VI.

zij lieten het anker een halve kabellengte van het schip af op tien vaam water vallen.zij lieten het anker een halve kabellengte van het schip af op tien vaam water vallen.

Nu was het groote boeganker nog over. Het werd niet zonder moeite neergelaten. Het vlot voer nog eens weg, en spoedig lieten ze dit tweede anker achter het eerste vallen op vijftien vaam diepte. Het vlot langs het kabeltouw voortduwende, keerden John en Wilson naar deMacquarieterug.

De kabel en de greling werden om het braadspil gewonden en men wachtte den volgenden vloed af, die 's nachts ten één ure zou opkomen. Het was nu 's avonds zes ure.

John Mangles prees zijn matrozen en voorspelde Paganel, dat hij, wanneer hij moed betoonde en goed oppaste, eenmaal bootsman zou kunnen worden.

Inmiddels was Olbinett, na eerst hard meegewerkt te hebben, naar de kombuis gegaan. Hij had een versterkend maal toebereid, dat goed te pas kwam. De geheele bemanning had razenden honger. Hij werd ruimschoots bevredigd, en allen gevoelden zich gesterkt voor het werk, dat hen wachtte.

Na den eten nam John Mangles de laatste voorzorgen, die het welslagen der onderneming moesten verzekeren. Men mag niets verzuimen, wanneer het er op aankomt een schip vlot te maken. Dikwijls mislukt de onderneming uit gebrek aan eenige ligtings-lijnen, en de vastgeraakte kiel verlaat het zandbed niet.

John Mangles had een groot deel der koopwaren in zee laten werpen, om de brik te ligten; maar de overige balen, de zware sparren, de waarlooze raas, eenige tonnen ballastschuitjes, die den ballast uitmaakten, werden naar achteren gebragt om door hun zwaarte het losraken van den voorsteven gemakkelijk te maken. Wilson en Mulrady rolden er ook eenige volle watervaten heen om den neus der brik te doen rijzen.

Het sloeg twaalf ure, toen deze laatste werkzaamheden afgeloopen waren. De bemanning was doodmoede, hetgeen zeer jammer was, omdat ze weldra alle kracht zou moeten inspannen om het braadspil om te draaijen.

Dit bragt John Mangles op een nieuw besluit.

De wind bedaarde thans en rimpelde naauwlijks de oppervlakte der golven. John onderzocht den gezigteinder ten noorden en ten oosten, en bespeurde, dat de wind weder uit het zuidwesten naar het noordwesten zou loopen. Een zeeman kan zich niet vergissen in de plaatsing en kleur der wolken. Wilson en Mulrady waren het eens met hun kapitein.

John Mangles deelde zijn opmerkingen aan Glenarvan mede en stelde hem voor om het vlotmaken tot den volgenden dag uit te stellen.

"Ik heb mijne redenen daarvoor," zeide hij. "Vooreerst zijn wij zeer vermoeid door het werk van dezen dag, en wij hebben al onze krachten noodig om het schip los te krijgen. En zijn we vlot, hoe zullen wij het bij zulk een pikzwarte duisternis door de branding heensturen? Het is beter bij het daglicht te werken. Maar nog een andere reden zet mij aan om te wachten. De wind belooft ons te helpen, en daar zou ik zeer mee gediend zijn. Ik wil, dat hij dezen ouden romp achteruit drijve, terwijl de zee hem opligt. Morgen zal de wind, als ik mij niet vergis, uit het noordwesten waaijen. Wij zullen de zeilen aan den grooten mast aanslaan; en die zullen een handje medehelpen om de brik vlot te maken."

Deze redenen waren geldig. Glenarvan en Paganel, de ongeduldigsten aan boord, gaven toe en het werk werd tot den volgenden dag uitgesteld.

De nacht ging rustig voorbij. Er werd wacht gehouden, vooral om voor het slippen der ankers te waken.

De dag brak aan. Wat John Mangles voorzien had gebeurde. Er woei een noord-noord-weste koelte, die sterker scheen te zullen worden. Dit was een zeer voordeelige vermeerdering van kracht. De bemanning werd op haar post geroepen. In den grooten mast hielden Robert, Wilson en Mulrady, op het dek de majoor, Glenarvan en Paganel zich gereed om de zeilen op het juiste oogenblik los te maken. De groot marszeilra werd op het ezelshoofd geheschen, het groote zeil en het groot marszeil bleven opgegeid.

Het was nu 's morgens negen ure. Over vier uren zou het hoog water zijn. Die tijd werd niet nutteloos doorgebragt. John besteedde hem om zijn noodmast, die den fokkemast vervangen moest, op te rigten. Zoo kon hij zich, zoodra het achip vlot was, uit dit gevaarlijke vaarwater verwijderen. De arbeiders deden hun uiterste best, en voor twaalven was de marsra bij wijze van mast stevig overeind gezet. Lady Helena en Mary Grant maakten zich zeer verdienstelijk, en sloegen een waarloos zeil aan de bramra. Zij waren regt in haar schik, dat zij mede konden werken tot aller redding. Toen dit tuig klaar was, liet deMacquarieweliswaar heel wat te wenschen over uit het oogpunt van sierlijkheid, maar kon ze toch varen, althans wanneer ze het digt langs de kust hield.

Intusschen kwam de vloed opzetten. De oppervlakte der zee begon in golvende beweging te raken. De kruinen der blinde klippen verdwenen langzamerhand als zeedieren, die onderduiken. Het uur naderde, om het groote werk te ondernemen. Een koortsachtig ongeduld hield allen in spanning. Niemand sprak. Aller oog was op John gevestigd. Men wachtte zijn bevelen af.

Over de leuning van het achterverdek gebogen, staarde John Mangles op de zee. Hij sloeg een angstigen blik op de uitgebragte en strak gespannen kabeltouwen.

Ten een ure bereikte de zee haar hoogste punt. Het was stil water, dat wil zeggen het korte oogenblik, waarop het water niet meer stijgt en nog niet valt. Nu was het tijd. Het groote zeil en het groot marszeil werden losgemaakt, en deden den mast buigen door de kracht van den wind.

"Aan het braadspil!" riep John.

Het braadspil was van pompzwengels voorzien, gelijk een brandspuit. Glenarvan, Mulrady, Robert aan de eene zijde, Paganel, de majoor en Olbinett aan de andere, drukten op de pompzwengels, die de beweging op den toestel overbragten. Ook John en Wilson hielpen hun makkers.

"Toe maar! toe maar!" riep de jonge kapitein, "allen te gelijk!"

De kabeltouwen rekten uit door de krachtige werking van het braadspil. De ankers hielden goed en slipten niet.

Men moest spoedig slagen. Het hoog water duurt maar eenige minuten. Weldra zou de waterspiegel weder dalen.

Nog eens spande men alle krachten in. De wind woei hevig en sloeg de twee zeilen tegen den mast. Er werd eenige schudding in het schip opgemerkt. De brik scheen op het punt om te rijzen. Misschien was de hulp van nog een paar armen genoeg om ze uit de zandbank los te werken.

"Helena! Mary!" riep Glenarvan.

De beide jonge vrouwen voegden haar krachten bij die van hare reisgenooten. Nog eens rammelde de spilpal.

Maar dat was alles. De brik bewoog zich niet. Het werk was vergeefsch geweest. Reeds liep de ebbe en het bleek duidelijk, dat die geringe bemanning er zelfs met behulp van den wind en de zee niet in zou slagen om het vaartuig vlot te maken.

De eerste poging tot redding, door John Mangles beproefd, was mislukt. Zonder uitstel moest men nu tot de tweede overgaan. Het was duidelijk, dat men deMacquarieniet vlot kon krijgen, en even duidelijk, dat er niets anders overschoot dan bet schip te verlaten. Het zou onvoorzigtig en dwaas geweest zijn om aan boord te blijven, tot er hulp kwam opdagen.

