IV.

Mulrady en Wilson legden meer dan eens het roer om.Mulrady en Wilson legden meer dan eens het roer om.

Deze toestand van het schip bekommerde hem; maar om Glenarvan niet ongerust te maken sprak hij er alleen met den majoor en met Paganel over. Mac Nabbs gaf hem met andere woorden denzelfden raad als Mulrady en Wilson.

"Als gij dien maatregel noodig acht, John!" zeide Mac Nabbs, "moet gij zonder bedenken het bevel, of als gij dat liever wilt het bestuur van het schip op u nemen. Als die dronkaard ons te Auckland gebragt heeft, wordt hij weer meester aan boord, en mag hij, als hij lust daarin heeft, omslaan."

"Zonder twijfel, mijnheer Mac Nabbs," antwoordde John, "en ik zal het doen ook, als het volstrekt moet. Zoo lang wij in volle zee zijn, is een beetje toezigt genoeg; mijn matrozen en ik verlaten het dek niet. Maar bij de nadering der kust wil ik wel weten, dat ik verlegen zal staan, wanneer die Will Halley niet nuchteren is."

"Kunt gij den koers niet aangeven?" vroeg Paganel.

"Dat zal moeijelijk gaan," antwoordde John. "Gij moet niet denken, dat er een zeekaart aan boord is."

"Toch niet?"

"Wel neen. DeMacquarieis slechts een kustvaarder tusschen Eden en Auckland, en die Will Halley is zoo met dit vaarwater bekend, dat hij nooit hoogte neemt."

"Hij verbeeldt zich zeker," antwoordde Paganel, "dat zijn schip den weg weet en zich zelf stuurt."

"Ho! ho!" hernam John Mangles, "ik geloof niet aan schepen, die zich zelven sturen, en wanneer Will Halley in de nabijheid der kust dronken is, zal hij ons in groote verlegenheid brengen."

"Dan mag ik wel lijden, dat hij zijn verstand op de kust zal opvisschen," zeide Paganel.

"Dan zoudt gij geen kans zien om deMacquarieals het noodig zijn mogt naar Auckland te brengen?" vroeg Mac Nabbs.

"Zonder de kaart van dit gedeelte der kust is het onmogelijk. De stranden zijn hier zeer gevaarlijk. Het is een reeks van onregelmatige en grillige inhammen, evenals de noorweegsche fiords. De riffen zijn talrijk en er is veel ervaring noodig om ze te vermijden. Hoe stevig een schip ook moge zijn, het moet vergaan, wanneer zijn kiel op een dier rotsen stoot, die maar eenige voeten onder water liggen."

"En dan zit er voor de bemanning niets anders op dan naar de kust te vlugten?" zeide de majoor.

"Ja, mijnheer Mac Nabbs! wanneer de tijd het toelaat."

"Een hard lot!" antwoordde Paganel, "want de kusten van Nieuw-Zeeland zijn juist niet herbergzaam, en de gevaren zijn even groot aan gene als aan deze zijde van den oever!"

"Spreekt gij van de Maori's, mijnheer Paganel?" vroeg John Mangles.

"Ja, mijn vriend! Hun naam is gevestigd in den Indischen oceaan. Het zijn geen beschroomde of stompe Australiërs, maar een schrander en bloeddorstig ras, kannibalen, die verlekkerd zijn op menschenvleesch, menscheneters, die geen medelijden kennen."

"Wanneer dus," zeide de majoor, "kapitein Grant op de kusten van Nieuw-Zeeland schipbreuk geleden had, zoudt gij niet aanraden hem te gaan opzoeken?"

"Op de kusten wel," antwoordde de aardrijkskundige; "want men zou alligt sporen van deBritanniavinden: maar in het binnenland niet; want dat zou niets baten. Elke Europeaan, die zich in dit noodlottige land waagt, valt in de handen der Maori's, en elke gevangene der Maori's is verloren. Ik heb mijn vrienden aangespoord om de Pampa's te doorkruisen, om Australië door te trekken; maar nooit zou ik ze medeslepen op de paden van Nieuw-Zeeland. De hemel zij ons genadig en God geve, dat wij nooit in de magt dier woeste inboorlingen vallen!"

De vrees van Paganel was maar al te gegrond. Nieuw-Zeeland is zeer berucht, en al de voorvallen, die deszelfs ontdekking hebben gekenmerkt, staan met bloedige letters aangeteekend.

Lang is de lijst der slagtoffers, die opgeschreven staan in het martelaarsboek der zeevaarders. Abel Tasman opende met zijn vijf gedoode en verslonden matrozen de bloedige jaarboeken van het kannibalisme. Na hem onderging kapitein Tukney met al zijn sloeproeijers hetzelfde lot. Op de hoogte van het noordelijke gedeelte der straat van Foveaux vonden vijf visschers van deSydney Coveinsgelijks den dood onder de tand der inboorlingen. Nog moeten aangehaald worden vier man van den schoenerBrothers, in de haven van Molineux vermoord, verscheidene soldaten van generaal Gates, en drie weggeloopen matrozen van deMathilda, voor men komt aan den naam van kapitein Marion Du Frène, die een treurige beroemdheid heeft verkregen.

Den 11denMei 1772, na de eerste reis van Cook, ankerde de fransche kapitein Marion in de Eilanden-baai met zijn schip deMascarinen deCastries, kapitein Crozet. De huichelachtige Nieuw-Zeelanders ontvingen de aankomelingen zeer goed. Zij toonden zich zelfs beschroomd, en er waren geschenken, goede diensten, een dagelijksche verbroedering, een langdurige vriendelijke omgang noodig om hen aan boord te gewennen.

Hun opperhoofd, de schrandere Takoeri, behoorde naar het zeggen van Dumont d'Urville tot den stam der Wangaroa, en was een bloedverwant van den inboorling, dien Surville twee jaren voor de komst van kapitein Marion verraderlijk had opgeligt.

In een land, waar de eer van iederen Maori eischt, om ondergane beleedigingen met bloed af te wasschen, kon Takoeri den hoon niet vergeten, die zijn stam was aangedaan. Hij wachtte geduldig de komst van een europeesch schip af, zon op wraak, en volbragt ze met afgrijselijke koelbloedigheid.

