Toen lachten we beiden. Het gevaarlijke punt lag achter ons. De intellectualistisch gezinde had den aesthetisch gezinde gewaardeerd.
—Natuurlijk zei Bastiaanse, deze dingen kan niemand zoo uitdrukken als de dichter, en daarom heb ik u een paar maal den dichter laten hooren. In welken wezensstaat de mensch ook verkeert, wanneer hij als dichter de dichterlijke droom in zich voelt komen, dan is hijdecomplete mensch….
—Dit is inderdaad een standpunt, merkte ik op. Waarom deed ik mij nuchterder voor dan ik ben?
Hij vertelde mij dien avond o.a. dat hij zijn vacantie in Zwitserland ging doorbrengen om er de rust te zoeken, die hij hier bij zijn velerlei bezigheden, waaronder het secretaris-schap van de Vereeniging van Letterkundigen, niet kan vinden. Weet u, vroeg hij bij het afscheidnemen op zijn langzame manier, weet u wat bij een vorige gelegenheid mijn hoofdindruk was van Zwitserland?—Gelukkig, dat zedatniet plat kunnen s_l_ijpen!
—Heeft hij erg gebromd? vroeg zijn vrouw mij, toen ze me uitliet.
Er lag een waereld van verstandhouding in die vraag.
"Natuur en Leven" (1900)—"Gedichten" (W.B., 1909) [Van "Het boekJeugd" verscheen een metrische vertaling in het Duitsch, van PeterMühlfarth.]
Voorts een aantal verspreide studies, w.o. "Het spellings- en taal-systeem van Kollewijn" (in 1911 afzonderlijk verschenen) en het overzicht "Taal en Letteren" in het verzamelwerk "Nederland in de twintigste eeuw". In verband met bovenstaand gesprek is vooral van belang "Het geestelijk lied", een lijvige beoordeeling van Knuttel's dissertatie, die in "Groot-Nederland" jrg. 1908 werd opgenomen en o.a. uitvoerig over het historisch materialisme handelt.
[4] Het hier volgende citaat is als manuscript gedrukt!
[Illustratie: Foto Koene & Büttinghausen, A'dam HERMAN ROBBERS (Mei 1891)]
[Illustratie: Foto J. Huijsen, A'dam HERMAN ROBBERS]
De oogen van dezen man, die iets beschermends in zijn lange gestalte heeft, zouden mij te nuchter lijken, indien niet de langdurige inwerking van de brilleglazen hun uitdrukking vervaagd had. Neen, nu ik goed kijk is er iets peinzends in, dat ook wel past bij den ietwat scheef getrokken, breeden, een groote ontvankelijkheid teekenenden mond. Dat hij het hoofd voorover draagt komt ook eigenlijk niet doordat hij van zijn respectabele lichaamshoogte op alles wat hem omgeeft moet neerzien. Nadenkend beluisteren van stilte en eigen stemming is er de oorzaak van. En nu hij vóor mij zit met den aarzelenden glimlach van de eerste kennismaking op het gelaat, begrijp ik ook waardoor zijn borstelige pruik midden op het voorhoofd is uitgegraven. Kijk, hij heeft het, ondanks betrekkelijke welgesteldheid, in het leven niet gemakkelijk gehad en ook in deze gezellige, comfortabele studeerkamer heeft hij menigmaal moeten vechten met zichzelf, en dan heeft hij de bevende vingers op het plekje dat nu kaal is geworden tegen zijn voorhoofd gedrukt…. Met zoo iemand kan ik goed praten: Deze hier weet, dat ons innerlijk geen product van de omstandigheden is of mag zijn, maar—wat ons brein ons ook wijs make,—zijn eigen weg moet zoeken.
Als ik hem nu vraag onder welke omstandigheden het hem bewust is geworden, dat hij als schrijver zou optreden, blijkt mij, geheel in overeenstemming hiermede, hoe hij juist staat tusschen de mannen van '80 die zich aan eigen gemoed verslaafden, en de jongere generatie, die de inblazingen des gemoeds met verstandelijke overwegingen tracht te leiden of te onderwerpen. In den loop van ons gesprek verwonder ik mij telkens, hoe hij zich bijna blindelings tusschen die beide richtingen door oriënteert, en ik zou hier aan philosophische vindingrijkheid gaan denken,—ik heb pas van een buitenlandsch dichter vernomen dat wij, Hollanders, richtingen scheppen of 't niets is—als ik zijn theorieën niet belichaamd voor mij had zien staan, indien ik ze niet had weergevonden in zijn blik, in de trekken om zijn ontvankelijk-wachtenden mond, en in dat heldere, rustige wiskunstenaarsvoorhoofd, dat—als ik 't eens zoo mag zeggen—meer denkt dan de ziel kan navoelen. Maar hierbij word ik onmiddellijk getroffen door het inzicht, dat hij precies zijn positie kent, dat ik zijn gelaat niet verder behoef te ontleden. Hij vertelt het me precies zoo als ik het verwacht heb, hij is een Hollander naar mijn hart, hij heeft "zich rekenschap gegeven"—zooals die buitenlandsche kunstenaar mij zeide dat alle Hollanders doen.
Hier volgt zijn antwoord op de allesbeheerschende vraag, die ik boven kortelijk aangaf:
—"Eigenlijk gezegd heb ik als kind zoolang ik mij herinneren kan al geschreven. Ik was een jongen die altijd las en daarbij al gauw de neiging kreeg zelf verhaaltjes en sprookjes te maken. Dat ispurementeen drang van mij geweest. Ik had als jongen van acht of negen jaar de gekke gewoonte om, als ik een verhaaltje gelezen had, het op mijn manier na te vertellen, liefst op rijm, en met dergelijke gedachten ben ik altijd bezig geweest. Zooals u weet ben ik in Rotterdam geboren en opgevoed, en als leerling van het gymnasium krijg je al gauw wat meer quasi literairen omgang dan op andere scholen. In de derde of vierde klasse hadden wij een zoogenaamde literaire club. Daar moesten wij dan opstellen voor maken. Maar vóór dien tijd had ik al lang het plan dit voor mij zelf te doen. Gelukkig heb ik niet vroeg gepubliceerd. Ik ben daarmee pas begonnen toen ik vierentwintig was.
—Dat was dan toch zeker werk van geheel anderen aard? vroeg ik, om het gesprek op de principiëele zaak te brengen.
—Och, bij mij is daar niet zoo'n groot verschil in. Het schrijven is bij mij niet voortgekomen uit den lust om een of ander idee te propageeren of om in een of ander opzicht aan de menschen iets te willen geven. Ik heb slechts willen voldoen aan een zeker pleizier om een verhaal te schrijven. Het was een soort liefhebberij van mij, zooals de menschen alle mogelijke liefhebberijen kunnen hebben. De een timmert graag, de ander schrijft graag.
Dat eerste werk is een novelletje geweest. "Een Kalverliefde", dat naderhand met twee andere novellen in een bundeltje is verschenen, waarvoor ik geen gemeenschappelijken naam kon vinden en dat ik daarom ook genoemd heb: "Een Kalverliefde, De Verloren Zoon en De Vreemde Plant".
Mijn leven is niet te beschouwen zonder daarbij te nemen mijn gewone werk buiten de literatuur om. Ik was in den boekhandel. Ik had wel altijd het plan gehad om schrijver te worden, maar ik wist ook heel goed dat je daar niet van kunt leven en dat ik moest aanpakken. Studeeren wilde ik niet, en zoo ben ik op mijn achttiende jaar bij mijn vader in de zaak gekomen.Daarwerd onmogelijk hard gewerkt. Daarenboven was ik vrij jong geëngageerd en ging graag 's avonds nog even naar mijn meisje. Als ik daarna thuis kwam, ging ik zitten schrijven. Mijn eerste novellen zijn dan ook geschreven 's nachts tusschen twaalf en drie. Op Zondag was ik meestal te moe. U weet hoe dat gaat, men werkt de heele week hard en rekent daarbij op den Zondag, en dat valt tegen. Toen ik nu ging trouwen, heb ik in dit opzicht een beteren levensregel aangenomen Ik zei tegen mijn vader en mijn broer: wij moeten een verandering maken en de zaak vroeger sluiten. Er was een tijd dat mijn oudste broer en ik tegen elkaar zeiden: "Is het al kwart?" en dat beteekende kwart voor twaalf, als wij naar huis gingen. Nu begonnen wij wat vroeger te werken en werkten door tot halfzeven, om 's avonds vrij te hebben. Toen kon ik dus tusschen acht en negen beginnen. Toen heb ik ook een grooter boek aangedurfd en "De roman van Bernard Bandt" geschreven.
