Zeer doorschijnende zoutbronnen.Zeer doorschijnende zoutbronnen.
Van alle kanten spoten waterschoven, door dampen omringd, uit den grond als de waterstralen van een park, sommigen onafgebroken, anderen met tusschenpoozen en onderworpen aan de willekeur van een grilligen Pluto. Zij rezen amphitheatersgewijze omhoog op natuurlijke terrassen, die als nieuwerwetsche bekkens boven elkander geplaatst waren; haar water vermengde zich langzamerhand onder wolken witten rook, en knagende aan de half doorschijnende treden dier reusachtige trappen, voedden zij geheele meren met haar bruischende watervallen.
Wat verder volgden op de warme bronnen en de onstuimige geysers de zwavelgroeven. De grond scheen geheel bezet met dikke puisten. Het waren half uitgebrande kraters, met tallooze scheuren en spleten, waaruit allerlei gassoorten opstegen. De dampkring was doortrokken met de sterke en onaangename lucht van het zwavelzuur. De grond was geheel bedekt met korsten zwavel en zwavelkristallen. Daar werden sedert eeuwen onberekenbare en ongebruikte rijkdommen opgehoopt, en in dit nog weinig bekende deel van Nieuw-Zeeland zal de nijverheid de noodige grondstoffen komen halen, indien de zwavelgroeven van Sicilië eens uitgeput mogten raken.
Men begrijpt ligt, wat al vermoeienissen de reizigers moesten uitstaan op hun togt door zulke lastige streken. Het was moeijelijk een geschikte legerplaats te vinden, en de karabijn der jagers ontmoette geen enkelen vogel, die waardig was door de hand van Olbinett geplukt te worden. Meestal moesten zij zich daarom vergenoegen met varens en zoete pataten, een schralen maaltijd, die de uitgeputte krachten van het kleine gezelschap niet kon herstellen. Glenarvan verlangde daarom hartelijk naar het einde van die dorre en woeste gronden.
En toch waren er niet minder dan vier dagen noodig om die onbereisbare streek door te trekken. Eerst den 23stenFebruarij mogt Glenarvan vijftig mijlen van den Maunganamu af zich legeren aan den voet van een berg zonder naam, die naauwkeurig aangeteekend stond op de kaart van Paganel. De met struiken begroeide vlakten lagen voor hem en aan den gezigteinder vertoonden zich weer groote bosschen.
Dat was een goed voorteeken, althans wanneer de bewoonbaarheid dier streken er niet te veel inwoners heenlokte. Tot nog toe hadden de reizigers geen schaduw van een inlander gezien.
Dien zelfden dag doodden Mac Nabbs en Robert eenige kiwi's, die den hoofdschotel uitmaakten op de tafel der reizigers; maar die eer duurde, om de waarheid te zeggen, niet lang, want zij werden van den bek af tot de pooten toe opgekloven.
Bij het dessert, tusschen de zoete pataten en de aardappels in, deed Paganel een voorstel, dat met geestdrift werd aangenomen.
Hij stelde voor den naam Glenarvan te geven aan dien onbenoemden berg, die ter hoogte van drieduizend voet zijn kruin in de wolken verschool, en teekende zorgvuldig den naam van den schotschen lord op zijn kaart aan.
Het zou overbodig zijn lang stil te staan bij de vrij eentoonige en onbeduidende voorvallen, die het overige van de reis kenmerkten. Op dezen togt van de meren naar de Stille Zuidzee hadden maar twee of drie feiten van eenig belang plaats.
Den ganschen dag liep de weg door bosschen en over vlakten. John rigtte zich naar de zon en de sterren. De hemel was goedertieren genoeg hun geen warmte of regen toe te zenden. Niettemin gevoelden die reeds zoo wreed beproefde reizigers een steeds toenemende vermoeidheid, die hen reikhalzend naar de zendingsposten deed uitzien.
Toch praatten en redeneerden zij nog; maar het gesprek was niet langer algemeen. Het kleine gezelschap scheidde zich in groepen, wier leden echter niet door innige vriendschap, maar meer door een gelijkheid van denkbeelden tot elkander aangetrokken werden.
Meestal liep Glenarvan alleen. Hoe digter hij bij de kust kwam, des te meer dacht hij aan deDuncanen haar bemanning. Hij vergat de gevaren, die hem nog tot Auckland toe bedreigden, om aan zijn vermoorde matrozen te denken. Dat vreeselijk beeld zweefde hem steeds voor oogen.
Over Harry Grant werd niet meer gesproken. Wat zou het ook gebaat hebben? Men kon toch niets voor hem ondernemen. De naam van den kapitein kwam alleen nog maar voor in de gesprekken tusschen diens dochter en John Mangles.
John had Mary niet herinnerd aan hetgeen het jonge meisje hem had gezegd in dien laatsten nacht in het graf. Hij was te bescheiden om een woord, dat in zulk een ernstig en wanhopig oogenblik uitgesproken was, als verbindend te beschouwen.
Wanneer hij over Harry Grant sprak, maakte John nog plannen voor latere nasporingen. Hij verzekerde Mary dat lord Glenarvan die mislukte onderneming zou hervatten. Hij ging uit van de stelling, dat de echtheid van het document niet betwijfeld kon worden. Dus leefde Harry Grant nog ergens. Dus moest men hem terugvinden, al zou men ook de geheele wereld doorzoeken. Mary was verrukt over die woorden, en door dezelfde gedachten verbonden, gaven John en zij zich nu over aan dezelfde hoop. Dikwijls mengde lady Helena zich in hun gesprek; maar zij vleide zich niet met zooveel hersenschimmen, en wachtte zich toch wel de jonge lieden tot de treurige werkelijkheid terug te voeren.
Inmiddels jaagden Mac Nabbs, Robert, Wilson en Mulrady, zonder zich te ver van het kleine gezelschap te verwijderen, en ieder hunner verschafte zijn aandeel aan het wild. Steeds in zijn linnen mantel gewikkeld, hield Paganel zich zwijgend en nadenkend ter zijde.
En toch—het doet ons genoegen het te mogen zeggen—ondanks die natuurwet, volgens welke in beproevingen, gevaren, vermoeienissen en ontberingen de beste karakters ontstemd en verbitterd worden, waren al die ongelukkigen eensgezind en verknocht gebleven, en gereed om zich voor elkander op te offeren.
Den 25stenFebruarij werd de weg versperd door een rivier, die volgens de kaart van Paganel de Waikari zijn moest. Zij kon doorwaad worden.
Twee dagen lang volgden de met struiken begroeide vlakten elkander onafgebroken op. De helft van den afstand, die het Taupo-meer van de kust scheidt, was zonder ongeval, doch niet zonder vermoeidheid afgelegd.
