ven,fabrie-ken,republie-ken,Israëlie-ten,Mennonie-ten. Die spelling is buitendien in overeenstemming met het gevestigde gebruik ten opzichte van-ieren-iesinofficie-ren,tuinie-ren,commie-zen,valie-zen. Daarentegen acht zijiete zwaar, en daarom eene enkeleivoldoende, wanneer die achtervoegsels geheel toonloos worden, inmot-i-veeren,Jezu-ït-isme,fabr-ik-ant,muz-ik-ant,muz-ik-aal,republ-ik-ein. Vergelijk den Regel der Welluidendheid§ 61en 62.
83. Om dezelfde redenen schrijven wij in het meervoudoli-ën,trali-ënenz., vanolie,tralieenz., dewijliein deze en dergelijke woorden geheel toonloos is; daarentegenknie-ën,spie-ën,drie-ën, waarin de eerste, enreliquie-ën,genie-ën, waarin de voorlaatste lettergreep den vollen klemtoon heeft. Dat men voorheenkniën,spiënspelde, is daaraan toe te schrijven, datie, uitiu(ioe) ontstaan, alstoen een tweeklank was, die nagenoeg tweelettergrepig, alsië, werd uitgesproken.Knie-en,spie-enzou toen derhalve geluid hebben alskní-e-en,spí-e-en.Thans echter isieeen zuivere (eenlettergrepige) klinker, gelijk b.v.ee, zoodat de oudere schrijfwijze niet meer in overeenstemming is met de hedendaagsche uitspraak; daaromknieën,spieën, evenalszeeën,tweeën; en zoo ookanalogieën,harmonieën,melodieën,reliquieënengenieën, verschillend vangeniën(géniën), meerv. vangenius.
84. Ofschoon deiin het achtervoegsel-ischdenzelfden helderen klank heeft alsiein-ief,-iek,-ieten-ier, geeft de Redactie aan de meest gebruikelijke schrijfwijze met de enkeleiverreweg de voorkeur boven-iesch, omdat dit achtervoegsel steeds allen klemtoon mist, enidaarin zeer kort is. De onregelmatigheid is niet grooter dan bij het achtervoegsel-uwinschaduw,zwaluw, hetwelk evenzeer toonloos is en door niemand met tweeu’s geschreven wordt. Vergelijk den Regel der Welluidendheid§ 61en 62.
Bij het beoordeelen van de regels in deze en de twee vorige §§ behoort men het onderscheid tusschen eene toonlooze lettergreep en een toonloozen klinker niet uit bet oog te verliezen. Toonloos is elke lettergreep, waarop in het geheel niet gedrukt wordt, waarop noch de halve, noch de volle klemtoon valt, b.v. de eerste inbe-hóúd,ge-lóóf,ver-driét, de laatste injá-ren,há-mel,há-mer,kó-ning,gróót-vader,hòfhóú-ding. Toonlooze klinkers zijn, in den regel, klinkers of tweeklanken, die geheel dof zijn geworden, als het ware alle kleur missen, en meer van een geruisch dan van een eigenlijken klank hebben; b.v. deeinaarde, onl.irtha, inhamer, ohd.hamar, inhemel, onl.himil; deuinGorkumuitGoring-heim; deiin het achtervoegsel-ig, goth.-agen-eig. Enkele toonlooze klinkers echter ontstaan als vanzelve tusschen twee medeklinkers, b.v. inhatelijk,beminnelijkenz. voorhaatlijk,beminlijkenz.Ofschoon het verliezen van den klemtoon de oorzaak is, dat de klinkers en tweeklanken toonloos worden, heeft dat verlies toch niet altijd de bedoelde verandering ten gevolge. De tweede lettergrepen inpy-ra-mide,mag-ne-tiseeren,mo-ti-veeren,ge-o-graaf,no-tu-len, en de laatste ino-lie,me-nie,tra-lie,Janua-ri,Ju-li,afgo-disch,nieuwmo-disch,scha-duw,zwa-luwenz. zijn toonloos, maar de daarin voorkomende klinkers, hoe flauw zij ook worden uitgesproken, behouden in eene beschaafde uitspraak hun eigenaardigen klank, en gaan niet in toonlooze klinkers over.Er bestaan derhalve toonlooze lettergrepen zonder toonlooze klinkers.