Lang voor dat het toeval een schip op de plaats der schipbreuk zou brengen, zou deMacquarieverbrijzeld zijn! De eerste storm de beste, zelfs een onstuimige zee door de zeewinden opgejaagd, zoo het tegen de banken slaan, het verbrijzelen, vernielen en het wrak in alle rigtingen verstrooijen. Voor het zoo ver kwam, dat het uit elkander geslagen werd, wilde John aan land wezen.

Hij stelde dus voor een vlot te timmeren, sterk genoeg om de passagiers en een voldoende hoeveelheid levensmiddelen naar de zeelandsche kust over te brengen.

Het was nu geen tijd om te praten maar om te handelen. Men ging aan het werk en was reeds een goed eind gevorderd, toen de duisternis het deed staken.

Men ging aan het werk.Men ging aan het werk.

Ten acht ure, toen het avondeten gebruikt was en lady Helena en Mary reeds in het vooronder te bed waren gegaan, spraken Paganel en zijn vrienden, terwijl zij het dek op en neer gingen, over belangrijke zaken. Robert had hen niet willen verlaten. De wakkere knaap luisterde met open mond, gereed om een dienst te bewijzen, gereed ook om het een of ander waagstuk te ondernemen.

Paganel had aan John Mangles gevraagd, of het vlot niet de kust kon langs varen tot aan Auckland, in plaats van de reizigers aan wal te zetten.

John antwoordde, dat zulk een togt onmogelijk was met zulk een gebrekkig vaartuig.

"En zouden we met de sloep der brik hebben kunnen doen," zeide Paganel, "wat wij op een vlot niet kunnen wagen?"

"Als het moest, ja!" antwoordde John Mangles; "maar op voorwaarde, dat wij over dag voeren en 's nachts voor anker bleven liggen."

"Dus hebben die schurken, die ons achtergelaten hebben...."

"O! die waren dronken," antwoordde John Mangles, "en in die zwarte duisternis vrees ik zeer, dat zij die laaghartige vlugt met hun leven geboet hebben."

"Zooveel te erger voor hen," hernam Paganel, "en zooveel te erger voor ons; want die sloep zou ons goede diensten bewezen hebben."

"Wat er aan te doen, Paganel?" zeide Glenarvan. "Het vlot zal ons ook wel aan den wal brengen."

"Dat had ik juist willen vermijden," antwoordde de aardrijkskundige.

"Hoe! kan een reis van hoogstens twintig mijlen schrik aanjagen aan menschen, die tegen vermoeijenis bestand zijn, na alles wat wij in de Pampa's en op onzen togt door Australië hebben uitgestaan?"

"Vrienden!" antwoordde Paganel, "ik trek evenmin onzen moed als de wakkerheid onzer gezellinnen in twijfel. Twintig mijlen; dat is niets in ieder ander land dan Nieuw-Zeeland. Gij zult mij niet van lafhartigheid verdenken. Ik was het, die u door Amerika, door Australië heb medegevoerd. Maar, ik herhaal het, dat alles is niets in vergelijking met een reis door dat verraderlijke land."

"Het ergste wat ons kan overkomen wacht ons op dit gestrande schip: een zekere ondergang!" antwoordde John Mangles.

"Wat hebben we dan toch op Nieuw-Zeeland te duchten!" vroeg Glenarvan.

"De wilden," antwoordde Paganel

"De wilden!" hernam Glenarvan. "Kunnen wij ze niet vermijden, door de kust te volgen?" Bovendien, tien goed gewapende en vastberaden Europeanen behoeven zich niet beangst te maken voor een aanval van eenige ellendige wilden."

"Het zijn geen ellendige wilden," antwoordde Paganel hoofdschuddende. "De Nieuw-Zeelanders zijn verschrikkelijke lieden, die tegen de engelsche heerschappij zich verzetten, die de indringers bestrijden, die hen dikwijls overwinnen, die hen altijd opeten!"

"Menscheneters!" riep Robert, "menscheneters!"

Vervolgens hoorde men hem deze beide namen mompelen: "Mijne zuster! mevrouw Helena!"

"Vrees niet, mijn kind!" sprak Glenarvan om den knaap gerust te stellen. "Onze vriend Paganel overdrijft!"

"Ik overdrijf niets," hervatte Paganel. "Robert heeft getoond een man te zijn, en ik behandel hem als een man door hem de waarheid niet te verbergen. De Nieuw-Zeelanders zijn de wreedste, om niet te zeggen de gulzigste van alle menscheneters. Zij verslinden alles wat onder hun bereik komt. De oorlog is voor hen alleen een jagt op dat uitstekende wild, dat mensch heet, en om de waarheid te zeggen is dat de eenige verstandige oorlog. De Europeanen dooden hun vijanden en begraven ze. De wilden dooden hun vijanden en eten ze op, en volgens het gevoelen van mijn landgenoot Toussenel ligt het kwaad niet zoozeer in het braden van zijn vijand als hij dood is, als wel daarin, dat men hem doodt, wanneer hij niet sterven wil."

"Paganel!" zeide de majoor, "dat is een rijke stof voor een gesprek, maar het oogenblik is er niet geschikt voor. Of het verstandig is of niet om opgegeten te worden, wij willen niet, dat men ons zal opeten. Maar hoe komt het, dat het christendom die afschuwelijke gewoonte om menschenvleesch te eten nog niet heeft uitgeroeid?"

"Gelooft gij dan, dat alle Nieuw-Zeelanders christenen zijn?" antwoordde Paganel. "Slechts een gering aantal is het, en de zendelingen zijn nog maar al te dikwijls de slagtoffers dier woestaards. Verleden jaar nog is de eerwaarde Walkner met de afschuwelijkste wreedheid doodgemarteld. De Maori's hebben hem opgehangen. Hun vrouwen hebben hem de oogen uit het hoofd gehaald. Men heeft zijn bloed gedronken, zijn hersenen opgegeten. En die moord heeft plaats gehad in 1864, te Opotiki, eenige uren van Auckland af, om zoo te zeggen onder het oog der engelsche autoriteiten. Er zijn eeuwen noodig, mijne vrienden! om den aard van een menschenras te veranderen. Wat de Maori's geweest zijn, zullen zij nog lang zijn. Hun geheele geschiedenis is met bloed geschreven. Wat al schepelingen hebben zij vermoord, en verslonden, van de matrozen van Tasman af tot de bemanning derHawestoe! En het is geenszins het blanke vleesch, dat hen zoo graag heeft gemaakt. Lang voor de komst der Europeanen zochten de Zeelanders door moord hun lust te bevredigen. Menig reiziger heeft onder hen verkeerd, die maaltijden van menscheneters heeft bijgewoond, waarbij de gasten alleen gedreven werden door het verlangen om iets lekkers te eten, zooals het vleesch van een vrouw of een kind."

De marteling van de eerwaarde Walkner.De marteling van de eerwaarde Walkner.

"Ba!" zeide de majoor, "zijn die verhalen niet grootendeels in de verbeelding der reizigers ontstaan? Men is er soms op gesteld om uit gevaarlijke landen en uit de maag der menscheneters terug te komen!"

"Ik geef toe, dat er soms overdrijving plaats heeft," antwoordde Paganel. "Maar geloofwaardige mannen hebben gesproken, de zendelingen Kendall en Marsden, de kapiteins Dillon, d'Urville, Laplace en anderen, en ik geloof hun verhalen, ik moet ze gelooven. De Zeelanders zijn wreed van aard. Bij den dood hunner opperhoofden slagten zij menschenoffers. Zij beweren door die offers den toorn des overledenen te stillen, die de levenden zou kunnen treffen, en tevens hem dienaren voor het andere leven aan te bieden! Maar daar zij die nagelaten bedienden opeten na ze vermoord te hebben, mag men gelooven, dat de maag er even groot deel aan heeft als het bijgeloof."

"Ik meen toch," zeide John Mangles, "dat de godsdienst een rol speelt in die tooneelen van kannibalisme. Wanneer de godsdienst verandert, zullen de zeden dus ook veranderen."