Ondertusschen had ik natuurlijk wat meer algemeen benul gekregen. Laat ik hierbij meteen behandelen mijn verhouding tot de "Nieuwe Gids", waarnaar u mij schriftelijk gevraagd hebt. Dit is bij mij misschien anders begonnen dan bij vele anderen, omdat ik weinig tijd had om van de dingen nota te nemen. Ik had de "Nieuwe Gids" van het eerste nummer af gekend. Ik heb hem nog op zestienjarigen leeftijd in mijn club tegen anderen verdedigd. Toch kan ik niet zeggen, dat ik in de eerste jaren ook zelfs maar geregeld nota heb genomen van wat er in verscheen. Ik las maar te hooi en te gras, dan hier en dan daar. Soms kreeg ik bevliegingen: ik moet een massa lezen,—en dan zat ik daarmee tot diep in den nacht. En dan dacht ik weer: wat kan het mij allemaal schelen, ik heb toch geen tijd. Niet waar, je hebt allemaal van die buien als je nog jong bent…. Ik kende de "Nieuwe Gids" dus wel, en wist wel wat de beweging beteekende, maar ik heb er mij pas goed ingewerkt toen ik vijfentwintig of zesentwintig jaar was, getrouwd, en toen de boeken verschenen van de menschen die vroeger in de Nieuwe Gids hadden gewerkt: de Verzamelde Opstellen van Van Deijssel en de boeken van Van Looy. Van Eeden had ik wel zoo tusschendoor gelezen. Toen kreeg ik eindelijk tijd om met wat meer besef mijn positie ten opzichte van de literatuur vast te stellen. Tot mijn trouwen heb ik in een soort van werkroes doorgeleefd. De eerste jaren van mijn trouwen heb ik "De roman van Bernard Bandt" en "De bruidstijd van Annie de Boogh" geschreven. Dat moest veelal gebeuren in den laten avond, en ik merkte wel, dat dit geen gunstigen invloed op mijn werk had. Je schrijft dikwijls in een soort van overspanning, en dikwijls moest ik den volgenden ochtend verscheuren wat ik den vorigen avond laat geschreven had. Toen kwam de behoefte, mij geheel aan de literatuur te kunnen wijden. Eerst was er een tijd dat ik meende, een transactie te kunnen maken met de firma waarin ik werkte. Ik was nl. in '93 lid van de firma geworden. Ik had voorgesteld, een gedeelte van den dag te werken, en ik heb dat ook een tijdje lang geprobeerd. Ik zou om vier uur weg gaan, maar dat gebeurde eenvoudig niet, mijn eigen zaken gingen mij toch te veel ter harte om ze te laten loopen. Ik bleef dus toch zitten tot half zes, zes uur. Eindelijk heb ik tot mijn broer en mijn vader gezegd: ik ga er doodeenvoudig uit. En op 1 Januari 1905 heb ik dit ook gedaan. In den loop van het voorafgaande jaar had mijn vader mij voorgesteld, om dan de redactie op mij te nemen van "Elsevier". Dat was me natuurlijk aangenaam, want dat gaf meer vastheid voor de toekomst. Ik was oorspronkelijk van plan ergens driehoogachter te gaan leven en dan maar te schrijven. Maar dat behoefde nu niet en ik kon er mij tenminste een beetje aangenamer doorslaan. Toen bleek mij echter, dat ik mij in de laatste jaren wat overwerkt had, en tweeëneenhalf jaar lang had ik erge moeite om te werken. In den loop van 1907 is dat pas overgegaan; toen heb ik wat langer vacantie kunnen nemen en het af voelen trekken. Daarna heb ik een flinke werkperiode gehad, en de twee deelen van mijn "Roman van een Gezin" kunnen schrijven, die in 1907—1909 in "Elsevier" zijn verschenen en daarna als boek.
Daarna ben ik langzamerhand overstelpt geworden met werk van geheel anderen aard, in verband met het vereenigingsleven. Ik heb in 1905 met een paar anderen de Vereeniging van Letterkundigen opgericht, en ik heb dat met erg veel animo gedaan. Maar zij hebben mij dikwijls voor het werk laten opdraaien, zal ik maar zeggen, want daar komt het toch op neer. Ik was in den boekhandel en uitgeverij geweest en kende een heeleboel toestanden van nabij en beter misschien dan de anderen. Ook was ik meer gewoon practisch te werken, en zoo was ik als het ware aangewezen om allerlei werk te doen voor de vereeniging. Ik had ook studie gemaakt van de quaestie van het auteursrecht en daarover geschreven, en een van mijn bedoelingen met de Vereeniging van Letterkundigen was, te verkrijgen aansluiting bij de Berner Conventie en een betere auteurs-wet. In 1908 ben ik met enkele anderen door de Regeering naar Berlijn gezonden, om de Staten-Conferentie over de herziening van de Berner Conventie bij te wonen. In 1910 zijn we toen begonnen met de stichting van het Verbond van Kunstenaarsvereenigingen, dat in 1911 definitief is opgericht op initiatief van de Vereeniging van Letterkundigen. Ik werd Voorzitter van het Verbond en dat heeft mij in de laatste jaren verbazend veel werk gekost. Ik beklaag er mij niet over, maar ik merk toch langzamerhand dat het mij te veel in beslag neemt. Met Januari 1914 moet ik aftreden. Ik hoop dan buiten te gaan wonen en mij weer heelemaal aan de literatuur te geven.
Ik verzocht hem, nu weer terug te komen op zijn verhouding tot literaire scholen en richtingen, waarover hij zooeven was begonnen.
—Ik heb zeker het gevoel, zoo hernam hij, bij de literaire beweging van dien tijd te behooren, zonder in engeren zin mij te hebben gerekend tot de Nieuwe-Gids-beweging.
Hoe omschrijft u eigenlijk de Nieuwe-Gidsbeweging?
—Deze beweging is al dikwijls gedefiniëerd, en dat is in het algemeen wel juist, als een kleinere renaissance, een weeropleving van de persoonlijkheid tegenover de algemeenheid. Maar toch geloof ik, dat door verschillenden in den laatsten tijd te sterk de nadruk gelegd is op het "op de spits gedreven individualisme", zooals men het noemt, en daarmee ben ik het niet eens. "Op de spits gedreven individualisme" is werkelijk een ontzaglijk groot woord, en als gij nagaat wat het zou beduiden, dan geloof ik, dat er heel wat anders voor den dag zou komen als de Nieuwe-Gidsbeweging. Over het algemeen kan men zeggen: in Nederland zoowel als in de omliggende landen is omstreeks 1880 een zekere verfrissching ontstaan, vooral tegenover de sleur en de zelfgenoegzaamheid van de liberale bourgeoisie, ongeveer hetzelfde als ook gebeurd is in de periode van de romantiek, een vijandig staan van de jongeren tegenover de zelfgenoegzaamheid van de gevestigde menschen, die maar geld verdienen en daarmee tevreden zijn. Na de Fransche Revolutie heb je meer en meer gekregen een tevreden burgerij die zijn doel bereikt had, die kon doen wat hij wilde en een hoop geld kon verdienen. Dat platte, banale, bevredigde de jongeren niet. Ze stelden daar tegenover een zoeken naar idealen, dat dan vooral het oog richtte op de middeleeuwen, op een avontuurlijk leven, waarin meer hoog en laag viel te ontdekken. Dit nu is niet heelemaal hetzelfde als een op de spits gedreven individualisme. Het is ook een behoefte om wat dieper te graven in de dingen des levens.
—Maar hoe staat het nu met de uiting: "hoe zieker zenuwen, hoe beter kunst", die men in dien tijd zoo vaak kon vernemen?
—Ook dat moet niet zoo letterlijk worden opgevat. U moet hier ook in willen zien een drang om te komen uit het banale en normale, dat doodend kan zijn voor het eigenlijke leven, een streven naar een meer intens leven, en wanneer ik de "Nieuwe Gids" zoo bekijk, dan geloof ik, dat ze over het algemeen is te vergelijken met hetgeen men ook in de omliggende landen kon waarnemen. Wij Hollanders hadden het idee, dat wij tamelijk eenig zijn geweest met onze Nieuwe-Gidsbeweging, maar wanneer wij de zaken breeder bezien, dan is in de buitenlandsche literatuur toch overal een dergelijke verfrissching merkbaar.
Nou, het is natuurlijk verbazend moeilijk voor mij om te kunnen zeggen, of het bij mij méér is geweest de omgevende wereld, die mij tot een zekere verwantschap heeft gebracht met die beweging, of wel het voorbeeld van de tachtigers, die ouder waren dan ik en wier bestaan ik toch kende. Trouwens, al lees je ze niet veel, dan ruik je ze toch, de dingen hangen in de lucht, nietwaar? Het is heel moeilijk uit te maken, of dit mij sterk geïnfluenceerd heeft, dan wel of dezelfde oorzaken bij mij en hen dezelfde gevolgen hebben gehad.
Netscher heeft eens in de "Hollandsche Revue" geschreven, dat Phocius, dat was ik, achter niemand aankwam,—en dat is betrekkelijk juist, al kwam ik ook eenigszins achter de Franschen aan, voor zooverre ik die gelezen had. Ik had de bedoeling, die verschillende moderne Fransche schrijvers hadden, in de eerste plaats: werkelijk zoo eerlijk mogelijk en zoo zuiver mogelijk mijzelf uit te spreken. Ik had en heb altijd behouden de behoefte om absoluut niets te zeggen dat ik niet diep zou kunnen verantwoorden. Natuurlijk, dat is iets dat je wel zeggen kunt, maar je weet er tevens bij, dat je dikwijls meegesleept wordt door het rhytme, den stijl, de beweging van wat je schrijft. Alles gaat natuurlijk gepaard met een zekere opwinding en ik wil niet een soort van veer op mijn hoed steken en niet beweren, dat ik mij altijd zòo diep heb uitgesproken, dat ik niet eerlijker zou kunnen maken wat ik geschreven heb. Maar ik heb mijn best gedaan, laten wij dit in het algemeen vaststellen.
—Ik vroeg nu, of hij dan de levensverschijnselen op dezelfde manier appreciëerde en verklaarde als de Fransche naturalisten. Hij antwoordde hierop:
—Ik had er over het algemeen heel weinig van gelezen, zooals ik in het algemeen weinig gelezen had op dien leeftijd. Wat ik er van verwerkt had, is voornamelijk den drang om zuiver en eerlijk te zijn. In anderen zin heb ik mij nooit naturalist gevoeld. Ook sta ik verder van Zola af, in zooverre ik den zuiver beschrijvenden kant, dien hij zoo sterk heeft, nooit krachtig in mij heb voelen leven. Ik heb nooit sterk geambiëerd om dat in het Hollandsch te gaan doen. Ik heb het gevoel gehad, dat daarvoor mijn werk niet was, daarvoor heb je schilders, dat wij er voornamelijk voor waren de innerlijk-menschelijke bewegingen weer te geven en de verhoudingen van de menschen onderling. Als ik zou moeten samenvatten wat ik heb geschreven, en wat achteraf mijn bedoeling is geweest, dan kan ik het zoo zeggen, dat ik de behoefte had, na te gaan of in ons moderne leven, zooals het nu is, nog sommige sublieme gevoelens mogelijk zijn, en zoo ja, welke. En wanneer ik die vond dan was het mijn grootste heerlijkheid die te beschrijven.
Ik geloof, dat dit min of meer bewust bij heel veel schrijvers de bedoeling is. Ik geloof, dat de romantici hetzelfde wilden.
Wanneer een man als Ary Prins schrijft zijn "Heilige Tocht", dan moet hij dat met een dergelijke bedoeling doen. Met een eenigszins sterker pessimistischen kijk op de moderne wereld, laat hij zich daarvan afdrijven en tracht in een vroegeren tijd bij een heel ander leven het sublieme terug te vinden. Ik geloof, dat er nog altijd in ons dagelijksch leven heel fijne momenten zijn, waarin subliem gevoeld wordt, en dat is het eenige dat mij aantrekt in het leven, dat mij ook aantrekt in de kunst, en dat ik daarom geven wil.
