Glenarvan en Lady Helena lieten zich afglijden.Glenarvan en Lady Helena lieten zich afglijden.
Zij waren omtrent op de helft der schuine zijde, toen zich een stem aan den ingang der grot liet hooren:
"Houdt stil!" fluisterde John Mangles.
Met de eene hand zich vastklemmende aan een bosje struiken met vierhoekige bladeren, met de andere zijn vrouw ondersteunende, wachtte Glenarvan, bijna zonder adem te durven halen.
Wilson had onraad gehoord. Eenig gerucht buiten het heilige huis vernomen hebbende, was hij in de hut teruggekeerd, had de mat opgeligt en naar de Maori's uitgezien. Op een teeken van hem hield John Glenarvan tegen.
Door een vreemd gedruisch verrast, was een der krijgslieden opgestaan en het heilige huis genaderd. Twee schreden van de hut af, bleef hij met gebukten hoofde staan luisteren. Een minuut lang, die wel een uur scheen, bleef hij met gespitst oor en loerend oog in die houding. Daarop schudde hij het hoofd als iemand, die zich vergist heeft, keerde naar zijn makkers terug, nam een armvol dood hout en wierp het op het half uitgegane vuur, welks vlammen weer opflikkerden. Zijn helder verlicht gelaat verried geen bezorgdheid meer, en na de eerste morgenschemering, die den gezigteinder een beetje verhelderde, gadegeslsgen te hebben, ging hij bij het vuur liggen om zijn koude leden te verwarmen.
"Alles gaat goed," zeide Wilson.
John gaf aan Glenarvan een teeken om de afdaling te hervatten.
Glenarvan liet zich zachtjes tot op het vlak glijden, weldra zetten lady Helena en hij den voet op het naauwe pad, waar Robert hen wachtte.
Driemaal trok hij aan het touw, en nu gingen John Mangles met Mary Grant op hun beurt den gevaarvollen togt ondernemen.
Zijn waagstuk gelukte; hij voegde zich bij lord en lady Glenarvan in het door Robert aangewezen gat.
Vijf minuten later waren alle vlugtelingen gelukkig uit het heilige huis ontkomen en verlieten zij hun voorloopige schuilplaats. Met vermijding van de bewoonde oevers van het meer drongen zij langs naauwe paden in het diepst van het gebergte.
Zij liepen stevig door en trachtten alle punten te mijden waar zij soms gezien konden worden. Zij spraken geen woord. Zij slopen als schimmen tusschen de heesters door. Waar gingen zij heen? Op goed geluk af; maar zij waren vrij.
Omstreeks vijf ure brak de dag aan. Blaauwachtige strepen liepen door de hoogdrijvende wolken. De in nevelen gehulde toppen scheidden zich van de morgendampen. Weldra zou de dagvorstin verschijnen, en in plaats van het sein tot de doodstraf te geven, zou die zon integendeel de vlugt der veroordeelden verraden.
Omstreeks vijf ure brak de dag aan.Omstreeks vijf ure brak de dag aan.
Voor dat noodlottig oogenblik moesten dus de vlugtelingen buiten het bereik der wilden zijn om hen zoo ver mogelijk van het spoor te brengen. Maar zij vorderden niet veel; de paden waren te steil. Lady Helena klauterde tegen de helling op, ondersteund, om niet te zeggen gedragen door Glenarvan, en Mary Grant leunde op den arm van John Mangles; gelukkig en zegevierend opende Robert, vol blijdschap over zijn welslagen, den optogt, dien de twee matrozen sloten.
Nog een half uur en de schitterende zon zou de dampen aan den gezigteinder verdrijven.
Een half uur lang liepen de vlugtelingen op goed geluk voort. Paganel was niet bij hen om hun den weg te wijzen,—Paganel, het voorwerp hunner ongerustheid en wiens gemis een donkere schaduw wierp op hun geluk. Inmiddels rigtten zij zich zooveel mogelijk naar het oosten, den aan breken den dageraad te gemoet. Weldra hadden zij een hoogte van vijf honderd voet boven het Taupo-meer bereikt, en de morgenkoelte, door die hoogte nog vermeerderd, hinderde hen. Onduidelijke vormen van heuvels en bergen stapelden zich op elkander; maar Glenarvan wenschte niets liever dan er in rond te dolen. Later zou hij wel zien, hoe hij uit dien bergachtigen doolhof kwam.
Eindelijk brak de zon door en bescheen de vlugtelingen met haar eerste stralen.
Op eens weergalmde een vreeselijk gebrul uit honderd kelen door de lucht. Het kwam uit de vesting, wier juiste ligging Glenarvan niet meer kon bepalen. Bovendien verhinderde hem een digte gordijn van nevelen, die aan zijn voeten hing, om de lage dalen te onderscheiden.
Maar de vlugtelingen konden er niet aan twijfelen, hun vlugt was ontdekt. Zouden zij ontkomen aan de vervolging der inlanders? Waren zij gezien? Zouden hun sporen hen niet verraden?
Juist trok de lage mist op en wikkelde hen voor een poos in een vochtige wolk, en nu bemerkten zij drie honderd voet beneden zich den dweepzieken hoop inlanders.
Zij zagen, maar waren ook gezien. Een nieuw gebrul steeg op, begeleid door hondengeblaf, en de geheele stam stormde, na eerst te vergeefs beproefd te hebben de rots van het heilige huis te beklimmen, den vestingwal uit en ijlde langs de kortste paden de gevangenen na, die aan zijn wraak ontsnapten.
De top van den berg was nog een honderd voet hooger. De vlugtelingen hadden er belang bij hem te bereiken om zich op de andere helling aan het oog der Maori's te onttrekken. Zij hoopten, dat de een of andere begaanbare kam hen in staat zou stellen de nabijgelegen kruinen te bereiken, die een bergstelsel uitmaakten, waarin de arme Paganel stellig, wanneer hij bij ben geweest was, den weg had weten te vinden.
De bestijging werd dus haastig voortgezet, waartoe het al nader komende dreigende getier genoeg aanspoorde. De vervolgers bereikten den voet des bergs.
"Houdt moed, vrienden! houdt moed!" riep Glenarvan, zijn makkers met stem en gebaren aanmoedigende.
In minder dan vijf minuten stonden zij op den bergtop; daar keerden zij zich om, ten einde hun toestand te overzien en een rigting te nemen, die de Maori's op een dwaalspoor kon brengen.
Van deze hoogte overzagen zij het geheele Taupo meer, dat zich in zijn schilderachtige lijst van bergen westwaarts uitstrekte. Ten noorden, de toppen van den Pirongia; ten zuiden, de rookende krater van den Tongariro. Maar ten oosten stuitte hun blik op den muur van toppen en ruggen, die met de Wahiti-Ranges in verband staat, die groote keten, welker onafgebroken schakels over het geheele noordelijke eiland van de Cooksstraat af tot de Oostkaap toe loopen. Zij moesten dus de andere zijde afdalen en in naauwe passen, misschien zonder uitgangen, doordringen.
Glenarvan sloeg een angstigen blik om zich heen; de zonnestralen hadden de nevels verjaagd, zoodat zijn oog de geringste holten van den grond goed kon onderscheiden. Geen beweging der Maori's kon hem ontgaan.