Na vrees voor de Franschen geveinsd te hebben, vergat Takoeri niets om hen in een bedriegelijke gerustheid te doen insluimeren. Hij sleet dikwijls met zijn makkers den nacht aan boord van de schepen. Zij bragten lekkere visschen mede. Hun dochters en vrouwen vergezelden hen. Zij leerden weldra de namen der officieren en noodigden hen uit om hun dorpen te bezoeken. Door den schijn bedrogen, doorliepen Marion en Crozet dus die geheele kust, die meer dan vier duizend innwoners telde. De inboorlingen gingen hun ongewapend te gemoet en trachtten hun een volkomen vertrouwen in te boezemen.

Kapitein Marion was de Eilanden-baai ingelopen met plan om de tuigaadje derCastrieste veranderen, die door de laatste stormen veel had geleden. Hij onderzocht daarom het binnenland, en vond den 23stenMei een bosch van prachtige ceders, twee uren van de kust en digt bij een baai, een uur van de schepen.

Daar werd een legerplaats opgeslagen, waar twee derden van de bemanning met bijlen en andere gereedschappen werkten om de boomen te vellen en de wegen te verbeteren, die naar de baai leidden. Twee andere posten werden uitgekozen, de een op het eilandje Motoe-Aro in het midden der haven, waar de zieken, de smeden en kuipers werden heengebragt, de andere aan den zeekant op het groote eiland, anderhalf uur van de schepen af; deze laatste stond in verband met de legerplaats der timmerlieden. Op al deze posten hielpen sterke en vriendelijke wilden de matrozen in hun verschillende werkzaamheden.

Kapitein Marion had tot nog toe evenwel sommige maatregelen van voorzigtigheid niet verzuimd. De wilden kwamen nooit gewapend op zijn schip, en de sloepen gingen nooit anders dan goed gewapend aan land. Maar Marion en de wantrouwendste zijner officieren werden door de manieren der inboorlingen om den tuin geleid, en de bevelhebber gaf last de sloepen te ontwapenen. Kapitein Crozet wilde echter Marion bewegen om dit bevel in te trekken. Het gelukte hem niet.

Nu verdubbelden de oplettendheden en de voorkomendheid der Nieuw-Zeelanders. Hun opperhoofden en de officieren leefden op den voet van volkomen hartelijkheid. Meermalen nam Takoeri zijn zoon mede aan boord en liet hem in de hutten slapen. Den 8stenJunij werd Marion, bij een plegtig bezoek, dat bij aan land aflegde als het "grootste opperhoofd" van het geheele land erkend, en vier witte vederen versierden als eereteekens zijn haar.

Zoo verliepen drie en dertig dagen na de aankomst der schepen in de Eilanden-baai. De werkzaamheden aan de tuigaadje vorderden goed; de watervaten werden aan de bron van Motoe-Aro gevuld. Kapitein Crozet bestuurde in persoon den post der timmerlieden, en alles gaf regt tot de hoop, dat de onderneming met een goeden uitslag bekroond zou worden.

Den 12denJunij ten twee ure werd de sloep van den bevelhebber uitgezet voor een voorgenomen vischpartij aan den voet van het dorp van Takoeri. Marion stapte er in met de twee jonge officieren Vaudricourt en Leboux, een vrijwilliger, den wapenkapitein en twaalf matrozen. Takoeri en vijf andere opperhoofden vergezelden hem. Niets kon de vreeselijke ramp doen vermoeden, die zestien van de zeventien Europeanen wachtte.

De sloep stak af, roeide naar land en weldra was ze uit het gezigt van de twee schepen.

's Avonds kwam kapitein Marion niet aan boord slapen. Niemand maakte zich ongerust over zijn uitblijven. Men meende, dat hij de werf had willen bezoeken en er den nacht doorbrengen.

Den volgenden dag, ten vijf ure, ging de sloep derCastriesvolgens gewoonte water halen op het eiland Motoe-Aro. Zij kwam zonder ongelukken aan boord terug.

Ten negen ure zag de wachthebbende matroos van deMascarineen bijna uitgeput man in zee, die naar de schepen zwom. Een sloep roeide naar hem toe en bragt hem aan boord terug.

Het was Turner, een der roeijers van Marion. In de zijde had hij een wond, door twee lanssteken veroorzaakt, en hij alleen kwam terug van de zeventien man, die den vorigen dag het schip hadden verlaten.

Hij werd ondervraagd, en nu kwamen spoedig al de bijzonderheden van dit verschrikkelijk treurspel aan het licht.

De sloep van den ongelukkigen Marion was 's morgens ten zeven ure bij het dorp gekomen. De wilden gingen hun gasten vrolijk te gemoet. Op hun schouders droegen zij de officieren en matrozen, die zich niet wilden natmaken bij het aan land gaan. Daarna verstrooiden de Franschen zich.

Dadelijk vielen de wilden met lansen, knodsen en stokken op hen aan, tien tegen één, en vermoordden hen. De matroos Turner, door twee lanssteken getroffen, had het geluk zijn vijanden te ontsnappen en zich in het kreupelhout te verbergen. Daar was hij getuige van afschuwelijke tooneelen. De wilden beroofden de lijken van hun kleeren, sneden hun den buik open, hakten ze in stukken....

Nu sprong Turner onbemerkt in zee, en werd stervende door de sloep derMascarinopgenomen.

Die gebeurtenis verspreidde ontsteltenis onder de bemanning der twee schepen. Een wraakgeschrei steeg omhoog. Maar voor men de dooden wreekte, moest men de levenden redden. Er waren drie posten aan wal, en duizenden bloedgierige wilden, op menschenvleesch beluste kannibalen, omsingelden hen.

Bij ontstentenis van kapitein Crozet, die den nacht had doorgebragt op de werf, nam de eerste officier Duclesmeur de noodige maatregelen. De sloep derMascarinwerd afgezonden met een officier en een afdeeling soldaten. Voor alles moest die officier bijstand verleenen aan de timmerlieden. Hij vertrok, voer de kust langs, zag de boot van den kommandant Marion op het strand liggen en landde.