Nu is natuurlijk maar de vraag: wat bedoel je met "het sublieme"? In dat opzicht ben ik misschien eenigszins een rare kerel. Ik vind bijv. subliem, laat ik zeggen, in een stillen nacht een moeder, die met haar kind zit bij een nachtlichtje en niet naar bed wil gaan, ofschoon haar voeten ijskoud zijn, omdat het kind op haar schoot zoo lekker slaapt. Ik geef maar een voorbeeld, om te zeggen, dat ik niet wil trachten in hoog geestelijke gesprekken het sublieme te benaderen, omdat ik overtuigd ben, dat iemand in zijn eenvoud, wanneer hij maar tracht zichzelf te zijn, de subliemste momenten bereikt. Daarom ook voel ik mij in de Nederlandsche literatuur het meest aangetrokken tot Van Looy, omdat niemand meer dan hij in onze moderne literatuur dat bereikt heeft: de verheerlijking van het leven en de goddelijkheid van den mensch te bewijzen in zijn woord.
—Hier merkte ik op, dat mij nu, evenals in de beschrijving van zijn wording als schrijver, getroffen had, hoe hij uitging van het gewone dagelijksche leven en hierbij stilzwijgend aannam, dat dit overwegenden invloed uitoefende boven het hooger geestelijk leven, ja, daarboven te stellen was. Is dit inzicht van mij juist? vroeg ik.
—In zekeren zin komt het daarop neer. Het diepste gevoelsleven kan zich dagelijks in de meeste dingen uiten, en juist wanneer je er hard naar streeft, zul je het niet bereiken. Wanneer je gewoon maar je gang gaat, en doorvoelt wat je voor de hand vindt te liggen en je het mooiste vindt, dan zul je heel dikwijls vanzelf het sublieme bereiken.
Ik kan dit ook toepassen op het terrein van de kunst. Er is een boel zoogenaamde didactische literatuur geschreven, waarin getracht wordt de menschen beter en braver te maken, terwijl de echte artiest wel weet, dat dat allemaal eenvoudig verkeerd is en je niets beters kunt doen dan mooie dingen maken. Dat komt doordat juist het aller-subliemste in den mensch, het edelste, door iemand die er didactisch naar zou streven niet kan worden bereikt. U moet weten, ik ben nu een beetje vol van de "Heilige Tocht" van Prins, omdat ik dat boek juist ernstig bestudeerd heb. Ik heb er van geschreven: dat er absoluut geen moralistische strekking in gezocht kan worden, maar dat er wel een hoog moreele, of liever ethische, werking van uitgaat, omdat er ethisch niets hoogers bestaat dan de schoonheid. Ik geloof, dat iemand alleen maar goed is in zijn schroomvollen eerbied voor het heilige, het kinderlijke en het vrouwelijke. Wanneer men dat gevoelt is men goed. Maar zoodra men gaat denken, komt men tot allerlei vertroebelingen. Dat zou Vader Cats den menschen in zijn gedichten niet hebben kunnen vertellen, niet waar? Zoodra je didactisch te werk gaat, moet je de menschen al redeneerend er toe brengen goed te zijn. Maar wanneer je de menschen kunt ontroeren door schoonheid, dan worden zij vanzelf goed. Ik herhaal: het is nooit mijn bedoeling geweest, de menschen met mijn boeken beter te maken, maar iedereen, ook een artiest, heeft toch behoefte aan de ethische verdediging van zijn werk.
Nu moet uditgoed in het oog houden. In hoogeren zin erken ik geen verschil tusschen ethiek en aesthetiek, en dat kan ik heel goed verdedigen.
Er bestaat maar één mooi, en dat is voor alle menschen hetzelfde. En of dat nu is een boom of een stuk kunst of een daad, het blijft hetzelfde. Ik geloof juist, dat de schoonheid van de daad voor de minst ontwikkelden het meest begrijpelijk is.
Als je gaat onder het volk, dan merk je wel, dat zij voor de kunst niet voelen, de schoonheid in de natuur niet zien. Maar wanneer iemand verricht een of andere faire daad, géén wraak neemt, of edelmoedigheid betracht tegenover een vijand, of iemand hulp biedt onder moeilijke omstandigheden, dan wordt door het volk gezegd: dat is mooi. En dat soort ontroering, waarbij zij blij zijn dat zij menschen zijn, dat is altijd weer de schoonheidsaandoening, en het is precies hetzelfde of je een mooien boom ziet, een mooi landschap, een stuk kunst. In hoogeren zin is er geen verschil tusschen ethisch en aesthetisch mooi; er is maar één mooi.
—Mocht ik dus aannemen, dat in zijn levens-systeem de eenvoudige daad gesteld werd boven wat men zou kunnen noemen den geestelijken bovenbouw in het menschelijk leven, dat de geestelijke uitingen beheerscht werden door wat men zou kunnen noemen het practische leven,—"practisch" genomen in de beteekenis van "handelend"?
—Ik geloof, dat het geheele leven geleid wordt door het Onbewuste. Je kunt je best doen om je leven uit te denken, om heelemaal bewust te leven, maar de eigenlijke impulsen komen voort uit je diepere zijn, dat op zich zelf een mysterie is en dat je begrip niet aanraken kan. Ik ben wel lid van de S.D.A.P., maar ik zou heelemaal niet toe wenschen te geven de theoretische bewering van het historisch materialisme, dat je het geestelijke heelemaal kunt beschouwen als een bovenbouw, zooals de gewone uitdrukking luidt, van de toestanden die ontstaan zijn door de productiewijze. Ik begrijp volkomen, dat iemand tot deze bewering gekomen is. Je ziet bij alle mogelijke ontdekkers in de wereld dat, wanneer zij iets ontdekt hebben dat een groote waarheid bevat, zij de neiging hebben om te denken dat dit nuallesis. En zoo is het ook gegaan met Marx en zijn tijdgenooten, die de groote waarde van de productiewijze hebben doorzien. Maar zooals de theorie luidt, is zij een uitschakeling van het mysterie. Er zijn geestelijke stroomingen, waarvan de oorzaken geheel en al mysterieus zijn. Is het bijv. niet absoluut geheimzinnig, dat alle geestelijke stroomingen gaan tot een zekere mate van verzadiging en dan komen tot hun tegendeel en omslaan in reactie? Dat kunt u onmogelijk verklaren uit een theorie, die eenvoudig aanneemt, dat het geestelijke zou zijn een bovenbouw van het materiëele. Maar, al ben je geen theoretisch aanhanger van het historisch materialisme en alle theorieën van Marx, kun je heel goed lid zijn van de S.D.A.P. en met alle kracht medewerken in die richting, omdat je overtuigd bent, dat wij nu zeker een paar eeuwen lang werken moeten in de richting van het gemeenschappelijke, voordat wij weer aan de rechten van het individu denken. Want de waarheid ligt voor mij in een zoo natuurlijk mogelijke harmonie van individu en gemeenschap, zooals dat bijv. in "Civitas", het boek van Treslong, zoo juist is uitgedrukt. Hij zegt duidelijk, dat de menschen niet alleen hebben neiging tot zelfbehoud en zelfverdediging, maar dat ieder zich voortdurend voelt lid van de gemeenschap. Dat ieder tot op zekere hoogte even goed kuddedier is als individualist, omdat louter individu zijn met het menschelijke in het algemeen niet vereenigbaar is, geestelijke afdwalingen daargelaten. En dat is ook daardoor te bewijzen, dat zooveel van die boeken, die zoogenaamd sterk individualistisch zijn, minstens voor tachtig procent algemeen menschelijke gevoelens bevatten.
—Geloofde hij dan niet, dat de groote waarde van den kunstenaar, en in het bijzonder van den schrijver, daarin is gelegen, dat hij, staande tegenover de gemeenschap, aan die gemeenschap nieuwe geestelijke wetten toont, en haar leert de dingen met een nieuwen maatstaf te meten? Kon hij niet toegeven, dat de schrijver wezenlijk is een held in den zin van Carlyle, een absolute, bewegende kracht in de geschiedenis, die zijn beteekenis juist aan zijn volstrekt alleenstaan ontleent?
—Och ja, gaf hij ten antwoord, de beschouwingswijze van Carlyle heeft ook haar tijd gehad. Hij kijkt zeer juist door den bril van de winnende liberale bourgeoisie, en dat heeft ook zijn waarde. Maar voor mij is het ideaal de toestand van de middeleeuwen, waarbij wij niet eens weten, wie een bepaald kunstwerk gemaakt of een bepaald boek geschreven heeft. De artiest is waarschijnlijk in veel opzichten een fijner bewerktuigd wezen dan de meeste andere menschen, maar een held die verdienen zou gewaardeerd of gehuldigd te worden boven andere menschen, die óók heel verdienstelijk werk presteeren, ben ik heelemaal niet geneigd hem te noemen. Hij kan ook nooit nieuwe waarden brengen, maar door zijn zuivere uiting van wat er in zijn tijd, zooals die geworden is in de ontwikkeling van de historie, diep leeft in de zielen van sommige menschen, kan zijn beschouwingswijze voor veel andere menschen nieuw lijken. Maar ik zie niet in, dat hij ooit nieuwe levenswaarden kan schéppen. Trouwens, waarom zou een schrijver alleen zoo fijn bewerktuigd zijn, dat men aanleiding ziet tot den paradox: hoe zieker zenuwen, hoe beter kunst? Er loopen genoeg timmerlui en metselaars rond met zenuwen, die op dezelfde manier ziek zijn.
—Maar, merkte ik op, dit ziet men toch niet aan hun werk. Een overgevoelig timmerman zal, als hij een lijst maakt, die evengoed haaksch maken als een gewoon timmerman.
—Natuurlijk is het waar, dat iemand die zich geestelijk uit, van zijn zieke zenuwen meer in het openbaar zal doen blijken, en natuurlijk vind ik een groot artiest en in zeker opzicht een genie, (want dat is nog een heel ander begrip, laat ik dit even mogen opmerken) een fijn bewerktuigd en zeer interessant mensch. Maar ik vind de artiesten volstrekt niet de besten, zoodat ik ze helden of iets dergelijks zou moeten noemen. Ik geloof ook, dat er diep eerbiedwaardige helden bestaan, waar wij nooit van hebben gehoord en die, als ik ze kende, ik ontzaglijk veel beter zou vinden dan,… nou dan zoo menig bekend artiest! Allemachtig!
