Misschien had ik er ook wél naar gevraagd … en mij ten slotte maar neergelegd bij het feit, dat hij zich niet gemakkelijk laat onderbreken … ja, geneigd is een schuchtere onderbreking als een onheuschheid te beschouwen. Hoe dan ook, ik vroeg hem nog eens over die onderwerpen te spreken en met het vaste voornemen, op mijn stuk te blijven staan, klopte ik aan zijn deur.
Wat hadden de jaren veel verandering gebracht! Ik voelde bij de eerste woorden dat hij rustiger en meer gereserveerd was geworden. Zijn haren waren pas gekortwiekt (vergeef mij de beeldspraak, als ge ze tenminste bemerkt!). Hij zat nu niet in een zeer ruim studeervertrek met aangrenzend archief, doch in een spaarzaam gemeubelde kamer in een leelijke Amsterdamsche Pijp-straat. En had hij mij vroeger allerlei soorten sigaren en sigaretten voorgezet, nu liet hij zich, toen hij hoorde dat ik niet rookte, afgepast "twee stuks" halen.
Alles deed zien dat hij op eenigerlei wijze pas een flinken klap van het Leven had gekregen en dezen klap zoowel in zijn temperament als in zijn overtuiging verwerkte…. Ik behoor tot hen die iets dergelijks al vele jaren in stilte wenschen. Dus aangenaam gestemd, wel wetend dat sommigen een zekere soort honger beter bekomt dan het brood des levens, leidde ik het gesprek in met een vraag naar de evolutie van zijn ideeën sinds het verschijnen van zijn eerste werk. Aanvankelijk ging het weer goed. In zijn geliefkoosde houding, één voet op 'n stoel, de elleboog steunend op zijn knie, zette hij mij uiteen, dat van evolutie eigenlijk geen spraak kan zijn. De lezer beoordeele of het betoog, dat ik hier weergeef, de conclusie dekt:
"Zooals u waarschijnlijk weet, heeft "mijn Jordaan" een overweldigend succes behaald, en uit de zeer groote rij van alle schitterende besprekingen is o.m. één voor mij het opmerkelijkst geweest, en die is pas gekomen, en wel de bespreking van Haspels. Mijn eerste boeken zijn uitsluitend visionair en beladen met occulten geestesdrang geweest. Dat zijn mijn ongelukkige in een heel vreemde psyche wortelende verzen. Mijn "Meditaties" is een heel boek van transcendentale epiek. Het naturalisme en realisme is meer een bepaalde overgangsvorm geweest van een school, die zich tijdelijk op mij heeft afgestempeld. Maar de innerlijke kern van mijn natuur is versmelting van deze drie dingen: tragiek, epiek en lyriek. Het realisme is voor mij een uitwendig ding gebleven en zal dit ook zijn. Ik smaad het niet, vooral niet. Ik vind ten slotte Rembrandt een geweldig realist en Shakespeare ook, maar het zijn mystieke realisten. Nu is men verbaasd dat ik met mijn "Melvina of de Legende van den Vuurtoren" en "Saul en David" den z.g. romantischen kant uitga, doch in mijn "Meditaties", toen was ik eenëntwintig, ziet gijprecieshetzelfde: Ik keer terug tot iets dat altijd de grondtoon van mijn wezen was. Haspels nu heeft gezegd, dat mijn "Jordaan" zoogenaamd realisme is, uitsluitend verbeeldingskunst, geheel en al gedragen door een ontzaggelijken visionairen stijl, "het werk van een genie" (ik haal aan wat hij zegt!) dat zich met geweldig fantasmagorisch vermogen op de realiteit werpt.
Ik wil slechts te kennen geven, dat een boek als "Jordaan" nooit door zijn uitwendig realisme dit succes zou hebben behaald, als niet die heele kunst gebouwd was op een innerlijken grondslag, een samenvatting van allerlei dingen, die zich in mijn wezen volstrekt niet afzonderlijk hebben ontwikkeld, maar waarin het zich breeder, sterker, rustiger uitspreekt naar allen kant en zich op alle mogelijke manieren verdiept. Er is een groote psychische en technische afstand tusschen het schilderen van de Nachtwacht en van de Staalmeesters, maar toch is het visionair en innerlijk vermogen van een Rembrandt volstrekt essenciëel en niet iets nieuws brengends geweest toen.
Ik geloof, permiteer mij den overgang, dat ik onbewust in mijn natuur altijd mijzelf trouw ben gebleven. Ik ben begonnen met visionair werk: mijn "Meditaties". Ik heb toen een rauw en uiterst realistisch boek in de wereld geschopt: "Levensgang", waarin twee elementen door plastisch vermogen zijn samengevat, n.l. aan den eenen kant een door uitwendigen waarheidszin beheerschte realistiek, terwijl het boek aan den anderen kant verloopt in romantiek. Ik meende dat ieder ding in zijn waren, diepen, uitwendigen waarheidsvorm moest worden gezegd. Daar ben ik in "Menschenwee" van teruggekeerd. Dat boek heeft een heel groote beweging in Nederland gebracht. In "De Jordaan" ben ik daar nog verder van af gekeerd, en zoo had ik gelegenheid een boek te geven waar geen enkel zoogenaamd—gelijk de burgerlijke moraal het noemt—onverkoren woord in voorkomt. Het is voor mij geweest het scheppen van tallooze driften en hartstochten, maar vast aan den mensch. Ik wilde geen ideeën en symbolen, maar groote menschelijke innerlijken scheppen, waar van zelf de ideeën en symbolen in leven….
—Ter verklaring van dezen overgang merk ik op, dat ik Q. geschreven had, over "Ideeën" te willen spreken en denkelijk wel bij hem te boek sta als iemand, die zich voorloopig nog te veel in wijsgeerige studiën verdiept. Ik zal ook wel gevraagd hebben naar denideëeleninhoud van zijn werken.—
Het najagen van een idée en van een symbool, ging hij voort, vind ik ondergeschikt aan het scheppen van menschen die zelf ideeën en symbolen hebben. Het symbool moet geboren worden uit den mensch, en niet de mensch uit het symbool. Uit de innerlijkheid van de menschelijke natuur moeten voor mij idée en symbool doorbreken. Vandaar dat ik Shakespeare boven Goethe stel. Geen enkel symbool kan boven de groote menschenscheppende kracht van den wezenlijk innerlijk menschelijk scheppenden kunstenaar uit. Die omvat het allemaal. De meest ijle geestelijke sfeer, waarin verschillende figuren van Shelley leven, afzonderlijk genomen als symbolische ideeën, zijn met hun innerlijk en hun hartstocht eerst ménschen geworden en tegelijkertijd symbool in Shakespeare.
Dat heb ik altijd sterk gevoeld. In "De Jordaan" heb ik gegeven de figuur van Stijn, die in de critiek tot de grootste bewondering aanleiding heeft gegeven. Daarin is in één persoon vereenigd teederheid en verbijsterende waanzin, door alcoholische driften aangejaagd. Het symbool van het bezeten zijn door den drankhartstocht, die ook een zekere sexueele satyriasis als ondergrond heeft, te zamen met een groote vaderlijke teederheid, en die twee elementen vast aan den man verbonden. Dat was altijd mijn doel, daar ben ik nooit van afgeweken….
—In den loop van deze improvisatie deed hij nu en dan een nonchalante greep in een kartonnen doos, die overvloedig gevuld was met recente boekbesprekingen. Hij wilde mij een knipsel toonen,—'t was hem toevallig in handen gekomen, en hij hechtte er overigens geen waarde aan—dat volkomen bevestigde de meening die hij zooeven had geuit. Enfin … hij zou mij die critiek wel sturen.
—Maar—ging hij zonder overgang verder—maar dit wil ik wel zeggen: van nature ben ik een diep proletarisch sociaal-democratisch voeler.
Wat ik daarmee bedoel? Dit: met mijn proletarisch voelen bedoel ik, dat ik ten allen tijde besef, dat deze maatschappij absoluut weg moet, omdat het gelukslurpen van de bezittende klasse iets weerzinwekkends heeft. En dat kan en moet en zal veranderen. En dat kan alleen veranderen door en volgens de volslagen juiste critiek van het socialisme op de economische elementen van de maatschappij.
Maar nu heb ik dit opgelet, dat Gorter en mevrouw Holst, om maar twee van de allervoortreffelijksten te noemen, die als dichter en als denker zich hebben doen kennen, daarom afwijken van Heijermans en van mij, maar vooral van mij, omdat zij absoluut niet beschikken over dramatisch objectivatie-vermogen. Zij hebben nooit romans geschreven. Vandaar dat wij als dramatici objectiever staan tegenover de menschelijke figuren uit de burgerij. Lapidoth heeft gezegd (hij deed weer een nonchalante greep in de rijk-gevulde kartonnen doos en trok er een recensie uit, die hem toevallig in handen was gekomen), dat hij nooit een zoo objectief boek gelezen had van een sociaal-democraat als "De Jordaan". Daar zit niet de geringste tendenz in. Tendenz kan schitterend zijn als zij voortgestuwd wordt door de beweegkracht van een ziel, die het gevoel als een verinnerlijkt levens-systeem van eigen gedachten opstuwt. Maar dan lijkt mij ook het woord "Tendenz" verkeerd. Maar verder is mijn innerlijk zonder tendenz, en dit blijkt een gevolg uitsluitend van dramatiek, epiek en lyriek die als persoonlijkheid in een andere persoonlijkheid indringen en zich objectiveeren ten opzichte van de levensverschijnselen. In onze kunst oordeelen wij niet. Met ijzingwekkende kracht blijven wij onverschillig voor de persoonlijke appreciatie, en in roerlooze schoonheid weerspiegelen wij het bosch, en de maan en den mensch zelf.
—Nu voelde ik mij toch genoopt te vragen naar de verhouding tusschen dit levensinzicht en de levensbeschouwing van het proletariaat, de wijsbegeerte van het historisch materialisme.