Kapitein Crozet, die, zooals reeds gezegd is, niet aan boord was, wist niets van den moord af, toen hij 's namiddags tegen twee ure de afdeeling zag verschijnen. Hij vermoedde een ongeluk. Hij ging vooruit en vernam het gebeurde. Hij verbood er zijn makkers kennis van te geven, om hen niet te beangstigen.

De wilden bezetten in groote troepen al de hoogten. Kapitein Crozet liet de voornaamste gereedschappen medenemen, begroef de andere, verbrandde de loodsen en ving met zestig man den terugtogt aan.

De inboorlingen volgden hem onder het geschreeuw: "Takoeri heeft Marion gedood!" Zij hoopten den matrozen schrik aan te jagen, door hun den dood hunner opperhoofden mede te deelen. In woede ontstoken wilden dezen op die ellendelingen instormen. Kapitein Crozet kon hen naauwelijks in bedwang houden.

Twee uren duurde de aftogt. De afdeeling bereikte den oever, trok de manschappen van den tweeden post aan zich, en ging aan boord van de sloepen. Een duizendtal wilden hadden al dien tijd roerloos op den grond gezeten. Maar toen de sloepen van wal staken, begonnen de steenen te vliegen.

... vier matrozen, goede schutters....... vier matrozen, goede schutters....

Terstond velden vier matrozen, goede schutters, achtereenvolgens al de opperhoofden, tot groote verbazing der inboorlingen, die onbekend waren met de uitwerking der vuurwapenen.

Kapitein Crozet beklom deMascarinen zond de sloep terstond naar bet eiland Motoe-Aro. Een afdeelig soldaten bleef den nacht over op het eiland, en de zieken werden weder aan boord gebragt.

's Anderendaags werd de post door een tweede afdeling soldaten versterkt. Het eiland moest schoongeveegd worden van de wilden, die het onveilig maakten, en men moest verder water innemen. Motoe-Aro had een dorp met drie honderd inwoners. De Franschen tastten het aan.

Zes opperhoofden werden gedood, de overige inlanders met de bajonnet overhoop gestoken, het dorp verbrand.

DeCastrieskon echter zonder masten geen zee kiezen, en Crozet, nu verpligt om af te zien van de boomen uit het cederbosch, moest gewangde masten maken. Het water innemen werd voortgezet.

Zoo verliep er een maand. De wilden beproefden eenige malen het eiland Motoe-Aro te hernemen; maar het gelukte hun niet. Wanneer hun praauwen onder het bereik van bet scheepsgeschut kwamen, werden ze in den grond geschoten.

Eindelijk waren de werkzaamheden afgeloopen. Nu moest men men nog te weten komen, of soms een der zestien slagtoffers den moord had overleefd; de anderen moesten gewroken worden. De sloep, sterk bemand met officieren en soldaten, roeide naar het dorp van Takoeri. Bij hun nadering vlugtte dat trouwelooze en lafhartige opperhoofd, met den mantel van den kommandant Marion over de schouders. De hutten van zijn dorp werden naauwkeurig onderzocht. In zijn woning vond men den hersenpan van een man, die pas gebraden was. De indruksels van de tanden des kannibaals waren er nog aan te zien. Een menschendij was aan een houten braadspit gestoken. Een hemd met bebloeden boord werd herkend als het hemd van Marion, daarna de kleederen en pistolen van den jeugdigen Vaudricourt, de wapenen der sloep en verscheurde kleedingstukken. Verder, in een ander dorp, schoongemaakte en gebraden ingewanden van een mensch.

Die onweersprekelijke bewijzen van moord en menscheneten werden bijeengezameld en die menschelijke overblijfselen eerbiedig begraven. Vervolgens werden de dorpen van Takoeri en Piki-Ore, zijn medepligtige, in den asch gelegd. Den 14denJulij 1772 verlieten de twee schepen die noodlottige wateren.

Ziedaar het verhaal van een onheil, waarmede iedere reiziger moet bekend zijn, die een voet zet op de kust van Nieuw-Zeeland. De kapitein, die zijn voordeel niet doet met die les, handelt hoogst onvoorzigtig. De Nieuw-Zeelanders zijn altijd trouweloos en menscheneters. Ook Cook ondervond dit op zijn tweede reis in 1773.

Toen de sloep van een zijner schepen, deAdventure, kapitein Furneaux, den 17denDecember aan land was gegaan om een voorraad wilde kruiden te halen, kwam ze niet terug. Zij was bemand met een adelborst en negen matrozen. Kapitein Furneaux werd ongerust en zond luitenant Burney om hen op te zoeken. Toen Burney aan de landingsplaats kwam, vond hij, zegt hij, "een tooneel van bloeddorst en barbaarschheid, waarvan men onmogelijk zonder afgrijzen kan spreken; de hoofden, ingewanden en longen van verscheidene onzer makkers lagen op het zand verstrooid, en op korten afstand verslonden eenige honden nog andere overblijfselen van dien aard."

Ten besluite van die bloedige lijst voegen wij er nog het schipBrothersbij, dat in 1815 door de Nieuw-Zeelanders aangetast werd, en de geheele bemanning derBoyd, kapitein Thompson, die in 1820 werd vermoord. Den 1stenMaart 1829 eindelijk plunderde te Valkitas het opperhoofd Enararo de engelsche brikHawesvan Sydney; zijn kannibalenhorde vermoordde verscheidene matrozen, braadde de lijken en verslond ze.

Zoo'n land was dat Nieuw-Zeeland, waarheen deMacquariestevende, met haar onbekwame bemanning onder het bevel van een dronkaard.

Nog was er geen eind te zien aan die lastige overvaart. Den 2denFebruarij, zes dagen na haar vertrek, was deMacquarienog niet eens in het gezigt van Auckland. De wind was toch goed en bleef in het zuidwesten; maar de stroom was tegen, en de brik vorderde bijna niet. De onstuimige en holle zee deed het bovenschip werken; de inhouten kraakten, en zij rees met moeite uit het golfdal op. Het want, de pardoens, de slecht aangehaalde staggen lieten vrij spel aan de masten, die bij iedere slingering hevig schudden.

Gelukkig dat Will Halley, als iemand die niet gehaast is, niet te veel zeil bijzette; want dan zou al het want onfeilbaar naar beneden gekomen zijn. John Mangles hoopte daarom, dat die slechte romp zonder verder ongeval de haven zou bereiken; maar het deed hem leed dat zijn reisgenooten zoo slecht gehuisvest waren aan boord van die brik.