—Hier merkte ik op, dat uit hetgeen hij tot nog toe gezegd had, ook zijn meening viel af te leiden over de toekomst van literaire kunst en kunst in het algemeen, indien de samenleving zich in sterk socialistische richting mocht ontwikkelen. Daar hij toch de grenzen tusschen het ethisch schoone en het aesthetisch schoone vervaagde; de waarde van den artiest meer zocht in een verheerlijking van het eenvoudige dan van het geestelijk gespannene, van het algemeen menschelijke, dan van het verfijnd individueele; en bovendien het gemeenschapsgevoel in den modernen zin des woords beschouwde als een ingeschapen trek van het oorspronkelijk menschelijk gemoed, en dus ook de grenzen tusschen de huidige chaotische samenleving en een mogelijk toekomstige, minder scherp zag dan de socialisten zoowel als hun tegenstanders,—kon hij niet aannemen, zoo meende ik, dat een ingrijpende verandering in het wezen der kunst door een min of meer compleete overheersching van de massa viel te verwachten.
—Inderdaad, zoo antwoordde hij mij, is de wereldgeschiedenis voor mij een voortdurend voortgaande stroom. Een van mijn grootste bezwaren tegen veel schrijverij van de socialisten is ook hun schelden op personen en groepen van personen. Dat vind ik zeer verkeerd, want deze personen en groepen zijn hoogst noodige schakels in de ontwikkeling, en die personen zijn evengoed slachtoffers van de omstandigheden als de armste proletariër. Je kunt absoluut niet helpen in welke wieg je geboren bent. Er zijn maar heel weinig menschen die werkelijk hun arbeidsveld kiezen. Dit inzicht blijkt ook duidelijk uit mijn "Roman van een Gezin". Daar heb ik juist sympathie gevraagd voor een kapitalistisch patroon en, dunkt mij, aangetoond, dat zoo iemand evengoed zijn functie vervult en sympathie verdient als zijn arbeiders, die hij gedwongen is te verdrukken.
—Hier bracht ik bescheidenlijk de strekking van mijn uitvoerige en met een Fénélon-geste voorgedragen vraag in herinnering: Zal het karakter van het dichterschap onder den invloed van een overwinning der arbeidende klasse, met wat daaraan vastzit, zich wijzigen?—
—Och, zei hij kalmpjes, ik geloof, dat ieder de neiging heeft zichzelf te handhaven en te verdedigen en uit te spreken in zijn werk. Dat heeft ieder die maar iets kan scheppen. Wanneer hij niet heelemaal bedorven is, dan heeft hij de neiging om iets van zijn persoonlijkheid in zijn werk te leggen. Als je boekhouder bent is het verduiveld moeilijk iets van je persoon te leggen in de wijze waarop je de posten boekt, dat is zoo, en toch is mij dikwijls opgevallen bij de verschillende boekhouders, die ik gekend heb, dat daarin groote individueele verschillen zijn waar te nemen.
—Ik merkte op dat hij de scheidingslijn tusschen kunstenaar en massa dus niet zoo scherp handhaafde als gewoonlijk gedaan wordt.
—De oprichting van het Verbond van Kunstenaarsvereenigingen, zeide hij, hangt met deze idee heelemaal samen. Ik vind dat de artiesten, de geheele negentiende eeuw door, zich veel te veel afzijdig hebben gesteld van de maatschappij. Zij zijn heelemaal een soort van wilde dieren geworden, die met hevige belangstelling door de rest van de burgerij worden bekeken. Zij hebben zich zeer buitenmaatschappelijk gevoeld en doen dat voor een groot deel nog. Een man als Boutens, die intusschen ook veel voor het vereenigingsleven doet en nog pas vice-voorzitter van de Vereeniging van Letterkundigen is geworden, merkte mij onlangs op: ik heb met de maatschappij niets te maken, die gaat mij niets aan. Ik vind, dat de artiesten midden in de maatschappij moeten staan, en al wat zij de maatschappij ten goede kunnen brengen, moeten zij geven. Ik vind het een abnormale toestand, dat tegenwoordig door lichamen, die heelemaal buiten de kunst staan, wordt geoordeeld over allerlei zaken van schoonheid. Dit oordeel moet weer komen aan de geschoolde kunstenaars, zooals het vroeger, en zéker in de middeleeuwen, is geweest. Denkt u, dat die enorme werken in de middeleeuwen, die kathedralen, zouden ontstaan zijn, zonder dat het artistieke element een ontzaglijken invloed heeft gehad? Als toen de macht in handen was geweest van menschen, die het te doen was om zooveel mogelijk geld te sparen en hun politieke bedoelingen te verwerkelijken, dan waren die groote werken nooit tot stand gekomen. Doch het is waar … die groote eensgezindheid van toen werd door het geloof geïnspireerd.
De bedoeling van het Verbond van Kunstenaarsvereenigingen is tweeledig: naar binnen en naar buiten. Naar binnen is het doel, om door voortdurende aanraking van verschillende artiesten onderling, vooral door ze te leeren samenwerken aan de gewoonste dingen, te doen ontstaan meer eenswillendheid, daardoor meer harmonie, en zoo, willen wij hopen, in een toekomst die ik heelemaal niet beleven zal, te krijgen een monumentaler kunst. Wij kunnen niet meer komen tot den toestand van de middeleeuwen, doch nu wij ons bewust zijn welke de groote voordeelen van dien toestand zijn geweest, kunnen wij toch in die richting streven. En naar buiten is de bedoeling eenvoudig, aan den geheelen artiestenstand meer macht te verzekeren, en dan bedoel ik natuurlijk macht in de zaken die hun het meest ter harte gaan. Vanaf de groote renaissance hebben alle kunsten zich eenzijdig ontwikkeld, niet alleen de verschillende kunsten, maar ook in de kunsten zelf de verschillende richtingen. Dat is heel goed, daardoor zijn tal van verfijningen ontstaan, die anders nooit zouden zijn geboren, wanneer men zich niet gespecialiseerd had, maar daardoor is verloren gegaan de groote samenwerking tusschen de kunsten onderling, en zoo ook het monumentale. Die kathedralen, die alleen door de eensgezindheid van talrijke kunstenaars konden ontstaan, die zijn voor mij het symbool van deze samenwerking. Op een manier die voortgekomen is uit mijn inzicht in het maatschappelijke, wil ik komen tot iets als Wagner bedoelde met zijn opera's. Die bedoelde ook: een harmonie tusschen de verschillende kunsten. Hij schreef zijn teksten, maakte zijn muziek, nam ook de leiding bij het vervaardigen van de décors en zoo. En nu is het Verbond van Kunstenaars een poging, en dat kan juist in een klein land als het onze, om de artiesten te oefenen in het samenwerken. Ik maak mij geen illusie dat dit pogen direct tot groote dingen leiden zal, ik vind het al prachtig dat voor verleden jaar bijv., op de algemeene vergadering van het Verbond, allen gezamenlijk zich hebben uitgesproken over het leelijke affiche van de Vierjaarlijksche tentoonstelling van schilderkunst. Wanneer je dat principe doorvoert op dingen van veel grooter beteekenis, dan zult u begrijpen wat ik bedoel met "samenwerking naar binnen en naar buiten".
Vóór dien tijd hebben de kunstenaars zich veel te veel als buitenmaatschappelijke schepselen begrepen. Weet u wel, dat er vóór de negentiende eeuw geen kwestie is van zoogenaamde "philisters"? Die hebben wij in de negentiende eeuw uitgevonden. Ik weet wel dat er tegenwoordig nog een heeleboel zijn, die wat wij nu trachten te doen ook "philisterhaft" vinden, een soort van burgerlijk werk, en zij schelden je uit voor vergaderingratten en denken, dat wij dit allemaal doen enkel voor het pleizier van vergaderingen houden! Dat vergaderen is eenvoudig een noodzakelijk kwaad, maar ook daarin kan wel iets moois zijn, en er zijn heel mooie momenten geweest op sommige vergaderingen die wij hebben gehouden.
—Ik vroeg nu zijn meening over de richting die zegt weer te geven hetgeen er omgaat of sluimert in de ziel des volks, en of hij niet geloofde, dat een dichter nooit iets anders moet uitspreken dan wat hijzelf rechtstreeks in eigen binnenste voelt.
—Natuurlijk, zoo antwoordde hij, het eenige wat wij kunnen doen om vooruit te komen, d.w.z. om beter kunstenaar te worden, is aan onszelf werken. En wat wij altijd doen moeten is zuiver onszelf uitspreken. Er is niet anders. Uitspreken wat in het algemeen eenige groep van menschen voelt of denkt te voelen, dit is niet mogelijk. Ik tenminste houd het voor absoluut onmogelijk. Critiek kan ook niet anders zijn dan subjectief. Men heeft geen andere hulpmiddelen, men heeft geen ander instrument, als zijn eigen innerlijk. Zooals je een peer alleen proeven kunt met je eigen tong, zoo kun je een boek alleen proeven met je eigen ziel.
Iets anders is natuurlijk, dat men het gemeenschappelijke, het algemeen menschelijke, in zichzelf min of meer kan aankweeken, kan trachten een zoo breed mogelijk mensch te zijn en zooveel mogelijk menschen te begrijpen, kortom zoo ruim mogelijk te worden. De tachtigers hebben over het algemeen, uit een heel begrijpelijk streven om niet banaal te zijn, wat ook een zeer artistiek streven is, het gezocht in een uitdrukkingswijze die zij meenden dat van hen alleen was. Maar met dat verschil in uitdrukkingswijze is heelemaal niet bewezen, dat wat zij uit te drukken hadden sterk individueel was.
—Hieruit zou bijna zijn af te leiden, dat volgens u zij, die zich er wel op toeleggen uit te drukken wat in eenige groep menschen leeft, zichzelf als kunstenaar benadeelen.
—Ja, maar ik geloof niet, dat iemand het kan. Zoo iemand heeft eenvoudig geen hoûvast meer, hij wordt tegenover zichzelf oneerlijk. Ik zou durven zeggen, dat hetgeen hij voortbrengt geen kunst meer is. Zoodra iemand voorbedachtelijk tracht gevoelens van een groep personen, waartoe hij min of meer behoort, weer te geven, en niet zichzelf uit te spreken, levert hij geen kunst meer. Bij dit zichzelf uitspreken, denken wij voornamelijk aan de lyriek, maar in de epiek, in een verhaal, spreekt iemand zich natuurlijk ook zuiver uit, in het algemeene idee van een boek, het karakter, de compositie….
