XII.

Glenarvan en zijn gezellen komen aan in de sterkte.Glenarvan en zijn gezellen komen aan in de sterkte.

Deze vesting werd verdedigd door een eerste omheining van stevige, vijftien voet hooge palissaden; een tweede linie van palen en daarna een schutting van gevlochten wilgentakken met schietgaten voorzien omgaven den anderen omtrek, dat is het hoogste gedeelte der vesting, waarop versterkingen waren aangelegd en een veertigtal hutten ordelijk bij elkander stonden.

Daar komende maakte het gezigt der hoofden, waarmede de palen der tweede omwalling versierd waren, een vreeselijken indruk op de gevangenen. Lady Helena en Mary Grant wendden de oogen af, meer nog uit walging dan van schrik. Die hoofden hadden toebehoord aan vijandelijke opperhoofden, die in den strijd gesneuveld waren en wier ligchamen den overwinnaars tot spijs hadden gediend. De aardrijkskundige herkende ze terstond aan hun holle en ledige oogkassen.

Het oog der opperhoofden wordt namelijk verslonden en het hoofd op inlandsche manier toebereid. De hersens worden er uit gehaald, de huid er afgestroopt, de neus met kleine plankjes vastgezet, de neusgaten met vlas gestopt, en mond en oogleden digtgenaaid. Daarna wordt het in den oven gelegd en dertig uren gerookt. Zoo toebereid blijft het zeer lang onveranderd en ongerimpeld, en vormt zegeteekenen.

Dikwijls bewaren de Maori's het hoofd hunner eigen opperhoofden; maar in dat geval blijft het oog in de holte en staart de voorbijgangers aan. De Nieuw-Zeelanders vertoonen die overblijfselen met trots; zij laten ze door de jonge krijgslieden bewonderen en brengen hun de schatting hunner hulde door plegtige feesten.

Maar in de vesting van Kai-Koemoe versierden alleen hoofden van vijanden dit afschuwelijk museum, en ongetwijfeld vermeerderde meer dan één Engelschman met ledige oogholte de verzameling van het opperhoofd der Maori's.

Achter in de vesting, voor een groote opene plek gronds, die Europeanen het "slagveld" zouden genoemd hebben, stak de woning van Kai-Koemoe boven verscheidene geringere hutten uit. Die woning was opgetrokken van palen met een vlechtwerk van takken onderling verbonden en van binnen bekleed met linnen. Zij was twintig voet lang, vijftien breed en tien hoog, en had dus een inhoud van drie duizend kubieke voeten. Meer ruimte heeft een zeelandsch opperhoofd niet noodig.

Er was maar eene opening, die toegang tot de hut verleende; een digt weefsel van plantenvezels, dat opgehaald kon worden, diende voor deur. Het dak stak er overheen bij wijze van een goot. Eenige figuren in het uiteinde der sparren gebeiteld versierden de hut, en het "wharepuni" of portaal vertoonde aan de bewondering der bezoekers bladeren, zinnebeeldige figuren, monsters, lofwerk, kortom een vreemd mengelmoes, het voortbrengsel van den beitel der inlandsche kunstenaars.

Binnen in de hut lag de vloer, van vastgetrapte aarde gemaakt, een halven voet boven den beganen grond. Eenige teenen horden en matrassen van drooge varens, bedekt met een mat uit de lange en buigzame bladeren van den "typha" gevlochten, dienden tot bedden. In het midden was de vuurhaard, een gemetseld gat, en in het dak was een ander gat, dat tot schoorsteen diende. Wanneer de rook zwaar genoeg was, vond hij eindelijk goed dien uitweg te gebruiken, maar niet voor hij op de wanden der woning een heerlijk zwart vernis had aangebragt.

Naast de hut stonden de pakhuizen met den voorraad van het opperhoofd, zijn oogst van vlas, pataten, taro's, eetbare varens, en de ovens, waarin al die spijzen op heete steenen geroosterd worden. In kleine omheinde plaatsen weidden wat verder eenige zwijnen en geiten, de schaarsche afstammelingen der nuttige dieren, welke kapitein Cook hier had ingevoerd. Hier en daar liepen honden om hun sober maal op te zoeken. Zij werden vrij slecht onderhouden voor dieren, met wier behulp de Maori dagelijks zijn voedsel moet zoeken.

Glenarvan en zijn lotgenooten hadden dit alles met een oogopslag overzien. Bij een ledige hut wachtten zij af, wat het opperhoofd over hen zou beschikken, en hadden veel te lijden van de beleedigingen van een troep oude vrouwen. Die bende harpijen omringde hen, dreigde hen met vuisten, huilde en vloekte. Eenige engelsche woorden kwamen over haar dikke lippen, waaruit duidelijk bleek, dat zij onmiddellijk om wraak riepen.

Onder al die verwenschingen en bedreigingen toonde lady Helena, uiterlijk bedaard, een gerustheid, die toch niet in haar wonen kon. Om lord Glenarvan zijn koelbloedigheid niet te doen verliezen, deed die moedige vrouw heldhaftige pogingen om zich te bedwingen. De arme Mary Grant voelde, dat haar krachten haar begaven, en John Mangles ondersteunde haar, bereid om haar tot het uiterste toe te verdedigen. Die vloed van verwenschingen werd door zijn makkers in zeer verschillende stemming aangehoord, sommigen, zooals de majoor, bleven er kalm onder, anderen, zooals Paganel, waren ten prooi aan een steeds toenemende verbittering.

Daar hij lady Helena wilde behoeden voor de vuisten dier grijze hellevegen, ging Glenarvan regelregt op Kai-Koemoe af, en zeide, op dien afzigtelijken hoop wijzende: "Jaag ze weg!"

Het maori opperhoofd zag zijn gevangene stijf aan zonder hem te antwoorden; vervolgens bragt hij met een wenk die huilende horde tot zwijgen. Glenarvan boog om hem te bedanken, en keerde weder langzaam naar zijn plaats in het midden der zijnen terug.

Er waren nu zoowat honderd Nieuw-Zeelanders, grijsaards, volwassenen en jongelieden, in het fort bijeen; sommigen wachtten bedaard maar droefgeestig de bevelen van Kai-Koemoe af, anderen gaven zich over aan al de vervoeringen eener hevige smart; enkelen beweenden hun bloedverwanten of vrienden, die in de laatste gevechten gevallen waren.

Van al de opperhoofden, die op de roepstem van William Thompson waren toegesneld, was Kai-Koemoe de eenige, die in de aan het meer gelegen streken terugkeerde, en hij was de eerste, die aan zijn stam de nederlaag verhaalde, die de opstandelingen in de vlakten van de Beneden-Waikato geleden hadden. Van de twee honderd krijgslieden, die onder zijn bevel tot verdediging van den vaderlandschen grond waren uitgetrokken, ontbraken er honderd vijftig bij de terugkomst. Sommigen waren door de overwinnaars gevangen genomen; maar de meeste hadden op het slagveld den dood gevonden en zouden het land hunner vaderen nimmer terugzien!

