Ik zet mijn onschuldigste gezicht en vraag of ik het goed heb begrepen, of hij niet sterk het gevoel heeft, dat de lieden uit de bezittende klasse toch niets van zijn kunst zullen snappen? of hij nu werkelijk meent voor het geheele Nederlandsche publiek te schrijven, of alleen voor het proletariaat?
—"Zooveel mogelijk voor het geheele Nederlandsche volk" antwoordt hij mij. Dit woordje "volk", lezer, is een welverdiende terechtwijzing aan mijn adres. Ik had van "publiek" gesproken. Hierdoor geraakte ik in de aandachtige stemming, die noodig is om het volgende geheel tot zijn recht te doen komen:
—In preciese tegenstelling tot Kloos' formuleering van de tachtigers: "een gedicht is de individueelste expressie van de individueelste gevoelens"—formuleerde ik in mijn "Grondslagen": "een gedicht moet zijn een muziekstuk van woorden en gedachten, dat door zooveel mogelijk onzer medemenschen kan worden gevoeld en begrepen." Hetgeen niet wegneemt, dat men natuurlijk zijn poëzie ten slotte van uit een bepaalde levensbeschouwing, in dit geval de sociaal-democratische, componeert.—Zoo zal ik wel eens den eenen mensch niet geheel bereiken, ook wel eens den anderen—ook wel eens de eene klasse, ook wel eens de andere klasse—we leven nu eenmaal "op de kentering der tijden"—maar inplaats van daarover eeuwig persoonlijk te lamenteeren als mevr. Holstacht ik dat—althans meestal—iets moois en gelukkigs….
Het klinkt wel ijdel, maar ik mag toch zeggen, dat ik weer het publiek om zoo te zeggen bereikt heb,—met mijn lyriek althans. De zwaardere dingen, dat moet ik toegeven, worden niet zooveel gelezen. Dat heeft mij gespeten—dat datgene, wat langzamerhand is geworden de diepere grond, waarin ik mijn levensinzicht wilde uiten, "Levende steden" o.a., niet zoozeer het publiek bereikt heeft. Het hoofdwerk "Amsterdam", dat ik zelf als mijn beste werk beschouw, is betrekkelijk weinig bekend geworden….
In "Amsterdam" heb ik gezocht naar de oplossing van ethische vragen,—want een van mijn eerste pogingen, voor mij van groot belang, is geweest in de sociaal-democratie te vinden den ethischen kant. U spreekt van zwakke punten en van persoonlijke aanraking, die teleurstelling geeft, maar voor mij is het allerbelangrijkste vraagstuk, dat ik nooit heb kunnen oplossen, dat de sociaal-democratie geen ethiek heeft, absoluut geen ethische grondslagen heeft. Zij geeft geen antwoord op die honderd vragen, die in den mensch opkomen, vragen van leven en moraal, de eeuwige vraag van goed en slecht, die zich in duizenderlei nuance door het leven voordoet. Wat de toekomst hierin zal brengen, hoe die nieuwe moraal groeien moet, dat vind ik voor den literairen kunstenaar een van de belangrijkste vraagstukken die het socialisme brengt. Aan de oplossing van dit vraagstuk zal m.i. het drama moeten arbeiden, en dat moet voor den socialistischen kunstenaar de gang zijn die hij het liefst gaat: hij moet trachten het nieuwe drama als zoodanig te bereiken. In de "Grondslagen" heb ik op het laatst de naïve fout begaan, te zeggen dat ik daarheen wôu. Je moet eigenlijk nooit een program opstellen voor de buitenwereld. In ieder geval: de elementen van dit drama heb ik zooveel mogelijk trachten te ontwikkelen in mijn "Grondslagen", niet waar? En dan kom ik tot de gevaarlijke bewering, dat het drama tendenz moet hebben. Dat staat voor mij als een paal boven water. De duizenderlei dilemma's die de moraal in dezen tijd brengt, moet het drama trachten op te lossen, het moet trachten zich daarvan te bouwen…. Ja ja, dat zijn wel gekke dingen, die we op het oogenblik bespreken—omdat je allicht het veel-omvattende zegt … maar … het zijn toch de dingen … waar altijd mijn intense belangstelling … bij is geweest…. De sociaal-democraten komen met vage algemeenheden, als "gemeenschapsgevoel" en "solidariteitsgevoel" … en daar zijn zeker mooie elementen in, maar dat geeft volstrekt geen antwoord op het wereldvraagstuk van het practisch-moreele leven—en dat geeft bijv. het katholicisme wel. Daarom staat dat zoo sterk….
Daarop moet althans het nieuwe drama gebouwd worden…. Het antwoord dat de meeste menschen op die honderd kleine practisch-moreele vragen geven, is dat van de traditioneele moraal, maar daarmede hebben wij niet het antwoord. Dat zal de toekomst brengen…. Ja, dat is zoo, men zal mij misschien kwalijk nemen, dat ik deze leemte in de sociaal-democratie zoo uitdrukkelijk constateer, maar ik heb dat immers geschreven ook in mijn "Grondslagen" … neemt u het maar gerust op—ik sta er voor…. Ja zeker, u hebt gelijk, de menschen die beweren dat het socialisme thans wel een moraal heeft of datmenin het algemeen een moraal heeft—die weten werkelijk en wezenlijk niet wat behoefte aan moraal en wat het moraalprobleem in het algemeen beteekent.
Nu vraagt u, wat het socialisme voor mij als kunstenaar dan nog voor aanlokkelijks heeft. Ik begrijp wel dat gij van uw kant dat moet vragen. Maar op het oogenblik is het socialisme toch het eenige houdbare levens-systeem en ik vind: men moet het kind niet met het badwater wegwerpen.
Ik heb in het leven het geluk gehad, nadat ik enkele omwegen bewandeld had, dat ik gevoeld heb, welke zijwegen ik niet moest inslaan. Daarna ben ik bevredigd geworden door het leven en mijn eigen levenstaak. Die taak voel ik nog heel sterk als zijnde aan het begin. Ik voel dat het nog maar het opbouwen van de basis is. Ik hoop dat dit in de toekomst een basis zal blijken.
* * * * *
Heer van De Windroos, in u heb ik werkelijk, gedurende onze lange wandelingen langs bosch en duin, "aller streken rust" aangetroffen. Hoewel met "de massa" haar ideaal deelend, hebt ge tegenover het volk de houding weten te bewaren, die, naar ik meen te weten, den dichter betaamt: Voor geen enkel wind sluit ge uw huis en blijft toch als gesloten, wetgevende persoonlijkheid tegenover "al het Andere" staan,—iets wat niet al uw geestverwanten u nadoen….
Mijn vraag is nu deze: Zoudt ge nog naar ieder wind en elke verre kust kunnen schouwen, en zou ook aller streken rust in u bezonken blijven, indien ge onder de bet-wetende, verbitterde en behoeftige menschen dagelijks moest strijden en werken?
Een weg van Verzen (1900) [Uitverkocht]—Uit den Dool (1901) [Uitverkocht]—Eerste Oogst (1912) [Bloemlezing uit "Een Weg van Verzen" en "Uit den Dool"]—Van Zon en Zomer (1902)—Zwerversverzen (1904)—Eenzame liedjes (1906)—Uit stilte en Strijd (1909).
Levende steden:
I. Londen. Een dramatisch gedicht (1903)—II. Dusseldorp of de Ontmoetingen van Petrus Cordatus. Een satirisch-dramatisch gedicht (1903)—III. Amsterdam. Een wijsgeerig leerdicht (1904).
De Grondslagen eener nieuwe Poëzie. Proeve van een maatschappelijke kunstleer tegenover het naturalisme en anarchisme, de tachtigers en hun decadenten (1908) [Uitverkocht.]—Gelukwensch bij Troelstra's vijftigsten Geboortedag. Een politiek gedicht. (1910) [niet in den handel]—Goethe's Faust (Deel I) In Nederlandsche verzen vertaald, ingeleid en toegelicht. (1911).—Meidroom. Een feestelijk verbeeldingsspel in acht tooneelen (1912).—Italië. Indrukken en Gedachten. Een causerie. [geïllustreerd], 1914.
[8] Ik maak deze opmerking om te pas te brengen Scheltema's verklaring, dat het gezelschap dat zich bij Jopie Breemer pleegde te vereenigen—"dit soort van Bohemienachtige veelpraters en weinig-doeners," hem nog altijd onsympatiek is. (Het schilderstukje bezit hij al tien jaar en tot voor kort wist hij niet wien het voorstelt.)
[Illustratie: Foto Vinkenbos & Dewald—Haag P.N. VAN EIJCK (1914)]
(* 1889)
Uit de zacht-verhittende broeikas-atmospheer van het oudere Den Haag trad ik teleurgesteld in een buurt van strakke en lange straten.
Mijn gemoedstoestand was dien middag aldus: Ik had mij voorgesteld dat de dichter van "De getooide Doolhof" en "De Sterren" eenzaam woonde op het land, in een grillig huisje, ergens aan de ruige Veluwe; of wel bij eenvoudige boerenmenschen. En het hinderde mij, dat ik naar de stad moest om hem, die innerlijk zooveel met mij gemeen heeft, te spreken. Echter, in het vroege middaguur, voorloopig doelloos zwervend door het oudere Den Haag, had ik mij getroost: De gekunstelde witte schittering uit de winkels overstemde het trage licht van den najaarsdag; en velerlei indrukken—hartstochtelijke gezichten en blijmoedig kwijnende gezichten die mij voorbijgleden; de moderne vrouwenkleedij waarin stijlige lijn met losbandigheid van bont en kanten pervers coquetteert; de kundig genuanceerde geuren van toiletten en de reuk van overspannen driften; suggestieve boektitels en heerlijk dwaze weeldezaken, achter spiegelglas fluks bespeurd; en steeds weer die snel voorbij-schimmende troniën: trotsch-verdorven maskers en geschminkte en ontzenuwde en verlangende maskers, die in mijn phantasie hun histories schetsten en mengden … àl die overstelpend-prikkelende indrukken omgaven mij met een atmospheer van verfijnde cultuur, die ik evenzeer bemin als het leven op 't land in wijde overpeinzing. Ook in zulk een milieu kan een werkelijk dichter tieren, mits hij een zeer sterken geest heeft….