Nu vertoonden zich ontzaggelijke en eindelooze bosschen, die veel geleken op de australische bosschen; maar hier vervingen de kauri's de gomboomen. Hoewel hun bewondering reeds menigmaal was opgewekt op hun viermaandelijksche reis, stonden Glenarvan en zijn makkers toch verbaasd op het gezigt dier reusachtige pijnboomen, de waardige mededingers der ceders van den Libanon, en der mammouth-boomen van Californië. Die kauri's begonnen hun takken eerst honderd voet boven den grond uit te spreiden. Er stonden maar weinige bij elkander, en het bosch bestond niet uit boomen, maar uit ontelbare groepjes boomen, die hun zonnescherm van groene bladeren twee honderd voet hoog in de lucht opzetten.
Eenige dier pijnboomen waren nog jong, naauwelijks een eeuw oud, en geleken op de roode dennen der europeesche landen. Zij droegen een somberen kroon, die in een spitsen kegel eindigde. De oudste daarentegen, die wel vijf of zes eeuwen telden, vormden onmetelijke tenten van groen, ondersteund door de onontwarbare menigte takken. Die aartsvaders van het zeelandsche bosch hadden wel vijftig voet in omtrek, en de vereenigde armen van al de reizigers konden hun reusachtigen stam nog niet omvademen.
Drie dagen lang trok bet kleine gezelschap voort onder die zaamgevlochten takken en over een kleiachtigen bodem, dien de voet des menschen nog nooit had betreden. Dat kon men wel zien aan de stapels harsachtige gom, die op vele plaatsen aan den voet der kauri's opgehoopt lagen, en die voor vele jaren kon voorzien in den uitvoerhandel der inlanders.
De jagers vonden de kiwi's, die zoo zelden voorkomen in de streken, welke de inlanders bezoeken, hier in talrijke troepen bijeen. In die ontoegankelijke wouden zijn die vreemde vogels gevlugt, toen de zeelandsche honden hen verjaagd hadden. Zij leverden een overvloedig en gezond voedsel op de tafel der reizigers.
Paganel had zelfs het voorregt in de verte in een digt boschje een paar reusachtige vogels te ontdekken. Zijn instinct van natuurkundige werd in hem wakker. Hij riep zijn makkers, en hoe vermoeid zij ook waren, toch zetten de majoor, Robert en hij die dieren achterna.
Men zal de brandende nieuwsgierigheid van den aardrijkskundige begrijpen, wanneer men weet, dat hij die vogels herkende of althans meende te herkennen voor "moa's," behoorende tot de soort der "dinormi's," die verscheidene geleerden onder de uitgestorven soorten rangschikken. Deze ontmoeting nu bevestigde de meening van den heer Von Hochstetter aangaande het tegenwoordig bestaan dier vleugelloose reuzen van Nieuw-Zeeland.
Die moa's, welke Paganel vervolgde, de tijdgenooten der megatheriums en pterodactylussen, waren zeker achttien voet hoog. Het waren onmatig groote en lafhartige struisvogels; want zij vlugtten met verbazende snelheid. Geen kogel kon hen in hun vaart stuiten. Nadat die jagt eenige minuten had geduurd, verdwenen die onbereikbare moa's achter de groote boomen, en de jagers hadden hun kruid verspild en zich nog duchtig vermoeid op den koop toe.
Dien avond, den 1stenMaart, verlieten Glenarvan en zijn makkers eindelijk het ontzaggelijke kauri-bosch, en legerden zich aan den voet van den Ikirangi, wiens top zich vijf duizend vijf honderd voet hoog verheft.
Nu waren er van den Maunganamu af ruim honderd mijlen afgelegd, en de kust was nog dertig mijlen verder. John Mangles had gehoopt die reis in tien dagen te doen; maar hij was toen nog onbekend met de bezwaren, welke die landstreek opleverde.
De omwegen en hinderpalen op den weg, de gebrekkige berekeningen, hadden hem eigenlijk een vijfde langer gemaakt, en ongelukkig waren de reizigers, toen zij aan den Ikirangi kwamen, geheel krachteloos.
Nog twee goede dagmarschen waren noodig om de kust te bereiken, en een nieuwe werkzaamheid, een buitengewone waakzaamheid werden thans vereischt; want men kwam nu in een streek, die de inlanders druk bezochten.
Elk verzette zich dus tegen de vermoeidheid en den volgenden dag vertrok het kleine gezelschap weder met zonsopgang.
Tusschen den Ikirangi regts en den Hardy links, wiens top zich verhief ter hoogte van drie duizend zeven honderd voet, werd de reis hoogst moeijelijk. Daar bevond zich over een lengte van tien mijlen een vlakte, digt begroeid met "supple jacks," een soort van buigzame banden, teregt "smorende slingerplanten" genoemd. Bij iedere schrede raakten armen en beenen er in verward, en als echte slangen kronkelden die slingerplanten zich in allerlei bogten om het ligchaam. Twee dagen lang moest men met de bijl in de hand voortgaan en tegen die hydra met honderd duizend hoofden worstelen, die lastige en vasthoudende planten, welke Paganel gaarne onder de dierplanten had gerangschikt.
In die vlakten werd de jagt een onmogelijkheid en de jagers bragten niet langer hun gewone schatting. De levensmiddelen raakten op, men kon geen andere krijgen; er was gebrek aan water, men kon den dorst niet stillen, die nog vergroot werd door de vermoeienis.
Nu werd het lijden van Glenarvan en de zijnen verschrikkelijk, en voor het eerst dreigde hun geestkracht te bezwijken.
Eindelijk bereikten zij niet loopende, maar kruipende, ligchamen zonder ziel, die alleen nog op de been gehouden werden door de zucht tot levensbehoud, die elk ander gevoel overleefde, kaap Lottin, op de kust der Stille Zuidzee.
Hier stonden eenige ledige hutten, de puinhoopen van een dorp, dat de oorlog pas vernield had, verlatene velden, overal de sporen van plundering en brand. Daar bereidde het noodlot den ongelukkigen reizigers nog een laatste en verschrikkelijke beproeving.
Zij zwierven langs de kust, toen er een mijl landwaarts in een afdeeling inlanders opdaagde, die met hun wapens zwaaijende naar hen toekwamen. Glenarvan, die tusschen hen en de zee instond, kon niet vlugten, en zijn laatste krachten bijeenrapende maakte hij zich tot den strijd gereed, toen John Mangles uitriep:
"Een boot! een boot!"
Twintig schreden van hen af lag werkelijk een praauw met zes riemen op het strand. Haar vlot te maken, er in te springen en dien gevaarlijken oever te ontwijken was het werk van een oogenblik. John Mangles, Mac Nabbs, Wilson en Mulrady grepen de riemen, Glenarvan het roer, de twee vrouwen, Olbinett, Robert en Paganel namen bij hem plaats.
In tien minuten was de praauw een kwart mijl in zee. Het water was effen. De vlugtelingen bewaarden een diep stilzwijgen.