—Ik geloof, kreeg ik ten antwoord, dat de wijsbegeerte van het historisch materialisme, wat zijn zuiver dialectischen ondergrond en wat zijn wezenlijk wijsgeerige kern betreft, door het proletariaat niet kan worden beoordeeld, dat het wat daarover gezegd wordt door groote denkers aanvaardt, terwijl die groote denkers m.i. niets anders doen dan op een bepaalde manier hun eigen ik-heid manifesteeren, zonder iets hoogers te geven dan iedere andere subjectieve wijsbegeerte.
Doch dit heeft niets te maken met de maatschappij-critiek van het historisch materialisme. Die vind ik voortreffelijk. Echter onderscheid ik mij ten zeerste van sociaal-democraten als mevr. Holst en Gorter, doordat ik ook een zeer bijzonder gevoel heb voor occulte wijsbegeerte en mystieke dingen, die mij in hooge mate interesseeren. Zeker, het is iets persoonlijks van mij. De studie dier verschijningen gaat buiten het volk om en kan het niet schelen. Het is voor het eigenlijke proletariaat van oneindig veel meer belang als het de wet van vraag en aanbod, van meerwaarde en verbruikswaarde kent en economisch sterk onderlegd is. Ik zou niet gaarne willen meedoen met de theosophische socialisten, die volgens mij een geweldige verwarring brengen. Maar de wezenlijk geestelijke problemen als zoodanig kunnen niet met een zwaai worden betrokken in den gezichtskring van alle proletariërs. Hoe zou het ook kunnen?
De strijd van het proletariaat openbaart zich politiek en economisch in een geweldig ideaal. Weet u wat ik mij altijd heb afgevraagd: wat leidt die menschen er toe voor een betere maatschappij te strijden? Dat is zuiver ideologisch sentiment ten slotte, maar het is een heerlijke menschelijke ideologie. Ik erken, het bewustzijn daarvan kan je heele leven vullen.
Maar angstwekkend vind ik het, als diezelfde menschen op grond van hun historisch materialisme het geestelijk leven probeeren vast te leggen in bepaalde wetten, die ik heel anders beoordeel en heel anders bekijk. Zelfs vind ik in den lyrischen drang van mevr. Holst en Gorter die occulte neiging aanwezig. Haar psychische ontvlambaarheid is heelemaal occult, al werpt die zich ook op dingen die juist den arbeider in lichterlaaie zetten. Maar ook de manier waarop zij het doet is zuiver occult. Zij wordt beheerscht door den angst, dat de ontwikkeling van de massa zou worden tegengehouden door de vooropstelling van het individueele.
—Als nu, zoo vroeg ik, uw laatste werk zuiver een objectiveering is van uw drieledigen en visionairen persoonlijken aanleg, en gij aan den anderen kant de kloof tusschen uw diepere veelzijdigheid en de groote massa zoo sterk voelt, dat gij toch wel niet overheerscht kunt worden door de zucht om de menschen over bepaalde dingen feitelijk nauwkeurig in te lichten,—hoe rechtvaardigt gij dan nu nog hetgeen gij vroeger mij en anderen hebt medegedeeld omtrent uw buitengewoon uitvoerige documenteele onderzoekingen, ook in den Jordaan?
Ja, zei hij en zijn blanke hand streek door zijn zware lokken, die hij—niet meer had—ja … die documenteele arbeid, dien ik verricht voordat ik aanvang met mijn werk, wekt den schijn alsof ik realistische kunst lever, gericht op de zoogenaamde waarneming en objectieve bestudeering van de feiten. Ik geef u toe, deze arbeid is, wat den documenteelen inhoud in kleineren zin betreft, overbodig, en dat heb ik in den laatsten tijd veel beter dan ooit ervaren. Toch meen ik, dat men voor het aanvoelen van een levenssfeer de dingen goed moet kennen, al gaat de visionaire verbeelding telkens op geheel andere manier de realiteit in gloed of in schaduw of in licht zetten. Om u dit duidelijk te maken kan ik er op wijzen, dat ik op dien boottocht, waarvan in het vierde hoofdstuk van de Jordaan verteld is, maar één keer mee ben geweest, en toch heb ik een heele synthese van al die nachten gegeven. Wat ik daar geef, kan onmogelijk door de zinnen waargenomen zijn geweest. Dat is een voortdurend peilen en invoelen, een visionair verbeelden en fantastisch zien. Toch is dit de eenige manier waarop de realiteit zich openbaart. Dat is het orgaan van den kunstenaar, waardoor hij de realiteit naar voren haalt zooals zij is, al lijkt het doorloopend fantasie.
—Ik herhaal dus, dat hier wel degelijk een verandering van standpunt uit blijkt. U hebt vroeger veel meer dan nu den nadruk gelegd op de waarde van het voortdurend waarnemen en verzamelen van feiten.
—Ik geef toe, veel van dien documenteelen arbeid was overbodig, maar ik heb er toch ook zoo'n groote voldoening door gekregen. Toen die nuchterling in een van de bladen mij zeide, dat ik de Jordaan niet weergaf zooals zij was, toen kon ik met genot mijn documenteelen arbeid aanhalen. Toen heb ik steegje voor steegje en kroeg voor kroeg met het gehalte van het bier en den wijn en de jenever en met de namen er bij kunnen behandelen. Ik vraag u: wie kan zeggen hoe de Jordaanis? Ik zie hem zoo en een ander ziet hem weer zoo. Meijer, Dr. Meijer heeft in "De Hervorming", geschreven dat hij den Jordaan zooals ik hem beschreven heb, den mooisten vorm vindt dien de Jordaan kan hebben.
Ik wilde met dit alles dit maar zeggen, dat ik mijn grondtoon nooit veranderd heb, dat een onbewuste eenheid loopt door al mijn werk, die zich op dezelfde manier steeds weer openbaart. Ik kan zonder verschillende dingen, die ik allen even heerlijk en mooi vind, niet leven. Vandaar mijn verheerlijking van muziek, schilderkunst, en soms ook wijsbegeerte. Ik heb nooit geweten wat het zeggen wil enkel romanschrijver te zijn.
—Ook daarover heb ik u vroeger wel eens anders hooren spreken. Hebt gij mij niet vroeger gezegd, dat gij u nooit in het kleine bestek en de eenzijdigheid van een tooneelstuk geheel zoudt kunnen uitleven?
—Dat moet gij verkeerd begrepen hebben. Ik weet wel, in een treurspel zit iets dat in een roman nooit gegeven kan worden, al kan men in een roman weer enorm dramatische dingen scheppen. Ik ben al heel lang beheerscht door het gevoel een treurspel te willen schrijven. Zooals u weet heeft Robbers gezegd, naar aanleiding van zijn critiek op "Menschenwee": "als Q. het wil, behoeft het voor hem maar van een gril of luim af te hangen en hij kan even schitterend voor het tooneel als voor de literatuur schrijven". Dat sloeg blijkbaar op mijn vermogen om de dingen in dialoog en in scène te zetten. Toen heb ik daarop geantwoord: bij het moderne drama geloof ik niet dat dit kan. Ik geloof niet, dat hetgeen ik indertijd heb gevoeld, op 't tooneel kon worden gebracht, en daarom heb ik den romanvorm ook geschikter gevonden. Maar hoe ben ik nu gekomen tot "Saul en David"? Al jaren lang heeft mij het voornemen en het verlangen beheerscht om de ziel van Saul te geven. Ik heb den Saul van Israëls gezien en dien van Rembrandt, en vooral die van Rembrandt heeft mij ontzaggelijk ontroerd. Maar hij stijgt toch maar tot een bepaalde hoogte van het ziels-drama van Saul, want zijn kunst is niet voortschrijdend. Zij vat wel samen één moment, doch de ontwikkeling, de wezenlijk tragische ontwikkeling van het karakter kan alleen de treurspeldichter schrijven. Echter nog nooit onder de dichters is Saul aangevat. Ik vind hem een ontzaggelijke figuur, evenals David (Q. zegt Davied). Daar komt nog mijn semietisch bewustzijn bij. Ik voel dagelijks, dat wij, Joden, als dichters wezenlijk de geheele lyriek en dramatiek van den Bijbel in ons hebben. Ik voel mij geheel verwant aan de vijfduizend jaar terug liggende atmosfeer van menschen en toestanden.
—Ik snapte wel, dat hij bij al wat hij mij op verdere vragen zou antwoorden aan zijn "Saul" zou denken. Ik nam mij daarom voor, hem geduldig aan te hooren totdat hij zich van dien last zou hebben bevrijd. Dàn zou ik weer vragen en aanteekenen. Doch ik vond zijn mededeelingen en vooral zijn tempo zoo interessant, dat ik het tòch maar navertel.
—Bij dit treurspel ging ik uit van deze idee: menschen als Saul en David, zooals vage gegevens die doen kennen uit den bijbel, moeten beweeggronden in zich hebben gehad, die voor ons, modernelingen, van gelijke kracht zijn gebleven. Hun nijd, hun angst, hun berouw, hun haat, hun wrok, hun ijverzucht, hun minnedrift, hun trots en onderwerping, al die dingen openbaren zich, in anderen vorm misschien, maar in gelijk hevige kracht, in ons. Ik wilde de figuren niet rethorisch en op een bepaalde archaeologische manier naar voren brengen. Ik wilde hun geheele menschelijk bestaan innerlijk voor ons neerzetten, zoodat gij den geheelen Saul ziet leven, ziet schreien, ziet verkwijnen in opstand en onderwerping. Dien geheelen geweldigen op- en neergang van zijn groot gebroken leven, dat zich ten slotte zoo prachtig heeft verheven, heb ik in zijn wezen willen teekenen.
De semietische melancholie is anders dan bij eenig ander volk. Het is een wezenlijke waanzin, die zich heenbreekt door angstig groot lyrisch, religieus en nuchter psychisch en critisch levensgevoel; hij heeft een dubbelkarakter. Die mengeling daarvan in den Saul van vijfduizend jaar geleden, wilde ik geven en Saul zelf heb ik ademend vlak voor onze voeten willen zetten.