Bij het beoordeelen van de regels in deze en de twee vorige §§ behoort men het onderscheid tusschen eene toonlooze lettergreep en een toonloozen klinker niet uit bet oog te verliezen. Toonloos is elke lettergreep, waarop in het geheel niet gedrukt wordt, waarop noch de halve, noch de volle klemtoon valt, b.v. de eerste inbe-hóúd,ge-lóóf,ver-driét, de laatste injá-ren,há-mel,há-mer,kó-ning,gróót-vader,hòfhóú-ding. Toonlooze klinkers zijn, in den regel, klinkers of tweeklanken, die geheel dof zijn geworden, als het ware alle kleur missen, en meer van een geruisch dan van een eigenlijken klank hebben; b.v. deeinaarde, onl.irtha, inhamer, ohd.hamar, inhemel, onl.himil; deuinGorkumuitGoring-heim; deiin het achtervoegsel-ig, goth.-agen-eig. Enkele toonlooze klinkers echter ontstaan als vanzelve tusschen twee medeklinkers, b.v. inhatelijk,beminnelijkenz. voorhaatlijk,beminlijkenz.
Ofschoon het verliezen van den klemtoon de oorzaak is, dat de klinkers en tweeklanken toonloos worden, heeft dat verlies toch niet altijd de bedoelde verandering ten gevolge. De tweede lettergrepen inpy-ra-mide,mag-ne-tiseeren,mo-ti-veeren,ge-o-graaf,no-tu-len, en de laatste ino-lie,me-nie,tra-lie,Janua-ri,Ju-li,afgo-disch,nieuwmo-disch,scha-duw,zwa-luwenz. zijn toonloos, maar de daarin voorkomende klinkers, hoe flauw zij ook worden uitgesproken, behouden in eene beschaafde uitspraak hun eigenaardigen klank, en gaan niet in toonlooze klinkers over.
Er bestaan derhalve toonlooze lettergrepen zonder toonlooze klinkers.
85. Het letterteekenijstelde, gelijk men weet, oorspronkelijk in gesloten lettergrepen, alsmijn(miin),sijn(siin),de langeivoor, die in opene, alsmine,sine, door de enkeleiwerd vertegenwoordigd. Het teekenjwas dus in de genoemde en dergelijke woorden een gewijzigde vorm van de letteri, die gelijkstond met de tweedea,e,oenuinjaar,eed,roomenvuur. Het verlengen door het aanvoegen van een staart geschiedde sieraads- of duidelijkheidshalve; zoo schreef men ookvj,vij,viij, enz. voor 6, 7, 8. Dientengevolge hadjin strijd met§ 47,a.twee verschillende waarden, die van vocaal inmijn(miin) enwijn(wiin), en die van consonant injaer,joc. Toen in het Nnl. de langeiin de uitspraak gelijk werd aan den tweeklankei, kwam de schrijfwijzeijgeheel in strijd met de natuur van den klank, dien zij moest voorstellen, en die niet meer dooriiafgebeeld kon worden; men behield evenwel de oude letterteekens ondanks de veranderde uitspraak. De Redactie meende in het Woordenboek die onregelmatigheid te moeten vermijden en te dien einde het letterteeken voorijofIJin zooverre te wijzigen, dat het onderscheid tusscheni jen den hier bedoelden klank duidelijk bleek. Het natuurlijkste middel daartoe ware geweest, de beide deelen aan elkander tot eene eenheid te verbinden, gelijk men in het schrijven gewoon is te doen. Doch de zwarigheden van typographischen aard, die zich hierbij voordeden, de vreemde en onbehaaglijke lettervormen, die ons voorgelegd werden, en die vooral bij het kapitale letterteeken aanstootelijk waren, hebben ons genoodzaakt van ons goede voornemen af te zien en den gewonen vorm vanijenIJonzes ondanks te behouden.