John, die zich niet te ver van de kust wilde verwijderen, zou juist bevel geven om langs het strand te houden, toen zijn riem op eens in zijn handen bleef rusten.
Hij had drie praauwen in het oog gekregen, die van kaap Lottin afstaken, duidelijk met plan om jagt op hem te maken.
"In zee! in zee!" riep hij, "liever verdrinken wij in de golven!"
Door haar vier roeijers voortbewogen koos de praauw weer zee. Een half uur lang kon ze vooruit blijven; maar de ongelukkigen, wier krachten uitgeput waren, begonnen weldra te verzwakken, en de drie praauwen wonnen het merkbaar van hen. Thans waren ze nog maar een paar mijlen van hen af. Het was dus onmogelijk den aanval der inlanders te ontgaan, die zich reeds gereedmaakten om hun lange geweren af te vuren.
Wat deed Glenarvan intusschen? Achterin de boot staande, zocht hij aan den gezigteinder eenige ingebeelde hulp. Wat wachtte hij? Wat wilde hij? Had hij soms een voorgevoel?
Eensklaps schitterde zijn oog en wees hij met de hand naar een punt in de ruimte.
"Een schip!" riep hij, "vrienden! een schip! roeit, roeit stevig door!"
Niet een der vier roeijers keerde zich om, ten einde dat onverwachte schip te zien; want men mogt geen riemslag verzuimen. Paganel alleen rees op en rigtte zijn kijker op het aangeduide pont.
"Ja!" zeide hij, "een schip! een stoomschip! het stoomt met volle kracht! het komt op ons af! houdt moed, wakkere kameraden!"
De vlugtelingen spanden nog eens hun krachten in, en nog een half uur lang bleven zij voor en stuwden de praauw met verdubbelde slagen voort. Het stoomschip werd allengs duidelijker zigtbaar. Men onderscheidde de twee kale masten en de dikke zwarte rookwolken. Glenarvan gaf het roer aan Robert over, greep den kijker van den aardrijkskundige en ging al de bewegingen van het vaartuig na.
Maar wat moesten John Mangles en de anderen wel denken, toen zij het voorhoofd van den lord zagen betrekken, zijn gelaat verbleeken, en het werktuig uit zijn handen vallen! Een enkel woord verklaarde hun die plotselinge wanhoop.
"DeDuncan!" riep Glenarvan, "deDuncanen de roovers!"
"DeDuncan! riep John, die zijn riem losliet en terstond opstond.
"Ja! de dood aan beide zijden!" mompelde Glenarvan, door zooveel angst verbrijzeld.
Het was werkelijk het jagt. Men kon zich er niet in vergissen, het jagt met zijn bemanning van roovers! De majoor kon een verwensching tegen den hemel niet bedwingen. Het was al te veel!
Intusschen was de praauw aan zichzelve overgelaten. Waarheen ze te sturen? Waarheen te vlugten? Was er nog een keuze mogelijk tusschen de wilden en de roovers?
Daar werd een schot gelost uit de meest nabijzijnde inlandsche praauw en de kogel trof den riem van Wilson. Eenige riemslagen bragten nu de praauw wat digter bij deDuncan.
Het jagt stoomde met volle kracht en was maar een halve mijl ver. Van alle zijden afgesneden, wist John Mangles niet meer wat te doen, in welke rigting te vlugten. De beide arme vrouwen lagen in haar radeloosheid op de knieën te bidden.
De wilden onderhielden een onafgebroken geweervuur en de kogels regenden om de praauw heen. Daar donderde op eens een zwaar schot, en een kogel, uit het kanon van het jagt afgevuurd, vloog over het hoofd der vlugtelingen. Tusschen twee vuren in bleven ze nu onbewegelijk liggen tusschen deDuncanen de bootjes der inboorlingen.
Krankzinnig van wanhoop greep John Mangles zijn bijl! Hij wilde de praauw in den grond hakken en met zijn lotgenooten doen zinken, toen een kreet van Robert hem tegenhield.
"Tom Austin! Tom Austin!" riep de knaap. "Hij is aan boord! Ik zie hem! Hij heeft ons herkend! Hij wuift met zijn hoed!"
John liet den arm, die de bijl voerde, zakken.
Een tweede kogel ging fluitend over hen heen en boorde de digstbij zijnde der drie praauwen in den grond, terwijl er een hoera! op deDuncanopging.
Een kogel boorde de praauw in den grond.Een kogel boorde de praauw in den grond.
De verschrikte wilden vlugtten naar de kust.
"Help! help, Tom!" had John Mangles met luider stem geroepen.
En eenige oogenblikken later waren de tien vlugtelingen, zonder te weten hoe, zonder er iets van te begrijpen, allen in veiligheid aan boord van deDuncan.
Wij wagen het niet de gewaarwordingen te schetsen van Glenarvan en zijn vrienden, toen de zangen van Oud-Schotland in hun oor klonken. Zoodra zij den voet zetteden op het dek derDuncan, hief de pijper op zijn doedelzak het volkslied van den stam van Malcolm aan en werd de terugkomst van den lord op zijn schip met een daverend hoera! begroet.
De terugkomst aan boord van de Duncan.De terugkomst aan boord van de Duncan.
Glenarvan, John Mangles, Paganel, Robert, ja zelfs de majoor, allen weenden, allen omhelsden elkander. Dat was een vreugde, die tot dronkenschap steeg. De aardrijkskundige was volslagen gek; hij maakte allerlei kromme sprongen en legde met zijn onafscheidelijken kijker op de laatste praauwen aan, die reeds digt bij de kust waren.
Maar toen de bemanning van het jagt bespeurde, hoe Glenarvan en zijn reisgenooten in lompen waren gehuld, hoe ingevallen hun kaken waren, hoe het lijden op hun gelaat te lezen stond, kwam er een einde aan de uitbarsting van vreugde. Het waren spoken die aan boord terugkwamen, en niet die stoute en nette reizigers, die voor drie maanden vol blijde hoop het spoor der schipbreukelingen waren gaan zoeken. Het toeval, louter het toeval bragt hen terug op dat schip, dat zij in het geheel niet verwacht hadden weer te zien! En in welk een treurigen, uitgeteerden en zwakken toestand!
Maar alvorens aan de vermoeijenis, aan de dringende eischen van honger en dorst te denken, ondervroeg Glenarvan Tom Austin naar de oorzaak van zijn oponthoud in die wateren.
Waarom was deDuncanop de oostkust van Nieuw-Zeeland? Hoe kwam het, dat ze niet in handen van Ben Joyce was? Door welke wonderdadige tusschenkomst had God ze den vlugtelingen te gemoet gezonden?
Waarom? Hoe? Met welk voornemen? Daarmede begonnen al de vragen, die in éénen adem tot Tom Austin werden gerigt. De oude zeeman wist niet, naar wien hij het eerst zou luisteren. Hij besloot dus om alleen naar lord Glenarvan te hooren en hem alleen te antwoorden.