Ik heb studie gemaakt van de archaeologie en de oude ethnologie en van tallooze dingen, maar ten slotte geef ik er niets om. Hierin sta ik op één lijn, ik bedoel met de waardeering van historische feiten voor den dichter, met wat Goethe en zelfs Napoleon heeft gezegd, dat de grootste kijker naar de innerlijke levenswording van de geschiedenis de treurspeldichter is; en al geeft hij de feiten, als feiten zuiver, raak, oneindig veel meer openbaart hij de innerlijke kern van een tijdperk dan welke zoogenaamde historie-speurder ook. Het kan Goethe niet schelen dat Shakespeare van al die Romeinen eigenlijk Engelschen heeft gemaakt. Napoleon heeft ook gezegd, dat het hem niet kan schelen of een dichter ontrouw wordt aan de historische gegevens, en dat heeft Goethe zoo goed uitgedrukt. Kautsky heeft in zijn boek over het Christendom zoo merkwaardig gezegd, dat een dichter oneindig veel meer den innerlijken geest van een tijd vat met zijn visioenen, dan ooit kan worden bereikt door den meest nauwkeurigen geschiedkundige, omdat die feiten ten slotte ook moeten worden geïnterpreteerd door dengeen die ze ziet en de samenbindende geest kan alleen ontstaan in en door den ziener.
Vondel heeft zich altijd overgegeven aan Bijbelsche treurspelen. Vondel is mij voor altijd gebleven de besteAmsterdamsche zieneren beschouwer van de bijbelsche geschiedenis. Maar toch nooit heeft hij de innig diepe, lyrische, dramatische en pathetische natuur van de oude Jóódsche beschaving geheel gevoeld, omdat je daar, geloof ik, rasverwantschap voor moet hebben. En ondanks de vele schitterende dingen, als woordkunst boven ieders lof verheven, is het altijd de Protestantsch-Katholieke natuur van Vondel die door de interpretatie van de Joodsche zielen heen komt schijnen, zooals ik ook nooit een opmerkelijker Joodsch-Katholiek heb gezien dan Mahler in zijn kunst. Het feit, dat Rembrandt zoo ná is gekomen aan deze levenssfeer, lijkt mij een gevolg van het feit, dat hij de Joodsche psyche occult gevoeld heeft, in al zijn kleurige en wazige diepte, in al zijn gloeiing, maar ook in al zijn duisterheid.
—Ik heb mij (ik voorkom uw vraag) afgevraagd: wat hebben sociaal-democraten en arbeiders aan zoo'n kunst in dezen tijd? Ja, wat hebben zij aan de kunst van Beethoven, van Shakespeare, van Vondel, van Goethe? In iedere groote kunst moet zijn een geestelijke inhoud, die onafhankelijk is van tijd en persoon en waar iedereen, altijd, groote lessen uit kan trekken. Er is in mijn tragedie een figuur, die tot voorbeeld kan zijn voor iederen sociaal-democraat die door individueele plagen wordt gehinderd. Hij is het bewijs van het feit, dat je je alleen aan de goddelijke macht hebt over te geven, zooals ook de Jezuïten het doen, alleen op een ander levensplan. David is het symbool van de eeuwig levende kracht, de onverwelkbare Joodsche levensdrift, de vreugdebloeseming van het bestaan. Zouden ook sociaal-democraten daar niet aan hebben? Zou de geheele antieke beschaving niets voor hen wezen, omdat zij zijn gekomen tot een andere levenssfeer? U zult vragen: waarom moeten wij tot een tijd van vijfduizend jaren her terug, als wij in dezen tijd toch gelijksoortige figuren kunnen vinden? Dat hangt natuurlijk heelemaal af van de persoonlijke scheppingsdrift die in den kunstenaar leeft. Waarom heeft Rembrandt in een tijd van opbloei van de bourgeoisie getracht mannen als Saul of Homerus te scheppen? Omdat er in Saul geweldig heroïsche elementen zijn, die in dezen tijd niet in die mate worden gevonden. En och, is de schoonheid van het vers, de kunst van het woord, ook niet voor de proletariërs een zeer genietbare kunst,—àls die inderdaad schoon is, natuurlijk? Wat hebben zij aan Van Oort, als zij zijn middeleeuwsche romans lezen, vol merkwaardige middeleeuwsche feiten? Dat zij een visie krijgen op dat tijdperk.
Ten slotte blijkt mij dat de natuur van ieder kunstenaar, al is hij ook socialist, voor bepaalde werkzaamheden wordt aangewezen. Gorter zou nooit iets anders kunnen zijn dan lyrisch dichter en propagandist, omdat hij het episch en dramatisch vermogen mist….
Toen ik dien nacht naar mijn stille landhuis terugkeerde, speelden detwee woorden "Querìdo" en "evolùùtsie" krijgertje door mijn bewustzijn.En terwijl ik in bed stapte uitte ik deze lofspraak: "Ja…. "Du bist amEnde—was du bist"".
[5] Naar ik van terzijde verneem, wenscht de heer Q. er niet toe mede te werken, dat zijn portret hier wordt afgedrukt. Ik betreur dit oprecht, al vermoed ik, dat mijn lezers zijn beeltenis hier of daar weleens hebben gezien.
[Illustratie: CAREL SCHARTEN]
[Illustratie: Foto CAREL SCHARTEN]
(* 1878.)
Het volgende is een interview per post. In de meening verkeerend, dat ik Scharten hier of daar kon ontmoeten, was ik met hem in briefwisseling getreden. Mijn verwachting werd verijdeld, maar toenzijnsympathie voor mijn werk enmijninstemming met vele zijner ideeën elkander tegenkwamen, besloten wij de briefwisseling voort te zetten. Ik zou hem mijn vragen niet beter kunnen stellen dan hij het zichzelf heeft gedaan, en nadat ik hem mijn oprechte dankbaarheid heb betuigd voor de moeite die hij zich gaf, leg ik den lezer zijn laatsten brief zonder commentaar voor:
Lerici, 5 Januari 1914.
Waarde Heer d'Oliveira,
Laat ik dus nu maar doen, of ik u op dezen zonnigen zomermiddag—de zee bruischt en geurt—ontving op het blank terras der Villa Barbieri, en onder een kopje thee (zij is niet zoo aromatisch als die gij in Holland drinkt; onze theeleverancier is maar een Caprees) antwoordde op de vragen van uwen "Leiddraad."
Als alle mijn broeders en zusters in de letterkunde heb ik er al heel vroeg "aan gedaan". Toen ik zeven jaar was en nauwelijks schrijven kon, richtte ik al een geïllustreerd tijdschrift op—tekst en prenten waren van de hand van den redacteur; abonné's: oma, oma's meid, tante, enz.—een jaar later volgde een dagblad; dan een geïllustreerde "vaderlandsche geschiedenis" en verzen op onze stadhouders en op Mackenzy (spel ik goed?), den lijfarts van Keizer Friedrich—hoe ik daaraan kwam, mag Joost weten. Elf jaar, schreef ik drama's in verzen—geïllustreerd, als altijd…. Doch ik zie in dat alles volstrekt geen voorteeken, noch eenig blijk van talent. Want met misschien nòg meer pleizier gaf ik zingend, boem-tsjing, en een vol orkest nabootsend, muziek-uitvoeringen; of speelde, opgetuigd met shako's en sjerpen van mijn vader en mijn grootvader, voor "generaal"; of ranselde als "leeuwentemmer" een tiental elastieke ballen onzen zolder rond.—En noch voor generaal, noch voor leeuwentemmer heb ik later ooit eenigen aanleg in mij bespeurd.
Het is, geloof ik, heùsch begonnen—denk maar eens aan Scheltema's velen ergerend gezegde daaromtrent!—toen ik veertien jaar en verliefd werd. Het was het dichterlijk verhaal van een avondwandeling met een meisje, of zoo maar een zangetje zonder veel zin, dat ik schreef. Zoo ging dat enkele jaren door; voor den verstandig-toegeeflijken leeraar der H.B.S. werden mijn opstellen novellen of reeksen verzen; eindelijk zelfs een heele bundel op Oud-Hollandsch papier; want ik was inmiddels zestien jaar geworden en vond mij een dichter, d.w.z. dat ik geen dag meer kende zonder een sonnet of twee, drie. U voelt al, uit welken hoek de wind woei! Toch was mijn eerste litteraire vorming er eerder een klassieke geweest. Onze Duitsche leeraar was de bekende Limburgsche novellist Emile Seipgens, en die fijne, wijze man, die een broertje dood had aan lesgeven, vond het veel nuttiger voor ons (en plezieriger voor zichzelf) ons de meesterstukken der Duitsche litteratuur voor te lezen, het eene stuk voor, het andere na; van grammatica hoorden wij in geen jaren; zoodat wij (ik beveel zijn methode volstrekt nietonverdeeldaan!) allemenschelijk slecht Duitsch leerden, maar veel smaak kregen, en de beste smaak, in kunst. Het was merkwaardig hoe Seipgens, die in 't dagelijksch leven hakkelde, en heel erg als hij boos werd, prachtig voorlas zonder één hapering; die drama's van Schiller, van Goethe, van Lessing, zij leefden voor ons!
Maar ondertusschen had ik de "Nieuwe Gids" in handen gekregen, uit de leesportefeuille; het was al in de negentiger jaren, in de vervalperiode, en naast mooie dingen stonden er de verschrikkelijkste "uitstuipingen" in,—en, gek nietwaar (men is toch altijd allereerst een kind van zijn tijd) ik vond dat mooi, ik vond het mooier dan alle klassieken (waarmee ik toch op zoo gunstige wijze had kennis gemaakt)—omdat het mij aangreep, omdat het mij naar de keel greep, ik weet niet hoe, het kwam van zoo dichtbij, en het was zoo sinister en geheimzinnig. Gunstig ook om ervan te gaan houden, was de afkeer en de bespotting, die iedereen uit mijn omgeving voor dat "idiote gedoe" over had. En toen waren er twee boeken, die mij wat meer van "die nieuwe richting" kennen leerden en mijn voorkeur ook in het redelijke schenen te wettigen: de "Dichters van dezen tijd" en de "Pic-nic in Proza." Den sterksten indruk uit dat laatste maakte "Harold" van Ary Prins op mij. Zóó wonderlijk-klaar die middeleeuwen voor je te zien! Ik bootste de ontvangen visie in fantastische schilderijtjes na; want ik schilderde veel in dien tijd; ik dacht wel eens, of ik niet beter deed, schilder te worden.—Bizonder genoot ik ook van de fonkelende "Conferentie" van Erens.
