JOSINE A. SIMONS-MEES

Ik ben altijd godsdienstig van aard geweest, juist vanwege het naar binnen gekeerde leven, hoewel ik thuis van godsdienstig leven weinig gewaar ben geworden. Als ik 's Zondags, toen ik dertien à veertien jaar oud was, naar de mis moest,—het museum lag toen naast de kerk—: voelde ik telkens een strijd in mij of ik het museum, dan wel de kerk binnen zou gaan, en het museum won het dan bijna altijd van de kerk, al voelde ik er innig leed bij. Het godsdienstig gevoel is levendig in mij gebleven, maar het gebeurt toch ook wel vaak nog, dat het museum het wint. Daar komt altijd bij mijn afkeer voor al wat gezag is. Moreel gezag neem ik natuurlijk aan, dat is van veel sterker werking, dat is mijn eigen gezag, dat ik in mijzelf voel en waarvan ik niet afwijk. Daardoor ben ik dan ook werkelijk onmaatschappelijk. Ik sta dan ook tegenover de proletarische poëzie als een onverwoestbare individualist.

Door natuur en door opleiding ben ik individualist. Maar in dit begrip zelf is nog een onderscheiding te maken. Is het zuivere individualisme waarlijk het impressionisme van 1880 en van de "Nieuwe Gids"? Dat moet ik absoluut tegenspreken. Om te beginnen, ik zeide het u reeds, hebben wij den invloed van 1880 niet rechtstreeks ondergaan. Ik behoor tot een andere generatie. De mannen die bij ons den invloed van de "Nieuwe Gids" ondergingen zijn, zooals ik reeds zei, Vermeylen en De Bom, en ik behoor tot het volgend geslacht, dat dus als het ware van de "Nieuwe Gids" heeft gehad een tweede afkooksel. Wat ons opviel in de "Nieuwe Gids" was het impressionisme. Mijn individualisme is van geheel anderen aard. Het is niet het onmiddellijk reageeren op zintuigelijke indrukken, het is veel meer het opnemen van een algemeen wereldgevoel in de personaliteit. En dan zal poëzie worden de weerspiegeling van een algemeen wereldgevoel door het individu. Het is dus een tegenstelling van het zuivere impressionisme, het picturaal impressionisme, zooals Van Deyssel en Gorter het hebben geleverd. Tegenover de zintuigelijke gezichtsmenschen stel ik mij als innerlijk gehoorsmensch, die meer in zich zelf hoort dan hij buiten zich ziet, als muzikaal vertolker van de wereld.

—U stelt hier gezicht en gehoor tegenover elkaar. Zoudt u niet beter zintuigelijk en gedachtelijk tegenover elkaar stellen?

—Neen, gedachtelijk is een verkeerd woord. Zie hier wat ik bedoel. Stel u voor, dat Gorter zou zijn een geslepen staalplaat, waar de zonnestralen en wat zij meebrengen onmiddellijk op afketsen. Als hij een indruk krijgt, bedoelt hij den indruk onmiddellijk terug te kaatsen. Dat is het schoone van zijn kunst en hij is eenig daarin: Zoodra ontvangen, geeft hij den indruk terug.—Bij mij nu is het anders. Het is alsof de straal dringt door de stalen plaat heen en komt op het gevoels-vlak. Het is niet meer een zuivere impressie, maar een impressie die een verwerking heeft ondergaan, een verwerking door het gevoel. Dat is in den grond het bezinken van de impressie. Stel u voor een laag doorschijnend ijs die op het water ligt. Als er een zonnestraal op valt, dan wordt hij door de dikte van het ijs gebroken en dan komt hij onder het ijs weer uit en ondergaat er aan kleur, aan wezen, aan wat weet ik al, een nieuwe vervorming. Zoo is het gevoel bij veel dichters. Inplaats van onmiddellijk af te ketsen op het waarnemingsvlak, dringt de indruk door tot in het diepst van hun ziel en als hij dan, verwoord, weer buiten dringt, is hij heel iets anders geworden.

Dus mijn individualisme gaat meer uit naar dat van de Fransche symbolisten, maar is toch weer heel iets anders. De eigenlijke symbolisten, die ingeleid zijn door Henri de Régnier, systematiseeren. Zij herleiden eiken persoonlijken indruk tot een beschouwingsvlak. Zij deelen de verschillende indrukken in in sommige vakken. Dat is toch het eigenlijke symbolisme, niet waar? Men moet onder een teeken een zekere reeks van gedachten kunnen indeelen. Dat heb ik altijd verkeerd gevonden. Dat wordt in den grond zoo iets als een wetenschap.

Ik wil—voor zoover "willen" bij 't half-bewuste dichten te pas komt—eenvoudig mijn eigen indrukken inleiden tot algemeene menschelijkheid en ze algemeen begrijpelijk maken, ze dus eerst laten bezinken tot eigen gevoel, en dat eigen gevoel daarna toetsen aan het algemeen menschelijk gevoel, dat ik terugvind niet alleen bij de menschen die mij omringen, niet alleen bij de lezers, maar bij de dichters door de eeuwen heen. Dat is natuurlijk niet vanzelf gekomen. Dat ware onmogelijk, het kan niet vanzelf komen. Als men begint te dichten heeft men zijn eigen indrukken, al waren ze nog zoo klein en al waren ze nog zoo pervers, zoo lief, dat men ze wil weergeven in de aller-individueelste expressie. Maar er komt een tijd, dat die liefde voor de aller-individueelste expressie afslijt. Men wordt meer algemeen, het kleine détail gaat weg, men gaat alleen de groote lijnen betrachten en zoo komt men tot wat ik durf noemen: een neo-classicisme.

Door het individualisme heen komen wij tot het neo-classicisme, een nieuwen classieken tijd, een periode van menschen die zich heelemaal bewust zijn en zich in volkomen oprechtheid uiten, maar daarbij alles laten wegvallen wat in hun persoonlijk geval te sterk-persoonlijk, te zeer bijzonder zou zijn. Ik heb in de "Groene" gesproken van menschen die op de hoogten wonen en elkaar herkennen. Zij wonen op verschillende heuvelen, zij zien elkaar niet, maar de een begint te zingen, de tweede hoort hem zingen, de derde ook, en zoo vernemen zij allemaal den zang van den eerste en herkennen allen in dezen eenen zang hun eigen zang en leeren elkander onderling kennen. Dat is voor mij de gemeenschapskunst. Gij ziet, gemeenschapskunst kan heel iets anders zijn dan maatschappelijke kunst.

En dit zegt alles: Dit legt u ook uit wat ik gevoel tegenover de socialistische kunst. Ik kan mij geen dichter voorstellen, die zou dichten op iets dat niet berust op eigen diepe gronden maar alleen op een theorie. Daarom is Gorter mij soms zoo hinderlijk, in dezen zin, dat hij eerst en vooral toch is een impressionist, dat zijn schoonste werk altijd blijft impressionistisch,—en dat hij dan ineens overslaat op theoretiseeren en propageeren. "Pan" vind ik een magnifiek gedicht, maar telkens als hij aan de propaganda komt is het mis, dan is het geen poëzie meer. De goede gedeelten zijn eenvoudig impressionistische poëzie en zoodra hij daar buiten gaat wordt het gezanik, heel eenvoudig. Het wordt propagandistische proza, afgesneden op een vijfvoetige maat. Daarentegen heeft Mevrouw Roland Holst, zij als vrouw, omdat zij vrouw is, alles verwerkt. Zij heeft het socialisme en de democratie inderdaad heelemaal in zich opgenomen. Bij haar is het heelemaal liefde en leven geworden. Het is individualisme geworden en daardoor juist kan zij waarlijk proletarische poëzie maken. Het is bij haar niet meer geestelijk of gedachtelijk, het is doorvoeld, en juist daarom is zij de socialistische dichteres in Holland. Neem Adama van Scheltema. De eenvoudige liedjes, die hij misschien voor de minste houdt in zijn werk, die voor den gewonen lezer ook wel minder zijn, neem een socialistischen marsch, die zoo echt is van rythmus, zoo meegevoeld, zoo meegestapt, zou ik haast zeggen, dat is echte proletarische poëzie, in tegenstelling met werk, waar heel wat diepere en ingewikkelde bedoelingen achter zitten, maar dat juist daarom geen poëzie kon worden.

Wat betreft de mogelijkheid van proletarische poëzie kan ik dus zeggen, dat die geheel afhangt van persoonlijkheid. Als in Holland honderd dichters kunnen gevonden worden, die tegelijk proletarisch voelen, dan hebt gij natuurlijk honderd proletarische dichters. Maar dat is nog geen proletarische poëzie, niet waar, u begrijpt me. Mevrouw Roland Holst en Adama van Scheltema maken proletarische poëzie als zij waarlijk proletarisch voelen, niet denken. Maar van het oogenblik af dat men proletarisch denkt maakt men geen poëzie meer, omdat men dan denkt en niet leeft.

Gorter heeft in de "School der Poëzie" geschreven van de burgerlijke kunst, waar hij uit wilde. Heel de "Nieuwe Gids" is volgens hem burgerlijk. Daar had hij groot gelijk in. Zoo was het. De "Nieuwe Gids"-dichters waren burgerlijk, omdat het impressionistische gevoel rechtstreeks straalde uit het burgerlijk leven. Er kon dus werkelijk sprake zijn van een op haar uiterst levende burgerlijke poëzie. De meeste menschen in dien tijd en ook de meeste dichters leefden en teerden op sommige begrippen die heelemaal burgerlijk waren. Zij leefden voort op de begrippen van 1848. En toen kon er sprake zijn van een algemeen burgerlijke poëzie. Maar tegenwoordig kan er geen sprake zijn van een algemeen socialistische poëzie, omdat de proletarische begrippen nog niet zijn doorgedrongen in de menigte, omdat de proletarische gevoelsdichters nog uitzonderingen zijn. Daaruit volgt, dat er volgens mij natuurlijk een tijd kan komen van proletarische poëzie, gelijk er in 1900 sprake mocht zijn van burgerlijke. Ik geloof zelfs, dat die tijd er misschien komt, mijn eigen idealen er natuurlijk buiten gelaten.

Maar als het zoover komt, dan ben ik overtuigd, dat er ook reactie komt, anarchistische of aristocratische reactie komt, waarin de individualisten zullen spreken tegenover de meerderheid der maatschappelijke gemeenschaps- dichters. En zoo gaat het voort. In Gent noemt het volk dat "den contour van de wereld", het draait altijd zoo maar rond.