"Maar de gedeporteerden?" vroeg Glenarvan, "wat hebt gij met de gedeporteerden gedaan?"
"De gedeporteerden?..." herhaalde Tom Austin op den toon van iemand, die niets van een vraag begrijpt.
"Ja! de schurken, die het jagt hebben aangetast?"
"Gij zult toch moeten bekennen, Paganel! dat het wat al te kras zou zijn!"
"Wat blieft?" vroeg de aardrijkskundige, die, zooals hij daar stond met krommen rug en den bril in de hoogte geschoven, veel had van een reusachtig vraagteeken.
Austin kwam terug. Hij hield den brief in de hand, dien Paganel geschreven en Glenarvan geteekend had.
"Lees, Uwe Edelheid!" zeide de oude zeeman.
Glenarvan greep den brief en las:
"Bevel aan Tom Austin om onmiddellijk zee te kiezen en deDuncanop 87 graden breedte naar de oostkust van Nieuw-Zeeland te brengen!..."
"Nieuw-Zeeland!" riep Paganel opspringende.
En hij rukte den brief uit de hand van Glenarvan, wreef zich de oogen uit, zette den bril goed op den neus, en las zelf.
"Nieuw-Zeeland!" sprak bij op jammerenden toon, terwijl de brief uit zijn vingers glipte.
Daar voelde hij, dat iemand de hand op zijn schouder legde. Hij rigtte zich overeind en zag den majoor voor zich staan.
"Het is waarlijk gelukkig, beste Paganel!" zeide Mac Nabbs met een ernstig gezigt, "dat gij deDuncanniet naar Cochinchina gezonden hebt!"
Die scherts bragt den armen aardrijkskundige geheel van zijn stuk. Een algemeene lachbui overviel de geheele bemanning van het jagt. Paganel liep als krankzinnig heen en weer met het hoofd tusschen de handen en rukte zich de haren uit. Hij wist niet meer, wat hij deed, evenmin wat hij wilde doen! Hij liep werktuigelijk den trap van de kampanje af, hij waggelde over het dek, liep doelloos voort, en klom weer op de voorplecht. Daar raakten zijn voeten verward in een opgerold kabeltouw. Hij struikelde. Hij sloeg de hand uit en greep een touw.
Eensklaps had er een vreeselijke losbranding plaats. Het kanon op de voorplecht ging af en de geheele lading schroot vloog over de rustige golven. De onhandige Paganel had de treklijn van het nog geladen stuk gegrepen en het kruid doen ontploften. Dat was de oorzaak van dien donderslag. De aardrijkskundige sloeg achterover van den trap en verdween door de luikklap in het tusschendek.
De verbazing, door het schot teweeggebragt, maakte plaats voor schrik. Men geloofde aan een ongeluk. Tien matrozen snelden naar het tusschendek en bragten Paganel boven, die geheel in elkaar was gezakt. De aardrijkskundige sprak niet meer.
Dat lange ligchaam werd op de kampanje nedergelegd. De makkers van den wakkeren Franschman waren wanhopend. De majoor, die als het pas gaf ook dokter was, wilde den ongelukkigen Paganel ontkleeden om zijn wonden te verbinden; maar naauwelijks raakte hij den zieltogende aan, of deze rees overeind, alsof hij in aanraking met een electrische klos was gebragt.
"Nooit! nooit!" riep hij uit; en terwijl hij de lompen van zijn kleeren om zijn mager ligchaam sloeg, knoopte hij ze met bijzondere drift vast.
"Nooit! nooit!" riep Paganel uit."Nooit! nooit!" riep Paganel uit.
"Maar, Paganel!" zeide de majoor.
"Neen! zeg ik u!"
"Ik moet toch eens zien...."
"Gij zult niet zien!"
"Misschien hebt gij iets gebroken...." hernam Mac Nabbs.
"Ja!" antwoordde Paganel, die op zijn lange beenen overeind ging staan, "maar wat ik gebroken heb, zal de timmerman wel maken!"
"Wat dan?"
"Den stut van het tusschendek, die in mijn val gebroken is!"
Op dit antwoord begon het lagchen op nieuw. Dit gezegde had al de vrienden van den waardigen Paganel gerust gesteld, die heelhuids was afgekomen van zijn ontmoeting met het kanon op de voorplecht.
"Die aardrijkskundige," dacht de majoor, "is in allen gevalle bijzonder schaamachtig uitgevallen."
Echter moest Paganel, toen hij wat van den schrik bekomen was, nog een vraag beantwoorden, die hij niet ontwijken kon.
"Antwoord nu eens opregt, Paganel!" sprak Glenarvan. "Ik erken, dat uw verstrooidheid door God beschikt is: zonder u was voorzeker deDuncanin de handen der roovers gevallen, zonder u hadden de Maori's ons weer gevangen genomen! Maar zeg mij toch om Gods wil! door welke vreemde verbinding van denkbeelden, door welke bovennatuurlijke verstandsverbijstering zijt gij er toch toe gekomen om den naam Nieuw-Zeeland te schrijven voor dien van Australië?"
"Wel, voor den drommel!" riep Paganel, "omdat...."
Maar tegelijk ontmoette zijn oog Robert en Mary Grant en bij bleef steken; daarna ging hij voort:
"Wat zal ik zeggen, waarde Glenarvan! ik ben een zinnelooze, een gek, een onverbeterlijk schepsel, en ik zal sterven in de huid van den beruchtsten verstrooide...."
"Als gij ten minste niet gevild wordt!" voerde de majoor er bij.
"Mij villen!" riep de aardrijkskundige met een vuurrood gezigt. "Wat bedoelt gij daarmee?..."
"Wat zou ik er mee bedoelen, Paganel?" vroeg Mac Nabbs even bedaard als altijd.
Het voorval had geen verdere gevolgen. Het geheim van de tegenwoordigheid derDuncanwas opgehelderd; de zoo wonderdadig geredde reizigers waren nu op niets anders bedacht dan hun geriefelijke scheepshutten op te zoeken en te ontbijten.
Inmiddels hielden Glenarvan en John Mangles terwijl lady Helena en Mary Grant, de majoor, Paganel en Robert de kampanje ingingen, Tom Austin bij zich. Zij wilden hem nog nader ondervragen.
"Antwoord nu eens, oude Tom!" zeide Glenarvan. "Hebt gij dat bevel om op de kust van Nieuw-Zeeland te gaan kruisen niet heel vreemd gevonden?"
"Zeker, Uwe Edelheid!" antwoordde Austin, "ik stond er raar van te kijken; maar ik ben niet gewoon de bevelen, die ik krijg, te bepraten, en heb dus gehoorzaamd. Kon ik anders handelen? Zou het niet mijne schuld geweest zijn, wanneer er een ongeluk had plaats gehad, omdat ik uw last niet letterlijk had opgevolgd? Zoudt gij anders gehandeld hebben, kapitein?"
