IX.

Jacob Louper hield zich aan het bootje vast.Jacob Louper hield zich aan het bootje vast.

"Ja!" zeide John Mangles, "het schijnt, dat die rampen zich aaneenschakelen, dat een noodlottige band de reizigers onderling verbindt, en dat zij allen sterven, wanneer die band verbroken wordt."

"Gij hebt gelijk, vriend John!" antwoordde Paganel, "en ik heb dikwijls diezelfde opmerking gemaakt. Door welk noodzakelijk verband Howitt bijna onder dezelfde omstandigheden moest omkomen, kan men niet zeggen. Charlton Howitt was door den heer Wyde, chef der landswerken, aangenomen om een voor paarden bruikbaren weg aan te leggen van de vlakten van Hurunuï tot aan den mond der Taramakau. Hij vertrok den 1enJanuarij 1863 met vijf man. Hij kweet zich uitstekend van zijn last, en een weg van veertig mijlen werd in orde gebragt tot aan een onoverkomelijk punt van de Taramakau. Howitt keerde nu naar Christchurch terug, en in weerwil van den naderenden winter verzocht hij zijn werk te mogen voortzetten. De heer Wyde gaf hem daartoe verlof. Howitt vertrok weer met de noodige levensmiddelen om het slechte jaargetijde in zijn legerplaats door te brengen. Omstreeks dien tijd kwam Jacob Louper bij hem. Den 27stenJunij verliet Howitt met twee man, Robert Little en Henry Mullis, de legerplaats. Zij staken het meer Brunner over. Sedert heeft men hen nooit terug gezien. Hun rank en laag op het water liggend bootje werd op de kust, waar het gestrand was, teruggevonden. Negen weken lang heeft men te vergeefs naar hen gezocht, en het is duidelijk, dat die ongelukkigen, welke niet konden zwemmen, in de golven van het meer verdronken zijn."

"Maar zouden zij niet ongedeerd bij een zeelandschen stam kunnen zijn?" zeide lady Helena. "Men mag toch altijd nog aan hun dood twijfelen."

"Helaas neen! mevrouw!" antwoordde Paganel, "want in de maand Augustus 1865, een jaar na de ramp, waren zij nog niet terug ... en," mompelde hij zachtjes, "wanneer men in geen jaar in dat Nieuw-Zeeland te voorschijn komt, dan is het alleen, omdat men reddeloos verloren is."

Den 7denFebruarij, 's morgens ten zes ure, gaf Glenarvan het sein om te vertrekken. De regen had dien nacht opgehouden. Graauwe wolkjes, die ter hoogte van drie mijlen boven den grond zweefden, hielden de zonnestralen tegen. De matige warmte liet toe, dat men de vermoeijenissen van de reis overdag trotseerde.

Paganel had op de kaart een afstand van tachtig mijlen tusschen hoek Cahua en Auckland gemeten; dat was tegen tien mijlen per dag een reis van acht dagen. Maar in plaats van de bogtige zeekust te volgen, achtte hij het beter om op een afstand van dertig mijlen de samenvloeijing der Waikato en Waipa, bij het dorp Ngarnavahia te bereiken. Daar gaat de postweg over, of beter gezegd een voor rijtuigen bruikbaar pad, dat een groot gedeelte van het eiland Napier van de Hawkes-baai tot Auckland doorsnijdt. Dan zou het gemakkelijk zijn Drury te bereiken en er in een uitmuntend logement uit te rusten, dat de natuurkundige Hochstetter aanbeveelt.

De reizigers belastten zich elk met een gedeelte der mondbehoeften en volgden den oever der baai van Aotea. Uit voorzigtigheid verwijderden zij zich niet van elkander en hadden zij hun karabijnen geladen, terwijl zij uit instinct de golvende vlakten in het oosten gadesloegen. Met zijn uitstekende kaart in de hand vond Paganel er het genoegen van een kunstenaar in om de naauwkeurigheid van de geringste daarop aangeteekende bijzonderheden te onderzoeken.

Een gedeelte van den dag betrad het kleine gezelschap een zandgrond, bestaande uit overblijfselen van tweekleppige schelpen en graten van den inktvisch, sterk vermengd met over-oxyde en eerste ijzer-oxyde. Een magneet, dien men digt bij den grond hield, zou terstond met schitterende kristallen bedekt zijn geworden.

Op den oever, dien het wassende water allengs bespoelde, dartelden eenige zeedieren, die volstrekt geen haast maakten om te vlugten. De robben met hun ronde koppen, hun breed en gebogen voorhoofd, hun sprekende oogen, hadden een zacht, zelfs een innemend voorkomen. Men kon het ligt begrijpen, dat de fabel, die zonderlinge waterbewoners op hare wijze in een dichterlijk waas hullende, er betooverende sirenen van gemaakt had, hoewel hun stem niets anders is dan een onwelluidend geknor. Op de kusten van Nieuw-Zeeland zijn die talrijke dieren het voorwerp van een levendigen handel. Zij worden gevangen om hun traan en hun vel.

De robben met hun ronde koppen....De robben met hun ronde koppen....

Onder hen merkte men drie of vier zee-olifanten op, blaauwachtig grijs en vijf en twintig tot dertig voet lang. Die ontzaggelijke vierpootige zoogdieren lagen lui op dikke bedden reusachtig zeegras, staken hun snuit in de hoogte en schudden grijnzend de grove haren van hun lange en ineengedraaide knevels, echte kurketrekkers, die gekruld waren als de baard van een saletjonker. Robert keek met genoegen naar dat belangwekkend schouwspel, toen hij op eens zeer verbaasd uitriep:

"Kijk eens! die robben eten keisteenen!"

En waarlijk slikten verscheidene van deze dieren met gulzigheid de steenen in die op het strand lagen.

"Drommels! het feit is waar!" antwoordde Paganel. "Men kan niet ontkennen, dat deze dieren hun maag met strandkeitjes vullen."

"Een vreemd voedsel," zeide Robert, "dat moeijelijk te verteren zal zijn!"

"Die zeedieren slikken geen steenen in om zich te voeden, mijn jongen! maar om zich te ballasten. Het is een middel om hun soortelijk gewigt te vermeerderen en gemakkelijker te zinken. Zoodra zij weer aan land zijn, zullen ze die steenen wel zonder verteren omslag overgeven. Gij zult zien, dat dezen te water gaan."

Zoo was het ook. Een half dozijn robben, die voldoenden ballast hadden ingenomen, kropen weldra met veel moeite langs het strand en verdwenen in hun vochtig element. Maar Glenarvan kon geen kostbaren tijd verspillen met op hun terugkomst te wachten, teneinde gade te slaan hoe zij hun ballast weer opruimden en tot groote spijt van Paganel werd de afgebroken marsch weder hervat.