Maar waar blijft, als de proletarische begrippen zijn doorgedrongen, eigenlijk de poëzie? Is een socialistische toekomst wel vereenigbaar met uw opvattingen van wat poëzie eigenlijk is?

—Er zullen altijd dichters zijn. Denk eens aan den tijd van de predikanten-poëzie, waar Kloos het over heeft. Die tijd was zoo duf, zoo vermolmd, dat men zich moeilijk kan denken dat er toch nog dichters waren. En nu is de laatste daad van Kloos juist geweest, deze dichters op te delven. Beets en De Génestet waren geen groote dichters, maar zij hadden het in zich. Beets met zijn "Camera" mag er toch wezen, en hij leefde toch heelemaal in de Protestantsch burgerlijke Hollandsche wereld…. Ik stel mij voor, dat er moeilijk iets kleiners is te vinden dan deze wereldbeschouwing. Toch heeft hij er iets van gemaakt. Ik stel mij voor, dat het ook zoo zal gaan in den socialistischen staat, wanneer die er eenmaal komt. Er zullen dan ook menschen zijn, die dichter in hun hart zullen zijn. Wij weten natuurlijk niet of het groote dichters zullen worden, maar zij zullen den geest van hun tijd uitdrukken, gelijk de individualisten hun tijd uitgedrukt hebben.

En dat brengt mij weer op mijn eigen begrip van individualistische poëzie. Er is waarlijk iets dat boven den tijd staat. Dat is het menschelijk leven, het menschelijk aanvoelen, het menschelijk begrijpen, het leven, het léven … dat is alles.

Vermeylen heeft gezegd, dat men de grootheid van een dichter meet aan de ruimte van zijn ziel. Kunt gij ruim begrijpen, kunt gij ruim voelen en kunt gij ruim mededeelen, dan zijt gij een groot dichter, maar dan staat gij buiten de onmiddellijk u omringende maatschappij.

Men zegt wel eens dat de hypertrophie van het gevoel een teeken is van decadentie. Daar moet over gesproken worden. Wat is decadentie? Dat is toch verslapping, nietwaar, en die is gewoonlijk het gevolg van overspanning. En nu is het maar de vraag: kunnen wij deze in het tegenwoordige individualisme vaststellen? Neen, dat kunnen wij niet meer. Wij konden het in den tijd van Kloos. Zoo'n verslapping van de zenuwen komt altijd voor, na een periode van groote inspanning. Zoo hebben wij bijv. gezien bij Alfred de Musset, die dichter is tien jaar van zijn leven, en daarna uit, juist omdat hij kwam na de groote Napoleontische periode; en bij Baudelaire, die maar een korten tijd dichter was, juist in het tweede Keizerrijk, na een oogenblik van groote spanning. Kloos in Holland blijft maar een jaar of vijf, zes, eigenlijk dichter. Hij volgt op het kwijnen-gaan van de burgerlijke opvatting die stond tegenover de nieuwe levensbeschouwing: het Socialisme. Kloos is een burgerlijk dichter geweest. Was hij zenuwsterk genoeg geweest, dan had hij zich kunnen laten opslorpen door, of had weerstand kunnen bieden aan de nieuwe beweging. Hij stond met zijn zintuigelijkheid tegenover de verouderde wereld en kon geen stand houden. Wij hebben in Vlaanderen ook zoo'n voorbeeld, wij hebben Van Langendonck, die niet mee wilde in den opstandelijken strijd en bleef bij zijn burgerlijke opvatting. Hij was daardoor te zeer gedwongen, in zichzelf in te keeren, en heeft zich niet meer kunnen uiten.

Daartegenover kan dit gesteld worden: boven die levensomstandigheden uit, boven die maatschappelijke omstandigheden uit, rijst de algemeene menschelijkheid van de menschen die op de kimmen wonen, die boven de andere menschen uitreiken, die de groote menschelijkheid vertegenwoordigen, die classiek van gevoel zijn. En die vind ik in alle tijden terug, hoewel die in hun tijd meer dan waarschijnlijk ook uitzonderings-dichters waren.

Mijn opvatting is dus niet anti-maatschappelijk, zij is a-maatschappelijk. Zij staat er buiten, zij is a-socialistisch, a-moreel, maar anti- is zij niet. Het is heel goed mogelijk, dat de sociaal-democratische staat er zou zijn en dat ik in dien staat heelemaal mee kon voelen, dat ik dan een socialistisch dichter zou zijn. Maar voor iedereen acht ik het onmogelijk, dat van nu af aan eene socialistische poëzie geheel volledig in het leven zou worden geroepen. Die poëzie zou heelemaal hersenwerk, uit de gedachten zijn, dus onpoëtisch. Daarom heb ik juist zoo een grooten eerbied voor Mevrouw Roland Holst, omdat zij dit alles heelemaal doorwerkt heeft, en kan ik geen eerbied hebben voor een Gorter, als socialistisch dichter, omdat bij hem alles stelsel, gedachte, organisatie blijft. Dat laatste woord komt in zijn gedichten telkens terug en dat maakt een mensch kriegel. Eerst geeft hij een prachtig brok poëzie, en dan zegt hij: zóó is nu de socialistische organisatie. Dat is best mogelijk, mijnheer, maar ik wil alleen poëzie hebben en heb niets te maken met uw socialisme. En dat is nu juist het verkeerde van de poëzie in Holland tegenwoordig, dat zij zoo weinig geeft om het onmiddellijke, spontane leven, dat zij alles laat gaan door den geest en alles distilleert op eigen manier. Dat is bijv. de kwade invloed geweest van Verwey, die de gewaarwordingen en het gevoel heeft willen filtreeren door de idée. Daardoor zijn er een heeleboel jonge menschen in Holland op verkeerde banen geraakt. En zou u wel willen gelooven, dat ik niet veel vertrouwen heb in de poëzie van Holland…. Ja, ja, ja, u hebt gelijk, ik bedoel dan detoekomstvan de poëzie in Holland. Ziet u, ik wil niet onvriendelijk zijn…. Deze hebbelijkheid vindt men zelfs bij de besten, Boutens bijv., iemand waar ik grooten eerbied voor heb. Hij is de gevoeligheid-zelve, gevoelig tot de meest gespannen mystiek toe. Maar er is dit bij, dat hij Hollander is, en daardoor weer dit, dat hij, die uitgaat van het impressionisme, geheel intellectueel is geworden, dat hij waarlijk weer alles herleidt tot een intellectueel plan, even goed en misschien meer nog dan Gorter. Stel u voor een Boutens, die even kinderlijk gebleven was als Annie Salomons. Stel u voor wat dat zou zijn. Het is natuurlijk belachelijk, zulke namen naast elkaar te stellen, want, niet waar, Annie Salomons is nu nog niet bepaald wat men een groote dichteres noemt. Dus ik zeg dit met allen eerbied voor Boutens, dien ik een zeer groot dichter acht. Maar hoe doen de dichters in Holland? Zij hebben b.v. eenen indruk, dien ik zal noemen: blank. Wat doen zij nu? In plaats van argeloos maar dien indruk uit te zingen, nemen zij, zeer bedacht, wat wit, en zetten daarnaast voorzichtig een klein beetje rose, en daarnaast behoedzaam weer een klein beetje geel en maken daarvan de veertien regels van een sonnet. Dat is heel fijn, het is een genot dat te lezen, maar welk genot? Genot voor den geest. Het is geestelijke analyse geworden: een synthetische gemoedsbeweging geeft het niet. Dan nog maar veel liever de proletarische poëzie, waar tenminste nog een menschelijk gevoel in zit.

—U vindt het dus wel een vreemd verschijnsel, dat de proletarische opvattingen binnen gehaald worden door de dichters die eigenlijk de grootste individualisten moesten zijn en zijn?

—Ja, maar dat is een speciaal Hollandsch vreemd verschijnsel, en wat ook speciaal Hollandsch is, is dat deze dichters uitgaan niet naar menschenliefde, niet naar het christelijk begrip van broederliefde, maar naar de organisatie. Dat heeft mij altijd zoo verwonderd. In "Opwaartsche Wegen" kan men dat zoo goed zien. Daarin stond een zeer schoon sonnet, dat men met genot las, tot bij het laatste terzine, waarin de dichteres ineens zegt: dàt is nu het proletariaat,—waardoor het heele gedicht kapot wordt gemaakt. Gorter maakt een prachtig beeld van een jong meisje en onmiddellijk daarop zegt hij: dàt is nu de organisatie,—of zoo iets. Dat is speciaal Hollandsch. Een Franschman heeft eens gezegd: "Le Hollandais, c'est le Monsieur qui veut se rendre compte et … il se rend compte." Dat is waar. Zij willen altijd weten waar het om gaat. Gorter, ik ben er overtuigd van, is een prachtig mensch, als dichter wordt hij in oprechtheid door niemand overtroffen; en ook in zijn liefde voor het proletariaat niet, dat valt niet te betwisten. Maar als hij gaat denken, en als hij dan, al denkende, gedichten gaat maken over het proletariaat, dan is hij "le monsieur qui veut se rendre compte", dan gaat hij bedenken wie de voorzitter zal zijn van de organisatie, en wie de secretaris zal zijn, en hoe hij dien optocht zal inrichten, en wie de meeste stemmen zal halen bij de verkiezing. En dat heet dan poëzie. Zoo zijn zij haast allemaal. Al overdrijf ik hier natuurlijk met opzet, duidelijkheidshalve.

Kortom, een proletarische poëzie zal mogelijk zijn als de proletarische staat er is, waar de gedachte vleesch is geworden. Maar dan komt de reactie, dat kan niet anders, gelijk ook voor twintig jaar in de burgerlijke poëzie een reactie is gekomen. Als de proletarische- gemeenschappelijke stijl bestaat, dan komt er natuurlijk een aristocratisch -anarchistische beweging. Dat spreekt van zelf. Dat kan anders niet.