"Neen, Tom!" antwoordde John Mangles.
"Maar wat hebt gij wel gedacht?" vroeg Glenarvan.
"Ik heb gedacht, Uwe Edelheid! dat het belang van Harry Grant vorderde te gaan, waar gij mij heen zondt. Ik heb gedacht, dat ingevolge een wijziging in uw reisplan een schip u naar Nieuw-Zeeland brengen zou, en dat ik u op de oostkust des eilands moest afwachten. Bij mijn vertrek uit Melbourne heb ik mijn bestemming geheim gehouden, en de bemanning heeft ze eerst vernomen, toen wij in volle zee waren en de australische kust reeds uit het oog hadden verloren. Maar toen is er aan boord iets voorgevallen, dat mij veel angst veroorzaakte."
"Wat bedoelt gij, Tom?" vroeg Glenarvan.
"Ik bedoel," antwoordde Tom Austin, "dat, toen de bootsman Ayrton, daags nadat wij in zee gestoken waren, de bestemming derDuncanvernam...."
"Ayrton!" riep Glenarvau. "Is hij dan aan boord?"
"Ja, Uwe Edelheid!"
"Ayrton hier!" herhaalde Glenarvan, terwijl hij John Mangles aanzag.
"God heeft het zoo gewild!" antwoordde de jonge kapitein.
Bliksemsnel ging nu in een oogenblik het gedrag van Ayrton, zijn lang voorbereid verraad, de wond van Glenarvan, de moord van Mulrady, de rampen van het reisgezelschap in de moerassen der Sneeuwrivier achtergelaten, al het verledene van dien schurk voorbij het oog dier twee mannen. En nu was de roover, door een allerzonderlingsten samenloop van omstandigheden, in hun magt.
"Waar is hij?" vroeg Glenarvan driftig.
"In een hut in het vooronder," antwoordde Tom Austin, "waar hij streng bewaakt wordt."
"Wat beduidt die gevangenzetting?"
"Omdat Ayrton, toen hij zag, dat het jagt naar Nieuw-Zeeland stevende, woedend werd; omdat hij mij wilde dwingen den koers van het vaartuig te veranderen; omdat hij mij gedreigd heeft; eindelijk, omdat hij het scheepsvolk tot oproer aanzette. Ik heb begrepen, dat hij een gevaarlijke kerel was, en dat ik voorzorgsmaatregelen tegen hem nemen moest."
"En sedert dien tijd?"
"Sedert dien tijd is hij in zijn hut gebleven, zonder pogingen te doen om er uit te komen."
"Goed, Tom!"
Nu werden Glenarvan en John Mangles in de kampanje geroepen. Het ontbijt, waaraan zij zulk een behoefte hadden, stond gereed. Zij zetten zich in delongroomaan tafel en spraken niet over Ayrton.
Maar toen de maaltijd afgeloopen was en de gasten verkwikt en hersteld op het dek bijeen waren, vertelde Glenarvan hun, dat de bootsman aan boord was. Tevens deelde hij hun mede, dat hij voornemens was hem voor hen te doen verschijnen.
"Zou ik niet bij dat verhoor gemist kunnen worden?" vroeg lady Helena. "Ik beken, lieve Edward! dat het gezigt van dien ongelukkige zeer pijnlijk voor mij zou wezen."
"Het is een getuigenverhoor, Helena!" antwoordde lord Glenarvan. "Blijf, verzoek ik u. Ben Joyce moet al zijn slagtoffers voor zich zien!"
Lady Helena erkende de juistheid dier opmerking. Mary Grant en zij namen plaats bij lord Glenarvan. Rondom hem schaarden zich de majoor, Paganel, John Mangles, Robert, Wilson, Mulrady en Olbinett, die allen in zulk een groot gevaar hadden verkeerd door het verraad van den roover. De bemanning van het jagt begreep wel niet het ernstige van het tooneel, maar bewaarde toch een diep stilzwijgen.
"Laat Ayrton hier komen!" beval Glenarvan.
Ayrton verscheen. Hij betrad het dek met vasten stap en beklom de trap van de kampanje. Zijn oogen stonden somber, zijn tanden waren op elkander geklemd, zijn vuisten krampachtig gebald. Zijn uiterlijk verried evenmin overmoed als nederigheid. Toen hij voor lord Glenarvan stond, sloeg hij de armen over elkaar en wachtte bedaard en zwijgend af, dat hem iets gevraagd werd.
Ayrton betrad het dek met vasten stap.Ayrton betrad het dek met vasten stap.
"Ayrton!" zeide Glenarvan, "zoo zijn wij nu, gij en wij, bijeen op dieDuncandie gij aan de roovers van Ben Joyce in handen wildet spelen."
Op die woorden beefden de lippen van den bootsman even. Zijn koude trekken kleurden ligt. Het was niet het schaamrood der wroeging, maar omdat zijn plan was mislukt. Op dat jagt, waarop hij als meester hoopte te bevelen, was hij nu een gevangene, en in weinige oogenblikken zou zijn lot beslist worden.
Hij gaf echter geen antwoord. Glenarvan wachtte geduldig. Maar Ayrton bleef hardnekkig zwijgen.
"Spreek op, Ayrton! wat hebt gij te zeggen?" hernam Glenarvan.
Ayrton aarzelde; zijn voorhoofd betrok; vervolgens sprak hij bedaard:
"Ik heb niets te zeggen, mylord! Ik ben zoo gek geweest mij te laten pakken. Doe met mij wat gij wilt."
Dit gezegd hebbende rigtte de bootsman zijn blikken op de westwaarts liggende kust, en veinsde een diepe onverschilligheid voor hetgeen er rondom hem gebeurde. Wie hem zag, zou gemeend hebben, dat hij niets te maken had met die ernstige zaak. Maar Glenarvan had besloten geduldig te blijven. Een sterke belangstelling noopte hem om met sommige omstandigheden uit het geheimzinnige leven van Ayrton bekend te worden, vooral zoover het Harry Grant en deBritanniabetrof. Hij hervatte dus het verhoor op zeer zachte wijze en onderdrukte geheel en al den toorn, dien hij inwendig gevoelde.
"Ik meen, Ayrton!" hernam hij, "dat gij niet zult weigeren te antwoorden op sommige vragen, die ik u wensch te doen. Vooreerst, moet ik u Ayrton of Ben Joyce noemen? Zijt gij al dan niet de bootsman derBritannia?"
Ayrton bleef onverzettelijk op de kust staren, zonder acht te slaan op hetgene hem gevraagd werd.
Glenarvan, wiens oog fonkelde, ging voort met den bootsman te ondervragen.
"Wilt gij mij zeggen, hoe gij deBritanniaverlaten hebt, waarom gij in Australië waart?"
Hetzelfde stilzwijgen, dezelfde onverzettelijkheid.