Noch lady Helena noch Mary Grant klaagden echter, hoewel een aanhoudende regen haar dwong in het vooronder te blijven. Daar hadden zij veel hinder van het gebrek aan lucht en het stampen van het vaartuig. Daarom kwamen zij ook dikwijls op het dek den toorn des hemels tarten, tot onuitstaanbare windvlagen haar dwongen om weer naar beneden te gaan. Dan keerden zij in die bekrompene ruimte terug, die beter geschikt was om koopwaren te bergen dan passagiers en vooral dames.

Haar vrienden zochten haar dan wat afleiding te geven. Paganel deed zijn best om den tijd met zijn verhalen te dooden; maar het gelukte hem slecht. Want de gemoederen waren geheel ontstemd door deze thuisreis. Hadden de verhandelingen van den aardrijkskundige over de Pampa's en Australië vroeger allen veel belang ingeboezemd, koel en onverschillig lieten hen thans zijn opmerkingen en mededeelingen over Nieuw-Zeeland. Bovendien, naar dit nieuwe land treuriger gedachtenis ging men zonder overtuiging, niet vrijwillig, maar door het lot voortgezweept.

Van al de passagiers derMacquariewas lord Glenarvan het meest te beklagen. Men zag hem zelden in het vooronder. Hij kon het er niet uithouden. Zijn zenuwachtig overspannen gestel kon zich niet voegen naar een opsluiting tusschen vier enge schotten. Des daags, 's nachts zelfs bleef hij, zonder zich aan de regenbuijen te storen, op het dek, nu eens over de leuning hangende, dan weer met koortsige drift op en neer loopende. Zijn blik was onafgewend naar den gezigteinder gerigt. Wanneer het weer een oogenblik bedaarde, onderzocht hij hem trouw met zijn kijker. Het scheen, als wilde hij die stomme golven ondervragen. Hoe gaarne zou hij met de hand den nevel verscheurd hebben, die den gezigteinder omsluijerde, en de dampen, die zich daar zamenpakten. Hij kon zich niet onderwerpen, en zijn gelaat teekende bittere smart. Het was de krachtige tot nog toe steeds gelukkige en magtige man, wien de magt en het geluk op eens ontvielen.

Glenarvan bleef op het dek.Glenarvan bleef op het dek.

John Mangles verliet hem niet en verdroeg aan zijne zijde de guurheid des weders. Dien dag bespiedde Glenarvan met nog grooter volharding den gezigteinder, overal waar zich maar een scheur in den nevel vertoonde. John ging bij hem staan en vroeg:

"Zoekt uwe Edelheid het land?"

Glenarvan schudde van neen.

"En toch moet gij wel verlangen van deze brik af te komen," hernam de jonge kapitein. "Reeds voor zes en dertig uren hadden wij de vuren van Auckland in het gezigt moeten hebben."

Glenarvan antwoordde niet. Hij bleef maar uitzien, en een minuut lang hield hij den kijker op den gezigteinder te loefwaart gerigt.

"Het land ligt dien kant niet uit," zeide John Mangles. "Uwe Edelheid moet het te lijwaart zoeken."

"Waarom, John?" antwoordde Glenarvan. "Ik zoek het land niet!"

"Wat dan, mylord?"

"Mijn jagt! MijnDuncan!" antwoordde Glenarvan toornig. "Daar, in deze wateren moet het zijn, daar rooft het op zee, daar oefent het het treurig bedrijf van zeeschuimer uit! Daar is het, zeg ik u! daar, John! op dezen weg van de schepen tusschen Australië en Nieuw-Zeeland. En mijn voorgevoel zegt mij, dat wij het zullen ontmoeten."

"God beware ons voor die ontmoeting, mylord!"

"Waarom, John?"

"Uwe Edelheid vergeet den toestand, waarin wij verkeeren. Wat zouden we op deze brik doen, als deDuncaner jagt op maakte! Wij zouden niet eens kunnen vlugten!"

"Vlugten, John?"

"Ja, mylord! wij zouden het te vergeefs beproeven! Wij zouden genomen en aan de genade dier onmenschen overgeleverd worden, en Ben Joyce heeft getoond, dat hij niet voor een misdaad terugdeinsde. Ik geef niet veel om ons leven! Wij zouden ons tot het uiterste verdedigen! Het zij zoo! Maar dan? Denk aan lady Glenarvan, mylord! Denk aan Mary Grant!"

"Arme vrouwen!" mompelde Glenarvan. "John! mijn hart is gebroken, en soms voel ik het door de wanhoop overmeesteren. Het komt mij voor, dat nieuwe rampen ons wachten, dat de hemel zich tegen ons heeft verklaard! Ik ben bang!"

"Gij, mylord?"

"Niet voor mij zelven, John! maar voor degenen, die ik bemin, voor degenen, die gij ook bemint!"

"Stel u gerust, mylord!" antwoordde de jonge kapitein. "Gij moet niet meer vreezen! DeMacquariezeilt slecht, maar vordert toch. Will Halley is een stompzinnig wezen, maar ik ben er ook, en wanneer ik het gevaarlijk acht het land te naderen, kies ik weder het ruime sop. Van dien kant is er dus weinig of geen gevaar. Maar God beware ons, dat deDuncanons aan boord klampt, en zoo Uwe Edelheid tracht haar in het oog te krijgen, doe het dan om haar te vermijden, om haar te ontvlugten."

John Mangles had gelijk. Een ontmoeting met deDuncanzou noodlottig afloopen voor deMacquarie. En die ontmoeting was toch zeer mogelijk in die zeeën, welke de zeeroovers zonder gevaar konden afschuimen. Dien dag ten minste verscheen het jagt echter niet, en de zesde nacht na het vertrek uit de Twofold-baai brak aan, zonder dat de vrees van John Mangles werd verwezenlijkt.

Maar die nacht zou verschrikkelijk zijn. Ten zeven ure werd het bijna geheel donker. De hemel had een dreigend voorkomen. Het zeemansinstinct, dat magtiger was dan de verstomping der dronkenschap, werkte op Will Halley. Hij verliet zijn kajuit, wreef zich de oogen uit en schudde zijn dik rood hoofd. Daarop haalde hij diep adem, gelijk een ander een groot glas water zou uitgezwolgen hebben om weer bij te komen, en onderzocht het tuig.

