13. Batavia.

13. Batavia.De eerste kennismaking met de hoofdstad van Nederlandsch-Indië is ons wel wat tegengevallen. Weinig levendigheid op de reede,en binnen de stad zelve gemis van dat gewoel in de straten en op de pleinen, waardoor de Europeesche handelsplaatsen zich onderscheiden.Gezicht in het oude gedeelte van Batavia.Gezicht in het oude gedeelte van Batavia.Dat komt, omdat Batavia niet meer is wat het vroeger was. De tegenwoordige bevolking bestaat nagenoeg geheel uit inlanders; wel hebben de Nederlandsche handelaars en ambtenaren er hunne kantoren, maar tegen den avond, wanneer de bezigheden zijn afgeloopen, verlaten zij die, en begeven zij zich naar hun woning, in eene der buitenwijken gelegen. Batavia bestaat uit de oude stad, door onze voorouders regelmatig aangelegd naar het model eener oud-Nederlandsche, met straten en grachten en marktplaatsen,—en de nieuwe, zijnde een aantal groepen prachtige villa’s en doelmatige woonhuizen, omgeven door tuinen en voorzien van al wat het leven in die luchtstreek kan veraangenamen.Eene ouderwetsche poort verleent toegang tot de stad; na die poort te zijn doorgereden, zien wij vóór ons het Raadhuis,—een gebouw dat er uitziet alsof het zoo pas uit de eene of andere Hollandsche stad door tooverslag hier heen is overgebracht. Verderop zien wij eene breede straat, met fraaie rijen boomen beplant, en aan weerszijden bezet met huizen van twee verdiepingen, vrij smal en met muren van roode klinkers, precies als ware men hier in Nederland. Sommige dier huizen worden bewoond door Europeesche en inlandsche handwerkslieden, andere dienen den handelaars tot kantoren; zij bevinden er zich van des morgens negen tot des avonds vier uur, en laten er alleen een inlandschen huisbewaarder achter. Ook hebben verscheiden Chineesche handwerkslieden hier hun werkplaatsen. Voorts aanschouwen wij nog een aantal straten en grachten, die hier en daar eenige zeer fraaie winkels aanbieden, en dan krijgen we weer open plaatsen, met boomen bezet, die ons zouden doen denken, dat de stad hier ophoudt. Dat is echter zoo niet; er volgen nog meer groepen woningen, maar de regelmatige aanleg begint plaats te maken voor meer grilligen bouwtrant; de huizen staan niet langer dicht opeengedrongen en zijn door tuinen afgewisseld, en spoedig betreden wij de buitenwijken, het zoogenaamde «Nieuw Batavia».Oudtijds was de stad door zestien grachten in regelmatige blokken verdeeld. Die grachten liepen uit in de Tjiliwong en haddenook met andere riviertjes gemeenschap, zoodat zij steeds van versch water voorzien waren. Sommige er van, zooals de Tijgergracht vooral, waren prachtig; en de bewoners konden zich ’s avonds, als zij op hunne hooge stoepen of gemetselde banken zaten, verbeelden, dat zij te Amsterdam waren. Batavia stond toen hoog in aanzien; op het kasteel hield de Gouverneur-generaal zijn verblijf, en alle hooggeplaatste ambtenaren woonden er. Het werd dan ook meermalen de «Koningin van het Oosten» genoemd. Daarbij was de stad door stevige vestingwerken omgeven, om haar tegen vijandelijke aanvallen te dekken.Later veranderde dit. De riviertjes, waarvan wij zooeven spraken, stroomen van de zuidelijker gelegen bergen af; zij hebben eene smalle, ondiepe bedding, en voeren zeer veel slib mede. Dicht bij de kust wordt het terrein vlak, de stroom verflauwt, en het slib bezinkt. Daarbij werd in 1669 door eene vulkanische uitbarsting en eene aardbeving de mond van de Tjiliwong verstopt, en sedert hoopten zich slijkmassa’s op in de grachten, hetgeen schadelijke uitwasemingen te weeg bracht, die oorzaak waren van kwaadaardige ziekten. De sterfte werd zoo groot, dat Batavia den naam kreeg van «het graf der Europeanen». Men heeft dit zoeken te verhelpen door de grachten te dempen, voor een groot deel ten minste, en in 1811 heeft de Gouverneur-generaal Daendels de vestingwerken laten sloopen, om aan de frissche luchtstroomen uit het Zuiden meer vrijen toegang te verschaffen, maar nog altijd bleef oud-Batavia den naam houden dat het er ongezond is, en vestigen zij, wier middelen het toelieten, zich wat verder van de zeekust. Dat verklaart ons de menigte open plekken, die wij hebben aangetroffen.Gezicht in het nieuwe gedeelte van Batavia.Gezicht in het nieuwe gedeelte van Batavia.Nu de buitenwijken eens bekeken. Zij zijn nog al talrijk en dragen deels Nederlandsche, deels Indische namen. Het eerst rijden wij door Molenvliet, daarna door Rijswijk: wij zien hier het Hôtel van den Gouverneur-generaal, een heel eenvoudig gebouw, dat de landvoogd evenwel niet bewoont, maar dat hij alleen bezigt voor feesten en audiëntiën, wanneer hij zich te Batavia bevindt. Vervolgens gaan wij naar het Koningsplein, eene uitgestrekte vlakte, rondom door de prachtigste villa’s omgeven: het prijkt bovendien met eene renbaan, terwijl er ook, wanneer de gelegenheid zulks medebrengt, openbare vermakelijkheden worden gehouden, als wanneer het Koningspleinwel eenigszins aan eene Nederlandsche kermis doet denken. Belangrijk is de dieren- en plantentuin, sedert kort hier ingericht.Een weinig zuidwaarts van het Koningsplein ligt de wijk Tanah Abang, met het kerkhof der Europeanen, door een fraai ijzeren hek omgeven. Het prijkt met menig gedenkteeken, opgericht ter eere van mannen, die zich jegens Indië verdienstelijk hebben gemaakt.Wij moeten nu weder naar Rijswijk terug, om van daar Weltevreden te bereiken. Eerst krijgen wij nog Noordwijk en vervolgens komen wij alweer aan eene ruime open plaats, en Waterlooplein geheeten. Het heeft dien naam te danken aan een gedenkteeken ter herinnering aan den bekenden veldslag, die voorgoed over Napoleons lot besliste. Mooi is het monument niet: wanneer we het van onderen op bekijken, zien wij eerst een houten voetstuk, daarna een wit gekalkt zuiltje, eindelijk een houten leeuw, die, ware hij wat kleiner, wel uit een draaimolen afkomstig kon zijn. Den vreemdeling, die weten wil wat dat alles beteekent, wordt door een opschrift verhaald, dat in 1815 de Hollanders de Franschen hebben verslagen. Net of de Engelschen en de Pruisen er volstrekt geen deel aan hadden!Nog een weinig verder, en wij staan voor het paleis van Weltevreden, dat in 1809 begonnen, in 1827 voltooid is, en eveneens als woning voor den Gouverneur-generaal was aangewezen. Ook dit gebouw geniet de eer niet, door Z. Exc. betrokken te worden: het bevat nu slechts de bureau’s van algemeen bestuur, en de vergaderzaal van den Raad van Indië.Batavia bezit nog veel meer openbare gebouwen. Onder de voornaamste noemen wij de Willemskerk op het Koningsplein, het gebouw van het Bataviasche genootschap van Kunsten en Wetenschappen, met fraaie muséums van Indische oudheden, voorwerpen, die betrekking hebben op de kennis van het volksleven, en eene flinke boekverzameling. Vervolgens de societeit «Harmonie», die des avonds druk bezocht wordt door officieren, ambtenaren en gegoede particulieren. Eindelijk het ziekenhuis, geen gebouw op zichzelf, maar eene gansche reeks van kleine gebouwen, aan weerszijden van een’ tuin omgeven, elk slechts twee of drie kamers bevattende. Het is zoo ingericht om besmetting te vermijden.Batavia is door een’ spoorweg verbonden aan Buitenzorg, ruimdertien uren gaans verder landwaarts gelegen. De bewoners der buitenwijken kunnen van dien spoorweg gebruik maken om naar de oude stad te gaan. Voor het overige geschiedt de tocht van de nieuwe stad naar de oude met rijtuig, terwijl zij, die zoo gelukkig niet zijn eigen equipage te bezitten, meestal gebruik maken van dentramof paardenspoorweg, een vervoermiddel ook hier te lande niet onbekend, daar het reeds in verscheiden steden wordt aangetroffen.14. Om en in eene Javaansche woning.De Europeanen zijn gewoon, een dorp op Java eene dessa te noemen. Wij zullen dit ook maar doen, doch moeten hierbij opmerken, dat in de verschillende deelen van het groote eiland drie afzonderlijke talen door de inlandsche bevolking worden gesproken, namelijk Javaansch, Soenda’sch en Madoereesch, zoodat het Javaansche woord, dat eenigszins verbasterd als «dessa» klinkt, zeker wel niet overal zal worden verstaan.Meestal bezit elk dorp een eigen hoofd, die de gemeenschappelijke belangen der bevolking bestuurt: hij wordt gekozen door de volwassen mannelijke ingezetenen. In het westelijk deel van Java zijn vaak verscheidene kleine dorpen tot ééne gemeente onder hetzelfde hoofd vereenigd,—eene regeling die wel eenigszins gelijkt op hetgeen men in onze provincie Friesland aantreft.Bij het naderen der dessa bespeurt men van de gebouwen zoo goed als niets. De weg voert geruimen tijd langs onafzienbare rijstvelden, zich uitstrekkende tot op de helling van het gebergte in het verschiet, en afgewisseld nu en dan door bloeiende koffietuinen. In de verte stuit het oog op een dicht bosch, gelijkende op een eiland te midden van een meer van groene halmen,—welke overeenkomst nog grooter wordt, als het rijstveld onder water staat.Naar ééne dier donkere plekken richten we onze schreden. De smalle voetpaden, die het rijstveld doorsnijden, wijzen ons den weg: na den oogsttijd kunnen we ook over den stoppeligen bodem gaan, en alzoo de wandeling verkorten. Verderop worden de akkers kleiner, en zijn met meer verscheidenheid van gewassen beplant, soms doorsneden van fraaie lanen met hoogopgaand geboomte. Vervolgenskomen we aan eene dichte heg van bamboe, die het geheele terrein der dessa omringt, als een levende muur, waarin hier en daar openingen zijn gelaten voor den toegang. Eerst nu kunnen we een’ blik slaan in het dorp zelf: het bestaat uit een zeker aantal sterk begroeide erven. Te midden dier stukken grond zijn de hutten der inlanders gebouwd.Ook het erf van den dessa-bewoner is van dat van zijn’ buurman gescheiden door eene haag van bamboe, waarin eene opening, groot genoeg om eene kar met een paar buffels bespannen, door te laten. Zoodra we door deze omsluiting heen zijn, treft ons de prachtige aanblik van de talrijke en in ons oog vreemdsoortige vruchtboomen, die de woning omringen.We bereiken deze langs het smalle voetpad, dat het erf doorsnijdt. We treffen het gezin aan het middagmaal, dat zeer weinig verschilt van den tweeden maaltijd, waarmede na zonsondergang de dag wordt besloten, en die hoofdzakelijk bestaat uit rijst, eenige vruchten, en reepjes gedroogd vleesch.Eerst moeten we ons een weinig aan de duisternis trachten te gewennen: de deuropening is de eenige plaats, langs welke het licht kan binnendringen. Doch dat hindert dezen lieden volstrekt niet; binnenshuis hebben zij bijna geene bezigheden te verrichten,—al wat zij te doen hebben geschiedt op het erf. Zelfs voor het gereedmaken der spijzen is aan de buitenzijde eene stookplaats onder een afdak gemaakt. Het met bladeren belegde dak loopt verder dan de voorwand van bamboe, en rust op palen, waardoor eene veranda wordt gevormd, onder welker beschutting de vrouwen haar huiselijke werkzaamheden verrichten. En deze zijn waarlijk niet gering. Op de dagen, dat zij niet mede naar het veld moeten om rijst te planten of te oogsten, hebben zij drukte genoeg met het spinnen, weven en verven der katoenen stoffen, waaruit grootendeels de kleeding der inlanders bestaat, het raspen van kokosnoten, om uit de fijngemaakte pit de olie te kunnen trekken, die bij haar de plaats van boter en vet vervult. Onder datzelfde afdak wordt dikwijls de maaltijd genuttigd; het binnenhuis wordt voornamelijk gebruikt om te slapen of om des middags, beschut voor de hitte, eene koele rustplaats te vinden. De inwendige ruimte is meestal in twee vertrekken verdeeld, waarvan een voor de kinderen dient. Kijknauwelijks hebben ze ons zien komen, of ze springen op uit hunne zittende houding—met de beenen vóór het lichaam gekruist—en maken zich uit de voeten, echter niet zóó gauw, of we hebben nog wel kunnen bespeuren dat hun donkergeel lichaam door bijzonder weinig kleeding is bedekt.Een Javaansch huisgezin.Een Javaansch huisgezin.De huisvader maakt, zittende op zijn’ stoel van hout, gespleten bamboe en rotting, eene beleefde buiging voor de Europeesche bezoekers; op onze vraag, of we even mogen rondzien, staat hij dadelijk op, om ons van dienst te zijn. Daar ginds in den hoek is de slaapplaats, alleen bestaande uit eene kleine verhevenheid, waarop eene mat ligt en eenige kussens met kapok gevuld, alles half weggeborgen achter een katoenen gordijn als onmisbaar scherm voor de muskieten. Niet ver van daar staat eene groote rustbank. Maar wat het meest onze aandacht trekt, is eene vrij groote doos of bak met een aantal kleine voorwerpen er in, die de verschillende bestanddeelen bevatten, welke de Javaan zoowel als zijne vrouw noodig hebben, om hun sirih of betelpruim gereed te maken.Wat dat is?Als we straks het erf opwandelen, zullen we een paar rechte en slanke palmboomen zien, met kleine, roodachtige vruchten beladen. Dat zijn pinang- of betelnootpalmen. Ook treffen we daar een stengelgewas aan, dat tegen een anderen boom wordt opgeleid, en welks bladeren sirih of betel genoemd worden. Welnu, aanstonds als onze Javaansche vriend een beetje op zijn gemak gaat zitten, neemt hij uit een hoog vierkant bakje, dat in de doos staat, een betelblad; uit een ander bakje een stukje van eene pinangnoot, dat nu erg hard is geworden,—de noot werd aan stukken geknipt, toen zij versch was geplukt,—dan, uit een rond doosje, een stukje gambir, welke stof wordt getrokken uit het sap van een op Java weinig, maar op Sumatra des te meer voorkomend struikgewas,—eindelijk, uit een kleiner potje, een veegje fijne natte kalk. Deze laatste strijkt hij op het blad, rolt er pinang en gambir in, en steekt dat alles in den mond: dikwijls voegt hij er nog wat tabak aan toe. Nu gaat hij lustig aan het kauwen: het sap kleurt zijn speeksel rood en zijne tanden zwart; daarbij moet hij telkens zijne toevlucht nemen tot het spuwbakje of kwispedoor dat naast zijnedoos staat. Het betelkauwen is over geheel Indië verspreid, en als twee inlanders elkander bezoeken, begint men met de aanbieding van de sirih-doos. Gelooft ook niet, dat zij zwarte tanden als iets leelijks beschouwen; integendeel. Bovendien worden de tanden der meisjes tot kleine puntjes afgevijld, hetgeen in ons oog een afschuwelijk gebruik is. Doch de smaken verschillen: de Javanen vinden dat het bezit van groote blanke tanden onzen Europeeschen mond doet gelijken op den muil van een’ tijger of van een’ hond.Laat ons nu de kleeding van onze luidjes eens bekijken. Veel onderscheid tusschen die der mannen en vrouwen bestaat er niet: beiden dragen om het middel een lang stuk katoen, dat eenige malen het lichaam omgeeft en van achteren met het uiteinde is ingestoken, en zoo eene soort van rok gelijkt, die bij de mannen even over de knieën, bij de vrouwen op de voeten afhangt. Dit voornaamste kleedingstuk heeft niet overal dezelfde afmetingen en draagt onderscheiden namen: gemakshalve wordt het door de Europeanensaronggenoemd. Dikwijls wordt de stof door de Javanen, meestal door de vrouwen, op hun eigen weefgetouwen vervaardigd en vervolgens gekleurd: ook worden veel katoenen stoffen uit ons werelddeel aangevoerd.In West-Java is de sarong gewoonlijk het eenig kleedingstuk der vrouwen: de mannen hebben daaronder nog eene korte wijde broek. Meer oostwaarts vinden wij bij de eersten eene strook linnen of wit katoen om het bovenlijf gewonden, bij de laatsten een katoenen borstrok met zeer korte mouwen en daarover een baadje (badjoe) van gestreept katoen, van boven aan den hals met een’ knoop nauwsluitend vastgemaakt en verder loshangend: de mouwen zijn wijd en reiken maar even over den elleboog.Omtrent den hoofdtooi merken wij op, dat een haarsnijder bij de inlandsche bevolking weinig bezigheid zou vinden. Het haar der kleine tweejarige jongens wordt afgeschoren, op twee lokjes na: verder laat men het ongehinderd groeien. De Javaan steekt zijne lange zwarte haren door middel van een halfronden schildpadden kam in eene wrong samen en bedekt het door een’ doek, die, om het hoofd gewonden, door het insteken van het uiteinde wordt vastgehouden. Over dien hoofddoek wordt bij den veldarbeid een verbazend groote stroohoed gedragen, die hoofd en schouders beschermten zoowel door vrouwen als door mannen wordt gebezigd. De eersten zijn anders blootshoofds: het lange haar wordt in een kunstigen knoop op het achterhoofd bevestigd, en met fraaie haarnaalden en welriekende bloemen versierd.De voeten zijn doorgaans onbedekt: soms ziet men geringe lieden gebruik maken van houten zolen, waaraan van boven een pennetje, dat tusschen de teenen wordt vastgehouden. Wij zouden ons zeker wel eene poos mogen oefenen eer we met die dingen terecht konden. Aanzienlijke lieden bezigen binnenshuis nette pantoffels, en de voornaamste hoofden dragen, als zij in dienst zijn, laarzen. Beide laatste soorten van schoeisel zijn door de Europeanen in zwang gekomen.Als de Javaan uitgaat, is hij steeds gewapend, en wel met eene kris, eene soort van platten dolk, meestal eenigszins gegolfd. Hij wordt aan de linkerzijde gedragen in eene scheede, of in den gordel gestoken, of aan een’ ring hangend. De krissen van aanzienlijke personen hebben dikwijls prachtige gevesten, kunstig bewerkt en met goud en diamanten versierd. Als kostbare erfstukken worden zij hoog in eere gehouden.Laat ons thans, na rustig de heetste uren van den dag te hebben afgewacht, het erf opwandelen. De verschillende soorten van boomen en gewassen, die we hier opmerken, moeten tot eene latere kennismaking bewaard blijven: het is ons heden voornamelijk om de huishoudelijke inrichting te doen.Daar ginds, niet ver van het huis verwijderd, staat het rijstblok: de stamper ligt er boven op. Deze onmisbare voorwerpen doen nagenoeg dagelijks dienst voor het pellen van de rijst; somtijds ook ’s nachts, als er onraad is, en men door slaan op het rijstblok zijne buren tracht te wekken. Onder een afdak, ter zijde van de woning, staan twee paarden, klein van stuk maar vrij gespierd en lenig. Onze man behoort tot de meest welvarende onder zijne dorpsgenooten, want het bezit van paarden is lang niet algemeen. De hond van het erf houdt hun gezelschap: ’t is een mager, onvriendelijk dier, met steile ooren, vaalgrijs haar en een langen, kalen staart. De hond is dan ook bij de Javanen weinig in tel, slechtsiets meer dan het varken, dat door de Mohammedanen als onrein wordt veracht en men dus hier te vergeefs zou zoeken.Nog andere gebouwen trekken onze aandacht. Vooreerst de rijstschuur, die, van boven langer en breeder dan van onder, eene vreemde vertooning maakt. De deur is in het schuine dak, en om de afgesneden aren er in te brengen moet men langs eene bamboeladder naar boven klimmen. Verder zien we een dak op palen, door dwarshouten verbonden en met eene deur van bamboe gesloten. Daar binnen is de grond met eene dikke laag modder bedekt. Dat is het verblijf van de buffels of karbouwen, de trouwe helpers bij den veldarbeid. Ook zien we, onder een afdak, een groot rijtuig staan: ’t lijkt wel eene soort van huisje op een paar lompe schijfvormige wielen. Het heetpedatien wordt door buffels getrokken om landbouwvoortbrengselen naar elders te vervoeren. Nog vinden wij daar de landbouwgereedschappen: den ploeg en de egge. Beide zijn zeer eenvoudig en zoo licht, dat de gebruiker ze op zijne schouders naar het veld kan dragen. De ploeg bestaat uit drie stukken hout: een langen boom, waaraan de karbouwen met een’ strik rechts en links worden gespannen,—achteraan een gebogen roer om hem te sturen, en van onderen den schoen met ijzeren punt. De egge is niets anders dan eene groote hark, waarboven een zitbankje: door de zwaarte van zijn lichaam doet de landman de tanden van het door buffels getrokken werktuig diep genoeg in den lossen grond dringen.Nu we dit alles hebben bezichtigd wordt het tijd om aan de terugreis te denken, willen we niet door de duisternis overvallen worden. Zoodra toch de zon onder is, wordt het plotseling donker; schemering kent men in de nabijheid van den evenaar schier niet. We nemen dan afscheid van onzen geleider en wandelen langs het pad door de sawah (het rijstveld) terug naar de plaats, waar we ons rijtuig hebben achtergelaten.15. De k’ratons der Indische vorsten.Gezicht in een k’raton.Gezicht in een k’raton.Behalve de oude tempels zijn de paleizen der inlandsche vorsten de eenige gemetselde werken van eenig belang, welke men op Java en Sumátra aantreft.Die paleizen, onder welke dat van den sultan van Atjeh in den laatsten tijd zulk eene voor ons treurige vermaardheid heeft verkregen, heetenk’ratonofk’daton, welk woord letterlijk beteekent «woonplaats van den vorst». ’t Zijn inderdaad bemuurde steden, in wier midden het paleis staat, naar alle zijden door de woningen der leden van het vorstelijk huis en van de voornaamste hofbeambten omgeven. De open ruimten bevatten de tuinen, waterkommen en badplaatsen van den vorst. Het geheel is doorsneden met een aantal muren, die het als ’t ware tot een’ doolhof maken, en wordt door dichte bosschages van allerlei geboomte aan het oog onttrokken.De hoofdpoort van den k’raton ligt altijd op het noorden. Daarachter is dealoen-aloenof ’t groote plein, waarop de vorst zich eenmaal in de week aan zijn volk vertoont. Hier worden ook de tornooien, optochten en tijgergevechten gehouden, en terwijl de edelen bij den vorst ten gehoore worden toegelaten, wacht hier hun talrijk gevolg. Aan weerszijden is altijd eene rij Indische vijgeboomen (waringins), en zoo ook staan altijd twee dezer boomen midden ophet plein, iedere boom door een’ muur omgeven. Tusschen die boomen is de plek, waar de openbare strafoefeningen worden gehouden. Deze boomen gelden als heilig en zijn sporen van het Boeddhismus. Men kan bijna met zekerheid aannemen, dat, waar deze boomen groeien, vroeger een vorstelijk verblijf was. Aan de zuidzijde van den k’raton is een dergelijk plein, doch kleiner.De Soesoehoenan van Soerakarta.De Soesoehoenan van Soerakarta.Als men het voorplein over gaat, komt men aan denpasseban: een op pilaren rustend afdak, dat bestemd is voor den adel, die daar het oogenblik afwacht, waarop hij voor den vorst zal worden geroepen. Van den passeban leidt eene zeer breede trap naar densitingil(letterlijk: hooge grond), een fraai