Dit alles was vóór mijn zeventiende jaar; toen bracht een dichterlijke vriend, die jong is gestorven, mij drie boeken: "De kleine Johannes," de "Verzen" van Kloos, en de "Mei" van Gorter. In díe volgorde. Het was een openbaring!
En ziedaar mijn stamboom! Ik ben, van letterkundigen huize uit, een kind van "de Nieuwe Gids." Van dááruit eerst—via Verwey—leerde ik Vondel kennen en Hooft. Ik moet er bij voegen, dat ik al op de burgerschool veel hield van Racine; het was bij hem vooral de taal, het heerlijke Fransch, en het statige, teêre vers dat mij boeiden.
Maar ik was van de "Nieuwe Gids" al gauw een weerspannig kind. Het critische heeft er al vroeg bij mij in gezeten; dit werd misschien ontwikkeld door de studie van het recht, dat ik (men leidde mij voor de Registratie op) met ambitie beoefende; en toen ik eenmaal de beste producten der Nieuwe Gids-richting had leeren kennen, begon ik haar verval in te zien en hoe dat voortging, toen met de Nieuwe Reeks van het tijdschrift iedereen van een herleving sprak. Voor zoover ik zag in couranten en bladen; want ik kende (ik woonde eerst in Leiden en daarna in Harderwijk) geen enkelen "artist."
In 1896 verliet ik de Registratie—het kantoorwerk werd mij te machtig—voor de Letteren, en ik begon met de daartoe noodzakelijke studie van het Latijn en Grieksch; op dien leeftijd heeft men zoowel aan de klare logica, van het Latijn vooral, als aan de beide litteraturen, veel meer dan als schoolknaap. En de geest der Ouden kon niet nalaten, indruk op mij te maken.
U begrijpt al lang, dat er overigens, op mijn achttiende jaar, nog weinig sprake was van "wijsgeerige of aesthetische ideeën" (religieuze misschien wel, ik was met heel mijn hart orthodox,—de noodige dichterlijke vrijheid inbegrepen) of van een "uitgesproken meening over de maatschappelijke, sociologische roeping of rol van den kunstenaar."—Ik had de vage gedachte, dat de kunst de menschen gelukkig moest maken, zooals ze mij gelukkig maakte, en ik ondervond bitterlijk dat iedereen den draak stak met wat ik mooi vond. Als ik op mijn kamer verzen voorlas aan geduldige vrinden, sprak mijn vader beneden van "jammeren." Ik voelde het pijnlijke van het conflict, maar ik zag geen oplossing—tenzij de vage hoop, dat later tijden harmonischer zouden zijn; en in die hoop begon ik toen al gauw het socialisme te betrekken.
In 1898—ik was twintig jaar—had Eduard Thorn Prikker (onder den naam van Eduard Verburgh) "De Arbeid" gesticht. Het tijdschrift werd algemeen bespot. Maar ik vond, dat hij groot gelijk had, dat het uit was met de "Nieuwe Gids", en ik schreef in "De Kunstwereld" (heette dat blad niet zoo?) een groot artikel over "De Arbeid." Het was een der eerste opstellen, die ik heb gepubliceerd.
Al gauw was ik aan "De Arbeid" medewerker. Samen met Prikker schreef ik het tijdschrift vol. Maar wij hadden ook alweer, juist als de Nieuwe Gidsers, alleen de reactie gemeen. Op enkele technische bezwaren na, had ik aanvankelijkin beginselop de "Nieuwe Gids" niet zooveel tegen; ik zag alleen, dat enkele hoofdmannen ervan zwegen, anderen achteruitgingen, Kloos vooral, en mijn hartstochtelijke liefde voor de machtige verzen uit diens grooten tijd, dreef mij er toe, even hartstochtelijk hen te bestrijden, die, met een weeë vereering ook van zijn latere bombastische Adoratie's, mij toeschenen, de Schoonheid-zelve te schennen. Overigens sloot ik mij niet voor wat er nog goeds kon komen uit dien hoek, en ik zou blij geweest zijn, op een dag nog weer het oude mooi terug te vinden. Van Van Deijssel en Verwey (ondanks alles wat ik tègen hen had) bleef ik altijd een bewonderaar; Van Looy leerde ik eerst later ten volle waardeeren.
Prikker daarentegen stond diametraal tegenover het beginsel-zelf van "de Nieuwe Gids". Hij hoopte niets liever dan de heele bent "in compagnie naar de haaien" te zien gaan. Er was in die houding, in zijn cynisme ook tegen alle verheven edelaardigheden ontegenzeggelijk de noodige blague,—maar hij was onderwijl een drommels oorspronkelijke jongen, met een echt natuur-talent. Hoe dat—althans voorloopig, hij is nog jong—niet tot zijn recht is gekomen, wil ik nu niet nagaan. Maar hij had toch maar op zijn eentje uitgevonden, dat proza niet allereerst moest zijn "het fel-rake woord," doch de stroomende volzin en de periode,—en hij bracht die beginsels op boeiende wijze in praktijk. Hij had eigen denkbeelden over schilderkunst en bouwkunst en sierkunst, die dikwijls later als de juiste zijn erkend. Het is waar, hij leefde te midden van allerlei geestelijke en artistieke stroomingen in Den Haag; naast hem was ik zoo groen als gras; maar zeker is, dat ik heel wat van hem heb geleerd.
Prikker was ook sociaal-democraat, aangesloten bij de S.D.A.P.Ikhad zoo maar godsdienstig-philosophische en socialistische ideeën op eigen houtje. Op een avond zei hij opeens: "je hebt de typische kop van een anarchist." En toen mij dat scheen te vleien: "ik bedoel, een anarchist is eigenlijk het type van een bourgeois…."
Inderdaad, ik was een anarchist! Eenigen tijd later hoorde ik van Walden, ik las de beide brochures van Van Eeden; ik was overtuigd. Van Eeden was mijn profeet, Walden mijn ideaal. Ik toog erheen, en mijn geestdrift werd noch van streek gebracht door het vrijwel cynisch gezelschap, dat ik daar ordeloos en tuchtloos leven vond op het akelig-holle Kruisberg, nòch door de koude douche van Van Eeden, wien ik heel naïef vragen kwam, welke boeken ik lezen moest, om mij nader in de dingen van den heilstaat te bekwamen!
Als ik denk, hoe extra-bespottelijk ik mij daar op Walden maakte!—En toch, in het winteravondrood achter de sparreboschjes van Walden heb ik het onuitsprekelijk geluk gekend van de zékerheid eener betere toekomst.
Vaag waren mijn socialistische ideeën, maar zij lééfden ten minste. Ik leefde op mijn gevoel. En, wat onze letterkunde aanging, zoo gevoelde ik hoe langer hoe duidelijker, dat de tachtiger-kunst doodliep.—Ik zag wat er verscheen: een poëet als Van 't Hoog was een "datum" in de Nieuwe Gids-poëzie…. Was er uit onze burgerklassen, verdord door een eeuwenlange, steeds meer uitdrogende "beschaving," nog ooit (althands in poëzie, dat gevoeligste voertuig der ziel) een jonge, bloeiende kunst te verwachten?—Ik maakte zelf ook verzen, en met hartstocht. Waarom zou die wet voor mij niet opgaan? Ik aanvaardde haar, met de hoop misschien, een uitzondering op den regel te zullen blijken. In 't algemeen geloofde ik, desnoods ook met wegcijfering van eigen dichter-toekomst, dat de groote nieuwe poëzie uit het ontwakende volk-zelf zou moeten ontstaan.
En nòg, na vijftien jaar, vraag ik mij af…. Ten minste, ik zie wel dat onze welvarende poëtrije, die in Verwey haar Meester erkent, maar weinigen bereikt, omdat zij niet áánspreekt, niet open tot het hart spreekt, te zeer ver-kunstis.—En zelfs Adama v. Scheltema, die begaafde en oorspronkelijke zanger, van wien ik zelf de inluider ben geweest,—zijne verzen zijn eigenlijk nog maar het (zeer verdienstelijk en soms waarlijk héél mooi) plaatsvervangendkunst-product, voor de echtenatuur-poëzie, waarnaar Holland wacht, om in woorden en rhythmen en voorstellingen die heel een volk bezielen kunnen, zichzelf te vinden en een eenheid te worden.
Uit het ontwakend volk-zelf verwacht ik dus de nieuwe zangen?—Maar ons volk is van aard reeds nuchter en zoolang het ontwaakt bij de wiskunstige stralen van het Marxisme, zal het er, vrees ik, niet minder nuchter op worden…. Wij moeten geduld hebben, en veel meer dan het oude, vage vergezicht schiet er niet over.
De poëzie blijft voorloopig een troost en een verpoozing voor eenzame enkelingen—"een gave van weinigen voor weinigen"—en zal pas weer opstaanals een levende factor der samenleving, als een ding met cultuurwaarde, in een verjongde wereld.
Erkantoch altijd een groote dichter opstaan, meent gij?—-Zaler een groote dichter opstaan, in een wereld, die naar geen dichters omziet?
Aan het proza echter, in het bizonder aan den roman, staat dagelijks een breede taak te vervullen.
Heijermans heeft u gezegd, dat alleen die kunstenaar van eenroepingmocht spreken, die een welomschreven maatschappelijke overtuiging had en, vanuit die overtuiging, overtuigend aan het schrijven ging. Hij zou respect hebben voor een katholiek, voor een calvinist, die aldus op de verovering der wereld uittrok. Hij voor zich voelde het als zijn roeping, zijn plicht, te strijden voor het proletariaat, met zijne uitbeeldingen van den klassenstrijd. Maar zulk een calvinist, of zulk een katholiek, wàs er niet; en buiten de sociaal-democraten had geen enkel Nederlandsch schrijver een roeping, omdat zij geen roeping kònden hebben. Dies had hij de heele rommelzoo dier roepinglooze auteurs uit zijn boekenkast gegooid.