Hieruit was de diepe droefheid te verklaren, die de komst van Kai-Koemoe bij zijn stam had opgewekt. Er was nog niets van de laatste nederlaag uitgelekt, en die noodlottige tijding was pas ruchtbaar geworden.

Bij de wilden openbaart zich de zielsdroefheid altijd door uiterlijke teekenen. De bloedverwanten en vrienden der gesneuvelde krijgslieden, vooral de vrouwen, reten hun gelaat en schouders met scherpe schelpen open. Het bloed stroomde uit de wonden en vermengde zich met hun tranen. De grootte der wanhoop was af te meten naar de diepte der inkervingen. De bloedende en razende nieuw-zeelandsche vrouwen waren vreeselijk om te zien.

Een andere, in de oogen der inlanders zeer gewigtige oorzaak, vergrootte nog hun wanhoop. Niet alleen was de bloedverwant, de vriend, dien zij beweenden, niet meer; maar zijn gebeente zou niet in het familiegraf rusten. Het bezit nu van dat overschot wordt in de godsdienst der Maori's als onmisbaar voor het lot in het eeuwige leven beschouwd; niet het vergankelijke vleesch, maar de beenderen, die zorgvuldig worden bijeengezameld, gereinigd, afgekrabd, gepolijst, ja zelfs gevernist; ten slotte worden zij in het "oedoepa" gelegd, dat wil zeggen "het huis des roems." Die graven zijn met houten beelden versierd, die met volkomen juistheid de tatoeëering des overledenen voorstellen. Maar nu zouden die graven ledig blijven, de godsdienstige plegtigheden niet volbragt worden, en de beenderen, welke de tand der wilde honden mogt sparen, onbegraven verbleeken op het slagveld.

Toen verdubbelden de teekenen der smart. Op de bedreigingen der vrouwen volgden de vervloekingen der mannen tegen de Europeanen. Scheldwoorden werden uitgebraakt, de gebaren heviger. Op het geschreeuw zouden daden van geweld volgen.

Kai-Koemoe vreesde, dat de dweepers onder zijn stamgenooten hem te magtig zouden worden, en liet daarom zijn gevangenen naar een gewijde plaats brengen, die aan het andere einde der verschansing op een steilen bergtop lag. Die hut leunde tegen een rotswand, die honderd voet boven haar uitstak, en aan die zijde van het fort een vrij steile helling vormde.

In dit "wareatoea," heilig huis, predikten de priesters of ariki's aan de Zeelanders een god in drie personen, den vader, den zoon, en den vogel of geest. De ruime en goed gesloten hut bevatte het gewijde en uitgezochte voedsel, dat Maoeï-Ranga-Ranguï eet met den mond zijner priesters.

Daar gingen de gevangenen, voorloopig beveiligd tegen de woede der inlanders, op matten van vlas liggen. Lady Helena, wier krachten uitgeput, wier geestkracht overwonnen was, viel in de armen van haar echtgenoot. Glenarvan klemde haar aan zijn borst en herhaalde: "Houd moed, lieve Helena! de Hemel zal ons niet verlaten!"

Pas was Robert opgesloten, of hij klom op Wilsons schouder, en slaagde er in zijn hoofd door een opening tusschen het dak en den muur te steken, waaraan snoeren amuletten hingen. Van daar kon hij de geheele vesting overzien tot aan de hut van Kai-Koemoe.

Robert klom op de schouders van Wilson.Robert klom op de schouders van Wilson.

"Zij zijn om het opperhoofd vereenigd," fluisterde hij.... "Zij zwaaijen met hun armen.... Zij brullen.... Kai-Koemoe wil spreken...."

De knaap zweeg een poos en hervatte toen:

"Kai-Koemoe spreekt.... De wilden komen tot rust.... Zij luisteren naar hem...."

"Zeker heeft dat opperhoofd er persoonlijk belang bij om ons te beschermen," zeide de majoor. "Hij wil zijn gevangenen tegen opperhoofden van zijn stam uitwisselen! Maar zullen zijn krijgslieden er in bewilligen?"

"Ja!... Zij luisteren naar hem...." hervatte Robert. "Zij gaan uiteen.... Enkelen keeren naar hun hutten terug.... Anderen verlaten de verschansing...."

"Zegt gij de waarheid?" riep de majoor.

"Ja, mijnheer Mac Nabbs!" antwoordde de knaap. "Kai-Koemoe is alleen gebleven met de manschappen, die in zijn boot waren.... Ha! daar komt er een naar onze hut...."

"Kom af, Robert!" gebood Glenarvan.

Nu vatte lady Helena, die weer bijgekomen was, den arm van haar echtgenoot.

"Edward!" sprak zij op vasten toon, "Mary Grant en ik moeten niet levend in de handen der wilden vallen!"

Dit zeggende overhandigde zij aan Glenarvan een geladen revolver.

"Een wapen!" riep Glenarvan, wiens oogen met een plotselingen glans schitterden.

"Ja! de Maori's onderzoeken hun vrouwelijke gevangenen niet! Maar dit wapen is voor ons, Edward! niet voor hen!..."

"Glenarvan!" zeide de majoor snel, "verberg dien revolver! Het is nog geen tijd...."

De revolver verdween onder de kleeren van den lord. De mat, waarmede de ingang der hut gesloten was, werd opgeligt. Een inlander verscheen.

Hij gaf den gevangenen een wenk om hem te volgen. Digt aaneengesloten stapten Glenarvan en de zijnen voort en bleven eindelijk voor Kai-Koemoe staan.

Rondom dit opperhoofd waren de voornaamste krijgslieden van zijn stam vereenigd. Onder hen was ook die Maori, wiens boot zich bij die van Kai-Koemoe had gevoegd, ter plaatse waar de Pohainhenna in de Waikato valt. Het was een gespierd man van veertig jaar, en met een woest en wreed voorkomen. Hij heette Kara-Tete, dat wil zeggen "de opvliegende." Kai-Koemoe behandelde hem met zekere achting; aan de fijnheid zijner tatoeëering kon men zien, dat Kara-Tete een hoogen rang in zijn stam bekleedde. Toch had een scherp waarnemer kunnen zien, dat er een zekere naijver tusschen die twee opperhoofden bestond. De majoor merkte op, dat de invloed van Kara-Tete Kai-Koemoe hinderde. Zij heerschten beiden over de belangrijke stammen aan de Waikato en met gelijke magt. Bij dit onderhoud mogt Kai-Koemoe dan al glimlagchen, diepe haat straalde uit zijn oogen.

Kai-Koemoe ondervroeg Glenarvan, en zeide:

"Zijt gij een Engelschman?"

"Ja!" antwoordde de lord zonder aarzelen; want dit zou een uitwisseling gemakkelijker maken.