terras, te midden waarvanzich eene gewonependòpoverheft. De pendòpo is grooter dan de passeban, maar ongeveer op dezelfde wijze ingericht: een dak op pilaren, waaronder bij plechtige gelegenheden de vorst zelf audiëntie houdt. Van den sitingil daalt men langs eene trap naar de verschillende paleizen af, die allen klinkende namen hebben. Men moet daartoe langs een aantal bochtige paden en door verschillende poorten gaan.Woning van een Javaansch vorst (met Pendòpo).Woning van een Javaansch vorst (met Pendòpo).De bemuring der meeste oude k’ratons was van onbehouwen steen. Zoo vindt men er te Prambanan. Later werden ze van zeer goede mortel en nog later van behouwen zandsteen opgetrokken. Die uit den jongeren tijd zijn van gewonen baksteen. De muren der oudste k’ratons waren alleen door torens verdedigd. Tegenwoordig zijn ze, in navolging der Europeesche versterkingen, van glacis, grachten, bastions, wallen, borstweringen en schietgaten voorzien. Van de uitgestrektheid van sommige k’ratons kan men zich eenig denkbeeld vormen, als men weet, dat die te Soerakartavroeger een’ omtrek van drie mijlen had en 10,000 inwoners binnen zijne muren bevatte. De grootste van allen (op Java) was die van Madjapahit. De afstand tusschen beide poorten, waarvan men nog de bouwvallen ziet, was drie mijlen. Was deze k’raton een vierkant, dan zou de omtrek 12 mijlen zijn geweest en had hij 160,000 inwoners kunnen bevatten.16. De menschenroof in de Zuidzee.Op de eilanden der Zuidzee, vooral op deFidzji-eilanden, hebben zich talrijke blanken neergezet, die daar boomwol en andere tropische gewassen verbouwen. Dat is eene winstgevende zaak en zou dit nog meer zijn, als het niet zoo aan arbeidskrachten ontbrak. Hoe gaarne zouden die blanke planters daar den slavenhandel weer invoeren! Evenwel zoekt men de wetten te ontduiken en de hedendaagsche «Koelieshandel», de invoering van vrije kleurlingen uit Azië, is weinig beter dan vroeger de menschonteerende handel in Negerslaven. «Arbeiders moeten wij hebben!» roepen de blanke planters in de Zuidzee, en zij gaan op menschenroof uit.Fidzji-eilanders.Fidzji-eilanders.Een schip wordt uitgerust, vaart naar een Zuidzee-eiland en zoekt daar tegen loon arbeiders aan te werven. Volgen de ongelukkige inboorlingen niet vrijwillig, dan worden zij eenvoudig geroofd. Een bijzonder treffend geval van dien aard kwam in den zomer van 1872 aan het licht, toen de rechtbank te Sydney in Australië zekeren John Armstrong, kapitein van de Engelsche brik «Charles», wegens menschenroof en moord veroordeelde. Dit schip was van de Fidzji-eilanden uitgezeild, om met vergunning van den Britschen consul «arbeidskrachten» aan te werven. ’t Ging naar het eiland Malikolo, waar de zwarte inboorlingen, om handel te drijven, in hunne kanoes toekwamen. Men ontving hen dadelijk met geweervuur, waarop zij in het water sprongen en twaalf hunner door eene sloep van de «Charles» opgevischt en aan boord gesleept werden. Zoo was dan de eerste menschenvangst gelukt. De brik zeilde nu naar de Salomonseilanden, waar men weer tien of twaalf slachtoffers opdeed, en zoo ging het van eiland tot eiland, tot men eindelijk bij Bougainville met éen’ slag tachtig in handen kreeg.Alle vroegeren hadden zich klagend maar stil in hun hard lot geschikt;—zij waren weggesleept van hunne fraaie eilanden, uit de armen van vrouwen en kinderen, die zij jammerend en weeklagend aan het strand achterlieten. Deze mannen van Bougainville waren nochtans niet zoo gedwee. Toen de avond kwam, trachtten zij door de wanden van hun’ kerker heen te breken; zij beproefden hunne vereenigde kracht tegen de luiken, en toen deze niet toegaven, begonnen zij vuur te maken, om zichzelven en het schip te verbranden. ’t Was een vreeselijk tooneel. Onder in het tusschendek de woedende zwarten, in hunne onverstaanbare taal de gruwelijkste verwenschingen uitbrullend tegen hunne vervolgers en beulen, die, met geweren, revolvers en sabels tot de tanden gewapend, boven op het dek stonden. Toen de zwarten brand wilden stichten, begon de slachting. Den ganschen nacht door vuurden de monsters door de luiken heen op den wilden warhoop der ongewapendezwarten in het ruim. «De blanken dorstten als wilde beesten naar bloed», werd door den scheepsdokter Murray, die in deze zaak als getuige optrad, voor de rechtbank verklaard.—Toen de morgen aanbrak, was het stil geworden in het ruim. Men ging er monstering houden. Daar lagen in hun bloed niet minder dan zeventig doode en gekwetste inboorlingen, die nu op het dek werden gesleept. En het gruwelijkste volgde nog; want niet de dooden alleen, maar ook denog levendenwerden over boord geworpen en aan de haaien ten prooi gegeven.Zoo rooft en moordt heden de blanke mensch zijne medemenschen in de Zuidzee; zoo gaat het nu al jaren lang, en de Engelsche machthebbers hielden zich altijd maar liefst ziende blind, «daar men toch volstrekt arbeiders moet hebben.» Nu eindelijk schijnt de hooge regeering met nadruk tegen dien menschenroof te willen optreden en met voldoening hooren wij, dat die kapitein van de «Charles» den 20 November 1872 te Sydney door de rechtbank ter dood werd veroordeeld.17. De kokospalm.Kokospalmen.Kokospalmen.Overal in de Zuidzee en in de Indische wateren, waar de kokospalm voorkomt, begroet hij in kleiner of grooter groepen reeds uit de wijde verte den naderenden zeevaarder, en in zijne schaduw ziet men de eerste, verstrooid liggende hutten der eilanders wegschuilen. In Oost-Indië echter liggen geheele steden in het midden van uitgestrekte kokosbosschen, ja, op Ceilon kent men een woud van zulke palmen, dat, zich langs de zeekust uitstrekkend, zes en twintig Eng. mijlen lang en verscheiden uren breed is. Nog onder het Hollandsch bestuur werden uit dit woud jaarlijks zes duizend vaten arak, drie millioen pond touwwerk en eene ontzettende menigte olie gewonnen. Onberekenbaar is de zegen, die in dezen éenen boom besloten ligt, wiens wasdom met den bouw eener statige hooge zuil is te vergelijken.In de natuur is deze slanke, veertig tot vijftig voet hooge zuil met hare wiegelende groene bladerkroon, alleen staand zoowel als in groepen, het grootste sieraad van het landschap. Naar het zeggen des volks dient de kokosboom tot negen en negentig dingen. Destam, die soms honderd voet hoog wordt, is wel sponsachtig en dun, maar toch vast en bruikbaar tot balken, latten en masten voor huizen en schepen. De holle palmstammen dienen tot goten en waterleidingen; uit de wortels vlecht men korven en wannen het netweefsel aan iederen bladwortel wordt tot kinderwiegen en paklinnen verbruikt. De vezels van de schors alsmede het buitenste omkleedsel van de noot leveren strikken en touwwerk. Het loof is het hoofdvoedsel der tamme olifanten van Ceilon en Ava. Het malsche hart van de bladkroon, de zoogenaamde palmkool, weegt van twintig tot dertig pond en is eene lekkernij voor iedere tafel, door het uitsnijden waarvan men echter den boom voor altijd te gronde richt. De kroon zelve bestaat uit een dozijn groote bladeren; elk blad is twee tot drie voet breed, twaalf tot veertien voet lang, en dient tot het dekken der daken, tot zonne-schermen, tot vlecht- en mandewerk, tot papier, waarop men met griffels schrijft, gedraaid tot fakkels, verbrand tot loog en uitmuntende zeep. Jong zijn de bladeren doorschijnend en dienen den Cingaleezen tot lantaarns; van de sterkebladribben worden vischfuiken, stokken en bezems gemaakt. De gelijktijdige bloesems en vruchten zijn als voedsel en drank onschatbaar. De noten, zoo groot als een menschenhoofd, eirond en driekantig, worden ook groen en onrijp in de Indische keuken op de meest verschillende wijze toebereid, en eene knappe huisvrouw zegt het spreekwoord, moet daar eene maand lang iederen dag een nieuw gerecht van weten op tafel te brengen. Het vocht in de noten, de kokosmelk, is een verfrisschende en gezonde drank.Bloem- en vruchtkroon van den kokospalm.Bloem- en vruchtkroon van den kokospalm.De op velerlei wijze gebruikte olie wordt licht ranzig en neemt een voor den Europeeër walgenden reuk aan; maar in den jongsten tijd heeft men toch geleerd, haar beter te behandelen en voor kunst en nijverheid dienstbaar te maken. De uitgeperste kern geeft dan nog het beste veevoeder en mest den akker. De harde kokosschil is bij de ruwere stammen de gewone drinknap. De zeer taaie, bruinachtig roode vezels der buitenste schil wordt tot de fijnste en kostbaarste tapijten en weefsels verwerkt; maar hoofdzakelijk dient deze harde, veerkrachtige vezel tot het maken van koorden en touwen, die vooral voor de ankers in de stormachtige Indische zeeën van onschatbare waarde en in vele opzichten boven die van hennep te verkiezen zijn. Uit den nog niet geheel ontwikkelden bloesem wordt door insnijding het sap getapt, dat men palmwijn (toddy) noemt.Versch gebruikt, is het frisch en verkoelend; na korten tijd gist het en wordt bedwelmend; later wordt het zuur en geeft den besten wijnazijn, gedistilleerd den besten Indischen arak en ingekookt suiker (dzjaggeri). Om zoo vele en groote zegeningen staat de boom overal bij de Indische volken in het hoogste aanzien: bij de geboorte van een kind op Ceilon wordt een kokos geplant, en de ringen, die zich bij het groeien rondom den stam vormen, dienen tot aanduiding van den terugkeerenden geboortedag en zijn zoo eene soort van tijdwijzer voor de inboorlingen. De vrome Hindoe verkeert in het geloof, dat op zijn roepen de kokosnoot van zelf voor zijne voeten neervallen moet, en eene vergulde kokosnoot wordt, volgens overoud gebruik, telken jare in de haven van Bombay, als de gunstige wind (moeson) invalt, aan de zee ten offer gebracht, en dan eerst worden de schepen ná den stormtijd weder zeilree gemaakt.Zoo is deze boom in de plantenwereld voor de kusten en talrijke eilanden der groote Indische wereldzee een even sprekend getuige van de goddelijke macht en goedertierenheid, als in de dierenwereld de kameel dat voor Afrika’s en Azië’s woestijnen is, en kan ’t ons niet meer bevreemden, als de reizigers ons verzekeren, dat kokospalmen alle hutten van Indië en de Zuidzee-eilanden overschaduwen, en dat meer bewoners dier streken van de palmvrucht dan van graan leven.18. Het brood der Zuidzee-eilanders.De broodboom is eene der uitstekendste voedingsplanten voor de volken der heete luchtstreek, vooral van de in de nabijheid van den evenaar liggende eilanden van den Grooten Oceaan, waar zijn eigenlijk vaderland is. Onder zijne lommerrijke takken slaan de inwoners nog tegenwoordig bij voorkeur hunne luchtige hutten op. De geheele vorm van den broodboom is fraai en geen onzer woudboomen kan zich daarin met hem meten. Hij wordt wel niet hooger dan veertig voet; maar zijne wijde en dichte kroon is met het fraaiste groene loof versierd. De afzonderlijke bladeren zijn bij de anderhalf voet lang en tien tot elf cM. breed. Het kostelijkst sieraad en geschenk van den broodboom is echter zijne groote, melige,ronde schijnvrucht, die, geschild en vervolgens geroosterd of gebakken, bijna als tarwebrood smaakt. Rauw is zij onsmakelijk en wordt zij alleen in geval van hoogen nood gegeten. De gewone wijze, waarop de broodvrucht eetbaar gemaakt wordt, beschrijft de reiziger Forster in de volgende woorden: Men legt de vruchten, voordat zij tot volle rijpheid zijn gekomen, na verwijdering van hare schil in een met steenen bevloerden kuil en bedekt ze met bladeren en aarde, tot zij tot eene zure gisting zijn overgegaan. Van dezen voorraad neemt men dagelijks zoo veel, als men noodig heeft, maakt er klompen van, zoo dik als eene vuist, wikkelt die in bladeren en bakt ze tusschen verhitte steenen. Deze broodklompen blijven weken lang goed en zijn, ook op reis, een kostelijk voedsel. Ook gedurende de drie of vier maanden, dat de boom niet draagt, leeft de Zuidzee-eilander van dezen voorraad. En daarbij levert deze voedingsplant zoo rijkelijk vrucht, dat drie boomen toereikend zijn, om een’ mensch acht maanden lang behoorlijk te voeden. De groote reiziger Cook weet dezen boom dan ook niet genoeg te roemen. Heeft daar iemand in zijn leven maar tien broodboomen geplant, zegt hij, dan heeft hij voor zichzelf, de zijnen en voor een volgend geslacht even veel gedaan, als een bewoner onzer ruwe luchtstreek, die zijn leven lang in het koude wintertij geploegd, in den heeten zomer geoogst en niet alleen zijne tegenwoordige huishouding van brood voorzien, maar ook nog een kleinen spaarpenning voor zijne kinderen op zij gelegd heeft.Broodboom.Broodboom.Vrucht van den Broodboom.Vrucht van den Broodboom.19. Een heete wind in Australië.Het is vroeg in den morgen; men kijkt het venster uit en ziet boven ’t ver liggend woud een witten nevel opstijgen. De schapen dringen zich onder de boomen op elkaar; de koeien staan tot de knieën in het troebele water, dat van de rotsen neersijpelt. Wie deze voorteekens al eens meer gezien heeft, weet, wat ze te beduiden hebben; hij weet, dat vóor het invallen van den lentetijd een heete wind in aantocht is. Deze komt; hij strijkt over de witte aarde heen, die barst en klinkt, alsof een glazen kogel er door krachtige hand over heen gerold werd. De lucht is heet en verzengend, alsdie van een vurigen oven; aan de boomen en wijnstokken verdorren de vruchten en vallen af. Een gelijk lot hebben de vogels, die, als door eene beroerte getroffen, uit de takken naar beneden tuimelen. Op den weg liggen de honden dood; de verdroogde tong hangt hun ver uit den bek.De thermometer klimt hooger en hooger, tot hij op 147 graden Fahrenheit staat. Men stopt elke reet, elk sleutelgat toe, om den gloeienden sirocco buiten te houden; men neemt een boek en wil lezen, maar na weinig minuten al dansen sterretjes voor de oogen en slaan de polsen als smidshamers. Men laat zijn boek vallen en ziet, of men slapen kan; doch deze slaap brengt geene verkwikking aan, daar hij vergezeld gaat van droomen, die al de verschrikkingen van de pijnbank doen voelen. Er is maar éen middel, om zich eenige verlichting te verschaffen: men steke eene pijp aan, menge een glas wijn met ijswater, en rooke en drinke, tot verandering komt.Die vurig gewenschte verandering komt altijd met den avond. Eene dichte stofwolk, die zich als een muur over het land voortbeweegt, is haar voorbode. In eene enkele minuut daalt de temperatuur om de 50 tot 60 graden, en deze plotselinge afkoeling tast het menschelijk gestel zoo hevig aan, dat heete rumgrog de plaats van ijswater met wijn moet vervangen, dat men zich in dekens en mantels pakt en zich haast, een goed haardvuur aan te leggen. Kijkt men nu weer den kant uit, van waar men dien morgen den witten nevel zag opstijgen, dan biedt zich daar een schrikwekkend, verheven schouwspel het oog aan. Mijlen ver staan de bosschen in vlammen. De vuurstaart verliest zich verder en verder naar het binnenland, tot hij langs de heuvelvlakten al flauwer en dunner wordt en eindelijk geheel verdwijnt.In de nabijheid echter is dat schouwspel ontzettend grootsch.20. De Kaaba te Mekka.In een smal, door kale bergen ingesloten dal ligt Mekka, de heilige stad, de geboortestad van den Profeet, de algemeene bedevaartplaats van alle Moslemin, welke ieder geloovige althans eenmaal in zijn leven bezocht moet hebben, zal hij het hoofd rustigtot sterven neerleggen. In de zuidelijke helft der stad, waar het dal het breedst is, verheft zich de groote moskee van Mekka met de wereldberoemde kaaba, die aan den tempel eerst zijn hoog gewicht bijzet. Van de buiten omloopende zuilengangen der moskee leiden zeven bevloerde wegen naar de in ’t midden van het geheel staande kaaba—naar het heilig huis. Dit is een klein massief gebouw van achttien passen lengte, veertien breedte en bij de veertig voet hoogte. De Mohammedanen gelooven, dat Abraham de eerste bouwer der kaaba geweest is, en dat zijn zoon Ismaïl hem daarbij de steenen heeft toegereikt, die door een wonder der goddelijke almacht dadelijk vierkant gehouwen uit het aardrijk te voorschijn kwamen. Daar het dak der kaaba geheel plat is, vertoont zij zich van verre als een teerling (cubus). In den noordoostelijken hoek van het gebouw ligt, vier of vijf voet boven den grond, de beroemde zwarte steen. De Mohammedanen beweren, dat deze steen uit den hemel neergedaald en aan Abraham als een bijzonder teeken van goddelijke genade door den engel Gabriël geschonken is. Zij zeggen, dat hij, oorspronkelijk zuiver en doorschijnend, door de aanraking eener booze vrouw zwart en ondoorzichtig is geworden. Door de millioenen van kussen en aanrakingen, die hij te lijden had, is hij geheel afgesleten.De Kaaba te Mekka.De Kaaba te Mekka.Alle vier buitenzijden van de kaaba zijn met eene zwartzijden stof bekleed. Daar zijn verschillende gebeden in geweven, die men echter, omdat zij van dezelfde kleur als de stof zelve zijn, slechts met moeite kan lezen. Een weinig boven het midden loopt rondom het gansche gebouw een ander opschrift uit gouddraad. Voor den zwarten steen zijn openingen gelaten, zoodat hij bij den omgang gemakkelijk kan worden aangeraakt. Daar de bekleeding nergens vast aansluit, wordt zij door het minste koeltje in eene golvende beweging gebracht. De vrome pelgrims houden dit voor een teeken van de tegenwoordigheid der de kaaba bewakende zeventigduizend engelen, wier vleugels, zeggen zij, deze trillingen voortbrengen. Wanneer de bazuin des laatsten oordeels klinkt, zullen zij de kaaba in het paradijs dragen.Onder de verdere kleinere gebouwen, die de kaaba binnen het groote vierkant omgeven, verdient nog dat opmerking, waarin zich de beroemde heilige bron Zemzem bevindt. Deze voorziet de geheelestad van water, en er is nauwelijks eene familie, die er niet dagelijks eene kruik vol van haalt. ’t Wordt echter alleen tot drinken en tot godsdienstige afwasschingen gebruikt: er zich tot koken van te bedienen zou voor goddeloos gelden. Het wordt ook als een onfeilbaar middel tegen alle krankheden beschouwd, en de vrome Mohammedanen gelooven, dat zij door er veel van te drinken hun gebed Gode dubbel behagelijk zullen maken. Naar men weten zal, zijn de Mohammedanen overtuigd, dat de bron dezelfde is, welke Jehovah op het gebed van Hagar in de woestijn deed ontspringen, om haar versmachtenden zoon Ismaïl te drenken. Bij den kansel, waarop de Vrijdags-predikatie gehouden wordt, moeten de pelgrims, voordat zij den omgang van de kaaba volbrengen, hun schoeisel uittrekken en laten staan. Zoodra men, na de intrede door den zuilengang, het heilig gebouw voor het eerst in het oog krijgt, zegt men zekere gebeden op, werpt zich viermaal op den grond neer en betuigt Gode daardoor zijn’ dank, dat men de gewijde plaats gelukkig bereikt heeft. Hierop treedt men langs een der bevloerde wegen op de kaaba toe, plaatst zich tegenover den zwarten steen en werpt zich andermaal viermaal neer, waarop de steen met de rechterhand wordt aangeraakt. Nu begint de pelgrim den plechtigen omgang om de kaaba, doch zoo, dat deze bestendig links van hem blijft. Deze gang moet zeven maal herhaald worden, de eerste drie malen met snelle treden, in navolging van den Profeet, die, om het door zijne vijanden uitgestrooide gerucht, dat hij gevaarlijk ziek lag, te weerleggen, ook driemaal snel om de kaaba liep. Bij iederen omloop moeten bepaalde gebeden opgezegd en aan ’t eind daarvan de heilige en nog een andere steen gekust worden. Ten laatste treedt de pelgrim dicht aan den muur van het gebouw, tusschen den zwarten steen en de hoofddeur, drukt zijne borst daar vast tegen aan en smeekt zoo God met wijduitgestrekte armen om vergiffenis voor zijne zonden.21. De Fellahs in Egypte.Fellah-woningen.Fellah-woningen.Fellah-vrouw en kinderen.Fellah-vrouw en kinderen.Een deel der bevolking van Egypte zijn de Fellahs, d. i. van buiten ingekomen Arabieren, die zich in vroeger tijd als akkerbouwerslangs den Nijlstroom hebben neergezet. Evenwel is ’t land, dat zij bebouwen, grootendeels niet meer hun eigendom, maar in ’t bezit van den onderkoning overgegaan, wiens arbeiders en huurlingen zij thans zijn. Alles, wat zij op het veld verbouwen, moeten zij tegen bepaalde prijzen aan den regent overdoen; wat zij tot hun levensonderhoud noodig hebben, kunnen zij hem dan weder afkoopen. Die niet arbeiden willen, worden er door zweepslagen toe gedwongen. In hunne ellendige, morsige hutten is de pest een regelmatige gast; de honger staat hun op het gezicht geschreven, en de gansche bevolking is door de langdurige slavernij—als vroeger de Israelieten—ontzenuwd en verstompt. De hoogstens twee M. hooge hutten zijn uit leem en stroo opgetrokken en boven alle beschrijving morsig. Een dadelstam strekt tot dakstoel, en daarop geworpen en met aarde bedekte dadelboomtakken en -bladeren dienen tot zoldering. Met gekruiste beenen zit de Fellah op zijne palmenmat, die tevens hem en zijne gansche familie tot slaapplaats dient.Tusschen de ellendige hutten der Fellah-dorpen ziet men de naakte of slechts met een hemd bekleede, donkerbruine kinderen in hetzand wroeten en dwalen hier en daar eenige magere gestalten in blauwe boomwollen hemden om. Zorgvuldig dekken de vrouwen haar gelaat met eene soort van smallen, zwarten sluier, en geen man vertoont zich zonder den tulband of de roode fez, ofschoon hem dikwijls alle overige kleedingstukken ontbreken. Alleen een mensch, die naar lichaam en geest geheel verstompt is, kan het in zulk een door afschuwelijke uitwasemingen verpesten omtrek op den duur uithouden.Daar de Fellahs afkeerig van alle nieuwigheden zijn, willen zij van de doelmatige, gemak en voordeel aanbrengende Europeesche akkergereedschappen niets weten en tobben zich met hun trekvee, hunne ossen en kameelen nog voortdurend af, om met den voorvaderlijken ploeg de aarde om te woelen. Zoo worden de rijst- en maisvelden, de indigo-, suiker- en boomwolplantsoenen bewerkt. Het voornaamste moet trouwens de Nijl daarbij doen, die van Juli tot October door zijn overstroomen den uitgedroogden bodem bevochtigt, en het overvloedige zout uit de bovenste aardlagen naar den ondergrond voert. Nog voor Pinksteren valt de oogst in; doch de arme Fellah heeft weinig voldoening en genot van de opbrengst zijner velden, daar de ambtenaren der kroon overal gereed staan, om zich die des noods met geweld toe te eigenen.