Ten tien ure hield men stil om te ontbijten aan den voet van groote basalt-rotsen, die als celtische dolmens aan den zeekant lagen. Een oesterbank leverde een groot aantal van die weekdieren op. Die oesters waren klein en niet lekker. Maar op raad van Paganel braadde Olbinett ze op gloeijende kolen en zoo toebereid werden ze bij dozijnen gedurende dien maaltijd gebruikt.

Toen de rusttijd om was, zette men den togt langs den oever der baai voort. Op de getande rotsen, op de kruin dier klippen, waren een menigte zeevogels gevlugt, fregatvogels, domme zeezwaluwen, zeemeeuwen, en groote albatrossen, die onbewegelijk op den top der scherpe pieken zaten. 's Namiddags ten vier ure had men tien mijlen afgelegd zonder hinderpalen ontmoet te hebben of vermoeid te zijn. De dames verzochten de reis tot den avond toe voort te zetten. Nu moest de rigting van den weg veranderd worden; om den voet van eenige bergen heen, die zich in het noorden vertoonden, moest men het dal van de Waipa in.

In de verte vertoonde de bodem onafzienbare grasvlakten, waarop men makkelijk zou voortkunnen. Maar toen de reizigers aan den rand dier groene velden kwamen, waren zij bitter teleurgesteld. Het gras werd vervangen door een kreupelbosch van heesters met kleine witte bloemen, vermengd met die hooge en tallooze varens, die zoo menigvuldig voorkomen op de gronden van Nieuw-Zeeland. Men moest zich door die houtachtige stengels een weg banen, hetgeen zeer moeijelijk ging. Echter was men 's avonds ten acht ure om de eerste ruggen der Hakarihoata-Ranges heengekomen, en nu sloeg men terstond de legerplaats op.

Na een togt van veertien mijlen hadden zij waarlijk aanspraak op rust. Daar zij geen wagen noch tent hadden, zocht ieder aan den voet van prachtige norfolksche dennen een goede ligplaats. Aan dekens was geen gebrek, zij werden als bedden uitgespreid.

Glenarvan nam duchtige voorzorgmaatregelen voor den nacht. Twee aan twee zouden hij en zijn reisgenooten tot zonsopgang behoorlijk gewapend de wacht houden. Vuur werd niet aangelegd. Die brandende slagboomen zijn goed tegen wilde beesten; maar Nieuw-Zeeland heeft tijgers, leeuwen, beeren noch andere verscheurende dieren: trouwens de Nieuw-Zeelanders vervangen genoegzaam hun plaats. En een vuur zou alleen gediend hebben om die tweevoetige tijgerkatten te lokken.

Kortom, de nacht was goed, op eenige zandvliegen na, in de landtaal "ngamu" genoemd, wier steek zeer lastig is, en een vermetele rattensoort, die wakker knaagde aan de zakken met mondvoorraad.

Toen Paganel den volgenden dag, den 8stenFebruarij, ontwaakte, was hij vol moed en bijna met het land verzoend. De Maori's, die hij vooral duchtte, waren niet opgedaagd, en die wreede menscheneters bedreigden hem niet eens in zijn droomen. Hij deelde zijn blijdschap daarover aan Glenarvan mede.

"Ik denk dus," zeide hij, "dat deze kleine wandeling goed zal afloopen. Dezen avond zullen wij de samenvloeijing der Waipa en Waikato bereikt hebben, en zijn wij daar voorbij, dan behoeven wij niet bang te zijn voor een ontmoeting met de inboorlingen op den weg naar Auckland."

"Hoe ver moeten wij gaan," vroeg Glenarvan, "om de samenvloeijing der Waipa en Waikato te bereiken?"

"Vijftien mijlen, zoo wat even ver, als wij gisteren gegaan zijn."

"Maar het zal ons heel wat oponthoud veroorzaken, als dat eindelooze kreupelhout de paden blijft versperren."

"Neen," antwoordde Paganel, "wij zullen de Waipa langs gaan, en daar geen hinderpalen meer vinden, maar integendeel een gemakkelijken weg."

"Vooruit dan!" beval Glenarvan, die zag dat de dames gereed waren om te vertrekken.

Gedurende de eerste uren van dien dag maakte het digte kreupelbosch het gaan nog zeer lastig. Wagen noch paarden hadden er kunnen doordringen; zij beklaagden zich daarom niet sterk over het gemis van hun australisch voertuig. Zoo lang geen voor wagens berijdbare wegen door die bosschen van planten zijn gebaand, zal Nieuw-Zeeland alleen door voetgangers bereisd kunnen worden. De varens, wier soorten hier ontelbaar zijn, werken even onverzettelijk als de Maori's mede tot verdediging van den vaderlandschen bodem.

Het kleine gezelschap ondervond dus duizend bezwaren bij het overtrekken der vlakten, waar de heuvels van Hakarihoata zich verheffen. Maar voor twaalf ure bereikte het de oevers der Waipa en rigtte het zich zonder moeite noordwaarts langs de steile oevers der rivier.

Het was een liefelijk dal, doorsneden met frissche en heldere stroompjes, die zich vrolijk tusschen de struiken kronkelden. Volgens den kruidkundige Hooker heeft Nieuw-Zeeland tot nog toe twee duizend plantensoorten opgeleverd, waarvan er vijf honderd daar alleen te huis behooren. Bloemen vindt men er weinig, en er is bijna geen verscheidenheid in haar kleuren. Er is bijna volslagen gebrek aan eenjarige planten, maar een overvloed van varenkruiden, grassoorten en schermbloemen.

Buiten de eerste donkergroene plekken verhieven zich hier en daar eenige groote boomen, ijzermirten met scharlakenroode bloemen, norfolksche denneboomen, levensboomen met loodregt opgaande takken, en een cypresseboom, de "rimu," niet minder treurig dan zijn europeesche broederen; al die stammen waren letterlijk begroeid met talrijke verscheidenheden van varens.

Tusschen de takken der groote boomen en boven de struiken fladderden en babbelden eenige kakatoes, de groene "kakariki," met een gele streep onder de keel, de "taupo," pronkende met een mooi paar zwarte knevels, en een papegaai, zoo groot als een eend, met rood gevederte, dat vooral onder de vleugels zeer schitterde en dien de natuurkundigen den "Nestor van het zuiden" hebben bijgenaamd.

Zonder zich van hun makkers te verwijderen konden de majoor en Robert eenige watersnippen en patrijzen schieten, die onder het lage struikgewas der vlakten nestelden. Om tijd te winnen plukte Olbinett ze onderweg.

Paganel, die minder ophad met de voedende eigenschappen van het wild, had liever een vogel meester willen worden, die uitsluitend op Nieuw-Zeeland te huis behoort. De weetgierigheid van den natuurkundige bragt in hem den eetlust van den reiziger tot zwijgen. Bedroog zijn geheugen hem niet, dan bragt het hem de vreemde manieren van den "twi" der inlanders te binnen, die nu eens om zijn onophoudelijk hoongelach "spotvogel" genoemd wordt en dan weer "pastoor," omdat hij op zijn gevederte, dat zoo zwart is als een priesterrok, een witten kraag draagt.