"En uw medgezellen?" zeide Kai-Koemoe.

"Zijn Engelschen evenals ik. Wij zijn reizigers, schipbreukelingen. Maar, als gij het weten wilt, wij hebben geen deel genomen aan den strijd."

"Dat raakt mij niet!" antwoordde de onbeschofte Kara-Tete. "Elke Engelschman is onze vijand. De uwen hebben ons eiland bemagtigd! Zij hebben onze akkers gestolen! Zij hebben onze dorpen verbrand!"

"Zij hebben verkeerd gehandeld!" antwoordde Glenarvan op ernstigen toon. "Ik zeg dat, omdat ik het denk, en niet, omdat ik in uw magt ben."

"Luister!" hernam Kai-Koemoe, "de Tohonga, de opperpriester van Noeï-Atoea[1], is in de handen uwer broeders gevallen. Hij is gevangen bij de Pakeka's[2]. Onze God beveelt ons hem los te koopen. Ik had u het hart uit het lijf willen rukken, ik had gewenscht, dat uw hoofd en het hoofd uwer medgezellen ten eeuwigen dage op de punten van dit paalwerk gestaan hadden! Maar Noeï-Atoea heeft gesproken."

Terwijl hij zoo sprak, beefde Kai-Koemoe, die zich tot nog toe ingehouden had, van toorn, en stond er een woeste geestdrijverij op zijn gelaat te lezen.

Na een poos hervatte hij op bedaarden toon:

"Denkt gij, dat de Engelschen onzen opperpriester tegen uw persoon zullen uitwisselen?"

Glenarvan aarzelde met een antwoord, en zag het maori opperhoofd oplettend aan.

"Ik weet het niet," zeide hij na een oogenblik zwijgens.

"Spreek!" hernam Kai-Koemoe. "Is uw leven evenveel waard als het leven van onzen opperpriester?"

"Neen!" antwoordde Glenarvan. "Ik ben noch een opperhoofd noch een priester onder de mijnen!"

Over dit antwoord verbaasd zag Paganel Glenarvan met diepe verwondering aan.

Kai-Koemoe scheen insgelijks verrast.

"Dus twijfelt gij?" zeide hij.

"Ik weet het niet," herhaalde Glenarvan.

"Zullen de uwen u niet tegen onzen opperpriester uitwisselen?"

"Mij alleen? neen!" antwoordde Glenarvan. "Ons allen? misschien."

"Bij de Maori's is het hoofd voor hoofd," zeide Kai-Koemoe.

"Bied eerst deze vrouwen ter uitwisseling tegen uw priester aan," zeide Glenarvan op lady Helena en Mary Grant wijzende.

Lady Helena wilde naar haar man snellen. De majoor hield haar tegen.

"Die twee vrouwen bekleeden een hoogen rang in haar land," hernam Glenarvan met een eerbiedige buiging voor lady Helena en Mary Grant.

De krijgsman zag zijn gevangene koel aan. Een valsch glimlachje speelde om zijn lippen; maar hij onderdrukte het bijna terstond en antwoordde met een stem, die hij naauwelijks bedwingen kon:

"Denkt gij Kai-Koemoe met valsche woorden te bedriegen, vervloekte Europeaan? Denkt gij, dat de oogen van Kai-Koemoe niet in de harten kunnen lezen?"

En op lady Helena wijzende, ging hij voort:

"Dat is uw vrouw!"

"Neen! de mijne!" riep Kara-Tete.

De gevangenen wegduwende legde het opperhoofd nu zijn hand op den schouder van lady Helena, die bij die aanraking verbleekte.

"Edward!" riep de rampzalige vrouw in haar radeloosheid.

Zonder een woord te spreken hief Glenarvan den arm op. Een schot knalde en Kara-Tete viel dood neder.

Op die losbranding stroomde een vloed van inlanders uit de hutten. Het plein was in een oogenblik vol. Honderd armen werden tegen de ongelukkigen opgeheven. De revolver werd Glenarvan uit de hand gerukt.

Kai-Koemoe sloeg een vreemden blik op Glenarvan; daarop bedekte hij met de eene hand het ligchaam van den moordenaar, terwijl hij met de andere de menigte in toom hield, die woedend op de Europeanen indrong.

Eindelijk deed zijn stem het oproer bedaren.

"Taboe! Taboe!" riep hij.

Op dat woord hield de menigte voor Glenarvan en de zijnen stand, die nu voor het oogenblik door een bovennatuurlijke magt beschermd werden.

Eenige oogenblikken daarna werden zij naar het heilige huis teruggevoerd, dat hun tot gevangenis diende. Maar Robert Grant en Jacques Paganel waren niet meer bij hen.

"Taboe! Taboe!" riep Kai-Koemoe."Taboe! Taboe!" riep Kai-Koemoe.

[1]Naam van den God der Zeelanders.

[1]Naam van den God der Zeelanders.

[2]Europeanen.

[2]Europeanen.

Zooals op Nieuw-Zeeland wel meer het geval is, vereenigde Kai-Koemoe in zich de waardigheden van priester en stamhoofd. In die eerste hoedanigheid kon hij over personen of zaken de bijgeloovige bescherming van het taboe uitstrekken.

Het taboe, dat bij alle volken van het polynesische ras wordt aangetroffen, heeft onmiddellijk ten gevolge, dat alle omgang met of gebruik van het voorwerp of den persoon, die getaboeëerd is, verboden wordt. Volgens de godsdienst der Maori's zou alwie een heiligschennende hand sloeg aan hetgene taboe verklaard is, door den vertoornden god met den dood gestraft worden. En waar de godheid soms talmen mogt met wraak te nemen over de haar aangedane beleediging, zouden de priesters niet verzuimen haar wraakoefening te verhaasten.

Het taboe wordt door de opperhoofden met staatkundige bedoelingen toegepast, tenzij het ontstaat uit een gewoon voorval van het huiselijke leven. Een inlander wordt in menige omstandigheid voor eenige dagen getaboeëerd, bv. wanneer hij zijn haar heeft afgesneden, wanneer hij getatoeëerd is, wanneer hij een praauw timmert, wanneer hij een huis bouwt, wanneer hij doodelijk ziek is, wanneer hij gestorven is. Dreigt een onverstandige vischvangst de rivieren van haar visschen te berooven, of worden de nieuwe aanplantingen van zoete pataten niet behoorlijk ontzien, dan worden die voorwerpen door een beschermend en staathuishoudkundig taboe getroffen. Wil een opperhoofd de lastige omstanders van zijn huis verjagen, dan taboeëert hij het; ten zijnen voordeele betrekkingen met een vreemd schip aanknoopen, dan taboeëert hij het ook; een europeesch handelaar, op wien hij ontevreden is, een quarantaine opleggen, hij taboeëert maar! Zijn verbod komt dan overeen met het oude "veto" (ik wil niet) der koningen.