Het Vaderhuis (1903)—De Vlaamsche primitieven, hoe zij waren te Brugge (1903)—Laethemsche brieven over de Lente (1902)—-Verzen [Het vaderhuis, De Boomgaard der vogelen en der vruchten, Vroegere gedichten(1905)]—Janus met het dubbele voorhoofd (1908)—De gulden schaduw (1910) [De rei der maanden: het Huis van den Dichter; Poëmata] Homeros Ilias, prozabewerking (1910) Afwijkingen (1910)—Kunst en geest in Vlaanderen (1911)—-Interludiën (1912) Het tweede boek der Interludiën (ter perse)—De bestendige aanwezigheid (t.p.)—Het licht der kimmen [Het gelaat des dichters; De geestelijke woonst; De acht verblindingen] (in voorbereiding)—Omzettingen (i.v.)

[3] P. Vergili Maronis "Aeneidos", lib. VI, 883. (Zeer vrij vertaald): Gij zult nog eens de eerste van uw geslacht zijn.

(* 1863)

Toen ze mij na lange aarzeling ontving, was zij dermate onder den indruk van haar afkeer, als publiek persoon te worden ondervraagd naar het intieme van haar besloten zelf, dat het gesprek voor ondervraagde zoowel als voor ondervrager nu en dan pijnlijk werd. Achteraf meende zij, dat allerlei zaken niet tot haar recht waren gekomen en gaf mij in overweging het interview niet te doen verschijnen. Op mijn verzoek heeft mevrouw Simons-Mees mij echter gemachtigd, enkele uitlatingen uit het gesprek met haar en haar echtgenoot, die mij met het oog op mijn geheel belangwekkend voorkwamen, in mijn eigen woorden weer te geven.

Het schrijven was haar van begin af een zelf-bevrijding. Zij is heel gereserveerd en uit zich moeilijk. Vandaar dat ze trachtte, dit in haar werk te doen.

Al vrij jong had zij verwantschap gevoeld met Heine en met Multatuli. Hun anti-conventionalisme, hun speelsch vernuft, hun afkeer van dwang vonden weerklank bij wat leefde in haar zelf. Zoo had de beweging van '80 haar geen bevrijding te brengen, noch naar wezen, noch naar vorm. De rhetorica van de vóor-tachtigers, hun zwaar-op-de-handheid, hun moraliseer-behoefte had zij voor zichzelf overwonnen. Zoo was veel in de beweging der '80-ers haar zelf eigen. Alleen hun "woordkunst" is haar altijd vreemd gebleven. Zij zelf voelde meer voor stijl "inde natuurlijkheid". Vandaar dat men in de natuurlijkheid van haar dialoog ook wel "onnatuurlijks" kon aanwijzen. Het echte naturalisme was haar nooit eigen.

Dat gevoel voor "stijl" hangt wel samen met haar liefde voor de meest "stijlvolle" aller kunsten, de Bouwkunst. Geen kunstwerk, zelfs niet de muziek, geeft haar zulke ontroeringen als een mooi gebouw. Op reis is, naast de natuur en de romantiek van het landschap, architectuur wat zij het liefste zoekt.

En hier komt de tweeheid van haar wezen uit, gelijk die zich heeft geopenbaard in haar dramatische motieven en conflicten:

Ordening en moralisme tegenover ongebondenheid; stijl-zin tegenover vrije romantiek; joie de vivre tegenover zwaarmoedigheid, pessimisme, sociaal meegevoel en zelfontzegging. Behoefte aan genieting en liefde voor het eenvoudige. Zelftucht en punctualisme tegenover afkeer van dwang; hollandsche nuchtere werkelijkheidszin tegenover behoefte aan een verbeeldingswereld. Een zekere hereditaire liefde voor de wijsbegeerte heeft zich bij haar geopenbaard in een vaak onbewuste behoefte om de "idee" in haar kunst te verwezenlijken, en in een sterke neiging tot psychologisch analyseeren, die, samen met haar mede heriditaire, nauwgezetheid en behoefte om van alles rekenschap te geven—in de menschen en situaties, die zij teekent—tot het uitspinnen leidt in haar werk (van welk defect zij zich volkomen bewust is) zoowel als tot het meest drie tot vier malen omwerken van een stuk eer zij het doet spelen of verschijnen.

Het zijn die tegenstellingen in en om haar zelf, dat worstelen tusschen "het moet" en het "ik wil", die vooral de groote drijfveeren geworden zijn voor haar arbeid, en den dramatischen vorm, met zijn conflicten, in hoofdzaak bepaald hebben. Waarbij het feit dat het drama meer dan de roman op "structuur" berust, en de personen onmiddellijk en buiten den schrijver om zichzelf doet uitleven, die voorkeur voor dezen vorm wel mede bepaald zullen hebben. Zij voelt er zich althans meest in thuis; al denkt zij er ook over, den roman in brieven of dagboek eens te beproeven, om af te zijn van tooneelpremières met hun emoties, veelvuldige ontgoochelingen en "onmiddellijk hevig de publieke aandacht trekken".

Doordat zij, evenals Ibsen, uit een zekere puriteinsch-moralistische omgeving spruit, zich evenals deze aangetrokken voelt tot de problemen van het moreele leven en zich kant tegen de frase (vgl. Zijn Evenbeeld, St. Elisabeth, Een Paladijn en Een Kasbloem) is wel eens de schijn ontstaan, dat zij gewerkt heeft onder diens invloed. Indien dit zoo mocht zijn, dan stellig niet bewust.

Het is daarbij geenszins haar streven, als voorlichtster van het publiek op te treden. Ze tracht haar figuren zoo onpartijdig mogelijk voor zichzelf te laten leven, het aan het publiek overlatend, zelf een conclusie te trekken.

De taak van den kunstenaar—aldus mevr. Simons-Mees—is: De menschen door het kunstwerk in staat te stellen, beter in zich zelf en in de wereld te zien. Elk kunstwerk moet de menschen leiden naar meer levensinzicht en levenswijsheid. Als het tenminste echt is.

Daar kunst volgens haar eenvoudig ontstaat door en uit emoties in den kunstenaar, onverschillig of die gedragen worden door een maatschappelijk ideaal, of waardoor die gewekt zijn, acht zij onzen hevig-geëmotioneerden tijd voor het ontstaan van kunstwerken zeer gunstig: "Hoe meer emotie, hoe meer kunst".

Voor 't Diner, [blijspel in 1 bedrijf. Gespeeld te Rotterdam 1889. Uitgaaf T.B.] 1911.—Droomleven, [tooneelspel in 3 bedrijven. Gespeeld door het Rotterdamsch Tooneelgezelschap in 1890. Nooit gedrukt.] —Ouders, tooneelspel in 2 bedrijven (samen met L. Simons). [Gespeeld door de Tooneelvereeniging te Amsterdam (+/- 1895). Verschenen in het tijdschriftNederland.]—Ontgoocheld, tooneelspel in 2 bedrijven (samen met L. Simons). [Gespeeld in den Tivolischouwburg te Rotterdam (± 1896). Nooit gedrukt.]—Koningsbruid, sprookjesdrama in 7 tafereelen (1898). [Gespeeld door de Tooneelvereeniging te Amsterdam in 1911?. Nooit gedrukt.]—Twee geslachten, tooneelspel in 3 bedrijver. [Onder pseudoniem Dr. A.C.A. Kosters gedrukt inNederland1902.]—Twee Levenskringen, een ernstig stuk in 3 bedrijven. [Onder pseudoniem I.N.A. in deGids1902. Later onder eigen naam in bundel bij G. Schreuders te Amsterdam (thans Mij. v. Goede en Goedkoope Lectuur)].—Van Hoogten en Vlakten, een stuk in 3 bedrijven. [Voor het eerst verschenen in deGids, 1903, onder zelfde pseudoniem. Later in zelfden bundel als vorige.]—Zijn Evenbeeld. Tooneelspel in 3 bedrijven. [Verschenen inGroot-Nederland. Daarna in den 1sten bundel Tooneelspelen 1905.]—Een Moeder, tooneelspel in 3 bedrijven. [Gespeeld door 't Nederlandsch Tooneel te Amsterdam in 1905. Gedrukt inGroot-Nederlandin 1905. Later in den 2den bundel, bij de mij. v. Goede en Goedkoope Lectuur.]—De Veroveraar, een spel van stemmingen in 5 bedrijven. [Gespeeld voorjaar 1906 door het Nederlandsch Tooneel te Amsterdam. Gedrukt inNederland1906. Daarna in de Ned. Bibliotheek (1906).] —Atie's Huwelijk, tooneelspel in 4 bedrijven. [Gespeeld a.v. in 1907. Gedrukt inGroot-Nederland. Daarna in de Ned. Bibliotheek in 1907.]—Sint Elisabeth, tooneelspel in 3 bedrijven. [Verschenen inGroot-Nederland1907. Later opgenomen in den 2den bundel Tooneelspelen.]—Kasbloem, tooneelspel in 3 bedrijven. [Verschenen inGroot-Nederland1908. Later opgenomen in den 2den bundel Tooneelspelen.]—Een Paladijn, blijspel in 4 bedrijven. [Gespeeld door het Nederlandsch Tooneel te Amsterdam. Uitgaaf in de N.B.]—-Het Liefdesvers, blijspel in 1 bedrijf. [Gespeeld op het Letterkundig Congres te Antwerpen in 1912. Niet uitgegeven.]—De Nimf, satyriek tooneelspel in 4 bedrijven. [Gespeeld door het Rotterdamsch Tooneelgezelschap in 1913. Verschenen in de T.B. 1913.]—

[Illustratie: CYRIEL BUYSSE]

[Illustratie: Op het balkon van zijn werkhuis]

(* 1859)

Toen ik te Gent uit d'n Sint-Pieters-Statie stapte, werd ik aangesproken door een zeer reusachtigen, blozenden, jovialen schoolknaap met opgestreken blonde knevels en zware Amerikaansche rijglaarzen:—Cyriel Buysse in zijn sportpak. Hij geleidde me naar zijn beroemde auto, liet zijn armen in een paar wijde handschoenen glijden en weg tuften wij. Wij gingen langs "het familiebuiten"; niet er in. Een zevental kilometers verder ligt zijn werkhuis, in de wandeling "de kooi", "la maison à pattes", of wel "de meulen" genaamd.

Langs een omweg bereikten wij den top van een breeden heuvel en daar stond op een getimmerte van balken, te midden van laag gewas, een viertal meters van den beganen grond een houten gebouwtje met twee balkons. Men noemt het huisje "de molen", omdat op dien heuvel ook een molen staat, vele eeuwen oud, die, tusschen haakjes, nog steeds maalt. Het bevat een keukentje, een slaapkamer voor een dienstbode en een vrij ruime, doch primitieve werkkamer met groote openslaande vensters.