13. Batavia.De eerste kennismaking met de hoofdstad van Nederlandsch-Indië is ons wel wat tegengevallen. Weinig levendigheid op de reede,en binnen de stad zelve gemis van dat gewoel in de straten en op de pleinen, waardoor de Europeesche handelsplaatsen zich onderscheiden.Gezicht in het oude gedeelte van Batavia.Gezicht in het oude gedeelte van Batavia.Dat komt, omdat Batavia niet meer is wat het vroeger was. De tegenwoordige bevolking bestaat nagenoeg geheel uit inlanders; wel hebben de Nederlandsche handelaars en ambtenaren er hunne kantoren, maar tegen den avond, wanneer de bezigheden zijn afgeloopen, verlaten zij die, en begeven zij zich naar hun woning, in eene der buitenwijken gelegen. Batavia bestaat uit de oude stad, door onze voorouders regelmatig aangelegd naar het model eener oud-Nederlandsche, met straten en grachten en marktplaatsen,—en de nieuwe, zijnde een aantal groepen prachtige villa’s en doelmatige woonhuizen, omgeven door tuinen en voorzien van al wat het leven in die luchtstreek kan veraangenamen.Eene ouderwetsche poort verleent toegang tot de stad; na die poort te zijn doorgereden, zien wij vóór ons het Raadhuis,—een gebouw dat er uitziet alsof het zoo pas uit de eene of andere Hollandsche stad door tooverslag hier heen is overgebracht. Verderop zien wij eene breede straat, met fraaie rijen boomen beplant, en aan weerszijden bezet met huizen van twee verdiepingen, vrij smal en met muren van roode klinkers, precies als ware men hier in Nederland. Sommige dier huizen worden bewoond door Europeesche en inlandsche handwerkslieden, andere dienen den handelaars tot kantoren; zij bevinden er zich van des morgens negen tot des avonds vier uur, en laten er alleen een inlandschen huisbewaarder achter. Ook hebben verscheiden Chineesche handwerkslieden hier hun werkplaatsen. Voorts aanschouwen wij nog een aantal straten en grachten, die hier en daar eenige zeer fraaie winkels aanbieden, en dan krijgen we weer open plaatsen, met boomen bezet, die ons zouden doen denken, dat de stad hier ophoudt. Dat is echter zoo niet; er volgen nog meer groepen woningen, maar de regelmatige aanleg begint plaats te maken voor meer grilligen bouwtrant; de huizen staan niet langer dicht opeengedrongen en zijn door tuinen afgewisseld, en spoedig betreden wij de buitenwijken, het zoogenaamde «Nieuw Batavia».Oudtijds was de stad door zestien grachten in regelmatige blokken verdeeld. Die grachten liepen uit in de Tjiliwong en haddenook met andere riviertjes gemeenschap, zoodat zij steeds van versch water voorzien waren. Sommige er van, zooals de Tijgergracht vooral, waren prachtig; en de bewoners konden zich ’s avonds, als zij op hunne hooge stoepen of gemetselde banken zaten, verbeelden, dat zij te Amsterdam waren. Batavia stond toen hoog in aanzien; op het kasteel hield de Gouverneur-generaal zijn verblijf, en alle hooggeplaatste ambtenaren woonden er. Het werd dan ook meermalen de «Koningin van het Oosten» genoemd. Daarbij was de stad door stevige vestingwerken omgeven, om haar tegen vijandelijke aanvallen te dekken.Later veranderde dit. De riviertjes, waarvan wij zooeven spraken, stroomen van de zuidelijker gelegen bergen af; zij hebben eene smalle, ondiepe bedding, en voeren zeer veel slib mede. Dicht bij de kust wordt het terrein vlak, de stroom verflauwt, en het slib bezinkt. Daarbij werd in 1669 door eene vulkanische uitbarsting en eene aardbeving de mond van de Tjiliwong verstopt, en sedert hoopten zich slijkmassa’s op in de grachten, hetgeen schadelijke uitwasemingen te weeg bracht, die oorzaak waren van kwaadaardige ziekten. De sterfte werd zoo groot, dat Batavia den naam kreeg van «het graf der Europeanen». Men heeft dit zoeken te verhelpen door de grachten te dempen, voor een groot deel ten minste, en in 1811 heeft de Gouverneur-generaal Daendels de vestingwerken laten sloopen, om aan de frissche luchtstroomen uit het Zuiden meer vrijen toegang te verschaffen, maar nog altijd bleef oud-Batavia den naam houden dat het er ongezond is, en vestigen zij, wier middelen het toelieten, zich wat verder van de zeekust. Dat verklaart ons de menigte open plekken, die wij hebben aangetroffen.Gezicht in het nieuwe gedeelte van Batavia.Gezicht in het nieuwe gedeelte van Batavia.Nu de buitenwijken eens bekeken. Zij zijn nog al talrijk en dragen deels Nederlandsche, deels Indische namen. Het eerst rijden wij door Molenvliet, daarna door Rijswijk: wij zien hier het Hôtel van den Gouverneur-generaal, een heel eenvoudig gebouw, dat de landvoogd evenwel niet bewoont, maar dat hij alleen bezigt voor feesten en audiëntiën, wanneer hij zich te Batavia bevindt. Vervolgens gaan wij naar het Koningsplein, eene uitgestrekte vlakte, rondom door de prachtigste villa’s omgeven: het prijkt bovendien met eene renbaan, terwijl er ook, wanneer de gelegenheid zulks medebrengt, openbare vermakelijkheden worden gehouden, als wanneer het Koningspleinwel eenigszins aan eene Nederlandsche kermis doet denken. Belangrijk is de dieren- en plantentuin, sedert kort hier ingericht.Een weinig zuidwaarts van het Koningsplein ligt de wijk Tanah Abang, met het kerkhof der Europeanen, door een fraai ijzeren hek omgeven. Het prijkt met menig gedenkteeken, opgericht ter eere van mannen, die zich jegens Indië verdienstelijk hebben gemaakt.Wij moeten nu weder naar Rijswijk terug, om van daar Weltevreden te bereiken. Eerst krijgen wij nog Noordwijk en vervolgens komen wij alweer aan eene ruime open plaats, en Waterlooplein geheeten. Het heeft dien naam te danken aan een gedenkteeken ter herinnering aan den bekenden veldslag, die voorgoed over Napoleons lot besliste. Mooi is het monument niet: wanneer we het van onderen op bekijken, zien wij eerst een houten voetstuk, daarna een wit gekalkt zuiltje, eindelijk een houten leeuw, die, ware hij wat kleiner, wel uit een draaimolen afkomstig kon zijn. Den vreemdeling, die weten wil wat dat alles beteekent, wordt door een opschrift verhaald, dat in 1815 de Hollanders de Franschen hebben verslagen. Net of de Engelschen en de Pruisen er volstrekt geen deel aan hadden!Nog een weinig verder, en wij staan voor het paleis van Weltevreden, dat in 1809 begonnen, in 1827 voltooid is, en eveneens als woning voor den Gouverneur-generaal was aangewezen. Ook dit gebouw geniet de eer niet, door Z. Exc. betrokken te worden: het bevat nu slechts de bureau’s van algemeen bestuur, en de vergaderzaal van den Raad van Indië.Batavia bezit nog veel meer openbare gebouwen. Onder de voornaamste noemen wij de Willemskerk op het Koningsplein, het gebouw van het Bataviasche genootschap van Kunsten en Wetenschappen, met fraaie muséums van Indische oudheden, voorwerpen, die betrekking hebben op de kennis van het volksleven, en eene flinke boekverzameling. Vervolgens de societeit «Harmonie», die des avonds druk bezocht wordt door officieren, ambtenaren en gegoede particulieren. Eindelijk het ziekenhuis, geen gebouw op zichzelf, maar eene gansche reeks van kleine gebouwen, aan weerszijden van een’ tuin omgeven, elk slechts twee of drie kamers bevattende. Het is zoo ingericht om besmetting te vermijden.Batavia is door een’ spoorweg verbonden aan Buitenzorg, ruimdertien uren gaans verder landwaarts gelegen. De bewoners der buitenwijken kunnen van dien spoorweg gebruik maken om naar de oude stad te gaan. Voor het overige geschiedt de tocht van de nieuwe stad naar de oude met rijtuig, terwijl zij, die zoo gelukkig niet zijn eigen equipage te bezitten, meestal gebruik maken van dentramof paardenspoorweg, een vervoermiddel ook hier te lande niet onbekend, daar het reeds in verscheiden steden wordt aangetroffen.