Wanneer een voorwerp getaboeëerd is, mag niemand het straffeloos aanraken. Wanneer een inboorling aan dat verbod onderworpen is, zijn hem sommige spijzen voor een bepaalden tijd ontzegd. Wanneer die strenge leefregel opgeheven is, helpen, indien hij rijk is, zijn slaven hem en steken de spijzen in zijn mond, die hij met zijn handen niet mag aanraken; is hij arm, dan is hij genoodzaakt de spijzen met den mond op te nemen, en het taboe maakt hem tot een dier.

Kortom, die vreemde gewoonte beheerscht en bepaalt de geringste daden der Nieuw-Zeelanders. Het is de onophoudelijke tusschenkomst der godheid in het maatschappelijke leven. Het heeft kracht van wet, en men mag zeggen, dat het geheele inlandsche wetboek, een wetboek, dat geen tegenspraak duldt en ook nooit tegengesproken wordt, vervat is in de gedurige toepassing van het taboe.

De gevangenen in het heilige huis waren door een willekeurig taboe ontrukt aan de woede der volksmenigte. Een partij onder de inlanders, de vrienden en aanhangers van Kai-Koemoe, waren op eens gestuit door de stem van hun hoofd en hadden de gevangenen beschermd.

Echter maakte Glenarvan zich geen verkeerde voorstellingen van het lot, dat hem wachtte. Zijn dood alleen was een voldoende straf voor den moord van een opperhoofd; en bij de wilde volken volgt de dood alleen op een lange marteling. Glenarvan verwachtte dus niet anders, of hij zou wreed moeten boeten voor de billijke verontwaardiging, die zijn arm had gewapend; maar hij hoopte, dat de toorn van Kai-Koemoe hem alleen zou treffen.

Welk een nacht bragten hij en zijn lotgenooten door! Wie zou hun angst kunnen schilderen, hun lijden afmeten! De arme Robert, de goede Paganel waren niet meer voor den dag gekomen. Maar kon men wel aan hun lot twijfelen? Waren zij niet de eerste offers, ten zoen gevallen voor de wraakzucht der inlanders? Alle hoop was verdwenen, zelfs uit het hart van Mac Nabbs, die anders niet spoedig wanhoopte. John Mangles werd bijna krankzinnig door de stille wanhoop van Mary Grant, die van haar broeder was gescheiden. Glenarvan dacht aan dat verschrikkelijk verzoek van lady Helena, die, om zich te onttrekken aan den marteldood of de slavernij, door zijne hand wilde sterven! Zou hij dien ijselijken moed hebben?

"En welk regt heb ik om Mary te treffen?" dacht John, wiens hart brak.

Aan een ontsnapping viel niet te denken; ze was geheel en al onmogelijk. Tien, tot de tanden gewapende krijgslieden, waakten voor de deur der gevangenis.

De morgen van den 13denFebruarij brak aan. Er had geen verkeer plaats gehad tusschen de inlanders en de gevangenen, die door het taboe werden beschermd. De hut bevatte eenige levensmiddelen, die de ongelukkigen naauwelijks aanraakten. De smart verdreef den eetlust. De dag verliep, zonder verandering of hoop aan te brengen. Ongetwijfeld zou het uur van de begrafenis van het gedoode opperhoofd ook dat zijn, waarop de doodstraf voltrokken werd.

Terwijl Glenarvan zich niet ontveinsde, dat Kai-Koemoe de gedachte aan uitwisseling wel zou hebben opgegeven, behield de majoor dienaangaande nog altijd een straal van hoop.

"Wie weet," zeide hij, terwijl hij Glenarvan op de uitwerking wees, dien de moord van Kara-Tete op het opperhoofd gemaakt had, "wie weet, of Kai-Koemoe niet in den grond verpligting aan u gevoelt?"

Maar, wat Mac Nabbs ook mogt zeggen, Glenarvan wilde zich met geen hoop meer vleijen. Ook de volgende dag verliep, zonder dat er toebereidselen voor de doodstraf werden gemaakt. Ziehier de reden van dat uitstel.

De Maori's gelooven, dat de ziel nog drie dagen na het sterven het ligchaam des overledenen bewoont, en gedurende driemaal vier en twintig uren blijft het lijk onbegraven liggen. Die uitstellende gewoonte werd streng in acht genomen. Tot den 15denFebruarij toe bleef de sterkte ledig. Op de schouders van Wilson staande, zag John Mangles dikwijls naar de buitenwerken. Geen inlander was er te zien. Alleen de schildwachten, die goed wacht hielden, losten elkander af aan de deur der gevangenis.

Maar den derden dag gingen de hutten open; de wilden, mannen, vrouwen, kinderen, verscheidene honderden in getal, vereenigden zich zwijgend en bedaard op het voorplein der sterkte.

Kai-Koemoe kwam uit zijn hut, en terwijl de voornaamste hoofden van zijn stam zich om hem schaarden, nam hij plaats op een heuveltje van eenige voeten hoog in het middelpunt der versterkingen. Op een behoorlijken afstand achter hem stonden de overige inlanders in een halven cirkel geschaard. De geheele vergadering bewaarde een onafgebroken stilzwijgen.

Op een teeken van Kai-Koemoe begaf een krijgsman zich naar het heilige huis.

"Denk er aan!" zeide lady Helena tot haar man.

Glenarvan klemde zijn vrouw aan zijn hart. Thans naderde Mary Grant John Mangles en zeide:

"Lord en lady Glenarvan zullen wel willen gelooven, dat even goed als een vrouw kan sterven door de hand van haar echtgenoot om een schandelijk leven te ontgaan, een bruid ook door de hand van haar verloofde kan sterven om er op haar beurt aan te ontkomen. John! in dit gewigtig oogenblik mag ik het u zeggen: ben ik niet sedert lang uw bruid in het geheim van uw hart? Mag ik op u rekenen, waarde John! gelijk lady Helena op lord Glenarvan?"

"Mary!" riep de jeugdige kapitein geheel radeloos. "Ach! lieve Mary!..."

Hij kon niet uitspreken; de mat werd opgeligt, en de gevangenen voor Kai-Koemoe gebragt; de twee vrouwen schikten zich in haar lot; de mannen verborgen hun angst onder een kalmte, die het bewijs was eener bovenmenschelijke geestkracht.

Zij kwamen voor het zeelandsch opperhoofd. Deze talmde niet met het uitspreken van het vonnis.

"Gij hebt Kara-Tete gedood?" zeide hij tot Glenarvan.

"Ik heb hem gedood," antwoordde de lord.

"Gij zult morgen met zonsopgang sterven."

"Alleen?" vroeg Glenarvan, wiens hart hevig klopte.

"Ach! als het leven van onzen opperpriester niet kostbaarder was dan het uwe!" riep Kai-Koemoe, wiens oogen een woeste spijt uitdrukten.