"Die twi," zeide Paganel tot den majoor, "wordt 's winters zoo vet, dat hij er ziek van is. Hij kan niet meer vliegen. Dan rijt hij zich met zijn snavel de borst open, om zich van zijn vet te ontlasten en zich ligter te maken. Vindt gij dat niet vreemd, Mac Nabbs?"

"Zoo vreemd," antwoordde de majoor, "dat ik er geen woord van geloof!"

Tot zijn groote spijt kon Paganel geen enkelen van die vogels in handen krijgen om aan den ongeloovigen majoor de bloedige inkervingen in hun borst te laten zien.

Maar het geluk diende hem beter met een zonderling dier, dat door menschen, katten en honden vervolgd, naar de onbewoonde streken gevlugt is en gevaar loopt uit de zeelandsche dierenwereld te verdwijnen. Robert die als een echte speurhond rondsnuffelde, ontdekte in een nest van gevlochten wortels een paar ongevleugelde en staartlooze hoenders, met vier teenen aan de pooten, een langen bek als een snip en witte op haar gelijkende vederen over het geheele ligchaam. Vreemde dieren, die den schakel schenen uit te maken tusschen de eijerleggende dieren en de zoogdieren.

Het was de zeelandsche "kiwi," de "apterix australis" der natuurkundigen, die zich al naar het valt voedt met maskers, insecten, wormen of zaden. Deze vogel is aan dit land eigen. Met moeite heeft men hem kunnen overbrengen in de dierentuinen van Europa. Zijn half afgewerkte vormen, zijn lachwekkende bewegingen, hebben altijd de aandacht der reizigers getrokken, en op de groote ontdekkingsreis in Oceanië van deAstrolabeen deZélée, kreeg Dumont d'Urville uitdrukkelijk last van de Akademie van Wetenschappen om een van die zonderlinge vogels mede te brengen. Maar ondanks de belooningen, die hij aan de inlanders uitloofde, kon hij geen enkelen levenden kiwi krijgen.

Het was de zeelandsche "kiwi."Het was de zeelandsche "kiwi."

Paganel, die regt blijde was met dit buitenkansje, bond zijn twee hoenders aan elkander en nam ze vol vreugde mede, daar hij voornemens was ze aan den Plantentuin te Parijs te vereeren "Geschenk van den heer Jacques Paganel," dat verleidelijke opschrift las hij reeds op de schoonste kooi in die verzameling, die ligtgeloovige aardrijkskundige!

Inmiddels zakte het kleine gezelschap zonder veel vermoeijenis de oevers der Waipa af. De streek was verlaten, geen spoor van inboorlingen, geen pad was er te zien, dat de aanwezigheid van den mensch in deze vlakten verried. Het water der rivier stroomde tusschen hooge struiken door of kabbelde een eind weegs over den vlakken zandigen oever. Dan had men een vrijgezigt tot op de bergjes, die het dal in het oosten begrensden. Met hun vreemde vormen en hun toppen, die in een bedriegelijken nevel waren gehuld, geleken zij op reusachtige dieren uit de voorwereld. Men zou wanen, een heele school walvischachtige dieren te zien, die op eens versteend waren. Die dooreen geworpen massa's droegen den stempel van een echt vulkanisch karakter. Nieuw-Zeeland is dan ook niets anders dan een jong voortbrengsel van een plutonische werking. Gestadig rijst het hooger boven den zeespiegel. Sommige punten zijn in twintig jaar wel een vaam gestegen. Het vuur blaakt nog in zijn binnenste, schudt het, doet het trillen, en ontsnapt op menige plaats door den mond der heete bronnen en den krater der vuurspuwende bergen.

's Namiddags ten vier ure had men in opgeruimde stemming negen mijlen afgelegd. Volgens de kaart, die Paganel onophoudelijk raadpleegde, lag de zamenvloeijing der Waipa en Waikato nog bijna vijf mijlen verder. Daar liep de weg naar Auckland; daar zou men dien nacht verblijven. Wat de vijftig mijlen aangaat, die hen van de hoofdstad scheidden, die kon men in twee of drie dagen afleggen, en in hoogstens acht uren, wanneer Glenarvan den postwagen aantrof, die tweemaal in de maand van Auckland naar de Hawkes-baai vice versa rijdt.

"Dus zullen wij nog dezen nacht in de open lucht moeten slapen?" vroeg Glenarvan.

"Ja," antwoordde Paganel; "maar voor het laatst, hoop ik."

"Des te beter; want het wil wat zeggen voor lady Helena en Mary Grant."

"En zij verdragen het geduldig," voegde John Mangles er bij. "Maar, vergis ik mij niet, mijnheer Paganel! dan hadt gij van een dorp aan de zamenvloeijing der beide rivieren gesproken."

"Ja," antwoordde de aardrijkskundige, "hier staat het op de kaart van Johnston. Het is Ngarnavahia, omtrent twee mijlen beneden de zamenvloeijing."

"Welnu! zouden wij daar van nacht niet kunnen slapen? Lady Helena en miss Grant zouden gaarne nog een paar mijlen loopen om een redelijk logement te vinden."

"Een logement!" riep Paganel, "een logement in een maoridorp! niet eens een herberg of een kroeg! Dat dorp is niets anders dan een verzameling van hutten van inlanders, en wel verre van er een schuilplaats te zoeken, raad ik aan het voorzigtig te vermijden."

"Wat zijt gij altijd bang, Paganel!" zeide Glenarvan.

"Waarde lord! wantrouwen kan minder kwaad dan vertrouwen bij die Maori's. Ik weet niet, op welken voet zij met de Engelschen staan, of de opstand gedempt is of zegepraalt, of wij niet midden in den oorlog komen. En wij mogen zonder aanmatiging zeggen, dat lieden van onzen rang goede gevangenen zouden zijn, en ik ben er volstrekt niet op gesteld om tegen wil en dank kennis te maken met de zeelandsche gastvrijheid. Daarom oordeel ik het best, dat wij dat dorp Ngarnavahia vermijden, het omreizen, alle ontmoeting met de inlanders ontwijken. Zijn wij eens te Drury, dan verandert de zaak, en dan kunnen onze wakkere medereizigsters op haar gemak uitrusten van de vermoeienissen der reis."

Het gevoelen van Paganel behield de overhand. Lady Helena wilde liever nog een nacht in de open lucht doorbrengen dan haar medgezellen in gevaar brengen. Mary Grant vroeg evenmin als zij om stil te houden, en dus zetten zij den togt langs den rivieroever voort.

Twee uren later daalde de eerste avondschemering van de bergen. Voor de zon in het westen onder de kimmen zonk, had zij gebruik gemaakt van een onverwachte opening in de wolkengordijn om nog eenige late stralen te schieten. De laatste zonneschijn gaf aan de verwijderde toppen in het oosten een purperglans. Het was als het ware een laatste groet aan de reizigers.