Niemand zou hier een schrijver als Buysse gezocht hebben. Een lang ganzenroer lag op het bed naast mijn brief, een handvol patronen over de schrijftafel verspreid.

Terwijl hij mij rondleidde en me de kasteelen in den omtrek toonde, moest ik denken aan een grondbezitter in de Kempen, die jaren geleden mij en een vriend door twee gewapende boschwachters deed aanhouden, omdat we over zijn terrein liepen teneinde een stuk weg af te snijden, en die ons minstens had laten opsluiten als hij had geweten dat we hadden gezwommen, bovendien, in zijn beek. Ik ben maar liever zijn gast, overwoog ik, tot Cyriel Buysse terugkeerend. Deze legde een twaalftal half uitgebrande toebakspijpen opzij, zoodat ik op zijn tafel kon schrijven, en keek met gefronsde wenkbrauwen over me heen toen ik met mijn vragen aankwam. Het: "Ge zult niets uit 'm krijgen!", dat enkele uren te voren een artiest mij had toegevoegd, spookte mij door het hoofd.

"Ik ben de zoon van een fabrikant,"—begon hij—en wachtte: Als u 't hebt opgeschreven, waarschuwt u me wel. Dat was een grappige vergissing. Ik beduidde hem, dat hij zich aan mij niet moest storen en toen ging het vlot. Hij zette zijn gewone joviale gezicht en vertelde:

—Ik ben de zoon van een fabrikant. Mijn vader had een fabriek een paar uur hier vandaan, en het idée was, dat ik hem op zou volgen als industriëel. Toen ik een jaar of vierentwintig was, werd ik voor zaken naar Amerika gestuurd, met het idée om daar misschien wel enkele jaren te blijven. Daar had ik vreeselijk te lijden van heimwee. Ik kon er absoluut niet wennen en ik geloof dat werkelijk door het lijden van het heimwee ik ben gaan zoeken: wat zal ik doen, ik moet iets anders doen. En toen ben ik voor eigen pleizier een dingetje begonnen te schrijven, iets van niemendal, het heette "Guustje en Zieneken", een boerenverhaaltje. Dat liet ik lezen aan mijne tante, Virginie Loveling, een zuster van mijne moeder. Die vond er iets in en zeide mij: met een klein beetje er aan te veranderen kan het gepubliceerd worden, en ik zou u aanraden om door te werken. Dat werd gepubliceerd in "Het Nederlandsch Museum", dat toen in Gent werd uitgegeven, en verscheen daarna als een afzonderlijk boekje. En van dat oogenblik af ben ik doorgegaan bijna zonder onderbreking. Mijn eerste werk van beteekenis was "De Biezenstekker", een groote novelle, die verscheen in "De Nieuwe Gids". Heel kort daarna kwam "Het Recht van den Sterkste". Ik geloof, dat ik daardoor in Holland bekend ben geworden. Wat zal ik u verder zeggen? de lijst van mijn werken is heel lang, er zijn er in de twintig, ieder jaar is er een nieuw boek geweest.

Ik heb ook voor het tooneel gewerkt, een stuk uit den boerenstand "HetGezin van Paemel", dan nog een ander stuk, getrokken uit "DeBiezenstekker", "Driekoningenavond"; verder "Maria", getrokken uit Het"Recht van den Sterkste"; en verder "Een sociale Misdaad", getrokken uiteen novelle van Wildstroopers.

Een bedoeling heb ik met mijn werken nooit gehad. Ik geloof werkelijk, dat er bij mij heel weinig achter zit. U moet mijn werk nemen zooals het is, zonder bijbedoeling. Wel getrokken uit dingen die om mij heen gebeurd zijn—ik zit hier midden in mijn onderwerpen—maar zonder de bedoeling om met het schrijven iets te bereiken. Ik geloof, dat op mij wel toepasselijk is de formule van "l'art pour l'art". De menschen hebben er wel eens politieke bedoelingen in gezien. Eén ding is waar, ik ben heelemaal niet een vriend van de clericalen. Die hebben telkens veel aan mijn werk af te keuren gehad en van hen heb ik een geweldige tegenkanting ondervonden. Ik ben voor mijn globale werken in den ban geslagen. Mijn naam is om zoo te zeggen in den ban.

—Hoe komt het, dat gij u bijna altijd bezighoudt met die plattelandsmenschen?

—Ten eerste omdat ik die het best ken. Ik ben een buitenmensch. Ik ben heelemaal wat men kan noemen "un terrien", een man van den grond. Wat buiten gebeurt interesseert mij doorgaans meer dan wat in de stad gebeurt. Ik ben heelemaal geen stadsmensch. Ik kom alleen in de stad om sigaren te koopen of om mijn automobiel in orde te laten maken. Het is heel eigenaardig, ik denk bijna nooit aan de stad. Ik heb wel sommige dingen geschreven die gedeeltelijk in de stad plaats hebben, maar meestal komt er dan nog heel veel buitenleven bij. Ik voel mij absoluut als uit den grond gegroeid. Ik word heelemaal niet aangetrokken door het moderne leven in de stad. Dat lijkt mij dikwijls ziekelijk, en ik voel veel voor het gezonde.

—Maar is dan in het algemeen de schrijver niet een mensch met niet-gezonde zenuwen, zooals men het wel eens heeft geformuleerd?

—Neen, dat vind ik niet. Ik geloof meer aan het "mens sana in corpore sano",—altijd wat mij betreft. U kunt mij beschouwen als een geweldig individualist. Ik sluit mij heel moeilijk aan bij een ander. Ik ben wel lid van enkele vereenigingen, maar ik kom er nooit. Ik sta in alle opzichten heelemaal alleen.

—Dus u gelooft niet aan de uitspraak: hoe zieker zenuwen, hoe beter kunst?

—Neen, voor mij is dat absoluut niet zoo. Je kunt wel heel goed en scherp voelen en toch een heel gezond mensch zijn. Ik heb nooit de behoefte gevoeld mij ziek te maken om te werken. Vroeger kon ik alleen 's ochtends werken, maar nu kan ik een beetje werken wanneer ik wil. Dat gaat mij nu gemakkelijker af dan in het begin.

Ik ben op het oogenblik bezig met een nogal eigenaardig boekje. Ik noem het "mijn zomerdagboek". Het zijn korte noteeringen van elken dag van mijn leven hier in de natuur. Van wat ik zie en gevoel. Allerlei kleine dingetjes dikwijls. Zeer afgewisseld. Een innig doordringen tot het landelijk leven in zijn détails. En het is ongelooflijk wat gij kunt afleggen als gij iederen dag werkt. Een-en-twintig Maart, den eersten dag van de Lente, ben ik begonnen, en wilt ge wel gelooven dat ik met iederen dag een paar bladzijden te schrijven, een boekje heb gekregen van meer dan driehonderd pagina's? Ik heb het tot nog toe volgehouden en nog geen enkelen dag overgeslagen van 's avonds iets neer te schrijven. Dat boek zal iets heelemaal aparts zijn in mijn productie. Ik zal het eindigen met den dag dat ik hier weg ga. Ik ga hier altijd weg als de laatste blaadjes gevallen zijn, en dan sluit ik meteen mijn dagboek.

—Hoe is eigenlijk de verhouding tusschen u en uw onderwerpen?

Dat is de verhouding van iemand, dien zij denken heelemaal tot hun gemoedsleven te behooren. Die menschen weten vagelijk dat ik schrijver ben. Zij weten het maar heel onduidelijk. Zij weten niet wat het is een schrijver te zijn. Ik praat met de boeren, ga in hun herbergen, tracteer de lui en praat met de herbergiers. Zij beschouwen mij heelemaal als van hun soort. Dat wil niet zeggen dat ik intiem met hen omga. Ik blijf voor hen altijd de mijnheer, maar toch een mijnheer die hun leven begrijpt. Het is wel gebeurd dat sommige menschen zeiden: mijnheer Buysse heeft over ons geschreven. Maar dan werd er weer aan getwijfeld, omdat sommige dingen niet precies klopten. Je componeert je boeken, nietwaar? je neemt iets van die en neemt iets van een ander, en daarvan maak je je personages. De menschen in mijn boeken zijn niet heelemaal integraal zooals zij langs de wereld loopen. En zoo herkennen de menschen zich meestal niet in mijn werk. Als gij hier moest rondgaan en vragen: wat doet die mijnheer Buysse toch, zij zouden u zeggen: Mijnheer Buysse is een mijnheer die op zijn goed leeft en niets uitvoert.

Ik weet niet of u al gelezen hebt wat thans van mij in "Groot-Nederland" is verschenen: "Van Hoog en Laag", de eerste van een serie van waarschijnlijk drie romans onder den gemeenzamen titel van "Hoog en Laag". Het eerste heet "Het eerste levensboek", en speelt hier. Het is het landschap dat u hier om u heen ziet. Het leven op dit kasteel en dat kasteel en dat van de dorpsmenschen zoo door elkaar. U zult er waarschijnlijk wel dingen min of meer in herkennen.

Natuurlijk met de transformatie die een artiest aan de werkelijkheid geeft. Wij behoeven toch niet te praten over de quaestie van het realisme? "Un coin de nature vu à travers un temperament" is een niet kwade formule. De beschrijving van een realiteit is toch heel iets anders dan die realiteit…. Het grond-motief van dit boek vereenigt zich met een ander: ik zit hier namelijk hoog op een heuvel en ginder is nog een heuvel met een kasteel er op en daaronder liggen de menschen van het dorp hier….

—Laat ik u even vasthouden. U zegt, dat een beschrijving van de werkelijkheid anders is dan de werkelijkheid zelf. Moet ik dit zoo verstaan, dat u iets aan de werkelijkheid toevoegt?

—Als de artiest niets aan de werkelijkheid toevoegde zou hij geen artiest zijn. Het beschrijven van détails zonder meer, zooals Van Deyssel wel eens heeft gedaan, daar voel ik niets voor. Dat kan ik niet mooi vinden. "L'âme des choses", zooals de kunstenaar die voelt, moet uit zijn werken spreken.

—Maarwatvoegt gij dan aan de werkelijkheid toe?