Ik zou niet durven zeggen, dat ik het onvriendelijk vind, want ìk hèb hier niet eens een boekenkast, en jaarlijks gaan er wichtige kistjes Hollandsche romans naar het lieve vaderland retour. Voor als wij weer eens een eigen huis gaan betrekken en wij hadden het geluk, in dat huis een zolder te bezitten, hebben wij het geheime plan, daar groote kasten te improviseeren en in die kasten èrg veel Hollandsche bellettrie te bergen. Ik mag dus niet zeggen, dat ik Heijermans onvriendelijk heb gevonden. Maar wel onverstandig. Want al spreekt het vanzelf, dat een klein land als het onze, hoe schrijfgraag ook, niet bij dozijnen de groote talenten voortbrengt,—daarmee is toch niet uitgemaakt, dat er geen roeping mogelijk is buiten de roeping van hen, die naar een zeker stelsel demaatschappijhervormen willen.
Integendeel, zou ik zeggen. Ongetwijfeld zal een rechtvaardiger wereld, met minder oeconomische en zedelijke misstanden, de menschheid meer gelegenheid geven, wat geluk te bemachtigen. De gunstige of minder gunstige omstandighedenvan buitenhebben zeker eenigen invloed op het innerlijk van den mensch. Maar toch komt het mij voor, dat de sociaal-democraten wat al te véél verwachten van die uiterlijke omstandigheden en te weinig letten op het arme, verharde innerlijk der lijdende menschheid, dat door géén uiterlijke omstandigheden diep-in te wijzigen is.
Zoolang de tijden van strijd daar zijn (en hoe min gevorderd de strijd, hoe méér) zien begeesterden als Gorter en Roland Holst om zich heen of in hun verbeelding, hoe andere begeesterden-voor-het-Ideaal schóón worden en rein in zijn gloed.—Doch dit heeft niets te maken metde inwerking van betere toestanden op de massa. En zoolang de kleinzielige menschenkinderen niet geleerd hebben, met ruimte en met begripelkanderaan te zien, te beoordeelen, te verdragen,—zoolang is er voor de menschheid geen werkelijk geluk weggelegd. Het geldt hier niet de ontwikkeling van het intellect, doch de ontwikkeling van het gemoed.
En ziehier de overoude en onverouderbare roeping van den epischen en den dramatischen dichter, dat is, voor onzen tijd, van den romanschrijver en van den tooneelschrijver.
De roeping van den romanschrijver is, dringender dan ooit, (zijn kunnen zij groot of beperkt): de menschheid aan zichzelve te onthullen, zichzelve te doen verstaan.
Een beroemd socialistisch auteur, wiens werk men het allerminst aan zou zien!—wie het was, doet er niet toe, geen Hollander—bekende mij eens, de tegenwoordige menschheid te haten; hij vond haar leelijk en enkel afkeerwekkend. En dat is ook niet buiten de sociaal-democratische lijn; het is geen quaestie van sentimenteele armenzorg, zeggen zij, maar van Recht.
Zeer juist; doch het lijkt mij geen gunstige praedispositie voor het verstaan en doen verstaan dezer leelijke menschheid, haar slechts hatend te schuwen. Men kan die leelijke menschheid, in al haar klassen en soorten, ook liefhebben.
En ziehier mijn overtuiging: dat de menschheid wel vooruit te brengen is door het Recht, doch alleen te redden en gelukkig te maken door de Liefde.
Van die liefde zal de kunst éen der instrumenten zijn.
In dien jeugd-tijd van Walden en van "De Arbeid" was mijn hoogste droom, ééns te worden "de zanger aller menschenzielen" (het zijn de laatste woorden van mijn Voorhal),—nu is (ik sta niet meer alleen) ons beider beste gedachte, te pogen, de leelijke, de arme dwaze kinderen onder de menschen, zoo goed als de lieve en de goedwillige, te begrijpen, en te dóen begrijpen, door hen, innerlijk verklaard, te laten herleven in onze boeken.—Denk vooral niet, dat wij, 't geenwijdaarin tot nog toe gedaan hebben, overschatten; wij staan nog in het begin van onze loopbaan en wij betalen nog leergeld met ieder boek. Maar onder al onze fouten voelen wij, ongeschokt, waar wij heen willen.
Men heeft ons verweten, voorkeurloos, en gelijk-op met hun omgeving, verzamelingen van menschen uit te beelden, aldus leverend een naturalisme op zijn smalst, of wel: een litteraire film.—Het is een uitgebreid misverstand, waartoe—dat neem ik graag aan—sommigeuiterlijkeeigenaardigheden aanleiding hebben gegeven. Het is zeker waar, dat er in onze boeken somsteveel beschreven werd. Het naturalisme had ons er aan gewend,alleste zien, niets onvermeld te laten, en zelfs het onbeschrijfbare te beschrijven. Zonder dit te bedoelen, kan men zooiets "uit zijn litteraire afkomst houden." Wat een aanwensel, een overblijfsel was, heeft men verkeerdelijk voor denaardvan ons werk aangezien.—Er zijn bovendien enkele soorten van beschrijving, die altijd goed en noodig zullen blijven; de stemming gevende (doch zij zal, hoe langer hoe meer, liever suggereeren dan in bizonderheden treden) en de enkelpsychologische, die juist in bizonderheden treedt, van een interieur bijv., om den bewoner ervan te doen kennen. Een criticus—het was geloof ik Querido—zei eens van zekere beschrijving van ons, dat zij stemmingloos was … waar het volstrekt niet om stemming was te doen! De opgenoemde voorwerpen even te "omdompelen in goudgloed" ware niet zoo heel moeilijk, maar wel fout geweest; het gold een opsomming van voorwerpen, welke, met een nauw merkbaar lachje, de eigenaardigheden der bezitster moest te verstaan geven.
Doch dat wij geen felle voorkeur hebben voor onze personen, dat pleit, dunkt mij, enkel vóór ons. Als er ééne verdienste is, bijv. in ons "Huis vol Menschen," dan is het de geestes-houding der schijvers, die al deze menschen uit dat huis met een gelijke genegenheid aanzien. Scherp wordt, om iets te noemen, Aristide's egoïsme ontleed, doch de laatste maal dat men hem ziet, het is wanneer Célestin hem vindt, in slaap gevallen bij een kaars, en ontroert over zijn argelooze jeugd, zooals hij daar slapend ligt, en stilletjes weer weggaat. Deze en dergelijke dingen vind ik zelf, nu op een afstand van meer dan vijf jaren, het beste in "Een Huis vol Menschen."
"Sprotje" kenmerkt dezelfde eigenschap. Sprotje lijdt niet door de schuld der anderen. Haar moeder is een beste vrouw, haar zusters hebben het wel goed met haar voor, Juffrouw Jonkers en de armetierige "Mevrouw" kunnen het al evenmin helpen. Sprotje lijdt—omdat het in de wereld zoo is, en omdat zij-zelf zoo is als zij is.
"Sprotje" is eigenlijk een zuiver historisch-materialistisch werkje, maar het is zuiverder dan het waarschijnlijk zijn zou, indien een historisch-materialistisch schrijver het geschreven had, omdat het geheel zondertendenzis.
Zoo is ook—één criticus, de vaak diep-gaande Van Campen heeft het opgemerkt—"De Vreemde Heerschers" een zuiver-socialistische roman,—zonder dat het dit zoozeer bedoelde te wezen. Maar wij leven in de tegenwoordige wereld, wij buigen ons aandachtig over die wereld heen, en wij beelden haar uit zooals wij zien dat zij is. En waar zij bewogen wordt door kapitalistische drijfveeren, daar openbaren die zich in ons werk.
Evenwel, wij hebben geen vooropgezette voorkeur voor de verschillende partijen, voor demenschen, en wij bestudeeren gelijkelijk de deugden en de ondeugden van de Contessa Margherita, van de verschillende priester-typen en van de bevolking der beide bergdorpen.
Mijn critisch werk ontslaat mij van de beantwoording van verscheidene uwer vragen. Daarin vindt gij, beter dan ik het hier in een paar woorden zeggen kan, mijn antwoord; en zoo het nagaan van meer dan tien "Gids"-jaargangen wat veel gevergd is, dan verwijs ik u naar "De Krachten der Toekomst." Die nemen bijv. wanneer gij vraagt "hoe mijn standpunt ten opzichte van de Nieuwe Gids-strooming zich in den loop der jaren gewijzigd heeft," het antwoord over, waar deze brief u bij mijn medewerking aan "De Arbeid" in den steek laat. (Zie o.a. het opstel "Dichters van drie Geslachten" 1905, en vooral laatstelijk, mijn opstel "De Roeping onzer Dichtkunst (Natuur en Kunst in de Poëzie)" in "De Gids" van Mei 1913.)
Bij eenalgemeenekenschets van de Nieuwe Gids-beweging (zooals gij mij vraagt—ik kan niet ontkennen, dat het onderwerp mij ietwat vermoeit, ik zou liever over andere dingen spreken) bij eenalgemeenekenschets, zeg ik, kan men nooit heeldiepgaan, omdat dan altijd een of meer persoonlijkheden dier beweging, die er zoo wijd-verscheidene omsloot, buiten onze beschouwing geraken.
Doch dít is de hoofdzaak, sinds lange jaren door mij en vele anderen voor waar gehouden: dat deze beweging, na hetbanaal-algemeene van de kunst vóór haar, het zocht in het individueele. De trotsch en de hoogheid van dat individueele was het wat ons in onze jeugd, bij de schoonste dier individualiteiten, Kloos, Van Deyssel en Gorter, betooverde. Toen dat individualisme opsteigerde tot toppen, die boven de stijgkracht weken van de taal, is het, juist bij de geniaalsten onder hen, in gruizelementen ineengestort.
Als zij zich weer oprichtten, was Kloos verbijsterd, Gorter stamelde onnoozel proza; Van Deyssel had een nieuw schrijversleven te beginnen. Van Eeden was maar in enkele werken na "De kleine Johannes" met de eigenaardigheden der richting meegesleept. Maar alle de anderen, voor zoover zij zich herstelden, hebben behouden uit hun jeugd (de prachtige Van Looy niet uitgezonderd):—een voorkeur voor het afwijkende en ongehoorde, een voorliefde zelfs voor het duistere, en een anarchistische willekeur.