Glenarvan en de zijnen verhaastten hun tred. Zij wisten, hoe kort de avondschemering, op deze reeds vrij hooge breedte duurde, en hoe spoedig de duisternis inviel. Zij dienden de zamenvloeijing der twee rivieren te bereiken, voor het geheel donker werd. Maar er steeg een zware mist uit den grond op en deze maakte het zeer moeijelijk om den weg te onderscheiden.

Gelukkig verving het oor het door de duisternis nuttelooze oog. Weldra verkondigde een duidelijker gemurmel des waters de vereeniging der twee rivieren in hetzelfde bed. Ten acht ure bereikte het kleine gezelschap het punt, waar de Waipa zich met eenig gedruisch in de Waikato stort.

"Daar is de Waikato!" riep Paganel, "en de weg naar Auckland loopt langs den regteroever."

"Morgen zullen wij hem zien," antwoordde de majoor. "Wij blijven hier. Mij dunkt, dat die donkerder schaduwen afkomstig zijn van een klein boschje, dat daar met opzet gegroeid is om ons te beschutten. Laten wij eten en slapen."

"Eten, dat is goed!" zeide Paganel; "maar beschuit en droog vleesch, andere niet, zonder een vuur aan te leggen. Wij zijn hier onbekend gekomen; wij moeten ons best doen ook onbekend heen te gaan! Gelukkig maakt die mist ons onzigtbaar."

Het boschje werd bereikt, en allen hielden zich stipt aan de strenge voorschriften van den aardrijkskundige. Het koude avondeten werd in alle stilte genuttigd, en weldra vielen de reizigers, die zeer vermoeid waren door een marsch van vijftien mijlen, in een diepen slaap.

Toen de zon den volgenden morgen opging hing een vrij dikke mist zwaar op het water der rivier. Een deel van de dampen, waarmee de lucht vol was, had de afkoeling verdigt, zoodat ze nu de oppervlakte des waters met een digte wolk bedekten. Maar de stralen der zon boorden spoedig door die waterbellen heen, welke barstten, nu de dagvorstin ze bescheen. De in nevel gehulde oevers werden zigtbaar, en de Waikato vertoonde zich in al de schoonheid van den morgen.

Ter plaatse, waar de twee stroomen ineenliepen, stak de scherpe punt van een met struiken bedekte landtong in het water uit. Het onstuimige water der Waipa stuwde dat van de Waikato wel een kwartmijl weg, voor het zich er mede vereenigde; maar de magtige en kalme stroom bragt de bruischende rivier weldra ten onder, en sleepte haar rustig mede in zijn loop tot aan het bekken der Stille Zuidzee.

Toen de damp optrok, kon men een boot de Waikato stroomopwaarts zien roeijen. Het was een kano van zeventig voet lang, vijf breed en drie diep, met een hoogen voorsteven als een venetiaansche gondel en geheel vervaardigd van den stam van een kahikatea-denneboom. De bodem was belegd met een bed van drooge varens. Acht roeijers, die voorin zaten, deden ze over de oppervlakte des waters vliegen, terwijl een man, die achteraan zat, ze met een beweegbare pagaai bestuurde.

Het was een kano van zeventig voet lang.Het was een kano van zeventig voet lang.

Die man was een lange inboorling, omstreeks vijf en veertig jaar oud, met een breede borst, gespierde leden, en forsche handen en voeten. Zijn gewelfd en met diepe rimpels beploegd voorhoofd, zijn onvriendelijke blik, zijn onheilspellend gelaat, boezemden schrik voor hem in.

Het was een maori-opperhoofd van hoogen rang. Dat bleek uit de fijne en digte figuren, waarmede zijn ligchaam en aangezigt getatoeëerd waren. Van de vleugels van zijn arendsneus liepen twee zwarte kromme lijnen, die om zijn gele oogen zich slingerden, op zijn voorhoofd bijeen kwamen en onder zijn prachtig hoofdhaar verdwenen. Zijn mond met sneeuwwitte tanden en zijn kin verdwenen onder regelmatige bonte lijnen welker sierlijke krullen zich door elkander slingerden tot op zijn sterke borst.

Het tatoeëeren, het "moko" der Nieuw-Zeelanders, is een bewijs van hoog aanzien. Hij alleen is die eervolle kringen waardig, die zich in een aantal gevechten door zijn dapperheid heeft onderscheiden. De slaven en de heffe des volks hebben er geen aanspraak op. De beroemde opperhoofden zijn kenbaar aan het uitgewerkte, de juistheid en den aard der teekening, die dikwijls afbeeldingen van dieren op hun ligchaam voorstelt. Sommigen ondergaan tot vijfmaal toe de zeer smartelijke bewerking van het moko. Hoe beroemder men is, des te meer wordt men opgeschikt in dat Nieuw-Zeeland.

Dumont d'Urville heeft wetenswaardige bijzonderheden aangaande dat gebruik medegedeeld. Hij heeft teregt opgemerkt, dat het moko de plaats dier wapens vervangt, waarop in Europa sommige geslachten zich zoo veel laten voorstaan. Maar hij merkt een verschil op tusschen die twee teekenen van onderscheiding: namelijk, dat de wapens der Europeanen dikwijls alleen het bewijs zijn van de persoonlijke verdienste desgenen, die ze het allereerst verwierf, zonder dat men daaruit tot de verdienste zijner kinderen mag besluiten; terwijl de persoonlijke wapens der Nieuw-Zeelanders een wettig bewijs zijn, dat zij een buitengewonen persoonlijken moed aan den dag hebben moeten leggen om het regt te verkrijgen ze te dragen.

Ook is het niet te ontkennen, dat het tatoeëeren der Maori's, nog daargelaten het aanzien, waarin het staat, ontegenzeggelijk zijn nut heeft. Het geeft aan de huid meerdere dikte, waardoor ze in staat is weerstand te bieden aan de guurheid des weders en aan de onophoudelijke steken der muskieten.

Bij het opperhoofd, die het vaartuig stuurde, was geen twijfel aan zijn beroemdheid mogelijk. Het scherpe albatros-been, dat de maori tatoeëerders gebruiken, had zijn gezigt vijf maal doorkorven met digte en diepe lijnen. Hij had de vijfde uitgave reeds beleefd, hetgeen wel te zien was aan zijn trotsch voorkomen.

Zijn ligchaam, bedekt met een groot stuk doek van nieuw-zeelandsch vlas gevoerd met hondenvellen, was omgord met een schaamteschort, dat in de laatste gevechten met bloed was bemorst. Aan zijn uitgerekte oorlellen prijkten hangers van groenen niersteen, en om den hals droeg hij kettingen van "poenamoes," gewijde steenen, waaraan de Zeelanders eenige bijgeloovige denkbeelden verbinden. Naast hem lag een geweer van engelsen maaksel, en een "patoe-patoe," een soort van tweesnijdende, smaragdkleurige, achttien duim lange bijl.