"Goed, vriend John!" antwoordde Paganel. "Gij werpt daar de gewigtige vraag op van den oorsprong van het menscheneten. Heeft de godsdienst of de honger de menschen er toegebragt om elkander te verslinden? Dat onderzoek zou in dit oogenblik ontijdig zijn. Waarom het menscheneten bestaat? die vraag is nog niet opgelost; maar het bestaat, en dat is een ernstig feit, waarover wij maar al te veel reden hebben om ons ongerust te maken."

Paganel zeide de waarheid. Het menscheneten is even diep geworteld op Nieuw-Zeeland, als op de Fidsji-eilanden of aan de Torres-straat. Ontwijfelbaar komt het bijgeloof in het spel bij die afschuwelijke gewoonten; maar er zijn menscheneters, omdat het wild soms schaarsch is en de honger groot. De wilden zijn begonnen met menschenvleesch te eten om aan de eischen van den honger te voldoen, die slechts zelden verzadigd wordt; vervolgens hebben de priesters die ijselijke gewoonten tot wet gemaakt en gewijd. De maaltijd is een godsdienstige plegtigheid geworden, ziedaar alles.

In de oogen van de Maori's is er dan ook niets natuurlijker dan elkander op te eten. De zendelingen hebben hen dikwijls over het menscheneten ondervraagd. Zij hebben hun gevraagd, waarom zij hun broeders opaten. Hierop antwoordden de hoofden, dat de visschen de visschen opeten, dat de honden de menschen opeten, dat de menschen de honden opeten, en dat de honden elkander opeten. In hun godenleer komt zelfs de overlevering voor, dat een god een anderen god opat. Hoe zouden zij met dit alles voor oogen zich het genoegen kunnen ontzeggen om hun evenmensch op te eten?

Ook beweren de Zeelanders, dat men door een dooden vijand op te eten ook zijn geestelijk deel vernietigt. Zoo erft men zijn ziel, zijn kracht, zijn dapperheid, die vooral in de hersenen zetelen. Dit gedeelte van den mensch komt daarom op de feestmalen als hoofdschotel en lekker beetje voor.

Paganel hield intusschen niet zonder grond staande, dat de zinnelijkheid en vooral de nood de Zeelanders tot menscheneten aanspoorden, en niet alleen de wilden van Oceanië, maar ook de wilden van Europa.

"Ja," voegde hij er bij, "het menscheneten heeft lang bestaan onder de voorvaderen der beschaafde volken, en, beschouwt dit niet als op u persoonlijk gemunt, vooral bij de Schotten."

"Inderdaad?" vroeg Mac Nabbs.

"Ja, majoor!" hernam Paganel. "Wanneer gij zekere uitdrukkingen van den heiligen Hieronymus over de Atticoli van Schotland leest, zult gij zien, wat gij van uwe voorvaderen denken moet! En zonder tot vóórhistorische tijden op te klimmen, werd onder de regeering van Elisabeth, in denzelfden tijd toen Shakspeare over zijn Shilock peinsde, de schotsche struikroover Sawney Bean niet ter dood gebragt om de misdaad van menscheneten? En welk gevoel had hem aangezet om menschenvleesch te eten? De godsdienst? Neen de honger."

"De honger?" vroeg John Mangles.

"De honger," verzekerde Paganel; "maar vooral de noodzakelijkheid, waarin het vleeschetend dier zich bevindt, om zijn vleesch en bloed weer te herstellen door de stikstof in de dierlijke zelfstandigheden. De longen moeten tot haar werkzaamheid in staat worden gesteld door knolvormige en zetmeel bevattende planten. Maar wie sterk en werkzaam zijn wil, moet die bloedvormende spijzen gebruiken, die het slijten der spieren herstellen. Zoo lang de Maori's geen leden zijn van de maatschappij der groenteneters, zullen zij vleesch eten en wel menschenvleesch."

"Waarom geen vleesch van dieren?" vroeg Glenarvan.

"Omdat zij geen dieren hebben," antwoordde Paganel, "en dit moet men weten, niet om hun gewoonte van menschenvleesch te eten te verontschuldigen, maar om ze te verklaren. Viervoetige dieren, zelfs vogels zijn zeldzaam in dit onherbergzaam land. De Maori's hebben zich daarom altijd met menschenvleesch gevoed. Er zijn zelfs "jaargetijden om de menschen te eten," gelijk in de beschaafde landen jaargetijden om te jagen. Dan beginnen de groote drijfjagten, dat wil zeggen de groote oorlogen, en geheele volksstammen worden op de tafels der overwinnaars opgedischt."

"Volgens uw gevoelen, Paganel!" sprak Glenarvan, zal het menscheneten dus eerst ophouden, wanneer schapen, runderen en zwijnen in de weiden van Nieuw-Zeeland sterk zullen vermenigvuldigen?"

"Zeker, waarde lord! en dan nog zal het jaren duren, voor de Maori's het zeelandsche vleesch ontwend zijn, dat ze boven alles verkiezen; want de zoons zullen lang beminnen wat hun vaders bemind hebben. Volgens hun zeggen heeft dat vleesch den smaak van varkensvleesch, maar met meer wildsmaak. Op blank vleesch zijn ze minder verlekkerd, omdat de blanken zout in hun eten doen, hetgeen hun een bijzondere geur heeft, die bij de lekkerbekken niet zeer getrokken is."

"Ze zijn nog al moeijelijk te voldoen!" zeide de majoor. "Maar eten ze dat blanke of zwarte vleesch raauw of gebraden?"

"Waar ge al niet naar vraagt, mijnheer Mac Nabbs!" riep Robert.

"Wel, mijn jongen!" antwoordde de majoor ernstig, "als ik ooit tot spijs moet strekken aan een menscheneter, zou ik liefst gebraden worden!"

"Waarom?"

"Om zeker te zijn, dat ik niet levend verslonden werd!"

"Goed, majoor!" hernam Paganel; "maar als gij nu eens levend gebraden werd?"

"In ieder geval," antwoordde de majoor, "zou ik het niet graag in mijn keus hebben."

"Dat mag wezen zooals het wil, Mac Nabbs! maar als het u genoegen doet," antwoordde Paganel, "weet dan, dat de Nieuw-Zeelanders het vleesch alleen gebraden of gerookt eten. Het zijn goed onderwezen menschen, die wel weten wat lekker smaakt. Maar wat mij aangaat, ik vind de gedachte van opgegeten te worden hoogst onaangenaam! Zijn leven te eindigen in de maag van een wilde, foei!"

"Het slot van dit alles is," zeide John Mangles, "dat wij niet in hun handen moeten vallen. Ook willen wij maar hopen, dat het christendom eenmaal die ijselijke gewoonten zal afschaffen."

"Ja, dat moeten wij hopen," antwoordde Paganel; "maar, geloof mij, een wilde, die menachenvleesch geproefd heeft, zal er niet ligt van afzien. Gij kunt er zelven over oordeelen uit deze twee feiten."

"Vertel ons die feiten, Paganel!" zeide Glenarvan.

"Het eerste wordt medegedeeld in de Verslagen der Jezuïten-orde in Brazilië. Een portugeesch zendeling ontmoette eens een oude zeer zieke braziliaansche vrouw. Zij had nog maar weinige dagen te leven. De Jezuït onderrigtte haar in de waarheden van het christendom, die de stervende zonder tegenspraak aannam. Na het zielevoedsel dacht hij ook aan het voedsel des ligchaams, en bood der boetelinge eenige europeesche versnaperingen aan. "Helaas!" antwoordde de oude, "mijn maag kan volstrekt geen voedsel meer verdragen. Er is nog maar één ding, waarin ik trek zou hebben, maar bij ongeluk kan hier niemand het mij bezorgen."—"Wat is dat dan?" vroeg de Jezuït.—"Ach, mijn zoon! het is de hand van een jongentje! Ik verbeeld mij, dat ik die beentjes met smaak zou afkluiven!"

"Zoo! zoo! maar is dat dan goed?" vroeg Robert.