Thans had er een opschudding onder de inboorlingen plaats. Glenarvan sloeg haastig een blik om zich heen. Weldra kwam er een opening in de menigte, en een krijgsman verscheen, druipnat van zweet en doodelijk vermoeid.

Zoodra Kai-Koemoe hem zag, sprak hij hem in het engelsch aan. Zijn bedoeling was duidelijk: hij wilde, dat de gevangenen hem zouden verstaan.

"Gij komt uit de legerplaats der Europeanen?"

"Ja!" antwoordde de Maori.

"Hebt gij den gevangene, onzen opperpriester, gezien?"

"Ik heb hem gezien."

"Leeft hij?"

"Hij is dood! De Engelschen hebben hem doodgeschoten!"

Het was gedaan met Glenarvan en zijn makkers.

"Allen zult gij morgen met zonsopgang sterven!" riep Kai-Koemoe.

Zoo trof dezelfde straf al die ongelukkigen zonder onderscheid. Lady Helena en Mary Grant sloegen een oog vol innige dankbaarheid ten hemel.

De gevangenen werden niet naar het heilige huis teruggebragt. Zij moesten dien dag tegenwoordig zijn bij de lijkplegtigheden van het opperhoofd en bij de bloedige tooneelen, die daarmede gepaard gaan. Een troep inlanders voerde hen eenige schreden verder naar den voet van een ontzaggelijken "koedi." Daar bleven hun bewakers bij hen, zonder hen uit het oog te verliezen. De overige Maori's schenen hen vergeten te hebben, zoo verdiept waren ze in hun verpligte smart.

De drie bij de wet voorgeschreven dagen waren na den dood van Kara-Tete verloopen. De ziel des overledenen had dus voor altijd diens stoffelijk overschot verlaten. De plegtigheid begon.

Het lijk werd op een heuveltje gebragt in het midden van de vesting. Het was in een prachtige kleeding gedoscht en in een sierlijke mat van vlas gewikkeld. Om zijn met vederen versierd hoofd was een krans van groene bladeren geslingerd. Aan zijn gelaat, zijn armen en zijn borst, die met olie waren ingewreven, was geen teeken van bederf te zien.

De bloedverwanten en vrienden traden tot aan den voet van het heuveltje, en, als had een orkestmeester de maat van een lijkzang geslagen, terstond steeg een ontzaggelijk concert van weenen, kermen en zuchten omhoog. De overledene werd beweend op de maat van een klagend en langzaam lied. Zijn nabestaanden sloegen zich voor het hoofd; de vrouwelijke bloedverwanten reten haar gelaat met haar vingers open en toonden zich kwistiger met bloed dan met tranen. Die ongelukkigen volbragten stipt dezen ruwen pligt. Maar al die rouw was nog niet voldoende om de ziel des overledenen te bevredigen, wiens gramschap zonder twijfel de overlevenden van zijn stam zou getroffen hebben, en zijn krijgslieden wilden niet, al konden zij hem niet in het leven terugroepen, dat hij in de andere wereld de genoegens van het aardsche leven missen zou. Dus mogt de echtgenoote van Kara-Tete haar man ook in het graf niet verlaten. De ongelukkige zou toch geweigerd hebben hem te overleven. Dat was gewoonte en pligt, en de voorbeelden van zulke opofferingen zijn niet schaarsch in de zeelandsche geschiedenis.

Die vrouw verscheen. Zij was nog jong. Heur haren golfden wanordelijk over haar schouders. Haar snikken en kreten stegen omhoog. Onzamenhangende woorden, jammerklagten, afgebroken volzinnen, waarin zij de deugden van den overledene prees, braken haar snikken af, en in haar vreeselijke smart viel zij aan den voet van het heuveltje neer en sloeg met haar hoofd op den grond.

Nu naderde haar Kai-Koemoe. Plotseling vloog het rampzalige slagtoffer weer op; maar een geweldige slag met den "mere," een soort van vreeselijke knods, die het opperhoofd zwaaide, velde haar ter neder. Zij viel, als door den bliksem getroffen.

Terstond gingen er ontzettende kreten op. Honderd armen bedreigden de gevangenen, die doodelijk ontsteld waren van dat ijselijk tooneel. Maar niemand roerde zich; want de lijkplegtigheid was nog niet afgeloopen.

De vrouw van Kara-Tete was met haar gemaal in den dood vereenigd. De beide ligchamen lagen naast elkander. Maar voor het eeuwige leven had die overledene nog niet genoeg aan zijn trouwe gade. Wie zou hen beiden bij Noeï-Atoea bediend hebben, wanneer hun slaven hen niet uit deze wereld in de andere gevolgd waren?

Zes ongelukkigen werden bij de lijken hunner meesters gebragt. Het waren dienstboden, die de onmeedoogende krijgswetten tot slavernij hadden gedoemd. Tijdens het leven van het opperhoofd hadden zij de hardste ontberingen uitgestaan, duizend mishandelingen ondergaan, waren slecht gevoed, hadden onophoudelijk als lastdieren gewerkt, en zouden nu, volgens het geloof der Maori's, in de eeuwigheid dat slavenleven voortzetten.

Die ongelukkigen schenen in hun lot te berusten. Zij verwonderden zich niet over een opoffering, die ze reeds lang voorzien hadden. Hun ongeboeide handen bewezen, dat ze zich zonder verzet zouden laten slagten.

Die dood was dan ook kort, en voor een lang lijden bleven ze bewaard. De martelingen werden bespaard voor de bewerkers van den moord, die twintig schreden verder bij elkander stonden en de oogen afwendden van dat akelig schouwspel, dat nog ontzettender zou worden.

Zes knodsslagen, toegebragt door de hand van zes gespierde krijgslieden, strekten de slagtoffers in een zee van bloed op den grond uit.

Dat was het sein tot een vreeselijk tooneel van kannibalisme.

Dat was het sein tot een tooneel van kannibalisme.Dat was het sein tot een tooneel van kannibalisme.

Het ligchaam der slaven wordt niet door het taboe beschermd, zooals het lijk van den meester. Het behoort aan den stam. Het is het kleine geld, dat aan de huilers bij de lijkplegtigheden wordt toegeworpen. Zoodra het offer volbragt was, vielen dan ook al de inlanders, opperhoofden, krijgslieden, grijsaards, vrouwen, kinderen, zonder onderscheid van leeftijd of kunne, door dezelfde dierlijke woede aangegrepen, op de levenlooze overblijfselen der slagtoffers aan. In minder tijd dan een vlugge pen het zou kunnen schetsen, werden de nog rookende ligchamen vaneengereten, verscheurd en verdeeld, niet aan stukken maar aan kruimels. Elk van de twee honderd Maori's, die het offer bijwoonden, kreeg zijn deel van dat menschenvleesch. Men worstelde, men vocht, men betwistte elkaar het kleinste lapje. De warme bloeddroppels bespatten die monsterachtige gasten en die geheele terugstootende horde krielde onder een rooden regen door elkander. Het was de waanzin en woede van naar hun prooi dorstende tijgers. Men zou gezegd hebben, dat het een diergaarde was, waar de roofdieren het hun toegeworpen vleesch verslonden. Daarop werden er op twintig plaatsen binnen den wal vuren aangelegd; de stank van het verbrande vleesch verpestte den dampkring, en zonder de vreeselijke opschudding bij dat feestmaal, zonder de kreten, die nog voortkwamen uit die met vleesch volgestopte kelen, hadden de gevangenen de beenderen der slagtoflers kunnen hooren kraken tusschen de tanden der menscheneters.