De eerste kennismaking met de hoofdstad van Nederlandsch-Indië is ons wel wat tegengevallen. Weinig levendigheid op de reede,en binnen de stad zelve gemis van dat gewoel in de straten en op de pleinen, waardoor de Europeesche handelsplaatsen zich onderscheiden.

Gezicht in het oude gedeelte van Batavia.Gezicht in het oude gedeelte van Batavia.

Gezicht in het oude gedeelte van Batavia.

Dat komt, omdat Batavia niet meer is wat het vroeger was. De tegenwoordige bevolking bestaat nagenoeg geheel uit inlanders; wel hebben de Nederlandsche handelaars en ambtenaren er hunne kantoren, maar tegen den avond, wanneer de bezigheden zijn afgeloopen, verlaten zij die, en begeven zij zich naar hun woning, in eene der buitenwijken gelegen. Batavia bestaat uit de oude stad, door onze voorouders regelmatig aangelegd naar het model eener oud-Nederlandsche, met straten en grachten en marktplaatsen,—en de nieuwe, zijnde een aantal groepen prachtige villa’s en doelmatige woonhuizen, omgeven door tuinen en voorzien van al wat het leven in die luchtstreek kan veraangenamen.

Eene ouderwetsche poort verleent toegang tot de stad; na die poort te zijn doorgereden, zien wij vóór ons het Raadhuis,—een gebouw dat er uitziet alsof het zoo pas uit de eene of andere Hollandsche stad door tooverslag hier heen is overgebracht. Verderop zien wij eene breede straat, met fraaie rijen boomen beplant, en aan weerszijden bezet met huizen van twee verdiepingen, vrij smal en met muren van roode klinkers, precies als ware men hier in Nederland. Sommige dier huizen worden bewoond door Europeesche en inlandsche handwerkslieden, andere dienen den handelaars tot kantoren; zij bevinden er zich van des morgens negen tot des avonds vier uur, en laten er alleen een inlandschen huisbewaarder achter. Ook hebben verscheiden Chineesche handwerkslieden hier hun werkplaatsen. Voorts aanschouwen wij nog een aantal straten en grachten, die hier en daar eenige zeer fraaie winkels aanbieden, en dan krijgen we weer open plaatsen, met boomen bezet, die ons zouden doen denken, dat de stad hier ophoudt. Dat is echter zoo niet; er volgen nog meer groepen woningen, maar de regelmatige aanleg begint plaats te maken voor meer grilligen bouwtrant; de huizen staan niet langer dicht opeengedrongen en zijn door tuinen afgewisseld, en spoedig betreden wij de buitenwijken, het zoogenaamde «Nieuw Batavia».

Oudtijds was de stad door zestien grachten in regelmatige blokken verdeeld. Die grachten liepen uit in de Tjiliwong en haddenook met andere riviertjes gemeenschap, zoodat zij steeds van versch water voorzien waren. Sommige er van, zooals de Tijgergracht vooral, waren prachtig; en de bewoners konden zich ’s avonds, als zij op hunne hooge stoepen of gemetselde banken zaten, verbeelden, dat zij te Amsterdam waren. Batavia stond toen hoog in aanzien; op het kasteel hield de Gouverneur-generaal zijn verblijf, en alle hooggeplaatste ambtenaren woonden er. Het werd dan ook meermalen de «Koningin van het Oosten» genoemd. Daarbij was de stad door stevige vestingwerken omgeven, om haar tegen vijandelijke aanvallen te dekken.

Later veranderde dit. De riviertjes, waarvan wij zooeven spraken, stroomen van de zuidelijker gelegen bergen af; zij hebben eene smalle, ondiepe bedding, en voeren zeer veel slib mede. Dicht bij de kust wordt het terrein vlak, de stroom verflauwt, en het slib bezinkt. Daarbij werd in 1669 door eene vulkanische uitbarsting en eene aardbeving de mond van de Tjiliwong verstopt, en sedert hoopten zich slijkmassa’s op in de grachten, hetgeen schadelijke uitwasemingen te weeg bracht, die oorzaak waren van kwaadaardige ziekten. De sterfte werd zoo groot, dat Batavia den naam kreeg van «het graf der Europeanen». Men heeft dit zoeken te verhelpen door de grachten te dempen, voor een groot deel ten minste, en in 1811 heeft de Gouverneur-generaal Daendels de vestingwerken laten sloopen, om aan de frissche luchtstroomen uit het Zuiden meer vrijen toegang te verschaffen, maar nog altijd bleef oud-Batavia den naam houden dat het er ongezond is, en vestigen zij, wier middelen het toelieten, zich wat verder van de zeekust. Dat verklaart ons de menigte open plekken, die wij hebben aangetroffen.

Gezicht in het nieuwe gedeelte van Batavia.Gezicht in het nieuwe gedeelte van Batavia.

Gezicht in het nieuwe gedeelte van Batavia.

Nu de buitenwijken eens bekeken. Zij zijn nog al talrijk en dragen deels Nederlandsche, deels Indische namen. Het eerst rijden wij door Molenvliet, daarna door Rijswijk: wij zien hier het Hôtel van den Gouverneur-generaal, een heel eenvoudig gebouw, dat de landvoogd evenwel niet bewoont, maar dat hij alleen bezigt voor feesten en audiëntiën, wanneer hij zich te Batavia bevindt. Vervolgens gaan wij naar het Koningsplein, eene uitgestrekte vlakte, rondom door de prachtigste villa’s omgeven: het prijkt bovendien met eene renbaan, terwijl er ook, wanneer de gelegenheid zulks medebrengt, openbare vermakelijkheden worden gehouden, als wanneer het Koningspleinwel eenigszins aan eene Nederlandsche kermis doet denken. Belangrijk is de dieren- en plantentuin, sedert kort hier ingericht.

Een weinig zuidwaarts van het Koningsplein ligt de wijk Tanah Abang, met het kerkhof der Europeanen, door een fraai ijzeren hek omgeven. Het prijkt met menig gedenkteeken, opgericht ter eere van mannen, die zich jegens Indië verdienstelijk hebben gemaakt.

Wij moeten nu weder naar Rijswijk terug, om van daar Weltevreden te bereiken. Eerst krijgen wij nog Noordwijk en vervolgens komen wij alweer aan eene ruime open plaats, en Waterlooplein geheeten. Het heeft dien naam te danken aan een gedenkteeken ter herinnering aan den bekenden veldslag, die voorgoed over Napoleons lot besliste. Mooi is het monument niet: wanneer we het van onderen op bekijken, zien wij eerst een houten voetstuk, daarna een wit gekalkt zuiltje, eindelijk een houten leeuw, die, ware hij wat kleiner, wel uit een draaimolen afkomstig kon zijn. Den vreemdeling, die weten wil wat dat alles beteekent, wordt door een opschrift verhaald, dat in 1815 de Hollanders de Franschen hebben verslagen. Net of de Engelschen en de Pruisen er volstrekt geen deel aan hadden!

Nog een weinig verder, en wij staan voor het paleis van Weltevreden, dat in 1809 begonnen, in 1827 voltooid is, en eveneens als woning voor den Gouverneur-generaal was aangewezen. Ook dit gebouw geniet de eer niet, door Z. Exc. betrokken te worden: het bevat nu slechts de bureau’s van algemeen bestuur, en de vergaderzaal van den Raad van Indië.

Batavia bezit nog veel meer openbare gebouwen. Onder de voornaamste noemen wij de Willemskerk op het Koningsplein, het gebouw van het Bataviasche genootschap van Kunsten en Wetenschappen, met fraaie muséums van Indische oudheden, voorwerpen, die betrekking hebben op de kennis van het volksleven, en eene flinke boekverzameling. Vervolgens de societeit «Harmonie», die des avonds druk bezocht wordt door officieren, ambtenaren en gegoede particulieren. Eindelijk het ziekenhuis, geen gebouw op zichzelf, maar eene gansche reeks van kleine gebouwen, aan weerszijden van een’ tuin omgeven, elk slechts twee of drie kamers bevattende. Het is zoo ingericht om besmetting te vermijden.

Batavia is door een’ spoorweg verbonden aan Buitenzorg, ruimdertien uren gaans verder landwaarts gelegen. De bewoners der buitenwijken kunnen van dien spoorweg gebruik maken om naar de oude stad te gaan. Voor het overige geschiedt de tocht van de nieuwe stad naar de oude met rijtuig, terwijl zij, die zoo gelukkig niet zijn eigen equipage te bezitten, meestal gebruik maken van dentramof paardenspoorweg, een vervoermiddel ook hier te lande niet onbekend, daar het reeds in verscheiden steden wordt aangetroffen.

14. Om en in eene Javaansche woning.De Europeanen zijn gewoon, een dorp op Java eene dessa te noemen. Wij zullen dit ook maar doen, doch moeten hierbij opmerken, dat in de verschillende deelen van het groote eiland drie afzonderlijke talen door de inlandsche bevolking worden gesproken, namelijk Javaansch, Soenda’sch en Madoereesch, zoodat het Javaansche woord, dat eenigszins verbasterd als «dessa» klinkt, zeker wel niet overal zal worden verstaan.Meestal bezit elk dorp een eigen hoofd, die de gemeenschappelijke belangen der bevolking bestuurt: hij wordt gekozen door de volwassen mannelijke ingezetenen. In het westelijk deel van Java zijn vaak verscheidene kleine dorpen tot ééne gemeente onder hetzelfde hoofd vereenigd,—eene regeling die wel eenigszins gelijkt op hetgeen men in onze provincie Friesland aantreft.Bij het naderen der dessa bespeurt men van de gebouwen zoo goed als niets. De weg voert geruimen tijd langs onafzienbare rijstvelden, zich uitstrekkende tot op de helling van het gebergte in het verschiet, en afgewisseld nu en dan door bloeiende koffietuinen. In de verte stuit het oog op een dicht bosch, gelijkende op een eiland te midden van een meer van groene halmen,—welke overeenkomst nog grooter wordt, als het rijstveld onder water staat.Naar ééne dier donkere plekken richten we onze schreden. De smalle voetpaden, die het rijstveld doorsnijden, wijzen ons den weg: na den oogsttijd kunnen we ook over den stoppeligen bodem gaan, en alzoo de wandeling verkorten. Verderop worden de akkers kleiner, en zijn met meer verscheidenheid van gewassen beplant, soms doorsneden van fraaie lanen met hoogopgaand geboomte. Vervolgenskomen we aan eene dichte heg van bamboe, die het geheele terrein der dessa omringt, als een levende muur, waarin hier en daar openingen zijn gelaten voor den toegang. Eerst nu kunnen we een’ blik slaan in het dorp zelf: het bestaat uit een zeker aantal sterk begroeide erven. Te midden dier stukken grond zijn de hutten der inlanders gebouwd.Ook het erf van den dessa-bewoner is van dat van zijn’ buurman gescheiden door eene haag van bamboe, waarin eene opening, groot genoeg om eene kar met een paar buffels bespannen, door te laten. Zoodra we door deze omsluiting heen zijn, treft ons de prachtige aanblik van de talrijke en in ons oog vreemdsoortige vruchtboomen, die de woning omringen.We bereiken deze langs het smalle voetpad, dat het erf doorsnijdt. We treffen het gezin aan het middagmaal, dat zeer weinig verschilt van den tweeden maaltijd, waarmede na zonsondergang de dag wordt besloten, en die hoofdzakelijk bestaat uit rijst, eenige vruchten, en reepjes gedroogd vleesch.Eerst moeten we ons een weinig aan de duisternis trachten te gewennen: de deuropening is de eenige plaats, langs welke het licht kan binnendringen. Doch dat hindert dezen lieden volstrekt niet; binnenshuis hebben zij bijna geene bezigheden te verrichten,—al wat zij te doen hebben geschiedt op het erf. Zelfs voor het gereedmaken der spijzen is aan de buitenzijde eene stookplaats onder een afdak gemaakt. Het met bladeren belegde dak loopt verder dan de voorwand van bamboe, en rust op palen, waardoor eene veranda wordt gevormd, onder welker beschutting de vrouwen haar huiselijke werkzaamheden verrichten. En deze zijn waarlijk niet gering. Op de dagen, dat zij niet mede naar het veld moeten om rijst te planten of te oogsten, hebben zij drukte genoeg met het spinnen, weven en verven der katoenen stoffen, waaruit grootendeels de kleeding der inlanders bestaat, het raspen van kokosnoten, om uit de fijngemaakte pit de olie te kunnen trekken, die bij haar de plaats van boter en vet vervult. Onder datzelfde afdak wordt dikwijls de maaltijd genuttigd; het binnenhuis wordt voornamelijk gebruikt om te slapen of om des middags, beschut voor de hitte, eene koele rustplaats te vinden. De inwendige ruimte is meestal in twee vertrekken verdeeld, waarvan een voor de kinderen dient. Kijknauwelijks hebben ze ons zien komen, of ze springen op uit hunne zittende houding—met de beenen vóór het lichaam gekruist—en maken zich uit de voeten, echter niet zóó gauw, of we hebben nog wel kunnen bespeuren dat hun donkergeel lichaam door bijzonder weinig kleeding is bedekt.Een Javaansch huisgezin.Een Javaansch huisgezin.De huisvader maakt, zittende op zijn’ stoel van hout, gespleten bamboe en rotting, eene beleefde buiging voor de Europeesche bezoekers; op onze vraag, of we even mogen rondzien, staat hij dadelijk op, om ons van dienst te zijn. Daar ginds in den hoek is de slaapplaats, alleen bestaande uit eene kleine verhevenheid, waarop eene mat ligt en eenige kussens met kapok gevuld, alles half weggeborgen achter een katoenen gordijn als onmisbaar scherm voor de muskieten. Niet ver van daar staat eene groote rustbank. Maar wat het meest onze aandacht trekt, is eene vrij groote doos of bak met een aantal kleine voorwerpen er in, die de verschillende bestanddeelen bevatten, welke de Javaan zoowel als zijne vrouw noodig hebben, om hun sirih of betelpruim gereed te maken.Wat dat is?Als we straks het erf opwandelen, zullen we een paar rechte en slanke palmboomen zien, met kleine, roodachtige vruchten beladen. Dat zijn pinang- of betelnootpalmen. Ook treffen we daar een stengelgewas aan, dat tegen een anderen boom wordt opgeleid, en welks bladeren sirih of betel genoemd worden. Welnu, aanstonds als onze Javaansche vriend een beetje op zijn gemak gaat zitten, neemt hij uit een hoog vierkant bakje, dat in de doos staat, een betelblad; uit een ander bakje een stukje van eene pinangnoot, dat nu erg hard is geworden,—de noot werd aan stukken geknipt, toen zij versch was geplukt,—dan, uit een rond doosje, een stukje gambir, welke stof wordt getrokken uit het sap van een op Java weinig, maar op Sumatra des te meer voorkomend struikgewas,—eindelijk, uit een kleiner potje, een veegje fijne natte kalk. Deze laatste strijkt hij op het blad, rolt er pinang en gambir in, en steekt dat alles in den mond: dikwijls voegt hij er nog wat tabak aan toe. Nu gaat hij lustig aan het kauwen: het sap kleurt zijn speeksel rood en zijne tanden zwart; daarbij moet hij telkens zijne toevlucht nemen tot het spuwbakje of kwispedoor dat naast zijnedoos staat. Het betelkauwen is over geheel Indië verspreid, en als twee inlanders elkander bezoeken, begint men met de aanbieding van de sirih-doos. Gelooft ook niet, dat zij zwarte tanden als iets leelijks beschouwen; integendeel. Bovendien worden de tanden der meisjes tot kleine puntjes afgevijld, hetgeen in ons oog een afschuwelijk gebruik is. Doch de smaken verschillen: de Javanen vinden dat het bezit van groote blanke tanden onzen Europeeschen mond doet gelijken op den muil van een’ tijger of van een’ hond.Laat ons nu de kleeding van onze luidjes eens bekijken. Veel onderscheid tusschen die der mannen en vrouwen bestaat er niet: beiden dragen om het middel een lang stuk katoen, dat eenige malen het lichaam omgeeft en van achteren met het uiteinde is ingestoken, en zoo eene soort van rok gelijkt, die bij de mannen even over de knieën, bij de vrouwen op de voeten afhangt. Dit voornaamste kleedingstuk heeft niet overal dezelfde afmetingen en draagt onderscheiden namen: gemakshalve wordt het door de Europeanensaronggenoemd. Dikwijls wordt de stof door de Javanen, meestal door de vrouwen, op hun eigen weefgetouwen vervaardigd en vervolgens gekleurd: ook worden veel katoenen stoffen uit ons werelddeel aangevoerd.In West-Java is de sarong gewoonlijk het eenig kleedingstuk der vrouwen: de mannen hebben daaronder nog eene korte wijde broek. Meer oostwaarts vinden wij bij de eersten eene strook linnen of wit katoen om het bovenlijf gewonden, bij de laatsten een katoenen borstrok met zeer korte mouwen en daarover een baadje (badjoe) van gestreept katoen, van boven aan den hals met een’ knoop nauwsluitend vastgemaakt en verder loshangend: de mouwen zijn wijd en reiken maar even over den elleboog.Omtrent den hoofdtooi merken wij op, dat een haarsnijder bij de inlandsche bevolking weinig bezigheid zou vinden. Het haar der kleine tweejarige jongens wordt afgeschoren, op twee lokjes na: verder laat men het ongehinderd groeien. De Javaan steekt zijne lange zwarte haren door middel van een halfronden schildpadden kam in eene wrong samen en bedekt het door een’ doek, die, om het hoofd gewonden, door het insteken van het uiteinde wordt vastgehouden. Over dien hoofddoek wordt bij den veldarbeid een verbazend groote stroohoed gedragen, die hoofd en schouders beschermten zoowel door vrouwen als door mannen wordt gebezigd. De eersten zijn anders blootshoofds: het lange haar wordt in een kunstigen knoop op het achterhoofd bevestigd, en met fraaie haarnaalden en welriekende bloemen versierd.De voeten zijn doorgaans onbedekt: soms ziet men geringe lieden gebruik maken van houten zolen, waaraan van boven een pennetje, dat tusschen de teenen wordt vastgehouden. Wij zouden ons zeker wel eene poos mogen oefenen eer we met die dingen terecht konden. Aanzienlijke lieden bezigen binnenshuis nette pantoffels, en de voornaamste hoofden dragen, als zij in dienst zijn, laarzen. Beide laatste soorten van schoeisel zijn door de Europeanen in zwang gekomen.Als de Javaan uitgaat, is hij steeds gewapend, en wel met eene kris, eene soort van platten dolk, meestal eenigszins gegolfd. Hij wordt aan de linkerzijde gedragen in eene scheede, of in den gordel gestoken, of aan een’ ring hangend. De krissen van aanzienlijke personen hebben dikwijls prachtige gevesten, kunstig bewerkt en met goud en diamanten versierd. Als kostbare erfstukken worden zij hoog in eere gehouden.Laat ons thans, na rustig de heetste uren van den dag te hebben afgewacht, het erf opwandelen. De verschillende soorten van boomen en gewassen, die we hier opmerken, moeten tot eene latere kennismaking bewaard blijven: het is ons heden voornamelijk om de huishoudelijke inrichting te doen.Daar ginds, niet ver van het huis verwijderd, staat het rijstblok: de stamper ligt er boven op. Deze onmisbare voorwerpen doen nagenoeg dagelijks dienst voor het pellen van de rijst; somtijds ook ’s nachts, als er onraad is, en men door slaan op het rijstblok zijne buren tracht te wekken. Onder een afdak, ter zijde van de woning, staan twee paarden, klein van stuk maar vrij gespierd en lenig. Onze man behoort tot de meest welvarende onder zijne dorpsgenooten, want het bezit van paarden is lang niet algemeen. De hond van het erf houdt hun gezelschap: ’t is een mager, onvriendelijk dier, met steile ooren, vaalgrijs haar en een langen, kalen staart. De hond is dan ook bij de Javanen weinig in tel, slechtsiets meer dan het varken, dat door de Mohammedanen als onrein wordt veracht en men dus hier te vergeefs zou zoeken.Nog andere gebouwen trekken onze aandacht. Vooreerst de rijstschuur, die, van boven langer en breeder dan van onder, eene vreemde vertooning maakt. De deur is in het schuine dak, en om de afgesneden aren er in te brengen moet men langs eene bamboeladder naar boven klimmen. Verder zien we een dak op palen, door dwarshouten verbonden en met eene deur van bamboe gesloten. Daar binnen is de grond met eene dikke laag modder bedekt. Dat is het verblijf van de buffels of karbouwen, de trouwe helpers bij den veldarbeid. Ook zien we, onder een afdak, een groot rijtuig staan: ’t lijkt wel eene soort van huisje op een paar lompe schijfvormige wielen. Het heetpedatien wordt door buffels getrokken om landbouwvoortbrengselen naar elders te vervoeren. Nog vinden wij daar de landbouwgereedschappen: den ploeg en de egge. Beide zijn zeer eenvoudig en zoo licht, dat de gebruiker ze op zijne schouders naar het veld kan dragen. De ploeg bestaat uit drie stukken hout: een langen boom, waaraan de karbouwen met een’ strik rechts en links worden gespannen,—achteraan een gebogen roer om hem te sturen, en van onderen den schoen met ijzeren punt. De egge is niets anders dan eene groote hark, waarboven een zitbankje: door de zwaarte van zijn lichaam doet de landman de tanden van het door buffels getrokken werktuig diep genoeg in den lossen grond dringen.Nu we dit alles hebben bezichtigd wordt het tijd om aan de terugreis te denken, willen we niet door de duisternis overvallen worden. Zoodra toch de zon onder is, wordt het plotseling donker; schemering kent men in de nabijheid van den evenaar schier niet. We nemen dan afscheid van onzen geleider en wandelen langs het pad door de sawah (het rijstveld) terug naar de plaats, waar we ons rijtuig hebben achtergelaten.