Wij jongeren daarentegen (die na ons komen, mogen uitmaken, in welke opzichten wij onderdoen voor onze voorgangers) begeeren in zoo zuiver en beheerscht mogelijk Hollandsch zoo klaar mogelijk te zeggen wat wij te zeggen hebben.[6]
De Nieuwe Gidsers gaven er niet om, of zij al dan niet begrepen werden, zij hadden lak aan "het publiek,"—wij zijn tot de menschheid weergekeerd, waartoe wij wenschen te behooren, met wie wij wenschen te leven om haar te begrijpen en wederkeerig door haar begrepen te worden. En worden wij eens niet begrepen, dan vinden wij dat niet zoo tragisch, omdat wij gereedelijk aannemen, dat het dan wel aan ons zal liggen … en aan onze "afkomst."
"Hoe zieker zenuwen, hoe beter kunst"—is dus een echte Nieuwe Gids-gedachte. De uitslag heeft de onjuistheid ervan aangetoond. Er is uit de overspannen sensitivisten ten slotte een onleesbare wankunst voortgekomen.
Dus: "hoe gezonder zenuwen, hoe beter kunst?" Dat zou ik evenmin willen zeggen, want wat ik voor juist houd is: "hoegevoeligerzenuwen, hoe beter kunst," en gevoelige zenuwen, al zijn zij gezond (en zeker, dat moeten zij, wil er blijvende kunst ontstaan, wel wezen), zullen altijd licht-vatbaar blijken….
Overigens weet ik bij ondervinding, dat stoornissen in het zenuwgestel een tijdlang bevorderlijk kunnen zijn voor de kunst-productie. Ik had vroeger periodiek asthma-aanvallen; ik was gedwongen daarvoor verdoovende geneesmiddelen te nemen; het vrijkomen uit die verdooving en de beterschap was een verrukkelijke gewaarwording. Het gaf een soort martelende en heerlijke eb-en-vloed in mijn leven, die zeer "stemmingvol" was….
Toen de kwaal genas, miste ik dien eb-en-vloed terdeeg. Er was iets leegs in die egale gezondheid. Nu na jaren het evenwicht zich hersteld heeft, verlang ik heusch niet naar mijn eb-en-vloed terug….
——En nu wilt u weten, welke rol documenteele studie en verbeelding in ons werk hebben?[7]
De documenteelestudiebepaalt zich tot:leven. Wij leven, wij leiden ons leven en wij ondergaan het leven, gevoelig blijkbaar voor indrukken. Bij dat leven denken wij zelden of nooit aan schrijven. Een enkele maal teekenen wij wel eens iets op, dat wij curieus vinden en "om te vergeten"…. Juist die dingen gebruiken wij vaak niet.
Nu gaan wij aan het werk, met als archief: onze herinnering. Maar vlak-af copieeren doen wij die nimmer. Op zijn minst wordt de werkelijkheid onzer herinnering totaal verfantaseerd en gecomponeerd tot een nieuw geheel. Het gebeurt ons niet zelden, dat wij er niet meer in slagen, ons de werkelijkheid zelve, die tot een schepping aanleiding gaf, nauwkeurig te binnen te brengen.—Portrettenkomen in ons werk weinig voor; komen zij voor, dan betreft het hoogstens deuiterlijkeverschijning eener bijfiguur, die wij opeens vóór ons zien.
Zoo "Een Huis vol Menschen"; zoo "De Vreemde Heerschers." Een jonge schilder, van wien uiterlijk Aristide wat heeft, zijn wij eens tegengekomen, in de huisgang, met een meisje, dat wij voor een grisettetje hielden. Een juffrouw, die pastoorshoeden verkocht, zagen wij in haar "magasin," toen wij haar appartement wenschten te huren. En een oud, lief dametje, dat blijkbaar in ons huis woonde, vroeg mij tweemaal op straat, hoe het met mijn vrouw ging, zij had iets van ziekte bij den conciërge gehoord…. Hoe zij heette, wie zij was, of op welke étage zij woonde, weten wij niet, en Jozette zal zij wel nooit hebben gekend. Van Célestin is alleen de karbonkel op zijn muts authentiek.
Van die menschen, over wie wij verder ook niet meer dachten of spraken vóór wij het plan opvatten van dat boek, wisten wij dus al heel weinig af; één indruk hunner persoonlijkheid; verder zijn zij geheel creaties. En bij dat creëeren, uit allerlei onvermoede verten van uw leven, komen dan verwonderlijk en vanzelf de tallooze trekken op u af, die gij noodig hebt.
Maar "Sprotje" islouterverbeelding. De figuren leven zóó innig, nietwaar, dat ik u eerlijk moet zeggen, mij niet meer te kunnen voorstellen, dat zij niet werkelijk bestaan.
En toch heeft de schrijfster ze geen van alle gekend. Voor de voornaamste figuren, Sprotje zelf, de moeder, de zusters, Hein, Juffrouw Jonkers, zou zij zelfs niet zekere prototypen, tenzij hetalgemeenemenschentype, kunnen aanwijzen. Slechts voor enkele bijfiguren stonden haar een paar gekende menschen soms een oogenblik voor den geest.
En aan die waarachtige algemeen-menschelijkheid, aan dat geschapen-zijn uit de diepte der menschheid zelve, dankt "Sprotje" ongetwijfeld de door ieder erkende zeldzame qualiteiten, waarover de echtgenoot der schrijfster dus zeker niet zedig hoeft te doen.
Uw vraag ten slotte: wat ik denk van de kunst in een eventueel socialistische toekomst "waarin economische en daarvan min of meer afhankelijke zedelijke conflicten werden vermeden,"—die heb ik eigenlijk al beantwoord. Er zal kunst zijn, zoolang er menschen zijn; en werden die menschen engelen,—dan denk ik aan hetgeen die lieve Franciscaner zei, die met mij voor een schilderij van Raphaël stond: "En hòe zal hij niet schilderen, nu dat hij in den Hemel is!"
Ik hoop, waarde heer d'Oliveira, u naar wensen te hebben ingelicht, zonder al te langdradig te worden. Geloof mij, met onderscheiding, uw dienstvaardige
Bijdragen in "Amsterdammer", "Arbeid", "Kroniek," "Spectator" en "De Gids". In dit laatste tijdschrift, sedert 1903, aanvankelijk in samenwerking met M. Scharten-Antink, het "Overzicht der Nederlandsche Letteren"—Voorhal (Verzen) (1901)—Guido Gezelle (1902)—De Krachten der Toekomst (1909)—Het Spelling-vraagstuk (1911)—Het wezen en de zending der letterkundigkritiek. (1913).
In samenwerking met M. Scharten-Antink: Een Huis vol Menschen, verhaaluit het Parijsche leven (1908)—De Vreemde Heerschers, verhaal van deItaliaansche meren (1911)—Julie Simon, de levensroman van R.C.Bakhuizen v.d. Brink (1914).
Vertalingen:
Jules Renard, Natuurlijke Historietjes (1909) In samenwerking met M.Scharten-Antink: Honoré de Balzac: Het gevloekte kind (1906)
[6] Even opmerkenswaardig als verklaarbaar is, dat degenen onder de jongeren, die het meest over hebben van de anarchistische exuberantie der Nieuwegidsers, de Joodsche schrijvers zijn, die, van den anderen kant, aan de "Nieuwe Gids" en diens zich-opsluiten-in-zich-zelf geheel zijn ontgroeid, menschenscheppers als zij bij uitstek werden: Querido, en Heijermans in zijn Diamantstad.
[7] Ons laatste,historische, werk "Julie Simon", blijft natuurlijk buiten de volgende mededeelingen.
[Illustratie: Foto Koene & Büttinghausen ADAMA VAN SCHELTEMA(Amsterdamsche periode)]
[Illustratie: ADAMA VAN SCHELTEMA]
(* 1877)
Wie de leidende personen van ons nationaal geestelijk leven opzoekt, leert daardoor tevens ons land in zijn meest karakteristieke plekken kennen. Hij raakt zoo vertrouwd ook met de omgeving van denkers en kunstenaars, dat hij verband en overeenstemming gaat bespeuren tusschen man en woonplaats; niet alsof het milieu den man en zijn denkwijze gemaakt had', maar aldus, dat de man na lang zwerven een zoo passende woonplaats heeft gevonden, dat hij er uit schijnt te groeien.
Ditmaal voerde mijn weg, van het doodsche asfalt, door stekelig electriek beschenen, onzer eerste koopstad, langs bosch- en duinrand naar de jonge kunstenaarskolonie Bergen.
In deze streek, zoo bevallig door Hildebrand geteekend, hebben de dorpers blijkbaar nog niet begrepen dat die stadsmenschen tòch wel komen, en, misschien ook wel in verband met het sòort stadsmenschen dat er komt, hebben ze, heel anders dan de Zandvoorters bijv., een bijna kinderlijke beleefdheid, een natuurlijke welgemanierdheid bewaard, welke herinnert aan de landlieden, door de dichters uit de Engelsche meeren-school bezongen. Ze detoneeren niet in de mooie natuur. Men kan zich ongestoord aan zijn stemming overgeven, en aan die eigenaardige stilte, die door de nabijheid van de wijde zee veroorzaakt wordt—ook al ontmoet men nu en dan een afgezwoegden, schonkigen dorpeling.
—Hier, op de grens tusschen ons vette akker- en weiland en onze hoogste duinen, waar men, ver van Amsterdam, toch iets van Amsterdam's beste essence meent te proeven, heeft Adama van Scheltema zich onlangs neergezet in zijn huisje genaamd "De Windroos".
En als men in het portiek staat, naast de bakken met vroolijk-decoratieve geraniums, leest men, voordat men de deurverderopenduwt, het opschrift:
Ik zie naar ieder windOp elke verre kustDoch in mij zelve vindtGij aller streken rust.
een fiere uitspraak, die den dichter welke haar vormde op karakteristieke wijze eert.