Negen krijgslieden van minderen rang, maar gewapend en met een woest uiterlijk, waarvan enkelen nog leden aan versche wonden, zaten in hun linnen mantels gewikkeld onbewegelijk bij hem. Aan hun voeten lagen drie geduchte honden. De acht roeijers voorin schenen dienaren of slaven van het opperhoofd te zijn. Zij roeiden stevig door, zoodat het bootje met groote snelheid tegen den juist niet veel beteekenenden stroom der Waikato opvoer.

In het midden van dat lange vaartuig stonden tien europeesche gevangenen, alleen aan hun voeten gekluisterd, digt bij elkander.

Het waren Glenarvan en lady Helena, Mary Grant, Robert, Paganel, de majoor, John Mangles, de hofmeester en de twee matrozen.

Door den digten nevel misleid, was het kleine gezelschap den vorigen avond onder een talrijken troep inlanders vervallen. Omstreeks het midden van den nacht werden de reizigers in hun slaap overvallen, gevangen genomen en vervolgens naar het vaartuig gebragt. Zij hadden nog geen mishandelingen ondergaan: maar tegenstand zou hun niets gebaat hebben. Hun wapenen en kruid waren in de handen der wilden, en hun eigen kogels zouden spoedig een eind aan hun leven gemaakt hebben.

Zij vernamen spoedig uit eenige engelsche woorden, waarvan de inlanders zich bedienden, dat dezen, teruggedreven en geslagen door de britsche troepen, na groote verliezen ondergaan te hebben naar de streken aan de Boven-Waikato terugtrokken. Het maori-opperhoofd, wiens voornaamste strijders na een hardnekkigen tegenstand door de soldaten van het 42steregiment gedood waren, ging een nieuwe oproeping doen aan de stammen van den stroom, om den onbedwingbaren William Thompson te hulp te snellen, die nog altijd met de veroveraars worstelde. Dat opperhoofd heette "Kai-Koemoe," een vreeselijke naam, die in de volkstaal beteekent "degene, die de ledematen van zijn vijand opeet." Hij was dapper en vermetel; maar zijn wreedheid evenaarde zijn moed. Geen medelijden was van hem te wachten. Zijn naam was welbekend bij de engelsche soldaten, en de gouverneur van Nieuw-Zeeland had een prijs op zijn hoofd gesteld.

Die vreeselijke slag had lord Glenarvan juist getroffen, toen hij de zoo gewenschte haven van Auckland bijna bereikt had, waar hij scheepsgelegenheid naar Europa hoopte te vinden. Op zijn koud en bedaard gelaat afgaande, zou men echter niet hebben kunnen gissen, dat een vreeselijke angst hem kwelde. Want in ernstige omstandigheden toonde Glenarvan steeds, dat het ongeluk hem niet kon ter nederslaan. Hij gevoelde, dat hij, de echtgenoot, het hoofd, zijn vrouw en zijn reisgenooten tot steun en voorbeeld zijn moest; maar tevens was hij bereid om, indien de omstandigheden het vorderden, het eerst voor aller redding te sterven. Innig vroom zijnde, wilde hij, met het oog op de heiligheid zijner onderneming, niet twijfelen aan Gods regtvaardigheid, en ondanks de tallooze gevaren op den weg, dien hij betrad, had hij nog geen oogenblik spijt van de edelmoedige opwelling, die hem naar die onbeschaafde landen gevoerd had.

Zijn makkers waren zijner waardig, zij dachten even edel als hij, en wie hun rustig en fier gelaat had beschouwd, zou niet geloofd hebben, dat zij een zekeren ondergang te gemoet gingen. Met algemeen goedvinden hadden zij op raad van Glenarvan besloten, een trotsche onverschilligheid voor de inlanders te veinzen. Dat was het eenige middel om dien woestaards ontzag in te boezemen. De wilden in het algemeen en de Maori's in het bijzonder hebben een zeker gevoel van waardigheid, dat zij nooit verloochenen. Zij achten dengenen, die door koelbloedigheid en moed achting inboezemt. Glenarvan wist, dat hij door zoo te handelen zijn makkers en zichzelven noodelooze mishandelingen bespaarde.

Sedert het verlaten van de legerplaats hadden de inlanders, weinig spraakzaam evenals alle wilden, hen ter naauwernood toegesproken. Uit eenige woorden, die zij wisselden, maakte Glenarvan echter op, dat zij met het engelsch bekend waren. Hij besloot dus het zeelandsche opperhoofd te vragen, wat hij met hen voor had. Zich tot Kai-Koemoe rigtende, vroeg hij met rustige stem:

"Waar brengt gij ons heen, opperhoofd?"

Kai-Koemoe zag hem koel aan zonder te antwoorden.

"Wat zijt gij voornemens met ons te doen?" hernam Glenarvan.

Voor een poos flikkerden de oogen van Kai-Koemoe, en hij antwoordde op ernstigen toon:

"U uitwisselen, wanneer de uwen u terug willen hebben, u dooden, als zij weigeren."

Glenarvan vroeg niets meer, maar voelde de hoop in zijn hart herleven. Zonder twijfel waren eenige opperhoofden van het leger der Maori's in handen van de Engelschen gevallen, en wilden de inboorlingen beproeven hen door uitwisseling terug te krijgen. Dat was dus een kans op redding, en hun toestand nog niet hopeloos.

Inmiddels vorderde het vaartuig snel tegen den stroom op. Paganel, wiens bewegelijk karakter hem ligt van het eene uiterste tot het andere deed overslaan, was weer vol moed. Hij zeide bij zichzelven, dat de Maori's hun de moeite bespaarden om naar de engelsche voorposten te gaan, en dat was zooveel gewonnen. Volkomen berustend in zijn lot, ging hij op zijn kaart den loop der Waikato door de vlakten en dalen der provincie na. Lady Helena en Mary Grant bedwongen haar vrees en spraken zacht met Glenarvan, en de bekwaamste gelaatskenner onder de inlanders had op haar aangezigten den angst niet kunnen opmerken, die haar boezem benaauwde.

De Waikato is de nationale stroom van Nieuw-Zeeland. De Maori's zijn er even trotsch en jaloersch op, als de Duitschers op den Rijn en de Slaven op den Donau. In zijn twee honderd mijlen langen loop besproeit hij de schoonste streken van het noordelijke eiland, van de provincie Wellington af tot de provincie Auckland toe. Hij heeft zijn naam gegeven aan al die stammen op zijn oevers, die onoverwinbaar en onoverwonnen, als één man tegen de overheerschers zijn opgestaan.

Het water van dien stroom is nog bijna nooit door een vreemd schip gekliefd. Alleen de praauwen der eilanders bevaren hem. Met moeite heeft het een enkelen moedigen reiziger mogen gelukken tusschen die gewijde oevers door te stevenen. De toegang tot de Boven-Waikato schijnt aan de ongewijde Europeanen verboden te zijn.