De Europeanen zijn gewoon, een dorp op Java eene dessa te noemen. Wij zullen dit ook maar doen, doch moeten hierbij opmerken, dat in de verschillende deelen van het groote eiland drie afzonderlijke talen door de inlandsche bevolking worden gesproken, namelijk Javaansch, Soenda’sch en Madoereesch, zoodat het Javaansche woord, dat eenigszins verbasterd als «dessa» klinkt, zeker wel niet overal zal worden verstaan.

Meestal bezit elk dorp een eigen hoofd, die de gemeenschappelijke belangen der bevolking bestuurt: hij wordt gekozen door de volwassen mannelijke ingezetenen. In het westelijk deel van Java zijn vaak verscheidene kleine dorpen tot ééne gemeente onder hetzelfde hoofd vereenigd,—eene regeling die wel eenigszins gelijkt op hetgeen men in onze provincie Friesland aantreft.

Bij het naderen der dessa bespeurt men van de gebouwen zoo goed als niets. De weg voert geruimen tijd langs onafzienbare rijstvelden, zich uitstrekkende tot op de helling van het gebergte in het verschiet, en afgewisseld nu en dan door bloeiende koffietuinen. In de verte stuit het oog op een dicht bosch, gelijkende op een eiland te midden van een meer van groene halmen,—welke overeenkomst nog grooter wordt, als het rijstveld onder water staat.

Naar ééne dier donkere plekken richten we onze schreden. De smalle voetpaden, die het rijstveld doorsnijden, wijzen ons den weg: na den oogsttijd kunnen we ook over den stoppeligen bodem gaan, en alzoo de wandeling verkorten. Verderop worden de akkers kleiner, en zijn met meer verscheidenheid van gewassen beplant, soms doorsneden van fraaie lanen met hoogopgaand geboomte. Vervolgenskomen we aan eene dichte heg van bamboe, die het geheele terrein der dessa omringt, als een levende muur, waarin hier en daar openingen zijn gelaten voor den toegang. Eerst nu kunnen we een’ blik slaan in het dorp zelf: het bestaat uit een zeker aantal sterk begroeide erven. Te midden dier stukken grond zijn de hutten der inlanders gebouwd.

Ook het erf van den dessa-bewoner is van dat van zijn’ buurman gescheiden door eene haag van bamboe, waarin eene opening, groot genoeg om eene kar met een paar buffels bespannen, door te laten. Zoodra we door deze omsluiting heen zijn, treft ons de prachtige aanblik van de talrijke en in ons oog vreemdsoortige vruchtboomen, die de woning omringen.

We bereiken deze langs het smalle voetpad, dat het erf doorsnijdt. We treffen het gezin aan het middagmaal, dat zeer weinig verschilt van den tweeden maaltijd, waarmede na zonsondergang de dag wordt besloten, en die hoofdzakelijk bestaat uit rijst, eenige vruchten, en reepjes gedroogd vleesch.

Eerst moeten we ons een weinig aan de duisternis trachten te gewennen: de deuropening is de eenige plaats, langs welke het licht kan binnendringen. Doch dat hindert dezen lieden volstrekt niet; binnenshuis hebben zij bijna geene bezigheden te verrichten,—al wat zij te doen hebben geschiedt op het erf. Zelfs voor het gereedmaken der spijzen is aan de buitenzijde eene stookplaats onder een afdak gemaakt. Het met bladeren belegde dak loopt verder dan de voorwand van bamboe, en rust op palen, waardoor eene veranda wordt gevormd, onder welker beschutting de vrouwen haar huiselijke werkzaamheden verrichten. En deze zijn waarlijk niet gering. Op de dagen, dat zij niet mede naar het veld moeten om rijst te planten of te oogsten, hebben zij drukte genoeg met het spinnen, weven en verven der katoenen stoffen, waaruit grootendeels de kleeding der inlanders bestaat, het raspen van kokosnoten, om uit de fijngemaakte pit de olie te kunnen trekken, die bij haar de plaats van boter en vet vervult. Onder datzelfde afdak wordt dikwijls de maaltijd genuttigd; het binnenhuis wordt voornamelijk gebruikt om te slapen of om des middags, beschut voor de hitte, eene koele rustplaats te vinden. De inwendige ruimte is meestal in twee vertrekken verdeeld, waarvan een voor de kinderen dient. Kijknauwelijks hebben ze ons zien komen, of ze springen op uit hunne zittende houding—met de beenen vóór het lichaam gekruist—en maken zich uit de voeten, echter niet zóó gauw, of we hebben nog wel kunnen bespeuren dat hun donkergeel lichaam door bijzonder weinig kleeding is bedekt.

Een Javaansch huisgezin.Een Javaansch huisgezin.

Een Javaansch huisgezin.

De huisvader maakt, zittende op zijn’ stoel van hout, gespleten bamboe en rotting, eene beleefde buiging voor de Europeesche bezoekers; op onze vraag, of we even mogen rondzien, staat hij dadelijk op, om ons van dienst te zijn. Daar ginds in den hoek is de slaapplaats, alleen bestaande uit eene kleine verhevenheid, waarop eene mat ligt en eenige kussens met kapok gevuld, alles half weggeborgen achter een katoenen gordijn als onmisbaar scherm voor de muskieten. Niet ver van daar staat eene groote rustbank. Maar wat het meest onze aandacht trekt, is eene vrij groote doos of bak met een aantal kleine voorwerpen er in, die de verschillende bestanddeelen bevatten, welke de Javaan zoowel als zijne vrouw noodig hebben, om hun sirih of betelpruim gereed te maken.

Wat dat is?

Als we straks het erf opwandelen, zullen we een paar rechte en slanke palmboomen zien, met kleine, roodachtige vruchten beladen. Dat zijn pinang- of betelnootpalmen. Ook treffen we daar een stengelgewas aan, dat tegen een anderen boom wordt opgeleid, en welks bladeren sirih of betel genoemd worden. Welnu, aanstonds als onze Javaansche vriend een beetje op zijn gemak gaat zitten, neemt hij uit een hoog vierkant bakje, dat in de doos staat, een betelblad; uit een ander bakje een stukje van eene pinangnoot, dat nu erg hard is geworden,—de noot werd aan stukken geknipt, toen zij versch was geplukt,—dan, uit een rond doosje, een stukje gambir, welke stof wordt getrokken uit het sap van een op Java weinig, maar op Sumatra des te meer voorkomend struikgewas,—eindelijk, uit een kleiner potje, een veegje fijne natte kalk. Deze laatste strijkt hij op het blad, rolt er pinang en gambir in, en steekt dat alles in den mond: dikwijls voegt hij er nog wat tabak aan toe. Nu gaat hij lustig aan het kauwen: het sap kleurt zijn speeksel rood en zijne tanden zwart; daarbij moet hij telkens zijne toevlucht nemen tot het spuwbakje of kwispedoor dat naast zijnedoos staat. Het betelkauwen is over geheel Indië verspreid, en als twee inlanders elkander bezoeken, begint men met de aanbieding van de sirih-doos. Gelooft ook niet, dat zij zwarte tanden als iets leelijks beschouwen; integendeel. Bovendien worden de tanden der meisjes tot kleine puntjes afgevijld, hetgeen in ons oog een afschuwelijk gebruik is. Doch de smaken verschillen: de Javanen vinden dat het bezit van groote blanke tanden onzen Europeeschen mond doet gelijken op den muil van een’ tijger of van een’ hond.

Laat ons nu de kleeding van onze luidjes eens bekijken. Veel onderscheid tusschen die der mannen en vrouwen bestaat er niet: beiden dragen om het middel een lang stuk katoen, dat eenige malen het lichaam omgeeft en van achteren met het uiteinde is ingestoken, en zoo eene soort van rok gelijkt, die bij de mannen even over de knieën, bij de vrouwen op de voeten afhangt. Dit voornaamste kleedingstuk heeft niet overal dezelfde afmetingen en draagt onderscheiden namen: gemakshalve wordt het door de Europeanensaronggenoemd. Dikwijls wordt de stof door de Javanen, meestal door de vrouwen, op hun eigen weefgetouwen vervaardigd en vervolgens gekleurd: ook worden veel katoenen stoffen uit ons werelddeel aangevoerd.

In West-Java is de sarong gewoonlijk het eenig kleedingstuk der vrouwen: de mannen hebben daaronder nog eene korte wijde broek. Meer oostwaarts vinden wij bij de eersten eene strook linnen of wit katoen om het bovenlijf gewonden, bij de laatsten een katoenen borstrok met zeer korte mouwen en daarover een baadje (badjoe) van gestreept katoen, van boven aan den hals met een’ knoop nauwsluitend vastgemaakt en verder loshangend: de mouwen zijn wijd en reiken maar even over den elleboog.

Omtrent den hoofdtooi merken wij op, dat een haarsnijder bij de inlandsche bevolking weinig bezigheid zou vinden. Het haar der kleine tweejarige jongens wordt afgeschoren, op twee lokjes na: verder laat men het ongehinderd groeien. De Javaan steekt zijne lange zwarte haren door middel van een halfronden schildpadden kam in eene wrong samen en bedekt het door een’ doek, die, om het hoofd gewonden, door het insteken van het uiteinde wordt vastgehouden. Over dien hoofddoek wordt bij den veldarbeid een verbazend groote stroohoed gedragen, die hoofd en schouders beschermten zoowel door vrouwen als door mannen wordt gebezigd. De eersten zijn anders blootshoofds: het lange haar wordt in een kunstigen knoop op het achterhoofd bevestigd, en met fraaie haarnaalden en welriekende bloemen versierd.

De voeten zijn doorgaans onbedekt: soms ziet men geringe lieden gebruik maken van houten zolen, waaraan van boven een pennetje, dat tusschen de teenen wordt vastgehouden. Wij zouden ons zeker wel eene poos mogen oefenen eer we met die dingen terecht konden. Aanzienlijke lieden bezigen binnenshuis nette pantoffels, en de voornaamste hoofden dragen, als zij in dienst zijn, laarzen. Beide laatste soorten van schoeisel zijn door de Europeanen in zwang gekomen.

Als de Javaan uitgaat, is hij steeds gewapend, en wel met eene kris, eene soort van platten dolk, meestal eenigszins gegolfd. Hij wordt aan de linkerzijde gedragen in eene scheede, of in den gordel gestoken, of aan een’ ring hangend. De krissen van aanzienlijke personen hebben dikwijls prachtige gevesten, kunstig bewerkt en met goud en diamanten versierd. Als kostbare erfstukken worden zij hoog in eere gehouden.

Laat ons thans, na rustig de heetste uren van den dag te hebben afgewacht, het erf opwandelen. De verschillende soorten van boomen en gewassen, die we hier opmerken, moeten tot eene latere kennismaking bewaard blijven: het is ons heden voornamelijk om de huishoudelijke inrichting te doen.

Daar ginds, niet ver van het huis verwijderd, staat het rijstblok: de stamper ligt er boven op. Deze onmisbare voorwerpen doen nagenoeg dagelijks dienst voor het pellen van de rijst; somtijds ook ’s nachts, als er onraad is, en men door slaan op het rijstblok zijne buren tracht te wekken. Onder een afdak, ter zijde van de woning, staan twee paarden, klein van stuk maar vrij gespierd en lenig. Onze man behoort tot de meest welvarende onder zijne dorpsgenooten, want het bezit van paarden is lang niet algemeen. De hond van het erf houdt hun gezelschap: ’t is een mager, onvriendelijk dier, met steile ooren, vaalgrijs haar en een langen, kalen staart. De hond is dan ook bij de Javanen weinig in tel, slechtsiets meer dan het varken, dat door de Mohammedanen als onrein wordt veracht en men dus hier te vergeefs zou zoeken.