—Ik zie de werkelijkheid vóór mij en op de werkelijkheid, die als beeld in mijn hoofd zit, ga ik bouwen. Maar er komt zooveel bij en er gaat zooveel af. In mijn werk is het gedeelte van de verbeelding zeer groot.

—Welke zijde van de werkelijkheid trekt u dan het meeste aan?

—Ik weet niet of ik het ooit zal gebruiken, maar àl wat ik zie interesseert mij. Alle verschijnselen van het leven zijn vol belang voor mij. Van het grootste tot het kleinste vind ik alles belangrijk.

—Welke voorgangers hebben op uw eerste werk invloed gehad?

—Ze hebben mij dikwijls vergeleken met De Maupassant, en ik zie zelf ook wel, dat ik op hem lijk in sommige dingen, doch dat is een toevallige gelijkenis. Vroeger heb ik bepaaldelijk onder den invloed van Zola gestaan. Hij heeft invloed op mij gehad, gelijk op alle joncheren van dien tijd. Wie heeft niet onder zijn invloed gestaan, twintig of vijfentwintig jaar geleden? "Het recht van den Sterkste" is bepaaldelijk onder den invloed van Zola geschapen. Ik bedoel natuurlijk niet, dat ik geïmiteerd heb, maar wel dat het procédé, de visie van Zola, is toegepast op deze lui en deze toestanden. Ik voelde daar veel voor in dien tijd, nu minder…. Maar aan de wetenschappelijke tendenz, bijv. aan de quaestie van de herediteit, die bij Zola zoo op den voorgrond treedt, hecht ik heelemaal niet. Dat is mij veel te gewild. Wat ik mooi vind, dat is de gang die in zijn werk zit, het lyrisme in een boek als "Germinal", de kolossale beweging van de massa's, het epos van een boek als "l'Assommoir".

—Hoe denkt u dan over de uitspraak dat het naturalisme dood is?

—Waarom zou het dood zijn? Er is niets dood. Het heeft zijn tijd gehad. Maar wie belet iemand met groot talent een heel mooi naturalistisch boek te schrijven? Laten zij het maar probeeren als zij kunnen. Wat hebben wij al nieuwe modes gezien in de literatuur. Waar is nu de mode van het symbolisme en het mysticisme? In sommige landen is het nog een beetje gaande, maar bijna overal heeft het afgedaan. Ik hecht niets aan al die dingen, absoluut niets…. O neen, ik geef mij geen rekenschap…. Zegt u maar gerust, dat alles bij mij direct gebeurt, spontaan en intuïtief, dat ik niet weet te zeggen waarom of hoe. Ja, de Hollanders zitten altijd met hun deductievermogen bezig en vragen altijd hoe het gekomen is en waarom het gebeurd is, maar ik weet het heusch niet. Ik geloof dat ik daarvoor te eenvoudig, te gezond in mijn natuur sta, om mij daarom bezorgd te maken.

—Dus dan heeft u geen bepaalde voorliefde voor een of andere richting?

—Als ik een mooi schilderij zie of een mooi boek lees, dan denk ik niet aan de richting. Dan kan het mij ook heelemaal niet schelen van welke richting of het is. Bijvoorbeeld: hoever sta ik niet af van een man als Maeterlinck? En toch bewonder ik zijn werken meestal enorm.

—Ik kom nu aan de verhouding tusschen kunstenaar en maatschappij. Heeft volgens u de schrijver een taak ten opzichte van de gemeenschap, moet hij bijv. de menschen iets leeren…?

—Ik wil niets leeren aan de menschen. Ik schrijf eenvoudig omdat ik niet anders kan. Ik zou heel ongelukkig zijn als ik niet kon schrijven. En waarom publiceer ik? Omdat hier en daar toch wel iemand is die met je meevoelt. Ik ken slechts de behoefte om wat ik sterk voel mee te deelen. Als je voor een mooi tafreel staat, dan heb je een kreet, dan zeg je: wat is dat mooi! En wanneer je als schrijver iets ziet dat mooi is, dan werk je het uit en geeft het aan de menschen te zien.

Ik heb niet één van mijn werken herlezen. Ik zou het niet kunnen. Eenmaal als het geschreven en gedrukt is, is het absoluut dood. Het gaat zoover, dat ik heelemaal niet meer weet wat in mijn vorige werken gebeurd is. Een boek dat eenmaal geschreven is, is een ding dat gebloeid heeft en daarna is dood gegaan, een vrucht. Ik heb nooit het publiek voor oogen als ik iets doe. Ik ken mijn publiek niet. Wie leest mijn boeken? Ik weet het niet.

—Met andere woorden: voor het streven naar gemeenschaps-kunst voelt u niets.

—Dat gaat geheel buiten mij om. Absoluut. Daarvoor ben ik veel te sterk individualist. Ik sta alleen op de wereld. Ik begrijp niet wat bedoeld wordt met gemeenschaps-kunst. Wat is gemeenschaps-kunst…. Ik meen dat alles onbewust moet gebeuren en dat de gemeenschap naar de kunst moet komen, aangetrokken door wat wel aardig is en wat zij mee kan voelen. Ik kan mij niet voorstellen een gemeenschaps-kunst, een soort vooropgestelde kunst om de gemeenschap te behagen of ten nutte te zijn…. Ik weet het niet, ik kom er niet bij. Ik ben bang, dat het dikwijls heel minderwaardige kunst zou zijn op die manier….

Nu zult u mij natuurlijk herinneren aan sommige van mijn tooneelstukken en aan mijn relaties met de socialisten. Och, ik beschouw die menschen als veel meer ontwikkeld dan de burgerij hier. Zij staan er bepaald ver boven, wat intellectueele ontwikkeling betreft. En daardoor hebben zij meer mijn sympathie gehad dan de anderen. Maar denkt u er om dat ik heelemaal buiten de politiek sta en dat ik geen actief deel neem in geen enkele partij. Ik ben zelfs geen kiezer, ik ga nooit naar de verkiezingen. Het is toevallig, dat mijn kunst beter begrepen wordt door de socialisten en beter in hun geest kwam. U zult zeggen "Het gezin van Paemel" is een socialistisch stuk, de socialisten spelen het voortdurend en spelen het goed, maar ik verzeker u dat het toevallig is en het zou net zoo goed kunnen gebeuren dat ik een stuk schreef dat anti-socialistisch was. Maar aangezien de mindere klassen menschen zijn die veel onrecht wordt gedaan in de maatschappij, voel ik mij daartoe meer aangetrokken. Er is veel meer van te zeggen dan van de andere standen, die bevoordeeligd zijn door de maatschappelijke verhoudingen. Ik ken de geheele opkomst van de Gentsche socialisten, hun economischen en socialen strijd, en ik vind het bewonderenswaardig, ik kan het niet helpen. Iederen keer dat ik voor "Vooruit" kom, bewonder ik wat zij gedaan hebben en hoe die menschen zich trots alles ontwikkeld hebben.

Als de proletarische kunst goed is, dan vind ik ze goed. Maar ik vind ze wel eens leelijk. In de tooneelzaal van de socialisten te Gent hangen schilderijen, symbolische voorstellingen van kapitaal en arbeid, die ik niet kan bewonderen. Is dat gemeenschapskunst, dan zou ik zeggen: ik zie liever salonkunst als het mooi is. Roland Holst en Gorter zijn twee echt mooie artiesten, die ook zonder hun richting heel mooie dingen maken. Ik ben overtuigd, dat zij het socialisme niet noodig hebben om prachtige kunstwerken voort te brengen.

Kortom, ik meen dat een artiest volkomen onafhankelijk moet willen zijn … of liever, hij "moet" het niet "willen" zijn, hijishet, hij is absoluut vrij aan alle kanten, want als hij denkt dat hij het "moet" zijn, dan is het ook al weer niet zuiver….

—En we tuften terug. De boeren die tegen 't land werkten stonden op om hem te groeten. De zon scheen over den akker en hij wees mij op de kleur van den grond: rose, met een gouden weerschijn, heelemaal niet zwart, zooals een befaamd Hollandsch journalist, over Streuvels schrijvend "den vetten Vlaamschen bodem" genoemd heeft.

Nu kwamen wij op "het familiebuiten".

Ik vond het verschrikkelijk jammer dat ik geensmokingbij mij had, maar het was nu eenmaal niet anders. Hij had een flink aantal logé's—hij beweert tusschen haakjes dat men in Holland van "louché's" spreekt—met klinkende vaderlandsche namen en we gingen bijna terstond aan tafel. En terwijl een van zijn dochters mij vertelde, dat hij de slaaf is van zijn louché's, hoorde ik uit een gesprek, dat aan het andere eind der tafel gevoerd werd, dat men hem in zijn huis "de artiest" noemt. Een grappige bijzonderheid, die boekdeelen spreekt, zoowel over den man als over zijn omgeving. Met een goedhartig snuit liet hij met zich sollen en één keer liep hij, groot en naïef in zijn sportpak, van tafel om een exemplaar van zijn "Per auto" te halen, waarin hij voor een "louchée" een opdracht schreef…. Ik moest er vooral bij vermelden dat hij dit met een zeer defecte vulpen deed…. En in één adem liet hij er op volgen: "Hebt u 't al gehoord? Mijnheer de interfiefer (dat was ik) vindt mij een heel eenvoudig man!" Met bewonderenswaardigen tact bracht de gastvrouw het gesprek op een ander onderwerp.

Hij had mij gaarne enkele dingen in den omtrek in verband met zijn werk laten zien, doch het ging dien middag niet, want een paar jonge dames die bij hem "loucheerden" moesten een bezoek afleggen in het Zuiden, en daar hij de chauffeur is van de heele familie, was hij dien middag bezet.

Het Recht van den Sterkste(1893)—Sursum Corda (1894)—Wroeging(1895)—Mea Culpa (1896)—Op 't Blauwhuis (1897)—Schoppenboer (1898)—Uit Vlaanderen (1899)—Te Lande (1899)—'n Leeuw van Vlaanderen (1900)—Van Arme Menschen (1901)—Daarna (1903)—Tusschen Leie en Schelde (1904)—Rozeke van Dalen (1905)—'t Bolleken (1906)—Lente (1907)—In de Natuur (1907)—Het Volle Leven (1908)—Ik Herinner Mij (1909)—Het Ezelken (1910)—De Vroolijke Tocht (1911)—Stemmingen (1911)—De Nachtelijke Aanranding (1912)—Per Auto (1913)—Van Hoog en Laag (1913).