Doch toen belandde ik in de nieuwe buurt met leege gerekte straten, waar het onwillige najaarsdaglicht terug kitste op de kille pensions en ambtenaarswoningen met haar snel-vergane conventioneele praal: en ik bemerkte dat ik mijn dichter moest zoeken in, de langste van die schijn-deftige, eentonige huizenrijën.
Geheel bekoeld, naar ik meende, kwam ik bij hem binnenvallen, en voordat wij elkander eigenlijk hadden begroet of door onze so-easy's afdoende hadden bekeken, moest ik 't zeggen, ik wilde niet en zei 't toch: Het lijkt hier wel een studentenkamer!—Ons wereldstadje had mij als gewoonlijk van streek gebracht, want zoo spontaan ben ik anders niet.
Mijn opmerking, waarin ik mijn indrukken had samengevat, deed hem blijkbaar pijnlijk aan, en hij zeide dat men in een studentenkamer toch zooveel mooie boeken meestal niet vond, en toen vroeg hij mij welwillend-ingehouden een nadere verklaring. In het bewustzijn dat hij mij zou hebben uitgedaagd als hij een Duitscher was, en blij dus dat we in het degelijke Holland zaten, zei ik een paar vriendelijke woorden, die hij niet hoorde. Maar later heb ik begrepen dat ik dit bedoelde:
In deze kamer met haar onverschillige en disparate meubels en tapijten had zich door kleinigheden in schikking en versiering—verbeeld u, de beeltenissen van Baudelaire en Stefan George stonden er op den schoorsteenmantel (niet plechtig, als gravures, met eenige ontroering gekocht, maar als ietwat verbleekte photographieën, men zou denken: van verre familieleden, in banale lijstjes)—in deze kamer, zeg ik u, had zich mij een sterke, jonge, strijdvaardige geest gemanifesteerd, men voelde dat hier gewoonlijk naar den geest geleefd werd—al beeldde ik mij in dat het "Gaudeamus igitur" er toch ook wel eens uit schorre kelen had geschald. En dit maakte mij de kamer even eerbiedwaardig als de smaakvol en kostbaar aus einem Guss gemeubelde schrijversheiligdommen, die ik ken.
Terwijl hij nu met vele, overigens belangwekkende woorden het begin van het "interview" trachtte te verschuiven, herwon ik snel mijn gewone bedaardheid. Ik werd bijna vaderlijk, toen ik hoorde dat hij nog iets jonger was dan ik—men zou dit laatste niet zeggen, want dit bleeke gelaat deed mij zelfs een oogenblik (ten onrechte!) veronderstellen, dat hij al vroeg aan de zinnen gevraagd had wat slechts de geest kan geven, en ik glimlachte niet, toen hij mij later vertelde: Ik heb 't gevoel dat ik al een eeuwigheid heb geleefd….
Ik had mijn gereserveerde kalmte zeer noodig. Hij kon maar niet tot zichzelf komen, en bekende dat de gedachte, zich zoo voor mij binnenste buiten te keeren hem werkelijk angstig maakte. Zijn wangen, die geen jongenswangen meer waren, bloosden, hij struikelde over zijn woorden, onderbrak zich telkens met een: Dat is nou beroerd…. Neen, laat ik dit niet zeggen…. Och, waarom?—
Ik vertelde maar veel van mijn eigen opinie's en trachtte daarbij zooveel mogelijk de zijne te ontmoeten, ik wilde hem niet loslaten, en toen ik hem uitvoerig het schema had uiteengezet dat de lezer kent, werd hij door mijn uiterlijke onaandoenlijkheid gewonnen.
Kalm is hij dien heelen middag niet geworden—vreemd toch, want hij leek mij eer brutaal dan verlegen—voordat hij mij zijn mooie bibliophiel-uitgaven vertoonde. Maar wél gaf hij mij gelegenheid, zijn buitengewoon ree intellect (hij zal wel boos worden, als hij dit van me leest! maar après nous le déluge) te bewonderen; en hij heeft me ondanks alles vervuld van een bemoedigend enthousiasme.
Als ik (op zijn verzoek) een massa onvoltooide gedachtetjes en overtollige woorden, waarmede hij de leegten aanvulde, weglaat, dan komt hetgeen hij mij vertelde, zittend op zijn schrijftafel, de beenen op de vensterbank, hierop neer:
—Ik was al begonnen met studies en verhalen te schrijven op ongeveer vijftienjarigen leeftijd, toen ik, in verband met moeilijkheden in mijn persoonlijk leven, in mijn 17de jaar plotseling in verzen los schoot. Vóor dien tijd had ik al van mijn twaalfde jaar af rijmen, romannetjes en novelletjes geschreven, maar toen werd ik bewust literator en begon ik het ideaal van mijn leven te zien in het schrijversschap. Dat is samengevallen met mijn eerste intree in de kunstwereld van de "Nieuwe Gids", die de eerste jaren volkomen de mijne is geweest en waar ik mij hartstochtelijk aan heb overgegeven, omdat hij in alle opzichten aan mijn behoeften beantwoordde. Alles wat ik in dien tijd wilde voelde ik in de "Nieuwe Gids"—vrij, zelfs losbandig innerlijk leven—leven voor de schoonheid—je leven min of meer beschouwen als een gelegenheid om altijd maar vol te zijn van enkel schoonheid. Vooral aan de lectuur van Van Deijssel heb ik me hartstochtelijk overgegeven. Ik had de heele rij boeken op den grond liggen, en zoodra ik thuis kwam, ging ik er bij liggen om te lezen. Door de lectuur van Van Deijssel is mijn individualisme met een jeugdige woestheid tot uiting gekomen, en ben ik mij zelf, ook om ondervindingen, die zìj niet hadden, buiten de anderen gaan stellen.
—Hebt u nu eigenlijk de "Nieuwe Gids" verlaten of overwonnen, vroeg ik; met andere woorden: kunt u mij den logischen ontwikkelingsgang aanduiden, die er op uitliep, dat u op een goeden dag niet meer in die geesteswereld thuis behoorde?
—Toen ik rijper en ontwikkelder werd, ben ik gaan merken dat de "Nieuwe Gids" mij onverschilliger werd en dat ik ergens anders moest heensturen. Datgene wat ik voor mij zelf wilde worden—een centrale persoonlijkheid—het klinkt een beetje aanmatigend, vindt u niet … dat is beroerd … neen … ik zal 't maar niet zeggen….
—Kom, zoodra men gedichtenbundels uitgeeft, werpt men zich op als geestelijk leider van zijn volk en dan geeft het niet meer of men het wil verbergen. Trouwens, als U de voorrede van mijn "Mannen van '80" hebt gelezen, zult u weten dat u mij genoegen zult doen met nu verder te gaan….
—Goed dan. Ik begon te voelen dat mijn persoonlijkheid anders gebouwd was dan die van de Nieuwegidsers. Geestelijken inhoud hadden zij niet voor mij, ik zeg voor mìj. Wat ik al vroeg ging zoeken, dat was den zin van het leven, de vraag: wat ben ik eigenlijk, hoe is het leven, hoe staan we tegenover de wereld? het gewone zoeken naar een levensovertuiging. Naarmate die drang tot zoeken sterker in mij werd, heb ik gezien dat ik in het leven van den typischen Nieuwegidser voor mijzelf nooit antwoord zou vinden. Het is voor mij ten slotte gebleven een beweging van buitengewoon interessante menschen, psychologisch en artistiek, maar ze zijn voor mij nu, behalve om het mooie wat ze gaven, vooral van belang, omdat onder hun handen de taal pas is geworden tot een werktuig, in staat om het geheele moderne leven in zich op te nemen. Hun beweging kreeg voor mij de beteekenis van een taalreactie, een fijn-maken en los-maken van de taal. Ik had mij blindgestaard op die hartstochtelijke jonge menschen die rondliepen in Amsterdam en hun leven vulden met de Schoonheid, maar ik zag weldra de grenzen van deze persoonlijkheden en hoe hun beweging verliep en verloopenmoest. Ik hield hen in het begin voor jonge Goden, en dacht dat nergens op de wereld zoo iets was te vinden. Daarna, toen ik ouder werd en mij bij hun werk onvoldaan bleef voelen, heb ik mij voornamelijk aan buitenlandsche en oudere kunst gegeven, waarin ik een zoeken vond als het mijne en waarin velen voor hún persoonlijkheid gevonden hadden, wat ík zocht.
Die opmerking van een andere letterkundige over de "Nieuwe Gids" waarvan u daarstraks sprak, trof me.[9] Dat zij alleen het midden en niet het einde kenden. Volkomen waar. Maar ik zelf, mijn diepste wezen voelt zich niet voldaan wanneer ik bij een dichter niets anders vind dan den zang van het oogenblikkelijke leven, ikmisdan het begin en het einde. Ik wil datzelfde oogenblikkelijke leven, maar voelbaar als de golf van een vloed, niet als afzonderlijke golf. En ik mis er óók in: het begrip, de aanvoeling van het geheele leven, waartoe de oogenblikkelijkheden zich kristalliseeren, waardoor zij allen als facetten worden die te zamen het ééne kristal van de Levens-idee vormen en die feitelijk in haar essentie dezelfde is als het wezen van dien onderstroom, waaruit het oogenblikkelijk leven opgolft, of oprimpelt. Dat miste ik in de "Nieuwe Gids", en daarom konden zij voor mij geen geestelijke leiders zijn, en het in schoonheid geestelijk leider zijn lijkt mij een van de állerbelangrijkste dingen van het dichterschap, niet als tendenz er van, maar als wézensdeel van het dichterschap.
—Maar u hebt voor u zelf toch wel een antwoord gevonden op de vragen, die u straks noemde?
—Ik heb het soms gedacht, maar ik moet zeggen: Neen.
Mijn heele werk staat in het teeken van de zoekerij. In mijn "Uitzichten" heb ik een afdeeling "Zoekers" geschreven, en ik heb daarna later nog het gevoel gehad van volkomen "Bevrijding" uit die onzekerheid, maar in den grond van de zaak ben ik gebleven in de periode van de zoekerij, en dit vindt u dan ook in mijn geheele werk. Het is misschien een veeg teeken voor mijn poëzie, dat ik na al die jaren van zoeken nòg niet ben gekomen tot een levensinhoud, maar dichterlijk is dit zoeken het motief van mijn werk, dus waarom zou ik het hier niet zeggen?