"Luister naar mij, Ayrton!" hernam Glenarvan. "Het is in uw belang om te spreken. Een openhartigheid, die uw laatste toevlugt is, kan gunstig voor u zijn. Voor het laatst dan, wilt gij op mijn vragen antwoorden?"
Ayrton draaide het hoofd naar Glenarvan en zag hem strak aan, zeggende:
"Mylord! ik behoef niet te antwoorden. De justitie en niet ik moet tegen mij bewijzen."
"De bewijzen zullen gemakkelijk te leveren zijn!" antwoordde Glenarvan.
"Gemakkelijk, mylord?" hernam Ayrton op spottenden toon. "Uwe Edelheid durft, vind ik, heel wat zeggen. Ik verzeker u, dat de slimste advocaat met mij verlegen zou zijn! Wie zal zeggen, waarom ik in Australië gekomen ben, nu kapitein Grant het niet meer vertellen kan? Wie zal bewijzen, dat ik die Ben Joyce ben, dien de politie achterna zit, daar ze mij nooit in handen gehad heeft en mijn makkers in vrijheid zijn? Wie is er, behalve gij, die niet een misdaad, maar een verkeerde handeling ten mijnen nadeele kan aan den dag brengen? Wie kan bevestigen, dat ik mij van dit schip heb willen meester maken om het aan de gedeporteerden over te leveren? Niemand, verstaat gij? niemand! Gij hebt vermoedens, goed! maar om iemand te veroordeelen zijn er bewijzen noodig, en de bewijzen ontbreken u. Zoolang het tegendeel niet bewezen is, ben ik Ayrton, de bootsman derBritannia."
Ayrton was onder het spreken opgewonden geworden, maar verviel weldra tot zijn vroegere onverschilligheid. Hij verbeeldde zich zeker, dat zijn verklaring een einde zou maken aan het verhoor, maar Glenarvan vatte het woord weder op en sprak:
"Ayrton! ik ben geen regter van instructie. Dat is mijn zaak niet. Het is van belang dat elk onzer weet waar hij staan moet. Ik vraag u niets, dat u in ongelegenheid brengen kan. Dat gaat het geregt aan. Maar gij weet, met welke nasporingen ik bezig ben, en met een enkel woord kunt gij mij weer op het spoor brengen, dat ik verloren heb. Wilt gij spreken?"
Ayrton schudde het hoofd als iemand, die vast besloten heeft om te zwijgen.
"Wilt gij mij zeggen, waar kapitein Grant is?" vroeg Glenarvan.
"Neen, mylord!" antwoordde Ayrton.
"Wilt gij mij de plaats aanduiden, waar deBritanniavergaan is?"
"Evenmin."
"Ayrton!" hernam Glenarvan bijna op smeekenden toon, "wilt gij althans, wanneer gij weet, waar Harry Grant is, het aan zijn arme kinderen zeggen, die maar één woord uit uwen mond verwachten?"
Ayrton aarzelde. Zijn gezigt betrok. Maar hij mompelde zacht:
"Ik kan niet, mylord!"
En hij voegde er driftig bij, alsof hij zich een oogenblik van zwakheid verweet:
"Neen! ik zal niet spreken! Laat mij ophangen, indien gij wilt!"
"Ophangen!" riep Glenarvan is een plotselinge opwelling van toorn.
Daarna antwoordde hij, zich bedwingende, op ernstigen toon:
"Ayrton! hier zijn regters noch beulen. In de eerste haven de beste zult gij aan de engelsche overheid overgegeven worden."
"Dat verlang ik juist!" antwoordde de bootsman.
Daarop keerde hij bedaard naar de hut terug, die hem tot gevangenis diende, en twee matrozen werden voor de deur geplaatst met last om op zijn geringste bewegingen acht te geven. De getuigen van dit tooneel gingen verontwaardigd en wanhopig heen.
Nu Glenarvan schipbreuk had geleden op de stijfhoofdigheid van Ayrton, wat schoot hem nu nog over? Niets anders dan het voornemen te volbrengen, dat reeds te Eden was opgevat, en naar Europa terug te keeren, zonder uitzigt om later die mislukte onderneming te hervatten. Het spoor derBritanniatoch scheen onherroepelijk verloren, het document duldde geen nieuwe uitlegging, er lag zelfs geen land meer op zeven en dertig graden breedte, en deDuncankon dus niet beter doen dan terug te keeren.
Na met zijn vrienden geraadpleegd te hebben, besprak Glenarvan meer bepaald met John Mangles het punt van de thuisreis. John onderzocht de kolenhokken; de voorraad steenkolen kon hoogstens nog veertien dagen duren. Het was dus noodig om in de naastbij gelegen haven versche kolen in te nemen.
John stelde Glenarvan voor den steven te wenden naar de baai van Talcahuano, waar deDuncanreeds voorraad had ingenomen, voor zij haar reis om de wereld ondernam. Dat was digt bij en juist op den zeven en dertigsten graad. Dan kon het jagt, behoorlijk van het noodige voorzien, zuidwaarts om kaap Hoorn varen en door den Atlantischen oceaan naar Schotland terugkeeren.
Zoodra dit plan was vastgesteld, werd er bevel gegeven aan den machinist om meer stoom te maken. Een half nur later was de steven naar Talcahuano gewend op een zee, die haar naam van Stille Zee wel verdiende, en 's avonds ten zes ure verdwenen de laatste bergen van Nieuw-Zeeland in de warme nevels aan den gezigteinder.
Zoo begon dan de thuisreis. Een treurige togt voor die stoute zoekers, die in de haven terugkeerden zonder Harry Grant mee te brengen! Ook sloeg de bemanning, die zoo vrolijk bij het vertrek, zoo vol vertrouwen bij het begin der reis, en nu overwonnen en moedeloos was, bedroefd den weg naar Europa in. Onder al die wakkere matrozen was er niet een, die ontroerde bij de gedachte, dat hij zijn land zou wederzien; allen zouden nog lang de gevaren der zee hebben getrotseerd om kapitein Grant maar terug te vinden.
Op de hoera's! waarmede Glenarvan bij zijn terugkomst begroet was, volgde dan ook weldra moedeloosheid. Die onophoudelijke samenkomsten der passagiers, die gesprekken, welke vroeger de reis opvrolijkten, hadden nu niet meer plaats. Ieder bleef op zichzelven, alleen in zijn hut, en zelden verscheen er een op het dek van deDuncan.
De man, bij wien doorgaans de smartelijke of vrolijke gewaarwordingen, die aan boord heerschten, zich het meest openbaarden, Paganel, die des noods de hoop zou uitgevonden hebben, Paganel bleef zwijgend en in zichzelven gekeerd. Ternaauwernood liet hij zich zien. Zijn natuurlijke spraakzaamheid, zijn fransche levendigheid waren in zwijgen en moedeloosheid veranderd. Hij scheen zelfs nog meer ontmoedigd dan zijn reisgenooten. Wanneer Glenarvan er van sprak om zijn nasporingen te hervatten, schudde Paganel het hoofd als iemand, die alle hoop heeft laten varen, en die vast overtuigd scheen van het lot der schipbreukelingen van deBritannia. Men gevoelde, dat hij ze onherroepelijk verloren achtte.