Doodelijk ontsteld deden Glenarvan en de zijnen nog hun best om dit afschuwelijk tooneel aan de oogen der twee arme vrouwen te onttrekken. Zij begrepen nu welke straf hen den volgenden morgen bij zonsopgang wachtte, en door welke vreeselijke martelingen zulk een dood stellig zou worden voorafgegaan. De schrik benam hun de spraak.

Daarop begonnen de doodendansen. Sterke dranken, getrokken uit den "piper excelsum," echten geest van spaansche peper, verhoogden nog de dronkenschap der wilden. Zij hadden niets menschelijks meer. Zouden zij niet welligt het taboe van het opperhoofd vergeten en de handen slaan aan de gevangenen, die hun waanzin beangstigde?

Maar Kai-Koemoe had zijn verstand behouden bij die algemeene dronkenschap. Hij stond een uur toe voor die slemppartij van bloed, opdat ze haar hoogsten trap bereiken en dan voldaan zou zijn, en het laatste bedrijf der uitvaart werd met de gewone plegtigheden afgespeeld.

De lijken van Kara-Tete en diens vrouw werden opgenomen, de ledematen gebogen en tegen den buik gedrukt, volgens de gewoonte der Zeelanders. Nu moesten ze begraven worden, wel niet voor goed, maar tot de aarde het vleesch verteerd had en alleen het gebeente bevatten zou.

De plaats voor het Oedoe-Pa, dat wil zeggen het graf, was reeds gekozen omtrent twee mijlen buiten de vesting, op den top van een bergje, Maunganamu genoemd, op den regteroever van het meer gelegen.

Daarheen moesten de ligchamen worden gebragt. Twee zeer kunstelooze draagstoelen, of om het maar ronduit te zeggen, twee berries, werden aan den voet van het heuveltje neergezet. De zaamgevouwen lijken werden er veeleer in zittende dan liggende houding op geplaatst; hun kleeding werd met een band opgehouden. Vier krijgslieden tilden ze op hun schouders en de geheele stam volgde hen, onder het aanheffen van het lijklied, in optogt tot aan de begraafplaats.

De zaamgevouwen lijken werden er op geplaatst.De zaamgevouwen lijken werden er op geplaatst.

De gevangenen, die nog altijd bewaakt werden, zagen den stoet den eersten wal van de vesting verlaten; daarna werden het gezang en geschreeuw allengs onverstaanbaar.

Omstreeks een half uur bleef de lijkstoet uit hun gezigt in de diepten van het dal. Daarna zagen zij hem weer terug, toen hij de kronkelende bergpaden besteeg. Door den afstand kreeg die lange en slingerende optogt iets spookachtigs.

De stam hield stil op een hoogte van acht honderd voet, dat is op den top van den Maunganamu, op de plaats die voor de begrafenis van Kara-Tete was uitgekozen.

Een gewoon Maori zou geen ander graf hebben gehad dan een kuil en een hoop steenen. Maar voor een magtig en geducht opperhoofd, die zeker binnen kort onder de goden zou opgenomen worden, had zijn stam een graf bestemd, dat zijner heldendaden waardig was.

Het graf was met paalwerk omringd, en bij de kuil, waarin de lijken moesten rusten, stonden palen, versierd met beelden, die met oker rood geverwd waren. De bloedverwanten hadden niet vergeten, dat de "Waidoea", de ziel der dooden, zich met stoffelijke dingen voedt, evenals het ligchaam die in dit vergankelijk leven behoeft. Daarom waren er levensmiddelen binnen de omheining gebragt, alsmede de wapens en kleederen des overledenen.

Niets ontbrak aan de gemakkelijke inrigting van het graf. De beide echtgenooten werden naast elkander gelegd, en daarop, na een nieuwe reeks van jammerklagten, met aarde en gras overdekt.

Nu daalde de stoet weder zwijgend den berg af, en voortaan mogt niemand weer op straffe des doods den Maunganamu beklimmen, want hij was taboe, evenals de Tongariro, waar de overblijfselen rusten van een opperhoofd, die in 1846 door een aardbeving omkwam.

Juist verdween de zon over het Taupo-meer achter de toppen van den Tuhahua en Puketapu, toen de gevangenen naar hun kerker werden teruggevoerd. Zij zouden hem niet meer verlaten, voor de toppen der Wahiti-Ranges door de eerste zonnestralen verlicht werden.

Zij hadden een geheelen nacht om zich op den dood voor te bereiden. Ondanks hun droefheid, ondanks het ijselijke lot, dat hen wachtte, gebruikten zij toch gezamenlijk den maaltijd.

"Wij zullen al onze krachten hoog noodig hebben," had Glenarvan gezegd, "om den dood in het aangezigt te zien. Wij moeten aan die barbaren toonen, hoe Europeanen weten te sterven!"

Toen het eten afgeloopen was, zeide lady Helena overluid het avondgebed op. Met ongedekten hoofde spraken al haar reisgenooten haar na.

Waar is de mensch, die niet aan God denkt, wanneer de dood hem aangrijnst?

Toen die pligt was volbragt, omhelsden de gevangenen elkander.

Mary Grant en Helena begaven zich naar een hoek van de hut en strekten zich op eene mat uit. De slaap, die alle smarten lenigt, daalde weldra op haar oogleden neder; in elkanders armen gestrengeld sliepen zij in, uitgeput als zij waren door vermoeidheid en slapelooze nachten.

Glenarvan nam nu zijn vrienden ter zijde en sprak hen aldus aan:

"Waarde reisgenooten! ons leven en dat dier arme vrouwen is in Gods hand. Is het de wil des Hemels, dat wij morgen sterven, dan zullen wij, ik ben er zeker van, weten te sterven als mannen, als christenen, die onbevreesd voor den Oppersten Regter durven verschijnen. God, die op den bodem van ons hart ziet, weet, dat wij een edel doel najaagden. Wacht ons de dood in plaats van een goeden uitslag, dan is het zijn wil. Hoe hard zijn beschikkingen ook mogen wezen, ik wil toch niet tegen Hem morren. Maar hier is de dood niet maar alleen de dood, het is de foltering, het is misschien de eerloosheid, en ziehier twee vrouwen...."