De wind stak op, en een streek westelijker draaijende, stond hij vlak op de zeelandsche kust.

Will Halley riep vloekende zijn matrozen, liet de bramzeilsschoten aanhalen en de nachtzeilen aanslaan. John Mangles keurde dit goed; maar sprak geen woord. Hij wilde zich met dien lompen zeeman in geen gesprek inlaten. Maar hij en Glenarvan verlieten het dek niet. Twee uren later stak er een fiksche koelte op. Halley liet de marszeilen digtreven. Het werk zou te zwaar geweest zijn voor vijf man, als deMacquariegeen dubbele ra had gevoerd, naar het amerikaansche stelsel. Daardoor was het genoeg de bovenste ra te strijken, om het marszeil zoo klein mogelijk te maken.

Zoo verliepen er twee uren. De zee werd onstuimiger. DeMacquarieschudde zoo hevig, dat het scheen, alsof ze met de kiel langs de rotsen schuurde. Het was toch zoo niet, maar die logge romp rees moeijelijk op de golven. Ook sloegen de terugloopende golven met geweld over het schip. De boot, die aan bakboordszijde hing, werd door een golf weggeslagen.

John Mangles begon ongerust te worden. Elk ander schip zou weinig gegeven hebben om die golven, die niet heel geducht waren. Maar met zoo'n log vaartuig liep men gevaar loodregt te zinken; want het dek liep vol, zoo dikwijls het onder de golven dook, en het water, dat niet spoedig genoeg door de spiegaten kon wegloopen, kon het schip overstelpen. Om op alles voorbereid te zijn had men de schanskleeden met bijlen moeten stuk hakken, om het wegloopen van het water te bevorderen. Maar Will Halley weigerde die voorzorg te nemen.

Ook bedreigde een grooter gevaar deMacquarie, dat het nu te laat was om te voorkomen.

Omstreeks half twaalf vernamen John Mangles en Wilson, die aan lij stonden, een vreemd geraas. Hun zeemansinstinct ontwaakte. John greep de hand van den matroos.

"De branding!" zeide hij.

"Ja!" antwoordde Wilson. "De golven breken op banken."

"Hoogstens twee kabellengten van ons af?"

"Hoogstens! Daar is het land!"

John bukte over de verschansing, zag naar de donkere golven en riep: "Het dieplood, Wilson! Het dieplood!"

De schipper, die op de voorplecht stond, scheen geen begrip van zijn toestand te hebben. Wilson greep het dieplood, dat in een balie opgerold lag, en snelde in de rusten van het fokkewant. Hij wierp het lood uit; de lijn gleed tusschen zijn vingers door. Bij den derden knoop raakte het lood grond.

"Drie vaâm!" riep Wilson.

"Kapitein!" zeide John op Will Halley toeloopende, "wij zijn in de branding."

Halley haalde de schouders op, hetgeen John misschien niet eens zag. Althans hij liep naar den roerganger, wendde het roer, terwijl Wilson het dieplood liet slippen en het groot marszeil braste om het schip te doen oploeven. De matroos aan het roer, zoo ruw weggeduwd, had niets van dien onverwachten aanval begrepen.

"Los de loefbrassen!" schreeuwde de jonge kapitein, die zijn best deed om van de riffen af te komen.

Een halve minuut lang streek de stuurboordswindvering van de brik er langs, en ondanks de duisternis van den nacht bemerkte John een streep van wit schuim op vier vaam van het schip.

Toen Will Halley eindelijk besef kreeg van dat dringende gevaar, was hij radeloos. Zijn nog half beschonken matrozen begrepen zijn bevelen niet. Ook bewezen zijn onzamenhangende woorden en tegenstrijdige bevelen, dat die domme dronkaard geen koelbloedigheid bezat. Hij was verrast door de nabijheid van het land, dat acht mijlen te lijwaart lag, toen hij er nog wel dertig of veertig van af meende te zijn. De stroom had dien niets beteekenenden sleurvolger van den gewonen weg afgedreven en in het naauw gebragt.

De vlugge bewegingen van John Mangles hadden intusschen deMacquariebuiten de branding gebragt. Maar John wist niet, waar hij was. Misschien bevond hij zich wel in een kring van riffen. De wind was vlak oost en bij iedere overlangsche slingering kon het schip stooten.

En werkelijk verdubbelde weldra het geraas van de branding vooruit aan stuurboordszijde. Weder moest men oploeven. John wendde het roer en braste. De branding nam toe onder den steven der brik, en hij was verpligt bij den wind over te wenden om weer in het ruime sop te komen. Zou die beweging gelukken met een schip, dat slecht in evenwigt lag en zeil geminderd had? Dat was onzeker, maar het moest beproefd worden.

"Te lijwaart het roer!" beval John Mangles aan Wilson. DeMacquariekwam weer digter bij de nieuwe rij riffen. Weldra schuimde de zee, wanneer ze brak op de met water bedekte rotsen.

Het was een onbeschrijfelijk angstig oogenblik. Het schuim maakte de zee lichtgevende. Men zou gezegd hebben, dat zij plotseling beschenen werden door een verschijnsel van phosphorescentie. De zee loeide, alsof ze de stem dier klippen uit de oudheid had bezeten, waaraan de heidensche fabelleer leven gaf. Wilson en Mulrady hingen met hun volle zwaarte op het stuurrad. Het roer raakte grond.

Daar had op eens een schok plaats. DeMacquariewas op een rots geloopen. De schoren van den boegspriet braken en bragten de stevigheid van den fokkemast in gevaar. Zou het wenden zonder verdere schade afloopen?

Neen, want op eens werd het stil en het schip verviel weer in de lij. Het werd terstond in zijne beweging gestuit. Een hooge golf greep het van onderen aan en stuwde het verder op de riffen, waar het met groot geweld neerviel. De fokkemast kwam met al het tuig naar beneden. De brik draaide een paar keeren rond en bleef onbewegelijk op zijde liggen, waarbij het stuurboord een hoek van dertig graden maakte.