Paganel was bekend met den eerbied, welken de inboorlingen voor die groote slagader van Zeeland koesteren. Hij wist, dat de engelsche en duitsche natuurkundigen ze niet verder bevaren hadden dan tot haar vereeniging met de Waipa. Hoever zou de willekeur van Kai-Koemoe zijn gevangenen medeslepen? Dat had hij niet kunnen gissen, indien het woord "Taupo," dat hij bij herhaling van het opperhoofd en diens manschappen hoorde, zijn aandacht niet gewekt had.

Hij raadpleegde zijn kaart en zag, dat die naam Taupo gegeven werd aan een meer, dat beroemd is in de jaarboeken der aardrijkskunde, en in het bergachtigste gedeelte des eilands ligt, aan de zuidelijke grens der provincie Auckland. De Waikato verlaat dat meer na het in zijn volle breedte doorloopen te hebben. Van het vereenigingspunt af tot aan het meer stroomt de rivier over een lengte van omtrent honderd twintig mijlen.

Paganel sprak John Mangles in het fransch aan, om niet door de wilden verstaan te worden en verzocht hem de snelheid van het vaartuig te schatten. John berekende ze op omtrent drie mijlen in het uur.

"Dan zal," zeide de aardrijkskundige, "wanneer wij des nachts stilliggen, onze reis tot het meer bijna vier dagen duren."

"Maar waar bevinden zich de engelsche posten?" vroeg Glenarvan.

"Dat is moeijelijk te zeggen," antwoordde Paganel. "Echter zal de oorlog wel in de provincie Taranaki overgebragt zijn, en naar alle waarschijnlijkheid bevindt de hoofdmagt der troepen zich bij het meer, aan de afhelling van het gebergte, waar het brandpunt van den opstand is."

"God geve het!" zuchtte lady Helena.

Glenarvan sloeg een treurigen blik op zijn jeugdige gade en op Mary Grant, die overgeleverd waren aan de genade dier woeste inboorlingen en ver weggesleept in een onbeschaafd land, van alle menschelijke hulp verstoken. Maar hij zag, dat Kai-Koemoe hem in het oog hield, en daar hij uit voorzigtigheid hem niet wilde doen gissen, dat eene der gevangenen zijn vrouw was, hield hij zijn gedachten in zijn binnenste besloten en sloeg hij met volmaakte onverschilligheid de oevers van den stroom gade.

Een halve mijl boven de zamenvloeijing was het vaartuig zonder aan te leggen de vroegere woonplaats van koning Potatau voorbijgeroeid. Geen andere boot was op de rivier te zien. Eenige ver van elkander gelegene hutten op de oevers bewezen door haar bouwvalligheid, dat de oorlog daar pas zijn verwoestingen had uitgeoefend. De streken langs de oevers schenen verlaten, de boorden van den stroom onbewoond. Het treurige landschap werd alleen verlevendigd door eenige vertegenwoordigers van de familie der watervogels. Nu eens vlugtte de "taparunga," een steltlooper met zwarte vleugels, witten buik en rooden snavel, zoo snel zijn lange pooten hem wilden dragen. Dan weer keken driederlei reigers, de aschgraauwe "matuku," een soort van roerdomp met een dom uitzigt, en de prachtige "kotuku," met witte vederen, gelen snavel en zwarte pooten, bedaard naar het voorbijvarende inlandsche vaartuig. Waar de glooijende oevers een zekere diepte van het water aanduidden, loerde de duikerkoning, de "kotare" der Maori's, op die kleine palingen, die bij millioenen in de zeelandsche rivieren rondzwemmen. Waar de struiken over den stroom hingen, maakten zeer aardige hoppen, riet- en purperhoenders hun morgentoilet in de eerste stralen der zon. Al die gevleugelde dieren smaakten de rust, die het afwezen der menschen, welke de oorlog verjaagd of gedood had, hun schonk.

Gedurende dit eerste gedeelte van haar loop door groote vlakten had de Waikato een aanzienlijke breedte. Maar hoogerop werd het dal, waar ze haar bedding in had uitgehold, vernaauwd, eerst door heuvels, later door bergen. Tien mijlen boven de vereeniging wees de kaart van Paganel op den linkeroever het dorp Kirikiriroa, dat er ook lag. Kai-Koemoe legde er niet aan. Hij liet aan de gevangenen hun eigen levensmiddelen uitreiken, die bij de plundering van de legerplaats waren medegenomen. Hij, zijn krijgslieden en zijn slaven vergenoegden zich met het gewone voedsel der inlanders, eetbare varens, de "pteris esculenta" der kruidkundigen, in den oven gekookte wortels, en "kapanas," aardappelen, die op de beide eilanden overvloedig geteeld worden. Geen dierlijk voedsel kwam bij hun maaltijd voor, en het drooge vleesch der gevangenen scheen hun verlangen niet gaande te maken.

Ten drie ure verrezen er eenige bergen op den regter oever, de Pokaroa-Ranges, die veel hadden van een ontmantelde vesting. Op sommige loodregte spitsen verhieven zich verwoeste "pah," oude verschansingen, die de maori krijgsbouwkundigen in onneembare stellingen hadden opgeworpen. Men zou ze voor groote arendsnesten aangezien hebben.

De zon verdween haast onder de kimmen, toen het vaartuig op den steilen oever aanhield, bezaaid met puimsteenen, welke de Waikato, op vuurspuwende bergen ontsprongen, in haar loop medevoert. Daar groeiden eenige boomen, die geschikt schenen om een legerplaats te beschutten. Kai-Koemoe liet zijn gevangenen ontschepen; de handen der mannen werden geboeid, de vrouwen bleven vrij, en allen werden in het midden van de legerplaats gebragt, die door groote vuren met een onoverkomelijken muur van vlammen werd omgeven.

Voor Kai-Koemoe aan zijn gevangenen zijn voornemen had te kennen gegeven om hen uit te wisselen, hadden Glenarvan en John Mangles de middelen besproken om hun vrijheid terug te krijgen. Wat zij in het vaartuig niet konden beproeven, wilden zij, als hun bewakers sliepen, onder begunstiging van het nachtelijk duister wagen.

Maar na het gesprek van Glenarvan met het zeelandsch opperhoofd scheen het verstandiger dit niet te doen. Men moest geduld hebben. Dat was het voorzigtigste. De uitwisseling bood kansen op redding aan, die niet verbonden waren aan een gewapenden aanval of aan een vlugt door die onbekende streken. Voorzeker konden er gebeurtenissen voorvallen, die zulk een onderhandeling vertraagden, zelfs beletten, maar het beste was nog haar uitslag af te wachten. En wat konden eigenlijk ook een tiental ongewapenden uitrigten tegen een dertigtal goed gewapende wilden? Ook vermoedde Glenarvan, dat de stam van Kai-Koemoe een opperhoofd van groot aanzien verloren had, dien hij gaarne terughad, en hij vergiste zich niet.