Glenarvans' stem, die tot nog toe vast geweest was, begon hier te beven. Hij zweeg om zijn aandoening te bedwingen. Na een oogenblik zwijgens vervolgde hij tot den jongen kapitein:

"John! gij hebt aan Mary beloofd, wat ik aan lady Helena beloofd hebt. Wat is uw voornemen?"

"Ik geloof voor God het regt te hebben die belofte te vervullen," antwoordde John Mangles.

"Ja, John! Maar wij zijn ongewapend!"

"Toch niet," antwoordde John, een dolk toonende. "Ik heb hem uit de hand van Kara-Tete gerukt, toen die wilde aan uwe voeten viel. Mylord! wie van ons beiden het langste leeft, zal den wensch van lady Helena en Mary Grant vervullen."

Een doodsche stilte heerschte na die woorden in de hut. Eindelijk brak de majoor ze af met te zeggen:

"Mijne vrienden! stelt dat uiterste middel tot de laatste minuten uit. Ik houd niet veel van hetgeen onherstelbaar is."

"Ik heb niet voor ons gesproken," antwoordde Glenarvan. "Hoe vreeselijk onze dood ook moge wezen, wij zullen hem trotseeren! Ha! als wij alleen waren, zou ik u reeds twintigmaal toegeroepen hebben: Mijne vrienden! laten wij een uitval wagen! Laten wij die ellendelingen aanvallen! Maar zij! zij!..."

John ligtte even de mat op en telde vijf en twintig inlanders, die aan de deur der gevangenis de wacht hielden. Zij hadden een groot vuur aangelegd, dat een akeligen gloed verspreidde over den oneffen grond der sterkte. Sommigen dier wilden lagen rondom het vuur op den grond; anderen stonden roerloos overeind en staken zwart af op de heldere gordijn van vlammen. Maar allen zagen telkens naar de hut, die aan hun bewaking was toevertrouwd.

Men zegt, dat tusschen den cipier, die waakt en een gevangene, die vlugten wil, de kansen voor den gevangene zijn. Het belang van den een is inderdaad grooter dan het belang van den ander. Deze kan vergeten, dat hij bewaakt; gene kan nooit vergeten, dat hij bewaakt wordt. De gevangene denkt meer aan de vlugt, dan zijn bewaker om hem de vlugt te beletten. Dat is de oorzaak van zoovele en zoo wonderlijke ontvlugtingen.

Maar hier werden de gevangenen bewaakt door de haat en de wraakzucht, en niet door een onverschilligen cipier. De gevangenen waren niet geboeid; maar dat was ook onnoodig: want vijf en twintig man bewaakten den eenigen uitgang van het heilige huis.

Deze hut, tegen den rotswand leunende, die de verschansing afsloot, was alleen genaakbaar over een smalle landtong, die haar met het voorplein der sterkte in verband bragt. De zijmuren waren boven loodregte rotswanden opgetrokken en hingen over een honderd voet diepen afgrond. Hier was dus een nederdaling onmogelijk.

Onder den grond door bestond ook geen gelegenheid om te vlugten, want de rots was steenhard. De eenige uitgang was de deur van het heilige huis, en de Maori's bewaakten die landtong, die het als een ophaalbrug met de vesting verbond. Ontsnappen was dus onmogelijk, en Glenarvan moest dit wel erkennen, toen hij, misschien voor de twintigste maal, de muren zijner gevangenis had onderzocht.

Intusschen verliepen de uren van dien akeligen nacht. De berg was in digte duisternis gehuld. Maan nog sterren verhelderden den pikzwarten nacht. De wind huilde langs de sterkte. De palen der hut kraakten. Plotseling wakkerde het vuur der inboorlingen weder aan door die kortstondige strooming der lucht, en het schijnsel der vlammen verlichtte even het binnenste van het heilige huis. De groep gevangenen werd voor een oogenblik beschenen. Die arme lieden waren in gedachten verzonken over het lot, dat hun wachtte. Sen doodsche stilte heerschte in de hut.

Het zal omstreeks vier ure in den morgen geweest zijn, toen de oplettendheid van den majoor werd opgewekt door een ligt gedruisch, dat achter de achterste palen, in den wand der hut, die tegen de rots leunde, vandaan scheen te komen.

Toen Mac Nabbs, die zich eerst niet om dat gedruisch had bekommerd, bespeurde, dat het aanhield, luisterde hij; verwonderd, dat het niet ophield, ging hij eindelijk om het beter waar te nemen met het oor op den grond liggen. Hij meende te hooren, dat er van buiten gekrabd en gegraven werd.

Toen hij zeker was van zijn zaak, sloop de majoor naar Glenarvan en John Mangles, ontrukte hen aan hun droevige denkbeelden en voerde ze naar het achterste gedeelte der hut.

"Luistert!" fluisterde hij, hun tevens een teeken gevende om te bukken.

Het gekrab werd hoe langer hoe duidelijker; men kon hooren, dat de steentjes door de aanraking met een scherp voorwerp krasten en wegrolden.

"Een beest in zijn hol," zeide John Mangles.

Glenarvan sloeg zich voor het hoofd en zeide:

"Wie weet? als het eens een mensch was!"

"Mensch of dier," antwoordde de majoor, "ik zal er wel spoedig achter komen!"

Wilson en Olbinett kwamen bij hen, en allen begonnen in den wand te graven, John met zijn dolk, de anderen met steenen, die zij uit den grond haalden, of met hun nagels, terwijl Mulrady op den grond lag om door een kier in de mat de groep inlanders in het oog te houden.

Die wilden lagen onbewegelijk rondom het vuur en vermoedden niets van hetgeen er twintig schreden van hen af gebeurde.

De grond bestond uit een ligte en wrijfbare aarde, die den kiezelachtigen tufsteen bedekte. Ondanks het gebrek aan werktuigen vorderde het gat dan ook goed. Weldra was het duidelijk, dat een of meer menschen buiten het fort een galerij groeven in den zijmuur. Wat kon hun doel zijn? Waren zij bekend met het bestaan der gevangenen, of vond de arbeid, die verrigt scheen te worden, zijn verklaring in het toeval eener persoonlijke onderneming?

De gevangenen verdubbelden hun pogingen. Hun gewonde vingers bloedden; maar zij groeven toch door. Na een half uur arbeids was het gat, dat zij boorden, een voet of drie diep. Het helderder geraas bewees hun, dat alleen een dunne aardlaag een onmiddellijke gemeenschap belette.

Er verliepen nog eenige minuten; daar trok de majoor op eens zijn hand terug, die door een scherp lemmet gewond was. Hij bedwong den kreet van pijn, die hem bijna ontsnapte.

John Mangles weerde met zijn dolk het mes af, dat in het gat werd rondgedraaid, maar vatte de hand, die het voerde.