De inlanders waren geen vijf honderd voet van hem af, toen zij het bergvlak bereikten, waarop de eenzame kegel zich verhief.
Glenarvan mogt geen oogen blik langer stilstaan. Uitgeput of niet, zij moesten vlugten, wilden zij niet omsingeld worden.
"Laten wij afdalen!" riep bij, "voor de weg ons wordt afgesneden!"
Maar toen de arme vrouwen met inspanning van alle krachten weer opgestaan waren, hield Mac Nabbs haar tegen en zeide:
"Het is onnoodig, Glenarvan! Zie maar!"
Werkelijk zagen nu allen, welk een onverklaarbare verandering er in de bewegingen der Maori's was gekomen.
Zij hadden op eens hun vervolging gestaakt. De beklimming van den berg hield op, alsof er een streng tegenbevel gekomen was. De bende inboorlingen was in haar vaart gestuit, en hield stand als de golven der zee voor een onwankelbare rots.
Al die bloeddorstige wilden stonden daar aan den voet des bergs, huilden, zwaaiden met hun armen, geweren en bijlen, maar kwamen geen duim digter. Hun honden, die evenals zij in den grond vastgeworteld schenen, blaften woedend.
Wat was er toch gaande? Welke onzigtbare magt weerhield de inlanders? De vlugtelingen zagen het, maar begrepen het niet, en vreesden, dat de betoovering, die den stam van Kai-Koemoe ketende, verbroken mogt worden.
Daar uitte John Mangles een schreeuw, die zijn makkers deed omzien. Met de hand wees hij hun een gebouw op den top des kegels.
"Het graf van het opperhoofd Kara-Tete!" riep Robert.
"Spreekt gij de waarheid, Robert?" vroeg Glenarvan.
"Ja, mylord! het is zoo waar het graf! ik herken het...."
Robert vergiste zich niet. Vijftig voet hooger op, op de hoogste spits des bergs, vormden pas beschilderde palen een kleine beslotene ruimte. Glenarvan herkende nu ook het graf van het zeelandsche opperhoofd. In zijn blinde vlugt was hij op den top van den Maunganamu gekomen.
Door de zijnen gevolgd beklom nu de lord den geringen afstand, die hem nog van het graf scheidde. Een wijde met matten behangen opening verleende er toegang toe. Glenarvan wilde in het binnenste van de grafstede doordringen, maar deinsde eensklaps verschrikt terug, roepende: "Een wilde!"
"Een wilde in dit graf?" vroeg de majoor.
"Ja, Mac Nabbs!"
"Dat maakt niet uit. Vooruit maar!"
Glenarvan, de majoor, Robert en John Mangles drongen binnen de omheining. Daar zat een Maori, in een grooten linnen mantel gewikkeld; de schaduw der grafstede belette zijn trekken te onderscheiden. Hij hield zich volkomen rustig en ontbeet onbekommerd.
Glenarvan wilde hem aanspreken; maar de inlander was hem voor, en zeide op vriendelijken toon en in goed engelsch:
"Ga toch zitten, mylord! het ontbijt is gereed."
Het was Paganel. Zijn stem hoorende, liepen allen de begraafplaats binnen en omhelsden den uitmuntenden aardrijkskundige. Paganel was teruggevonden! Zijn persoon was een waarborg voor aller redding! Men wilde hem ondervragen, men wilde weten hoe en waarom hij zich op den top van den Maunganamu bevond; maar Glenarvan beteugelde met een enkel woord die ontijdige nieuwsgierigheid.
"Ga toch zitten, mylord!""Ga toch zitten, mylord!"
"De wilden!" zeide hij.
"De wilden!" antwoordde Paganel schouderophalend. "Dat zijn wezens, die ik in den grond van mijn hart veracht."
"Maar kunnen zij niet...."
"Zij! die domme ezels! Komt maar eens mee!"
Allen volgden Paganel, die de grafstede verliet. De Zeelanders stonden nog op dezelfde plaats om den voet des kegels en tierden vreeselijk.
"Schreeuwt! brult! tiert maar, tot uw longen barsten, stomme wezens!" zeide Paganel. "Gij durft dezen berg toch niet beklimmen!"
"En waarom niet?" vroeg Glenarvan.
"Omdat het opperhoofd hier begraven ligt, omdat dit graf ons beschermt, omdat de berg taboe is!"
"Taboe?"
"Ja, vrienden! en daarom ben ik hierheen gevlugt, als in een dier middeneeuwsche wijkplaatsen voor ongelukkigen."
"God is met ons!" riep lsdy Helena met ten hemel geheven handen.
De berg was werkelijk taboe, en daarom durfden de bijgeloovige wilden hem niet bestijgen.
De vlugtelingen waren nog wel niet gered; maar het was toch een gewenscht uitstel, waarmee zij hun voordeel konden doen.
Glenarvan sprak, aan een onbeschrijfelijke aandoening ten prooi, geen enkel woord, en de majoor schudde met een regt vergenoegd gezigt het hoofd.
"En nu, mijne vrienden!" zeide Paganel, "wanneer die vlegels op ons rekenen om hun geduld te oefenen, vergissen zij zich. Binnen twee dagen zijn wij buiten het bereik dier schoften."
"Wij zullen vlugten!" zeide Glenarvan. "Maar hoe?" "ik weet er nog niets van," antwoordde Paganel; "maar wij vlugten toch!"
Nu wilde ieder de lotgevallen van den aardrijkskundige vernemen. Zeer vreemd en zonderling was de achterhoudendheid van dien zoo praatzieken man, men moest hem om zoo te zeggen de woorden uit de keel halen. Hij, die anders zoo graag vertelde, antwoordde nu ontwijkend op al de vragen zijner vrienden.
"Men heeft mijn Paganel veranderd!" dacht Mac Nabbs.
En werkelijk was het voorkomen van den waardigen geleerde niet meer hetzelfde. Hij draaide zich stevig in zijn ruimen linnen mantel, en scheen de al te nieuwsgierige blikken te ontwijken. Zijn verlegenheid, wanneer er over hem gesproken werd, ontging niemand, maar uit bescheidenheid deed een ieder, alsof hij het niet opmerkte. Zoodra hij maar niet meer zelf op het tapijt was, kreeg Paganel ook zijn gewone opgeruimdheid terug.
Zie hier wat hij goedvond aan zijn makkers van zijn lotgevallen te vertellen, toen allen om hem heen zaten aan den voet der palen van het grafgesticht.
Na den moord van Kara-Tete maakte Paganel evenals Robert van de opschudding onder de inlanders gebruik en verdween buiten het paalwerk der sterkte. Maar minder gelukkig dan de jonge Grant, kwam hij regtstreeks te land in een legerplaats van Maori's. Daar voerde een opperhoofd van een schoone gestalte en een schrander voorkomen, die verre uitstak boven al de krijgslieden van zijn stam, het bevel. Dat opperhoofd sprak zuiver engelsch en heette hem welkom door het tipje van zijn neus te schuren tegen den neus van den aardrijkskundige.