86. Volgens§ 47,a.moet men aan hetzelfde letterteeken niet buiten volstrekte noodzakelijkheid meer dan ééne waarde geven. Men handelt in strijd met dit beginsel, wanneer men thans nogkolijk,katholijk,fabrijk,muzijkenz.schrijft, en door die spelling aanleiding geeft, dat sommigen in die woorden werkelijk eeneijofeilaten hooren. Nu zij in de beschaafde uitspraak deni-, niet denei-klank hebben, eischt de eerste grondregelkoliek,katholiek,fabriekenz.; zoo ookpoëzie,harmonie,melodieenz. Den dichter blijve het echter vrijgelaten naar goeddunken ookpoëzij,harmonijenz. te schrijven, omdat in die woorden opie, die den klemtoon op de laatste syllabe hebben, ook de uitspraakijgeoorloofd is. Zie§ 40.
Zoo schrijve men ookkoffie, lat.coffea, evenals men schrijftbalie,falie,malie,tralie,olie,foelie,linie,kevie,merrieenz.
Nog sterker dan de spellingmuzijkvoormuziekenz. is af te keuren het gebruik van deijin de plaats van de enkele korteiofyin tweeklanken alsaij,eij,oij,uij,oeij, vooray,ey,oy,uy,oy, ofai,eienz. Deijheeft nooit als enkeleigegolden. Oudtijds had zij de waarde vanii, thans stelt zij een tweeklank voor, die alseiluidt; zoodataij, hoe men het neme, niet anders opgevat kàn worden, dan òf alsa+ie, òf alsa+ij(a+ei). Eene spelling metaijenz. laat zich dus op geenerlei wijze, noch door de vroegere, noch door de hedendaagsche uitspraak, rechtvaardigen, zelfs niet in die eigennamen, waarin eene oude spelling behouden wordt. Gesteld dat iemandVan der Kruisheet, dan zijn van dien naam verschillende schrijfwijzen, mits met gelijkluidende letters, te verdedigen:Kruis,CruysofCruyss; dochCruijskon voorheen niet anders geluid hebben dan krui-is of kru-iis, en kan thans niet anders worden uitgesproken dankru-ij-s(kru-eis);ijvooryis dus evenmin te rechtvaardigen als elke andere verwisseling van twee niet gelijkluidende letters, b.v. vanrenl:cruij-sis even ongeschikt om den klankkruiste vertegenwoordigen alskluisofkruidzijn zou. Alleen de gewoonte vanijenyte verwarren maakt, datkruijsminder ongerijmd schijnt.
Nog sterker dan de spellingmuzijkvoormuziekenz. is af te keuren het gebruik van deijin de plaats van de enkele korteiofyin tweeklanken alsaij,eij,oij,uij,oeij, vooray,ey,oy,uy,oy, ofai,eienz. Deijheeft nooit als enkeleigegolden. Oudtijds had zij de waarde vanii, thans stelt zij een tweeklank voor, die alseiluidt; zoodataij, hoe men het neme, niet anders opgevat kàn worden, dan òf alsa+ie, òf alsa+ij(a+ei). Eene spelling metaijenz. laat zich dus op geenerlei wijze, noch door de vroegere, noch door de hedendaagsche uitspraak, rechtvaardigen, zelfs niet in die eigennamen, waarin eene oude spelling behouden wordt. Gesteld dat iemandVan der Kruisheet, dan zijn van dien naam verschillende schrijfwijzen, mits met gelijkluidende letters, te verdedigen:Kruis,CruysofCruyss; dochCruijskon voorheen niet anders geluid hebben dan krui-is of kru-iis, en kan thans niet anders worden uitgesproken dankru-ij-s(kru-eis);ijvooryis dus evenmin te rechtvaardigen als elke andere verwisseling van twee niet gelijkluidende letters, b.v. vanrenl:cruij-sis even ongeschikt om den klankkruiste vertegenwoordigen alskluisofkruidzijn zou. Alleen de gewoonte vanijenyte verwarren maakt, datkruijsminder ongerijmd schijnt.