Het lage huisje, onder zijn hooge roode dak, ligt verscholen achter een boschje jong eikenhout, waarin men een toegangslaan heeft uitgehakt, iets ter zijde van den hoofdweg. Er achter een weiland, dat tegen de duinhelling verloopt, met veel bloemen, de eigenaardige flora van die streken: naast de schimmig-armoedige witte klaver, de welgedane roode klaver; naast de stijlige purpur-bloeiende bastaard-wederik, de thijm; naast witte koekoeksbloem, de gele honing-klavers met hun doordringenden geur van versch gesneden gras. Waar de duinen beginnen, staat de forsche boer met donkeren ringbaard, die mij zooeven vriendelijk groetend den weg wees, in de stralen van de dalende zon bedaard zijn hooi te keeren. En om hem heen dartelt een wit paard, lezer, een paard dat zich heelemaal vrij voelt en, naar ik verneem, bijna nooit werkt. Zijn lange witte manen en zijn lange witte staart wapperen hem na, terwijl het in wijde sprongen over de vlakte giert en zijn lenige flanken schudt om toch maar vooral zijn vroolijkheid te uiten. We zien dit alles, geleund aan een van de hooggeplaatste vensterkens van Scheltema's "werkhok", en zijn toen overeengekomen, dit beest een "gepensioneerd paard" te noemen.
Dit is niet maar een losse aardigheid van me, o lezer: Ik beweer dat ge het volgende maar half begrijpt, als ge u niet telkens dit gepensioneerde witte paard poogt voor oogen te stellen, zooals het dien avond zorgeloos wentelde en sprong door de zomersche scheemring. Is niet in de woorden van dezen dichter, ook als hij de ellende van het menschenleven meet, een zorgelooze blijmoedigheid als van dit vrije paard, dat ver van de menschen woont?
Adama van Scheltema is een breedgeschouderde, nogal gezette en blozende kerel met een wilden Sudermann-baard. Hij is zeer donker van haar en oogopslag. Hij beweegt zich langzaam en toch vrij. Zijn vrouw is heel rank en heel blond en zweeft meer dan ze loopt.
Men leest in zijn blik dat hij veel van de waereld heeft gezien en toch ook groote bescheidenheid, om niet te zeggen bedeesdheid. Hij spreekt nogal moeilijk en houdt u toch gespannen. Zijn woorden komen traag; daarentegen houdt hij, ondanks afdwalingen, aarzelingen en een zekere verstrooidheid, steeds den draad van zijn verhaal vast, zoodat ons gesprek rustig verloopt. Hij werkt ook zoo langzaam, vertelde hij mij. Men voelt terstond hoe iedere gedachte bij hem een panorama van andere gedachten wekt. Daardoor wordt hij natuurlijk wel eens afgeleid, vergeet dat hij niet alleen is, kijkt een oogenblik het verschiet in dat zich voor hem opdoet. Dit schijnt hem dan rust te geven en zichtbaar gesterkt hervat hij het gesprek.
Hetgeen ik hieronder weergeef bespraken we voor een deel in een erker van zijn woonvertrek, terwijl voor onze oogen het witte paard zijn sprongen maakte; boven hem in een wat te deftige lijst hing het ondeugend tronie van Jopie Bremer, ons aller vriend, (geschilderd door Marinus Broekman),—en dat kwam goed uit, want hij vertelde in echt-Amsterdamsche woorden van zijn Amsterdamschen tijd.[8] Later droeg zijn vrouw fluks alle lampen van het huis bijeen, en schikte ze in verschillende hoekjes, waar ze gezellige schijnsels gingen gieten, maar de kamer met zijn Italiaansche pleisterbeeldjes en gravures lieten in halfduister, waarin de gebeitste betimmeringen, de witte muren met de nog geurende rieten lambrizeering een geheimzinnig effect deden: en toen kwam het meer diepzinnig gedeelte van ons onderhoud.
Ik had hem vooraf geschreven wat ik ongeveer wilde weten, en dus kon hij aanvankelijk zonder onderbreking voortpraten:
Als gymnasiast van zeventien, achttien jaar maakte ik kennis met "De Nieuwe Gids". We leefden in een kleine club op het gymnasium als enthousiaste kleine literatoren, en we hadden een blad, waar ik ook in schreef, ons orgaan, dat eigenlijk een klein nieuwegidsje was. Maar van begin af heb ik altijd bij mijn enthousiasme voor die richting een vreeselijke leegte gevoeld, ik heb er iets in gemist, iets dat je in het leven zoekt als steun. De heele beweging berustte op een paar negaties. Een opstandigheid tegen het vroegere geslacht, die we in ons eigen leven ook sterk gevoelden, maar die je verder niets gaf dan een schralen troost boven het gymnasiale leven uit, dat ik altijd ellendig ben blijven vinden en tot op den huldigen dag heb vervloekt, zooals die verschrikkelijke kerels, die zuivere philologen uit de school van Cobet ons hebben geplaagd.
Toen ik student werd kwam ik ook weer in een klein wereldje—je blijft altijd in een klein wereldje opgesloten in je jeugdjaren, maar dan groeit je begeerte uit naar de openbaring van wat je in je hebt als jonge kunstziel.
En toen kwam de tooneeltijd.
We hadden als studenten een tooneelvereeniging, die bloeide toen nogal. Elk jaar gaven we een groote uitvoering en daar besteedden we heel veel tijd aan. Ik had veel aanleg voor het tooneel en ik speelde daar nogal groote rollen. Zoodat ik hoe langer hoe meer van tooneel ben gaan houden en tegelijkertijd bleef schrijven … als klein kind heb ik eigenlijk al geschreven.
Mijn eerste jaar was een rauw studentenjaar, maar daarna kwam een beetje de bezinning. Toen moest ik duchtig werken om al die verloren studie-uren weer in te halen. Na mijn eerste examen, daar kwam ik goddank door, het propaedeutisch in de medicijnen, begreep ik dat ik eigenlijk moest kiezen. Ik merkte wel dat als ik in de medicijnen bleef studeeren er van letterkundig werk niets zou komen … ik heb nooit kunnen begrijpen hoe Aletrino en Van Eeden dat hebben kunnen vereenigen … ze dokteren ook trouwens niet meer. Ik vind: je moet überhaupt aan één ding alles geven. Menschen die als bijgedoente schrijven, dat vind ik uit den booze.
Ik stond voor de keus en toen deed ik den grooten stap van aan het tooneel te gaan. Achteraf is het heel aardig daar eens over te praten, maar toen is het een verbazend besluit geweest. Daarna is die kwestie ook al weer veel veranderd. Je hebt nu een heeleboel jongelui, en vooral ook vrouwen, uit de betere standen, die aan het tooneel gaan, maar ik was betrekkelijk een van de eersten, die overliep uit het kamp der "fatsoenlijke wereld" naar het tooneel. Ik ben een tijdje geweest aan den troep van Van der Horst en Ternooij Apèl, en toen heb ik nog hier dicht bij, in Alkmaar, op de kermis, gedebuteerd. Ik ben er nog geen half jaar aan geweest, maar in dien tijd maak je een heeleboel door. In dien tijd stierf mijn vader, wat in mijn leven nogal verandering bracht. Toen heb ik van de heeleboel de brui gegeven en tegen me zelf gezegd: Nu moet je maken, dat je gauw een goede plaats in het burgerlijk leven krijgt, want anders loopt het mis. Mijn zenuwen konden er niet tegen, het is moordend. Je moet een stalen zenuwgestel hebben, den eenen avond in Groningen spelen en den anderen avond in Middelburg … dat heeft ten slotte met de kunst al heel weinig te maken.
Toen ben ik dan een poos in den kunsthandel geweest van Van Gogh. In dien tijd viel mijn groote ommekeer. Parallel met al die uiterlijke wisselingen in mijn leven viel mijn langzaam neigen naar het socialisme. En wat later mijn groote vijanden werden, dat waren toen juist degenen die mij ertoe gebracht hebben. Dat wil zeggen: Wat zij schreven had een grooten invloed op mij. Dat was in het eerste begin van "de partij"—dat was een heel gunstige tijd om er bij te komen, omdat alles toen nog idealistisch ging. Ook een persoonlijk vriend van me, Bonger, heeft mij er toe gebracht en dan—de figuur van Van der Goes. Er bestond toen een studentenvereeniging, S.L., die sociale lezingen hield—tegenwoordig is die in een beetje anderen vorm herrezen. Het was indertijd een zuiver socialistische vereeniging en die oefende toen een grooten invloed uit. Het was in den tijd van Gorter's bekeering, toen hij die bekende voorrede voor zijn nieuwe verzen had geschreven. Ik ging langzamerhand die dingen lezen en zoo kwam ik tot het socialisme, gedeeltelijk ook wel van den gevoelskant en gedeeltelijk door de tijdsomstandigheden … de "Nieuwe Gids" begon ook te zakken en spatte uit elkaar … de afscheiding van het Tweemaandelijksch tijdschrift was toen ook al gekomen. Ik was de leegte gaan voelen van wat mijn vroeger leven had ge-enthousiasmeerd. Ik wist ook wel dat het mij in mijn leven nooit hoûvast had gegeven. En dat heb ik altijd heel sterk gehad: de behoefte aan hoûvast. Ik vind het leven onmogelijk, wanneer je niet een overtuiging hebt, die je het leven naar een zeker bestel laat zien. Dat is voor mij, eerlijk gezegd, de grondfactor van het socialisme: het hebben van een levensbeschouwing. De menschen die komen tot het socialisme uit medelijden met de arbeiders, dat is voor mij niet het ware! Je kunt net zoo goed medelijden hebben met koningen als met arbeiders…. Neen, je moet er komen van den wetenschappelijken kant, of zeg van den theoretischen kant, wat neerkomt op een behoefte aan een wereldbeschouwing, die je bevredigt met het leven, die je het leven naar vaste lijnen leert zien. Dat is hoe langer hoe meer het socialisme voor mij geworden. Daardoor kunnen de persoonlijke dingen en wrijvingen je minder raken….
—Dit, de lezer begrijpe het wel, was een vriendelijke uitval naar mij: Ik had te voren verteld van mijn ervaringen en teleurstellingen in het socialistisch kamp. Maar ik zou dien avond toch niet gaan slapen, zonder een groote voldoening te hebben gesmaakt. Die komt nog.