Toch was er aan boord een man, die het laatste woord betreffende die ramp kon zeggen, en die voortging met zwijgen. Het was Ayrton. Zonder twijfel kende die ellendeling, zooal niet de waarheid aangaande het tegenwoordig verblijf van den kapitein, dan toch de plaats der schipbreuk. Maar het was duidelijk, dat Grant, werd hij teruggevonden, een getuige tegen hem zijn zou. Daarom zweeg hij hardnekkig. Dat verwekte, vooral bij de matrozen, een hevigen toorn tegen hem, en gaarne zouden zij hem een leelijken trek hebben gespeeld.
Bij herhaling vernieuwde Glenarvan zijn pogingen bij den bootsman. Beloften noch bedreigingen werkten iets uit. De koppigheid van Ayrton was zoo ver gedreven en zoo onverklaarbaar bovendien, dat de majoor begon te denken, dat hij niets wist. Ook de aardrijkskundige, die zijn eigene gedachten had betreffende Harry Grant, was van die meening.
Maar wanneer Ayrton niets wist, waarom kwam hij dan niet voor zijn onwetendheid uit? Deze kon hem volstrekt niet benadeelen. Zijn stilzwijgen vergrootte de moeijelijkheid om een nieuw plan te vormen. Moest men uit de ontmoeting van den bootsman in Australië afleiden, dat Harry Grant op dat vastland aanwezig was? Wat het ook mogt kosten, men diende Ayrton te bewegen om zich dienaangaande te verklaren.
Toen lady Helena zag, dat haar man niet slaagde, vroeg zij hem verlof op haar beurt te mogen worstelen met de stijfhoofdigheid van den bootsman. Waar een man schipbreuk had geleden, zou een vrouw welligt door haar zachten invloed slagen. Is het niet de eeuwig ware geschiedenis van dien orkaan uit de fabel, die den mantel niet van de schouders des reizigers kan rukken, terwijl de geringste zonnestraal hem terstond doet afwerpen!
Glenarvan, die de schanderbeid zijner jeugdige gade kende, gaf haar volle vrijheid van handelen.
Dien dag, den 5denMaart, werd Ayrton in de hut van lady Helena gebragt. Mary Grant moest het onderhoud bijwonen; want de invloed van het jonge meisje kon groot zijn, en lady Helena wilde geen kans van slagen verzuimen.
Een uur lang bleven de vrouwen met den bootsman derBritanniaopgesloten; maar er lekte niets van hun gesprek uit. Wat zij zeiden, de gronden, die zij aanvoerden om den roover zijn geheim te ontrukken, al de omstandigheden van dat verhaal bleven onbekend. Maar toen zij Ayrton verlieten, schenen zij niet geslaagd te zijn, en stond de moedeloosheid op haar gelaat te lezen.
De twee vrouwen bleven met den bootsman opgesloten.De twee vrouwen bleven met den bootsman opgesloten.
Toen de bootsman naar zijn hut teruggebragt werd, ontvingen hem de matrozen, terwijl hij voorbijging, dan ook met geweldige bedreigingen. Hij vergenoegde zich met de schouders op te halen, waardoor de woede der schepelingen nog vermeerderde, en er was niets minder noodig dan de tusschenkomst van John Mangles en Glenarvan om hen in toom te houden.
Ayrton vergenoegde zich met de schouders op te halen.Ayrton vergenoegde zich met de schouders op te halen.
Maar lady Helena gaf het nog niet op. Zij wilde tot het einde toe worstelen tegen dat steenen hart, en 's anderen daags ging zij zelve naar de hut van Ayrton, om de tooneelen te voorkomen, waartoe zijn gang over het dek van het jagt aanleiding gaf.
Twee uren lang bleef de goede en zachtzinnige vrouw alleen met het opperhoofd der roovers. Aan zenuwachtige ontroering ter prooi zwierf Glenarvan bij de hut rond, nu eens besloten om de kansen op slagen tot de laatste toe aan te wenden, dan weder gereed om zijn vrouw van dat onaangename gesprek te verlossen.
Maar toen lady Helena ditmaal weder verscheen, blonk haar gelaat van hoop. Had zij dan dat geheim afgeperst en in het hart van dien schurk de laatste vezelen van het medelijden doen trillen?
Mac Nabbs, die haar het allereerst zag, kon een zeer natuurlijke beweging van ongeloof niet onderdrukken.
Echter liep weldra onder de bemanning het gerucht, dat de bootsman eindelijk was bezweken voor den aandrang van lady Helena. Dat was als het ware een electrieke schok. Al de matrozen verzamelden zich op het dek, en sneller, dan wanneer het fluitje van Tom Austin hen aan het werk had geroepen.
Intusschen was Glenarvan zijn vrouw te gemoet gesneld.
"Heeft hij gesproken?" vroeg hij.
"Neen," antwoordde lady Helena. "Maar aan mijn verzoek gehoor gevende, wenscht hij u te spreken."
"Ach! lieve Helena! zoudt gij geslaagd zijn?"
"Ik hoop het, Edward!"
"Hebt gij eenige belofte gedaan, die ik moet bekrachtigen?"
"Een enkele, mijn vriend! dat gij al uw invloed zult aanwenden om het lot te verzachten, dat dien ongelukkigen Ayrton wacht."
"Goed, lieve Helena! Laat Ayrton dadelijk hier komen."
Lady Helena ging met Mary Grant naar haar hut, en de bootsman werd naar delongroomgebragt, waar lord Glenarvan hem wachtte.
Zoodra de bootsman zich in tegenwoordigheid van den lord bevond, verwijderden zich zijn bewakers.
"Gij verlangt mij te spreken, Ayrton?" vroeg Glenarvan.
"Ja, mylord!" antwoordde de bootsman.
"Mij alleen?"
"Ja! maar ik denk, dat het beter zou zijn, wanneer majoor Mac Nabbs en mijnheer Paganel bij het gesprek tegenwoordig waren."
"Voor wien?"
"Voor mij."
Ayrton sprak met onverstoorbare kalmte. Glenarvan zag hem strak aan; vervolgens liet hij Mac Nabbs en Paganel roepen, die terstond aan zijn uitnoodiging voldeden.
"Wij luisteren naar u," zeide Glenarvan, zoodra zijn beide vrienden zich aan de tafel in delongroomgeplaatst hadden.
Ayrton bedacht zich een poos en zeide:
"Mylord! de gewoonte brengt mede, dat er getuigen zijn bij ieder verdrag of bij iedere schikking, die tusschen twee partijen wordt aangegaan. Daarom verlangde ik, dat de heeren Paganel en Mac Nabbs hier zouden zijn. Want om de waarheid te zeggen, ik wensch u een zaak voor te slaan."