Nog andere gebouwen trekken onze aandacht. Vooreerst de rijstschuur, die, van boven langer en breeder dan van onder, eene vreemde vertooning maakt. De deur is in het schuine dak, en om de afgesneden aren er in te brengen moet men langs eene bamboeladder naar boven klimmen. Verder zien we een dak op palen, door dwarshouten verbonden en met eene deur van bamboe gesloten. Daar binnen is de grond met eene dikke laag modder bedekt. Dat is het verblijf van de buffels of karbouwen, de trouwe helpers bij den veldarbeid. Ook zien we, onder een afdak, een groot rijtuig staan: ’t lijkt wel eene soort van huisje op een paar lompe schijfvormige wielen. Het heetpedatien wordt door buffels getrokken om landbouwvoortbrengselen naar elders te vervoeren. Nog vinden wij daar de landbouwgereedschappen: den ploeg en de egge. Beide zijn zeer eenvoudig en zoo licht, dat de gebruiker ze op zijne schouders naar het veld kan dragen. De ploeg bestaat uit drie stukken hout: een langen boom, waaraan de karbouwen met een’ strik rechts en links worden gespannen,—achteraan een gebogen roer om hem te sturen, en van onderen den schoen met ijzeren punt. De egge is niets anders dan eene groote hark, waarboven een zitbankje: door de zwaarte van zijn lichaam doet de landman de tanden van het door buffels getrokken werktuig diep genoeg in den lossen grond dringen.

Nu we dit alles hebben bezichtigd wordt het tijd om aan de terugreis te denken, willen we niet door de duisternis overvallen worden. Zoodra toch de zon onder is, wordt het plotseling donker; schemering kent men in de nabijheid van den evenaar schier niet. We nemen dan afscheid van onzen geleider en wandelen langs het pad door de sawah (het rijstveld) terug naar de plaats, waar we ons rijtuig hebben achtergelaten.

15. De k’ratons der Indische vorsten.Gezicht in een k’raton.Gezicht in een k’raton.Behalve de oude tempels zijn de paleizen der inlandsche vorsten de eenige gemetselde werken van eenig belang, welke men op Java en Sumátra aantreft.Die paleizen, onder welke dat van den sultan van Atjeh in den laatsten tijd zulk eene voor ons treurige vermaardheid heeft verkregen, heetenk’ratonofk’daton, welk woord letterlijk beteekent «woonplaats van den vorst». ’t Zijn inderdaad bemuurde steden, in wier midden het paleis staat, naar alle zijden door de woningen der leden van het vorstelijk huis en van de voornaamste hofbeambten omgeven. De open ruimten bevatten de tuinen, waterkommen en badplaatsen van den vorst. Het geheel is doorsneden met een aantal muren, die het als ’t ware tot een’ doolhof maken, en wordt door dichte bosschages van allerlei geboomte aan het oog onttrokken.De hoofdpoort van den k’raton ligt altijd op het noorden. Daarachter is dealoen-aloenof ’t groote plein, waarop de vorst zich eenmaal in de week aan zijn volk vertoont. Hier worden ook de tornooien, optochten en tijgergevechten gehouden, en terwijl de edelen bij den vorst ten gehoore worden toegelaten, wacht hier hun talrijk gevolg. Aan weerszijden is altijd eene rij Indische vijgeboomen (waringins), en zoo ook staan altijd twee dezer boomen midden ophet plein, iedere boom door een’ muur omgeven. Tusschen die boomen is de plek, waar de openbare strafoefeningen worden gehouden. Deze boomen gelden als heilig en zijn sporen van het Boeddhismus. Men kan bijna met zekerheid aannemen, dat, waar deze boomen groeien, vroeger een vorstelijk verblijf was. Aan de zuidzijde van den k’raton is een dergelijk plein, doch kleiner.De Soesoehoenan van Soerakarta.De Soesoehoenan van Soerakarta.Als men het voorplein over gaat, komt men aan denpasseban: een op pilaren rustend afdak, dat bestemd is voor den adel, die daar het oogenblik afwacht, waarop hij voor den vorst zal worden geroepen. Van den passeban leidt eene zeer breede trap naar densitingil(letterlijk: hooge grond), een fraai terras, te midden waarvanzich eene gewonependòpoverheft. De pendòpo is grooter dan de passeban, maar ongeveer op dezelfde wijze ingericht: een dak op pilaren, waaronder bij plechtige gelegenheden de vorst zelf audiëntie houdt. Van den sitingil daalt men langs eene trap naar de verschillende paleizen af, die allen klinkende namen hebben. Men moet daartoe langs een aantal bochtige paden en door verschillende poorten gaan.Woning van een Javaansch vorst (met Pendòpo).Woning van een Javaansch vorst (met Pendòpo).De bemuring der meeste oude k’ratons was van onbehouwen steen. Zoo vindt men er te Prambanan. Later werden ze van zeer goede mortel en nog later van behouwen zandsteen opgetrokken. Die uit den jongeren tijd zijn van gewonen baksteen. De muren der oudste k’ratons waren alleen door torens verdedigd. Tegenwoordig zijn ze, in navolging der Europeesche versterkingen, van glacis, grachten, bastions, wallen, borstweringen en schietgaten voorzien. Van de uitgestrektheid van sommige k’ratons kan men zich eenig denkbeeld vormen, als men weet, dat die te Soerakartavroeger een’ omtrek van drie mijlen had en 10,000 inwoners binnen zijne muren bevatte. De grootste van allen (op Java) was die van Madjapahit. De afstand tusschen beide poorten, waarvan men nog de bouwvallen ziet, was drie mijlen. Was deze k’raton een vierkant, dan zou de omtrek 12 mijlen zijn geweest en had hij 160,000 inwoners kunnen bevatten.

Gezicht in een k’raton.Gezicht in een k’raton.

Gezicht in een k’raton.

Behalve de oude tempels zijn de paleizen der inlandsche vorsten de eenige gemetselde werken van eenig belang, welke men op Java en Sumátra aantreft.

Die paleizen, onder welke dat van den sultan van Atjeh in den laatsten tijd zulk eene voor ons treurige vermaardheid heeft verkregen, heetenk’ratonofk’daton, welk woord letterlijk beteekent «woonplaats van den vorst». ’t Zijn inderdaad bemuurde steden, in wier midden het paleis staat, naar alle zijden door de woningen der leden van het vorstelijk huis en van de voornaamste hofbeambten omgeven. De open ruimten bevatten de tuinen, waterkommen en badplaatsen van den vorst. Het geheel is doorsneden met een aantal muren, die het als ’t ware tot een’ doolhof maken, en wordt door dichte bosschages van allerlei geboomte aan het oog onttrokken.

De hoofdpoort van den k’raton ligt altijd op het noorden. Daarachter is dealoen-aloenof ’t groote plein, waarop de vorst zich eenmaal in de week aan zijn volk vertoont. Hier worden ook de tornooien, optochten en tijgergevechten gehouden, en terwijl de edelen bij den vorst ten gehoore worden toegelaten, wacht hier hun talrijk gevolg. Aan weerszijden is altijd eene rij Indische vijgeboomen (waringins), en zoo ook staan altijd twee dezer boomen midden ophet plein, iedere boom door een’ muur omgeven. Tusschen die boomen is de plek, waar de openbare strafoefeningen worden gehouden. Deze boomen gelden als heilig en zijn sporen van het Boeddhismus. Men kan bijna met zekerheid aannemen, dat, waar deze boomen groeien, vroeger een vorstelijk verblijf was. Aan de zuidzijde van den k’raton is een dergelijk plein, doch kleiner.

De Soesoehoenan van Soerakarta.De Soesoehoenan van Soerakarta.

De Soesoehoenan van Soerakarta.

Als men het voorplein over gaat, komt men aan denpasseban: een op pilaren rustend afdak, dat bestemd is voor den adel, die daar het oogenblik afwacht, waarop hij voor den vorst zal worden geroepen. Van den passeban leidt eene zeer breede trap naar densitingil(letterlijk: hooge grond), een fraai terras, te midden waarvanzich eene gewonependòpoverheft. De pendòpo is grooter dan de passeban, maar ongeveer op dezelfde wijze ingericht: een dak op pilaren, waaronder bij plechtige gelegenheden de vorst zelf audiëntie houdt. Van den sitingil daalt men langs eene trap naar de verschillende paleizen af, die allen klinkende namen hebben. Men moet daartoe langs een aantal bochtige paden en door verschillende poorten gaan.

Woning van een Javaansch vorst (met Pendòpo).Woning van een Javaansch vorst (met Pendòpo).

Woning van een Javaansch vorst (met Pendòpo).

De bemuring der meeste oude k’ratons was van onbehouwen steen. Zoo vindt men er te Prambanan. Later werden ze van zeer goede mortel en nog later van behouwen zandsteen opgetrokken. Die uit den jongeren tijd zijn van gewonen baksteen. De muren der oudste k’ratons waren alleen door torens verdedigd. Tegenwoordig zijn ze, in navolging der Europeesche versterkingen, van glacis, grachten, bastions, wallen, borstweringen en schietgaten voorzien. Van de uitgestrektheid van sommige k’ratons kan men zich eenig denkbeeld vormen, als men weet, dat die te Soerakartavroeger een’ omtrek van drie mijlen had en 10,000 inwoners binnen zijne muren bevatte. De grootste van allen (op Java) was die van Madjapahit. De afstand tusschen beide poorten, waarvan men nog de bouwvallen ziet, was drie mijlen. Was deze k’raton een vierkant, dan zou de omtrek 12 mijlen zijn geweest en had hij 160,000 inwoners kunnen bevatten.

16. De menschenroof in de Zuidzee.Op de eilanden der Zuidzee, vooral op deFidzji-eilanden, hebben zich talrijke blanken neergezet, die daar boomwol en andere tropische gewassen verbouwen. Dat is eene winstgevende zaak en zou dit nog meer zijn, als het niet zoo aan arbeidskrachten ontbrak. Hoe gaarne zouden die blanke planters daar den slavenhandel weer invoeren! Evenwel zoekt men de wetten te ontduiken en de hedendaagsche «Koelieshandel», de invoering van vrije kleurlingen uit Azië, is weinig beter dan vroeger de menschonteerende handel in Negerslaven. «Arbeiders moeten wij hebben!» roepen de blanke planters in de Zuidzee, en zij gaan op menschenroof uit.Fidzji-eilanders.Fidzji-eilanders.Een schip wordt uitgerust, vaart naar een Zuidzee-eiland en zoekt daar tegen loon arbeiders aan te werven. Volgen de ongelukkige inboorlingen niet vrijwillig, dan worden zij eenvoudig geroofd. Een bijzonder treffend geval van dien aard kwam in den zomer van 1872 aan het licht, toen de rechtbank te Sydney in Australië zekeren John Armstrong, kapitein van de Engelsche brik «Charles», wegens menschenroof en moord veroordeelde. Dit schip was van de Fidzji-eilanden uitgezeild, om met vergunning van den Britschen consul «arbeidskrachten» aan te werven. ’t Ging naar het eiland Malikolo, waar de zwarte inboorlingen, om handel te drijven, in hunne kanoes toekwamen. Men ontving hen dadelijk met geweervuur, waarop zij in het water sprongen en twaalf hunner door eene sloep van de «Charles» opgevischt en aan boord gesleept werden. Zoo was dan de eerste menschenvangst gelukt. De brik zeilde nu naar de Salomonseilanden, waar men weer tien of twaalf slachtoffers opdeed, en zoo ging het van eiland tot eiland, tot men eindelijk bij Bougainville met éen’ slag tachtig in handen kreeg.Alle vroegeren hadden zich klagend maar stil in hun hard lot geschikt;—zij waren weggesleept van hunne fraaie eilanden, uit de armen van vrouwen en kinderen, die zij jammerend en weeklagend aan het strand achterlieten. Deze mannen van Bougainville waren nochtans niet zoo gedwee. Toen de avond kwam, trachtten zij door de wanden van hun’ kerker heen te breken; zij beproefden hunne vereenigde kracht tegen de luiken, en toen deze niet toegaven, begonnen zij vuur te maken, om zichzelven en het schip te verbranden. ’t Was een vreeselijk tooneel. Onder in het tusschendek de woedende zwarten, in hunne onverstaanbare taal de gruwelijkste verwenschingen uitbrullend tegen hunne vervolgers en beulen, die, met geweren, revolvers en sabels tot de tanden gewapend, boven op het dek stonden. Toen de zwarten brand wilden stichten, begon de slachting. Den ganschen nacht door vuurden de monsters door de luiken heen op den wilden warhoop der ongewapendezwarten in het ruim. «De blanken dorstten als wilde beesten naar bloed», werd door den scheepsdokter Murray, die in deze zaak als getuige optrad, voor de rechtbank verklaard.—Toen de morgen aanbrak, was het stil geworden in het ruim. Men ging er monstering houden. Daar lagen in hun bloed niet minder dan zeventig doode en gekwetste inboorlingen, die nu op het dek werden gesleept. En het gruwelijkste volgde nog; want niet de dooden alleen, maar ook denog levendenwerden over boord geworpen en aan de haaien ten prooi gegeven.Zoo rooft en moordt heden de blanke mensch zijne medemenschen in de Zuidzee; zoo gaat het nu al jaren lang, en de Engelsche machthebbers hielden zich altijd maar liefst ziende blind, «daar men toch volstrekt arbeiders moet hebben.» Nu eindelijk schijnt de hooge regeering met nadruk tegen dien menschenroof te willen optreden en met voldoening hooren wij, dat die kapitein van de «Charles» den 20 November 1872 te Sydney door de rechtbank ter dood werd veroordeeld.

Op de eilanden der Zuidzee, vooral op deFidzji-eilanden, hebben zich talrijke blanken neergezet, die daar boomwol en andere tropische gewassen verbouwen. Dat is eene winstgevende zaak en zou dit nog meer zijn, als het niet zoo aan arbeidskrachten ontbrak. Hoe gaarne zouden die blanke planters daar den slavenhandel weer invoeren! Evenwel zoekt men de wetten te ontduiken en de hedendaagsche «Koelieshandel», de invoering van vrije kleurlingen uit Azië, is weinig beter dan vroeger de menschonteerende handel in Negerslaven. «Arbeiders moeten wij hebben!» roepen de blanke planters in de Zuidzee, en zij gaan op menschenroof uit.

Fidzji-eilanders.Fidzji-eilanders.

Fidzji-eilanders.

Een schip wordt uitgerust, vaart naar een Zuidzee-eiland en zoekt daar tegen loon arbeiders aan te werven. Volgen de ongelukkige inboorlingen niet vrijwillig, dan worden zij eenvoudig geroofd. Een bijzonder treffend geval van dien aard kwam in den zomer van 1872 aan het licht, toen de rechtbank te Sydney in Australië zekeren John Armstrong, kapitein van de Engelsche brik «Charles», wegens menschenroof en moord veroordeelde. Dit schip was van de Fidzji-eilanden uitgezeild, om met vergunning van den Britschen consul «arbeidskrachten» aan te werven. ’t Ging naar het eiland Malikolo, waar de zwarte inboorlingen, om handel te drijven, in hunne kanoes toekwamen. Men ontving hen dadelijk met geweervuur, waarop zij in het water sprongen en twaalf hunner door eene sloep van de «Charles» opgevischt en aan boord gesleept werden. Zoo was dan de eerste menschenvangst gelukt. De brik zeilde nu naar de Salomonseilanden, waar men weer tien of twaalf slachtoffers opdeed, en zoo ging het van eiland tot eiland, tot men eindelijk bij Bougainville met éen’ slag tachtig in handen kreeg.Alle vroegeren hadden zich klagend maar stil in hun hard lot geschikt;—zij waren weggesleept van hunne fraaie eilanden, uit de armen van vrouwen en kinderen, die zij jammerend en weeklagend aan het strand achterlieten. Deze mannen van Bougainville waren nochtans niet zoo gedwee. Toen de avond kwam, trachtten zij door de wanden van hun’ kerker heen te breken; zij beproefden hunne vereenigde kracht tegen de luiken, en toen deze niet toegaven, begonnen zij vuur te maken, om zichzelven en het schip te verbranden. ’t Was een vreeselijk tooneel. Onder in het tusschendek de woedende zwarten, in hunne onverstaanbare taal de gruwelijkste verwenschingen uitbrullend tegen hunne vervolgers en beulen, die, met geweren, revolvers en sabels tot de tanden gewapend, boven op het dek stonden. Toen de zwarten brand wilden stichten, begon de slachting. Den ganschen nacht door vuurden de monsters door de luiken heen op den wilden warhoop der ongewapendezwarten in het ruim. «De blanken dorstten als wilde beesten naar bloed», werd door den scheepsdokter Murray, die in deze zaak als getuige optrad, voor de rechtbank verklaard.—Toen de morgen aanbrak, was het stil geworden in het ruim. Men ging er monstering houden. Daar lagen in hun bloed niet minder dan zeventig doode en gekwetste inboorlingen, die nu op het dek werden gesleept. En het gruwelijkste volgde nog; want niet de dooden alleen, maar ook denog levendenwerden over boord geworpen en aan de haaien ten prooi gegeven.

Zoo rooft en moordt heden de blanke mensch zijne medemenschen in de Zuidzee; zoo gaat het nu al jaren lang, en de Engelsche machthebbers hielden zich altijd maar liefst ziende blind, «daar men toch volstrekt arbeiders moet hebben.» Nu eindelijk schijnt de hooge regeering met nadruk tegen dien menschenroof te willen optreden en met voldoening hooren wij, dat die kapitein van de «Charles» den 20 November 1872 te Sydney door de rechtbank ter dood werd veroordeeld.