Paganel vroeg bij zich zelven of hij zich als een gevangene moest beschouwen of niet. Maar ziende, dat hij geen stap doen kon zonder het beleefde geleide van het opperhoofd, wist hij weldra, waaraan hij zich te houden had.
Dat opperhoofd, "Hihy," dat wil zeggen "zonnestraal," genoemd, was geen kwaad man. De bril en kijker van Paganel schenen hem een hooge dunk van den aardrijkskundige te geven, en hij verbond hem naauw aan zich, niet alleen door zijn weldaden, maar ook met stevige touwen, vooral 's nachts.
Die nieuwe toestand duurde drie volle dagen. Werd Paganel gedurende dat tijdsverloop goed of slecht behandeld? "Ja en neen," zeide hij, zonder zich er verder over uit te laten. Kortom, hij was een gevangen man, en op het uitzigt na van een spoedigen dood, scheen zijn toestand hem niet veel benijdenswaardiger toe dan die zijner rampzalige vrienden.
Gelukkig slaagde hij er zekeren nacht in om zijn touwen te doorknagen en te vlugten. Hij had van verre de begrafenis van het opperhoofd bijgewoond, hij wist, dat men hem op den top van den Maunganamu had ter aarde besteld, en dat de berg daardoor taboe werd. Daarheen besloot hij nu te vlugten, want hij wilde het land niet verlaten, waar zijn reisgenooten blijven moesten. Hij slaagde in zijn gevaarvolle onderneming. Den vorigen nacht had hij het graf van Kara-Tete bereikt, en wachtte nu, "terwijl zijn krachten terugkeerden," tot de hemel door eenig toeval zijn vrienden bevrijdde.
Zoo luidde Paganels verhaal. Sloeg hij met opzet een omstandigheid van zijn verblijf onder de inlanders over? Meer dan eens gaf zijn verlegenheid aanleiding om het te denken. Hoe het ook zij, allen wenschten hem eenparig geluk, en toen het verledene bekend was, keerde men tot het tegenwoordige terug.
De toestand was nog altijd hoogst bedenkelijk. Wanneer de inlanders zich niet verstoutten om den Maunganamu te beklimmen, dan rekenden zij er toch stellig op, dat honger en dorst hun gevangenen weer in hun magt zouden brengen. Het was dus maar een zaak van tijd, en de wilden hebben een taai geduld.
Glenarvan ontveinsde zich de bezwaren van zijn toestand niet; maar hij besloot gunstiger omstandigheden af te wachten en ze des noods te voorschijn te roepen.
Vooreerst wilde Glenarvan zorgvuldig den Maunganamu onderzoeken, dat is te zeggen zijn ongedachte sterkte, niet om ze te verdedigen, want er was geen beleg te vreezen, maar om ze te verlaten. De majoor, John, Robert, Paganel en hij onderzochten den berg in alle bijzonderheden; zij namen de rigting der paden, waar zij op uitliepen en hun helling goed op. De een mijl lange bergrug, die den Maunganamu verbond met de Wahiti-keten, liep zacht glooijend naar de vlakte af. De eenige bruikbare weg, ingeval een ontsnapping mogelijk was, liep over zijn smallen en grillig gevormden kam. Konden de vlugtelingen er, door de duisternis van den nacht begunstigd, ongezien overkomen, misschien zou het hun dan gelukken de naauwe dalen der Ranges te bereiken en hun vervolgers van het spoor te brengen.
Maar die weg was met meer dan één gevaar verbonden. Op zijn laagste gedeelte liep hij onder het bereik van het geweervuur. De kogels der aan de uitloopers geplaatste inlanders konden elkander kruisen en een ijzeren net spannen, waar niemand straffeloos door kon.
Toen Glenarvan en zijn vrienden zich op het gevaarlijke gedeelte van den kam hadden gewaagd, werden zij met een hagelbui van kogels begroet, die hen echter niet deerden. Eenige proppen werden door den wind vlak bij hen gedreven Zij waren van bedrukt papier gemaakt, dat Paganel louter uit nieuwsgierigheid opraapte en niet zonder moeite ontcijferde.
"Mooi zoo!" riep hij uit. "Weet gij wel, vrienden! welke proppen die beesten voor hun geweren gebruiken?"
"Neen, Paganel!" antwoordde Glenarvan.
"Bladen uit den Bijbel! Wanneer zij die gewijde verzen daarvoor gebruiken, beklaag ik hun zendelingen! Dan zullen dezen nog al wat moeite hebben om bibliotheken onder de Maori's aan te leggen."
"En met welk gedeelte der heilige boeken hebben die inlanders ons wel beschoten?" vroeg Glenarvan.
"Met een woord van den almagtigen God," antwoordde John Mangles, die op zijn beurt het door de losbranding beschadigde papier gelezen had. "Dat woord zegt ons, dat wij op Hem moeten hopen," voegde de jeugdige kapitein er bij, met de onwankelbare geloofsovertuiging van een Schot.
"Lees, John!" beval Glenarvan.
En John las dit vers, dat het ontplofte kruid had gespaard:
"Omdat hij op Mij heeft gehoopt, zal hem verlossen."
"Vrienden!" zeide Glenarvan, "wij moeten die troostrijke woorden overbrengen aan onze wakkere en lieve medereizigsters. Dat zal haar een riem onder het hart steken."
Glenarvan en zijn makkers bestegen weder de steile paden van den kegel, en begaven zich naar het graf, dat zij wilden onderzoeken.
Onderweg verwonderde het hen, dat zij van tijd tot tijd een zekere beving van den grond waarnamen. Het was geen schudding, maar die aanhoudende trilling, welke het bonzen van kokend water tegen de wanden van een ketel teweegbrengt. Het was duidelijk, dat onder het deksel van den berg sterke dampen, door de werking van het onderaardsche vuur ontstaan, opeengepakt waren.
Die bijzonderheid had niets vreemds voor lieden, die pas tusschen de warme bronnen der Waikato waren doorgevaren. Zij wisten, dat deze streek in het midden van Ika-Na-Maoeï zeer vulkanisch is. Het is een echte zeef, wier weefsel de in de aarde besloten dampen laat ontwijken door de kokende bronnen en de zwavelgroeven.
Paganel, die dit reeds had opgemerkt, vestigde dus de aandacht zijner vrienden op den vulkanischen aard van den berg. De Maunganamu was maar een van die talrijke kegels, die het middelste gedeelte van het eiland bedekken, dat is te zeggen een aanstaande vulkaan. De geringste werktuigelijke verrigting kon de vorming van een krater veroorzaken in zijn uit kiezelachtigen graauwen tufsteen bestaande wanden.
"Dat is zoo," zeide Glenarvan; "maar wij loopen hier toch niet meer gevaar dan bij den stoomketel derDuncan. Deze aardkorst is beter dan het stevigste plaatijzer!"
"Dat mag waar zijn," antwoordde de majoor; "maar de beste stoomketel springt toch eindelijk, wanneer hij te lang wordt gebruikt."
"Ik verlang volstrekt niet op dezen kegel te blijven, Mac Nabbs!" sprak Paganel. "Zoodra de Hemel mij een bruikbaren weg toont, verlaat ik hem oogenblikkelijk."