87. In de namen der maanden, die oorspronkelijk genitieven zijn (Januarii,Juniienz.), is dei-klank van een geheel anderen aard en oorsprong dan in een der bovengenoemde woorden. Het komt der Redactie wenschelijk voordien ook in de spelling van den uitgang-ie, welke hier en daar nog alsiëluidt, te blijven onderscheiden, en naar Latijnsch gebruikJanuari,Februari,JunienJulite schrijven. Deze spelling beantwoordt aan de uitspraak en is in overeenstemming met de door ons aangenomen regels voor het schrijven der bastaardwoorden.
88. De afleiding eischt de vervanging vaneidoorijin de woordenmalvezei, fr.malvoisie, enkarwei(soort van zaad), fr.carvi, onderscheiden vankarwei(werk), fr.corvée. Daarentegen zal om dezelfde reden deijvansacristijn, fr.sacristain, ofschoon insacristij(fr.sacristie) op hare plaats, vooreimoeten wijken. Derhalvemalvezij,karwijzaad,sacristein, dochkarweitje,sacristij.
Het woorddozijn, dat men lichtelijk voor het Fransche douzaine zou kunnen aanzien, moet zijneijbehouden. Niet uit het Fransch toch, maar uit het Latijn is het tot ons gekomen, gelijk onlangs te recht is aangemerkt. In de beschaafde uitspraak luidt het woord nietdoezijn, maardozijn, en sommige dialecten zeggendoziin, hetgeen op het Middeleeuwsch-latijnschedocenumwijst, en het woord op ééne lijn stelt metkrijt, lat.creta;venijn, lat.venenum;tapijt, lat.tapete.
IJzenenijselijkhebben, hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk, hun bestaan te danken aan een woord, dat goth.agis, ohd.egisoluidde, en zouden uit dien hoofde, evenalszeiluitzegel,dweiluitdwegelenz., meteibehooren geschreven te worden, gelijk oudtijds werkelijk geschiedde. Daar echter het grondwoordeis(vrees, schrik) al vroeg vergeten werd, en men bij het schrikken niet zelden eene koude rilling voelt, begon men aan eene verwantschap metijste denken, en aaneizende bepaalde beteekenis te hechten vankoud worden,van schrik verstijven. In de uitdrukking:het is om van te ijzen, ziet het woord kennelijk op dekille huivering, die eene ontzettende aanschouwing of voorstelling veroorzaakt. Vandaar de verandering in de uitspraak en spelling. In die gewesten, waarijnog alsiklinkt, zegt menizeneniselik; en bijKiliaan,Coornherten anderen treft men de beide spellingen, meteienij, nevens elkander aan. Het een en ander bewijst, dat de »spraakmakende gemeente” naast het oude, nu vergeten, woord een nieuw met gewijzigde beteekenis gevormd heeft. Daar nu de spellingeizen,eiselijkniet zou kunnen strekken om op eenig thans algemeen bekend woord te verwijzen en zoodoende de beteekenis duidelijker te maken, vindt de Redactie geene reden om zonder eenig nut het algemeene gebruik te verlaten en, tegen de niet twijfelachtige uitspraak aan, een verouderd woord (althans een verouderden vorm) te hernemen, die bij het volk geheel vergeten is, en die bovendien een onbepaalder begrip vertegenwoordigt, dan het nieuwere woord of de nieuwere vorm. Zij schrijft derhalve volgens den Regel der Uitspraakijzenenijselijk.