Ik ben altijd gestruikeld over den tweespalt tusschen gevoel en verstand. Mijn gevoel zegt zus—mijn verstand begint het dialectisch te ontleden en zegt: Neen, niet zus. Het is bij mij uitgegaan van de epicuristische grondbeginselen, en ik ben nooit tot een andere conclusie gekomen, dan dat het leven is een koorddansen boven den afgrond. Een typisch voorbeeld vind ik De Régnier, een man van geweldige melancholie, zeker een van de meest pessimistische menschen die ik mij ooit kan voorstellen, en het eigenaardige is nu, dat de eene helft van zijn werk dit gevoel zuiver weergeeft en de andere helft bestaat uit verzen van enkel plastische schoonheid. Hij is innerlijk overtuigd van de ijdelheid van het geheele leven, maar zijn oogen vonden de uiterlijke schoonheid van de wereld en zijn daarmede vervuld. Dit genot hebbend, schijnt hij dan zijn droefgeestigheid te kunnen vergeten. Maar ìk kan niet inzien, hoe men dat voortdurend knagende gevoel van de redeloosheid van het leven tot zwijgen kan brengen met de schoonheid, alsof die een narcotisch middel daartegen ware, alsof niet juist de schoonheid er voortdurend aan herinnert, dat zij een begoocheling is over een leegte. Ik kàn het niet inzien, ik ben er misschien nog te jong voor….
De inhoud van mijn werk is dus zoeken en nog eens zoeken. Natuurlijk zijn mijn verzen ingegeven door bepaalde ondervindingen, maar ondervindingen zijn voor mij nooit impressionistische gegevens. Het gaat bij mij zoo, dat iets dat ik beleef plotseling aanleiding kan zijn om te schrijven, en een boel van dezelfde levenservaringen in mij los maakt. Men heeft allerlei ervaringen die nooit tot een gedicht doen komen, maar een bijzondere aandoening die veel sterker is—maar dat hoeft niet—treft je zoo, dat al die andere van vroeger in je hart worden losgemaakt … en dan komt het vers … als een lied, niet van dat eene ding, maar van al die dingen te zamen…. Ja, hoe kwam ik daar ook weer toe, wat was het begin van dien zin….
—U zocht naar de beteekenis van het menschelijk leven. Mag ik u vragen: bedoelde u daarmede de beteekenis van uw leven, de vraag, waarom bepaalde wederwaardigheden juist u getroffen hebben … met heel in de verte een idee aan een voorzienigheid … of de beteekenis van het menschelijk leven in het algemeen … met de daaraan vastgeknoopte vraag naar een wereldbeginsel?
—Dat hangt samen. De groote grondstof, die het onderwerp is van de poëzie, is het menschelijk leven. Ik word dikwijls aangezien voor een aesteet, vooral vroeger was dat zoo, maar in de kunst is voor mij altijd de mensch die er achter zat het belangrijkste geweest. Ik stel hooge technische eischen, maar zoodra achter de kunst de mensch te voorschijn komt, die zich krachtig of persoonlijk uit … het moet natuurlijk geen stumperen zijn … dan kan de heele kunst me niet veel meer schelen, als hij mij maar beweegt. Nietzsche zegt: ik ben eerst Schopenhaueriaan geweest, maar toen ik de gebreken in het systeem ben gaan zien, heb ik toch mijn liefde behouden, want: de groote philosoof staat voor honderd philosophieën. Zoo mag ik zeggen: de groote dichter staat voor honderd gedichten. Dat klinkt Heidensch, maar is 't niet. Want de naam "groote dichter" vooronderstelt dat hij werkelijk dichteris, dat is vóór alles een schepper.
Een van mijn grootste liefden is Dostojefski, die toch de meest chaotische dingen gemaakt heeft, die ik mij kan denken. Maar welk een rijkdom aan menschelijke ervaring en ontroering en philosophie! Voor mij is hij een van de allergrootste figuren van de negentiende eeuw geweest, gelijk Goethe dan van de achttiende. Zijn geheele werk behandelt het zoeken naar den zin van het leven, en naar een ethiek, daarop gebouwd. En nu laat hij een van zijn figuren zeggen: Ge moet het leven liefhebben boven den zin van het leven….
Daartoe heb ik nooit kunnen komen, en toch voel ik dat ik dàt noodig heb. Ik ben er niet in geslaagd het leven met geheel mijn gevoel en geheel mijn intellect te zaam lief te hebben, zoolang ik den zin van het leven niet gevonden heb.
Nu verhoudt mijn poëzie zich op een bijzondere manier tegenover mij zelf. Onder het dichten zelf bereik ik, dat ik alle tweespalt geweken voel. Daarom is het een hoogtepunt in mijn leven, ik voel mij als een wijde organische eenheid, die geaard is als het leven zelf. Het is of mijn gevoel zich dan meester gemaakt heeft van mijn intellect, of ze in elkaar gevloeid zijn, en in elkaar gevloeid vereenigen zij hun ervaringen, en soms zelfs het verhaal van mijn twijfel schrijvend, heb ik een gevoel van vervuldheid, dat ik daarná dan weer moet missen. Dan is de scheiding er weer, en dat het zoo gewéést is helpt mij niet, omdat mijn verstand niet meer zeker is,ofhet geen nederlaag geleden heeft enofdat gevoel van geluk geen valstrik was. Maar in zoo'n oogenblik heb ik toch gevonden, heb ik het in mij, als gevoel….
—U verkondigt dus de levensbeschouwing dat…?
—Ik vraag mij natuurlijk af wat het belang van mijn werk is, wat ik de menschen geef voor positief geestelijk voedsel behalve de poëtische schoonheid—en dan kan ik niet zeggen dat ik dat op het oogenblik in mijn poëzie geef … maar wanneer ik werkelijk iets zal hebben bereikt en gevonden—dan zal al wat eraan voorafgaat het belang hebben dat het is de weg, waarop een moderne mensch tot zijn oplossing is gekomen…. Dit sluit in zich, dat ik over het innerlijk van mijn werk nog geen bijzonder hooge gedachte heb….
—Maar u is het met mij eens, dat de sociologische beteekenis van den dichter is, dat hij, zooals ik in mijn voorrede zeg, geeft het voorgevoel van een levensbeschouwing?
—Inderdaad heeft de dichter een groote functie in de gemeenschap, omdat hij altijd de essencie van het leven zelf geeft en als aanvoeler van het leven de groote dingen des levens laat voelen en denken, het leven van anderen dus intensiever maakt.
—Lezer, geen van de schrijvers die ik tot nu toe bezocht, heeft zich zoo duidelijk met mij gesteld tegenover het ethisch agnosticisme, dat naar ik meen de inhoud was van "De Nieuwe Gids". Ge kunt begrijpen dat ik hier den jongen dichter onderbrak en met eenige spanning (in het gesprek terug-grijpend) vroeg:
… Zoeken, toch met de zekerheid dat het antwoord gevondenkanworden?
Maar ik viel uit de wolken:
—Ik zoek niet met de zekerheid dat gevonden kan worden, luidde het antwoord, na lang peinzen gegeven, anders had ik het voornaamste al gevonden. Als je weet dat de zin des levens er is, dan heb je hem al, maar ik weet niet dat de zin des levens er is….
Ik kan mijzelf een gemeenschapsdichter noemen in een geheel anderen zin dan de socialisten. Naar den schijn zoudt ge niet zeggen dat het zoo is, maar in werkelijkheid is het zoo: De redeloosheid van het leven en het verdriet van den mensen is mijn geheele aanleiding. Mijn geheele liefde is voor het menschelijk leven, den mensch bezig zien in zijn doen en laten is mijn grootste genot, al brengt het weer tot verdriet. Ik kan mij niet uiten, zonder mij mensch onder de menschen te voelen, en het kan niet anders of, wanneer ik mijn innerlijk leven uitspreek, spreek ik ook voor de andere menschen. Ik voel me zelf niet als individu, maar als mensch.
—Maar toch niet als dichter van de gemeenschap?
—Neen, tenminste wanneer u die uitdrukking in leerstelligen zin gebruikt, want dan kom je precies op het verkeerde standpunt terecht. Een dichter van de gemeenschap is voor mij bijna een onmogelijkheid. Want de mensch heeft ongelooflijk veel aan een groote menschelijke persoonlijkheid, en zoodra u spreekt van een dichter van de gemeenschap, zoudt ge tot een poëzie komen die, wanneer ze werkelijk poëzie van de gemeenschap wás, de opheffing van de persoonlijkheid des schrijvers zou beteekenen. Poëzie wordt op die manier de grootste gemeene deeler op de onderdeelen der gemeenschap. Wat blijft er dan over van haar hooge idealiteit?…
Daarom ben ik het zoo vreeselijk oneens met Adama van Scheltema, wanneer hij zegt, dat je zoo moet schrijven dat zooveel mogelijk menschen het begrijpen. Dat is voor mij eenvoudig anti-poëtisch. Ik geloof dat je een van de meest wezenlijke dingen van de poëzie ontkent, door dit te zeggen. Neen, je moet zoo schrijven dat je denkt: Nu is mijn gevoel volkomen tot uiting gekomen, en of het nu voor velen of voor weinigen te begrijpen is, daar heb je niets mee te maken. Anders ga je, consequent redeneerend, het hoogere, het diepere geestelijke leven uit de poëzie sluiten. Het groote geestelijke leven is niet voor de meerderheid. Die heeft daar geen behoefte aan en ook niet de capaciteiten om het te doordenken. De uitslag zou worden, dat de poëzie maar een klein stukje van het menschelijk leven beslaat, en het allerbelangrijkste er buiten laat. Zinrijk heeft Goethe dan ook gezegd:
Wer den Dichter will verstehenMuss in Dichters Lande gehen.
Dat is een wet van alle tijden voor de poëzie. Is wat je denkt en voelt moeilijk en ingewikkeld, dan zal het gedicht ook niet makkelijk zijn en is toch voor den grooten hoop niet te doorvoelen. Je kunt probeeren het niveau van de meerderheid naar je op te trekken,—dat is zelfs het heerlijke doel van de kunst—maar zeker moet je niet je eigen niveau zoo laag zetten, dat je kan hopen dat een zoo groot mogelijke meerderheid erheen zal gaan.