"Ach!" riep nu John Mangles, "kon deze Maunganamu zelf ons maar meevoeren, die toch zooveel werktuigelijke kracht in zich besluit. Daar onder onze voeten huist misschien een nuttelooze en ongebruikte kracht van vele millioenen paarden! OnzeDuncanzou het duizendste deel er van niet noodig hebben om ons naar het einde der wereld te voeren!"
Die herinnering aan deDuncan, door John Mangles opgewekt, vervulde Glenarvans gemoed weder met de droevigste gedachten; want, hoe wanhopend zijn eigen toestand ook was, toch vergat hij dien nog menigmaal om over het lot zijner matrozen te zuchten.
Hij dacht nog daaraan, toen hij zijn deelgenooten in bet ongeluk op den top van den Maunganamu terugvond.
Zoodra lady Helena hem bemerkte, liep zij naar hem toe.
"Hebt gij onzen toestand opgenomen, lieve Edward?" vroeg zij. "Moeten wij hopen of vreezen?"
"Hopen, lieve Helena!" antwoordde Glenarvan. "De inlanders zullen nooit de grens van den berg overschrijden, en het zal ons niet aan tijd ontbreken om een plan tot ontsnapping te vormen."
"Bovendien, mevrouw!" voegde John Mangles er bij, "beveelt God zelf ons aan om te hopen."
John Mangles overhandigde lady Helena dat bijbelblad, waarop het gewijde vers te lezen stond. De jonge vrouw en het jeugdige meisje zagen met haar vertrouwend gemoed en haar voor elke tusschenkomst des hemels geopend hart, een onfeilbaar voorteeken van redding in deze woorden van het heilige boek.
"En nu naar het grafgesticht!" riep Paganel vrolijk uit; "dat is onze vesting, ons kasteel, onze eetzaal, ons studeervertrek! Niemand zal ons daar storen! Dames! veroorlooft mij de eer van deze lieve woning bij u op te houden."
Allen volgden den vriendelijken Paganel. Toen de wilden zagen, dat de vlugtelingen andermaal dat taboe verklaarde graf gingen ontheiligen, losten zij talrijke schoten en huilden vreeselijk, het een even luidruchtig als het andere. Maar zeer gelukkig droegen de kogels niet zoo ver als het geschreeuw, en vielen ze halverwege neer, terwijl de verwenschingen in de ruimte wegstierven.
Lady Helena, Mary Grant en hun togtgenooten, gingen, geheel gerust gesteld nu zij zagen, dat het bijgeloof der Maori's nog sterker was dan hun toorn, de begraafplaats binnen.
Het graf van dat zeelandsch opperhoofd bestond uit een omheining van roodgeverwde palen. Zinnebeeldige voorstellingen, een ware tatoeëering in hout, vermeldden den adel en de groote daden des overledenen. Kransen van amuletten, schelpen of geslepen steentjes slingerden van den eenen paal tot den anderen. Van binnen was de grond geheel bedekt met een tapijt van groene bladeren. In het middelpunt wees een geringe verhevenheid de plaats aan van het pas gedolven graf.
Daar lagen de wapenen van het opperhoofd, zijn geladen geweren, zijn lans, zijn prachtige bijl van groenen niersteen, met een voldoenden voorraad kruid en kogels voor de eeuwige jagten.
"Dat lijkt wel een heel tuighuis," zeide Paganel, "waarvan wij een beter gebruik zullen maken dan de overledene. Het is wel goed verzonnen van die wilden om hun wapens naar de andere wereld mede te nemen!"
"Kijk! die geweren zijn van engelsch maaksel!" zeide de majoor.
"Zonder twijfel!" antwoordde Glenarvan; "maar het is een zeer dwaze gewoonte om den wilden vuurwapens te schenken! Zij bedienen zich er later maar van tegen de overheerschers en zij hebben gelijk. Maar hoe dit ook zij, die geweren kunnen ons te pas komen!"
"Maar nog nuttiger," zeide Paganel, "zullen voor ons de levensmiddelen en het water zijn, die voor Kara-Tete bestemd zijn."
De bloedverwanten en vrienden des overledenen hadden hun zaakjes wezenlijk goed verrigt. De bijeengebragte voorraad bewees, hoeveel achting zij koesterden voor de deugden van het opperhoofd. Er was genoeg eten om tien personen veertien dagen lang, of liever den overledene voor de eeuwigheid te voeden. Die plantaardige spijzen bestonden uit wortels van varens, zoete pataten, de "convolvulus batatas" van dat land, en uit aardappels, die de Europeanen reeds voor lang hadden ingevoerd. Groote vaten waren gevuld met het zuivere water, dat op de tafels der Zeelanders voorkomt, en een dozijn kunstig gevlochten manden bevatten koekjes van een volkomen onbekende groene gomsoort.
De vlugtelingen waren dus voor eenige dagen tegen honger en dorst gevrijwaard. Zij lieten zich volstrekt niet noodigen om hun eerste maal te doen op kosten van het opperhoofd.
Glenarvan haalde de spijzen, die zijn medgezellen noodig hadden, en vertrouwde ze aan de zorg van Olbinett. De streng aan vormen gehechte hofmeester, hetgeen hij zelfs in de bedenkelijkste omstandigheden bleef, vond den disch wel wat schraal. Ook wist hij niet, hoe hij die wortels gereed moest maken, te meer omdat hij geen vuur had.
Maar Paganel redde hem uit die verlegenheid, door hem aan te raden om zijn varens en zoete pataten heel eenvoudig in den grond te stoppen.
De warmtegraad der bovenste lagen was inderdaad zeer hoog, en had men een thermometer in dien bodem gestoken, dan zou hij zeker een warmte van zestig tot vijf en zestig graden Celsius aangewezen hebben. Het scheelde maar weinig of Olbinett had zich deerlijk gebrand; want terwijl hij een gat groef om zijn wortels er in te leggen, kwam er een zuil waterdamp uit, die fluitend eenige voeten hoog steeg.
De hofmeester viel van den schrik achterover.
"Sluit de kraan!" riep de majoor, die met de twee matrozen toesnelde en het gat dempte met brokken puimsteen, terwijl Paganel met een verbaasd gezigt naar dat verschijnsel stond te kijken en deze woorden mompelde:
De hofmeester viel van den schrik achterover.De hofmeester viel van den schrik achterover.
"Ei! ei! hé! hé! waarom niet."
"Gij zijt toch niet bezeerd?" vroeg Mac Nabbs aan Olbinett.
"Neen, mijnheer Mac Nabbs!" antwoordde de hofmeester; "maar ik verwachtte geenszins...."
"Zooveel weldaden van den hemel!" riep Paganel opgeruimd uit. "Na het water en de levensmiddelen van Kara-Tete nog het vuur van de aarde! Maar deze berg is een paradijs! Ik stel voor, hier een kolonie te stichten, hem te bebouwen, ons voor het overige onzes levens hier neer te zetten! Wij zullen de Robinsons van den Maunganamu zijn! Ik zou waarlijk niet weten, wat ons op dezen geriefelijken kegel ontbreekt!"