"Mijn tweede geschiedenis zal u het antwoord geven, mijn jongen!" hernam Paganel. "Eens verweet een zendeling aan een menscheneter die afgrijselijke gewoonte om menschenvleesch te eten, die strijdt met de goddelijke wetten. "En dus moet het slecht zijn," voegde hij er bij.—"Ach! vader!" antwoordde de wilde, terwijl hij een begeerigen blik op den zendeling sloeg, "zeg, dat God het verbiedt! Maar zeg niet, dat het slecht is! Als gij het maar eens gegeten hadt!..."

De feiten, door Paganel medegedeeld, waren ontegensprekelijk. De wreedheid der Nieuw-Zeelanders was aan geen twijfel onderhevig. Aan land gaan was dus met gevaar gepaard. Maar al was dat gevaar nog honderdmaal grooter geweest, men moest het tarten. John Mangles gevoelde de noodzakelijkheid om zoo spoedig mogelijk een schip te verlaten, dat aan een zekeren ondergang was gewijd. Geen aarzeling was mogelijk bij de keus tusschen twee gevaren, waarvan het eene zeker, het andere slechts waarschijnlijk was.

En op de kans van door een schip opgenomen te worden viel eigenlijk niet te rekenen. DeMacquarielag niet op den weg der schepen, die naar Nieuw-Zeeland stevenen. Zij gaan óf noordelijker naar Auckland óf zuidelijker naar Nieuw-Plymouth. De schipbreuk had juist tusschen die twee punten plaats gehad, op het onbewoonde gedeelte der kust van Ika-Na-Maoeï. Die kust stond in een slechten reuk. De schepen doen hun uiterste best om ze te mijden, en zoo de wind hen er heenvoert, om zich zoo spoedig mogelijk er van te verwijderen.

"Wanneer zullen wij vertrekken?" vroeg Glenarvan.

"Morgen ochtend om tien ure," antwoordde John Mangles. "Dan komt de vloed opzetten, die ons aan land zal brengen."

Daags daaraan, den 5denFebruarij, ten acht ure, was het vlot afgetimmerd. John had de uiterste zorg besteed aan het want. De voormars, die voor het uitbrengen der ankers gediend had, was niet toereikend om reizigers en levensmiddelen over te voeren. Een stevig vaartuig, dat bestuurd kon worden en in staat was om gedurende een overtogt van negen mijlen zee te bouwen, was een volstrekte behoefte. Het scheepswant alleen kon de noodige bouwstoffen daartoe opleveren.

Wilson en Mulrady waren aan het werk gegaan. Het tuig werd afgekapt en na een aantal bijlslagen viel de groote mast, die van onderen aangevallen werd, aan stuurboord over de verschansing, die onder zijn val kraakte. DeMacquariewas nu zoo kaal als een pont.

De ondermast, de fokkesteng en de bramsteng werden doorgezaagd en gescheiden. Nu dreven de voornaamste stukken van het vlot. Zij werden met de overblijfselen van den fokkemast vereenigd en deze sparren stevig met elkander verbonden. John zorgde, dat er in de tusschenruimten een half dozijn leege vaten geplaatst werden, die het geheel boven water moesten houden.

Toen deze onderlaag goed vast was, had Wilson er een soort van openen vloer over gelegd, gemaakt van de roosters van het schip. De golven konden dus op het vlot breken zonder er op te blijven, en de reizigers waren beveiligd tegen nat worden. Ook vormden eenige stevig vastgezette watervaten een soort van cirkelvormig schanskleed en beschermden het vlot tegen de zware golven.

Toen John zag, dat de wind dien morgen gunstig was, liet hij midden op het vlot de bramra zetten bij wijze van een mast. Zij werd met touwen vastgemaakt en van een noodzeil voorzien. Een groote riem met een breed blad, die achter werd aangebragt, stelde hem in staat om het vlot te sturen, wanneer de wind het genoeg snelheid verleende.

Zoo kon dit goed zamengestelde vlot de deining weerstaan. Maar zou het naar het roer luisteren, zou het de kust bereiken, wanneer de wind eens omliep? dat was de vraag.

Ten negen ure begon men het te laden.

Eerst werden er genoeg levensmiddelen opgebragt om tot Auckland te strekken; want er viel niet te rekenen op de voortbrengselen van dien ondankbaren bodem.

Olbinett had nog wat over van het verduurzaamde vleesch, het overschot van de levensmiddelen, die voor de reis met deMacquariewaren aangekocht. Het beteekende echter niet veel. Men moest zich vergenoegen met den groven scheepskost, wat middelmatige scheepsbeschuit en twee vaatjes gezouten visch. De hofmeester schaamde zich de oogen uit het hoofd.

Deze levensmiddelen werden in luchtdigte, gestopte en voor het zeewater ondoordringbare kisten gedaan, vervolgens op het vlot gebragt en met sterke krabbers aan den voet van den noodmast vastgesjord. De wapenen en het kruid werden op een veilige drooge plaats gelegd. Gelukkig waren de reizigers goed gewapend met karabijnen en revolvers.

Ook een werpanker werd medegenomen, in geval John niet met één getij het land kon bereiken en dus in zee zou moeten ankeren.

Ten tien ure werd de vloed merkbaar. De wind was noordwest, wel zwak, maar gunstig. De oppervlakte der zee stond een weinig hol.

"Zijt gij gereed?" vroeg John Mangles.

"Alles in orde, kapitein!" antwoordde Wilson.

"Valt!" riep John.

Lady Helena en Mary Grant klommen een ruwe touwladder af en gingen aan den voet van den mast op de kisten met levensmiddelen zitten; haar reisgenooten omringden haar. Wilson greep het roer. John plaatste zich bij de geitouwen, en Mulrady hakte het sjortouw door, waarmede het vlot naast het schip vast lag.

Het zeil werd losgemaakt, en door tij en wind voortgestuwd zette het vlot koers naar de kust.

Het land was negen mijlen van hen af, een middelmatige afstand, dien een sloep met goede roeijers bemand in drie uren zou afgelegd hebben. Maar met het vlot zou het langer duren. Bleef de wind in dien hoek, dan kon men misschien in één getij de kust bereiken. Maar ging de wind liggen, dan zou de eb het doen afdrijven, en men zou ten anker moeten gaan om den volgenden vloed af te wachten. Dat was zeer bedenkelijk, en John Mangles maakte zich er ook wel ongerust over.

Toch gaf hij den moed niet op. De wind werd sterker. De vloed was om tien ure begonnen, en derhalve moesten zij ten drie ure landen, op straffe van het anker te moeten werpen of door het vallende water weer naar zee te worden gedreven.

Het begin van den overtogt was zeer gelukkig. Langzamerhand bedekten de vloedgolven de zwarte toppen der riffen en het gele tapijt der banken. Groote oplettendheid en buitengewone bekwaamheid waren noodig om die overstroomde ondiepten te mijden en een vaartuig te besturen, dat slecht naar het roer luisterde en ligt uit den koers dreef.

Om twaalf ure was het nog vijf mijlen van de kust. De tamelijk heldere lucht veroorloofde om het afwisselende voorkomen van den grond te onderscheiden. In het noord-oosten verhief zich een twee duizend vijf honderd voet hooge berg. Hij teekende zich op een vreemde wijze tegen den gezigteinder af, en zijn schaduwbeeld vertoonde den grijnzenden kop van een aap van ter zijde gezien, met den nek van boven. Het was de Pirongia, die volgens de kaart juist op acht en dertig graden breedte ligt.

Om half een wees Paganel, dat alle klippen onder het wassende water verdwenen waren.

"Op ééne na," antwoordde lady Helena.

"Welke, mevrouw?" vroeg Paganel.

"Daar," antwoordde lady Helena op een zwarte stip wijzende een mijl voor hen uit.

"Zoo waar," antwoordde Paganel. "Wij dienen ze goed in het oog te houden om er niet op te stooten; want de vloed zal ze weldra overdekken."

"Ze ligt juist voor den noordelijken top van den berg," zeide John Mangles. "Wilson! draag zorg, dat wij ze ter zijde laten liggen."