De fokkemast kwam met al het tuig naar beneden.De fokkemast kwam met al het tuig naar beneden.

De ruiten der kap waren in duizend stukken gebroken. De passagiers stormden naar buiten. Maar de golven sloegen met zulk een geweld over het dek, dat zij er niet veilig waren. Wel wetende, dat het schip diep in het zand was gewoeld, verzocht John Mangles hun weder in het vooronder te gaan.

"De waarheid, John?" vroeg Glenarvan bedaard.

"De waarheid, mylord! is, dat wij niet zinken zullen," antwoordde John Mangles. "Een andere vraag is, of het schip soms uiteen zal geslagen worden; maar wij hebben tijd om middelen tot redding te bedenken."

"Het is middernacht?"

"Ja, mylord! Wij moeten den dag afwachten."

"Kunnen wij de boot niet uitzetten?"

"Bij zulk een holle zee en zulk een duisternis is dat onmogelijk! En waar zullen wij ook landen?"

"Welnu, John! dan zullen wij hier blijven, tot het dag is."

Intusschen liep Will Halley als een krankzinnige over het dek van het schip. Zijne matrozen, die van hun schrik bekomen waren, sloegen een vat brandewijn den bodem in, en begonnen te drinken. John voorzag, dat hun dronkenschap weldra aanleiding zou geven tot verschrikkelijke tooneelen.

Er viel niet op te rekenen, dat de kapitein hen in toom zou houden. De ongelukkige rukte zich de haren uit het hoofd en wrong de handen. Hij dacht alleen aan zijn lading, die niet verzekerd was.

"Ik ben doodarm! Ik ben doodarm!" riep hij, terwijl hij van het eene boord naar het andere liep.

John Mangles dacht er volstrekt niet aan om hem te troosten. Hij zorgde, dat zijn makkers zich wapenden, en allen hielden zich gereed om de matrozen af te slaan, die onder ijselijke vloeken zich volzopen met brandewijn.

"Den eersten van die ellendelingen, die het vooronder nadert, schiet ik als een hond dood," zeide de majoor heel bedaard.

De matrozen zagen zeker, dat de passagiers voornemens waren hen op een eerbiedigen afstand te houden; want na eenige pogingen om te plunderen dropen zij af.

John Mangles bekommerde zich niet verder om die beschonkenen en wachtte vol ongeduld, dat het dag werd.

Het schip zat nu zoo vast als een muur. De zee bedaarde langzamerhand. De wind ging liggen. De romp kon het dus nog eenige uren uithouden. Bij zonsopgang zou John het land onderzoeken. Wanneer het een gemakkelijke landingsplaats opleverde, zou de jol, het eenig overgebleven bootje, tot vervoer van de bemanning en de reizigers dienen. Minstens zouden er drie reizen noodig zijn, want er was voor niet meer dan vier personen plaats. Wat de boot betreft, deze was, zooals wij gezien hebben, door een golf weggeslagen.

Terwijl hij zoo peinsde over het gevaarlijke van hun toestand, luisterde John Mangles, die tegen de kap leunde, naar het geraas van de branding. Zijn blik poogde door de diepe duisternis heen te boren. Hij vroeg zich af, hoe ver dat tegelijk gewenschte en gevreesde land wel van hen af was. De branding toch strekt zich dikwijls uren ver van een kust uit. Zou het ranke vaartuigje bestand zijn tegen een eenigzins langen overtogt?

Terwijl John zoo in gedachten verzonken was en licht vroeg aan dien pikdonkeren hemel, lagen de reizigsters, op zijn woord vertrouwende, op haar slaapsteden uitgestrekt. De onbewegelijkheid der brik verzekerde haar eenige uren rust. Glenarvan, John en hunne makkers verkwikten zich ook, nu het geschreeuw der stomdronken matrozen bedaard was, met een korten slaap, en ten een ure na middernacht heerschte er een diepe stilte op die brik, die zelve sluimerde op haar bed van zand.

Tegen vier ure begon het in het oosten te schemeren. De wolken werden een weinig gekleurd door de zwakke stralen van het morgenlicht. John klom weder op het dek. De gezigteinder was met een gordijn van nevelen bedekt. Eenige flaauw begrensde omtrekken zweefden op zekere hoogte in de morgendampen. De zee deinde nog een beetje, en de golven verloren zich in digte onbewegelijke wolken.

John wachtte. Het werd langzamerhand lichter en de gezigteinder nam een roode kleur aan. De gordijn werd langzaam voor het groote achtertooneel opgehaald. Zwarte riffen staken boven het water uit. Daarop teekende zich een lijn af op een streep van schuim; door de nog onzigtbare schijf der opgaande zon beschenen, werd een hoog gelegen punt verlicht, als ware het een kustvuur op een heuveltop.

"Land!" riep John Mangles.

Door dat geroep ontwaakt, ijlden zijne makkers naar het dek van de brik, en beschouwden zij zwijgend de kust, die aan den gezigteinder opdoemde. Herbergzaam of vijandelijk, zij moest nu wel hun toevlugtsoord zijn.

"Waar is Will Halley?" vroeg Glenarvan.

"Ik weet het niet, mylord!" antwoordde John Mangles.

"En zijn matrozen?"

"Ook verdwenen."

"En zeker even stomdronken als hij," voegde Mac Nabbs er bij.

"Zoek ze," zeide Glenarvan; "wij kunnen ze toch niet op dit schip achterlaten."

Mulrady en Wilson gingen naar de bak en waren in een paar minuten terug. Ze was ledig. Nu doorzochten zij het tusschendek en het ruim. Zij vonden noch Will Halley noch diens matrozen.

"Hoe! niemand?" zeide Glenarvan.

"Zijn ze in zee gevallen?" vroeg Paganel.

"Alles is mogelijk," antwoordde John Mangles, die zeer ongerust werd over die verdwijning.

Zich vervolgens naar achteren begevende, zeide hij: "In de boot!"

Wilson en Mulrady volgden hem om de jol uit te zetten.

Het bootje was verdwenen.

Er viel niet aan te twijfelen, of Will Halley en zijn matrozen hadden van den nacht en den slaap der passagiers gebruik gemaakt om met het eenige bootje van de brik te ontvlugten. Die kapitein, wien de pligt gebood tot het laatste aan boord te blijven, was de eerste geweest om het te verlaten.