Laten wij er om denken, dat al onze onderscheidingen in de literatuur, al de "ismen" en "ieken", de scheiding tusschen roman en novelle, zelfs die tusschen proza en poëzie, heel nuttig zijn, maar toch betreffen betrekkelijke bijzaken. Er is iets in ieder werk, en dat is het voornaamste, dat hier boven uit gaat. Dat is de smaak van het boek, het karakter, iets onuitsprekelijks, en dat is toch het essenciëele. Dat is ook de persoonlijkheid. Men heeft gezegd: "le style, c'est l'homme". Heel best, wanneer men het woord "style" neemt zoo breed mogelijk, ik zou zeggen in de beteekenis van den "Gesamteindruck". Ieder doet toch wat hij op het moment goed vindt. Hij kan er later wel over gaan nadenken, nou … ik voor mij heb altijd maar gedaan wat ik op het moment voelde dat ik moest doen.
—Ten slotte stelde ik nog de vraag of een verbetering in de maatschappelijke verhoudingen, waardoor de vele conflicten die uit die verhoudingen voortkomen worden vermeden, volgens hem geen nadeeligen invloed zou hebben op het ontstaan en op de vorming van kunstenaars, die toch een groot deel van hun taak vinden in het uitspreken van die conflicten en van de inzichten die daar rechtstreeks uit voortkomen.
—Als de maatschappij zich verbetert, zeide hij, en wanneer het werkelijk komt tot een redelijker en zedelijk hooger staande maatschappij, hoe meer men daartoe komt, des te meer zullen de conflicten zich verfijnen, zij zullen zich verhoogen, mooier en grooter worden. Er zullen wel altijd dichters zijn die blijven bezingen wat zij waarnemen, de lyrische dichters, en epische kunstenaars die er van vertellen, en dramatische kunstenaars die het vertoonen. En wanneer die conflicten zullen zijn van meer geestelijken aard, in het algemeen van een hoogere orde, welnu,tant mieux!
Kalverliefde, De Verloren Zoon en De Vreemde Plant (1895.)—De Roman vanBernard Brandt (1897)—De Bruidstijd van Annie de Boogh (1901)—VanStilte en Stemming (1905)—De Roman van een Gezin I (1909), II(1910)—Helene Servaes (1914) en een aantal verspreide opstellen.
(* 1874)
Hij zat daar boven, aan zijn bureau, op den ouwerwetschen matten stoel, dien men wel van de portretten kent.[5] Zeer eenvoudig, zijn studeerkamer, maar royaal en practisch; groote boekenkasten: een er van in vakken verdeeld, die, blijkens opschriften, bevatten het materiaal voor de Rousseau-studie, het materiaal voor het werk over crimineele anthropologie…. Enkele antieke gravures aan de wanden, een portret van den pianist Schäfer, en een portret van Willem Royaards met opdracht … tullen gordijntjes … in een hoek de telefoon, die ons opvallend dikwijls stoort. Boven de schrijftafel een lamp met zacht-gele kap. Bijna geen versiering, geen stijl-meubelen, geen dik tapijt, geen Dante-kop. Wel een potkachel, die, omgeven door een wal van briquetten, ongenadig gloeide. En de man, op wien ik het gemunt had, stierenek bloot, in de tropische hitte erg op zijn gemak.
De meid bracht koffie, de dichter rookgerei. En waarmee hij mij van dienst kon zijn, vroeg-ie al gauw. Ik het gewone praatje, een beetje mooier dan gewoonlijk, omdat iedereen zei, dat Querido wel veel bedenkingen zou maken. Alle argumenten, die moeten bewijzen, dat een dichter als hij aan het publiek een interview verschuldigd is, had ik al bij de hand.
Maar ik kon gauw inpakken, want hij was het heelemaal met mij eens, zei, dat een auteur zich volgens zijn meening moet geven aan het publiek, trad in een vergelijking tusschen de rhetorica van Shelley, en de, volgens hem, onzedelijke debatteer-kunst van de moderne parlementariërs, vertelde er in de gauwigheid bij, dat hij zelf misschien wel in staat zou zijn, op te treden als redenaar, maar dat hij geloofde, dat in de tegenwoordige tijdsomstandigheden zijn sensitivistische woordkracht waarschijnlijk toch niet door de groote massa zou worden begrepen; liet mij zijn archiefkamer zien, waar hij alle gegevens, gedurende zijn jarenlange studie verzameld, met een nauwkeurigheid, die men bij hem niet zou verwachten, in breede, hooge loketkasten had gerangschikt. Sprak in groote geestdrift over wijsbegeerte, determinisme, Darwin en Flaubert, Shakespeare en het misdadigerstype…. Was heelemaal niet recalcitrant, zooals sommige beroemdheden, nog minder schijnbescheiden, zooals velen. Gaf mij volle vrijheid, te vragen, scheen geen geheimen te hebben, toonde mij de ontwerpen van een zestal romans, waar hij over een jaar of wat aan denkt te beginnen.
Dat gaat gemakkelijk! dacht ik. Maar daar ontbrak wel eens wat aan: Een enkel aarzelend vraagje gaf hem aanleiding, om zooveel te vertellen, dat het mij dikwijls duizelde. En het ging hoe langer hoe sneller; dikwijls sprak hij zoo schoon en beeldend, dat mijn bewondering mij belette te schrijven, dat ik werd meegesleept door het woord, waarvan ik de wording bijwoonde.
En hij vertelde:
—Mijn literaire werkzaamheid begon eigenlijk al op mijn tiende jaar. Toen heb ik, geïnspireerd door de boeken van Aimard, geprobeerd een roman samen te stellen. En ik was dood-ongelukkig, omdat een zoogenaamde "knappe bol" uit de familie opmerkte, dat er wel veel talent in aanwezig was, maar dat ik een onvergeeflijke fout had begaan. Ik had namelijk iemand laten sterven, en … niet voor zijn begrafenis gezorgd! Ik had toentertijd al een ernstig literair geweten, en om u daar een bewijs van te geven, vertel ik u, dat ik jarenlang onder den indruk ben gebleven van die fout.
Mijn omgeving was die van mijn vader, die diamantbewerker was, en wiens psychisch bestaan ik pas later heb begrepen. Het was een man van herculische gestalte, een man van ontzaglijke begaafdheid, maar natuurlijk heelemaal onontwikkeld, iemand met een magistraal natuurgevoel, een enorme boekenverslinder. Hij las alles wat er voor hem maar te lezen viel. Hij was een onvergelijkelijk werker, en paarde aan zijn groote kracht veel naïveteit. Dat zag ik toen nog niet zoo in, maar door mijn literaire perceptie ben ik in staat geweest, later al die eigenschappen van mijn vader te reconstrueeren. Ik geloof dan ook, dat ik mijn eigenschappen als fantast, als vizioenair, als dramatisch voeler, aan mijn vader te danken heb. Voor een gewoon waarnemer was er misschien niet veel bijzonders aan hem te zien. Het was een diamantbewerker met een mooien kop, een flinke gestalte, en hij werd op de werkplaats algemeen genoemd: "de leugenaar". Hij had een absolute behoefte, om op eenigerlei manier uiting te geven aan zijn scheppend vermogen…. Maar op Vrijdagavond, meneer, dan ging hij, na afloop van zijn werktijd, zes, zeven bibliotheken bezoeken, en kwam gewoonlijk na zoo'n ontdekkingstocht met een stuk of twintig boeken thuis. Dan ging hij zoo zitten lezen,—kijk hier, meneer,—met dien heelen stapel boeken onder zijn kin. De grootsche, tragische dingen trokken hem het meest aan, en wat langdradig was, of kalm, dat sloeg hij eenvoudig over. Als hij zoo zat te lezen, dan was hij dood voor zijn heele omgeving, —weggekoesterd in de heerlijke Vrijdagavond-atmosfeer, die mijn moeder om hem heen had geweven…. Langzamerhand zag je zijn kin zakken … kijk, meneer, zóó!… en tegen een uur of twaalf had hij de heele bibliotheek verslonden.
Mijn vader heeft nooit iets gezien van mijn literaire neigingen. Ik werd opgeleid als violist, maar daarmede mocht ik niet doorgaan, want ik moest op Zaterdag spelen, en mijn moeder, die zeer religieus was, kon dat niet hebben. Mijn muzikale aanleg werd verder totaal veronachtzaamd, ten gevolge van het slechte onderwijs, dat ik kreeg: mijn leermeester werd, als ik mij niet vergis, betaald met tien stuivers voor drie lessen. Ik ben toen ook nog in het horlogemakersvak geweest en heb daar zelfs een eersten prijs behaald, en later werd ik kloover. Maar in mijn violistentijd, als jongetje van veertien jaar, speelde ik in de manège, in de opera, en daar deed ik zeer veel vak-routine op. Ik verkeerde toen veel met de lui uit den schouwburg: de zangers en de spelers, die, met de muzikanten, afzakten naar de cantine. En ik, met mijn scherp vizioenair leven, kwam daar in aanraking met al die Hamlet-figuren, die schitterend uitgedoste graven en ridders … ik vergat, dat het theatermenschen waren … ik leefde te midden van hèlden. En ik hield er van, te verdwalen onder het tooneel, ik werd bekoord door al die spookachtige lijnen, door het ondergrondsche gegrom van de muziek … ik ging heelemaal op in mijn visioenen….
Querido legde zijn linkerhand, vingers gespreid, voor zijn oogen en sprak met passie:
—Ik ben heelemààl niet wat men zou kunnen noemen: een realistisch waarnemer. Ik heb tijden, dat ik neig naar contemplatie, dat ik niets zie. Maar dan klinkt er een bestraffende stem in mij: Neem waar! En dan kijk ik rond, en zie alles, àlles! Maar dat duurt nooit lang bij me; uitwendig waarnemen is iets, dat ik niet kan volhouden … ik moet met mijn innerlijk leven ingaan op de dingen … ik kan de dingen niet klein zien: ik moet ze vergrooten, doorlichten … ik moet er heelemaal door vervoerd worden…. Ik heb niets aan de realiteit!