"Niets, als hij maar stevig is!" antwoordde John Mangles.
"Dat zal wel gaan! hij is niet van gisteren," zeide Paganel; "reeds lang weerstaat hij de kracht van het inwendige vuur en hij zal het wel uithouden, zoolang wij hier zijn."
"Het ontbijt is gereed!" kondigde Olbinett aan, even statig, alsof hij zijn betrekking waarnam op het kasteel Malcolm.
Nu gebruikten de vlugtelingen, bij het paalwerk gezeten, een van die maaltijden, welke de Voorzienigheid hun sinds eenigen tijd zoo juist van pas zond, wanneer zij zich in gevaarlijke omstandigheden bevonden.
Men was niet keurig aangaande de soort van spijzen; maar betreffende den wortel van eetbare varens liepen de gevoelens uiteen. Sommigen vonden er een zoeten en aangenamen geur aan, anderen noemden hem slijmerig, geheel smakeloos en bijzonder taai. De zoete pataten, in den brandenden bodem gebraden, waren uitstekend. De aardrijkskundige merkte op, dat Kara-Tete volstrekt niet te beklagen was.
Zoodra de honger gestild was, stelde Glenarvan voor om zonder uitstel een plan tot ontvlugting te beramen.
"Nu reeds!" zeide Paganel op een waarlijk spijtigen toon. "Denkt gij er nu reeds aan om dit lustoord te verlaten?"
"Maar, mijnheer Paganel!" antwoordde lady Helena, "al geef ik toe, dat wij te Capua zijn, dan moeten wij toch Hannibal niet navolgen, dat weet gij ook wel!"
"Mevrouw!" antwoordde Paganel, "ik zal mij niet verstouten u tegen te spreken; gij wilt een plan beramen, het zij zoo!"
"Ik stel op den voorgrond," zeide Glenarvan, "dat wij een ontvlugting moeten beproeven, voor de hongersnood ons er toe dwingt. Aan krachten ontbreekt het ons thans niet, en daarvan moeten wij gebruik maken. Dezen nacht nog moeten wij beproeven om door de duisternis begunstigd door de inboorlingen heen te breken en de oostelijke valleijen te bereiken."
"Onverbeterlijk!" antwoordde Paganel, "als de Maori's ons voorbij laten."
"En wanneer zij het ons beletten?" vroeg John Mangles.
"Dan zullen wij groote middelen aanwenden," antwoordde Paganel.
"Hebt gij dan groote middelen?" vroeg de majoor.
"Zooveel, dat ik niet weet, wat ik het eerst gebruiken zal!" gaf Paganel ten antwoord, zonder zich nader uit te laten.
Men moest dus den nacht afwachten om een poging te wagen om door de linie der inlanders te boren.
Dezen hadden hun plaats niet verlaten. Hun gelederen schenen zelfs door de achterblijvers van den stam versterkt te zijn. Hier en daar vormden brandende vuren een gordel van gloed om den voet des kegels. Toen de duisternis op de omliggende valleijen nederdaalde, scheen de Maunganamu boven een vuurzee uit te steken, terwijl zijn top in pikzwarte duisternis was gehuld. Zes honderd voet beneden zich hoorde men het rumoer, het geschreeuw en gepraat in de vijandelijke legerplaats.
Ten negen ure was het stikdonker en nu besloten Glenarvan en John Mangles op verkenning uit te gaan, voor zij hun makkers op dien gevaarlijken weg bragten. Zij daalden omtrent tien minuten lang zonder geraas te maken naar beneden, en kwamen op den smallen bergrug, die de linie van inlanders sneed, vijftig voet boven de legerplaats.
Tot zoo ver ging alles goed. De Maori's lagen bij hun vuren en schenen de twee vlugtelingen niet te bemerken, die nog eenige schreden deden. Maar op eens barstte er links en regts van den bergrug een dubbel geweervuur los.
"Terug!" riep Glenarvan. "Die roovers hebben kattenoogen en scherpschuttersgeweren!"
John Mangles en hij beklommen haastig weder de steile berghellingen en gingen spoedig hun vrienden gerust stellen, die reeds bang geworden waren door het vuren. Glenarvans hoed was door twee kogels doorboord. Het was dus onmogelijk zich op den eindeloozen bergrug te wagen tusschen die twee rijen schutters in.
"Tot morgen!" zeide Paganel. "Kunnen wij de waakzaamheid dier inlanders niet verschalken, dan zult gij mij wel veroorloven hun een geregt van mijn vinding toe te dienen!"
Het was nog al koud. Gelukkig had Kara-Tete zijn beste slaaprokken, warme linnen dekens, in zijn graf medegenomen, waarin allen zich zonder schroom wikkelden, en weldra sliepen de vlugtelingen, door het volksbijgeloof beschermd, rustig achter de palen, op dien laauwen bodem, die door het vuur, dat inwendig blaakte, in een trillende beweging gehouden werd.
Den volgenden morgen, den 17denFebruarij, wekte de opgaande zon met haar eerste stralen de slapers op den Maunganamu. Reeds lang liepen de Maori's aan den voet van den kegel op en neer, zonder hun post te verlaten. Zoodra de Europeanen uit het ontwijde heiligdom kwamen, werd hun verschijning met woedend getier begroet.
Aller oog vestigde zich het allereerst op de omliggende bergen, op de diepe, nog in de ochtendnevelen gehulde dalen, op de oppervlakte van het Taupo-meer, die ligt gerimpeld werd door den morgenwind.
Daarop schaarden zich allen, begeerig om de nieuwe plannen van Paganel te kennen, om hem heen en zagen hem vragend aan.
Paganel voldeed terstond aan de angstige nieuwsgierigheid zijner lotgenooten.
"Mijne vrienden!" begon hij, "mijn plan heeft dit voor, dat, al heeft het niet al de uitwerking, die ik er van verwacht, zelfs al mislukt het, onze toestand er toch niet door verergert. Maar het moet, het zal slagen."
"En dat plan?" vroeg Mac Nabbs.
"Is dit," antwoordde Paganel. "Even als het volksbijgeloof van dezen berg een toevlugtsoord heeft gemaakt, moet het bijgeloof ons ook helpen om er vandaan te komen. Gelukt het mij, Kai-Koemoe te doen gelooven, dat wij de offers onzer heiligschennis geworden zijn, dat de toorn des hemels ons heeft getroffen, met één woord, dat wij, en wel op een verschrikkelijke wijze omgekomen zijn, gelooft gij dan, dat hij het bergvlak van den Maunganamu verlaten zal om naar zijn dorp terug te keeren?"
"Dat is niet twijfelachtig," zeide Glenarvan.
"En met welken verschrikkelijken dood bedreigt gij ons?" vroeg lady Helena.
"Met den dood der heiligschenners, vrienden!" antwoordde Paganel. "De wrekende vlammen zijn onder onze voeten! Laten wij haar een doortogt banen!"
"Wat! wilt gij een vuurspuwenden berg maken?" riep John Mangles.
"Ja, een kunst-vulkaan, een eigengemaakten vulkaan, wiens woede wij zullen beheerschen! Daar is een geheele voorraad dampen en onderaardsch vuur, die niets liever verlangen, dan er uit te raken! Laten wij dus ten onzen behoeve een kunstmatige uitbarsting teweegbrengen!"