Een dichter moet in niets anders leven dan in de aandoening, in de idee die hij aan het dichten is. Hij moet niet met zijn verstand een geleidertje bij zijn werk zetten, dat toekijkt of hij wel zoo schrijft dat vele menschen het zullen kunnen lezen. Dan is de toestand niet zuiver meer en is de poëzie vertroebeld. De inhoud dwingt den vorm, die dan zoo zeker al de eigenschappen van den inhoud aanneemt, dat zij niet meer te scheiden zijn. Er is dus ook maar één goede vorm voor elk gedicht, en het is dan ook niet aan den dichter, om dien willekeurig te bepalen om redenen buiten het gedicht zelf.
Ik heb nooit begrepen wat de socialisten met hun socialistische poëzie bedoelen. Ik kan niet inzien dat de stof van poëzie ooit iets anders zou zijn dan vormen en verschijnselen van menschelijke ontroeringen, zooals liefde, haat, angst, vreugde, en ik kan mij niet voorstellen dat die in hun essentie ooit veranderen zouden. Zoo blijft het voornaamste element in de stof van poëzie altijd hetzelfde, de kleuren, nuances alleen veranderen, en daarmee blijft een van de bestanddeelen van poëzie, die haar haar groote waarde geven, altijd gelijk. Het andere bestanddeel zit in het poëtische wezen zelf, de scheppingskracht in het gedicht. Ik heb daar al eens over geschreven in "De Beweging". Voor mij is een gedicht niet een soort middelaar, waardoor een dichter zijn leven overgiet in een lezer, maar een heel eigenaardig, onafhankelijk wezen, dat een mysterieus, vruchtbaar leven heeft. Er is een inhaerente en latente levenscheppende kracht in, de poëtische potentie van een vers heb ik dat genoemd, die is onverwoestelijk in elk goed gedicht en kàn niet vergaan. Wanneer je goed nadenkt, is de algemeene menschelijke ontroering in het gedicht misschien zelfs maar een vóoronderstelling van de poëtische potentie, omdat die als scheppende kracht hoofdzakelijk algemeene, oergevoelens moet bewerken, al zijn die dan door een dichterhart heengegaan en al hebben zij de trekken van zijn persoonlijkheid gekregen. Ach, al die dingen bepalen elkander eigenlijk allemaal over en weer, dat maakt de poëzie juist zoo iets vreemds. Maar dat alles zien de socialistische dichters als Henriëtte Holst en Gorter over het hoofd. Over burgerlijk leven spreken ze, en over burgerlijke ideeën…. Maar—als ideeën uit werkelijk gloeiend leven zijn opgekomen, dan hebben ze altijd waarde, en zoo hebben de groote socialistische ideeën waarde als de andere. Dat is het juist wat alle tijdelijke ideeën redt voor de poëzie…. Zij leggen den klemtoon op het socialistische—ik op de poëzie. Het socialisme is iets accidenteels en het essenciëele is de poëzie. Ik geloof dan ook niet, dat ooit iets dat werkelijk poëzie is, zijn waarde zal verliezen als eens een andere tijdsorde is aangebroken met andere gedachten en andere verhoudingen. De groote waarde van de kunst is juist dat ze al die tijdelijkheden overwint.
—Hiermede had Van Eijck de voornaamste punten van mijn schema behandeld. Gevraagd of hij hier nog iets aan toe had te voegen, zeide hij, even te willen spreken over zijn positie in de Nederlandsche literatuur van onzen tijd:
—Ik ben—zoo begon hij—vaak uitgescholden (dat woord uitgescholden deed het hier kostelijk!) voor volkomen richtingbewust. Ik ben dat in zooverre, dat mijn streven er altijd op gericht is geweest … och neen, laat ik daar maar van zwijgen, daar heb ik straks al te veel van gezegd…, en dat dan zuiver uit te drukken, maar men mag niet van me denken, dat ik mijn geheele leven naar een intellectueel schema zou opzetten, en daarvolgens zou leven en werken. Dat is absoluut niet waar. Ik hèb geen intellectueel schema. Wanneer mijn werk wel eens den indruk maakt van intellectualisme, dan komt dat, omdat in mijn persoonlijkheid de intellectualiteit sterk werkt. Maar ik heb nooit een gedicht geschreven dat niet een zuiver persoonlijke ervaring was. Ik wil leven geven, en is in het menschelijk leven het intellect niet een van de voornaamste factoren? Moet die dan buitengesloten worden? Ik begrijp niet hoe Van de Woestijne altijd maar kan beweren, dat het, ik zal maar zeggen ons, om bewuste reflectie en bewuste verbeelding te doen is. Hij kan beter weten. Het intellect moet het gevoel bevruchten, en het gevoel het verstand, en de vrucht zal dan zijn, dat warme, wijze, diepe geestelijk leven, waarnaar ik verlang en waaraan eigenlijk de heele tijd zoo'n behoefte heeft. Natuurlijk zal mijn poëzie anders zijn dan de "Nieuwe Gids" ons heeft leeren te genieten en—men verwart zoo dikwijls geestelijk leven met intellectualiteit. Ik ben voor mijzelf in de poëzie zelfs zeer sterk een antipode daarvan. Ik word kriebelig, wanneer ik intellectualistische poëzie lees.
Een groot geestelijk leven—dat is het wat ik voor mijzelf zou willen en in anderen zoo bewonder en dat is ook mijn groote bewondering voor Dostojefsky, omdat die in alle richtingen het leven heeft doorpeild met zijn gedachten, ook in richtingen die tegengesteld waren aan de zijne. Maar gedachten zijn bij hem hartstochten! Zijn figuren zijn geen menschen die behalve een heele boel andere, ook nog den hartstocht van hun gedachte hebben, neen, zij worden door die eenen hartstocht verslonden en alles, alles van hen wordt dóór dien hartstocht bepaald. Zulke persoonlijkheden hebben op de menschheid grooten invloed en naar zulke dichters vraagt de menschheid. Hij heeft voor zichzelf een positieve levensbeschouwing gevonden. Ik sta nog aan den kant van de menschen die hij in zijn werk tegenover zich zelf stelt. Hij geeft zijn positieve idealen en stelt daartegenover het geestelijke dat hij in alle richtingen heeft doorleefd—want niemand heeft zooveel aan den Twijfel geleden als juist hij…. Zijn Iwan Karamasoff is een figuur waarin ik mijzelf weerspiegel. Hij heeft het probleem van het werkelijke atheïsme—niet wat de liberale burgerman daaronder verstaat!—doorvoeld, en dat heeft hij in zijn figuren levend gemaakt—niet als gedachten, maar als brokken brandend leven! Maar boven de groote gevoelens van het moderne leven, van hartstocht en twijfel en wanhoop, heeft hij een ideaal gevonden dat hem, niettegenstaande al zijn ellende, is gaan vervullen en de hoogte van dat ideaal is te meten naar de diepte van zijn twijfel, waarvan hij het volle begrip behouden heeft.
Tegenover heel veel menschen met vaste levensopvattingen begin ik sceptisch te staan, omdat ik niet weet uit welke basis die levensopvatting is opgekomen—of er de groote Twijfel aan is voorafgegaan—of er een diepe ziel achter zit,—maar wanneer ik Dostojefsky's groote twijfelaars lees, dan weet ik uit welken ondergrond zijn positief ideaal is opgerezen, en dat geeft mij ook de hoop en het geloof dat ik voor mij zelf zal vinden. Vindt u het niet typisch, dat bijna al die zelfkwellers van zijn boeken onder de dertig zijn? Dat beteekent voor mij véél, want hij schreef ze toen hij veel ouder was…. En ik weet, dat wanneer ik heb gevonden, ik niet heb gevonden voor mijzelf alleen—maar voor duizenden.
En wanneer ik dan talent genoeg heb—dan zal ik een geestelijk leider kunnen zijn. Daar zit geen hoovaardigheid in—want er zijn twee praemissen: Ten eerste dat ik zou vinden; ten tweede dat ik talent zou hebben. Ik hoop op den goeden weg te zijn naar dit ideaal, en dat ik bewust de dingen wil die voor den sterkeren dichter noodzakelijk zijn, is voor mij van belang. Men moet toch reiken, wil men iets _be_reiken. In den bouw van mannen als Kloos en Gorter ontbreken die elementen en dit maakt dat ze nooit tot een van de groote leiders van de menschheid konden worden, al was Kloos toch een groot dichter. En nu meen ik, dat in hen die men thans de jongere dichters noemt, en die misschien wel weer andere elementen missen, laat ik dat er bij zeggen, een paar elementen zijn, noodwendig voor groote leiders—zoodat het alleen van hun persoonlijk talent of genie afhangt of ze het werkelijk zullen zijn.
Nu is u toch wel duidelijk geworden—niet waar—dat er in mij niets is van een intellectueel schema, maar wel een streven naar zuiver en diep leven—dat is: een door een sterke persoonlijkheid doorvoeld leven, dat ik niet im Voraus in banden mag knellen. Datditmijn streven is—een van de meest karakteristieke dingen van mijn werken—de adem die er doorheen gaat—is daarvan het bewijs. En ik wil even zeggen, dat iemand die mij voor intellectualistisch houdt, mijn studies maar behoeft te lezen om te zien, wat de hoofdzaak is wat ik begeer. In al mijn studies tracht ik een psychologische synthese te geven van den mensch die in een bepaald werk leeft en van de manier waarop hij het leven voelt. Mijn critieken zijn opgebouwd uit bewondering en enthousiasme voor den mensch die achter het werk zit.