Tooneel:

De Plaatsvervangende Vrederechter, satire.—Het Gezin van Paemel, drama.—Maria, drama.—Driekoningenavond, drama.—Een sociale Misdaad, drama.

[Illustratie: FRANS BASTIAANSE Jeugdportret]

[Illustratie: Foto Brok—Hilversum FRANS BASTIAANSE (eind 1913)]

(* 1868)

Onlangs ontmoette ik een dame, die al zijn verzen van buiten kent, zoo vaak had ze die, bewonderend, gelezen. Kort daarop sprak ik die dame weer. Ik heb hem gezien, zei ze, maar hij is mij bitter tegengevallen: hij is zoo'n gewoon mannetje….

Mij is het juist andersom gegaan. In een plaats als Hilversum, waar het meerendeel van de menschen tot een allerbanaalst type behoort, valt een echte persoonlijkheid spoedig op, en zoo had ik allang het mijne gedacht van een niet kleinen maar ineengedrongen mijnheer met norsch starend gelaat, die in mijn buurt woonde. Hij was steeds bijzonder goed gekleed, maar blijkbaar liefhebber van een soort rustieke deukhoeden, die, vergeleken bij zijn overige kleedij, welhaast bizar zijn. En als hij mij traag voorbijpeddelde of met afgemeten passen langs mij schreed, telkens gaf hij mij de sensatie van een opgesloten en eenigszins beschaafden leeuw, van wien men nooit zeker kan weten, of hij niet op klaarlichten dag doodkalm zijn klauw, tusschen de traliën van zijn kooi door, in de spieren van den toeschouwer zal slaan. De lezer begrijpe goed: Niet de uiterlijke verschijning van dien mijnheer had gelijkenis met een leeuw, maar zijn innerlijk, dat ik raadde, had voor mij iets ontembaars.

Toen ik nu ontdekte dat die mijnheer Frans Bastiaanse heette, was ik niet verwonderd. Ik aanvaardde de ontdekking gemakkelijk. Een onafwijsbaar licht ging mij op over zijn verzen, nu ik wist dat de dichter "van buiten ijs, van binnen gloed" was.

In een huisje, niet ver van het mijne, met een ruim uitzicht over de hei en dat hij, tot mijn verbazing zonder ironische bedoelingen, "De Vlakte" heeft genoemd, woont deze idealist, die zich grimmig gelaten beweegt in de burgerlijke positie van leeraar aan een burgerschool. En voor zoover hij niet reeds uitteraard ongenaakbaar is, wordt hij dit met behulp van zijne vrouw, die met een gezicht, zoo zonnig dat men het nog aangenaam vindt op den koop toe, de bezoekers op een afstand houdt en zoo zijn weinige vrije uren bewaakt.

De lezer zal wel begrepen hebben dat Bastiaanse mij, toen de kennismaking ondanks alles een feit was geworden, op sommige punten maar weinig nieuws had te vertellen. Hij was daar trouwens niet toe geneigd, want hij had een zeldzaam grimmige bui—dat zégt wat, niet waar?—en ik was al dra een beetje afgetrokken. Want zelden heb ik zoo sterk het verschijnsel waargenomen, ja getast, dat twee gedachtegangen (die van Bastiaanse en de mijne dus, in dit geval) elkander ik zou bijna zeggen rakelings voorbijgaan, zonder elkaar te ontmòeten. Nu was dit verschijnsel vooral merkwaardig, omdat ik hier zoowaar te doen had met iemand van academische opleiding, die reeds vele jaren docent is, en nog wel o.a. in de geschiedenis, en die dus ongetwijfeld groote oefening en vaardigheid bezit in het waardeeren van andermans meening. En toch, nu het ging om het innigste, het eigenaardig-persoonlijke, kreeg hij het gevoel dat ik vroeg om te strijden, en heel-even stonden we als blazende katers tegenover elkaar; om het daarna glimlachend op te geven en ons te verdiepen in de beschouwing van een mooie teekening. Want we hadden de scheidingslijn geraakt.

Doch ik loop vooruit. Hoor hem eerst van zijn jeugd vertellen, woordkarig, zoo langzaam dat men aan het eind van ieder woord vreest dat hij er genoeg van krijgt, en blij als hij gelegenheid heeft het een of ander te verpletteren onder een zwaar woord, waar een languitgehaalde, dikkeluit rolt:

"Ik ben uit een vo_l_komen ondichter_l_ijk milieu voortgekomen. Bij mij thuis waren alleen te vinden wat Aurora's, de Heidelbergsche catechismus, en Motley's "De opkomst van de Nederlandsche republiek". En als ik iets aan mijn omgeving te danken heb, dan zou ik zeggen dat het aan mijn vader is, een man van groot doorzettingsvermogen, die zich uit de lagere standen door energie en intellect had opgewerkt. Die liet mij ook volkomen vrij, en toen hij begreep dat ik niet in den handel wilde, mocht ik het vak van mijn keuze kiezen. Maar hij waarschuwde mij er voor, schoolmeester te worden: dat was het jammerlijkste vak dat ik kiezen kon….

Op de lagere school, toen ik een jaar of tien was, begon ik de verhaaltjes die wij moesten schrijven, in plaats van die in gewoon proza na te vertellen, in verzen, natuurlijk prulverzen, na te vertellen. Dat is het begin geweest.

Ik ben ook een tijdlang op kostschool geweest in Oosterbeek en daar heb ik bijzonder veel aan het natuurleven gehad, hetgeen dan op mijn denken en gevoelsleven wel invloed heeft geoefend.

Op de burgerschool in Utrecht, op mijn zestiende of zeventiende jaar, ben ik weer gaan schrijven. Dat kwam spontaan. Tusschen mijn allervroegste prematuur ontwaken en mijn eigenlijk gezegd bewust optreden als dichter liggen dus een jaar of zes, zeven. Het begon toen met prullaria: Ik herinner mij een gedicht op een historisch gegeven: De slag op de Catalaunische velden. Ik had nog geen metriek geleerd en voelde dat er aan mijn Alexandrijnen iets ontbrak. Ik kon er maar niet achter komen wat. Later, het gedicht overlezend, zag ik dat de caesuur op de verkeerde plaats viel….

Maar toen kwam een gewichtig oogenblik in mijn leven. Doordat mijn vader mij nogal vrij liet, kon ik vrij wat boeken bestellen, en zoo was ik ook op "De Gids" geabonneerd. Ik kwam toen bij mijn boekhandelaar, die mij zeide: Er is ook een ander tijdschrift, wilt u het eens inzien? Dat was "De nieuwe Gids". Ik ben ermede naar huis gegaan en heb de aflevering in één stuk doorgelezen. Direct begreep ik, dat dat nu was wat ik eigenlijk moest hebben. Men heeft wel eens opgemerkt: er staan in de "Nieuwe Gids" van die dingen waar je eerst aan moet wennen en dan pas kon je achter de schoonheid komen, maar ìk voelde het direct. Het was in den tijd dat Van Deyssel zijn critieken schreef en Kloos zijn prachtige verzen, die zijn opgenomen in het "Boek van kind en God". Daar had ik terstond een groote bewondering voor, en dat is ongetwijfeld van invloed geweest op mijn vorming. Meer invloed moet ik nog toekennen aan de theorieën van Kloos, zooals die in het begin van die periode telkens verschenen in zijn literaire kronieken. Het is mij vaak gebeurd dat ik van een schrijver niet veel las, maar uit een aantal verzen mij de gevoelswereld, waarin hij zich bewoog, eigen maakte. Dan ging ik weer mijn eigen gang. Zoo ook toen. Ik zat in de vierde of vijfde klas van de H.B.S. en ging weer mijn eigen verzen maken, doch die leken aanvankelijk wat veel op die van de "Nieuwe Gids". Ik heb ze dan ook onrijp gevonden en ze later allemaal achtergehouden…. In dien tijd kwam ik met de afleveringen van de "Nieuwe Gids" op school, ik liep er mede door de gangen en droeg zorg dat de leeraren het zagen. Zij vonden dat, naar ik dacht, een huiveringwekkend gezicht.

Toen ik eind-examen had gedaan, besloot ik na eenige aarzeling, in de literatuur te gaan studeeren. Ik had van letterkunde, zooals die aan de academie wordt onderwezen, geen goed begrip; ik dacht dat ik aan de academie "de literatuur" zou hooren. Ik deed eind-examen gymnasium, en ging in de Nederlandsche letteren studeeren. Ik was spoedig teleurgesteld en heb ook lang overwogen, er maar den brui van te geven en eenvoudig literator te worden. Maar mijn neigingen brachten mij volstrekt niet tot realisme, en ik begreep wel, dat iemand die niets anders deed dan verzen maken, om te kunnen leven in de een of andere slavernij moest vervallen. Toch heeft het lang geduurd, voordat ik mij resigneerde om te blijven studeeren: Anderhalf jaar heb ik geen college geloopen.

Ik nam mijn besluit juist in den tijd, toen het mis ging met de "Nieuwe Gids". Het wegvallen van het geestelijk milieu in ons land deed me pijnlijk aan. Want, niet waar, je leeft als individuen naast elkaar en je hebt in de sfeer waarin je leeft wel eenige aanknoopingspunten noodig. Dat maatschappelijk bankroet, dat ik in het ineenvallen van de "Nieuwe Gids" proeven kon, heeft mij gedeeltelijk tot inkeer gebracht, en heeft bij mij het voornemen doen rijpen om af te studeeren, zoodat ik niet een maatschappelijk afhankelijk persoon zou worden, dat ik mij zelf kon redden en daar bovenuit kunstenaar kon zijn….

Nog iets anders heeft daartoe meegewerkt. Max Nordau heeft een boek geschreven: "Ontaarding"—een van de meest abjecte boeken die ik ken. Hij beweerde o.a. dat de groote dichters als Goethe complete menschen waren, maar bovendien nog kunstenaars, en dat de tegenwoordige dichters incomplete menschen waren. Goethe was overcompleet, zei hij zoo ongeveer, die had ergens een compartiment in zijn bestaan waar «en volkomen burger in zat, en dat heb jullie niet. Ik vond dat dat heelemaal onjuist was, en toen dacht ik: Ik zal die paar examens doen, dan kan ik het maatschappelijk werk dat te doen is ook op mij nemen, dan toon ik ook een overcompleet mensch te zijn. Ik beschouwde die maatschappelijke taak wel niet als het schoonste, maar toch als een noodzakelijke plicht. Ik besloot een gewoon mensch in de cultuur te worden, waarvan ik in mijn eerste jeugd een hartgrondigen afkeer had gehad.