"Het denkbeeld is goed," zeide de majoor. "Goed bedacht, Paganel!"
"Gij begrijpt," hernam de aardrijkskundige, "dat wij veinzen zullen verslonden te zijn door de vlammen van den zeelandschen Pluto, en dat wij geestelijk verdwijnen zullen in het graf van Kara-Tete...."
"Waar wij drie, vier, vijf dagen zullen blijven, als het moet," voegde Glenarvan er bij, "dat is tot dat de wilden, overtuigd van onzen dood, de partij zullen opgeven."
"Maar als zij het nu eens in het hoofd krijgen om onderzoek te doen naar onze straf," zeide miss Grant, "als zij den berg eens bestijgen?"
"Neen, lieve Mary!" antwoordde Paganel, "dat zullen zij niet doen. De berg is taboe, en wanneer hij zelf zijn ontwijders verslonden heeft, zal dat taboe nog strenger zijn!"
"Dat plan is waarlijk goed beraamd," zeide Glenarvan. "Er is maar een ding tegen, namelijk dat de wilden soms nog zoolang aan den voet van den Maunganamu kunnen blijven, dat wij gebrek aan levensmiddelen krijgen. Maar dat is niet te denken, vooral wanneer wij de zaak goed aanleggen."
"En wanneer zullen wij deze laatste kans wagen?" vroeg lady Helena.
"Dezen avond nog," antwoordde Paganel, "zoodra het goed donker is."
"Dat is afgepraat," sprak Mac Nabbs. "Paganel! gij zijt een man van vernuft, en ik, die niet ligt opgewonden raak, ik sta voor den uitslag in. Ha! die schoften! wij zullen hen op een klein wonder onthalen, dat hun bekeering wel een eeuw zal achteruit zetten! Mogen de zendelingen het ons vergeven!"
Het plan van Paganel was dus aangenomen, en inderdaad, met de bijgeloovige denkbeelden der Maori's kon en moest het slagen. Maar het moest nog uitgevoerd worden. Het denkbeeld was goed, maar de uitvoering moeijelijk. Zou die vulkaan niet de vermetelen verslinden, die een krater voor hem wilden graven? Zouden zij die uitbarsting kunnen beheerschen en leiden, wanneer zijn dampen, vlammen en lava van hun boeijen ontslagen werden? Zou de geheele kegel niet wegzinken in een poel van vuur? Het was toch een greep in die verschijnsels, waarover de natuur het beheer uitsluitend aan zich houdt.
Paganel had die bezwaren voorzien, maar hij zou voorzigtig te werk gaan en de zaak niet tot het uiterste drijven. Een schijn was genoeg om de Maori's te misleiden; de vreeselijke werkelijkheid eener uitbarsting was daartoe onnoodig.
Wat scheen die dag lang! Elk telde de eindelooze uren. Alles was voor de vlugt gereed. De levensmiddelen uit het graf waren verdeeld en in draagbare pakjes geborgen. Eenige matten en de vuurwapenen voltooiden die ligte bagaadje, welke het graf van het opperhoofd opgeleverd had. Het spreekt van zelf, dat die toebereidselen gemaakt werden binnen het paalwerk en buiten weten van de wilden.
Ten zes ure zette de hofmeester een versterkend maal op. Waar en wanneer men in de nabijliggende dalen eten zou, kon niemand voorzien. Daarom at men vooruit. De hoofdschotel bestond uit een half dozijn groote ratten, die door Wilson gevangen en in de asch gebraden waren. Lady Helena en Mary Grant weigerden stellig om dit in Nieuw-Zeeland zoo hooggeschatte wild te proeven; maar de mannen smulden er aan als echte Maori's. Dat vleesch was wezenlijk uitstekend, zelfs sappig en de zes knaagdieren werden tot op de beentjes afgekloven.
De avondschemering daalde neer. De zon verdween achter een digte laag wolken, die een onweder voorspelden. Eenige bliksemstralen verlichtten den gezigteinder, en in de verte rommelde reeds de donder.
Paganel begroette verheugd het onweder, dat zijn plannen begunstigde en de inrigting van het tooneel voltooide. De wilden zijn bijgeloovig beangst voor die grootsche natuurverschijnselen. De Nieuw-Zeelanders houden den donder voor de toornige stem van hun Noeï-Atoea, en de bliksem is niets anders dan de toornige flikkering zijner oogen. Het zou dus schijnen, als kwam de godheid zelve de ontheiligen van het taboe kastijden.
Ten acht ure verdween de top van den Maunganamu in een akelig duister. De hemel verschafte een zwarten achtergrond voor het schijnsel der vlammen, dat de hand van Paganel er op zou werpen.
De Maori's konden hun gevangenen niet meer zien. Het oogenblik van handelen was gekomen.
Er moest snel gehandeld worden. Glenarvan, Paganel, Mac Nabbs, Robert, de hofmeester en de twee matrozen gingen gelijktijdig aan het werk.
De plaats voor den krater werd gekozen op dertig schreden afstands van het graf van Kara-Tete. Het was namelijk hoog noodig, dat de uitbarsting de grafstede spaarde; want met haar zou ook het taboe van den berg verdwenen zijn. Paganel had op die plek een ontzettenden steenklomp opgemerkt, rondom welken de dampen met eenige kracht omhoog stegen. Die klomp bedekte een kleinen natuurlijken krater in den kegel, en hield alleen door zijn zwaarte de uitstrooming der onderaardsche vlammen tegen. Kon men hem uit het gat tillen, dan zouden de dampen en de lava zich terstond door de bevrijde opening heen werken.
De werklieden gebruikten eenige palen binnen uit het graf als hefboomen en tastten met alle kracht de rotsmassa aan. Onder hun vereenigde pogingen raakte het rotsblok weldra in beweging. Zij groeven er een soort van kleine loopgraaf voor op de helling des berg, opdat het langs dit hellend vlak kon afrollen. Naar mate het hooger werd opgetild, werd het schudden en beven van den bodem sterker.
De werklieden gebruikten eenige palen als hefboomen.De werklieden gebruikten eenige palen als hefboomen.
Een dof gebrul van vlammen en sissende dampen liep onder de verdunde korst voort. De stoute werklieden, die als echte cyclopen met het vuur der aarde omgingen, werkten in alle stilte voort. Weldra waarschuwden hen stralen brandend heete stoom, die uit de spleten en scheuren opsteeg, dat de plek gevaarlijk werd. Maar een laatste poging verplaatste het blok, dat langs de berghelling gleed en verdween.
Dadelijk bezweek de dunne korst. Een vuurstroom steeg met hevige losbrandingen hemelwaarts, terwijl beken kokend water en lava naar de legerplaats der inlanders en de lager liggende dalen vloeiden.
Een vuurstroom steeg met hevige losbrandingen hemelwaarts.Een vuurstroom steeg met hevige losbrandingen hemelwaarts.
De geheele kegel beefde, en het stond geschapen als zou hij in een bodemloozen afgrond wegzinken.