—Wij hebben nog lang gesproken over dingen die hier minder ter zake doen. Hij meende dat ons onderhoud min of meer mislukt was, dat hij zich te onbestemd, te woordenrijk, te aarzelend had uitgelaten. Ik echter maakte hem het volgend compliment: In tegendeel, U lijkt wel een Belg. Ik bedoelde dan: een intellectueele Belg. Dit zijn Belgen niet gauw naar mijn ondervinding, maar àls ze het worden, zijn 't zeer fijne cosmopolitische geesten en—dan zijn ze er vroeg bij, hebben een gevestigd oordeel over de dingen des levens als een ander nog studeert…. Om de waarheid te zeggen—ik overdreef een beetje om hem gerust te stellen, want hij was bang dat hij dien nacht in bed allerlei ideeën zou krijgen, die hij mij had moeten mededeelen. Ik twijfelde toch wel een klein beetje, of ik den weg zou kunnen vinden in den berg aanteekeningen, die ik had gemaakt, terwijl hij geagiteerd-moeilijk en toch niet buitengewoon snel tot mij sprak. Maar zoodra ik buiten stond, voelde ik de Eenheid in hem, en zijn enthousiasme bleef mij bij toen ik dien avond mij gaan liet door het gistende Den Haag.
De getooide doolhof (1909)—Worstelingen, Getijden, (1910)—De Sterren (1911)—Uitzichten (1912)—Bevrijding (1913).
[9] Dit was een opmerking van mij zelf. Ik had beweerd, dat achter de Nieuwe-Gidskunst de wereldbeschouwing van het positivisme voelbaar is, die aanneemt dat men niet begin (oorzaak) en einde (doel) van de verschijnselen kan kennen, maar slechts het "midden" (—heden).
[Illustratie: Foto P. Clausing Jr.—Haarlem Dr. J.D.BIERENS DE HAAN (eind 1913)]
(* 1866)
De lezer wete, dat Bierens de Haan tot de zeer enkelen behoort, die mij in den tijd dat ik mijn weg nog moest zoeken, zonder overhaasting hebben aangehoord en mij den raad hebben gegeven, die over de moeilijkheden van het begin heen voert. Voor 't eerst maakte ik toen intiemer kennis meteen werkelijk wijsgeers-temperament. Mijn groote dankbaarheid heb ik nooit nadrukkelijk geuit, maar wel in mijn houding doen blijken, en zoo is er in den loop der jaren een zekere vertrouwelijkheid ontstaan. Dien morgen echter zat hij tegenover me met een glimlach, dien ik nog niet van hem kende. O, hij was mij niet vreemd geworden! Hij heeft de eigenaardigheid, die ik overigens vooral bij schilders heb opgemerkt, dat niemand hem absoluut vreemd is; zijn onbewust maar zeer actief indringingsvermogen geeft reeds bij eerste ontmoeting de gewaarwording dat hij u jaren kent. Maar de eigenlijke verkwikkende voeling kwam pas, toen ons "interview" was afgeloopen en hij niet meer met een zekere reserve dóór mijn aanteekenboek heen tot het publiek sprak. Na de eerste verwelkoming—hij had in een fauteuil naast mij gezeten—stond hij vastbesloten op en bereikte in een paar stappen zijn werktafel. Ik zeg met voordacht: een paar stappen. Want terwijl zijn rijzige gestalte met enkele losse en toch sierlijk-bedwongen bewegingen door de kamer ging, had ik het gevoel dat hij een zaal doorschreed en dat er een groote afstand lag tusschen de mij zoo bekende werktafel, waaraan hij plaats nam, en mijn stoel bij het venster. Tot dezen prijs dus had ik het korte, heusche briefje gekocht waarmede hij mijn verzoek om een "vraag-gesprek" inwilligde! Ik besefte dat er voor hem groote zelf-overwinning mee gemoeid was, dat hij het publiek dengroeivan zijn persoonlijkheid ging verhalen: Een sterk geconcentreerd gemoed is eengeheelen sluit de wonden die aan zijn oorzaken herinneren; het is zijn grootste genot zichzelf onafhankelijk te bezitten en zijn vroegere afhankelijkheid te vergeten. Maar mijn gastheer, nu hij uit vriendelijkheid en belangstelling voor mijn werk eenmaal had toegestemd, deed van de moeilijkheid waarin hij zich bevond verder niets blijken. Hij debiteerde niet de gemeenplaats, dat hij "het land had aan persoonlijk gedoe", welke ik in den laatsten tijd wel eens heb hooren uiten in een toon en een tempo, die de woorden ten duidelijkste wêerspraken. Slechts dat fijne gebaar van zich terugtrekken verraadde (of verkondigde?) de opoffering die hij overigens glimlachend volvoerde,—gelijk oprechte offers plegen te worden gebracht. En zich verontschuldigend, dat hij het een en ander had opgezocht en dus niet onvoorbereid was en zijn antwoorden niet improviseerde, deelde hij mij het volgende mede:
In September 1887 is hij begonnen "De Nieuwe Gids" te lezen met groote sympathie èn met een zekere terughoudendheid. De sympathie gold de volkomen vrijmaking, die de nieuwe beweging bracht: Ik voelde dat dit het punt was van overeenkomst tusschen hen en mij: er moest op dat oogenblik absolute vrijheid zijn, dat wil zeggen: Het subject moest geheel zich zelf kunnen wezen en dus de banden, de zeden die tot nu toe waren vastgesteld, moesten losgemaakt worden. Dat was het, dat ik sympathiek vond en daarbij kwam: Het doen gelden van de directe levende waarde van het Woord. In het woord heb ik altijd mijn eigen leven teruggevoeld: Het woord moest levend zijn, de mensch moest het woord hebben om zijn innerlijk te uiten. Dat had ik al voorvoeld bij het lezen van Milton en Shelley, maar omdat het geen Nederlanders waren, was toch nooit het besef van het levende woord zoo tot mij doorgedrongen als toen "De Nieuwe Gids" mij daarvan de openbaring gaf.
Deze twee elementen zijn de aanknoopingspunten geweest, waardoor hij zich—hoewel jonger dan de leiders—in de beweging voelde staan. Maar tegelijkertijd voelde hij een zekere terughoudendheid, omdat hij inzag dat het intellect, het geestelijk gehalte, ontbrak: Het was als het ware "Lyriek zonder idee". Hoewel nog zeer in het onbepaalde, begreep hij wel dat lyriek en idee op een of andere wijze verbonden moesten worden: Het zoo uitsluitend impressionistisch gevormde woord heeft mij tegelijkertijd aangetrokken en onbevredigd gelaten.
Hij was toen student in Amsterdam, waar hij een jaar gestudeerd heeft, voor hij naar Utrecht ging. Te Utrecht vond hij in de studentenwereld een vrij duffen geest. Er was nog niets bekend van wat in de hoofdplaats van ons land de gemoederen in beroering bracht. Hij poogde de studentenmaatschappij wat schoonheidsgevoel en wat nieuw-letterkundig gevoel bij te brengen, maar zonder succes. Hij schreef in dien tijd in realistisch-impressionistischen trant eenige verhalen en naderhand onder pseudoniem een enkel stuk in "Nederland", maar bij dien schrijftrant is hij niet lang gebleven "omdat mijn studie mij ook riep naar meer speculatieve waarden." Toen zijn een tijdlang Fransche schrijvers als Verlaine, Maeterlinck, Hello zijn gidsen geweest, vooral de laatste om de mystische grootschheid en idéerijkheid van zijn woord. Ik weet niet of ik hen nu nog zoo hoog stel als vroeger.
Dit heeft zijn heele denken geleid in een richting, verwant en toch weer niet verwant aan "De Nieuwe Gids". Het eenige stuk waaruit dit duidelijk blijkt is geweest, in den laatsten jaargang van de oude serie van dat tijdschrift, een "Psychologie van het leven". "Dat stuk," zoo verhaalde hij mij, is zeker heel onvolmaakt, maar het toont toch dat mijn werk een andere richting uitging dan de zuiver literaire, waar ik mij tevoren toe had geroepen gevoeld…. Ik blijf de "Nieuwe Gids" eeuwig dankbaar voor de openbaring van de zinnelijke waarde van het woord, dat het woord niet een abstractie is, maar een direct symbool, waarin ons innerlijk zijn sprekend equivalent kan vinden. En wanneer ik bescheidenlijk zeggen mag, dat ik eenigen stijl heb, dan is 't omdat het woord altijd voor mij die waarde heeft behouden en nooit abstract geworden is. Ik meen dat dit ook het groote onderscheid is tusschen de wijsgeerige schrijfwijze van vroeger en mijn schrijfwijze—dat toen het woord alleen gold als term en wij nu het woord als een levend bezit kunnen handhaven. Er is een zekere zinnelijkheid in het woord, dat onmisbaar is om het woord zijn beteekenis als levend equivalent van den geest te doen behouden.
In dien tijd werd "De Kroniek" opgericht en dit was het terrein waarop hij zijn eerste werk heeft geleverd. Hij woonde toen in een uiterste hoekje van Twente. Hij genoot daar op bijzondere wijze van zijn landelijke omgeving. Die landstreek had iets geheimzinnig eenzaams, dat hij sindsdien nergens heeft teruggevonden. Typisch voor de afgeslotenheid waarin hij leefde is wel, dat de menschen daar hem "de Hollander" noemden. Het kan wel zijn dat het mijn gemoedsstemming was, die zich daarin weerspiegelde, maar die geheimzinnige eenzaamheid, met de eigenaardige flora, die ik ook nooit meer heb teruggezien, wekte een sterke eenheid met de natuur in mij op. Dat geeft een zoo lokale kleur aan je gemoed, dat het waarschijnlijk voor anderen niet zoo benaderbaar is als voor den persoon die het zelf heeft doorleefd. Een streek—van moeras en heuvels—in groote eenzaamheid—ver van alle verkeer gelegen. Ik woonde er ook geheel als vreemdeling. En dit gaf mij die buitengewone bekoring van terug te duiken in het natuurleven, en dus heel sterk dien band te voelen met natuur en zinnen, die behoedt tegen louter abstract zijn, waartoe de wijsbegeerte zoo licht aanleiding kan geven.
In samenhang daarmee en in tegenstelling tegelijk, heb ik mij toen meer rechtstreeks stelselmatig toegelegd op de wijsgeerige studie. Ik ben begonnen met de positivistische philosophie van Hume—waarschijnlijk omdat men meestal begint met met zijn vijanden af te rekenen. Die vijand namelijk is een element van ons eigen gemoed. Als hij niet in ons woont bestrijden we hem niet…. Ja, deze leer woonde in mijn gemoed en dat was voor mij een aanleiding om het positivisme ernstig te onderzoeken en tegen-motieven te vinden. En van Hume kwam ik op Spinoza.