Den volgenden morgen voer het vaartuig met nieuwe snelheid den stroom op. Ten tien ure vertoefde het even aan de zamenvloeijing met de Pohaiwhenna, een riviertje, dat kronkelend door de vlakten op den regteroever liep.

Daar voegde zich een boot met tien inboorlingen bemand bij het vaartuig van Kai-Koemoe. De krijgslieden wisselden ter naauwernood den welkomstgroet, het "aïre mai ra," dat zeggen wil: "komt hier in goede gezondheid," en de beide booten voeren gezamenlijk verder. De nieuwaangekomenen hadden eerst onlangs de engelsche troepen bestreden. Dat zag men aan hun gescheurde kleeren, aan hun bebloede wapens, aan de wonden, die nog onder hun lompen gaapten. Zij waren somber en zwijgend. Met de aan alle wilde volken eigen onverschilligheid sloegen zij volstrekt geen acht op de Europeanen.

Tegen den middag vertoonden zich in het westen de toppen van den Maungatotari. Het dal van de Waikato werd al naauwer. Tusschen hooge oevers besloten schoot de stroom voort met de snelheid van een val. Maar de ligchaamskracht der inboorlingen, verdobbeld en geregeld door een gezang, dat de maat aangaf voor de beweging der riemen, voerde het vaartuig over het schuimende water. Zonder letsel kwam men over den val heen, en de Waikato stroomde weer even langzaam als vroeger, daar van mijl tot mijl de uitstekende hoeken harer oevers haar snelheid braken.

Tegen den avond legde Kai-Koemoe aan bij den voet der bergen, wier voorloopers zich loodregt op de smalle oevers verhieven. Daar maakten een twintigtal inboorlingen, die hun booten verlaten hadden, zich gereed om den nacht door te brengen. Vuren brandden onder de boomen. Een even aanzienlijk opperhoofd als Kai-Koemoe naderde met afgemeten schreden, en zijn neus wrijvende tegen dien van Kai-Koemoe, gaf hij hem den vriendengroet, "chongui" genaamd. De gevangenen werden in het midden van de legerplaats gebragt en met groote strengheid bewaakt.

Den volgenden morgen werd de lange reis op de Waikato weder voortgezet. Van de kleine zijstroompjes van de rivier kwamen andere booten afzakken. Er waren nu zoo wat zestig krijgslieden bijeen, stellig vlugtelingen van den laatsten opstand, en die, meer of min gehavend door de engelsche kogels, de bergstreken weder opzochten. Soms werd er een gezang aangeheven in de vaartuigen, die in een regte lijn elkander volgden. Een inlander zette het volkslied van den geheimzinnigen "Pihe" in:

Papa ra ti wati tidiI dounga nei....

den strijdzang, die de Maori's tot den onafhankelijkheidsoorlog aanvuurt. De volle en welluidende stem des zangers werd door de echo's van het gebergte nagebaauwd, en na ieder couplet herhaalden de inboorlingen in koor het oorlogzuchtig refrein, waarbij zij op hun borst sloegen, die als een trom klonk. Dan werden de riemen weer met nieuwe krachten aangevat, de vaartuigen roeiden tegen den stroom op en vlogen over den waterspiegel.

De vaart op de rivier werd dien dag gekenmerkt door een zonderling verschijnsel. Tegen vier ure stoof het vaartuig zonder aarzelen, zonder zijn loop te vertragen, door de vaste hand van het opperhoofd bestuurd, door een eng dal. Woedend brak de branding op de talrijke eilandjes, die ligt aanleiding tot ongelukken geven. Zoo ooit op dien buitengewonen togt op de Waikato, moest men thans zorgen niet om te slaan, want haar oevers leverden volstrekt geen toevlugtsoord op. Wie den voet op het kokende slijk der oevers gezet had, zou onfeilbaar verloren zijn geweest.

De stroom toch vloeide nu tusschen die warme bronnen door, welke ten allen tijde de nieuwsgierigheid der reizigers hebben gaande gemaakt. Het ijzeroxyde kleurde het slijk der oevers helderrood, waarop de voet geen vaam stevigen grond zou kunnen vinden. De dampkring was verzadigd met een zeer doordringende zwavellucht. De inboorlingen hadden er geen hinder van; maar de gevangenen werden ernstig ongesteld door de pestdampen, die uit de spleten van den grond opstegen, en door de blaasjes, welke de spankracht der daarin bevatte gassen deed bersten. Maar gewende de reuk zich moeijelijk aan die uitwasemingen, het oog kon niet nalaten dat ontzagwekkend schouwspel te bewonderen.

De stroom vloeide tusschen de warme bronnen door.De stroom vloeide tusschen de warme bronnen door.

De vaartuigen waagden zich in een digte wolk van witte dampen. Haar oogverblindende kronkelingen stegen koepelsgewijs boven den stroom. Op zijn oevers bragten een honderdtal heete bronnen, waarvan sommigen massa's dampen opwierpen en anderen waterzuilen uitspoten, een even afwisselende vertooning teweeg, als de waterstralen en watervallen van een bekken, die de hand der menschen te voorschijn roept. Men zou gezegd hebben, dat een machinist naar welgevallen de afwisselende verschijnselen dier bronnen bestuurde. Het water en de dampen vermengden zich in de lucht en vertoonden door de zon beschenen al de kleuren van den regenboog.

Te dezer plaatse liep de Waikato over een bewegelijke bedding, die door de werking van het onderaardsche vuur onophoudelijk kookt. Niet ver van daar, naar den kant van het meer Rotorua in het oosten loeiden de warme bronnen en de rookende watervallen van den Rotomohana en den Tetarata, in wier nabijheid sommige stoute reizigers zich gewaagd hebben. Deze geheele streek is doorboord van heete springbronnen, kraters en zwavelgroeven. Daar ontsnapt het overtollige gas, dat geen uitweg heeft kunnen vinden door de ontoereikende veiligheidskleppen van den Tongariro en den Wakari, de twee eenige werkzame vuurspuwende bergen van Nieuw-Zeeland.

Twee mijlen ver voeren de booten der inboorlingen onder dat gewelf van dampen door, besloten in de warme wolkjes, die over den waterspiegel heendreven; vervolgens trok de zwaveldamp op, en de benaauwde borst ademde weer een zuivere lucht in, een gevolg van de snelheid van den stroom. Men was de streek der bronnen voorbij.

Voor het einde van den dag voerden de krachtige riemslagen der wilden hen weer over de twee stroomversnellingen van Hipapatua en Tamates. 's Avonds legde Kai-Koemoe op honderd mijlen van de zamenvloeijing van de Waipa en Waikato aan. De stroom, die zich naar het oosten had gewend, rigtte zich nu weer zuidwaarts naar het meer Taupo, gelijk een ontzaggelijke waterstraal, die in een bekken valt.