Glenarvan en zijn medgezellen hadden naauwelijks den tijd om zich aan het geweld der uitbarsting te onttrekken; zij vlugtten in het binnenste van het graf, maar niet zonder eenige droppels water van vier en negentig graden hitte op het lijf te hebben gekregen. Dit water verspreidde eerst een ligten bouillongeur, die weldra in een zeer sterke zwavellucht overging.
Nu smolten het slijk, de lava en de vulkanische overblijfselen in denzelfden vuurgloed samen. Stroomen vuur golfden langs den Maunganamu. De naaste bergen werden verlicht door het schijnsel der uitbarsting, de diepe dalen door een sterke weerkaatsing in vuur en vlam gezet.
Al de wilden waren huilend opgestaan bij de nadering dier lava, die in het midden van hun legerplaats kookte. Wien de vuurstroom gespaard had, vlugtte en besteeg de omliggende heuvelen. Daar keerden zij zich verschrikt om en beschouwden dat vreeselijk natuurverschijnsel, dien vulkaan, waarin de toorn van hun god de ontheiligers van den gewijden berg neerplofte. En wanneer voor een oogenblik het geraas der uitbarsting wat verminderde, hoorde men hen hun godsdienstleuze brullen:
"Taboe! taboe! taboe!"
Ondertusschen ontsnapte er een ontzettende hoeveelheid dampen, gloeijende steenen en lava uit dien krater van den Maunganamu. Het was niet langer een eenvoudige Geyser, zooals die, welke den berg Hekla op IJsland omringen, maar de berg Hekla zelf. Al die vulkanische stoom was tot nog toe besloten gebleven binnen de wanden des kegels, omdat de veiligheidskleppen van den Tongariro voldoende waren voor zijn uitzetting; maar nu hem een nieuwe uitweg geopend werd, maakte hij er met groot geweld gebruik van, en in dienzelfden nacht moesten de andere uitbarstingen op het eiland volgens de wetten van het evenwigt haar gewone kracht verliezen.
Een uur na de verschijning van dezen vulkaan op het wereldtooneel stroomden breede beken gloeijende lava langs zijn zijden. Men zag een geheel legioen ratten haar onbewoonbaar geworden gaten verlaten en den brandenden bodem ontvlugten.
Dien geheelen nacht door, terwijl het onweder boven hun hoofd bleef voortwoeden, werkte de kegel met een kracht, die Glenarvan wel een beetje ongerust maakte. De uitbarsting knaagde aan den rand des kraters en maakte dien wijder. Achter de omheining verborgen sloegen de gevangenen de verschrikkelijke vorderingen van het natuurverschijnsel gade.
Het werd morgen. De woede des vulkaans bedaarde niet. Digte geelachtige dampen vermengden zich met de vlammen. Allerwegen kronkelden de lavastroomen.
Met loerend oog en kloppend hart zag Glenarvan door al de reten van het paalwerk heen om de legerplaats der inlanders waar te nemen.
De Maori's waren op de omliggende hoogten gevlugt buiten het bereik van den vulkaan. Het vuur had eenige lijken verkoold, die aan den voet des kegels lagen. Verderop in de rigting der vesting had de lava een twintigtal hutten bereikt, die nog rookten. De Zeelanders stonden hier en daar in groepen bijeen en staarden met godsdienstige ontzetting op den in vuur en vlammen gehulden Maunganamu.
Kai-Koemoe verscheen in het midden zijner krijgslieden en Glenarvan herkende hem. Het opperhoofd naderde den voet des kegels aan de zijde, die de lava ontzien had, maar waagde het niet er een voet op te zetten.
Daar maakte hij met uitgespreide armen, als een toovenaar die den duivel bezweert, eenige godsdienstige gebaren, wier beteekenis den gevangenen niet ontging. Zooals Paganel had voorzien, slingerde Kai-Koemoe een nog strenger taboe naar den wrekenden berg.
Kort daarop gingen de inlanders in lange rijen de kronkelpaden af, die naar de vesting geleidden.
"Zij vertrekken!" riep Glenarvan. "Zij verlaten hun post! God zij geloofd! Onze list is gelukt! Lieve Helena! wakkere medgezellen! nu zijn wij dood en begraven! Maar dezen avond, zoodra het donker is, zullen wij herleven, wij zullen uit ons graf opstaan, wij zullen deze barbaarsche stammen ontvlugten!"
Men zal zich gemakkelijk kunnen voorstellen, welk een vreugde er in het grafgesticht heerschte. De hoop was in aller hart herleefd. Die moedige reizigers vergaten het verledene, vergaten de toekomst, om alleen aan het tegenwoordige te denken. Nu Kai-Koemoe maar op een dwaalweg gebragt was, meende men reeds bevrijd te zijn van al de wilden van Nieuw-Zeeland.
De majoor verborg in geenen deele de diepe verachting, welke die Maori's hem inboezemden, en het ontbrak hem niet aan uitdrukkingen om ze aan de kaak te stellen. Het was een wedstrijd tusschen Paganel en hem. Zij scholden hen uit voor onvergefelijke stommerikken, domme ezels, de idioten der Stille Zuidzee, de wilden van Bedlam, de kropzieken der Tegenvoeters, enz. enz. Zij waren onuitputtelijk.
Een geheele dag moest er nog verloopen voor de eigenlijke ontvlugting. Men besteedde hem om een plan voor de vlugt te beramen. Paganel had zorgvuldig zijn kaart van Nieuw-Zeeland bewaard, en kon er nu de veiligste wegen op zoeken.
Na eenig overleg besloten de vlugtelingen zich oostwaarts naar de Plenty-baai te begeven. De weg daarheen leidde door onbekende, maar waarschijnlijk onbewoonde streken. De reizigers, die reeds gewoon waren zich te redden uit de bezwaren en de hinderpalen te overwinnen, die de natuur hun in den weg legde, waren alleen beducht voor een ontmoeting met de Maori's. Zij wilden hen dus geheel vermijden en de oostkust des eilands bereiken, waar de zendelingen eenige posten hebben gesticht. Ook was dit gedeelte des eilands nog vrij gebleven van de rampen des ooriogs en de inlandsche benden liepen het land niet af.
Den afstand, die het meer Taupo scheidde van de Plenty-baai, kon men op honderd mijlen schatten. Dat waren tien dagmarschen, tegen tien mijlen per dag. Dat zou wel vermoeijend zijn; maar niet een van dat moedige gezelschap telde zijn stappen. Eens in de zendingsposten, zouden de reizigers daar uitrusten tot zich een gunstige gelegenheid opdeed om naar Auckland te gaan; want die stad was nog altijd het doel hunner reis.
Toen dat alles was bepaald, ging men tot den avond toe voort met de inlanders in het oog te houden. Geen een was er meer aan den voet des bergs gebleven, en toen de duisternis in de Taupo-dalen viel, gaf geen enkel vuur meer een bewijs, dat er nog Maori's waren aan den voet van den kegel. De weg was vrij.
Ten negen ure was het pikdonker en gaf Glenarvan het sein om te vertrekken. Gewapend en uitgerust op kosten van Kara-Tete, begonnen zijn makkers en hij voorzigtig de hellingen van den Maunganamu af te dalen. John Mangles en Wilson gingen vooruit om den weg te verkennen. Zij stonden bij het geringste geraas stil, onderzochten de oorzaak van ieder lichtschijnsel.