17. De kokospalm.Kokospalmen.Kokospalmen.Overal in de Zuidzee en in de Indische wateren, waar de kokospalm voorkomt, begroet hij in kleiner of grooter groepen reeds uit de wijde verte den naderenden zeevaarder, en in zijne schaduw ziet men de eerste, verstrooid liggende hutten der eilanders wegschuilen. In Oost-Indië echter liggen geheele steden in het midden van uitgestrekte kokosbosschen, ja, op Ceilon kent men een woud van zulke palmen, dat, zich langs de zeekust uitstrekkend, zes en twintig Eng. mijlen lang en verscheiden uren breed is. Nog onder het Hollandsch bestuur werden uit dit woud jaarlijks zes duizend vaten arak, drie millioen pond touwwerk en eene ontzettende menigte olie gewonnen. Onberekenbaar is de zegen, die in dezen éenen boom besloten ligt, wiens wasdom met den bouw eener statige hooge zuil is te vergelijken.In de natuur is deze slanke, veertig tot vijftig voet hooge zuil met hare wiegelende groene bladerkroon, alleen staand zoowel als in groepen, het grootste sieraad van het landschap. Naar het zeggen des volks dient de kokosboom tot negen en negentig dingen. Destam, die soms honderd voet hoog wordt, is wel sponsachtig en dun, maar toch vast en bruikbaar tot balken, latten en masten voor huizen en schepen. De holle palmstammen dienen tot goten en waterleidingen; uit de wortels vlecht men korven en wannen het netweefsel aan iederen bladwortel wordt tot kinderwiegen en paklinnen verbruikt. De vezels van de schors alsmede het buitenste omkleedsel van de noot leveren strikken en touwwerk. Het loof is het hoofdvoedsel der tamme olifanten van Ceilon en Ava. Het malsche hart van de bladkroon, de zoogenaamde palmkool, weegt van twintig tot dertig pond en is eene lekkernij voor iedere tafel, door het uitsnijden waarvan men echter den boom voor altijd te gronde richt. De kroon zelve bestaat uit een dozijn groote bladeren; elk blad is twee tot drie voet breed, twaalf tot veertien voet lang, en dient tot het dekken der daken, tot zonne-schermen, tot vlecht- en mandewerk, tot papier, waarop men met griffels schrijft, gedraaid tot fakkels, verbrand tot loog en uitmuntende zeep. Jong zijn de bladeren doorschijnend en dienen den Cingaleezen tot lantaarns; van de sterkebladribben worden vischfuiken, stokken en bezems gemaakt. De gelijktijdige bloesems en vruchten zijn als voedsel en drank onschatbaar. De noten, zoo groot als een menschenhoofd, eirond en driekantig, worden ook groen en onrijp in de Indische keuken op de meest verschillende wijze toebereid, en eene knappe huisvrouw zegt het spreekwoord, moet daar eene maand lang iederen dag een nieuw gerecht van weten op tafel te brengen. Het vocht in de noten, de kokosmelk, is een verfrisschende en gezonde drank.Bloem- en vruchtkroon van den kokospalm.Bloem- en vruchtkroon van den kokospalm.De op velerlei wijze gebruikte olie wordt licht ranzig en neemt een voor den Europeeër walgenden reuk aan; maar in den jongsten tijd heeft men toch geleerd, haar beter te behandelen en voor kunst en nijverheid dienstbaar te maken. De uitgeperste kern geeft dan nog het beste veevoeder en mest den akker. De harde kokosschil is bij de ruwere stammen de gewone drinknap. De zeer taaie, bruinachtig roode vezels der buitenste schil wordt tot de fijnste en kostbaarste tapijten en weefsels verwerkt; maar hoofdzakelijk dient deze harde, veerkrachtige vezel tot het maken van koorden en touwen, die vooral voor de ankers in de stormachtige Indische zeeën van onschatbare waarde en in vele opzichten boven die van hennep te verkiezen zijn. Uit den nog niet geheel ontwikkelden bloesem wordt door insnijding het sap getapt, dat men palmwijn (toddy) noemt.Versch gebruikt, is het frisch en verkoelend; na korten tijd gist het en wordt bedwelmend; later wordt het zuur en geeft den besten wijnazijn, gedistilleerd den besten Indischen arak en ingekookt suiker (dzjaggeri). Om zoo vele en groote zegeningen staat de boom overal bij de Indische volken in het hoogste aanzien: bij de geboorte van een kind op Ceilon wordt een kokos geplant, en de ringen, die zich bij het groeien rondom den stam vormen, dienen tot aanduiding van den terugkeerenden geboortedag en zijn zoo eene soort van tijdwijzer voor de inboorlingen. De vrome Hindoe verkeert in het geloof, dat op zijn roepen de kokosnoot van zelf voor zijne voeten neervallen moet, en eene vergulde kokosnoot wordt, volgens overoud gebruik, telken jare in de haven van Bombay, als de gunstige wind (moeson) invalt, aan de zee ten offer gebracht, en dan eerst worden de schepen ná den stormtijd weder zeilree gemaakt.Zoo is deze boom in de plantenwereld voor de kusten en talrijke eilanden der groote Indische wereldzee een even sprekend getuige van de goddelijke macht en goedertierenheid, als in de dierenwereld de kameel dat voor Afrika’s en Azië’s woestijnen is, en kan ’t ons niet meer bevreemden, als de reizigers ons verzekeren, dat kokospalmen alle hutten van Indië en de Zuidzee-eilanden overschaduwen, en dat meer bewoners dier streken van de palmvrucht dan van graan leven.

Kokospalmen.Kokospalmen.

Kokospalmen.

Overal in de Zuidzee en in de Indische wateren, waar de kokospalm voorkomt, begroet hij in kleiner of grooter groepen reeds uit de wijde verte den naderenden zeevaarder, en in zijne schaduw ziet men de eerste, verstrooid liggende hutten der eilanders wegschuilen. In Oost-Indië echter liggen geheele steden in het midden van uitgestrekte kokosbosschen, ja, op Ceilon kent men een woud van zulke palmen, dat, zich langs de zeekust uitstrekkend, zes en twintig Eng. mijlen lang en verscheiden uren breed is. Nog onder het Hollandsch bestuur werden uit dit woud jaarlijks zes duizend vaten arak, drie millioen pond touwwerk en eene ontzettende menigte olie gewonnen. Onberekenbaar is de zegen, die in dezen éenen boom besloten ligt, wiens wasdom met den bouw eener statige hooge zuil is te vergelijken.

In de natuur is deze slanke, veertig tot vijftig voet hooge zuil met hare wiegelende groene bladerkroon, alleen staand zoowel als in groepen, het grootste sieraad van het landschap. Naar het zeggen des volks dient de kokosboom tot negen en negentig dingen. Destam, die soms honderd voet hoog wordt, is wel sponsachtig en dun, maar toch vast en bruikbaar tot balken, latten en masten voor huizen en schepen. De holle palmstammen dienen tot goten en waterleidingen; uit de wortels vlecht men korven en wannen het netweefsel aan iederen bladwortel wordt tot kinderwiegen en paklinnen verbruikt. De vezels van de schors alsmede het buitenste omkleedsel van de noot leveren strikken en touwwerk. Het loof is het hoofdvoedsel der tamme olifanten van Ceilon en Ava. Het malsche hart van de bladkroon, de zoogenaamde palmkool, weegt van twintig tot dertig pond en is eene lekkernij voor iedere tafel, door het uitsnijden waarvan men echter den boom voor altijd te gronde richt. De kroon zelve bestaat uit een dozijn groote bladeren; elk blad is twee tot drie voet breed, twaalf tot veertien voet lang, en dient tot het dekken der daken, tot zonne-schermen, tot vlecht- en mandewerk, tot papier, waarop men met griffels schrijft, gedraaid tot fakkels, verbrand tot loog en uitmuntende zeep. Jong zijn de bladeren doorschijnend en dienen den Cingaleezen tot lantaarns; van de sterkebladribben worden vischfuiken, stokken en bezems gemaakt. De gelijktijdige bloesems en vruchten zijn als voedsel en drank onschatbaar. De noten, zoo groot als een menschenhoofd, eirond en driekantig, worden ook groen en onrijp in de Indische keuken op de meest verschillende wijze toebereid, en eene knappe huisvrouw zegt het spreekwoord, moet daar eene maand lang iederen dag een nieuw gerecht van weten op tafel te brengen. Het vocht in de noten, de kokosmelk, is een verfrisschende en gezonde drank.

Bloem- en vruchtkroon van den kokospalm.Bloem- en vruchtkroon van den kokospalm.

Bloem- en vruchtkroon van den kokospalm.

De op velerlei wijze gebruikte olie wordt licht ranzig en neemt een voor den Europeeër walgenden reuk aan; maar in den jongsten tijd heeft men toch geleerd, haar beter te behandelen en voor kunst en nijverheid dienstbaar te maken. De uitgeperste kern geeft dan nog het beste veevoeder en mest den akker. De harde kokosschil is bij de ruwere stammen de gewone drinknap. De zeer taaie, bruinachtig roode vezels der buitenste schil wordt tot de fijnste en kostbaarste tapijten en weefsels verwerkt; maar hoofdzakelijk dient deze harde, veerkrachtige vezel tot het maken van koorden en touwen, die vooral voor de ankers in de stormachtige Indische zeeën van onschatbare waarde en in vele opzichten boven die van hennep te verkiezen zijn. Uit den nog niet geheel ontwikkelden bloesem wordt door insnijding het sap getapt, dat men palmwijn (toddy) noemt.Versch gebruikt, is het frisch en verkoelend; na korten tijd gist het en wordt bedwelmend; later wordt het zuur en geeft den besten wijnazijn, gedistilleerd den besten Indischen arak en ingekookt suiker (dzjaggeri). Om zoo vele en groote zegeningen staat de boom overal bij de Indische volken in het hoogste aanzien: bij de geboorte van een kind op Ceilon wordt een kokos geplant, en de ringen, die zich bij het groeien rondom den stam vormen, dienen tot aanduiding van den terugkeerenden geboortedag en zijn zoo eene soort van tijdwijzer voor de inboorlingen. De vrome Hindoe verkeert in het geloof, dat op zijn roepen de kokosnoot van zelf voor zijne voeten neervallen moet, en eene vergulde kokosnoot wordt, volgens overoud gebruik, telken jare in de haven van Bombay, als de gunstige wind (moeson) invalt, aan de zee ten offer gebracht, en dan eerst worden de schepen ná den stormtijd weder zeilree gemaakt.

Zoo is deze boom in de plantenwereld voor de kusten en talrijke eilanden der groote Indische wereldzee een even sprekend getuige van de goddelijke macht en goedertierenheid, als in de dierenwereld de kameel dat voor Afrika’s en Azië’s woestijnen is, en kan ’t ons niet meer bevreemden, als de reizigers ons verzekeren, dat kokospalmen alle hutten van Indië en de Zuidzee-eilanden overschaduwen, en dat meer bewoners dier streken van de palmvrucht dan van graan leven.

18. Het brood der Zuidzee-eilanders.De broodboom is eene der uitstekendste voedingsplanten voor de volken der heete luchtstreek, vooral van de in de nabijheid van den evenaar liggende eilanden van den Grooten Oceaan, waar zijn eigenlijk vaderland is. Onder zijne lommerrijke takken slaan de inwoners nog tegenwoordig bij voorkeur hunne luchtige hutten op. De geheele vorm van den broodboom is fraai en geen onzer woudboomen kan zich daarin met hem meten. Hij wordt wel niet hooger dan veertig voet; maar zijne wijde en dichte kroon is met het fraaiste groene loof versierd. De afzonderlijke bladeren zijn bij de anderhalf voet lang en tien tot elf cM. breed. Het kostelijkst sieraad en geschenk van den broodboom is echter zijne groote, melige,ronde schijnvrucht, die, geschild en vervolgens geroosterd of gebakken, bijna als tarwebrood smaakt. Rauw is zij onsmakelijk en wordt zij alleen in geval van hoogen nood gegeten. De gewone wijze, waarop de broodvrucht eetbaar gemaakt wordt, beschrijft de reiziger Forster in de volgende woorden: Men legt de vruchten, voordat zij tot volle rijpheid zijn gekomen, na verwijdering van hare schil in een met steenen bevloerden kuil en bedekt ze met bladeren en aarde, tot zij tot eene zure gisting zijn overgegaan. Van dezen voorraad neemt men dagelijks zoo veel, als men noodig heeft, maakt er klompen van, zoo dik als eene vuist, wikkelt die in bladeren en bakt ze tusschen verhitte steenen. Deze broodklompen blijven weken lang goed en zijn, ook op reis, een kostelijk voedsel. Ook gedurende de drie of vier maanden, dat de boom niet draagt, leeft de Zuidzee-eilander van dezen voorraad. En daarbij levert deze voedingsplant zoo rijkelijk vrucht, dat drie boomen toereikend zijn, om een’ mensch acht maanden lang behoorlijk te voeden. De groote reiziger Cook weet dezen boom dan ook niet genoeg te roemen. Heeft daar iemand in zijn leven maar tien broodboomen geplant, zegt hij, dan heeft hij voor zichzelf, de zijnen en voor een volgend geslacht even veel gedaan, als een bewoner onzer ruwe luchtstreek, die zijn leven lang in het koude wintertij geploegd, in den heeten zomer geoogst en niet alleen zijne tegenwoordige huishouding van brood voorzien, maar ook nog een kleinen spaarpenning voor zijne kinderen op zij gelegd heeft.Broodboom.Broodboom.Vrucht van den Broodboom.Vrucht van den Broodboom.

De broodboom is eene der uitstekendste voedingsplanten voor de volken der heete luchtstreek, vooral van de in de nabijheid van den evenaar liggende eilanden van den Grooten Oceaan, waar zijn eigenlijk vaderland is. Onder zijne lommerrijke takken slaan de inwoners nog tegenwoordig bij voorkeur hunne luchtige hutten op. De geheele vorm van den broodboom is fraai en geen onzer woudboomen kan zich daarin met hem meten. Hij wordt wel niet hooger dan veertig voet; maar zijne wijde en dichte kroon is met het fraaiste groene loof versierd. De afzonderlijke bladeren zijn bij de anderhalf voet lang en tien tot elf cM. breed. Het kostelijkst sieraad en geschenk van den broodboom is echter zijne groote, melige,ronde schijnvrucht, die, geschild en vervolgens geroosterd of gebakken, bijna als tarwebrood smaakt. Rauw is zij onsmakelijk en wordt zij alleen in geval van hoogen nood gegeten. De gewone wijze, waarop de broodvrucht eetbaar gemaakt wordt, beschrijft de reiziger Forster in de volgende woorden: Men legt de vruchten, voordat zij tot volle rijpheid zijn gekomen, na verwijdering van hare schil in een met steenen bevloerden kuil en bedekt ze met bladeren en aarde, tot zij tot eene zure gisting zijn overgegaan. Van dezen voorraad neemt men dagelijks zoo veel, als men noodig heeft, maakt er klompen van, zoo dik als eene vuist, wikkelt die in bladeren en bakt ze tusschen verhitte steenen. Deze broodklompen blijven weken lang goed en zijn, ook op reis, een kostelijk voedsel. Ook gedurende de drie of vier maanden, dat de boom niet draagt, leeft de Zuidzee-eilander van dezen voorraad. En daarbij levert deze voedingsplant zoo rijkelijk vrucht, dat drie boomen toereikend zijn, om een’ mensch acht maanden lang behoorlijk te voeden. De groote reiziger Cook weet dezen boom dan ook niet genoeg te roemen. Heeft daar iemand in zijn leven maar tien broodboomen geplant, zegt hij, dan heeft hij voor zichzelf, de zijnen en voor een volgend geslacht even veel gedaan, als een bewoner onzer ruwe luchtstreek, die zijn leven lang in het koude wintertij geploegd, in den heeten zomer geoogst en niet alleen zijne tegenwoordige huishouding van brood voorzien, maar ook nog een kleinen spaarpenning voor zijne kinderen op zij gelegd heeft.

Broodboom.Broodboom.

Broodboom.

Vrucht van den Broodboom.Vrucht van den Broodboom.

Vrucht van den Broodboom.

19. Een heete wind in Australië.Het is vroeg in den morgen; men kijkt het venster uit en ziet boven ’t ver liggend woud een witten nevel opstijgen. De schapen dringen zich onder de boomen op elkaar; de koeien staan tot de knieën in het troebele water, dat van de rotsen neersijpelt. Wie deze voorteekens al eens meer gezien heeft, weet, wat ze te beduiden hebben; hij weet, dat vóor het invallen van den lentetijd een heete wind in aantocht is. Deze komt; hij strijkt over de witte aarde heen, die barst en klinkt, alsof een glazen kogel er door krachtige hand over heen gerold werd. De lucht is heet en verzengend, alsdie van een vurigen oven; aan de boomen en wijnstokken verdorren de vruchten en vallen af. Een gelijk lot hebben de vogels, die, als door eene beroerte getroffen, uit de takken naar beneden tuimelen. Op den weg liggen de honden dood; de verdroogde tong hangt hun ver uit den bek.De thermometer klimt hooger en hooger, tot hij op 147 graden Fahrenheit staat. Men stopt elke reet, elk sleutelgat toe, om den gloeienden sirocco buiten te houden; men neemt een boek en wil lezen, maar na weinig minuten al dansen sterretjes voor de oogen en slaan de polsen als smidshamers. Men laat zijn boek vallen en ziet, of men slapen kan; doch deze slaap brengt geene verkwikking aan, daar hij vergezeld gaat van droomen, die al de verschrikkingen van de pijnbank doen voelen. Er is maar éen middel, om zich eenige verlichting te verschaffen: men steke eene pijp aan, menge een glas wijn met ijswater, en rooke en drinke, tot verandering komt.Die vurig gewenschte verandering komt altijd met den avond. Eene dichte stofwolk, die zich als een muur over het land voortbeweegt, is haar voorbode. In eene enkele minuut daalt de temperatuur om de 50 tot 60 graden, en deze plotselinge afkoeling tast het menschelijk gestel zoo hevig aan, dat heete rumgrog de plaats van ijswater met wijn moet vervangen, dat men zich in dekens en mantels pakt en zich haast, een goed haardvuur aan te leggen. Kijkt men nu weer den kant uit, van waar men dien morgen den witten nevel zag opstijgen, dan biedt zich daar een schrikwekkend, verheven schouwspel het oog aan. Mijlen ver staan de bosschen in vlammen. De vuurstaart verliest zich verder en verder naar het binnenland, tot hij langs de heuvelvlakten al flauwer en dunner wordt en eindelijk geheel verdwijnt.In de nabijheid echter is dat schouwspel ontzettend grootsch.