"Ja, kapitein!" antwoordde de matroos, die met zijn geheele zwaarte op het ruwe roer ging liggen. In een half uur vorderden zij een halve mijl. Maar, wat vreemd was, de zwarte stip bleef maar altijd boven water.

John bezag ze naauwkeurig, en om ze nog beter waar te nemen, leende hij den kijker van Paganel.

"Dat is geen rif," zeide hij na een kort onderzoek, "dat is een drijvend voorwerp, dat met de golven op en neergaat."

"Is het soms een stuk van de masten derMacquarie?" vroeg lady Helena.

"Neen!" antwoordde Glenarvan, "geen stuk van het wrak heeft zoo ver kunnen afdrijven."

"Wacht eens!" riep John Mangles, "ik zie wat het is, het is de sloep!"

"De sloep van de brik!" riep Glenarvan.

"Ja, mylord! De sloep van de brik het onderst boven!"

"Die ongelukkigen!" riep lady Helena. "Zij zijn stellig verdronken!"

"Ja, mevrouw!" antwoordde John Mangles, "en zij moesten verdrinken; want in deze branding op een holle zee, in dien duisteren nacht, liepen zij het verderf in den mond!"

"De hemel zij hun genadig!" mompelde Mary Grant. De passagiers zwegen eenige oogenblikken. Zij beschouwden het ranke bootje, dat al meer naderde. Het was zeker op vier mijlen van het land gestrand, en ongetwijfeld was geen een van de opvarenden gered.

"Maar die boot kan ons van dienst zijn," zeide Glenarvan.

"Dat is zoo," antwoordde John Mangles. "Zet den koers daarheen, Wilson!"

De rigting van het vlot werd eenigzins veranderd; maar de koelte begon te minderen, en eerst om twee ure waren ze bij het bootje.

Mulrady, die voorop stond, keerde den schok, en de gestrande jol werd op zijde van het vlot gehaald.

"Ledig?" vroeg John Mangles.

"Ja, kapitein!" antwoordde de matroos, "de boot is leeg en haar boordplanken zijn open. Wij hebben er dus niets aan."

... de gestrande jol werd op zijde van het vlot gehaald.... de gestrande jol werd op zijde van het vlot gehaald.

"Kunnen wij er niets mee uitvoeren?" vroeg Mac Nabbs.

"Niets," antwoordde John Mangles. "Het is goed brandhout."

"Dat spijt me," zeide Paganel; "want die jol had ons te Auckland kunnen brengen."

"Wij moeten ons er in schikken, mijnheer Paganel!" antwoordde John Mangles. "Op een zoo onstuimige zee verkies ik ook ons vlot nog boven dit zwakke bootje. Een ligte schok is genoeg geweest om het te verbrijzelen! Wij hebben hier dus niet langer noodig, mylord!"

"Zooals gij goedvindt, John!" zeide Glenarvan.

"Vooruit, Wilson!" hernam de jonge kapitein; "en regt op de kust aan!"

De vloed zou nog omtrent een uur duren. Men vorderde nog een paar mijlen. Maar toen ging de wind bijna geheel liggen, en scheen hij een landwind te willen worden. Het vlot bleef onbewegelijk. Weldra begon het zelfs met de ebbe zee in te drijven.

John kon geen seconde aarzelen. "Laat vallen 't anker!" riep hij.

Mulrady, die dit bevel wel verwacht had, liet het anker op vijf vaam water vallen. Het vlot week een weinig terug, zoover het sterk gespannen ankertouw toeliet, en bleef met het voorste gedeelte naar de kust gekeerd. Het noodzeil werd opgegeid, en de noodige maatregelen genomen voor een vrij lang oponthoud.

Het zou toch wel 's avonds negen ure worden, voor de vloed weer kwam opzetten, en daar John Mangles volstrekt geen lust had om 's nachts te varen, bleef hij tot 's morgens vijf ure ten anker. Het land was drie mijlen verder zigtbaar.

De zee stond zeer bol en scheen voortdurend op de kust te staan. Daarom vroeg Glenarvan ook, toen hij vernam, dat zij den gebeelen nacht daar blijven zouden, waarom John van dien stroom geen gebruik maakte om digter bij de kust te komen.

"Uwe oogen misleiden u, Uwe Edelheid!" antwoordde de jonge kapitein. "Hoewel de golven schijnen vooruit te gaan is het toch zoo niet. Het is slechts een schommeling der waterdeeltjes, anders niet. Werp maar een stuk hout op die golven, en gij zult het op dezelfde plaats zien blijven, zoolang de eb zich niet doet gevoelen. Er zit dus niets anders op dan geduld te oefenen."

"En te gaan eten," voegde de majoor er bij.

Olbinett haalde uit een kist met levensmiddelen eenige stukken gedroogd vleesch en een dozijn beschuiten. De hofmeester schaamde zich, dat hij zijn meester zulk een schralen kost moest voorzetten. Maar een ieder was er mee te vreden, zelfs de dames, die echter weinig trek hadden ten gevolge van de slingerende beweging van het vlot.

Die schokken van het vlot en de rukken van het kabeltouw, waaraan het vastlag, waren onuitstaanbaar. Onophoudelijk geslingerd op korte en dansende golven, kon het niet harder stooten op de scherpe punten eener blinde klip. Soms scheen het, dat het aan den grond raakte. Het ankertouw schuurde hevig en om het half uur vierde John er een vaâm van uit, om het te vernieuwen. Zonder die voorzorg zou het stellig gebroken zijn en dan moest het vlot, aan zich zelf overgelaten, zeker in zee drijven en vergaan.

Men kan dus ligt begrijpen, hoe beangst John was. Het touw kon breken of het anker slippen, en in beide gevallen was hij verloren.

Het werd nacht. Reeds dook de zonneschijf, door de straalbreking vergroot, bloedrood onder de kim. De laatste strepen water blonken in het westen en fonkelden als stroomen gesmolten zilver. Aan dien kant was alles lucht en water, op één scherp begrensd punt na, de romp van deMacquarie, die onbewegelijk op de bank vastzat.

Het werd nacht.Het werd nacht.

De kortstondige schemering maakte bijna geen scheiding tusschen nacht en dag, en spoedig werd het land ten oosten en ten noorden onzigtbaar.

Die schipbreukelingen verkeerden op dat bekrompene vlot in die zwarte duisternis waarlijk in geen benijdbaren toestand! Sommigen vielen in een angstige en door benaauwde droomen afgebroken sluimering, anderen konden geen uur slapen. Toen de zon opging waren allen afgemat door de vermoeienissen van dien nacht.

Met den vloed stak ook de zeewind weer op. Het was 's morgens vier ure. De tijd drong. John maakte zich gereed om onder zeil te gaan. Hij gaf bevel om het anker te ligten. Maar de ankertanden waren door de rukken van het touw diep in het zand gewoeld. Zonder braadspil was het niet los te krijgen, ook niet met de talies, die Wilson gebruikte.

Een half uur verliep met vergeefsche pogingen. In zijn ongeduld om onder zeil te gaan liet John den kabel kappen, waarbij hij natuurlijk zijn anker verspeelde en zich de mogelijkheid benam om, als de nood het eischte, wanneer soms die vloed niet toereikend was om hen aan wal te brengen, te ankeren. Maar hij wilde niet langer wachten, en een houw met de bijl leverde het vlot over aan de genade van den wind en van een stroom van twee knoopen in het uur.

Het zeil werd losgemaakt. Langzaam dreven zij naar het land, dat zich als een graauwe massa voordeed tegen den achtergrond des hemels, dien de opgaande zon verlichtte. Met veel beleid werden de riffen vermeden en omgevaren. Maar met dien zwakken zeewind scheen het vlot maar niet te vorderen. Wat al moeite kostte het om dat Nieuw-Zeeland te bereiken, waar een landing zoo gevaarlijk was.