Allen lieten zich om zoo te zeggen langs de glooijing van den berg afzakken om beter onzigtbaar te zijn.
Twee honderd voet boven den grond bereikten John Mangles en de matroos den gevaarlijken bergrug, dien de inlanders zoo hardnekkig verdedigd hadden. Hadden bij ongeluk de Maori's, slimmer dan de vlugtelingen, een loozen terugtogt aangenomen om hen tot zich te lokken, waren zij niet bedrogen geworden door het vulkanisch verschijnsel, dan moest hun tegenwoordigheid juist op deze plaats blijken. Ondanks zijn vertrouwen en in weerwil van de scherts van Paganel kon Glenarvan een siddering niet onderdrukken. De redding der zijnen stond op het spel gedurende de tien minuten, die noodig waren om den bergrug over te trekken. Hij voelde het hart van lady Helena kloppen, die zich krampachtig aan zijn arm klemde.
Hij dacht er echter evenmin aan als John om terug te wijken. De jeugdige kapitein kroop door allen gevolgd en door de duisternis van den nacht beschermd, over den smallen bergrug, en hield telkens stil, wanneer een losse steen tot op den grond rolde. Lagen de wilden hier nog in hinderlaag, dan moest dat telkens herhaalde gedruisch van beide zijden een geduchte losbranding ten gevolge hebben.
De vlugtelingen vorderden natuurlijk niet snel, nu zij als een slang over dien schuinen kam voort kropen. Toen John Mangles het laagste punt had bereikt, scheidden hem naauwelijks vijf en twintig voet van het bergvlak, waar de inlanders den vorigen dag gelegerd waren, daarop rees de kam op eens vrij steil en eindigde een kwart mijl verder in een kreupelhout.
Dit lage gedeelte werd echter zonder ongelukken doorgetrokken, en de gevangenen begonnen weder zwijgend te stijgen. Het boschje was onzigtbaar, maar men wist, dat het daar lag, en wanneer er geen hinderlaag in gelegd was, hoopte Glenarvan er veilig te zijn. Echter maakte hij de opmerking, dat hij van dat oogenblik af niet langer beveiligd was door het taboe. De stijgende bergrug behoorde niet tot den Maunganamu, maar wel tot het bergstelsel, dat het oostelijk gedeelte van het Taupo-meer bedekte. Dus was hier niet alleen het geweervuur der inboorlingen, maar ook een aanval man tegen man te vreezen.
Nog tien minuten lang steeg het kleine gezelschap langs een zachte glooijing naar de hooger liggende bergvlakten. John bespeurde het sombere kreupelbosch nog niet, maar hij kon er geen twee honderd voet meer van af zijn.
Op eens hield hij stil, ja deinsde bijna achteruit. Het kwam hem voor, als hoorde hij eenig gedruisch in de schaduw. Zijn aarzeling deed al zijn makkers hun togt staken.
Hij bleef roerloos staan en zoo lang, dat het degenen, die hem volgden, ongerust maakte. Men wachtte. De angst, waarin zij verkeerden, is onbeschrijfelijk. Zouden zij verpligt zijn achteruit te gaan en naar den top van den Maunganamu terug te keeren?
Maar toen John eindelijk zag, dat bet geraas zich niet herhaalde, begon hij weder den engen weg naar den kam te bestijgen.
Weldra werd bet kreupelbosch flaauw zigtbaar in de schaduw. In weinige schreden bereikten zij het, en de vlugtelingen verscholen zich onder het digt gebladerte.
De nacht begunstigde de ontsnapping der vlugtelingen. Daarvan moest men gebruik maken om de noodlottige omstreken van het Taupo-meer te verlaten. Paganel nam het bestuur over het kleine gezelschap op zich, en zijn buitengewoon reizigers-instinct openbaarde zich op nieuw op dien moeijelijken zwerftogt door de bergen. Hij ging met verrassend beleid in de duisternis te werk, koos zonder aarzelen de bijna onzigtbare paden, en hield steeds zonder eenige afwijking dezelfde rigting. Zijn nachtziendheid kwam hem hierbij uitmuntend te stade, en zijn kattenoogen stelden hem in staat om de geringste voorwerpen in die duisternis te onderscheiden.
Drie uren lang liepen zij rusteloos voort over de zeer lange hellingen van de oostzijde van het gebergte. Paganel hield een weinig zuidoostelijk af om een naauwen weg te bereiken, die tusschen de Kaimanawa- en Wahiti-Ranges is aangelegd, waar de weg van Auckland naar de Hawkes-baai overheen loopt. Zoodra die engte achter den rug was, had hij plan den weg te verlaten, en onder beschutting van de hooge ketens naar de kust te gaan door de onbewoonde streken der provincie.
's Morgens ten negen ure waren zij na een marsch van twaalf uren evenveel mijlen ver gekomen. Men mogt niet meer van de moedige vrouwen vergen. Bovendien scheen de plaats zeer geschikt om er eenigen tijd stil te houden. De vlugtelingen hadden den pas bereikt, die de twee ketens scheidt. De weg naar Oberland lag regts en liep naar het zuiden. Met de kaart in de hand maakte Paganel een hoek naar het zuidoosten en ten tien ure bereikte het kleine gezelschap een soort van steilen heuvel, die door een uitstekende punt van den berg gevormd werd.
De levensmiddelen werden uit de zakken gehaald en met smaak genuttigd. Mary Grant en de majoor, die voorheen geen trek hadden in de eetbare varens, smulden er nu aan.
Tot 's namiddags twee ure bleef men daar rusten, toen sloeg men den weg naar het oosten weder in en 's avonds hielden de reizigers acht mijlen van de bergen af stil. Zij lieten zich niet lang noodigen om onder den blooten hemel te gaan slapen.
's Anderendaags leverde de weg nog al groote moeijelijkheden op. Zij moesten de merkwaardige streek der vulkanische meren, geysers en zwavelgroeven doortrekken, die zich ten oosten van de Wahiti-Ranges uitstrekt. De oogen verlustigden zich vrij wat meer dan de beenen. Om de kwartmijl moest men omwegen maken, trof men hinderpalen en hoeken aan, alles zeer vermoeijend natuurlijk; maar ook welk een vreemd schouwspel! Welk een eindelooze verscheidenheid heerschte er in die grootsche natuurtooneelen!
Op die uitgestrekte ruimte van twintig vierkante mijlen openbaarden zich de onderaardsche krachten onder allerlei gedaante. Zeer doorschijnende zoutbronnen, door millioenen insecten bevolkt, lagen tusschen het kreupelhout van inlandsche theestruiken. Zij verspreidden een doordringende lucht als van verbrand kruid, en bedekten den grond met een korst, zoo verblindend wit als sneeuw. Haar heldere wateren waren bijna tot kookhitte gebragt, terwijl andere naburige bronnen met ijs waren bedekt. Reusachtige varens, die veel overeenkomst hadden met den plantengroei in het silurische tijdperk, groeiden aan haar oevers.