"Die schurken zijn weg!" zeide John Mangles. "Welnu, des te beter, mylord! Zij besparen ons daardoor menig onaangenaam tooneel."

"Dat denk ik ook," antwoordde Glenarvan; "bovendien is er toch nog een kapitein aan boord, John, en moedige, zooal niet bekwame, matrozen, uwe makkers. Beveel! wij zijn gereed om te gehoorzamen."

De majoor, Paganel, Robert, Wilson, Mulrady, zelfs Olbinett juichten de woorden van Glenarvan toe, en op het dek geschaard stelden zij zich ter beschikking van John Mangles.

"Wat moeten wij doen?" vroeg Glenarvan.

De jonge kapitein zag naar de zee, naar het gebrekkige tuig van de brik, en zeide na eenig nadenken:

"Wij hebben twee middelen; mylord! om ons uit dezen toestand te redden: het schip ligten en zee kiezen, of op een vlot, dat gemakkelijk getimmerd kan worden, de kust bereiken."

"Wanneer het schip geligt kan worden, moesten we dat doen," antwoordde Glenarvan. "Het is het beste, wat wij doen kunnen, niet waar?"

"Ja, Uwe Edelheid! want al zijn wij aan land, wat zouden wij dan nog aanvangen zonder middelen van vervoer?"

"Wij moeten de kust mijden," voegde Paganel er bij. "Nieuw-Zeeland is niet te vertrouwen!"

"Te meer, omdat wij een heel eind uit den koers gedreven zijn," hernam John. "De lompheid van Halley heeft ons zeker te ver zuidelijk gebragt. Ten twaalf ure zal ik mijn bestek maken, en wanneer wij, zooals ik gis, beneden Auckland zijn, zal ik trachten met deMacquarielangs de kust op te werken."

"Maar de avery van de brik?" vroeg lady Helena.

"Ik geloof niet, dat die van veel belang is, mevrouw!" antwoordde John Mangles. "Ik zal een noodmast opzetten in plaats van den fokkemast, en wij zullen varen,—langzaam, weliswaar,—maar wij zullen toch gaan, waarheen wij willen. Is bij ongeluk het hol van het schip lek, of kan het niet vlot gemaakt worden, dan zullen wij ons moeten getroosten aan wal te gaan en te land naar Auckland reizen."

"Onderzoeken wij dan eerst den staat van het schip," zeide de majoor. "Dat is vooreerst het noodigste."

Glenarvan, John en Mulrady openden het groote luik en klommen in het ruim af. Daar stonden omtrent twee honderd slecht gestuwde vaten met gelooide huiden. Men kon ze, zonder veel moeite verplaatsen, door middel van takels vastgemaakt aan de groote stag loodregt boven het luik. John liet terstond een gedeelte van die lading over boord werpen om het vaartuig te ligten.

Na drie uren hard gewerkt te hebben kon men den bodem van de brik onderzoeken. Twee naden van de buitenhuid op de hoogte van de barghouten waren aan bakboordszijde open. Daar nu deMacquarieover stuurboord krengde, stak de andere zijde boven water uit, en waren de beschadigde naden zigtbaar. Het water kon er derhalve indringen. Wilson haastte zich om de reten te stoppen met werk en een blad koper, dat hij zorgvuldig vast spijkerde.

Bij peiling bleek het, dat er geen twee voet water in het ruim stond. De pompen konden dat water gemnakkekelijk verwijderen en zoodoende het schip ligten.

Toen het onderzoek van het hol afgeloopen was, vond John, dat het weinig door de stranding geleden had. Wel zou een gedeelte van de looze kiel in het zand blijven zitten; maar die kon men missen.

Nadat Wilson het schip van binnen bezien had, dook hij om te onderzoeken, hoe het van onderen gesteld was.

DeMacquarie, wier voorsteven naar het noordnoordwesten gerigt was, zat op een modderige zandbank met zeer steilen rand. Het onderste gedeelte van den steven en omtrent twee derden van de kiel waren er diep ingezakt. Het andere gedeelte tot aan den achtersteven had vijf vaam water beneden zich. Het roer zat dus niet vast en werkte onbelemmerd. John achtte het niet noodig het uit te ligten. Dit was een groot voordeel; want nu kon men het gebruiken, zoodra dit noodig mogt zijn.

Hen onderste gedeelte van de steven was in de modder gezakt.Hen onderste gedeelte van de steven was in de modder gezakt.

De getijden zijn in de Stille Zuidzee niet belangrijk. Evenwel rekende John Mangles op den vloed om deMacquarievlot te doen worden. De brik was omstreeks een uur voor hoog water gestrand. Zoodra de ebbe opkwam, was ze aan stuurboordszijde hoe langer hoe meer gezakt, hetgeen tot 's morgens ten zes ure, toen het laag water was, voortduurde. Het scheen onnoodig het schip met stutten te schoren. Nu konden de raas en andere sparren aan boord blijven, die John wilde gebruiken om een noodmast te maken.

Nu moesten de noodige maatregelen genomen worden om deMacquarievlot te maken. Dat was een lang en moeijelijk werk. Het was bepaald onmogelijk om klaar te wezen voor kwart over twaalven, wanneer het hoog water zou zijn. Men zou alleen kunnen zien hoe, nu een gedeelte der lading over boord was geworpen, de vloed op het schip zou werken en bij het volgende tij zou men nog een nieuwe poging aanwenden.

"Aan het werk!" beval John Mangles.

Zijn nieuwbakken matrozen wachtten zijn bevelen af.

John liet eerst de zeilen bergen, die nog opgegeid waren. Onder toezigt van Wilson klommen de majoor, Robert en Paganel in de groote mars. Het groote marszeil door den wind strak gespannen, zou het losraken van het vaartuig belemmerd hebben. Het moest dus geborgen worden, hetgeen zoo goed en kwaad als het wilde geschiedde. Vervolgens werd na een volhardenden arbeid, die zeer zwaar viel aan handen, welke zoo iets niet gewoon waren, de grootbramsteng gestreken. De jonge Robert die zoo vlug als een kat en zoo moedig als een scheepsjongen was, had bij dit moeijelijke werk de grootste diensten bewezen.