Mijn eerste studie in "De Kroniek" was een stuk over Spinoza. Ik meende in hem een levensleer te vinden die uitgaat van de geestelijke Idee.
Daarmede had ik mijn werk gericht in de lijn der wijsbegeerte en ben toen uit de directe omgeving van de literatuur losgeraakt. En onderwijl heb ik voor mij zelf een reeks kennis-theoretische studies ondernomen, die ik nooit gepubliceerd heb en die wel zeer onrijp zullen wezen, maar die voor mij dit voor hadden, dat ik nu het Kennen leerde beschouwen als een geestesarbeid, en dus onzen geest alsactiviteit, in tegenstelling tot de positivistische opvatting, die ons geheele geesteswerk beschouwt als een associatie, als een soort van natuurproduct.
Maar Spinoza heeft weldra mijn liefde gekregen, en er zijn weinig weken in mijn eerste tiental studiejaren geweest, dat ik niet in Spinoza gewerkt heb….
Wanneer u nu vraagt naar de vrucht van de periode, waarin dus eenerzijds in mij het levende natuurgevoel en de zinnelijke waarde van het woord versterkt werden en anderzijds in mij de bewustwording van de Idee werd aangekweekt, dan verwijs ik u naar mijn bundelIdee-studies. Ik had onderwijl een paar studies geschreven: de eerste was over het oorzaak-begrip, en met de tweede was ik in de gewenschte lijn gekomen: zij was getiteld: "De norm der Waarheid is in ons zelf". De geestelijke waarde werd daarin vastgesteld als een eigenschap van eigen subjectiviteit. Daardoor krijgen de denker zoowel als de artiest het recht tot zelf-openbaring. En zooals de artiest zijn zelfopenbaring als schoonheid aanziet, heeft de denker het recht zijn zelfopenbaring als waarheid te erkennen. Ik stelde dus een parallel tusschen denker en kunstenaar vast. Maar de idee-studies zijn dan, eigenlijk, laat ons zeggen, de rijpe vrucht van die periode, waarvan ik de twee zijden nu tegenover elkaar heb uiteengezet…. Ik heb daar veel pleizier van gehad en ben juist bezig aan het bewerken van een tweeden druk: het is zeer eigenaardig, weer in de sfeer te komen, waarin ik toen een pooslang heb geleefd. Ik heb er eenige studies aan toegevoegd, die ook uit denzelfden tijd zijn. Het blijkt mij ook, dat de idee-studies bij vele verwante gemoederen sympathie hebben gevonden.
—In hoeverre heeft, volgens u, de Nieuwe-Gidsbeweging leiding gegeven aan het geestelijk leven in ons land?
—Ik gevoelde dat er een groot verlangen was naar een nieuwe kunst en ik was verzekerd dat de "Nieuwe Gids" die geven zou. Ik kon nog niet zien de personen die hem zouden geven, omdat in de verschillende leiders zeer schoone eigenschappen zichtbaar waren, maar geen aanwijzing van het groote werk dat door henzelve beloofd werd. Ik meende ook dat de nieuwere tijd een speculatiever inhoud zou hebben dan alsnog door de "Nieuwe Gids" werd gegeven. Maar dat de beweging een noodige heilzame was voor de vernieuwing van het bewustzijn, voor de vrijmaking van den geest, en dat de nieuwere cultuur in het verlengde daarvan liggen zou, dat heb ik direct geloofd. Ik meen ook dat de wijsgeerige beweging een afstammelinge is van de Nieuwe-Gidsbeweging. Toen het tijdschrift voor wijsbegeerte werd opgericht, heb ik een inleidend artikel ervoor geschreven. Daarin heb ik gezegd…. Maar laat ik u liever een stukje voorlezen:… "een wijsgeerigebewegingzou niet hierna gevolgd zijn, zoo niet daar geweest ware de literatuur van '80. Want door deze werd in het breede een intellectueele behoefte wakker, die niet door de exakte wetenschap werd voldaan. Zoo kon voor de wijsbegeerte ontstaan een terrein voor algemeener belangstelling dan der enkelen. Het lag bovendien in den aard der beweging van '80, dat uit haar een wijsgeerige behoefte ontwaakte. Immers zij was niet maar een aktie tot voortbrengst van literaire werken, doch veeleer een kultuurbeweging, in welke zulke werken werden voortgebracht. De uiting was hoofdzakelijk belletristisch, maar de uiting is het wezen niet. De nieuwe literatuur bracht een nieuwen factor in de geestelijke beschaving aan, nl. den hartstocht der Taal. Zooals de oudere schrijvers een moraal, een geloof, een roeping en een godsdienst hadden, en bovendien schrijvers waren, zoo had de nieuwe literatuur geen moraal noch godsdienst dan den hartstocht der Taal. De Taal te hebben was een geloof; de eigen verbeeldingswaarde en het muzikaal karakter der Taal te kweeken was een roeping. Het Woord was niet maar als een ongevoelde klank en uitdrukkingsmiddel ten bate van voorstelling en begrip, doch een vrije Macht. De vrije vaan des Woords, door haar gevoerd, was aanwijzing dat zich een kultuur toebereidde—die breeder gebied zou omvatten dan roman en vers. Zoo kon de literatuur van '80 voor het intellekt een aansporing zijn, die ook de wijsbegeerte ten goede kwam…. Maar nu zou blijken waarheen de Taal drong. Want de macht, die zij geeft over de stof, noodigt tot wijsgeerige bezinning. Taal en denken zijn tweelingsuitingen des geestes; en een kultuur die de vrije beweging des woords tot leus heeft, kan wel beginnen bij het zinnelijke woord maar moet eindigen bij het geestelijke. De Taal heeft een voorstellings- en een muzikale wereld in zich, maar ook een begripswereld; want deze laatste is tegelijk met de taal zelve uit den aard der menschelijke subjectiviteit (den geest zelf) voortgevloeid … dat de literatuur van '80 haar terrein verbreeden en de grenzen der literatuur overschrijden moest (waaruit blijkt dat zij inderdaad een kultuurbeweging en niet slechts een literaire school was) volgde uit haar opzet, die voor haar literatuur te groot was. Want terwijl de leiders een hervorming van het Nederlandsche geestesleven in vooruitzicht stelden, was hun literatuur overwegend lyrisch. En alleen een dramatische letterkunde heeft de breedheid die een kultuur omvat. Zoo kon dan de beweging van '80, voor zoover zij literatuur was, haar voornemens niet vervullen en werd juist in dezen kring de nood gevoeld om de literaire inspiratie te voeden door aan het leven een breeder inhoud te geven, gelijk bleek in die leiders, die hun arbeid verlegden naar het terrein der maatschappelijke hervorming…." Boeken heeft mij toen bestreden en gezegd dat de Nieuwe Gids niet direct den hartstocht der Taal kweekte, maar met een nieuwe levensbeschouwing kwam. Ik heb toen met citaten uit "De Nieuwe Gids" bewezen, dat voor hem de taal werkelijk alles was waar het om ging, en zoo de intellectueele waarde der Taal naar voren moest komen en de wijsgeerige beweging volgen kon of moest.
—Met de opvatting dat de beweging van '80 geen levensbeschouwing bracht kon ik niet instemmen. Ik had in een buitenlandsch tijdschrift de stelling verdedigd, dat de literatuur-beschouwing van de "Nieuwe Gids" eigenlijk een levensbeschouwing was, en vroeg mijn gastheer dan ook, of hij niet had opgemerkt dat alle jongere schrijvers van die generatie een gemeenschappelijke levensopvatting waren toegedaan. Zijn antwoord stelde mij teleur.
—Ik weet alleen dat het in den beginne over het algemeen positivistisch gezinde menschen waren. Ik denk dat dat kwam door de eenzijdige voorliefde voor de zinnelijke waarde van het woord. Aanstonds zijn er grootere gevoelens doorgebroken. Als u Van Eeden tegenover Verwey, Kloos tegenover Van Deijssel stelt, dan ziet u toch, dat dit zoo heterogene menschen zijn, dat van eenheid in levensbeschouwing heel weinig sprake is geweest. Op dat oogenblik bestond de behoefte ook niet aan ontwaking, omdat het leven voor de taal het heele gemoed van de Nieuwe Gidsers innam. Dat was het nieuwe gebied dat door hen geopend werd.
—Deze meening was mij ook reeds door anderen tegemoet gevoerd. Ik had gehoopt dat Bierens de Haan mij zou bijspringen. Ik deed een laatste poging om hem in mijn richting te leiden: Of dan niet juist een gebrek aan levensbeschouwing de jongere dichters vereenigde? vroeg ik.
—Dat zou u kunnen zeggen, kreeg ik ten antwoord, wanneer niet dat gebrek een noodzakelijkheid geweest ware. Omdat de aandacht zich zoo richtte op de schoonheid, was de revolutionnaire strekking van de beweging niets anders dan dit voorop te stellen. Dat zou tenslotte armoede zijn geworden, wanneer niet de beweging in de richting van het wijsgeerig denken door was gegaan.
—Het woord "armoede" leek mij in dit verband toch wat sterk gekozen, en dit bracht mij tot de vraag, wat dan het onderscheid was tusschen de romanliteratuur, door de tachtigers en hun verwanten gegeven, en de wijsgeerige verdieping die mijn gastheer bedoelde?
—Het onderscheid is dit, dat in het wijsgeerig denken de behoefte ontstond aan een stelselmatige levensbeschouwing, dat wil zeggen: aan de centrale Idee, de centrale gedachte, de gedachte van waaruit het leven kan worden doorzien, de levensuitingen kunnen worden begrepen en gewaardeerd—en die behoefte is in de romanliteratuur die u bedoelt natuurlijk niet aanwezig. Ik heb die centrale gedachte aanvankelijk bij Spinoza gevonden. Toen was mijn denken meer psychologisch-wijsgeerig, terwijl ik het nu liever cosmologisch-wijsgeerig noemen zou.
In Spinoza lag de grondgedachte dat het leven is een volharding in ons eigen zijn. Van daaruit werden zoowel moraliteit als religie begrepen en indirect ook de schoonheidszin, hoewel Spinoza dien factor van onzen geest eigenlijk voorbijziet. Maar Spinoza had dit, dat hij althans tot het diepste punt van onze natuur doordacht en van daaruit zijn levensbeschouwing opbouwde. Dit was de noodige aanwijzing voor een wijsgeerige levensleer. En nu is het merkwaardige dat Spinoza juist ook aangewend werd door de meer positivistische denkers, de oudere philosophen, zooals Van Vloten en Lotsy bij ons….