Adama van Scheltema ging verder: Dat was net op het moment dat ik, in die kunstzaak, na de tooneelwereld, een tipje van het handelsleven zag. Dat was, evenals mijn tooneelleven, een geschiedenis van enkele maanden, maar toch voldoende om de wereld niet op zijn gunstigst te zien…. Ik had genoeg om te leven desnoods, op een heel bescheiden manier. Toen dacht ik: Nu is het oogenblik gekomen, dat je alles er aan moet geven en alleen voor je kunst leven. Die kunsthandel was toen een ding, waar heel weinig omging. Ik zat altijd maar te schrijven in de leege kunstzalen, waar nooit iemand kwam. Daar vóor had ik altijd proza geschreven. Maar toen mijn leven, dat zoo vol van zenuwen was geweest en vol van veranderingen en zoeken wat tot rust kwam—ik was uitgeput en ging naar buiten om wat op streek te komen,—toen is met diezelfde inkeer en verzachting van het leven, dat mij nogal geknauwd had, in mij het poëtische leven naar boven gekomen, waar ik me heelemaal aan kon geven. Toen had ik gevonden wat in mij eerst op andere wijze een uiting had gezocht.
En nu is het wel mijn geluk geweest, dat die verschillende tijdsomstandigheden samen kwamen en ik juist toen langs natuurlijken weg tot de sociaal-democratie ben gekomen. De eerste uitgave waartoe ik kwam was "Een weg van verzen", waarvoor moeilijk een natuurlijker titel zou te vinden zijn, want langs die dingen ben ik eigenlijk tot "de partij" gekomen. Ik kreeg geweldig op mijn kop, zooals dat gebeurt na een eerste uitgave. Maar ik voelde in mijn ziel, dat ik het eigenlijke gevonden had, waar het heele leven mij toe gedreven had. Mijn leven daar vóor was erg rumoerig geweest: een voortdurend zoeken en keeren, vol kinderverdriet en jongensverdriet. Van dien tijd af is mijn schrijversleven begonnen. Ik gaf mij heelemaal aan de poëzie en raakte uit de gewone wereld.
Ik zat lang buiten in de natuur en zocht de overeenstemming tusschen de natuur—of mijn natuur, wat eigenlijk op hetzelfde neerkomt—en mijn nieuwe wereldbeschouwing. Die overeenstemming is in dien eersten bundel dikwijls wel erg gezocht, wat ik bijv., ook bij Roland Holst heb gevoeld, en dat werd een moeilijk ding. Er is een tweespalt die zij haar heele leven is blijven voelen, en waar ik, geloof ik, misschien omdat ik tot een jonger geslacht behoor of misschien wel omdat ik niet zoo dweepend ben aangelegd als zij, overheen ben gegroeid. Die tweespalt is het verdriet van haar leven geworden…. Misschien ben ik niet heelemaal duidelijk geweest en het is goed dat ik dit duidelijk zeg: ik bedoel de tweespalt tusschen de socialistische levensbeschouwing en de poëzie…. De wereld is après tout in zijn geheel iets grooter dan de sociaal-democratie. Maar voor haar en Gorter is de sociaal-democratie de roode lap gebleven in hun ziel, waar ze altijd min of meer dol van zijn geworden, en dát, moet ik zeggen, is ze voor mij nooit geweest.
Je moet de sociaal-democratie een beetje kunnen zien als een strooming van dezen tijd, niet als een verzameling van ijzeren dogma's, die voor de eeuwigheid zijn en waarin je je zelf opsluit. Je moet toch een verband houden met de oneindigheid!—al is dat een groot woord. Dat is hun ramp geweest en heeft hen op den verkeerden weg gedreven. Ze willen hun kunst opsluiten in die verzameling van dogma's—dien band van dogma's willen ze om hun kunst slaan. Dat heeft mij van hen verwijderd. Dat deed mij voelen dat ze een verkeerde richting insloegen, waar ik persoonlijk hoe langer hoe scherper en hartstochtelijker tegenover ben komen te staan. Dit werd althans voor mij persoonlijk het dilemma. Ik kreeg de behoefte, mijn levensbeschouwing in overeenstemming te brengen met mijn kunst, een vast geheel daarvan op te bouwen, waarop ik mijn kunst kon vestigen. Ik geloof dat het mij ten goede is gekomen dat ik van dien kant het socialisme ben genaderd, omdat het de meer natuurlijke kant is. Ik wilde de tendenzen die uit mijn eigen ziel groeiden in overeenstemming zien met de wereld om mij heen. Wanneer ik den weg van Roland Holst volgde, voelde ik, zou ik niet tot bevrediging komen. Uit die overwegingen is toen gegroeid mijn boek "De Grondslagen", waarin ik die overtuiging heb trachten neer te leggen.
Vooral op het philosophische gedeelte daarvan zijn wel gegronde opmerkingen te maken, die ik niet zoo gemakkelijk zou kunnen beantwoorden, wanneer ik met een degelijk vak-philosoof, als ik het zoo mag noemen, in conflict kwam. De wereld is zoo groot … en je zou vele jaren van je leven moeten geven om van den zuiver wetenschappelijken kant je zoo te vervolmaken, dat je in de wereld van de vak-philosophen als overwinnaar kwam te staan … maar dat was voor mij niet de hoofdzaak … de hoofdzaak was voor mij om voor mijzelf bevrediging te zoeken….
Hij was al zachter en afgetrokkener gaan spreken, ten slotte alleen voor zichzelf, meer en meer verzonken in het geestelijk uitzicht dat zich voor hem opende. Het eindigde in een verward mompelen. Slechts enkele woorden, zonder samenhang, drongen tot mij door. Zijn bovenste vingergewrichten tegen zijn tanden, als wilde hij die knauwen, staarde hij over het ruime weiland, waar het witte paard zich rolde door het zoetgeurende, versch gemaaide gras, de hoeven trappelend in de lucht…. Eindelijk draaide hij zijn wilde knevels op en ging, mij weer aanziend, verder:
En dat werd voor mij een levens-program. Ik voelde dat dit in Holland en in het algemeen aan de sociaal-democratie ontbrak, dat ze zich alleen met het economische en politieke leven had bemoeid, en aan de kunst nog niet toe was geweest…. Dat van Morris was een beetje idealisterij en hield heel weinig verband met de grondslagen van de sociaal-democratie. Hij was heelemaal een kind van de prae-Rafaelitische, utopistische beweging.
De grondslag die ik toen voor mijn kunst heb gewonnen heb ik in mijn boek voor mijzelf, maar ook voor anderen, geloof ik, duidelijk uiteengezet. En toen ik met mezelf in het reine was, ben ik van mijn vroegere geestverwanten verder afgedreven. Die heele "Nieuwe Gids" was mij vreeselijk widrig geworden, omdat ik er heel sterk het anarchisme in voelde en het naturalisme, en dat is voor mij een onding!
Sensitivisme, naturalisme enz. zijn kinderen van één systeem, dat zich in Holland naar binnen keerde en naturalisme van de eigen ziel werd, de momentopname van het eigen ziel-gebeuren, zooals Gorter in zijn "Verzen" heeft gegeven, dat je met een grooten zwaai terug kunt brengen tot het naturalisme van Zola, het "document humain". Dat voel ik om zoo te zeggen als anti-kunst, omdat er zoo weinig opbouwends zit in de wetenschappelijke ontleding als kunstbeginsel—dat onechte kind van de rationalistische wetenschap. Ik ontken heelemaal niet dat er groote dingen in geschapen zijn, en ik heb vurig gehouden van "L'éducation sentimentale", dat ik als standaardwerk van naturalisme kan aanhalen. Maar ik vind het eigenlijk, evenals "Madame Bovary", het meest onartistieke dat je kunt hebben. Ik voel heel scherp dat de toekomstige samenleving dien kant niet uit kan gaan en zich daarvan los moet maken. Het heele naturalisme berust op het op zich laten inwerken van het leven, maar niet omgekeerd: het inwerken op het leven door den kunstenaar zelf. Het heeft nooit synthetisch kunnen wezen, het naturalisme en alles wat er een kind van is. En de sociaal-democratie wil worden de synthese van het leven en de nieuwe gemeenschap.De kunst die daaruit moet geboren worden kan nooit een kunst zijn, die ontledend is, maar moet een kunst zijn die opbouwend is, een nieuwen stijl schept … "een gestyleerd brok van het universum", zooals ik in mijn "Grondslagen" heb gezegd.
En nu werd in engeren zin in mijn lyriek het gedicht datgene, waar zoowel bedoeling als techniek een groote rol in speelt, in dien zin dat beide erop gericht zijn, om naar andere menschen te gaan. Daar heeft over het algemeen de naturalistische en sensitivistische kunst nooit aan gedacht…. U begrijpt wel, de theorie volgt in zeker opzicht den aanleg en de practijk. Ik theoretiseer dat nu zoo, maar après tout was in mij een sterke, natuurlijke aanleg in die richting om te bereiken wat ik theoretisch omschrijf als bereikt te moeten worden. En ik heb in zeker zin in mijn lyriek practisch bewezen, dat ik dit bereikt heb. Het is mij altijd bewust geweest dat ik wilde bereiken het verband tusschen mensen en mensch, waar de tachtigers van afgedreven zijn. Als element dat mij daartoe gebracht heeft neem ik aan een sterk sociaal voelen voor mijn medemenschen. Ik geloof ook dat het taal-element daar een groote rol bij gespeeld heeft: het door en door Hollandsche van mijn taalgevoel.
—Hier moest ik den verteller even onderbreken. De lezer moet weten dat ik pas een bezoek had gebracht aan een paar socialistische dichters in het Gooi en daar te hooren had gekregen dat ik, niet op hun standpunt staande, hun meeningen toch niet zou begrijpen, zelfs niet objectief zou kunnen wêergeven. Het had mij den heelen avond al verheugd, dézen socialist opinies te hooren uiten, die ik volkomen kon onderschrijven, en anderzijds bij hem steun te vinden voor mijn eigen opvattingen —waarvan ik in alle bescheidenheid meen, dat ze het socialisme achter den rug hebben. Maar nu werd het mij … ja, mag ik het zeggen … een beetje al te bont. Deze socialistische dichter deelt mij mede dat zijn werk er op is ingericht om te spreken van mensch tot mensch en de woorden "klassenstrijd", "klassenkunst", "bourgeoisie" … zou hij ze misschien inderhaast vergeten? Het is te mooi om het te gelooven.