—O lezer! Querido kan geen woordje, geen enkel woordje, "gewoon", onverschillig zeggen. Zijn hooge stem beeft voortdurend van ontroering, je voelt zijn zinnen worden, je ziet zijn lippen vertrekken en lachen en grijnzen … je hoort zijn breede borst zwaar hijgen … je denkt ieder oogenblik, dat hij zal neervallen, uitgeput. Maar hij is meester over zichzelf, weet het woud van emoties, dat voor zijn oogen rijst bij het kleinste zinnetje, terug te dringen, loopt telkens weer frischjes en kalmpjes van stal.
—"Dat leventje, meneer…."
—"Ja, ik luister!"
—Dat leventje dan duurde zoo tot mijn achttiende jaar. Toen maakte ik kennis met mijn vrouw, die een buitengewoon artistieke persoonlijkheid is—en die heeft mij mijn kunstenaarschap bewust gemaakt. Die heeft onmiddellijk gezien—zooals zij het noemde—mijn zeer grootsche en oorspronkelijke levensopvatting. En op hààr aandringen ben ik gaan schrijven. Ik begon met heel individualistische gedichtjes, zonder iets af te weten van de Nieuwe-Gids-beweging, die parallel liep met wat ik zelf wilde, maar dat ontdekte ik pas later. Die gedichtjes van mij werden o.a. door Toorop hoogelijk bewonderd. Ik zag echter vrij gauw in, dat 't zeer onrijpe dingetjes waren, waarin zich een bijzonder streven van mijn natuur openbaarde, en ik ben om die gedichtjes buitengewoon uitgelachen. Ik had echter een diep vertrouwen in mijn eigen ziel, in mijn eigen kunstenaarschap … ik werkte door … en een jaar later verschenen mijn "Meditaties over literatuur en leven".
Toen reeds was er een van de scherpste critici uit dien tijd, die in de groene "Amsterdammer" uitsprak: dat ik de eigenschappen van Kloos, Gorter en Van Deyssel bijeen had en een reusachtig kunstenaar zou worden. Dat is nu tien jaar geleden. Het was mijn eerste boek. Ik ging daarin vooral heftig te keer tegen Kloos, hoewel ik voor dien dichter veel bewondering had. Maar daarover komt straks misschien nog wel het een en ander. Mijn werk was een product van veel stille studie, maar vooral van goddelijk … van gòddelijk lyrisch genieten. Ik voelde, dat lyriek, epiek en dramatiek, dat ik die te zamen noodig had, om mij te uiten, dat die drie moesten samensmelten in volkomen harmonie. En nu ken ik mijn gebreken zeer goed, meneer….
—Ik luister!
—… Ik ken mijn gebreken zéér goed! Ik weet, dat ik als lyricus dikwijls te veel geef, maar ik kan dat best verklaren in organisch verband met mijn wezen. Ik geloof, dat alle kunstenaars, die het universeele willen—en daarvan zijn er in ons land maar weinig,—ik geloof, dat die allemaal te veel geven…. Bijvanck, in "De Gids", heeft mijn boek genoemd: een zeer geniaal product, ondanks de vele tekortkomingen. Ik zelf vind er zeer groote tekortkomingen in, maar toch: mijn innerlijkste wezen, mijn diepste gevoelsleven heb ik er in uitgestort. En Kloos, Klo-oos, die was mij direct vijandig gezind, die maakte zich van mijn werk af met een klein, nietig aankondigingetje…. Want als jong, onafhankelijk schrijver had ik den moed hem te wijzen op zijn schandelijk subjectivisme…. Ja, onafhankelijk was ik … ik heb in dien tijd niemands bescherming ingeroepen … alleen naar Van Deyssel ben ik gegaan, en dat ook al weer met groote zelfstandigheid…. Niemand heeft mij ooit de hand beschermend boven 't hoofd gehouden, meneer….
—Ik ben geheel oor.
—… En wat ik ben, en àl wat ik heb, dat heb ik aan mij zelf alleen te danken.
Mijn tweede deel "Meditaties" en mijn "Studies over tijdgenooten" verschenen in "De Jonge Gids". Heijermans, met wien ik vijandig leefde—hij was redacteur aan "De Telegraaf" en ik was redacteur aan "De Amsterdammer", en we hebben mekaar erg bespot—Heijermans, anders buitengewoon fel en brutaal, en zonder veel critischen kijk, ontdekte, dat wij er dezelfde levensbeschouwing op nahielden; wij waren in 1897 beiden lid van de S.D.A.P. geworden, en hij kwam naar me toe, vroeg me of ik aan "De Jonge Gids" wilde medewerken, en dat heb ik toen gedaan.
Mijn meditaties hebben toen al direct veel besprekingen uitgelokt. Ik behandelde er de encyclopedisten in, gaf een groote critiek op Voltaire en de achttiend'eeuwsche literatuur, een wijsgeerige studie over Locke, die als fragment verschijnen zal in een van mijn bundels critische studies. Toen ik nu dat tweede deel van mijn meditaties af had, werd mij plotseling mijn roeping nóg duidelijker. Ik begreep, dat ik niet alleen critieken moest schrijven—hoewel ik voelde, het schrijven van critiek tot een groote hoogte te kunnen opvoeren—maar dat ik mij beslist moest gaan uiten in beeldend werk. Nu doet zich een eigenaardigheid voor: ik heb nooit kleine schetsjes willen maken … ik moest ineens het enorme omvademen. Niet omdat ik groot wilde doen, meneer … d'Oliveira….
Ja? Ik luister….
—… maar omdat de drang naar groote lijnen in mij geboren was. Ik heb niet twee dikke deelen geschreven, omdat ik dikke deelen wilde schrijven … heelemaal niet, en Van Deyssel heeft dat in zijn critiek op "Menschenwee" later treffend juist gezegd: Bij Querido is het niet alleen de hoeveelheid, maar ook de manier, waarop de reusachtigheid van zijn schepping ontstaat, die onze waardeering verdient…. Ik wilde orkestreeren, en daardoor ontstaat juist mijn gebrek, waar ik straks over sprak…. Ik voel het polyphonisch-literaire. Maar geen enkel détail mag verloren gaan door de grootheid, binnen de groote lijnen moeten de subtielste bijzonderheden tot haar recht komen…. Niet een opeenstapeling van détails brengt een groot geheel.
Toen ik nu aan Heijermans mijn voornemen mededeelde, keek die raar op: Hé, zei-die, ga je daar zoo plotseling mee beginnen? Daar breng je nooit iets van terecht, kerel; je hebt nog nooit iets van dien aard gedaan … je moet je eerst voorbereiden door kleine schetsjes….
Hij begreep mij ook niet, en … vergiste zich. "Levensgang" had veel succes, en er komt nu een vijfde druk van uit bij Veen. De figuur van Bresser werd een ongeëvenaard meesterstuk in onze literatuur genoemd.
En nu moet ik u nog even spreken over het vreeselijke realisme in dat boek. Er is in onze critiek iemand, die over "Levensgang" mooie dingen heeft gezegd,—ik bedoel dr. Van Deventer—maar over den schrijver één treffend juist ding: hij noemde mij namelijk: de zelfkweller. Meneer! Nooit is er een betere naam voor mij bedacht! Nooit! Van nature wàlg ik van het gemeene en grove. Maar ik heb gemeend, dat het smerigste en het gemeenste noodig waren, om de waarheid niet te kort te doen. In den dialoog wilde ik naast het scheppende gedeelte behouden: het locale element, ook al was dat gemeen en ordinair. En ik heb tot mijn vreugd ondervonden, dat de beste schrijvers in ons land aan mijn realisme geen aanstoot hebben genomen. Later is met sommige passages uit "Levensgang" op een lage manier gewerkt, en werd ik voorgesteld als iemand, die liefst in het vuil wroette. Maar dat is ook Zola, en alle groote realisten naar 't hoofd gesmeten.
Er is groot verschil tusschen het realisme in "Menschenwee" en het realisme in "Levensgang"….
De eenige man, die werkelijk heftig tegen mijn boek te keer is gegaan, was mr. Van Hall in "De Gids". Hij zeide zoo ongeveer, dat hij zich niet kon voorstellen, dat iemand van eenige beschaving zoo'n boek niet met grooten afschuw aanvaardde. Maar wil ik u nu eens een aardige bijzonderheid vertellen? Een paar weken eerder kreeg ik een brief van dr. Bijvanck, eigenlijk den voornaamsten redacteur van "De Gids" … en over dien brief heb ik zeven jaar het stilzwijgen bewaard, terwijl van het gezegde van mr. Van Hall op alle mogelijke manieren in de kleinere blaadjes misbruik werd gemaakt. Maar nu dr. Bijvanck niet meer aan "De Gids" is, mag ik spreken. Het is werkelijk karakteristiek! Hier heb ik hem. Als u eens met mij mee wil lezen:
"… Zoo wat haastig doorlezend, werd ik telkens getroffen door uw wonder talent van beschrijving en dramatiseering van tooneelen, een talent, dat waarlijk niet afneemt, als men het boek verder doorleest, en nog eens op 't laatst schitterend uitkomt in het "Dwergje"…. Tusschen de beschrijvingen van het ruwe niet alleen een element van extase, maar ook van sentimentaliteit. Gij behoeft deze opmerking niet te vergeven, want het is een compliment…."
Ik ben toen ook in anti-critiek getreden tegen Coenen, van wien ik vond, dat hij mij op zeer onbillijke manier had besproken. Eigenaardig is, dat hij wel wees op het kolossale te veel, dat ik geef, maar met geen enkel woord repte van de sobere gedeelten. Anders was het met Marcellus Emants, die zei: "U hebt groot talent, er staat veel te veel in uw boek, maar toen ik kwam aan de figuur van Eva, toen vond ik dat een juweel van beschrijving! Daar is geen woord te veel of te weinig in…." Maar Coenen wist daar niets van te zeggen, die wees alleen maar op het te veel.
In het algemeen heb ik van mijn roman-debuut zeer veel succes gehad, en dat werd nog sterker, toen ik na een paar jaar van afzondering "Menschenwee" de wereld instuurde. Maar, laat ik het erkennen, het ontzaglijke succes van dat werk heeft mij veel vijandschap berokkend. Nooit heb ik den nijd en de afgunst van collega's zoo zien toenemen als na de verschijning van "Menschenwee". Ik zou u veel brieven kunnen toonen van de bekendste auteurs, van de echte "groote lui", die om zoo te zeggen wegliepen met mijn boek maar het later op allerlei manieren probeerden af te breken.