Om zeven ure waren zij echter nog maar een mijl van het land af. De branding was vreeselijk, de kust zeer steil. Men moest een geschikte landingsplaats zoeken. De wind verzwakte allengs en ging eindelijk geheel liggen. Het slappe zeil klapperde tegen den mast. John liet het opgeijen. De vloed alleen dreef het vlot naar de kust; maar aan besturen viel niet meer te denken, en ontzaggelijke wierplanten vertraagden nog zijn vaart.

Ten acht ure zag John, dat zij zoo goed als stil bleven liggen, drie kabellengten van den oever af. Hij had geen anker meer. Zou de eb hem dan misschien weer naar zee meevoeren? Met gebalde vuisten, inwendig door onrust verteerd, sloeg John een woesten blik op dat ongenaakbare land.

Gelukkig,—ditmaal althans gelukkig,—had er een schok plaats. Het vlot lag stil. Het was gestrand op een zandbank vijf en twintig vaam van de kust af.

Glenarvan, Robert, Wilson en Mulrady sprongen in zee. Van de eene hand in de andere overgaande, kwamen de dames aan land, zonder een plooi van haar kleedjes nat gemaakt te hebben, en weldra zetten allen, met wapens en levensmiddelen, den voet op die geduchte kust van Nieuw-Zeeland.

De dames van de eene hand in de andere overgaand.De dames van de eene hand in de andere overgaand.

Glenarvan had terstond langs de kust naar Auckland willen gaan. Maar dien morgen was de lucht zwaar bewolkt, en tegen tien ure, na de ontscheping, verdigtten de dampen zich tot een geweldige regenbui. Derhalve was het onmogelijk om op reis te gaan en dwong de nood hen een schuilplaats te zoeken.

Wilson ontdekte zeer van pas een grot, die de zee in de basaltrotsen aan de kust had uitgehold. De reizigers vlugtten er in met hun wapens en levensmiddelen. Daar lag een groote hoop gedroogd zeegras, dat de golven er hadden ingespoeld. Men was zeer tevreden met die natuurlijke legerstede, enige stukken hout werden aan den ingang der grot opgestapeld en vervolgens aangestoken, en nu trachtten allen zich bij dat vuur te droogen.

John hoopte, dat de duur van dien stortregen in omgekeerde verhouding staan zou tot zijn hevigheid. Maar dat was zoo niet. Het eene uur na het andere verliep, zonder dat er verandering kwam in den toestand der lucht. Tegen elf ure begon het harder te waaijen en nog erger te regenen. Die tegenspoed zou den geduldigsten mensch ongeduldig gemaakt hebben. Maar wat er aan te doen? Het zou dwaasheid geweest zijn om zonder voertuig zulk een storm te tarten. Ook kon men in weinige dagen Auckland bereiken, en dus kwam het op een oponthoud van twaalf uren niet aan, althans wanneer de inboorlingen niet opdaagden.

Gedurende die gedwongen rust liep het gesprek over de voorvallen van den oorlog, waarvan Nieuw-Zeeland toen het tooneel was. Maar om het gewigt der omstandigheden goed te begrijpen, waarin de schipbreukelingen derMacquarieverkeerden, moet men de geschiedenis dier worsteling kennen, die het eiland Ika-Na-Maoeï van bloed deed stroomen.

Gesprek in de grot.Gesprek in de grot.

Sedert de komst van Abel Tasman in de Cook-straat, den 18denDecember 1642, waren de Nieuw-Zeelanders wel dikwijls door europeesche schepen bezocht, maar toch vrij gebleven op hun onafhankelijke eilanden. Geen enkele europeesche mogendheid dacht er aan om zich van dien archipel meester te maken, die de Stille Zuidzee beheerscht. De zendelingen, op verschillende punten gevestigd, waren de eenigen, die aan deze nieuwe landstreken de weldaden der christelijke beschaving bragten. Sommigen hunner, en voornamelijk de anglikaansche, bereidden de zeelandsche opperhoofden er echter op voor om zich te krommen onder het engelsche juk. Zij wisten dezen zoo slim om den tuin te leiden, dit zij een brief teekenden aan koningin Victoria gerigt om haar bescherming in te roepen. Maar de schrandersten onder hen voelden de dwaasheid van dien stap, en een hunner liet, na op den brief een afbeelding van de figuren, waarmee hij getatoeëerd was, gedrukt te hebben, deze profetische woorden hooren: "Wij hebben ons land verloren; voortaan behoort het ons niet meer; weldra zal de vreemdeling zich er meester van komen maken en wij zullen zijn slaven zijn."

Werkelijk kwam den 29stenJanuarij 1840 de korvetHeraldin de Eilanden-baai, in het noorden van Ika-Na-Maoeï. De scheepskapitein Hobson landde bij het dorp Korora-Reka. De inwoners werden uitgenoodigd een volksvergadering in de protestantsche kerk bij te wonen. Daar werden hun de regten voorgelezen, die kapitein Hobson van de koningin van Engeland had verkregen.

Den 5denFebruarij daaraanvolgenden werden de voornaamste zeelandsche opperhoofden bij den engelschen resident in het dorp Païa geroepen. Kapitein Hobson trachtte hun onderwerping te verkrijgen, zeggende, dat de koningin troepen en schepen zou zenden om hen te beschermen, dat hun regten gewaarborgd bleven, dat hun vrijheid onaangerand zou blijven. Hun eigendommen echter zouden aan koningin Victoria toebehooren, aan wie zij verpligt waren ze te verkoopen.

De meeste opperhoofden vonden die bescherming wat duur en weigerden ze aan te nemen. Maar de beloften en geschenken vermogten meer op die onbeschaafde gemoederen dan de groote woorden van kapitein Hobson, en de inbezitneming werd bekrachtigd.

Maar wat was er voorgevallen van dat jaar 1840 af tot den dag toe, waarop deDuncande golf van Clyde verliet? Jacques Paganel wist alles, en was bereid om zijn reisgenooten alles mede te deelen.

"Mevrouw!" antwoordde hij op de vragen van lady Helena, "ik herhaal, wat ik vroeger reeds gezegd heb, dat de Nieuw-Zeelanders een moedig volk zijn, dat na een oogenblik toegegeven te hebben, zijn land voet voor voet betwist aan de engelsche indringers. De stammen der Maori's zijn op dezelfde leest geschoeid als de oude schotsche clans. Het zijn eigenlijk groote famieljes, die een opperhoofd erkennen, welke streng staat op volslagen onderwerping aan zijn gezag. De mannen van dit ras zijn fier en dapper; sommigen zijn groot en hebben gladde haren, gelijk de Maltezers of de joden uit Bagdad, en maken den heerschenden stand uit; anderen zijn kleiner en ineengedrongen, evenals de Mulatten; maar allen zijn sterk, trotsch en oorlogzuchtig. Zij hebben een beroemd opperhoofd gehad, Hibi geheeten, een echte Vercingetorix. Het behoeft u dus niet te verwonderen, dat de oorlog met de Engelschen eindeloos duurt op Ika-Na-Maoeï, want daar woont de vermaarde stam der Waikato's, die William Thompson tot verdediging van den grond in het gevecht brengt."

"Maar zijn de Engelschen geen meesters van de voornaamste punten vau Nieuw-Zeeland?" vroeg John Mangles.