—Hier maakte ik de opmerking, dat van het gebrek aan levensbeschouwing bij de tachtigers tot aan het streven naar meer wijsgeerige bezinning nog een stap te doen bleef. Moest, zoo vroeg ik, niet eerst de overtuiging postvatten, dat een centrale gedachte in principe te vinden zou zijn?
Mijn gastheer beaamde dit, en hij verduidelijkte mijn bedoeling door te spreken van den stap van het positivisme naar het idealisme. Het was juist in den strijd tegen het positivisme, dat het idee van de activiteit van onzen geest naar voren kwam. Waar de geestelijke activiteit is, daar heeft ze haar eigen begrippen, daar stelt ze haar eigen beginselen, daar stelt ze ook de centrale gedachte. Het lag in de consequentie van den strijd tegen het positivisme, dat men de centrale gedachte vond.
—De eenigszins wijsgeerig georiënteerde lezer begrijpt, dat ik zeer gesticht was door deze duidelijke verklaring. Hier had ik dan uit den mond van een philosoof, die rechtstreeks stamt uit de Nieuwe Gidsbeweging, die in die beweging tot wijsgeer is geschoold, een bevestiging van mijn hypothese, dat de grond-idee, die bewust of onbewust in de Nieuwe Gidskunst is neergelegd, is de pseudo-philosophie van hen, die zeggen geen wijsgeer te willen zijn. De schijn-verlichtheid van het Comtisme, het spooksel dat men had te overwinnen om uit de kunst van tachtig tot een werkelijk hoogere trap van cultuur te komen….
Het speet mij niet dat ik Bierens de Haan had afgeleid van Lotsy, met wien hij, ik ontveins het mij niet, nog gaarne een appeltje had geschild. En in mijn milde stemming liet ik hem nu maar voortspinnen aan een denkbeeld, dat eigenlijk niet in mijn lijn lag,—al behoort het tot het grootste dat het wijsgeerig vorschen ten onzent in de laatste vijfentwintig jaar heeft opgeleverd.
… Maar—zoo hernam hij—om op de oudere Spinozisten terug te komen: Ik heb met Lotsy verscheiden malen in "De Kroniek" gepolemiseerd, maar dat bepaalde zich meestal tot het stellen van onvriendelijke noten van weerszijden onder de pagina's. Wat mij overtuigd heeft dat Spinoza inderdaadidealistischdacht, is het einde van de Ethiek, waar de "intellectueele liefde tot God" als het hoogst bereikbare van het leven gesteld wordt, als geheel liggend in de lijn van de volharding des menschen in zijn eigen zijn. Daarom meende ik dat ook een idealistische interpretatie van het Spinozistisch levenssysteem geoorloofd was. De vrucht daarvan is geweest mijn boek "Levensleer naar de beginselen van Spinoza," dat ik in 1900 uitgegeven heb bij Martinus Nijhoff.
Al meer ben ik toen ons geestesleven gaan opvatten als een bewustwording van ons innerlijke wezen en in die lijn is mijn geheele gedachteleven doorgegaan. En dat Spinoza nog steeds mijn sympathie heeft, kan hieruit blijken, dat ik op verzoek van de "Hollandia-drukkerij" geschreven heb de vertaling van de hoofdpassage's uit Spinoza's Ethica, met een inleiding over het Spinozistisch denken. Maar daar komt nu juist weer meer een cosmologische opvatting van het leven voor den dag, die ook in Spinoza steekt en die ik vroeger wel wat heel sterk afscheidde van de psychologische, nl. in deze uitspraak: De mensch is "God voor zoover hij niet-eindig is"—dat wil zeggen, dat er een eenheid is van het menschelijke en het goddelijke en ook het geestesleven als verschijning van den Cosmos moet worden doordacht. Dit echter is een verbreeding van het psychologisch denken—geen afwijking ervan.
U ziet dus dat wij een heel andere richting opgaan dan de veel beperktere van den psychologischen roman, die niet veel verder gaat dan directe analyse. Maar wel kan ik hierop laten volgen, dat, wat betreft den inhoud waarover dit denken zich uitlaat, het zich vooral beweegt in de innerlijke zielswaarden. Terwijl vroeger de theologie het menschelijk denken beheerschte en de onderwerpen waren bijv. "Praedestinatie en Wonder", of "De eigenschappen Gods", of "Godsbestuur en het kwade"—zijn in deze nieuwere speculatie de onderwerpen vooral: "Het ironische", "De eros", "Vrijheid en gezag", "Het verband van schoonheid en denken", "Geluk, geest en zinnen", "Het tragische", "De cultuur" e.d. Het zwaartepunt van de aandacht ligt in de sfeer der Psyche, wat niet wegneemt dat die zielsinhoud opgevat wordt als verschijnsel van cosmische beweging. Wat in den mensch is, is hetzelfde als in de geheele ontwikkeling van het wereldleven wordt vertoond. Zoo wordt echter de wijsbegeerte veel meer cultuur-denken en gaat veel meer in den breede dan de psychologische roman dit kan doen.
—Ik verzocht mijn gastheer nu, zijn standpunt scherp af te bakenen ten opzichte van de twee stroomingen, die na de "Nieuwe Gids" ons geestelijk leven trachten te beheerschen, de wijsbegeerte van het Proletariaat en die van de Zuivere Rede, welke Bolland's volgelingen hebben gesticht.
—Het moet altijd—zoo leidde hij op het eerste zijn antwoord in—de grondgedachte zijn van een wijsgeerige beweging, dat zij de cultuur hervormen wil van binnen uit en niet gelooft aan een werkelijke verhooging van de cultuur door economische maatregelen. Dat wil niet zeggen dat er een bepaald vijandige verhouding is tegenover die opvatting—het kan zelfs in zich sluiten een zekere erkenning van de onmisbaarheid van economische hervormingen. Maar het is niet de verwachting, dat daaruit werkelijk iets hoogers geboren zal worden. Dat wil dus zeggen: De maatschappelijke rechtvaardigheid is een ondergeschikt denkbeeld van de cultuur, maar het is niet gezegd, dat de maatschappelijke rechtvaardigheid een socialistisch stelsel van maatschappelijke vorming of hervorming meebrengt. In het algemeenlijkt hetmij, alsof de wijsgeerig gezinde een zeker aversie heeft tegenover afgesloten meeningen over de inrichting van de maatschappij. Ook moet men altijd een tegenstelling tusschen maatschappij en innerlijk zien, en daaruit volgt, dat dàn pas een hooger cultuur aanbreekt, wanneer de innerlijkheden op een hooger plan zijn gebracht. De wijsgeerig gezinde streeft er naar, het innerlijk te verhoogen en in zoo uitgestrekt mogelijke kringen werkzaam te zijn tot verheffing van het zedelijk bewustzijn. Hij onthoudt zich allicht van de propaganda voor zuiver uitwendige maatschappelijke verbeteringen. Dat komt dus neer op een eenigszins negatieve verhouding tegenover de socialistische strooming.—Deze is de begrippenvorming van de behoefte aan economische verbetering en gaat niet uit van het cosmologische begrip der Idee. Zij moet dus de geesteswaarden als surplus of toevoegsel beschouwen, terwijl deze juist de grondleggende zijn. Het is niet gezegd dat in een socialistisch goed geordende maatschappij het gedachteleven, het gemoedsleven, het kunstleven, hooger staan dan in een chaotische. Want tot nu toe zijn kunst en wijsbegeerte en poëzie in hun hoogste vormen geweest bij alle mogelijke soorten van maatschappijen. Een negatieve verhouding dus, die niet exclusief is tegenover maatschappelijke wijziging, maar er het intellectueele heil niet van inziet.
—Heeft dus volgens u de intellectueel niet veel te leeren van de grootsche gevoelens en ideeën die er leven in de massa, speciaal in het zich organiseerende proletariaat?
Zacht, beslist en precies luidde hierop het antwoord:
—Ik wijs af een opvatting, waarbij het innerlijk niet uit zichzelf leeft en waarbij de menigte naar economische motieven over het geestesleven wil heerschen….
—Heeft dan het innerlijk leven, zooals u het verstaat, te vreezen van een overwinning van de menigte?
Het antwoord ging even langs de vraag heen, maar ook hierin lag voor mij een antwoord besloten:
—Vrees heb ik er niet voor, omdat ik niet geloof dat ooit het innerlijk weerlegd kan worden door het economische. En omdat ik er toch ook in zie een poging tot wijziging van het maatschappelijk samenstel, waartoe op zichzelf een zekere grond bestaat. Treffend vind ik, dat in de latere gedichten van Gorter, de socialistische, datgene schoon is waarin het oude geluid van "Mei" naklinkt, zoodat men zeggen kan: Wanneer een socialistische maatschappij bestond, ook dan zou de schoonheid niet daaraan ontleend zijn, maar aan het innerlijke. Het innerlijke heeft zijn zelfstandigheid en geeft die niet op. Het is het eigenlijke dieptepunt, het centrale punt van leven en werkelijkheid. De loochening daarvan staat gelijk aan de ontkenning dat de cirkel een middelpunt zou hebben. De geestdrift der idee blijft altijd het ontspringpunt van schoonheid en waarheid en ook van goedheid. Elke maatschappij zal ten slotte weer haar waarde moeten ontleenen aan deze geestdrift, die niet uit het maatschappelijke maar uit het innerlijke komt.—
Wat nu de strooming van "Zuivere Rede" betreft, in het algemeen zou ik zeggen, dat de mensch altijd aangewezen is op de centrale gedachte om van daar uit persoonlijk het leven te doorzien—maar dat het stelsel in zijn naaktheid nooit deze rechtstreeksche zienswijze kan vervangen…. Wat niet wegneemt dat Hegel zelf een ziener is en voor hem de Idee de levende kracht is, die geheel de natuur en de cultuur draagt. Men krijgt bij hem heel sterk den indruk, met een ziener te doen te hebben. Dat echter de idee van Hegel alleen maar in zijn stelsel uitgewerkt zou kunnen worden, met andere woorden, dat het Hegelsche stelsel de noodzakelijke uitingsvorm is van de Hegelsche grondgedachte—dat stem ik niet toe. Althans, dunkt mij,zal wel nooit de wijsbegeerte de kunst mogen of kunnen vervangen, maar juist de bezielende kracht moeten zijn voor kunst en moraliteit en religie tegelijkertijd.