Ik ging toen een poosje naar buiten, en begon te werken voor mijn candidaatsexamen. In den tusschentijd had ik eenige verzen geschreven, die in enkele jaargangen van den Utrechtschen Studentenalmanak waren verschenen. Eenigen daarvan zijn door Van Eeden beoordeeld, die tot de conclusie kwam, dat Boutens, die toen ook verzen publiceerde, en ik misschien weleens zouden weten van ons leven, wat een goed vers is. Een van die gedichten is "Middag aan den heuvelrand", later opgenomen in "Natuur en Leven". Van Deyssel heeft daar later over geschreven.

Ik was toen 23 jaar. Wat voor den pianist de vingeroefeningen zijn, dat was voor mij het schrijven van mijn vroegste gedichten. Zoo goed als ieder ander kunstenaar heeft de dichter grondig zijn métier te leeren.

Wat nu mijn levenshouding betreft—ik sta hoofdzakelijk op het standpunt van den aristocratischen eenling. Ik vind dat het geestes-aristocratisme steunen moet op een bijzonder groote mate van kennis en op het diepste menschelijk gevoel. Een gevoel echter, dat nooit mag leiden tot den ondergang van het individu. Ik bedoel dit: Ik zou nooit een leven kunnen leiden als bijv. Verlaine—een leven van armôe en ellende. Dit heeft ook gemaakt—die dingen werken allemaal op elkaar terug—dat ik mij maatschappelijk zelve door het leven wenschte te slaan.

Maar het spreekt wel van zelf dat ik geen kind zou zijn van mijn tijd, wanneer ik niet ook op gegeven oogenblikken de behoefte in mij had gevoeld naar aansluiting bij de massa van gelijkgezinden. Ik heb een oogenblik gemeend, zooals zoovelen, dat ik dit wellicht in het socialisme zou vinden, daar ik het in de nuchter-practische gemeenschap van de bourgeoisie niet vond. Want voor een massa van die menschen is de poëzie dood. Ze hebben er niets aan. Te midden van hen kun je je als eenling voelen, maar nadere gemeenschap heb je niet met hen. Wat zij zwart noemen, dat noem je gewoonlijk wit. Zoo ga je zoeken naar een andere gemeenschap, en toen ben ik ook wel enkele malen op een socialistische meeting geweest.

Maar die toon van gemeenzaamheid, die vervlakking van de persoonlijkheden, die daar voorkwamen, leken mij aan den anderen kant weer even verkeerd. Want ik ben wel voor de vrijheid, maar zeer sterk tegen de gelijkheid en de broederschap, in dien zin dan dat daardoor het persoonlijkheidsbesef zou worden aangetast. En hoe meer iemand zich differenciëert van de massa, des te meer zal hij in staat zijn om datgene te maken wat de massa niet vermag. Dus: Ik ben voor de grootst mogelijke ongelijkheid, en dat heb ik toen goed gevoeld. Eerst heb ik in dien tijd met Gorter terloops gesproken en daarna grondiger met Tak. Aan Tak heb ik één wijze raadgeving te danken, die ik nog dankbaar in gedachten houd: Hij waarschuwde mij, mij niet in dit opzicht door mijn gevoel, maar slechts door mijn intellect te laten leiden. En toen ben ik het historisch materialisme en de socialistische theorieën gaan bestudeeren, en ik heb gezien dat het niet mijn zaak was. Dat het misschien mogelijk was voor; andere menschen, daar bezieling uit te putten, menschen die het sentiment voor de massa hadden, maar dat het, mij niet zou steunen.

Hier besloot Bastiaanse "iets voor den dag te halen", dat wil zeggen, hij nam uit zijn Oud-Hollandsche kast een paar kleine cartons, waarin hij zijn keurig geschreven manuscripten bewaart. En eer ik er op verdacht was las hij mij enkele fragmenten voor uit een uitvoerig gedicht "Het Eiland der Schoonheid",[4] dat nog niet gepubliceerd is en geschreven werd tusschen Sept. 1911 en Dec. 1912. Hier brak de innerlijke gloed door het uiterlijke ijs. Hij had naar het gedicht gegrepen, gelijk een musicus naar zijn speeltuig, omdat gesproken woorden hier nietszeggend waren geworden.

Hoe groot is het verschil tusschen de technische, op massa-effect berekende kunst van den declamator en de stem van den dichter die zijn eigen poëzie geeft. Hoe verteederd was deze stem hier en hoe zuiver deed haar bevend rhytme mij gevoelen dat wij nu in een andere wereld waren aangeland. Luister:

"Ik hoorde menig stem van vroeger tijden,Die van dat uitverkoren heeft gewaagd,Maar mij daarheen door nood en nacht te leiden.Heb ik vergeefs aan levenden gevraagd.

Slechts vinden zullen zij die zelve zochten:De weg van de een is die des anderen niet,En zelden zien wij op eenzame tochtenEen wijkend zeil in 't schemerend verschiet.

Dit wist ik van die verre reis te voren,Maar zorg en vrees verdubbelden mijn moed,Dus heb ik leed boven de rust verkoren,Vage eindeloosheid boven eindig goed."

Wat lijken ze toch veel op elkaar, als ze in dezen staat verkeeren, overpeinsde ik, nog onder de bekoring van de week-speelsche rhytme-grilligheid, waarmede de twee laatste verzen een hard besluit verzoeten. (Ik moest n.l. onwillekeurig denken aan Albert Verwey, die mij lang geleden iets uit zijn gedichten voorlas, en daarna aan onzen wijsgeerigen kunstenaar Bierens de Haan.)

En ziet, nadat Bastiaanse mij den aard van z'n alleen-zijn op deze wijze had verduidelijkt, beter dan hij het in gewone woorden had kunnen doen, vervolgde hij, nog steeds sprekend over het sentiment voor de massa:

"Er is een oogenblik geweest, dat ik dit sentiment zelfs zeer verderfelijk achtte. Maar ik erken nu: Als een kunstenaar zoo veel houdt van die massa-idee als een ander bijv. van zijn geliefde of zijn moeder kan houden, dan kan die massa-idee in hem dien ontroeringsstaat wekken, die tot het kunstenaarsschap aanleiding geeft. Ik ben dus gaan zeggen, dat ieder op zijn wijze moet worden aangedaan, de een door het massa sentiment, de ander door een diep natuur-instinct, een derde door zijn religieus gevoel. Die dingen liggen in iemands onder-bewustzijn vaak naast elkaar, maar ze kunnen ook fel tegenover elkaar staan….

Ik ben dus weer geworden wat ik altijd geweest ben, n.l. individualist, maar van ruimer opvatting dan te voren, vooral in den laatsten tijd. Ik heb in de allerlaatste jaren het gevoel gehad, dat ik vroeger wel tegen Gorter en mevr. Holst heb kunnen schrijven, maar dat die menschen met hun artistiek temperament en hun hartstochtelijk gevoelsleven, ten slotte dichter bij ons staan, dan de burgers, met wie we uiterlijk gerekend kunnen worden overeen te stemmen. Het primaire van een kunstwerk is de ontroering die er in schuilt, en of die ontroering bij den kunstenaar nu gewekt wordt doordat hij haar krijgt uit het massa-sentiment, of door het natuurleven, of wat dan ook, dat blijft ten slotte hetzelfde, mits de diepre ontvankelijkheid en het kunstenaars-temperament er zijn Ik vind nu dat de scheiding niet mag loopen tusschen de artiesten onderling, maar dat die zich ook als een massa moeten gevoelen—ondanks hun individueele verschillen—tegenover de bruten en niet-ontvankelijken. Maar ik ben voor de ongelijkheid, zooals ik u zei, en ik vind het bijv. ook een schromelijk onrecht, dat er gelijk recht bestaat voor allen, want gelijk recht leidt tot onrecht.

—Welken geestelijken inhoud heeft de "Nieuwe Gids" u gebracht?

—Voor den geestelijken inhoud was ik in die dagen, waarvan ik u sprak, nog niet rijp. Ik voelde niet de theorie die er achter kon worden opgetrokken, maar ik onderging de directe schoonheid ervan. Het was mij net eender of Thijm mij door zijn proza ontroerde of Kloos door zijn verzen, en ik had ook plezier van de artikelen van Van der Goes. Ik had in die dagen geen keus gedaan en leefde buitenmaatschappelijk voor de Schoonheid. En wat ik later dóór het leven weer heb teruggewonnen, dat had ik toen dus intuïtief…. Toen begon men van de zijde van de socialisten die straffe houding aan te nemen. Mevr. Holst o.a. zei: dat de burgerlijke dichters leeggeloopen waren en vol moesten worden gemaakt uit het socialisme. Toen ben ik met mijn verstand gaan studeeren en heb mij uit aversie te scherp tegen het socialisme gekant, in zooverre het m.i. het kunstleven aantastte. Achteraf ben ik door de bewustheid heen weer tot de overtuiging gekomen, dat het er heel weinig toe doet wat iemand politiek gelooft, mits hij maar de kunstenaarsontroering kan krijgen op de wijze die voor hem passend is. En dus—ik geniet weer—en net zoo goed de verzen van mevr. Roland Holst als ik het werk van Woestijne of Boutens geniet.

—Ik mag dus constateeren, was mijn vraag, dat u op het standpunt van de"Nieuwe Gids" is blijven staan?

—We zijn ouder geworden, maar ik geloof dat mijn standpunt van nu hetzelfde is. De "Nieuwe Gids" stond net zoo goed open voor Van der Goes als voor Thijm, de ducdalf, zooals hij het noemde, van het persoonlijkheidsbegrip, terwijl Van der Goes juist de tegengestelde pool was. Er was dus de overtuiging, dat de schoonheid op verschillende wijzen kan worden verwezenlijkt, en dat het voor den man die in de sfeer van de schoonheid leeft, er volstrekt niet toe doet, wat zijn houding in het maatschappelijke is.—Dat komt dan overeen met het gevoel dat de kunstenaar twee dingen in zich moet hebben, den burger, die in het maatschappelijk leven de menschelijke comedie meespeelt; en den man die voor diepere ontroeringen vatbaar is….