—Querido stapte naar het venster en ging weer zitten, stond vervolgens bruut op en zei met dichtgenepen, plots blauwe oogen, de vuisten omhoog:
—Toen ik nog geen regel, nog geen réegel van "Menschenwee" of"Levensgang" had geschreven, meneer d'Oliveira….
—Toen?
—… Toen zei ik al tegen mijn broer: Als ik ooit iets ga schrijven, dan moet ik minstens de hoogte van een Zola kunnen bereiken. (Zijn hand met uitgespreide vingers patste neer.) Maar! op een geheel andere manier, laat ik u dàt vooral zeggen! Ik heb een totaal ander innerlijk leven dan Zola. Alleen in den beginne was aanwezig een overeenkomst in het gebruik van naturalistische termen. Maar dat is ook feitelijk het eenige, dat mij aan een school heeft gebonden. Wat niet weg neemt, dat ik een buitengewone vereering heb voor Zola, niethadzooals Van Deyssel, maar nogheb. Ik vind Zola een van de allergrootste scheppers.
—Hij stapte weer naar 't venster. (Wat wilde hij toch? Verwachtte hij iemand?)
—Dan volgen mijn critische bundels "Zegepraal", "Kunstenaarsleven", en daarmede—wil u daar vooral op letten?—daarmede is afgesloten de periode van romanliteratuur, die voor een deel put uit eigen omgeving. Van nu af ga ik zoogenaamde objectieve kunst geven in mijn epos.
Zijn oogen leken nu zwart tusschen 't traliewerk van zijn blanke vingers; de linker pink, lichtelijk gebogen, wees omhoog.
—Critiek schrijven is voor mij iets heiligs, meneer. Werkelijk iets heiligs. Dat wil zeggen: niet altijd ben ik in staat critieken te schrijven, die naar mijn eigen meening aan dien eisch voldoen, omdat ik natuurlijk moet offeren aan de noodzakelijkheid van beperkte ruimte…. Ik vind, dat men dàn alleen volledig kan begrijpen, als men zich geheel en met liefde aan een boek geeft…. Moet ik wel eens een enkelen keer afwijken van dat beginsel, moet ik mij door oververmoeienis beperken tot het geven van citaten, dan lijd ik daar zoo geweldig onder, dat ik mij haast, een volgenden keer een critiek te maken, die getuigt, dat ik mij heelemaal heb ingeleefd in het boek, dat ik bespreek.
—Hij stapte warempel weer naar 't venster. Er zal nu wel direct iemand komen, dacht ik. En dan is het gedaan. Dan moet ik weg of hij vertelt niet meer.
—Ik meen, dat tegenwoordig de critiek in ons land volkomen ge-anarchiseerd is. Iedereen critiseert er maar op los. Ik wil in het midden laten, wat daarvan de intellectueele oorzaken kunnen worden genoemd. Ik constateer 't feit, en (hevige handslag door de lucht) ik vind het een rámp. Ik geloof, dat iedereen het recht heeft er een meening op na te houden, maar niet ieder heeft 't recht, die meening teuiten. Critiek geven is een geweldig moeilijk werk en groote kunst-critiek is even zeldzaam als groote romankunst of groote poëzie. In mijn Rousseau-studie heb ik doen blijken, dat uit den aard der zaak groote critiek, buiten Van Deyssel, in ons land niet aanwezig is. Ik zelf wil weer heel wat anders dan Van Deyssel. Ik wil de drie gevoelssferen: verbeelding, intellect en sentiment in mijn critieken doen samenvloeien. Ik vind dat een spontaan-lyrische critiek, meneer….
—Ik ben geheel aandacht.
… dat een spontaan-lyrische critiek alleen sterk kan leven in dramatisch-lyrische critiek. Want waarom zou critiek niet evengoed dramatisch kunnen zijn als een tooneelstuk? Dramatiek, psychologie, lyriek, kennis, dat alles moet in de critiek even groot naar één hoog punt worden opgewerkt. Uit den aard der zaak zijn maar heel weinig menschen in staat dat te doen….
Dogmatische critiek haat ik het meest van alles. Die vind ik het meest antipathiek belichaamd in Jet Holst en Herman Gorter. De leerstelligheid van hun socialistisch beginsel, vind ik, maakt ze blind voor groote schoonheid in dingen van burgerlijke kunstenaars. Het lijkt mij, dat men den pathologischen zielestaat van een zenuwlijder als Baudelaire, die toch een groot dichter is, met even groote innigheid van critisch besef en schoonheidsgevoel in zich moet kunnen opnemen, kunnen uitbeelden, kunnen verwerken, aan de menschheid moet kunnen toonen, als men dat kan doen met den meest blozenden moreelen optimist in de kunst. Aangezien nu het pessimisme door de Marxisten wordt verklaard voor een zeker deel als gevolg van ideaal-breking, en een latent gebleven burgerlijk sentiment, is het begrijpelijk, dat zij Baudelaire, en pessimistische literatoren in het algemeen, niet kunnen omvatten, zooals die omvat moeten worden door objectieve critici.
Ik wil hebben, dat men alles begrijpt en doordringt in het leven. Dat lijkt mij het eenige middel om boven alle tijdelijkheid van oordeel en modesucces hoog uit te stijgen. De kleine critiek heeft ook wel voorbijgaanden invloed, maar de tijd heeft noodig: groote onbevangen werkers, en als er op een gegeven oogenblik zoo een opstaat, een met groote comediek in zich, dan spuit 't er uit, en dan kan niemand 't tegenhouden.
Honderden malen is mij gezegd, dat ik geschapen ben om tooneelstukken te schrijven, op grond van mijn vermogen tot dialoog en dramatische conceptie. Zelfs heeft Robbers indertijd, sprekend over "Menschenwee", geschreven, dat het maar van een luim, een gril van Querido afhangt, om even schitterend voor het tooneel als voor de literatuur te schrijven. Tallooze keeren heeft men dan ook tooneelstukken van mij verwacht, maar ik wil u wel zeggen, waarom ik mij nog nooit op dat gebied begeven heb. Evenmin als ik indertijd wou beginnen met het schrijven van kleine schetsjes, om, later opklimmend, een zekere hoogte te bereiken, evenmin kan ik het nu van mij verkrijgen, te beginnen met een aardig stukje, dat misschien wel verdienste zou hebben, maar waarin toch niet het allerhoogste vervat zou zijn. Dat mag pedant klinken. Goed! 't Kan mij niet schelen. Elk kunstenaar, die het leven leeft, is dat verplicht aan 't Leven: niet voort te brengen een werk, dat vertoont den tijdelijken verschijningsvorm er van, maar een werk te scheppen, dat geeft het eeuwig blijvende. Vandaar ook, dat het meeste tooneelwerk van den tegenwoordigen tijd mij schijnt te facetteeren afschijningen van het leven, niet te raken dekern. Maar … de romankunst stel ik in ieder geval nog hooger dan de tooneelkunst. Later zal ik mij daaromtrent analytisch verklaren. Wat aan den eenen kant lijkt een tegemoet treden aan de verbeelding door een aanschouwelijken vorm, brengt aan den anderen kant beperkingen mee. Want de scheppende auteur hangt af van de interpretatie van den speler, terwijl die op zijn beurt weer afhangt van de bedoelingen van den auteur. Die geeft zijn sujetten de woorden in den mond. Vandaar dat zich in verschillende vormen het feit openbaart, dat de acteur boven zijn rol staat, of de rol boven den acteur. En wat komt er dan van de kunst terecht?—Kort en goed: ik laat mij niet dwingen tot iets, dat ik nog niet in mij zelf voel als een noodzakelijkheid, al hebben Robbers en anderen het ook geschreven. Daar mogen ze om lachen: 't laat mij koud! Ik wil het hoogste! Bij "Menschenwee" heb ik daar ook naar getracht. En ik weet beter dan iemand, dat men geen compleet werk kan leveren. Niemand is volmaakt, ook Van Looy in zijn beperkte woordkunst is dat niet. Ik weet 't van mij zelf ook wel!
—Ik zat in mijn easy-chair naast zijn schrijftafel. En terwijl ik nu en dan iets opteekende, merkte ik dat hij zijn hals rekte, en over mij heen naar buiten koekeloerde. Wat was daar toch te zien?
—-Met "Levensgang" heeft zich ook nog iets eigenaardigs voorgedaan. Ik was destijds in Groningen, en Gorter, die in '97 al literaire critieken had geschreven in "De Nieuwe Tijd", kwam (het was in 1902) met uitgestoken hand naar mij toe. "U is Querido? Schrijver van "Levensgang?" "Jawel." "O, ik gevoel groote bewondering voor u. Daar staan prachtige dingen in: prachtig, prachtig, prachtig!" Daar ging ik zelf nog tegenin, zei, dat het nog lang niet volmaakt was. "Ja," kreeg ik ten antwoord, "dat verwachtten wij ook niet, maar 't is toch prachtig, prachtig"…. Later heb ik, mij over Gorter uitlatend, gezegd, ik wilde eerlijk zijn: dat hij naar mijn meening als dichter dood was, en al heel gauw kon ik een geweldige verkoeling waarnemen. Toen ik hem dan ook vroeg zijn meening te schrijven over een van mijn boeken, heeft hij zich er van afgemaakt, en gezegd: "Pardon, ik schrijf nooit critieken!"
O, ik heb zooveel van de menschen, van de collega's te lijden gehad! Als ik van het oordeel van sommigen onzer grootste schrijvers had afgehangen, toen ik als broekje van 21 jaar Meditaties schreef, dan had ik mij eenvoudig laten doodknijpen! O! die behandeling, die ik heb ondervonden van Kloos, die … die illustreert mij zijn onvermogen om jonge auteurs, die aan het uitbotten zijn, te erkennen en te begrijpen. Als ik mij aan hem had moeten storen, dan was ik doodeenvoudig vernietigd geweest! Dan had ik nooit meer de pen opgenomen! Slechts onder enkele omstandigheden is hij in staat de waarheid te onderscheiden. Maar hij is erg gul in het pluimpjes geven aan zijn vrindjes. En moordend … móórdend is hij opgetreden tegenover jongeren, die niet meededen aan de overdrijving van zijn kwaliteiten als dichter".