"Zonder twijfel, waarde John!" antwoordde Paganel. "Na de inbezitneming door kapitein Hobson, later gouverneur van het eiland, zijn er allengs van 1840 tot 62 negen koloniën gesticht op de voordeeligste plaatsen. Zij vormen negen provinciën; vier op het noordelijke eiland: de provinciën Auckland, Taranaki, Wellington en Hawkesbay; vijf op het zuidelijke eiland: de provinciën Nelson, Marlborough, Otago en Southland; de geheele bevolking dier negen provinciën bedroeg den 8stenJunij 1864 honderd tachtig duizend driehonderd zes en veertig inwoners. Allerwegen zijn belangrijke koopsteden verrezen. Wanneer wij te Auckland komen, zult gij genoodzaakt zijn onvoorwaardelijk de ligging te bewonderen van dat Corinthe van het zuiden, dat de naauwe landengte beheerscht, die als een brug over de Stille Zuidzee is geslagen, en reeds twaalf duizend zielen telt. Nieuw-Plymouth in het westen. Ahuhiri in het oosten, Wellington in het zuiden zijn reeds bloeijende steden vol vertier. Op het eiland Tavai-Poenamoe zoudt gij verlegen zijn in de keus tusschen Nelson, het Montpellier der tegenvoeters, den tuin van Nieuw Zeeland, Picton aan de Cooks-straat, Christchurch, Invercargill en Dunedin, in de rijke provincie Otago, waar de goudzoekers van heinde en ver heenstroomen. En merk op, dat hier niet bedoeld wordt een verzameling van eenige hutten, een opeenhooping van wilde gezinnen, maar wel echte steden, met havens, kerken, banken, dokken, kruidtuinen, museums van natuurlijke historie, acclimatatietuinen, dagbladen, hospitalen, inrigtingen van liefdadigheid, hoogescholen, vrijmetselaars-loges, clubs, zangverenigingen, schouwburgen en gebouwen voor wereldtentoonstellingen, niet meer noch minder dan te Londen of te Parijs! En als mijn geheugen mij geen parten speelt, zijn in 1865, in dit jaar, en misschien terwijl ik met u spreek, de voortbrengselen der nijverheid van de geheele aarde tentoongesteld in een land van menscheneters!"

"Hoe! ondanks den oorlog met de inboorlingen?" vroeg lady Helena.

"De Engelschen geven ook wat om een oorlog, mevrouw!" antwoordde Paganel. "Zij vechten en houden tentoonstellingen te gelijk. Dat hindert hen niet. Zij leggen zelfs spoorwegen aan onder bet bereik van de kogels der Nieuw-Zeelanders. In de provincie Auckland loopen de spoorweg van Drury en die van Mere-Mere door de voornaamste punten, welke de opstandelingen bezet houden. Ik wil wedden, dat de werklieden geweerschoten wisselen van de locomotief."

"Maar hoe staat het thans met dien eindeloozen oorlog?" vroeg John Mangles.

"Het is nu reeds meer dan zes maanden geleden, dat wij Europa verlaten hebben," antwoordde Paganel; "dus kan ik niet weten, wat er sedert ons vertrek voorgevallen is, op eenige feiten echter na, die ik op onze reis door Australië in de Maryborougsche en Seymoursche kranten gelezen heb. Maar toen werd er hard gevochten op het eiland Ika-Na-Maoeï."

"En wanneer is die oorlog begonnen?" zeide Mary Grant.

"Gij wilt zeggen "weder begonnen", lieve miss!" antwoordde Paganel, "want de eerste opstand had in 1845 plaats. Tegen het einde van 1863; maar reeds lang te voren maakten de Maori's zich gereed om het juk der engelsche heerschappij af te schudden. De nationale partij onder de inboorlingen deed haar uiterste best om de verkiezing van een maori opperhoofd te bewerken. Zij wilde den ouden Potatau koning, en van zijn dorp, tusschen de Waikato en de Waipa gelegen, de hoofdstad van het nieuwe koningrijk maken. Die Potatau was een meer sluwe dan stoute grijsaard; maar hij had een krachtvollen en schranderen eersten minister, een afstammeling van den stam dier Ngatihahua's, die voor den inval der vreemdelingen de landengte van Auckland bewoonden. Die minister, William Thompson geheeten, werd de ziel van dien onafhankelijkheidsoorlog. Hij bragt de troepen der Maori's op een zeer goeden voet. Op zijn aansporing vereenigde een opperhoofd van Taranaki de verstrooide stammen tot een zelfde doel; een ander opperhoofd van de Waikato's vormde het "landverbond," een echt verbond voor het algemeene welzijn, dat zich voorstelt de inboorlingen te verhinderen hun landerijen aan de engelsche regeering te verkoopen; er werden maaltijden gehouden, evenals in beschaafde landen, waar een omwenteling op het punt staat van uit te barsten. De engelsche dagbladen begonnen die onrustbarende voorteekenen mede te deelen, en de regeering werd ernstig ongerust over dat drijven van het "landverbond." Kortom, de gemoederen waren opgewonden, de mijn gereed om te springen. Er was maar een vonk noodig of liever de botsing van twee belangen om ze voort te brengen."

"En die botsing?..." vroeg Glenarvan.

"Had in 1860 plaats," antwoordde Paganel, "in de provincie Taranaki, op de zuidwestkust van Ika-Na-Maoeï. Een inlander bezat drie honderd bunders land in de nabijheid van Nieuw-Plymouth. Hij verkocht ze aan het engelsch bestuur. Maar toen de landmeters kwamen om den verkochten grond op te meten, verzette zich het opperhoofd Kingi, en in de maand Maart legde hij op de betwiste drie honderd bunders een met palissaden versterkte legerplaats aan. Eenige dagen later nam kolonel Gold aan bet hoofd zijner troepen dat kamp in, en dienzelfden dag werd het eerste schot in den volksoorlog gelost."

"Zijn de Maori's talrijk?" vroeg John Mangles.

"De inlandsche bevolking is in een eeuw sterk verminderd," antwoordde de aardrijkskundige. "In 1769 schatte Cook ze op vier honderd duizend inwoners. Volgens de opgave van hetInlandsch Beschermheerschapbedroeg ze in 1845 honderd negen duizend. De beschavende moorden, de ziekten en het vuurwater hebben ze gedund; maar op de twee eilanden blijven nog negentig duizend inboorlingen over, waaronder dertig duizend krijgslieden, die de europeesche troepen lang werk zullen geven."

"Is de opstand tot nog toe gelukt?" vroeg lady Helena.

"Ja, mevrouw! en de Engelschen zelven hebben dikwijls den moed der Nieuw-Zeelenders bewonderd. Zij voeren een partijgangers-oorlog, wagen schermutselingen, overvallen kleine afdeelingen, plunderen de hoeven der kolonisten. Generaal Cameron was niet op zijn gemak in die velden, waarvan hij alle struiken moest laten doorzoeken. Na een langdurige en moorddadige worsteling hadden de Maori's in 1863 een groote versterkte stelling ingenomen aan de Boven-Waikato, aan de uitloopers van een steile heuvelketen, door drie verdedigings-liniën gedekt. Profeten riepen de geheele inlandsche bevolking op tot verdediging van den vaderlandschen grond en beloofden de verdelging der "pakeka's," dat wil zeggen van de blanken. Drie duizend man trokken op onder bevel van generaal Cameron en gaven den Maori's geen kwartier meer, na den barbaarschen moord op kapitein Sprent gepleegd. Bloedige slagen werden geleverd. Sommige duurden twaalf uren, zonder dat de Maori's voor de europeesche kanonnen weken. De strijdhaftige stam der Waikato's onder bevel van William Thompson vormde de kern der strijders voor de onafhankelijkheid. Die inlandsche veldheer had eerst derdehalf, later acht duizend krijgslieden onder zijn bevel. De onderdanen van Shongi en Heki, twee geduchte opperhoofden, kwamen hem te hulp. In dien heiligen oorlog deelden de vrouwen in de zwaarste vermoeienissen. Maar het regt zegeviert niet altijd. Na moorddadige gevechten gelukte het generaal Cameron het district Waikato te onderwerpen, een ledig en ontvolkt district, want de Maori's ontvlugtten naar alle zijden. Er hadden bewonderenswaardige wapenfeiten plaats. Vier honderd Maori's, in de vesting Orakan opgesloten en door duizend Engelschen onder bevel van den brigadier-generaal Carey belegerd, weigerden zich over te geven, hoewel honger en dorst hen kwelden. En op klaarlichten dag baanden zij zich een weg door het verzwakte 40steregiment en redden zich over de moerassen."

"En heeft de onderwerping van het district Waikato een eind gemaakt aan dien bloedigen oorlog?" vroeg John Mangles.