Toen Jacques Paganel den volgenden morgen de kaart raadpleegde, herkende hij op den regteroever den berg Taubara, die tot een hoogte van drie duizend voet oprijst.

Ten twaalf ure voer de geheele vloot door een zijtak van den stroom het meer Taupo binnen, en begroetten de inlanders met luidruchtige gebaren een stuk doek, dat in den wind wapperde op het dak eener hut. Het was de vaderlandsche vlag.

's Middags voer de geheele vloot het Taupo meer op.'s Middags voer de geheele vloot het Taupo meer op.

Lang voor de historische tijden heeft zich door de instorting van holen in de trachietlava op het midden des eilands een onpeilbare kolk gevormd, lang vijf en twintig, breed twintig mijlen. Het water, dat van de omliggende bergtoppen stortte, heeft die ontzettende holte gevuld. De kolk is een meer geworden, maar nog altijd een afgrond gebleven, en het dieplood heeft er de diepte nog niet van kunnen meten.

Dat is het vreemde meer Taupo, dat twaalf honderd vijftig voet boven den zeespiegel en tusschen een kring van bergen in ligt, die derdehalf duizend voet hoog zijn. Die uitgestrekte watervlakte, wier hevige stormen bijna te vergelijken zijn met de kringvormige stormen op den oceaan, wordt heerlijk ingesloten, ten westen door hooge loodregte rotsen, ten noorden, door eenige verwijderde en met boschjes bekroonde toppen, ten oosten door een breed strand, waarover een weg loopt en dat met puimsteenen versierd is, die tusschen de bladeren der struiken heen blinken, en ten zuiden, door vulkanische kegelbergen, aan den zoom van een woud gelegen.

Die geheele streek kookt als een ontzaggelijke waterketel, hangende over de onderaardsche vlammen. De grond beeft onder de liefkozingen van het inwendige vuur. Op vele plaatsen stijgt een heete damp op. De aardkorst scheurt en barst als een koek, die te sterk rijst, en ongetwijfeld zou die geheele hoogvlakte in een gloeijenden oven wegzinken, wanneer de gevangen dampen niet twaalf mijlen verder een uitweg vonden door de kraters van den Tongariro.

Van den noordelijken oever gezien, schenen vederbossen van rook en vlammen boven dien vulkaan, door kleine vuurspuwende bergen omringd, te wapperen. De Tongariro scheen in verband te staan met een vrij ingewikkeld bergstelsel. Achter hem verborg de afgezonderd in de vlakte staande Ruapohoe zijn met sneeuw bedekte kruin ter hoogte van negen duizend voet in de lucht. Geen sterveling heeft nog den voet gezet op zijn ongenaakbaren kegel; het menschelijk oog heeft nooit de diepte van zijn krater gepeild, terwijl tot driemalen toe in twintig jaar de heeren Bidwill en Dyson, en laatst Von Hochstetter de toegankelijker toppen van den Tongariro hebben gemeten.

Aan die vuurspuwende bergen zijn legenden verbonden, en bij iedere andere gelegenheid zou Paganel ze zeker aan zijn makkers verteld hebben. Hij zou hun medegedeeld hebben, hoe er eens over een vrouw twist ontstond tusschen den Tongariro en den Taranaki, die toen zijn buurman en vriend was. De Tongariro, die wat heethoofdig is, zooals alle vulkanen, werd zoo driftig, dat hij den Taranaki sloeg. Geslagen en vernederd vlugtte deze door het Whanganni-dal, liet onderweg twee brokken van bergen vallen, en bereikte de zeekust, waar hij nu eenzaam staat onder den naam van den Egmont.

Maar Paganel had even weinig lust om te vertellen, als zijn vrienden om toe te luisteren. Zij sloegen zwijgend den noordoostelijken oever van het Taupo-meer gade, waar hun ongelukkig gesternte hen heenvoerde. De zendingspost door den eerwaarden Grace te Pukawa op den westelijken oever van het meer gesticht, bestond niet meer. De oorlog had den leeraar ver weggedreven van het voornaamste brandpunt van den opstand. De gevangenen waren alleen, overgelaten aan de willekeur van wraakzuchtige Maori's, en juist in dat onbeschaafde gedeelte des eilands, waar het christendom nooit doorgedrongen is.

Toen Kai-Koemoe de Waikato verlaten had, stak hij de kleine kreek over, die tot uitwatering van den stroom dient, voer om een spits voorgebergte en landde op den oostelijken oever van het meer, aan den voet van den Mauga-berg, die een hoogte van achttien honderd voet bereikt. Daar breidden zich akkers uit met het kostbare nieuw-zeelandsche vlas. De inboorlingen noemen het "harakeke." Al wat die nuttige plant oplevert, is bruikbaar. Haar bloemen verschaffen een soort van uitmuntenden honig, haar stam brengt een gomachtige zelfstandigheid voort, die de plaats van was of stijfsel vervangt; haar nog nuttiger blad leent zich tot allerlei gedaanteverwisselingen; versch, gebruikt men het als papier; gedroogd, levert het een uitstekende zwam; gekorven, verandert het in koord, kabeltouw en draad; uitgeplozen en gevlochten wordt het deken of mantel, mat of schaamteschort, en rood of zwart geverfd kleedt het de deftigste Maori's.

Dat kostbare vlas wordt dan ook allerwege op de twee eilanden gevonden, aan de zeekust zoowel als aan de oevers der rivieren en meren. Hier bedekten zijn in het wild groeijende struiken geheele akkers; zijn bruinroode op de aloë gelijkende bloemen ontloken overal buiten zijn digte en lange bladeren, die een zegeteeken van scherpe zwaarden vormden. Liefelijke vogels, de honigvogels, de gewone bezoekers der vlasakkers, vlogen in groote troepen rond en vergastten zich op het honigsap der bloemen.

In het water van het meer plasten troepen eenden, met een kakelbont gevederte, van zwartachtige, grijze en groene pennen, en die zich gemakkelijk tam laten maken.

Een kwart mijl verder verrees op een steilte van den berg in een onneembare stelling een "pah" of verschansing. De gevangenen werden één voor één aan land gebragt, ontboeid en door de krijgslieden daarheen geleid. Een pad, dat op de verschansing uitkwam, liep door vlasakkers en een boschje schoone boomen, bestaande uit "kaikatea's," met blijvende bladeren en roode bessen, "dracenas australis," de "ti" der inboorlingen, wier kruin zeer goed de palmkool vervangen kan, en "huious," waarvan men zich bedient om de stoffen zwart te verwen. Groote duiven met een metaalglans, aschgraauwe lappenvogels en een menigte spreeuwen met roodachtige lellen vlogen weg bij de nadering der inboorlingen.

Na een vrij langen omweg kwamen Glenarvan, lady Helena, Mary Grant en de overigen in de sterkte.


Back to IndexNext