Lezer, ik wil u niet beschrijven de korte, forsche, hartstochtelijke gebaren van dezen vurigen mensch. En er is iets in mij, dat mij er van terughoudt, soms. Mij dunkt, wie eenig gevoel heeft voor taal, die moet uit Querido's woorden, zooals ik ze hier met groote toewijding tracht na te smeden, voelen en zien,—zijn beeld voor oogen,—de trillingen van zijn smallen mond; die moet weten, zooals ik altijd geweten heb, dat vaak, als hij in vervoering komt, zijn rechtermondhoek omlaag zakt en zich verbreedt; die moet zijn oogleden zien rimpelen, zijn schouders zien schokken, zijn knuisten zien scharnieren open en toe; die moet hem daar zien staan, zwaar 't krachtige lijf op korte, stevige beenen, den kop met de kleurwisselende kijkers en de woest naar achteren gevaagde manen: glans-zwart tegen de zacht-gelige kap van zijn lamp….
—Ik vind, dat onze letterkundige werking op het oogenblik in een bloeiperiode verkeert, maar natuurlijk nog lang niet is wat ze zijn moet. Alles is te essenciëel-klein, er wordt te veel nadruk gelegd op geraffineerde détails. Zelfs een man als Streuvels, die in zijn eerste werk de groote lijn heeft gevoeld, is weer aan het verbrokkelen, door het feit, dat hij geen dramatiek, geen psychologie heeft. De strijd van kleine werkertjes als Steynen en Van der Meer tegen het zoogenaamde naturalisme is belachelijk, omdat zij hem voorstellen als iets nieuws, terwijl hij door ons en anderen al veel eerder werd gevoerd. Alle groote kunst, waarvan de maker ontroerd was, raakt op eenige manier het Eeuwige, onverschillig of hij symboliek, naturalisme, mystiek brengt. Shakespeare was volstrekt niet minder dan Dante, omdat hij meer realistische mystiek gaf, en Dante meer transcendentale mystiek. De verschillende mengsels van psychische eigenschappen kunnen er mij nooit toe leiden, een heele figuur te verwerpen. Want in iederen kunstenaar is iets onaantastbaar eeuwigs, dat de dingen overgiet met een innigen glans, waaruit alles opbloeit naar het schoone.
—Men zegt wel eens, dat ik niet voldoende zelfbeheersching heb. Mijn intieme vrienden moeten wel tot het besluit komen, dat men zich vergist. Nu reeds drie jaar lang ben ik bezig, rustig en bezonken, te verzamelen een oneindig groot aantal impressies en waarnemingen. Dit woord, laat ik het direct zeggen, lijkt mij veel te hard. Wantik kan niet waarnemen. Als ik den geheelen dag rondloop, dan kan ik misschien een uurtje doen wat men waarnemen noemt. Kijk, deze kleine boekjes heb ik altijd bij mij. Daarin maak ik zeer korte aanteekeningen, en die zijn voldoende om de impressie vast te houden. Ach, drie jaar geleden is het, dat ik op een gloeienden Maandagmiddag in half Juli door den Jordaan liep. Dan komt die ontzaglijke tros van orgels terug, die hun rondgang door de stad hebben gemaakt, en dan hebben de orgellui wel eenige neiging om, terwijl 't niet mag, in de Willemstraat eenvoudig een klein muziektoevoegseltje te geven aan 't volk. Dan zie ik daar een grooten kring van menschen, die op heel bijzondere wijze dansen. De heele straat staat te branden in het goud-coloriet van den zomerdag. De witgejakte meiden, met de prachtige bloote nekken, dansen in geweldige rijen, en de kerels staan rustig te beschouwen het rokkengezwaai van die meiden. De wasem van 't goud van den dag slaat je tegemoet en die goudbeschenen meiden staan zich daar uit te leven, te midden van die angstwekkend- vulgaire, doch triestig-eentonige muziek, die er stroomt uit de strotten van die orgels, uit de kelen van de registers, te midden van dien gouden zonnezang…. O, als ik daar bij ben, dan kan ik niet komen tot een objectieve beschouwing van zoo'n straat. Dan zie ik alles als een onmetelijk groot schilderij, met een wasem van Rembrandt-goud er over heen. Zoo zie ik al de grachten van de oude stad, met haar oude pakhuizen en haar wankele trapgevels. Ach, als een schilder heb ik op alle uren van den dag de tonaliteit van de stad bestudeerd, en ik zeg 't u, meneer, dat ik 't schande vind, dat ik daar nog nooit een schilder heb ontmoet. Die oude stad Amsterdam is van een geheimzinnige schoonheid, een wonder van atmosfeer en tonaliteit, en daarom zal ik mij er nooit toe kunnen bepalen, alleen het menschenleven van de Jordaan weer te geven. De omgeving moet erbij, altijd weer de omgeving … een mensch op zichzelf bestaat niet!… Aan de Teertuinen, daar heb ik 's morgens om vijf uur staan blauwbekken om mee te mogen doen aan het sneeuwscheppen, en zeer diep is mij bijgebleven de impressie van den zeldzaam-verlaten wit-sneeuwen ochtend. Er zijn geen twee in ons heele land, die de woningtoestanden in de Jordaan zoo goed kennen als ik, dat durf ik gerust te zeggen. De menschen_massa_, die vind ik het schoonst, die beheerscht mij altijd. Een figuur op zichzelf schilderen vind ik heel aardig, en mijn Bresser en mijn Strooper toonen wel, dat ik dat niet versmaad, maar het meest voel ik voor dendrom. Mijn vrienden zeggen wel eens: Kerel, je bent absoluut schilder, en ik voel 't: dikwijls heb ik een schilders-temperament.
Ik wil in een van de deelen van mijn Epos het misdadigersleven beelden, zooals het leeft en werkt in de duisternis en de angstige buurtverborgenheid in de hoofdstad. Ik omgeef mij met misdadigers. Ik leef met misdadigers, dikwijls in de gevaarlijkste omstandigheden. Dit werk is, met het oog op de chantage, allerellendigst. De hoofd-commissaris heeft 't mij indertijd gezegd: Kerel, je loopt er nog eens leelijk tegen aan. En dat zal ook wel eens gebeuren. Maar ikmoetdat meemaken. En hoewel ik dikwijls moet omgaan met kerels, die er niets in zien, mij mijn oogen uit mijn hoofd te krabben, zoodra de lust bij hen opkomt, gaat er van dat bandietenleven een eigenaardige bekoring uit, omdat het mij toont de menschelijke hartstochten in hun absoluut ongebreidelden vorm. Mijn eerste studie over crimineele anthropologie zal nu verschijnen in "Groot Nederland". Hierbij doet zich het eigenaardige feit voor, meneer….
—Ik luister.
—… is er één natuur-historicus, meneer, die het in zijn hoofd haalt, de wilde beesten te gaan bestudeeren in den dierentuin? Wat is een leeuw in een beestentuin? Kun je hem achter de tralies ooit mooi zien knauwen op zijn prooi, kun je daar ooit waarnemen dat onvergelijkelijk grootsche zoeken naar zijn prooi? En waar, meneer, bestudeeren de weinige crimineel-anthropologen, die wij hier hebben, den misdadiger? In de gevangenis, meneer, nóóit in de vrijheid, nooit in de werkelijkheid. O! die heeren kunnen misschien iets weten van den schedelbouw van een misdadiger, van zijn morphologie, maar ga hun eens vragen wat zij u kunnen vertellen van de verschrikkelijk diepe grotten en spelonken van de misdadigersziel? Weten zij hoe de moordenaar, de souteneur, de kinderen-verkrachter, de ontaarde, de prostitué, de inbreker denkt, leeft, voelt, werkt?…
En terwijl ik in het hartje van den Jordaan studie maak van de alleruiterste depravatie, terwijl ik slaap bij het Leger des Heils, samenwoon met moordenaars, kan het mij gebeuren, dat ik een enkel verloren uurtje zit te studeeren in Darwin, Rousseau, mij dring in het gekristalliseerde leven van vroegere eeuwen, die eeuwen, die ik werkelijk zie, ieder in haar eigen kleur, als groote hallen, waar ik kan wandelen.
En … mijn natuur is zeer pessimistisch. Is niet bij iederen idealist de grondtoon zeer somber? Bij tijd en wijle vind ik 't heele leven, ook 't allergrootste, nietig. Ach, vraag ik mij dan dikwijls af, waar heeft toch zoo'n Rembrandt voor geleefd? Is een planeet, die daar zoo verre staat te schitteren, in zijn eeuwigheid niet veel grooter, ondanks zijn onbewustheid, dan wij, al zijn wij ons van ons innerlijk wezen bewust?"
Weer stond hij op, Querido, en nu begreep ik wat zijn ongeduldig halsgerek beduidde. Want plots sloeg hij de balkondeuren open en trok mij naar buiten. Daar, voor ons, in de herfstschemering, in vochte violette nevelen, lag de wei, en vaagjes zichtbaar, omsluierd, daar achter het fijn geboomte van 't Willems-park. En was ik gevoeliger geworden door de extatische ziele-stem van den dichter?… Ik weet het niet … maar een breede beklemming bezwaarde mij…. Want ik meende te zien, dat de grijsgroene boompjes met d'r rengelende bladeren vormden in de donker-violette nevelen een wijden kring en wachtten berustend den avond af. Nog een paar minuten, en Querido, vóór zijn orgel, deed zoete schemerharmonieën tonen door 't kamerruim….
Sinds ik dit boekte zijn zes jaren voorbijgegaan. Velen, die het in een van onze groote dagbladen lazen, hebben mij te kennen gegeven dat ze er een ophemelarij van Q. in zagen en het stuk te weinig zakelijk vonden. Een brief van hem zelf, waarin het heette dat het artikel "met groote, trillende liefde" was geschreven, heeft mij wel tot nadenken gestemd, maar ik moet toch blijven bij mijn oorspronkelijke opvatting, dat ik zijn mededeelingen met de grootst mogelijke objectiviteit heb weergegeven. Ik zou niet alleen hem, maar vooral mij zelf te kort hebben gedaan indien ik anders hadd' gehandeld….
Echter heb ik misschien te weinig gevraagd naar het verband tusschen zijn socialistische opvattingen en zijn kunst, naar de evolutie van zijn ideeën.