Gewoon als hij was aan de manieren van Ayrton, fronsde Glenarvan zijn wenkbraauwen niet, hoewel een zaak tusschen hem en dien man iets belagchelijks scheen.
"Wat is dat voor een zaak?" vroeg hij.
"Luister," antwoordde Ayrton. "Gij verlangt van mij eenige omstandigheden te vernemen, die u nuttig kunnen zijn. Ik verlang van u eenige voordeelen, die van groot belang voor mij zullen zijn. Leer om leer, mylord! staat u dat aan of niet?"
"Welke omstandigheden zijn dat?" vroeg Paganel driftig.
"Neen!" hernam Glenarvan, "welke voordeelen zijn dat?"
Met een hoofdknikje toonde Ayrton het onderscheid te vatten, dat Glenarvan maakte.
"De voordeelen, die ik eisch," zeide hij, "zijn de volgende. Zijt gij nog altijd voornemens, mylord! mij in handen van de engelsche overheid te stellen?"
"Ja, Ayrton! en dat is niet meer dan billijk."
"Ik zeg niet van neen," antwoordde de bootsman bedaard. "Dus zoudt gij er nooit in bewilligen mij in vrijheid te stellen?"
Glenarvan aarzelde voor hij op een zoo duidelijke vraag antwoordde. Het lot van Harry Grant hing misschien af van hetgeen hij zou zeggen.
Toch behield het besef van zijn pligt jegens de menschelijke geregtigheid de overhand, en hij zeide:
"Neen, Ayrton! ik kan u de vrijheid niet teruggeven."
"Die vraag ik ook niet," antwoordde de bootsman fier.
"Wat verlangt gij dan?"
"Een middenweg, mylord! tusschen de galg, die mij wacht, en de vrijheid, die gij mij niet kunt schenken."
"En die is?..."
"Dat gij mij met de noodzakelijkste behoeften achterlaat op een der onbewoonde eilanden van de Stille Zuidzee. Ik zal mij behelpen, zoo veel ik kan, en boete doen, wanneer ik tijd heb!"
Glenarvan, die een dergelijk voorstel wel het allerminst verwachtte, zag zijn beide vrienden aan, die bleven zwijgen. Na eenige oogenblikken nadenkens antwoordde hij:
"Ayrton! zult gij, wanneer ik uw verzoek toesta, mij alles zeggen, wat ik belang heb te weten?"
"Ja, mylord! dat wil zeggen alles, wat ik van kapitein Grant en deBritanniaweet."
"De volle waarheid?"
"De volle."
"Maar wie staat mij borg?..."
"O! ik zie wat u beangstigt, mylord! Gij zult op mij moeten vertrouwen, op het woord van een boosdoener! Dat is waar! Maar wat zal ik zeggen? Het ligt er nu eenmaal toe. Niet of graag."
"Ik zal u vertrouwen, Ayrton!" zeide Glenarvan droogjes.
"En gij zult gelijk hebben, mylord! Bovendien, wanneer ik u bedrieg, hebt gij altijd het middel bij de hand om u te wreken!"
"En dat is?"
"Mij van het eiland af te halen, dat ik niet heb kunnen verlaten."
Ayrton had voor alles een antwoord gereed. Hij opperde zelf de bezwaren, hij leverde zelf onwraakbare bewijsgronden tegen zich. Zooals men ziet, wilde hij "zijn zaak" met ontwijfelbare goede trouw behandelen. Het was onmogelijk zich met argeloozer vertrouwen over te leveren. En toch vond hij een middel om nog verder te gaan op den weg der onbaatzuchtigheid.
"Mylord en mijne heeren!" voegde hij er bij, "ik wil, dat gij volkomen overtuigd zult zijn, dat ik open kaart met u speel. Ik zoek u geenszins te misleiden en wil u een nieuw bewijs geven van mijn opregtheid in deze zaak. Ik ga rondborstig te werk, omdat ik zelf op uw regtschapenheid reken."
"Spreek op, Ayrton!" antwoordde Glenarvan.
"Mylord! ik heb uw woord nog niet, dat gij in mijn voorstel bewilligt en toch aarzel ik niet u te zeggen, dat ik zeer weinig van Harry Grant af weet."
"Zeer weinig!" riep Paganel.
"Ja, mylord! De bijzonderheden, die ik in staat ben u mede te deelen, hebben betrekking op mij; zij gaan mij aan, en zullen u niet helpen het spoor terug te vinden dat gij verloren hebt."
Het gelaat van Glenarvan en den majoor teekende een levendige teleurstelling. Zij waanden hem in het bezit van een gewigtig geheim, en de bootsman bekende, dat zijn ontdekkingen niet veel om het lijf hadden. Wat Paganel aangaat, deze bleef even rustig.
Hoe het ook zij, deze bekentenis van Ayrton, die zich om zoo te zeggen op genade of ongenade overgaf, trof zijn hoorders zeer, vooral toen de bootsman er ten slotte bijvoegde:
"Nu weet gij het, mylord! De zaak zal voor u minder voordeelig zijn dan voor mij."
"Dat maakt niet uit," antwoordde Glenarvan. "Ik neem uw voorstel aan. Ayrton! Ik geef u mijn woord, dat gij op een der Zuidzee-eilanden aan land zult gezet worden."
"Goed, mylord!" antwoordde de bootsman.
Verheugde die zonderlinge man zich over dat besluit? Men mogt er aan twijfelen; want zijn strak gelaat verried niet de minste aandoening. Het scheen, dat hij voor een ander handelde, niet voor zich.
"Ik ben bereid om te antwoorden," sprak hij.
"Wij hebben niets te vragen," zeide Glenarvan. "Vertel ons wat gij weet, Ayrton! en zeg vooreerst maar wie gij zijt."
"Mijne heeren!" begon Ayrton, "ik ben werkelijk Tom Ayrton, de bootsman derBritannia. Ik heb den 12denMaart 1861 Glasgow verlaten op het schip van Harry Grant. Veertien maanden lang bevoeren wij samen de Stille Zuidzee om een gunstige plaats op te zoeken ten einde een schotsche kolonie te stichten. Harry Grant was er juist de man naar om groote dingen te doen; maar dikwijls hadden wij hooggaande twisten met elkander. Zijn karakter stond mij niet aan. Ik kan niet buigen; Harry Grant duldt geen verzet, mylord! wanneer zijn besluit genomen is; die man is van ijzer voor zich en voor anderen. Niettemin durfde ik te gaan muiten. Ik beproefde de bemanning ook tot muiterij over te halen en het schip te bemagtigen. Het doet hier weinig ter zake, of ik ongelijk had of niet. Hoe dat ook zij, Harry Grant weifelde niet, en zette mij den 8stenApril 1862 op de westkust van Australië aan land."