Nu moest er nog een, misschien twee ankers uitgebragt worden, achteraan het schip en voor de kiel. De trekkende kracht moest op deze ankers werken om deMacquariebij hoog water te doen rijzen. Dit werk is volstrekt niet moeijelijk, wanneer men over een sloep beschikt; men neemt een anker mede en legt het op een geschikte plaats, die men vooruit heeft opgezocht. Maar hier miste men een sloep en men moest zich behelpen.

Glenarvan had genoeg kennis van zeezaken om het noodzakelijke van die werkzaamheden in te zien. Er moest een anker uitgebragt worden om het schip, dat met laag water gestrand was, vlot te maken.

"Maar hoe zullen wij het zonder sloep redden?" vroeg hij aan John.

"Wij zullen de stukken van den fokkemast en ledige vaten gebruiken," antwoordde de jonge kapitein. "Het werk zal moeijelijk, maar niet onmogelijk zijn; want de ankers derMacquariezijn maar klein. Zijn ze maar gevallen, dan ben ik vol hoop; althans, wanneer ze niet doorslippen."

"Goed! Dan moeten we geen tijd verliezen, John!"

Alleman, matrozen en passagiers, werd op het dek geroepen. Elk werkte mede. Met de bijl werden de touwen stuk gebakt, die den fokkemast nog tegenhielden. De ondermast was in zijn val bij den top afgebroken, zoodat de mars er gemakkelijk uitgenomen kon worden. John Mangles wilde van dien vloer een vlot maken. Het dreef op ledige vaten en kon de ankers dragen. Er werd een wrikriem aan vastgemaakt om den toestel te sturen. Verder zou de ebbe hem juist achter de brik aandrijven; en wanneer dan de ankers waren uitgeworpen, kon men gemakkelijk weder aan boord komen, door langs het ankertouw te varen.

Dat werk was half klaar, toen de zon den middagcirkel naderde. John Mangles liet den arbeid onder Glenarvans toezigt voortzetten en maakte zich gereed om zijn bestek op te maken. Dit was van groot belang. Gelukkig had John in de kajuit van Will Halley, behalve een jaarboekje van de sterrewacht van Greenwich, een zeer vuilen sextant gevonden, maar die toch goed genoeg was om hoogte te nemen. Hij maakte dien schoon en kwam er mee op het dek.

Door een aantal beweegbare spiegels brengt dit werktuig de zon weder aan den gezigteinder, op het oogenblik, dat het twaalf ure is, dat wil zeggen, wanneer de dagvorstin het hoogste punt van haar baan bereikt. Het is dus ligt te begrijpen, dat wie er mede wil werken, met den kijker van den sextant een waren gezigteinder moet waarnemen, namelijk dien, welke zich bevindt ter plaatse, waar lucht en water ineenloopen. Maar hier liep het land juist ten noorden in een groot voorgebergte uit, en maakte, daar het zich tusschen den waarnemer en den waren gezigteinder inschoof, de waarneming onmogelijk.

In geval de gezigteinder ontbreekt, vervangt men hem door een kunstmatigen; gewoonlijk is dit een vlakke schaal vol kwik, waarboven men zijn waarneming verrigt. Het kwik levert dus van zelf een zuiver waterpassen spiegel op.

John vond geen kwik aan boord; maar hief dit bezwaar op door zich te bedienen van een balie, vol vloeibaar pek, welks oppervlakte tamelijk goed het beeld der zon terugkaatste.

De lengte was hem reeds bekend, daar hij op de westkust van Nieuw-Zeeland was. Dat was gelukkig; want zonder tijdmeter had hij ze niet kunnen berekenen. De breedte alleen ontbrak, en die wilde bij nu gaan zoeken.

Met den sextant nam hij dus de middaghoogte der zon boven den gezigteinder. Die hoogte bleek 68°80' te zijn. De afstand van de zon tot het toppunt bedroeg derhalve 21°30', omdat de som dier beide getallen 90° bedraagt. Volgens het jaarboekje bedroeg voor dien dag, den 3denFebruarij, de declinatie der zon 16°80', hetgeen, gevoegd bij den afstand van het toppunt, zijnde 21°30', voor breedte gaf 88°.

DeMacquarielag dus op 171°13' lengte en 38° breedte; waren er soms, door de gebrekkige werktuigen eenige dwalingen in de berekening geslopen, dan waren zij toch onbeteekenend en kon het verschil niet groot zijn.

John Mangles zag met een blik op de kaart van Johnston, die Paganel te Eden had gekocht, dat de schipbreuk had plaats gehad aan den ingang der Aotea-baai, boven hoek Cahua, op de kust der provincie Auckland. De stad van dien naam lag op zeven en dertig graden. Dus was deMacquarieeen graad zuidelijker gedreven, en bij gevolg moest men een graad noordelijker gaan om de hoofdstad van Nieuw-Zeeland te bereiken.

"Een togt van hoogstens vijf en twintig mijlen," zeide Glenarvan, "dat beteekent niets."

"Wat ter zee niets is, zal lang en moeijelijk zijn te land," antwoordde Paganel.

"Daarom moeten wij ook alles doen," sprak John Mangles, "wat menschelijker wijze mogelijk is, om deMacquarievlot te krijgen."

Toen het bestek was gemaakt, werd het werk hervat. Kwart over twaalven was het hoog water. Dit baatte John niets; want zijn ankers waren nog niet uitgebragt. Niettemin sloeg hij deMacquariemet zekeren angst gade. Zou de vloed haar optillen? Die vraag moest in vijf minuten beslist zijn.

Men wachtte. Er kraakte iets; dit werd veroorzaakt, zooal niet door een optilling, dan toch door een schudding van de buitenhuid. John kreeg goeden moed voor het volgende tij, maar bij slot van rekening bewoog de brik zich niet.

Het werk werd voortgezet. Ten twee ure was het vlot klaar. Het stopanker werd er op gebragt. John en Wilson gingen mede, na een greling aan het achterschip vastgemaakt te hebben. De eb voerde ze mede en zij lieten het anker een halve kabellengte van het schip af op tien vaam water vallen. De ankergrond was goed en het vlot voer weer langs het stoptouw naar boord.


Back to IndexNext