Het was de hand eener vrouw of van een kind, een europeesche hand!

Geen van beiden had een woord gesproken. Het was duidelijk, dat men er aan beide zijden belang bij had om te zwijgen.

"Is het Robert?" mompelde Glenarvan.

Maar hoe zacht hij dien naam ook had uitgesproken, Mary Grant had hem verstaan. Zij was ontwaakt door de beweging in de hut, sloop naar Glenarvan, greep die met aarde bemorste hand en bedekte ze met haar kussen.

"Gij! gij!" zeide het meisje, dat zich er niet in kon vergissen, "gij, Robert!"

"Ja, zusje!" antwoordde Robert, "ik ben hier om u allen te redden! Maar stilte."

"Moedig kind!" herhaalde Glenarvan.

"Houdt de wilden daar buiten in het oog en maakt het gat ruimer!" hernam Robert.

Mulrady, die even had opgezien bij de verschijning van den knaap, ging weer op den uitkijk staan.

"Alles gaat goed," zeide hij. "Nog maar vier krijgslieden zijn wakker. De anderen slapen."

"Moed gehouden!" sprak Wilson.

In een oogenblik was het gat vergroot en ging Robert uit de armen zijner zuster over in die van lady Helena. Om zijn ligchaam was een lang touw van vlas gewonden.

"Mijn kind! mijn kind!" mompelde de jonge vrouw, "dus hebben de wilden u niet gedood!"

"Neen, mevrouw!" antwoordde Robert. "Ik weet zelf niet, hoe ik mij bij die opschudding aan hun oog heb kunnen onttrekken; ik ben over de omwalling gesprongen; twee dagen lang heb ik mij in de struiken verscholen; 's nachts liep ik rond; ik wilde u wederzien. Terwijl de geheele stam met de uitvaart van het opperhoofd bezig was, ben ik die zijde der sterkte, waar de gevangenis staat, gaan verkennen, en heb ik gezien, dat ik bij u zou kunnen komen. Uit een ledige hut heb ik dit mes en dit touw genomen. De bosjes gras, de takken der struiken hebben mij tot ladder gediend; bij toeval heb ik een soort van grot gevonden, in de rots uitgehouwen, waartegen deze hut leunt; ik behoefde slechts eenige voeten in een weeke aarde uit te graven, en nu ben ik hier."

Twintig stomme kussen waren het eenige antwoord, dat Robert krijgen kon.

"Laten wij vertrekken!" zeide hij op vasten toon.

"Is Paganel beneden?" vroeg Glenarvan.

"Mijnheer Paganel?" herhaalde het kind, zeer verrast door die vraag.

"Ja! Wacht hij ons? Hij was immers met u gevlugt?"

"Welneen, mylord! Wat, is mijnheer Paganel niet hier?"

"Hij is hier niet, Robert!" antwoordde Mary Grant.

"Hoe? Hebt gij hem niet gezien?" vroeg Glenarvan. "Hebt gij elkaar niet bij die opschudding aangetroffen? Zijt gij niet zamen ontsnapt?"

"Neen, mylord!" herhaalde Robert, die geheel ter neergeslagen was door het berigt van de verdwijning van Paganel.

"Laten wij vertrekken!" zeide nu de majoor, "wij hebben geen minuut te verliezen. Waar Paganel ook is, hij kan het nergens slechter hebben dan wij hier. Vooruit maar!"

Wel waren de oogenblikken kostbaar. Zij moesten vlugten. De ontsnapping leverde geen andere groote moeijelijkheden op, dan alleen de afdaling langs een bijna loodregten rotsmuur buiten de grot, die omtrent twintig voet hoog was. Vandaar bood de helling een vrij gemakkelijke nederdaling tot den voet des bergs aan. Van dit punt af konden de gevangenen spoedig de lager liggende dalen bereiken, terwijl de Maori's, wanneer zij hun vlugt ontdekten, onbekend als ze waren met het bestaan der galerij tusschen het heilige huis en de buitenste glooijing gegraven, een zeer langen omweg zouden moeten maken om hen te bereiken.

De ontvlugting begon. Alle voorzorgen, die haar welslagen konden verzekeren, werden genomen. De gevangenen kropen achter elkander door de naauwe galerij en kwamen in de grot. Voor John Mangles de hut verliet, ruimde hij al het puin weg en kroop op zijn beurt door de opening, waarop hij de matten van de hut liet vallen. De galerij was dus volkomen verborgen.

Nu moest men den loodregten rotsmuur tot aan de glooijing afdalen, en die nederdaling zou onmogelijk geweest zijn, wanneer Robert het touw van vlas niet had meegebragt.

Het werd afgewonden, aan een uitstekende rotspunt vastgemaakt en naar beneden geworpen.

Voor John Mangles zijn vrienden zich liet toevertrouwen aan die vlasvezels, die ineengedraaid het touw vormden, onderzocht hij het eerst; hij oordeelde, dat het niet bijzonder sterk was; men mogt zich echter niet roekeloos blootstellen, want een val kon doodelijk zijn.

"Dit touw," zeide hij, "kan slechts twee personen te gelijk houden; daar moeten wij ons dus naar regelen. Eerst moeten lord en lady Glenarvan zich laten afglijden; zoodra zij beneden zijn, trekken zij driemaal aan het touw, dat zal voor ons het sein wezen om hen te volgen."

"Ik zal het eerst gaan," zeide Robert. "Ik heb onder aan de glooijing een soort van diep hol ontdekt, waar de eerst afgedaalden zich zullen verbergen om de anderen af te wachten."

"Ga, mijn jongen!" zeide Glenarvan, terwijl hij de hand van den knaap drukte.

Robert verdween door de opening der grot. Een minuut daarna bewezen drie rukken aan het touw, dat de knaap zijne afdaling gelukkig volbragt had.

Terstond waagden Glenarvan en lady Helena zich buiten de grot. Het was nog zeer duister, maar de toppen, die in bet oosten verrezen, werden reeds door eenige graauwe tinten gekleurd.

De snerpende ochtendkoelte bragt de jeugdige vrouw weder bij. Zij gevoelde haar krachten terugkeeren en begon haar gevaarlijke vlugt.

Glenarvan voorop, gevolgd door lady Helena, lieten zich langs het touw afglijden tot op de plek, waar de loodregte rotsmuur zamenkwam met het bovenvlak der schuine zijde. Daarop begon Glenarvan, die zijn vrouw voorging en haar ondersteunde, achteruit af te dalen. Hij zocht naar bosjes gras en struiken, die hem een steunpunt konden opleveren; eerst beproefde hij ze en zette er dan den voet van lady Helena op. Eenige vogels, die in hun rust gestoord werden, vlogen zacht schreeuwend weg, en de vlugtelingen sidderden, wanneer een steen, uit zijn kuil weggestooten, met groot geraas tot beneden aan den berg rolde.


Back to IndexNext