89. Op grond van§ 47,aeneverwerpt de Redactie de spelling vanby,my,hy,zy,dwingelandy,razernyenz. mety, omdat deze letter in oorspronkelijk Grieksche woorden, alscylinder,Styx,Egypte, reeds den gewoneni-klank voorstelt, en haar alsdan buiten eenige noodzakelijkheid eene tweede waarde zou toegekend worden. Dat deij-klank inbij,mij,hijslechts uit eene korte, niet uit eene langeiontstaan is, kan in haar oog geene reden zijn om inbreuk op het bedoelde beginsel te maken, te minder daar in opene eenlettergrepige woorden, alsthee,zoo, ook deeenoverdubbeld worden, ofschoon zij eigenlijk zacht zijn.
90. Vreemde woorden en eigennamen, die op heldere of lange klinkers eindigen, nemen in den tweeden naamval van het enkelvoud en in alle naamvallen van het meervoud eenesaan, voorafgegaan door het uitlatingsteeken (’). DusMaria’s,Hebe’s,Garibaldi’s,Cicero’s,echo’s; nietMariaas,Hebeesenz. Daar de verdubbeling deriniet meer in gebruik is, zou men althans nietGaribaldiis, Paniniis,Rubiniiskunnen of willen schrijven; de analogie laat dus ookMariaas,Hebeesenz. niet toe. Buitendien is het dubbele letterteeken in strijd met de uitspraak van zulke woorden, waarin de eindvocaal nooit zoo lang wordt uitgerekt, als geschiedt met de klanken, die in Nederlandsche woorden in den regel dooraa,eeenz. worden voorgesteld. De welluidendheid, zoowel als de analogie, maakt derhalve het gebruik van het uitlatingsteeken verkieslijker dan het verdubbelen van den klinker. Zie§ 59, 61 en 62.
Ook is het onveranderlijk bewaren van den vorm der eigennamen wenschelijk, ten einde alle verwarring te voorkomen. Daarom schrijft de Redactie ookBruining’s, ofBruinings’, naar gelang men den tweeden naamval of het meervoud vanBruiningof vanBruiningsbedoelt.
De regel is natuurlijk niet van toepassing op echt Nederlandsche gemeene zelfstandige naamwoorden, alsga(samentr. vangade),ra,vla(vlade). Deaheeft in het meervoud dier woorden dezelfde zware of gerekte uitspraak als altijd in geslotene lettergrepen, b.v. als inaas,baas,geraas. Daarom schrijven wij nieteega’s,ra’s,vla’s, maar volgens den gewonen regel van het Nederlandsch, die in gesloten lettergrepen het verdubbelen van den helderen klinker voorschrijft:eegaas,raas,vlaas.
De regel is natuurlijk niet van toepassing op echt Nederlandsche gemeene zelfstandige naamwoorden, alsga(samentr. vangade),ra,vla(vlade). Deaheeft in het meervoud dier woorden dezelfde zware of gerekte uitspraak als altijd in geslotene lettergrepen, b.v. als inaas,baas,geraas. Daarom schrijven wij nieteega’s,ra’s,vla’s, maar volgens den gewonen regel van het Nederlandsch, die in gesloten lettergrepen het verdubbelen van den helderen klinker voorschrijft:eegaas,raas,vlaas.
91. De Redactie speltaar(korenaar),haar(hoofdhaar),meer(waterplas),door(van een ei),oorinoorsprong,oorzaak, nietair,hair,meir,doir,oirsprong, omdat de laatste schrijfwijze zoowel door de afleiding als door de uitspraakverworpen en door de duidelijkheid niet geëischt wordt, terwijl zij geheel op willekeur berust, daar er geene reden te bedenken is, waarom men niet liever inair(ader),hair(voornw.),meir(telw.),doir(voorzets.) enz. de verlenging doorizou aanduiden. Daarentegen meent zij de spellingheir(legermacht) enoir(erfgenaam) boven die vanheerenoorte moeten verkiezen; het eerste omdatheirde beschaafde uitspraak, hoewel niet juist, toch beter vertegenwoordigt danheer; het laatste als verbastering van het Franschehoir. De spellingoorzou dit weinig gebruikelijke en weinig bekende woord onherkenbaar maken, en zeer zeker de duidelijkheid niet bevorderen.