Wij mogen dit leven niet beschouwen als een inleiding tot het mogelijke hiernamaals, maar we hebben het leven nu door alle poriën te genieten en te waardeeren. En als de menschen droef zijn, omdat ze achter het kortstondige leven den dood voelen, die alles zal afsluiten, dan zeg ik: kunnen we een symphonie van Beethoven niet in al haar volle geluk genieten en waardeeren, ook als we weten dat over een half uur het einde zal zijn gekomen?… U ziet, het is volkomen het heidensche standpunt, dat ik als levenshouding heb aangenomen in den laatsten tijd. Het leven in alles genieten—niet in plat-materiëelen zin, maar in ideëelen zin:—van den morgenstond genieten, van het blad dat aan den berk vergeelt, van een ree dat wegvlucht achter in het bosch—van muziek, van schilderkunst, van alles kortom wat het leven biedt, maar dan in hoogeren zin—niet te vragen: Waarom? en niet te vragen: Waarvoor?—maar het schoonheidsgeluk van elk oogenblik te drinken—en het leed te nemen en dat te transformeeren in de sfeer van de schoonheid, tot nieuw geluk.

—Hier is dus niet een algemeen-menschelijk standpunt, dat u op dichterlijke wijze vertolkt, merkte ik op, maar een speciaal schoonheids-standpunt, een aesthetisch standpunt, een poëtenstandpunt.—

—Juist, want het aesthetisch beginsel kan zijn sappen trekken uit alle levensbeschouwingen en alle tijden:—dat is het supreme standpunt. De Katholiek kan zeggen: Er zijn dingen in het leven voor mij niet weggelegd, en zoo heeft elke richting, wanneer men zich op maatschappelijk standpunt stelt, de beperking van zijn eindigheid. Alleen iemand die leeft naar het aesthetisch beginsel heeft een hoogte en wijdte bereikt, waarin alle richtingen kunnen worden saamgesmolten. Zooals je verschillende ertsen in één smeltkroes kunt doen en er ten slotte een volkomen harmonisch beeld van kunt maken, zoo is het een zaak van de dichterlijke persoonlijkheid, om uit zoo verschillende dingen een eenheid te maken.

—Als ik nu aanneem dat de dichter, als zoodanig, een apart staand mensch is, dan kom ik van zelf tot de vraag: Heeft de dichter een maatschappelijke functie, en zoo ja, welke?

—De kunstenaar moet in de gelegenheid worden gesteld, het maatschappelijk leven mede te leven, in zooverre en op de wijze als dat voordeel geeft voor de ontwikkeling van zijn schoonheids-productie. Wat mij betreft, ik zou tijdelijk in de volle maatschappij willen zijn, maar de gelegenheid willen hebben om, op het oogenblik dat de verwerkelijking van mijn kunst gekomen was, mij bijv. in de Zwitsersche bergen terug te trekken. Ik acht het voor den kunstenaar absoluut noodig, dat hij zich niet losmaakt uit het groote menschenverband, maar hij moet er zich wanneer hij wil uit kunnen terugtrekken.

—Dit, de lezer zal het toegeven, was geen rechtstreeksch antwoord op mijn vraag, en ik trachtte mij dus duidelijker uit te drukken: Ik bedoelde te vragen naar de beteekenis van den dichter voor de samenleving, welke plaats hij inneemt in het maatschappelijk raderwerk, of—laat ik daar maar mee beginnen: Welke beteekenis heeft in het algemeen de dichter voor zijn volk?

—Men pleegt altijd te zeggen, dat de kunst "de bloem" is van een bepaalde beschaving. Volgens de schatting van velen is een volk zonder kunst maatschappelijk dood, de kunst is de hoogste bloei van een volk. In de tweede plaats, meer in het bijzonder wat den taalkunstenaar betreft, is de taal heel het volk. Een man die tot den bloei van die taal bijdraagt en den taalschat vermeerdert, bewijst aan zijn volk minstens even groote diensten als een groot staatsman of een generaal. Dus bestaat voor de overheid de plicht, om zulke allerverdienstelijkste staatsburgers, behalve ze soms lofprijzingen te geven, ook in staat te stellen om hun schoonheidsbedoelingen in absolute vrijheid te verwezenlijken. Want de voorbereiding voor den kunstenaar is de meest omvangrijke, die er voor welk maatschappelijk métier ook zou kunnen bestaan. De noodzakelijkheid mag hem soms opleggen voor zijn dagelijksch brood te zorgen, eigenlijk moest dit niet het geval zijn. De kunstenaar moet in de tijden dat hij niet scheppend werkt door het zich eigen maken van elke geestesbeschaving, uit welken tijd ook, zijn geest kunnen verrijken. Niet om die geestesbeschaving na te maken, maar om aan wat hij neerschrijft de geestelijke diepte van die culturen mede te deelen. Al heeft een kind nog zoo goed de handgrepen van het pianospelen geleerd, aan den toetsaanslag van den volwassen man hoort men toch de levenservaring die in dien man leeft. Zoo kan de kunstenaar, na andere culturen te hebben verwerkt, in schijnbaar met die culturen niets te maken hebbende uitingen hun diepere gevoelsleven verwerken, naarmate hij meer met het diepere gevoelsleven van anderen heeft kennis gemaakt. Ik vind natuurlijk dat het goed is, eens aan te toonen, dat je als kunstenaar ook die maatschappelijke bezigheden wel kunt verrichten, dat je dus een normaal mensch bent, met iets er bij, maar ik acht dien toestand toch vicieus. Zooals ik zei: Gelijk Van 't Hoff in Berlijn gelegenheid kreeg om zich daar aan zijn studiën te wijden en maar één uur college in de week te geven, zoo moest men eventueel ook een dichter of proza-schrijver volkomen vrij maken. De menschen die arbeiden aan het instrument waardoor een volk een natie is, bewijzen aan dat volk de onwaardeerbaarste diensten, en die moeten worden op prijs gesteld….

Ja, ik geef u toe, practisch is het moeilijk uitvoerbaar, maar het zou moeten gebeuren b.v. door een Instituut van schoone kunsten, dat gevormd wordt niet door regeeringsambtenaren maar uit de gezaghebbende kunstenaars zelve. Zooals u weet, is men bij ons van plan zulk een instituut in het leven te roepen en dat zou eventueel kunnen uitmaken, wie in de termen vielen om van overheidswege onbekrompen geholpen te worden.

—Ik begreep nu wel, waarde lezer, dat ik op mijn vraag geen rechtstreeksch antwoord zou krijgen, en dat ik in het uitblijven van dit antwoord—ook een antwoord moest trachten te vinden. Maar op gevaar af, door Bastiaanse voor zeer onnoozel te worden gehouden, waagde ik nog een kansje:

—Ziet u, ik zal mij onduidelijk hebben uitgedrukt, zoo begon ik. Ik wilde eigenlijk van u weten, wat volgens u de dichter uitvoert in de maatschappij. Kan een betrekkelijk groote minderheid daar iets van bemerken? Welken dienst bewijst de dichter eigenlijk aan zijn lezerskring…?

—Om dat te weten te komen, antwoordde hij, zou men van overheidswege een decreet moeten uitvaardigen, dat in geen 25 jaren een boek, een tijdschrift of een courant zou mogen verschijnen. Dan moesten de menschen in den trein stom tegenover elkaar zitten, want dan hadden ze geen "Handelsblad" en konden 's morgens niet over Falkland praten. Dan konden de dochters van den huize niet den avond te voren den inhoud van "De Kleine Johannes" uit haar hoofd leeren, om tegen den volgenden dag conversatie te hebben, als ze op een studentensouper mede aanzaten. Dan hadden de boudoirs geen Eline Vere meer. De burgers waren aan de leegheid van hun eigen gedachten gedurende 25 jaren overgelaten. Dan zou men leeren begrijpen, welke diensten scheppers van geestelijke waarden, romanschrijvers, journalisten en ook dichters aan de gemeenschap bewijzen. Als gas- of waterleiding worden afgesneden, als de treinen niet meer loopen, dan weten de menschen pas wat ze daaraan gehad hebben.

Ze zijn nu zoo gewoon voor een appel en een ei geestelijke waarden te koopen, dat alleen de proefondervindelijkheid ze van de waarde daarvan het juiste begrip kan bijbrengen. Ze moeten dan praten over hetgeen hun eigen improductieve geesten opbrengen, ze zijn veroordeeld te leven in de hopeloosheid van hun eigen onvruchtbaarheid, ze hebben geen Heijermans en geen Royaards om hun avonden te vullen. Het is de dichter en de prozaschrijver die voor de menschen voelt en denkt en ze nieuwe stukken gedachten- en gevoelsleven geeft, dat ze uit hun eigen leven niet kunnen scheppen.

Het mag sommigen toeschijnen dat de scheppers van geestelijke waarden lichter gemist kunnen worden dan de dichter in zijn "eigenwaan" denken mag, lichter dan de scheppers van reeële, rendabele waarden. Daarop kan ik antwoorden, dat nagenoegalleswat bestaat slechts onmisbaar is voor eendeelvan de menschheid of van de samenleving. Ik heb bijvoorbeeld nooit een voetbal noodig gehad of een bioscoop-voorstelling ….

—Mijnheer Bastiaanse, zal ik u eens wat zeggen? Mijn vragen stuiten op u af.

—Ja, u woudt de voegen in mijn pantser ontdekken, hé? Maar ik sta vàst in mijn overtuiging.

—Dat is juist het merkwaardige. Ikvraagen u denkt dat ikstrijd. U is het meest volmaakte type van den aesthetischen mensch, dat ik ooit ontmoet heb. U treedt niet in mijn gedachtengang, maar wat doet u? U leest mij verzen voor, u werpt brokken stemming in mijn schema, en ik had gewenscht dat uw inzichten op dit punt de mijne zouden ontmoeten….

Wij keken elkander een oogenblik aan; blijkbaar om ons te vergewissen of we goed waren of boos. Ik wilde verzachten: U begrijpt dat ik u begrijp, niet waar? Sommige dingen làten zich door u niet meer in gewone woorden zeggen en ik ben u dankbaar … voor het genot … voor de….


Back to IndexNext