"Neen, mijn vriend!" antwoordde Paganel. "De Engelschen hebben het voornemen om in de provincie Taranaki binnen te rukken en Mataitawa, de vesting van William Thompson, te belegeren. Maar zij zullen ze niet zonder aanmerkelijke verliezen innemen. Toen ik gereed stond Parijs te verlaten, vernam ik, dat de gouverneur en de generaal de onderwerping der Tarangastammen aangenomen en hun drievierden hunner landerijen gelaten hebben. Er was ook sprake van, dat de hoofdaanvoerder van den opstand, William Thompson, er aan dacht om zich over te geven; maar de australische dagbladen hebben die tijding niet bevestigd; het tegendeel is veeleer waar. Het is dus zeer waarschijnlijk, dat men zich thans met kracht gereedmaakt voor den strijd."

"En naar uwe meening, Paganel!" zeide Glenarvan, "zouden de provinciën Taranaki en Auckland het tooneel dier worsteling zijn?"

"Dat denk ik."

"Diezelfde provincie, waar de schipbreuk derMacquarieons heeft doen aankomen?"

"Juist. Wij zijn geland eenige mijlen benoorden de haven Kawhia, waar de nationale vlag der Maori's nog moet wapperen."

"Dan zal het geraden zijn, dat wij noordwaarts trekken," zeide Glenarvan.

"Dat is waarlijk hoog noodig," antwoordde Paganel. "De Nieuw-Zeelanders zijn razend op de Europeanen en vooral op de Engelschen. Wij mogen dus wel zorgen niet in hun handen te vallen."

"Misschien zullen wij wel een afdeeling europeesche troepen ontmoeten," zeide lady Helena. "Dat zou een buitenkansje zijn."

"Misschien, mevrouw!" antwoordde de aardrijkskundige; "maar ik reken er niet op. De afzonderlijke afdeelingen zijn niet gaarne in het open veld, wanneer de geringste struik, het nietigste kreupelhout een bekwamen schutter verbergt. Ik reken dus niet op een geleide van de soldaten van het 40steregiment. Maar er zijn eenige zendingsposten gevestigd op de westkust, die wij langs moeten, en wij kunnen ze gemakkelijk allen aandoen tot Auckland toe. Ik denk er zelfs aan om den weg te nemen, dien de heer Von Hochstetter gevolgd is, namelijk den loop van de Waikato."

"Was dat een reiziger, mijnheer Paganel?" vroeg Robert Grant.

"Ja, mijn jongen! een lid der wetenschappelijke commissie, die met het oostenrijksche fregat deNovarain 1858 de reis om de wereld medemaakte."

"Mijnheer Paganel!" hernam Robert, wiens oogen fonkelden bij de gedachte aan groote aardrijkskundige togten, "heeft Nieuw-Zeeland beroemde reizigers gehad, zooals Burke en Stuart in Australië?"

"Eenige, mijn kind! zooals dokter Hooker, professor Brizard, de natuurkundigen Dieffenbach en Julius Haast; maar ofschoon verscheidene hunner met hun leven geboet hebben voor hun zucht naar avonturen, zijn zij toch minder beroemd dan de australische of afrikaansche reizigers...."

"En kent gij hun geschiedenis?" vroeg de jonge Grant.

"Dat zou ik denken, mijn jongen! en daar ik zie dat gij brandt van verlangen om er evenveel van te weten als ik, zal ik ze u vertellen."

"Ik dank u, mijnheer Paganel! ik luister al!"

"En wij luisteren ook," zeide lady Helena, "Het is niet voor het eerst, dat het slechte weder ons dwingt om wat te leeren. Spreek voor ons allen, mijnbeer Paganel!"

"Ik ben tot uw bevelen, mevrouw!" antwoordde de aardrijkskundige; "maar mijn verhaal zal kort zijn. Er is hier geen sprake van die stoute ontdekkers, die man tegen man met den australischen minotaurus worstelden. Nieuw-Zeeland is te klein om zich te verzetten tegen de nasporingen van den mensch. Mijn helden zijn dan ook geen eigenlijk gezegde reizigers geweest, maar eenvoudige pleizier-reizigers, die het offer werden van de meest dagelijksche voorvallen."

"En zij heeten?..." vroeg Mary Grant.

"De wiskunstenaar Witcombe en Charlton Howitt, dezelfde die het overblijfsel van Burke heeft teruggevonden op dien merkwaardigen togt, dien ik u verhaald heb bij ons vertoef aan de oevers der Wimerra. Witcombe en Howitt bestuurden elk een onderzoekingstogt op het eiland Tawaï-Poe-namoe. Beiden vertrokken van Christchurch in het begin van 1863, om verschillende wegen over de noordelijke bergen der provincie Canterbury op te zoeken. Howitt trok op de noordelijke grens der provincie over de keten en sloeg zijn hoofdkwartier op aan het meer Brunner. Witcombe daarentegen vond in het dal van de Rakaia een weg, die op het oostelijke gedeelte van den Tyndall-berg uitliep. Witcombe had een medgezel, Jacob Louper, die in deLyttelton-Timeshet verhaal van de reis en de ramp heeft openbaar gemaakt. Zooveel ik mij herinner waren de twee onderzoekers den 22stenApril 1863 aan den voet van een gletscher, waar de Bakaia uit ontspringt. Zij beklommen den bergtop en gingen nieuwe paden opzoeken. Den volgenden dag bragten Witcombe en Louper, uitgeput van vermoeijenis en koude, onder een zware sneeuwbui ter hoogte van vier duizend voet boven den zeespiegel door. Zeven dagen lang dwaalden zij in het gebergte rond, in dalen, wier loodregte wanden geen uitgang verleenden, dikwijls zonder vuur, soms zonder voedsel, hun suiker veranderde in stroop, hun beschuit in nat deeg, hun kleeren en dekens dropen van water, insecten wondden hen, soms maakten zij groote dagreizen van drie mijlen en dan weer vorderden zij op een dag nog geen twee honderd el. Den 29stenApril troffen zij eindelijk een hut van Maori's aan, en in een tuin eenige handenvol aardappelen. Dit was de laatste maaltijd, dien de beide vrienden zamen deelden. 's Avonds bereikten zij de zeekust, nabij den mond der Taramakau. Nu kwam het er op aan om op den regteroever over te gaan, ten einde noordwaarts de rivier de Grey te bereiken. De Taramakau was diep en breed. Na een uur zoekens vond Louper twee beschadigde bootjes, die hij zoo goed mogelijk herstelde en aan elkander bond. Tegen den avond gingen de twee reizigers scheep. Maar pas waren zij in het midden van den stroom, toen de bootjes vol water liepen. Witcombe sprong in het water en zwom naar den linkeroever terug. Jacob Louper, die niet zwemmen kon, hield zich aan het bootje vast. Dit redde hem, maar niet zonder dat hij veel angst moest uitstaan. De ongelukkige dreef naar de branding. De eerste golf slingerde hem in de diepte. De tweede bragt hem aan de oppervlakte terug. Hij werd tegen de rotsen geslagen. De nacht was vreeselijk donker. Het stortregende. Zoo werd Louper met een bloedend en door het zeewater opgezet ligchaam verscheidene uren heen en weêr geslingerd. Eindelijk stiet het bootje tegen den wal, en de schipbreukeling werd bewusteloos op de kust geworpen. Toen de zon den volgenden morgen opging, sleepte hij zich naar een bron en bemerkte, dat de stroom hem een mijl van de plaats had afgevoerd, waar hij den overtogt over de rivier had beproefd. Hij stond op, volgde de kust en vond weldra den ongelukkigen Witcombe, wiens hoofd en geheele ligchaam onder den modder begraven was. Hij was dood. Louper groef met zijn handen een kuil in het zand en begroef het lijk van zijn makker. Twee dagen daarna werd hij, stervende van honger, door gastvrije Maori's opgenomen,—er zijn er wel enkele,—en den 4denMei bereikte hij het meer Brunner en de legerplaats van Charlton Howitt, die zes weken later hetzelfde lot onderging als de ongelukkige Witcombe."


Back to IndexNext