—Hoe is dan het verband tusschen kunstenaarwijsgeer en maatschappij; denkt hij, al speculeerend, daarbij aan hen die van zijn werk kennis zullen nemen, met andere woorden, stelt hij zich in dienst van zijn medemenschen?
—Dat vind ik een aardige vraag. Het is juist een vraag die dikwijls mijzelf bezighoudt, maar waarop een tweevoudig antwoord moet worden gegeven:
Het eerste antwoord is, dat ik mij verklaar tegen alle wijsgeerig aristocratisme, dat alleen aan zichzelf denkt.
En het tweede antwoord is, dat in hoogsten zin toch de wijsgeerige beschouwing, en het geheele denkerschap, een innerlijk heiligdom betreedt van het gemoed—waar zij ontoegankelijk is voor een ander.
Laat ik nu het eerste antwoord een beetje verbreeden: Het denkerschap heeft een roeping voor de maatschappij, nu wel niet in den preciezen zin van het woord, maar toch wel voor een zoo breed mogelijke groep van intellectueel gezinden. Ik geloof dat wijsgeerige beschouwingen helderheid kunnen geven, licht kunnen brengen aan veel meer geesten dan op het oogenblik daar nog van genieten. Ik zou er zelfs voor zijn, om bij het onderwijs aan de H.B.S. en het gymnasium te beginnen met het doceeren van wijsgeerige gedachtengangen. Op het gymnasium kan dat zeer goed door een uur vrij te maken voor de studie van de Grieksche wijsgeeren, en ook op de H.B.S. kan men met de kapitaalste figuren uit de geschiedenis der wijsbegeerte kennis maken. Dan moest men eenvoudig maar iets van het andere onderwijs opgeven, daar kan men wel wat van missen! Men zou bijv. de hoofdgedachten uit de "Kritik der reinen Vernunft" in de hoogste klassen van de H.B.S. kunnen toelichten. Er zou belangstelling kunnen gewekt worden voor Socrates, voor Cartesius, voor Spinoza en voor Kant—men zou desnoods kunnen werken met een gedeelte van de klassen, waarin zich belangstelling voor het intellectueele had geopenbaard, om zoodoende zooveel mogelijk aan een ontwikkelde meerderheid een begrip bij te brengen van intellectueele waarheden.
U ziet dus, dat het mijn bedoeling niet is, de wijsbegeerte af te zonderen voor een kleine groep. Maar boven deze ontwikkelden zal er blijven een speculatief gezinde minderheid, die zelf ook arbeidzaam kan zijn in het behandelen van wijsgeerige vragen, die zelf het denken meer als kunst zal kunnen behandelen. Dat is de groep die een eigen scheppingsdrang voelt en dezen niet slechts in kunst- en andere werken, maar ook in gedachtengangen wil omzetten, menschen die een enorm levensgeluk kunnen ontleenen aan hun actief-wijsgeerige belangstelling. Menschen die met goede leiding heel wat gedaan kunnen krijgen, terwijl ze nu in het onbestemde ronddwalen. Zoo meen ik zeker dat de wijsbegeerte nog heel wat meer kan doen voor de verheffing van zekere lagen der maatschappij dan ze tot nu toe gedaan heeft.
Maar ten slotte—en nu kom ik weer aan het tweede antwoord,—zal toch weer de wijsbegeerte zijn het denken voor de denkers zelf, die op de Pyramide een hoogere trap bereikt hebben, dan waarop de meerderheid zal kunnen komen.
Ik meen echter, dat de kunst al zooveel meer toegang zich verschaft heeft tot een grooter publiek dan er voor jaren was en ook de letterkunde, de poëzie en de dramatiek al zooveel meer gedaan hebben voor de geestelijke opvoeding van ons geslacht, dat hierin een aanwijzing ligt, dat ook de wijsbegeerte meer kan doen. En daarom begroet ik ook zulke inrichtingen als de Volksuniversiteit te Amsterdam, waar ik zelf ook les zal geven, met dankbaarheid.
Men ziet hieruit, dat naar mijn meening de wijsbegeerte van het innerlijke uit hervormingen zal verwekken, die misschien meer resultaat hebben voor den geestelijken bloei van ons vaderland dan oeconomische hervormingen. Niet dat ik die laatste gering schat natuurlijk, maar mijn liefde tot het geestesleven maakt, dat voor mij altijd weer de nadruk valt op de eerste.
Wanneer de wijsbegeerte zich niet open wou stellen voor een grootere schare, maar een apart bezit werd voor enkelen, die haar zorgvuldig omsloten hielden met hun zelfbewustzijn, dan kregen we heel licht een quasi wijsgeerige cultuur van velen, die zich de enkelen willen wanen—wat het Nietzscheanisme bij de Duitschers is—die ieder meenen dat zij den Uebermensch zijn—omdat zij de scheidingslijn tusschen intellect en menigte met voorliefde trekken inplaats van met zekere teleurstelling.
—Hoewel mijn gastheer—wat trouwens wel uit keus en geest zijner woorden voelbaar is—zeer rustig en met slechts weinig nuanceering in stem en toon sprak, klonk uit deze laatste woorden weemoed genoeg om mijn volgende vraag te motiveeren en deze luidde:
—Is het echter bij deze opvatting niet te vreezen, dat men zich zal laten verleiden tot een al te populairen zeggingsvorm, waarin dan de wetenschappelijke juistheid te loor gaat?
Neen—er is een zekere artistiek wijsgeerige bewoording, waarin aan de waarde der idee niets wordt afgedaan, maar wel een toegankelijkheid voor een grooter kring wordt geopend. De schoone vorm is voor velen, die anders van het abstract gehouden woord een zekeren afkeer hebben, het middel tot toenadering. Mijn ideestudies zijn niet strikt wijsgeerig, maar het innerlijk gehalte is het toch wel. Er is bij velen de mogelijkheid om zich in de centrale gedachte in te denken, zonder dat het geheele stelsel voor hen toegankelijk is. Deze menschen hebben meer intuïtief vermogen van speculatie dan zij didactisch vermogen hebben, maar ze zijn dan toch in de wijsgeerige cultuur mede inbegrepen. Een minder stelselmatige en meer artistieke voordracht kan toch hebben de hoogte of de diepte der idee die wordt benaderd. Ik geloof dat er veel meer menschen dan men vermoedt vatbaar zijn voor zelfbezinning en dat dit niet zoozeer een prerogatief is voor enkelen!
Het hangt allemaal af van de aanwezigheid van beschouwelijk temperament. Ik kan niet beoordeelen of dit beschouwelijk temperament in onze beschaving veel of weinig voorkomt. Het komt zeker veel voor bij menschen van wie men het niet weet. Men weet het alleen van menschen die zich uiten, niet van menschen die zich beschouwen. Althans, de hoogstrevendheid van het willen om wereld en leven te bezien vanaf de berghoogte—deze hoogstrevendheid is wel een innig-menschelijke behoefte en een innig-menschelijk belang; en moet dus wel aanwezig zijn bij meer menschen dan van wie men het merkt. En zoo vermoed ik dat er wel een grooter kring van bewoners dezer maatschappij aanwezig zal zijn, die vatbaar zal zijn voor het wijsgeerig woord.
—Ik merkte op dat ik thans aan de grens was gekomen van hetgeen voor mijn enquête, die immers hoofdzakelijk van letterkundigen aard is, van nut kon worden geacht, maar hij verzocht mij aan al hetgeen hij had gezegd eigener beweging iets te mogen toevoegen, dat ook verband hield met mijn gedachtengang.
—Het pessimisme, zoo zeide hij, is in de negentiende eeuw vrij algemeen de grondstemming geweest. Ik geloof dat ieder denker het pessimisme heeft doorgemaakt, dat zeer vele gemoederen in het pessimisme zijn blijven steken. Ik weet echter, dat zij die erin terecht zijn gekomen, in de wijsgeerige speculatie een kracht hebben om zich er uit te heffen. Dat slaat niet alleen op het stemmings-pessimisme van een voorafgaande periode of het Schopenhaueriaansch pessimisme dat een levenshaat tot inhoud heeft, maar ook en nog meer op het intellectueel pessimisme dat men sceptiek noemt. Want dat is eigenlijk de meest knagende vorm van pessimistischen gemoedsaard, die zekere sceptiek, waarbij men zich eigen gedachten niet vertrouwt, altijd zichzelf weerlegt, nooit met zichzelf in het reine komt, altijd als het ware achter zijn eigen gedachten gaat staan om die voor louter subjectiviteit uit te krijten. Dit intellectueel pessimisme wordt overwonnen, zoodra onze geestelijke energie zichzelf erkent, van zichzelf uitgaat en daarmede een vast punt heeft dat onverzettelijk is. Ik heb in mijn werkDe Weg tot het Inzichtook niets anders bedoeld als den weg te wijzen tot dit vaste punt, als het denken—niet over allerlei onderwerpen, maar over zichzelf. Als toch het denken zichzelf erkent, erkent het meer dan eigen zielsinhoud: het erkent zijn eigen grond. Die grond is een cosmisch feit. Van daaruit kan het Denken het leven veroveren en met dat zelfbezit is pessimisme en sceptiek overwonnen. Zoo heeft de wijsbegeerte des te meer een cultuur-beteekenis voor het moderne geslacht der menschen.
Naar mijn meening vindt het geheele geestesleven zijn hoogtepunt in de religie, die niet de kerkelijke is en ook niet een aantal dogmen verkondigt, maar is het bewuste een-zijn met den wereldgrond, met God, dat wil zeggen: de innerlijke beleving van de waarheid zelf. Daardoor voelt de mensch verwantschap met de religies, zooals ze zich in de historie hebben voorgedaan. Daardoor zondert het wijsgeerig denken zich niet af tot een aparte cultuur, maar sluit zich geheel aan bij de religieuze cultuur aller eeuwen.