Het is vroeg in den morgen; men kijkt het venster uit en ziet boven ’t ver liggend woud een witten nevel opstijgen. De schapen dringen zich onder de boomen op elkaar; de koeien staan tot de knieën in het troebele water, dat van de rotsen neersijpelt. Wie deze voorteekens al eens meer gezien heeft, weet, wat ze te beduiden hebben; hij weet, dat vóor het invallen van den lentetijd een heete wind in aantocht is. Deze komt; hij strijkt over de witte aarde heen, die barst en klinkt, alsof een glazen kogel er door krachtige hand over heen gerold werd. De lucht is heet en verzengend, alsdie van een vurigen oven; aan de boomen en wijnstokken verdorren de vruchten en vallen af. Een gelijk lot hebben de vogels, die, als door eene beroerte getroffen, uit de takken naar beneden tuimelen. Op den weg liggen de honden dood; de verdroogde tong hangt hun ver uit den bek.

De thermometer klimt hooger en hooger, tot hij op 147 graden Fahrenheit staat. Men stopt elke reet, elk sleutelgat toe, om den gloeienden sirocco buiten te houden; men neemt een boek en wil lezen, maar na weinig minuten al dansen sterretjes voor de oogen en slaan de polsen als smidshamers. Men laat zijn boek vallen en ziet, of men slapen kan; doch deze slaap brengt geene verkwikking aan, daar hij vergezeld gaat van droomen, die al de verschrikkingen van de pijnbank doen voelen. Er is maar éen middel, om zich eenige verlichting te verschaffen: men steke eene pijp aan, menge een glas wijn met ijswater, en rooke en drinke, tot verandering komt.

Die vurig gewenschte verandering komt altijd met den avond. Eene dichte stofwolk, die zich als een muur over het land voortbeweegt, is haar voorbode. In eene enkele minuut daalt de temperatuur om de 50 tot 60 graden, en deze plotselinge afkoeling tast het menschelijk gestel zoo hevig aan, dat heete rumgrog de plaats van ijswater met wijn moet vervangen, dat men zich in dekens en mantels pakt en zich haast, een goed haardvuur aan te leggen. Kijkt men nu weer den kant uit, van waar men dien morgen den witten nevel zag opstijgen, dan biedt zich daar een schrikwekkend, verheven schouwspel het oog aan. Mijlen ver staan de bosschen in vlammen. De vuurstaart verliest zich verder en verder naar het binnenland, tot hij langs de heuvelvlakten al flauwer en dunner wordt en eindelijk geheel verdwijnt.

In de nabijheid echter is dat schouwspel ontzettend grootsch.

20. De Kaaba te Mekka.In een smal, door kale bergen ingesloten dal ligt Mekka, de heilige stad, de geboortestad van den Profeet, de algemeene bedevaartplaats van alle Moslemin, welke ieder geloovige althans eenmaal in zijn leven bezocht moet hebben, zal hij het hoofd rustigtot sterven neerleggen. In de zuidelijke helft der stad, waar het dal het breedst is, verheft zich de groote moskee van Mekka met de wereldberoemde kaaba, die aan den tempel eerst zijn hoog gewicht bijzet. Van de buiten omloopende zuilengangen der moskee leiden zeven bevloerde wegen naar de in ’t midden van het geheel staande kaaba—naar het heilig huis. Dit is een klein massief gebouw van achttien passen lengte, veertien breedte en bij de veertig voet hoogte. De Mohammedanen gelooven, dat Abraham de eerste bouwer der kaaba geweest is, en dat zijn zoon Ismaïl hem daarbij de steenen heeft toegereikt, die door een wonder der goddelijke almacht dadelijk vierkant gehouwen uit het aardrijk te voorschijn kwamen. Daar het dak der kaaba geheel plat is, vertoont zij zich van verre als een teerling (cubus). In den noordoostelijken hoek van het gebouw ligt, vier of vijf voet boven den grond, de beroemde zwarte steen. De Mohammedanen beweren, dat deze steen uit den hemel neergedaald en aan Abraham als een bijzonder teeken van goddelijke genade door den engel Gabriël geschonken is. Zij zeggen, dat hij, oorspronkelijk zuiver en doorschijnend, door de aanraking eener booze vrouw zwart en ondoorzichtig is geworden. Door de millioenen van kussen en aanrakingen, die hij te lijden had, is hij geheel afgesleten.De Kaaba te Mekka.De Kaaba te Mekka.Alle vier buitenzijden van de kaaba zijn met eene zwartzijden stof bekleed. Daar zijn verschillende gebeden in geweven, die men echter, omdat zij van dezelfde kleur als de stof zelve zijn, slechts met moeite kan lezen. Een weinig boven het midden loopt rondom het gansche gebouw een ander opschrift uit gouddraad. Voor den zwarten steen zijn openingen gelaten, zoodat hij bij den omgang gemakkelijk kan worden aangeraakt. Daar de bekleeding nergens vast aansluit, wordt zij door het minste koeltje in eene golvende beweging gebracht. De vrome pelgrims houden dit voor een teeken van de tegenwoordigheid der de kaaba bewakende zeventigduizend engelen, wier vleugels, zeggen zij, deze trillingen voortbrengen. Wanneer de bazuin des laatsten oordeels klinkt, zullen zij de kaaba in het paradijs dragen.Onder de verdere kleinere gebouwen, die de kaaba binnen het groote vierkant omgeven, verdient nog dat opmerking, waarin zich de beroemde heilige bron Zemzem bevindt. Deze voorziet de geheelestad van water, en er is nauwelijks eene familie, die er niet dagelijks eene kruik vol van haalt. ’t Wordt echter alleen tot drinken en tot godsdienstige afwasschingen gebruikt: er zich tot koken van te bedienen zou voor goddeloos gelden. Het wordt ook als een onfeilbaar middel tegen alle krankheden beschouwd, en de vrome Mohammedanen gelooven, dat zij door er veel van te drinken hun gebed Gode dubbel behagelijk zullen maken. Naar men weten zal, zijn de Mohammedanen overtuigd, dat de bron dezelfde is, welke Jehovah op het gebed van Hagar in de woestijn deed ontspringen, om haar versmachtenden zoon Ismaïl te drenken. Bij den kansel, waarop de Vrijdags-predikatie gehouden wordt, moeten de pelgrims, voordat zij den omgang van de kaaba volbrengen, hun schoeisel uittrekken en laten staan. Zoodra men, na de intrede door den zuilengang, het heilig gebouw voor het eerst in het oog krijgt, zegt men zekere gebeden op, werpt zich viermaal op den grond neer en betuigt Gode daardoor zijn’ dank, dat men de gewijde plaats gelukkig bereikt heeft. Hierop treedt men langs een der bevloerde wegen op de kaaba toe, plaatst zich tegenover den zwarten steen en werpt zich andermaal viermaal neer, waarop de steen met de rechterhand wordt aangeraakt. Nu begint de pelgrim den plechtigen omgang om de kaaba, doch zoo, dat deze bestendig links van hem blijft. Deze gang moet zeven maal herhaald worden, de eerste drie malen met snelle treden, in navolging van den Profeet, die, om het door zijne vijanden uitgestrooide gerucht, dat hij gevaarlijk ziek lag, te weerleggen, ook driemaal snel om de kaaba liep. Bij iederen omloop moeten bepaalde gebeden opgezegd en aan ’t eind daarvan de heilige en nog een andere steen gekust worden. Ten laatste treedt de pelgrim dicht aan den muur van het gebouw, tusschen den zwarten steen en de hoofddeur, drukt zijne borst daar vast tegen aan en smeekt zoo God met wijduitgestrekte armen om vergiffenis voor zijne zonden.

In een smal, door kale bergen ingesloten dal ligt Mekka, de heilige stad, de geboortestad van den Profeet, de algemeene bedevaartplaats van alle Moslemin, welke ieder geloovige althans eenmaal in zijn leven bezocht moet hebben, zal hij het hoofd rustigtot sterven neerleggen. In de zuidelijke helft der stad, waar het dal het breedst is, verheft zich de groote moskee van Mekka met de wereldberoemde kaaba, die aan den tempel eerst zijn hoog gewicht bijzet. Van de buiten omloopende zuilengangen der moskee leiden zeven bevloerde wegen naar de in ’t midden van het geheel staande kaaba—naar het heilig huis. Dit is een klein massief gebouw van achttien passen lengte, veertien breedte en bij de veertig voet hoogte. De Mohammedanen gelooven, dat Abraham de eerste bouwer der kaaba geweest is, en dat zijn zoon Ismaïl hem daarbij de steenen heeft toegereikt, die door een wonder der goddelijke almacht dadelijk vierkant gehouwen uit het aardrijk te voorschijn kwamen. Daar het dak der kaaba geheel plat is, vertoont zij zich van verre als een teerling (cubus). In den noordoostelijken hoek van het gebouw ligt, vier of vijf voet boven den grond, de beroemde zwarte steen. De Mohammedanen beweren, dat deze steen uit den hemel neergedaald en aan Abraham als een bijzonder teeken van goddelijke genade door den engel Gabriël geschonken is. Zij zeggen, dat hij, oorspronkelijk zuiver en doorschijnend, door de aanraking eener booze vrouw zwart en ondoorzichtig is geworden. Door de millioenen van kussen en aanrakingen, die hij te lijden had, is hij geheel afgesleten.

De Kaaba te Mekka.De Kaaba te Mekka.

De Kaaba te Mekka.

Alle vier buitenzijden van de kaaba zijn met eene zwartzijden stof bekleed. Daar zijn verschillende gebeden in geweven, die men echter, omdat zij van dezelfde kleur als de stof zelve zijn, slechts met moeite kan lezen. Een weinig boven het midden loopt rondom het gansche gebouw een ander opschrift uit gouddraad. Voor den zwarten steen zijn openingen gelaten, zoodat hij bij den omgang gemakkelijk kan worden aangeraakt. Daar de bekleeding nergens vast aansluit, wordt zij door het minste koeltje in eene golvende beweging gebracht. De vrome pelgrims houden dit voor een teeken van de tegenwoordigheid der de kaaba bewakende zeventigduizend engelen, wier vleugels, zeggen zij, deze trillingen voortbrengen. Wanneer de bazuin des laatsten oordeels klinkt, zullen zij de kaaba in het paradijs dragen.

Onder de verdere kleinere gebouwen, die de kaaba binnen het groote vierkant omgeven, verdient nog dat opmerking, waarin zich de beroemde heilige bron Zemzem bevindt. Deze voorziet de geheelestad van water, en er is nauwelijks eene familie, die er niet dagelijks eene kruik vol van haalt. ’t Wordt echter alleen tot drinken en tot godsdienstige afwasschingen gebruikt: er zich tot koken van te bedienen zou voor goddeloos gelden. Het wordt ook als een onfeilbaar middel tegen alle krankheden beschouwd, en de vrome Mohammedanen gelooven, dat zij door er veel van te drinken hun gebed Gode dubbel behagelijk zullen maken. Naar men weten zal, zijn de Mohammedanen overtuigd, dat de bron dezelfde is, welke Jehovah op het gebed van Hagar in de woestijn deed ontspringen, om haar versmachtenden zoon Ismaïl te drenken. Bij den kansel, waarop de Vrijdags-predikatie gehouden wordt, moeten de pelgrims, voordat zij den omgang van de kaaba volbrengen, hun schoeisel uittrekken en laten staan. Zoodra men, na de intrede door den zuilengang, het heilig gebouw voor het eerst in het oog krijgt, zegt men zekere gebeden op, werpt zich viermaal op den grond neer en betuigt Gode daardoor zijn’ dank, dat men de gewijde plaats gelukkig bereikt heeft. Hierop treedt men langs een der bevloerde wegen op de kaaba toe, plaatst zich tegenover den zwarten steen en werpt zich andermaal viermaal neer, waarop de steen met de rechterhand wordt aangeraakt. Nu begint de pelgrim den plechtigen omgang om de kaaba, doch zoo, dat deze bestendig links van hem blijft. Deze gang moet zeven maal herhaald worden, de eerste drie malen met snelle treden, in navolging van den Profeet, die, om het door zijne vijanden uitgestrooide gerucht, dat hij gevaarlijk ziek lag, te weerleggen, ook driemaal snel om de kaaba liep. Bij iederen omloop moeten bepaalde gebeden opgezegd en aan ’t eind daarvan de heilige en nog een andere steen gekust worden. Ten laatste treedt de pelgrim dicht aan den muur van het gebouw, tusschen den zwarten steen en de hoofddeur, drukt zijne borst daar vast tegen aan en smeekt zoo God met wijduitgestrekte armen om vergiffenis voor zijne zonden.

21. De Fellahs in Egypte.Fellah-woningen.Fellah-woningen.Fellah-vrouw en kinderen.Fellah-vrouw en kinderen.Een deel der bevolking van Egypte zijn de Fellahs, d. i. van buiten ingekomen Arabieren, die zich in vroeger tijd als akkerbouwerslangs den Nijlstroom hebben neergezet. Evenwel is ’t land, dat zij bebouwen, grootendeels niet meer hun eigendom, maar in ’t bezit van den onderkoning overgegaan, wiens arbeiders en huurlingen zij thans zijn. Alles, wat zij op het veld verbouwen, moeten zij tegen bepaalde prijzen aan den regent overdoen; wat zij tot hun levensonderhoud noodig hebben, kunnen zij hem dan weder afkoopen. Die niet arbeiden willen, worden er door zweepslagen toe gedwongen. In hunne ellendige, morsige hutten is de pest een regelmatige gast; de honger staat hun op het gezicht geschreven, en de gansche bevolking is door de langdurige slavernij—als vroeger de Israelieten—ontzenuwd en verstompt. De hoogstens twee M. hooge hutten zijn uit leem en stroo opgetrokken en boven alle beschrijving morsig. Een dadelstam strekt tot dakstoel, en daarop geworpen en met aarde bedekte dadelboomtakken en -bladeren dienen tot zoldering. Met gekruiste beenen zit de Fellah op zijne palmenmat, die tevens hem en zijne gansche familie tot slaapplaats dient.Tusschen de ellendige hutten der Fellah-dorpen ziet men de naakte of slechts met een hemd bekleede, donkerbruine kinderen in hetzand wroeten en dwalen hier en daar eenige magere gestalten in blauwe boomwollen hemden om. Zorgvuldig dekken de vrouwen haar gelaat met eene soort van smallen, zwarten sluier, en geen man vertoont zich zonder den tulband of de roode fez, ofschoon hem dikwijls alle overige kleedingstukken ontbreken. Alleen een mensch, die naar lichaam en geest geheel verstompt is, kan het in zulk een door afschuwelijke uitwasemingen verpesten omtrek op den duur uithouden.Daar de Fellahs afkeerig van alle nieuwigheden zijn, willen zij van de doelmatige, gemak en voordeel aanbrengende Europeesche akkergereedschappen niets weten en tobben zich met hun trekvee, hunne ossen en kameelen nog voortdurend af, om met den voorvaderlijken ploeg de aarde om te woelen. Zoo worden de rijst- en maisvelden, de indigo-, suiker- en boomwolplantsoenen bewerkt. Het voornaamste moet trouwens de Nijl daarbij doen, die van Juli tot October door zijn overstroomen den uitgedroogden bodem bevochtigt, en het overvloedige zout uit de bovenste aardlagen naar den ondergrond voert. Nog voor Pinksteren valt de oogst in; doch de arme Fellah heeft weinig voldoening en genot van de opbrengst zijner velden, daar de ambtenaren der kroon overal gereed staan, om zich die des noods met geweld toe te eigenen.

Fellah-woningen.Fellah-woningen.

Fellah-woningen.

Fellah-vrouw en kinderen.Fellah-vrouw en kinderen.

Fellah-vrouw en kinderen.

Een deel der bevolking van Egypte zijn de Fellahs, d. i. van buiten ingekomen Arabieren, die zich in vroeger tijd als akkerbouwerslangs den Nijlstroom hebben neergezet. Evenwel is ’t land, dat zij bebouwen, grootendeels niet meer hun eigendom, maar in ’t bezit van den onderkoning overgegaan, wiens arbeiders en huurlingen zij thans zijn. Alles, wat zij op het veld verbouwen, moeten zij tegen bepaalde prijzen aan den regent overdoen; wat zij tot hun levensonderhoud noodig hebben, kunnen zij hem dan weder afkoopen. Die niet arbeiden willen, worden er door zweepslagen toe gedwongen. In hunne ellendige, morsige hutten is de pest een regelmatige gast; de honger staat hun op het gezicht geschreven, en de gansche bevolking is door de langdurige slavernij—als vroeger de Israelieten—ontzenuwd en verstompt. De hoogstens twee M. hooge hutten zijn uit leem en stroo opgetrokken en boven alle beschrijving morsig. Een dadelstam strekt tot dakstoel, en daarop geworpen en met aarde bedekte dadelboomtakken en -bladeren dienen tot zoldering. Met gekruiste beenen zit de Fellah op zijne palmenmat, die tevens hem en zijne gansche familie tot slaapplaats dient.

Tusschen de ellendige hutten der Fellah-dorpen ziet men de naakte of slechts met een hemd bekleede, donkerbruine kinderen in hetzand wroeten en dwalen hier en daar eenige magere gestalten in blauwe boomwollen hemden om. Zorgvuldig dekken de vrouwen haar gelaat met eene soort van smallen, zwarten sluier, en geen man vertoont zich zonder den tulband of de roode fez, ofschoon hem dikwijls alle overige kleedingstukken ontbreken. Alleen een mensch, die naar lichaam en geest geheel verstompt is, kan het in zulk een door afschuwelijke uitwasemingen verpesten omtrek op den duur uithouden.

Daar de Fellahs afkeerig van alle nieuwigheden zijn, willen zij van de doelmatige, gemak en voordeel aanbrengende Europeesche akkergereedschappen niets weten en tobben zich met hun trekvee, hunne ossen en kameelen nog voortdurend af, om met den voorvaderlijken ploeg de aarde om te woelen. Zoo worden de rijst- en maisvelden, de indigo-, suiker- en boomwolplantsoenen bewerkt. Het voornaamste moet trouwens de Nijl daarbij doen, die van Juli tot October door zijn overstroomen den uitgedroogden bodem bevochtigt, en het overvloedige zout uit de bovenste aardlagen naar den ondergrond voert. Nog voor Pinksteren valt de oogst in; doch de arme Fellah heeft weinig voldoening en genot van de opbrengst zijner velden, daar de ambtenaren der kroon overal gereed staan, om zich die des noods met geweld toe te eigenen.


Back to IndexNext